Het bericht dat het Stella Maris in Meerssen gedeeltelijk stopt met Kunskapsskolan |
|
Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Wat vindt u van het bericht dat het Stella Maris in Meerssen gedeeltelijk stopt met Kunskapsskolan (een Zweeds onderwijsconcept dat uitgaat van gepersonaliseerd leren)?1
Het is niet aan mij een oordeel te hebben over het wel of niet stoppen van Kunskapsskolan op het Stella Maris, de invulling van het onderwijs is immers vrij. Aangezien de inspectie momenteel onderzoek doet naar het Stella Maris, zal ik uw vragen in algemene zin beantwoorden
Acht u het wenselijk dat de school vooralsnog het onderwijsconcept deels blijft aanbieden aan ouders en leerlingen, ondanks dat de kwaliteit van onderwijs onder druk staat gezien het oordeel van de Inspectie van het Onderwijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nadat de school door de inspectie als zeer zwak (havo) en onvoldoende (vwo) is beoordeeld, heeft het Stella Maris ervoor gekozen leerlingen en ouders zelf de keuze te laten maken om in dit schooljaar gebruik te maken van het concept van Kunskapsskolan. Er is inmiddels een interim--directeur aangetreden en deze heeft van de inspectie een herstelopdracht gekregen. De inspectie volgt deze school nauwgezet, er vindt in het voorjaar 2020 een herstelonderzoek plaats.
Hoe verhoudt de situatie op het Stella Maris zich tot de conclusie die de Onderwijsraad trekt dat scholen veel experimenteren met een andere aanpak, maar het vaak aan een goede en systematische evaluatie ontbreekt? Was dit op het Stella Maris ook het geval? Welke conclusie trekt u hieruit?
Bij het beoordelen van onderwijsconcepten in algemene zin is het van belang dat leraren, schoolleiders en bestuurders gebruik maken van de beschikbare (wetenschappelijke) kennis over wat werkt in de praktijk. De inspectie ziet toe op de kwaliteit van het onderwijs. Het onderzoek van de inspectie loopt op dit moment nog en het is aan de inspectie om uitspraken over kwaliteit op deze school te doen.
In hoeverre het Stella Maris systematisch heeft geëvalueerd kan ik op dit moment niet zeggen.
Acht u het wenselijk dat scholen een onderwijsconcept kunnen aanbieden zonder dat vooraf is vastgesteld of het concept kwalitatief in orde is en er in feite met leerlingen wordt geëxperimenteerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het staat scholen vrij een pedagogisch-didactisch onderwijsconcept te kiezen. Het is belangrijk dat bestaande en nieuwe scholen nadenken over de onderbouwing van hun onderwijsconcept.
Deelt u de zorg dat met het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen2 het makkelijker wordt om scholen te stichten op basis van allerlei (wetenschappelijk onbewezen) onderwijsconcepten met alle gevolgen van dien? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, die zorg deel ik niet. In de huidige situatie vindt er geen toetsing van de kwaliteit plaats in de besluitvorming over bekostiging van nieuwe scholen. Om te voorkomen dat er scholen met onvoldoende kwaliteit starten, introduceert het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen een kwaliteitstoets. Als deze wet van kracht wordt, zal een aanvraag tot het starten van een nieuwe school nog voor de start getoetst worden op deugdelijkheidseisen die inzicht geven in de te verwachten kwaliteit van de school.
De grote problemen bij het CBR |
|
Remco Dijkstra (VVD), Wytske de Pater-Postma (CDA), Rutger Schonis (D66), Jan de Graaf (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennis genomen van het artikel «CBR blundert met medische dossiers»?1
Ja.
Kunt u uitleggen bij hoeveel dossiers er problemen zijn en wanneer de problemen zijn rechtgezet?
Het CBR heeft mij gemeld dat zij in de periode januari tot en met juni 2019 71 gevallen heeft geconstateerd waarin een document van een bepaalde klant in het (digitale) dossier van een andere klant raadpleegbaar bleek te zijn. In alle gevallen is gehandeld volgens de binnen het CBR geldende procedure voor datalekken. In 2018 zijn er 5 soortgelijke gevallen geconstateerd.
Wanneer heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) voor het eerst geconstateerd dat medische dossiers verwisseld zijn en aan de dossiers van andere mensen zijn toegevoegd?
Het CBR heeft voor het eerst op 24 januari 2018 een datalek geconstateerd waarbij sprake was van een situatie waarin een document van een bepaalde klant in het (digitale) dossier van een andere klant raadpleegbaar bleek te zijn.
Zijn alle mensen, van wie data gelekt zijn, tijdig en juist geïnformeerd door het CBR?
Voor het melden van datalekken is bij het CBR een proces ingericht. Het CBR houdt zich aan AVG-wetgeving en heeft de datalekken op basis van de interne richtlijn «meldplicht datalekken» geconstateerd, geregistreerd, gemeld en afgehandeld. Overeenkomstig de meldplicht datalekken in de AVG-wetgeving moet, in de gevallen waarbij het datalek een hoog risico voor de betrokkene tot gevolg heeft, het datalek ook onverwijld medegedeeld worden aan de klant van wie de persoonsgegevens gelekt zijn. Het CBR heeft mij laten weten dat zij heeft gehandeld conform de meldplicht datalekken in de AVG-wetgeving.
Wanneer heeft het CBR u van dit probleem op de hoogte gesteld?
Het CBR heeft mij op 8 augustus 2019 geïnformeerd dat zij waren benaderd door een journalist met een vraag over medische gegevens die in de online omgeving van het CBR door onbevoegden in te zien zijn.
Wanneer heeft het CBR hiervan melding gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)? Kunt u deze melding aan de Kamer doen toekomen?
Het CBR heeft alle geconstateerde datalekken conform de meldplicht datalekken, steeds na constatering gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
De inhoud van de melding van een datalek aan de Autoriteit Persoonsgegevens is van vertrouwelijke aard. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens maakt deze informatie niet openbaar. Het CBR maakt melding van een datalek overeenkomstig het proces en het meldformulier van de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit proces en formulier is voor iedereen te raadplegen op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Is de leiding van het CBR «in control» bij het primaire proces?
Het CBR kampt met problemen in het primaire proces, waardoor de gemiddelde doorlooptijd bij de behandeling van een aanvraag voor een gezondheidsverklaring te lang is. De leiding van het CBR werkt er hard aan om de problemen het hoofd te bieden.
Herinnert u zich het plenaire debat over het CBR van 19 juni jl. waarin u stelde bezorgd te zijn over de aanpak om te voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en stelde «er niet aan te moeten denken dat daar iets mis mee zou gaan»? Welke stappen heeft u ondernomen om te voorkomen dat problemen als deze zouden ontstaan?
Het CBR heeft een plan van aanpak opgesteld om de risico’s aan te pakken die uit de uitgevoerde privacy impact assessments van de bedrijfskritische ICT-systemen zijn gekomen. De betreffende activiteiten zijn in uitvoering. Via periodieke overleggen van mijn medewerkers met de CIO en de functionaris gegevensbescherming van het CBR wordt mijn ministerie door het CBR geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak.
Bent u bereid elke maand een voortgangsrapportage naar de Kamer te sturen over het CBR met de kerncijfers, zoals alle termijnoverschrijdingen bij verleningen en keuringen?
Ja, ik ben bereid om de rapportage die het CBR maandelijks aan mij doet toekomen in het kader van het aangescherpt toezicht te delen met de Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
Het aanbieden van scholing over euthanasie bij psychiatrie door het Expertisecentrum Euthanasie van de Levenseindekliniek |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent ervan op de hoogte dat het Expertisecentrum Euthanasie van de Levenseindekliniek nascholing aanbiedt voor onder meer euthanasie bij psychiatrie?1
Ik ben op de hoogte dat het Expertisecentrum Euthanasie van de Levenseindekliniek nascholing aanbiedt voor onder meer euthanasie bij psychiatrie.
Deelt u de mening dat het primair aan de beroepsgroep is om scholing aan te bieden over euthanasie bij psychiatrie? Wordt deze scholing momenteel door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) actief aangeboden aan psychiaters? Zo nee, bent u bereid om de NVvP te stimuleren deze scholing aan te bieden?
Ik zie het als een belangrijke taak van de beroepsgroep om scholing aan te bieden over euthanasie bij psychiatrie. Ook de nascholing van de Levenseindekliniek kan een belangrijke bijdrage leveren aan kennis over dit thema. Op dit moment biedt de NVvP een training «Levensbeëindiging op verzoek met mensen met een psychische stoornis» aan. Deze training is door het Amsterdam UMC, locatie VUmc, ontwikkeld in samenwerking met het Onderwijsbureau van de NVvP om psychiaters (in opleiding) te ondersteunen bij het omgaan met verzoeken om levensbeëindiging in de psychiatrische praktijk. De module is beschikbaar als keuzeonderwijs en betreft een combinatie van online onderwijs en face-to-face bijeenkomsten.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is rond de implementatie van de nieuwe NVvP-richtlijn over euthanasie bij psychiatrie?
Voor een richtlijn geldt in het algemeen dat implementatie plaatsvindt door beroepsbeoefenaars en instellingen zelf. Van de NVvP heb ik wel begrepen dat zij voortvarend de Richtlijn »Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis» onder de aandacht heeft gebracht. De richtlijn is inmiddels gepubliceerd in de richtlijndatabase van de Federatie Medisch Specialisten. Daarnaast wordt de richtlijn binnenkort als geheel op de website van de NVvP geplaatst. Er is een uitgebreide samenvatting gemaakt die ook op de website NVvP wordt geplaatst. Ook is de richtlijn via diverse platforms toegelicht, bijvoorbeeld op het symposium van de NVVE op 11 oktober 2018 over euthanasie bij psychiatrie en tijdens het afgelopen voorjaarscongres van de NVvP. De NVvP werkt tot slot – in samenwerking met het ledenplatform euthanasie & psychiatrie en de KNMG – aan het stimuleren dat psychiaters zich beschikbaar stellen voor een second opinion en het bevorderen dat meer psychiaters de SCEN opleiding volgen en SCEN-arts worden. Het ledenplatform euthanasie en psychiatrie stelt zich ten doel kennis en ervaring te delen en te bevorderen met betrekking tot psychiatrische patiënten met een euthanasiewens, bijvoorbeeld door deskundigheidsbevordering.
Is er al een invloed merkbaar van deze richtlijn op het aantal doorverwijzingen naar de Levenseindekliniek?
De richtlijn van de NVvP is op 28 september 2018 gepubliceerd. Het is te vroeg om conclusies te verbinden aan het effect van de richtlijn op het aantal doorverwijzingen naar de Levenseindekliniek. In de Voortgangsrapportage Medische Ethiek van 3 juli jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de Levenseindekliniek heb gevraagd onderzoek te doen naar de groep patiënten met een psychiatrische aandoening die bij hen een euthanasieverzoek doet. De Levenseindekliniek onderzoekt daarbij de euthanasieverzoeken in de jaren 2012 tot en met 2018, in het bijzonder via welke weg de patiënten terechtkomen bij de Levenseindekliniek. Het onderzoek loopt tot het eind van dit jaar en ik verwacht u in het begin van 2020 over de uitkomsten te kunnen informeren.
Deelt u de mening dat psychiaters bij een verzoek tot euthanasie zelf meer het gesprek moeten aangaan? Zo ja, hoe wilt u dit stimuleren?
Hoewel ik het uitgangspunt ondersteun dat een euthanasieverzoek wordt behandeld binnen de relatie met de eigen arts, staat voor mij de zorgvuldigheid van de euthanasiepraktijk voorop. De zorgvuldigheid kan gewaarborgd worden in de behandelrelatie, bijvoorbeeld doordat de behandelend psychiater de patiënt en de behandelgeschiedenis goed kent. De zorgvuldigheid kan echter ook gewaarborgd worden door een doorverwijzing naar een collega of naar de Levenseindekliniek. Het staat een arts altijd vrij om zelf te bepalen of hij of zij een euthanasieverzoek in behandeling neemt of de patiënt doorverwijst. In dat geval is het noodzakelijk om dit in een zo vroeg mogelijk stadium aan de patiënt kenbaar te maken en dus het gesprek met de patiënt aan te gaan over een eventuele stervenswens.
De Levenseindekliniek is opgericht voor mensen wiens euthanasieverzoek voldoet aan de wettelijke eisen, maar waarbij de behandelend arts om wat voor reden dan ook het euthanasieverzoek niet in behandeling wil nemen. Daarbij fungeert de Levenseindekliniek als een vangnet voor de meer complexe euthanasieverzoeken, zoals bij psychiatrie. Hun expertise en werkwijze hebben toegevoegde waarde voor dergelijke verzoeken. Overigens kan de nascholing van de Levenseindekliniek omtrent euthanasie bij psychiatrie er ook aan bijdragen dat de behandelend arts zelf dergelijke euthanasieverzoeken behandelt.
Het bericht ‘TU Eindhoven stelt wetenschappelijke vacatures alleen open voor vrouwen’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Zohair El Yassini (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «TU Eindhoven wil alleen vrouwen aannemen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij het vervullen van wetenschappelijke vacatures de eerste prioriteit behoort te liggen bij de onderwijs- en onderzoekskwaliteit en -capaciteit en minder bij het geslacht van de medewerkers? Zo nee, waarom niet?
Voor kwalitatief goed wetenschappelijk onderzoek is samenkomst van verschillende perspectieven, achtergronden, oriëntaties en kennis een belangrijke randvoorwaarde. Meer variatie in visies en oplossingen resulteert in meer creativiteit en innovatie, betere resultaten en beter beleid. Het belang van diversiteit voor kwaliteit is daarmee evident, ook voor de TU Eindhoven (hierna TU/e). De TU/e neemt alleen excellent talent aan. Met het Irène Curie Fellowship haalt de TU/e talenten binnen die anders onvoldoende kans krijgen, door impliciete obstakels in diverse fasen van het wervingsproces.
Deelt u de mening dat er een verschil zit tussen enerzijds voorkeursbeleid en anderzijds uitsluiting op basis van geslacht, zoals de TU Eindhoven gaat doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, voorkeursbeleid kent vele vormen. Aangezien de vacatures na zes maanden alsnog ook voor mannen opengesteld worden wanneer er geen geschikte kandidaten zijn gevonden, is er geen sprake van uitsluiting.
In hoeverre botst het voornemen van de TU Eindhoven om mensen van een bepaald geslacht uit te sluiten van sollicitatie met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit artikel 1 van de Grondwet? Bent u bereid juridisch te laten toetsen of het beleidsvoornemen van de TU Eindhoven een vorm van arbeidsmarktdiscriminatie is? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om te beoordelen of dit beleid van de TU/e aan alle strenge regels rond voorkeursbeleid voldoet. Het is aan andere instanties, zoals het College voor de Rechten van de Mens, om dat te beoordelen. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde in 2012 dat de TU Delft vacatures louter voor vrouwen mocht openstellen, omdat de achterstand van vrouwen er zo hardnekkig was en omdat het doel was gelijkheid te creëren.
Welke redenen benoemt de TU Eindhoven zelf voor het feit dat het de universiteit niet eerder gelukt is om het gewenste percentage vrouwelijke wetenschappelijk medewerkers te behalen? Wat is er volgens hen anders dan bij andere technische universiteiten of bètafaculteiten?
De situatie bij de TU/e is soortgelijk als bij andere technische universiteiten. Wel staan zij er t.a.v. percentage vrouwelijke wetenschappers nog slechter voor dan andere technische universiteiten. De TU Delft en Universiteit Twente staan op een 11e respectievelijk 12e plaats in de ranglijst van 14 universiteiten t.a.v. het percentage vrouwelijke hoogleraren. De TU Eindhoven staat op plaats 14.
De impliciete genderbias speelt hierin een belangrijke rol en zorgt ervoor dat het percentage vrouwelijke wetenschappers maar langzaam stijgt. De TU/e ziet dat regelingen zoals de fellowships goed werken bij de Rijksuniversiteit Groningen en de TU Delft en heeft deze daarom als referentiekader genomen.
Welke maatregelen zijn uitgeprobeerd, maar waren naar eigen zeggen te weinig effectief? Wat is daar de reden voor? Is daar onafhankelijk onderzoek naar gedaan? Zo ja, kunt u dat met de Kamer delen?
Uit navraag bij de TU/e blijkt dat alle maatregelen die in de afgelopen tien jaar zijn genomen door de TU/e tot meer bewustwording van het probleem hebben geleid en ook tot een (langzame) stijging van het percentage vrouwelijk wetenschappelijk personeel, maar dat dit te langzaam gaat om de gestelde streefcijfers te behalen. De Tu/e laat weten dat onderstaande maatregelen tot dusver door de TU/e zijn uitgetest en de effecten ervan onderzocht zijn door de Human Performance Management groep binnen de TU/e:
Iedere benoemingsadviescommissie moet minimaal twee vrouwelijke leden hebben.
1/3 van de shortlist moet uit vrouwen bestaan.
Proactief scouten door inzet van aanwezige hulpbronnen, zoals eigen personeel.
Streefcijfers worden halfjaarlijks besproken met het CvB en de decanen van de faculteiten.
Interfacultaire commissies opstarten met als doel om tot een meer objectieve selectie en beoordeling van kandidaten te komen. Deze leden zijn getraind in het herkennen van impliciete bias en hebben interventiemethoden aangereikt gekregen.
Er is een streefcijfer gesteld voor de positie van universitair docent van 50–50%. Van 2008 tot 2019 heeft slechts een langzame verhoging van 17% naar 29% vrouwelijke UD’s plaatsgevonden.
Faculteiten hebben in samenwerking met het CvB targets gesteld om de diversiteit binnen de faculteit te verhogen en daarbij de manier gespecificeerd hoe zij de targets zouden halen.
