De berichtgeving op 9 januari 2012 over de beperking van de hypotheekruimte voor tweeverdieners |
|
Jacques Monasch (PvdA), Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Herkent u het patroon bij de grote hypotheekverstrekkers in Nederland om het maximum leenbedrag voor hypotheken voor tweeverdieners met maximaal 40 000 bruto inkomen niet te verruimen, wat in tegenspraak is met de door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) voorgestelde leennorm van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?1
Ja, dit patroon herken ik, een aantal kredietverstrekkers heeft richting de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aangegeven dat de AFM zal worden gevolgd.
Klopt het dat de Autoriteit Financiele Markten (AFM) boetes oplegt als hypotheekverstrekkers de verruimde Nibudnorm hanteren? Vindt u dit in lijn met het kabinetsbeleid? Zo ja, kunt u dan toelichten waarom het kabinet deze lijn volgt? Zo nee, kunt u dan toelichten waarom het kabinet een andere opvatting heeft dan de AFM?
De AFM heeft aangegeven dat de kredietverstrekkers er niet op voorhand vanuit kunnen gaan dat een verruiming van de leencapaciteit voor consumenten met een modaal tot anderhalf keer modaal inkomen door de AFM als verantwoorde kredietverlening wordt gezien. De AFM ziet overigens nog wel ruimte om in uitzonderingsgevallen meer hypotheek te verstrekken (zie ook het antwoord op vraag 4 en 6 van het lid Blanksma). Dit betekent dat niet op voorhand gezegd kan worden dat er boetes worden uitgedeeld.
Kunt u aangeven wat u wel kan betekenen voor de grote groep huishoudens met een inkomen tot € 40 000 die nu niet in staat is een behoorlijke woning te kopen en vanwege hun modale salaris niet in aanmerking komen voor sociale huur en daarmee dus aangewezen zijn op de dure vrije huursector?
Ik ben het niet met u eens dat de groep huishoudens met een inkomen tot € 40 000 niet in staat zou zijn een behoorlijke woning te kopen enkel en alleen door de zienswijze van de AFM. De leencapaciteit werd jarenlang al zo bepaald zoals de AFM nu in stand wil houden, namelijk door het financieringslastpercentage van het hoogste inkomen van de tweeverdieners toe te passen op het verzamelinkomen van de beide inkomens. In algemene zin kan worden gesteld dat er dit jaar bij hetzelfde inkomen en rentestand minder geleend kan worden dan in 2011. Hoe dit uiteindelijk zal uitpakken voor specifieke huishoudens hangt af van de individuele situatie.Uiteraard is huren ook een optie voor deze inkomensgroepen. Daarbij zijn zij niet alleen aangewezen op woningen in de (dure) vrije huursector. Woningcorporaties kunnen tot 10% van hun vrijgekomen woningen met een huur tot € 664,66 toewijzen aan inkomens boven de € 34 085,–. Daarnaast kunnen deze inkomensgroepen een woning in de particuliere huursector woning huren, waarbij de huurprijs lager ligt dan de liberalisatiegrens.
De reactie van de AFM op de vernieuwde hypothecaire gedragsregels |
|
den Blanksma-van Heuvel |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Verruiming leencapaciteit voor tweeverdieners niet altijd verantwoord»?1
Ja.
Waarom is de Autoriteit Financiële Markten (AFM) van mening dat de verruiming van de leencapaciteit voor tweeverdieners onwenselijk is, in tegenstelling tot de afspraken die hierover zijn gemaakt in de Gedragscode Hypothecaire Financieringen die juist per 1 januari 2012 is ingegaan?
De AFM heeft aangegeven dat met de systematiek waaronder de maximale leencapaciteit wordt berekend, zoals vastgelegd in de aangescherpte Gedragscode Hypothecaire Financieringen, verantwoord krediet kan worden verstrekt. Bij de recent aangepaste berekeningswijze van het Nibud, die de AFM beschouwt als een aanpassing van de systematiek, geldt naar het oordeel van de AFM dat in het bijzonder voor tweeverdieners met een totaal inkomen tussen € 30 000 en € 40 000 niet op voorhand kan worden aangegeven dat de verruiming van de leencapaciteit als verantwoorde kredietverstrekking wordt gezien.
De AFM geeft aan dat tweeverdieners met een inkomen tussen ongeveer € 30 000 en € 40 000 al een kleinere buffer hebben dan andere inkomensgroepen, in het bijzonder wanneer het een gezin met kinderen betreft. De AFM stelt dat als de verruiming wordt doorgevoerd deze buffer afneemt. In het licht van de huidige economische omstandigheden is de AFM van oordeel dat een dergelijke verruiming van de financieringsruimte van gezinnen niet op voorhand als verantwoorde kredietverlening kan worden gezien.
Op welke feiten is deze koerswijziging van de AFM gebaseerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw mening over deze koerswijziging van de AFM?
In de Wet op het financieel toezicht (Wft) is thans een open norm voor verantwoorde kredietverstrekking geformuleerd. Daarnaast is in lagere regelgeving vastgelegd dat de sector deze open norm invult middels zelfregulering (in de huidige praktijk is dat de Gedragscode Hypothecaire Financieringen, de GHF). Door de Minister van Financiën en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangegeven dat zij zowel de GHF als de regels voor de NHG zien als een invulling van de open norm voor verantwoorde kredietverstrekking. De AFM ziet vanuit haar toezichthoudende rol toe op de naleving van de open norm. Daarbij heeft de AFM een eigen verantwoordelijkheid. Deze constructie kan leiden tot onduidelijkheid, zoals thans is gebeurd middels de brief die de AFM heeft verstuurd over de Nibud normen. Deze onduidelijkheid is ongewenst. Ik zal maatregelen treffen om dit in de toekomst te voorkomen. Hiertoe zal ik het proces rondom het opstellen van en de goedkeuring van de leennormen van het Nibud anders vormgeven, in nauwe samenwerking met mijn collega van BZK. Hierbij vind ik het van belang dat de visie van de AFM en DNB structureel wordt meegenomen. Indien nodig zal ik wettelijke maatregelen treffen, waarbij ik dan ook zal bezien of het nodig is om andere elementen die betrekking hebben op het tegengaan van overkreditering vast te leggen.
Wat is het effect voor de groep van tweeverdieners die één tot anderhalf keer modaal verdienen?
Er is geen sprake van een verandering in de leensystematiek. De leencapaciteit van een consument wordt al jarenlang bepaald door het financieringslastpercentage (het percentage van het inkomen dat gebruikt mag worden voor woonlasten) van het hoogste inkomen van de tweeverdieners toe te passen op het verzamelinkomen van de beide inkomens.
In algemene zin kan worden gesteld dat tweeverdieners wat minder kunnen lenen dan in 2011. Er is sprake van een verkrapping, die is ingeprijsd in de normen door het Nibud, vanwege de toenemende overige uitgaven voor levensonderhoud. Hiertegenover staat wel dat een hypotheek ook afhankelijk is van de individuele situatie van de huishoudens, de hypotheek(vorm) en de hoogte van de rente. Verder kan er meer worden geleend dan de norm voorschrijft, dit kan door gebruik te maken van één van de, in de Gedragscode Hypothecaire Financieringen opgenomen, uitzonderingsmogelijkheden.
Wat is het effect voor starters op de huizenmarkt? In hoeverre komen zij nog wel in aanmerking voor een huis?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt deze koerswijziging van de AFM – die volgens het bericht op de website is afgestemd met de Nederlandsche Bank (DNB) – zich tot de oproep van DNB enige dagen daarvoor dat starters zich juist op de huizenmarkt zouden moeten begeven omdat de huizen nu beter betaalbaar zijn?2
Het artikel van DNB heeft betrekking op de prijzen op de huizenmarkt. Prijsdalingen verlagen de financieringslasten van een woningaankoop en bieden kansen voor starters. Dit laat onverlet dat diezelfde starters een verantwoorde hypotheek geadviseerd moeten krijgen.
Het functioneren van de MIFID-richtlijn inzake concurrentie tussen beurzen |
|
|
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Bent u bekend met de richtlijn Markets in Financial Instruments Directive (MIFID)?1
Ja.
Wat is uw mening over het functioneren van de hieruit voortvloeiende best execution verplichting? Klopt het dat de meeste banken in Nederland gebruik maken van een verouderd uitvoeringsbeleid en de orders zonder prijsvergelijking direct naar Euronext sturen?
Uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) in 2011 volgt dat beleggingsondernemingen voldoen aan de wettelijke verplichtingen omtrent best execution. Daarbij is derhalve niet geconstateerd dat banken een verouderd uitvoeringsbeleid hebben en/of orders direct, zonder prijsvergelijking, doorsturen naar Euronext.
Hoewel de huidige best execution verplichtingen adequaat worden nageleefd, neemt dit niet weg dat er in mijn ogen nog ruimte is voor verbetering van de best execution regelgeving. De AFM deelt deze observatie. Daarom zet ik tijdens de huidige herziening van de Mifid-Richtlijn in op de mogelijkheid voor de belegger om, op diens initiatief, bij een beleggingsonderneming details op te vragen over de uitvoering van zijn geplaatste order. Dit stelt de belegger beter in staat om te controleren of de order is uitgevoerd conform het best execution beleid van de beleggingsonderneming.
Wat doet de Autoriteit Financiële Markten (AFM) om ervoor te zorgen dat het best execution beleid ook daadwerkelijk wordt nageleefd? Bent u van plan om stappen te ondernemen om de effectiviteit van dit best execution beleid te vergroten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De huidige wettelijke verplichtingen met betrekking tot best execution houden kort gezegd in dat een beleggingsonderneming een orderuitvoerbeleid moet hebben vastgelegd en dat minimaal jaarlijks, of bij een significante verandering in de markt, een evaluatie van dit beleid moet plaatsvinden. Primair verantwoordelijke hiervoor is de beleggingsonderneming zelf. De AFM heeft als taak om te controleren of deze activiteiten inderdaad plaatsvinden en op welke wijze dit is geborgd binnen de onderneming. Zoals ik hiervoor kort heb aangestipt heeft de AFM, naast het reguliere doorlopend toezicht op beleggingsondernemingen, nog recentelijk specifiek onderzoek gedaan naar de naleving van de best execution eisen door beleggingsondernemingen.
Ten aanzien van de stappen die ik ga nemen om de effectiviteit van het best execution beleid te vergroten, verwijs ik u naar mijn antwoord op voorgaande vraag.
Een van de doelstellingen van MIFID betrof het bevorderen van concurrentie tussen de beurzen; in hoeverre is er volgens u concurrentie ontstaan onder de beurzen? Hoeveel van de omzet is er inmiddels verschoven van Euronext naar nieuwe beurzen?
De inwerkingtreding van de Mifid-Richtlijn in 2007 heeft het ontstaan van nieuwe handelsplatformen mogelijk gemaakt. Dit heeft in een relatief korte tijd gezorgd voor een felle concurrentiestrijd tussen verschillende handelsplatformen. Voorbeelden van nieuwe handelsplatformen zijn de MTF’s Chi-X en Bats. Na de recente overname van Chi-X door Bats is zelfs het grootste Europese handelsplatform van dit moment ontstaan, met een pan-Europees marktaandeel van 24 procent. Uit de openbare data van zowel dataprovider Fidessa (http://fragmentation.fidessa.com/europe/) als de MTF Chi-X/Bats (http://www.batstrading.co.uk/market_data/market_share/index/) kan worden afgeleid dat 40% van de handel van Euronext Amsterdam, wat betreft de aandelen in de AEX-index, is verschoven naar nieuwe handelsplatformen.
In hoeverre is er sprake van een beperking van concurrentie tussen optiebeurzen in de huidige structuur van de markt, de zogenaamde silo?
In de huidige marktstructuur is er sprake van beperking van de concurrentie doordat beleggers bij handel via een handelsplatform niet vrij kunnen kiezen welke clearinginstelling zij hiervoor gebruiken. Dit geldt zowel voor het silomodel waarbij het handelsplatform en de daaraan verbonden clearinginstelling door dezelfde onderneming worden geëxploiteerd als voor de situatie dat het handelsplatform en de daaraan verbonden clearinginstelling door verschillende ondernemingen worden geëxploiteerd. Vrij gebruik van een clearinginstelling zou meer concurrentie mogelijk maken. Ik ben daarom voorstander van het openstellen van de clearingmarkt zoals de Europese Commissie in de artikelen 28 en 29 van de ontwerpverordening MIFIR2 voorstelt.
Welke rol laat u deze concurrentieaspecten spelen bij het afgeven van een eventuele verklaring van geen bezwaar voor nieuwe beurzen?
