Het verbod op gebedsrituelen op het Cobbenhagenlyceum |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Nobel , Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tilburgse middelbare school staat gebedsrituelen niet toe: «Wij zijn een school en daar wordt geleerd»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het beleid van het Cobbenhagenlyceum om leerlingen niet toe te staan om te bidden, zelfs niet in de pauze of op een rustig plekje buiten de leslokalen?
Naar aanleiding van het bericht in het AD heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het Cobbenhagenlyceum. Het Cobbenhagenlyceum geeft aan dat er van een verbod op bidden geen sprake is.
Het is aan de het Cobbenhagenlyceum zelf of de school het bidden ook wil faciliteren. In 2000 heeft de toenmalige Commissie gelijke behandeling (nu: College voor de Rechten van de Mens) geoordeeld dat openbare scholen hiertoe niet verplicht zijn.2 Hetzelfde geldt voor bijzondere scholen zoals het Cobbenhagenlyceum. Als het Cobbenhagenlyceum het bidden niet wil faciliteren, is dat dus zijn goed recht. Ik steun de school hierin volledig.
Deelt u de opvatting dat het verbieden van gebedsrituelen tijdens pauzes in strijd is met de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
Laat ik allereerst nog eens herhalen: het Cobbenhagenlyceum geeft aan dat van een gebedsverbod bij hen geen sprake is.
Voor wat betreft het wettelijk kader: het Cobbenhagenlyceum is een bijzondere school. Bijzondere scholen mogen op grond van artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb) van leerlingen vragen dat zij de geloofsovertuigingen van hun school onderschrijven en dat zij zich daarnaar gedragen. Als het gebed belijden van een andere geloofsovertuiging hier niet bij past, mogen zij dit verbieden. Zulke voorschriften moeten wel onderdeel uitmaken van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school. Zulke voorschriften mogen dus niet verder gaan dan nodig.
De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op een school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat houdt ook in dat alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De inspectie houdt geen toezicht op de naleving van de Awgb. Of de Awgb wordt nageleefd, kan slechts (niet bindend) worden beoordeeld door het College voor de Rechten van de Mens en (bindend) door de civiele rechter. Deze instanties zullen van geval tot geval beoordelen of het beleid van de school inderdaad in overeenstemming is met de wet. Die weging kunnen alleen zij maken.
Hoe verhoudt het beleid van het Cobbenhagenlyceum zich tot de Algemene wet gelijke behandeling op grond van godsdienst of levensovertuiging, waarin discriminatie op basis van religie expliciet verboden is?
Voor het openbaar onderwijs verbiedt de Awgb onderscheid op grond van godsdienstige uitingen, zoals bidden. In dat kader mogen openbare scholen het bidden niet verbieden. Bijzondere scholen mogen het bidden soms wel verbieden, dat bepaalt artikel 7, tweede lid, van de Awgb.
Het Cobbenhagenlyceum is een bijzondere school, maar geeft aan dat er van een gebedsverbod geen sprake is. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen. Als het Cobbenhagenlyceum het bidden niet wil faciliteren, is dat zijn goed recht. Ik steun de school hierin volledig.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van Muslim Rights Watch dat dit beleid in de praktijk vooral moslimleerlingen raakt, aangezien andere religieuze uitingen zoals een kerstviering en een iftar wél worden gefaciliteerd? Vindt u dit consistent en rechtvaardig beleid?
Bijzondere scholen zoals het Cobbenhagenlyceum hebben de ruimte om in hun beleid onderscheid te maken op grond van godsdienstige overtuigingen. Op basis van de toelichting die de school tot op heden heeft gegeven, lijkt van een dergelijk onderscheid overigens geen sprake.
Verder is het aan scholen zelf om uit te werken hoe zij omgaan met godsdienstige uitingen. Dat het Cobbenhagenlyceum ervoor kiest om een diversiteit aan religieuze feestdagen te vieren, betekent niet dat zij ook verplicht is om andere uitingen, zoals bidden, te faciliteren.
Bent u het ermee eens dat scholen, zeker wanneer zij bekostigd worden met publieke middelen, een inclusieve leeromgeving moeten waarborgen waarin ruimte is voor religieuze diversiteit?
Op school moeten alle leerlingen zich vrij en veilig kunnen voelen en zichzelf kunnen zijn. Mede in dat kader hebben scholen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. Tegelijkertijd behouden bijzondere scholen de vrijheid om bijvoorbeeld denominatief selectiebeleid te voeren, mits is voldaan aan de voorwaarden uit de Awgb.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de schooldirecteur dat «bidden thuis moet gebeuren» en dat de school niet de opdracht heeft om hierin te faciliteren? Vindt u dat een school het recht heeft om religieuze uitingen die geen overlast veroorzaken volledig uit het schoolleven te weren?
In Nederland kan je als ouder en leerling de school kiezen die het beste bij jou past en bieden we via artikel 23 van de Grondwet alle ruimte aan bijzondere scholen. Veel leerlingen en ouders maken binnen die keuzevrijheid bewust de keuze voor onderwijs dat uitgaat van een specifieke godsdienst of geloofsovertuiging of juist voor openbaar onderwijs. Het staat leerlingen en ouders vrij om ook de mate waarin een school het belijden van religie faciliteert mee te wegen in hun keuze. Scholen hebben geen verplichting om het belijden van religie te faciliteren.
Bent u bereid om met het Cobbenhagenlyceum en andere onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te waarborgen dat religieuze rechten van leerlingen worden gerespecteerd, binnen de kaders van de wet? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat de religieuze rechten van leerlingen op het Cobbenhagenlyceum niet worden gerespecteerd en zie geen aanleiding om hierover met deze school in gesprek te gaan.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen geen beleid voeren dat mogelijk in strijd is met de vrijheid van godsdienst en de wetgeving omtrent gelijke behandeling?
De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op een school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat houdt ook in dat alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. Ik zie op dit moment geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Het bericht ‘Leerlingen mogen niet bidden op school: ‘Als je wordt gepakt krijg je straf’’ |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek van NOS, waaruit blijkt dat meer dan 180 middelbare scholen een gebedsverbod hanteren?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het totaal onacceptabel en krankzinnig is dat leerlingen worden gestraft, onderbroken of in sommige gevallen zelfs geadviseerd om zich uit te schrijven als zij kiezen om in hun eigen tijd te bidden en/of te mediteren?
Op openbare scholen mogen leerlingen bidden, mits dit in hun eigen tijd is en op een plek waar anderen er niet door gestoord kunnen worden. Anderen zouden bijvoorbeeld gestoord kunnen worden als het bidden plaatsvindt in een drukke gang, waardoor een onveilige situatie ontstaat. Onder dergelijke omstandigheden mag een school een biddende leerling daarop aanspreken. De school kan het beste beoordelen of van dergelijke omstandigheden sprake is.
