Transactiekosten die ten koste gaan van de uitkering van uitkeringsontvangers in het buitenland |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de transactiekosten, die in rekening gebracht worden bij mensen met een uitkering bij het UWV die in het buitenland wonen, bijvoorbeeld mensen die in Turkije woonachtig zijn?
Ik ben bekend met het signaal dat uitkeringsgerechtigden met een rekening bij een Turkse bank een lager bedrag krijgen bijgeschreven dan dat UWV overmaakt. Ook ben ik bekend met dat er transactiekosten door banken in rekening kunnen worden gebracht als er een overboeking gedaan wordt naar een land buiten de Single Euro Payments Area (SEPA).
Klopt het dat deze transactiekosten verband houden met het feit dat het UWV sinds 8 november 2021 overgestapt is op het betalingssysteem Target-2? Is hier bij de overgang voldoende rekening mee gehouden?
Dit klopt, betalingen van UWV naar Turkije gaan sinds 8 november 2021 via het Target-2 systeem. Dit is een interbancair Europees betalingssysteem voor de verwerking van eurobetalingen. Met de overgang naar Target-2 zijn er Turkse banken die andere kosten voor de betalingen van het UWV naar Turkije berekenen.
De reden voor de overstap is dat de oude manier van betalen sterk verouderd was. UWV was de laatste partij in Nederland die op de oude manier betalingen deed. Alle banken in Nederland maken gebruik van het Target-2 systeem, en UWV voert alle betalingen naar een bankrekening buiten het SEPA gebied nu ook op dezelfde wijze uit via dit systeem.
Bij de transitie naar Target-2 was bekend dat er mogelijk gevolgen konden zijn voor de uitkeringsgerechtigden, maar voor UWV was de impact per bank of per rekeninghouder niet te duiden. De kosten die Turkse banken doorberekenen zijn niet bekend bij of inzichtelijk voor UWV.
Waarom is het UWV overgestapt op Target-2? Hoe verhoudt dit zich tot het eveneens bestaande Single Euro Payments Area (SEPA)-betalingssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat uitkeringsgerechtigden bij het UWV door de overgang nu enkele tientallen euro’s per maand minder aan uitkering ontvangen?
UWV heeft het signaal gekregen dat twee grote Turkse banken sinds de overstap naar Target-2 (meer) kosten in rekening brengen voor ontvangen betalingen. De bank rekent hier mogelijk kosten voor door aan de klant, op basis van de bankvoorwaarden en het type bankrekening van de klant.
Houdt dit ook verband met banken die nu, vanwege Target-2, hogere kosten in rekening brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het bekend voor welke landen en banken dit geldt? Zijn er ook banken die deze extra kosten niet in rekening brengen? Hoe kunnen deze andere banken beter in beeld gebracht worden bij de uitkeringsgerechtigden?
De overgang naar het Target-2 systeem raakt geen andere klanten van UWV want betalingen naar andere landen buiten het SEPA gebied gingen al via Target-2. De kosten die Turkse banken doorberekenen zijn niet bekend bij of inzichtelijk voor UWV. De klant krijgt het bedrag op de betaalspecificatie in Euro gestort, het bedrag dat de bank inhoudt, ziet UWV niet.
Er is alleen iets te zeggen over de totale export van uitkeringen naar Turkije in 2020. Mogelijke dat een deel van deze personen te maken krijgt met hogere doorberekende bancaire kosten.
Los van de overstap naar Target-2 zijn er signalen dat Turkse banken relatief hoge transactiekosten rekenen voor overboekingen uit Nederland. Dit geldt ook voor andere transacties dan UWV uitkeringen.
Ook bij betalingen naar andere landen buiten het SEPA gebied kan het voorkomen dat een bank kosten in rekening brengt. In welke gevallen dit voorkomt en de hoogte van die kosten zijn niet bekend.
Hoe groot is de groep die getroffen wordt door deze hogere transactiekosten en is deze doelgroep goed in beeld?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel extra kosten gaan hiermee gepaard per uitkeringsgerechtigde?
Zie antwoord vraag 6.
Gelden deze extra kosten ook voor andere sociale uitkeringen, toeslagen dan wel voor pensioenen?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u de getroffen groepen en de extra kosten goed in beeld? Zo nee, kunt u hier onderzoek naar doen?
Hoewel het vervelend is dat uitkeringsgerechtigden met een Turkse bankrekening vanaf november jl. extra kosten in rekening gebracht krijgen, is geen rol weggelegd voor het Ministerie van SZW. De oorzaak van het doorberekenen van kosten is gelegen in de bankvoorwaarden en het is niet aan SZW om daarover met de banken in overleg te treden. Het is aan banken zelf om te bepalen welke kosten zij rekenen voor een buitenlandse overboeking. UWV heeft geen invloed op de (hoogte van de) kosten die de begunstigde banken in rekening brengen, niet in de oude en niet in de nieuwe situatie. Het klant contact centrum van UWV verwijst de klant met vragen hierover naar de eigen bank.
Nederland heeft een efficiënt betalingsverkeer en ook binnen het eurogebied worden betalingen efficiënt verwerkt. Internationale betalingen kunnen echter kostbaar en tijdrovend zijn doordat de verschillende systemen achter het verwerken van de betalingen niet goed op elkaar zijn aangesloten. In 2020 heeft de G20 daarom het verbeteren van grensoverschrijdende internationale betalingen tot prioriteit gemaakt en een routekaart opgesteld met 19 bouwstenen voor het verbeteren van grensoverschrijdende betalingen.1
Eén van de doelstellingen waarop de routekaart is gebaseerd, is om de kosten van grensoverschrijdende betalingen omlaag te brengen. Andere doelstellingen zijn onder andere het vergroten van inclusiviteit, transparantie en snelheid. De Nederlandsche Bank is namens Nederland actief betrokken en neemt deel aan de werkgroepen die zijn gestart om elementen van de routekaart verder uit te werken en met oplossingen te komen. Verschillende private partijen, zoals banken, zijn hier ook bij betrokken omdat het realiseren van verbeteringen internationale samenwerking vereist van private en publieke partijen. De routekaart zal de komende jaren op internationaal niveau verder worden uitgevoerd.
Welke actie kunt u ondernemen om deze extra transactiekosten weer ongedaan te maken? Bent u bereid om zich ervoor in te spannen dat mensen in het buitenland er niet financieel op achteruit gaan vanwege de wijziging van het betalingssysteem? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u hierover in overleg gaan met de Nederlandse en buitenlandse banken die dit betreft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u hierover in overleg gaan met de toezichthouders op de banken, De Nederlandsche Bank (DNB), de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Bankautoriteit (EBA)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze hogere bankkosten betrekken bij het samenstellen van koopkrachtplaatjes (mede door het Centraal Planbureau (CPB) en het Nibud)? Zo nee, waarom niet?
De koopkrachtontwikkeling van huishoudens die buiten Nederland wonen wordt niet meegenomen in de koopkrachtplaatjes van het CPB en SZW. Dat komt onder andere omdat deze mensen belasting betalen in het land waarin zij woonachtig zijn, en de koopkrachtplaatjes alleen kijken naar het Nederlandse belastingstelsel. Bovendien heeft een deel van de uitkeringsgerechtigden te maken met hogere bankkosten. Dergelijke kosten kunnen dan ook niet worden meegenomen in de koopkrachtplaatjes.
De plannen tot halvering van de jonggehandicaptenkorting |
|
Bart van Kent |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
Is het kabinet nog steeds voornemens de jonggehandicaptenkorting te halveren tot 415 euro in 2025? Zo ja: waarom kiest u ervoor om te bezuinigen op mensen met een beperking die al te weinig geld hebben om van rond te komen?
Het kabinet neemt een definitief besluit over de jonggehandicaptenkorting tijdens de voorjaarsbesluitvorming. Dat doet het kabinet op basis van de ramingen uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het CPB die halverwege maart beschikbaar komen. Er wordt dan gekeken naar het hele pakket lastenverlichting waar de jonggehandicaptenkorting ook onder valt. Het kabinet vindt het belangrijk dat er over de hele kabinetsperiode een evenwichtig en gemiddeld positief koopkrachtbeeld is voor alle groepen.
Realiseert u zich dat deze maatregel de ongelijkheid doet toenemen en dat jonggehandicapten er 1,4% op achteruitgaan en zo verder de armoede worden ingejaagd? Zo ja: is het vergroten van de armoede onder jonggehandicapten en het doen toenemen van ongelijkheid een doel van het beleid?
We verhogen het wettelijk minimumloon en laten de verhoging doorwerken in de sociale minimumuitkeringen zodat die uitkeringen mee omhoog gaan2. Dat is gunstig voor Wajongers, omdat de Wajong-uitkering ook omhoog gaat. Vanwege de bruto koppeling stijgt de Wajonguitkering harder dan andere uitkeringen, dus ook als de jonggehandicaptenkorting wordt aangepast, ligt de koopkrachtontwikkeling van Wajongers in lijn met die van andere groepen uitkeringsgerechtigden.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 wordt over het lastenverlichtingspakket door het kabinet in de voorjaarsbesluitvorming besloten. Op dat moment is ook de CPB-raming beschikbaar zodat gekeken kan worden naar de koopkrachtraming voor de hele kabinetsperiode.
Anne Houtsma schrijft in haar blogs over haar ervaringen als Wajong-gerechtigde. Daarbij vertelt zij over de onzekerheid die met de Wet vereenvoudiging Wajong en ook met de wijziging van de jonggehandicaptenkorting gepaard gaat. Ik vind het zeer waardevol dat zij haar ervaringen deelt en het is cruciaal om bij het maken van beleid inzichten van ervaringsdeskundigen mee te nemen. Op die manier zorgen we ervoor dat er niet over hen maar met hen gepraat wordt. Ik heb mevrouw Houtsma daarom uitgenodigd om met het ministerie over haar ervaringen in gesprek te gaan.
Wat is uw reactie op de opinie van wajonger Anne Houtsma1 die aangeeft dat haar zelfstandigheid en financiële zelfredzaamheid in gevaar komt bij halvering van de jonggehandicaptenkorting?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid af te zien van de halvering van de jonggehandicaptenkorting?
Zie antwoord bij vraag 1.
Chaos bij budgetbeheer Plangroep |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de chaotische situatie binnen schuldhulpverlener en budgetbeheerder Plangroep, waar geen gehoor wordt gegeven als klanten contact zoeken, leefgeld te laat wordt uitbetaald en rekeningen van klanten door Plangroep niet worden betaald?1 2 3
Het is mij bekend dat Plangroep fouten heeft gemaakt. Cliënten dreigden daarvan de dupe van te worden. Dat is altijd ongewenst, maar omdat deze mensen financieel kwetsbaar zijn, vind ik de fouten ernstig. Op 8 december 2021 heeft de toenmalige Staatssecretaris van SZW hierover Kamervragen van het lid Kat (D66) beantwoord.4 Hij heeft daarbij onder meer gemeld dat Plangroep in overleg met de betrokken gemeenten met de cliënten contact heeft opgenomen om de fouten te herstellen.
Vindt u het ook zorgwekkend dat Plangroep nagenoeg onbereikbaar is voor de mensen die financieel afhankelijk zijn van deze organisatie, en daardoor niet altijd op tijd hun leefgeld krijgen, waardoor zij de huur en boodschappen niet kunnen betalen?
Hier zijn evident fouten gemaakt. De mensen die het betreft rekenen erop dat hun financiën in goede handen zijn. De fouten zullen hard zijn aangekomen zijn, omdat schulden dreigden te ontstaan op basisvoorzieningen, zoals huur en energie.
Klopt het verder dat er een verbod is op het afsluiten van gas, water en elektra indien een klant een schuldhulpregeling heeft? Zo ja, hoe kan het dan gebeuren dat in de genoemde casus in de Radar-uitzending 1) wordt gesproken over het afsluiten van de verwarming van een klant van Plangroep?
Het klopt dat de levering van elektriciteit of gas aan een kleinverbruiker niet mag worden beëindigd wegens wanbetaling als er betalingsachterstand is of wordt betrokken bij een lopend traject van schuldhulpverlening. Dat is geregeld in de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas. Ik roep de gemeentelijke schuldhulpverlening op om samen met de cliënt en het energiebedrijf direct een oplossing door te voeren.
De levering van drinkwater mag niet worden beëindigd als dat voor de kleinverbruiker zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg zou hebben. Dat staat in de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van drinkwater. Daarin is ook geregeld dat de leverancier voorafgaand aan afsluiting bewaarmiddelen levert en de kleinverbruiker in de gelegenheid stelt die te vullen met drinkwater om in de eerste levensbehoeften te voorzien. Op grond van convenantafspraken met gemeenten schorten drinkwaterleveranciers incassomaatregelen op als klanten schuldhulpverlening hebben geaccepteerd. Vergelijkbare convenantafspraken hebben energieleveranciers met gemeenten gemaakt.
Kunt u aangeven bij welke gemeenten Plangroep actief is als budgetbeheerder? Kunt u daarnaast aangeven hoeveel mensen afhankelijk zijn van Plangroep als budgetbeheerder?
Ik heb niet de informatie om deze vraag te beantwoorden. Gemeenten hebben de taak om schuldhulpverlening aan de inwoners van de gemeente te geven. Ze kunnen ervoor kiezen de hulp uit te besteden. Welke gemeenten uitbesteden en om hoeveel cliënten dat gaat, wordt niet geregistreerd.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat klanten door de chaos bij Plangroep financieel nog eens extra in de problemen komen en daardoor mogelijk extra schulden moeten maken?
Gelukkig hebben de betrokken gemeenten samen met Plangroep maatregelen genomen. De cliënten, veelal kwetsbare burgers, mogen uiteraard niet extra in de problemen komen.
Kunt u toelichten wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor schulden die door slecht handelen van de budgetbeheerder zijn ontstaan? Vindt u het ook onterecht dat de klanten van budgetbeheerders, zoals bij Plangroep, op dit moment de dupe hiervan zijn met oplopende schulden?
De betrokken gemeenten zijn verantwoordelijk voor het oplossen van de schulden, die door fouten van de schuldhulpverlening zijn ontstaan. Cliënten mogen niet de dupe worden.
Welke verantwoordelijkheid hebben gemeenten, volgens bijvoorbeeld de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, om gedupeerde mensen door Plangroep te ondersteunen? Vindt u ook dat gemeenten die Plangroep als budgetbeheer hebben ingeschakeld voor mensen met schulden een actievere rol dienen te spelen in het oplossen van de problemen van de mensen waarvan de rekeningen nu niet worden betaald?
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geeft gemeenten de taak schuldhulpverlening te geven aan de inwoners van de gemeente. Gemeenten kunnen ervoor kiezen de hulp uit te besteden, maar ze blijven verantwoordelijk.
Gaat u in samenwerking met gemeenten er zorg voor dragen dat klanten bij Plangroep die te maken hebben met extra kosten en schulden door de chaos bij Plangroep financieel worden gecompenseerd?
Het doet mij goed dat het oplossen van de knelpunten en het compenseren van eventuele extra kosten en schulden is opgepakt door de betrokken gemeenten en Plangroep.
Klopt het verder dat rechters, via de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), mensen in de schulden richting budgetbeheerders sturen?
Nee, dat klopt niet. Budgetbeheer kan tijdens schuldhulpverlening worden ingezet. Daar is de rechter niet bij betrokken. De rechter krijgt een rol als het niet lukt met schuldhulpverlening de schulden op te lossen. Aan de rechter kan dan om een dwangakkoord worden gevraagd om schuldeisers tot medewerking te dwingen of de rechter kan om toelating tot de wettelijke schuldsanering (Wsnp) worden gevraagd. In veel gevallen heeft de cliënt dan al budgetbeheer. Als er geen budgetbeheer is, zal de rechter daar niet naar doorverwijzen. In uitzonderlijke situaties vindt de rechter het raadzaam dat de cliënt in het kader van een Wsnp-traject beschermingsbewind aanvraagt. Beschermingsbewind is een andere – verdergaande en minder vrijblijvende – maatregel dan budgetbeheer.
Zo ja, vindt u het daarom ook zorgwekkend dat mensen in de schulden via de rechter naar bijvoorbeeld Plangroep zijn gestuurd en vervolgens dieper in de problemen zijn geraakt?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 9 stuurt de rechter mensen met schulden niet naar een budgetbeheerder. Budgetbeheer wordt door de gemeentelijke schuldhulpverlening ingezet. Dit neemt niet weg dat ik de kwaliteitsborging van dienstverlening aan financieel kwetsbare mensen heel belangrijk vind. In mijn antwoord op vraag 16 licht ik het Kwaliteitskader schuldhulpverlening toe.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat indien mensen met schulden door een rechter naar een budgetbeheerder worden gestuurd deze alleen naar budgetbeheerders worden gestuurd die goede kwaliteit laten zien? Zou het mogelijk om alleen budgetbeheerders met voldoende kwaliteit hiervoor in zetten?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u meer inzicht geven in de bedrijfsstructuur van Plangroep? Klopt het dat Plangroep onderdeel is van een commerciële Human Resource (HR)-dienstverlener? Ziet u ook het risico dat Plangroep, als onderdeel van een commerciële dienstverlener, het maken van winst boven kwaliteit van dienstverlening en service stelt?
Over de bedrijfsstructuur van Plangroep heb ik geen informatie, anders dan de openbare informatie die bijvoorbeeld op de website van Plangroep te vinden is. Gemeenten zorgen voor de kwaliteit en de continuïteit van de schuldhulpverlening. Een deel van de gemeenten kiest voor uitbesteden aan een gespecialiseerde instelling of voor samenwerking met andere gemeenten, omdat deze manieren van uitvoering de kwaliteit en continuïteit ten goede kunnen komen. U kunt hierbij denken aan een kleine gemeente met beperkte uitvoeringscapaciteit of aan de schuldhulpverlening aan zelfstandig ondernemers waar specifieke kennis voor nodig is. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening schrijft voor dat alleen uitbesteed mag worden aan een organisatie die zich «blijkens haar doelstelling of werkzaamheden richt op schuldhulpverlening».5
Bent u het eens dat het beter is om de schuldhulpverlening en het budgetbeheer als taak van de overheid te zien en dus op te nemen in het publieke domein?
Schuldhulpverlening en budgetbeheer, vaak onderdelen van schuldhulpverlening, zijn opgenomen in het publieke domein. Dat is nodig, omdat mensen met schulden kwetsbaar zijn en het risico lopen verder in de financiële problemen te raken. Zij moeten daarom eenvoudig hulp kunnen krijgen van goede kwaliteit. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening schrijft voor dat gemeenten schuldhulpverlening geven aan de inwoners van de gemeente. Commerciële schuldbemiddeling is verboden in Nederland. Schuldbemiddeling, het namens de schuldenaar in contact treden met de schuldeisers om de schulden op te lossen, mag alleen gedaan worden door bij wet aangewezen organisaties, zoals gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of instellingen, die zich in opdracht van en voor rekening van gemeenten met schuldbemiddeling bezighouden. Ook is het niet toegestaan schuldbemiddeling aan te bieden als impliciet of expliciet onderdeel van budgetbeheer.6 Budgetbeheer als zelfstandige (commerciële) dienstverlening is wel toegestaan. Budgetbeheer is relevante dienstverlening voor een veel grotere groep burgers en bedrijven en niet noodzakelijk gekoppeld aan financiële problemen.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat deze chaotische toestanden in de toekomst kunnen ontstaan?
De rijksoverheid blijft gemeenten ondersteunen bij de kwaliteitsborging van schuldhulpverlening. Belangrijke stap is dat alle gemeenten en hun uitvoeringsorganisaties gaan voldoen aan het Kwaliteitskader schuldhulpverlening. De beste dienstverlening voor de cliënt staat centraal in het Kwaliteitskader. Zie ook de toelichting in het antwoord op vraag 16. Als onderdeel van het Kwaliteitskader wordt elke drie jaar de kwaliteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening geaudit. Het kwaliteitskader zorgt voor continue verbetering van de dienstverlening en het vakmanschap van de hulpverleners.
Zijn er bij u ook andere problemen met budgetbeheerders en schuldhulpverleners, die door gemeenten worden ingezet, bekend? Klopt het dat er ook problemen zijn met bereikbaarheid van de ABN AMRO bewindvoerdersdesk en de ING bewindvoering?
Bij mij zijn geen andere problemen met schuldhulpverlening en in het bijzonder budgetbeheer bekend. Voor wat betreft de bereikbaarheid van de ABN AMRO bewindvoerdersdesk en de ING bewindvoering ga ik ervan uit dat u doelt op problemen die bewindvoerders ondervinden met de betaalrekeningen van sommige mensen die onder bewind zijn gesteld. Dat signaal is mij bekend en wordt besproken in het Landelijk Platform Schuldenbewind. De inzet is dat de bewindvoerdersorganisaties en banken samen afspraken maken over het beschikbaar houden van betaalrekeningen tegen redelijke kosten voor bewindvoering.
Bent u bereid om, samen met gemeenten, harde afspraken over kwaliteit, dienstverlening en service te maken met commerciële dienstverleners die budgetbeheer en schuldhulpverlening aan kwetsbare mensen aanbieden?
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening vereist dat gemeenten de nodige maatregelen nemen om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de integrale schuldhulpverlening wordt uitgevoerd.7 Dit geldt ongeacht of gemeenten zelf schuldhulpverlening aan hun inwoners aanbieden, dit geheel of gedeeltelijk uitbesteden of samen met andere gemeenten de schuldhulp geven. Om te zorgen dat overal in Nederland duidelijk is wat mensen met schulden van de gemeente kunnen verwachten, heeft de VNG bestuurlijke uitgangspunten geformuleerd voor de toegang en de kwaliteit van schuldhulpverlening.8 Deze uitgangspunten zijn het vertrekpunt voor het Kwaliteitskader van de NVVK (vereniging financiële hulpverleners), waaraan sinds dit jaar gemeenten en hun uitvoeringsorganisaties worden getoetst.9 In het kader van de Brede Schuldenaanpak heeft het Ministerie van SZW de ontwikkeling en de implementatie van het Kwaliteitskader financieel ondersteund.10 Het Kwaliteitskader is de actualisatie van de al veel langer bestaande Gedragscode en Modules Schuldhulpverlening van de NVVK. Ik zal met gemeenten nagaan hoe het kwaliteitskader in de praktijk werkt en of het voldoende waarborgen biedt.
Is er een kwaliteitskeurmerk voor budgetbeheerders? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te doen?
De kwaliteitsborging van budgetbeheer is onderdeel van het in antwoord op vraag 16 toegelichte Kwaliteitskader.
Onrecht in de bijstand |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek «Vogelvrij in de verzorgingsstaat» van Platform Investico met onder meer artikelen in Trouw1, De Groene Amsterdammer2 en EenVandaag3?
Ja.
Kunt u een overzicht geven welke gemeenten coulanter optreden met betrekking tot het vrijstellen van giften in de bijstand?
Individuele gemeenten kunnen gebruik maken van hun beleidsvrijheid met betrekking tot giften. Ik ga ervan uit dat gemeenten dit binnen de kaders van de wet doen. Er wordt niet bijgehouden hoe iedere gemeente dit doet.
Hoe staat het met de uitvoering van motie Jasper van Dijk cs4 voor een landelijke vrijstelling om giften tot 1.200 euro in de bijstand te realiseren? Hoe staat het met de voorbereiding van dit wetsvoorstel? Wat is de kortst mogelijke termijn waarop dit wetsvoorstel ingevoerd kan worden?
De aangenomen motie vraagt inderdaad om aanpassing van de wet. Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording op de vragen van het lid Van Kent5 is het middelenbegrip binnen de Participatiewet complex. Dat laat ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de casus Wijdemeren zien, waarbij boodschappen uiteindelijk niet onder giften als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet bleken te vallen. Het met de motie beoogde doel om mensen in de bijstand meer ruimte te bieden, vraagt daarom om een bredere, niet uitsluitend op giften geënte, blik op de middelenparagraaf binnen de wet. De signalen over in de knel komende bijstandsgerechtigden neem ik zeer serieus en ik deel uw zorgen op dit gebied. Daarom werk ik, met de inbreng van gemeenten, burgers en andere betrokkenen, aan een beleidsplan. Hierin wordt gekeken naar korte en langere termijn oplossingen. Recent heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd over de verdere uitwerking van dit beleidsplan6. De uitwerking van deze motie neem ik daarin mee.
Bent u aanvullend op deze motie ook bereid om naast het wettelijk vrijstellen van giften van 1.200 euro ook giften voor de betaling van een studie of rijbewijs volledig vrij te stellen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat mensen die aanspraak willen maken op de bijstand hun rechtsbescherming deels in moeten inleveren? Kunt u toelichten welke rechtsbescherming mensen die een bijstandsuitkering ontvangen, hebben en kunt u bovendien een overzicht geven op welke punten de rechtsbescherming voor mensen in de bijstand minder is dan personen die geen bijstand ontvangen?