De beoordeling van concurrentieaspecten valt niet binnen mijn mandaat. De Nederlandse Medingingsautoriteit en, in geval van een grensoverschrijdende activiteiten, de Europese Commissie zijn belast met het toezicht op mededingingsregels. Het is mijn taak de financiële toezichtaspecten te beoordelen bij het al dan niet verlenen van een vergunning voor een exploitant van een gereglementeerde markt, of van een verklaring van geen bezwaar bij een gekwalificeerde deelneming in een exploitant van een gereglementeerde markt.
In hoeverre zijn er aanvullende voorwaarden gesteld bij de verkoop van Euronext aan de NYSE in 2007? In hoeverre is/wordt daarbij rekening gehouden met de genoemde concurrentieaspecten?
Bij de fusie tussen NYSE en Euronext in 2007 zijn verschillende voorwaarden verbonden aan de verklaring van geen bezwaar van NYSE Euronext. Deze voorwaarden hebben gelet op de onder vraag 6 genoemde bevoegdheidsverdeling geen betrekking op concurrentieaspecten, maar op het waarborgen van adequaat toezicht op en het goed functioneren van de handelsplatformen van Euronext Amsterdam.
Hoe kijkt u aan tegen de strekking van een artikel dat de Amsterdamse Optiebeurs wisselgeld is in de slag om de goedkeuring van Brussel voor de beurzenfusie?2
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving in de media omtrent het afstoten van de handel in aandelenopties via Euronext Amsterdam, teneinde goedkeuring te krijgen van de Europese Commissie voor fusie tussen NYSE Euronext en Deutsche Börse.
Ik ben van mening dat het afstoten van de aandelenopties van Euronext Amsterdam risico’s met zich meebrengt voor het functioneren van de kapitaalmarkten en de positie van beleggers in Nederland. Deze risico’s hebben betrekking op het continueren van de liquiditeit op de handelsplatformen, het bemoeilijken van de toegang van beleggers tot de kapitaalmarkten en operationele risico’s. In het bijzonder is van belang dat in Nederland, in vergelijking tot andere landen, relatief veel retailbeleggers actief zijn op de optiemarkt, voor wie goede toegang tot de markt behouden moet blijven.
Het is aannemelijk dat het opsplitsen van de optiemarkt, of het gescheiden verhandelen van aandelenopties en hun onderliggende aandelen door verschillende marktexploitanten leidt tot verslechtering van de liquiditeit op één of beide gesplitste handelsplatformen. Onduidelijk is of een toekomstige marktexploitant ervoor kan zorgen dat de kwaliteit en liquiditeit op het handelsplatform gelijkwaardig is aan het huidige niveau van de optiemarkt van Euronext Amsterdam dat zich kenmerkt door een relatief diepe orderportefeuille, mede door contracten met «market makers» voor alle afzonderlijke aandelenopties. De grote liquiditeit is in het belang van beleggers omdat die zorgt voor lagere spreads en een betere prijsvorming.
Daarnaast kan scheiding van de optiemarkt van de onderliggende aandelenhandel er toe leiden dat beleggers gedwongen worden op meerdere handelsplatformen te handelen voor de optie respectievelijk het onderliggende aandeel. Dit kan leiden tot hogere kosten als gevolg van de dubbele margins (onderpand voor het afdekken van risico’s voor openstaande posities) die door verschillende clearinginstellingen in rekening worden gebracht.
Voorts moet rekening worden gehouden met operationele risico’s die samenhangen met een transfer van de betreffende openstaande aandelenopties.
Verstrekkers van flitskredieten die de regels ontduiken |
|
Sadet Karabulut |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Geen leenrente, maar intussen...» waarin staat dat de aanbieders van flitskredieten op slinkse wijze onder de wetswijziging van de Wet op het financieel toezicht (Wft) uitkomen door geen rente of administratiekosten te vragen, maar na zeven dagen al bijzonder hoge vorderingskosten via een incassobureau te vragen?1
Flitskredieten zijn kredieten met een korte looptijd (minder dan drie maanden) die vaak via internet worden aangeboden. Sinds 25 mei jl. vallen ook de aanbieders van dergelijke kredieten onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Dat betekent ten eerste dat flitskredietaanbieders een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) moeten hebben. Onder druk van de AFM heeft inmiddels een aantal aanbieders haar activiteiten gestaakt. Een beperkt aantal flitskredietaanbieders is nog in gesprek met de AFM over een eventuele vergunningaanvraag. De AFM beschikt over een breed instrumentarium om op te treden tegen aanbieders die in strijd handelen met de vergunningplicht. Zo kan de AFM boetes opleggen en instellingen door middel van een last onder dwangsom dwingen hun activiteiten te staken.
Daarbij heeft de AFM consumenten gewaarschuwd om geen flitskredieten af te sluiten bij aanbieders zonder vergunning.5 Of een flitskredietaanbieder een vergunning heeft, is in het register op de website van de AFM vindbaar. Alleen voor kredieten met een looptijd korter dan drie maanden, waarbij niet meer dan onbetekenende kosten worden berekend, kent de Wft een uitzondering.
In genoemd artikel van de Volkskrant worden verschillende flitskredietaanbieders aangehaald die hun flitskredieten zo hebben vormgegeven dat er naar hun mening geen sprake is van kosten of in ieder geval slechts van onbetekenende kosten. Ik deel die mening niet. Kosten voor het krediet zijn niet alleen rente en administratiekosten maar alle kosten die een klant maakt met welke naam dan ook, dus ook bijvoorbeeld kosten voor (versnelde) afhandeling, latere terugbetaling of verplichte borgstelling. De AFM past de definitie van krediet ook op deze wijze toe en neemt actief contact op met flitskredietaanbieders die nog geen vergunningaanvraag hebben ingediend. Aangezien de vergunningplicht voor dergelijke kortlopende kredieten is geïntroduceerd per 25 mei jl., is het mogelijk dat er door de AFM nog gesproken wordt over de vergunningplicht met aanbieders. Over de aard van de contacten met specifieke flitskredietaanbieders kan ik u niets mededelen. Ik beschik niet over toezichtvertrouwelijke informatie.
Ten tweede betekent het onder de Wft vallen van dergelijke flitskredietaanbieders dat de kredieten aan de voorwaarden die in en op grond van deze wet worden gesteld, moeten voldoen. In de precontractuele fase betekent dat bijvoorbeeld dat in reclame voor het krediet, indien er wordt gesproken over een maandbedrag of er een rentepercentage wordt genoemd, het (jaarlijks) kostenpercentage van het krediet moet worden vermeld. Ook moet de klant voorafgaand aan het afsluiten van het krediet precontractuele informatie krijgen in een standaardformulier. Op dit formulier moet alle relevante informatie over het krediet worden opgenomen, waaronder de kosten. Verder geldt, ter voorkoming van absurd hoge kosten, de maximering van de jaarlijkse effectieve kredietvergoeding. Voor kredieten, waaronder flitskredieten, mag jaarlijks niet meer vergoeding worden gevraagd dan 12% plus de wettelijke rente (op dit moment 4%). Ook moet verplicht worden getoetst of het krediet past bij de financiële positie van de consument (de kredietwaardigheidstoets) voordat het krediet wordt verstrekt. De AFM houdt doorlopend toezicht op het voldoen aan deze verplichtingen. In de Wft is de richtlijn consumentenkrediet geïmplementeerd, de Nederlandse voorwaarden voldoen daar derhalve volledig aan. Doordat flitskredieten onder de Wft vallen kunnen mensen alleen nog een dergelijk krediet krijgen als het bij hun financiële positie past en is het verboden om mensen meer voor een dergelijk krediet te laten betalen dan het maximum dat ook geldt voor andere kredieten (zoals roodstanden). Dit past derhalve uitstekend binnen de ambitie om het aantal mensen met problematische schulden te verminderen.
Naast de regels met betrekking tot kredieten gelden regels met betrekking tot de maximale incassokosten die gevraagd mogen worden. Met betrekking tot de incassokosten regelt het wetsvoorstel tot normering van buitengerechtelijke incassokosten (32 418) welke incassokosten maximaal bij een schuldenaar in rekening mogen worden gebracht. Deze regels zullen gelden voor geldvorderingen uit een overeenkomst. Ook kredieten zijn geldvorderingen uit een overeenkomst. De precieze toepasselijkheid van deze nieuwe regels op kredieten wordt nog onderzocht. In het genoemde wetsvoorstel wordt het huidige voorschrift in het Burgerlijk Wetboek dat alleen redelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, ingekleurd. In het wetsvoorstel is een grondslag opgenomen om de vergoeding van incassokosten bij algemene maatregel van bestuur (amvb) te normeren. De vergoeding omvat alle incassohandelingen, ongeacht de omschrijving van de kosten van die handelingen (bijvoorbeeld registratiekosten, intakekosten, beheerskosten). Wanneer de schuldenaar een consument is, mogen niet meer incassokosten worden gevraagd dan volgt uit de amvb. In andere gevallen, zoals bij vorderingen tussen bedrijven, kunnen partijen hogere incassokosten overeenkomen. Het wetsvoorstel is thans aanhangig bij de Eerste Kamer.
Op welke wijze worden de klanten van de verstrekkers van flitskredieten geïnformeerd in de precontractuele fase over het kostenpercentage van een dergelijke regeling en hoe wordt de kredietwaardigheidtoets uitgevoerd bij de aanbieders van flitskredieten? Is dit conform de Wft en de richtlijn Consumentenkrediet?2
Zie antwoord vraag 1.
Is dit voor u – in tegenstelling tot voor uw voorganger – wel een aanleiding om een verbod op flitskredieten in te voeren in Nederland? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen om een einde te maken aan de absurd hoge kosten die aan deze flitsleningen verbonden zijn?3
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden deze praktijken van verstrekkers van flitskredieten zich tot het wetsvoorstel Normering buitengerechtelijke incassokosten dat voor besluitvorming in de Eerste Kamer ligt?4
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden dergelijke praktijken van aanbieders van flitskredieten zich tot de ambitie van het kabinet om het aantal mensen met problematische schulden te verminderen?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze gaat de regering de aanbieders van deze flitskredieten en de incassobureaus aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid?
In de eerste plaats onderschrijf ik de oproep van de AFM aan consumenten om geen zaken te doen met aanbieders die niet beschikken over een vergunning van de AFM. De AFM van haar kant is op grond van de wettelijke mogelijkheden die sinds kort worden geboden druk bezig met het aanspreken van de aanbieders van flitskredieten die nog op de Nederlandse markt actief zijn. Ook kunnen consumenten zelf, op grond van de Wet op het consumentenkrediet, naar de rechter stappen als een aanbieder een te hoge kredietvergoeding rekent. Met betrekking tot incassobureaus geldt dat ook zij zich aan de nieuwe wettelijke regeling van incassokosten zullen moeten houden. In het wetsvoorstel over de incassokosten is voorgeschreven hoeveel totaal aan incassokosten bij een consument in rekening mag worden gebracht. Dit voorschrift geldt ongeacht door wie de vordering wordt geïnd, door de schuldeiser zelf of door een derde, zoals een incassobureau.
Voorschotje.nl |
|
|
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «NEC dreigt Voorschotje alweer te verliezen»?1
Ja
Bent u op de hoogte van het feit dat er een conflict bestaat tussen Voorschotje.nl en de AFM in verband met vergunningverlening? Zo ja, dient dit bedrijf een vergunning te hebben?
Voorschotje.nl adverteert met gratis lenen en anticipeert met hun verdienmodel op wanbetaling na 21 dagen, wat is uw mening over het bedrijfsmodel van Voorschotje.nl?
In hoeverre bent u het eens dat Voorschotje.nl anticipeert op wanbetaling en daardoor de zorgplicht om overkreditering te voorkomen niet voldoende waarborgt?
In hoeverre bent u het eens met de stelling dat er door Voorschotje.nl op een onwenselijke manier gebruik is gemaakt van het criterium «tegen onbetekenen kosten»?
Bent u op de hoogte van het feit dat Voorschotje.nl haar voorwaarden voor kredietverlening vijf dagen voor 1 juni 2011 heeft aangepast? Is hier sprake van het gebruik van een maas in de wet? Zo ja, deelt u de mening dat reparatie op dit punt gewenst is?
Aangezien bij reclame over leningen de slogan «Geld lenen kost geld» verplicht is, deelt u de mening dat ook deze waarschuwing op shirtreclame zichtbaar moet zijn?
Bij reclames voor krediet is het verplicht om de waarschuwingszin «Let op! Geld lenen kost geld.» op te nemen. Reclame voor de (merk)naam van een onderneming, zoals een bank, zal in de regel geen reclame voor krediet zijn. Dan hoeft in de reclame niet de waarschuwingszin opgenomen te worden. Wanneer een sponsor op een shirt een wervende of aanprijzende tekst plaatst ten aanzien van een krediet zou inderdaad de waarschuwingszin opgenomen moeten worden.
De website van financiële woekeraars, zoals www.voorschotje.nl |
|
Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de website www.voorschotje.nl?
Ja.
