De brief van Pensioenfonds PFZW aan de voormalige deelnemers van de Accent-regeling. |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de brief van 25 maart 2020, die door Pensioenfonds Zorg & Welzijn (PFZW) is verstuurd aan de voormalige deelnemers van de pensioenregeling Accent?1
Ik ben bekend met de brief inzake de pensioenregeling Accent die aan tenminste één deelnemer van Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) is verzonden. Ik heb van PFZW begrepen dat dit geen algemene brief betrof en deze niet aan alle voormalig deelnemers van de pensioenregeling Accent is verstuurd.
Kunt u bevestigen dat PFZW de pensioenen die in dit verband tot 1 januari 2014 zijn opgebouwd met een rekenleeftijd van 65 jaar, opnieuw heeft berekend met een rekenleeftijd van 67 jaar, hetgeen leidt tot een korting van het pensioen?
1 januari 2014 is de wettelijke, fiscale pensioenrichtleeftijd gewijzigd van 65 naar 67 jaar. Ik heb begrepen dat PFZW de bestaande opbouw van alle deelnemers (zowel in de basisregeling als in de pensioenregeling Accent) opnieuw heeft berekend met de pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Dit heeft PFZW collectief actuarieel neutraal gedaan. Het actuarieel neutraal herrekenen van de opbouw naar een hogere pensioenrichtleeftijd leidt niet tot een verlaging, maar tot een verhoging van de pensioenuitkering vanaf pensioendatum.
Ik heb overigens van PFZW begrepen dat de in de deelnemersbrief genoemde correctie ook niet voortvloeit uit de herrekening van de pensioenrichtleeftijd. Deze brief ziet op het volgende. In 2010 is pensioenfonds FNV geliquideerd en zijn de pensioenen ondergebracht bij PFZW. De pensioenregeling Accent gold voor de periode van 2010–2020 voor de overgekomen (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Vanaf 2020 liep de regeling af en zijn de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden conform afspraak ingestroomd in de basisregeling van PFZW. Hierbij zijn de aanspraken en rechten nogmaals gecontroleerd. Indien bij deze controle is gebleken dat aanspraken/rechten eerder foutief berekend waren, hebben deelnemers hiervan bericht ontvangen.
Ik vind het op orde hebben van pensioenadministratie en het hiertoe uitoefenen van controles belangrijk. Dit borgt dat deelnemers de pensioenuitkering ontvangen waar zij op grond van de pensioenovereenkomst recht op hebben en niet ten onrechte een te lage of te hoge pensioenuitkering ontvangen. Een te lage uitkering benadeelt de deelnemer, een te hoge deelnemer het collectief. Voor het geval bij de controles fouten aan het licht komen, is het van belang dat pensioenuitvoerders een redelijk en billijk correctiebeleid hebben dat redelijk is in verhouding tot de pensioenregeling en recht doet aan de omstandigheden van het geval.
Overigens heb ik inmiddels begrepen dat de in de brief genoemde correctie onjuist was en dat PFZW deze ongedaan maakt en dat de desbetreffende deelnemer hierover is geïnformeerd.
Wat vindt u ervan dat de regeling met terugwerkende kracht wordt berekend, hetgeen leidt tot een lager pensioen voor de deelnemers?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt zich dit tot de harde toezegging van voormalig Staatssecretaris Klijnsma dat, bij herberekening van pensioenverplichtingen van 65 jaar naar 67 jaar, bestaande rechten niet mogen worden aangetast?
Bij het collectief actuarieel herrekenen van bestaande aanspraken naar een hogere pensioenrichtleeftijd (67 jaar) wordt de omvang van de pensioenuitkering vanaf die nieuwe pensioenleeftijd hoger. Er is in zoverre derhalve geen sprake van een aantasting van pensioenaanspraken. Dit is ook beschreven in de brief die Staatssecretaris Klijnsma hierover in januari 2013 aan de Eerste Kamer heeft verstuurd2. De correctie die in de brief wordt genoemd, vloeide niet voort uit deze herrekening (zie het antwoord op vraag 2 en 3).
Wat vindt u ervan dat deze herberekening plaatsvindt zonder toestemming van de deelnemers?
Bij het collectief actuarieel herrekenen van bestaande aanspraken naar een hogere pensioenrichtleeftijd wordt de omvang van de pensioenuitkering vanaf die nieuwe pensioenleeftijd hoger. Er is in zoverre derhalve geen sprake van een aantasting van pensioenaanspraken. Als het pensioenreglement er hiernaast in voorziet dat betrokkene de pensioen-ingangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten, zonder dat dit op voorhand de rechten aantast, leidt dit op voorhand niet tot nadeel voor de deelnemer. Individuele instemming is om deze reden niet nodig. Dit is in 2014 door mijn voorganger aangegeven aan de Eerste Kamer3 en per 2019 met de Wet Waardeoverdracht Klein Pensioen4 geëxpliciteerd in de wet.
Acht u de herberekening en de bijbehorende financiële gevolgen voor de deelnemers juridisch houdbaar in het licht van de Pensioenwet? Kunt u het antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het bericht «deelnemers winnen rechtszaak tegen verhoging pensioenleeftijd naar 67» van 10 november 2017?2
Ja.
Deelt u het standpunt, dat deze uitspraak ook van toepassing is op de bovengenoemde actuele kwestie bij Pensioenfonds PFZW?3 Kunt u het antwoord toelichten?
De rechterlijke uitspraak gaat over de herrekening met betrekking tot de wijziging van de pensioenrichtleeftijd. Ik heb van PFZW begrepen dat de in de brief genoemde correctie niet voortvloeit uit een dergelijke herrekening, maar uit een controle van de bestaande aanspraken/rechten (zie het antwoord op vraag 2 en7.
Deelt u de mening dat een gang naar de rechter in deze kwestie voorkomen kan worden? Bent u bereid contact op te nemen met PFZW om te trachten deze kwestie te beslechten? Kunt u het antwoord toelichten?
Ik vind het van belang dat deelnemers, die twijfels hebben over de juistheid van verstrekte informatie, altijd verhaal kunnen halen. Het eerste aanspreekpunt voor deelnemers is hierbij het pensioenfonds, bijvoorbeeld via een verzoek om toelichting of via de interne klachtenprocedure. Mocht er een geschil blijven bestaan kan een deelnemer terecht bij de Ombudsman Pensioenen of de rechter. Het is niet aan mij om hier te interveniëren.
Wat vindt u ervan dat PFZW «heeft gerekend met onjuiste AOW-tabellen» en de deelnemers pas na het beëindiging van de (Accent)regeling hierover informeert en met aanpassingen aan het pensioen confronteert?
Zoals hiervoor bij het antwoord op vraag 2 en 3 aangegeven vind ik het belangrijk dat pensioenadministraties op orde zijn. Hierbij hoort tevens het hanteren van de juiste gegevens en berekeningswijzen. Ook het regelmatig uitoefenen van controles op de pensioenadministraties is in dit kader belangrijk, om fouten die desondanks bestaan zo snel mogelijk op te sporen. Dit borgt dat deelnemers de pensioenuitkering ontvangen, waarop zij op grond van de pensioenovereenkomst recht hebben en niet ten onrechte een te lage of te hoge pensioenuitkering ontvangen. Een te lage uitkering benadeelt de deelnemer, een te hoge deelnemer het collectief. Voor het geval bij de controles fouten aan het licht komen is het van belang dat deelnemers hier zo spoedig mogelijk over worden geïnformeerd. Naar ik van PFZW heb begrepen is de deelnemer hierover geïnformeerd toen de fout aan het licht kwam. Daarnaast vind ik het van belang dat pensioenuitvoerders een redelijk en billijk correctiebeleid hebben dat redelijk is in verhouding tot de pensioenregeling en recht doet aan de omstandigheden van het geval.
Is het volgens de Pensioenwet toegestaan voor pensioenfondsen om bij fouten in de eigen administratie, het pensioen opnieuw te berekenen, ook na het aflopen van de regeling in kwestie? Wanneer zijn de risico’s van administratieve fouten door het pensioenfonds voor rekening van het pensioenfonds zelf en wanneer voor rekening van de deelnemer? Vindt u dat er in dit verband sprake is van een «grijs gebied»? Kunt u het antwoord toelichten?
Het feit dat de (maximale) huurtoeslag daalt wanneer een alleenstaande een kind krijgt |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat de (maximale) huurtoeslag voor een alleenstaande daalt wanneer de alleenstaande een kind (of meerdere kinderen) krijgt?1
Het klopt dat er een verschil is in de maximaal mogelijke huurtoeslag voor alleenstaanden en voor meerpersoonshuishoudens, waar ook eenoudergezinnen onder vallen. Voor alleenstaanden wordt boven de aftoppingsgrens nog 40% van de huurprijs boven deze aftoppingsgrens vergoed, voor een meerpersoonshuishouden niet. Bij huren boven de aftoppingsgrens bestaat daarom een verschil in de maximale toeslag.
Hoe groot is dit verschil, wanneer we uitgaan van de maximale huurtoeslag voor een alleenstaande en de maximale huurtoeslag voor een alleenstaande ouder met een jong kind zonder inkomen of vermogen als medebewoner?
Meerpersoonshuishoudens krijgen voor het gedeelte van de huur boven de voor hen geldende aftoppingsgrens geen huurtoeslag meer, alleenstaanden krijgen 40% van dat gedeelte vergoed. Voor alleenstaanden is de maximaal mogelijke huurtoeslag, bij een minimuminkomen en een huur ter hoogte van de huurtoeslaggrens, € 368 per maand en voor meerpersoonshuishoudens is de maximaal mogelijke huurtoeslag € 321 per maand. Dit is dus een verschil van € 47 per maand.
Echter geldt bij deze twee huishoudvormen ook een andere inkomensafhankelijkheid. Zo geldt voor de meerpersoonshuishoudens een hogere minimuminkomensgrens. Bij alleenstaande ouders neemt dus pas bij een hoger inkomen de eigen bijdrage toe dan bij alleenstaanden. Zo leidt bijvoorbeeld voor een bijstandsgerechtigde de stijging van de minimumuitkering bij het krijgen van een kind niet tot verlies aan huurtoeslag. Daarnaast behouden alleenstaande ouders ook tot een hoger inkomen het recht op huurtoeslag. Voor alleenstaande ouders met één kind (tweepersoonshuishoudens) en een huur ter hoogte van de huurtoeslaggrens geldt dat zij tot een belastbaar jaarinkomen van € 37.761 recht hebben op huurtoeslag, vergeleken met € 31.826 voor alleenstaanden met dezelfde huurprijs.
Vindt u dit verschil wenselijk?
In principe is het de bedoeling dat huishoudens met huurtoeslag helemaal niet worden gehuisvest in woningen met een huurprijs boven de aftoppingsgrens, omdat deze woningen ook met (volledige) huurtoeslag voor deze doelgroep erg duur zijn. Vanuit deze achtergrond moeten corporaties ook minimaal 95 procent van de huishoudens met recht op huurtoeslag die ze jaarlijks huisvesten een woning aanbieden met een huur die niet hoger is dan de aftoppingsgrens in de huurtoeslag. Wanneer alleenstaande ouders in een woning met een huur onder de aftoppingsgrens worden gehuisvest, is er geen sprake van het genoemde verschil.
Ik onderken dat alleenstaande ouders extra financiële ondersteuning nodig kunnen hebben. Echter krijgen zij deze extra ondersteuning al via bijvoorbeeld de alleenstaande ouderkop op het kindgebonden budget van € 3.190 per jaar (in 2020) en geldt voor deze groep zoals hiervoor aangegeven in de huurtoeslag ook een gunstiger inkomensafhankelijke afbouw dan voor alleenstaanden.
Deelt u dat het krijgen van een kind juist een reden kan vormen om een alleenstaande ouder met een laag inkomen extra te ondersteunen om de huur te kunnen betalen, bijvoorbeeld omdat een alleenstaande ouder extra ruimte in huis nodig heeft voor het kind of de kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke redenen liggen ten grondslag aan de keuze voor dit verschil?
Het is de bedoeling dat huishoudens in een voor hun situatie passende woning worden gehuisvest, zowel qua huishoudsituatie als met een huurprijs passend bij het inkomen. Zoals bij het antwoord op vraag 3 en 4 aangegeven is het in principe de bedoeling dat huishoudens met huurtoeslag helemaal niet worden gehuisvest in woningen met een huurprijs boven de aftoppingsgrens, omdat deze woningen ook met (volledige) huurtoeslag voor deze doelgroep erg duur zijn. In incidentele gevallen kan het onvermijdbaar zijn dat huurtoeslagontvangers in een voor hun relatief dure woning worden gehuisvest. Bij ouderen is dit soms het geval als zij aangewezen zijn op een woonvorm met extra voorzieningen, waardoor de huurprijs hoger wordt. Daarom krijgen ouderen ook boven de voor hen geldende aftoppingsgrens 40% van de huur vergoed.
Voor alleenstaanden is in 1997 ook huurtoeslag voor het gedeelte van de huur boven de aftoppingsgrens mogelijk gemaakt. Destijds was hiervoor de overweging dat de nettohuurquotes voor deze huishoudens zonder deze extra huurtoeslag aanzienlijk hoger lagen dan die voor meerpersoonshuishoudens [memorie van antwoord Kmrst. 1996–1997, 25 090, nr. 197b].
Hangt dit bijvoorbeeld samen met andere regelingen, zoals de alleenstaande ouderkop binnen het kindgebonden budget?
Op basis van inkomen en vermogen komt een alleenstaande ouder altijd in aanmerking voor kinderbijslag en kindgebonden budget als zij/hij een kind krijgt en ook huurtoeslag ontvangt.
De kinderbijslag is onafhankelijk van het inkomen en vermogen. Net zoals de huurtoeslag is het kindgebonden budget inkomensafhankelijk en kent een vermogenstoets. Het afbouwpercentage van het kindgebonden budget is lager dan het afbouwpercentage in de huurtoeslag. Het kindgebonden budget loopt dus ook verder het inkomensgebouw in dan de huurtoeslag. Alleenstaande ouders die huurtoeslag ontvangen hebben dus ook recht op het kindgebonden budget. De vermogenstoets in het kindgebonden budget is hoger dan de vermogenstoets in de huurtoeslag. Alleenstaande ouders die beschikken over een vermogen onder de vermogensgrens in de huurtoeslag en dus recht hebben op huurtoeslag, ontvangen dus ook kindgebonden budget.
Zijn er situaties denkbaar waarin een alleenstaande ouder alleen huurtoeslag ontvangt en alleen te maken krijgt met de nadelige effecten van de lagere (maximale) huurtoeslag en niet met de positieve effecten van het recht op (hogere) andere toeslagen, zoals het kindgebonden budget en de kinderbijslag?
Welke mogelijkheden zijn er om dit verschil terug te dringen?
In het IBO Toeslagen deel 1, naar u verzonden op 11 november 2019 (Kamerstuk 31 066, nr. 540), is in het kader van vereenvoudiging de mogelijkheid voor het harmoniseren van de aftoppingsgrenzen en de hoogte van de huurtoeslag boven de aftoppingsgrenzen onderzocht. Hiermee zouden de huidige twee aftoppingsgrenzen worden geharmoniseerd en wordt het recht op huurtoeslag boven de aftoppingsgrenzen voor alle huishoudtypen gelijkgetrokken. Hierdoor zou er dus geen verschil in maximale huurtoeslag meer zijn tussen alleenstaanden en alleenstaande ouders. Uit het rapport blijkt dat bij een budgettair neutrale vormgeving dit voor een deel van de huurtoeslagontvangers tot positieve inkomenseffecten zou leiden, en bij een deel van de huurtoeslagontvangers tot negatieve inkomenseffecten. Het voorkomen van negatieve inkomenseffecten in deze variant leidt tot € 53 miljoen hogere kosten huurtoeslag.
Wanneer verwacht u het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Toeslagen deel 2 en de kabinetsreactie naar de Kamer te sturen?
Op 30 april 2020 is het IBO Toeslagen deel 2 en de kabinetsreactie aan uw Kamer gezonden.
De armoede en schulden onder jongeren als gevolg van de participatiewet |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur over jongeren in Enschede die structureel geld tekortkomen?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat het onmogelijk is voor een jongere om met een bijstandsuitkering, of zelfs het minimumjeugdloon, zelfstandig te wonen? Zo nee, op welke punten zijn de cijfers uit het onderzoek onjuist en waarom? Welke alternatieve cijfers hanteert u in dat geval?
De bijstandsuitkering is een tijdelijke vangnetregeling voor de noodzakelijke kosten van bestaan. De hoogte van de bijstand is afhankelijk van de leeftijd. Dit betekent dat voor personen van 18 tot 21 jaar lagere jongerennormen gelden. Voor jongeren tot en met 20 jaar ligt het relevante wettelijk minimumjeugdloon ook lager dan het wettelijk minimumloon zoals dat geldt vanaf 21 jaar. Dit is bevorderlijk voor de stimulans om (vervolg)onderwijs te volgen.
Het kabinet vindt het van belang dat jongeren niet door middel van een uitkering voorzien in hun bestaanskosten, maar werken aan hun perspectief op de arbeidsmarkt door het volgen van scholing of het opdoen van werkervaring. Op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek hebben ouders een onderhoudsplicht jegens hun kinderen jonger dan 21 jaar. Om deze reden hoeft de bijstandsnorm voor personen van 18 tot 21 jaar niet volledig de noodzakelijke kosten van bestaan te dekken. Gelet op het vangnetkarakter van de bijstand is het gerechtvaardigd om bij de bepaling van de hoogte van de norm rekening te houden met deze onderhoudsplicht. Overigens zijn jongeren van 18 tot 21 jaar uitgezonderd van de toepassing van de kostendelersnorm en voor personen vanaf 21 jaar gelden de reguliere bijstandsnormen.
Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij de jongerennorm in de Participatiewet niet afdoende is om in het levensonderhoud te voorzien omdat het voor jongeren van 18 tot 21 jaar niet mogelijk is de ouderlijke onderhoudsplicht te gelde te maken (bijvoorbeeld omdat er geen ouders in beeld zijn of als de ouders onvoldoende draagkrachtig zijn). Op grond van de Participatiewet dienen gemeenten gebruik te maken van de maatwerkmogelijkheid om de jongerennorm aan te vullen in de vorm van aanvullende bijzondere bijstand.
Hiermee kan voorzien worden in een inkomen dat voldoende is om van te leven. De gemeenten hebben vervolgens de bevoegdheid om de aanvullende bijzondere bijstand te verhalen op de ouders.
Wat vindt u ervan dat jongeren met een bijstandsuitkering structureel 666 euro tekort komen? Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat zij dak- of thuisloos raken? Kunt u daarbij specifiek ingaan op jongeren die niet kunnen rekenen op steun van familie?
Zie antwoord vraag 2.
Om hoeveel jongeren gaat het en om welke bedragen? Indien u daar geen zicht op heeft, acht u het niet eens tijd daar onderzoek naar te doen?
Volgens de meest recente cijfers van het CBS van eind september 2019 ontvingen 6.720 personen tussen 18 en 21 een bijstandsuitkering. Het CBS heeft onderzoek gedaan naar de samenloop van algemene bijstand en bijzondere bijstand in 20182. Hieruit blijkt dat 17.750 personen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar op enig moment in 2018 een algemene bijstandsuitkering ontvingen. Van deze groep ontvingen 6.610 personen een vorm van bijzondere bijstand, waarvan 5.520 voor directe levensonderhoud en 1.140 voor woonkosten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat gemeenten in meer dan een derde van de gevallen de (lagere) bijstandsnorm van personen tussen 18 en 21 jaar aanvullen met bijzondere bijstand.
Heeft u zicht op de toegankelijkheid van de bijzondere bijstand voor deze jongeren? Onder welke voorwaarden kunnen jongeren in aanmerking komen voor bijzondere bijstand om reguliere, structurele kosten te vergoeden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een steeds groter deel van het budget voor bijzondere bijstand wordt besteed aan beschermingsbewind en de vergoeding voor juridische kosten? Kunt u cijfermatig inzicht bieden daarin? Welke oorzaken liggen ten grondslag aan deze stijging?
In deze vraag wordt er vanuit gegaan dat er een specifiek, geoormerkt budget is voor de bijzondere bijstand. De middelen voor de bijzondere bijstand maken echter deel uit van de algemene uitkering van het Gemeentefonds en zijn daarmee vrij besteedbaar. Gemeenten zijn dan ook beleidsmatig en financieel verantwoordelijk voor de bijzondere bijstand. Dit neemt niet weg dat het aantal mensen dat onder bewind is gesteld is toegenomen de afgelopen jaren en dat dit ook een toename aan kosten voor gemeenten met zich heeft meegebracht.
Bureau Bartels heeft in 2016 in opdracht van de Staatssecretaris van SZW onderzoek gedaan naar het aantal mensen voor wie beschermingsbewind is ingesteld en de gemeentelijke uitgaven die daarmee zijn gemoeid in de periode 2013–2015.3
De onderzoekers hebben berekend hoeveel de totale gemeentelijke uitgaven voor de drie beschermingsmaatregelen beschermingsbewind, curatele en mentorschap bedroegen. Hierin was een stijging te zien van € 55 miljoen in 2013 naar € 115 miljoen in 2015.
Uit cijfers van het CBS blijkt dat de jaarlijkse uitgaven van gemeenten aan bijzondere bijstand tussen 2010 en 2018 per saldo met 134 miljoen euro zijn gestegen, waarbij het cluster «financiële transacties» de sterkste stijging laat zien.4 Naast de kosten voor beschermingsbewind vallen hieronder ook de kosten voor onder meer rechtsbijstand, voor schuldsanering en voor toeslagen op het inkomen wanneer mensen langdurig zijn aangewezen op een laag inkomen of geen eigen vermogen hebben. Een meer specifieke duiding van het aandeel van de kosten voor beschermingsbewind is op basis van deze cijfers niet mogelijk.
Divosa concludeert in de Factsheet Financiën bijzondere bijstand uit 2016 dat de kosten voor financiële transacties met name zijn gestegen door de stijgende kosten van bewindvoering.5
De Raad voor de rechtspraak is gevraagd hoeveel beschermingsbewinden en meer specifiek hoeveel schuldenbewinden de afgelopen jaren zijn ingesteld (zie tabel 1).6 Uit de verstrekte cijfers blijkt dat tot 2016 sprake was van een jaarlijkse toename van het aantal ingestelde bewinden; dat komt overeen met de trend uit onderzoek van Bureau Bartels. Sinds 2016 neemt het aantal ingestelde bewinden jaarlijks steeds af.
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Aantal ingestelde schuldenbewinden
15.600
16.100
15.800
14.700
11.900
11.500
Totaal aantal ingestelde bewinden
39.600
38.500
38.000
36.200
34.000
32.500
Bureau Bartels heeft tevens onderzoek gedaan naar mogelijke verklaringen voor verschillen in gemeentelijke uitgaven voor beschermingsbewind. Zij constateerden dat de omvang van en ontwikkeling in de uitgaven zeer uiteenlopen. Uit het onderzoek blijkt tevens dat veel gemeenten initiatieven ontplooiden om de instroom in beschermingsmaatregelen en daarmee de gemeentelijke uitgaven voor beschermingsbewind te beïnvloeden. Daarbij gaat het veelal om het informeren van doorverwijzers (zorginstellingen, maatschappelijk werk, wijkteams) over beschikbare schuldhulpverleningsinstrumenten en het aandragen van alternatieven voor beschermingsbewind (bijv. varianten van budgetbeheer). Naast gemeentelijk beleid zijn er indicaties dat de economische crisis een belangrijke rol heeft gespeeld in de toename van het aantal beschermingsbewinden. Verklarende factoren voor de toename zijn daarnaast het ontbreken van een sociaal netwerk waardoor problemen (bijvoorbeeld schulden) langere tijd voortduren en de toenemende complexiteit van de samenleving.7
Gemeenten proberen grip te krijgen op de instroom in beschermingsbewind. Hieraan ligt niet alleen de wens ten grondslag om de druk op de bijzondere bijstand te verminderen, maar ook de wens om de meest passende vorm van ondersteuning voor mensen met schulden te vinden. Daartoe werken gemeenten samen met bewindvoerders en rechtbanken. Bijvoorbeeld via convenanten en pilots. Gemeenten hebben al de bevoegdheid om de rechter niet alleen te vragen schuldenbewind in te stellen, maar ook om een schuldenbewind te beëindigen. Het kabinet stelt verder in het regeerakkoord voor om gemeenten een adviesrecht te geven bij schuldenbewind. Daartoe heeft het op 1 april jl. het wetsvoorstel adviesrecht gemeenten bij schuldenbewind bij uw Kamer ingediend.8
Acht u het realistisch dat gemeenten het bedrag van 666 euro per maand zelf aanvullen? Zo ja, kunt u dat onderbouwen, mede in het licht van de grote financiële tekorten bij gemeenten omdat het Rijk meer geld aflost in plaats van te investeren in de samenleving?