Hoe kijkt het kabinet naar de stellingname van het College voor de Rechten van de Mens dat scholen niet zomaar een gebedsverbod mogen invoeren en handhaven?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden. Tegelijkertijd oordeelde het College voor de Rechten van de Mens in 2000 dat het bidden door scholen niet hoeft te worden gefaciliteerd. Ook moeten anderen niet door het bidden worden gestoord.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van gebedsverboden op Nederlandse middelbare scholen?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden. Scholen hoeven het bidden ook niet te faciliteren. Dit onderschrijf ik.
Bent u van mening dat iedere leerling, ongeacht religieuze, culturele of etnische achtergrond, zichzelf moet kunnen zijn?
Zeker. Mede in dat kader hebben scholen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst.
Wat is uw standpunt over het feit dat met name islamitische leerlingen de dupe zijn van het gebedsverbod?
Scholen kunnen ervoor kiezen om het bidden te faciliteren, maar zijn dat niet verplicht.
Wat is uw boodschap aan leerlingen van meer dan 180 verschillende middelbare scholen die de indruk krijgen dat zij binnen de muren van hun school niet zichzelf mogen zijn?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) controleert of scholen aan deze plicht voldoen.
Deelt u de mening dat schoolbesturen door een gebedsverbod zich van hun eigen leerlingen vervreemden en zo bijdragen aan een onveilig schoolklimaat en wat is uw boodschap aan deze schoolbesturen?
Scholen zijn niet verplicht om het bidden op school te faciliteren. Scholen bepalen zelf welke afspraken ze hierover maken en of ze bijvoorbeeld een stilteruimte inrichten. Als scholen dat niet willen doen, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat dat niet past bij het openbare karakter van hun school, dan is dat hun goed recht en steun ik ze daarin volledig.
Natuurlijk moeten alle leerlingen zich veilig voelen op school. Dat kan ook wanneer scholen het bidden niet faciliteren. Ik heb geen reden om aan te nemen dat het niet faciliteren van het bidden, leidt tot een onveilig schoolklimaat.
Acht u het wenselijk dat ouders of belangenorganisaties juridische stappen moeten overwegen om deze verboden aan te vechten of ziet u hier een taak voor uzelf om tijdig in te grijpen?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden, maar scholen hoeven het bidden ook niet te faciliteren. In de praktijk kan het daardoor voorkomen dat leerlingen maar beperkt de ruimte hebben om te bidden. Dat betekent niet dat deze leerlingen gediscrimineerd worden. Als leerlingen zich toch gediscrimineerd voelen, dan roep ik ze op om daarover met de school in gesprek te gaan vóórdat ze juridische stappen ondernemen.
Houden de leerlingen het gevoel dat zij gediscrimineerd worden en dat er sprake is van een gebedsverbod, dan is de juridische route de aangewezen weg. Instanties zoals het College voor de Rechten van de Mens of de civiele rechter kunnen oordelen of er sprake is van een schending van de relevante wet, de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb). Daarnaast kunnen leerlingen of ouders altijd een signaal afgeven bij de inspectie als zij menen dat een school de wettelijke burgerschapsopdracht niet naleeft. Alleen het besluit van scholen om het bidden niet te faciliteren, is niet in strijd met de burgerschapsopdracht.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle leerlingen zichzelf mogen zijn en dat hun grondrechten in de toekomst gewaarborgd worden?
Via de Awgb en de onderwijswetgeving (onder andere de wettelijke burgerschapsopdracht) worden de grondrechten van leerlingen gewaarborgd. Ik zie op dit moment geen reden om aanvullende maatregelen te treffen.
Overweegt u, gezien de omvang van het probleem, richtlijnen op te stellen voor scholen waarin het recht op godsdienstvrijheid gewaarborgd blijft en misstanden zoals deze worden voorkomen?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om richtlijnen op te stellen voor scholen ten aanzien van het waarborgen van godsdienstvrijheid.
Kunt u de lijst van scholen met een gebedsverbod naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen openbare scholen bekend met een gebedsverbod.
Bent u bereid in gesprek te gaan met schoolbestuurders met als boodschap dat het onacceptabel is dat leerlingen vervreemd raken van de middelbare school en dat de grondrechten van leerlingen worden geschonden?
Leerlingen of ouders kunnen altijd een signaal afgeven bij de inspectie als zij menen dat de school de onderwijswetgeving ter waarborging van de grondrechten van leerlingen niet naleeft. De inspectie zal naar aanleiding van zulke signalen contact opnemen met een school en mogelijk de school aan een onderzoek onderwerpen. Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat de grondrechten van leerlingen worden geschonden en dus geen aanleiding om hierover met schoolbestuurders in gesprek te gaan.
Hoe kijkt het kabinet naar een oplossing voor dit zorgwekkende beleid van schoolbesturen, bijvoorbeeld door het adviseren van stilteruimtes waar leerlingen tot rust kunnen komen en/of kunnen bidden?
Scholen zijn niet verplicht om een stilteruimte aan te bieden of om op andere manieren het bidden te faciliteren. Mijn opvatting is dat het openbare karakter van een school leidend moet zijn en gerespecteerd dient te worden.
Het bericht ‘Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen’ |
|
Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen»?1
Ja.
Hoeveel leerlingen doen er dit jaar niet mee aan de doorstroomtoets afgezien van de leerlingen met een wettelijke uitzondering?
Sinds de berichtgeving waar u met deze schriftelijke vragen naar verwijst, is er veelvuldig contact geweest tussen OCW, de Inspectie van het Onderwijs en de desbetreffende scholen. Inmiddels zijn alle vier de scholen waar het om gaat voornemens de doorstroomtoets alsnog af te nemen en daarvoor de inhaalperiode te gebruiken.
Daarmee is de doorstroomtoets in principe door alle leerlingen gemaakt die niet in een van de wettelijke uitzonderingscategorieën vallen.
Klopt het dat er een doorstroomtoets nodig is binnen het kader van de Wet doorstroomtoetsen primair onderwijs voor het vaststellen van een definitief schooladvies, behalve bij wettelijke uitzonderingen zoals leerlingen met een meervoudige handicap? Zo ja, krijgen leerlingen die niet onder een wettelijke uitzondering vallen en geen doorstroomtoets maken geen definitief schooladvies?
Het klopt dat de doorstroomtoets nodig is voor het vaststellen van een definitief schooladvies. Dit volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. De doorstroomtoets is een belangrijk aanvullend perspectief op het voorlopig schooladvies van de school. Wanneer een leerling geen doorstroomtoets afneemt, omdat deze binnen een van de wettelijke toegestane uitzonderingscategorieën valt (zoals leerlingen die korter dan vier jaar in Nederland zijn of zeer moeilijk lerende leerlingen), is er geen aanvullend perspectief beschikbaar. Dit betekent in de praktijk dat het voorlopig schooladvies gelijk wordt omgezet in het definitief schooladvies.