Alle burgers hebben de mogelijkheid om een beschikking die hen raakt via bezwaar- en beroep op juridische juistheid te laten toetsen. De rechtsbescherming voor bijstandsgerechtigden en niet-bijstandsgerechtigden is in die zin gelijk. Waar het artikel spreekt over het inleveren van rechtsbescherming doelt het op de verschillende verplichtingen die op een bijstandsgerechtigde rusten en het feit dat – zo hij deze verplichtingen schendt – de bewijslast bij hem ligt om aan te tonen dat deze schending geen gevolgen heeft voor zijn recht op bijstand. In de herijking van het handhavingsbeleid wordt ook expliciet bekeken of dergelijke verplichtingen redelijk verdeeld zijn tussen de betrokkene en het overheidsorgaan.
Kunt u zich voorstellen dat onaangekondigde huisbezoeken in het kader van van mogelijke bijstandsfraude een grote impact hebben op mensen in de bijstand?
Ik kan me voorstellen dat het voor mensen best schrikken kan zijn als de gemeente onverwacht aan de deur staat. Ook kan het moment van het bezoek niet goed uitkomen. Dit kan ervoor zorgen dat mensen het bezoek als onprettig ervaren. Desalniettemin kan een onaangekondigd bezoek noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te verifiëren, bijvoorbeeld om uit te sluiten dat bepaalde zaken verhuld kunnen worden, waar dat bij een voorafgaande aankondiging wel mogelijk zou zijn. Daarmee wordt dit controlemiddel minder effectief.
Kunt u aangeven hoe vaak onaangekondigde huisbezoeken in gemeenten plaatsvinden? Op basis van welke wetsartikelen is het toegestaan om deze onaangekondigde huisbezoeken uit te voeren? Zijn er wettelijke voorwaarden waaraan een onaangekondigd huisbezoek dient te voldoen?
Voor het afleggen van een huisbezoek bestaat een toereikende wettelijke grondslag gelet op het samenstel van de artikelen 17 en 53 a van de Pw, bezien in samenhang met artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden.
In dit verband zijn in de jurisprudentie diverse waarborgen ontwikkeld, zoals het «informed consent»-vereiste. Daarbij geldt dat de belanghebbende toestemming moet geven voor een huisbezoek en deze ook kan weigeren. Van «informed consent» – letterlijk geïnformeerde toestemming – voorafgaande aan een huisbezoek is pas sprake, indien de toestemming van belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over de reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor (verdere) verlening van bijstand heeft. Indien een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig is, dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Indien de redelijke grond niet aanwezig is, dient medegedeeld te worden dat weigering geen gevolgen heeft voor de bijstand. De bewijslast ten aanzien van «informed consent» bij een huisbezoek berust bij het college. Ik heb geen inzicht in de aantallen onaangekondigde huisbezoeken die gemeenten uitvoeren.
Welke wettelijke gronden liggen er om op basis van waterverbruik een bijstandsuitkering te korten?
Op grond van artikel 64 eerste lid onderdeel m van de Participatiewet mogen gemeenten gegevens opvragen over waterverbruik bij de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren. De mate van watergebruik kan voorts als bewijs dienen om aan te tonen dat een persoon niet in de woning maar elders verblijft. Het is vaste jurisprudentie dat een gemeente ervan uit mag gaan dat een woning onbewoond is als het verbruik onder de 7 kubieke meter per jaar ligt. Ter vergelijk: het gemiddeld verbruik van een eenpersoonshuishouden bedraagt 52m³. Het is vervolgens aan de bijstandsgerechtigde om aannemelijk te maken dat hij op het desbetreffende adres verblijft. Slaagt hij hier niet in, dan kan dit uiteindelijk tot gevolg hebben dat het recht op bijstand wordt ingetrokken, op grond van artikel 40 Pw.
Bent u het eens dat het onredelijk is om van mensen in de bijstand te verwachten dat zij tot vijf jaar hun administratie volledig dienen bij te houden met als risico dat zij gekort worden op hun bijstand en daar bovenop een boete moeten betalen?
Personen zijn niet verplicht om een administratie te bewaren. Desalniettemin is het in zijn algemeenheid iedereen aan te raden om een administratie bij te houden. Zo hanteert de Belastingdienst bijvoorbeeld een termijn van vijf jaar waarbinnen de dienst kan terugkijken en nader bewijs kan opvragen.
Een bijstandsgerechtigde wordt in beginsel enkel om het overleggen van recente stukken gevraagd. Daarbij wordt conform de uit jurisprudentie voortvloeiende lijn van de CRvB voor bankafschriften een termijn van zes weken tot maximaal drie maanden aangehouden7. Komt uit de stukken of andere signalen een redelijk vermoeden van schending van de inlichtingenplicht naar voren dan kan de gemeente om stukken vragen die verder terug zijn gelegen. Dit alles voor zover de gevraagde stukken noodzakelijk zijn in relatie tot het signaal van schending van de inlichtingenplicht.
Bent u bereid om maatregelen te nemen waardoor gemeenten soepeler om kunnen gaan met deze administratieplicht?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten wat wordt verstaan onder «redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand» (artikel 17, lid 1 Participatiewet) op de hoogte van hun bijstand?
Wat valt onder «redelijkerwijs van invloed» als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet (de zgn. inlichtingenplicht) is niet exact aan te geven; het hangt af van de omstandigheden van het geval. Er is geen limitatieve opsomming. Het is aan het college om te beoordelen of informatie relevant is voor het recht op bijstand of de arbeidsinschakeling. Dikwijls heeft het betrekking op de middelen waarover een persoon beschikt of gaat beschikken en over zijn woon- en leefsituatie. Vaak verstrekt het college bij aanvang van de bijstand aan de bijstandsgerechtigde informatie over de verplichtingen, waaronder de inlichtingenplicht. De CRvB heeft geoordeeld dat omdat deze verplichting een open norm betreft, van het college niet kan worden verwacht dat het op voorhand alle concrete situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die deze moet melden.
Zoals eerder gemeld werk ik momenteel aan een beleidsplan. In het traject wat ter voorbereiding van dit plan vorig jaar is gestart, zijn op meerdere plekken knelpunten aangegeven met betrekking tot de werking van de inlichtingenplicht. Die zien enerzijds op de achter de inlichtingenplicht schuilgaande complexiteit en anderzijds op de hoge terugvorderingen die schending van deze verplichting tot gevolg kunnen hebben.
In het reeds aangehaalde beleidsplan zoek ik daarom naar een combinatie van maatregelen, waardoor hardheden en onduidelijkheden binnen de uitvoering van de wet beter kunnen worden voorkomen.
Bent u het eens dat dit begrip veel onduidelijkheid kan opwerpen voor mensen in de bijstand maar ook voor gemeenten die moeten werken met de Participatiewet?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het eens dat deze onduidelijkheid ertoe leidt dat mensen in de bijstand bij het geringste foutje fors worden afgestraft?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe oordeelt u verder dat gemeenten de inlichtingenplicht vaak zelfs nog strenger toepassen dat wettelijk noodzakelijk?
Gemeenten hebben een bepaalde beleidsvrijheid bij de uitvoering van de Participatiewet, maar bij de invulling van die beleidsvrijheid wordt vaak gekeken naar hoe de rechtspraak met bepaalde casussen omgaat. Een aantal bepalingen binnen de Participatiewet is strikt of heeft in de uitvoering een strikte uitleg gekregen, deels doordat in de jurisprudentie verankerde grenzen (wat mag), in de uitvoering hun weg hebben gevonden als «wat moet».
Daarbij past de nuancering dat niet elk oordeel per definitie verplicht tot een gelijksoortig handelen in een vergelijkbare casus. Feit is echter ook dat het voor gemeenten soms onduidelijk is wat wel en niet is toegestaan binnen de grenzen van de wet, waardoor men voor de zekerheid de regels strikter interpreteert dan noodzakelijk. In het traject tot verbetering van de Participatiewet wil ik meer helderheid creëren rond de kaders waarbinnen gemeenten beleidsvrijheid hebben, om een automatische keuze voor een strikte uitleg in de toekomst te voorkomen.
Herkent u het beeld dat gemeenten vanwege het risico op terugvorderingen van het Rijk de inlichtingenplicht bewust strenger interpreteren dan noodzakelijk?
Nee, dit beeld herken ik niet. Dit omdat er geen sprake is van terugvorderingen op het budget als gevolg van de mate van handhaving van de inlichtingenplicht. De Participatiewet wordt namelijk gefinancierd vanuit het Macrobudget Participatiewetuitkeringen. Dit macrobudget wordt vervolgens op basis van een objectief verdeelmodel verdeeld over de gemeenten. Over- en onderbesteding van dat budget komt ten laste of bate van de gemeente. Om eventuele onzekerheden bij gemeenten hierover weg te nemen zal ik in de volgende gemeentefonds circulaire hier extra aandacht aan besteden.
Bent u bereid om deze onzekerheid voor gemeenten met betrekking tot terugvorderingen weg te nemen?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u daarom bereid om meer duidelijkheid te geven wat wordt verstaan onder «redelijkerwijs van invloed», zodat gemeenten en mensen in de bijstand meer duidelijkheid krijgen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het tevens eens dat het onredelijk is dat mensen in de bijstand al als fraudeur worden aangemerkt indien er alleen een «bewijsvermoeden» is? Op basis van welk wetsartikel is dit gebaseerd?
Het begrip «fraude» is in de sociale zekerheid niet wettelijk gedefinieerd. Vooropgesteld wordt dus dat in de sociale zekerheid mensen niet wettelijk worden aangemerkt als fraudeur. Bovendien hebben de voormalige staatssecretarissen van SZW in hun brieven over handhavingsbeleid in de sociale zekerheid8 reeds aangegeven dat het niet de bedoeling is dat een persoon zomaar als fraudeur wordt bestempeld, en dat er ook geen voornemen is om een dergelijke definitie te gaan introduceren. Ook ik zie dit als een belangrijk onderwerp.
Wel is in de memorie van toelichting bij de «Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving» (Fraudewet) het begrip uitkeringsfraude nader toegelicht als «Er is sprake van uitkeringsfraude als een verwijtbare overtreding van deze verplichting resulteert in onverschuldigde betaling van de uitkering.»9 Om van uitkeringsfraude te kunnen spreken onder die definitie moet dus sprake zijn van een geconstateerde overtreding. Dat is niet het geval indien enkel sprake is van een vermoeden.
Klopt het dat er een verschil is tussen het strafrecht en bestuursrecht met betrekking tot begrip «fraudeur»? Wat is de afweging om het begrip fraudeur in het bestuursrecht strenger te laten zijn dan in het strafrecht?
Het begrip «fraudeur» is noch in het bestuursrecht, noch in het strafrecht gedefinieerd. In de sociale zekerheid wordt de term uitkeringsfraude gehanteerd in gevallen waarbij is vastgesteld dat er sprake is geweest van een verwijtbare schending van de inlichtingenplicht, die heeft geresulteerd in het verkrijgen van een uitkering terwijl daar geen recht op bestond.
Wat heeft u gedaan met de kritiek van de Raad van State uit 2020 dat de Participatiewet het begrip fraudeur veel te breed is en versmald dient te worden?
De Raad van State heeft deze kritiek gegeven bij het wetsvoorstel «Wijziging van de Participatiewet in verband met het uitsluiten van fraudevorderingen bij de vermogenstoets». Bij brief van 16 november 2021 heeft de voormalige Staatssecretaris van SZW aan de Eerste Kamer laten weten dat dit wetsvoorstel ingetrokken zal worden. De reden daarvoor was dat vanuit verschillende trajecten gewerkt wordt aan de stappen die nodig zijn om te komen tot meer menselijke maat en vertrouwen in de Participatiewet en de stappen die nodig zijn om de handhaving in de sociale zekerheid beter in balans te brengen. De wijzigingen die met het wetsvoorstel werden voorgesteld zullen in die trajecten worden meegenomen, waardoor de inhoudelijke samenhang en effecten tussen de verschillende maatregelen beter kunnen worden bezien. De kritiek die de Raad van State had is daarmee niet van de baan, zoals ook is aangegeven in de eerdergenoemde brieven over het handhavingsbeleid in de sociale zekerheid. Ik neem de kritische opmerkingen van de Raad van State mee in de trajecten rond handhaving in de sociale zekerheid in brede zin en de Participatiewet in het bijzonder.
Bent u na de vele schrijnende voorbeelden van mensen die vanwege het feit dat zij als fraudeur zijn bestempeld hun leven in de soep zien lopen, en de kritiek van de Raad van State, bereid om nu wel om het begrip «fraudeur» aan te passen?
Zoals in de brief van 23 november 2021 aangegeven,10 is er op dit moment geen noodzaak om het begrip «fraude» in de sociale zekerheid wettelijk te definiëren. Wel blijf ik deze vraag bezien in het kader van de herijking van de handhaving en ga ik ten aanzien van het begrip «fraude» aandacht besteden aan mijn communicatie hierover.
Kunt u ingaan op de stelling van hoogleraren Sacker en Vonk dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zich te makkelijk verschuilt achter strenge wetgeving? Welke mogelijkheden heeft de CRvB om redelijker en billijker te toetsen?
Ik ken de door aangehaalde discussie over mogelijkheden binnen de rechtspraak om besluiten explicieter op hun redelijkheid te toetsen. Het past echter niet als Minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen om mij in deze discussie te mengen. Ik zal de gedachtevorming binnen de aangehaalde discussie wel betrekken bij het eerder aangehaalde traject rond de Participatiewet.
Bent u bereid om, zoals de CRvB bepleit, de harde plicht tot terugvordering uit de wet te halen?
Terugvorderen wordt niet zonder reden gedaan. Een betrokkene heeft te veel uitkering ontvangen. Tegelijkertijd leiden de beperkte mogelijkheden om af te zien van een terugvordering in de praktijk tot knelpunten. Zoals aangegeven in de brief van 23 november 2021, is het terugvorderingsbeleid een expliciet onderdeel van de herijking van het handhavingsbeleid. Ook tijdens de begrotingsbehandeling van SZW 2022 op 2 december 2021 is aandacht besteed aan deze problematiek. Recent heeft de Christenunie, samen met D66, CDA, SP, GroenLinks en PvdA, een initiatiefwetsvoorstel aangekondigd waarin deze problematiek ook geadresseerd wordt.11 Ik zie dit voorstel met veel interesse tegemoet.
Het bericht dat het UWV wachtlijsten op illegale wijze wegwerkt |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Het UWV werkt wachtlijsten op illegale wijze weg: uitkering verstrekt zonder beoordeling arts» in Trouw van 13 januari jl.1?
Ja.
Klopt het dat het UWV-kantoor in Zwolle vorig jaar bij wijze van proef zieke zestigplussers zonder medische toets een arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)-uitkering) heeft gegeven tot aan hun pensioen? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en wanneer bent u hiervan op de hoogte gebracht?
Ja. Medio december 2021 heeft UWV SZW laten weten dat in het district Zwolle een kleinschalige proef is uitgevoerd met een andere wijze van de claimbeoordeling voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voor een specifieke doelgroep. Een arbeidsdeskundige heeft bij een groep van dertig zieke werknemers van zestig jaar en ouder een (plausibiliteits-)beoordeling gedaan. UWV heeft mij geïnformeerd dat bij negentien mensen is afgezien van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Zij hebben een WIA-uitkering (WGA 80–100) toegekend gekregen zonder beoordeling door een verzekeringsarts.
Klopt het dat het UWV-kantoor in Hengelo plannen heeft voor een dergelijke pilot op veel grotere schaal? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en wanneer bent u hiervan op de hoogte gebracht?
Ja. UWV heeft laten weten dat in het district Hengelo een plan is opgesteld -maar niet uitgevoerd- voor een andersoortige proef op grotere schaal. Op dat moment was in Hengelo een werkvoorraad van 821 WIA-claimbeoordelingen.
Hoe beoordeelt u de situatie dat het UWV op dit punt in verschillende regio’s verschillend beleid voert?
Met het oog op de rechtsgelijkheid vind ik uniform beleid wenselijk. Tegelijkertijd zie ik met UWV de noodzaak om lokaal nieuwe werkwijzen te beproeven om het landelijk beleid ten aanzien van de sociaal-medische dienstverlening te innoveren en bewezen effectiever te maken. Het is een realiteit dat UWV op dit moment niet alle sociaal-medische beoordelingen tijdig kan verrichten. De problematiek verschilt per district en per kantoor en een eenvoudige en uniforme oplossing is niet voorhanden. Een succesvolle pilot in een regio kan -mits juridisch houdbaar en acceptabel- landelijk als beleid uitgevoerd worden. Zie ook mijn antwoord op vraag 3 van de leden De Kort en Smals over hetzelfde onderwerp.
Deelt u de mening dat daarmee de rechtsgelijkheid in gevaar komt en dat dit onwenselijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er, conform de wet, pas sprake kan zijn van een dergelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering na keuring, en dat er dus geen rechtsgrond is voor toekenning van een WIA-uitkering zonder keuring vooraf?
Ja. In artikel 6, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd wordt op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Erkent u dat met name (eigenrisicodragende) werkgevers gedupeerd worden door deze gang van zaken aangezien zij nu mogelijk ten onrechte opgezadeld worden met de kosten van een WIA-uitkering voor hun werknemer?
Op dit moment heb ik onvoldoende zicht op gevolgen voor werkgevers en de bijbehorende juridische risico’s. Die hangen af van de precieze uitvoering van de proef in Zwolle. UWV laat een evaluatie doen van de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering. De uitkomsten hiervan deel ik uiterlijk in het voorjaar met uw Kamer (zie antwoord op vraag 10).
Hoe beoordeelt u het risico dat veel werkgevers bezwaarschriften zullen indienen en dat dit vervolgens opnieuw leidt tot capaciteitsproblemen bij UWV of dat een dergelijk onwettig besluit bij de rechter alsnog ongedaan wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe zijn de (juridische) risico’s, waaronder genoemde risico’s bij vraag 8, verkend en meegewogen bij het besluit om tot deze werkwijze over te gaan?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u, tot slot, aangeven hoe u het tijdspad ten aanzien van besluitvorming over een oplossing voor het capaciteitsprobleem bij UWV voor zich ziet? Op welke termijn bent u van plan de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren?
Over de aanpak ben ik in gesprek ben met de sociale partners, samen met UWV en de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde. In de Stand van de Uitvoering van december vorig jaar heb ik aangegeven uw Kamer uiterlijk in het voorjaar te informeren over de uitkomsten van dit traject.
Het bericht dat bijstandsgerechtigden in de knel komen door hoge terugvorderingen |
|
Bart van Kent |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Wat is uw mening over het bericht dat bijstandsgerechtigden in de knel komen door hoge terugvorderingen ondanks versoepelingen bij gemeentes?1
Ik neem de signalen zeer serieus en deel uw zorgen over in de knel komende bijstandsgerechtigden. Daarom werk ik met de inbreng van gemeenten, burgers en andere betrokkenen aan een beleidsplan. Hierin wordt gekeken naar korte en langere termijn oplossingen in de volle breedte van de uitvoering en de daaraan verbonden dilemma’s. Hierover is de Kamer per brief op 10 september 2021 geïnformeerd.2
Deelt u de mening dat deze praktijken en daaruit volgende schrijnende situaties onacceptabel zijn in ons land?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het dat schijnbaar de helft van de sociale advocatuur en sociaal raadslieden aangeeft dat zelfs na versoepelingen van de regelingen in de gemeentes er geen significante verbeteringen zijn in de behandeling van mensen in de bijstand?
Uit het vorige zomer gestarte traject rond de Participatiewet komt naar voren dat ervaren hardheden binnen de Participatiewet mede hun oorzaak vinden in een stapeling van strikte regels. De individuele regel kan strikt maar redelijk zijn, maar in een stapeling van verschillende strikte regels, die allemaal op het bord van de bijstandsgerechtigde terechtkomen, kan een onredelijkheid ontstaan. In dit samenspel kan het effect van separate versoepelingen vervagen. In het reeds aangehaalde beleidsplan zoek ik daarom naar een combinatie van maatregelen, waardoor hardheden beter kunnen worden voorkomen.
Hoe kan het dat er weer berichten zijn van rechters die niet adequaat de redelijkheid lijken te toetsen van deze terugvorderingszaken? In hoeveel gevallen is dit van toepassing? Welke lessen uit de rechterlijke toetsing in de toeslagenaffaire zijn ook hier toe te passen?
Als Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen kan ik niet treden in individuele uitspraken van rechters. Ik beschik in die zin ook niet over mogelijke aantallen. In het kader van het traject rond de Participatiewet zoek ik wel nadrukkelijk naar oplossingen waarbij de rechter beslissingen expliciet op hun redelijkheid kan toetsen, juist om situaties zoals die bij de Toeslagenaffaire naar boven kwamen te voorkomen.
Hoe verhoudt deze problematiek zich met de door de Kamer aangenomen motie die oproept «voor mensen in de bijstand een landelijke vrijstelling van giften te realiseren van € 1.200 per jaar»? Hoe lang duurt het nog voor u uitvoering gaat geven aan deze aangenomen motie-Jasper van Dijk (Kamerstuk 24 515, nr. 580)?
De aangenomen motie vraagt om aanpassing van de wet. Het middelenbegrip binnen de Participatiewet is complex. Dat laat ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in de casus Wijdemeren3 zien, waarbij boodschappen uiteindelijk niet onder giften als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet bleken te vallen. Het met de motie beoogde doel om mensen in de bijstand meer ruimte te bieden vraagt daarom om een bredere (niet sec op giften geënte) blik op de middelenparagraaf binnen de wet. Ik wil de uitvoering van de motie meenemen in het beleidsplan zoals aan u toegezegd.
Wat gaat u doen om gemeenten aan te sporen zelf ook alvast de regeling te versoepelen op een manier die voor daadwerkelijke verbetering zorgt, aangezien de landelijke uitwerking van de motie traag verloopt? Wat gaat u doen om de landelijke uitwerking te versnellen?
Mijn voorganger heeft eerder aangegeven dat hij de motie vooralsnog (vanwege de demissionaire status van het kabinet) enkel tot uitvoering kon brengen door gemeenten op te roepen steeds een individuele afweging te maken als het om schenkingen gaat. Kijkend naar de aanwezige jurisprudentie zijn er geen duidelijke signalen dat gemeenten hier in individuele casussen onvoldoende gebruik van maken. Ik wil doorgaan met actief het gesprek opzoeken met gemeenten om samen met hen te kijken welke mogelijkheden de wet al biedt om onbedoelde hardheden bij de uitvoering van de wet te voorkomen. Voor giften geldt daarbij dat de huidige wet (artikel 31, tweede lid, onderdeel m) de gemeente reeds ruimte geeft om individuele giften buiten beschouwing te laten, namelijk voor zover het college van oordeel is dat de giften uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Verder neem ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5 de uitvoering van deze motie mee in het eerdergenoemde beleidsplan.
Hoe gaat u de mensen compenseren die tussen het aannemen van de motie door de Kamer en de uiteindelijke (trage) uitvoering hiervan te compenseren?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat de hele Participatiewet een probleem is en op de schop moet?
De Participatiewet vraagt op een aantal punten om fundamentele verbeteringen, die verder gaan dan losse aanpassingen. Hierover ben ik momenteel in gesprek met gemeenten en andere betrokkenen. Dit leidt tot het reeds aangehaalde beleidsplan met een samenspel van oplossingen. Over de stand van zaken en stappen tot nadere uitwerking van dit beleidsplan zal ik uw Kamer deze maand per voortgangsbrief verder informeren.
De 10.000 euro subsidie voor verbetering/verduurzaming van woningen in het gaswinningsgebied. |
|
Henk Nijboer (PvdA), Sandra Beckerman |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de stormloop op de 10.000 euro subsidie voor verduurzaming/verbetering van woningen in het gaswinningsgebied? Wat is daarop uw reactie?1
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Waarom heeft u er bewust voor gekozen om niet te zorgen voor voldoende budget?
De subsidieregeling is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die het Rijk met de provincie en de aardbevingsgemeenten heeft gemaakt op 6 november 2020. Afgesproken is dat particuliere woningeigenaren in het postcodegebied waar de waardedalingsregeling geldt, aangevuld met de postcodes 9679, 9681 en 9682, en die geen onderdeel zijn van het versterkingsprogramma, maximaal € 10.000 subsidie kunnen aanvragen voor verduurzaming en woningverbetering. Ten tijde van het opstellen van de bestuurlijke afspraken was voor alle partijen duidelijk dat het totale budget van 300 miljoen euro onvoldoende zou zijn om alle Groningers die aan de voorwaarden van de regeling voldoen, tegemoet te komen. Op dat moment is de inschatting gemaakt dat in de praktijk niet alle woningeigenaren die in aanmerking komen een aanvraag voor het volledige subsidiebedrag zouden doen. Inmiddels is duidelijk dat de omvang van het aantal aanvragen daarmee onderschat is. Ik heb uw Kamer op 14 januari 2022 per brief («Benutting budget woningverbeteringssubsidie») gemeld dat het kabinet 250 miljoen euro extra voor deze regeling uittrekt.