De Participatiewet voorziet expliciet in de mogelijkheid om de jongerennorm aan te vullen via de bijzondere bijstand als jongeren niet bij hun ouders kunnen wonen en de onderhoudsplicht van hun ouders niet kunnen effectueren. Gemeenten zijn conform de Participatiewet gehouden om in die situatie aanvullende bijzondere bijstand te verstrekken. De toepassing hiervan vergt echter maatwerk. Zo dienen gemeenten vast te stellen of het noodzakelijk is voor jongeren om niet bij hun ouders te wonen. Zie ook mijn antwoord op vragen 2, 3 en 5.
Deelt u de opvatting dat iedereen zeker moet zijn van een fatsoenlijk bestaan en het dus onacceptabel is dat jongeren dak- of thuisloos raken door regels in de bijstand? Welke elementen uit de wet zijn hier debet aan? Gaat u beleid maken om dit te voorkomen?
Ik deel de opvatting dat iedereen in Nederland verzekerd moet zijn van een bestaansminimum als hij of zij zelf hier tijdelijk niet in kan voorzien. Zoals ik in mijn antwoord op vragen 2, 3 en 5 heb aangegeven biedt de Participatiewet deze mogelijkheid ook.
Wat is het budgettaire beslag van een verruiming van de kostendelersnorm voor drie of meer personen naar 50 procent van de Wet minimumloon (WML), en van een verruiming voor drie personen naar 50 procent, voor vier personen naar 45 procent, en vijf personen naar 40 procent? Wat is het beslag als deze verruimingen tijdelijk zouden zijn, bijvoorbeeld het eerste of de eerste twee jaar dat mensen samenwonen?
De kostendelersnorm in de Participatiewet geldt zowel voor de bijstand als voor de AIO. In 2019 waren er ruim 23.000 huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet, waarbij de kostendelersnorm voor 3 personen of meer van toepassing was. In het geval de kostendelersnorm voor 3 of meer personen wordt verhoogd naar het normbedrag voor 2 kostendelers zal dit naar verwachting, op basis van gegevens over 2019, bijna € 70 miljoen kosten. Indien het normbedrag wordt verhoogd voor 3 kostendelers naar 50% van het referentie minimumloon, voor vier kostendelers naar 45% en voor 5 kostendelers naar 40%, kost dat in totaal ruim € 50 miljoen. Er zijn geen gegevens bekend over de duur van het samenwonen van bijstandsgerechtigden, het budgettair beslag van een tijdelijke verruiming kunnen we ook niet in beeld brengen.
Een tijdelijke verruiming van de kostendelersnorm is niet aan de orde, niet voor het eerste noch de eerste twee jaar dat mensen samenwonen. Het principe van de kostendelersnorm is dat de kosten gedeeld kunnen worden. Voor wat betreft kwetsbare groepen biedt de Participatiewet gemeenten voldoende mogelijkheden om in een individueel geval maatwerk toe te passen. Zo hebben gemeenten de mogelijkheid om de kostendelersnorm niet toe te passen voor personen van 21 jaar en ouder die tijdelijk inwonen bij een bijstandsgerechtigde. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om mensen in een crisissituatie, daklozen of mensen die dakloos dreigen te raken.
Wat is het budgettaire beslag van een verruiming van de norm voor jongeren in de bijstand, van bijvoorbeeld 10 procent?
Gegevens van het CBS over het derde kwartaal van 2019 laten zien dat in die periode ca. 6700 personen jonger dan 21 een bijstandsuitkering ontvingen. Een 10%-verhoging van de jongerennorm zou inhouden dat alleenstaande jongeren voortaan € 285,76 per maand ontvangen in plaats van € 259,78 per maand. De verhoging geldt ook voor gehuwden met de jongerennorm. Een globale inschatting van de bijbehorende uitgaven als de jongerennorm met 10% wordt verhoogd is € 3 miljoen euro. In deze raming is geen rekening gehouden met gedragseffecten, een verhoging van de bijstandsnormen voor 18-, 19- en 20-jarigen roept naar verwachting meer gebruik op, waardoor de kosten hoger uitvallen.
Bent u bereid over te gaan tot het schrappen van de vierwekenzoektermijn, aangezien deze periode zonder inkomen schulden veroorzaakt?
Jongeren van 18 tot 27 jaar die zich melden voor een beroep op bijstand hebben te maken met een zoektermijn van vier weken voordat de aanvraag om bijstand in behandeling wordt genomen. Deze zoektermijn in de Participatiewet draagt eraan bij dat colleges jongeren activeren om te zoeken naar werk of een opleiding te volgen. Opleiding en werk kunnen in beginsel alleen een succes worden met eigen inzet en initiatief; de eigen verantwoordelijkheid van de jongere dient daarbij voorop te staan. Als het college na die vier weken oordeelt dat de jongere zich tijdens die vier weken voldoende heeft ingespannen, maar hij of zij heeft geen werk of scholing gevonden, dan kan met terugwerkende kracht vanaf de dag van melding, bijstand worden toegekend. In dit verband is het van belang dat de colleges de maatwerkmogelijkheid van arbeidsondersteuning hebben voor met name kwetsbare jongeren die moeite hebben om zelf naar werk of scholing te zoeken. Voorts geldt dat op het moment dat een jongere zich meldt bij een gemeente voor inkomensondersteuning en ook kampt met schulden, het college gelijk kan starten met schuldhulpverlening. Op die manier kan snel voorkomen worden dat schulden verder oplopen. De zoektermijn is daar geen obstakel voor.
Om bovenstaande redenen vind ik het dan ook niet gewenst om de wettelijk verplichte zoektermijn en daarmee de wachttijd voor de inkomensondersteuning zondermeer en categoriaal voor alle jongeren die een beroep op bijstand doen te schrappen.
Vanwege de Coronacrisis heb ik mogelijk gemaakt dat de colleges in de periode 1 maart tot 1 september 2020 kunnen afwijken van de regels rond de verplichte zoektermijn van vierweken. Daardoor kunnen zij individueel maatwerk toepassen bij het hanteren van de zoektermijn en daarmee mogelijke financiële problemen voorkomen bij jongeren die plotseling zonder werk en inkomsten komen te zitten als gevolg van de coronacrisis, terwijl ander werk of scholing door de uitzonderlijke omstandigheden op dit moment lang niet overal voorhanden is.
Gevolgen van de coronacrisis |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Hoe gaan gemeenten om met re-integratieverplichtingen in de Participatiewet? Wordt daarbij rekening gehouden met gevaren en onmogelijkheden die worden veroorzaakt door het coronavirus?
De maatregelen om het Corona-virus te bestrijden zijn ingrijpend. Deze gelden ook voor werkzoekenden en werkenden die onder de Participatiewet vallen.
Op het maatwerk dat de colleges toepassen bij de re-integratieondersteuning van hun cliënten is altijd de zorgplicht van toepassing dat re-integratie plaats vindt onder veilige en gezonde voorwaarden. Colleges zorgen er dus ook voor dat de corona-maatregelen worden toegepast: niet onnodig reizen en afstand houden. Dit betekent dat sommige vormen van re-integratieondersteuning nu niet zijn uit te voeren. Maar bijvoorbeeld een proefplaatsing bij een supermarkt is nog steeds mogelijk, wanneer op de werkplek afdoende maatregelen zijn getroffen.
Ziet u dat de kans afneemt dat mensen met een bijstandsuitkering een baan vinden, nu steeds meer mensen hun baan verliezen? Bent u bereid de sollicitatieplicht in de bijstand tijdelijk op te schorten en geen sancties op te leggen?
In iedere crisis nemen de baankansen voor alle werkzoekenden af, dus ook voor mensen met een bijstandsuitkering. In sommige bedrijven is echter wel degelijk nog vraag naar personeel. Zowel nu als na afloop van de Corona-crisis.
Uiteraard worden sollicitatieprocedures nu ook aangepast, zodat men zich kan houden aan de Corona-maatregelen; bijvoorbeeld een sollicitatiegesprek via een beeldverbinding. In dit verband is het van belang dat de colleges binnen de kaders van de Participatiewet uitdrukkelijk de ruimte hebben om de in de Participatiewet omschreven algemene verplichting tot arbeidsinschakeling af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
Het is daarom niet nodig om de verplichtingen ten aanzien van de arbeidsinschakeling categoriaal voor alle bijstandsgerechtigden tijdelijk op te schorten.
Hoe gaan gemeenten op dit moment om met de tegenprestatie in de bijstand? Deelt u de mening dat het onwenselijk is om mensen te verplichten tot een tegenprestatie, nu zoveel mensen onvrijwillig thuis zitten?
De Corona-maatregelen leggen ook restricties op aan de tegenprestatie die nu aan mensen gevraagd kunnen worden. Ik vraag van gemeenten niet het onmogelijke. Maar er zijn ook vormen van tegenprestatie die nog wel goed uitgevoerd kunnen worden. Ik vertrouw in deze moeilijke tijden dat de colleges hierin de goede afwegingen maken.
Hoe garanderen werkgevers, gemeenten en Sociale werkbedrijven dat werkplekken voor mensen die onder de Participatiewet vallen voldoende veilig zijn? Welke maatregelen nemen zij om verspreiding van het virus te voorkomen?
Voor mensen die onder de Participatiewet vallen en werkzaamheden verrichten binnen een bedrijf gelden dezelfde voorwaarden als voor hun (andere) werknemers. Dus voor hen worden dezelfde maatregelen genomen tegen besmetting door het virus.
Ontvangt u signalen van kringloopwinkels die failliet dreigen te gaan? Bent u bereid hen specifieke ondersteuning te bieden, juist ook omdat gevreesd wordt dat meer mensen hier gebruik van zullen moeten maken?
Mij zijn geen specifieke signalen bekend. Daar waar mogelijk blijven winkels open voor publiek, mits er voldoende afstand tussen klanten onderling en personeel kan worden gewaarborgd. In een aantal gevallen zijn winkels tijdelijk gesloten in verband met de veiligheid en worden geen gebruikte goederen opgehaald. Uiteraard moet er ook extra zorg zijn voor hygiëne, ontsmetting van veel gebruikte voorwerpen et cetera. Een voorbeeld daarvan is hoe supermarkten dit hebben opgepakt. Ook andere winkels volgen deze praktijk: een beperkt aantal klanten in de winkel, extra maatregelen bij de kassa.
Veel winkels hebben te maken met een groot omzetverlies omdat er minder klanten komen. Dat is naar verwachting ook het geval bij de kringloopwinkels. Voor het omzetverlies en andere gevolgen is een uitgebreid pakket aan maatregelen genomen. De effecten daarvan worden nauwgezet gevolgd.
Ondersteuning voor zelfstandigen en de culturele sector |
|
Peter Kwint , Mahir Alkaya , Frank Futselaar |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Bent u van mening dat met de brief waarin u antwoord geeft op de aangenomen motie-Jetten c.s. voldoende recht gedaan is aan het verzoek van de Kamer, namelijk het komen tot een steunpakket voor de culturele sector om de gevolgen van de coronacrisis te kunnen dragen? Zo nee, met welke maatregelen bent u voornemens nog verder te komen?1
In de brief van de Minister van OCW van 27 maart jl. is aangegeven dat de generieke maatregelen van het kabinet ook van toepassing zijn op de culturele en creatieve sector, voor zowel zelfstandigen als instellingen. Deze kabinetsbrede maatregelen (vanuit de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)) bieden houvast voor bedrijven, instellingen en werkenden in het culturele en creatieve veld. Relevante voorbeelden zijn: de werktijdverkorting voor werknemers en werkgevers, de extra ondersteuning voor zzp’ers, de belastingmaatregelen, verruiming en versoepeling van de borgstelling midden- en kleinbedrijf, financiële ondersteuning via Qredits en de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid-19 (TOGS). Daarmee worden banen behouden, worden zzp’ers en kleine ondernemingen ondersteund en worden lasten verlaagd.
Daarnaast zijn er coulancemaatregelen genomen voor de door het rijk gesubsidieerde instellingen. Voorbeelden van deze coulance maatregelen zijn: het opschorten van huren van rijksgesubsidieerde musea. Voor instellingen die onderdeel uitmaken van de Basisinfrastructuur of die gefinancierd worden vanuit de Erfgoedwet geldt dat de deadline voor het indienen van de jaarverantwoording over 2019 is verschoven van 1 april 2020 naar 1 juni 2020. Voor deze groep geldt ook dat subsidies doorlopen. Bij de vaststelling van de subsidie voor de Basisinfrastructuur 2017–2020 zal de subsidie niet worden gekort als voorgenomen prestaties niet worden gehaald vanwege COVID-19. Gemeenten hebben de Minister van OCW laten weten deze maatregel te volgen. Daarnaast hebben de instellingen in de Basisinfrastructuur al op korte termijn de beschikking gekregen over hun subsidie voor het derde kwartaal van 2020, zodat zij over meer liquide middelen beschikken en verplichtingen aan vooral freelancers en zzp’ers kunnen nakomen.
De zes rijkscultuurfondsen nemen alle bovengenoemde coulancemaatregelen over voor de instellingen die zij ondersteunen. Gemeenten, provincies en private fondsen hebben toegezegd ook coulance te betrachten.
In de brief van de Minister van OCW van 15 april jl. is aangegeven dat er 300 miljoen euro extra wordt uitgetrokken voor aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector. Met deze steun worden instellingen die van vitaal belang zijn voor de sector, door de financieel zware eerste maanden van de coronacrisis heen geholpen. Om na de crisis weer geleidelijk te kunnen opstarten is het bovendien ook nodig dat er nu wordt geïnvesteerd in nieuwe, aangepaste, producties voor het volgende seizoen. Ook kan door deze aanvullende ondersteuning de werkgelegenheid in deze sector zoveel mogelijk worden behouden.
Herinnert u zich dat u in uw brief spreekt van onduidelijke communicatie over de deadline tot wanneer evenementen niet door mogen gaan? Kunnen ondernemers die door deze onduidelijkheid plotseling aansprakelijkheid dragen voor het afzeggen van evenementen aanspraak maken op compensatie voor de geleden schade door deze slechte overheidscommunicatie?2
Het besluit tot 1 juni 2020 ziet op vergunnings- en meldplichtige evenementen. Culturele activiteiten, zoals voorstellingen, tentoonstellingen en concerten, die niet vergunnings- of meldplichtig zijn, vallen onder het maatregelenpakket dat tot en met 28 april a.s. geldt. Het kabinet zal dit op 21 april opnieuw bekijken. Om de ondernemers in de culturele sector te compenseren voor schade kunnen ook zij gebruik maken van het noodpakket, waaronder de TOGS, TOZO en NOW en de fiscale maatregelen. Maatregelen die vooralsnog gelden tot en met 28 april kunnen voor activiteiten die een lange voorbereidingstijd kennen, zoals in de culturele sector vaak het geval is, het einde van het seizoen impliceren. Het kabinet begrijpt dat daar dan ook door de culturele sector naar gehandeld is en dat er activiteiten zijn afgezegd voor langere periode – in eerste instantie – tot 1 juni 2020. Dat is vanuit het perspectief van de sector een logisch besluit geweest.
Waarom kunnen kappers wel aanspraak maken op aanvullende steunmaatregelen, maar bijvoorbeeld tatoeëerders of andere ondernemers met SBI-code 9609 niet? Moeten deze ondernemers niet ook vanwege het directe fysieke contact met hun klanten de deuren nu sluiten? Bent u bereid deze omissie te repareren?
Op dinsdag 7 april jl. is de uitbreiding met non-food retail en nog een tweede uitbreiding aan uw Kamer gecommuniceerd. SBI-code 9609, waar tatoeëerders onder vallen, is in deze uitbreiding opgenomen. De volledige lijst met SBI-codes die in aanmerking komen voor de TOGS wordt met terugwerkende kracht in de Staatscourant gepubliceerd.
Herkent u de zorgen van uitbaters van bijvoorbeeld monumenten dat zij niet alleen de toegangsprijzen missen, maar ook bijvoorbeeld klandizie in hun klantenshops, horeca, rondleidingen enz.? Bent u bereid om met het veld in gesprek te gaan om te kijken hoe aanvullende compensatie soelaas kan bieden?
De Minister van OCW herkent de zorgen van monumenteneigenaars die niet alleen de inkomsten van de kaartverkoop missen maar ook andere inkomsten uit zakelijke verhuur, horeca en winkels. In de uitbreiding van de TOGS-regeling, die middels de Kamerbrief van dinsdag 7 april jl. aan de Kamer is gecommuniceerd, is monumentenzorg dan ook opgenomen. In de brief van de Minister van OCW van 15 april jl. is aangegeven dat er 300 miljoen euro extra wordt uitgetrokken voor aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector. Een deel van deze additionele middelen wordt ingezet voor het verhogen van de leenfaciliteit voor monumenteneigenaren van opengestelde rijksmonumenten via het Nationaal Restauratie Fonds.
Welke mogelijkheden zijn er voor zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) die in de loop der jaren hun werkveld hebben verlegd, maar nog altijd bij de Kamer van Koophandel een oude SBI-code hebben? Kunnen zij wanneer ze kunnen aantonen ander werk te doen alsnog in aanmerking komen voor ondersteuning?
Ondernemers die, op basis van hun hoofdactiviteit, menen in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming, maar zien dat zij geregistreerd staan onder een verkeerde SBI-code, kunnen dit melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl zal deze verzoeken dan bekijken op redelijkheid en billijkheid.
Waarom is de eis dat het huisadres niet het adres van het bedrijf mag zijn als voorwaarde toegevoegd? Erkent u dat voor heel veel zelfstandigen in de culturele sector (maar ook daarbuiten) hun huisadres een heel logische vestigingsplaats voor hun onderneming is? Bent u bereid om deze voorwaarde te schrappen?
De tegemoetkoming via de TOGS is bedoeld om ondernemers te ondersteunen die te maken hebben met omvangrijke, terugkerende vaste lasten, bijvoorbeeld door de huur van een bedrijfspand. Natuurlijk kunnen er gevallen zijn die tussen wal en schip vallen bij het strak hanteren van de vestigingsvereiste. Om dat te voorkomen is in de brief die op 7 april jl. aan uw Kamer is gestuurd, toegelicht dat we aan de hand van sectorspecifieke criteria ondernemers met significante, periodiek terugkerende vaste lasten, terwijl zij ingeschreven staan op het huisadres, tegemoet komen. Hiervoor zal van deze ondernemers een aanvullende verklaring worden gevraagd. Uit deze verklaring moet blijken dat de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager een zekere minimale omvang hebben. Dit kan in ook gelden voor de zelfstandige uit de culturele sector. Maar in de gevallen waar dat niet zo is, is de kans groot dat die als zzp’er een beroep kan doen op andere regelingen zoals de TOZO.
Wat was uw overweging om bijvoorbeeld grote sectoren zoals beeldende kunsten, vormgeving en architectuur niet toe te voegen aan de culturele sectoren waar specifieke steun voor wordt aangeboden? Bent u bereid dit alsnog te overwegen?
Indien hiermee wordt gedoeld op de TOGS:
Het doel van de TOGS is om ondernemers, die een dominant effect zien op hun bedrijfsvoering door het wegblijven van de consument als direct gevolg van de kabinetsmaatregelen, snel ondersteuning te bieden in de dekking van hun vaste kosten, zoals de huur van een bedrijfspand. In eerste instantie is bij het bepalen van de doelgroep gekeken naar sectoren die direct getroffen waren door de volgende drie overheidsmaatregelen: gedwongen sluiting van bepaalde bedrijven, het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen en het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In de beleidsregel die met terugwerkende kracht op 27 maart 2020 in werking trad, is een overzicht gegeven van sectoren die in aanmerking voor de TOGS komen. Beeldende kunsten, vormgeving en architectuur waren hier niet in opgenomen, omdat dit geen ondernemingen betreft die door de kabinetsmaatregelen gedwongen moeten sluiten, of dicht moeten door het verbod op het organiseren van evenementen.
De SBI-code «scheppende kunst», waar beeldende kunst onder valt, is ontzettend breed. Zo vallen onder deze code ook journalisten, bloggers en schrijvers, die in principe hun werk kunnen blijven uitvoeren. Daarom is er voor gekozen deze SBI ook niet mee te nemen in de uitbreiding van de lijst met sectoren die op 7 april jl. aan de Kamer is gecommuniceerd. Daarnaast is er voor gekozen architectuur en vormgeving niet op te nemen in de uitbreiding van de lijst met sectoren omdat zij niet direct door de kabinetsmaatregelen getroffen zijn of directe toeleveranciers zijn van de getroffen sectoren. In de uitbreiding zijn overigens wel opgenomen: filmproductie en productie van televisieprogramma's, fotografie, facilitaire activiteiten voor film- en televisieproductie, distributie van films en televisieproducties, maken en uitgeven van geluidsopnamen, openbare bibliotheken, kunstuitleencentra en openbare archieven.
Tot slot heeft het kabinet tot een breed pakket aan maatregelen besloten om ondernemers en bedrijven op verschillende manieren te ondersteunen, met bijvoorbeeld een voorziening gericht op het doorbetalen van lonen aan werknemers, een regeling voor zzp’ers, het vergemakkelijken van kredietverstrekking door de banken en meer. Het is dus goed mogelijk dat ondernemers die weliswaar niet in aanmerking komen voor de TOGS, wel een beroep kunnen doen op andere regelingen.
Vallen poppodia ook onder de regelingen voor theaters en schouwburgen? Geldt dit ook voor festivals? Zo nee, deelt u dan de zorgen dat dit tot een kaalslag in de popmuziek sector kan leiden?
Op basis van hun hoofdactiviteit kunnen festivalorganisatoren in aanmerking komen voor de TOGS. Festival organisatoren heb geen eigen SBI-code maar vallen hoofdzakelijk onder de SBI «dienstverlening uitvoerende kunst» of onder «producenten podiumkunsten». Deze SBI-codes vallen al binnen de TOGS-regeling.
Ook poppodia hebben geen eigen SBI-code. Op basis van hun hoofdactiviteit zouden ook zij in aanmerking moeten komen voor de TOGS omdat zij gedwongen dicht moeten. Hoofdzakelijk vallen poppodia onder SBI-code 9002 «dienstverlening voor uitvoerende kunsten» welke al is opgenomen in de TOGS-regeling.
Bent u bereid om, wanneer blijkt dat dit pakket niet afdoende is om grote schade aan de culturele sector te voorkomen, alsnog te komen tot een garantiefonds voor makers en instellingen? Zo nee, waarom niet.
In de brief van de Minister van OCW van 15 april jl. is aangegeven dat er 300 miljoen euro extra wordt uitgetrokken voor aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector. Met deze steun worden instellingen die van vitaal belang zijn voor de sector, door de financieel zware eerste maanden van de coronacrisis heen geholpen. En hiermee worden ze ook in staat gesteld te investeren in het komende culturele seizoen. Ook kan door deze aanvullende ondersteuning de werkgelegenheid in deze sector zoveel mogelijk worden behouden.
Waarom is besloten om de non-food retail niet mee te nemen in de regeling Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren, terwijl hier ook grote verliezen worden gemaakt door de Corona-crisis, onder andere door het advies van de overheid om zoveel mogelijk thuis te blijven?
Het doel van de TOGS is om ondernemers, die een dominant effect zien op hun bedrijfsvoering door het wegblijven van de consument als direct gevolg van de kabinetsmaatregelen, snel ondersteuning te bieden in de dekking van hun vaste kosten, zoals de huur van een bedrijfspand. Bij de oprichting is aangegeven dat indien blijkt dat deze maatregel niet toereikend is, in een latere fase besloten kan worden om meer sectoren voor de eenmalige tegemoetkoming in aanmerking te laten komen. In eerste instantie is bij het bepalen van de doelgroep gekeken naar sectoren die direct getroffen waren door de volgende drie overheidsmaatregelen: gedwongen sluiting van bepaalde bedrijven, het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen en het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Na analyse van de sinds 27 maart jl. gedane aanvragen voor de TOGS en de recente acute, negatieve ontwikkelingen van de winkelomzetten, heeft het kabinet op 28 maart jl. aangekondigd dat ondernemers in de non-food retail (inclusief non-food markthandel) vanaf 30 maart 2020 ook aanspraak kunnen maken op de eenmalige tegemoetkoming, mits ze aan de overige gestelde vereisten voldoen. Ondernemers in de sector non-food retail kunnen weliswaar openblijven, maar zien hun inkomsten sterk teruglopen als direct gevolg van de kabinetsaanwijzing om 1,5 meter afstand te houden en zoveel mogelijk thuis te blijven. Het betreft eveneens bedrijven die direct getroffen worden door het wegblijven van consumenten als gevolg van de kabinetsaanwijzingen.