Bent u bekend met het Rathenau-onderzoek naar «vrouwen in de wetenschap»?2
Ja.
In hoeverre wijken de voor TU Eindhoven specifieke cijfers af van de hierin beschreven gemiddelde cijfers, als het gaat om het percentage vrouwen, de gemiddelde duur tussen promotie en hoogleraarschap, leeftijdsverschil bij aanstelling en vertrek, etc.?
Hieronder vindt u de tabel met het percentage vrouwelijk wetenschappelijk personeel per functiecategorie in 2017, met het landelijk gemiddelde en de cijfers van de TU/e. De cijfers van de gemiddelde duur tussen promotie en hoogleraarschap en leeftijdsverschil bij aanstelling en vertrek, zijn niet bekend en kan ik daarom niet aan u voorleggen.
Hoogleraar
21%
13%
Universitair hoofddocent
29%
15%
Universitair docent
41%
27%
Overig wetenschappelijk personeel
44%
31%
Promovendus
43%
27%
Wat is het percentage Nederlandse vrouwen van het totaal aantal promovendi in technische vakgebieden dat is gepromoveerd in de jaren 1995–2010?
Onderstaande cijfers zijn afkomstig van het Rathenau Instituut. Het Rathenau Instituut baseert haar cijfers over promoties op cijfers van het CBS. In vrijwel de gehele vorige eeuw was het aandeel vrouwen bij de promoties op de instituten die nu onze technische universiteiten heten beperkt; het percentage lag tussen 0 en 10%. In 1994 kwam het percentage voor het eerst boven de 10% uit (11,3%) met 42 vrouwen en 331 mannen die promoveerden in de techniek. Daarna kwamen weer twee jaren van respectievelijk 9,3% (1995) en 9,7% (1996). De daaropvolgende jaren zijn de percentages verder gestegen.
1995
9,3%
1996
9,7%
1997
10,0%
1998
11,2%
1999
16,0%
1990
14,9%
2001
13,8%
2002
18,0%
2003
19,9%
2004
23,4%
2005
19,9%
2006
20,4%
2007
23,9%
2008
23,8%
2009
26,8%
2010
22,4%
Bij elkaar opgeteld zijn er in de periode van 1995–2010 7797 mensen gepromoveerd aan de technische universiteiten Delft, Eindhoven en Twente, waarvan 1439 vrouwen (18,5%). Aan de Wageningen University and Research ligt het absolute aantal vrouwelijke gepromoveerden in deze periode op 1317, het percentage vrouwelijke gepromoveerden is bijna het dubbele van dat van de technische universiteiten Delft, Eindhoven en Twente (35,8%).
Wat is op dit moment in potentie het aantal Nederlandse vrouwen dat universitair docent, universitair hoofddocent of hoogleraar kan zijn in een technisch vakgebied? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal vacatures dat de TU Eindhoven voorziet?
Het aantal Nederlandse vrouwen dat in potentie UD, UHD of hoogleraar kan zijn is niet te zeggen, omdat dit met veel verschillende en vaak onmeetbare factoren samenhangt. Daarnaast is wetenschap per definitie internationaal: vacatures worden niet alleen door Nederlanders vervuld. Het aandeel buitenlandse wetenschappers is groot op technische universiteiten, groter nog dan bij andere universiteiten. Uit cijfers van 2015 blijkt dat 29% van de UD’s, UHD’s en hoogleraren van buitenlandse komaf is. Bij de promovendi en postdocs ligt het percentage op respectievelijk 60% en 59%.
Wat is de verwachting dat dit vacaturebeleid heeft op het aantal mannelijke sollicitanten?
Dit vacaturebeleid kan een tijdelijk effect hebben op het aantal mannelijke sollicitanten van buiten de TU/e of de eigen populatie van mannelijke postdoctoraal onderzoekers. Ik wijs erop dat de vacatures algemeen opengesteld worden als het binnen zes maanden niet lukt om een geschikte kandidaat te vinden.
In hoeverre is het realistisch dat de TU Eindhoven gebruik zal maken van de door de universiteit benoemde «uitzonderingsmogelijkheid voor uitzonderlijke talenten»?
Ik ga ervanuit dat de TU/e voldoende zicht heeft op wetenschappelijk toptalent om daar zelf een oordeel over te vellen. Ik vertrouw erop dat zij doen wat het beste is voor hun eigen personeelsbestand, waar ik niet over ga.
Verwacht u dat dit beleid een belemmerend effect heeft op het verruimen van de capaciteit van onderzoek en onderwijs op het gebied van technische wetenschappen in Nederland? Zo ja, op welke wijze bent u bereid in te grijpen als die hoognodige capaciteit onder druk komt te staan?
Nee, dit beleid draagt juist op de lange en korte termijn bij aan het verruimen van de capaciteit van onderzoek en onderwijs in de technische wetenschappen. Het aantrekken van vrouwelijk talent zorgt voor vrouwelijke rolmodellen. Die zijn hard nodig voor het groeiend aantal vrouwelijk studenten, zodat ook zij een carrière voor zichzelf zien in de technische wetenschappen.
Door middel van de sectorplannen is er extra geld vrijgekomen voor meer vaste banen voor wetenschappelijk personeel in de bèta en technische wetenschappen. Aangezien na zes maanden de onvervulde vacatures alsnog algemeen open worden gesteld is het enige risico dat er zes maanden een onvervulde vacature is. De TU/e is zich daar volledig van bewust.
Welke meer inclusieve maatregelen kan de TU Eindhoven nemen om het percentage vrouwelijke wetenschappelijke medewerkers te vergroten? In hoeverre bent u bereid de TU Eindhoven te stimuleren meer inclusieve maatregelen te nemen?
De TU/e heeft al vele inclusieve maatregelen uitgeprobeerd, zoals bij vraag 6 beschreven. Helaas heeft dit niet geleid tot het gewenste effect. Er is hier sprake van een pilot van 1,5 jaar. De TU/e laat de effecten van de pilot monitoren door het Rathenau Instituut. Ik volg met interesse de resultaten van de pilot. Nogmaals, ik ga niet over het personeelsbeleid van de universiteiten.
Gaat de TU Eindhoven ook een eventuele «onbalans» in haar personeelsbestand repareren op basis van andere factoren dan geslacht, zoals het hebben van een beperking, leeftijd, politieke en ideologische voorkeur, afkomst of sociale klasse? Zo ja, kunt u deze beslissing en de maatregelen die de TU Eindhoven hiertoe neemt toelichten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat de TU Eindhoven de benoemde «onbalans» op basis geslacht belangrijker vindt?
De TU/e laat weten dat het zich met dit Irène Curie Fellowship alleen richt op de onbalans tussen mannen en vrouwen in de wetenschappelijk (kern) staf. De TU/e kijkt vanzelfsprekend niet naar politieke en ideologische voorkeur of sociale klasse bij het aanstellen van haar wetenschappelijk personeel. Op het gebied van afkomst, het hebben van een beperking, seksuele oriëntatie en leeftijd zijn op het moment geen extra maatregelen nodig. De populatie van TU/e-medewerkers bestaat uit 96 nationaliteiten en ook op het niveau van universitair docent, universitair hoofddocent en hoogleraar bestaat de populatie nog uit 40 nationaliteiten. Daarnaast bindt de TU/e mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan zich. De werkgroep en stuurgroep Participatiewet zetten zich hier voor in. Tevens heeft het Diversity Committee van de TU/e nauw contact met Compass, het netwerk van de TU/e voor de LGBTQ+ gemeenschap. Via het open kanaal met de LGBTQ+ proberen zij maatregelen te nemen die inclusie van LGBTQ+ bevorderen. Ten slotte heeft de medewerkerspopulatie van de TU/e een diverse leeftijdsopbouw. Binnen het Irène Curie Fellowship vallen vacatures voor zowel universitair docenten, universitair hoofddocenten en hoogleraren. Dit betekent automatisch dat ook verschillende leeftijdscategorieën worden aangesproken.
Onderwijs en leerlingenvervoer aan vluchtelingenkinderen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat voorschoolse educatie en onderwijs aan vluchtelingenkinderen niet alleen een recht is, maar ook essentieel voor hun ontwikkeling en bijdraagt aan integratie en participatie in de samenleving?
Ieder kind in Nederland heeft recht op onderwijs en goed onderwijs is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen. Onderwijs is van groot belang voor de integratie van kinderen die nieuw zijn in Nederland en hun functioneren in de samenleving.
Ook de ontwikkeling in de eerste jaren van een kind is essentieel en kwalitatief goede voorschoolse educatie draagt bij aan de vroege ontwikkeling van kinderen. Zoals ik al eerder heb toegezegd in een schriftelijk overleg over onderwijs aan nieuwkomers, ga ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) in gesprek over de toegang tot voorschoolse educatie van peuters in de asielopvang.1 Daarnaast zal ik een onderzoek doen naar het aanbod van voorschoolse educatie voor peuters in de asielopvang, naar aanleiding van de aangenomen motie van lid Westerveld.2
Wat is uw algemene beeld van het onderwijs aan vluchtelingenkinderen? Is bekend of het reguliere onderwijs en de internationale schakelklas (isk) voldoende is toegerust om deze kinderen een passend aanbod te bieden?
Er wordt door scholen heel hard gewerkt om alle kinderen die nieuw zijn in Nederland zo goed mogelijk onderwijs te bieden. Uit de Staat van het Onderwijs blijkt dat de onderwijskwaliteit van de basisscholen die nieuwkomersonderwijs geven voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. De kwaliteit van het nieuwkomersonderwijs is de laatste jaren stabiel voldoende.3
Het onderwijs aan nieuwkomers stelt scholen wel voor een uitdaging. Het is een vak apart om kinderen die nieuw zijn in het land Nederlands te leren. Ook vertoont de schoolloopbaan van nieuwkomers veel overgangen, vaak door verhuizingen horend bij de asielprocedure of de overstap naar een reguliere school. Daarom ondersteun ik scholen waar mogelijk bij deze uitdaging, bijvoorbeeld via de aanvullende bekostiging voor nieuwkomers en door subsidie te verlenen aan LOWAN, de organisatie die scholen ondersteunt die het onderwijs aan nieuwkomers verzorgen in het primair en het voortgezet onderwijs. Zij organiseren onder meer goed bezochte studiedagen en regionale bijeenkomsten waar informatie en expertise gedeeld wordt. Daarnaast maken zij voor het voortgezet onderwijs handreikingen gericht op bijvoorbeeld doorstroom naar vervolgonderwijs en loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
Tevens ondersteun ik in het voortgezet onderwijs de ontwikkeling van leerlijnen met uitstroomprofielen om doorstroom in het reguliere onderwijs op het juiste niveau te bevorderen. Deze leerlijnen zijn ontwikkeld door LOWAN en het Kennisinstituut voor Taalontwikkeling van de Universiteit van Amsterdam.
Herkent u de signalen dat kinderen naar een lager niveau gaan dan zij qua IQ en met passende begeleiding (bijvoorbeeld extra taallessen) aan zouden kunnen? Zo ja, wat kunt u doen om dit verbeteren?
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) geeft in de laatste Staat van het Onderwijs (in tabel 2.9a op pagina 76) gegevens over de schooladviezen voor nieuwkomers in vergelijking met schooladviezen voor alle leerlingen.4 Nieuwkomers stromen in vergelijking met andere leerlingen bijna drie keer zo vaak uit naar de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo en bijna acht keer vaker naar het praktijkonderwijs, en relatief minder vaak naar met name havo en vwo. Ook zien we dat nieuwkomers die 4 jaar of langer in Nederland zijn, vaker naar hogere onderwijsniveaus uitstromen dan nieuwkomers die korter in Nederland verblijven.
We zien dat kinderen met een grote taalachterstand het Nederlandse onderwijs binnenkomen. Taalverwerving kost tijd, een taalachterstand brengt het risico met zich mee dat een kind minder makkelijk zijn of haar onderwijsloopbaan doorloopt. Het is bekend dat hoe ouder een kind is wanneer hij of zij nieuw in Nederland komt, hoe lastiger het is om het Nederlandse onderwijs te volgen. Wanneer een kind maar korte tijd in Nederland het primair onderwijs volgt, dan is de overstap naar het voortgezet onderwijs logischerwijs ook lastiger. Het Centraal Planbureau heeft ook op basis van een cohortonderzoek vastgesteld dat ieder jaar dat een nieuwkomer eerder Nederland binnenkomt, de kans om een diploma in het hoger onderwijs te halen stijgt.5
Om te zorgen dat scholen optimaal onderwijs kunnen bieden aan kinderen van nieuwkomers zijn er, naast de reguliere bekostiging, verschillende regelingen waarmee aanvullende bekostiging wordt verstrekt. Mijn beleid is erop gericht dat scholen deze middelen gebruiken om gespecialiseerd en regionaal georganiseerd onderwijs voor nieuwkomers aan te bieden. Ik ben blij met de grote inzet van scholen die dit onderwijs geven. Scholen en gemeenten kunnen hun eigen afwegingen maken hoe dit precies wordt vormgegeven. Er zijn bijvoorbeeld veel basisscholen die nieuwkomerskinderen voor één tot anderhalf jaar opvangen in schakelklassen die gericht zijn op de Nederlandse taal, zodat kinderen zo goed mogelijk worden voorbereid op het reguliere onderwijs. Andere scholen maken de afweging om nieuwkomerskinderen juist in reguliere klassen op te vangen, maar hen daarbij wel extra taalonderwijs aan te bieden.
Wat zijn de laatste cijfers inzake onderadvisering van vluchtelingenkinderen? Kunt u hierbij aangeven wat de doorstroom en uitstroomniveaus van leerlingen met een vluchtachtergrond zijn ten opzichte van andere leerlingen?
Zie voor de laatste cijfers over advisering het antwoord op vraag 3. In hoeverre er sprake is van onderadvisering, is op basis van deze cijfers niet precies te zeggen.
De inspectie heeft in de Staat van het Onderwijs aangegeven dat het de vraag is of het basisonderwijs er in de beschikbare tijd in slaagt om bij nieuwkomers een voldoende basis te leggen voor een passende uitstroom naar het vo. Hierbij is het belangrijk om rekening te houden met hetgeen ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven: taalverwerving kost tijd en hoe ouder het kind is wanneer het in het Nederlandse onderwijs start, hoe groter de uitdaging voor het kind en het onderwijs.
Wordt bijgehouden hoeveel kinderen uit de brede groep nieuwkomers tijdelijk of langere tijd niet naar school gaan, inclusief de redenen voor dit verzuim? Zo ja, kunt u ons een overzicht sturen?
Nee, dit wordt niet bijgehouden. Er zijn bij Ingrado (de vereniging van leerplichtambtenaren) alleen algemene cijfers bekend over de hoeveelheid leerlingen die niet naar school gaan, maar deze cijfers zijn niet uitgesplitst naar achtergrond van de leerling en dus ook niet naar de verblijfsduur van de leerling in Nederland. Volgens Europese richtlijnen moeten kinderen na binnenkomst in Nederland ten minste binnen drie maanden naar school en dit lukt in Nederland in vrijwel alle gevallen. Uit een eerdere inventarisatie van het COA bleek dat 94% van de leerplichtige asielzoekerskinderen naar school ging6.
Herkent u signalen dat scholen soms aanmeldingen van nieuwkomers weigeren en kinderen daardoor soms niet in de eigen buurt naar school kunnen? Zo ja, mag dit volgens wet- en regelgeving? Zo nee, waar kunnen deze signalen worden gemeld en hoe wordt dit opgepakt?
De inspectie heeft bij mij aangegeven individuele signalen te kennen, maar hier geen concrete cijfers over te hebben. Voor de kinderen in de asielopvang maakt COA bestuurlijke afspraken met de gemeente over het onderwijs: gemeenten nemen hiermee de verantwoordelijkheid op zich voor het onderwijs van de kinderen in de asielopvang. In de praktijk zien we dat gemeenten in gesprek gaan met de schoolbesturen om samen te bepalen naar welke school de kinderen uit de asielopvang gaan. In het uitzonderlijke geval waarin mij een signaal bereikt dat kinderen uit de asielopvang toch niet naar school gaan, gaat het ministerie met de betrokken partijen in gesprek om te zorgen dat deze kinderen zo snel mogelijk wel naar school gaan. In het voortgezet onderwijs zien we in de praktijk dat internationale schakelklassen vaak een regionale functie hebben, zodat zij zich kunnen specialiseren in het onderwijs aan nieuwkomers. In het primair onderwijs specialiseren scholen zich ook, maar wordt de reisafstand voor de kinderen waar mogelijk kleiner gehouden in verband met hun jongere leeftijd.
De regelgeving voor toelating tot scholen maakt geen uitzonderingen voor nieuwkomers. De basisregel voor toelating in het primair en voortgezet onderwijs is te vinden in artikel 40 Wet op het primair onderwijs respectievelijk artikel 27 Wet op het voorgezet onderwijs: het uitgangspunt is dat het bevoegd gezag de voorwaarden voor toelating bepaalt. Scholen mogen toelatingsbeleid voeren op denominatieve gronden (volgt uit artikel 23 van de Grondwet), maar ook op basis van vrijheid van inrichting (pedagogische-organisatorische autonomie). Voor openbare scholen is die ruimte beperkter dan voor bijzondere scholen, omdat voor het openbaar onderwijs de garantiefunctie van algemene toegankelijkheid en algemene beschikbaarheid geldt. Scholen dienen hun toelatingsbeleid consequent toe te passen en mogen bij het voeren van dit beleid niet in strijd handelen met grondrechten, zoals het gelijkheidsbeginsel.
Wie is verantwoordelijk voor hulp aan de ouders (of begeleiders of verantwoordelijke NIDOS voogden), zodat kinderen naar school kunnen? Wat houdt deze verantwoordelijkheid in?