Leerlingen krijgen dus altijd een definitief schooladvies, ook als ze, vanwege een wettelijke uitzonderingsgrond, geen doorstroomtoets afleggen. Deze uitzonderingsgronden zijn zeer beperkt omdat het niet wenselijk is een definitief schooladvies zonder doorstroomtoets te krijgen. De doorstroomtoets is een belangrijk objectief, aanvullend perspectief op het schooladvies. Zonder dit perspectief is het risico op onderadvisering groter. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets leidt dus tot kansenongelijkheid.
Kunnen scholen voor kinderen die zonder wettelijke uitzondering de doorstroomtoets niet hebben gemaakt alsnog een definitief schooladvies verstrekken? Zo ja, waaruit bestaat zo’n definitief schooladvies dan en vindt u dat wenselijk?
Het uitgangspunt is dat het resultaat van de doorstroomtoets onderdeel is van het definitieve schooladvies, dat volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. De doorstroomtoets biedt een belangrijk aanvullend perspectief op het beeld dat de school heeft van de ontwikkeling van de leerling. Wanneer leerlingen geen doorstroomtoets maken, wordt de kans op dit objectieve, aanvullende perspectief op het schooladvies ontnomen. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets kan dus leiden tot kansenongelijkheid.
Scholen kunnen voor kinderen die geen doorstroomtoets hebben gemaakt alsnog een definitief schooladvies verstrekken. Dat gebeurt in de praktijk bijvoorbeeld als het voor een leerling om medische redenen niet mogelijk is de doorstroomtoets (ook niet in de inhaalperiode) te maken. Dit definitieve schooladvies bestaat dan alleen uit het beeld dat de school zelf heeft van de leerling. Dit is niet wenselijk en dient zoveel mogelijk vermeden te worden. Het is voor elke leerling belangrijk om de kans te krijgen wél de doorstroomtoets te maken en dit perspectief mee te laten tellen bij het definitief schooladvies.
Klopt het dat er een definitief schooladvies nodig is voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs? Zo ja, gaan leerlingen die geen definitief schooladvies hebben moeilijkheden ondervinden bij het aanmelden voor de middelbare school?
Het klopt dat er een definitief schooladvies nodig is voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs. Indien voor een kandidaat-leerling door de basisschool geen definitief schooladvies is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag van de middelbare school zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets.
Indien de leerling geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling (Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 8.3, eerste lid).
Zowel het schooladvies als de doorstroomtoets zijn bedoeld om de school in het voortgezet onderwijs zo goed mogelijk te voorzien van informatie over de leerling, en welk type onderwijs het beste bij die leerling past.
Wat wordt er van ouders en scholen verwacht, wanneer er kinderen zijn zonder doorstroomtoets en zonder wettelijke uitzondering?
Het uitgangspunt is dat de doorstroomtoets wordt gemaakt door alle kinderen die niet onder een wettelijke uitzondering vallen. Van scholen verwachten we dan ook dat zij er zorg voor dragen dat al hun leerlingen de doorstroomtoets maken, tenzij sprake is van een ontheffingsgrond. Van ouders verwachten we dat zij hun kinderen laten deelnemen aan het onderwijsprogramma zoals dat door de school wordt aangeboden, inclusief doorstroomtoets. Daar zijn ook voldoende mogelijkheden voor: eerst al in de drie weken van de reguliere afnameperiode, maar ook nog in de daarop volgende inhaalperiode van drie weken.
Staat voor ouders de mogelijkheid open om hun kind een private toets als vervanger van de doorstroomtoets te laten maken? Zo ja, vindt u dat wenselijk?
Het staat ouders vrij om weliswaar een van de erkende toetsaanbieders van de doorstroomtoets te vragen of de leerling plaatsonafhankelijk de toets kan maken. Omwille van het feit dat scholen betrouwbare doorstroomtoetsen afnemen, is het wat mij betreft niet nodig om deze extra meting te doen.
Hoe reflecteert u op het wegvallen van de doorstroomtoets in het samenstellen van het definitief schooladvies en de effecten daarvan op de kansengelijkheid voor leerlingen die nu geen doorstroomtoets maken?
Alle leerlingen verdienen een passend schooladvies. Zo kom je terecht op het schooltype dat het beste bij je past en waar je je zo goed mogelijk kan ontwikkelen. De doorstroomtoets is een laatste check bij het schooladvies. Dit biedt een aanvullend perspectief op het voorlopig schooladvies van de school. De school heeft de leerling als het goed is al jaren in beeld en weet veel van de omstandigheden en eigenschappen van de leerling. De doorstroomtoets laat zien waar de leerling op dat moment staat, waarbij de geschiedenis en omstandigheden van de leerling juist niet meespelen. Zo vullen de twee perspectieven elkaar aan.
Het belang van de toets in groep 8 als aanvullend gegeven weten we onder andere door het schooljaar 2019–2020, waarin leerlingen vanwege de coronacrisis geen eindtoets hebben gemaakt. De gemiddelde definitieve schooladviezen waren toen lager dan de jaren daarvoor. Leerlingen konden immers niet op de eindtoets laten zien dat ze meer uitdaging aankonden en kregen dus geen bijstelling van hun schooladvies. Dit trof vooral leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Wanneer leerlingen geen doorstroomtoets maken, wordt de kans op een objectief, aanvullend perspectief op het schooladvies ontnomen. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets leidt dus tot kansenongelijkheid. Daarom vind ik het goed dat de scholen waar in eerste instantie sprake was dat leerlingen de doorstroomtoets niet zouden maken, deze alsnog afnemen.
Het is van belang hierbij te benadrukken dat de toets er niet op gericht is alle leerlingen naar een meer theoretisch onderwijstype te krijgen. Het gaat erom dat de leerling onderwijs gaat volgen dat bij die leerling past, zodat de leerling zich optimaal kan ontwikkelen. Omdat de doorstroomtoets laat zien over welke vaardigheden de leerling beschikt, helpt de toets om te komen tot een passend schooladvies. Als een bijstelling van het schooladvies niet in het belang is van de leerling, en dus niet leidt tot een passend schooladvies, mag de school ertoe besluiten om maar gedeeltelijk of helemaal niet bij te stellen.
Kunnen voortgezet onderwijsscholen binnen het kader van de Wet voortgezet onderwijs 2020 leerlingen toelaten zonder die beslissing te baseren op een definitief schooladvies? Zo niet, wat gebeurt er met deze leerlingen?
Indien voor een kandidaat-leerling door de basisschool geen definitief schooladvies is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag van de middelbare school zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets. Indien de leerling bovendien geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling (Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 8.3, eerste lid).