In hoeverre valt het advies van de premier «blijf zoveel mogelijk thuis»3 te rijmen met de uitspraak van de Staatssecretaris van Economische Zaken «Je mag naar een winkel gaan, dus doe dat dan ook»?4
De Minister-President en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat staan beiden achter de aanpak om de coronacrisis te bestrijden. Zoveel mogelijk thuisblijven is één van de aanwijzingen van het kabinet om dit te bewerkstelligen. Daarnaast is het toegestaan om naar de winkel te gaan, mits er wordt voldaan aan de 1,5 meter afstandseis.
Mocht het kabinet besluiten tot verder beperkende maatregelen voor bedrijven, bijvoorbeeld sluiting van de non-food retail, zal de regeling Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren dan worden uitgebreid tot deze sectoren?
Het doel van de TOGS is om ondernemers die een dominant effect zien op hun bedrijfsvoering door het wegblijven van de consument als direct gevolg van de kabinetsmaatregelen, snel ondersteuning te bieden in de dekking van hun vaste kosten, zoals de huur van een bedrijfspand. Mochten er aanvullende maatregelen komen van het kabinet, dan moet er worden bezien wat de beste oplossing is om ondernemers verder te ondersteunen.
Indien bovenstaande groepen uitgebreidere ondersteuning via onder meer de regelingen NOW en het noodloket krijgen, zoals voorgesteld in deze vragen, is de afgelopen donderdag door de Kamer geaccordeerde suppletoire begroting dan voldoende? Zo nee, hoeveel geld dient dan extra te worden toegevoegd?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen bij bovenstaande groepen nauwlettend. Er is nu een noodpakket met maatregelen ter ondersteuning van de economie en banen gecommuniceerd. Het kabinet heeft vertrouwen in deze maatregelen. Dit laat onverlet dat de ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. Als de situatie zich voordoet dat meer maatregelen of uitbreidingen nodig zijn, zal uw Kamer daar vanzelfsprekend van op de hoogte worden gesteld. Budgettaire verwerking kan dan gevraagd worden middels een suppletoire begroting.
Mogelijke ondersteuning van AOW-gerechtigde zelfstandig ondernemers die in de knel komen door de coronacrisis |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Is het waar dat zelfstandige ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt geen gebruik kunnen maken van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), en daardoor niet in aanmerking kunnen komen voor tijdelijke inkomensondersteuning tot aan het sociaal minimum, en het aanvragen van een lening voor bedrijfskapitaal?1
Het klopt dat zelfstandige ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, niet in aanmerking komen voor inkomensondersteuning op grond van de Tozo. Zelfstandige ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen – indien zij aan de voorwaarden van de Tozo voldoen – wel in aanmerking komen voor bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Dit is geregeld in de Tijdelijke regeling overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers van 29 april jl.
Waarom geldt deze regeling niet na de pensioengerechtigde leeftijd?
Pensioengerechtigden die nog actief zijn als zelfstandige, kunnen als gevolg van de coronacrisis worden geconfronteerd met een verlies van inkomsten uit hun onderneming. Echter, zij zijn aangewezen op het pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en waar nodig op algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Het reguliere vangnet van de AIO, dat in voorkomende gevallen reeds een inkomensaanvulling tot het sociaal minimum garandeert, is naar mijn oordeel ook in deze tijd van coronacrisis een adequaat vangnet. Zelfstandige ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, komen om die reden niet in aanmerking voor bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo.
Is dit onderscheid op grond van leeftijd gerechtvaardigd en geoorloofd? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ben ik van oordeel dat voor zelfstandigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd een adequaat vangnet is van AOW en AIO, waardoor een inkomensaanvulling tot het sociaal minimum is gegarandeerd. Dit vangnet geldt voor alle personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd, niet voor personen buiten die leeftijdsgroep. Om die reden is het onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd en geoorloofd.
De aanwezigheid van een adequaat vangnet met een gegarandeerde inkomensaanvulling tot het sociaal minimum is ook een van de redenen waarom bestaande ontvangers van algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 categorisch zijn uitgesloten van het recht op bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo.
Kunnen gevestigde zelfstandig ondernemers die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben niet óók in de knel komen door de coronacrisis, waarbij hun inkomen onder het sociaal minimum raakt? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zelfstandig ondernemers die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt kunnen als gevolg van de coronacrisis te maken krijgen met een inkomensdaling tot onder het sociaal minimum. Dit is afhankelijk van de hoogte van het AOW-pensioen en de overige inkomsten. Als een AOW-gerechtigde onder het sociaal minimum komt, kan recht ontstaan op bijstand in de vorm van een AIO. De AIO kent wel een vermogens- en partnertoets. De AIO kan worden aangevraagd bij de Sociale Verzekeringsbank.
Waar kan een pensioengerechtigde zelfstandig ondernemer met jongere partner terecht voor ondersteuning, indien zijn inkomen als gevolg van de coronacrisis onder het sociaal minimum terecht komt?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het niet nodig om de economische activiteit van pensioengerechtigde zelfstandig ondernemers te beschermen tegen de gevolgen van de coronacrisis, door ook hen in de gelegenheid te stellen onder de voorwaarden van de Tozo een lening voor bedrijfskapitaal aan te vragen tot een maximum van 10.517 euro? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zelfstandige ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, komen niet in aanmerking voor bijstand voor levensonderhoud. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Zelfstandige ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen – indien zij aan de voorwaarden van de Tozo voldoen – in aanmerking komen voor bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Biedt de overheid nog andere mogelijkheden aan pensioengerechtigde zelfstandig ondernemers om hun ondernemerschap te beschermen tegen de gevolgen van de coronacrisis? Zo ja welke? Zo niet, waarom niet?
De campagne van Second Love waarin wordt opgeroepen tot vreemdgaan |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de recente reclamecampagne van Second Love op billboards en in bushokjes met de tekst «Op weg naar een avontuurtje? Ik ook. www.secondlove.nl Flirten is niet alleen voor singles»?
Ja.
Wat is uw mening over deze oproep tot vreemdgaan?
Heeft u kennisgenomen van de blog «Ontrouw of het huwelijk nieuw leven inblazen?», waarin de reclamecampagne wordt gelegitimeerd?1
Wat is uw reactie op deze blog, met name de volgende uitspraken: «Ontrouw is een manier om het huwelijk het nieuw leven in te blazen en de passie opnieuw aan te wakkeren.» «Vergeet om te beginnen opvattingen en dogma’s die de maatschappij je heeft ingeprent over monogamie en dat je – man of vrouw – trouw moet zijn aan een enkele seksuele partner.» «Hoewel niet in alle gevallen, worden sommige relaties zelfs gered dankzij een bevredigend en discreet overspel.»?
Bent u bereid een moreel appèl te doen op de aanbieder om te stoppen met deze campagne?
Bent u bereid gemeenten aan te moedigen gebruik te maken van de mogelijkheden die zij hebben om dit soort reclame-uitingen te voorkomen?
Deelt u de mening dat een relatie of huwelijk niet slechts een privéaangelegenheid is, maar ook maatschappelijke betekenis heeft, zoals het opvoeden van kinderen in de veilige context van een gezin?
Relaties en huwelijk maken naar het oordeel van het kabinet deel uit van het privédomein van individuele burgers. Burgers die behoefte hebben aan relatieondersteuning kunnen wel geholpen worden door de overheid, de verantwoordelijkheid hiervoor is bij gemeenten belegd.
Vindt u ook dat deze reclamecampagne het overheidsbeleid ondermijnt om (de gevolgen) van echtscheidingen tegen te gaan, zoals in het programma Scheiden zonder Schade?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 t/m 6 aangegeven, is het niet aan de overheid om een oordeel te vellen over een reclamecampagne. Het Programma Scheiden zonder Schade (SzS) richt zich op het voorkomen van de schade bij kinderen als gevolg van de scheiding van hun ouders.
Hoe vullen gemeenten hun verantwoordelijkheid in het kader van de Jeugdwet in om hulp te bieden wanneer relatieproblemen een negatief effect op kinderen (dreigen te) hebben?
Gemeenten geven zelf invulling aan het hulpaanbod rondom relatieversterking en (preventie van) complexe scheidingen, onder andere in het kader van de Jeugdwet. Er worden preventieve programma’s aangeboden, maar ook laagdrempelige of meer intensieve ondersteuning. Veel gemeenten ontplooien initiatieven om adequaat om te kunnen gaan met complexe scheidingen en tijdig passende hulp te bieden. De Agenda voor actie en het programma SzS bieden gemeenten daartoe ook aanknopingspunten. Vanuit het programma SzS worden gemeenten nog verder ondersteund, onder andere door de ontwikkeling van een nieuwe scheidingsaanpak in twee regiolabs in de arrondissementen Den Haag en Oost-Brabant waarbij ook gemeenten betrokken zijn. Het programma verspreidt de resultaten en geleerde lessen onder andere gemeenten.
Heeft u zicht op de maatregelen die gemeenten treffen om relaties te versterken en echtscheidingen te voorkomen, waardoor niet alleen de problemen zelf, maar ook het stijgen van de maatschappelijke kosten worden voorkomen?
Zie antwoord vraag 9.
De afwikkeling van de toeslagenaffaire met ouders die onder beschermingsbewind staan |
|
Renske Leijten |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
Kunt u aangeven hoe er wordt omgegaan met gedupeerde ouders die in aanmerking komen voor compensatie, al dan niet herziening, die onder beschermingsbewind staan?
Deze ouders worden op gelijke wijze behandeld als de overige ouders, waarbij voor de financiële afwikkeling van de compensatie, herziening of reparatie van het toeslagrecht de bewindvoerder als vertegenwoordiger van de ouders optreedt.1
Klopt het dat de bewindvoerder automatisch de gemachtigde voor de afwikkeling van de toeslagenaffaire is voor de gedupeerde ouder, of kan dat ook iemand anders zijn die de zaken behartigt namens de gedupeerde? Zo nee, bent u bereid dit wel mogelijk te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De kantonrechter bepaalt de reikwijdte van het beschermingsbewind. In de meeste gevallen wordt bewind ingesteld over het gehele vermogen van de betrokkene, dat wordt beheerd door een bewindvoerder.2 In dat geval is de bewindvoerder degene die de ouders vertegenwoordigt voor de afwikkeling van de compensatie, herziening of reparatie van het toeslagrecht. Voor sommige rechtshandelingen heeft de bewindvoerder machtiging van de rechthebbende of de kantonrechter nodig.3 Het bewind kan ook over bepaalde goederen worden ingesteld, bijvoorbeeld over de woning van de betrokkene. In dat geval kan de betrokkene niet zelfstandig beslissen over de verkoop van de woning, maar verder wel zelfstandig beslissen over zijn vermogen. Toeslagen kan niet afwijken van het bewind dat de rechter heeft ingesteld.
Als het in een bepaald geval wenselijk wordt geacht dat iemand anders dan de beschermingsbewindvoerder de belangen van de gedupeerde ouders behartigt bij de afwikkeling, ongeacht de reden daarvoor, kunnen de ouders of hun naasten dat met de bewindvoerder en zo nodig met de kantonrechter bespreken. De kantonrechter kan dan beoordelen of de reikwijdte van het bewind moet worden aangepast, zodat iemand anders bij de afwikkeling namens de ouders kan optreden.4 Als het wenselijk is dat een andere bewindvoerder de belangen van de ouders bij de afwikkeling behartigt, kan de rechter ook een tweede beschermingsbewindvoerder benoemen.5
Vindt u het wenselijk dat een bewindvoerder, die wellicht onderdeel uitmaakt van de gevolgschade van de gedupeerde ouder, ook de woordvoering doet als het gaat om het vaststellen van de gevolgschade? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik begrijp de vraag zo dat mogelijk als gevolg van financiële problemen door de kinderopvangtoeslagaffaire ten behoeve van ouders beschermingsbewind is ingesteld. En dat de kosten van het bewind in dat geval wellicht als gevolgschade worden gezien. In dit verband kan de rol van de bewindvoerder in zekere zin worden vergeleken met een advocaat. Een advocaat treedt niet alleen namens de benadeelde partij op om de schade te verhalen, maar zal daarbij ook proberen een vergoeding te krijgen voor de advocaatkosten, ten behoeve van de benadeelde.
Hoe wilt u omgaan met situaties waarin de gedupeerde ouder zich niet goed vertegenwoordigd voelt door de bewindvoerder, maar daar wel van afhankelijk is voor de afwikkeling van de compensatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
De beschermingsbewindvoerder is door de kantonrechter benoemd. Toeslagen kan daar niet van afwijken. Wanneer gedupeerde ouders van oordeel zijn dat de bewindvoerder hen niet goed heeft vertegenwoordigd in een bepaalde aangelegenheid of niet capabel is de rechthebbende te vertegenwoordigen, kunnen zij hierover met de bewindvoerder in gesprek (en zo nodig een klacht indienen bij de bewindvoerder of de brancheorganisatie van de bewindvoerder). Zij kunnen zich ook met hun klacht wenden tot de kantonrechter of deze verzoeken de bewindvoerder te ontslaan en zo nodig een andere bewindvoerder te benoemen.
Voor ontslag van een bewindvoerder en eventueel benoeming van een andere bewindvoerder moeten de ouders een gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de kantonrechter. Een bewindvoerder kan slechts worden ontslagen op eigen verzoek, wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer aan de kwaliteitseisen voldoet.6 De kantonrechter oordeelt hierover. In deze procedure is géén rol weggelegd voor Toeslagen.
Een tegemoetkoming vanwege de Corona maatregelen aan werkenden en mensen met een uitkering |
|
Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Bent u bereid om, naast de regelingen die u heeft afgekondigd voor bedrijven, werknemers en zzp'ers ook maatregelen te treffen voor mensen met een uitkering die financieel gedupeerd worden door de coronacrisis?1 Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
De door het kabinet aangekondigde maatregelen zijn bedoeld als vangnet voor werkenden en bedrijven. Voor deze groepen bestond geen vangnet dat aansloot bij de uitdaging waar we voor staan. Het treffen van maatregelen voor mensen die reeds een uitkering krijgen ligt niet voor de hand. Voor degenen die toch een beroep op bijstand moeten doen wordt samen met VNG en Divosa gekeken naar de mogelijkheden om de aanvraagprocedure van bijstand zo snel mogelijk te laten verlopen zodat voorkomen wordt dat mensen zonder middelen van bestaan komen te zitten.
Constaterende dat werkgevers flexmedewerkers en uitzendkrachten kunnen scharen onder de tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkbehoud (NOW), bent u bereid om als harde voorwaarde voor de NOW te stellen dat flexwerkers, mensen met een tijdelijk contract en uitzendkrachten onder de NOW worden gebracht en dus in dienst blijven en een salaris blijven ontvangen voor het gebruikelijk aantal uren?
De problematiek rond flexwerkers is bij ons bekend. Het kabinet roept werkgevers op om waar mogelijk ook werknemers met een flexibel contract op de loonlijst te houden. Zij worden voor 90% van hun loonkosten gecompenseerd met de NOW. De voorwaarden voor de NOW worden op het moment onder stoom en kokend water uitgewerkt. Voor het kabinet is het belangrijk dat de regeling snel en met zo min mogelijk bureaucratie soelaas biedt. Zodra de regeling er is ga ik daar graag met u over in gesprek.
Indien uw antwoord op vraag twee afwijzend is, bent u op andere wijze van plan om een oplossing te vinden voor deze groep werknemers? Bijvoorbeeld door flexwerkers en mensen met een nulurencontract die werkloos worden vanwege de coronacrisis, op dezelfde wijze tegemoet te komen als de zzp'ers, zodat ook zij een bijstandsuitkering kunnen ontvangen zonder partner- en vermogenstoets?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zzp'ers een uitkering toe te kennen op het niveau van het wettelijk minimumloon in plaats van het sociaal minimum (bijstandsniveau)? Zo ja, wat zijn hiervan vermoedelijk de extra uitgaven? Zo nee, waarom niet?
De regeling voor zelfstandigen is bedoeld voor zelfstandigen die in hoge financiële nood verkeren. Daarom is aangesloten bij het niveau dat geldt voor de bijstand. De regeling wordt nu uitgewerkt. Zodra de regeling er is zal ik de Kamer informeren.
Herkent u het beeld dat mensen die nu een Werkloosheidswet (WW)-uitkering hebben, veel moeite hebben om een baan te vinden omdat veel sollicitatiegesprekken worden afgezegd in verband met de coronacrisis? Erkent u dat er daarmee een grote groep mensen buiten hun schuld werkloos zijn en door de coronacrisis geen kans maken op het veranderen van hun situatie?
De impact van het corona-crisis is groot. Ik herken het beeld dat veel mensen vragen hebben over hun rechten en plichten bij hun uitkering, nu ze aan sommige van die plichten maar moeilijk kunnen voldoen. Ik herken ook dat er meer mensen een WW-uitkering aanvragen dan vorige maand. Samen met UWV breng ik de gevolgen en consequenties in kaart. Het kabinet werkt aan de NOW-regeling om werkgevers aanzienlijk tegemoet te komen in hun loonkosten, zodat ze werknemers niet ontslaan. Daarmee proberen we te voorkomen dat mensen op dit moment in de WW komen. Ik richt mijn aanpak eerst volledig op het welslagen van de NOW-regeling.
Onderkent u dat mensen bij wie de WW-uitkering afloopt en die geen andere baan kunnen vinden in verband met de coronacrisis, in financiële problemen kunnen komen, bijvoorbeeld omdat ze een partner hebben met een inkomen en daardoor geen recht hebben op bijstand?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid mensen die een WW-uitkering hebben tegemoet te komen door de periode van de WW-uitkering met drie maanden te verlengen in lijn met de werktijdverkorting? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Onderschrijft u dat mensen waarvoor het eind van hun ziektewetuitkering in zicht komt in de problemen kunnen komen en dat mensen wiens Loongerelateerde Uitkeringsperiode (LGU) van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afloopt, hetzelfde probleem hebben bij het zoeken van een baan als WW-gerechtigden?
Het kabinet richt zich op dit moment op het inregelen van een vangnet waar dat in het licht van deze ongekende crisis het hardst nodig is. Met de inzet op de NOW wordt ook bevorderd dat WIA-gerechtigden die werken, hun werk kunnen behouden. Voor WIA-gerechtigden die niet werken, is het vangnet de WIA. Deze biedt, evt. in samenhang met de Toeslagenwet, minimaal een uitkering op het sociaal minimum (op niveau van het huishouden). Een verlenging van de duur van de LAU of LGU wordt momenteel niet overwogen.
Bent u bereid ook voor deze groepen de uitkeringsperiode met drie maanden te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt er omgegaan met mensen die een loonaanvullingsuitkering (LAU) krijgen en door de coronacrisis minder dan de helft verdienen van wat ze volgens de arbeidsdeskundige van het UWV kunnen verdienen? Bent u bereid om deze mensen niet in de veel lagere vervolguitkering (VVU) te laten vallen maar ze in de LAU te houden?
Zie antwoord vraag 8.
Wilt u deze vragen alstublieft beantwoorden voor het debat op 25 maart 2020?
Bij deze.
Alle berichtgeving omtrent het coronavirus. |
|
Léonie Sazias (50PLUS), Gerrit-Jan van Otterloo (50PLUS), Henk Krol (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kunt u toelichten hoe het kan dat driekwart van de overleden coronapatiënten niet op een intensive care (IC)-afdeling heeft gelegen?
Goed medisch handelen is altijd het uitgangspunt, wanneer de behandelend arts met een patiënt en diens naasten de voor- en nadelen van een IC-opname afweegt. Intensivisten beoordelen of opname op de IC medisch zinvol is omdat er uitzicht is op genezing, en wat de mogelijke gevolgen van de behandeling op de IC zijn. Dit geldt voor alle patiënten die op de IC terecht komen – zowel voor COVID-19 patiënten als voor patiënten die om andere medische redenen IC-zorg nodig hebben.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie over extra maatregelen voor mantelzorgers?1
We volgen de ontwikkelingen van de groep kwetsbare personen en hun mantelzorgers nauwgezet en ik spreek mijn grote waardering uit voor al die 4,5 miljoen mantelzorgers die hun naaste verzorgen onder deze moeilijke omstandigheden. Onze gezamenlijke inzet is erop gericht om ook voor mantelzorgers heldere communicatie over de publieke gezondheidsrichtlijnen te geven en de gevolgen hiervan voor mantelzorgers in beeld brengen. Aanvullend hierop heeft VWS samen met MantelzorgNL ook via de verschillende communicatie kanalen de waardering geuit voor de grote inzet van mantelzorgers nu in deze moeilijke tijden. De maatregelen van het kabinet die gelden tot 28 april 2020, hebben verdergaande impact op het zorgen voor een naaste. Zo moet het hele gezin (huishouden) thuisblijven als er een zieke in huis is en wordt dagbesteding verder afgeschaald. We willen stimuleren dat mantelzorgers zich vooral op de zorgtaken kunnen richten. Daarom heeft MantelzorgNL de openingstijden van de mantelzorglijn verruimd en een uitgebreide lijst van Q&A’s opgesteld om mantelzorgers van de juiste informatie te voorzien. Verder is in overleg met partijen de richtlijn mantelzorg ontwikkeld met de verschillende vormen van ondersteuning en zorg voor mantelzorgers. Centraal in de richtlijn staat de zorgladder die in beeld brengt hoe zorg en ondersteuning opgeschaald kan worden van het eigen netwerk tot aan crisisopvang. Deze richtlijn is nu goedgekeurd door het RIVM en wordt gepubliceerd op rijksoverheid.nl.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met mantelorganisaties in hoeverre opvang van kinderen gewenst is?
Ja. Via MantelzorgNL komen hierover summier de eerste signalen binnen en voeren we hierover ook nog met andere partijen gesprekken.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie over het komen tot een noodplan voor ouderen?2
Het kabinet werkt langs drie lijnen aan de situatie voor kwetsbare ouderen en mensen thuis:
Waarom is ervoor gekozen om Sanquin bloed te laten testen op antistoffen om te monitoren hoe de verspreiding verloopt en niet voor een representatief onderzoek onder heel de Nederlandse bevolking? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is hiervoor gekozen, omdat Sanquin beschikt over de structuur en logistiek om een dergelijk onderzoek snel uit te voeren.
Wanneer wordt bekend of de periode van sociale afstand moet worden verlengd?
Het kabinet heeft hier op dinsdag 31 maart jl. een besluit over genomen.4 Een volgend besluit wordt in de week voorafgaand aan 28 april genomen.
Moeten de zorgmedewerkers die extra worden ingezet een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) hebben? Zo ja, is een versnelde procedure mogelijk?
Een wettelijke VOG verplichting in de zorg geldt voor instellingen die zorg uit de Wet langdurige zorg (Wlz) verlenen en instellingen die geestelijke gezondheidszorg verlenen die onder de zorgverzekering valt en waar cliënten blijven overnachten. Indien er een verhoogd risico is voor kwetsbare personen, is het wenselijk dat een zorginstelling een VOG verlangt van zijn medewerkers. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als een zorgmedewerker zonder toezicht werkt met een patiënt of cliënt. Het is echter aan de zorginstelling zelf om te bepalen of zij een VOG verlangen van hun medewerkers. Wanneer een extra zorgmedewerker een VOG nodig heeft, kan hij deze met spoed aanvragen. Voor het aanvragen van de VOG voor cruciale beroepsgroepen, zoals zorg en kinderopvang, heeft Justis een spoedprocedure beschikbaar gemaakt. Indien er geen bezwaren bestaan kan de VOG uiterlijk binnen 5 werkdagen worden verstrekt. Dit is onder voorbehoud van de postbezorging zoals het nu plaatsvindt.
Justis beoordeelt elke dag of de dienstverlening doorgang kan blijven vinden.
Actuele informatie hierover is als nieuwsbericht te vinden op www.justis.nl.
Welke richtlijnen binnen het verpleeghuis heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitgevaardigd over het omgaan met het coronavirus, nu de noodmaatregel om geen bezoek toe te laten is afgekondigd?
In verpleeghuizen gelden ook de hygiënerichtlijnen die worden voorgeschreven door het RIVM, namelijk géén handen schudden, vaak handen wassen, hoesten in de elleboog en papierenzakdoekjes éénmalig gebruiken. Daarnaast zijn er richtlijnen van het RIVM hoe te handelen wanneer een zorgmedewerker gezondheidsklachten heeft en hoe te handelen wanneer er een (verdenking van) besmetting met het coronavirus bestaat. Op de RIVM website staan de richtlijnen aangegeven, ook voor het testbeleid.