Ouders die nieuw zijn in Nederland zijn, net als alle andere ouders, verantwoordelijk voor het onderwijs aan hun kinderen. Wanneer een alleenstaande minderjarige vreemdeling een voogd via het NIDOS heeft, dan biedt het NIDOS waar nodig ondersteuning aan de voogd zodat een kind naar school gaat. Wanneer een gezin op een COA-locatie verblijft, dan biedt het COA de ouders hulp zodat de kinderen naar school kunnen. Als een gezin niet in de opvang van COA verblijft, dan vervalt deze ondersteuning. In de praktijk biedt onder andere Vluchtelingenwerk Nederland maatschappelijke begeleiding aan vluchtelingen, wanneer zij naar een eigen woning in de gemeente verhuizen. Vluchtelingenwerk Nederland helpt met praktische zaken, onder meer met het zoeken van een school voor de kinderen. Daarnaast kunnen ouders die nieuw zijn in Nederland, net als andere ouders, met vragen over het onderwijs contact zoeken met het informatiepunt van Ouders & Onderwijs.
Wie kan erop worden aangesproken als op school geen passende plek is of leerlingenvervoer niet wordt geregeld?
Wanneer het gaat om een kind met extra ondersteuningsbehoefte, dan kan het schoolbestuur aangesproken worden wanneer er geen passende plek op een school is. Wat betreft leerlingenvervoer heeft mijn voorganger Sander Dekker gemeenten opgeroepen om coulant om te gaan met verzoeken tot leerlingenvervoer van deze doelgroep. Over de afspraken met gemeenten heeft hij uw Kamer geïnformeerd op 20 mei 2016.7
Wie kan worden aangesproken op schoolverzuim voor kinderen van wie de ouders niet in beeld zijn en wie heeft daarbij een rol om dit schoolverzuim aan te pakken?
Net als bij iedere andere leerling is hier een taak weggelegd voor de leerplichtambtenaar. Wanneer het een kind betreft van wie de ouders niet in beeld zijn, dan is de voogd of het NIDOS aanspreekpunt in het geval van schoolverzuim.
Klopt het dat het recht op leerlingenvervoer via het COA vervalt wanneer een gezin een woning krijgt toegewezen en dat de aanvraag voor leerlingenvervoer dan weer helemaal opnieuw moet worden gedaan?
Ja, dat klopt. Wanneer een gezin een woning krijgt toegewezen, dan is het COA niet langer verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van het gezin en derhalve ook niet voor het vervoer van het kind van en naar school. Meestal betekent de toewijzing van een woning dat een gezin verhuist naar een andere gemeente, dan moet er als het vervoer nog steeds noodzakelijk is door de ouders een nieuwe aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar het kind woont. In mijn antwoord op vraag 12 ga ik nader in op het leerlingenvervoer.
Klopt het dat door het ontbreken van leerlingenvervoer kinderen soms wekenlang niet naar school kunnen? Zo ja, wat kunt u hier aan doen?
Deze signalen zijn bij mij en bij de inspectie niet bekend.
Bent u bereid om met gemeenten afspraken te maken zodat ouders en kinderen (en waar van toepassing voogden) beter worden ondersteund in het aanvragen van leerlingenvervoer?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 8, heeft mijn voorganger Sander Dekker gemeenten opgeroepen coulant om te gaan met verzoeken tot leerlingenvervoer van deze doelgroep. Het COA maakt over iedere opvanglocatie bestuurlijke afspraken met de gemeente, waar onderwijs een onderdeel van is. Hierbij maken de gemeente en COA ook afspraken over het faciliteren van onderwijs (en daarmee ook het leerlingenvervoer), conform de Regeling verstrekkingen asielzoekers. Wanneer een kind niet langer bij COA verblijft, dan geldt dezelfde regelgeving als voor alle andere leerlingen en is de gemeente verantwoordelijk voor het eventuele leerlingenvervoer. Taalklassen, schakelklassen of Internationale Schakelklassen (ISK’s) kunnen beschouwd worden als de «dichtstbijzijnde toegankelijke school»: voor leerlingen die naar deze voorzieningen moeten voor een passend aanbod, geldt de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar zij verblijven. Omdat er bij mij geen signalen bekend zijn dat kinderen soms langere tijd niet naar school gaan door het ontbreken van leerlingenvervoer, zie ik geen aanleiding om hier nadere afspraken over te maken.
Deelt u de mening dat fietsen naar school soms een probleem is omdat jonge kinderen die uit landen komen met een andere fietscultuur, vaak niet kunnen fietsen? Zo ja, wat kunt u doen om gemeenten te ondersteunen in het bieden van hulp aan deze ouders (en zo nodig voogden)?
Het COA biedt asielzoekers een programma over verkeersveiligheid, met de mogelijkheid tot fietslessen om hen kennis te laten maken met onze fietscultuur. In het voortgezet onderwijs biedt LOWAN ondersteuning, samen met de VO-raad.
De hoge ouderbijdrage van ouders met hoogbegaafde kinderen |
|
Lisa Westerveld (GL), Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Ouders hoogbegaafde kinderen zijn hoge ouderbijdrage school beu»?1
Ja.
Bent u het met deze ouders eens dat een ouderbijdrage van 500 euro te hoog en in strijd met de richtlijn van de PO-Raad is?
Het onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen moet net als voor andere leerlingen vrij toegankelijk en kosteloos zijn. Scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs moeten gezamenlijk voorzien in een passend aanbod voor elke leerling, ook voor (hoog)begaafde leerlingen. Indien aparte voorzieningen nodig zijn om in de ondersteuningsbehoefte van een leerling te voorzien, dan dient daarin te worden voorzien door de eigen school of samenwerkingsverband. De toelating hiertoe mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders.
Zolang de bijdrage expliciet vrijwillig is mag een school de hoogte van de bijdrage in overleg met de medezeggenschapsraad zélf bepalen. Tegelijkertijd ben ik het met de PO-Raad eens als zij in haar richtlijn opneemt dat impliciete drempels ontoelaatbaar zijn. Een hoge vrijwillige ouderbijdrage kan in mijn ogen een impliciete drempel opwerpen, omdat het ouders tegenhoudt om hun kind aan te melden.
Waar kunnen ouders terecht als zij vinden dat het schoolbestuur en het samenwerkingsverband passend onderwijs onvoldoende oor hebben voor hun argumenten?
Een gesprek met de medezeggenschapsraad, de directeur van een school of het samenwerkingsverband kan vaak al veel oplossen. Mocht dit niet het gewenste resultaat hebben dan bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de school. De klachtenprocedure is te vinden in de schoolgids van de betreffende school.
Hoe staat het met de extra subsidieregeling voor hoogbegaafdenonderwijs? Zijn er veel aanvragen? Zou een aanvraag die tot doel heeft de ouderbijdrage te normaliseren kansrijk zijn? Zo nee, waarom niet?
De beoordelingscommissie is bezig met het beoordeling van de aanvragen. Er is sprake van een grote diversiteit aan keuzes voor doelgroepen en doelstellingen bij de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd. Het belang van expertiseontwikkeling, kennisdeling en samenwerken op regionaal niveau komt daarbij in veel varianten terug in de plannen. Waar dit aansluit op de huidige stand van zaken in een regio, houden samenwerkingsverbanden er rekening mee dat ook de basisondersteuning op hun scholen nog beter moet worden ingericht.
Van de 152 samenwerkingsverbanden hebben 147 een (gezamenlijke) subsidieaanvraag ingediend om het onderwijs- en ondersteuningsaanbod in hun regio verder vorm te geven. Of een aanvraag die zich (mede) richt op beperking van vrijwillige bijdragen voor ouders succesvol is, hangt af van de kwaliteit van de aanvraag en in hoeverre deze aan de subsidievoorwaarden voldoet. De subsidieregeling heeft tot doel het aanbod voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid te ontwikkelen, bestendigen of uit te bouwen. Van subsidieaanvragers (samenwerkingsverbanden) wordt co-financiering verwacht. In de regeling is bepaald dat de co-financiering niet mag worden betaald door ouders.
Bent u bereid contact op te nemen met het samenwerkingsverband passend onderwijs in de regio Nijmegen en het betreffende schoolbestuur en hen te adviseren over de mogelijkheden om dit type onderwijs te financieren zonder hoge ouderbijdrage?
Graag verwijs ik het schoolbestuur en het samenwerkingsverband voor advies door naar het Informatiepunt Onderwijs en Talentontwikkeling van de SLO. Wel zal ik dit voorbeeld meenemen bij een eerstkomend bestuurlijk overleg met de PO-Raad.
Weet u voor hoeveel andere hoogbegaafdenklassen in Nederland er nog steeds (hele) hoge ouderbijdragen gevraagd worden? Zo nee, bent u bereid dit uit te laten zoeken en ons een overzicht te sturen?
Er is geen compleet beeld bij hoeveel hoogbegaafdenklassen vrijwillige ouderbijdragen worden gevraagd. Ik ben bereid om voor de volgende Schoolkostenmonitor in gesprek te gaan met de onderzoekers om te bezien of zij een representatief beeld kunnen geven over de ouderbijdrage voor het onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de laatste Schoolkostenmonitor in maart 2019 is verschenen en dat de volgende pas weer over twee jaar zal verschijnen.
Weet u waarom de vrijwillige ouderbijdragen voor «extra ondersteuning» in de Schoolkostenmonitor niet verder zijn uitgesplitst, waardoor er geen zicht is op het verschil in ouderbijdrage tussen bijvoorbeeld ondersteuning bij dyslexie en hoogbegaafdheid? Bent u bereid het verschil hiertussen bij de volgende Schoolkostenmonitor mee te nemen?
De onderzoekers hebben deze splitsing niet gemaakt omdat de Schoolkostenmonitor slechts een klein aantal ouders van leerlingen dat dit soort onderwijs volgt wist te bereiken. Bij de volgende Schoolkostenmonitor zal ik van te voren met de onderzoekers in gesprek gaan om te onderzoeken of zij hier extra aandacht aan kunnen besteden om zo een meer representatief beeld te schetsen van de ouderbijdrage voor extra ondersteuning.
Wat vindt u ervan dat de gemiddelde ouderbijdrage voor extra ondersteuning 336 euro bedraagt?
Zie antwoord op vraag 2.
Heeft u er zicht op of ouders die om een hogere ouderbijdrage voor extra ondersteuning gevraagd worden, zich vaker verplicht voelen om deze te betalen, en of deze ouders vaker dan gemiddeld hun schoolkeuze af laten hangen van de vrijwillige ouderbijdrage? Zo nee, kunt u dit bij de volgende Schoolmonitor laten onderzoeken?
Uit de Schoolkostenmonitor po, vo, mbo 2018–2019 blijkt dat bij bijna alle ouders de hoogte van de kosten niet van invloed is geweest op de schoolkeuze voor hun kind. Hieronder vallen ook ouders die een hoge(re) geldelijke bijdrage betalen voor extra ondersteuning.
Bent u er ook van geschrokken dat de hoogste vrijwillige ouderbijdrage voor extra ondersteuning het afgelopen schooljaar 1.625 euro bedroeg? Vindt u dat er een plafond moet komen aan het bedrag dat als vrijwillige ouderbijdrage gevraagd mag worden?
Ik ben hiervan geschrokken, maar ik wil benadrukken dat het hier om uitzonderingen gaat. Zoals eerder aangegeven in mijn brief van 7 maart 2018 kent het instellen van een maximum aan de vrijwillige ouderbijdrage ook nadelen. Daarom wil ik vooralsnog geen maximum bedrag invoeren.
Deelt u de mening dat speciaal onderwijs onderdeel is van het basisaanbod en geen extra bijdrage rechtvaardigt?
Elke leerling in Nederland kan kosteloos naar school. De wet is daarover heel duidelijk. Scholen mogen aan ouders wel een bijdrage vragen. Die bijdrage is altijd vrijwillig. De keuze om deze bijdrage wel of niet te betalen mag geen consequenties hebben voor deelname aan het onderwijsprogramma. Ook daarover is de wet duidelijk.
Het bericht ‘Algemene voorwaarden en verzekering rijscholen niet altijd op orde’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met artikel van BNR Nieuwsradio en feit dat rijscholen hun algemene voorwaarden en verzekeringen niet altijd op orde hebben?1
Ja.
Is het waar dat er zich situaties voordoen waarbij leerlingen moeten opdraaien voor verkeersovertredingen of schade die zij veroorzaken tijdens de rijles, omdat de rijschool de zaken niet op orde heeft?
De branchepartijen hebben aangegeven dat zij enkele voorbeelden kennen van situaties waarbij leerlingen schade en/of boetes zouden moeten betalen. Het betreft hier niet bij hen aangesloten rijscholen.
Hoe is het mogelijk dat rijscholen rondrijden met auto’s die niet of onvoldoende verzekerd blijken te zijn of niet verzekerd zijn voor inzittenden? Zijn hier cijfers van bekend? Zo ja, kunt u dan een overzicht bieden van de laatste drie jaar.
Er zijn bij mij geen rijscholen bekend die lesauto’s inzetten die niet voldoen aan minimale basis wettelijke aansprakelijkheid (WA) en dus onverzekerd zijn. Dat is een verplichting voor iedere autobezitter.
Aanvullende verzekeringen, zoals een Casco (All Risk) en de inzittendenverzekering zijn niet verplicht en worden niet centraal geregistreerd. Er zijn daarover dan ook geen cijfers bekend.
Hoort het niet zo te zijn dat brancheorganisaties bij het signaleren van dergelijke situaties deze rijscholen direct behoren te verwijderen uit hun ledenbestand? Hoeveel en welke brancheorganisaties zijn u bekend? Hoe controleren zij hun leden op onder andere verzekeringen, algemene voorwaarden en integer en correct handelen? Wat heeft het Rijleskeurmerk voor waarde? Hoe kan een leerling vooraf weten aan welke eisen wel of niet is voldaan om dit keurmerk te krijgen? Hoe wordt omgegaan met individuele rijscholen die zich niet aan bepaalde standaarden houden en op het randje of discutabel opereren?
De brancheorganisaties BOVAG, FAM en VRB hebben allen aangegeven dat ze leden jaarlijks controleren op verzekeringen, algemene voorwaarden en integer en correct handelen. De leden dienen hun polissen ter inzage te overleggen. Hoewel dit nog niet is voorgekomen wordt bij niet voldoen het lid geroyeerd.
Het Rijleskeurmerk is een particulier vrijwillig initiatief en geeft informatie op hun website. Er bestaat geen landelijk verplicht keurmerk voor rijscholen en ook de voorwaarden zijn afhankelijk van de individuele rijschool. Elke leerling of ouder kan vooraf de individuele voorwaarden van de rijschool opvragen.
Er is een klein aantal voorbeelden van afwijkende voorwaarden door de branche gemeld en door mij doorgezet naar de ACM om mogelijke consumentenmisleiding te onderzoeken. Het CBR besteedt in de campagne rijbewijstips aandacht aan het kiezen van een goede rijschool en waar deze aan moet voldoen.
Er zijn wettelijk geen mogelijkheden om individuele rijscholen aan te spreken op vastgelegde standaarden die de consument beter kunnen beschermen. Wel onderzoek ik in overleg met de branche andere mogelijkheden om dit beter te organiseren en zal ik in het beantwoorden van de Kamervragen2, die hierover zijn gesteld door lid van Dijk met betrekking tot het faillissement van de rijschool in Zoetermeer, nader ingaan op de verschillende scenario’s die ik in overleg met de branche zal onderzoeken.
Wanneer zijn de eerste resultaten te verwachten waarbij rijscholen die niet aan de eisen voldoen hun bevoegdheid wordt ontnomen, nu de Wet Rijonderricht Motorrijtuigen (gewijzigd) door de Tweede Kamer is aangenomen?
De Wet Rijonderricht Motorrijtuigen (WRM) regelt dat instructeurs moeten voldoen aan de verplichte bijscholing en praktijkbegeleiding. Er worden in de WRM geen eisen gesteld aan rijscholen.
Hoe staat het met gesprekken met de branche en de voortgang om het kaf van het koren te scheiden en de rijschoolbranche op te schonen van lieden die daar niet horen? Welke sancties zijn er en welk toezicht is verder mogelijk om rijinstructeurs die niet aan de eisen voldoen tijdelijk of definitief uit de branche te verwijderen?
De rijschoolbranche is een vrije sector en niet gebonden aan wettelijke vestigingsregels. Mijn Ministerie onderzoekt samen met de branche, het CBR en het IBKI de mogelijkheden de kwaliteit van rijscholen te verbeteren en de consument (beginnend bestuurder) beter te beschermen. Te denken valt hier aan het mogelijk maken van onderdelen van het verbeterplan van de branche (BOVAG, FAM en VRB). Ik heb er vertrouwen in dat het nieuwe educatieve traject in de WRM zal bijdragen aan verbetering. Ik ben erg blij dat de branchepartijen actief meewerken en samen met mij ervan overtuigd zijn dat een professionele rijschoolbranche cruciaal is voor de verkeersveiligheid. Voor de sancties aangaande rijinstructeurs wordt verwezen naar het antwoord van vraag 5.
Deelt u de mening dat onverzekerd rondrijden onacceptabel is? Op welke manier wordt hierop gehandhaafd? Wat zijn de sancties bij onverzekerd rijden en kan er preventief ingegrepen worden?
Ja, dat deel ik.
De sanctie (hechtenis of geldboete) is wettelijk geregeld in de Wet Aansprakelijkheid Motorijtuigen (WAM) en wordt in opdracht van het OM door de RDW gecontroleerd in het Kentekenregister en door handhaving op straat. In het Kentekenregister wordt geen onderscheid gemaakt naar personenauto’s die gebruikt worden als lesauto. Dit geldt niet voor de casco (AllRisk) en inzittendenverzekering, waar de brancheorganisaties dus een belangrijke rol spelen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘slapeloze nachten voor hoogbegaafden nu het Leids initiatief voor educatie LIVE per 1 mei stopt’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Slapeloze nachten voor hoogbegaafden nu het Leids initiatief voor educatie LIVE per 1 mei stopt»?1
Ja.