Deelt u de mening dat het uitermate pijnlijk is dat in dezelfde week waarin het kabinet aankondigt dat de gaswinning mogelijk verdubbeld wordt Groningers moeten concurreren om geld?
Ik betreur de gang van zaken rondom de subsidieregeling en heb dezelfde dag direct gezegd dat ik mijn best zou doen om te kijken of ik dit kon oplossen. Binnen vier dagen is aanvullend budget door het kabinet beschikbaar gesteld. Daarnaast kan ik mij goed voorstellen dat het nieuws over de tegenvallers rondom de gaswinning een erg vervelende boodschap voor Groningers was. De belofte die mijn voorgangers hebben gedaan en die ook ik namens het hele kabinet doe, is dat ik mij maximaal inzet om de gaswinning in Groningen zo snel als mogelijk volledig en definitief te beëindigen.
Schaamt u zich niet dat mensen uren buiten in de rij moeten staan om niet buiten de boot te vallen?
Ja. In mijn tweedaagse werkbezoek aan Groningen heb ik dan ook aangegeven dat dit niet meer mag gebeuren.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken zeer onrechtvaardig is en bijdraagt aan een toename van ongelijkheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik betreur de gang van zaken, die door het tekort aan budget is ontstaan. Ik kan heel goed begrijpen dat dit bij Groningers een gevoel van ongelijkheid heeft opgeroepen. Het is voor al die Groningers die zonder resultaat urenlang in een wachtrij hebben gestaan, niet meer dan terecht dat ook zij aanspraak kunnen maken op de subsidie.
Deelt u de mening dat het vertrouwen in de overheid hiermee nog verder wordt beschadigd?
Ik deel deze mening. Tijdens mijn werkbezoek op 17 januari jl. heb ik aangegeven dat ik recht wil doen aan Groningers en hun vertrouwen wil terugwinnen. Daarbij is het besluit om 250 miljoen euro extra budget beschikbaar te stellen een eerste stap.
Bent u bereid alsnog te zorgen voor voldoende budget? Zo ja, per wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie hiervoor mijn beantwoording bij vraag 2.
In uw beantwoording op eerdere kamervragen, waarin we de manier waarop u Groningers laat concurreren om geld hekelden, gaf u aan onze typering «wedstrijdje» niet te herkennen. Hoe staat die uitspraak in verhouding tot de stormloop?2
In de beantwoording van deze eerdere vragen is aangegeven dat iedereen evenveel kans heeft om een aanvraag voor de subsidie in te dienen. Daarbij werd gesteld dat nog geen inschatting te maken was over de vraag naar de regeling. Inmiddels is gebleken dat deze vraag zeer groot was.
Klopt het dat de regeling geldt voor particuliere eigenaren met een gebouw in de postcodes waar de waardedalingsregeling van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) geldt, aangevuld met de postcodes 9679, 9681 en 9682 in de gemeente Oldambt? Hoeveel woningen met toegewezen mijnbouwschade zijn er, maar vallen buiten deze regeling? Wat is daarop uw reactie?
Het klopt dat particuliere eigenaren in de postcodebieden van de waardedalingsregeling van het IMG en de genoemde postcodegebieden aanspraak maken op de subsidie.
Het aantal woningen waar fysieke schade door het IMG3 is vergoed, maar dat buiten deze postcodegebieden van de subsidie valt, is volgens het overzicht van postcodes bij het jaarverslag over 2020 van het IMG circa 18.500. Voor 2019 is deze berekening destijds niet gemaakt. De specifieke informatie per postcodegebied over 2021 wordt momenteel door het IMG verzameld en meegenomen in het jaarverslag van 2021, dat uiterlijk 15 maart 2022 wordt gepubliceerd. Eigenaren van deze woningen met erkende aardbevingsschade van 1.000 euro of meer kunnen aanspraak maken op de waardevermeerderingsregeling, een subsidie van 4.000 euro die zij kunnen inzetten voor verduurzamingsmaatregelen.
Er is voor het toepassingsgebied van de woningverbeteringssubsidie uitdrukkelijk gekeken naar aansluiting bij de doelstelling om een kwaliteitsimpuls te geven aan de woningvoorraad in het aardbevingsgebied, en eigenaren in staat te stellen achterstallig onderhoud te verrichten en hun woning te verbeteren. De postcodegebieden waar waardedaling geconstateerd is en de aanvullende postcodes in Oldambt zijn als afbakening gekozen omdat het voor eigenaren in deze postcodegebieden niet altijd duidelijk was of hun huis in de versterkingsopgave zou worden opgenomen. Hierdoor hebben zij mogelijk onderhoud en verbeteringen in hun huis uitgesteld. Er gelden daarbij aanvullende voorwaarden, zoals dat de woning niet is opgenomen in het versterkingsprogramma van de Nationaal Coördinator Groningen, de woning gebouwd en opgeleverd is voor 1 januari 2016, en dat het gebouw bestemd of mede bestemd is voor bewoning of voor een bedrijf aan huis. Woningcorporaties maken geen aanspraak op de subsidie.
Kan het samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) voldoende rekening houden met mensen die minder mobiel zijn, die geen vervoer naar gemeente hebben en/of geen computer hebben? Hoeveel extra mensen hebben zij ingezet? Wat zijn de kosten van deze extra inzet en de inzet van een extern callcenter? Waaruit worden die kosten betaald?
Ja. Bij de aanvraagprocedure is rekening gehouden met mensen die minder mobiel zijn of mensen die geen computer hebben. De inleverpunten zijn ingesteld om mensen die niet digitaal vaardig zijn een aanvraag in te kunnen laten dienen. Daarnaast konden mensen iemand anders machtigen een digitale aanvraag te doen of andere mensen de aanvraag in te laten dienen bij een inleverpunt. Verder konden aanvragers SNN bellen voor hulp bij het invullen van hun aanvraag.
SNN voert in opdracht van het Ministerie van BZK de regeling uit en zodoende worden de uitvoeringskosten betaald door het Rijk. SNN heeft op de innamelocaties 20 SNN-medewerkers ingezet om de fysieke aanvragen in te nemen. Toen in de ochtend de signalen over de lange wachtrijen binnenkwamen, hebben de betrokken gemeenten extra medewerkers ingezet. De totale kosten hangen onder andere af van het aantal behandelde telefoontjes. Op dit moment is er nog geen overzicht van de totale kosten. Deze uitvoeringskosten worden niet betaald uit het budget voor de subsidieregeling.
Was de technische voorbereiding bij SNN op orde? Hoe kan het dat, ondanks de inzet van veel extra mensen en voorbereidingen, de site al snel overbelast raakte? Hoe kan het continu verspringen van een plaats in de wachtrij verklaard worden? Hoe kan het dat mensen ingelogd waren, maar uit het systeem werden gegooid?
SNN heeft zich zo goed mogelijk voorbereid op de openstelling van de regeling. Tijdens de aanvraagronde in juli 2021 liepen de systemen helaas vast. In navolging daarvan hebben zij verschillende voorzorgsmaatregelen getroffen. Eén daarvan is het werken met een wachtrij. Iedereen die een aanvraag indient, wordt automatisch, op volgorde van binnenkomst, in de wachtrij geplaatst. Op het scherm verscheen actuele informatie over de plek in de wachtrij en hoe lang het nog zou duren voordat de aanvrager zou worden toegelaten tot het e-Loket.
SNN is bekend met de problemen in de wachtrij die zich ondanks de voorzorgsmaatregelen hebben voorgedaan. SNN is deze problemen momenteel aan het onderzoeken.
Welke gemeenten boden inwoners de mogelijkheid de aanvraag ook op papier in het gemeentehuis in te dienen? Welke gemeenten niet? Wat is daarop uw reactie?
Voor de bewoners die schriftelijk een aanvraag wilden indienen, waren tien centraal gelegen inleverpunten geopend. De gemeenten Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt, Westerkwartier hebben inleverpunten beschikbaar gesteld om een aanvraag in te dienen. De tien inleverpunten lagen zodoende verspreid in het gebied waar de potentiële aanvragers wonen.
Bent u het met onze fracties eens dat, na het verdienen van ruim 400 miljard euro aan de gaswinning in Groningen, het een schoffering is dat deze tombola plaatsvindt?
Ik erken dat de gang van zaken geen goed voorbeeld is van omzien naar elkaar en vooruitkijken naar de toekomst. Ik sluit mij dan ook aan bij woorden van de Minister-President op 19 januari jl. in het debat over de regeringsverklaring dat hier een «blunder» is begaan. Het coalitieakkoord bevat een duidelijke opdracht aan mij als Staatssecretaris van Mijnbouw om Groningers perspectief te bieden en te zorgen voor een goed uitlegbare en ruimhartige uitvoering van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie. Tijdens mijn werkbezoek heb ik aangegeven dat ik er ben om de Groningers te helpen en dat ik me ga inzetten om een einde te maken aan de terechte onvrede die er soms is. Conform het verzoek van uw Kamer bij de Regeling van Werkzaamheden van 18 januari jl. zal ik uw Kamer op korte termijn een brief sturen met mijn visie op het beleid ten aanzien van Groningen in de komende jaren.
Hoe verhoudt deze gang van zaken zich tot de titel van het regeerakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst»?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen per ommegaande beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het onlangs gesloten coalitieakkoord (Hoofdstuk arbeidsmarkt en inkomen) |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Kunt u onderstaande vragen voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring en een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja, waar dit al bekend was, is dit aangegeven.
Op welke manier vormen het eindrapport van de commissie Regulering van Werk (commissie-Borstlap) en het hoofdstuk «Arbeidsmarkt, inkomensverdeling en gelijke kansen» uit het middellange-termijn-advies (MLT-advies) van de sociaaleconomische Raad (SER) een leidraad voor dit akkoord? Kunt u per advies uit beide akkoorden toelichten op welke wijze de regering dit overneemt?
Dat het kabinet het eindrapport van de commissie Regulering van Werk (commissie- Borstlap) en het middellangetermijn-advies (MLT-advies) van de sociaaleconomische Raad (SER) als leidraad hanteert betekent dat het kabinet in het algemeen positief is over de adviezen van de commissie Borstlap en MLT van de SER en de doelstellingen daarvan onderschrijft. Op veel punten zijn deze adviezen op hoofdlijnen, vergen ze keuzes in vormgeving en nader onderzoek naar bijvoorbeeld arbeidsmarkteffecten, inkomenseffecten, budgettaire gevolgen en (termijn van) uitvoerbaarheid. In het coalitieakkoord wordt op een aantal punten specifieker gesproken over voorstellen in lijn met deze adviezen. Een voorbeeld hiervan is de regulering van oproep-, uitzend-, en tijdelijke contracten. Als er meer bekend is over de uitwerking van het coalitieakkoord wordt u hierover geïnformeerd.
Worden alle voorstellen uit het MLT-advies van de SER rondom de regulering van oproep-, uitzend- en tijdelijke arbeidscontracten overgenomen? Zo nee, welke niet?
Zoals bij het antwoord bij vraag 2 gegeven zijn de adviezen op veel punten op hoofdlijnen, vergt dit keuzes van het kabinet en nader onderzoek naar bijvoorbeeld arbeidsmarkteffecten, inkomenseffecten, budgettaire gevolgen en (termijn van) uitvoerbaarheid. Als er meer bekend is over de uitwerking van het coalitieakkoord wordt u hierover geïnformeerd.
Worden de uitzonderingen voor studenten, scholieren en seizoensarbeid ook overgenomen? Zo nee, welke niet?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Kunt u aangeven hoe het voorstel rondom de budgettair neutrale deeltijd-WW (Werkloosheidswet) uit het coalitieakkoord zich verhoudt met het voorstel uit het MLT-advies? Op welke manieren wijken deze van elkaar af? Waarom is hiervoor gekozen?
Het antwoord op deze vraag vergt tevens nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Kunt aangeven waarom ervoor is gekozen de meeste adviezen rondom het terugdringen van schijnzelfstandigheid uit zowel het MLT-advies van de SER als uit het advies van de de commissie Regulering van Werk niet in het coalitieakkoord op te nemen? Waarom wordt er niet gekozen voor het «werknemer-tenzij»-principe?
Zoals bij het antwoord bij vraag 2 gegeven zijn de adviezen op veel punten op hoofdlijnen en vergt dit keuzes van het kabinet over vormgeving en nader onderzoek naar bijvoorbeeld arbeidsmarkteffecten, inkomenseffecten, budgettaire gevolgen en (termijn van) uitvoerbaarheid. Als er meer bekend is over de uitwerking van het coalitieakkoord wordt u hierover geïnformeerd.
Wordt het advies van de SER om de drempel in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-drempel) te verlagen naar 15% overgenomen? Zo nee, waarom niet?
Het antwoord op deze vraag vergt tevens nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Is het kabinet voornemens de WW-duur te verkorten naar 12 maanden?
Een verkorting van de WW-duur naar 12 maanden staat niet in het regeerakkoord en daarmee is er geen concreet voornemen om de WW-duur zodanig te verkorten.
De commissie Regulering van Werk schrijft in haar eindrapport (p. 82) dat aanpassingen in de hoogte en duur van de WW-uitkering mogelijk onderdeel kunnen zijn van een breed pakket aan maatregelen om te komen tot een activerende en inclusievere arbeidsmarkt. In mijn antwoord op vragen 2 licht ik toe hoe dit kabinet aankijkt tegen het advies van de commissie en de verdere uitwerking daarvan.
Kunt u toelichten waarom er pas in 2024 500 miljoen euro vrijgemaakt voor de hervorming van de arbeidsmarkt, re-integratie en het aanpakken van armoede en schulden?
Een verkorting van de WW-duur naar 12 maanden staat niet in het regeerakkoord en daarmee is er geen concreet voornemen om de WW-duur zodanig te verkorten.
De commissie Regulering van Werk schrijft in haar eindrapport (p. 82) dat aanpassingen in de hoogte en duur van de WW-uitkering mogelijk onderdeel kunnen zijn van een breed pakket aan maatregelen om te komen tot een activerende en inclusievere arbeidsmarkt. Volgens de commissie past hierbij een «WW-uitkering met een uitkeringshoogte die voorkomt dat tijdens werkloosheid het inkomen ver terugvalt en een uitkeringsduur die prikkelt om snel weer aan het werk te gaan.» De commissie spreekt echter niet specifiek over een duur van 12 maanden. Zoals ik eerder aangaf geldt het advies van de commissie als leidraad voor het arbeidsmarktbeleid van dit kabinet en zullen dergelijke maatregelen in samenhang verder bekeken moeten worden. In mijn antwoord op vraag 2 licht ik verder toe hoe dit kabinet aankijkt tegen het advies van de commissie en de verdere uitwerking daarvan.
Kunt u toelichten hoe de voorgenomen hogere ouderenkorting er exact uit gaat zien? Welke inkomensgroepen hebben hier geen profijt van? Welke inkomensgroepen hebben er wel profijt van? Kunt u toelichten hoe die in combinatie met de voorgenomen loskoppeling tussen de Algemene Ouderdomswet (AOW) en het minimumloon financieel uitpakt voor verschillende inkomens, startend vanaf eenpersoonshuishoudens die afhankelijk zijn van alleen de AOW?
In de koopkrachtberekeningen is een technische aanname voor de invulling van de ouderenkorting gehanteerd. Deze staat ook in de doorrekening van het coalitieakkoord door het CPB. Ouderen met alleen een AOW-uitkering zullen deze ouderenkorting niet kunnen verzilveren en hebben hier dus geen profijt van. Ouderen met voldoende aanvullend pensioen hebben profijt van de verhoging van de ouderenkorting.
Is het kabinet voornemens om de AOW alleen los te koppelen van de voorgenomen extra verhoging van het wettelijk minimumloon (WML)? Zo nee, is de regering voornemens om de AOW volledig los te koppelen van de WML-stijging en voor welke periode?
Het kabinet is voornemens om de AOW alleen los te koppelen van de voorgenomen extra verhoging van het wettelijk minimumloon (WML). De koppeling tussen AOW en de contractlonen via het WML blijft behoudens de extra verhoging van het WML in stand.
Welke maatregelen worden er genomen om de arbeidsparticipatie en positie van arbeidsongeschikten te verbeteren? Kan dit worden gespecificeerd?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Welke maatregelen worden er genomen om het aantal kinderen dat in armoede opgroeit in vier jaar tijd te halveren? Kan dit worden gespecificeerd?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Waaraan zal de structurele 60 miljoen voor de bescherming van arbeidsmigranten worden besteed? Welke afspraken zijn er gemaakt over de uitvoering van het rapport van de commissie-Roemer? Op welke termijn moeten de adviezen van de commissie zijn omgezet in beleid?
In het coalitieakkoord is afgesproken om de aanbevelingen uit het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (Commissie Roemer) uit te voeren. In de bijlage bij de brief aan uw Kamer van 17 december 2021 over de jaarrapportage arbeidsmigranten 2021 (Bijlage 1 – Voortgang uitvoering motie Van Kent c.s.) is uiteengezet waar budgettaire vraagstukken liggen en politieke keuzes nodig zijn in de nadere uitwerking van een aantal aanbevelingen van het Aanjaagteam. Het nieuwe kabinet gaat hiermee aan de slag en betrekt hierbij de besteding van de structurele € 60 miljoen.
Uitgangspunt in de huidige werkwijze is dat ministeries zelf verantwoordelijk zijn voor de implementatie van de aanbevelingen op het eigen beleidsterrein en daartoe ook de contacten onderhouden met de relevante stakeholders. De voortgang van de implementatie wordt gemonitord door het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA). Het IPA rapporteert jaarlijks over de voortgang van de implementatie van de aanbevelingen door middel van de jaarrapportage. De jaarrapportage arbeidsmigranten 2021 is met bovengenoemde brief van 17 december 2021 aan uw Kamer aangeboden.
Waarom zijn de sociaal-ontwikkelbedrijven niet opgenomen in het coalitieakkoord? Zijn er door de coalitie afspraken gemaakt over de herinvesteringen in de sociaal-ontwikkelbedrijven? Zo ja, wat zijn deze afspraken? Zo nee, waarom niet?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Zijn er afspraken gemaakt over het verbeteren en/of het hervormen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De voornemens ten aanzien van UWV betreffen de maatregelen uit het coalitieakkoord die door het UWV zullen worden uitgevoerd, alsmede de acties die eerder ingezet zijn voortvloeiend uit de overheidsbrede beweging Werken aan Uitvoering.
Het bericht Nederlanders met niet-Westerse migratieachtergrond financieel kwetsbaarder |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders met niet-westerse migratieachtergrond financieel kwetsbaarder»?1
Ja
Welke beleidsmatige conclusies verbindt u aan de uitkomst van het Autoriteit Financiële Markten (AFM)-onderzoek, namelijk dat Nederlanders met een migratieachtergrond, met name Nederlanders met een niet-Westerse migratieachtergrond, gemiddeld financieel kwetsbaarder zijn dan Nederlanders zonder migratieachtergrond?
Het is mij bekend dat huishoudens met een niet-Westerse migratieachtergrond behoren tot de groepen die kampen met een relatief hoog risico op armoede (CBS, Armoede en sociale uitsluiting, 2021). Ook uit een studie van het Nibud, in opdracht van Wijzer in geldzaken (Financieel kwetsbaar, mei 2020), blijkt dat mensen met een migratie-achtergrond financieel kwetsbaar zijn.
Het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden is een belangrijk speerpunt van dit kabinet. De komende periode zet het kabinet daarbij onder meer in op meer financiële educatie, tegengaan van niet-gebruik van beschikbare financiële voorzieningen, en op preventie en vroegsignalering om problematische schulden te voorkomen.
Voor mensen met geldvragen en geldzorgen zijn in veel gemeenten vrijwilligersorganisaties actief, zoals Schuldhulpmaatje en Humanitas. Deze organisaties zijn ook te vinden via Geldfit.nl en hun telefoonnummer 0800–8115 (waar naast Nederlands ook Engels wordt gesproken). Verder hebben diverse gemeenten laagdrempelige loketten voor vragen, zoals de buurtteams die in veel gemeenten actief zijn, of specifieke loketten voor geldvragen, zoals de Helpdesk Geldzaken in Den Haag, de Vraagwijzers in Rotterdam of de Werkplaats Financiën in Eindhoven.
Ook initiatieven om de taal- en digitale vaardigheden te vergroten dragen hieraan bij. Daartoe dient onder andere het project Tel mee met Taal en diverse projecten bij lokale bibliotheken. Op de website Steffie.nl kan men eenvoudige filmpjes bekijken over geldzaken. Oefenen.nl biedt eenvoudige lessen voor taal, geld en computervaardigheden. Stichting Lezen & Schrijven heeft voor laaggeletterden de groepscursus «Voor ’t zelfde geld» ontwikkeld. Digisterker heeft een jongerenwebsite gemaakt over geldzaken & digitale overheid en een lesprogramma ontwikkeld2.
Deelt u de conclusie dat 40% van de pensioengerechtigde Nederlanders met een niet-Westerse migratieachtergrond onder de armoedegrens leeft? Zo nee, waarom niet? Zo, ja deelt u dat dit uiterst zorgwekkend is en dat er daarom meer beleidsmatige aandacht voor moet zijn?
Ik deel de boodschap die erachter zit. Een aanzienlijk deel van de pensioengerechtigden met een niet-Westerse migratie-achtergrond is financieel kwetsbaar en is aangewezen op bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO). De aangehaalde conclusie zelf komt uit een onderzoek dat SEO in 2017 voor de FNV heeft uitgevoerd naar de inkomenspositie van ouderen in peiljaar 2014. Ander recenter onderzoek, dat in 2020 door het CBS in opdracht van SZW met de SVB is uitgevoerd, laat voor peiljaar 2018 zien dat 44,4% van de pensioengerechtigden met een niet-Westerse achtergrond potentieel recht op AIO had en dat 25,5% van die potentieel rechthebbenden daar geen gebruik van maakte (CBS, Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen 2017 en 2018, december 2020).
Daarbij dient gezegd te worden dat in de praktijk een deel van de potentieel rechthebbenden uit het onderzoek mogelijk geen recht op AIO heeft doordat zij bijvoorbeeld roerende goederen hebben in het buitenland die niet zijn meegewogen in het CBS-onderzoek. Desalniettemin wijzen de resultaten van het niet-gebruik erop dat, hoewel de AIO als doel heeft om het inkomen van financieel kwetsbare ouderen aan te vullen tot bijstandsniveau, de regeling nog niet voldoende doeltreffend is. Het gaat om een punt van aanhoudende zorg dat daarom ook de nodige beleidsmatige aandacht krijgt.
Deelt u de conclusie dat een ontoereikende oudedagsvoorziening hier een reden voor is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke verklaringen heeft u hiervoor en welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan?
De al voor de vestiging in Nederland in het buitenland opgebouwde oudedagsvoorziening kan na vestiging in Nederland op verschillende manieren worden aangevuld. Dit kan onder andere via de reguliere AOW-opbouw, aanvullende inkoop van AOW-rechten, al dan niet fiscaal gefaciliteerde vermogensvorming in bijvoorbeeld het tweede en derde pijlerpensioen en/of langer doorwerken. Maar bij een ontoereikende initiële oudedagsvoorziening kan het wel zo zijn dat het geheel uiteindelijk toch onvoldoende is om na pensionering in een inkomen boven de bijstandsnorm voor ouderen te voorzien. Dit speelt des te meer waar de in het buitenland opgebouwde en naar Nederland mee te nemen oudedagsvoorzieningen lager of afwezig zijn, naarmate het om lagere inkomens gaat en naarmate het verblijf in Nederland voor de pensioengerechtigde leeftijd korter is. In zulke situaties zullen de maatregelen gericht moeten zijn op het tegengaan van de ongewenste inkomensgevolgen bij pensionering en dat is waarop de Aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) is gericht.
Wat gaat u in de komende tijd doen om het niet-gebruik van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) door rechthebbenden te verminderen en zijn bestaande maatregelen hiertoe effectief genoeg?