Kunt u de stand van zaken geven over de verdeling van beschermingsmiddelen onder organisaties binnen wijkverpleging en thuiszorg?
Graag verwijs ik naar het nieuwe verdeelmodel dat Minister voor Medische Zorg en Sport op 11 april jl. in overleg met partijen uit de zorg vastgesteld heeft voor mondmaskers. In het nieuwe model gaat het niet om een verdeling over de zorgsectoren, maar om een verdeling op basis van besmettingsrisico’s voor zorgverleners. Als er nieuwe mondkapjes beschikbaar komen uit inkoop of eigen productie gaan die naar plekken waar ze het meest nodig zijn. Dat zijn zorgverleners in het ziekenhuis, maar evengoed zorgverleners in verpleegtehuizen en op andere plekken waar Corona-patiënten intensief worden behandeld. In factsheets is het verdeelmodel nader uitgelegd.
Wat is de stand van zaken van de communicatie over ontwikkelingen rondom het coronavirus richting laaggeletterden en anderstaligen?
Informatievoorziening en communicatievormen voor specifieke doelgroepen, waaronder laaggeletterden en anderstaligen, hebben onze bijzondere aandacht:
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie over geen leeftijdsgrenzen hanteren?3
Ik heb tijdens het plenair debat van 26 maart jl. aangegeven dat er geen leeftijdsgrenzen worden gehanteerd bij de behandeling van COVID-19. Dit is uw Kamer ook eerder per brief medegedeeld. Graag verwijs ik verder naar mijn Kamerbrief van 7 april jl.6
Bent u voornemens landelijke sturing te organiseren voor het verdelen van de plekken op de IC’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn Kamerbrieven van 25 en 31 maart jl. en 7 april jl.
Is het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in staat de beschreven maatregelen uit het noodpakket tijdig en adequaat uit te voeren? Is er al een inschatting te maken hoeveel extra medewerkers hiervoor nodig zijn?
Het UWV heeft op 6 april jl. het loket voor de NOW-regeling opengesteld. Het kabinet heeft veel vertrouwen in UWV, en heeft grote waardering voor de wijze waarop UWV deze taak oppakt. Alleen al in de twee dagen is het aantal subsidieaanvragen voor de tegemoetkoming in de loonkosten de grens van 50.000 werkgevers gepasseerd; UWV is deze aan het verwerken waarna zo snel mogelijk de betalingen plaatsvinden.
Bent u van plan de sollicitatieplicht voor Werkloosheidswet (WW)-gerechtigden aan te passen of op te schorten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook in deze lastige tijden blijft UWV werkzoekenden stimuleren om te solliciteren naar werk. Tegelijkertijd is duidelijk dat de dynamiek op de arbeidsmarkt sterk wordt geraakt door de coronamaatregelen. Voor velen is het lastig om werk te vinden, maar er zijn ook sectoren waar juist behoefte is aan extra personeel. De sollicitatieplicht blijft gehandhaafd. UWV heeft voldoende mogelijkheden om op individuele basis een goede afweging te maken hoe om te gaan met deze verplichtingen. Werkzoekenden kunnen naast solliciteren nog allerlei andere activiteiten ondernemen zoals het netwerk in beeld brengen, toekomstige acties formuleren, enzovoorts. Ook daartoe worden zij door UWV gestimuleerd.
Bij dit alles geldt dat als werkzoekenden niet aan hun sollicitatieplicht kunnen voldoen vanwege beperkingen door het coronavirus, bijvoorbeeld omdat een sollicitatiegesprek niet kan plaatsvinden, dan heeft dat geen gevolgen voor de uitkering.
Bent u voornemens de aflopende WW-rechten te verlengen?
Het kabinet zet met de NOW-regeling vol in op het behoud van werkgelegenheid bij de werkgever. In plaats van de WW te verlengen, wordt zo de periode dat iemand in de WW komt voorkomen of wellicht uitgesteld. Generieke verlenging van de WW is momenteel niet aan de orde.
Bent u bereid in overleg met het UWV en met sociale partners te gaan hoe WW-gerechtigden direct en indirect ingezet kunnen worden in en ter ondersteuning van vitale sectoren?
Voor veel mensen is het vinden van een nieuwe baan in deze omstandigheden waarbij veel bedrijven zijn gesloten lastig. Aan de andere kant zijn er sectoren met vitale functies waar extra inzet welkom of zelfs noodzakelijk is. Er zijn al diverse matchingsinitiatieven van collega’s in specifieke sectoren zoals de zorg waar de nood hoog is. In samenwerking met UWV, sociale partners, bedrijfsleven, gemeenten en instellingen wordt gekeken naar waar snelle matches mogelijk zijn. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de regionale infrastructuur zoals werkgeverservicepunten en private intermediairs.
Bent u bereid de mogelijkheden van vrijwilligerswerk voor mensen met een WW-uitkering en of bijstand uit te breiden als het om gaat om werkzaamheden ter bestrijding van de coronacrisis?
Mensen met een bijstandsuitkering of WW-uitkering kunnen vrijwilligerswerk doen, mits zij daartoe vooraf toestemming hebben van de gemeente (in geval van de bijstand), of van UWV. Belangrijk is dat deze vrijwillige activiteiten niet in de weg staan aan deelname aan betaalde arbeid en geen regulier (betaald) werk verdringen. In geval van de WW moet er ook sprake zijn van onbetaalde arbeid, bij een instelling zonder winstoogmerk. Naar verwachting past ook het vrijwilligerswerk dat nu spontaan opkomt in het kader van de Coronacrisis binnen deze voorwaarden. Mocht uit de praktijk blijken dat toch versoepeling nodig is, dan is de Minister van SZW bereid daar naar te kijken. Het is overigens niet meer dan redelijk dat wanneer met de activiteiten ook de kans op besmetting bestaat, de organisatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd de nodige maatregelen treft om de vrijwilliger zelf goed te beschermen tegen besmetting met de Coronavirus.
In hoeverre heeft u bij de uitwerking van de noodmaatregelen rekening gehouden met het beperken van de administratieve lasten voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en bedrijven?
De uitwerking van de regeling nadert de afronding en zal naar verwachting op korte termijn worden gepubliceerd. Bij de uitwerking zijn gemeenten nauw betrokken en ook vertegenwoordigers van ondernemers zijn geconsulteerd. Bij de uitwerking is het beperkt houden van de administratieve lasten, zowel voor ondernemers als voor gemeenten, een belangrijk uitgangspunt. Daarbij geldt dat zorgvuldigheid en het beperken van frauderisico’s ook betracht moet worden en mogelijk niet al het misbruik en oneigenlijk gebruik ondervangen kan worden. Het kabinet streeft naar een goede balans daartussen, in het licht van de huidige situatie.
Bent u voornemens structurele steun te geven aan voedselbanken zodat cliënten de nodige voedingsmiddelen kunnen krijgen?
Een aantal voedselbanken kampt door het coronavirus met problemen, variërend van een gebrek aan ervaren personeel, te weinig aanvoer van voedsel, maar ook locaties die vanwege het coronavirus niet langer geschikt zijn voor de uitgifte van voedselpakketten. Voedselbanken proberen eerst lokaal een oplossing te zoeken. Een actieteam van de Ministeries van SZW en LNV, VNG en Voedselbanken Nederland is geformeerd om knelpunten te helpen oplossen. Is deze steun niet afdoende, dan kunnen voedselbanken als tijdelijke noodoplossing een beroep doen op het calamiteitenfonds. Dit wordt gevuld met middelen van Voedselbanken Nederland zelf en uit donaties. Er is eenmalig een subsidie van vier miljoen euro als vangnet voor het calamiteitenfonds beschikbaar gesteld door het kabinet. Dit gebeurt in het kader van de corona crisismaatregelen en mede ter invulling van de moties Klaver en Segers en Hijink c.s. De noodsteun van het kabinet is een vangnet voor als de middelen in het fonds onvoldoende blijken te zijn. Naast financiële steun wordt door tal van organisaties, lokaal en landelijk, ook op andere wijze ondersteuning aangeboden aan de voedselbanken. Met inzet van vrijwilligers, aanbod van voedsel en inzet van defensiemedewerkers worden voedselbanken geholpen hun belangrijke functie te blijven vervullen.
Deelt u de verwachting dat de gevolgen van de coronacrisis voor de inkomstenkant van de begroting waarschijnlijk veel groter zijn in omvang dan de gevolgen aan de uitgavenkant? Wanneer worden de eerste projecties verwacht over de gevolgen voor de inkomsten?
Het steunpakket leidt voor de korte termijn tot zowel meer uitgaven als minder belastinginkomsten, dit laatste vooral in de vorm van uitstel van betaling. Naast de getroffen maatregelen beperkt het kabinet de economische en financiële effecten van het coronavirus door de rijksbegroting de klap op laten vangen van een economische terugval. Door automatische stabilisatie stijgen de uitgaven voor werkloosheid (WW en bijstand) terwijl de belastinginkomsten uit bijvoorbeeld bedrijfswinsten en consumptie dalen. Doorgaans is de terugval in belastinginkomsten groter dan de toename van de uitgaven. De omvang van beide is op dit moment echter onzeker, dit hangt met name af van hoe het virus zich ontwikkelt. Het Centraal Planbureau heeft op 26 maart jl. enkele economische scenario’s gepubliceerd. Daarbij heeft het CPB ook gekeken naar het effect op de overheidsfinanciën.
Deelt u de mening dat de bouwsector een grote rol kan spelen bij het weer aanjagen van de economie zodra de restricties in het kader van de coronacrisis worden opgeheven? Treft het kabinet voorbereidingen voor een snelle economische impuls, bijvoorbeeld door middel van extra investeringen in infrastructuur, woningbouw, waterbouw?
Ja, de bouwsector is belangrijk voor de Nederlandse economie. Net als op vele andere sectoren, raakt de coronacrisis ook de bouwsector. Omdat de bouw een terugval veelal pas later merkt, vindt het kabinet het belangrijk dat de bouw door de crisis heen kan blijven bouwen. Het woningtekort blijft immers groot en het kabinet wil de klimaatdoelen van de gebouwde omgeving niet in gevaar brengen. Daarom werkt het kabinet aan maatregelen om de bouw op gang te houden. Hiervoor zijn we in nauw contact met de sector, medeoverheden, ontwikkelaars, corporaties en andere partijen. De eerste stap is het protocol samen veilig werken dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Milieu en Wonen met de sector hebben opgesteld. Daarnaast werkt het kabinet aan continuering van de besluitvorming op lokaal niveau om vergunningverlening zoveel mogelijk op peil te houden, zodat de orderportefeuille niet leegloopt en de woning- en utiliteitsbouw en de verduurzaming van bestaande gebouwen zoveel als mogelijk veilig verder kan.
Ook op het vlak van infrastructuurinvesteringen en waterbouw wordt gekeken hoe publiek opdrachtgeverschap zoveel mogelijk kan worden voortgezet en waar projecten mogelijk naar voren gehaald kunnen worden. Daarbij zal ook bij medeoverheden aandacht gevraagd worden voor continuering van besluitvormingsprocessen en vergunningprocedures. De mogelijkheden om investeringen in infrastructuur te versnellen zijn echter beperkt. Naar verwachting komen vooral de uitgaven voor regulier onderhoud en renovatie van infrastructuur hiervoor in aanmerking, omdat de juridische en bestuurlijke procedures die voorafgaan aan deze werkzaamheden relatief kort zijn. Een gezamenlijke «Taskforce Infra» van Rijkswaterstaat en brancheorganisaties brengt mogelijkheden in kaart om projecten te versnellen en werkzaamheden naar voren te halen. Dit zijn zowel voorstellen die direct uitvoerbaar zijn, als maatregelen voor over een half jaar en voor 2021.
Het Rijk en de bouw- en technieksector hebben ook afgesproken dat zij gezamenlijk blijven investeren in de bouw- en verduurzamingsopgaven voor de toekomst. Het is van groot maatschappelijk belang dat de sector, veilig kan doorbouwen. Het kabinet heeft vorig jaar besloten tot een woningbouwimpuls van 1 miljard euro, die vanaf juli in werking zal gaan, en een heffingsvermindering op de verhuurderheffing voor nieuwbouw. Daarnaast ondersteunt het kabinet de bouw met de regionale woondeals, innovatiesubsidies en subsidiemiddelen voor versnelling en opschaling in de renovatieopgave.
Kunt u een overzicht geven van de begrotingsinspanningen per EU-lidstaat in het kader van de coronacrisis tot nu toe?
Lidstaten hebben verscheidende maatregelen getroffen om de schok door de COVID-19 uitbraak op te vangen. De discretionaire maatregelen worden op dit moment geschat op 2% bbp. Hiernaast zijn liquiditeitsgaranties van meer dan 13% bbp aangekondigd.7 Vanwege landspecifieke omstandigheden verschillen de getroffen maatregelen per lidstaat.
Klopt het dat er door de verschillen in financiële slagkracht tussen EU-lidstaten er onherroepelijk ook grote verschillen ontstaan in de mate waarin lidstaten in staat zijn om hun bevolking en hun economie te beschermen tegen de gevolgen van de coronacrisis? Kunt u het antwoord toelichten?
Alle lidstaten doen hun uiterste om hun bevolking en hun economie te beschermen tegen de gevolgen van de coronacrisis. De uitgangssituatie verschilt daarbij tussen lidstaten, onder andere wat betreft het niveau van de publieke schuld en de inrichting van automatische stabilisatoren. Met het activeren van de algemene ontsnappingsclausule van het SGP wordt aan lidstaten de maximale ruimte gegeven hun overheidstekorten en schuld tijdelijk te laten oplopen, zodat zij alle noodzakelijke maatregelen kunnen nemen.
Deelt u de mening dat verschillen in de financiële slagkracht tussen EU-lidstaten niet mogen leiden tot grote verschillen in de mate waarin lidstaten in staat zijn om hun bevolking en hun economie te beschermen tegen de gevolgen van de coronacrisis? Kunt u het antwoord toelichten?
De crisis die Europa nu treft is ongekend en solidariteit met alle lidstaten is op dit moment van belang. Naast nationale maatregelen zijn ook gecoördineerde internationale maatregelen om deze reden noodzakelijk. Het kabinet onderschrijft dan ook het steunpakket vanuit de Europese Commissie van 37 miljard euro en de ondersteuning vanuit de EIB-groep, en staat open om meer initiatieven op dit vlak te bekijken binnen de bestaande kaders.
Deelt u de zienswijze dat als er in de eurozone wordt overgegaan tot een vorm van mutualisatie van schulden ter financiering van de gevolgen van de coronacrisis, de inzet altijd gelimiteerd zal zijn, waardoor de Europese Centrale Bank (ECB) waarschijnlijk alsnog met alle middelen moet optreden? Kunt u het antwoord toelichten?
De ECB beslist onafhankelijk over de inzet van haar monetaire instrumentarium. Het kabinet is van mening dat de gemeenschappelijke uitgifte van schuldpapier door de eurozonelidstaten, afgezien van schulduitgifte die plaatsvindt in het kader van ESM-steunprogramma´s met bijbehorende voorwaarden, ongewenst is. De algemene positie van het kabinet t.a.v. schuldmutualisatie is weergegeven in mijn recente brief aan uw Kamer over veilige activa.8
Deelt u de zienswijze dat er bij monetaire ingrepen een redelijke evenredige verdeling van Europese steunmiddelen over alle eurolanden afdwingbaar is, terwijl er bij de inzet van EU-middelen en -fondsen, die meer gericht zijn op probleemgevallen, veel eerder sprake zal zijn van zeer onevenredige verdeling tussen de lidstaten? Kunt u het antwoord toelichten?
De ECB bepaalt onafhankelijk welke beleidsinstrumenten ze inzet om het mandaat van prijsstabiliteit voor de gehele eurozone te bewerkstelligen. Daarbij is de ECB gebonden aan de randvoorwaarden van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
De verdeling van middelen via de EU-begroting is afhankelijk van de beleidsdoelen die de Raad (en het EP) willen bereiken. Deze verdeling vloeit dus voort uit de specifieke kenmerken van de programma’s die daarvoor zijn ingericht.
Wat vindt u van de standpunten van een monetair econoom, zoals geuit in de webcast van Economisch Statistische Berichten (ESB), die onder andere voorstelt om het verbod op monetaire financiering voor een jaar op te heffen? Is deze oplossing niet te prefereren boven het ontwikkelen/inzetten van een waaier aan monetaire en fiscale instrumenten op Europees niveau? Kunt u het antwoord toelichten?4
Het verbod op monetaire financiering is opgenomen in het EU-Verdrag (Art 123 VWEU). Om dit artikel te wijzigen zou een verdragswijziging nodig zijn, met overeenstemming van alle lidstaten. Naast het feit dat dit een lange procedure betreft, is het niet wenselijk en onverstandig om het verbod op monetaire financiering op te heffen. Het opheffen van het verbod op monetaire financiering zou aanmerkelijke risico’s met zich mee brengen. Zo kunnen de prikkels om een duurzaam begrotingsbeleid te voeren worden ondermijnd en bestaat het risico op uit de hand gelopen inflatie. Het EU-verdrag dient dan ook leidend te blijven.
Kamerlid Leijten (SP) heeft tijdens het Notaoverleg over de ingelaste Eurogroep op 7 april jl. gevraagd naar het verbod op monetaire financiering in crisistijden in relatie tot een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Hierbij heeft de Minister van Financiën toegezegd schriftelijk op terug te komen bij de beantwoording van deze set Kamervragen.
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Geld en schuld: De publieke rol van banken» hecht het kabinet aan het verbod op monetaire financiering en ziet het kabinet geen reden om dit verbod op te heffen, om redenen zoals hierboven beschreven.
Vindt u dat het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) gebruikt kan worden als fiscale backstop voor deze crisis? Zo ja, welk fonds gaat dan de stabiliteitsfunctie vervullen als het ESM is uitgeput? Kunt u het antwoord toelichten?
Het ESM is beschikbaar voor het bieden van stabiliteitssteun aan lidstaten die te maken hebben of worden bedreigd door ernstige financieringsproblemen indien zulks onontbeerlijk is om de financiële stabiliteit van de eurozone in het geheel en van de lidstaten ervan te vrijwaren (artikel 3 van het ESM-verdrag). Een lidstaat kan onder het ESM-verdrag altijd een aanvraag voor stabiliteitssteun doen aan het ESM, conform de daarvoor overeengekomen procedure (artikel 13). Op dit moment zijn er geen aanvragen gedaan door lidstaten voor steun vanuit het ESM.
Bij het verschaffen van stabiliteitssteun wordt de leencapaciteit van het ESM in acht genomen. Het ESM beschikt momenteel over een leencapaciteit van meer dan € 410 miljard. Ik zie geen noodzaak om te speculeren over de uitputting van het ESM.
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat mensen die in financiële problemen komen, niet hun huis worden uitgezet gedurende de coronacrisis?
De Minister voor Milieu en Wonen heeft samen met Aedes, IVBN, Vastgoed Belang en Kences, de koepels van verhuurders van woningen en met steun van de Woonbond en de LSVb, afgesproken dat er geen huisuitzettingen als gevolg van het coronavirus tijdens de crisisperiode plaatsvinden. Daarnaast spannen verhuurders zich maximaal in binnen hun mogelijkheden om te zoeken naar maatwerkoplossingen voor huurders die in de betalingsproblemen zijn gekomen door het coronavirus. In aansluiting op dit statement hebben leegstandbeheerders in een eigen verklaring aangegeven hoe ze omgaan met hun bewoners in deze crisistijd. Daarnaast worden huisuitzettingen door de rechtbanken niet aangemerkt als urgente zaken, tenzij de rechter in kort geding oordeelt dat de zitting moet doorgaan (alleen in geval van superspoed). In zulke zaken vinden dus voorlopig geen mondelinge behandelingen plaats. Huiseigenaren die ondanks de steunmaatregelen van het kabinet niet langer de financiële ruimte hebben om hun hypotheeklasten te dragen, worden geadviseerd in contact te treden met hun kredietverstrekker. Kredietverstrekkers kunnen dan met de consument zoeken naar een passende oplossing, zoals bijvoorbeeld uitstel van betaling. Er vinden gesprekken plaats met de sector om te bezien of knelpunten kunnen worden weggenomen om dit te vergemakkelijken. Daarnaast hoeven huiseigenaren zich geen zorgen te maken dat zij op straat komen te staan. De Minister voor Milieu en Wonen heeft tevens in een verklaring met kredietverstrekkers, Nationale Hypotheek Garantie en Vereniging Eigen Huis afgesproken dat er bij betalingsproblemen in ieder geval tot 1 juli 2020 geen gedwongen verkopen zullen plaatsvinden.
Het kabinet zet daarnaast in op het aan de voorkant voorkomen dat er mensen in de knel raken door de gevolgen van het coronavirus. Om deze reden zijn diverse maatregelen aangekondigd om banen en inkomens te beschermen en de gevolgen voor zzp’ers, mkb-ondernemers en grootbedrijven op te vangen.
Kunt u een toelichting geven op een eventuele noodtoestand in Nederland? Op welke wijze en door wie wordt dit besloten en wat is de rol hierbij van het parlement?
De Coördinatiewet uitzonderingstoestanden maakt het mogelijk om een noodtoestand af te kondigen als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Er worden twee noodtoestanden onderscheiden: de beperkte en de algemene noodtoestand. Afhankelijk van de noodtoestand kunnen noodbevoegdheden worden geactiveerd, waarbij soms ook kan worden afgeweken van grondrechten die zijn geregeld in een aantal artikelen in de Grondwet. Het uitroepen van een noodtoestand is derhalve een zeer vergaande maatregel die, sinds de totstandkoming van de Coördinatiewet, nog niet is ingezet.
Het besluit om een noodtoestand af te kondigen moet zijn ingegeven door de constatering dat reguliere bevoegdheden ontoereikend zijn om de crisis te beheersen. Tot op heden is niet gebleken dat het reguliere instrumentarium dat de overheid ter beschikking staat, ontoereikend is, nu in het gehele land adequate maatregelen worden getroffen en gehandhaafd. De Coördinatiewet uitzonderingstoestanden is derhalve nog niet toegepast.
Een noodtoestand wordt afgekondigd bij koninklijk besluit, op voordacht van de Minister-President. Het koninklijk besluit moet worden gemeld aan de Staten-Generaal, waarna de Staten-Generaal terstond in verenigde vergadering bijeen moeten komen. Besluitvorming over het eventueel afkondigen van een noodtoestand en over de te activeren noodbevoegdheden vindt plaats in de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb).
Voor de goede orde vermeld ik dat het soms ook mogelijk is (bepalingen uit) noodwetten te activeren zonder dat een noodtoestand is afgekondigd. Dat wordt aangeduid als: separate toepassing. Dit activeren gebeurt bij koninklijk besluit, op voordacht van de Minister-President. Vervolgens wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van dat besluit.
Is er in Nederland sprake van een bijzondere situatie zoals bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden? Worden de maatregelen die worden genoemd in de wet reeds toegepast? Kunt u de antwoorden toelichten?
Zie antwoord vraag 30.
Herinnert u zich dat in de brief van 15 maart 2020 over de nationale crisisstructuur wordt gesteld dat de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) onder voorzitterschap van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) zo nodig en mogelijk zelf besluiten neemt? Wat is het mandaat en hoe is de controlerende taak van het parlement geborgd?
De inrichting en werkwijze van de nationale crisisstructuur is vastgelegd in het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing 2016 (Stcrt. 2016, 48258) en nader uitgewerkt in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming (Kamerstukken II 2015/16, 30 821, nr. 32). De juridische grondslag voor het instellingsbesluit is artikel 25, eerste lid, van het Reglement van orde voor de ministerraad. De hoog-ambtelijke Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) is onderdeel van de nationale crisisstructuur en vormt het integrale adviesorgaan voor de Ministeriële Commissie. De besluiten van de ICCb vallen onder de ministeriële verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersonen. De besluitenlijst van de MCCb wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de ministerraad. Voor besluiten waarvan de uitvoering geen uitstel duldt, is geen voorafgaande goedkeuring van de besluitenlijst vereist.
De controlerende taak van het parlement is geborgd via de reguliere verantwoording door de betrokken bewindspersonen.
Herinnert u zich dat de Minister-President enkele gedragsmaatregelen heeft aangekondigd die van groot belang zijn voor het tegengaan van de verspreiding van het virus, zoals geen bijeenkomsten van meer dan 100 mensen en 1,5 meter afstand houden? Kunnen deze maatregelen worden gehandhaafd? Zo ja, op welke manier? Hoe verklaart u de verschillen per gemeente en welke mening heeft u daarover?