Herinnert u zich de vragen (ingezonden 7 juli 2011) over het bericht dat woekeraars de wet tegen flitskrediet omzeilen en de daarop door u gegeven antwoorden d.d. 24 augustus 2011?1
Ja.
Bent u van mening dat er in dit geval sprake is van kredietverlening?
Zoals ik in antwoord op de vragen van het lid Blanksma-Van den Heuvel heb aangegeven is voor de toetsing van het concrete geval de AFM als toezichthouder bevoegd. De contacten tussen de AFM met deze flitskredietaanbieder zijn nog niet beëindigd. Hoewel ik niet kan ingaan op concrete gevallen, wil ik in het algemeen opmerken dat het ontgaan van de regels met betrekking tot kredieten hoogst ongewenst is. Naar mijn mening biedt de Wet op het financieel toezicht hiervoor geen ruimte. Mocht wet- en regelgeving toch mazen bevatten, dan zal ik die uiteraard zo snel mogelijk dichten. Volledigheidshalve verwijs ik naar mijn antwoord op de vragen 2 tot en met 6 van het lid Blanksma-van den Heuvel (CDA), ingezonden 13 oktober 2011 (vraagnummer 2011Z20251).
Hoe beoordeelt u de redenering van voorschotje.nl dat geen vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat de manier van geldverstrekking van voorschotje.nl niet gewenst is en dat er iets aan gedaan moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid zonodig snel met aanvullende wet- of regelgeving te komen om hiervoor te zorgen?
Zie antwoord vraag 3.
De toename van de wachtlijsten voor de schuldhulpverlening |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «In 2012 wachtlijst voor schuldhulp»?1
Ja.
Deelt u de verwachting van de Vereniging voor Schuldhulpverlening en Sociaal Bankieren (NVVK) dat de wachtlijsten voor de schuldhulpverlening aanzienlijk zullen toenemen? Zo nee, waarom niet? Wat is uw inschatting voor de ontwikkeling van de wachttijden voor de schuldhulpverlening voor de komende jaren?
Op 12 april 2010 heb ik de Tweede Kamer een onderzoek over de wachttijden op 1 januari 2010 bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gestuurd (Kamerstukken II 2009/10, 24 515 nr. 185). De gemiddelde wachttijd over alle gemeenten was op 1 januari 2010 32 kalenderdagen. Op 3 december 2010 heb ik het onderzoek «Tijdelijke middelen schuldhulpverlening, tussenrapportage 2010» aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2010/11, 24 515 nr. 192). Uit deze rapportage blijkt dat gemeenten aangeven dat met de inzet van de tijdelijke middelen schuldhulpverlening de wachttijden redelijk tot sterk zijn gedaald en waar de wachttijden niet zijn gedaald de tijdelijke middelen hebben bijgedragen aan het voorkomen van het oplopen van wachttijden. In de eindrapportage van dit onderzoek, die begin 2012 aan u zal worden gezonden, wordt opnieuw aandacht besteed aan dit onderwerp.
Het is voor mij niet mogelijk om een gefundeerde inschatting te maken van de ontwikkeling van de wachttijden in de komende jaren.
Ik hecht er in dit verband aan te wijzen op de inhoud van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening op het punt van de wachttijden, zoals dat op dit moment in behandeling is bij de Eerste Kamer. Indien het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, zijn de maximale wachttijden in de wet verankerd. Mijn verwachting is dat gemeenten zich aan de wet zullen houden.
Onderschrijft u nog steeds de doelstelling van de voorgestelde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dat cliënten binnen vier weken of binnen drie werkdagen in spoedeisende gevallen terecht kunnen bij de gemeente voor hulp? Indien blijkt dat deze termijnen na het in werking treden van de genoemde wet worden overschreden als gevolg van de te verwachten grotere druk op de schuldhulpverlening, bent u dan bereid om maatregelen te treffen om de wachttijden weer terug te brengen? Zo ja, welke maatregelen overweegt u dan? Indien niet, waarom niet?
Uiteraard onderschrijf ik de doelstelling met betrekking tot wachttijden, zoals die is opgenomen in artikel 4 van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening.
Ik ga ervan uit dat gemeenten zich zullen houden aan de dan in de wet vastgelegde maximale wachttijden. Indien een gemeente zich onverhoopt niet houdt aan deze wettelijke verplichting, is het aan de gemeenteraad om het college van B en W daarop aan te spreken.
Deelt u de zorg van de NVVK dat schuldenaren als gevolg van toenemende wachtlijsten vaker terecht zullen komen bij particuliere schuldhulpverleners die zich niet houden aan de wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Partijen die voor schuldbemiddeling een vergoeding mogen vragen zijn limitatief opgesomd in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet (Wck). Particuliere ondernemers, die niet onder deze vrijstelling vallen, is het niet toegestaan schuldbemiddeling aan te bieden tegen betaling. Hierop wordt toezicht gehouden door de Belastingdienst Holland-Midden. Zoals ik eerder heb toegezegd zal ik samen met de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de Tweede Kamer nog dit jaar informeren over de toezicht- en handhavingpraktijk, waaronder over het aantal meldingen over malafide schuldbemiddelaars en wat daarmee is gedaan.
Kunt u een inschatting maken van het aantal actieve particuliere schuldhulpverleners dat zich niet houdt aan de wet- en regelgeving en het aantal schuldenaren dat door deze particuliere schuldhulpverleners gedupeerd raken? Hoe gaat u er voor zorgen dat de controle op de particuliere schuldhulpverleners intensiever wordt zodat de malafide bureaus niet meer onbelemmerd hun gang kunnen gaan?
Zie antwoord vraag 4.
De mogelijke Anbistatus van een familiebank |
|
Helma Neppérus (VVD) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel over de Anthos Bank en dat deze familiebank de status van Anbi-instelling zou hebben, dus een fiscaal erkend goed doel?1
Ja.
Klopt dit met de feitelijke situatie? Zijn er meer banken die op deze manier de Anbistatus hebben?
In het artikel wordt niet gesteld dat Anthos Bank de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI) zou hebben. Dat is ook niet het geval. Er zijn geen banken met een ANBI-status. De ANBI-status wordt in het artikel met juistheid toegeschreven aan de stichting Unitas.2
Is het waar dat zulke instellingen geen openbaar jaarverslag hebben?
De meeste rechtspersonen, bijvoorbeeld besloten vennootschappen zoals de onderhavige bank, hebben op grond van het Burgerlijk Wetboek een verplichting tot openbaarmaking van het jaarverslag. Zoals ook bij de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer3. is gemeld, geldt voor Nederlandse charitatieve instellingen dat zij, naast de eisen die in de fiscale wetgeving worden gesteld met betrekking tot de status van algemeen nut beogende instelling, dezelfde verplichtingen hebben met betrekking tot openbaarmaking als andere stichtingen en verenigingen. In het convenant «Ruimte voor geven», dat het kabinet heeft gesloten met de sector filantropie, vertegenwoordigd door de Stichting Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF), is afgesproken dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en ik in overleg met de SBF in het tweede kwartaal van 2012 zullen komen tot een gezamenlijk document met daarin een moderne visie op toezicht op en transparantie van goededoeleninstellingen.
Wat vindt u van dit gebruik van de Anbistatus? Wat gaat u er aan doen? Kan dit worden meegenomen bij het Belastingplan 2012?
Het gebruik waar in deze vragen op gedoeld wordt, is vermoedelijk het gebruik van de faciliteit in de vennootschapsbelasting voor fondswervende instellingen4. Op grond van deze faciliteit wordt voorkomen dat een door dergelijke instelling over de opgehaalde gelden eerst vennootschapsbelasting moet worden betaald, alvorens die gelden uit te keren aan goededoelenorganisaties. In algemene zin kan ik opmerken dat ik, zoals in het onderschrift bij een tweetal uitspraken is aangegeven5, dit najaar met wetgeving kom om de wettekst van deze faciliteit meer in overeenstemming te brengen met de bedoeling van de bepaling.
Over de vraag of van deze faciliteit door de Anthos Bank als fondswervende instelling voor de stichting die alle aandelen van deze bank houdt (stichting Unitas met de ANBI-status) daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, kan ik geen mededelingen doen in verband met de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De vraag of de normen van de Nationale Hypothaire Financiering (GHF) leidend zijn bij de hypotheekverstrekking |
|
Matthijs Huizing (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u zich bewust van de onduidelijkheid die er heerst over de vraag of de normen van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) dan wel de normen van de nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financiering (GHF) leidend zijn bij de hypotheekverstrekking?
Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief aan de Kamer van 21 maart 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 507, nr. 94) beschouw ik zowel de nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen (hierna GHF) als de voorwaarden en normen van de Nationale Hypotheek Garantie (hierna NHG) als een goede invulling van de open norm voor verantwoorde (hypothecaire) kredietverstrekking zoals vastgelegd in de Wet op het financieel toezicht. Hypothecaire kredietverstrekking kan dus zowel onder de GHF als onder de NHG verstrekt worden.
Daarmee zijn met het oog op het tegengaan van overkreditering de bovengrenzen van hypothecaire kredietverlening vastgesteld. De bovengrens voor de Loan-to-value (LTV) ratio bij hypotheken welke zijn afgesloten onder NHG bedraagt 108%, bij een overdrachtsbelastingpercentage van 2%. De bovengrens voor hypotheken welke niet zijn afgesloten onder NHG bedraagt, bij een overdrachtbelastingpercentage van 2%, 106%. Uiteraard staat het banken vrij om uit eigen beweging een lager percentage te hanteren dan de toegestane maxima. De AFM zal hypothecaire kredietverlening tot 108% bij een overdrachtsbelastingpercentage van 2%, NHG garantie en een solide dossier niet sanctioneren.
De verschillen tussen de GHF normen en de voorwaarden en normen van de NHG zijn beperkt. Één verschil ziet zoals gezegd op de maximale LTV ratio; daar is de GHF norm iets strikter. Ook met een LTV ratio van 106% wordt doorgaans in de behoefte voorzien om de kosten koper mee te financieren. Bovendien kan in het geval van verbouwingen de daadwerkelijke waardevermeerdering buiten de 6% worden meegefinancierd.
Zoals ik bovendien heb aangegeven in beantwoording op Kamervragen voorafgaande aan het Algemeen Overleg van 18 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 507, nr. 99) heb ik ook het CPB een analyse laten maken van de mogelijke huizenprijseffecten. Deze CPB analyse richtte zich specifiek op de gevolgen van de GHF en ging er derhalve in de berekeningen van uit dat alle hypotheken werden verstrekt onder de normen van de GHF. Uit de CPB analyse blijkt dat de effecten op de huizenmarkt beperkt zijn.
Wat is uw reactie op geluiden uit de sector die, mede op basis van een bericht op de website van de Nederlandse Vereniging van Banken1, ervan uitgaat dat vanaf 1 augustus 2011 de leencapaciteit wordt beperkt tot de strikte GHF-norm?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is in dit kader uw reactie op de veronderstelling van De Nederlandsche Bank (DNB) dat de aanscherping van de LTV-ratio3 niet geldt voor leningen met NHG en dat de maximale LTV-ratio voor NHG-leningen 1,084 was en blijft?5
Zie antwoord vraag 1.
Bent u nog steeds van mening dat de ruimere NHG-norm blijft gelden voor woningen die onder NHG gefinancierd zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw inschatting van de gevolgen voor de woningmarkt in het algemeen en voor starters in het bijzonder, indien de striktere GHF-norm ook zou gelden voor woningen die onder NHG gefinancierd zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Een credit event bij het doorrollen van Griekse staatsobligaties |
|
Ewout Irrgang |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Hoe wordt volgens u bepaald of er sprake is van een credit event bij het doorrollen van Griekse staatsobligaties?
De kredietbeoordelaars kunnen onafhankelijk van elkaar besluiten tot een credit event (downgrade) ten aanzien van Griekse obligaties. De ISDA besluit over credit events ten aanzien van CDS contracten (CDS triggers). De leden van de credit derivatives determinations committee (DC’s) voor Europa en het Midden Oostenvan de International Swaps and Derivatives Association (ISDA) kunnen in het geval van wanbetaling, de afkondiging van een moratorium of herstructurering besluiten tot het uitroepen van een credit event. Van herstructurering is volgens de ISDA sprake wanneer (I) Griekenland de rente op zijn obligaties of de terug te betalen hoofdsom verlaagt, (II) Griekenland zijn betalingen van rente en/of hoofdsom uitstelt, (III) Griekenland een lening achtergesteld maakt of (IV) de valuta waarin de schuld is gedenomineerd verandert in een geldeenheid die niet wettig betaalmiddel is in een G7 land of een OESO lid met een AAA rating (invoering Drachme).