Met name via de SVB en haar samenwerkingspartners zet ik mij in voor het actief informeren van burgers over hun rechten op AOW en AIO en voor ondersteuning bij het aanvragen daarvan. Daarbij wordt extra informatie gegeven aan bijvoorbeeld mensen met een onvolledige AOW-opbouw. Knelpunt is wel dat als gevolg van privacywetgeving het nog niet mogelijk is om gegevens uit te wisselen. De SVB heeft daardoor nog geen juridische mogelijkheden om bij mensen die geen AIO aanvragen na te gaan of zij daar misschien wel recht op kunnen hebben en hen vervolgens gericht te gaan benaderen. Dat maakt dat de maatregelen nu nog niet effectief genoeg zijn. Op dat punt werken SVB, UWV en SZW daarom aan een pilotproject waarmee dit via gegevensuitwisseling technisch en juridisch mogelijk kan worden. Daarover wordt uw Kamer regulier geïnformeerd via de rapportages over de Stand van de Uitvoering van de sociale zekerheid.
Voor hulp bij overheidsdiensten, zoals de AIO, kunnen mensen ook terecht bij het Informatiepunt Digitale Overheid in een bibliotheek. Er zijn inmiddels ruim 430 Informatiepunten verspreid over het land. De Informatiepunten worden onder andere door de SVB (en andere overheidsorganisaties) ingezet om mensen hulp te bieden bij hun diensten als zij er zelf niet uit komen. Mensen worden dan persoonlijk door een getrainde bibliotheekmedewerker geholpen.
De Informatiepunten Digitale Overheid zijn er voor mensen die moeite hebben met digitale dienstverlening en vragen hebben over het zaken doen met de overheid. De Informatiepunten zijn ondergebracht in de bibliotheken. Daarmee zijn ze laagdrempelig en kunnen mensen er makkelijk binnenlopen. De medewerkers van de bibliotheek zijn speciaal getraind op vraagherkenning en zakelijke empathie. Daarnaast weten ze goed wat de aangesloten overheidsinstanties doen. Ze kunnen mensen verwijzen naar het maatschappelijk middenveld of naar de juiste overheidsinstantie als vragen heel specifiek zijn.
Zo is in Rotterdam in november «De week van het extraatje 010» gehouden waar burgers van de gemeente Rotterdam de mogelijkheid hadden om in de bibliotheek van Rotterdam geïnformeerd te worden over landelijke en gemeentelijke regelingen waar zij mogelijk recht op hebben, maar nog niet hebben aangevraagd. Ook kunnen zij hulp krijgen bij de aanvraag zelf.
Deelt u de conclusie uit het AFM-onderzoek dat communicatie, digitale vaardigheden, de complexiteit van het financiële stelsel en taalbarrières drempels vormen ten aanzien van de toegang tot financiële dienstverlening voor een deel van deze groep? Wat gaat u hieraan doen?
Het is goed dat de AFM hier aandacht voor vraagt en dat zowel de financiële sector als de overheid hier aandacht aan besteden.
Het kabinet onderschrijft het belang om informatie over geldzaken en financiële dienstverlening laagdrempelig en toegankelijk te houden, zodat niet alleen financieel kwetsbare groepen (zoals sommige mensen met een migratie-achtergrond, laaggeletterden en mensen met weinig digitale vaardigheden) worden bereikt en geholpen.
Hiervoor lopen diverse initiatieven. Het programma Tel mee met Taal versterkt de basisvaardigheden (taal-, reken- als digitale vaardigheden) voor alle mensen die dat nodig hebben. Gemeenten ontvangen jaarlijks circa € 63 miljoen voor het verzorgen van cursussen basisvaardigheden. Per gemeente kan bij het organiseren van deze cursussen gericht worden gekeken naar (extra) kwetsbare groepen en een specifieke aanpak hierop.
Binnen het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, waarin aanbieders en gebruikers van het betalingsverkeer vertegenwoordigd zijn, wordt regelmatig gesproken over de toegankelijkheid van het betalingsverkeer. Ook is een actieplan Toegankelijk Betalingsverkeer opgesteld, met een voortgangsverslag3. Voorbeelden van wat diverse banken doen ten aanzien van toegankelijkheid en inclusie staan ook op de website van de Betaalvereniging4. Het Verbond van verzekeraars helpt verzekeraars om klanten met geldproblemen en laaggeletterdheid te herkennen en de dienstverlening daarop af te stemmen.
In het leernetwerk financieel kwetsbare groepen bundelt het platform Wijzer in geldzaken met de partners (de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, de Pensioenfederatie, de AFM, DNB en het Nibud) haar krachten om in de financiële sector aandacht te besteden aan financieel kwetsbare groepen en te zien wat werkt voor deze groepen. Wijzer in geldzaken heeft een gezamenlijke aanpak geformuleerd, met onder andere een waaier met tien bouwstenen5 voor professionals. Die bevat praktische tips, inspiratie en hulpmiddelen om financieel kwetsbare groepen (waaronder mensen met een migratie-achtergrond) beter te bereiken en te helpen. De bouwstenen worden ook gebruikt in de kernprojecten van Wijzer in geldzaken.
Deelt u de conclusie uit het AFM-onderzoek dat bestaande wet- en regelgeving onbedoeld averechtste effecten kan hebben op de toegang tot financiële dienstverlening voor deze groep? Zo ja, wat gaat u doen om deze mogelijke onbedoelde effecten te verminderen en kunt u hierbij specifiek ingaan op de conclusie over de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)? Zo nee, waarom niet?
De AFM constateert terecht dat financiële instellingen op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) de etnische achtergrond van hun klanten niet mogen registeren.
In het rapport wordt gesteld dat het niet is uitgesloten dat wettelijke informatiebepalingen leiden tot informatie die voor (financieel) laaggeletterde Nederlanders te ingewikkeld is. De AFM wijst er daarbij op dat de huidige wettelijke normen wel de ruimte bieden om informatie simpel en overzichtelijk te houden en tekst te vervangen door visualisaties. Het kabinet onderschrijft het belang van goede informatieverstrekking waarbij ook aandacht is voor de wijze waarop die informatie wordt verstrekt. Daar pleit Nederland ook in Europa voor. Zo zet Nederland zich in de onderhandelingen over de Europese richtlijn consumentenkrediet in op begrijpelijke en eenvoudige informatie en op een leenomgeving die beter aansluit bij het belang van (kwetsbare) consumenten.
Via het actieplan consumentenkeuzes6 wordt onderzocht wat financiële instellingen in de communicatie, dienstverlening en keuze-omgeving kunnen verbeteren, zodat mensen vaker en makkelijker financieel gezonde keuzes maken.
Zoals het rapport opmerkt, zijn er enige aanwijzingen dat er door de toepassing van de Wwft risico’s zijn dat vluchtelingen en arbeidsmigranten belemmerd worden in de toegang tot financiële dienstverlening, maar er bestaat geen duidelijk en onderbouwd beeld of en in welke mate dit inderdaad aan de orde is. Op grond van de Wwft dienen financiële instellingen als onderdeel van het cliëntenonderzoek een zelfstandige risico-gebaseerde inschatting te maken voor de risico’s op witwassen en het financieren van terrorisme. Financiële instellingen maken daarbij gebruik van objectief vastgestelde risico-indicatoren en kunnen bij mogelijke risico’s om aanvullende informatie en documentatie verzoeken. Dergelijke verzoeken om uitvoerige documentatie zijn soms ingewikkeld. Deze zijn echter noodzakelijk om de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen en dat raakt de kern van de poortwachtersfunctie van financiële instellingen. Daarbij is wel van belang dat de bank per klant een individuele risicobeoordeling maakt. Een verhoogd risico kan betekenen dat er om aanvullende informatie verzocht moet worden, maar niet dat een groep klanten categoraal geweigerd moet worden.
Bent u bereid om de conclusie van de AFM, namelijk dat er behoefte is aan financiële producten op islamitische leest, te onderschrijven en u ertoe in te spannen dat er financiële producten op islamitische leest in grotere mate beschikbaar worden op een betaalbare manier? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe bent u bereid om dit te bewerkstelligen?
De AFM concludeert dat er behoefte lijkt te zijn aan financiële producten die op islamitische leest geschoeid zijn. Marktpartijen gaan zelf over de producten en de vorm van die producten die zij aanbieden. Zij moeten zich hierbij uiteraard aan de geldende wet- en regelgeving houden. Op 7 december 2021 heeft de Minister van Financiën uw Kamer een brief toegezonden waarin onder andere wordt ingegaan op de ingewikkeldheden die spelen bij rentevrije hypotheken7. De mogelijkheid bestaat om in overleg te treden met de Belastingdienst daar waar vragen bestaan bij deze aanbieders over de fiscale vereisten die gelden, bijvoorbeeld met betrekking tot de toepasselijkheid van de eigenwoningregeling. De ervaring leert dat dit ook gebeurt door productaanbieders voor wat betreft deze producten.
Bent u bereid om het voorstel van de AFM, namelijk om meer onderzoek te doen om een fijnmaziger beeld te scheppen van deze groep, op te pakken? Zo nee, waarom niet?
Bij een brede aanpak van de bestrijding van armoede is het essentieel om kwetsbare groepen in beeld te hebben. Diverse publicaties geven al een fijnmaziger beeld van kwetsbare groepen, zoals de Verkenning werkende armen8 van de SER en de publicatie Armoede en Sociale Uitsluiting van het CBS. Ik volg deze ontwikkelingen op de voet.
Bent u bereid om de suggestie van de AFM, namelijk om tijdens het inburgeringsproces meer aandacht te besteden aan financiële zelfredzaamheid, ter harte te nemen? Zo nee, waarom niet?
Met de komst van het nieuwe stelsel inburgering is ook de verplichting opgenomen in de Participatiewet dat gemeenten statushouders bij vestiging in de gemeenten gedurende zes maanden ontzorgen door vanuit de uitkering de belangrijkste vaste lastenposten (huur, zorgverzekering, energie en water) te betalen. De gemeente kan als bijstandsverstrekker en regisseur van de inburgering een belangrijke ondersteunende rol spelen bij enerzijds het stabiliseren van de financiële situatie van de asielstatushouder en anderzijds de begeleiding naar financiële zelfredzaamheid. Deze begeleiding kunnen gemeenten combineren met andere inburgeringsactiviteiten.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over armoede en schulden?
Ja, daartoe ben ik bereid.
De te lage thuiswerkvergoeding in het licht van de stijgende prijzen en corona-lockdown |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht dat de afgelopen maand de hoogste inflatie in 40 jaar heeft plaatsgevonden1 en het bericht dat de gasprijzen het hoogste niveau ooit hebben bereikt?2
Ja, deze berichten zijn ons bekend. We volgen de ontwikkeling van de inflatie en de gevolgen voor huishoudens nauwgezet.
Ziet u dat de kosten voor mensen om in hun levensonderhoud te voorzien harder stijgen dan de salarissen waarmee zij deze kosten kunnen betalen? Vindt u dit een probleem? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zien we de kosten van levensonderhoud, met name de energieprijzen, wereldwijd hard stijgen. Het vorige kabinet heeft uitzonderlijke maatregelen genomen om de effecten daarvan voor huishoudens te beperken. Omdat de loonontwikkeling altijd met enige vertraging reageert op veranderende economische omstandigheden, houdt deze vooralsnog geen gelijke tred met de stijgende prijzen. Dat heeft een ongunstig effect op de koopkracht van huishoudens. Uiteraard is dat niet wat het kabinet beoogt, het kabinet streeft in het coalitieakkoord een voor alle groepen evenwichtig en gemiddeld positief koopkrachtbeeld na.
Lonen komen tot stand in overleg tussen werkgevers en werknemers. Het past de overheid terughoudendheid daarop in te grijpen. Het kabinet houdt wel in de gaten hoe de lonen zich komende tijd ontwikkelen. Het is wenselijk dat de contractloongroei aantrekt in een krappe arbeidsmarkt, zeker nu prijzen stijgen. Dat lijkt ook te gebeuren, en DNB verwacht dat deze ontwikkeling zich voortzet in 2022 en 2023. Aanvullend op de automatische stijging op basis van de gewogen contractloongroei, kiest het kabinet ervoor om het wettelijk minimumloon deze kabinetsperiode met 7,5% te laten stijgen. Het kabinet kijkt in de voorjaarsbesluitvorming naar het koopkrachtbeeld.
Bent u bekend met het feit dat meer dan een half miljoen mensen in energiearmoede leven3, dat er honderdduizenden werkende armen zijn4, meer dan een miljoen mensen in armoede leven5 en nog vele honderdduizenden buiten deze statistieken vallen, maar ook amper rondkomen of een goed leven kunnen opbouwen? Vindt u dit een probleem? Zo nee, waarom niet?
We zijn bekend met de armoedecijfers en de impact die armoede op het leven van mensen kan hebben. Het bestrijden van en het tegengaan van de gevolgen van armoede staat dan ook hoog op de agenda van het kabinet.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in armoede leven?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat er op de lange termijn alles aan gedaan moet worden om dit structureel op te lossen, maar dat ook op de zeer korte termijn concrete stappen moeten worden gezet om deze mensen bij te staan, zeker wanneer zij opnieuw geconfronteerd worden met een corona-lockdown en dus thuis hogere kosten maken? Wat gaat u hier nu aan doen?
Het kabinet zet belangrijke stappen op het bestrijden van armoede via de verhoging van het wettelijk minimumloon met instandhouding van de koppeling met de bijstandsuitkering, maar ook via bijvoorbeeld de vierjaarlijkse herijking van het sociaal minimum, de inzet op het verminderen van het aantal kinderen dat in armoede leeft en de inzet op re-integratie naar werk.
Het kabinet heeft uiteraard oog voor de gevolgen van de uitzonderlijke stijging van met name de energierekening op de korte termijn. Huishoudens worden hierin gecompenseerd via de verlaging van de energiebelasting. Daarbovenop krijgen huishoudens met een lagere inkomens een eenmalige tegemoetkoming via gemeentes vanwege de gestegen energiekosten. Het kabinet houdt de vinger aan de pols bij de prijsontwikkelingen en de gevolgen voor het koopkrachtbeeld.
Deelt u de mening dat, naast andere maatregelen voor mensen in armoede tijdens deze lastige coronaperiode die wij als samenleving samen door moeten komen, de eerder vastgestelde thuiswerkvergoeding van twee euro nu tekort schiet en dus bijgesteld moet worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet geen aanleiding het forfait aan te passen vanwege de hogere inflatie die vooral een gevolg is van de stijgende energieprijzen. Voor die stijgende energieprijzen heeft het kabinet onder andere de energiebelasting verlaagd en krijgen huishoudens met een lager inkomen een eenmalige tegemoetkoming.
Gaat u het Nibud vragen om op basis van de gewijzigde omstandigheden de hoogte van de thuiswerkvergoeding opnieuw te berekenen en het beleid daarmee in lijn brengen? Welke stappen gaat u daar in zetten en wanneer?
De thuiswerkvergoeding is met ingang van 1 januari 2022 ingevoerd. De wetgever heeft in het Belastingplan 2022 de keuze gemaakt om het forfait van 2 euro jaarlijks op basis van de tabelcorrectiefactor te indexeren. De indexatie zal voor het eerst met ingang van het jaar 2023 plaatsvinden. Er is niet voorzien in een tussentijdse aanpassing.
Vanwege de spoedeisende aard van deze vragen, de velen honderdduizenden mensen die momenteel gedwongen thuis zitten om onze collectieve veiligheid te dienen, maar die moeite hebben om rond te komen, kunt u deze nog voor het jaareinde beantwoorden? Kunt u bovendien onmiddellijk overgaan tot actie?
Het is helaas niet gelukt om uw vragen voor het jaareinde te beantwoorden. In het compensatiepakket voor de gestegen energierekening is de verlaging van de energiebelasting de maatregel met het grootste effect voor huishoudens, deze verlaging is op 1 januari ingegaan. Energieleveranciers hebben aangegeven dat zij deze belastingverlaging verwerken in het termijnbedrag dat huishoudens betalen.
Daarnaast wordt op dit moment gewerkt aan de gemeentelijke regeling om huishoudens met lagere inkomens aanvullend te compenseren.
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja, waar dit al bekend is, is dit aangegeven.
Is de verhoging van het minimumloon voorwaardelijk aan de vereenvoudiging van de huurtoeslag of wordt het minimumloon sowieso met 7,5% verhoogd ongeacht wat er gebeurt met de huurtoeslag?
De verhoging van het wettelijk minimumloon geeft inkomensruimte om de huurtoeslag te hervormen. Het ligt voor de hand om de verhoging van het wettelijk minimumloon en de hervorming van de huurtoeslag in samenhang te bezien. De uitvoering wordt nader vormgegeven door het kabinet.
Wat is het verschil tussen het nieuwe voorstel van directe financiering aan kinderopvanginstellingen en het oude voorstel dat tijdens het kabinet Rutte-II is gestrand? Welke inhoudelijke bezwaren waren er destijds die nu zijn weggenomen?
Een verschil is dat bij het huidige voorstel tegelijkertijd ook de grondslagen worden vereenvoudigd, namelijk een inkomensonafhankelijke vergoeding van 95% voor alle werkende ouders en het loslaten van het criterium koppeling gewerkte uren. De precieze vormgeving van dit stelsel zal de komende periode nader uitgewerkt worden. Hiervoor zal ook gekeken worden naar de ervaringen van het oude voorstel voor directe financiering.
Is er een inschatting gemaakt van wat de kinderopvangtoeslagverruiming gaat doen met de uurprijs van de kinderopvang? Als dit niet het geval is waarom niet? Kan er uitgesloten worden dat deze extra investering vanuit publieke middelen niet via winsten wegstroomt?
Bij de raming van deze beleidsvoornemens is uitgegaan van de huidige maximum uurprijzen en tarieven, zie ook antwoord 24. Het is op voorhand lastig te voorspellen wat de effecten van de stelselwijziging op de tariefontwikkeling en winstgevendheid precies zullen zijn. Dit is een aandachtspunt in de verdere uitwerking.
Kunt u aangeven voor welk doeleinde de € 500 miljoen Arbeidsmarkt enveloppe is gereserveerd? Welke doelstelling hoort bij dat budget, en wat is de verdeling tussen hervormen arbeidsmarkt, re-integratie en het aanpakken armoede en schulden?
U wordt hierover geïnformeerd aan de hand van de uitwerking van de toepasselijke thema’s uit het coalitieakkoord.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag voor lage inkomens al voor 96% wordt vergoed? Kunt u de inkomenseffecten weergeven van het plan om de vergoeding alleen voor werkende ouders te verhogen naar 95%? Klopt het dat dit een denivellerende maatregel is?
De laagste inkomens ontvangen nu een toeslag van 96%. Onderstaande tabel toont het geïsoleerde mediane inkomenseffect (van de hele groep en KOT-ontvangers binnen de groep) indien het vergoedingspercentage voor alle KOT-ontvangers in 2025 95% wordt.
Groep
KOT-ontvangers
Omvang groep (dzd)
W.v. KOT-ontvangers (dzd)
1e (<=111% WML)
0,0%
– 0,2%
1.549
39
2e (111–177% WML)
0,0%
0,1%
1.549
35
3e (177–273% WML)
0,0%
0,8%
1.549
93
4e (273–406% WML)
0,0%
1,5%
1.549
179
5e (>406% WML)
0,0%
2,8%
1.548
191
Werkenden
0,0%
1,4%
4.872
522
Uitkeringsgerechtigden
0,0%
– 0,1%
657
13
Gepensioneerden
0,0%
xxx
2.066
xxx
Tweeverdieners
0,0%
1,6%
3.845
458
Alleenstaanden
0,0%
– 0,1%
3.570
76
Alleenverdieners
0,0%
xxx
328
xxx
Huishoudens met kinderen
0,0%
1,4%
1.685
537
Huishoudens zonder kinderen
0,0%
xxx
4.008
xxx
Bron: SZW-berekeningen
Deze maatregel verlaagt de eigen bijdrage voor een groot deel van de ouders fors. Met name huishoudens met een hoog inkomen profiteren het meest van het verhogen van de vergoeding. Voor de laagste inkomensgroep (met een gezamenlijk toetsingsinkomen tot € 27.437 neemt de eigen bijdrage toe. De aanpassing van het vergoedingspercentage binnen de KOT is echter slechts één maatregel uit het coalitieakkoord dat meer maatregelen bevat die relevant zijn voor de ontwikkeling van het huishoudinkomen. Het invoeren van een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage is een onderdeel van de hervorming van de kinderopvangtoeslag en betreft een vereenvoudiging van het stelsel. Het aantal terugvorderingen en nabetalingen neemt hierdoor af.
Klopt het dat het Algemene Ouderdomswet (AOW)-gat van Surinaamse Nederlanders wel is opgenomen in het coalitieakkoord maar er geen geld voor is uitgetrokken in de budgettaire bijlage? Hoeveel geld is er nodig voor deze maatregel? Komt dit geld alsnog beschikbaar?
Er is in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord geen specifieke reservering gedaan voor dit dossier. Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover geïnformeerd nadat besluitvorming binnen het kabinet heeft plaatsgevonden.
Zijn de plannen in dit coalitieakkoord voldoende om de doelstelling op kinderarmoede (halvering in 2025) te bereiken? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
De beantwoording van deze vraag zal plaatsvinden bij de verdere uitwerking van de maatregelen, die in hun effecten nu nader worden geanalyseerd.
Wat is uw doelstelling in 2025 voor het aantal werkenden in een kwetsbare arbeidsmarktpositie?
In het coalitieakkoord is geen doelstelling opgenomen voor het aantal werkenden in een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Het coalitieakkoord bevat wel, met name in hoofdstuk 4 Bestaanszekerheid en kansengelijkheid, een breed pakket aan maatregelen om de arbeidsmarktpositie van zowel kwetsbare werkenden, als werkzoekenden, waaronder jongeren, te verbeteren. Ook wordt het minimumloon stapsgewijs verhoogd. Deze maatregelen zullen komende periode verder worden uitgewerkt. Het eindrapport van de commissie Regulering van Werk (commissie-Borstlap) en het hoofdstuk «Arbeidsmarkt, inkomensverdeling en gelijke kansen» uit het SER MLT-advies vormen de leidraad voor hoe de inrichting van de arbeidsmarkt van de toekomst er uit komt te zien.
Wat is uw doelstelling in 2025 voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen?
De Minister van SZW hecht veel waarde aan het sneller verder dichten van de loonkloof en streeft naar gelijke beloning voor mannen en vrouwen. Het doel is dan ook om beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen aan te pakken en te verkleinen. In het coalitieakkoord is opgenomen dat gewerkt wordt aan de gendergelijkheid op de arbeidsmarkt. Daaronder valt ook het verder tegengaan van loonverschillen tussen mannen en vrouwen, door beter te controleren op loonverschillen. Op dit moment wordt het Europese Richtlijnvoorstel over loontransparantie ter bevordering van gelijke beloning van mannen en vrouwen in Europa behandeld. Dit voorstel heeft tot doel om gelijke beloning te bevorderen door het verbeteren van loontransparantie. Tijdens de Sociale Raad van 6 december 2021 is een algemene oriëntatie bereikt door de lidstaten op dit richtlijnvoorstel. Nederland heeft daar ingestemd met de tekst van het richtlijnvoorstel. De onderhandelingen over dit voorstel tussen het Europees Parlement en de Raad moeten nog starten. Wanneer het richtlijnvoorstel uiteindelijk zal worden aangenomen moet deze door de lidstaten worden omgezet en geïmplementeerd in nationale wetgeving. Ik zal u daar te zijner tijd over informeren.
Hoe gaan overheids- en uitvoeringsorganisaties het goede voorbeeld geven bij het aanpakken van institutioneel racisme?
Ter uitvoering van de moties Marijnissen c.s. en Klaver c.s. zijn departementen momenteel bezig met het inventariseren, beoordelen en opruimen van onrechtmatige of oneigenlijke verwerkingen van afkomst gerelateerde indicatoren in risicoprofielen. Ook het gebruik van nationaliteit en etniciteit in risicoprofielen wordt meegenomen in de uitvoering van deze moties. Het College voor de Rechten van de Mens heeft een toetsingskader ontwikkeld met juridische maatstaven om te bepalen wanneer risicoprofielen leiden tot discriminatie op grond van ras (waaronder etniciteit valt) of nationaliteit. Dit toetsingskader zal worden betrokken bij de nog lopende inventarisatie en toetsing bij uitvoeringsorganisaties. Ook heeft de voormalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties inzet toegezegd voor de verdere verspreiding en toepassing van het toetsingskader en andere waarborgen tegen etnisch profileren door de overheid.
Verder wordt een Staatscommissie ingesteld die tot taak zal hebben om op langjarige basis onderzoek te doen naar de stand van racisme in Nederland, voorstellen te doen en effecten van beleid te monitoren. Ook zijn andere belangrijke stappen gezet. In navolging op de Black Lives Matter demonstraties en Catshuisgesprekken die daaromtrent zijn gevoerd, is er een interdepartementaal traject (SZW, BZK, OCW, JenV, VWS) gestart om de aanpak van racisme en discriminatie in samenwerking met verschillende stakeholders bottom-up te bezien. Ter versterking de algehele aanpak tegen discriminatie en racisme is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme aangesteld. In 2022 zal hij een Nationaal Actieprogramma presenteren dat in samenwerking met verschillende stakeholders wordt ontwikkeld. En er is nadrukkelijker een brede discriminatietoets aan de voorkant gekomen voor wetgeving en beleid, onder meer in de constitutionele toets, de invoeringstoets, het Integraal Afwegingskader (IAK) en de data protection impact assessment (DPIA). Deze instrumenten gelden ook als een risicoprofiel wordt opgesteld.