Het kabinet is zich zeer bewust van het belang van het naleven door alle mensen van de aangekondigde gedragsmaatregelen. De Minister van VWS heeft op grond van artikel 7 van de Wet publieke gezondheid, met inachtneming van artikel 39 van de Wet veiligheidsregio's, de voorzitters van de veiligheidsregio’s diverse aanwijzingen gegeven om hun bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid in te zetten om de verdere verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. De 25 voorzitters van de veiligheidregio’s hebben daartoe vervolgens voor hun eigen regio algemeen verbindende voorschriften gegeven (een noodverordening als bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet).
De bepalingen in de noodverordeningen kunnen zowel bestuurlijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Hierbij zijn zowel politie als bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) van gemeenten en andere organisaties (bijvoorbeeld Staatsbosbeheer), evenals toezichthouders betrokken. Om eenduidigheid in de aanpak en handhaving van de coronamaatregelen te bevorderen, hebben de voorzitters van de veiligheidsregio een Model noodverordening COVID-19 en een Handreiking handhavingsstrategie noodverordening COVID-19 opgesteld.
Klopt het dat in meerdere veiligheidsregio’s boetes worden uitgedeeld die kunnen oplopen tot tienduizenden euro’s? Hoe komen die bedragen tot stand? Zijn deze bedragen in elke regio hetzelfde? Zijn de bedragen proportioneel?
Overtreding van een noodverordening kan worden bestraft met maximaal drie maanden hechtenis of een geldboete van € 4.350 (artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht). Daarnaast is bestuursrechtelijke handhaving mogelijk door de voorzitter van de veiligheidsregio met – voor zover dat een geëigend middel is – een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. De voorzitter van de veiligheidsregio stelt het bedrag vast en dit moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom (artikel 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht).
Verschillen in de handhaving tussen de verschillende regio’s zijn niet uit te sluiten. Ik heb geen zicht op mogelijke individuele casus waar de vraagsteller naar lijkt te verwijzen. Overigens treed ik ook niet in de beoordeling daarvan. Dat is een bevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio en tegen zijn besluit staat bezwaar en beroep open bij de rechter.
Wordt er lik-op-stukbeleid gevoerd voor de handhaving van crisismaatregelen? Kunt u het antwoord toelichten?
Op basis van de vastgestelde noodverordening en de handreiking handhavingsstrategie wordt lokaal/regionaal door betrokken partijen daar waar nodig opgetreden. Het is aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s in overleg met onder meer het OM en de politie om hierbij per situatie te bepalen hoe te handelen en hoe fors dient te worden opgetreden. Deze keuzeruimte is ook in tijden van crisis belangrijk.
Snelle toegang van zzp’ers tot het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) |
|
Steven van Weyenberg (D66), Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) onder voorwaarden aanspraak kunnen maken op een Bbz-uitkering als zij hun opdrachten verliezen door de effecten van het coronavirus?
Ja.
Wat zijn precies de voorwaarden om een Bbz-uitkering te kunnen krijgen?
Beginnende en gevestigde zelfstandigen kunnen een beroep doen op het Bbz 2004 als zij worden geconfronteerd met een tijdelijk financieel probleem. Voorwaarde is dat het bedrijf of beroep van de zelfstandige levensvatbaar is, zodat na enige tijd bijstandsverlening niet meer nodig is. Voorts gelden de volgende voorwaarden:
Klopt het dat ook als een zzp’er eigen vermogen heeft (binnen of buiten het bedrijf) de Bbz-uitkering als lening kan worden verstrekt?
Ja.
Hoe lang duurt het nu gemiddeld voordat een Bbz-uitkering wordt toegekend nadat de aanvraag is ingediend?
Op grond van artikel 35, tweede lid, van het Bbz 2004 dient het college binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag het recht op bijstand vast te stellen. Er zijn geen gegevens bekend over de feitelijke, gemiddelde beslisduur door gemeenten.
Op welke manier zou de aanvraagperiode, die nu dertien weken kan bedragen, kunnen worden verkort?
Met ingang van 1 maart 2020 is de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers ingevoerd, met als doel om zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis in financiële problemen zijn geraakt, tijdelijk financieel te ondersteunen. Gemeenten streven ernaar om de zelfstandige uiterlijk binnen vier weken na de aanvraag duidelijkheid te geven. Deze regeling is juist zo ingericht dat snelle besluitvorming door gemeenten ook mogelijk is. Zo bevat deze regeling, anders dan het Bbz 2004, geen verplichting voor gemeenten om de levensvatbaarheid van het bedrijf of zelfstandig beroep te onderzoeken en is de vermogenstoets niet van toepassing.
Bent u bereid om te kijken naar mogelijkheden om extra capaciteit vrij te maken om het verwerken van Bbz-aanvragen te versnellen?
De inzet van capaciteit bij de verwerking van Bbz-aanvragen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Het kabinet heeft met de Tozo een tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandig ondernemers opengesteld met afwijkende voorwaarden van het Bbz, waarbij zwaar meegewogen is dat gemeenten bij de uitvoering van de regeling in staat zijn om de grote aantallen aanvragen voortvarend af te handelen.
Is er een mogelijkheid om onder dezelfde voorwaarden van werktijdverkorting, namelijk als een zzp’er 20% minder werk verwacht door een bijzondere situatie die niet onder het normale ondernemersrisico valt, de Bbz-uitkering versneld toe te kennen als lening?
Met ingang van 1 maart 2020 is de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers ingevoerd. Deze regeling is juist zo ingericht dat snelle besluitvorming door gemeenten mogelijk is.
Afhankelijk van de aard van het financiële probleem kunnen zelfstandig ondernemers in aanmerking komen voor twee vormen van bijstand:
Klopt het dat zzp’ers ook toegang hebben tot de uitgebreidere regeling Borgstelling MKB-Kredieten (BKMB)?
Ja.
Op welke manier worden zzp’ers voorgelicht over de mogelijkheden tot uitstel van betaling van belastingen?
Bij de voorlichting aan ondernemers over uitstel van betaling van belastingschulden wordt geen onderscheid gemaakt tussen zzp'ers en andere ondernemers. Ondernemers worden geïnformeerd via de website van de Belastingdienst. Ook vindt voorlichting aan ondernemers plaats via fiscaal dienstverleners. Incidenteel benadert de Belastingdienst individuele ondernemers, bijvoorbeeld als zij niet reageren op een opgelegde naheffingsaanslag.
Het bericht ‘Nabestaandenpensioen in gevaar door coronavirus’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nabestaandenpensioen in gevaar door coronavirus»?1
Ja.
Wat vindt u van de opmerkingen van de woordvoerder van pensioenadviesbureau Aon, dat het negatieve reisadvies van de Nederlandse overheid naar aanleiding van het coronavirus:
Werkgevers hebben de plicht te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers, ook als werknemers voor hun werk naar het buitenland reizen en daar verblijven. In dat kader en in het belang van de volksgezondheid dient de werkgever de richtlijnen van het RIVM en de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zoveel als mogelijk na te leven. Op dit moment geldt kleurcode oranje voor de hele wereld. Buitenlandse Zaken adviseert alle Nederlanders om niet meer naar het buitenland te reizen tenzij het noodzakelijk is. Voor zakenreizen geldt dat werkgevers en werknemers goed moeten overwegen of een zakenreis op dit moment wel echt noodzakelijk is.
Bent u het eens met het advies van de woordvoerder van pensioenadviesbureau Aon, dat werkgevers en werknemers er goed aan doen om de uitvoeringsovereenkomst goed door te nemen en eventueel contact op te nemen met de adviseur en de pensioenuitvoerder? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat werkgevers en werknemers er in het algemeen altijd goed aan zullen doen om de uitvoeringsovereenkomst goed door te nemen. Op deze manier weten beide partijen vooraf waar ze aan toe zijn.
Bent u voldoende gerustgesteld door de opmerking van de woordvoerder van het Verbond van Verzekeraars dat het onwaarschijnlijk is dat verzekeraars daadwerkelijk gebruik gaan maken van de clausule? Wilt u daar nog iets aan toevoegen?
Ja, dit is bevestigd door het Verbond van Verzekeraars. Zie antwoord op vraag 5.
Kunt u uitsluiten dat het negatieve reisadvies van de Nederlandse regering naar aanleiding van het COVID19 virus gebruikt wordt door verzekeraars om polissen in het kader van nabestaandenpensioen, arbeidsongeschiktheid en/of andere verzekeringen niet uit te keren? Zo nee, waarom niet?
Door het Verbond van Verzekeraars is bevestigd dat het feit dat iemand overleden is door het coronavirus geen gevolgen heeft voor de uitkeringen uit hoofde van levensverzekeringen, uitvaartverzekeringen en nabestaandenpensioen. Eventuele uitsluitingen in polisvoorwaarden met betrekking tot verblijven in gebieden waar een negatief reisadvies geldt zijn niet bedoeld voor een situatie zoals deze met het virus. Zij verwachten dan ook dat verzekeraars gewoon zullen uitkeren. Dit staat ook vermeld op de website van het Verbond van Verzekeraars.2
Deelt u de mening dat het momenteel ongewenst en ongepast is om onzekerheid over verzekeringspolissen te laten ontstaan bij mensen die direct of indirect het slachtoffer zijn van (de gevolgen van) het COVID19 virus?
Ja. Op de website van het Verbond van Verzekeraars worden de meest gestelde vragen/situaties beantwoord, om zo de onzekerheid voor een groot gedeelte bij mensen weg te nemen.
Nieuwe fraude met UWV-uitkeringen |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht: «Opnieuw fraude met UWV-uitkeringen: arbeidsmigrant onterecht in ziektewet»?1
Ik vind het niet acceptabel als mensen frauderen met uitkeringen. Dat zet het draagvlak voor ons socialezekerheidsstelsel onder druk. Hoewel fraude nooit helemaal uit te sluiten en op te sporen is, heb ik in de brief die ik uw Kamer stuurde op 11 maart jl.2 uiteengezet dat er waarborgen zijn rondom de toekenning van de Ziektewetuitkering (in het vervolg ZW). Daarnaast hebben we doorlopend aandacht voor risico’s op misbruik, zoals blijkt uit de doorlichtingen voor alle sociale zekerheidswetten (motie Wiersma, VVD)3. Op dit moment loopt er een onderzoek naar misbruikrisico’s in de ZW en de WIA.
Is het juist dat er fraude wordt gepleegd met ziektewetuitkeringen, zoals te zien in de uitzending?
Het is nooit uit te sluiten dat er fraude wordt gepleegd. Er zijn altijd mensen die de regels weten te omzeilen. Tegelijkertijd wil ik het beeld dat in de uitzending van Nieuwsuur werd geschetst, op een aantal punten nuanceren.
Allereerst neem ik afstand van het beeld dat er nauwelijks sprake zou zijn van controle bij de verstrekking van ZW-uitkeringen. UWV schenkt hier nadrukkelijk aandacht aan, bij aanvragen vanuit het binnen- én buitenland. De beslissing van UWV om een ZW-uitkering al dan niet toe te kennen, hangt af van verschillende factoren. Sowieso moet de betrokkene verzekerd zijn en voldoen aan de toekenningsvoorwaarden van de ZW. UWV stelt daarom vast of de betrokkene wegens ziekte ongeschikt is om zijn eigen werk te verrichten. Een eventuele artsenverklaring van een arts uit het woonland is slechts één factor die daarbij een rol kan spelen, is geen standaardvereiste en is bovendien niet van doorslaggevend belang. In mijn brief van 11 maart jl. heb ik uiteengezet hoe UWV het proces rondom toekenning van en begeleiding bij een ZW-uitkering vormgegeven heeft. Daaruit blijkt dat er verschillende manieren zijn om vast te stellen of iemand recht heeft op een ZW. Zo biedt de vragenlijst, die als het ware de basis vormt voor de ZW-aanvraag, al veel informatie. UWV vergaart waar nodig aanvullende informatie. Bijvoorbeeld door zelf een medische keuring te verrichten of door informatie bij een behandelend arts op te vragen. Dat betekent dat een eventuele artsenverklaring van een arts uit het woonland dus geen standaard vereiste is. En bovendien ook niet van doorslaggevend belang is bij de beantwoording van vraag of iemand door ziekte niet in staat is zijn werk te beoefenen.
Deelt u de mening dat dertig procent van de ziekmeldingen van Oost-Europese artsen niet deugt, zoals de heer Zajac aangeeft?
Ik heb geen betrouwbare informatie waarop ik deze mening kan baseren. Zoals ik hierboven toelichtte, speelt een eventuele artsenverklaring geen doorslaggevende rol bij het toekennen van een ZW-uitkering. UWV weegt verschillende factoren mee in de beslissing of er recht is op ZW. Allereerst gaat het om de vraag of iemand ziek is en daarna om de vraag of iemand door zijn ziekte niet in staat is zijn eigen arbeid te verrichten. Het meesturen van een artsenverklaring is, zoals bij antwoord 2 aangegeven, géén standaardvereiste bij het aanvragen van een ZW-uitkering. Waar nodig vraagt UWV wel aanvullende informatie op.
Ervaring leert dat veel aanvragers uit Polen uit eigen beweging een artsenverklaring meesturen. Dat hangt samen met de regels en voorwaarden die in Polen gelden bij ziekte. Die zijn anders dan in Nederland.
Op welke schaal frauderen arbeidsmigranten met ziektewetuitkeringen? Indien u dit niet weet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Het is niet bekend op welke schaal er gefraudeerd wordt met ZW-uitkeringen.
Om zicht te krijgen op de mate van fraude is recent een externe doorlichting gestart om alle misbruikrisico’s in de ZW in kaart te brengen en op basis van het afwegingskader te rangschikken naar grootte van de risico’s.
Overigens neem ik afstand van het negatieve beeld rondom arbeidsmigranten dat geschetst wordt. Fraude is niet acceptabel en het maakt daarbij niet uit of het om een arbeidsmigrant gaat of een andere werknemer.
Is het juist dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) geen controles in Polen mag uitvoeren? Deelt u de mening dat dit ontoelaatbaar is? Hoe gaat u de controle op orde brengen?
Het is niet juist dat er geen controles plaatsvinden in Polen. Het is belangrijk om te weten dat er meerdere vormen van controle zijn. Het klopt wel dat UWV niet alle controles meer uit mag voeren. UWV legt namelijk geen huisbezoeken meer af in Polen. Wat betreft de huisbezoeken hecht ik er aan te vermelden dat deze plaatsvinden om administratieve gegevens te checken bij uitkeringsgerechtigden. De huisbezoeken zijn er niet om de gezondheidssituatie van de gerechtigde in beeld te brengen.
Zoals ik in mijn brief van 19 december 20194 heb aangegeven, is er in de Administratieve Commissie5 gesproken over de huisbezoeken die UWV en de SVB afleggen in andere EU-lidstaten.
Uitkomst van de discussie is dat de Verordening zich niet verzet tegen huisbezoeken, maar ook geen expliciete rechtsgrondslag bevat. Het is aan de nationale wetgeving van de lidstaten of huisbezoeken door andere mogendheden kunnen worden geaccepteerd. Drie lidstaten (België, Polen en Zwitserland) hebben aangegeven dat hun nationale wetgeving huisbezoeken in de weg staat. Met deze landen ben ik in gesprek. Bij de andere lidstaten zetten UWV en SVB de bestaande praktijk van de huisbezoeken voort. Er vinden, gelet op het voorgaande, geen huisbezoeken plaats in Polen. Voor de ZW heeft dit geen directe consequenties, omdat de huisbezoeken de afgelopen jaren plaatsvonden in het kader van de WIA.
Het voorgaande wil niet zeggen dat er geen controles plaatsvinden in Polen. Voor de ZW zijn medische controles het belangrijkst. Uit mijn brief van 11 maart jl. blijkt dat UWV de plausibiliteit van de ziekte, en daarmee de rechtmatigheid van de uitkering, op verschillende manieren en momenten toetst. Op welke wijze dat in het buitenland gebeurt, staat beschreven in de eerder genoemde brief.
Aanvullend heeft UWV (samen met de SVB) afspraken met Polen gemaakt over het elektronisch uitwisselen van overlijdensberichten. Dit is relevant voor de continuering van ZW-uitkeringen. Daarnaast is UWV met Polen in gesprek over het structureel uitwisselen van inkomstengegevens.
Deze gegevens zijn secundair van belang. Het belangrijkste is een juiste vaststelling of iemand door ziekte zijn eigen werk wel of niet kan doen. Als iemand kan werken zijn gegevens over inkomen niet meer relevant.
Is het juist dat UWV-medewerkers zich zorgen maken over «verdachte meldingen»? Wat wordt er met hun signalen gedaan?
Verdachte meldingen ziet UWV als vermoedens van regelovertreding. Deze worden door de directie Handhaving onderzocht, waarbij regelovertreding wordt aangepakt. In 2019 heeft UWV een extern onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden die UWV zijn medewerkers biedt om signalen en zorgen die ze in de uitvoering tegenkomen (specifiek in relatie tot uitkeringsfraude) te melden en bespreekbaar te maken. Ook werd onderzocht of gebruik ervan door UWV gestimuleerd wordt. Over de uitkomsten van dit onderzoek heb ik uw Kamer geïnformeerd in de stand van de uitvoering van 28 juni 20196. Op basis van de aanbevelingen in dat onderzoek zijn maatregelen genomen ter verdere verbetering van de aandacht voor controle en handhaving in de primaire processen van UWV. Naar aanleiding daarvan is het aantal interne meldingen flink toegenomen.
Zou hierover in december een onderzoek aan de Kamer gestuurd worden, maar is dat «ingetrokken», omdat het slecht zou zijn uitgevoerd? Hoe is dit in vredesnaam mogelijk? Kan de Kamer het onderzoek alsnog ontvangen?
Het onderzoek stuur ik hierbij aan uw Kamer.7 Ik benadruk dat het onderzoek is ingetrokken, omdat het geen uitsluitsel geeft over de aard en omvang van frauderisico’s en het voorkomen ervan. Het rapport is onvoldoende onderbouwd en bevat onjuistheden. Ik verstrek dit rapport daarom op uw verzoek en onder de uitdrukkelijke vermelding dat dit geen vastgesteld rapport is en er geen conclusies uit kunnen worden getrokken.
Zoals ik uw Kamer al meldde is recentelijk een doorlichting naar misbruikrisico’s in de ZW en de WIA gestart. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek kunnen we de risico’s, de relatieve omvang en beheersmaatregelen in beeld brengen. Deze doorlichting zal voldoende basis bieden voor een gesprek met uw Kamer over misbruikrisico’s in de ZW en de vraag of aanvullende maatregelen nodig zijn om de risico’s afdoende te beheersen.
Bent u het eens dat een publieke instelling aan het publiek verantwoording moet afleggen? Zo ja, waarom reageert het UWV dan niet op camera als Nieuwsuur dat verzoekt?
UWV is een ZBO dat verantwoording aflegt aan mij. Ik leg verantwoording af aan uw Kamer, zoals dat in ons staatsbestel is geregeld.
Erkent u dat een Nederlandse ziektewetuitkering aantrekkelijk is voor Poolse arbeidsmigranten, aangezien deze al gauw het dubbele bedraagt van het Poolse minimumloon?
Nederland heeft met een open, naar buiten gerichte economie baat bij een goed werkende interne markt en bij arbeidsmigratie. Onderdeel daarvan is dat mensen die in Nederland werken aanspraak kunnen maken op de sociale zekerheid en dat zij hun in Nederland opgebouwde rechten niet verliezen wanneer zij in een andere lidstaat verblijven of wonen of naar hun woonland terugkeren.
Deelt u de mening dat regulering van arbeidsmigratie hard nodig is als men het draagvlak voor sociale zekerheid wil behouden? Zo ja, gaat u aan de slag met de aanbevelingen in de Initiatiefnota van de SP en ChristenUnie?2
De misstanden rondom arbeidsmigranten krijgen kabinetsbreed de aandacht. Samen met sociale partners, gemeenten, provincies, maatschappelijke organisaties en onze buitenlandse partners worden passende maatregelen gezocht die kunnen leiden tot oplossingen van de verschillende problemen die er op dit terrein spelen. De initiatiefnota «Actieplan Arbeidsmigratie» draagt bij aan de discussie over de aanpak van de misstanden. Ik zal op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken zo spoedig mogelijk op deze Initiatiefnota reageren.
Hoe verklaart u deze nieuwe onthullingen over fraude, aangezien u sinds de Werkloosheidswet (WW)-fraude van oktober 2018 allerlei maatregelen heeft aangekondigd inzake de aanpak van fraude? Erkent u dat de aanpak van fraude vooralsnog onvoldoende effect sorteert?
Zoals ik in mijn brief van 11 maart jl. heb aangegeven, worden uitkeringen niet zomaar toegekend, maar heeft UWV in Nederland en in het buitenland een systeem van begeleiding en controles bij ZW-uitkeringen. Daarbij kan niet álle fraude met ZW-uitkeringen voorkomen of opgespoord worden.
Eén van de maatregelen om fraude in de WW aan te pakken, is de externe doorlichting van misbruikrisico’s van de sociale zekerheid (motie Wiersma, VVD). In navolging van de WW vindt momenteel systematische risico-identificatie en prioritering bij de ZW plaats. Uitvoering van de maatregelen inzake de aanpak van fraude is dus nog in volle gang. Het is daarbij te vroeg om vast te stellen of aanvullende beheersmaatregelen in de ZW nodig en mogelijk zijn.
Hoeveel aanvragen export-WW heeft het UWV ontvangen in het laatste kwartaal van 2018, en in het laatste kwartaal van 2019, uitgesplitst per regiokantoor en per land waar de WW naartoe wordt geëxporteerd?
De aantallen aanvragen export WW worden niet als zodanig geregistreerd. Wel kan UWV het aantal toekenningen export WW uit de systemen halen. In onderstaande tabellen wordt het aantal toekenningen over het laatste kwartaal in 2018 en 2019 weergegeven. Een uitsplitsing per regiokantoor is niet mogelijk.
Het aantal aanvragen kan wel worden afgeleid uit het aantal toekenningen en het aantal afwijzingen (antwoord op vraag 13). Hieruit blijkt dat in het vierde kwartaal 2018 in totaal 1.463 aanvragen om export WW werden gedaan. En in het vierde kwartaal 2019 901 aanvragen.
Land
4e kwartaal 2018
België
7
Bulgarije
8
Denemarken
1
Duitsland
6
Estland
–
Finland
3
Frankrijk
9
Griekenland
9
Hongarije
1
Ierland
1
Italië
3
Kroatië
1
Letland
2
Litouwen
6
Noorwegen
2
Oostenrijk
3
Polen
1.201
Portugal
6
Roemenië
12
Slovenië
1
Slowakije
12
Spanje
18
Tsjechië
4
Verenigd Koninkrijk
8
Zweden
2
Zwitserland
3
Eindtotaal
1.329
Bron: Publicatie 2018 – begindatum export
Land
4e kwartaal 2019
België
9
Bulgarije
9
Denemarken
1
Duitsland
12
Estland
1
Finland
–
Frankrijk
12
Griekenland
3
Hongarije
4
Ierland
1
Italië
9
Kroatië
1
Letland
-
Litouwen
4
Noorwegen
1
Oostenrijk
1
Polen
679
Portugal
7
Roemenië
12
Slovenië
2
Slowakije
9
Spanje
16
Tsjechië
4
Verenigd Koninkrijk
7
Zweden
2
Zwitserland
3
Eindtotaal
809
Bron: Publicatie 2019 (voorlopig) – begindatum export
Hoeveel aanvragen export-WW heeft het UWV afgewezen in het laatste kwartaal van 2018, en in het laatste kwartaal van 2019, uitgesplitst per regiokantoor en per land waar de ww naartoe wordt geëxporteerd?
Onderstaande tabel geeft het aantal afwijzingen van export WW weer, uitgesplitst per lidstaat. Een uitsplitsing per regiokantoor is niet mogelijk.
Land
Kwartaal 4 2018
Kwartaal 4 2019
België
3
3
Duitsland
10
13
Frankrijk
3
1
Griekenland
1
2
Hongarije
2
–
Italië
–
2
Kroatië
1
–
Litouwen
2
–
Niet EU-landen
1
–
Noorwegen
1
Oostenrijk
1
–
Polen
102
59
Portugal
1
–
Roemenië
–
–
Slovenië
2
–
Spanje
3
6
Tsjechië
–
2
Verenigd Koninkrijk
–
1
Zweden
–
2
Zwitserland
1
–
Eindtotaal
133
92
Van hoeveel WW-uitkeringen heeft u in 2018 en 2019 vastgesteld dat die onrechtmatig zijn? Kunt u dat uitsplitsen naar nationaliteit van de aanvrager? Hoeveel daarvan heeft u in vordering gesteld? Hoeveel van die vorderingen heeft u al geheel geïncasseerd? Wat is het resterende totale terug te vorderen bedrag?