Het DC voor Europa en het Midden Oosten kan besluiten tot het al dan niet afkondigen van een credit event (waardoor CDS contracten moeten worden uitgekeerd) nadat een marktparticipant (niet noodzakelijk een ISDA lid) die deelneemt aan één of meerdere CDS transacties daarom gevraagd heeft. Bij het indienen van zijn verzoek dient de marktparticipant publiek beschikbare informatie ter ondersteuning van zijn verzoek aan te leveren. Op grond van deze informatie besluit het DC of er sprake is van een credit event onder de in het CDS contract gespecificeerde voorwaarden.
Zal een default rating door een van de kredietbeoordelaars volgens u leiden tot een credit event?
Nee, een default rating door een van de kredietbeoordelaars hoeft niet (per se) te leiden tot een credit event. De ISDA neemt het oordeel van kredietbeoordelaars wel mee in haar besluitvorming, maar dit is niet maatgevend. De ISDA maakt op basis van de beschikbare gegevens haar eigen afweging.
Bestaat er bij het orgaan ISDA, de International Swaps and Derivatives Association, volgens u een heldere eenduidige omschrijving van het begrip «credit event»?
Ja, deze staat omschreven in het antwoord op vraag 1. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de leden van het DC de ruimte hebben om een weging te maken van de specifieke omstandigheden die duidelijk worden uit de publiek beschikbare informatie.
Bent u ermee bekend dat de hedgefondsen D.E. Shaw, Citadel en Blue Mountain Capital in het Committee van ISDA zitten en zij daardoor meebepalen of een credit default swap (CDS) getriggerd wordt?1
Ja. Naast deze partijen zijn ook Bank of America/Merrill Lynch, Barclays, BNP Paribas, Credit Suisse, Deutsche Bank, Goldman Sachs, JPMorgan Chase Bank, Morgan Stanley, Société Générale, UBS, Citibank (niet stemmend lid), The Royal Bank of Scotland (niet stemmend lid), BlackRock en Rabobank International lid van het DC Europa en Midden Oosten. Het betreffen zowel schrijvers van als handelaren in CDS contracten.
Doet het voor u in deze kwestie terzake dat deze partijen geen transparantie hebben en aan niemand verantwoording hoeven af te leggen?
Wat voor mij voorop staat is dat de besluitvormingsprocedure binnen de ISDA transparant is en tot stand is gekomen in samenspraak met internationale toezichthouders. ISDA is een standaardzetter – op basis van zelfregulering door betrokken marktpartijen – die door de ontwikkeling van standaardcontracten en protocollen voor financiële producten die op de Over The Counter (OTC) markt worden verhandeld, in belangrijke mate bijdraagt aan het ontwikkelen van bestendige praktijken in de OTC markt. De meeste instellingen die zijn aangesloten bij ISDA staan onder toezicht en zijn uit dien hoofde verplicht te rapporteren.
Vindt u het wenselijk dat partijen met afgevaardigden in het Committee van ISDA zelf een direct belang hebben bij de uitkomst van de beslissing of er sprake is van een credit event?
ISDA produceert standaard documentatie voor de verhandeling van OTC producten. Het is aan marktpartijen zelf om hier al dan niet van gebruik te maken. Niet uitgesloten is dat sommige partijen in ISDA afhankelijk van de omstandigheden van het geval een zeker rechtstreeks belang kunnen hebben bij de uitkomst van een beslissing of er sprake is van een credit event. Belangrijk echter is dat ISDA transparant is over het totstandkomingsproces. Daarnaast is van belang dat verschillende partijen in ISDA zijn vertegenwoordigd (met verschillende posities). Tegengestelde posities (op basis van tegengestelde marktvisies) door de bij het DC betrokken instellingen dragen bij aan een evenwichtige oordeelsvorming.
Weet u in hoeverre de hier genoemde hedgefondsen in het bezit zijn van credit default swaps op de Griekse staatsschuld?
Antwoord op vraag 7 en 8. Ik heb geen totaaloverzicht van de schrijvers en bezitters van CDS contracten op de Griekse staatsschuld. Wanneer de Europese EMIR verordening aangaande derivaten en hun clearing in werking treedt, vooralsnog voorzien op 1 januari 2013, zullen alle marktpartijen die handelen in derivatencontracten, dus ook CDS-contracten, onderworpen worden aan een rapportageplicht. Concreet zullen relevante data aan zogenaamde «trade repositories» moeten worden gerapporteerd. Nationale toezichthouders zullen daarbij toegang krijgen tot de voor hen relevante data. Op basis van analyses van Citibank is bekend dat de bruto CDS-posities op Griekse staatsschuld € 78 miljard in maart dit jaar bedroegen, maar de netto posities slechts € 5 miljard. Dat is beperkt in vergelijking met de totale omvang van de Griekse schuld van € 360 miljard. Bruto posities zijn de som van alle openstaande contracten. Netto CDS posities staan daarentegen voor de maximale netto kapitaalstromen tussen kopers en verkopers van protectie.
Heeft u inzicht in wie credit default swaps op de Griekse staatsschuld hebben uitgegeven en wie ze in bezit hebben? Zo ja, bent u bereid dat inzicht met ons te delen? Zo nee, vindt u het wel nodig om dat te weten?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat Zalm de jaarrekening van DSB bewust te laat uitbracht en daarmee spaarders heeft misleid |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Zalm bracht jaarrekening DSB bewust te laat»?1
Ja.
Welke sanctie staat er op het te laat indienen van een jaarrekening? Staat deze sanctie in verhouding tot de mogelijke gevolgen van te late indiening voor spaarders?
Kunnen bestuurders hierbij hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden?
Is het mogelijk bij sanctionering de intenties en de gevolgen voor het te laat indienen mee te wegen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u hiervan?
Welke straf staat er op misleiding van spaarders? Welke mogelijkheden tot compensatie van geleden schade zijn hierbij mogelijk?
Is het te laat indienen van de jaarrekeningen meegenomen in de onderzoeken door AFM en DNB naar oud-DSB-bestuurders die nog actief zijn in de financiële sector? Zo ja, op welke manier? Zo nee, zal DNB de integriteit van de heer Zalm opnieuw onderzoeken naar aanleiding van deze nieuwe ontwikkelingen?
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) hebben mij bevestigd dat zij inderdaad de wijze van het indienen van de jaarrekening over het jaar 2007 betrokken hebben bij hun onderzoeken naar oud-bestuurders van DSB. Deze kwestie is dus aan de orde geweest. Voor nadere informatie over deze onderzoeken verwijs ik u naar de openbaar gemaakte informatie in het rapport van professor Scheltema inzake het eerste bestuurdersonderzoek en het rapport van de commissie Scheltema, waarin ik maximale transparantie betracht. Eventuele aanvullende informatie over deze onderzoeken kan ik u helaas niet geven omdat deze wordt beheerst door het regime van vertrouwelijkheid uit de Wet op het financieel toezicht. Verder constateer ik dat in het artikel waaraan het lid Braakhuis refereert, een weergave wordt gegeven van bepaalde speculaties en veronderstellingen van de heer Lakeman. U zult mij begrijpen als ik verder niet treed in dergelijke speculaties. Voorts verwijs ik naar mijn beantwoording van de feitelijke vragen over de Nederlandse regelgeving van het lid Braakhuis hierna.
Stel dat de beschuldiging aan het adres van de heer Zalm op waarheid berust, heeft dit dan invloed op zijn huidige functie bij ABN Amro?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft de AFM of DNB een taak in het toezicht houden op het juist toepassen van de vennootschapsregels? Kunnen en moeten de toezichthouders ingrijpen bij te late indiening van de jaarrekening? Is dat in dit geval gebeurd?
De vereisten ten aanzien van het tijdig opstellen en publiceren van jaarrekeningen gelden voor alle Nederlandse ondernemingen. Zij betreffen algemene vereisten uit het civiele recht. Zij zijn daarom niet specifiek onderdeel van het toezicht dat de AFM en DNB uitoefenen op financiële ondernemingen. Wel zijn er enkele algemene bepalingen in de wetgeving inzake financieel toezicht opgenomen die betrekking hebben op financiële gegevens. Ten behoeve van de uitoefening van het prudentieel toezicht zijn financiële ondernemingen verplicht binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening, het jaarverslag en overige gegevens aan DNB te verstrekken (artikel 3:71 Wft). In dat verband is het voor DNB van belang dat de jaarcijfers tijdig worden opgesteld en aan DNB worden aangeleverd binnen de daarvoor gestelde termijn. DNB controleert echter niet specifiek op tijdige indiening van de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel. De AFM houdt voorts op grond van de Wet toezicht financiële verslaggeving (Wtfv) toezicht op de financiële verslaggeving (waaronder de vastgestelde jaarrekening) van beursgenoteerde ondernemingen en toetst of de toepasselijke verslaggevingvoorschriften juist zijn toegepast. De AFM heeft daarbij geen taak om toe te zien op de naleving van de verplichting om de jaarrekening tijdig te deponeren bij de Kamer van Koophandel. DSB was overigens geen beursgenoteerde onderneming.
Ten overvloede merk ik in dit verband op dat de toezichthouders mij hebben bevestigd dat de wijze van indiening van de jaarrekening over het jaar 2007 betrokken is geweest in de onderzoeken door de AFM en DNB naar de oud-bestuurders van DSB. Zie hiervoor mijn beantwoording van de vragen 6 en 7.
Het bericht dat de minister van Financiën van Sint Maarten de controlerende bevoegdheden van het College Financieel Toezicht wil inperken |
|
Eric Lucassen (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht: «Hiro: Amend Kingdom Law to remove second CFT approval»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de wens van de regering van Sint Maarten om de controlerende bevoegdheden van het CFT te beperken door de tweede goedkeuring door het CFT te schrappen?
In het artikel wordt gedoeld op de klacht van statenleden van Sint Maarten dat het College financieel toezicht (Cft) een door de Staten goedgekeurde begroting later afkeurde. Deze klacht werd ook geuit in de parlementaire bijeenkomst.
Dit probleem hoeft niet te bestaan indien de Staten zich er van verzekeren dat de Raad van Ministers van Sint Maarten een begrotingsvoorstel slechts na goedkeuring door het Cft indient. Indien de Staten vervolgens zelf de criteria van de Rijkswet in acht nemen, bestaat het probleem niet.
Van de zijde van de regering van Sint Maarten is overigens geen verzoek ontvangen tot wijziging van de Rijkswet.
Heeft de regering van Sint Maarten een dergelijk verzoek gedaan? Zo ja, wanneer? Hoe beoordeelt u het feit dat ondanks de begrotingsproblemen de regering van Sint Maarten de bedoeling heeft de afspraken over de begrotingscontrole eenzijdig te wijzigen?
Zie antwoord vraag 2.
De zwarte lijst met illegale kansspelaanbieders voor banken |
|
Nine Kooiman |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is de stand van zaken met de zwarte lijst van illegale kansspelaanbieders en het faciliteren van illegale spelen door Nederlandse banken? Houden de banken zich aan de afspraken? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederlandse banken illegale kansspelen op internet blijven faciliteren?
Bij brief van 7 april 2010 heeft de toenmalige minister van Justitie de NVB een zwarte lijst met aanbieders van illegale kansspelen via internet gestuurd, met het verzoek deze lijst onder haar leden te verspreiden. Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen van het lid Rik Janssen (SP) heb aangegeven, twijfelde de NVB echter aan de legitimiteit van de zwarte lijst. De NVB heeft de lijst dan ook niet naar haar leden doorgeleid. Nadat ambtenaren van mijn ministerie verschillende malen overleg hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de NVB en een protocol voor de werking van het zwarte lijst is aangemeld bij het College Bescherming Persoonsgegevens, is deze twijfel over de legitimiteit echter weggenomen.
In maart 2011 heeft de NVB laten weten de zwarte lijst conform afspraak aan haar leden te willen sturen. Daarbij kan echter geen gebruik worden gemaakt van de vorig jaar aan de NVB gestuurde versie van de zwarte lijst, omdat de lijst inmiddels, mede door het intensieve overleg, is verouderd en niet meer in alle opzichten voldoet aan de eisen van het protocol. Dat klemt temeer nu de markt voor kansspelen via internet zeer veranderlijk is. Zo blijken diverse aanbieders die eerder op de lijst stonden hun activiteiten (in Nederland) inmiddels gestaakt te hebben, terwijl nieuwe aanbieders die hier actief zijn nog niet op de lijst staan. Ik hecht eraan bij de invoering van de zwarte lijst, mede omdat de mogelijke consequenties voor degenen die op de lijst worden geplaatst groot zijn, zeer zorgvuldig te werk te gaan. Daarom wordt op mijn departement thans een nieuwe en actuele zwarte lijst opgesteld. Ik verwacht dat deze in het najaar gereed is. Openbaarmaking van de lijst acht ik ongewenst, aangezien deze gevoelige informatie bevat. Wel ben ik desgewenst bereid de lijst te zijner tijd vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven.
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over het kansspelbeleid en vooral de passage over het faciliteren van illegale kansspelen op internet?1
Ja.