Uitvoeringsorganisaties zetten in op bewustwording en bestrijding van discriminerende effecten en gedrag door ambtelijke organisaties. Dit gebeurt via het voorkomen van (onbewuste) discriminatie jegens klanten, bijvoorbeeld bij SVB waar het Ethics Center sessies organiseert gericht op bewustwording van onbewuste vooroordelen bij medewerkers, en inclusief werkgeverschap.Bij inclusief werkgeverschap is het doel een evenwichtige verhouding in het personeelsbestand met diversiteit in alle lagen.
Ook wordt er ingezet op het voorkomen van discriminerende algoritmen. Zo is UWV bezig met het oprichten van een Commissie Data Ethiek om het gebruik van algoritmes tegen het licht te houden en specifieke algoritmes te beoordelen. In het coalitieakkoord is opgenomen dat we wettelijk willen regelen dat algoritmes worden gecontroleerd op transparantie, discriminatie en willekeur. Een algoritmetoezichthouder moet dit bewaken.
Wat wordt bedoeld met het «zorgvuldig» uitvoeren van het Regenboogakkoord met initiatiefwetgeving en beleid? Wordt het hele Regenboogakkoord uitgevoerd zoals afgesproken?
Zie antwoord op vraag 14.
Kunt u punt voor punt aangeven welke onderdelen van het Regenboogakkoord uitgevoerd worden? Wat gebeurt er met het meerouderschap?
Voor het antwoord op de vragen 13 en 14 verwijs ik u naar het antwoord van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op de vraag over het integraal overnemen van de maatregelen uit het Regenboogakkoord (vraag 7). Hierin staat dat het Regenboog Stembusakkoord door een grote meerderheid van de Tweede Kamerfracties is ondertekend. In het coalitieakkoord staat dat we blijven werken aan de acceptatie, veiligheid en emancipatie van de LHBTQI+ gemeenschap en dat het Regenboogakkoord hiervoor de basis is. Het nieuwe kabinet zal dit in de komende tijd uitwerken en een voorstel aan uw Kamer doen.
Wat zijn de gevolgen van het niet-invoeren van het loonkostenvoordeel voor jongeren, onder meer voor werkgevers en deze jongeren?
Het loonkostenvoordeel voor jongeren (verder: LKV jongeren) zou de opvolger zijn van het Lage inkomensvoordeel (LIV), dat per 2025 wordt afgeschaft. De bedoeling was dat werkgevers dit loonkostenvoordeel zouden ontvangen voor jongeren met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt die werken in een substantiële baan rondom het wettelijk minimum(jeugd)loon. De hoogte van het LKV jongeren stond nog niet vast, maar zou maximaal € 1,01 per verloond uur met een maximum van ongeveer € 2.000 per jaar bedragen. Werkgevers die jongeren met een kwetsbare arbeidsmarktpositie in dienst hebben zullen hiervoor nu niet deze financiële compensatie krijgen. Wel zal met de resterende LIV-gelden het loonkostenvoordeel voor de doelgroep banenafspraak structureel worden gemaakt.
Het LKV jongeren zou het voor werkgevers aantrekkelijker maken jongeren met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Jongeren kunnen niet meer van dit verwachte effect profiteren. Het verwachte werkgelegenheidseffect van het LKV jongeren is niet doorgerekend. Hoe groot het effect van het niet invoeren van dit loonkostenvoordeel is, is daarom niet aan te geven.
Wat is het toekomstige kabinet van plan met het kindgebonden budget en de kinderbijslag? Is zij bereid het voornemen tot niet-indexering van de kinderbijslag in 2022, 2023 en deels 2024 te herzien?
Over het kindgebonden budget zijn in het coalitieakkoord geen concrete voorstellen opgenomen. Wel is de ambitie opgenomen om de toeslagen op termijn af te schaffen. Deze kabinetsperiode worden daartoe de eerste stappen gezet. Het kabinet zal hiertoe met voorstellen te komen. In de tussentijd wordt verder gegaan met verbeteringen in het huidige toeslagenstelsel (Kamerstuk 31 066, nr. 898). Over de kinderbijslag zijn in het coalitieakkoord geen voorstellen opgenomen. Het wetsvoorstel niet indexering kinderbijslag (Kamerstuk 35 845) ligt in de Eerste Kamer ter behandeling. Op 17 december jl. heeft de toenmalige Staatssecretaris de Eerste Kamer geïnformeerd dat reactie op het voorlopig verslag, door middel van een memorie van antwoord, niet voor de door de commissie gevraagde termijn kan worden gegeven. Dit betekent dat de beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel, 1 januari 2022, niet haalbaar is gebleken. De basiskinderbijslagbedragen en het extra bedrag aan kinderbijslag zijn daarom met ingang van 1 januari 2022 geïndexeerd conform de huidige wet. Het kabinet zal de beantwoording op de vragen van de Eerste Kamer ter hand nemen en daarin ook ingaan op wat dit betekent voor (de inwerkingtredingsdatum van) het wetsvoorstel.
Hoe wordt de verhoging van het wettelijk minimumloon gedekt, en wat gaat dit ondernemers kosten?
Bij de vaststelling van het coalitieakkoord voor het kabinet Rutte IV is gekozen voor een verhoging van het WML, tezamen met andere extra investeringen, ombuigingen, en ook aanpassingen aan de lastenkant van de begroting. Daarnaast wordt een minimumuurloon geïntroduceerd op basis van een 36-urige werkweek. Dit heeft gevolgen voor de overheidsuitgaven doordat verschillende regelingen, waaronder de bijstand, gekoppeld zijn aan de hoogte van het WML. Deze uitgaven zijn niet expliciet gekoppeld aan specifieke ombuigingen of lastenverzwaring elders, maar zijn ingepast binnen de nieuw vastgestelde ex ante uitgaven- en lastenplafonds, zoals gebruikelijk is bij een nieuw coalitieakkoord.
De loonkosten voor werkgevers zullen toenemen. Zeker voor werkgevers die relatief veel werknemers hebben op het WML-niveau of in sectoren waarin minimumloonverdieners meer dan 36 uur per week werken zullen de loonkosten stijgen. Het wettelijk minimumloon stijgt gedurende de kabinetsperiode stapsgewijs met in totaal 7,5 procent bovenop de reguliere indexatie.
De precieze doorwerking op de loonkosten is onzeker. Zo is het mogelijk dat lonen net boven het WML verhoogd worden doordat het hogere WML doorwerkt op andere salarisniveaus via bijvoorbeeld cao-afspraken. De verhoging van het WML heeft dus mogelijk gevolgen voor het loongebouw. De precieze gevolgen zullen mede afhankelijk zijn van cao-afspraken.
Is er budget beschikbaar om de hardheden in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)-wetgeving weg te nemen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Is er budget beschikbaar indien uit de herijking van het sociaal minimum blijkt dat het sociaal minimum voor bepaalde groepen omhoog moet (bijvoorbeeld voor een 18-jarige die minimumloon verdient en volgens het Nibud op geen enkele wijze kan rondkomen)?
Dit kabinet heeft 1,4 miljard gereserveerd voor een stapsgewijze verhoging van het minimumloon inclusief koppeling met de bijstand. In het coalitieakkoord staat opgenomen dat het sociaal minimum elke vier jaar wordt herijkt om vast te stellen of dit toereikend is om van te leven en mee te doen in de samenleving. Een volgende herijking is aan een nieuw kabinet. Jaarlijks wordt bekeken of de koopkracht evenredig is verdeeld.
Wat gebeurt er concreet met de koopkracht van mensen met alleen een AOW-uitkering?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u de € 1,4 miljard voor het verhogen van het minimumloon en het vereenvoudigen van de huurtoeslag nader uitsplitsen?
Het CPB heeft in de doorrekening van het coalitieakkoord een uitsplitsing gegeven van het huurtoeslagpakket. Er is nog geen uitsplitsing gemaakt van de verhoging van het wettelijk minimumloon. Een dergelijke uitsplitsing volgt in de nadere uitwerking door het kabinet.
Door het loskoppelen van de AOW en het minimumloon stijgt de AOW niet automatisch mee met het minimumloon, waarom kiest u voor het loskoppelen van de AOW?
Zie antwoord vraag 23.
In hoeverre worden AOW‘ers gecompenseerd en met welk bedrag?
De incidentele verhoging van het WML, zoals afgesproken in het coalitieakkoord, werkt nu niet door in de hoogte van de AOW-uitkering. De halfjaarlijkse reguliere koppeling tussen AOW en de contractlonen via het WML blijft behoudens deze extra verhoging van het WML in stand. Hier hebben alle AOW-gerechtigden profijt van. Ook na deze voorgenomen verhoging van het WML ligt de AOW hoger dan het sociaal minimum voor huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd en is het risico op armoede voor gepensioneerden relatief laag. Daarnaast wordt de ouderenkorting verhoogd, hier hebben gepensioneerden met aanvullend pensioen baat bij.
Op basis van welke cijfers en aannames zijn de uitgaven á € 2,2 miljard (structureel) voor de maatregel kinderopvang voor werkenden geraamd?
Een deel van de extra kosten betreft het directe effect van huidige gebruikers die een hogere vergoeding ontvangen. Onder de huidige regelgeving krijgen ouders gemiddeld circa 71,5% van de kosten van kinderopvang vergoed (tot aan de maximum uurprijs). De tegemoetkoming gaat naar 95% en dit gaat gepaard met meerkosten van structureel € 1,2 miljard. In de raming is uitgegaan van de huidige tarieven en maximum uurprijzen (zie ook het antwoord op vraag 5).
Daarnaast is aangenomen dat de vraag naar kinderopvang structureel met circa 21% stijgt als gevolg van de inkomensonafhankelijke vergoeding van 95% en het loslaten van de koppeling gewerkte uren. Deze ingeschatte gedragseffecten zijn onder meer gebaseerd op bestaand onderzoek naar de te verwachten gedragsreacties bij een daling van de eigen bijdrage. Bij een stelselwijziging van een dergelijke omvang zijn de gedragseffecten inherent zeer onzeker. De verwachte meerkosten op basis van het hogere gebruik worden ingeschat op structureel € 1,0 miljard. Tot slot is er rekening gehouden met minder oninbare terugvorderingen en hogere uitvoeringskosten als gevolg van directe financiering. Daarnaast stijgen de uitvoeringskosten als gevolg van het hogere gebruik van kinderopvang. Genoemde effecten vallen naar inschatting ongeveer tegen elkaar weg.
Kunt u de maatregel kinderopvang voor werkenden nader toelichten qua concrete invulling en effectiviteit van de maatregel?
Komende jaren zal de kinderopvangtoeslag fundamenteel herzien worden door de vergoeding te verhogen tot 95% voor alle werkende ouders en het criterium koppeling gewerkte uren los te laten. Ook zal de vergoeding rechtstreeks uitgekeerd worden aan kinderopvangorganisaties. Deze stappen zorgen voor een vereenvoudiging van de regeling en een flinke reductie van het aantal nabetalingen en terugvorderingen bij ouders. Ook wordt door deze maatregelen kinderopvang toegankelijker voor de meeste ouders, wat het combineren van arbeid en zorg vereenvoudigt. De komende periode zullen de voornemens nader uitgewerkt worden, waarbij ook naar de verwachte effecten op verschillende doelstellingen wordt gekeken.
Hoe wordt de maatregel arbeidsmarkt, armoede en schulden concreet ingevuld c.q. waaraan wordt (structureel) gereserveerde € 500 miljoen besteed?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover bij de nadere uitwerking geïnformeerd.
Het bericht ‘Thuiszorghulp heeft voortaan ook recht op sociale zekerheidsregelingen’. |
|
Marijke van Beukering-Huijbregts (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de rechter heeft geoordeeld dat mensen die onder de regeling dienstverlening aan huis werken – waaronder zorghulpen die betaald worden via Persoonsgebonden budget (PGB) – in aanmerking komen voor de Werkloosheidswet (WW)?1 2 3
Ja, ik ben bekend met de uitspraak en het bericht «Thuiszorghulp heeft voortaan ook recht op sociale zekerheidsregelingen».
Wat vindt u van deze uitspraak?
Het betreft een uitspraak van een rechtbank in een specifieke casus. UWV heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). De uitspraak in hoger beroep wacht ik af en ik loop daar niet op vooruit.
Deelt u de analyse van de rechter dat er sprake is van (indirecte) discriminatie omdat het merendeel van de zorghulpverleners vrouw is?
De uitspraak ziet op de verzekeringsplicht voor de Werkloosheidwet (hierna: WW) van een PGB-dienstverlener die onder de Regeling dienstverlening aan huis (hierna: de Regeling) valt. Deze personen zijn op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW (hierna: de Uitzonderingsbepaling), niet verzekerd voor de WW als zij minder dan vier dagen per week diensten verlenen aan een particulier voor diens huishouding. In de uitspraak staat de vraag centraal of PGB-dienstverleners door dit artikel gediscrimineerd worden op basis van geslacht en dit in strijd is met het Europees recht.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van directe discriminatie. Wel stelt de rechtbank dat er sprake is van indirecte discriminatie, die niet objectief wordt gerechtvaardigd in het geval van PGB-zorgverleners. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze uitzonderingsbepaling meer vrouwen dan mannen treft en dat daarom sprake is van indirecte discriminatie.
Volgens de rechtbank beoogt de Regeling legitieme doelstellingen. Namelijk het voor particulieren aantrekkelijker maken deze vorm van hulp in te huren en om te voorkomen dat deze vormen van hulp zwart worden betaald. De rechtbank vindt echter het gekozen middel om deze doelstellingen te bereiken, de in het geding zijnde Uitzonderingsbepaling, voor de groep PGB-zorgverleners niet geschikt en noodzakelijk. De rechtbank concludeert dat de Regeling de werkgelegenheid voor persoonlijke dienstverleners die worden betaald uit een PGB, niet bevordert en dat een mogelijke vlucht naar de illegaliteit niet aan de orde is. Aan deze conclusie van de rechtbank ligt de stelling ten grondslag dat bij PGB-dienstverlening het PGB op basis van de wet toereikend moet zijn om zorg in te kunnen kopen die gelijkwaardig is aan zorg in natura en werkgeverslasten waar nodig publiek worden bekostigd. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat in het rapport van de commissie Kalsbeek wordt aangegeven dat er voor de ontvanger van een PGB geen reële keuze is om deze werkzaamheden zelf te doen en de Regeling voor die groep dus geen stimulans vormt persoonlijke dienstverlening in te schakelen die anders achterwege zou blijven. Dit betekent dat de Uitzonderingsbepaling wegens strijd met Europees recht naar het oordeel van de rechtbank buiten toepassing moet blijven en derhalve dat de PGB-zorgverlener in kwestie voor die werkzaamheden wel verzekerd was voor de WW.
De analyse van de rechter dat er sprake is van (indirecte) discriminatie ligt in hoger beroep voor aan de CRvB. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Klopt het dat deze uitspraak betekent dat een hele groep mensen, die onder de regeling dienstverlening aan huis werkt, nu wel recht heeft op WW, ook als er geen premies zijn afgedragen?
De rechtbank heeft de conclusie dat met de Uitzonderingsbepaling sprake is van indirecte discriminatie op grond van geslacht die niet wordt gerechtvaardigd, enkel getrokken voor PGB-zorgverleners. Deze uitspraak kan niet zonder meer doorgetrokken worden naar alle werknemers die vallen onder de Regeling. Zoals gezegd ligt de zaak nu nog onder de rechter. Als de CRvB deze uitspraak bevestigt, dan geldt voor de groep PGB-zorgverleners die vergelijkbaar zijn met de betrokkene in deze zaak, dat zij verzekerd zijn voor de WW. Voor het recht op een WW-uitkering is niet vereist dat er premies WW zijn afgedragen.
Voor de volledigheid merk ik op dat om recht te hebben op een WW-uitkering nog wel aan de gebruikelijke voorwaarden voor een WW-uitkering, zoals de wekeneis, moet worden voldaan.
Om hoeveel mensen gaat dit potentieel?
Volgens cijfers van de Sociale verzekeringsbank uit 2021 zijn er ongeveer 30.000 PGB-zorgverleners die werkzaam zijn onder de Regeling.
Kan deze uitspraak bredere werking hebben dan alleen op de WW, bijvoorbeeld ook op andere sociale zekerheidsregelingen of uitzonderingen in het arbeidsrecht voor mensen die onder de regeling dienstverlening aan huis werken?
Deze uitspraak van de rechtbank ziet specifiek op het al dan niet verzekerd zijn voor de WW en niet op andere sociale zekerheidsregelingen of uitzonderingen in het arbeidsrecht. Om uitspraken te kunnen doen over de mogelijke gevolgen voor deze andere rechtsgebieden wil ik de uitkomst in het hoger beroep afwachten.
Op welke manier gaat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) vanaf nu om met WW-aanvragen van mensen die onder de regeling dienstverlening aan huis hebben gewerkt?
Het betreft hier een uitspraak van één rechtbank in een individuele casus. Daarmee is geen sprake van bestendige jurisprudentie. Op basis van één enkele uitspraak kan UWV daarom nog niet concluderen dat al deze personen voortaan aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering. UWV blijft daarom in afwachting van het hoger beroep uitvoering geven aan de Uitzonderingsbepaling.
Wat betekent dit voor het eventueel afdragen van premies door particuliere werkgevers?
De rechtbank heeft geoordeeld dat de werkzaamheden van eiseres (PGB-zorgverlener) verzekerde arbeid is in de zin van de WW. De uitspraak van de rechtbank ziet uitsluitend op de verzekeringsplicht. Momenteel is onduidelijk wat de gevolgen van de uitspraak zouden kunnen zijn voor de premieheffing.
Wat denkt u dat de gevolgen zullen zijn op het zwart werken binnen de huishoudelijke hulp als er inderdaad premies zullen moeten worden afgedragen?
Wat de gevolgen zullen zijn op het zwart werken als er premies zullen moeten worden afgedragen, kan ik (nog) niet aangeven. Dit betreft vooralsnog een hypothetische situatie en ik wil niet vooruitlopen op de uitspraak van de CRvB. De uitspraak van de rechtbank ziet specifiek op de groep PGB-zorgverleners. Wat de gevolgen zullen zijn voor alle huishoudelijke hulpen, zoals de vraagstelling luidt, kan ik (nog) niet aangeven. Dat is pas aan de orde indien de gehele Regeling discriminerend zou zijn. Dat is niet wat de rechtbank heeft geoordeeld.
Daarnaast is zwart werken niet gelijk te stellen aan werken zonder arbeidsovereenkomst. Ook werknemers die het ontvangen loon niet aan de Belastingdienst opgeven en daarmee als het ware zwart werken, kunnen wel een arbeidsovereenkomst hebben en aanspraak maken op rechten die daaruit voortvloeien, ongeacht of deze afspraken schriftelijk zijn gemaakt. De zichtbaarheid en bijbehorende kwetsbaarheid zullen mogelijk wel een groter risico zijn als werkgevers geen afspraken meer in een schriftelijke arbeidsovereenkomst durven vast te leggen.
Wat betekent het voor de positie van de huishoudelijk werkers – waaronder veel vrouwen – als een groter deel van deze werkzaamheden weer zal plaatsvinden zonder arbeidsovereenkomst?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u het wenselijk om huishoudelijke hulpen ook recht te geven op WW?
In de Kabinetsreactie op het rapport van de commissie Kalsbeek4 stelde het toenmalige kabinet dat een slechtere rechts- en sociale zekerheidspositie van huishoudelijk werkers in beginsel onwenselijk is. Tegelijk werd daarbij geconstateerd dat er geen goed alternatief is voor de markt voor dienstverlening aan huis. Tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2021 is opnieuw aandacht besteed aan de sociale zekerheidsrechten ten aanzien van huishoudelijke werkers. In reactie hierop zijn in de kamerbrief d.d. 29 april 20215, naar aanleiding van de motie Smeulders/Bruins6 (die aanhaakte op de in juni 2020 uitgebrachte SER-verkenning «markt voor persoonlijke dienstverlening in internationaal perspectief»), onder meer twee varianten geschetst waaronder (een deel van de) huishoudelijk werkers binnen het stelsel van sociale zekerheid kunnen worden gebracht. Zoals uit deze Kamerbrief blijkt, zijn er evenwel aan deze varianten op het huidige stelsel grote nadelen verbonden. Naast de financiële dekking liggen deze nadelen in de controle en fraudegevoeligheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. In het coalitieakkoord is niet besloten tot wijziging van stelsel. Of het oordeel van de CRvB te zijner tijd alsnog aanleiding zal geven om aan te nemen dat huishoudelijke hulpen verplicht verzekerd zijn voor de WW, kan ik nu nog niet beoordelen.
Zijn er andere tussenvormen denkbaar waarbij mensen onder de regeling dienstverlening aan huis niet volledig zonder vangnet zitten, maar er geen premies hoeven worden geïnd?
Tussenvormen zonder premieafdracht zijn ongetwijfeld denkbaar, maar deze brengen vergaande implicaties met zich mee. Een recht op sociale zekerheid voor werknemers zonder dat de werkgever hier premies voor moet afdragen heeft verstrekkende gevolgen voor het stelsel. De financiering van werknemersverzekeringen geschiedt nu (deels) via premieheffing. Als je dat voor een bepaalde groep werknemers anders wilt regelen en tegelijkertijd de dekking van het stelsel wilt waarborgen, dan zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat de premies voor andere werkgevers hoger worden. Dit om de uitkeringslasten voor alle werknemers te kunnen betalen. Daarnaast levert dit ook vraagstukken op over controle op het arbeidsverleden van deze werknemers, het recht op uitkering en de fraudegevoeligheid van een dergelijke regeling.
Long COVID en de wet poortwachter |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Bent u ermee bekend dat de ziekte Long COVID een vrij nieuwe ziekte is en er nog veel onduidelijkheid is of deze ziekte chronisch of tijdelijk is?
Sinds de uitbraak van de coronapandemie is gebleken dat een groep mensen na een besmetting met het coronavirus langdurig klachten als vermoeidheid, benauwdheid, hoofdpijn en vergeetachtigheid houdt. Dat wordt «Long COVID» of «PASC» (Post-Acute Sequelae of SARS-CoV-2 Infection) genoemd (hierna: Long COVID). Deze klachten kunnen enkele weken, maar soms ook maanden na een infectie met het SARS-CoV-2 virus aanhouden en kunnen erg ingrijpend zijn in het dagelijks leven.
Er is nog weinig bekend over de langdurige klachten na een coronabesmetting omdat het gaat om een relatief nieuw ziektebeeld. Zoals in verslag van een schriftelijk overleg van 7 december 2021 van de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 is aangegeven, voert het RIVM een «Long COVID-onderzoek» uit om een goed beeld te krijgen van de aard en duur van de klachten, de risicofactoren van Long COVID, de impact op zorggebruik en kwaliteit van leven van patiënten. Naar verwachting worden de eerste resultaten van dit onderzoek gepubliceerd in het eerste kwartaal van 2022. Naar verwachting zal ook de Gezondheidsraad in het eerste kwartaal van 2022 op eigen initiatief met een advies komen over Long COVID. De Gezondheidsraad zal onder andere ingaan op de definitie (of afbakening) van het ziektebeeld Long COVID op basis van de huidige stand van de wetenschap.
Bent u ermee bekend dat Long COVID patiënten in elk geval voor langere tijd moeten herstellen en daarbij fysiek en mentaal vaak heel weinig kunnen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat Long COVID patiënten het sporentraject moeten doorlopen en daarbij ook worden geconfronteerd met re-integratie terwijl het in de medische wetenschap nog helemaal niet duidelijk is hoelang deze patiënten ziek zullen zijn en of zij na hun ziekteverloop hun oude werk weer kunnen oppakken?
Voor Long COVID-patiënten geldt dat iedere patiënt andere (mate van) klachten kan ervaren. Hiervoor is het belangrijk dat passende re-integratie plaatsvindt, naar de mogelijkheden van de individuele zieke werknemer op dat moment. In overleg met de bedrijfsarts en eventueel arbeidsdeskundige kan naar de mogelijkheden van de individuele werknemer een re-integratieplan worden opgesteld. Bijstelling van dit plan is vervolgens aan de orde als een verandering van de gezondheidssituatie van de werknemer dit nodig maakt. Re-integratie is maatwerk en dient dit ook te zijn voor Long COVID-patiënten.