Klopt het dat het samenwerkingsverband in die regio een taakstelling heeft met betrekking tot thuiszitters? Zo ja, welke taakstelling is dit precies?
Bij het Leids initiatief voor educatie (LIVE) zijn drie samenwerkingsverbanden betrokken: Passend Primair Onderwijs regio Leiden (PPO Leiden), Samenwerkingsverband Passend Onderwijs VO 2801 Leiden (VO Leiden) en Samenwerkingsverband Rijnstreek (PO Rijnstreek). SWV PPO Leiden heeft een herstelopdracht van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) voor structureel herstel van het dekkend netwerk per 1 augustus 2019. De samenwerkingsverbanden VO Leiden en PO Rijnstreek hebben geen herstelopdracht met betrekking tot thuiszitters vanwege ontbrekend aanbod.
Klopt het dat er leerlingen thuis komen te zitten omdat het project LIVE in Leiden gestopt is? Klopt het dat er voor deze kwetsbare groep kinderen geen alternatief voorhanden is? Zo ja, wat is de rol en taak van het betreffende samenwerkingsverband om deze kinderen onderwijs te bieden?
De financiering door de gemeente voor het initiatief LIVE is op 1 mei 2019 gestopt. In totaal gingen dertien leerlingen naar het initiatief LIVE, zeven leerlingen uit het primair onderwijs (PO) en zes leerlingen uit het voortgezet onderwijs (VO). In verband met de privacy kan ik niet ingaan op de individuele leerlingen, maar zal ik enkel in algemene termen de situatie bespreken. Voor de PO-leerlingen is een passend onderwijsaanbod gecreëerd dat m.i.v. 6 mei 2019 gereed is: «Over de grenzen». Dit is een voorziening voor leerlingen die binnen het regulier of speciaal onderwijs tussen wal en schip dreigen te vallen. Voor deze voorziening komen leerlingen in aanmerking met een (hoog)begaafde ontwikkeling en hoge gevoeligheid voor prikkels en die om verschillende redenen vastlopen in hun ontwikkeling. Het merendeel van de VO-leerlingen heeft eveneens een passend onderwijsaanbod ontvangen. Voor het resterende deel van de VO-leerlingen loopt een leerplichtvrijstellingsaanvraag 5 onder a of bestaat deze vrijstelling al.
Kunt u een overzicht geven van hoeveel soortgelijke initiatieven er landelijk zijn en hoeveel dergelijke initiatieven met sluiting bedreigd worden of gestopt zijn in de afgelopen vijf jaar? En kunt u tevens aangeven wat de reden van eventuele stopzetting is geweest?
Het initiatief LIVE is geen erkende onderwijsinstelling. De IvhO kan dan ook geen toezicht (of overzicht) uitoefenen op deze voorziening, en vergelijkbare initiatieven. De kwaliteit van het onderwijsaanbod is daarmee voor ouders en leerlingen ook niet gegarandeerd. Doordat deze initiatieven geen onderwijs zijn is het voor mij niet mogelijk om hiervan een overzicht te geven van en duiding te geven aan aantallen.
Kunt u aangeven wat de financiële reservepositie van het betreffende samenwerkingsverband is?
De financiële positie van de desbetreffende samenwerkingsverbanden is goed. De financiële positie van een samenwerkingsverband staat echter los van de bekostiging van een initiatief zoals LIVE, aangezien LIVE geen bekostigde stichting is en geen school in de zin van de onderwijswetgeving. Het is daarom niet toegestaan om als samenwerkingsverband onderwijsmiddelen over te hevelen aan LIVE.
Kunt u aangeven welke inzet de gemeente via bijvoorbeeld jeugdzorg geleverd heeft om te voorkomen dat deze kinderen thuis zouden komen te zitten?
De gemeente Leiden is vanaf het begin (voorjaar 2018) betrokken geweest. Eerder hebben ouders op basis van een persoonsgebonden budget (PGB) financiering ontvangen t.b.v. de hulp en ondersteuning van de leerling. Sinds november 2018 tot 1 mei 2019 heeft de gemeente Leiden vanuit eigen middelen het initiatief LIVE gesteund om tijdens de overbruggingsperiode de zorg en ondersteuning voor de leerlingen in te richten zodat de betrokken scholen een passend aanbod kunnen creëren voor de leerlingen die bij LIVE zitten. In nauw overleg met de betrokken schoolbesturen, samenwerkingsverbanden, Regionaal Bureau Leerplicht, ouders en de gemeente is gewerkt aan passende oplossingen. Uiteraard wordt er, indien nodig, aanvullend op het onderwijs ook jeugdhulp aangeboden. Dit kan per individu verschillen.
Kunt u aangeven wat de schade voor een kind is als het langdurig thuis zit? Kunt u tevens uitrekenen wat de kosten voor de maatschappij zijn voor een langdurig thuiszittend kind?
Voor een kind is het altijd schadelijk om geen passend onderwijs- en/of jeugdhulpaanbod te krijgen. Op het moment dat een kind of jongere vanwege het ontbreken van een passend aanbod niet naar school kan of geen hulp ontvangt, zal het vervolgperspectief ook lastiger zijn. Langdurig thuiszitten zonder uitzicht op aanbod, heeft daarmee voor de lange termijn voor zowel de jongere als de maatschappij gevolgen. Ik vind het zeer onwenselijk om leerlingen in euro’s uit te drukken en op die manier kinderen te kapitaliseren.
Deelt u de mening dat er zo spoedig mogelijk een zo passend mogelijk aanbod dient te komen voor deze leerlingen? Deelt u de mening dat het initiatief LIVE er voor zorgt dat deze leerlingen niet thuis komen te zitten en dat dit initiatief daarom moet blijven voortbestaan?
Ja, voor alle leerlingen is een onderwijsaanbod gedaan (zie vraag 3). Mochten ouders dit niet passend vinden staat voor hen de weg naar de Geschillencommissie Passend Onderwijs open.
Kunt u ons een update geven over de ontwikkelingen die gaande zijn omtrent het aanbod voor passend onderwijs voor hoogbegaafden nu Leiden ondersteuning krijgt van Gedragswerk en over het onderzoek van de inspectie naar deze casus?
Zie de informatie bij vraag 3.
De ondersteuning vanuit Stichting Gedragswerk is inmiddels gestopt. Bij het SWV VO Leiden heeft in het kader van LIVE een onderzoek door de IvhO plaatsgevonden. Het SWV heeft van de IvhO in het kader van hun dekkend netwerk geen herstelopdracht gekregen. Het onderzoek van de IvhO richt zich enerzijds op de rechtmatige besteding van middelen van de betrokken samenwerkingsverbanden. Dat onderzoek bevindt zich in de rapportagefase en wordt vóór de zomer openbaar gemaakt. Anderzijds houdt de IvhO toezicht op herstel van het dekkend netwerk van SWV PPO Leiden per 1 augustus 2019 (zie ook de informatie bij vraag 2). Tegelijkertijd monitort de IvhO de ontwikkeling m.b.t. een aanbod voor de leerlingen die wel bij een schoolbestuur staan ingeschreven, maar tot voor kort naar LIVE toe gingen.
Deelt u de mening dat het regeerakkoord met een intensivering van 15 miljoen euro per jaar voor onderwijs voor hoogbegaafde kinderen ruimte biedt om dit initiatief te ondersteunen?
Zie hiervoor mijn antwoord op uw eerder gestelde vraag2.
Bent u bereid om in overleg te gaan met het betreffende samenwerkingsverband en de gemeente om een oplossing te zoeken voor deze kinderen om te voorkomen dat ze langdurig thuis komen te zitten? Kunt u bijvoorbeeld het voorbeeld van Trimaran uit Alkmaar waar school, gemeenten en samenwerkingsverband samen een faciliteit bekostigen om te voorkomen dat hoogbegaafde kinderen thuis komen te zitten als mogelijke oplossing meenemen?
Wij hebben in de afgelopen periode veelvuldig contact gehad met de betrokken partijen.
Inmiddels zijn oplossingen beschikbaar voor deze leerlingen. Op dit moment is nader overleg ons inziens daarom niet nodig.
Het bericht van de gemeente Rotterdam dat Stichting Acato, een onderwijsvoorziening voor leerlingen met autisme met dit werk moet stoppen |
|
Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Staat u nog steeds achter de inhoud van uw brief over het feit dat het onderwijsaanbod bij Stichting Acato, een onderwijsvoorziening voor leerlingen met autisme die geen plek hadden in onderwijs en jeugdzorg, per 1 mei 2019 van de gemeente Rotterdam moet stoppen, omdat de gemeente Rotterdam het vertrouwen heeft opgezegd in stichting Bloemfleur aangaande locatie de Koepel?1 2 3
Wij blijven van mening dat elk kind recht heeft op een passende onderwijs- of zorgplek en dat de geldende kwaliteitseisen moeten worden nageleefd en dat hier toezicht op gehouden kan worden. Dit is in lijn met de eerdere communicatie aangaande initiatieven als De Grote Brander4, LIVE5 en Linawijs6 Acato7 en de brief over samenwerkingsinitiatieven op zorgboerderijen8.
Bent u er, terwijl u in uw brief de volledige verantwoordelijkheid voor de ontstane problematische situatie bij Acato legt, niet zeer bezorgd over dat u – door zo stellig te vertrouwen op een oplossing voor de leerlingen en hun ouders die volledig door de andere betrokken partijen (zonder Acato) moet worden geregeld – uw eigen overkoepelende verantwoordelijkheid voor het welzijn van en aanbod van goede zorg en onderwijs aan deze kwetsbare kinderen niet nakomt, met grote risico’s voor de betreffende ouders en kinderen?
De gemeente, schoolbesturen en het samenwerkingsverband moeten er voor zorgen dat kinderen een zo passend mogelijk onderwijs- en/of zorgaanbod ontvangen. Dit dient te gebeuren op een veilige plek waar kinderen door gekwalificeerde professionals begeleid worden. De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat er onvoldoende vertrouwen is om dit aanbod met de stichting Bloemfleur (Acato) te ontwikkelen conform de eisen van de Jeugdwet. Wij zijn van mening dat wanneer een gemeente er geen vertrouwen in heeft dat kwaliteit geleverd of gewaarborgd kan worden, dat wij dan niet van bovenaf ons fiat kunnen geven aan een dergelijk initiatief. Daarnaast zijn de mogelijkheden vanuit het onderwijs ook beperkt aangezien de onderwijswetgeving niet voorziet in het bekostigen van dit soort initiatieven vanuit onderwijsmiddelen.
Bent u nu nog steeds van mening dat de gemeente Rotterdam, de scholen en het samenwerkingsverband voor een goede oplossing zullen zorgen voor deze kwetsbare leerlingen, buiten Acato om, ook na de recente ontwikkelingen in de gemeente Rotterdam aangaande dit dossier, waarbij op zijn minst vraagtekens rijzen over de vermeende inspanningen van de andere betrokken partijen?4 5
De gemeente Rotterdam, scholen en het samenwerkingsverband werken hard aan een oplossing voor de korte en de lange termijn voor de desbetreffende kinderen. Middels de aangenomen moties tijdens de Rotterdamse Raadsvergadering van 11 april is het college ook opgeroepen om een alternatief passend aanbod te creëren voor deze kinderen11. Hierbij wordt het tevens opgeroepen om waar mogelijk met dezelfde begeleiders te werken, het aanbod op dezelfde locatie vorm te geven en in overleg te treden met ouders en andere partijen. Daarnaast zal de gemeente het samenwerkingsverband moeten wijzen op hun verantwoordelijkheid aangaande het verzorgen van een dekkend aanbod en zal er met de onderwijssector en de jeugdhulpaanbieders gesproken worden over een intensivering van de aanpak van het thuiszittersprobleem en de leerrechtpilots.12
Tijdens een gesprek tussen de ministeries van OCW, VWS, het samenwerkingsverband, Gedragswerk en de gemeente Rotterdam op 25 april jl. heeft de gemeente aangegeven alles in het werk stellen om aan deze oproep van de Gemeenteraad te voldoen. In dit gesprek heeft de gemeente aangegeven per 6 mei een aanbod te zullen creëren op de voormalige locatie van Acato en dit is ook gebeurd. Hierbij worden meerdere deskundigen betrokken op het gebied van een autismespectrumstoornis, maar ook scholen, leerkrachten (om met ouders en de jongeren een ontwikkelingsperspectiefplan op te stellen) en cliëntondersteuners zijn betrokken. De voormalige medewerkers van Acato zijn uitgenodigd om een rol te blijven spelen in het nieuwe aanbod. Daarnaast heeft de wethouder de ouders uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek. Beide partijen zijn bereid om te zoeken naar een oplossing en nader tot elkaar te komen en er wordt momenteel gezocht naar een geschikte mediator om dit proces vorm te geven.
Deelt u de mening dat de uitspraken in uw brief dat «samenwerking met Acato om een gezamenlijke inzet te plegen om een passend onderwijs-zorgaanbod te ontwikkelen niet meer mogelijk is wegens de moeizaam verlopende communicatie met Acato, het niet tot stand komen van samenwerking tussen Acato en een of meer scholen, het gebrek aan vertrouwen dat Acato zich zal ontwikkelen tot een jeugdhulpaanbieder die voldoet aan de eisen van de Jeugdwet en de financiële situatie van Acato, mede in verband met het verzoek dat Acato doet om voor te financieren», op zijn minst wat minder stellig te doen zijn en aan nader onderzoek dienen te worden onderworpen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
De situatie wordt momenteel onderzocht door de gemeentelijke ombudsman van Rotterdam. Wij zijn benieuwd naar haar bevindingen en achten het niet wenselijk om parallel hieraan zelf een onderzoek uit te voeren of vooruit te lopen op haar onderzoek. Het belangrijkste is nu dat er op korte termijn een oplossing komt zodat de kinderen weer onderwijs en/of zorg ontvangen. Ondanks dat er ook vanuit de gemeente Rotterdam fouten zijn gemaakt, werkt de gemeente momenteel hard aan deze oplossing en dit proces willen wij niet frustreren.
Bent u nog steeds van mening dat Acato tot sluiting van dit speciale project gedwongen moet worden zonder nader onderzoek van uw kant dat zou kunnen voorkomen dat deze kinderen die dreigen te worden vermalen door de raderen van ons bureaucratische onderwijs-zorgsysteem in grote problemen komen?
Zie antwoorden op vragen 1,2,3 en 4 voor onze mening over de gang van zaken omtrent Acato.
Het staat Acato uiteraard vrij om de mogelijkheden te verkennen om alsnog een bekostigde school of zorgaanbieder conform de Jeugdwet te worden en zodoende ook in aanmerking te komen voor bekostiging om de activiteiten voort te kunnen zetten.
Bent u bereid om alsnog met de gemeente Rotterdam, Acato, de scholen en het samenwerkingsverband in gesprek te gaan over de mogelijkheden om er alsnog voor te zorgen dat het project kan blijven bestaan of op zijn minst uitstel kan verkrijgen om aan een alternatief te werken? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid zijn wij terughoudend om sterk te interveniëren bij lokale aangelegenheden, maar zoals eerder gesteld hebben onze ministeries in april al gesprekken gevoerd om ons ervan te verzekeren dat er alles aan wordt gedaan om een oplossing te vinden. Gemeenten, samenwerkingsverbanden, zorginstellingen en andere lokale partijen staan aan de lat om het aanbod van onderwijs en zorg voor kinderen in overleg met ouders zo optimaal mogelijk vorm te geven. Onderdeel van deze verantwoordelijkheid is het oplossen van een situatie waarin dit aanbod niet direct tot stand komt.
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat zij niet de verantwoordelijkheid kunnen nemen om Acato het ontwikkelingsaanbod voor deze kwetsbare kinderen te laten vormgeven binnen de grenzen die Acato stelt. Uitstel of voortbestaan van de voormalige constructie is dan volgens de gemeente Rotterdam ook niet aan de orde. De relaties zijn dermate verstoord dat er geen basis lijkt voor vruchtbare samenwerking tussen Acato en de andere betrokken partijen, hetgeen van groot belang is om tot een snelle en tevens duurzame oplossing te komen. Er is inmiddels een alternatief aanbod gecreëerd waarvan wij hopen dat er gebruik van zal worden gemaakt. Wij houden een vinger aan de pols om ons te verzekeren dat kinderen een zo passend mogelijk aanbod van zorg en onderwijs ontvangen.
Bent u daarnaast, als dit alles tot niets leidt en de twijfels over de juistheid van de genomen beslissingen overeind blijven, bereid met de onderwijsinspectie in gesprek te gaan om in lijn met de op 27 maart 2019 voorgestelde en op 2 april 2019 aangenomen motie-Kwint over het beleggen van doorzettingsmacht bij de onderwijsinspectie alles te doen wat mogelijk is om het onderwijswijsaanbod op dit speciale project voor Rotterdam voor de betrokken leerlingen en hun ouders te behouden?6
Wij willen de lokale partijen die nu aan zet zijn de kans geven om het gesprek met elkaar te voeren en de ondersteuning van deze kinderen zo goed mogelijk te organiseren. Wij gaan daarom niet vooruitlopen op andere scenario’s. Wij beamen wel dat alles in het werk gesteld moet worden om deze kwetsbare kinderen zo snel mogelijk weer van een passend aanbod te voorzien. Elke dag dat kinderen thuiszitten en zich niet kunnen ontwikkelen is er één te veel. De motie Kwint wordt momenteel onderzocht en daar komen wij, zoals eerder gecommuniceerd14, in de onderwijs-zorgbrief op terug.