Scholen in het voortgezet onderwijs hebben dus de optie om leerlingen toe te laten zonder die beslissing te baseren op een definitief schooladvies. Scholen hebben ook de mogelijkheid om dit te weigeren.
Het is van belang om te benadrukken dat het niet afleggen van een doorstroomtoets niet wenselijk is voor de leerling. Het is in het belang van de leerling om een objectief perspectief tot beschikking te hebben als aanvulling op het schooladvies. Dit perspectief vergroot de kansengelijkheid. Dit is extra belangrijk voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Vindt er op dit moment contact plaatst tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de scholen die op dit moment weigeren de doorstroomtoets? Kunt u delen wat de beweegredenen zijn van scholen om niet mee te doen?
Er vindt veelvuldig contact plaats tussen mijn ministerie en de besturen van de betreffende scholen. Op 4 februari jl. heb ik ook zelf telefonisch contact gehad met de bestuurders. Ik heb het belang van de doorstroomtoets voor de leerling toegelicht. Ik ben blij dat de scholen de doorstroomtoets alsnog bij alle leerlingen in groep 8 (zonder ontheffingsgrond) afnemen.
Deelt u de mening dat er duidelijkheid moet komen vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over wat het weigeren van de doorstroomtoets betekent voor leerlingen, primair onderwijsscholen en voortgezet onderwijsscholen?
De wet is duidelijk over wat er van scholen wordt verwacht en wat er gebeurt wanneer scholen zich daar niet aan houden. Basisscholen zijn wettelijk verplicht om de doorstroomtoets te laten maken door iedere leerling in het laatste leerjaar die niet onder een van de wettelijke ontheffingsgronden valt. Wanneer basisscholen dit weigeren, benadelen zij daarmee de leerlingen. Zij ontnemen leerlingen namelijk de kans op een objectief tweede gegeven en daarmee de kans op bijstelling van het schooladvies. Dat is kwalijk, want we weten uit onderzoek dat bepaalde kinderen vaak worden onderschat, zoals leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Voor middelbare scholen betekent het weigeren van de doorstroomtoets door de basisschool dat zij een onvolledig aanmelddossier ontvangen. Om al deze redenen zie ik mij genoodzaakt in te grijpen wanneer een school weigert de doorstroomtoets af te nemen.
Zijn er voornemens om zaken rondom de doorstroomtoets te veranderen voor het nieuwe afnamemoment in 2026, gezien de onrust die er op dit moment is rondom de doorstroomtoets?
Na de eerste afname van de doorstroomtoets in 2024 is een kortetermijnevaluatie uitgevoerd waarmee knelpunten rondom het tijdpad en de aanmelding van leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn geïdentificeerd. Daarvoor zijn passende oplossingen gevonden die voorlopig voor de huidige en toekomstige afnamen gelden. De uitwerking van de Wet doorstroomtoetsen po wordt uitgebreider in beeld worden gebracht met de langetermijnevaluatie die in januari is gestart. Hiervan wordt de eerste tussenrapportage in april 2026 verwacht.
Tijdens de behandeling van de Wet doorstroomtoetsen PO is er bewust voor gekozen om de keuzevrijheid voor een doorstroomtoets overeind te laten. Doordat er verschillende doorstroomtoetsen worden aangeboden, kunnen scholen een doorstroomtoets kiezen dat past bij hun eigen onderwijsvisie. Deze keuzevrijheid was destijds een belangrijke wens van de politiek en het onderwijsveld.
Er wordt nu op verzoek van de Kamer een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om te komen tot één doorstroomtoets en een mogelijk tijdpad voor de invoering daarvan ontwikkeld. De uitkomsten van deze verkenning deel ik met u in het najaar van 2025. Indien een van de rapportages hierboven genoemd aanleiding geeft tot wijzigingen rondom de doorstroomtoets gelden daarvoor de geëigende (wettelijke) procedures.
De doorlooptijd van een wetstraject is gemiddeld twee jaar. In het geval dat er besloten wordt toe te werken naar één doorstroomtoets moet er goed gekeken worden naar de positie van de huidige toetsaanbieders en de afbouw daarvan. Daarnaast moeten we dan zorgen dat de doorstroomtoets die behouden blijft dusdanig is ingericht dat het aan de diverse wensen van scholen voldoet, bijvoorbeeld in afnamevorm of op het gebied van toegankelijkheid voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. De eisen daarvoor dienen we nog bij wet- en regelgeving vast te stellen.
Bovenstaande acties kunnen deels parallel aan elkaar uitgevoerd worden, maar het is niet realistisch om deze acties te doorlopen voor de afname van 2026. U ontvangt in het najaar van 2025 de eerste uitkomsten van de verkenning «terug naar één doorstroomtoets» en in het voorjaar van 2026 de uitkomsten van de eerste evaluatie van de doorstroomtoetsen onder scholen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de berichtgeving dat er te grote verschillen zijn tussen doorstroomtoetsen en basisscholen die de toets weigeren?
Ja.
Het bericht 'Harde klap voor gastlessen' |
|
Claudia van Zanten (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Harde klap voor gastlessen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u een nadere, concrete, toelichting geven waarom de subsidie voor stichting Na de Oorlog niet los kon staan van de aanbesteding waaraan ook organisaties meededen die lessen en/of ondersteuning bieden over geheel andere maatschappelijke thema’s?2
De subsidie voor stichting Na de Oorlog was een projectsubsidie ter invulling van een amendement van de leden Ellian (VVD) en Segers (CU) op de begroting van 2023 voor het verbeteren van kennis over de Joodse geschiedenis en over antisemitisme.3 De projectsubsidie staat los van de aanbestedingsopdracht, ter invulling van een ander amendement van de leden Ceder (CU) en Paternotte (D66) op de begroting van 2024 voor het ondersteunen van docenten bij het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke thema’s.4
Het aflopen van de projectsubsidie volgde automatisch uit de overeenkomst tussen OCW en de stichting Na de Oorlog, de aanbestedingsopdracht heeft hierin geen rol gespeeld. Voor de aanbestedingsopdracht is een zorgvuldig proces doorlopen met als doel om de opdracht aan de meest geschikte partij te gunnen. Het gunningsbesluit is genomen op basis van vooraf opgestelde criteria.
Deelt u de mening dat lessen over antisemitisme zeker in de huidige tijd zeer belangrijk zijn en dat als stichting Na de Oorlog mee had moeten doen aan een tender, dit een aanbesteding had moeten zijn specifiek voor ondersteuning op het gebied van lessen over antisemitisme?