Wanneer precies heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) van de toenmalige minister van Justitie een zwarte lijst ontvangen met daarop de illegale aanbieders van kansspelen via internet? Bent u bereid de Kamer inzage te geven in deze zwarte lijst alsmede de briefwisseling daarbij? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft de NVB deze lijst inmiddels verspreid onder haar leden, zoals door u afgesproken met de NVB en toegezegd aan de Kamer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welk moment precies?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het dat de NVB laat weten de zwarte lijst nooit van het ministerie te hebben ontvangen?2 Is de NVB abuis of heeft u zich niet aan de afspraken gehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NVB heeft inmiddels bevestigd dat zij de zwarte lijst vorig jaar heeft ontvangen en heeft mij laten weten dat sprake was van een communicatiestoornis. Zoals aangegeven, is de lijst wel ontvangen maar niet verspreid onder de individuele banken.
Als het zo is dat de NVB de zwarte lijst nooit heeft ontvangen, bent u dan bereid die zwarte lijst per omgaande alsnog te verstrekken en er op aan te dringen dat de NVB die lijst eveneens per omgaande onder de Nederlandse banken verspreid zodat de handhaving van illegale kansspelen op internet geen verdere vertraging oploopt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre bent u van plan om de NVB en de individuele banken op te dragen dan wel te verplichten om deze zwarte lijst ook te hanteren? Kunt u uw antwoord toelichten? «Vorig jaar heeft de toenmalige minister van Justitie de NVB een zwarte lijst verstrekt waarop illegale aanbieders van kansspelen via internet staan vermeld. Met de NVB was afgesproken dat zij deze lijst zou verspreiden onder haar leden, opdat dezen vervolgens geen betalingen meer laten plaatsvinden – al dan niet via iDEAL – aan illegale kansspelaanbieders. Bij de NVB bestond echter nog enige twijfel over de legitimiteit van deze lijst. Deze twijfel is inmiddels weggenomen. Met de NVB is onlangs afgesproken dat zij de zwarte lijst binnenkort alsnog aan haar leden stuurt.»
Aangezien de NVB zich zoals afgesproken bereid heeft verklaard mee te werken aan het verspreiden van de zwarte lijst aan haar leden, ben ik dat vooralsnog niet van plan.
«Vorig jaar heeft de toenmalige minister van Justitie de NVB een zwarte lijst verstrekt waarop illegale aanbieders van kansspelen via internet staan vermeld. Met de NVB was afgesproken dat zij deze lijst zou verspreiden onder haar leden, opdat dezen vervolgens geen betalingen meer laten plaatsvinden – al dan niet via iDEAL – aan illegale kansspelaanbieders. Bij de NVB bestond echter nog enige twijfel over de legitimiteit van deze lijst. Deze twijfel is inmiddels weggenomen. Met de NVB is onlangs afgesproken dat zij de zwarte lijst binnenkort alsnog aan haar leden stuurt.»
Het bericht ‘ETF’s: het nieuwste gevaar voor de financiële markten’ |
|
Ewout Irrgang |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Bent u bekend met het artikel «ETF’s1: het nieuwste gevaar voor de financiële markten»?2
Ja.
Er zijn veel verschillende soorten ETFs. Het onderpand van fysieke ETFs is belegd in (onderdelen van) de te volgen index. Wanneer het niet mogelijk of wenselijk wordt geacht om de onderliggende index als onderpand te gebruiken kan er ander onderpand aangeboden worden, zoals het geval is bij synthetische ETFs.
Wanneer het onderpand de gevolgde index niet weerspiegelt, kan dit tot problemen leiden indien investeerders op grote schaal hun aandelen verkopen, of wanneer de ETF-aanbieder failleert. Investeerders hebben in zulke gevallen immers een claim op het onderpand, wat een significant andere exposure kan opleveren dan gewenst. Daarom is het van belang dat aanbieders van ETFs transparant zijn over de fondsconstructie en dat investeerders begrijpen in welke producten ze investeren en welke risico’s daaraan zijn verbonden.
AFM heeft in 2010 een rapport3 gepubliceerd waarin zij aanbieders heeft gewezen op de belangrijkste kenmerken die in de informatieverstrekking naar voren dienen te komen. Hierin is onder andere opgenomen dat een belegger volledig geïnformeerd dient te worden over de risico’s die aan synthetische ETFs zijn verbonden.
Wat vindt u van het gegeven dat er geen verplichting is dat het onderpand lijkt op de oorspronkelijke indexbelegging?
Er bestaan veel verschillende soorten trackers of wel ETF´s. Bij synthetische ETF´s hoeft het onderpand niet overeen te komen met de onderliggende index. Het is belangrijk dat de bijhorende risico’s bekend zijn en dat de swap geheel of zelfs overgecollateraliseerd is. Dit betekent dat er meer onderpand is dan er door de belegger is geïnvesteerd.
Wat vindt u van het gegeven dat een groot aantal trackers niet fysiek belegt in de onderliggende waarde?
Het kan zijn dat banken minder liquide stukken gebruiken als onderpand voor de swap die aan de synthetische ETF ten grondslag ligt. Dit zegt overigens niet dat dergelijk onderpand op geen enkele andere wijze gebruikt kan worden.
Kunt u bevestigen dat synthetische ETF’s door banken worden gebruikt om geld op te halen met een illiquide onderpand dat op geen enkel andere manier bruikbaar zou zijn? Zo nee, kunt u bevestigen dat dat niet het geval is? Uit welk onderzoek blijkt dat?
Het is uiteraard van belang dat beleggers weten wat een belegging in een ETF inhoudt. Om die reden geven ETFs een prospectus uit waarmee beleggers geïnformeerd worden. De AFM heeft een leidraad gepubliceerd waarin is aangegeven aan welke eisen de overige informatieverstrekking dient te voldoen.
Vindt u het van belang dat men kan weten waar men uiteindelijk in belegt?
De toenemende complexiteit van ETF’s vergroot het belang van transparantie van de kant van ETF-aanbeiders/ -beheerders en sterke due diligence van investeerders in ETF´s. Duidelijkheid moet bestaan over de replicatiemethode, het onderpandbeheer en het uitlenen van effecten. Beleggers worden door middel van een prospectus geïnformeerd. Beleggers dienen zelf een afweging te maken of ze daarmee voldoende geïnformeerd zijn om een beleggingsbeslissing te nemen. Zie ook het onderzoek van de AFM.
Heeft de belegger daar voldoende zicht op als het om trackers gaat?
Het feit dat de top-3 ETF-aanbieders een groot deel van de markt in handen heeft, impliceert mogelijk een concentratierisico. Daarnaast kan een hoge marktconcentratie leiden tot inefficiënte prijzen. Tegelijkertijd concurreren ETF-aanbieders wel degelijk op fees.
Welke consequenties heeft het voor de markt dat er maar een handjevol aanbieders zijn? Welke risico’s gaan daarmee gepaard?
Ja.
Bent u bekend met het onlangs uitgebrachte rapport van de Financial Stability Board (FSB)3, waarin er voor wordt gewaarschuwd dat de enorme groei van ETF’s de financiële markten mogelijk kan destabiliseren?
Op voorhand is het moeilijk te zeggen wat het effect is van een faillissement van een aanbieder op de waarde van de tracker. Dit hangt onder andere af van het type ETF en de marktomstandigheden waarin de aanbieder failleert. In eerste instantie zal het management van de faillerende aanbieder proberen een nieuwe beheerder te vinden. In een worst case scenario hebben investeerders recht op het onderpand. In het geval van een fysieke ETF bestaat dit uit (een deel van) de stukken van de gevolgde index. Bij een synthetische ETF is dit niet het geval, wat niet wegneemt dat ten minste 90% van de swap door onderpand moet zijn gedekt.
Overigens is de AFM van mening dat er nog steeds ruimte is voor verbetering wat betreft die duidelijkheid. Daarom is in de tweede helft van 2011 een hernieuwd onderzoek van de AFM gepland dat zich mede op de informatieverstrekking over deze risico’s zal richten.
Is het volgens u nu voldoende duidelijk voor iedere belegger welke consequenties een faillissement van de aanbieder zou hebben voor de waarde van zijn trackers?
De huisbankier RBS en clustermunitie |
|
Bruno Braakhuis (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het rapport «Worldwide Investments in Clustermunitions; a shared responsibility»?1
Ja.
Kunt het bericht bevestigen dat de huisbankier van de Nederlandse staat, de Royal Bank of Scotland, behoort tot de top vijf van de grootste investeerders in producenten van clustermunitie ter wereld? Zo nee, waarom niet?
Wij zijn bekend met het persbericht dat IKV Pax Christi hier op basis van het in vraag 1 genoemde rapport over heeft doen uitgaan. Daarin stelt zij dat RBS behoort tot de top vijf van grootste investeerders in producenten van clustermunitie ter wereld. Wij kunnen de stelling in het persbericht niet bevestigen, omdat wij niet in de gelegenheid zijn de juistheid van het bericht en het rapport vast te stellen.
Herinnert u zich de uitspraak in september 2010 van minister Donner naar aanleiding van de motie El Fassed c.s.2 dat «in overleg met de Royal Bank of Scotland nadere garanties verkregen zijn met betrekking tot de leningen die de bank verschaft en de dienstverlening. De bank heeft daarvan aangegeven dat dit niet zal zijn ten aanzien van bedrijven in clustermunitie»? Welke garanties heeft de Royal Bank of Scotland in overleg met het kabinet gegeven met betrekking tot de leningen en dienstverlening, zoals verstrekken van leningen, helpen bij aandelen- en obligatie-emissies en beleggingen in aandelen en obligaties, die de bank verschaft aan bedrijven die clustermunitie produceren?
Wij herinneren ons de betreffende uitspraak van minister Donner van 22 september 2010. RBS heeft in april 2010 minister De Jager op zijn verzoek reeds het navolgende laten weten:
«RBS Groep handelt in lijn met de strikte regelgeving en het vergunningenstelsel van het Verenigd Koninkrijk, en in lijn met relevante internationale standaarden over hoe zij zich inlaat met ondernemingen die betrokken zijn bij de ontwikkeling, fabricage en ondersteuning van en handel in defensiematerieel. Bij het beschouwen van complexe en zich ontwikkelende defensiegerelateerde zaken, zoals landmijnen en clustermunitie, houden wij ons aan de gedragsleidraad van het Verenigd Koninkrijk alsmede de aangewezen internationale wettelijke standaarden.
Met betrekking tot landmijnen verbiedt de Ottawa Convention de productie en export van alle typen van anti-persoons landmijnen, inclusief de niet waarneembare, naar alle landen. Met betrekking tot clustermunitie verplicht de Convention on Cluster Munitions alle ondertekende staten om de productie, het gebruik en de opslag van clustermunitie te verbieden. RBS zal niet bewust enig verzoek tot het verlenen van financiering of financiële diensten toekennen dat direct indruist tegen deze standaarden en zal er nauwgezet naar streven dat de relaties met klanten niet strijdig zijn met deze principes.»
Hoe beoordeelt u de garanties die de huisbankier heeft gegeven in het licht van de bevindingen van het rapport «Worldwide Investments in Clustermunitions»? Welke gevolgen verbindt u aan deze bevindingen?
Naar aanleiding van het rapport waaraan u in uw vraag refereert, hebben wij RBS geconfronteerd met de bevindingen. RBS heeft in haar reactie aangegeven dat zij de aantijgingen serieus heeft genomen en daarom intern uitgezocht heeft wat er feitelijk aan de hand is. RBS geeft daarbij aan dat zij op basis van het interne onderzoek van mening is dat de berichten van IKV Pax Christi, dat RBS behoort tot de top vijf van de grootste investeerders in producten van clustermunitie ter wereld, onjuist zijn.
RBS stelt dat zij geen ondernemingen ondersteunt noch wil ondersteunen die betrokken zijn bij de directe fabricage van clustermunitie. RBS heeft als beleid dat aan potentiële klanten en aan bestaande klanten bij hernieuwd gebruik van een faciliteit specifiek gevraagd wordt of zij het groepsbeleid van RBS inzake defensiematerieel (zie antwoord vraag 3) willen navolgen. Als die instemming niet gegeven wordt, wordt er geen zaken gedaan. Ten aanzien van de specifieke ondernemingen als bij RBS vermeld in het in vraag 1 genoemde rapport, geeft RBS aan te bevestigen dat deze volledig de Oslo Conventie onderschrijven.
RBS heeft inmiddels contact opgenomen met IKV Pax Christi teneinde de berichten van IKV Pax Christi, waarvan RBS meent dat deze onjuist zijn, te bespreken.
Zijn er bedrijven of instellingen met staatssteun die nog steeds diensten verlenen aan producenten van clustermunitie? Zo ja, welke bedrijven of instellingen zijn dat en bent u bereid hen daarop aan te spreken of zelfs de relatie te verbreken?