Het bericht ‘AIVD: zorgen over radicalisme bij naschoolse Arabische lessen’ |
|
Antoinette Laan-Geselschap (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «AIVD: zorgen over radicalisme bij naschoolse Arabische lessen»?1
Ja.
Is u bekend wat de omvang is en verschijningsvormen zijn van de invloed van de radicale islam binnen Nederlandse weekendscholen, Koranscholen, moskee-internaten en andere vormen van informeel onderwijs?
Op dit moment heeft het kabinet geen volledig zicht op de aard en omvang van informele scholing op onder andere weekendscholen die zich richten op taal, cultuur en religie. Daarom gaat het kabinet een verkenning laten uitvoeren naar vormen van informele scholing in Nederland om meer inzicht in aard en omvang ervan te verkrijgen. De AIVD heeft in haar jaarrapport over 2018 in algemene zin geconstateerd dat radicaalislamitische (salafistische) aanjagers zich sterk weten te positioneren in het aanbod voor jonge moslims. Waar voorheen salafistische aanjagers een sterke positie hadden in het aanbod van enkele gevestigde moskeeën en instellingen is dit nu wijder vertakt. Uiteraard staat niet alle informele islamitische scholing onder invloed van salafistische aanjagers.
Bent u bereid in de toegezegde verkenning naar informeel onderwijs extra onderzoek te doen op basis van de signalen van de AIVD en daarbij versneld scholen te bezoeken waarover signalen bij de AIVD bekend zijn en zo nodig in te grijpen? Zo nee, waarom niet?
De aangekondigde verkenning naar informele scholing in Nederland heeft als doel meer inzicht in aard en omvang ervan te verkrijgen en zicht te krijgen op actoren – statelijke of andere actoren – die door middel van (de financiering van) informele scholing een anti-integratief, antidemocratisch en anti-rechtsstatelijk effect proberen te hebben. Hierbij worden zoveel mogelijk signalen meegenomen, inclusief signalen zoals gemeld in het AIVD jaarverslag. Over individuele gevallen kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
Deelt u de mening dat toezicht en het kunnen ingrijpen bij informeel onderwijs, zoals eerder ook wettelijk is ingevoerd voor moskee-internaten, breder overwogen zou moeten worden op basis van de zorgelijke signalen van radicale beïnvloeding in het informele onderwijs? Zo nee, waarom niet? Wanneer komt de evaluatie van het toezicht op de moskee-internaten naar de Kamer?
Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd2 zal de verkenning naar informele scholing in Nederland door een onafhankelijke onderzoeksbureau worden uitgevoerd in drie stappen. De eerste stap is een brede verkenning naar informele scholing in Nederland die zich richt op taal, cultuur en/of religie voor 5 tot 16 jarigen. De tweede stap is een verdiepende fase waar ingegaan wordt op casuïstiek in het geval dat er signalen zijn van (financiering van) informele scholing dat een anti-integratief, antidemocratisch en anti-rechtsstatelijk effect probeert te hebben. De derde stap is het verkennen van mogelijke handelingsperspectieven, waarin conform de wens van uw Kamer ook mogelijkheden voor toezicht en interventie meegenomen zullen worden.
De evaluatie van de Wet op de Jeugdverblijven komt in zomer 2019 naar de Kamer.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de toegezegde aanpak van radicalisering door meer landelijke regie te nemen conform de motie-Becker c.s?2 Wanneer ontvangt de Kamer de toegezegde informatie over de toolkit preventie radicalisering voor gemeenten?
Uw Kamer is 18 april jl. geïnformeerd over de aanpak van radicalisering door meer landelijke regie te nemen conform de motie-Becker c.s. en de toegezegde informatie over de toolkit preventie radicalisering voor gemeenten4.
Kunt u gemeenten actief informeren over welke mogelijkheden zij hebben om radicale invloeden te signaleren en tegen te gaan in informele vormen van onderwijs in hun gemeente, zoals weekendscholen? Welke rol kan de Taskforce ongewenste beïnvloeding daarbij spelen?
Binnen de Taskforce Problematisch gedrag & ongewenste buitenlandse financiering (PG&OBF) werken de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (inclusief de AIVD), Justitie en Veiligheid (inclusief de NCTV) en Buitenlandse Zaken nauw samen met politie om gemeenten en gemeenschappen steviger en proactief te adviseren en ondersteunen.
De Taskforce richt zich naast het verbeteren van bestaande handelingsperspectieven en de inzet daarvan, ook op het ontwikkelen van nieuwe handelingsperspectieven. Gemeenten zullen verder worden ondersteund door hen te faciliteren met kennis en training.
De antwoorden op vragen inzake het niet toestaan van een nieuwe aanvraagronde voor het experiment promotieonderwijs |
|
Harry van der Molen (CDA), Judith Tielen (VVD), Harm Beertema (PVV), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Is het juist dat het aantal gepromoveerden dat per jaar door Nederlandse universiteiten wordt afgeleverd, na een decennialange groei, in 2017 is afgenomen en ook in 2018 niet meer groeit?1
Het aantal promoties laat in 2017 inderdaad een lichte daling zien. De gegevens over 2018 komen nog voor de zomer beschikbaar. Overigens neemt het aantal promovendi in dienst van de Nederlandse universiteiten niet af. In 2016 waren er 8.829 werknemer-promovendi, tegenover 8.982 in 2017.2 Er is echter ook een grote categorie promovendi die niet in dienst zijn van universiteiten, zoals beurs- en buitenpromovendi. In de omvang van deze categorieën bestaat onvoldoende inzicht, zie ook mijn brief van 7 december 2018 aan de Kamer over de «Promotiefabriek».3 De werkgroep van vier rectores die in deze brief wordt genoemd heeft op 9 april jl. het document «Een gezonde praktijk in het Nederlandse promotiestelsel»4 uitgebracht. Deze werkgroep heeft aanbevelingen gedaan voor aanscherping van de categorisering van promovendi. Met behulp van dit begrippenkader zullen de verschillende categorieën promovendi worden geïnventariseerd. De eerste inventarisatie vindt plaats voor de zomer.
Klopt het dat stagnatie in groei betekent dat Nederland vanaf 2016 nog verder zakt in de OESO-ranglijst voor wat betreft het aantal gepromoveerden per hoofd van de werkende bevolking? Zo ja, heeft dit dan implicaties voor de kwaliteit van de Nederlandse kennismaatschappij in de (nabije) toekomst?
Zie het antwoord op vraag 1. De daarin genoemde inventarisatie, waarvan de eerste nog voor de zomer plaatsvindt, stelt ons in staat de ontwikkeling van het aantal promoties te blijven volgen. In het algemeen merk ik op dat ons land de ambitie heeft een kennissamenleving te zijn. Daarvoor zijn gepromoveerden nodig, binnen en buiten de universiteit. Zij beschikken over de vaardigheden die nodig zijn om steeds complexere maatschappelijke vraagstukken te adresseren en die nodig zijn voor het ontwikkelen van nieuwe producten, processen en diensten.
Klopt het dat een van de doelen van het besluit experiment promotieonderwijs is, te onderzoeken of het aantal gepromoveerden aan universiteiten kan worden vergroot door het vormgeven van een nieuw promotietraject als derde cyclus van de academische opleiding (deze derde fase is aansluitend aan de universitaire bachelor- en masterfase en is conform het mede door Nederland onderschreven Bologna-proces)?
Ja.
Kunt u aangeven of anno 2019 Bosnië-Herzegovina, Denemarken en Nederlands nog steeds de enige drie landen in de wereld zijn waar – buiten het experiment promotieonderwijs – studenten niet met een beurs van de eigen universiteit kunnen promoveren? Betekent dit ook dat dit de enige drie landen zijn die slechts op beperkte wijze invulling geven aan de derde cyclus van de academische opleiding?
In de toelichting bij het besluit heb ik aangegeven dat uit een rapport van de European University Association blijkt dat binnen Europa Nederland, Bosnië-Herzegovina en Denemarken de enige landen zijn die niet de mogelijkheid kennen om als student met een beurs van de universiteit te promoveren.5 Voor zover de informatie strekt, zijn er de afgelopen jaren geen initiatieven in Europa geweest om promoveren op een beurs van de eigen universiteit onmogelijk te maken.
Bent u nog steeds, conform de eerder door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgebrachte beleidsvisie – Wetenschapsvisie 2025, keuzes voor de toekomst – voornemens om gedegen te onderzoeken of een derde cyclus in de vorm van een promotieopleiding meer differentiatie van het Nederlandse promotiestelsel oplevert en dat dit niet alleen meer gepromoveerden kan opleveren, maar ook kan bijdragen aan het vergroten van de waarde van het promotietraject in relatie tot de arbeidsmarkt, wat de kennissamenleving ten goede komt?
Jazeker, dit is het doel van het onderhavige experiment.
Deelt u de mening dat u artikel 14 van het besluit oneigenlijk gebruikt? Kunt u aangeven welke aantoonbaar ernstige nadelige effecten op het onderzoeksklimaat u bij één of meer universiteiten heeft gezien die het nodig maken om het experiment gedeeltelijk te beëindigen door het in te perken?
Ik deel deze mening niet, aangezien ik artikel 14 van het besluit überhaupt niet gebruik. Ik beëindig het experiment geheel noch gedeeltelijk.
Kunt u aangeven wat u bedoelt met uw antwoord op de vraag als het gaat over een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject? Deelt u de mening dat nergens in het besluit experiment promotieonderwijs, of in de memorie van toelichting, staat dat een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject een criterium vormt om deel te nemen aan het experiment? Hoe verhoudt dit zich tot uw antwoord op vraag 7 van de leden Tielen en Van der Molen d.d. 15 februari 2019? Zo nee op welke grond kiest u ervoor om geen nieuwe aanvraagronde open te stellen? Zo ja op welke termijn kunt u een nieuwe aanvraagronde openstellen of op zijn minst verruiming van bestaande quota overwegen, zodat het experiment ook op een goede wijze uitgevoerd kan worden?
In mijn eerdere beantwoording6 heb ik aangegeven geen nieuwe aanvraagronde voor het experiment te willen openstellen. Hierbij heb ik aangegeven een nieuwe aanvraagronde eventueel te hebben overwogen als dat een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject zou hebben opgeleverd, hetgeen van meerwaarde voor het experiment zou zijn geweest. Met «een meer gevarieerde invulling» bedoel ik variatie op basis waarvan duidelijker zal worden of met het experiment de gewenste doelen behaald worden. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan andere universiteiten die zich aan zouden willen sluiten bij het experiment. Van dergelijke variatie was echter geen sprake, aangezien er geen sprake is van belangstelling van andere universiteiten dan de RUG en de EUR.
Ik deel uw mening dat een meer gevarieerde invulling geen criterium vormt om deel te nemen aan de eerste ronde van het experiment. Dit is echter niet tegenstrijdig met mijn eerdere beantwoording7. Artikel 6, tweede lid, van het besluit schrijft voor dat ik kan besluiten om een tweede aanvraagperiode vast te stellen. Deze kan-bepaling geeft mij de beleidsvrijheid om een afweging te maken over de wenselijkheid en de meerwaarde van een tweede aanvraagronde. Om de hierboven genoemde redenen vond ik dat daar in dit geval geen sprake van was en heb ik daarom geen gebruik gemaakt van de kan-bepaling van artikel 6 van het besluit.
Hoeveel internationale promovendi die promoveren met een beurs van een andere instantie dan een Nederlandse universiteit doen mee met het experiment doordat ze een top-up beurs krijgen? Is bij u bekend op welke universiteiten buiten het experiment ook dit soort internationale promovendi met eigen beurs promoveren? Zo ja, om welke universiteiten gaat dit? Deelt u de mening dat het bij het experiment en de evaluatie hiervan beter is dat, voor de zuiverheid van de vergelijking van promotiestudenten enerzijds met promovendi met werknemer status anderzijds, de groep internationale promovendi met beurs van een andere instantie niet meegenomen wordt?
In de eerste twee jaar van het experiment hebben 236 promotiestudenten een top-up beurs ontvangen in aanvulling op de beurs die zij zelf meebrengen. De universiteiten registreren hun promovendi nu nog niet in alle categorieën. Ik beschik daarom niet over cijfers waaruit blijkt hoeveel internationale beurspromovendi aan Nederlandse universiteiten zijn verbonden buiten het experiment. Ik verwacht dat de in het antwoord op vraag 1 genoemde inventarisatie hier meer duidelijkheid over zal geven.
Ik deel niet de mening dat de internationale beurspromovendi niet mee zouden kunnen worden genomen in het experiment. Dit is echter geen noodzaak: deze promovendi kunnen ook zonder het experiment bestaan. De RUG heeft – na overleg met Promovendi Netwerk Nederland – besloten om deze groep aan het experiment toe te voegen. Hierdoor kunnen ook deze promovendi gekwalificeerd worden als promotiestudent met een daarbij behorende positie. Bij de evaluatie zal rekening gehouden worden met de vergelijkbaarheid van deze groepen.
In hoeverre kan een gedegen eindevaluatie plaatsvinden indien er minder dan 2.000 deelnemers zijn? Kunt u aangegeven hoeveel deelnemers er minimaal moeten zijn om statistisch verantwoord de in het experiment aanwezige subgroepen te kunnen evalueren, i.e., personen met een verschillend soort beurs (volledig of « top-up»), afkomstig uit verschillende disciplines, met verschillende nationaliteiten, en/of verschillen voor wat betreft sekse?
Het aantal van 2.000 promotiestudenten is in het besluit opgenomen als een bovengrens en is niet bedoeld als een streefgetal. Doel is met het onderzoek zoveel mogelijk zicht te krijgen in de voor- en nadelen van promotieonderwijs, alvorens een keuze te maken over eventuele structurele inbedding. Daarbij moet enerzijds sprake zijn van voldoende deelnemers om met enig vertrouwen iets te kunnen zeggen over deze effecten. Anderzijds is het goed het experiment enigszins beperkt te houden, aangezien nog onduidelijk is wat de effecten zijn, en of deze netto positief of negatief uitvallen. Het onderzoek naar de promotiestudent betreft vanzelfsprekend geen experiment volgens «de gouden standaard», waarbij grote aantallen «subjecten» willekeurig worden toegewezen aan verschillende interventies in een poging een duidelijk causaal verband vast te stellen. Dat zou immers in de praktijk op veel bezwaren stuiten, zo niet onmogelijk zijn. In dat geval zou een groot aantal deelnemers van belang zijn en zou dat aantal steeds verder toenemen naarmate rekening gehouden zou moeten worden met meer verschillende achtergrondkenmerken. Bij het onderzoek naar de promotiestudent wordt met name gekeken naar de ontwikkelingen in het geheel (onder andere het aantal promoties) en wordt veel gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek om zicht te krijgen op hoe de promotiestudenten en de instellingen het promotieonderwijs hebben ervaren. Het aantal promotiestudenten dat nu deelneemt, is daarvoor voldoende.
Hoe komt het dat in het besluit gesproken wordt over een evaluatie in 2021 terwijl in de memorie van toelichting aangegeven wordt dat een termijn van acht jaar noodzakelijk is om het experiment optimaal te kunnen evalueren?
In toelichting bij het besluit heb ik aangegeven dat het experiment een termijn van acht jaar behoeft en dat de evaluatie na vijf en een half jaar na de start van het experiment plaats zal vinden (in 2021). Verwacht wordt dat de gemiddelde duur van een promotieonderwijstraject vier jaar zal zijn. Vanwege de aard van het onderwijs, dat met name ook moet zorgen voor een betere positie van de gepromoveerden op de arbeidsmarkt, zal die aansluiting punt van onderzoek zijn in de evaluatie. Daarom vindt de evaluatie na vijf en een half jaar plaats. De resterende periode van het experiment is ingebouwd voor het geval dat op basis van de evaluatie geconcludeerd wordt dat het experiment een succes is. Er dient immers in dat geval voldoende tijd aanwezig te zijn om een wetgevingstraject te starten om promotieonderwijs een basis in de wet te geven. Overigens vindt er na drie jaar een tussenevaluatie plaats.
Weeffout in de wet op financiering van het Passend Onderwijs |
|
Michel Rog (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Algemeen Dagblad «Overvolle klassen door «fout» in wet voor passend onderwijs» van 30 januari 2019?1
Ja.
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over een weeffout in het passend onderwijs in verband met het woonplaatsbeginsel, waarin u aangaf «bereid zijn te verkennen welke mogelijkheden er zijn om te komen tot een verfijning en verbetering van de systematiek van bekostiging van onderwijs op een school die verbonden is aan een residentiële instelling»?2 Kunt u aangeven wat de uitkomst van deze verkenning is en wanneer deze uitkomsten gedeeld kunnen worden met de Kamer?
Ja. De verkenning naar de knelpunten en oplossingen bij het residentieel onderwijs is bijna afgerond. De bevindingen worden op dit moment uitgewerkt. Ik zal deze na de zomer aan uw Kamer versturen.
Herkent u dat de financiële nood voor het samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei erg hoog is door de uitgaven voor (voormalige) bewoners van het GJI Deelen? Kunt u bevestigen dat, zoals in het artikel wordt genoemd, een kwart van het zorgbudget (acht ton) van het samenwerkingsverband, bedoeld voor (passend) onderwijs aan de in totaal 8.000 scholieren in de regio, gaat naar leerlingen die na tijdelijke plaatsing in GJI Deelen uitstromen naar een open residentiële setting?