Lessen over antisemitisme zijn van groot belang. Het is onaanvaardbaar als Joodse leerlingen gepest, bedreigd of niet geaccepteerd worden om wie ze zijn. Als dat wel gebeurt, moet daar tegenop getreden worden. Daarom roepen we scholen op om te handelen bij antisemitische incidenten. Ter ondersteuning is in mei 2024 een handreiking gepubliceerd die scholen en docenten moet helpen bij het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten. Ook is het essentieel dat dit thema op een passende en effectieve manier in het curriculum wordt behandeld. Niet voor niets is structurele kennisoverdracht van de Holocaust verankerd in het curriculum PO en onderbouw VO.
Om docenten extra ondersteuning te bieden op het gebied van lessen over antisemitisme heb ik ervoor gekozen om één van de twee opdrachten waarmee uitwerking wordt gegeven aan het amendement van de leden Ceder (CU) en Paternotte (D66) toe te spitsen op het thema antisemitisme. In de opdracht wordt het thema antisemitisme verbonden aan het thema racisme en discriminatie in bredere zin. Deze koppeling sluit aan bij de ondersteuningsbehoeftes in het onderwijsveld en vergroot de kans dat de thema’s succesvol landen. Bij het beoordelen van de offertes van de verschillende organisaties is rekening gehouden met kennis van en ervaring met zowel antisemitisme als met racisme en discriminatie in bredere zin.
Kunt u nader toelichten waarom enige ervaring in antisemitismebestrijding niet behoorde tot de eisen aan deelnemende organisaties tijdens de aanbesteding naar aanleiding van het amendement van het lid Ceder, ingediend tijdens de begrotingsbehandeling OCW 2024?
Bij het gunnen van de aanbestedingsopdracht is vanzelfsprekend rekening gehouden met expertise op het gebied van antisemitisme. In de offerteaanvraag stonden drie gunningscriteria vermeld: relevante kennis en ervaring, borging van de effecten en plan van aanpak. Bij het gunnen van de aanbestedingsopdracht zijn alle offertes op deze drie criteria beoordeeld.
Fawaka heeft ervaring met training op het gebied van inclusief samenleven en, in die context, met training op het gebied van op antisemitisme en racisme en discriminatie in bredere zin. Om aanvullende kennis op het gebied van antisemitisme in huis te halen, laat Fawaka medewerkers trainen door de Anne Frank Stichting.
Deelt u de mening dat enige specifieke kennis over antisemitisme een volstrekt vanzelfsprekende vereiste zou zijn geweest bij deze aanbesteding, aangezien deze aanbesteding in de plaats kwam van de in 2023 toegekende subsidie aan stichting Na de Oorlog?
De aanbesteding is niet in de plaats gekomen van de in 2023 toegekende projectsubsidie aan stichting Na de Oorlog. De aanbesteding en de projectsubsidie volgen beide uit verschillende amendementen en staan geheel los van elkaar.
Kennis over antisemitisme is een vanzelfsprekende vereiste, gegeven de aard van de opdracht. Daarom is relevante kennis en ervaring één van de drie gunningscriteria. In lijn met de beoordelingscommissie heb ik er alle vertrouwen in dat Fawaka deze relevante kennis en ervaring in ruime mate in huis heeft. Om aanvullende kennis op het gebied van antisemitisme in huis te halen, laat Fawaka medewerkers trainen door de Anne Frank Stichting
Deelt u de mening dat stichting Na de Oorlog in de afgelopen jaren heeft bewezen zeer bedreven te zijn in het ondersteunen van leraren bij lessen over antisemitisme?
Net als andere organisaties speelt stichting Na de Oorlog een waardevolle rol in het tegengaan van antisemitisme.
Deelt u de mening dat ondersteuning moet worden geboden c.q. gastlessen moeten worden gegeven door professioneel opgeleide mensen die in staat moeten zijn om met diverse kritische leerlingengroepen om te gaan?
Het is belangrijk dat ondersteuning en gastlessen worden gegeven door professioneel opgeleide mensen en juist daarom heb ik deze aanbestedingsopdracht uitgezet. Daarnaast is in juni 2024 het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie gepubliceerd, dat zich onder andere richt op het versterken van de educatieve functies van musea, herinneringscentra en gastlessen. Een belangrijke actie binnen dit plan is de docentenpeiling, die in het najaar van 2024 is gestart. Deze peiling brengt de ondersteuningsbehoefte van docenten bij het geven van Holocausteducatie in kaart. De uitkomsten zullen naar verwachting medio mei 2025 bij ons binnenkomen en zullen helpen om gerichter waar nodig de ondersteuning van docenten te verbeteren. Voor het zomerreces zullen we de Kamer hierover informeren.
Op welke wijze wordt de kostbare ervaring van stichting Na de Oorlog geborgd, mochten cruciale middelen definitief niet ter beschikking komen aan deze stichting?
Ik geloof dat kwalitatief hoogwaardig onderwijs op het gebied van antisemitisme van groot belang is in de strijd tegen antisemitisme. Om die reden zullen in de loop van 2025 naar verwachting twee nieuwe subsidieregelingen en/of aanbestedingsopdrachten in werking treden.
Eén daarvan vormt de invulling het amendement van de leden Ceder (CU), Kisteman (VVD) en Van Zanten (BBB) waarmee voor 2025 opnieuw 500.000 euro wordt vrijgemaakt voor ondersteuning van docenten bij het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke thema’s in de klas, waaronder antisemitisme.5 Ik erken de kostbare ervaring die stichting Na de Oorlog op dit gebied heeft en zal ervoor zorgen dat de stichting op de hoogte wordt gesteld wanneer de inschrijving of aanbesteding gestart wordt.
Daarnaast treedt naar verwachting medio 2025 de vierjarige subsidieregeling «het verhaal van de Tweede Wereldoorlog blijven vertellen» in werking, deze subsidieregeling loopt via het Ministerie van VWS en is onderdeel van het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie. De regeling is bedoeld om een extra impuls te geven aan organisaties binnen de herinneringssector die het verhaal van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog vertellen. De regeling maakt ruimte voor het organiseren van museale activiteiten en cultureel-educatieve activiteiten gericht op kennisoverdracht over de Holocaust en onderbelichte verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Ook voor deze regeling kan stichting Na de Oorlog een subsidieaanvraag indienen.
Kunt u nader toelichten hoe het proces van de aanbesteding is verlopen?
Het aanbestedingsproces is verlopen volgens de daarvoor geldende richtlijnen van de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden voor diensten (hierna: ARVODI). In lijn met deze richtlijnen is gekozen voor een aanbesteding buiten de raamovereenkomst onder zes partijen. Deze zes partijen hebben een offerteaanvraag ontvangen met daarin een beschrijving van, onder meer, de opdracht en de gunningscriteria.