In de context van deze vraag ga ik ervan uit dat onrechtmatig vastgestelde uitkering een uitkering is waarbij (achteraf) geconstateerd is dat er een overtreding van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden.
Voor de WW zijn in 2019 2.392 overtredingen van de inlichtingenplicht geconstateerd (2.630 in 2018). Hiervan ging het bij 966 gevallen om een overtreding met financiële benadeling (986 in 2018), waarvoor in 792 gevallen een boete is opgelegd (828 in 2018). Het totale benadelingsbedrag bedroeg in 2019 € 4,45 miljoen (€ 5,5 miljoen in 2018).
UWV heeft aangegeven dat gegevens over de verdeling naar nationaliteit niet voorhanden zijn.
Van de vorderingen die in 2018 voor overtredingen van de WW zijn opgelegd (terugvorderingen en boetes) is 38,0% geïncasseerd. Voor 2019 is 20,7% geïncasseerd. De percentages zullen de komende jaren verder oplopen omdat UWV de fraudevorderingen minimaal 10 jaar terugvordert. Zo is voor 2013 de incassoratio 80,8% voor de WW.
Van hoeveel export-WW-uitkeringen heeft u in 2018 en 2019 vastgesteld dat die onrechtmatig zijn? Kunt u dat uitsplitsen naar de landen van export? Hoeveel daarvan heeft u in vordering gesteld? Hoeveel van de vorderingen heeft u al geheel geïncasseerd? Wat is het resterende totale terug te vorderen bedrag?
Op dit moment is het nog niet mogelijk om uit de UWV-systemen informatie te verkrijgen over aantallen export WW-uitkeringen waarvan UWV heeft vastgesteld dat deze onrechtmatig verkregen zijn.
Voor de beantwoording van deze vraag refereer ik daarom aan de resultaten van een door UWV uitgevoerd dossieronderzoek ter beantwoording van vragen van het lid de Jong (PVV) over aantallen signalen uit Polen tijdens export en handhavende acties hierop (brief van 14 oktober 2019)10. In dat dossieronderzoek zijn over de periode september tot en met december 2018 alle dossiers doorgenomen van WW-gerechtigden die in genoemde periode hun uitkering exporteerden en waarbij sprake was een maatregel of (gedeeltelijke) beëindiging tijdens de export.
Het betrof de dossiers van 125 WW-gerechtigden. In diezelfde periode waren 1885 aanvragen voor export-WW toegekend. In tegenstelling tot vraag 14 ga ik in de context van deze vraag uit van uitkeringen waarbij UWV (achteraf) de uitkering heeft herzien en ingetrokken. Dit betekent niet dat dit allemaal overtredingen betroffen. Van deze 125 gerechtigden is in 22 gevallen de export met terugwerkende kracht herzien en is de toekenning ingetrokken. In drie gevallen daarvan gebeurde dit op verzoek van de WW-gerechtigde zelf. De uitkering is vervolgens in Nederland voortgezet. In 19 gevallen was de WW-uitkering herzien en ingetrokken, omdat UWV geconstateerd had dat de uitkeringsgerechtigde reeds voor de ingangsdatum van de exportperiode in het buitenland verbleef (zeven gevallen), voor of op de eerste WW-dag in het buitenland verbleef (twee gevallen, gevolg van handhavingsonderzoek) of vanwege andere redenen in het reguliere beoordelingsproces.
Aanvullend hebben SZW en UWV, conform mijn aankondiging in de brief van 14 oktober 2019, afspraken gemaakt over het structureel bijhouden van relevante beleidsinformatie over export WW. Deze beleidsinformatie betreft onder andere het aantal afwijzingen van verzoeken tot het exporteren van een WW-uitkering (inclusief de reden daarvan) en het aantal beëindigingen gedurende de export (inclusief de reden daarvan). Dit vergt systeemaanpassingen. SZW en UWV zijn nog in gesprek over de wijze waarop en per wanneer UWV de gehele set aan beleidsinformatie zal aanleveren.
Waarom is, daar waar volgens de onderzoekers in het onderzoeksrapport thema Iowa, naast de selectie van 315 ontvangers van WW, uit betrokken lijsten nog 1000 klanten te destilleren zijn, dit gegeven niet meegenomen in de scope van het onderzoek?3
Het themaonderzoek IOWA van juli 2018 richtte zich op misbruik van uitkeringsgelden dat door twee tussenpersonen werd gefaciliteerd12. Vanuit het onderzoek van ISZW naar 10 adressen konden 315 personen met een WW-uitkering worden gekoppeld. Hierdoor was het niet noodzakelijk ook alle 1.000 BSN’s in dat onderzoek te betrekken. Bovendien waren deze 1.000 BSN’s niet volledig onderzocht in het onderzoek van iSZW, waarbij van deze 1.000 BSN’s dus niet dezelfde informatie beschikbaar was als van de 315.
Hoeveel adrescontroles heeft u verricht in 2018 en hoeveel in 2019? Hoeveel daarvan hebben plaatsgevonden in het buitenland? Kunt u dat uitsplitsen naar het type controle, dus bijvoorbeeld door middel van aanschrijven, bezoek, met behulp van andere instanties et cetera?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bijhouden, de kwaliteit en actualiteit van de BRP voor wat betreft gegevens over hun inwoners, en doen onderzoek naar de juistheid van die gegevens. Het controleren van adressen is dus geen taak van UWV, maar is belegd bij gemeenten. In de Wet Basisregistraties Personen (Wet BRP) is geregeld dat bestuursorganen, zoals UWV, een terugmelding moeten doen aan de desbetreffende gemeente als zij twijfelen aan de juistheid van een adresgegeven. Die gemeente dient vervolgens te onderzoeken of de gegevens in de BRP gewijzigd moeten worden. Zoals aangegeven in mijn brief van 19 december 201913 is UWV gestart met meldingen van afwijkende adresgegevens op de BRP bij gemeenten. Dit aantal was in 2019 met 29 meldingen nog beperkt.
Naast adrescontroles door gemeenten controleert UWV in hoeverre WW-uitkeringsgerechtigden ongeoorloofd in het buitenland verblijven. Het ontvangen van een WW-uitkering is gekoppeld aan verblijf in Nederland gedurende de uitkering. UWV doet hier vanaf 2018 onderzoek bij uitkeringsgerechtigden waarbij sprake is van meerdere uitkeringen op één adres. Hierbij zijn tot op heden 104 adressen onderzocht met in totaal 920 uitkeringsgerechtigden. De controles zelf vonden in Nederland plaats, waarbij uitkeringsgerechtigden door UWV zijn bezocht en/of opgeroepen voor gesprek. Het merendeel van de adressen is door UWV bezocht. Uitsplitsing in aantallen per type controle is niet voorhanden.
Hoeveel malafide tussenpersonen heeft u geïdentificeerd? Wat is de top vijf van het aantal bemiddelingen per malafide tussenpersoon? Zijn er tussenpersonen met wie het UWV niet meer samenwerkt?
UWV heeft geen (formele) relatie met de tussenpersoon en heeft daarom geen mogelijkheden hen aan te pakken via de bestuursrechtelijke weg. Wanneer er echter duidelijke vermoedens zijn dat de tussenpersoon bij dienstverlening strafrechtelijke gedragingen heeft gepleegd kan hier wel via de strafrechtelijke weg worden opgetreden door ISZW. In 2019 heeft UWV vijf tussenpersonen geïdentificeerd en doorgegeven aan ISZW. Het Openbaar Ministerie kan de betreffende tussenpersoon strafrechtelijk vervolgen.
UWV kan – lopende de onderzoeken – over bovengenoemde tussenpersonen geen verdere uitspraken doen over het aantal bemiddelingen per tussenpersoon.
Een uitkeringsgerechtigde mag zich laten bijstaan door een tussenpersoon en bepaalt zelf of en wanneer hij daarvan gebruik wil maken. UWV heeft geen bevoegdheid om tussenpersonen te weigeren. Bij de ZW-gesprekken is bijvoorbeeld altijd een Poolssprekende persoon aanwezig, waardoor een klant altijd rechtstreeks wordt gesproken.
Wat is het grootste aantal door UWV beëindigde WW-uitkeringen op één adres op grond van (vermoedelijke) onrechtmatigheid? In welke gemeente bevindt dat adres zich?
In het handhavingsonderzoek naar meerdere uitkeringen op één adres, is gebleken dat op een adres in de provincie Noord-Brabant 22 overtredingen zijn geconstateerd. Het betreft een adres in een kleine gemeente. Om reden van herleidbaarheid naar de overtreders vermeld ik de gemeente daarom niet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Sociale zekerheid op 12 maart 2020?
Het is mij niet gelukt om de vragen schriftelijk te beantwoorden voor het algemeen overleg op 12 maart jl. In dat algemeen overleg ben ik reeds op diverse vragen ingegaan. Hierbij ontvangt u de schriftelijke beantwoording op alle gestelde vragen.
Ontwikkelingen op het dossier BUIG, bekostiging bijstandsuitkeringen en uitspraak Centrale Raad van Beroep |
|
Wim-Jan Renkema (GL) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat vindt u ervan dat zowel de gemeente Utrecht, als de gemeente Den Haag opnieuw naar de rechter stappen, omdat u geen compensatie biedt voor de schade die deze gemeenten hebben geleden als gevolg van de verdeling van de bijstandsbudgetten in 2015 en verder? Kunt u uitleggen waarom u de eerdere rechterlijke uitspraak hierover naast u neerlegt?
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft mij in zijn uitspraken van 1 juli 2019 opgedragen voor een viertal gemeenten een nieuw besluit te nemen over het bijstandsbudget over het jaar 2015. Na zorgvuldige bestudering van de uitspraken van de CRvB is SZW in overleg getreden met de gemeenten Den Haag, Utrecht, Amersfoort en Den Bosch. Daarbij heeft elke gemeente de gelegenheid gekregen gemotiveerd haar eigen schatting te geven van het budget waar de gemeente recht op denkt te hebben. Mijn ministerie heeft daar zijn eigen schattingen naast gezet en de gemeenten de gelegenheid geboden hier hun visie op te geven. Belangrijk uitgangspunt in de schattingen van SZW is dat de modelspecificatie voor de bijstandsbudgetten in 2017 (model 2017) als basis voor de nieuwe berekeningen kan worden gebruikt. Immers, vanaf 2017 zijn de twee belangrijkste knelpunten die de CRvB constateert, het gebruik van enquêtegegevens en het ontbreken van een indicator voor «centrumfunctie», opgelost. Sinds 2017 wordt gebruik gemaakt van integrale gegevens op huishoudniveau en wordt extra rekening gehouden met problematiek in centrumgemeenten.
De gemeente Den Bosch kwam met een gelijk uitgangspunt om model 2017 als basis voor nieuwe berekeningen te gebruiken. De andere gemeenten hadden liever het oude model 2014 gebruikt, dat voor invoering van het nieuwe model in 2015 bestond, of het nieuwe verdeelmodel, maar dan voor een recenter jaar, zoals 2019. Na overleg met de vier gemeenten heb ik nog kleine aanpassingsvoorstellen van de gemeente Den Bosch overgenomen in de berekening van nieuwe budgetten voor 2015. Daarna ben ik overgegaan tot het nemen van de nieuwe besluiten, waarbij ik voor alle betrokken gemeenten heb vastgehouden aan model 2017 als uitgangspunt voor de berekeningen, aangezien 2017 het eerste jaar is na 2015 waarin de knelpunten uit de CRvB-uitspraken zijn opgelost. Daarmee heb ik naar mijn oordeel op eenduidige, uniforme wijze invulling gegeven aan de uitspraak van de CRvB.
De gemeenten Den Bosch en Amersfoort kunnen zich vinden in de nieuwe vastgestelde budgetten. De gemeente Utrecht ontving weliswaar een iets hoger budget dan op basis van verdeelmodel 2015 was toegekend, maar dit was lager dan waarop de gemeente had gerekend. De gemeente Den Haag gaat er niet op vooruit na herberekening van het budget. Ik begrijp dat de gemeenten Utrecht en Den Haag teleurgesteld zijn in de uitkomsten. Deze gemeenten hebben besloten om opnieuw naar de rechter te stappen. Het is daarmee aan de CRvB om het uiteindelijke oordeel te geven in deze zaken.
Klopt het dat er ook over arbitrage gesproken is, maar dat u hier niet op ingegaan bent? Waarom heeft u ervoor gekozen om hier niet op in te gaan en daarmee de voorkeur te geven aan een juridische procedure boven overleg met de gemeenten?
De gemeenten Den Haag en Utrecht hebben de optie van arbitrage genoemd. Ik heb echter gekozen voor een werkwijze waarbij SZW zo goed mogelijk recht heeft gedaan aan de uitspraken van de CRvB. We hebben actief gevraagd naar de visie en argumenten van de vier betrokken gemeenten en hebben deze argumenten ook meegenomen in onze afwegingen om te komen tot nieuwe besluiten. Voor de gemeenten die zich daar niet in kunnen vinden staat een nieuwe gang naar de CRvB open.
Welke gemeenten hebben er, net zoals Amersfoort, Utrecht, Den Haag en Den Bosch, in de afgelopen vijf jaar nog meer bezwaar aangetekend tegen besluiten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) over bijstandsbudgetten? Kunt u een overzicht maken vanaf 2015 tot nu toe met alle bezwaar- en beroepsprocedures als het gaat om het voorlopige budget, het definitieve budget of de vangnetuitkering?
In bijlage 1 vindt u een overzicht van alle bezwaar- en beroepsprocedures vanaf 2015 tot en met 2020. 1
Welke gemeenten zijn op dit moment «pechgemeenten» die dus zelf geld moeten bijleggen en hoe groot zijn dan de tekorten in die gemeenten? Kunt u in een overzicht weergeven hoeveel er per jaar aan tekort door gemeenten in totaal is geleden?
In bijlage 2 vindt u een complete lijst van gemeenten met hun budget, uitgaven en tekort/overschot over de jaren 2017, 2018 en 2019.2
Hieronder vindt u een overzichtstabel van het aantal gemeenten in een tekort- of overschotsituatie over 2019. De meeste gemeenten (65%) hebben in 2019 een overschot op het bijstandsbudget. Er zijn 90 gemeenten (25%) met een tekort van minder dan 7,5%. 37 gemeenten (10%) hebben een tekort van meer dan 7,5% en komen – indien ze aan de aanvullende voorwaarden voldoen – in aanmerking voor een vangnetuitkering over 2019.
Als alle tekorten op de bijstandsuitkeringen bij elkaar worden opgeteld komen we uit op een totaal van € 153 miljoen. De totale overschotten komen uit op € 203 miljoen.3
Stand per:
Gemeentegrootte
9-3-2020
Nederland
Klein
Middelgroot
Groot
Ontvangen formulieren BvdU 2019
355 (100%)
46 (13%)
180 (51%)
129 (36%)
Tekort en overschot naar categorie:
Tekort >7,5%
37 (10%)
2 (1%)
21 (6%)
14 (4%)
Tekort 0–7,5%
90 (25%)
14 (4%)
37 (10%)
39 (11%)
Overschot 0–7,5%
137 (39%)
14 (4%)
77 (22%)
46 (13%)
Overschot >7,5%
91 (26%)
16 (5%)
45 (13%)
30 (8%)
Welke gemeenten zijn de «voordeelgemeenten» die dus het overschot op het bijstandsbudget mogen behouden en hoe groot zijn die overschotten dan? Kunt u in een overzicht weergeven hoeveel er per jaar aan overschot door gemeenten is gerealiseerd?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u voor een verbetering van de verdeling van de middelen tussen pechgemeenten en voordeelgemeenten?
De termen «pechgemeenten» en «voordeelgemeenten» wekken ten onrechte de suggestie dat gemeenten geen invloed hebben op hun financiële situatie rondom de «BUIG». Vanaf 2004 zijn gemeenten volledig financieel verantwoordelijk geworden voor de bijstand. Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Participatiewet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan gemeenten (het macrobudget) bij wet vastgesteld, waarbij het uitgangspunt is dat dit bedrag toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten tezamen. SZW is verantwoordelijk voor de verdeling van het macrobudget over de gemeenten. Daarbij maken we gebruik van een objectief verdeelmodel, dat de noodzakelijke bijstandsuitgaven op gemeenteniveau zo goed mogelijk inschat op basis van een uitgebreide set van factoren, zoals kenmerken van huishoudens en de lokale arbeidsmarktsituatie. Het budget dat met behulp van het model wordt geraamd is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan het bedrag dat feitelijk door een gemeente wordt uitgegeven. Het systeem van objectieve budgettering is bedoeld om gemeenten te stimuleren via beleid en uitvoering de bijstandsuitgaven zo goed mogelijk in de hand te houden. Geeft een gemeente minder uit dan je op basis van het model zou verwachten, dan mag de gemeente het overschot houden. Geeft een gemeente meer uit, dan zal de gemeente het tekort, tot een bepaald eigen risico, uit eigen middelen moeten dekken. Overigens worden alleen gemeenten met meer dan 40.000 inwoners volledig objectief verdeeld. Kleinere gemeenten worden (deels) verdeeld op basis van de historische uitgaven in die gemeenten.
Overschotten kunnen gemeenten onbeperkt en vrij besteden aan andere doelen. Dit sluit aan bij de beleidsvrijheid die gemeenten hebben voor de middelen die ze via de algemene uitkering van het Gemeentefonds ontvangen. Ik hecht eraan daarbij aan te geven dat gemeenten zijn gebonden aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het betalen van bijstandsuitkeringen. Het objectieve verdeelmodel is gebaseerd op deze wettelijke verplichtingen. Gemeenten die in staat zijn gebleken om minder aan bijstandsuitkeringen uit te geven dan het aan hen verstrekte budget, hebben mijns inziens laten zien binnen de wettelijke randvoorwaarden effectiever te zijn in het verhogen van de uitstroom of beperken van de instroom dan de gemiddelde gemeente in Nederland. Omgekeerd zullen gemeenten met tekorten worden gestimuleerd om de effectiviteit van beleid en uitvoering te verhogen. Binnen de huidige verdeelsystematiek is een bepaalde mate van solidariteit ingebouwd. Gemeenten die te maken hebben met grote tekorten (in 2019 >7,5%) komen in aanmerking voor een vangnetuitkering (mits er ook aan de aanvullende voorwaarden is voldaan). Deze vangnetuitkeringen worden met twee jaar vertraging uit het macrobudget gefinancierd, waardoor de lasten ervan over alle gemeenten worden verdeeld.
Kunt u uitleggen waarom het in het huidige stelsel mogelijk is dat gemeenten onbeperkt voordeel kunnen halen uit het budget Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten (BUIG-budget), en dat dit budget vrij besteedbaar is, en dus ook aan andere doelen dan kwetsbare mensen kan worden besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat in de uitspraak van juli 2019 de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aangeeft dat het Ministerie van SZW ook onderzoek had moeten doen naar de gevolgen van de uitkomst van het verdeelmodel, omdat de onevenredigheid van de uitkomsten van het verdeelmodel volgens de CRvB aan de voorkant al door het Ministerie van SZW onderzocht zouden moeten zijn? Op welke manier heeft u, gezien de uitkomst van deze procedure waarbij het ministerie in het ongelijk gesteld is, dit onderzoek nu vormgegeven?
Ik ken de inhoud van de uitspraken van de CRvB. Er is aan de voorkant uitvoerig onderzoek gedaan naar zowel de opzet als de uitkomsten van het verdeelmodel. In de aanloop naar de invoering van het nieuwe verdeelmodel in 2015 zijn diverse experts en een begeleidingscommissie bestaande uit o.a. VNG, Divosa, de Raad voor financiële verhoudingen (Rfv, opgegaan in de Raad voor Openbaar Bestuur), individuele gemeenten en de Ministeries van Financiën en BZK betrokken geweest. De experts en de Rfv hebben geadviseerd het gekozen verdeelmodel in te voeren. Later is door de Rfv geconstateerd dat er in de verdeling voor 2015 en 2016 knelpunten zaten, die voor het jaar 2017 opgelost zouden moeten worden. De CRvB heeft de constateringen van de Rfv ook betrokken in zijn uitspraak van juli 2019 over de bijstandsbudgetten in 2015.
In de jaren daarna heeft SZW, mede op advies van de Rfv, gewerkt aan doorontwikkeling van het verdeelmodel. Daarbij zijn wederom experts en een begeleidingscommissie nauw betrokken geweest. Met name in 2017 is een grote stap gezet in het nieuwe verdeelmodel, waarbij de knelpunten die de CRvB voor de jaren 2015 (en eigenlijk ook 2016) constateert zijn weggewerkt. Het oordeel van de Rfv over model 2017 is dan ook positief. In 2017 hebben SEO Economisch Onderzoek en Atlas voor gemeenten onderzoek gedaan naar de uitschieters van het verdeelmodel en hoe plausibel die zijn.4 Dit onderzoek toont de relatie aan tussen specifiek beleid en uitvoering enerzijds en tekorten en overschotten anderzijds.
Het uitgangspunt van de verdeelsystematiek is om de budgetten zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de noodzakelijke uitgaven van gemeenten. SZW laat de berekening van de objectieve budgetten uitvoeren door SEO Economisch Onderzoek en Atlas voor gemeenten. Deze berekening komt zeer zorgvuldig tot stand, waarbij alle afzonderlijke stappen door meerdere onderzoekers en door medewerkers van het ministerie worden gecontroleerd. De uitkomsten van de verdeling worden aan diverse toetsen onderworpen.
Wat legitimeerde het gebruik van een alternatief verdeelmodel (model 2017) als model om een nieuw besluit over het jaar 2015 op te baseren?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, heb ik de berekening van de nieuwe budgetten gebaseerd op model 2017, omdat dit het eerste jaar is na 2015 waarin rekening is gehouden met de centrumfunctie en bovendien gebruik wordt gemaakt van integrale gegevens. Daarmee wordt naar mijn oordeel recht gedaan aan de uitspraak van de CRvB, waarin immers is overwogen dat met name het ontbreken van die factoren in de verdeling voor 2015 leidde tot een onevenredige benadeling van de vier gemeenten.
Op welke manier gaat u de onderzoeksplicht als bedoeld in bovenstaande vraag in de toekomst vormgeven?
De uitspraak van de CRvB heeft betrekking op de bijstandsbudgetten in 2015 van vier gemeenten. Bij de invoering van het nieuwe verdeelmodel in 2015 is sprake geweest van relatief grote herverdeeleffecten, ook met de toepassing van de overgangsregeling. In de jaren daarna zijn de herverdeeleffecten elk jaar minder geworden. Inmiddels is het verdeelmodel uitontwikkeld. Ik blijf wel in goed overleg met gemeenten, Divosa en de VNG over de uitkomsten. Verder zal ik de onderzoeksplicht in de toekomst op dezelfde manier vormgeven als dat ik de afgelopen jaren heb gedaan, zie mijn antwoord op vraag 8.
Vindt u ook dat gemeenten op individueel niveau voorzien moeten worden van een kostendekkende financiering voor de uitvoering van de bijstand? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan het dan dat gemeenten een tekort of een overschot hebben?
Sinds 2004 is er geen sprake meer van een declaratiestelsel. Op macroniveau worden de bijstandsuitgaven toereikend geraamd. Voor individuele gemeenten kan sprake zijn van tekorten en overschotten. Dit is het resultaat van een systeem van objectieve budgettering. Daarmee ontstaat een financiële prikkel voor gemeenten om de bijstandsuitgaven te beperken.
Hoe heeft u invulling gegeven aan het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) om tot financiële compensatie over te gaan voor de tekorten die ontstaan bij gemeenten? Klopt het dat van compensatie in de zin van het ROB-advies geen sprake is geweest?