Dat beeld herken ik gedeeltelijk. De beschikbare gegevens bij DUO geven een beeld van de telling van het aantal leerlingen in het vso op 1 oktober 2018. Daaruit blijkt dat van het beschikbare ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband Gelderse vallei circa 13% werd besteed aan leerlingen in een open residentiele instelling. Het gaat voor deze residentiele leerlingen om een bedrag van € 600.000 op een budget van € 4,7 mln. Het samenwerkingsverband Gelderse vallei heeft hiermee, ten opzichte van de andere samenwerkingsverbanden, meer kosten voor extra ondersteuning van residentieel geplaatste leerlingen in het vso dan het landelijk gemiddelde percentage dat samenwerkingsverbanden besteden aan leerlingen in een residentiele voorziening. Dat ligt op een gemiddelde van circa 3,5%.
Welke acties zijn er na de beantwoording van dec Kamervragen in juli 2018, genomen om de weeffout te herstellen waardoor samenwerkingsverbanden zoals VO Gelderse Vallei financieel verantwoordelijk zijn voor jongeren die afkomstig zijn van buiten de gemeenten van het samenwerkingsverband en na de GJI-plaatsing doorstromen naar een open residentiele setting?
Met het bestuur en de directeur van het samenwerkingsverband Gelderse vallei en de bestuurder van het Hoenderloo College (de school in geslotenheid) zijn sinds februari 2019 twee gesprekken gevoerd om te bespreken welke acties kunnen worden genomen om de financiële situatie voor het samenwerkingsverband te verbeteren. Ook is vanuit mijn departement een bezoek gebracht aan het Hoenderloo College om mee te denken over de registratie van leerlingen die instromen en uitstromen. Hierover heeft ook overleg plaatsgevonden met DUO, in verband met de registratie van leerlingen. De volgende acties zijn op basis van deze gesprekken in gang gezet:
Is het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs naar de werking van de bekostiging van enkele (v)so-scholen verbonden aan residentiële instellingen waarnaar wordt verwezen in de bovengenoemde beantwoording van de schriftelijke vragen al afgerond? Zo nee, wanneer is het onderzoek klaar? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit onderzoek en wat gaat u met deze uitkomsten doen?
Nee. Het onderzoek van de inspectie naar de knelpunten bij de uitvoering van residentieel onderwijs is in de afrondende fase. Het onderzoek ontvangt u als bijlage bij de komende voortgangsrapportage passend onderwijs. De beleidsreactie op dit onderzoek zal ik meenemen bij de beleidsinventarisatie residentieel onderwijs die u na de zomer ontvangt.
Wat zijn de bezwaren om de bekostiging van het onderwijs in de open residentiële setting toe te rekenen aan het samenwerkingsverband van de woonplaats van de leerling direct voorafgaand aan de (eerste) plaatsing in een gesloten residentiele inrichting, zoals GJI Deelen, en bent u bereid om hiernaar te kijken omdat dit in dit specifieke geval leidt tot veel extra kosten voor de gji?
Ja, ik ben bereid hier naar te kijken, zie het antwoord op vraag 4. Bij de voorgestelde oplossing voor de specifieke situatie in de Gelderse vallei is het de bedoeling dat de school in geslotenheid nagaat van welk samenwerkingsverband de leerling afkomstig is. Dat hoeft niet altijd het samenwerkingsverband te zijn waarin de woonplaats van de leerling is gelegen. Wanneer er een school van inschrijving bekend is, dan is dat samenwerkingsverband verantwoordelijk voor de kosten. Pas als die er niet is, dan geldt de woonplaats van de leerling.
Wat zijn de bezwaren om te kijken naar de woonplaats van ouders van de leerling bij de bekostiging wanneer iemand in een gesloten residentiele inrichting, zoals GJI Deelen, terecht komt? Bent u bereid ook hiernaar te kijken en indien nodig het beleid aan te passen?
Wanneer een jongere in een gesloten setting is opgenomen, is het niet nodig om de woonplaats van de jongere vast te stellen voor de onderwijsbekostiging. De jongere stroomt namelijk in op een door het Rijk gefinancierde plaats en dat kan gedurende het gehele schooljaar.
Het probleem in de regio Gelderse vallei ontstaat na de periode van geslotenheid omdat een groot deel van de jongeren na geslotenheid uitstroomt naar een vso-school bij een open woonvoorziening in de regio. In deze regio werden alle leerlingen op de school bij deze woonvoorziening met een residentiele plaatsing ingeschreven. Dan geldt het woonplaatsbeginsel waarbij DUO de kosten voor extra ondersteuning toerekent aan het samenwerkingsverband waarin de gemeente is gelegen waar de jongere op dat moment staat ingeschreven in het BRP. In deze situatie is dat de gemeente Deelen die is gelegen in het samenwerkingsverband Gelderse vallei. Eerder gaf ik aan dat een oplossing, binnen de huidige wet- en regelgeving, is om samen met het samenwerkingsverband en de school in geslotenheid alsnog een tlv aan te vragen bij het samenwerkingsverband waar de leerling vandaan komt die wordt verzilverd wanneer de jongere naar een (v)so-school uitstroomt. De residentiele plaatsingen voor zowel de telling in 2018 als in 2019 worden omgezet in tlv’s. Dit betekent voor de samenwerkingsverbanden die hiervoor worden benaderd dat zij alsnog voor een residentieel geplaatste leerling de kosten voor de extra ondersteuning moeten betalen. Hiermee is het oorspronkelijke samenwerkingsverband waarvan de jongere afkomstig is, financieel verantwoordelijk. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de wetgeving passend onderwijs dat de kosten voor residentiele leerlingen verdeeld worden over de samenwerkingsverbanden en niet buitenproportioneel op enkele samenwerkingsverbanden drukken.
Ik bezie op basis van de beleidsinventarisatie residentieel onderwijs of het nodig is om de wet- en regelgeving hiervoor aan te passen.
Klopt het dat een uitzondering op het woonplaatsbeginsel de situatie is waarin de leerling nog een geldige toelaatbaarheidsverklaring (TLV) had van zijn of haar oude samenwerkingsverband? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om als tussenoplossing de TLV’s te verlengen?
Nee. Met woonplaatsbeginsel wordt bedoeld dat bij een residentiele plaatsing in het (v)so DUO de kosten voor extra ondersteuning aan een samenwerkingsverband toewijst op basis van de woonplaats op het moment van inschrijving op de (v)so-school. Er is dan geen tlv. Bij een tlv gebeurt de toewijzing van de kosten door het samenwerkingsverband zelf omdat deze de tlv afgeeft. Samenwerkingsverbanden hebben hierin ruimte om te bepalen wie de tlv afgeeft. Scholen kunnen dus, indien gewenst, een tlv aanvragen (ook wanneer de termijn is verlopen) voor jongeren die anders via een residentiele plaatsing worden ingeschreven op een (v)so-school die is verbonden aan een residentiele zorginstelling.
Begrijpt u ook dat een tussenoplossing waarin de open residentiele inrichting Hoenderloo verzocht wordt om met TLV-vinkjes (toeklaatbaarheidsverklaring vso) te werken in plaats van met RP-vinkjes (residentiele plaatsing) in hun administratiesysteem volledig afhangt van de inzet en medewerking van Hoenderloo hierin en het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei geen comfort geeft omdat men geen inzicht heeft in het administratiesysteem van Hoenderloo? Bent u bereid om samen met GJI Deelen de administratie aan te passen, zodat wordt gewerkt met TLV-registraties in plaats van RP-registraties?
Eerder gaf ik aan bereid te zijn mee te denken met een tussenoplossing voor het financiële knelpunt van het samenwerkingsverband Gelderse vallei. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4. Aan deze oplossing wordt op dit moment invulling gegeven. Op basis van de eerder genoemde beleidsinventarisatie residentieel onderwijs bezie ik of op dit punt er iets in de wetgeving moet worden aangepast, maar dat zal dan pas effect hebben op de langere termijn.
Begrijpt u dat de toeleverende samenwerkingsverbanden te vragen om mee te werken aan financiering van de TLV voor leerlingen die afkomstig zijn uit hun gebied voor plaatsing in de gesloten setting volledig afhangt van de good will van andere samenwerkingsverbanden en het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei geen comfort geeft omdat volgens de huidige wet de toeleverende samenwerkingsverbanden geen enkele reden hebben om dit te financieren?
Ik zal een brief versturen aan de omliggende samenwerkingsverbanden waarin hen om medewerking wordt gevraagd gezien de specifieke situatie in Deelen. Daarin zal ik onderstrepen dat de samenwerkingsverbanden (financieel) verantwoordelijk zijn voor de leerlingen die stonden ingeschreven op een school die is gelegen in hun samenwerkingsverband voorafgaand aan de plaatsing op het Hoenderloo College of de woonplaats die gelegen in het samenwerkingsverband wanneer de leerling niet stond ingeschreven op een school.
Beseft u dat doordat er geen structurele oplossing is gevonden het bestuur genoodzaakt is geweest om te bezuinigen waardoor het huidige bovenschools aanbod voor thuiszitters in deze regio onder druk staat?
Ik ben niet betrokken bij de afwegingen van het bestuur van het samenwerkingsverband over de inzet van de financiën en het bezuinigen op de voorzieningen in de regio. Mijn inzet is er op dit moment op gericht om het samenwerkingsverband en de school te ondersteunen bij een goede registratie van de leerlingen die onderwijs volgen op het Hoenderloo College zodat er voor dit schooljaar de kosten voor deze leerlingen niet eenzijdig neerslaan op het budget van het samenwerkingsverband Gelderse vallei.
Is al duidelijk geworden of het wetsvoorstel van het Ministerie van VWS over het woonplaatsbeginsel enig soelaas kan bieden voor deze residentiële bekostigingsproblematiek waarnaar u verwees in de beantwoording van onze eerdere vragen? Zo ja, op welke wijze en zo nee, waarom niet?
In het nieuwe wetsvoorstel woonplaatsbeginsel van het Ministerie van VWS zoals dat voor internetconsultatie is aangeboden, is geregeld dat gemeenten bij het bepalen van de verantwoordelijkheid niet meer hoeven te achterhalen wie de gezaghebbende ouder of voogd van een kind is. Voor het woonadres wordt aangesloten bij de Basisregistratie Personen (BRP) van de jeugdige. Verder wordt in het voorstel geregeld dat de gemeente van herkomst zo lang mogelijk verantwoordelijk blijft voor de jeugdige, ook als deze naar specialistische voorzieningen gaat. Dit wetsvoorstel is op dit moment niet toepasbaar voor residentiële leerlingen, omdat het onderwijsstelsel uitgaat van de BRP van een leerling. Met het wetsvoorstel woonplaatsbeginsel blijft de gemeente van herkomst (financieel) verantwoordelijk in een aantal situaties, maar wordt de woonplaats in het BRP wel gewijzigd. Wel biedt de voorgestelde systematiek van toewijzing een oplossingsrichting die betrokken wordt in de beleidsinventarisatie.
De berichtgeving over de Qatarese vestiging van NHL Stenden |
|
Zihni Özdil (GL), Judith Tielen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel getiteld «Op de vestiging in Qatar krijg je zo een Nederlands diploma»?1
Ja.
Bent u bekend met de in het artikel genoemde feiten aangaande het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, dat volgens het artikel sinds oktober 2018 loopt? Kunt u de Kamer hierover een toelichting geven?
Ja. De inspectie heeft in de zomer van 2018 aangekondigd een onderzoek te doen naar aanleiding van een in 2018 ontvangen signaal over het onderwijs dat wordt aangeboden door NHL Stenden in haar international campus Stenden Qatar. Naar verwachting wordt het onderzoek dit voorjaar afgerond. Indachtig de wettelijk vastgelegde zorgvuldigheidseisen (waaronder hoor en wederhoor) verwacht de inspectie dit onderzoek in juni te kunnen publiceren. Ik zeg u toe dit onderzoek naar uw Kamer te zullen sturen inclusief mijn reactie.
Deelt u de mening dat branche campuses een waardevol element kunnen zijn van onderwijsinternationalisering?
Het volledig verzorgen van Nederlandse opleidingen in het buitenland of het aanbieden van onderwijs in het buitenland in structurele samenwerking met een Nederlandse instelling kan de uitwisseling van studenten en docenten vergemakkelijken en biedt instellingen de mogelijkheid om internationale netwerken te versterken. Het kan de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland een impuls geven. Daarbij vind ik het van belang dat het aanbieden van onderwijs in het buitenland een bijdrage levert aan de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs.
Deelt u de mening dat het van belang is dat dit onderwijs van «Nederlandse kwaliteit» dient te zijn als dit door Nederlandse onderwijsinstellingen wordt aangeboden?
Ja. Ook wanneer het op basis van een structurele samenwerkingsrelatie in het buitenland aangeboden onderwijs op individuele basis vrijstellingen biedt voor een opleiding die leidt tot een Nederlands diploma. Hieraan zijn voorwaarden gesteld waar uw Kamer in 2012 over is geïnformeerd.2
Hoe garandeert u dat onderwijs in het buitenland aan Nederlandse onderwijsinstellingen van goede kwaliteit is?
Op verschillende manieren wordt gegarandeerd dat het onderwijs in het buitenland aan Nederlandse onderwijsinstellingen van goede kwaliteit is. Indien een Nederlandse instelling beoogt een buitenlandse nevenvestiging te openen van een Nederlandse opleiding, dus een situatie waarbij een Nederlandse instelling een opleiding volledig in het buitenland verzorgt, kan de Minister volgens de WHW daartoe toestemming verlenen onder de voorwaarde dat (verdragsrechtelijk) wordt geregeld dat de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en de inspectie toegang hebben tot de desbetreffende nevenvestiging om hun taken uit te oefenen. Indien niet in de toegang van de NVAO en de inspectie tot de opleiding wordt voorzien, kan de opleiding in het buitenland niet worden verzorgd.
Wanneer het een structurele samenwerkingsrelatie betreft waarbij een deel van het onderwijs (tot maximaal 75%) in het buitenland wordt verzorgd en op basis waarvan in Nederland vrijstelling voor bepaalde vakken kan worden verkregen, geldt dat in Nederland de inspectie regulier toezicht houdt en de NVAO een reguliere opleidingsbeoordeling uitvoert bij de Nederlandse opleiding. Tijdens de accreditatieprocedure van de Nederlandse opleiding dient de NVAO in het bijzonder aandacht te schenken aan de werkwijze van de examencommissie. De examencommissie dient immers zorgvuldige besluiten te nemen met betrekking tot de eventuele vrijstellingen die worden verkregen voor het in het buitenland gevolgde onderwijs. Indien het inspectieonderzoek daar aanleiding toe geeft ga ik bezien of deze waarborgen afdoende zijn.
Bent u bekend met de manier waarop de kwaliteit van het onderwijs aan de buitenlandse vestigingen van NHL Stenden gedurende de afgelopen jaren is gecontroleerd? Kunt u de Kamer hierover berichten?
De inspectie in februari 2012 een aantal herstelafspraken gemaakt met het College van Bestuur van NHL Stenden. Naar het oordeel van de inspectie in mei 2014 is door de instelling voldoende tegemoet gekomen aan deze afspraken en is het onderzoek afgesloten.
De NVAO accrediteert de Nederlandse opleiding en heeft daarin ook aandacht voor de werkwijze van de examencommissie. De kwaliteit van het diploma wordt immers mede gegarandeerd doordat de examencommissie zorgvuldige beargumenteerde besluiten dient te nemen over elk afzonderlijk geval ten aanzien van vrijstellingen voor in het buitenland gevolgd onderwijs. De NVAO heeft de betreffende opleidingen van NHL Stenden in Nederland zoals te doen gebruikelijk in de afgelopen zes jaar beoordeeld.
Heeft u signalen ontvangen dat de kwaliteit van andere buitenlandse vestigingen van NHL Stenden en andere onderwijsinstellingen onder druk staat? Zo ja, kunt u de Kamer daarover berichten?
Er zijn geen signalen ontvangen over andere buitenlandse onderwijsactiviteiten van Nederlandse hoger onderwijsinstellingen.
Deelt u de mening dat deze affaire laat zien dat de lessen van de eerdere Yantai-affaire onvoldoende zijn getrokken?
De RUG was voornemens volledige Nederlandse opleidingen te verzorgen aan een branch campus in het Chinese Yantai. Zij zou daarvoor bij de Minister van OCW een aanvraag hebben moeten indienen, op basis waarvan beoordeeld zou worden of aan alle in de wet vastgelegde voorwaarden werd voldaan. Door het College van Bestuur van de RUG is besloten een dergelijke aanvraag niet in te dienen omdat zij onvoldoende draagvlak zag bij de Universiteitsraad voor de aanvraag.
NHL Stenden biedt in haar international campus Stenden Qatar al enkele jaren een traject aan. Bij een dergelijk traject kan een deel van het onderwijs (tot maximaal 75%) in het buitenland worden verzorgd.
Het door Stenden aangeboden traject en het indertijd door de RUG voorgenomen traject zijn dus verschillend. Voor ik inga op de casus Stenden Qatar wil ik eerst het onderzoek van de inspectie afwachten.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat het aanzien van internationalisering wordt geschaad door dit soort affaires?
In de wet heb ik een groot aantal voorwaarden opgenomen waaraan een Nederlandse instelling moet voldoen voordat ik toestemming verleen voor het verzorgen van een volledige opleiding in het buitenland. Dat betreft onder meer voorwaarden ten aanzien van kwaliteitswaarborgen, financiële en bestuurlijke stabiliteit en beheersbaarheid, maar ook voorwaarden om de veiligheid en rechten van studenten en de academische vrijheid te borgen.