Van drie van de zes partijen hebben we een offerte ontvangen, deze offertes zijn door een vierkoppige beoordelingscommissie beoordeeld, eerst door de leden van de commissie afzonderlijk en vervolgens door de commissie als geheel. Alle partijen zijn per brief over de beoordeling en over de daaruit volgende gunningsbeslissing geïnformeerd. Partijen die het niet eens waren met de beslissing, hebben de mogelijkheid gekregen om een kort geding te starten. Geen van de partijen heeft dit gedaan, daarmee werd de gunningsbeslissing definitief.
Kunt u toelichten op basis van welke scores en criteria de stichting Fawaka de aanbesteding heeft gewonnen?
De offerteaanvragen werden beoordeeld op basis van drie criteria: relevante kennis en ervaring, borging van de effecten en plan van aanpak. Fawaka had de hoogste totaalscore over de drie gunningscriteria heen.
Deelt u de mening dat het feit dat stichting Fawaka op haar website zich op geen enkele wijze uitlaat over antisemitisme, duidt op een gebrek aan affiniteit met en kennis van het thema?
In haar activiteiten richt Fawaka zich op inclusief samenleven en, in die context, ook op antisemitisme en op racisme en discriminatie in bredere zin. Om aanvullende kennis op het gebied van antisemitisme in huis te halen, laat Fawaka medewerkers trainen door de Anne Frank Stichting. Samenwerking tussen Fawaka en de Anne Frank Stichting omvat verder gezamenlijke ontwikkeling van gastlessen en van trainingen voor docenten en continue kennisuitwisseling onderling. Daarnaast maakt Fawaka gebruik van de lesmaterialen van de Anne Frank Stichting.
Kunt u met de Kamer delen wie de vier andere partijen zijn geweest, die hebben deelgenomen aan de aanbesteding? Zo niet, waarom niet?
Er zijn in totaal drie offerteaanvragen binnengekomen. De offertes van de andere twee partijen waren van stichting Na de Oorlog en de Respect Foundation.
Bent u bereid een evaluatie te laten uitvoeren van het aanbestedingsproces?
Het aanbestedingsproces is zorgvuldig verlopen volgens de daarvoor geldende richtlijnen van de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden voor diensten (ARVODI). Geen van de inschrijvers heeft naar aanleiding van de aanbesteding een kort geding gestart over de uitkomst. Daarmee is de gunning definitief geworden. Er is geen reden om dit specifieke proces te laten evalueren.
Kunt u aangeven hoe de twee nieuwe aanbestedingen, waarover u onder meer sprak tijdens de begrotingsbehandeling OCW 2025, vorm krijgen, inclusief tijdpad?
In de loop van 2025 zullen naar verwachting twee nieuwe subsidieregelingen en/of aanbestedingsopdrachten in werking treden. Eén daarvan vormt de invulling het amendement van de leden Ceder (CU), Kisteman (VVD) en Van Zanten (BBB) waarmee voor 2025 opnieuw 500.000 euro wordt vrijgemaakt voor ondersteuning van docenten bij het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke thema’s in de klas, waaronder antisemitisme.
Daarnaast treedt naar verwachting medio 2025 de vierjarige subsidieregeling «het verhaal van de Tweede Wereldoorlog blijven vertellen» in werking, deze subsidieregeling loopt via het Ministerie van VWS en is onderdeel van het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie. De regeling is bedoeld om een extra impuls te geven aan organisaties binnen de herinneringssector die het verhaal van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog vertellen. De regeling maakt ruimte voor het organiseren van museale activiteiten en cultureel-educatieve activiteiten gericht op kennisoverdracht over de Holocaust en onderbelichte verhalen over de Tweede Wereldoorlog.
Kunt u garanderen dat bij deze aanbestedingen kennis en expertise over antisemitisme en de Holocaust als belangrijkste criterium zal worden gehanteerd?
Net als bij de aanbestedingsprocedure die is doorlopen in het kader van het amendement Ceder (CU) en Paternotte (D66), zal relevante kennis en ervaring ook bij een nieuw aanbestedingsproces uiteraard een belangrijke voorwaarde zijn. De verdeling van het gewicht tussen voorwaardes onderling is afhankelijk van de precieze invulling van de aanbestedingsopdracht.
Kunt u alle vragen afzonderlijk en met spoed beantwoorden?
Vanzelfsprekend heb ik hiervoor mijn best gedaan.
Het bericht ‘Leerlingen mogen niet bidden op school: ‘Als je wordt gepakt krijg je straf’’ |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek van NOS, waaruit blijkt dat meer dan 180 middelbare scholen een gebedsverbod hanteren?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het totaal onacceptabel en krankzinnig is dat leerlingen worden gestraft, onderbroken of in sommige gevallen zelfs geadviseerd om zich uit te schrijven als zij kiezen om in hun eigen tijd te bidden en/of te mediteren?
Op openbare scholen mogen leerlingen bidden, mits dit in hun eigen tijd is en op een plek waar anderen er niet door gestoord kunnen worden. Anderen zouden bijvoorbeeld gestoord kunnen worden als het bidden plaatsvindt in een drukke gang, waardoor een onveilige situatie ontstaat. Onder dergelijke omstandigheden mag een school een biddende leerling daarop aanspreken. De school kan het beste beoordelen of van dergelijke omstandigheden sprake is.
Hoe kijkt het kabinet naar de stellingname van het College voor de Rechten van de Mens dat scholen niet zomaar een gebedsverbod mogen invoeren en handhaven?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden. Tegelijkertijd oordeelde het College voor de Rechten van de Mens in 2000 dat het bidden door scholen niet hoeft te worden gefaciliteerd. Ook moeten anderen niet door het bidden worden gestoord.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van gebedsverboden op Nederlandse middelbare scholen?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden. Scholen hoeven het bidden ook niet te faciliteren. Dit onderschrijf ik.
Bent u van mening dat iedere leerling, ongeacht religieuze, culturele of etnische achtergrond, zichzelf moet kunnen zijn?
Zeker. Mede in dat kader hebben scholen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst.
Wat is uw standpunt over het feit dat met name islamitische leerlingen de dupe zijn van het gebedsverbod?
Scholen kunnen ervoor kiezen om het bidden te faciliteren, maar zijn dat niet verplicht.
Wat is uw boodschap aan leerlingen van meer dan 180 verschillende middelbare scholen die de indruk krijgen dat zij binnen de muren van hun school niet zichzelf mogen zijn?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) controleert of scholen aan deze plicht voldoen.
Deelt u de mening dat schoolbesturen door een gebedsverbod zich van hun eigen leerlingen vervreemden en zo bijdragen aan een onveilig schoolklimaat en wat is uw boodschap aan deze schoolbesturen?