U doelt vermoedelijk op de macrotekorten in 2016 en 2017 die zijn ontstaan door de verhoogde instroom van vergunninghouders vanaf 2015. Volgens de reguliere ramingssystematiek worden tekorten via de realisaties verwerkt in het macrobudget van het volgende jaar. Structurele afwijkingen tussen macrobudget en macro realisaties zijn daarmee niet mogelijk. Indien sprake is van grote tekorten, is het voor gemeenten tijdelijk wel een grotere opgave om hun begroting rond te krijgen. Daarom hebben het Rijk en de VNG eind 2015 met het oog op de bovengemiddelde asielinstroom afgesproken dat gemeenten voor de jaren 2016 en 2017 bij SZW voorfinanciering kunnen aanvragen.5Gemeenten hebben daar slechts beperkt gebruik van gemaakt. In 2018 heeft de ROB geadviseerd om bij de raming van het macrobudget 2018 en 2019 rekening te houden met het extra beroep op het vangnet uit de jaren 2016 en 2017 die het gevolg zijn van de verhoogde asielinstroom.6 Naar aanleiding van dit ROB-advies hebben Rijk en VNG nieuwe afspraken gemaakt. Onderdeel van deze afspraken is dat de verhoogde asielinstroom in 2018 en 2019 in de ramingen wordt verwerkt. Daarmee is de discussie tussen Rijk en VNG over de tekorten op het macrobudget in 2016 en 2017 afgesloten. In 2018 en 2019 is er sprake van een overschot op het macrobudget.
Bent u ervan op de hoogte dat gemeenten al te maken hebben met tekorten op de jeugdhulp en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), dat het budget voor inburgering nog niet geregeld is en dat er voor het probleem van de verdeelsystematiek van de bijstandsbudgetten nog geen structurele oplossing door u is geboden? Wat vindt u ervan dat gemeenten al deze tekorten zelf hebben moet opvangen en dat zonder gewijzigd beleid ook in de toekomst zullen moeten blijven opvangen? Deelt u de zorgen dat heel veel mensen hier straks de dupe van gaan worden? Welke aanpak stelt u voor om deze tekorten in het gehele sociale domein op te lossen?
Ik vind het, gezien de vrije besteedbaarheid van de middelen, goed dat de tekorten worden bezien in de context van het bredere sociale domein.
Gemeenten kennen op diverse dossiers financiële opgaven. Om deze te verlichten heeft het kabinet vorig jaar extra middelen uitgetrokken voor de uitvoering van de Jeugdwet: € 420 mln in 2019, € 300 mln in 2020 en € 300 mln in 2021. Het kabinet heeft met gemeenten een onderzoek afgesproken naar de noodzaak van structureel extra middelen voor jeugdzorg (vanaf 2022). Dat onderzoek vindt dit jaar plaats. De resultaten van het onderzoek dienen als inbreng voor de komende kabinetsformatie. Over de financiële opgave van de nieuwe wet Inburgering worden constructieve gesprekken gevoerd met de VNG. Het kabinet neemt hiermee de zorgen serieus en blijft met gemeenten in gesprek over de opgaven die lokaal zijn of worden belegd.
Een man die zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering kwijtraakt vanwege een fysiotherapie behandeling |
|
Jasper van Dijk |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht: «Man verzwijgt fysio-behandeling, raakt verzekering kwijt»?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Vindt u het aanvaardbaar dat iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt geweigerd vanwege een aantal behandelingen bij de fysiotherapeut?
Als een zelfstandige een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) wil afsluiten, dan heeft de verzekeraar bepaalde gegevens van hem nodig om een inschatting te maken van het risico en een daarbij passende premie vast te kunnen stellen. Voordat een AOV wordt gesloten vragen verzekeraars daarom aan aspirant-verzekerden om een gezondheidsverklaring in te vullen. Deze verklaring bestaat uit een formulier waarin vragen gesteld worden over de persoonlijke omstandigheden en leefstijl van de aspirant-verzekerde en over de medische geschiedenis. Er wordt gevraagd naar een groot aantal aandoeningen en ziekten. Tevens wordt aangegeven dat de aspirant-verzekerde het moet vermelden indien hij bijvoorbeeld een arts heeft bezocht, een (para)medische behandeling heeft ondergaan (zoals fysiotherapie) en/of medicijnen heeft gebruikt. De medisch adviseur van de verzekeraars beoordeelt vervolgens de gezondheidsverklaring.
Op het formulier wordt benadrukt dat het belangrijk en verplicht is om de verklaring goed en volledig in te vullen omdat de verzekeraar anders de AOV kan beëindigen of een uitkering kan weigeren of stopzetten. Een verzekeraar moet immers op de juistheid en volledigheid van de gezondheidsverklaring kunnen vertrouwen.
Het juridische kader is geregeld in het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 7:928 lid 1 BW is geregeld dat de verzekerde een mededelingsplicht heeft. De gevolgen van het niet nakomen van de mededelingsplicht zijn geregeld in de artikelen 7:929 lid 2, 7:930 lid 2 en lid 3 BW. Cruciaal daarbij is de vraag of de verzekeraar, als hij wel bekend was geweest met het feit dat hem niet is meegedeeld door de verzekerde, de verzekering wel of niet zou hebben gesloten of bepaalde clausules, uitsluitingen of premieverhogingen zou hebben toegepast.
Blijkens de uitspraak van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid)2 draait het in het onderhavige geval om het feit dat de verzekeraar, als hij wel op de hoogte was geweest van het risico c.q. de medische informatie, bepaalde clausules, uitsluitingen of premieverhogingen zou hebben toegepast op de verzekering. Na onderzoek en advies van zijn medisch adviseur heeft de verzekeraar aan de verzekerde de optie gegeven om akkoord te gaan met een uitsluitingsclausule (ten aanzien van aandoeningen van de wervelkolom), dan wel de AOV op te zeggen. De verzekeraar heeft vervolgens de claim van de verzekerde afgewezen omdat deze onder de uitsluitingsclausule zou vallen.
Kunt u juridisch verklaren hoe Aegon NV een zelfstandige, die zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt, op deze gronden een uitkering kan weigeren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt door het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) het belang van de klant gewogen?
Het Kifid is onpartijdig en onafhankelijk. Het Kifid streeft een gelijk speelveld na voor consumenten, ondernemers en financiële dienstverleners. Het Kifid geeft aan daarbij bovendien rekening te houden met een eventuele kennisachterstand van consumenten en ondernemers.
Vindt u het toelaatbaar dat particuliere verzekeraars enkel kerngezonde mensen willen verzekeren en de kosten van klanten die arbeidsongeschikt worden proberen af te wentelen op de maatschappij?
In de media wordt soms het beeld geschetst dat verzekeraars zelfstandigen frequent afwijzen voor een AOV. Van alle zelfstandigen die een aanvraag doen voor een AOV wordt met bijna 80% daadwerkelijk een AOV afgesloten. Bij bijna 15% van de kandidaat-verzekerden die een verzekering aanvragen is er wel een verzekeringsaanbod van de verzekeraar, maar komt de AOV om andere redenen niet tot stand. Bijvoorbeeld omdat de benodigde informatie niet wordt aangeleverd of omdat de kandidaat-verzekerde zelf besluit om de AOV niet af te sluiten. Zo’n 5% van de aspirant-verzekerden wordt geweigerd voor een AOV.3
In 2011 heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een onderzoek gedaan naar de claimbeoordeling bij de AOV. De AFM concludeerde toen dat er geen aanwijzingen waren dat verzekeraars structureel onzorgvuldig handelen bij de vaststelling en uitkering van claims. In 2018 heeft de AFM opnieuw een verkenning gedaan: volgens de AFM zijn er geen misstanden waar nader onderzoek naar moet worden gedaan.
Bent u bereid de mogelijkheden tot een acceptatieplicht bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen te onderzoeken?
In het Pensioenakkoord hebben kabinet en sociale partners afgesproken dat sociale partners een voorstel uitwerken voor een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. In mijn antwoord op vraag 11 ga ik hier nader op in.
Onderschrijft u dat mede door dit soort incidenten het vertrouwen in een arbeidsongeschiktheidsverzekering onder ZZP'ers laag is?
Noch de zelfstandige, noch de verzekeraar is gebaat bij incidenten als deze. Verzekeraars proberen daarom dit soort situaties te voorkomen. Zo is in 2017 de model-gezondheidsverklaring gemoderniseerd om het risico op het niet nakomen van de mededelingsplicht te voorkomen. De belangrijkste aanpassing bestaat uit het toevoegen van zogenoemde kruisvragen. Via deze kruisvragen wordt de aspirant-verzekerde gevraagd naar onder meer artsenbezoek, ziekenhuisopname en medicijngebruik. Allerlei informatie over kwalen en aandoeningen die eerder in de verklaring niet is gegeven blijkt bij deze vraag vrijwel altijd alsnog te worden vermeld. Op deze wijze vraagt de verzekeraar niet naar méér informatie, maar stelt hij de vragen op verschillende manieren, en wordt de kans op (onbewuste) verzwijging verkleint.
Een incident als dit komt het imago van verzekeraars niet ten goede. Tegelijkertijd wordt het negatieve beeld van verzekeraars over uitkeringsgedrag en claimbeoordeling niet bevestigd door bovengenoemde verkenningen van de AFM.
Bent u bereid met Aegon NV en andere verzekeraars in overleg te gaan teneinde een mensvriendelijker beleid te bevorderen?
In de onderhavige kwestie zie ik geen aanleiding om in contact te treden met verzekeraars over een mensvriendelijker beleid.
Welke mogelijkheden staan er nog open voor de cafetariahouder in kwestie en wat kunt u voor hem betekenen?
De uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid betreft in dit geval een niet-bindend advies. Hieraan hoeven de consument en de financiële dienstverlener zich niet te houden. Als de cafetariahouder in kwestie het niet eens is met deze niet-bindende uitspraak kan hij deze nog aan de rechter voorleggen.
Hoeveel zelfstandigen maken momenteel gebruik van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van het UWV?
Zelfstandigen kunnen via twee wegen bij UWV verzekerd zijn tegen het risico van arbeidsongeschiktheid: hetzij via de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ), hetzij via de vrijwillige WIA- of WAO-verzekering bij UWV.
Met de inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ is de toegang tot de WAZ geëindigd in 2006. De WAZ is gehandhaafd voor de toen lopende WAZ-uitkeringen en kent momenteel ruim 10.000 lopende uitkeringen – hieronder vallen overigens ook uitkeringen aan meewerkende echtgenoten.
De vrijwillige verzekering van UWV staat onder meer open voor zelfstandigen die voorheen verplicht verzekerd waren voor de werknemersverzekeringen (waaronder de WIA). De vrijwillige verzekering bij UWV staat bovendien ook open voor andere groepen, zoals dienstverleners aan huis (waaronder alfahulpen).
Het totale verzekerdenbestand voor de vrijwillige WAO- en WIA-verzekering bedraagt bijna 15.000.4 Het aandeel zelfstandigen hierin wordt niet bijgehouden.
Bent u bereid om zelf een goede en betaalbare arbeidsongeschiktheidsverzekering in het leven te roepen waar zelfstandigen gebruik van kunnen maken?
Conform de afspraak in het Pensioenakkoord hebben sociale partners een voorstel uitgewerkt voor een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Dit voorstel hebben zij op 3 maart jongstleden aan mij aangeboden. Op dit moment ben ik bezig om dit advies te bestuderen en de precieze implicaties ervan in kaart te brengen. Voor de zomer van 2020 komt het kabinet met een voorstel aan de Tweede Kamer.
Het bericht dat daklozen van de gemeente Den Haag geld krijgen om de stad te verlaten |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat vind u ervan dat de gemeente Den Haag een proef doet om dak- en thuislozen geld te geven om te verhuizen naar een andere stad?1 2
De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat medio 2019 een pilot is gestart waarin de gemeente mensen met beperkte financiële middelen (waaronder dak- en thuislozen) beter ondersteunt wanneer zij willen verhuizen naar een andere gemeente. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand niet wil wachten op de lange wachttijd voor een sociale huurwoning in Den Haag. Het kan ook zijn dat iemand vanuit de maatschappelijke opvang in Den Haag klaar is weer zelfstandig te gaan wonen en een nieuwe start wil maken in een andere gemeente. De pilot is dus nadrukkelijk bedoeld voor mensen die zélf aangeven ergens anders te willen wonen dan in Den Haag. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat het mensen vrij staat zich te vestigen waar zij willen.
In de zoektocht naar een nieuwe sociale huurwoning in een andere gemeente kunnen mensen tegen diverse problemen aanlopen. Een voorbeeld is dat mensen bang zijn hun uitkering te verliezen in de periode van uit- en inschrijving in de nieuwe gemeente. De gemeente Den Haag vindt dat dit soort zaken geen belemmering zou moeten vormen om een passende woonplek te vinden. Zij biedt dan bijvoorbeeld aan de uitkering door te betalen totdat de inschrijving in de nieuwe gemeente geregeld is. De pilot voorziet in een casemanager die de verhuizende persoon helpt snel de benodigde aanvragen bij de juiste afdelingen van de ontvangende gemeente te doen. Ik ondersteun deze werkwijze en ik vind het passend bij de zoektocht naar het bieden van maatwerk in het sociaal domein.
Wel ben ik van mening dat de gemeente Den Haag goed in overleg moet treden met de gemeente waar zij mensen naartoe begeleidt. Een warme overdracht is hierbij cruciaal. De gemeente Den Haag bekijkt per casus wat daarin nodig is.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Den Haag dak- en thuislozen willen sturen naar andere steden die vaak ook al een oververtegenwoordiging hebben van dergelijke problematiek? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de insteek van de gemeente Den Haag die dak- en thuislozen stuurt naar andere gemeenten, geen duurzame oplossing is van de problematiek die de stad kent als het gaat om een tekort aan bedden en geschikte woningen? Zo ja, bent u bereid in gesprek te gaan met de gemeente Den Haag om deze maatregel in te trekken en te kijken naar geschiktere oplossingen? Zo neen, waarom niet?
Ik ben van mening dat het aantal dak- en thuislozen in heel Nederland veel te hoog is. De maatregelen die binnen deze brede context genomen moeten worden presenteer ik voor de zomer in een overkoepelend plan.3 Tegelijkertijd wil ik gemeenten aanmoedigen zelf te kijken hoe zij inwoners beter kunnen ondersteunen in hun huisvesting- en begeleidingsbehoefte. De pilot van de gemeente Den Haag zie ik als een goede poging hiertoe, waarvan ik de resultaten graag afwacht. De wethouder van gemeente Den Haag heeft binnenkort gesprekken met de gemeenten die het niet eens zijn met deze regeling. Ik heb aangegeven op de hoogte gehouden te willen worden van deze gesprekken en de geleerde lessen van de pilot.
Normenkaders voor de intensieve kindzorg |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Bent u ervan op de hoogte dat binnen de intensieve kindzorg met verschillende normenkaders voor de toepassing van indicaties wordt gewerkt, waarbij het normenkader Indiceren van de Beroepsvereniging V&VN is geaccordeerd door het Zorginstituut Nederland en de branche zelf en het andere normenkader zonder toetsing en accordering wordt gehanteerd door een aantal thuiszorgorganisaties en minimaal twee grote zorgverzekeraars?1
Aangezien er geen titel wordt genoemd, is het mij niet duidelijk welk document bedoeld zou worden met «het andere normenkader».
Zoals aangegeven in eerdere brieven bestaat de beroepsnorm van V&VN voor het indiceren en organiseren van verpleging en verzorging in de thuissituatie uit twee documenten: het Normenkader2 uit 2014 en het Begrippenkader Indicatieproces uit 2019. Het Normenkader formuleert de eisen bij het indiceren. Het Begrippenkader Indicatieproces behelst in feite een toelichting op een aantal begrippen uit het Normenkader en is bedoeld als ondersteuning van het proces van indiceren. Zowel V&VN, Zorgverzekeraars Nederland als de Branchevereniging Integrale Kindzorg (aanbieders) geven aan dat hun leden/achterban deze V&VN-documenten hanteren. Het Zorginstituut heeft in het document «Verpleegkundige indicatiestelling – een nadere duiding» (d.d. maart 2019) een aantal begrippen verhelderd die een rol spelen bij het vaststellen wat verzekerde zorg is.
Aangezien de beroepsnorm op dit moment ruimte laat voor interpretatieverschillen o.a. bij de indicatiestelling voor de kindzorg thuis heb ik met V&VN afgesproken dat de beroepsnorm waar nodig verhelderd zal worden voor de kindzorg thuis. (Zie mijn antwoord op Commissiebrief d.d. 18 februari3).
Wat vindt u ervan dat een aantal thuiszorgorganisaties werkt volgens een niet gevalideerd normenkader en daarmee afwijkt van het standaard geaccordeerde normenkader binnen die branche? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom zijn zorgverzekeraars niet verplicht hun inkoop- en vergoedingenbeleid te baseren op het normenkader dat breed in de sector gedragen wordt en ook door de het Zorginstituut Nederland is gevalideerd?
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht en zijn verplicht zich te houden aan wet- en regelgeving en de bestuurlijke afspraken. Daarbuiten hebben ze vrijheid om beleid te maken. Daarnaast baseren ze hun beleid op de beroepsnorm die breed in de sector gedragen wordt. In dit geval is dat de beroepsnorm van V&VN. Zorgverzekeraars hebben (de toepasselijkheid van) het Normenkader expliciet opgenomen in hun Reglement PGB in de Zvw (onderdeel van hun polisvoorwaarden).
Overigens is het niet zo dat de zorgverzekeraar over de indicatie gaat. De toegang tot de wijkverpleging en het stellen van de indicaties daartoe, is bij uitsluiting voorbehouden aan de beroepsgroep zelf. Zorgverzekeraars geven dat ook aan en bevestigen mij dat zij op de kennis en kunde van zorgverleners vertrouwen.
Kinderverpleegkundigen met een hbo-vooropleiding (niveau 5 en 6) stellen de indicaties. Dit doen zij vanuit de eigen professionaliteit en autonomie, kennis en kunde, volgens het verpleegkundige proces. Daarbij wordt, met een onderbouwing in het zorgplan, een inschatting gemaakt over de hoeveelheid zorg die noodzakelijk is.
De zorgverzekeraar toetst (verplicht) of er sprake is van doelmatige zorg die rechtmatig kan worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Een besluit van een zorgverzekeraar of het om verpleging en verzorging gaat die in het individuele geval verzekerde zorg is, gaat uit van een gemotiveerde en onderbouwde indicatie van de verpleegkundige in het individuele geval.
In hoeverre houdt de Nza dergelijke ontwikkelingen in de gaten en toetst hier vervolgens op? Is het denkbaar en wenselijk dat de NZa het bestaan van twee verschillende normenkaders laat voortbestaan of zelfs aanmoedigt?
De NZa gaat niet over het zorginhoudelijke deel van wat goede zorg is. Dat is aan de beroepsgroep. Het stellen van beroepsnormen valt daar ook onder. Het is daarmee dus niet aan de NZa om één of meerdere normenkaders te laten bestaan, aan te moedigen dan wel te ontmoedigen.
Gaat u de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) opdracht geven om in deze situatie te handhaven op kwaliteit van zorg en bent u bereid af te dwingen dat binnen de sector gezamenlijk gewerkt wordt vanuit het normenkader dat gesteund wordt vanuit de branche en dat geaccordeerd is door het Zorginstituut? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een dergelijke opdracht past niet binnen de bevoegdheden van de NZa.
Zoals al eerder gemeld aan uw Kamer (zie mijn antwoord op Commissiebrief d.d. 18 februari4) is de afspraak gemaakt dat V&VN de beroepsnorm waar nodig zal verhelderen voor de kindzorg thuis. De aanvullingen of wijzigingen zullen, zoals dat gebruikelijk is bij beroepsnormen, vóór publicatie ter advisering worden voorgelegd aan de betrokken partijen in de kindzorg en wijkverpleging. Uiterlijk 1 mei a.s. zal dit document gepubliceerd worden.
Een toeslag vanwege samenvallende diensttijd voor gepensioneerden bij het ABP |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat het ABP tot 1995 een toeslag toekende voor deelnemers, wiens partners ook pensioen opbouwden, omdat de franchise geënt was op de kostwinnerssituatie?1
Ja.
Hierbij wil ik opmerken dat de antwoorden op deze vragen zijn gebaseerd op informatie die ik desgevraagd van het ABP heb ontvangen.
In algemene zin geldt dat het ABP twee situaties onderscheidt. Ten eerste de situatie dat de deelnemer en zijn partner voor 1995 tegelijkertijd pensioen opgebouwd hebben bij ABP (situatie 1). En ten tweede de situatie dat de partner van de ABP-deelnemer tegelijkertijd voor 1995 pensioen heeft opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder (situatie 2). Daarnaast bouwden deelnemers tot 1996 pensioen op onder de ABP-wet. De ABP-wet kende verschillende tijdvakken waarin een ander systeem gold van hoe het pensioen werd berekend. Voor de beantwoording van deze vragen zijn de tijdvakken tot 1986 en tussen 1986 en 1995 relevant. In de beantwoording van de vragen maak ik onderscheid tussen de verschillende situaties en tijdvakken indien dit relevant is. Tot slot wil ik opmerken dat daar waar in de antwoorden over hij en/of zijn partner wordt gesproken ook zij en/of haar partner worden bedoeld.
Bent u ervan op de hoogte dat het ABP in die tijd ook geen zelfstandige organisatie was, maar onderdeel van de rijksoverheid?
Ja.
Kunt u beschrijven op welke wijze het ABP de deelnemer die pensioen opbouwde de afgelopen 25 jaar heeft geïnformeerd over de toeslag?
U vraagt op welke wijze het ABP de deelnemers heeft geïnformeerd over de toeslag. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de in antwoord 1 genoemde situaties.
ABP beschikt zelf over de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op de aanvulling samenvallende diensttijd. Als de jongste partner de AOW-leeftijd bereikt dan kent ABP op beide pensioenen automatisch de aanvulling toe. In het aanvraagformulier dat ABP tot november 2016 stuurde werd ter controle nog de vraag gesteld of de partner pensioen heeft opgebouwd bij ABP voor 1995. Met ingang van november 2016 is deze vraag geschrapt in het aanvraagformulier. ABP informeert de deelnemer bij de aanvraag van zijn pensioen dat hij mogelijk recht heeft op een aanvulling en verwijst voor meer informatie naar abp.nl/aanvulling. Daar wordt de deelnemer geïnformeerd dat hij niets hoeft te doen als zijn partner ook pensioen heeft opgebouwd bij ABP.
ABP bekijkt continu hoe het de informatie over deze materie kan verbeteren. Aan de hand van ontvangen klantsignalen is ABP momenteel ook bezig om de informatie over deze materie voor de deelnemer inzichtelijker en gemakkelijker te maken.
Van 1996 tot november 2016 ontvingen de deelnemers een aanvraagformulier Ouderdomspensioen. Op dit formulier werden bepaalde gegevens uitgevraagd. ABP vroeg onder meer of de deelnemer en/of partner pensioen heeft opgebouwd voor 1 januari 1995 bij een ander pensioenfonds in dezelfde periode dat de deelnemer bij ABP opbouwde.
Gaf de deelnemer aan dat hij voor 1 januari 1986 pensioen had opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder? Dan stuurde ABP een brief naar deze pensioenuitvoerder om de benodigde gegevens op te vragen.
Gaf de deelnemer aan dat zijn partner voor 1995 pensioen had opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder? Dan stuurde ABP een brief naar de andere pensioenuitvoerder als de partner op dat moment de AOW-leeftijd al had bereikt of binnenkort zou bereiken. Naast de diensttijd van de partner voor 1 januari 1995 vroeg ABP of bij de berekening van het pensioen rekening was gehouden met AOW of ANW (oftewel een franchise was toegepast). Bereikte de jongere partner niet op korte termijn zijn of haar AOW-leeftijd? Dan maakte ABP een aantekening in het elektronisch dossier en stuurde ongeveer drie maanden voor de AOW-leeftijd van de partner alsnog een brief naar de andere pensioenuitvoerder.
Als ABP het formulier samenvallende diensttijd retour ontving werd het recht op de aanvulling beoordeeld. ABP informeerde de deelnemer in een brief over de toekenning of afwijzing van de aanvulling.
ABP heeft het proces en de communicatie in 2016 aangepast. Enerzijds omdat sommige pensioenuitvoerders aangaven dat ze de gegevens die ABP nodig had voor de beoordeling van de aanvulling niet langer rechtstreeks aan ABP wilden verstrekken. Anderzijds omdat ABP stappen had gezet richting meer digitalisering en selfservice. Vanaf november 2016 wijst ABP de deelnemer bij de pensioenaanvraag erop dat hij mogelijk recht heeft op de aanvulling samenvallende diensttijd. En dat ABP voor de beoordeling hiervan gegevens nodig heeft van de andere pensioenuitvoerder. Als de deelnemer aangaf dat hij of zijn partner pensioen had opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder stuurde ABP in 2016 en 2017 een brief naar de deelnemer die hij zelf naar de andere pensioenuitvoerder kon sturen voor het opvragen van de gegevens.