Voor het verzorgen van maximaal 75% van een opleiding in het buitenland in een structurele samenwerkingsrelatie met een Nederlandse instelling zijn ook voorwaarden verbonden. De in een beleidsnotitie opgenomen voorwaarden zijn in 2012 (opnieuw) gestuurd aan alle instellingen voor hoger onderwijs.3 Uitgangspunt is dat de student in Nederland vrijstelling kan ontvangen voor het in het buitenland gevolgde onderwijs. De kwaliteit van het diploma wordt gegarandeerd doordat de examencommissie zorgvuldige beargumenteerde besluiten dient te nemen over elk afzonderlijk geval ten aanzien van deze vrijstellingen.
Het is aan de Nederlandse instelling de kwaliteit van het buitenlandse onderwijs te onderzoeken en blijvend verantwoordelijkheid te nemen voor deze kwaliteit. Indien het inspectieonderzoek daar aanleiding toe geeft zal ik zo nodig overgaan tot verheldering of aanscherping van deze regels.
Deelt u de mening dat fraude en omkoping die leiden tot een Nederlands diploma absoluut ontoelaatbaar zijn?
De waarde van het Nederlands diploma staat voor mij voorop. Als de diplomakwaliteit in het geding is, zijn maatregelen nodig. Daarom is het ook van belang dat de inspectie bij signalen die hierop wijzen, zorgvuldig onderzoek kan uitvoeren. Zoals eerder aangegeven moet blijken uit dit onderzoek of in het onderhavige geval daadwerkelijk de waarborgen voor het eindniveau en het verlenen van een diploma in het geding zijn.
Bent u bereid om buitenlandse vestigingen van Nederlandse onderwijsinstellingen per direct te sluiten, indien blijkt dat het onderwijs van onvoldoende kwaliteit is en/of als corruptie en fraude een rol blijken te spelen bij het verkrijgen van examenresultaten en diploma’s?
Zie antwoord vraag 10.
Leerlingen uit het speciaal onderwijs die willen doorleren maar vastlopen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Pim wil leren, kan leren, maar is in een fuik beland»?1
Ja.
Herkent u dat wanneer leerlingen van het speciaal onderwijs naar het reguliere onderwijs gaan het niveau niet de grootste zorg is, maar «de vraag of het in sociaal opzicht past» en dat dit gevolgen kan hebben als een leerling vervolgens onderwijsniveaus wil stapelen?
Als een leerling vanuit het speciaal onderwijs de stap naar het regulier onderwijs kan maken, dan zal daar ook zeker extra ondersteuning bij geboden worden. Als er vervolgens een ontoereikend vakkenpakket wordt gekozen, dan kan dat echter wel gevolgen hebben voor de doorstroommogelijkheden. Dat staat wat mij betreft evenwel los van het feit of de leerling zich sociaal op zijn plaats voelt.
Wat vindt u van leerlingen die uit het speciaal onderwijs komen en in het regulier onderwijs willen doorstromen en stapelen? Wat doet u om deze kinderen hierin te ondersteunen?
Het is natuurlijk fantastisch als leerlingen die overtap van speciaal naar regulier onderwijs maken. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de mogelijkheden tot extra ondersteuning die het samenwerkingsverband kan bieden. In de meeste gevallen is er ook sprake van een warme overdracht tussen de school van herkomst en de nieuwe school.
Is bekend hoeveel leerlingen die van het speciaal onderwijs doorstromen naar het regulier onderwijs, vastlopen omdat ze niet de juiste vakken hebben gevolgd?
Nee, hierover worden geen landelijke gegevens bijgehouden.
Deelt u de mening van Oudervereniging Balans dat er te weinig speciale havo- en vwo-scholen zijn en daardoor kinderen die goed kunnen leren en extra ondersteuning nodig hebben nu vaak op een vmbo-tl-opleiding belanden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt u hieraan doen?
Van de 207 vestigingen in het vso die een uitstroomprofiel vervolgonderwijs aanbieden, zijn er 135 die havo bieden, daarvan bieden 94 vestigingen ook vwo. Dat is dus bijna de helft van het aantal scholen die het uitstroomprofiel vervolgonderwijs aanbieden. Overigens geldt ook voor het regulier vo, dat het aantal scholen dat havo en vwo aanbiedt kleiner is dan het aantal scholen dat vmbo of praktijkonderwijs aanbiedt. In het vso gaat het daarbij om kleine groepen leerlingen, waarvoor naast het zelf aanbieden van havo of vwo ook gekozen kan worden voor samenwerking met vavo of reguliere vo-scholen. Daarmee zijn er naar mijn mening voldoende mogelijkheden de leerling dat onderwijs te beden dat hij nodig heeft en past bij zijn kwaliteiten.
Zijn er uitzonderingsmogelijkheden voor leerlingen zoals Pim in de beschreven casuïstiek, zodat zij toch kunnen doorleren en stapelen ook al hebben zij een «knik in hun biografie»? Zo ja, welke uitzonderingsmogelijkheden zijn dit? Zo nee, bent u bereid om in dergelijke zeldzame gevallen een uitzondering mogelijk te maken?
Ik heb bewondering voor de inzet die Pim toont in zijn schoolcarrière. Dat hij op het havo gemiddeld hoge cijfers haalt is gezien zijn geschiedenis erg knap. Naast het behalen van goede cijfers is echter ook het volgen en afsluiten van alle verplichte vakken nodig om een vwo-diploma te halen. Pim vrijstelling verlenen voor het afleggen van het vwo-examen in een tweede moderne vreemde taal (al dan niet op basis van zijn hoge cijfergemiddelde), zou oneerlijk zijn tegenover andere leerlingen, die óók alle verplichte vakken moeten volgen en afronden.
Dat laat echter onverlet dat Pim wel degelijk zou mogen doorstromen van havo-4 naar vwo-5. Er is geen wettelijk doorstroomverbod voor leerlingen met een vakdeficiëntie. Weliswaar zou die deficiëntie in vwo-5 en vwo-6 gerepareerd moeten worden, om aan het eind van vwo-6 examen te kunnen doen in dit vak, maar dat kan op schoolniveau geregeld worden. Hiervoor behoeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of de Inspectie van het Onderwijs geen uitzondering te maken.
Zie voor een verdere toelichting bij deze casus mijn antwoorden op de schriftelijke vragen die het lid Kwint (SP) heeft gesteld over dit zelfde bericht.
Twee Groningse scholen voor speciaal onderwijs die zich door het lerarentekort gedwongen zien om over te gaan tot invoering van een vierdaagse lesweek |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Wat is er waar van het bericht dat het Diamant College in de stad Groningen voor voortgezet speciaal onderwijs en De Delta in Appingedam voor speciaal basisonderwijs een vierdaagse lesweek hebben ingevoerd vanwege het lerarentekort?1
Het klopt dat er bij het Diamant College in Groningen en bij De Delta in Appingedam vierdaagse schoolweken zijn ingevoerd. Het bestuur van deze scholen en de inspectie hebben hierover regelmatig contact. De inspectie gaat uit van de wettelijke kaders en de richtlijnen zoals geboden in de Handreiking lerarentekort primair onderwijs die ook voor het (voortgezet) speciaal onderwijs van toepassing zijn. Indien nodig, kan de inspectie om een plan van aanpak vragen bij het bestuur om de situatie zo spoedig mogelijk te normaliseren.
Hoe houdt u in het bijzonder zicht op het lerarentekort in het speciaal onderwijs, dat daar nog groter is dan in het basisonderwijs?
De inspectie houdt toezicht op het regulier basisonderwijs en op het (voortgezet) speciaal onderwijs. Er is geen apart of intensiever toezicht op speciaal onderwijs.
Wat betekent het wettelijke kader dat een vierdaagse schoolweek niet langer dan zeven weken per schooljaar mag worden ingezet, als het lerarentekort verhindert dat de school een alternatief heeft?
Op het moment dat de inspectie geluiden ontvangt dat de onderwijskwaliteit of veiligheid op een school in het geding raakt, of signaleert dat wettelijke regelgeving wordt overschreden, dan gaat de inspectie met individuele besturen het gesprek aan, over de manier waarop een bestuur de situatie zo snel mogelijk wil gaan normaliseren. Indien daartoe aanleiding is, wordt het bestuur gevraagd een plan van aanpak op te stellen. Op grond van het plan bepaalt de inspectie of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.
Wat vindt u ervan dat de bestuursvoorzitter van de betrokken onderwijsorganisatie RENN4 zelfs niet uitsluit dat zijn scholen ergens dit jaar terug moeten naar een lesweek van drie dagen?
Dit vind ik zorgwekkend. De inspectie houdt dan ook contact met het bestuur over de situatie en mogelijke oplossingsrichtingen. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat een noodgedwongen invoering van een vierdaagse schoolweek in het speciaal onderwijs heel ernstig is, juist omdat het kwetsbare kinderen raakt?
Uitval van lessen of schooldagen moeten we voor elk schoolgaand kind voorkomen: dit geldt voor kinderen in het reguliere onderwijs, maar ook in het speciaal onderwijs.
Welke mogelijkheden ziet u om te helpen voorkomen dat het Diamant College nog veel langer met een vierdaagse schoolweek werkt, nu de leerlingen daar al tien weken niet meer dan vier dagen les per week krijgen?
Voor elke school geldt dat er gekeken kan worden naar de opties die zijn beschrijven in de eerder genoemde handreiking, zoals het aanstellen van zijinstromers en mogelijkheden om de organisatie van het onderwijs aan te passen.
Initiatieven voor passend onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL), Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de ZON-aanpak (Zorg en ONderwijs samen voor de klas), waarmee men een oplossing denkt te formuleren voor de haalbaarheid van passend onderwijs, het verminderen van onderpresteren en het besparen van kosten?1
Ik heb met interesse kennisgenomen van de ZON-aanpak. Het bieden van passend onderwijs is een kwestie van maatwerk leveren en een domein-overstijgende benadering van onderwijs en zorg kan hieraan bijdragen.
Wat is uw mening over de essentie van de ZON-aanpak, namelijk de samenhang van vier principes: een kleine klas met maximaal 23 leerlingen, leerkracht en zorgprofessional samen in de klas, ouderparticipatie en verantwoording weer op scholen? Hoe staat u ten opzichte van deze principes?
Het is aan het bevoegd gezag of het de ZON-aanpak hanteert. Ik constateer dat veel scholen aandacht hebben voor deze principes in verschillende vormen.
Bent u bereid om ruimte te bieden aan scholen om te experimenteren met de ZON-aanpak? Bent u bereid hierin de ruimte te creëren om de claims achter deze aanpak, zoals onder meer het verminderen van de aanspraak op jeugdzorg en de afname van het aantal thuiszitters in de praktijk te testen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het staat het bevoegd gezag vrij om zelf de methode te hanteren die het prefereert, mits deze in lijn is met de huidige wet- en regelgeving. Het huidig juridisch onderwijskader, biedt ruimte om de principes van de ZON-aanpak te hanteren.
Zoals aangegeven in de onderwijs-zorgbrief2 werken Minister de Jonge en ik onderwijs-zorgarrangementen uit waarin wij bekijken of de huidige onderwijs- en zorgkaders genoeg ruimte en duidelijkheid bevatten voor het bieden van maatwerk aan kinderen met een sterke ondersteuningsbehoefte van onderwijs en/of zorg. Hiermee willen wij dit vraagstuk fundamenteel benaderen, in plaats van slechts meer experimenteerruime te bieden. Uw Kamer zal naar verwachting bij de Voortgangsrapportage Passend Onderwijs (juni 2019) op de hoogte worden gesteld van de vorderingen omtrent deze arrangementen.
Erkent u dat er ook kinderen zijn waarvoor (tijdelijk) een andere locatie dan school nodig is? Welke oplossing biedt u hierin zodat passend onderwijs voor ieder kind mogelijk is?
Er zijn diverse mogelijkheden binnen de huidige wet- en regelgeving om onderwijs op een andere locatie dan school te volgen. Zo kan er afgeweken worden van de voorgeschreven onderwijstijd middels de Variawet3 en is de reikwijdte van deze wet vanaf 01/08/2018 zelfs verbreed en vereenvoudigd. Ook omtrent onderwijs aan zieke leerlingen bestaat een breed scala aan mogelijkheden om onderwijs op een andere locatie te volgen, bijvoorbeeld in een ziekenhuis of psychiatrische inrichting. Leerlingen kunnen tevens in aanmerking komen om tijdelijk geplaatst te worden bij een Orthopedagogisch Didactisch Centrum (OPDC) indien hun ondersteuningsbehoefte daar om vraagt. Tevens kan een deel van het onderwijsprogramma op een andere locatie worden gevolgd dan school. Voor initiatieven (bijvoorbeeld een zorgboerderij) is het ook mogelijk om een nevenvestiging van een school te worden. Tot slot werk ik aan een wetsvoorstel om het mogelijk te maken tijdelijk onderwijs op een particuliere onderwijsinstelling te volgen indien er geen dekkend regionaal aanbod is. Of er hiernaast nog meer ruimte nodig is wordt meegenomen bij de uitwerking van de onderwijs-zorgarrangementen.
De essentie is te komen tot een passend aanbod dat kan bestaan uit een combinatie van onderwijs, ondersteuning, jeugdhulp en zorg. De ondersteuningsbehoefte van het kind staat hierbij altijd centraal. Het is van primair belang dat de ondersteuning van goede kwaliteit is en dat dit gewaarborgd kan worden.
Bent u bekend met nieuwe initiatieven van onderwijs-zorg combinaties, zoals Linawijs? Bent u bereid om voor deze en vergelijkbare initiatieven experimenteerruimte te bieden, inclusief de benodigde randvoorwaarden? Bent u bereid om het kwalitatieve onderzoek hiervan te ondersteunen?2
Ja, hier ben ik mee bekend. Samen met het Ministerie van VWS wordt een onderzoek uitgevoerd naar onder andere nut en noodzaak van de initiatieven en gaan wij bekijken of aanpassing van de onderwijs- en zorgkaders nodig zijn. Dit kwalitatieve onderzoek wordt momenteel aanbesteed en zal spoedig van start gaan en voor de zomer van 2019 zijn afgerond. De beleidsconclusies aangaande deze initiatieven nemen wij mee bij de uitwerking van de onderwijs-zorgarrangementen. Dan zullen de Minister van VWS en ik dus ook conclusies trekken over eventuele extra experimenteerruimte en de bijbehorende randvoorwaarden.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg Passend onderwijs van 31 januari 2019 beantwoorden?
Nee, zie uitstelbrief5.
Het niet toestaan van een nieuwe aanvraagronde voor het experiment promotieonderwijs |
|
Harry van der Molen (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Hoe staat het met de tussentijdse evaluatie van het experiment promotieonderwijs die volgens het Besluit experiment promotieonderwijs twee jaar na de start van het experiment wordt uitgevoerd? Waarom is deze bijna drie jaar na de start van het experiment nog niet voltooid?
Het onderzoek voor de tussenevaluatie van het experiment is op 12 december 2018 aan onderzoeksbureau Cheps gegund. Cheps is in januari met de onderzoekswerkzaamheden gestart. In het Besluit experiment promotieonderwijs1 is bepaald dat twee jaar na de inwerkingtreding van het besluit een tussentijdse evaluatie wordt uitgevoerd. De instroom van promotiestudenten bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) is niet direct na de toestemming voor deelname aan het experiment gestart, maar pas per september 2016. Omdat van instroom van enige omvang op dat moment pas sprake was, is van september 2016 uitgegaan voor de planning van de tussenevaluatie. Met de feitelijke start van het onderzoek in januari 2019 kan Cheps bovendien informatie van de promotiestudenten die in het laatste kwartaal van 2018 bij de RUG zijn gestart verwerken, alsmede van alle vijftien promotiestudenten bij de EUR. Zoals blijkt uit mijn antwoord op 17 september 2018 op schriftelijke vragen van Kamerlid Özdil 2 zouden in september 2018 de laatste vijf promotiestudenten bij de EUR starten.
Wanneer kan de Kamer de resultaten van deze tussenevaluatie verwachten?
De planning is dat Cheps het rapport van het onderzoek uiterlijk april 2019 oplevert. Deze termijn kan zo nodig éénmaal twee maanden worden verlengd. Binnen vier weken na ontvangst wordt het rapport openbaar gemaakt en naar de Kamer gestuurd.
Bent u bekend met de tussentijdse onafhankelijke evaluatie die de Rijksuniversiteit Groningen heeft laten uitvoeren onder haar studentpromovendi?
Ik heb van de RUG in oktober 2017 de beschikking gekregen over een verslag van de evaluatie van het experiment over de periode 1 september 2016 tot 1 september 2017, uitgevoerd door haar faculteit Gedrag- en Maatschappijwetenschappen.
Hoe duidt u de resultaten van deze evaluatie, waaruit blijkt dat deze promovendi-studenten tevreden zijn over hun rechtspositie, over de begeleiding die ze krijgen, de voorzieningen waarvan ze gebruik kunnen maken en over hun inbedding in de onderzoeksgroep?
Ik heb de resultaten van deze evaluatie voor kennisgeving aangenomen.
Aan resultaten van het experiment zal ik duiding geven in mijn reactie op de tussenevaluatie van Cheps.
Heeft het experiment bij de deelnemende universiteiten, Rijksuniversiteit Groningen en Erasmus Universiteit Rotterdam, tot nu toe tot een toename van het totaal aantal promovendi geleid?
Zoals blijkt uit het Besluit experiment promotieonderwijs zal één van de vragen voor de eindevaluatie, die eind 2021 zal plaatsvinden, zijn of de deelnemende universiteiten meer gepromoveerden hebben afgeleverd ten opzichte van de periode tussen 2010 en 2016 en zo ja, of dit verschilt per onderwijsgebied. Of het experiment heeft geleid tot een toename van het aantal promovendi zal dus worden gemeten over de gehele looptijd van het experiment en worden vergeleken met de periode tussen 2010 en 2016. Zoals ik op 17 september 2018 heb geantwoord op schriftelijke vragen van Kamerlid Özdil 3 verwacht de RUG onder de werking van het experiment 20 procent meer promovendi te kunnen aantrekken. Gelet op de omvang van de deelname van de EUR zal de toename bij deze universiteit beperkt blijven. Uit de eindevaluatie zal moeten blijken of de verwachte toename bij de RUG zal worden bereikt.