Scholen zijn niet verplicht om het bidden op school te faciliteren. Scholen bepalen zelf welke afspraken ze hierover maken en of ze bijvoorbeeld een stilteruimte inrichten. Als scholen dat niet willen doen, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat dat niet past bij het openbare karakter van hun school, dan is dat hun goed recht en steun ik ze daarin volledig.
Natuurlijk moeten alle leerlingen zich veilig voelen op school. Dat kan ook wanneer scholen het bidden niet faciliteren. Ik heb geen reden om aan te nemen dat het niet faciliteren van het bidden, leidt tot een onveilig schoolklimaat.
Acht u het wenselijk dat ouders of belangenorganisaties juridische stappen moeten overwegen om deze verboden aan te vechten of ziet u hier een taak voor uzelf om tijdig in te grijpen?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden, maar scholen hoeven het bidden ook niet te faciliteren. In de praktijk kan het daardoor voorkomen dat leerlingen maar beperkt de ruimte hebben om te bidden. Dat betekent niet dat deze leerlingen gediscrimineerd worden. Als leerlingen zich toch gediscrimineerd voelen, dan roep ik ze op om daarover met de school in gesprek te gaan vóórdat ze juridische stappen ondernemen.
Houden de leerlingen het gevoel dat zij gediscrimineerd worden en dat er sprake is van een gebedsverbod, dan is de juridische route de aangewezen weg. Instanties zoals het College voor de Rechten van de Mens of de civiele rechter kunnen oordelen of er sprake is van een schending van de relevante wet, de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb). Daarnaast kunnen leerlingen of ouders altijd een signaal afgeven bij de inspectie als zij menen dat een school de wettelijke burgerschapsopdracht niet naleeft. Alleen het besluit van scholen om het bidden niet te faciliteren, is niet in strijd met de burgerschapsopdracht.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle leerlingen zichzelf mogen zijn en dat hun grondrechten in de toekomst gewaarborgd worden?
Via de Awgb en de onderwijswetgeving (onder andere de wettelijke burgerschapsopdracht) worden de grondrechten van leerlingen gewaarborgd. Ik zie op dit moment geen reden om aanvullende maatregelen te treffen.
Overweegt u, gezien de omvang van het probleem, richtlijnen op te stellen voor scholen waarin het recht op godsdienstvrijheid gewaarborgd blijft en misstanden zoals deze worden voorkomen?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om richtlijnen op te stellen voor scholen ten aanzien van het waarborgen van godsdienstvrijheid.
Kunt u de lijst van scholen met een gebedsverbod naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen openbare scholen bekend met een gebedsverbod.
Bent u bereid in gesprek te gaan met schoolbestuurders met als boodschap dat het onacceptabel is dat leerlingen vervreemd raken van de middelbare school en dat de grondrechten van leerlingen worden geschonden?
Leerlingen of ouders kunnen altijd een signaal afgeven bij de inspectie als zij menen dat de school de onderwijswetgeving ter waarborging van de grondrechten van leerlingen niet naleeft. De inspectie zal naar aanleiding van zulke signalen contact opnemen met een school en mogelijk de school aan een onderzoek onderwerpen. Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat de grondrechten van leerlingen worden geschonden en dus geen aanleiding om hierover met schoolbestuurders in gesprek te gaan.
Hoe kijkt het kabinet naar een oplossing voor dit zorgwekkende beleid van schoolbesturen, bijvoorbeeld door het adviseren van stilteruimtes waar leerlingen tot rust kunnen komen en/of kunnen bidden?
Scholen zijn niet verplicht om een stilteruimte aan te bieden of om op andere manieren het bidden te faciliteren. Mijn opvatting is dat het openbare karakter van een school leidend moet zijn en gerespecteerd dient te worden.
Het bericht ‘Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen’ |
|
Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen»?1
Ja.
Hoeveel leerlingen doen er dit jaar niet mee aan de doorstroomtoets afgezien van de leerlingen met een wettelijke uitzondering?
Sinds de berichtgeving waar u met deze schriftelijke vragen naar verwijst, is er veelvuldig contact geweest tussen OCW, de Inspectie van het Onderwijs en de desbetreffende scholen. Inmiddels zijn alle vier de scholen waar het om gaat voornemens de doorstroomtoets alsnog af te nemen en daarvoor de inhaalperiode te gebruiken.
Daarmee is de doorstroomtoets in principe door alle leerlingen gemaakt die niet in een van de wettelijke uitzonderingscategorieën vallen.
Klopt het dat er een doorstroomtoets nodig is binnen het kader van de Wet doorstroomtoetsen primair onderwijs voor het vaststellen van een definitief schooladvies, behalve bij wettelijke uitzonderingen zoals leerlingen met een meervoudige handicap? Zo ja, krijgen leerlingen die niet onder een wettelijke uitzondering vallen en geen doorstroomtoets maken geen definitief schooladvies?
Het klopt dat de doorstroomtoets nodig is voor het vaststellen van een definitief schooladvies. Dit volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. De doorstroomtoets is een belangrijk aanvullend perspectief op het voorlopig schooladvies van de school. Wanneer een leerling geen doorstroomtoets afneemt, omdat deze binnen een van de wettelijke toegestane uitzonderingscategorieën valt (zoals leerlingen die korter dan vier jaar in Nederland zijn of zeer moeilijk lerende leerlingen), is er geen aanvullend perspectief beschikbaar. Dit betekent in de praktijk dat het voorlopig schooladvies gelijk wordt omgezet in het definitief schooladvies.
Leerlingen krijgen dus altijd een definitief schooladvies, ook als ze, vanwege een wettelijke uitzonderingsgrond, geen doorstroomtoets afleggen. Deze uitzonderingsgronden zijn zeer beperkt omdat het niet wenselijk is een definitief schooladvies zonder doorstroomtoets te krijgen. De doorstroomtoets is een belangrijk objectief, aanvullend perspectief op het schooladvies. Zonder dit perspectief is het risico op onderadvisering groter. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets leidt dus tot kansenongelijkheid.
Kunnen scholen voor kinderen die zonder wettelijke uitzondering de doorstroomtoets niet hebben gemaakt alsnog een definitief schooladvies verstrekken? Zo ja, waaruit bestaat zo’n definitief schooladvies dan en vindt u dat wenselijk?
Het uitgangspunt is dat het resultaat van de doorstroomtoets onderdeel is van het definitieve schooladvies, dat volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. De doorstroomtoets biedt een belangrijk aanvullend perspectief op het beeld dat de school heeft van de ontwikkeling van de leerling. Wanneer leerlingen geen doorstroomtoets maken, wordt de kans op dit objectieve, aanvullende perspectief op het schooladvies ontnomen. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets kan dus leiden tot kansenongelijkheid.