Voor zover wij weten houdt geen van de staatsgesteunde financiële instellingen zich direct bezig met dergelijke diensten. Deze instellingen hebben een mvo-beleid dat daaraan in de weg staat. De Staat heeft als kapitaalverschaffer echter geen zicht op de operationele activiteiten van deze instellingen.
Zijn er bedrijven of instellingen waar de staat een financiële relatie mee heeft die nog steeds diensten verlenen of investeren in producenten van clustermunitie? Zo ja, welke bedrijven of instellingen zijn dat en bent u bereid hen daarop aan te spreken of zelfs de relatie te verbreken? Kunt u, in navolging van een toezegging van het vorige kabinet, een overzicht geven?
Indien wij deze vraag interpreteren als hebbende betrekking op bedrijven en instellingen waarmee de staat een overeenkomst heeft op het gebied van financiële dienstverlening, dan betreft het ING Bank, ABN Amro en RBS. Wij zijn bereid om bedrijven en instellingen aan te spreken indien zij diensten verlenen of investeren in producenten van clustermunitie. Echter, de Staat dient zich tevens te houden aan zijn contractuele verplichtingen.
Op welke wijze is bij de keuze voor de huisbankier van de Nederlandse staat maatschappelijk verantwoord ondernemen meegenomen in de selectiecriteria?
In de Europese aanbestedingsprocedure van het binnenlands betalingsverkeer van de ministeries in 2008, toegekend aan RBS, is maatschappelijk verantwoord ondernemen niet meegenomen in de selectiecriteria. In de daarna volgende Europese aanbestedingsprocedures, te weten het gebruik van credit cards door het Rijk (2009) en het betalingsverkeer van de Belastingdienst (2010) is het hebben van een beleid op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en het in het openbaar daarover verantwoording afleggen een selectie-eis geweest.
Op welke manier gaat u uitvoering geven aan de motie Haubrich-Gooskens c.s. over het verbod op investeringen in clustermunititie die door de Eerste Kamer is aangenomen?3
Het kabinet beraadt zich momenteel over een reactie op de motie Haubrich-Gooskens, waarmee wordt opgeroepen tot een verbod zoals dat verwoord is in vraag 9. De Eerste Kamer zal in dit kader schriftelijk geïnformeerd worden.
Bent u bereid in navolging van landen als België, Ierland en Luxemburg investeringen in en financiële dienstverlening aan bedrijven die betrokken zijn bij de productie in clustermunitie te reguleren? Zo ja, op welke wijze? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hogere kapitaaleisen aan banken |
|
Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Juist risicovolle banken zijn dure banken»?1
Bij de beantwoording van bovenstaande vragen ga ik eerst in op de recente roep om hogere kapitaaleisen. Daarna licht ik studies naar de effecten en kosten/baten van hogere kapitaaleisen toe. Vervolgens ga ik in op de effecten voor de kredietverlening. Tot slot ga ik specifiek in op de Nederlandse situatie.
Is het waar dat Nederland tot de drie landen behoort waar de omvang van bankbalansen ten opzichte van het nationaal inkomen het allerhoogst is?
Het is zondermeer een feit dat Nederland internationaal gezien een vrij omvangrijke bancaire sector heeft. De plaats van Nederland op lijsten waarin de omvang van bankbalansen wordt afgezet tegen de grootte van het nationaal inkomen varieert echter mede als gevolg van verschillende definities van «de omvang van bankbalansen». Bijvoorbeeld, het Vickers-rapport constateert dat Nederland na Zwitserland en het VK tot de top drie landen behoort met de hoogste verhouding van totale bancaire activa ten opzichte van bbp (4,5 keer bbp)13. De schatting van DNB wijst erop dat Nederland vrij dicht op het Europese gemiddelde zit met op bancaire activa van 4,3 keer bbp, na Ierland, het VK en Zwitserland14.
Niet alleen de grootte van de financiële sector, maar ook hoe risicovol de activa van de bank zijn is van belang. Daarnaast speelt een discussie over de mate van het systeemrelevantie van sommige banken. De discussie in Zwitserland centreert juist rond de systeemrelevante banken: de door de onafhankelijke commissie voorgestelde 19% solvabiliteitseis is alleen bedoeld voor deze zogenaamde systeemrelevante banken, UBS en Credit Suisse (die bij elkaar een balans hebben van 5 keer het Zwitserse bbp15). De Baselse en Europese plannen, aangevuld met het werk van Financial Stability Board met betrekking tot systeemrelevante instellingen, hebben een andere opbouw, waardoor op het eerste gezicht lijkt dat de eisen minder streng zijn. Dit is echter niet of nauwelijks het geval: Zwitserland stelt 10% minimum eigen vermogen en 9% converteerbare kapitaal (respectievelijk 7% en 3,5% in Basel 3) voor. Echter, in de nieuwe raamwerk zullen dergelijke systeemrelevante instellingen met drie extra eisen te maken krijgen die voor de Zwitserse banken niet gelden. De eerste is een countercyclical buffer van 0 tot 2,5% afhankelijk van de macro-economische conjunctuur. De tweede is een nog ongedefinieerde buffer voor systeemrelevante instellingen. Aannemend dat deze laatste buffer gemiddeld 2% zal zijn, zullen de Europese systeemrelevante banken met tot wel 15% procent kapitaaleis geconfronteerd worden. De eigenvermogenseis zou hierbij 7% plus maximaal 2,5% (countercyclical buffer) worden. De derde maatregel waaraan gewerkt wordt binnen het nieuw crisis management raamwerk van de EU betreft geen kapitaal maar een zogenaamde »bail-in debt», waardoor obligatiehouders een deel van potentiële verliezen zouden moeten absorberen.
Over de behandeling van systeemrelevante instellingen wordt op dit moment internationaal overleg gevoerd. De Nederlandse inzet is een adequate aanvullende buffer voor systeemrelevante instellingen die een goede weerspiegeling kent van de risico’s die zij voor het financiële systeem veroorzaken. Ik zal de Kamer op de hoogte houden van het vervolg van deze discussie. Voordat ik een beslissing neem over de nationale toepassing van de uiteindelijke afspraken, zal ik uw Kamer hier uiteraard over informeren.
Naast de hierboven genoemde kapitaalbuffers introduceert Basel 3 de verplichting om een buffer van liquide activa aan te houden, zodat banken in tijden van stress geen geld meer hoeven te lenen bij de centrale bank. Basel 3 voorziet ook in de rapportage van een zogenaamde hefboomratio («leverage ratio»), het algemene solvabiliteitsniveau van een bank ongeacht het risicoprofiel van de activa.
Door deze vernieuwingen is Basel 3 een evenwichtig pakket van forse maatregelen die aanzienlijk strenger zijn dan de huidige regels. Het zal voor banken een uitdaging worden om vóór 2019 aan deze nieuwe eisen te voldoen. Overigens zijn de Nederlandse banken sterker gekapitaliseerd dan het door Basel op dit moment verplichte minimum. Zo is de (gewogen gemiddelde) Tier 1 kapitaalratio van 11,9% en de BIS-ratio van 14,2% aanzienlijk hoger dan de respectievelijke op dit moment geldende minimum niveaus (respectievelijk 4% en 8%)16.
Aangezien de Baselse kapitaaleisen geen juridische status hebben, worden ze voor Nederland en de andere EU-landen door middel van de Europese kapitaaleisenrichtlijn, genaamd de Capital Requirements Directive IV, geïntroduceerd. Nederland heeft oog voor de voordelen van uniforme eisen in Europa en een zogenaamde Single Rule Book om verstoring van level playing field en de zogenaamde nationale«gold plating» te voorkomen. Aan de andere kant kan het wenselijk zijn om onder omstandigheden op nationaal niveau aanvullende of strengere eisen op te leggen. Ongeacht het Single Rule Book heeft de toezichthouder echter altijd de ruimte (op grond van de zogenaamde Pillar II) om individuele in Nederland gevestigde instellingen (of groepen van instellingen die hetzelfde macro-economische exposure hebben) extra kapitaaleisen op te leggen wanneer daar aanleiding voor bestaat.
Is het waar dat de Baselse kapitaaleisen minimumeisen zijn, en dat het Nederland geheel vrij staat om hogere eisen te stellen?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u de analyse van de Bank of England die stelt dat een kapitaaleis van ruim tweemaal «Basel III» wenselijk is, en kent u de conclusies uit het Vickers-report? Wat is op beide analyses uw reactie?
Er zijn, naast het pleidooi van de heren Boot en van Tilburg, recent meerdere oproepen gedaan tot hogere kapitaaleisen, waaronder door de onderzoekers bij de Bank of England2, in het Vickers rapport3, en in het voorstel van een onafhankelijke expertcommissie in Zwitserland4.
Het discussion paper van Miles en Marcheggiona (Bank of England), dat ook in het Vickers rapport wordt aangehaald om te onderbouwen dat de eigenvermogenseis (voor bepaalde activiteiten/instellingen) hoger zou moeten zijn dan de 7%5 die Basel 3 minimaal voorschrijft, is een tentatieve aanzet voor verdere discussie over de optimale hoogte van de kapitaaleisen. Deze studie levert een range tussen 7% en 20% op in plaats van een getal dat de optimale omvang van de kapitaalbuffer zou moeten zijn. Aan het extreme uiteinde van de reeks staat een kapitaaleis van 20% onder de veronderstelling dat de kosten van hoger kapitaal veel lager zijn dan het Basel Committee on Banking Supervision («Basels Comité») berekende terwijl de baten erg hoog zijn (het vermijden van een crisis waarbij 140% van BBP voor een significant deel permanent verloren gaat). Aangegeven wordt dat dit zeer conservatieve aannames zijn. De studie laat zien dat de baten van extra eigen vermogen boven de 7% veel minder zijn dan bij een toename van eigen vermogen van 2% naar 7% procent (zoals bij de overgang van Basel 2 naar Basel 3).
Het Vickers rapport is een interim rapport dat is opgesteld door de onafhankelijke UK Banking Commission, die aanbevelingen doet hoe de bancaire sector in het Verenigd Koninkrijk te hervormen. In september 2011 wordt het definitieve rapport verwacht. Het is vooralsnog onduidelijk is of de Britse regering alle aanbevelingen zal overnemen.
De aanbevelingen met betrekking tot de hoogte van kapitaal in het Vickers rapport moeten in de context worden gezien van de aanbeveling die het rapport doet over de scheiding van consumenten- en zakenbankactiviteiten in het VK door middel van «ringfencing». Voor de zakenbankactiviteiten zou 7% eigen vermogen moeten worden aangehouden, voor de nutsactiviteiten 10% eigen vermogen.
De reden dat voor de in principe veiligere consumentenactiviteiten meer eigen vermogen moet worden aangehouden dan voor de zakenbankactiviteiten is dat zakenbankactiviteiten internationaal zijn en een hogere eigenvermogenseis opgelegd door het VK het level playing field zou schaden. Wel beveelt de UK Banking Commission aan dat de inzet van het VK in internationale overleggen zou moeten zijn dat voor systeemrelevante financiële instellingen (SIFI’s) minimaal 10% eigen vermogen moet worden aangehouden. De vier grootste banken in het VK (RBS, HSBC, Barclays en Lloyds) zijn allemaal SIFI’s en zullen op basis van de meest recente Baselse voorstellen waarschijnlijk zonder uitzondering voor al hun activiteiten (zowel nuts- als zakenbankactiviteiten) een «SIFI-buffer» eis krijgen bovenop algemene de 7% eigenvermogenseis. De eis voor 10% eigen vermogen voor nutsactiviteiten treft daarmee vooral de kleinere, lokale Britse banken en dochters van buitenlandse banken die op de Engelse consumentenmarkt actief zijn6. De UK Banking Commission heeft nog geen aanbevelingen gedaan voor de vormgeving van een eventuele ringfencing.
Over het onderwerp «scheiding nuts- en zakenbankactiviteiten» is uw Kamer naar aanleiding van het Kamerdebat over het rapport van de Commissie De Wit op korte termijn een afzonderlijke nota toegezegd.7 In deze nota, die ik spoedig naar de Kamer zal toezenden, zal ik nader ingaan op de aanbevelingen van de Commissie Vickers.
De hogere kapitaaleisen waarover in Zwitserland gesproken wordt (10% eigen vermogen plus 9% zogenaamde contingent convertible bonds) zouden uitsluitend van toepassing worden op de twee grootste banken in Zwitserland: UBS en Credit Suisse (zogenaamde systeemrelevante banken). De maatregelen schrijven een minimum kapitaaleis van 4,5% eigen vermogen (gelijk aan Basel 3) voor, aangevuld met een buffer van 8,5% (waarvan 5,5% eigen vermogen en 3% converteerbaar kapitaal) en een extra eis die toeneemt naarmate een bank meer systeemrelevant is (voor UBS en Credit Suisse betekent dit op dit moment een aanvullende eis van 6% van de risicogewogen activa). Deze maatregelen zullen resulteren in een totale solvabiliteitseis van 19% voor UBS en Credit Suisse, waarvan ten minste 10% eigen vermogen. Het is echter nog verre van zeker of het Zwitserse parlement uiteindelijk instemt met deze verhoging van kapitaaleisen. De verhouding met de voorstellen van Basel 3 en de Europese situatie licht ik hieronder nader toe.