Inmiddels zijn er handreikingen gepubliceerd over werken met langdurige coronaklachten om onder andere werkgevers, werknemers en zorgprofessionals te ondersteunen.2
Regelgeving binnen het stelsel van sociale zekerheid maakt geen onderscheid naar de reden van uitval/ziekte. Voor alle werknemers die ziek worden en daardoor hun eigen werk niet meer kunnen doen, ongeacht de aard of oorzaak van de ziekte, gelden de regels zoals vastgesteld in de Wet verbetering poortwachter. Helaas geldt voor meer ziekten dat het verloop slecht te voorspellen valt. Het is belangrijk dat alle mensen die door een ziekte zijn getroffen gelijke rechten en plichten hebben.
Bent u bereid om in overleg met gespecialiseerde artsen en patiënten het beleid rond de sociale zekerheid voor Long COVID patiënten aan te passen zolang er nog geen duidelijkheid is over deze ziekte?
Werknemers die door een ziekte of beperking minder of niet meer kunnen werken worden allen op basis van dezelfde wetten en regels beoordeeld, ongeacht het type ziekte of beperking of de oorzaak daarvan. Bij deze beoordeling (WIA of eerstejaarsziektewet-beoordeling) wordt geen onderscheid gemaakt naar de reden van uitval of ziekte, maar wordt gekeken naar iemands mogelijkheden in ander werk, rekening houdend met de beperkingen, en het inkomensverlies dat daardoor ontstaat. Dit inkomensverlies is de mate van arbeidsongeschiktheid. In elke situatie wordt er, zowel tijdens de loondoorbetalings- of Ziektewetperiode als tijdens de WIA-uitkering, aandacht gegeven aan de mogelijkheden om te werken van de individuele werknemer, waarbij rekening wordt gehouden met diens mogelijkheden en beperkingen op dat moment. Dit geldt dus ook voor Long COVID-patiënten.
Aangezien in het bestaande beleid al ruimte bestaat om maatwerk toe te passen naar de situatie van de individuele werknemer, zie ik geen noodzaak om het beleid rond de sociale zekerheid voor Long COVID-patiënten aan te passen.
In het geval van Long COVID kunnen, ondanks dat er nog geen kennis is over de lange termijn gevolgen, ook re-integratie-instrumenten worden ingezet die passend zijn bij de beperkingen die die werknemer heeft. Mochten er, door de (tijdelijke) ernst van de klachten tijdelijk geen mogelijkheden zijn om te werken, dan gelden er geen re-integratie-verplichtingen. Kan de werknemer gedeeltelijke taken van de eigen functie wel uitvoeren, dan kunnen werknemer en werkgever, in samenspraak met de bedrijfsarts en/of arbeidsdeskundige, gezamenlijk onderzoeken of die taken langzaam uitgebreid kunnen worden. Zo wordt de individuele werknemer ondersteund om terug te keren op de arbeidsmarkt. Dit kan in het eigen werk zijn of in ander werk.
Mocht de zieke werknemer geen werkgever meer hebben of de ziekteduur langer dan 104 weken duren, dan zal ook de mate van arbeidsongeschiktheid voor het recht op Ziektewet- of WIA-uitkering worden vastgesteld op basis van de functionele mogelijkheden in arbeid van het individuele geval.
Een kinderopvangbedrijf dat betaalde uren kinderopvang niet levert, maar ook niet compenseert |
|
Peter Kwint |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat ouders al betaalde tegoeden of ruil- en inhaaluren dit jaar niet meer kunnen inzetten bij het betreffende kinderopvangbedrijf en er ook geen verlenging van de vervaldatum plaatsvindt, waardoor ouders hun geld kwijt zijn?1
Ik kan me voorstellen dat deze situatie zowel voor de ouders als voor de kinderopvangorganisatie vervelend is. In de verdere beantwoording van deze vragen ga ik in op de constructie aangaande het inzetten van ruil-of inhaaluren.
Bent u ervan op de hoogte dat ouders voor tegoeden en ruil- en inhaaluren al betaald hebben, maar dat zij deze uren enkel op een ander moment inzetten?
Ik ben ervan op de hoogte dat sommige kinderopvangorganisaties een «ruildagenconstructie» als service aanbieden aan ouders. In algemene zin is het niet zo dat ouders recht hebben op het gebruik maken van zo’n service. Het is aan een kinderopvangorganisatie om zo’n service aan te bieden en aan ouders om akkoord te gaan met de voorwaarden hierbij.
Bent u ervan op de hoogte dat het kinderopvangbedrijf het niet doorgeeft aan de Belastingdienst indien ouders bepaalde dagen/uren niet hebben afgenomen en deze dagen/uren wel iedere maand bij ouders in rekening brengt, omdat zij die door de ruil-/inhaalconstructie op een ander moment kunnen inzetten?
In de memorie van toelichting van de voorloper van de Wet Kinderopvang waarin de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang werd geregeld2 is opgenomen dat het tussen de ouder en de aanbieder overeengekomen aantal uren kinderopvang, als basis wordt genomen voor de berekening van de overheidstegemoetkoming. Deze toepassing is nog steeds van kracht.
De dienst die de kinderopvangorganisatie moet leveren aan de ouder is het bieden van het vooraf overeengekomen aantal opvanguren op de afgesproken dag. Voor deze dienst brengt de kinderopvangorganisatie kosten in rekening bij de ouder waarvoor de ouder aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag.
De kinderopvangorganisatie biedt als service de mogelijkheid aan ouders om als het kind afwezig is na afmelding, bijvoorbeeld door ziekte of vakantie, de niet gebruikte opvangdagen op een later moment in te laten halen. Dit staat los van de kosten voor de aangeboden dienst en de bijbehorende aanspraak op kinderopvangtoeslag
Er is geen sprake van een niet geleverde dienst. De kinderopvangorganisatie heeft in de planning al op het kind gerekend en daarmee al kosten gemaakt op het moment dat een ouder het kind onverhoopt niet naar de kinderopvang kan brengen.
Bent u ervan op de hoogte dat het kinderopvangbedrijf door het laten vervallen van de al betaalde uren kinderopvang via ouders wel de aan hen uitgekeerde kinderopvangtoeslag ontvangt en daarmee dus belastinggeld opstrijkt voor niet geleverde diensten? Acht u dit wenselijk? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Is het juridisch gezien toegestaan om voor niet-geleverde diensten wel kosten te rekenen op deze wijze, evenals het opstrijken van belastinggeld? Kunt u dit nader toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel geld strijkt dit kinderopvangbedrijf op aan zowel eigen bijdrage als kinderopvangtoeslag voor niet-geleverde diensten als gevolg van het laten vervallen van al betaalde tegoeden en ruil- en inhaaldagen?
Zoals in het antwoord op de vragen 3, 4 en 5 is omschreven is er geen sprake van een niet geleverde dienst.
Vindt u het wenselijk en eerlijk dat ouders geen enkele vorm van compensatie krijgen indien het kinderopvangbedrijf besluit dat deze al betaalde uren kinderopvang niet meer ingezet kunnen worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe omgegaan wordt met kinderopvanguren die niet hebben kunnen plaatsvinden is privaatrechtelijk vastgelegd tussen de ouder en de kinderopvangorganisatie in het contract dat ze voor de start van de opvang overeen zijn gekomen. Wanneer een ouder onverhoopt besluit geen gebruik te maken van de kinderopvang, kunnen ruil- en inhaaldagen een mooie uitkomst bieden waar ouders en kinderopvangorganisatie samen afspraken over maken. Het is aan de ouder om akkoord te gaan met de voorwaarden van de kinderopvangorganisatie. Het Ministerie van SZW heeft hier geen rol in.
Ouders hebben altijd de mogelijkheid om een klacht in te dienen als ze het niet eens zijn met een beleidswijziging (als dit een afwijking is van het contract) zoals in dit geval met betrekking tot ruildagen. In eerste instantie kan dit bij de kinderopvangorganisatie zelf. Als dat niet tot een bevredigende uitkomst leidt kan dit bij de Geschillencommissie Kinderopvang die vervolgens een bindend advies geeft.
Hierboven gaf ik al aan dat een kinderopvangorganisatie wel degelijk kosten maakt op het moment dat een ouder het kind plotseling niet kan brengen. Tevens opereert de sector op dit moment onder hoge druk vanwege de coronacrisis en de personeelskrapte in de kinderopvang. Ik kan er daarom begrip voor opbrengen dat het niet altijd lukt om de uren op een ander moment in te laten halen. Ik ga er vanuit dat kinderopvangorganisaties die deze afspraken met ouders hebben gemaakt, hun uiterste best doen deze na te komen. Voor de landelijke sluiting in verband met COVID-19 zijn ouders overigens wel gecompenseerd voor het betalen van de eigen bijdrage.
Hoeveel en welke andere aanbieders van kinderopvang laten ook al betaalde uren vervallen zonder enige vorm van compensatie aan ouders?
Ik heb geen zicht op hoeveel kinderopvangorganisaties deze extra service om te ruilen aanbieden.
Bent u zich ervan bewust dat ouders in onder andere Amsterdam geen keuze hebben om naar een ander kinderdagverblijf te gaan gezien de enorme vraag naar kinderopvang en deze constructie dus niet kunnen ontlopen, mochten zij dat willen?
Mijn beeld is dat veel ouders deze extra service waarderen. Ik kan me echter voorstellen dat het in sommige plaatsen en regio’s voor ouders niet altijd mogelijk is een andere kinderopvangorganisatie te vinden. Dit kan door sommige ouders als vervelend worden ervaren.
Kunt u per gemeente aangeven hoe hoog de wachtlijsten zijn voor kinderopvang en of er al kinderopvangbedrijven zijn die geen kinderen meer aannemen?
Er is geen data beschikbaar over de hoogte van wachtlijsten per gemeente. Wel is de volgende data beschikbaar:
Het is bekend dat in een aantal gevallen kinderopvangorganisaties hebben besloten tot een opnamestop. Zij hebben vanwege openstaande vacatures door het personeelstekort geen ruimte beschikbaar om nieuwe kinderen aan te nemen. Er is geen data beschikbaar over hoe vaak dit landelijk of per gemeente voorkomt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het betreffende kinderopvangbedrijf om alsnog te komen tot een oplossing voor compensatie van al betaalde uren kinderopvang die vervallen?
Hoe omgegaan wordt met kinderopvanguren die niet hebben kunnen plaatsvinden is privaatrechtelijk vastgelegd tussen de ouder en de kinderopvangorganisatie in het contract dat ze voor de start van de opvang overeen zijn gekomen. Het Ministerie van SZW heeft hier geen rol in.
Werkenden en studenten met long-covid. |
|
Wieke Paulusma (D66), Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (D66), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vaak is werk een medicijn»?1
Ja.
Deelt u het belang van werk en aan het werk kunnen blijven voor mensen met een chronische aandoening?
Als de belastbaarheid van de persoon met een chronische aandoening in balans is met de belasting die het werk vraagt, draagt werk positief bij aan de mentale en fysieke gezondheid en op het algehele welbevinden van mensen. Werk geeft structuur, leidt tot sociale contacten, en draagt daarmee bij aan de sociale status. Met het hebben van werk wordt ook zingeving ervaren, omdat een bijdrage wordt geleverd aan de samenleving.
Wat vindt u van het idee om binnen de Zorgverzekeringswet ook bedrijfsartsen aan te bieden voor zzp’ers en freelancers?
De bedrijfsgeneeskundige zorg is de verantwoordelijkheid van de werkgever. Zelfstandigen zonder personeel en freelancers zijn niet gerelateerd aan een bedrijf en dus verantwoordelijk voor hun eigen gezond- en veiligheid.
Niettemin is arbocuratieve zorg, waarbij expertises uit de curatieve zorg en bedrijfsgezondheidszorg samenwerken bij de diagnosestelling en/of behandeling, van belang voor een kwalitatief goede zorg. Het draagt bij aan de gezondheid van werkenden, aan het voorkomen van uitval en aan een spoedige re-integratie. Partijen in de zorg, waaronder de KNMG en adviesorganen waaronder de sociaaleconomische Raad (SER) hebben hier in het verleden ook al op gewezen.
Daarmee is het onderwerp niet nieuw, maar is er ook nog een weg te gaan. Zo heeft het Ministerie van SZW in de afgelopen jaren de ontwikkeling van multidisciplinaire richtlijnen ondersteund waardoor de factor arbeid inmiddels in vele richtlijnen is opgenomen. Momenteel wordt in een aantal zorginstellingen arbocuratieve zorg geboden door structurele betrokkenheid van de bedrijfsarts, omdat men daar de meerwaarde van heeft ervaren. Deze zorg wordt met eigen middelen van de instelling gefinancierd, want deze zorg is uitgesloten van de Zorgverzekeringswet.
Deze ontwikkeling is ook specifiek voor zelfstandigen van belang. Panteia heeft verschillende beleidsopties in kaart gebracht om de arbozorg te verbeteren.2 Deze opties zijn een koppeling aan een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen of een stelsel voor alle werkenden, naast ontschotting van de reguliere zorg en bedrijfsgeneeskundige zorg. Dit om ervoor te zorgen dat zelfstandigen met (beginnende) gezondheidsklachten die verband houden met het werk, net als werknemers, advies en zorg kunnen krijgen van een arts met specifieke kennis over arbeid en gezondheid. Daarnaast is de toegankelijkheid van de arbeidsgerelateerde zorg voor alle werkenden als belangrijk thema benoemd in de concept Arbovisie 2040. De SER is gevraagd hierover advies uit te brengen. Dit advies wordt voor de zomer verwacht. Daarna zal de Arbovisie 2040 worden vastgesteld en worden de verschillende thema’s met alle betrokkenen nader uitgewerkt.
Erkent u dat als we niet goed acteren op de klachten bij long-covid dit ook permanente schade met zich mee kan brengen en dus een nieuwe vorm van een chronische aandoening?
Er is nog veel onbekend over Long COVID. Dat geldt ook voor hoe lang patiënten klachten kunnen houden en of er een behandeling is die tot volledig herstel kan leiden. Er wordt daarom onderzoek gedaan naar zowel de aard en omvang van de langdurige klachten als effectieve herstelzorg. In hoeverre Long COVID een blijvende/chronische ziekte is, is op dit moment nog niet te zeggen. Naar verwachting zal de Gezondheidsraad in het eerste kwartaal van 2022 op eigen initiatief met een advies komen over Long COVID. De Gezondheidsraad zal onder andere ingaan op de definitie (of afbakening) van het ziektebeeld Long COVID op basis van de huidige stand van de wetenschap.
Heeft u zicht op hoeveel werkenden en studenten nu al te maken hebben met long-covid klachten en hoeveel van hen daardoor niet goed kunnen werken of studeren?
Ten aanzien van werkenden is er nog geen goed beeld van de omvang van het aantal Long COVID-patiënten. Ik verwijs u kortheidshalve naar de eerdere beantwoording van vragen van uw kamer van 7 december 20214, waarin hierop nader is ingegaan. Het betreft de beantwoording van de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), mede namens de voormalig Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op de vragen van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van de voormalig Minister van VWS van 20 september 2021 inzake de Reactie op verzoek commissie over petitie «oproep om erkenning, gecoördineerd onderzoek en behandeling langdurige COVID» en over het tienpuntenplan Long COVID.
Over het aantal studenten dat te maken heeft met Long COVID-klachten zijn geen exacte cijfers bekend. Het Long COVID-onderzoek van het RIVM is op dit moment gericht op jongeren vanaf 16 jaar en volwassenen. Het is te verwachten dat de uitkomsten van dit lopende onderzoek over de aanwezigheid van Long COVID onder jongeren van 16 tot ongeveer 25 jaar, een indicatie zijn voor het beeld onder studenten in het mbo en hoger onderwijs.
Gaat het programma COVID-19 en werk meer zicht brengen op het aantal mensen dat minder kan werken door long-covid?2
Zie antwoord vraag 5.
Wat is op dit moment het beleid van universiteiten om om te gaan met studenten met long-covid?
Studenten die kampen met Long COVID klachten vallen op dit moment onder het algemene beleid ten behoeve van studenten met (langdurige) ziektes die de studievoortgang belemmeren. Hoger onderwijsinstellingen bieden maatwerk aan studenten met een ondersteuningsbehoefte. Studenten die kampen met ziekte kunnen bijvoorbeeld financiële ondersteuning bij studievertraging aanvragen bij hun instelling (Profileringsfonds).
Heeft u het idee dat bij bedrijfsartsen en werkgevers duidelijk is wat het belang is van het goed omgaan met long-covid klachten om mensen aan het werk te houden?
Vanwege de uiteenlopende gezondheidsklachten van Long COVID is er nog vaak onduidelijkheid bij werkgevers over hoe om te gaan met werkenden met deze aandoening. Bij bedrijfsartsen neemt de kennis over de behandeling van werkenden met Long COVID steeds meer toe. Nationaal en internationaal wordt veel onderzoek uitgevoerd naar Long COVID op grond waarvan C-Support handreikingen opstelde voor zorgverleners. Voor wat betreft Long COVID toegespitst op werkenden, is in de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer melding gemaakt van lopend onderzoek door Centrum Werk Gezondheid.5 Eind vorig jaar zijn ook de handreikingen «COVID-19 en werk» definitief vormgegeven door Centrum Werk Gezondheid. Het betreffen handreikingen voor werknemers, zelfstandig werkenden, werkgevers en zorgprofessionals gericht op aan het werk kunnen blijven met langdurige coronaklachten. Deze handreikingen zijn gepubliceerd op www.werkcovid19.nl en www.werkenchronischziek.nl. Hieraan hebben ook bijgedragen de werkgroep Chronisch Zieke Werkenden, ervaringsdeskundigen, werkgevers, HR-functionarissen en professionals die de concept handreikingen al kenden of er al gebruik van maakten.
Aan de nieuwe handreikingen wordt breed bekendheid gegeven onder alle betrokkenen, op social media en in de nieuwsflitsen van COVID-19 en werk, Fit for Work en Centrum Werk Gezondheid die eind verleden jaar ook al zijn gepubliceerd. Ook via www.Arboportaal.nl wordt hier verdere bekendheid aan gegeven (https://www.arboportaal.nl/actueel/nieuws/2022/01/11/handreikingen-werken-met-langdurige-coronaklachten).
Welke goede voorbeelden ziet u van werkgevers om om te gaan met long-covid?
In de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer6 wordt verwezen naar een lopend onderzoek door Centrum Werk Gezondheid. Onderdeel van dat onderzoek is het in kaart brengen van factoren die van grote invloed zijn op het proces van werkbehoud en werkhervatting bij langdurige coronaklachten, zowel in belemmerende als bevorderende zin. Daarbij wordt het gehele proces in de vorm van «patient journeys» in kaart gebracht waarin niet alleen het zorgtraject, maar ook de afgelegde weg in het bedrijf, in ogenschouw wordt genomen. Eerste resultaten leveren al een aantal voorbeelden op waardoor werknemers zich gesteund voelen in hun situatie. Bijvoorbeeld door het toewijzen van een «buddy», een collega die het werk tijdelijk kan opvangen als de medewerker het op dat moment niet aan kan; door het aanpassen van het werk aan de mogelijkheden die iemand op een bepaald moment heeft (maatwerk); en door de tijd die een werknemer besteedt aan zorgafspraken, revalidatietraject en reistijd als werktijd te bestempelen of door financieel bij te dragen aan zorg en revalidatie.
Klopt het dat de instroom in de WIA-uitkeringen begin dit jaar veel hoger zijn dan verwacht, en dat het UWV moeite heeft deze instroom te verklaren?3
De WIA instroom is in de eerste acht maanden van 2021 inderdaad gestegen, met 11,4% (na correctie van de extra WIA-voorschotten 7,6%) ten opzichte van de vergelijkbare periode in 2020. Voor een deel is deze stijging te verklaren.
Er zijn aanwijsbare, structurele oorzaken die zorgen voor een toename van de WIA-instroom, te weten de ontwikkeling van het aantal verzekerden voor de WIA door de conjunctuur (toename van het aantal verzekerden) en de verhoging van de pensioenleeftijd naar 66 jaar en 4 maanden in 2019. Beiden werken met een vertraging van twee jaar door in de WIA-instroom en dat effect zien we dus nu. Een andere oorzaak is het structureel stijgende aantal heropende uitkeringen (WIA-uitkeringen die eerder om uiteenlopende redenen beëindigd zijn en die heropend worden als er bijvoorbeeld een terugval is in de gezondheid of als een sanctie wordt beëindigd). Door de toename in het aantal uitkeringen, is er ook een toename in het aantal beëindigingen en daarmee het aantal uitkeringen dat heropend kan worden.
Naast deze structurele oorzaken, is er een effect merkbaar van de coronacrisis op het uitvoeringsproces van UWV. Als gevolg van de coronamaatregelen werden sociaal-medische beoordelingen uitgesteld waarbij face-to-face contact of lichamelijk onderzoek nodig is. Daardoor konden meer WIA-aanvragen niet voor het einde van de wachttijd worden afgerond. De aanvrager krijgt dan een voorschot aangeboden. Zo’n voorschotbetaling wordt geteld als een nieuwe uitkering. Als er dus meer voorschotten zijn, is er ook meer instroom. Verstrekte voorschotten die niet leiden tot een definitieve WIA-uitkering worden niet met terugwerkende kracht uit de instroomcijfers gefilterd. Wel stromen zij ook relatief snel weer uit, waardoor zij maar een zeer beperkte invloed hebben op de hoogte van het lopende bestand. Belangrijk om op te merken is wel dat de verstrekte voorschotten, ook al worden deze niet met terugwerkende gefilterd uit de instroomcijfers, niet worden doorgerekend in de gedifferentieerde premie voor werkgevers.
De structurele oorzaken en de doorwerking van corona in de voorschotten, verklaren de toename in de instroom in 2021 voor ongeveer de helft. Het UWV onderzoekt hoe de overige toename in de instroom verklaard kan worden.
Heeft u een beeld van hoeveel mensen die nu de WIA instromen langdurige klachten hebben als gevolg van long-covid?
Op dit moment zijn nog geen cijfers over de WIA-instroom in verband met Long COVID bekend. Pas na twee jaar ziekte komt men in aanmerking voor een WIA-uitkering, en in maart/april 2022 heerst de pandemie twee jaar. Daarom is pas vanaf maart/april 2022 WIA-instroom te verwachten die uitsluitend het gevolg is van Long COVID. Sinds april 2020 heeft UWV een algemene diagnosecode voor Covid-19 in de registratiesystemen aangebracht. Daarnaast heeft UWV per 1 januari 2022 ook een diagnosecode specifiek voor Long COVID, te gebruiken bij alle komende WIA-claimbeoordelingen.
Wel zien we al langere tijd op kleine schaal instroom met Covid-19 als bijkomende diagnose. Naar schatting stroomden er in 2021 ongeveer 500 mensen de WIA in, (mede) in verband met Covid-19 (zie ook het antwoord op vraag 12). Ook Covid-19 als hoofddiagnose komt voor, het zal dan echter gaan om Covid-19 volgend op een reeds gedane ziekmelding vanwege een andere diagnose.
Met betrekking tot instroom in de Ziektewet op basis van Covid-19 kan gezegd worden dat er in 2021 38.500 ziekmeldingen zijn gedaan. Het betreft de door klant zelf opgegeven ziekteoorzaak, niet een door de verzekeringsarts vastgestelde diagnose. Deze ziekmeldingen zijn inclusief quarantaine wegens een besmetting van naasten. Van deze 38.500 duurt ongeveer 20% langer dan 4 weken, naar de eigen inschatting van de klant. Voor zover deze klanten niet binnen 2 jaar herstellen van Covid-19 zouden zij in de loop van 2023 een WIA-aanvraag kunnen doen.
Bent u bereid om door UWV nader te laten onderzoeken of de hogere instroom door long-covid kan komen?
Op dit moment is niet zeker of het onverklaarde deel van de hogere instroom samenhangt met corona. Het zou kunnen dat er een groep mensen is die vanwege andere oorzaken al langdurig ziek waren en door corona toegenomen arbeidsongeschikt zijn geworden of langduriger arbeidsongeschikt bleven door uitstel van behandelingen, waardoor ze in 2021 een WIA-uitkering aanvroegen. Het is ook denkbaar dat door de beperkende maatregelen als gevolg van corona de re-integratiemogelijkheden van langdurig zieken zijn bemoeilijkt, waardoor meer mensen een WIA-uitkering aanvragen.
UWV onderzoekt de oorzaken en de samenhang met Covid-19. Eerste voorlopige resultaten, op basis van nu beschikbare informatie, lijken uit te wijzen dat de invloed van Covid-19 als ziektebeeld op de instroom in de WIA nog beperkt is. Naar schatting stroomden er in 2021 ongeveer 500 mensen de WIA in, (mede) in verband met Covid-19. Het beeld van de beperkte invloed van Covid-19 kan echter veranderen op het moment dat de instroom van personen die met de diagnosecode specifiek voor Long COVID worden geregistreerd, zichtbaar wordt in de cijfers. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, wordt deze eventuele instroom zichtbaar vanaf maart/april 2022.