Welke conclusie kan u op dit moment trekken over de mate waarin het experiment promotieonderwijs bijdraagt aan een betere voorbereiding op een toekomstige loopbaan?
Voor de eindevaluatie zal worden onderzocht hoe gepromoveerde promotiestudenten de aansluiting van het promotie-onderwijstraject op de arbeidsmarkt hebben ervaren. Op grond van de antwoorden daarop kunnen pas conclusies worden getrokken. Op dit moment zijn er nog geen promotiestudenten gepromoveerd en instroom op de arbeidsmarkt heeft derhalve nog niet plaatsgevonden.
Waarom heeft u nog voordat de eerste tussenevaluatie met betrekking tot het experiment promotieonderwijs is begonnen, besloten om geen nieuwe aanvraagronde voor universiteiten open te stellen?
Ik zou een nieuwe aanvraagronde eventueel hebben overwogen als dat een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject zou hebben opgeleverd, hetgeen van meerwaarde voor het experiment zou zijn geweest. Maar van belangstelling van andere universiteiten buiten de RUG en de EUR was geen sprake en is ook nu niet gebleken.
Wat zijn de gevolgen voor het aantal beschikbare promotieplaatsen voor geïnteresseerde masterstudenten, als er geen gebruik wordt gemaakt van het openstellen van een nieuwe aanvraagronde? En hoe duidt de Minister deze gevolgen?
Zoals ik heb vermeld in het antwoord op vraag 5 zal uit de eindevaluatie moeten blijken of het experiment tot een toename van het aantal promovendi bij de RUG en de EUR heeft geleid. Een nieuwe aanvraagronde leidt niet automatisch tot meer promovendi. En zoals blijkt uit het antwoord op vraag 7 is niet gebleken van belangstelling bij andere universiteiten buiten de RUG en de EUR.
Bent u bereid alsnog een nieuwe aanvraagronde open te stellen, bijvoorbeeld als er uit de tussenevaluatie blijkt dat er geen ernstige nadelige effecten op het onderzoeksklimaat aan de universiteit zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 7.
Het bericht dat vrijwilligers in de zorg vaak taken uitvoeren waarvoor een opleiding is vereist |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zorgvrijwilliger heeft vaak medische taak»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat een vijfde van de vrijwilligers in de zorg medische handelingen verricht waarvoor een opleiding is vereist?
Ik heb grote waardering voor de ongeveer 1 miljoen vrijwilligers die actief zijn binnen het domein van zorg en ondersteuning. Ik begrijp dat deze vrijwilligers in onverwachte situaties terecht kunnen komen, waar soms ook medische handelingen nodig zijn. Het gaat, in tegenstelling tot hetgeen in het artikel van Trouw wordt gesuggereerd, slechts incidenteel om medische handelingen waarvoor een opleiding vereist is. Meestal is dan sprake van een noodsituatie. Ik ben niet bekend met situaties waarin vrijwilligers structureel medische handelingen uitvoeren waarvoor zij niet zijn opgeleid.
Regel is dat voorbehouden handelingen enkel worden uitgevoerd door zorgverleners die hiervoor bevoegd zijn en voldoende vaardigheden hebben om de handelingen uit te voeren. Voorbehouden handelingen zijn risicovolle, medische handelingen en staan beschreven in de Wet op beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Alleen de in de Wet BIG aangewezen beroepsbeoefenaren, die als zodanig geregistreerd zijn in het BIG-register, mogen deze voorbehouden handelingen zelfstandig uitvoeren.
Een vrijwilliger kan eventueel voorbehouden handelingen uitvoeren als hij of zij in opdracht handelt van zo’n zelfstandig bevoegde zorgverlener. De vrijwilliger in kwestie moet dan wel bekwaam zijn om de voorbehouden handeling uit te voeren. Ook moet de opdrachtgever (de zelfstandige bevoegde zorgverlener) toezicht houden, zodat er ingegrepen kan worden indien nodig. In de privé sfeer vervalt de eis tot BIG-registratie; het is in dat geval van belang dat patiënten, ouders of mantelzorgers bekwaam zijn om de handeling(en) uit te voeren. In noodsituaties mag iedereen «naar beste weten en kunnen» medische handelingen verrichten.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gemeenten en bestuurders van vrijwilligers verwachten dat zij taken uitvoeren waarvoor een opleiding vereist is, zodat zij minder een beroep hoeven te doen op betaalde krachten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 ben ik niet bekend met situaties waarin vrijwilligers structureel medische handelingen uitvoeren waarvoor zij niet zijn opgeleid. Voor vrijwilligers die werkzaam zijn binnen een (zorg)organisatie geldt dat de betreffende organisatie verantwoordelijk is voor het handelen van de vrijwilliger.
Ik realiseer me dat het voor vrijwilligers soms lastig kan zijn om hun grenzen aan te geven, omdat zij het gevoel hebben dat mensen anders niet de zorg ontvangen die zij nodig hebben. Werkzaamheden die door vrijwilligers worden uitgevoerd zijn in beginsel aanvullend op de werkzaamheden van betaalde krachten. Ik vind het vooral van belang dat binnen (zorg)organisaties goede afspraken gemaakt worden over welke werkzaamheden wel- en welke in beginsel niet door vrijwilligers worden uitgevoerd. Ook van belang vind ik dat binnen organisaties voldoende gelegenheid is voor vrijwilligers om signalen van overvraging kenbaar te maken. Een vrijwilligerscoördinator kan hier een belangrijke rol in vervullen. Vrijwilligerskoepel NOV werkt op dit moment aan een programma om de (lokale) samenwerking tussen vrijwilligers, beroepsmatig georganiseerde zorg en de lokale overheid te versterken. Voor het einde van dit jaar zal ik u hier nader over informeren.
De plotselinge stop van het onderwijsaanbod op leer-/zorgboerderij de Grote Brander in Deventer |
|
Paul van Meenen (D66), Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Wat vindt u ervan dat het onderwijsaanbod op de leer-/zorgboerderij de Grote Brander in Deventer verdwijnt door het stopzetten van de financiering, terwijl er kinderen zijn die juist veel baat hebben bij deze manier van onderwijs zoals de moeder in de brief omschrijft?1
Ik begrijp de zorgen die zijn geuit door deze moeder. Het is frustrerend als jouw kind na een lange zoektocht eindelijk op een goede plek zit en dat dan blijkt dat het aanbod hier niet in stand kan worden gehouden. Ook ik wil dat elk kind onderwijs ontvangt dat past bij zijn of haar ontwikkelingsmogelijkheden. Het is echter ook mijn verantwoordelijkheid om de kwaliteit van onderwijs voor elk kind te kunnen garanderen. Hiervoor zijn in de wet eisen gesteld aan het onderwijscurriculum en aan onderwijslocaties. In de door u aangedragen casus heeft de Inspectie van het Onderwijs geconstateerd dat de desbetreffende zorgboerderij niet aan deze voorwaarden voldoet en dus niet als schoollocatie kan worden aangemerkt. Er werd ook geen onderwijs gegeven onder verantwoordelijkheid van een school. Het betreft een instelling die dagbesteding en zorg biedt onder verantwoordelijkheid van de gemeente (Jeugdhulp). Hier vinden ontwikkelingsgerichte activiteiten plaats als onderdeel van de dagbesteding.
Bent u het eens dat juist met (onder andere) deze vorm van onderwijs de belofte van passend onderwijs wordt nagekomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Passend onderwijs betekent dat elk kind onderwijs krijgt op een passende schoollocatie die aansluit bij de kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden van het kind. Scholen zijn vanuit hun zorgplicht verantwoordelijk voor het aanbieden van een passende onderwijsplek en samenwerkingsverbanden zijn verantwoordelijk voor het verzorgen van een dekkend regionaal onderwijsaanbod. In dit geval is geen sprake van passend onderwijs aangezien het geen onderwijs (op een officiële schoollocatie) betreft.
Klopt het dat het samenwerkingsverband vindt dat de Grote Brander eerst een officiële schoollocatie moet worden, voordat zij weer het onderwijs gaan financieren? Zo ja, welke andere mogelijkheden zijn er om alsnog het onderwijs op de leer-/zorgboerderij te financieren? Zo nee, waarom wordt dan de financiering stopgezet?
Het samenwerkingsverband en de Inspectie van het Onderwijs hebben inderdaad geconstateerd dat de Grote Brander geen officiële schoollocatie is en dus geen aanspraak kan maken op financiering vanuit het onderwijs.
Als de Grote Brander structureel onderwijs wil verzorgen zal het als officiële schoollocatie aangemerkt moeten worden. Dit is ook mogelijk als nevenvestiging van een school. Het onderwijs op een dergelijke locatie moet daarnaast ook aan alle andere wettelijke voorschriften voldoen aangaande het personeel, de kerndoelen en de onderwijstijd. In uitzonderlijke gevallen kan een leerling tijdelijk ondersteuning ontvangen op een andere locatie dan een school. De Variawet (in werking getreden op 01/08/2018) biedt een school meer ruimte om af te wijken van de onderwijstijd en om kinderen tijdelijk op een alternatieve locatie te ondersteunen. Hier zijn echter wel voorwaarden aan verbonden aangaande de duur en de begeleiding. Zo moet het traject gericht zijn op de volledige terugkeer van de leerling naar het onderwijs op school, is deze oplossing altijd van tijdelijke aard en onder verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Het is dus geen substituut voor het bieden van onderwijs op een school.
Vindt u ook dat het onderwijsaanbod op de Grote Brander juist moet blijven voor deze groep kinderen? Zo ja, welke actie(s) gaat u ondernemen om dit voor elkaar te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie antwoord 1, 2 en 3.
Ik besef dat dit teleurstellend is voor kinderen en ouders die hebben ervaren dat de ontwikkelingsondersteuning die wordt geboden op de Grote Brander hen heeft geholpen. Mijn indruk is ook dat op deze zorgboerderij uiterst betrokken mensen bezig zijn de kinderen verder te brengen in hun ontwikkeling. Echter is het wel mijn verantwoordelijkheid om te zorgen dat elk kind in Nederland onderwijs ontvangt dat aan de kwaliteitsstandaarden voldoet. Om dit te kunnen waarborgen hebben wij wettelijk vastgelegd waar ons onderwijs aan moet voldoen en hoe hier op moet worden toegezien. Ik acht het daarom van groot belang om vast te houden aan deze kwaliteitswaarborg. Dit ontslaat ons uiteraard niet van de plicht om constant te evalueren of het huidig wettelijk kader afdoende ruimte biedt om het maatwerk te kunnen leveren dat kinderen nodig hebben.
Bent u bereid om met het samenwerkingsverband in gesprek te gaan over de stop op de financiering van het onderwijs en de effecten hiervan op de leerlingen die daardoor geen onderwijs meer kunnen volgen op leer-/zorgboerderij de Grote Brander in Deventer? Zo nee, waarom niet?
Mijn ambtenaren en de Inspectie van het Onderwijs hebben reeds gesproken met het samenwerkingsverband, de gemeente, de desbetreffende scholen en de zorgboerderij. Deze partijen nemen hun verantwoordelijkheid om de kinderen die op de zorgboerderij zitten te helpen bij hun verdere ontwikkeling. De gemeente Deventer zoekt voor alle kinderen een individuele oplossing en monitort de situatie. Voor de leerplichtige kinderen zijn primair de onderwijsinstellingen aan zet en voor de kinderen die zijn vrijgesteld van onderwijs (artikel 5 onder a Leerplichtwet) de gemeente. Het doet mij deugd dat alle betrokken partijen in gezamenlijkheid aan een oplossing werken. Dit is een mooi voorbeeld van hoe onderwijs- en zorgpartijen op lokaal en regionaal niveau werken aan een oplossing voor kinderen die een specifieke onderwijs en/of zorgbehoefte hebben.
Bent u conform de aangenomen motie Siderius2 bereid om alsnog scenario’s uit te werken over welke mogelijkheden er zijn om bovenregionale voorzieningen die zowel zorg als onderwijs aanbieden te financieren en in die scenario’s rekening te houden met dit soort situaties, zoals eerder bijvoorbeeld ook al bij de leer-/zorgboerderij Lyts Tolsum in Tzum? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze scenario’s ontvangen? Zo nee, waarom niet?
De motie Siderius is reeds uitgevoerd en de scenario’s zijn aan uw Kamer geschetst op 6 december 2016 (Kamerstuk 31 497, nr. 221).
De huidige wetgeving biedt ruimte voor bovenregionale instellingen om zorg en onderwijs aan te bieden. Echter zullen zij wel moeten voldoen aan de gestelde eisen voor onderwijs en zorg. Ik werk samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan een betere aansluiting tussen onderwijs en zorg. Binnenkort zullen wij uw Kamer verder informeren over onze plannen op dit terrein middels een Kamerbrief.
De berichten dat een bedrijf ‘post-master’-opleidingen aanbiedt in combinatie met een arbeidscontract dat uiteindelijk niet tot stand komt |
|
Frank Futselaar |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «Humanoids lokt met een baan die er helemaal niet is» van het radioprogramma Radar?1 Hoe duidt u dit bericht? Kunt u bevestigen dat het bedrijf in kwestie op geen enkele wijze onderwijsaccreditatie bezit?
Ja, dat ben ik. Ik vind het een kwalijke zaak als een bedrijf mensen lokt met een baan die er helemaal niet is. Ik kan bevestigen dat het bedrijf in kwestie, Humanoids, geen geaccrediteerde opleidingen aanbiedt.
Wist u dat het bedrijf in kwestie een «post-master» aanbiedt?2 Is het correct dat termen als «post-master» en «post-HBO» op dit moment op geen enkele wijze beschermde titels zijn? Vindt u dit een wenselijke situatie? Bent u bereid stappen te zetten om te zorgen dat alleen geaccrediteerde onderwijsinstellingen dergelijke termen kunnen gebruiken voor onderwijsaanbod?
Het is correct dat dergelijke termen niet wettelijk zijn beschermd. Bij de behandeling van de Wet bescherming namen en graden heb ik uw Kamer ook gemeld dat niet alle termen wettelijk te beschermen zijn. In dit kader is er toen met uw Kamer over gesproken dat vele termen die door organisaties die (hoger) onderwijs verzorgen worden gebruikt, buiten de reikwijdte van die wet vallen. Er voor zorgen dat ook deze termen wettelijk worden beschermd is niet de oplossing voor het tegengaan van misleiding; met wat handige marketing kunnen immers gemakkelijk weer nieuwe termen worden bedacht. Een en ander laat onverlet dat wanneer er hierbij echter sprake is van een vorm van misleiding die valt onder een strafrechtelijke delictsomschrijving (bedrog of valsheid in geschrifte), dit niet toegestaan is en dus via die weg aan te pakken is.
Daarbij merk ik op dat het ook in het belang van de student is dat deze zelf kritisch blijft ten opzichte van de aanbiedende organisatie; dat vind ik ook een eigen verantwoordelijkheid. Voor wat betreft de transparante informatie die hierover vanuit de overheid wordt verstrekt, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 6.
Hoe beoordeelt u een situatie waarin een bedrijf zonder aantoonbare onderwijservaring voor hoge bedragen opleidingen aanbiedt, al dan niet in combinatie met een uitzicht op een contract?
Wij hebben in ons land de vrijheid van onderwijs waarbinnen het mogelijk is dat individuen en bedrijven, ook indien zij geen aantoonbare onderwijservaring hebben, onderwijs aan mogen bieden.
Op welke wijze vindt er toezicht plaats, bijvoorbeeld door de onderwijsinspectie of de Nederlands-Vlaamse Accrediatieorganisatie (NVAO), op niet-geaccrediteerde bedrijven die hoger onderwijs aanbieden?
Er is geen toezicht op niet-geaccrediteerd onderwijs aangeboden door bedrijven, anders dan op het toezicht op de naleving van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs door de Inspectie van het Onderwijs. De inspectie kan onderzoek doen en bij een gegrond signaal stappen ondernemen om overtreding van de regels tegen te gaan.
Bent u bereid om, in samenwerking met Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO), de Vereniging Hogescholen en de Vereniging van Universiteiten (VSNU) te onderzoeken hoeveel niet-geaccrediteerd aanbod aan hoger onderwijs (specifiek de termen «post-master» en «post-HBO») er in de markt wordt aangeboden?
Ik zie hiertoe geen aanleiding, gezien de bescherming die wordt geboden door de Wet bescherming namen en graden.
Op welke wijze biedt het ministerie informatie over de risico’s van het volgen van niet-geaccrediteerd (hoger) onderwijs? Is deze casus aanleiding voor u om de informatievoorziening te intensiveren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Er is op rijksoverheid.nl en op de site van de NVAO uitgebreide informatie beschikbaar over de wijze waarop hoger onderwijs wordt erkend en geaccrediteerd. Alle geaccrediteerde opleidingen zijn opgenomen in een openbaar te raadplegen register. Ook wordt aangegeven wat de consequenties zijn van het volgen van een niet-geaccrediteerde opleiding.
Met de Wet bescherming namen en graden zijn ter voorkoming van misleiding van (aankomende) studenten regels opgenomen over het recht om graden te verlenen. Onder meer is hiermee geregeld dat bij het verlenen van een graad kenbaar moet worden gemaakt welke graad (inclusief eventuele toevoeging) aan een opleiding is verbonden en op welke (buitenlandse) accreditatieregeling die is gebaseerd.
Met deze wet is ook duidelijk gemaakt dat het voor de student van belang is zich goed te informeren, voordat wordt begonnen met het volgen van (hoger) onderwijs.