Is het waar dat de Zwitserse toezichthouder een kapitaaleis van 20% stelt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening van de auteurs dat Nederland, met zijn financiële sector van meer dan vijfmaal het nationaal inkomen, Zwitserland moet volgen en veel hogere kapitaaleisen moet afdwingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de bankenlobby IIF dat hogere kapitaaleisen tot minder kredietverlening leidt, of deelt u de mening van het Basel III comité en ook het Centraal Planbureau dat dit effect hoogstens zeer tijdelijk is en op lange termijn gering, omdat de kosten van vreemd vermogen voor veiliger banken lager komen te liggen?
Meerdere studies proberen de kosten en baten van hogere kapitaal in te schatten, maar de resultaten van deze studies zijn helaas niet goed vergelijkbaar.
De impact studie van het Basels comité naar de effecten van hogere kapitaaleisen in de overgangsperiode8 kiest een modelmatige benadering maar kijkt slechts naar de effecten van de nieuwe Basel-eisen (de meest recente versie) op de kredietverlening en het nationale inkomen. Deze studie leidt overigens niet tot het ordeel dat de kosten van vreemd vermogen door meer kapitaal (ceteris paribus) lager zouden komen te liggen. De impact studie van het Basels comité naar de lange termijn effecten van hogere kapitaaleisen9 concludeert dat er substantiële baten zijn verbonden aan de hogere kapitaaleisen, vooral door het reduceren van de waarschijnlijkheid van toekomstige financiële crises. De studie van het Centraal Planbureau10 onderzoekt de effecten van hogere kapitaal voor de maatschappij als geheel (met inbegrip van de effecten op de kredietverlening). Het Institute of International Finance11 kijkt op modelmatige wijze naar het effect op de kredietverlening van niet alleen hogere kapitaal, maar ook naar andere voorstellen zoals resolutiefonden, bankbelasting e.d. Het gaat daarbij overigens uit van een eerdere, strengere versie van de Basel 3 eisen dan de huidige eisen.
Echter, we bevinden ons nog op onbekend terrein met Basel 3 door de unieke situatie dat vrijwel alle banken wereldwijd tegelijk hun kapitaal gaan versterken. Niemand weet precies hoe dat zal uitpakken en modellen blijven een versimpeling van de werkelijkheid. Daarom is het lastig te oordelen over de gevolgen voor de kredietverlening. Er zullen effecten zijn op de kredietverlening, maar ik deel de inschatting van DNB en CPB dat deze waarschijnlijk niet zeer groot zullen zijn.
Wat geldt voor de kosten, geldt in nog grotere mate voor de baten: deze zijn zeer moeilijk kwantitatief in te schatten. Dat laat onverlet dat de betrokkenen bij de aanscherping van de Baselse eisen zeer wel doordrongen zijn van het belang en de baten van hogere kapitaaleisen voor de maatschappij als geheel. Illustratief hiervoor is de navolgende uitspraak van de voorzitter van het Basels comité Nout Wellink: «hogere kapitaaleisen leiden tot strengere voorwaarden bij het verlenen van een krediet. Maar als de banken eenmaal hun buffers op een hoger niveau hebben gebracht, heeft dit ook merkbare voordelen. Banken met hogere buffers zijn beter in staat bedrijven en gezinnen door slechte tijden heen te helpen. Dat draagt bij aan een stabielere economische groei.»12 Een veiliger bancair systeem is dus een belangrijke motivatie voor de hogere Baselse kapitaaleisen en wordt geenszins buiten beschouwing gelaten.
Deelt u bovendien de mening van de auteurs van het bij vraag 1 genoemde artikel dat de kosten van hogere kapitaaleisen door banken worden overschat, en dat onterecht de baten in de vorm van veiliger banken buiten beschouwing blijven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u van plan om voorbereidingen te treffen om in Nederland hogere kaptiaaleisen te stellen, conform Zwitsers voorbeeld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De financiële problemen op Sint Maarten |
|
Martijn van Dam (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Premier Sint Maarten tegen controle Donner»?1
Ja.
Is het waar dat premier Sarah Wescot-Williams van Sint Maarten zich niet kan vinden in het advies van het College financieel toezicht aan de rijksministerraad om een aanwijzing te geven om het inzicht in de financiën van Sint Maarten te verbeteren en de begroting op orde te brengen?
Zie het antwoord op de 1e vraag van het lid van Raak (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2109) en de 3e vraag van het lid Bosman (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2110).
Zo ja, is dit niet opmerkelijk in die zin dat Sint Maarten en het College financieel toezicht de rijksministerraad gezamenlijk gevraagd hebben om een aanwijzing? Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Zoals u in het antwoord op de eerste vraag van het lid van Raak kunt lezen is dit niet langer het geval.
Hoe beoordeelt u de stelling van premier Wescot-Williams dat inzicht in de overheids-nv’s niet nodig en niet mogelijk is, en dat het College financieel toezicht met haar verzoek om een aanwijzing in dit kader de rijkswet financieel toezicht naar eigen hand wil zetten? Valt het verzoek om een aanwijzing volgens u binnen de kaders van de rijkswet financieel toezicht?
Zie het antwoord op de 1e vraag van het lid van Raak en op de 7e vraag van het lid Bosman. Hierbij ben ik voorts van mening dat het Cft met het verzoek om inzage in de financiële gegevens van overheidsNV’s niet probeert de rijkswet naar eigen hand te zetten. Het Cft heeft duidelijk aangegeven de inzage nodig te hebben om te kunnen beoordelen of er geen verplichtingen zijn die het eventuele gebruik van mogelijke reserves zouden belemmeren. Een verzoek om een aanwijzing kan binnen de kaders van de rijkswet vallen.
In hoeverre is de rijksministerraad voornemens om in lijn met het advies van het College financieel toezicht een aanwijzing te geven om het inzicht in de financiën van Sint Maarten te verbeteren en om de begroting op orde te brengen?
Zie het antwoord op de 4e vraag van het lid Bosman.
Herinnert u zich de antwoorden van de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de toenmalige minister van Financiën tijdens de schriftelijke behandeling van de rijkswet Financieel toezicht op de vragen wat de consequenties zouden zijn als Curaçao of Sint Maarten een aanwijzing van de raad van ministers van het Koninkrijk niet op zouden volgen? Herinnert u zich dat zij toen stelden dat het niet opvolgen van een aanwijzing dermate ernstig zou zijn dat zij niet bij voorbaat met die mogelijkheid rekening wensten te houden?
Ja. Deze antwoorden zijn te vinden in Kamerstukken II, 2009/10, 32 026 (R 1888), nr. 7, blz. 3.
Bent u van mening dat er – gezien de uitspraken van premier Wescot-Williams – wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de mogelijkheid dat Sint Maarten een aanwijzing van rijksministerraad niet op wil volgen? In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat Sint Maarten niet bereid is om een aanwijzing van de rijksministerraad die in lijn is met het huidige advies van het College financieel toezicht op te volgen? Wat kunnen hier de consequenties van zijn?
Vooralsnog heb ik geen reden om aan te nemen dat Sint Maarten een aanwijzing van de RMR niet zal opvolgen.
Welke mogelijkheden heeft de rijksministerraad om te garanderen dat aanwijzingen van de rijksministerraad op basis van advies van het College financieel toezicht om de begroting van Sint Maarten op orde te brengen wel opgevolgd worden? Gaat u hier eventueel gebruik van maken?
Zoals gezegd in het antwoord op de vorige vraag heb ik vooralsnog geen reden om aan te nemen dat Sint Maarten een aanwijzing van de RMR niet zal opvolgen. Mocht later blijken dat zulks wel het geval is dan zullen wij ons in de RMR nader beraden welke vervolgmogelijkheden er zijn.
Bieden de artikelen 43, 50 en 51 van het Statuut van het Koninkrijk de rijksministerraad in dit kader extra mogelijkheden? Zo ja, welke? In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat daar in de nabije toekomst gebruik van gemaakt zal worden?
Artikel 43, tweede lid, van het Statuut bepaalt dat het waarborgen van onder meer deugdelijk bestuur aangelegenheid van het Koninkrijk is. Artikel 50 biedt de mogelijkheid van schorsing en vernietiging van wetgevende en bestuurlijke maatregelen die in strijd zijn met de vereisten voor deugdelijk bestuur. Artikel 51 maakt het mogelijk bij algemene maatregel van rijksbestuur voorzieningen te treffen, wanneer een landsorgaan niet of niet voldoende voorziet in hetgeen het ingevolge onder meer rijkswet moet verrichten. De toepassing van de waarborgfunctie is een ultimum remedium. Dat betekent in dit geval dat toepassing van de waarborgfunctie pas aan de orde kan komen als is komen vast te staan dat intern redres niet meer mogelijk is, en dus dat de mogelijkheden binnen het land en van de Rijkswet financieel toezicht, volledig zijn uitgeput. In het uiterste geval zou dit kunnen betekenen dat de begroting van Sint Maarten op Koninkrijksniveau wordt vastgesteld. Maar, zoals de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al schreef, vertrouwen wij erop dat het zo ver niet zal hoeven komen.2
De kritiek van de regering van Sint Maarten op het financiële toezicht |
|
Ronald van Raak |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Hoe waardeert u het feit dat de regering van Sint Maarten, tegen alle afspraken in, nog steeds geen sluitende begroting heeft gepresenteerd?1 Waarom lukt het de regering van Sint Maarten niet om het College financieel toezicht acceptabele cijfers te leveren over de financiële situatie? Vermoedt u dat hier sprake is slechte wil?
In de beantwoording van deze vraag sta ik stil bij de ontwikkelingen van de afgelopen weken en eindig bij de stand van zaken op 2 april 2011. Hiermee kom ik ook tegemoet aan de wens van de Kamer om voor 5 april mijn visie te geven op het niet verschijnen van de minister-president van Sint Maarten op het overleg met het College financieel toezicht Cft en de consequenties hiervan voor het vaststellen van de begroting.
Het was al langer bekend dat het opstellen van een begroting voor 2011 binnen de daarvoor geldende regels een flinke opgave zou zijn voor Sint Maarten. Het betreft hier immers de eerste begroting voor het nieuwe land Sint Maarten. Op 27 december 2010 heeft de regering van Sint Maarten een door de Staten goedgekeurde begroting ingediend bij het Cft. Vervolgens heeft het Cft geconstateerd dat de begroting die door de Staten was goedgekeurd nog steeds een tekort vertoonde en heeft het Sint Maarten vervolgens tot 17 februari de tijd gegeven om met aanvullende maatregelen te komen. Deze zijn vervolgens op 18 februari door Sint Maarten ingediend.
In de laatste week van februari en de eerste week van maart is vervolgens intensief overleg gevoerd tussen het Cft en Sint Maarten over de begroting. Dit leek te hebben geresulteerd in een werkbare set afspraken, waarover het Cft op 3 maart een brief heeft gestuurd aan de ministerraad van het koninkrijk (RMR) met het verzoek die afspraken vast te leggen in beleidsregels. Vervolgens liet de regering van Sint Maarten weten niet te kunnen instemmen met de afspraken die tussen het Cft en de minister van Financiën waren gemaakt.
Ik heb in een gesprek met MP Wescot-Williams op 17 maart aangegeven dat het oordeel van het Cft op basis van de Rijkswet financieel toezicht leidend is. Er is verschil van inzicht tussen het Cft en Sint Maarten over de maximale omvang van de sluitende begroting. Het Cft ging daarbij uit van een maximale omvang van NAf 416 miljoen (gebaseerd op de groeiprognoses van de Centrale Bank en geëxtrapoleerde inkomstenramingen), terwijl volgens Sint Maarten de begroting NAf 461 miljoen moet zijn. Het verschil zou naar opvatting van Sint Maarten gefinancierd worden uit twee bronnen, nl een voorschot van Curaçao op de boedelscheiding van NAf 20 miljoen en door voor NAf 30 miljoen in te teren op financiële reserves. Wat de NAf 20 miljoen betreft, hierover zal moeten worden overlegd tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland; er zijn immers drie partijen betrokken bij de boedelscheiding.