UWV streeft ernaar de resultaten van het onderzoek naar de hogere instroom in de WIA in juni 2022 te kunnen opleveren.
Klopt het dat mensen met long-covid op dit moment maximaal voor een jaar paramedische herstelzorg vergoed krijgen?
Het klopt dat mensen maximaal één jaar (tweemaal zes maanden) gebruik kunnen maken van paramedische herstelzorg, mits zij aan de voorwaarden voldoen. Paramedische herstelzorg is tijdelijk (tot 1 augustus 2022) en onder voorwaarden toegelaten tot het basispakket. Paramedische herstelzorg is bedoeld voor de fase van herstel direct volgend op het doormaken van een besmetting met COVID-19. Deze herstelzorg kan bestaan uit fysiotherapie, oefentherapie, ergotherapie, diëtetiek en logopedie. De huisarts of medisch specialist geeft een verwijzing voor paramedische herstelzorg als hij vaststelt dat een patiënt deze zorg nodig heeft. Voor paramedische herstelzorg geldt dat er een periode van maximaal zes maanden mag zitten tussen het einde van het acute infectiestadium van de COVID-19 en het moment van verwijzing. Na verwijzing moet de eerste behandelsessie binnen één maand plaatsvinden. Het is per patiënt verschillend hoeveel zorg er nodig is. Sommige patiënten hebben aan enkele ondersteunende behandelsessies voldoende. Andere patiënten hebben een behandelprogramma van enkele maanden nodig. De maximale periode van behandeling is zes maanden. Een tweede behandeltermijn is alleen aangewezen in het uitzonderlijke geval dat wordt vastgesteld dat er na de eerste behandelperiode van zes maanden sprake is van specifieke lange termijnschade na COVID-19 of als de huisarts of medisch specialist constateert dat er sprake is geweest van een onvolledig of inadequaat behandeltraject gedurende de eerste behandelperiode. De verwijzer (specialist of huisarts) moet bij een verwijzing voor een tweede behandelperiode de verwachting hebben dat de behandeling verder herstel van deze klachten bevordert.
Heeft u al enige onderbouwing over of dit jaar voldoende is om goed te herstellen?
Omdat het nog niet bekend is of en onder welke omstandigheden paramedische zorg effectief is bij herstel volgend op COVID-19, is paramedische herstelzorg tijdelijk en onder voorwaarden toegelaten tot het basispakket. Deze voorwaardelijke toelating gaat gepaard met onderzoek naar de effecten van deze zorg. Een belangrijke voorwaarde om van deze zorg gebruik te kunnen maken, is de bereidheid van patiënten om mee te doen aan onderzoek naar het effect van de herstelzorg. Naar verwachting komen de eerste uitkomsten van dit onderzoek eind 2022 beschikbaar.
Bent u bereid om de vergoeding van de paramedische herstelzorg ook per patiënt te verlengen voor zolang deze nodig is en daarbij te onderzoeken wat het effect van deze zorg is op het herstel?
Ik ben niet voornemens de maximale behandeltermijn van tweemaal zes maanden te verlengen. Het valt niet uit te sluiten dat mensen na een tweede behandeltermijn nog altijd klachten hebben. Dit betekent niet dat deze mensen dan ook nog steeds paramedische zorg nodig hebben. Patiënten krijgen gedurende de eerste twee behandelperiodes handvatten om zelf met de (resterende) klachten om te gaan. Tevens worden er verscheidende onderzoeken gedaan naar effectieve herstelzorg. Op initiatief van de Federatie Medisch specialisten, het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Long Alliantie Nederland en in samenwerking met relevante (para)medische beroepsgroepen en patiëntenorganisaties wordt op dit moment gewerkt aan een multidisciplinaire richtlijn COVID-19 nazorg.
Klopt het dat de nieuwe eerstelijns «Richtlijn voor het behandelen van covid-patiënten» in januari gereed is?
Zoals reeds toegelicht in de beantwoording van het schriftelijk overleg Long COVID op 7 december jl.8 heb ik van ZonMw vernomen dat de publicatie van de multidisciplinaire richtlijn in het voorjaar van 2022 verwacht wordt.
De restitutie van transitievergoeding voor werkgevers |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Klopt het dat een werkgever van een werknemer die voor de 104 weken wordt afgekeurd en met een vaststellingsovereenkomst uit dienst treedt geen recht heeft op de restitutie van de transitievergoeding?
In de regel kan recht op een WIA-uitkering niet eerder ontstaan dan nadat een werknemer 104 weken (de wachttijd) ziek is. Een uitzondering is het recht op een IVA-uitkering dat ook na een verkorte wachttijd kan ontstaan. Als vroegtijdig duidelijk is dat een werknemer volledig en duurzaam (zonder uitzicht op herstel) arbeidsongeschikt is, kan UWV op aanvraag een verkorte wachttijd vaststellen en de werknemer eerder dan na 104 weken arbeidsongeschiktheid voor een IVA-uitkering in aanmerking brengen. Bij de beantwoording van de vragen ga ik er dan ook van uit dat de heer Van Kent hierop doelt.
Ondanks het recht op een vervroegde IVA-uitkering behoudt de werknemer gedurende 104 weken jegens zijn werkgever recht op loondoorbetaling bij ziekte en is gedurende diezelfde periode het opzegverbod tijdens ziekte aan de orde. Uit artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat, om in aanmerking te komen voor compensatie van de transitievergoeding, vereist is dat de arbeidsovereenkomst moet zijn beëindigd nadat de periode van twee jaar ziekte is verstreken. De werkgever komt dan ook niet in aanmerking voor compensatie van de transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst (al dan niet met wederzijds goedvinden) eindigt voordat het opzegverbod en het recht op loon tijdens ziekte is verstreken.
Klopt het dat er al meerdere rechtszaken tegen het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) lopen over het feit dat een verzoek tot restitutie van transitievergoeding door een werkgever in deze situatie door het UWV werd afgewezen?
UWV geeft aan dat er momenteel 12 beroepszaken lopen waarin sprake was van een vervroegde IVA-uitkering en de werkgever na de beslissing is overgegaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. UWV meldt verder dat wat betreft beroepszaken die hieromtrent in het verleden hebben plaatsgevonden UWV in alle gevallen in het gelijk is gesteld.
Bent u het eens dat wanneer een werknemer door afkeuring eerder uit dienst treedt, de werkgever ook recht zou moeten hebben restitutie van de transitievergoeding? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit mogelijk te maken?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Zoals vermeld bij vraag 1 behoudt de werknemer, ondanks het recht op een vervroegde IVA-uitkering, gedurende 104 weken jegens zijn werkgever recht op loondoorbetaling bij ziekte. Wel mag de werkgever hierop de uitkering van de werknemer in mindering brengen. Gedurende diezelfde periode is het opzegverbod tijdens ziekte aan de orde. Op grond van artikel 7:673e BW is een vereiste om in aanmerking te komen voor compensatie dat de arbeidsovereenkomst moet zijn beëindigd nadat de periode van twee jaar ziekte is verstreken. Indien compensatie mogelijk zou zijn voordat het opzegverbod tijdens ziekte is verstreken, werkt dit in de hand dat de werkgever in strijd met dit opzegverbod toch het dienstverband beëindigt. Hierdoor verliest het opzegverbod dan zijn functie: het moet de werknemer bescherming bieden tegen ontslag wegens ziekte en hem vrijwaren van psychische druk die een opzegging tijdens zijn ziekte veroorzaakt.
Mislopen hypotheekrenteaftrek in de bijstand en woonkostentoeslag |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat de hypotheekrenteaftrek door een gemeente als inkomen wordt gezien en zodoende wordt ingehouden op een bijstandsuitkering?
Ja, de (voorlopige) belastingteruggave in verband met hypotheekrenteaftrek moet als inkomen, in de zin van artikel 32 Participatiewet, worden aangemerkt. De bijstand biedt immers een laatste vangnet waarbij rekening wordt gehouden met alle middelen waarover iemand beschikt of redelijkerwijze kan beschikken, tenzij het middelen betreft die op grond van artikel 31, tweede lid, Participatiewet zijn uitgezonderd.
Wat is de reden dat de hypotheekrenteaftrek wel wordt ingehouden op de bijstandsuitkering en de huurtoeslag niet?
De bijstandsuitkering is een vangnet en wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De voorlopige belastingteruggave hypotheekrenteaftrek1 wordt op grond van artikel 32 Participatiewet gezien als inkomen en daarmee als middel in de zin van artikel 31 Participatiewet waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van bijstandsverlening.
De huurtoeslag is op grond van artikel 1 lid 1 onder 2 Wet op de huurtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning. Bovendien worden, op grond van artikel 31, tweede lid, onder d van de Participatiewet, tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend en hoeft daarmee dus geen rekening te worden gehouden bij het berekenen van de bijstand.
Bent u het eens dat het onwenselijk is om mensen uit hun eigen woning, vanwege het mislopen van de hypotheekrenteaftrek, te jagen als zij in de bijstand zitten?
Het is, ongeacht de oorzaak, heel vervelend als iemand in betaalproblemen komt en hierdoor is gedwongen zijn woning te verlaten. Huiseigenaren met betaalproblemen worden daarom door kredietverstrekkers en hypotheekadviseurs opgeroepen om tijdig contact op te nemen. De kredietverstrekker kan in samenspraak met de klant maatwerk oplossingen aanbieden en informeren over de mogelijkheden voor (schuld)hulpverlening, bijvoorbeeld via Geldfit.nl. Welke oplossing het meest passend is hangt af van de (financiële) positie van de klant. Daarnaast hebben mensen recht op (tijdelijke) bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag wanneer er in hun situatie naar het oordeel van het college sprake is van, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, die niet uit de aanwezige middelen kunnen worden voldaan. Ik begrijp uit u vraag dat bovengeschetste ondersteuning geen automatisme is. Ik wil binnen het traject rond verbetering van de Participatiewet kijken waar eventueel aanpassingen noodzakelijk zijn, zodat ook eigenwoningbezitters indien zij over een inkomen op minimum niveau beschikken, toereikende financiële ondersteuning ontvangen.
Bent u het eens dat dit, vanwege de woningnood, er toe kan leiden dat mensen gewoonweg op straat belanden?
Zoals in het vorige antwoord is weergegeven, wordt bij betaalproblemen altijd samen met de klant gezocht naar een passende oplossing en op mogelijkheden voor hulp gewezen. Daarbij zijn de inspanningen van de kredietverstrekkers erop gericht dat klanten in hun huis kunnen blijven wonen. Ik ondersteun op dit moment een experiment met vroegsignalering van hypotheekachterstanden van een aantal hypotheekverstrekkers en gemeenten: de hypotheekverstrekker geeft een signaal aan de gemeentelijke schuldhulpverlening als de hypotheekachterstand minimaal twee maanden bedraagt en andere oplossingen voor de financiële problemen niet hebben gewerkt. In vervolg op het signaal doet de gemeentelijke schuldverlening de inwoner met de betaalachterstand een hulpaanbod.2 In het geval dat de klant geen uitzicht op een verbetering van zijn financiële situatie heeft, kan uiteindelijk verhuizen noodzakelijk zijn om grotere financiële problemen te voorkomen.
Klopt het dat woonkostentoeslag alleen betrekking mag hebben op de hypotheekrente, opstalverzekering, onroerendezaakbelasting (ozb), erfpachtcanon, onderhoudskosten, bijdrage Vereniging van Eigenaren (VvE), rioolrecht en waterschapsbelasting?
De woonkostentoeslag kan betrekking hebben op de in de vraag genoemde kostenposten. De woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand die kan worden toegekend als door onvoorziene omstandigheden de noodzakelijke kosten niet meer kunnen worden betaald. Het is aan de gemeenten om dit per individuele situatie te beoordelen.
Klopt het dat bij de woonkostentoeslag die gemeenten kunnen verstrekken, gemeenten uitgaan van de woonlasten minus de hypotheekrenteaftrek? Zo ja, kan het dan voorkomen dat mensen die hierdoor onder de huurtoeslaggrens, die wordt gehanteerd om de woonlasten te berekenen, komen, waardoor zij vervolgens geen aanspraak kunnen maken, vanwege te lage woonlasten, op de woonkostentoeslag?
Individuele gemeenten hebben de ruimte en bevoegdheid om nader invulling te geven aan de eisen die worden gesteld aan het recht op woonkostentoeslag. Bij de beoordeling van een aanvraag voor woonkostentoeslag kijkt het college naar de draagkracht van de aanvrager en de daadwerkelijke noodzakelijke kosten. Daarbij ligt het voor de hand dat het college kijkt naar alle middelen waarover de betrokkene beschikt en voor dit doel kan inzetten. De belastingteruggave in verband met hypotheekrenteaftrek wordt daarbij meegenomen. Ofwel als inkomen zoals in de antwoorden op vraag 1 en 2 gezegd of wel als verlaging van de woonlasten.
Dit kan er inderdaad toe leiden dat het college vaststelt dat er geen recht op een woonkostentoeslag is omdat er voldoende middelen zijn of de woonkosten laag zijn.
De verstrekking van bijzondere bijstand is en blijft daarbij maatwerk. Als de individuele situatie daarom vraagt, biedt de wet ruimte en ik ga gemeenten ook oproepen om – mede gelet op de situatie op de huidige woningmarkt – van die ruimte gebruik te maken.
Bent u het eens dat deze manier van berekenen leidt tot een catch-22 voor mensen die hoge woonlasten hebben?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de (financiële) gevolgen als eigenwoningbezitters de teruggave belasting en premie, zoals de hypotheekrenteaftrek, kunnen behouden en deze niet wordt ingehouden op hun bijstandsuitkering?
Op dit moment werkt de bijstand zo dat een eventuele hypotheekrenteaftrek op de algemene bijstand in mindering wordt gebracht, waarna betrokkene in aanmerking kan komen voor woonkostentoeslag indien zijn woonkosten dusdanig zijn dat hij deze niet volledig vanuit de bijstand inclusief neveninkomsten kan voldoen. Zou de hypotheekrenteaftrek buiten beschouwing worden gelaten. Dan leidt dit binnen het huidige systeem ertoe dat de woningeigenaar dubbel wordt gecompenseerd.
Een verandering hierin zou een wijziging van de Participatiewet vereisen. Op grond van het huidige artikel 32 jo. artikel 31, tweede lid onderdeel f, Participatiewet is een belastingteruggave, zoals die in verband met hypotheekrenteaftrek, een middel dat gekort moet worden op de bijstandsuitkering. Hiermee wordt uitwerking gegeven aan de bijstand als laatste vangnet, waarbij rekening wordt gehouden met middelen die de aanvrager redelijkerwijs tot zijn beschikking kan hebben.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het nog in te plannen commissiedebat Armoede- en schuldenbeleid?
Ja.
De positie van zorgverleners die als gevolg van long covid lange tijd thuis zitten |
|
Maarten Hijink , Caroline van der Plas (BBB), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat een ambulanceverpleegkundige al twintig maanden thuis zit als gevolg van Long COVID?1
We zijn de zorgverleners die hebben bijgedragen aan de strijd tegen COVID-19 veel dank verschuldigd. Het is heel naar dat zorgverleners die met COVID-patiënten hebben gewerkt, mogelijk als gevolg daarvan nu langdurige klachten hebben en daar schade van ondervinden.
De samenleving – de zorg in het bijzonder – is geconfronteerd met een ziektebeeld waarover nog veel onduidelijkheid bestaat. Dit betreft bijvoorbeeld de behandeling en de duur en impact van eventuele gezondheidsklachten die resteren na een doorgemaakte COVID-besmetting. De Gezondheidsraad duidt deze resterende gezondheidsklachten aan met de medische benaming «post-COVID-syndroom». Met het begrip «syndroom» wordt verwezen naar de nog niet nader geduide verzameling van klachten.
Helaas kan de overheid niet zonder meer mensen compenseren als hen iets vervelends overkomt. Of COVID op het werk is opgelopen is in veel gevallen überhaupt niet vast te stellen. Ons stelsel van sociale zekerheid voorziet in een vangnet bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, ongeacht de oorzaak van die ziekte en/of arbeidsongeschiktheid. Dit stelsel voorziet niet in een speciale behandeling van mensen die na een COVID-besmetting langdurige klachten hebben; dit geldt ook voor mensen met andere chronische aandoeningen die leiden tot ziekteverzuim of arbeidsongeschiktheid.
In het debat van 26 januari jl. hebben de leden Hijink en Van der Plas een motie (Kamerstuk 25 295, nr. 1754) ingediend over zorgverleners die in de eerste coronagolf COVID-19 hebben opgelopen en daardoor langdurig ziek zijn geworden. In reactie op die motie heeft de Minister van VWS aangegeven dat het kabinet reeds verkent of het mogelijk is werkgevers op een uitvoerbare manier te ondersteunen om zorgmedewerkers die in 2020 langdurig ziek zijn geworden, voor de zorg te behouden.2 Dit in vervolg op het advies van de Taskforce Optimale ondersteuning inzet zorgprofessionals om werkgevers die ondersteuning te bieden. In dat kader heb ik gesproken met het Ministerie van SZW, het Ministerie van Financiën, het UWV en DUS-i over de ondersteuning van werkgevers in de vorm van een extra impuls voor herstel en re-integratie, zonder daarbij in de arbeidsrelatie van werkgever en werknemer te treden. Ook heb ik recent gesproken met een aantal zorgverleners met langdurige klachten na een COVID-besmetting. Dat heeft mij meer inzicht gegeven in de situatie waarin zij zich nu bevinden en de impact die dat op hun leven heeft. Met mijn brief van 25 februari 2022 informeerde ik uw Kamer over de tijdelijke ondersteuning die ik zorgwerkgevers bied om de zorgverleners die in de beginfase van de pandemie na een doorgemaakte COVID-besmetting langdurig ziek zijn geworden, voor de zorg te behouden. Werkgevers die met hun werknemer afspreken na het tweede ziektejaar de loondoorbetaling met minimaal een half jaar te verlengen en te blijven werken aan herstel en re-integratie, kunnen de kosten die daarmee gemoeid zijn gedeeltelijk gesubsidieerd krijgen. Deze ondersteuning is bedoeld voor de zorgverleners die in de periode maart tot en met 2020 na een COVID-besmetting langdurige klachten hebben gehouden en richt zich op het behoud van deze zorgverleners voor de zorg.
In de COVID-stand van zaken brief van 14 december jl. heeft mijn ambtsvoorganger geschetst welke vervolgstappen in brede zin ondernomen worden ten aanzien van het vraagstuk van zorgverleners die langdurige klachten ondervinden als gevolg van een coronabesmetting. Hierbij is aangegeven dat op het moment dat de Gezondheidsraad straks een (voorlopige) definitie van Long COVID heeft bepaald, zou worden bezien of deze genoeg handvatten biedt om langdurige klachten na een COVID-besmetting te onderscheiden van andere aandoeningen en (nader) in kaart te brengen met welke vraagstukken de mensen die daarmee kampen, te maken hebben.
Inmiddels is uw Kamer met de brief van 15 februari jl. over het advies van de Gezondheidsraad geïnformeerd. Met de aanduiding van langdurige klachten na COVID als post-COVID-syndroom verwijst de Gezondheidsraad naar «een nog niet nader geduide verzameling van klachten». Daarmee biedt deze definitie geen handvatten om de klachten na een COVID-besmetting van andere aandoeningen te onderscheiden. Onderzoeken, die nu onder andere via ZonMw worden uitgevoerd, moeten aanknopingspunten bieden om het ziektebeeld bij langdurige klachten na een COVID besmetting beter te kunnen afbakenen.
Mogelijk biedt de opbrengst van de uitbreiding van het programma «COVID-19 en werk»3 meer inzicht of en zo ja welke vraagstukken specifiek onder zorgverleners spelen. Als bijvoorbeeld naar voren komt dat zorgverleners met specifieke vraagstukken kampen, dan kijk ik hoe en door wie ondersteuning bij die vraagstukken kan worden geboden. Met een goede ondersteuning van zorgprofessionals bij hun herstel en re-integratie kunnen zij behouden blijven voor de zorg. Pas op het moment dat langdurige klachten na COVID zich goed laten onderscheiden van andere aandoeningen, kan worden overwogen het stelsel van sociale zekerheid of taken van de overheid te herschikken in antwoord op de langdurige klachten die mensen kunnen houden na een COVID-besmetting. Bij zo’n afweging zijn onder meer het gelijkheidsbeginsel en de verantwoordelijkheid van werkgevers voor het bieden van een veilige werkplek, belangrijke aandachtspunten.
Hoeveel zorgverleners, vanuit elke setting, zitten er al langer dan zes maanden deels of volledig thuis na een coronabesmetting?
Er wordt geen registratie bijgehouden van het aantal zorgverleners dat na een coronabesmetting deels of volledig thuiszit. Het RIVM rapporteert wekelijks in het epidemiologisch beeld over het aantal zorgverleners dat met COVID besmet is (geweest). Tot en met 22 februari zijn ruim 273 duizend zorgverleners in de leeftijd van 18 t/m 69 jaar met een positieve testuitslag voor SARS-CoV-2 gemeld.
Wat wordt er momenteel gedaan om deze mensen te ondersteunen?
Voor mensen die door COVID langdurige gezondheidsklachten – ongeacht of de COVID-besmetting met een test is bevestigd – ondervinden, is de ondersteuning beschikbaar:
Hoeveel zorgverleners zijn sinds maart 2020 in de Ziektewet of de Wet Verbetering Poortwachter terechtgekomen? Bij hoeveel daarvan was dat als gevolg van een coronabesmetting? Bij hoeveel daarvan was dat als gevolg van te hoge werkdruk?
De Ziektewetis van toepassing wanneer iemand ziek is en geen werkgever meer heeft, zoals na ontslag, het aflopen van een tijdelijk contract of bij uitzendwerk. Er zijn op dit moment geen gegevens beschikbaar over de branche waarin iemand werkte, direct voorafgaand aan de instroom in de Ziektewet. Derhalve zijn er geen gegevens beschikbaar over de instroom in de Ziektewet vanuit de sector Zorg en Welzijn.
Voor werknemers is vanaf de eerste ziektedag de Wet Verbetering Poortwachter (WvP) van toepassing. CBS heeft gegevens beschikbaar over het ziekteverzuim van werknemers in de zorg4. Dit betreft alle ziekmeldingen van werknemers in de zorg, ongeacht de ziekteduur. Dat betekent dat ook werknemers die slechts één dag ziek zijn geweest, hierin zijn meegenomen. De ziekteverzuimgegevens zijn op jaarbasis beschikbaar; de meest recente gegevens hebben betrekking op 2020. In dat jaar heeft 49% van de werknemers in de sector Zorg en Welzijn één of meer dagen verzuimd wegens ziekte. Als dat aandeel geprojecteerd wordt op het gemiddeld aantal werknemers dat in 2020 in dienst was in de sector, betekent dat dat bijna 620.000 mensen zich in 2020 voor minimaal één dag ziek hebben gemeld.
Zowel voor de Wet Verbetering Poortwachter als de Ziektewet wordt geen registratie bijgehouden over de redenen van ziekteverzuim. Daarom is onbekend in hoeverre ziekte werd veroorzaakt door een coronabesmetting of te hoge werkdruk. Wel is bekend dat bij het RIVM tussen eind februari 2020 en 22 februari 2022 er 273.557 zorgmedewerkers gemeld zijn (in de leeftijd van 18 t/m 69 jaar) met een positieve testuitslag voor SARS-CoV-2. In 2020 zijn er 103.697 zorgmedewerkers met een positieve testuitslag gemeld.5
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat zorgverleners, die zich keihard hebben ingezet om het virus te bestrijden, inkomensverlies lijden als zij zelf ziek worden door corona?
Zie antwoord vraag 1.
Wat wordt er gedaan om langdurig inkomensverlies van deze groep mensen te compenseren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat alle zorgkosten die zorgverleners moeten maken als gevolg van een coronabesmetting op het werk, vergoed dienen te worden? Bent u het ermee eens dat als de zorgkosten worden vergoed, dat dit met terugwerkende kracht moet vanaf maart 2020?
We hebben te maken met een besmettelijk virus. Zoals eerder aangegeven is niet met zekerheid vast te stellen of de COVID-besmetting op het werk is opgelopen. Voor de zorgkosten van zorgverleners die het gevolg zijn van een coronabesmetting geldt net als voor die van andere burgers dat een deel van de kosten op grond van de Zorgverzekeringswet vergoed kan worden, waarbij in de vorm van de regeling paramedische herstelzorg een extra voorziening in het leven is geroepen. Dit laat onverlet dat een werkgever in individuele gevallen kan beslissen zorgkosten voor de zorgverlener te vergoeden.