In 2018 heeft ABP een verdere digitalisering en selfservice doorgevoerd. ABP informeert de deelnemer bij de aanvraag van zijn pensioen dat hij mogelijk recht heeft op een aanvulling. En verwijst voor meer informatie naar abp.nl/aanvulling. Hier kan de deelnemer het formulier samenvallende diensttijd downloaden dat hij naar de andere pensioenuitvoerder moet sturen om de benodigde gegevens voor de beoordeling van de aanvulling op te vragen.
ABP informeert de deelnemer niet alleen bij zijn pensioenaanvraag over een mogelijke aanvulling op zijn pensioen, maar op alle voor hem relevante momenten. Dus ook als hij pensioen ontvangt en hij alsnog een partner krijgt. De gepensioneerde kan het bedrag, in de meeste gevallen, van de aanvulling ook terug zien in de betaalspecificatie die hij jaarlijks in januari ontvangt en bij iedere wijziging van het bruto of netto pensioenbedrag.
Kunt u beschrijven welke mensen die met pensioen gingen automatisch deze toeslag uitbetaald kregen (en over welke periode)?
Wanneer beide partners tegelijkertijd pensioen hebben opgebouwd bij ABP over tijd voor 1 januari 1995 (situatie 1) krijgt men deze toeslag automatisch uitbetaald. ABP kent deze aanvulling ook automatisch toe als sprake is van samenvallende pensioengeldige tijd voor 1 januari 1986 bij ABP.
Kunt u beschrijven welke mensen die met pensioen gingen een formulier kregen om deze toeslag aan te vragen? In welke jaren kregen alle mensen tijdig het formulier en in welke jaren niet?
Zie antwoord op vraag 3. De vraag in welke jaren deelnemers het formulier niet tijdig kregen, is niet aan de orde aangezien deelnemers tijdig het betreffende formulier kregen toegestuurd.
Wat is het maximum bedrag dat iemand aan toeslag kan krijgen per maand?
De hoogte van de aanvulling samenvallende diensttijd is afhankelijk van het aantal samenvallende jaren voor 1986 respectievelijk tussen 1986 en 1995. Het maximumbedrag voor de aanvulling samenvallende diensttijd is € 293,– bruto per jaar, per persoon, per volledig samenvallend dienstjaar voor 1986. En € 109,75 bruto per jaar, per persoon, per volledig samenvallend dienstjaar tussen 1986 en 1995.
Indien partner A bij het APB pensioen opbouwde en partner B bij een ander fonds en partner A op enig moment het pensioen heeft overdragen naar een ander pensioenfonds, is het recht op de toeslag vanwege samenvallende diensttijd dan ook overgedragen en heeft het ABP daarvoor geld overgedragen aan het nieuwe pensioenfonds?
Deze vraag heeft betrekking op de situatie dat partner B pensioen heeft opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder dan ABP (situatie 2). Indien voor partner A waardeoverdracht van ABP naar de andere pensioenuitvoerder heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 2007, dan heeft ABP een waarde meegegeven voor een eventueel recht op deze aanvulling. Dus ABP heeft daarvoor geld overgedragen aan het nieuwe pensioenfonds. Heeft de waardeoverdracht van ABP naar de andere pensioenuitvoerder plaatsgevonden voor 2007 dan is geen waarde voor de aanvulling samenvallende diensttijd meegegeven. Eventuele aanspraken op de aanvulling samenvallende diensttijd zijn achtergebleven bij ABP. ABP stuurt degenen die hun pensioen voor 1 januari 2007 hebben overgedragen naar een andere pensioenuitvoerder ongeveer 6 maanden voordat ze hun AOW-leeftijd bereiken een brief hierover. In deze brief verwijst ABP hen voor meer informatie en het formulier samenvallende diensttijd naar de website: abp.nl/aanvulling. Als belanghebbende recht heeft op een aanvulling dan betaalt ABP deze maandelijks uit. ABP noemt dit een aanvullingenpensioen.
Indien het ABP geen overdracht gepleegd heeft van de toeslag, wist de deelnemer die besloot om het pensioen over te dragen, dan dat zij/hij het recht op toeslag zou verliezen?
Dit is niet aan de orde. Zie het antwoord op vraag 7.
Indien partner B het pensioen heeft overgedragen naar een ander fonds en dat andere fonds heeft wel de overdrachtswaarde geregistreerd maar niet de diensttijd, hoe kan partner B dan bewijzen dat haar/zijn partner recht heeft om de toeslag vanwege samenvallende diensttijd?
Deze vraag heeft betrekking op de situatie dat de partner pensioen heeft opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder dan ABP (situatie 2). Partner B kan met het formulier samenvallende diensttijd de pensioengeldige tijd voor 1995 opvragen bij het pensioenfonds waar hij het pensioen oorspronkelijk heeft opgebouwd. Dit is het pensioenfonds dat het pensioen heeft overgedragen naar het andere fonds. Als ABP de gegevens ontvangt dan beoordeelt ABP of partner A recht heeft op de aanvulling samenvallende diensttijd. Als het oorspronkelijke pensioenfonds ook geen gegevens meer heeft dan kan de deelnemer ook andere bewijsstukken overleggen waaruit blijkt dat sprake is van samenvallende diensttijd met het pensioen van zijn partner. Aan de hand van deze bewijsstukken beoordeelt ABP het recht op een aanvulling. Beschikken de deelnemer en zijn partner niet over deze bewijsstukken dan kan ABP de aanvulling ook niet toekennen.
Indien een deelnemer nu een andere partner heeft dan in 1994, geldt de toeslag dan indien de huidige partner werkte in 1994 of de toenmalige partner?
Er kan alleen recht bestaan op de aanvulling samenvallende diensttijd als de huidige partner werkte in 1994. Het gaat dus om de partner op het moment van het bereiken van de AOW-leeftijd van de deelnemer en de partner die hij daarna heeft. En niet om de partner die de deelnemer had toen hij pensioen opbouwde voor 1995.
Heeft een weduwe, die een nabestaandenpensioen van het ABP ontvangt, ook recht op de toeslag vanwege samenlopende diensttijd (indien zij zelf pensioen opbouwde, toen haar partner pensioen bij het ABP opbouwde)? Zo ja, hoe kan zij dan aanspraak maken op dat recht?
Ja, ook de weduwe die een nabestaandenpensioen van ABP ontvangt, kan recht hebben op de aanvulling over samenvallende diensttijd voor 1 januari 1986 tussen haar nabestaandenpensioen bij ABP en haar ouderdomspensioen van een andere pensioenuitvoerder. Op het aanvraagformulier Nabestaandenpensioen informeert ABP de nabestaande over een mogelijke aanvulling samenvallende diensttijd. De nabestaande kan deze aanvulling ook aanvragen met het formulier samenvallende diensttijd op abp.nl/aanvulling. Ontving de overleden gepensioneerde al een aanvulling op zijn ouderdomspensioen vanwege samenvallende diensttijd met het pensioen van zijn partner? Dan hoeft de nabestaande niet opnieuw gegevens op te vragen en beoordeelt ABP bij de toekenning van het nabestaandenpensioen of recht bestaat op deze aanvulling op het nabestaandenpensioen.
Het recht op samenvallende diensttijd in de periode tussen 1986 en 1995 was alleen van toepassing op het ouderdomspensioen en niet op het nabestaandenpensioen. Voor die periode heeft de weduwe dan ook geen recht op een toeslag vanwege samenvallende diensttijd.
Zijn bij de privatisering van de PTT en de overdracht uit het ABP naar het nieuwe pensioenfonds de rechten op de toeslag samenvallende diensttijd overgedragen? Zo nee, waar zijn de rechten en de bijbehorende gelden gebleven en hoe kunnen oud-PTT’ers dan aanspraak maken op deze rechten?
Ja, alle rechten op de aanvulling samenvallende diensttijd zijn overgedragen en daarmee vervallen. Bij de privatisering van de PTT zijn alle aanspraken krachtens de ABP-wet op de overgangsdatum vervallen, met uitzondering van de aanspraken die voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden. Hiertoe heeft het ABP destijds een deel van het vermogen overgedragen aan de NV PTT. Ook alle daaruit voortvloeiende verplichtingen van het ABP zijn destijds vervallen. Dit volgt uit artikel 5 van de Personeelswet PTT Nederland NV. Er kan dan ook geen recht meer ontstaan op een aanvulling samenvallende diensttijd voor deze doelgroep.
Hoeveel mensen hebben in 2019, volgens de actuariële berekeningen die het ABP gemaakt heeft om haar verplichtingen te berekenen voor de dekkingsgraad, een toeslag vanwege samenvallende diensttijd?
Naast de 247.075 gepensioneerden die deze aanvulling ontvingen in 2019 (zie vraag 14) zijn er nog ongeveer 440.000 deelnemers (actieven en gewezen deelnemers) die diensttijd hebben voor 1995. Mogelijk hebben zij later (op zijn vroegst vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd), recht op een aanvulling samenvallende diensttijd. Voor het bepalen van de verplichtingen houdt ABP zowel rekening met degenen die in 2019 een aanvulling ontvingen als met degenen die deze aanvulling mogelijk nog zullen ontvangen in de toekomst.
Hoeveel ontvingen van het ABP in 2019 een toeslag vanwege samenvallend diensttijd?
Hieronder wordt een overzicht van het aantal aanvullingen samenvallende diensttijd op basis van de stand november 2019 gegeven. Het aantal uitkeringen met de aanvulling betreft zowel de aanvulling wegens samenvallende diensttijd tussen twee ABP pensioenen (situatie 1) als samenvallende diensttijd met een pensioen opgebouwd bij een andere pensioenuitvoerder (situatie 2).
Totaal aantal uitkeringen ouderdomspensioen
672.796
Aantal uitkeringen ouderdomspensioen met aanvulling samenvallende diensttijd
195.089
Aantal uitkeringen nabestaandenpensioen
210.899
Waarvan aantal uitkeringen nabestaandenpensioen met aanvulling samenvallende diensttijd
51.986
Hoeveel mensen hadden in 2019 recht op de toeslag vanwege samenvallende diensttijd, maar ontvingen die toeslag niet?
Bij de beantwoording van deze vraag is het wederom relevant om onderscheid te maken tussen de twee in het antwoord op vraag 1 geschetste situaties.
Uit een eigen onderzoek van ABP is in 2019 gebleken dat circa 6.600 gepensioneerden recht hadden op een aanvulling maar deze nog niet ontvingen. ABP zal de aanvullingen voor deze groep in de komende maanden en uiterlijk voor 1 juli 2020 met terugwerkende kracht toekennen en uitbetalen. Naar de inschatting van ABP is er naast bovengenoemde groep van 6.600, nog een groep van ongeveer 3.500 gepensioneerden die mogelijk ook recht hebben of hadden op deze aanvulling. ABP onderzoekt momenteel welke gepensioneerden uit deze doelgroep van 3.500 ten onrechte geen aanvulling hebben ontvangen. Ook deze gepensioneerden ontvangen de aanvulling alsnog voor 1 juli 2020 met terugwerkende kracht.
ABP weet niet hoeveel deelnemers in het verleden geen aanvulling hebben aangevraagd vanwege samenvallende diensttijd met een pensioen van de partner bij een andere pensioenuitvoerder. ABP heeft de deelnemers hier in het verleden bij de pensioenaanvraag en op relevante momenten daarna steeds op gewezen.
Naar aanleiding van de uitzendingen van Meldpunt MAX over dit onderwerp op 24 januari en 7 februari 2020 heeft ABP circa 4.500 aanvragen voor een aanvulling ontvangen. Uit een eerste analyse blijkt dat het overgrote deel van deze aanvragers de aanvulling voor samenvallende diensttijd op dit moment al ontvangt. Van de overige aanvragers wordt met de grootst mogelijke zorgvuldigheid vastgesteld of er recht bestaat op een aanvulling.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De beantwoording heeft meer tijd in beslag genomen omdat de informatie bij het ABP opgevraagd moest worden.
Het bericht ‘Eerste uitkeringen slachtoffers en nabestaanden NS-transporten’ en over het bericht ‘NS komt overlevenden en nabestaanden Holocaust financieel tegemoet’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Eerste uitkeringen slachtoffers en nabestaanden NS-transporten»?1 en «NS komt overlevenden en nabestaanden Holocaust financieel tegemoet»?2
Ja.
Heeft de NS bij de totstandkoming van de onderzoeksvraag, die is voorgelegd aan de Commissie Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS, hierover overleg gehad met de overheid (als enige aandeelhouder)? Zo ja, wat was de uitkomst van dit overleg?
Het instellen van de Commissie Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS (de commissie) is een besluit van NS. NS kan dergelijke besluiten zelfstandig nemen en heeft daarvoor geen instemming van de aandeelhouder nodig. Wel heeft NS de Minister van Financiën in zijn rol als aandeelhouder voorafgaand aan het besluit geïnformeerd over het voornemen om de commissie in te stellen. De aandeelhouder heeft toen aangegeven het instellen van een onafhankelijke commissie van harte te steunen en heeft NS expliciet laten weten geen enkele restrictie op te leggen ten aanzien van de oprichting en begrenzing van de commissie, de opvolging van de door de commissie gedane aanbevelingen en het bedrag dat daar mee gemoeid is. NS heeft de aandeelhouder vervolgens tijdens reguliere overleggen op de hoogte gehouden van de voortgang.
Hoe wordt de overheid door de NS op de hoogte gehouden over de uitvoering van het Advies Commissie Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de NS tijdens Tweede Wereldoorlog aparte rekeningen heeft verstuurd voor het transport van Joden, Roma en Sinti enerzijds en anderzijds voor verzetsstrijders en represaille slachtoffers?
In verschillende archieven zijn exemplaren gevonden van rekeningen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door NS zijn gestuurd voor de inzet van treinen. Helaas is er geen compleet archief waar de administratie van NS uit die tijd is in te zien. Dit heeft als oorzaak dat na de spoorwegstaking het archief deels is vernietigd en deels gefragmenteerd is opgenomen in andere archieven (Utrechts Archief, Nationaal Archief, NIOD, maar ook in Duitsland en in de Verenigde Staten).
De bekendste factuur is een exemplaar uit het archief van het NIOD3. Op deze factuur staat duidelijk omschreven wat het karakter van het transport was: het vervoer van Joden, inclusief de aantallen personen. De omschrijving op de andere facturen, orderbonnen en opdrachten die in de verschillende archieven zijn teruggevonden is minder concreet. De op die documenten beschreven opdrachten zijn niet gespecificeerd of het zijn opdrachten voor het leveren van wagons op een bepaalde plek op een bepaald tijdstip zonder beschrijving van de aard van het transport.
Over de identiteit van de personen die gedeporteerd zijn schrijft de commissie Cohen in haar rapport: «Op grond van geraadpleegde experts, instanties en eigen onderzoek is de Commissie van oordeel dat er voldoende informatie bekend is over de transporten die door NS zijn uitgevoerd in opdracht van de bezetter, die daartoe opdracht gaf met het doel van genocide, en waarvoor NS facturen heeft gezonden aan de bezetter. Voorts is er voldoende informatie bekend over de identiteit van de personen die zijn gedeporteerd om te kunnen vaststellen welke personen, of hun nabestaanden, mogelijkerwijs een beroep op de regeling kunnen doen.»4
Bent u op grond van uw portefeuille voor oorlogsgetroffenen en oorlogsslachtoffers door directe slachtoffers van de transporten, weduwen, weduwnaars, kinderen en erfgenamen van de slachtoffers benaderd over de opzet en onderzoeksvraag van de commissie, het advies en de uitvoering van het advies van de Commissie Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS? Zo ja, door hoeveel personen en welke instanties bent u benaderd en wat was de strekking van deze reacties?
Het kabinet is benaderd door verschillende personen en instanties, die onder andere vragen hadden over de reikwijdte en de opvolging van het advies. Het kabinet heeft geen rol bij de opzet en de onderzoeksvraag van de onafhankelijke commissie, de totstandkoming van het advies of de opvolging daarvan door NS. Wij hebben deze personen daarom verzocht contact op te nemen met NS of de commissie en hebben NS laten weten dat wij benaderd zijn door deze personen. Wij hebben begrepen dat al deze personen daarna contact hebben gehad met NS en/of de commissie. Vanuit het oogpunt van privacy noemen wij de namen van deze personen of organisaties niet.
Bent u van mening dat (nabestaanden van) verzetsstrijders en represailleslachtoffers die buiten de regeling vallen, terwijl hun hetzelfde lot was beschoren als Joden, Roma en Sinti, eveneens in aanmerking moeten komen voor de regeling Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS?
NS heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in opdracht van de bezetter treinen gereden. Dit is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van NS en van ons land. NS heeft in november 2018 besloten een onafhankelijke commissie in te stellen om te adviseren op welke wijze een individuele tegemoetkoming aan overlevenden en directe nabestaanden moet worden vormgegeven. In haar advies van 26 juni 2019 schrijft de commissie dat «het ontwerpen van een regeling die invulling geeft aan de intenties van NS en tevens door betrokkenen kan worden aanvaard als «passend en redelijk», een buitengewoon ingewikkelde, zo niet bijna onmogelijke opgave is».5 Ook het kabinet is zich bewust van de complexiteit van deze opgave. Het bepalen van de reikwijdte van de regeling die NS heeft getroffen is echter niet aan het kabinet, maar aan NS (zie ook het antwoord op de vragen 2 en 3).
Naar aanleiding van uw vragen hebben wij NS gevraagd hoe NS de (nabestaanden van) verzetsstrijders en represaille slachtoffers betrekt bij de opvolging van de aanbevelingen van de commissie. NS geeft aan dat verzetsstrijders en represailleslachtoffers buiten de op basis van het advies opgestelde regeling voor individuele tegemoetkoming vallen. Wel heeft NS ons toegezegd de (nabestaanden van) verzetsstrijders en represailleslachtoffers te zullen betrekken bij de uitwerking van de andere aanbeveling van de commissie, om in samenspraak met de betrokken groeperingen tot een collectieve uiting van erkenning te komen. NS heeft aangegeven de opvolging van deze aanbeveling, over een collectie uiting van erkenning, zorgvuldig te willen uitwerken en hoopt rond de zomer met een besluit hierover naar buiten te treden.
Is het u bekend of de NS heroverweegt om de regeling Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS open te stellen voor (nabestaanden van) verzetsstrijders en represaille slachtoffers die buiten de regeling vallen, maar wel gedurende de Tweede Wereldoorlog met medewerking van de NS door het Naziregime zijn getransporteerd naar concentratie- en vernietigingskampen? Zo ja, kunt u aangeven wanneer deze heroverweging door de NS is afgerond?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om als portefeuillehouder voor oorlogsgetroffenen en oorlogsslachtoffers met de NS in gesprek te gaan over het advies van de Commissie Individuele Tegemoetkoming Slachtoffers WO II Transporten NS en daarbij het verzoek van (nabestaanden van) verzetsstrijders en represaille slachtoffers die buiten de regeling vallen te bespreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Hof: deelnemer houdt recht op onvoorwaardelijke indexatie’ |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Hof: deelnemer houdt recht op onvoorwaardelijke indexatie»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Het is een interessant artikel, waarin een specifieke uitspraak van het Hof nader wordt toegelicht.
Wat is in uw ogen de reikwijdte van het arrest van het hof ten aanzien van het recht op onvoorwaardelijke indexatie? Deelt u de analyse dat het hof hier onderscheid maakt tussen pensioen dat bij een verzekeraar is opgebouwd en pensioen dat in een fonds is opgebouwd?
Op grond van de Pensioenwet is een onvoorwaardelijke indexatie onderdeel van de pensioenaanspraak. Dit in tegenstelling tot een voorwaardelijke indexatie. Dit blijkt uit de definitie van een pensioenaanspraak in artikel 1 Pensioenwet. Artikel 20 Pensioenwet bepaalt dat door de wijziging van een pensioenovereenkomst de tot het tijdstip van de wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gewijzigd, behalve in geval van collectieve waardeoverdracht of korting op grond van artikel 134 Pensioenwet.
Het Hof heeft geoordeeld dat in dit geval de wijziging in strijd is met artikel 20 Pensioenwet en dat een onvoorwaardelijk recht op indexatie over de tot het tijdstip van wijziging opgebouwde aanspraken niet zonder instemming van de werknemer kan worden gewijzigd in een voorwaardelijk recht op indexatie. De uitleg van het Hof is daarmee in lijn met de Pensioenwet.
Ik deel de analyse niet dat het Hof hier in het algemeen een onderscheid maakt tussen pensioen dat is opgebouwd bij een verzekeraar of bij een pensioenfonds. Wel oordeelt het Hof dat in deze specifieke zaak de verzekeraar het recht op onvoorwaardelijke indexatie in strijd met artikel 20 Pensioenwet heeft gewijzigd (zonder instemming van de deelnemer). Het pensioenfonds heeft volgens het Hof niet in strijd met de wet of contractuele verplichtingen gehandeld.
In hoeveel cao’s staan afspraken over onvoorwaardelijke indexatie van pensioenen?
Het is mij niet bekend in hoeveel cao’s afspraken staan over onvoorwaardelijke indexatie van pensioenen.
In hoeverre voorziet u als gevolg van deze uitspraak gevolgen voor de uitwerking van het nieuwe pensioencontract?
Mijn inschatting is dat de uitspraak van het Hof in deze zaak geen nieuwe gevolgen aan het licht brengt voor het invaren van bestaande pensioenaanspraken en -rechten naar het nieuwe pensioencontract. Het is echter voorstelbaar dat de zaak nog aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, hetgeen nog tot andere inzichten kan leiden.
In hoeverre deelt u de opvatting van hoogleraar Van Meerten dat het schrappen van het verbod op wijziging van aanspraken volgens artikel 20 van de Pensioenwet onvoldoende zal zijn om verplicht collectief invaren mogelijk te maken, nu het hof aangeeft dat onvoorwaardelijke rechten niet kunnen worden aangetast?
Een van de onderwerpen in de uitwerking van het pensioenakkoord is het faciliteren van collectief invaren. Over de manier waarop dit wordt vormgegeven, wordt u nader geïnformeerd in de hoofdlijnennotitie die voor de zomer naar Uw Kamer wordt gezonden.
Bent u voornemens om maatregelen te treffen die collectief invaren mogelijk maken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre zouden ernstige financiële gevolgen, zoals een forse daling van de dekkingsgraad van het pensioenfonds of pensioenkorting voor alle betrokkenen, een grond kunnen zijn om van onvoorwaardelijke toezeggingen af te wijken? Welke grond in de (Pensioen)wet bestaat daarvoor?
Wijziging van de pensioenovereenkomst is een oplossing die op langere termijn ervoor kan zorgen dat de financiële situatie van een pensioenfonds verbetert. Of en hoe de financiële situatie verandert, is afhankelijk van de inhoud van de pensioenovereenkomst. In de Pensioenwet is in artikel 19 bepaald dat een werkgever de pensioenovereenkomst alleen kan wijzigen zonder instemming van de werknemer, indien deze wijzigingsbevoegdheid in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
In artikel 19 Pensioenwet gaat het om wijzigen van pensioenaanspraken naar de toekomst toe, artikel 20 Pensioenwet betreft de bescherming van wijzigen van pensioenaanspraken uit het verleden. Artikel 134 van de Pensioenwet geeft een pensioenfonds bijvoorbeeld in een uiterst geval de mogelijkheid om de verworven aanspraken en pensioenrechten te verminderen. Alle overige sturingsmaatregelen uit het herstelplan moeten dan al (tevergeefs) zijn ingezet. De Pensioenwet biedt een grond om pensioenaanspraken op basis van de artikelen 19 en 20 te wijzigen, maar daarbij moeten wel de juiste procedures en voorwaarden gevolgd worden. Als dat niet zo is, kan een wijziging in strijd zijn met de wet.
In hoeverre bieden de bestaande bepalingen in de Pensioenwet, zoals die over collectieve waardeoverdracht bij een gewijzigde pensioenovereenkomst (art. 83 Pensioenwet), voldoende aanknopingspunten voor de transitie naar een nieuw pensioenstelsel?
In de uitwerking van het pensioenakkoord is de bescherming van de bestaande pensioenaanspraken en -rechten een aandachtspunt. U wordt hierover nader geïnformeerd in de hoofdlijnennotitie die voor de zomer naar de Uw Kamer wordt toegestuurd.
Hoe worden de rechten van bestaande deelnemers (zowel werkenden als de huidige gepensioneerden) bij de overgang naar het nieuwe stelsel beschermd? Deelt u de mening dat fondsen zeer zorgvuldig moeten omgaan met het opgebouwde pensioen van mensen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over Pensioenonderwerpen op 19 februari 2020?
Beantwoording voor het algemeen overleg Pensioenonderwerpen van 19 februari 2020 is helaas niet gelukt.