Ten aanzien van de NAf 30 miljoen uit de reserves geeft het Cft aan eerst meer inzicht te willen hebben in de vermogenspositie van Sint Maarten, om te kunnen bepalen of er daadwerkelijk sprake is van reserves. Daarbij dient nadrukkelijk ook de vermogenspositie van overheids NV’s en -stichtingen en de mogelijke risico’s die deze met zich meebrengen voor de overheid van Sint Maarten in ogenschouw te worden genomen. Om te kunnen vaststellen dat er inderdaad sprake is van voldoende reserves en of deze kunnen worden gebruikt, moet het Cft dus eerst inzage in de recente (2010)(door een accountant gecontroleerde) jaarrekeningen van de overheid en de overheidsNV’s en -stichtingen krijgen. Ook dit heb ik op 17 maart bij de minister-president aangekaart en zij verzekerde mij dat het Cft inzage kon krijgen in de gevraagde gegevens, inclusief de jaarrekeningen van de overheidsNV’s.
Op 30 maart ontving ik een nieuwe brief van het Cft waarin het College «constateert dat Sint Maarten nog altijd niet beschikt over een vastgestelde begroting 2011» en dat «er op dit moment geen uitzicht bestaat dat binnen een redelijke termijn alsnog een vastgestelde begroting zal worden toegezonden die voldoet aan de criteria van de Rijkswet». Op basis van artikel 14 van de Rijkswet adviseert het Cft de RMR om Sint Maarten een aanwijzing te geven met als doel zo spoedig mogelijk tot een begroting te komen die voldoet aan de normen van artikel 15 Rijkswet financieel toezicht. Het Cft gaat in deze brief nader in op welke elementen onderdeel van de aanwijzing zouden kunnen zijn.
Op 31 maart ontving ik een brief van de Minister President van Sint Maarten, waarin de visie van de Raad van Ministers van Sint Maarten is weergegeven. De beide brieven zijn bijgesloten.2
De Rijksministerraad van 1 april heeft kennis kunnen nemen van beide brieven en heeft gesproken over de begroting van Sint Maarten en de naleving van de Rijkswet financieel toezicht. De Rijksministerraad overweegt een aanwijzing tenzij de Raad van Ministers van Sint Maarten de door het Cft geconstateerde gebreken onderkent en de noodzakelijke maatregelen om te komen tot een begroting – conform Rijkswet – neemt.
Op 4 april zal ik een gesprek voeren met de regering van Sint Maarten op basis van het inhoudelijke oordeel van het Cft.
In de Rijksministerraad van 15 april zal de begroting van Sint Maarten dan opnieuw aan de orde gesteld worden en zal ik u per brief informeren.
Over het niet verschijnen van de minister president van Sint Maarten bij het overleg met het Cft heb ik geen oordeel. De feitelijke gang van zaken is mij onbekend. Waar het om gaat is dat Sint Maarten haar afspraken gaat nakomen en handelt conform de Rijkswet Financieel toezicht.
Deelt u de opvatting van de minister van Financiën dat het land te weinig heeft geprofiteerd van de 1,5 miljard euro schuldsanering die Nederland in de toenmalige Nederlandse Antillen heeft geïnvesteerd en Sint Maarten om die reden niet gebonden is aan het financiële toezicht?
Ik deel die opvatting niet. Nederland heeft ruim Naf 1,5 miljard aan schuldtitels van het Land Nederlandse Antillen gesaneerd. Dit is schuld die het Land Nederlandse Antillen voor de uitvoering van zijn taken op al de eilanden, inclusief Sint Maarten, is aangegaan. Als Nederland deze schulden niet had gesaneerd was in de boedelscheiding nog ruim NAf 280 miljoen aan extra schuld bij het nieuwe land Sint Maarten terecht gekomen.
Daarnaast heeft Sint Maarten NAf 65 miljoen ontvangen voor de sanering van betalingsachterstanden. Dit had meer kunnen zijn, maar Sint Maarten heeft nagelaten tijdig achterstanden in te dienen voor sanering. Dat Sint Maarten dit heeft nagelaten is de eigen verantwoordelijkheid van Sint Maarten.
Voorts is de stelling dat Sint Maarten vanwege onvoldoende schuldsanering niet gebonden zou zijn aan het financieel toezicht volstrekt onterecht. Het financieel toezicht is geregeld in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Ook Sint Maarten heeft ingestemd met deze rijkswet en is daar evenzeer aangebonden als Curaçao en Nederland.
Zult u de regering van Sint Maarten toestaan om opnieuw geld te lenen en daarmee opnieuw schulden te maken, zoals de minister van Financiën wil?
Het is niet aan mij te besluiten over het aangaan van leningen door Sint Maarten. Als Sint Maarten in een door het Cft van een positief advies voorziene begroting de voornemens tot het aangaan van een lening heeft opgenomen en als door het Cft getoetst is dat de bij die lening behorende rentelasten binnen de rentelastnorm valt, kan Sint Maarten een lening aangaan.
Wat wel geldt is het feit dat zolang Sint Maarten nog geen begroting heeft vergezeld van een positief advies van het Cft de lopende inschrijving door Nederland op nieuwe leningen van Sint Maarten is opgeschort.
Waarom heeft de minister van Financiën een adviseur van het College financieel toezicht, de toegang tot een vergadering over de financiële situatie van het land geweigerd? Waarom acht u het acceptabel dat de regering van Sint Maarten bepaalt wie de adviseurs zijn van het College financieel toezicht?
De weigering van de minister om een adviseur van het Cft toe te laten berustte in dit geval op een incident. Het Cft behoudt zich het recht voor om zich te vergezellen van adviseurs bij de besprekingen tussen hem en de bestuurders van de landen Sint Maarten en Curaçao. Dit betekent dat het Cft bepaalt wie zijn adviseurs zijn en welke bij de vergaderingen tussen het Cft en de besturen van de betrokken landen worden betrokken.
Waarom heeft Sint Maarten nog steeds geen vertegenwoordiger geleverd voor het College financieel toezicht?
Sint Maarten heeft in de ogen van de RMR nog geen geschikte kandidaat voorgedragen. Ik zal de voordracht op 4 april bespreken met de regering van Sint Maarten.
Oud-bestuurders van de DSB-bank |
|
Ewout Irrgang |
|
|
|
Wat is de reden dat de toezichthouders de laatste herbeoordeling van de voormalig DSB-bestuurders in mei 2010 nog niet afgerond hadden1, terwijl uw ambtsvoorganger in november 2009 stelde dat de toezichthouders daar eind die maand klaar mee zouden moeten zijn?2
Hebben de toezichthouders inmiddels de laatste herbeoordeling afgerond? Zo nee, waarom hebben de toezichthouders meer dan een jaar nodig gehad om de laatste herbeoordeling uit te voeren? Zo ja, wanneer was deze toets afgerond? Waarom is er nog geen oordeel van de heer Scheltema over die herbeoordeling?
Bent u bereid actie te ondernemen om het proces te versnellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u precies doen?
Het vergroten van de Lotto-inkomsten voor de sport |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe beoordeelt u de wens van de Lotto dat sportverenigingen actief moeten worden betrokken bij het vergroten van de Lotto-inkomsten?1 Kunt u hierop een toelichting geven?
Op grond van de hun verleende vergunning hebben de Nederlandse kansspel-vergunninghouders een zorgplicht om op evenwichtige wijze vorm te geven aan hun wervings- en reclameactiviteiten, waarbij zij moeten waken voor onmatige deelname. Aan die zorgplicht hebben zij invulling gegeven door middel van de Gedrags- en reclamecode kansspelen (hierna: de gedragscode).
Ik kan mij voorstellen dat De Lotto beter onder de aandacht van het publiek wil brengen dat de afdracht van de door haar georganiseerde kansspelen voor een groot deel ten goede komt aan de sportsector. Op zich acht ik het niet ongewenst dat sportclubs bij deze ontwikkeling een rol spelen. De wet- en regelgeving bevatten geen beletselen daarvoor. Desgewenst kunnen kansspelorganisaties en begunstigden daarover zelf afspraken maken.
Mede vanwege de – steeds scherpere – eisen die het Europese recht aan de samenhang en consistentie van nationaal kansspelbeleid stelt, is het wel van belang dat de kansspelvergunninghouders transparantie en terughoudendheid in acht (blijven) nemen met betrekking tot hun reclameaanbod.
In dat verband heeft de toenmalige minister van Justitie in zijn brief van 27 juli 2009 over de evaluatie van de gedragscode (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 557, nr. 99) aangegeven dat de kosten van reclame-uitingen van begunstigden ten behoeve van kansspelvergunninghouders aan deze vergunning-houders moeten worden toegerekend, wanneer deze kosten voortvloeien uit een verplichting die door de vergunninghouders is opgelegd. Op die manier kan meer inzicht worden verkregen in de totale marketinguitgaven van de kansspel-vergunninghouders en kan de ontwikkeling van deze uitgaven beter worden gevolgd. Het Nederlands Kansspel Platform, waarin de kansspelvergunninghouders verenigd zijn, is inmiddels gevraagd de gedragscode op dit punt, evenals enkele andere punten, aan te scherpen.
Vindt u het een gewenste ontwikkeling als sportclubs actief deelname aan een kansspel gaan promoten? Is dit wettelijk toegestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de afhankelijkheid van sportbonden en sportverenigingen van de Lottogelden mag leiden tot de eis dat de bonden en verenigingen Lotto-leden gaan werven? Kunt u hierop een toelichting geven?
Zie antwoord vraag 1.
Is het noodzakelijk voor een goede sportbeoefening in Nederland om het gokken aan te jagen?
Nee.
Levert het aanjagen van gokken het goede Olympische klimaat op, in het licht van een eventueel bid op de Olympische Spelen in 2028?
Voor een goede sportbeoefening – en voor de verwezenlijking van andere maatschappelijke doelen – is financiering vanuit de kansspelopbrengsten van belang. Dat is in veel landen van de EU het geval; het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat opbrengsten van kansspelen mogen worden aangewend voor de financiering van maatschappelijke doelen, waaronder sport. Een intensivering van het sportbeleid, hetgeen tevens kan leiden tot een goed Olympisch klimaat, kan worden gerealiseerd door meer geld vanuit kans-spelen te laten vloeien naar de sport, zoals in het Regeerakkoord is opgenomen. Momenteel worden verschillende mogelijkheden daartoe onderzocht. Daarbij geldt als voorwaarde dat de doelstellingen van het kansspelbeleid niet in gevaar komen.
Om een gezond en veilig kansspelklimaat te creëren acht de overheid het wenselijk de vraag van de consument naar (bepaalde vormen van) kansspelen te leiden naar een gereguleerd aanbod. Tegelijk is het beleid gericht op het bestrijden van excessen, zoals kansspelverslaving, witwassen en andere vormen van criminaliteit. Hierin zit een zekere spanning: enerzijds dient het aanbod voldoende aantrekkelijk te worden gehouden; anderzijds dient de deelname niet nodeloos te worden gestimuleerd. Van het bevorderen of aanjagen van gokken is evenwel geen sprake.
Bent u bereid de basisinfrastructuur van de sport te garanderen in het kader van een eventueel bid op de Olympische Spelen?2 Wilt u de situatie dat deze basisinfrastructuur afhankelijk is van gokgelden in stand houden? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid extra te investeren in de basisinfrastructuur van de sport om deze afhankelijkheid te beëindigen?
De basisinfrastructuur van de sport is voldoende gegarandeerd door de huidige financieringsconstructie. Daarbij is de sportsector behalve van de contributies van leden afhankelijk van een aantal financieringsbronnen. Op lokaal niveau leveren gemeenten de grootste bijdrage aan basisvoorzieningen. Op landelijk niveau wordt de basisinfrastructuur voor topsport en breedtesport vooral betaald uit de afdrachten vanuit kansspelopbrengsten. Dat vloeit voort uit de Wet op de kansspelen en de op grond daarvan verleende vergunning(en). Vanuit de rijksbegroting worden aan voorzieningen en urgente thema’s extra impulsen gegeven. Juist de aanwending van verschillende financieringsbronnen maakt de sportsector minder afhankelijk en minder kwetsbaar.
Een bid op de Olympische Spelen is vooralsnog niet aan de orde. Maar de organisatie van dit evenement zal uiteraard niet ten koste gaan van de basisinfrastructuur van de sport.
Bent u van mening dat gokken op sportwedstrijden moet worden bevorderd of juist in de hand moet worden gehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van plan om het illegale gokken op sportwedstrijden op internet aan te pakken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat u dit doen?
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met de instelling van de kansspelautoriteit is thans in behandeling bij de Tweede Kamer. Na inwerkingtreding zal de kansspelautoriteit over bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten beschikken om het illegale aanbod van kansspelen, ook via internet, beter te bestrijden.
In maart zal de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de Kamer zijn nieuwe visie op het kansspelbeleid doen toekomen. Hierin zal hij onder andere ingaan op de regulering van kansspelen via internet en sportprijsvragen.
Bent u van mening dat gokken op randverschijnselen, zoals de eerste ingooi of de eerste gele kaart, omkoping in de hand werkt? Bent u van plan om het verbod hierop te handhaven?
Zie antwoord vraag 8.