Welke zorgkosten worden momenteel vergoed voor zorgverleners met Long COVID? Welke niet?
Er is geen specifieke voorziening voor de vergoeding van zorgkosten voor zorgverleners die na een COVID-besmetting met langdurige klachten kampen, met uitzondering van de tijdelijke regeling paramedische herstelzorg. Vanuit het basispakket van de Zorgverzekeringswet kan onder voorwaarden paramedische herstelzorg worden vergoed.
IZZ biedt hun verzekerden de mogelijkheid hun eigen risico terug te krijgen als zij met corona besmet zijn geweest. Inmiddels hebben 1300 zorgmedewerkers die verzekerd zijn bij IZZ hiervan gebruik gemaakt.6
Hoe wordt omgegaan met mensen die wel ziek zijn geworden, maar nooit een officiële besmetting of ziekenhuisopname hebben gehad door de beperkte inzet van testen in de eerste golf? Krijgen zij enige vorm van ondersteuning en compensatie?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe deze mensen beter ondersteund kunnen worden, ook in financieel opzicht?
Zie antwoord vraag 1.
De verplichting door gemeenten tot een alimentatieverzoek als al vaststaat dat dit geen kans van slagen heeft |
|
Renske Leijten , Bart van Kent |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, waarbij de rechter erop wijst dat mensen die op het bestaansminimum leven, en de gehele maatschappij, onnodig op kosten worden gejaagd als er een verplichting tot een alimentatieverzoek bestaat, terwijl al duidelijk is dat dit verzoek geen kans van slagen zal hebben?1
Ja, ik ben bekend met de door u aangehaalde uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2021:10845).
Bent u het met ons eens dat de rechtbank terecht afkeuring en zorgen uitspreekt over een gemeente die ogenschijnlijk «de papieren werkelijkheid van een checklist is gevolgd zonder de werkelijke situatie van de betrokken burgers te beoordelen»? Zo nee, waarom niet?
Ja. De gemeente heeft er hier voor gekozen om aan de bijstand de extra verplichting te verbinden tot het indienen van een alimentatieverzoek. Zo’n extra verplichting kan worden opgelegd indien de verplichting strekt tot vermindering van het beroep op bijstand. Deze bevoegdheid dient met de nodige zorgvuldigheid te worden gebruikt. Uit een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3164) blijkt dat voor een verplichting tot het doen van een alimentatieverzoek geen ruimte is, indien het alimentatieverzoek geen kans van slagen heeft.
Kunt u ingaan op de uitspraak van de bewindvoerder dat in meerdere gemeenten de verplichting van een bij voorbaat kansloos alimentatieverzoek bestaat? In hoeveel gemeenten is dit het geval?
Indien gemeenten aan de bijstand de extra verplichting van een alimentatieverzoek willen verbinden, dienen zij zich van de opportuniteit van zo’n verzoek te vergewissen en de bijstandsgerechtigde met bijzondere bijstand te ondersteunen in de te maken kosten. Ik vind het onwenselijk als – zoals de rechter ook stelt – niet alleen de bijstandsgerechtigde, maar in beginsel de hele maatschappij onnodig op kosten wordt gejaagd.
Hoe vaak de geschetste situatie voorkomt, is mij niet bekend. Kijkend naar de gepubliceerde sociale zekerheidsjurisprudentie, stuit ik slechts op één procedure bij de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3164) aangaande een vanuit de gemeente opgelegde verplichting tot het doen van een alimentatieverzoek.
In hoeverre verhoudt volgens u deze opstelling zich tot uw oproep aan gemeenten: «Samen moeten we er voor zorgen dat de menselijke maat altijd centraal staat.», «Wie hulp zoekt, moet geholpen worden.» en «Laten we dit nooit vergeten: we zijn één overheid, en hebben samen één doel voor ogen. We besturen niet om te besturen, maar om de burger te dienen.»?2
Gelet op de rechterlijke uitspraak in deze casus, past deze niet bij het centraal stellen van de menselijke maat. Zoals vermeld, kunnen gemeenten aan de bijstandsverlening de verplichting verbinden tot het doen van een alimentatieverzoek. Die verplichting is opportuun indien de inschatting bestaat dat de ontstane bijstandsafhankelijkheid mede in het licht van de inkomenspositie van de ex-partner gevolgen heeft voor de alimentatieverplichtingen van deze ex-partner. Het gaat hier niet om een standaard verplichting, maar om een bevoegdheid van de gemeente die zij met de nodige zorg dient te gebruiken. Dat laatste houdt in dat zij zich via de bijstandsgerechtigde ervan dient te vergewissen dat het verzoek enige kans van slagen heeft en dat zij de bijstandsgerechtigde ook met bijzondere bijstand dient te ondersteunen bij eventueel met het verzoek samenhangende kosten. Uitgaande van de rechterlijke uitspraak, is dat hier ten onrechte achterwege gelaten, hetgeen niet past bij het centraal stellen van de menselijke maat.
Bent u bereid in kaart te brengen hoeveel vergelijkbare zaken er zijn gevoerd sinds de invoering van de Participatiewet en wat daarvan de maatschappelijke kosten zijn? Zo nee, waarom niet?
Dit is het eerste signaal dat mij op dit vlak bereikt, wat mij sterkt in het geloof dat gemeenten de gevraagde zorgvuldigheid ook betrachten. Ik vind een brede inventarisatie zoals u voorstelt in dat licht te vergaand en ik acht een dergelijke inventarisatie ook onuitvoerbaar. Er is geen register van afgewezen alimentatieverzoeken, noch zijn alle uitspraken in alimentatieverzoeken gepubliceerd, terwijl anderzijds ook niet elk afgewezen alimentatieverzoek van een bijstandsgerechtigde zonder meer als kansloos gekwalificeerd kan worden.
Zijn er vergelijkbare regelingen waarbij mensen genoodzaakt zijn om bij voorbaat kansloze procedures aan te spannen omdat zij anders gekort worden op uitkeringen of voorzieningen? Bent u bereid dit in kaart te brengen, door bijvoorbeeld in overleg te gaan met de Rechtspraak en gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ik benadruk hier nogmaals dat de wet gemeenten niet verplicht tot het opleggen van de gewraakte verplichting. Het gaat hier om een bevoegdheid, waarbij van de gemeente gevraagd mag worden dat zij een zorgvuldige afweging met betrekking tot de noodzaak van het opleggen van een dusdanige verplichting maakt. Daarbij ligt binnen het duale bestel de controle op die zorgvuldige uitvoering in eerste instantie ook bij de gemeenteraad.
Via zowel het traject naar een Participatiewet vanuit vertrouwen en met oog voor de menselijke maat als het onderzoek naar hardvochtigheden in de sociale zekerheid3 wordt op dit moment onderzoek gedaan naar regelingen die (mogelijk) in de praktijk hard uitpakken. Daartoe reken ik ook een verplichting tot het opstarten van een kansloze procedure. Over de eerste uitkomsten van het traject inzake Participatiewet bent u in juni4 van dit jaar bericht. De uitkomsten van het onderzoek naar hardvochtigheden zullen midden 2022 aan u worden aangeboden.
Bent u bereid om een wettelijke grondslag te creëeren zodat in zaken waar er bij voorbaat al vast te stellen is dat een dergelijk verzoek kansloos is, de proceskosten kunnen worden toegewezen aan gemeenten, zoals de rechtbank hier uiteenzet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk – zo stelt ook de rechtbank vast – om een partij die niet in de procedure betrokken is, in de proceskosten te veroordelen. Wel komen indirect de kosten van het proces bij de gemeente terecht nu de gemeente – omdat ze betrokkene tot het opstarten van de procedure heeft verplicht – gehouden is de hieruit voortvloeiende bijzondere kosten vanuit de bijzondere bijstand (artikel 35 Pw – zie o.m. ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1426) te vergoeden.
Bent u bereid een einde te maken aan dit soort onnodige bureaucratische praktijken, die voor mensen onnodig stressvol en kostbaar zijn, en die de samenleving geld kosten en niets anders opleveren dan wantrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Natuurlijk ben ik bereid dit bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Gemeenten moeten zorgvuldig met de hen gegeven bevoegdheden omgaan en onnodige bureaucratische praktijken moeten zonder meer worden voorkomen. Zoals aangegeven is dit het eerste signaal dat mij in deze bereikt, wat mij sterkt in het geloof dat gemeenten de gevraagde zorgvuldigheid ook betrachten. Desalniettemin zie ik in de door u aangehaalde uitspraak wel aanleiding om gemeenten op hun verplichtingen te wijzen. Ik zal hiertoe in het aanstaande Gemeentenieuws een bericht opnemen.
Het bericht dat verzekeraars jagen op miljarden in het nieuwe pensioenstelsel |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Wat vindt u ervan dat verzekeraars op jacht gaan naar pensioenmiljarden bij ondernemingspensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel?1
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel brengt met zich mee dat het overgrote deel van de pensioenovereenkomsten moet worden aangepast. Dit kan voor werkgevers en werknemers aanleiding zijn om de bestaande uitvoerder te heroverwegen. Voor pensioenfondsen kan het aanleiding vormen om na te denken over hun toekomst en of ze door willen gaan onder de nieuwe regelgeving. Dynamiek in de pensioensector is op zichzelf niets nieuws. Het laatste decennium is het aantal pensioenfondsen als gevolg van liquidaties en fusies fors gedaald van circa 1000 naar circa 200 fondsen. Dit heeft zijn grondslag in het beperken van de kosten en het kunnen blijven voldoen aan de toegenomen eisen die aan professionele pensioenuitvoering worden gesteld. Als het pensioenfonds besluit te gaan liquideren, heeft het pensioenfonds de mogelijkheid om de bestaande verplichtingen over te dragen aan een bedrijfstakpensioenfonds, een algemeen pensioenfonds of een verzekeraar.
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wijzigt niets aan de verantwoordelijkheid van de werkgever om de regeling onder te brengen bij een van de wettelijk toegestane pensioenuitvoerders. De keuze voor een uitvoerder zal afhankelijk zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld op grond van het type contract of kosten. Aan de onderbrenging van een pensioenregeling gaat een zorgvuldig proces vooraf. Bij een proces van onderbrenging van reeds opgebouwde rechten naar een andere pensioenuitvoerder zijn wettelijke eisen van toepassing, waarbij de fondsorganen zoals het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht hebben. Daarnaast dient een waardeoverdracht gemeld te worden bij DNB waarna DNB de waardeoverdracht beoordeelt en eventueel een verbod oplegt als de waardeoverdracht niet in het belang van de deelnemers is. In dit proces wordt nadrukkelijk gekeken naar de impact op deelnemers en evenwichtige belangenafweging voor werkenden en gepensioneerden.2
Hoeveel ondernemingspensioenfondsen verwacht u dat overgenomen gaan worden door verzekeraars in het nieuwe stelsel?
Aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder gaat, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, een zorgvuldig proces vooraf. Dat is in het huidige pensioenstelsel het geval en zal ook in het nieuwe pensioenstelsel het geval zijn. Het is vooraf niet volledig in te schatten welke keuzes partijen hierin zullen maken. Uit een recente uitvraag van DNB onder pensioenfondsen, blijkt dat circa 20 procent van alle pensioenfondsen verwacht te liquideren.3 Vrijwel al deze fondsen hebben een beheerd vermogen van minder dan 1 miljard euro. Het is daarbij niet bekend wat de verwachting is voor wat betreft het type uitvoerder waarnaar bestaande pensioenaanspraken worden overgedragen.
Acht u het wenselijk dat ondernemingspensioenfondsen overgaan in verzekeraars?
De keuze voor een bepaalde pensioenuitvoerder hangt af van vele factoren. Zoals hierboven beschreven biedt de wetgeving ruimte voor verschillende soorten pensioenuitvoerders. Nadat betrokken partijen een keuze hebben gemaakt voor de nieuwe pensioenregeling kan een uitvoerder worden gezocht die daar het beste bij past. Het kan zijn dat betrokken partijen van mening zijn dat een verzekeraar deze pensioenovereenkomst het beste kan uitvoeren, bijvoorbeeld vanwege het type contract of de kosten. Hetzelfde geldt bij keuze van een sociale partners en het pensioenfonds om reeds bestaande verplichtingen onder te brengen bij een andere uitvoerder. Het is niet aan mij als Minister om daar een oordeel over te hebben.
Welke effecten zal de overname van ondernemingspensioenfondsen hebben op de pensioenen van werkenden en gepensioneerden? Welke kosten kunnen hierdoor optreden voor de pensioenen van werkenden en gepensioneerden? Welke effecten zal dit hebben op de solidariteit in het stelsel? Kunt u deze vragen uitwerken voor verschillende scenario’s en verschillende hoeveelheden overnames?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 gaat aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder een zorgvuldig proces vooraf, waarbij DNB een waardeoverdracht kan verbieden als deze niet in het belang van de deelnemers is.
Op dit moment is geen inschatting te maken van het aantal pensioenovereen-komsten dat op dit moment bij een ondernemingspensioenfonds is ondergebracht en in het nieuwe stelsel bij een verzekeraar zal worden ondergebracht. Daarbij is het ook nog de vraag voor welke pensioenovereenkomst in dat scenario wordt gekozen. Zoals hierboven aangegeven is dat de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen, die daarbij ook het kostenaspect in ogenschouw zullen nemen.
Welke effecten zijn er op de zeggenschap van gepensioneerden en werkenden over hun pensioengeld en het beleggingsbeleid wanneer hun pensioengeld in een pensioenfonds overgenomen wordt door een verzekeraar?
Bij een pensioenfonds zijn vertegenwoordigers van belanghebbenden vertegenwoordigd in het bestuur en in de fondsorganen. Iedere pensioenfondsbestuurder, dus ongeacht of deze bestuurder een onafhankelijk bestuurder is of een zetel bekleedt namens de werknemer, werkgever of gepensioneerde heeft de bestuurstaak om de belangen evenwichtig af te wegen.4 Bij pensioenfondsen wordt ook specifiek de risicohouding en daaruit volgend het beleggingsbeleid vastgesteld na overleg met de pensioenfondsorganen.
In het algemeen gelden bij verzekeraars andere regels met betrekking tot de medezeggenschap. Een werkgever die zijn pensioenregeling onderbrengt bij een verzekeraar sluit daartoe een contract met die verzekeraar, waarin zo nauwkeurig mogelijk beschreven staat tot welke prestaties de verzekeraar verplicht is en welke premie de werkgever daarvoor betaalt. Verzekeraars zijn geen beslisbevoegden, in tegenstelling tot pensioenfondsen, en hebben geen ruimte om inhoudelijke beslissingen te maken over de invulling van de pensioenregeling. Het is de werkgever die, in samenspraak met de ondernemingsraad, de beslissingen neemt over de invulling van de regeling. De ondernemingsraad komt op grond van de Wet op de Ondernemingsraden een instemmingsbevoegdheid toe over ieder besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van pensioenregelingen.
Verzekeraars hebben de verplichting om te zorgen dat het product dat zij aanbieden is afgestemd op de doelgroep. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld het beleggingsbeleid. De AFM gaat in het rapport «Sectorbeeld Pensioenen 2021» in op keuzevrijheid van deelnemers in het beleggingsbeleid specifiek bij premieregelingen.5 De meeste deelnemers bij verzekeraars (85%) kunnen gebruik maken van beleggingsvrijheid, te weten door middel van door de pensioenaanbieder gedefinieerde beleggingsverhoudingen (profielbeleggen) en/of door zelf de beleggingen te kiezen (opt-out beleggen). Daarnaast komt uit het rapport naar voren dat de meeste deelnemers bij verzekeraars zeggenschap hebben over de ingangsdatum van het pensioen, over de variatie in uitkeringshoogte en ook uitruilmogelijkheden hebben tussen verschillende typen pensioen.
Welke mate van extra winst, procentueel en in absolute cijfers, verwacht u dat verzekeraars gaan maken als resultaat van de overgang naar het onwenselijke nieuwe pensioenstelsel? Kunt u een overzicht geven van hun huidige omzet, deelnemersaantal en winsten?
In 2019 bouwden er circa 820 duizend deelnemers actief pensioen op bij een verzekeraar en circa 480 duizend bij een premiepensioeninstelling. De premie-inleg in dat jaar bedroeg bij verzekeraars € 4,8 miljard en bij premiepensioeninstellingen € 1,8 miljard. Het aantal deelnemers en de totale premie-inleg bij pensioenfondsen is aanzienlijk groter (5,9 miljoen actieve deelnemers en € 35,4 miljard premie-inleg).6 Een openbaar totaaloverzicht van de winsten die verzekeraars maken op pensioenuitvoering is mij niet bekend. Op voorhand is geen inschatting te maken van mogelijke verschuivingen in het marktaandeel tussen verschillende pensioenuitvoerders.
Welke mate van extra winst, procentueel en in absolute cijfers, verwacht u dat pensioenadviseurs gaan maken als resultaat van de overgang naar het complexe nieuwe pensioenstelsel? Kunt u een overzicht geven van hun huidige omzet, winsten en hoeveelheid pensioenfondsen en pensioenuitvoerders die adviesverzoeken doen?
Het is niet mogelijk om een overzicht van de gevraagde informatie te geven, omdat deze informatie niet beschikbaar is. Om die reden is het eveneens niet mogelijk om een inschatting te maken van de (eventuele) extra winst die pensioenadviseurs gaan maken als gevolg van de overgang naar een nieuw pensioenstelsel. Wel zal in het wetsvoorstel een inschatting worden gegeven van de regeldrukeffecten en uitvoeringskosten van de stelselherziening voor werkgevers, burgers en pensioenuitvoerders.
Klopt het dat er schijnbaar maar één commerciële aanbieder is die alle pensioen gerelateerde diensten binnen de eigen organisatie kan aanbieden te weten «Defined Benefit (db-) en Defined Contribution (dc)-regeling, een Premie Pensioen Instelling (PP) en een uitvoerder»? Hoe is dit zo gekomen? Acht u het wenselijk dat één private organisatie een dusdanig dominante positie inneemt?
Eind 2019 waren er in Nederland in totaal 206 pensioenaanbieders actief, waaronder dertien verzekeraars en zeven premiepensioeninstellingen.7 Deze aanbieders concurreren met elkaar bij het aanbieden van tweedepijlerpensioen. Verzekeraars bepalen – binnen de wettelijke kaders – zelf welke diensten en producten zij aanbieden. Zij bepalen ook zelf hoe ze zich organiseren. Een aantal verzekeraars, premiepensioeninstellingen en algemeen pensioenfondsen is onderdeel van een groep. Hierbinnen worden de verschillende typen producten aangeboden, via de dochterondernemingen, te weten een premiepensioeninstelling, levensverzekeraar of een algemeen pensioenfonds. Zij bepalen ook zelf of ze diensten, zoals vermogensbeheer en pensioenadministratie, uitbesteden of zelf uitvoeren.
Gegeven de verscheidenheid van commerciële aanbieders is het dan ook niet zo dat als één verzekeraar alle pensioengerelateerde diensten aanbiedt, deze aanbieder daarmee ook op voorhand een dominante positie inneemt. Het kabinet heeft op dit moment geen signalen dat er sprake zou zijn van een dominante positie van één pensioenuitvoerder. De ACM houdt hierop toezicht vanuit mededingingsperspectief.
Wat gaat u doen om de pensioenen van werkenden en gepensioneerden te beschermen voor een overnamecircus waar enkele spelers dominant worden en grote private winsten behalen, maar pensioenbelangen in het gedrang kunnen komen?
Aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder gaat een zorgvuldig proces vooraf. Bij een proces van onderbrenging van opgebouwde rechten naar een andere pensioenuitvoerder zijn wettelijke eisen van toepassing, zoals de eis dat sprake moet zijn van actuariële en collectieve gelijkwaardigheid, waarbij de fondsorganen zoals het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht hebben op de waardeoverdracht. Daarnaast heeft de toezichthouder DNB de mogelijkheid om de waardeoverdracht te verbieden, indien niet is voldaan aan de wettelijke waarborgen. In dit proces wordt dus nadrukkelijk gekeken naar de impact op deelnemers en evenwichtige belangenafweging voor werkenden en gepensioneerden.8 Ook zijn alle pensioenuitvoerders gebonden aan wetgeving en vallen zij onder het toezicht van DNB. Dat is in het huidige pensioenstelsel het geval en zal ook in het nieuwe pensioenstelsel het geval zijn. Ik heb dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat door een mogelijke verandering van uitvoerder de pensioenbelangen in het gedrang kunnen komen.
Deelt u de mening dat voor zoiets onmisbaars als pensioen ook een publiek alternatief dat het algemeen belang van werkenden en gepensioneerden dient, moet bestaan tegenover de winstbeluste private aanbieders, zeker wanneer de zogenaamde marktwerking zo verstoord is door overnames, enkele aanbieders die dominant zijn en de wettelijke regelingen en verplichtingen rondom pensioen?
Ik ben van mening dat op de huidige pensioenmarkt veel pensioenuitvoerders actief zijn. Daarnaast biedt de wetgeving waaraan deze pensioenuitvoerders moeten voldoen werkenden en gepensioneerden zekerheid en bescherming. Een publiek alternatief is dus niet nodig.
In welke mate hebben de verzekeraars of hun vertegenwoordigers bij u of uw ambtenaren gelobbyd of invloed uitgeoefend om tot deze overgang naar een nieuwe stelsel te komen? Welke rol hebben zij gespeeld in de totstandkoming van het Pensioenakkoord?
Zoals ook vermeld in de Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord, die in juni 2020 aan uw Kamer is aangeboden, is het Verbond van Verzekeraars, evenals de Pensioenfederatie en de beide toezichthouders DNB en AFM, als adviseur betrokken geweest bij de stuurgroep uitwerking pensioenakkoord. Daarnaast heeft het Verbond (evenals de Pensioenfederatie) tijdens de internetconsultatie inbreng geleverd. Van deze mogelijkheid hebben ook verschillende individuele verzekeraars en pensioenfondsen gebruik gemaakt. Deze inbreng is terug te vinden op https://internetconsultatie.nl/wettoekomstpensioenen. In totaal zijn 484 reacties openbaar. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt verantwoording afgelegd over hoe is omgegaan met alle consultatie-inbreng.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat in beginsel elk wetsvoorstel op het terrein van pensioenwetgeving gedurende het wetgevingstraject wordt besproken met de beide uitvoeringsorganisaties (Pensioenfederatie en Verbond van verzekeraars) om te bezien welke uitvoeringsaspecten van belang zijn. Uiteraard is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om de uitvoeringsaspecten te wegen in verhouding tot de beleidsmatige wensen. Ook leveren de uitvoerders vaak een formele inbreng in tijdens de internetconsultatie. Dit is per wetsvoorstel terug te vinden op de website internetconsultatie.nl.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen van verzekeraars of hun vertegenwoordigers die verwerkt zijn in het Pensioenakkoord en in de Wet toekomst pensioenen die recentelijk naar de Raad van State is verzonden?
Het wetsvoorstel toekomst pensioenen is een uitwerking van het tussen kabinet en sociale partners gesloten Pensioenakkoord en wordt openbaar op het moment dat het voor indiening naar Uw Kamer wordt gestuurd. Zoals hierboven is opgemerkt wordt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verantwoording afgelegd over hoe is omgegaan met de inbreng die is ontvangen in de consultatiefase.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen van pensioenadviseurs of hun vertegenwoordigers die verwerkt zijn in het Pensioenakkoord en in de Wet toekomst pensioenen die recentelijk naar de Raad van State is verzonden?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een overzicht van alle ontmoetingen, formeel en informeel, die de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben gehad met verzekeraars of hun vertegenwoordigers sinds 2007 toesturen met daarbij graag een overzicht van de besproken zaken, met specifiek uitgelicht wanneer de positie of belangen van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel is besproken?
Op basis van de beschikbare informatie is in de onderstaande gesprekken tussen afgevaardigden van de verzekeringssector en de bewindspersonen van Financiën en SZW de positie van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel aan de orde gekomen. Hierbij is gekeken naar de agenda’s van de bewindspersonen in de kabinetten Rutte II en Rutte III, omdat de huidige stelselherziening zijn oorsprong vindt in de keuzes die onder Rutte II zijn gemaakt (met onder meer de Pensioendialoog in 2015 en de Perspectiefnota in 2016). Per gesprek is voor zover bekend het gespreksonderwerp weergegeven. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in een deel van deze gesprekken een breed palet aan onderwerpen besproken is, waarbij de rol van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel daar een van was.
Kunnen we ditzelfde overzicht ontvangen voor de Minister en Staatssecretaris van Financiën voor alle gevallen sinds 2007 waar zij pensioen of daar aan gerelateerde onderwerpen hebben besproken met verzekeraars of hun vertegenwoordigers?
Zie antwoord vraag 14.