Scholen kunnen voor kinderen die geen doorstroomtoets hebben gemaakt alsnog een definitief schooladvies verstrekken. Dat gebeurt in de praktijk bijvoorbeeld als het voor een leerling om medische redenen niet mogelijk is de doorstroomtoets (ook niet in de inhaalperiode) te maken. Dit definitieve schooladvies bestaat dan alleen uit het beeld dat de school zelf heeft van de leerling. Dit is niet wenselijk en dient zoveel mogelijk vermeden te worden. Het is voor elke leerling belangrijk om de kans te krijgen wél de doorstroomtoets te maken en dit perspectief mee te laten tellen bij het definitief schooladvies.
Klopt het dat er een definitief schooladvies nodig is voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs? Zo ja, gaan leerlingen die geen definitief schooladvies hebben moeilijkheden ondervinden bij het aanmelden voor de middelbare school?
Het klopt dat er een definitief schooladvies nodig is voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs. Indien voor een kandidaat-leerling door de basisschool geen definitief schooladvies is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag van de middelbare school zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets.
Indien de leerling geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling (Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 8.3, eerste lid).
Zowel het schooladvies als de doorstroomtoets zijn bedoeld om de school in het voortgezet onderwijs zo goed mogelijk te voorzien van informatie over de leerling, en welk type onderwijs het beste bij die leerling past.
Wat wordt er van ouders en scholen verwacht, wanneer er kinderen zijn zonder doorstroomtoets en zonder wettelijke uitzondering?
Het uitgangspunt is dat de doorstroomtoets wordt gemaakt door alle kinderen die niet onder een wettelijke uitzondering vallen. Van scholen verwachten we dan ook dat zij er zorg voor dragen dat al hun leerlingen de doorstroomtoets maken, tenzij sprake is van een ontheffingsgrond. Van ouders verwachten we dat zij hun kinderen laten deelnemen aan het onderwijsprogramma zoals dat door de school wordt aangeboden, inclusief doorstroomtoets. Daar zijn ook voldoende mogelijkheden voor: eerst al in de drie weken van de reguliere afnameperiode, maar ook nog in de daarop volgende inhaalperiode van drie weken.
Staat voor ouders de mogelijkheid open om hun kind een private toets als vervanger van de doorstroomtoets te laten maken? Zo ja, vindt u dat wenselijk?
Het staat ouders vrij om weliswaar een van de erkende toetsaanbieders van de doorstroomtoets te vragen of de leerling plaatsonafhankelijk de toets kan maken. Omwille van het feit dat scholen betrouwbare doorstroomtoetsen afnemen, is het wat mij betreft niet nodig om deze extra meting te doen.
Hoe reflecteert u op het wegvallen van de doorstroomtoets in het samenstellen van het definitief schooladvies en de effecten daarvan op de kansengelijkheid voor leerlingen die nu geen doorstroomtoets maken?
Alle leerlingen verdienen een passend schooladvies. Zo kom je terecht op het schooltype dat het beste bij je past en waar je je zo goed mogelijk kan ontwikkelen. De doorstroomtoets is een laatste check bij het schooladvies. Dit biedt een aanvullend perspectief op het voorlopig schooladvies van de school. De school heeft de leerling als het goed is al jaren in beeld en weet veel van de omstandigheden en eigenschappen van de leerling. De doorstroomtoets laat zien waar de leerling op dat moment staat, waarbij de geschiedenis en omstandigheden van de leerling juist niet meespelen. Zo vullen de twee perspectieven elkaar aan.
Het belang van de toets in groep 8 als aanvullend gegeven weten we onder andere door het schooljaar 2019–2020, waarin leerlingen vanwege de coronacrisis geen eindtoets hebben gemaakt. De gemiddelde definitieve schooladviezen waren toen lager dan de jaren daarvoor. Leerlingen konden immers niet op de eindtoets laten zien dat ze meer uitdaging aankonden en kregen dus geen bijstelling van hun schooladvies. Dit trof vooral leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Wanneer leerlingen geen doorstroomtoets maken, wordt de kans op een objectief, aanvullend perspectief op het schooladvies ontnomen. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets leidt dus tot kansenongelijkheid. Daarom vind ik het goed dat de scholen waar in eerste instantie sprake was dat leerlingen de doorstroomtoets niet zouden maken, deze alsnog afnemen.
Het is van belang hierbij te benadrukken dat de toets er niet op gericht is alle leerlingen naar een meer theoretisch onderwijstype te krijgen. Het gaat erom dat de leerling onderwijs gaat volgen dat bij die leerling past, zodat de leerling zich optimaal kan ontwikkelen. Omdat de doorstroomtoets laat zien over welke vaardigheden de leerling beschikt, helpt de toets om te komen tot een passend schooladvies. Als een bijstelling van het schooladvies niet in het belang is van de leerling, en dus niet leidt tot een passend schooladvies, mag de school ertoe besluiten om maar gedeeltelijk of helemaal niet bij te stellen.
Kunnen voortgezet onderwijsscholen binnen het kader van de Wet voortgezet onderwijs 2020 leerlingen toelaten zonder die beslissing te baseren op een definitief schooladvies? Zo niet, wat gebeurt er met deze leerlingen?
Indien voor een kandidaat-leerling door de basisschool geen definitief schooladvies is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag van de middelbare school zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets. Indien de leerling bovendien geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling (Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 8.3, eerste lid).
Scholen in het voortgezet onderwijs hebben dus de optie om leerlingen toe te laten zonder die beslissing te baseren op een definitief schooladvies. Scholen hebben ook de mogelijkheid om dit te weigeren.
Het is van belang om te benadrukken dat het niet afleggen van een doorstroomtoets niet wenselijk is voor de leerling. Het is in het belang van de leerling om een objectief perspectief tot beschikking te hebben als aanvulling op het schooladvies. Dit perspectief vergroot de kansengelijkheid. Dit is extra belangrijk voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Vindt er op dit moment contact plaatst tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de scholen die op dit moment weigeren de doorstroomtoets? Kunt u delen wat de beweegredenen zijn van scholen om niet mee te doen?
Er vindt veelvuldig contact plaats tussen mijn ministerie en de besturen van de betreffende scholen. Op 4 februari jl. heb ik ook zelf telefonisch contact gehad met de bestuurders. Ik heb het belang van de doorstroomtoets voor de leerling toegelicht. Ik ben blij dat de scholen de doorstroomtoets alsnog bij alle leerlingen in groep 8 (zonder ontheffingsgrond) afnemen.
Deelt u de mening dat er duidelijkheid moet komen vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over wat het weigeren van de doorstroomtoets betekent voor leerlingen, primair onderwijsscholen en voortgezet onderwijsscholen?
De wet is duidelijk over wat er van scholen wordt verwacht en wat er gebeurt wanneer scholen zich daar niet aan houden. Basisscholen zijn wettelijk verplicht om de doorstroomtoets te laten maken door iedere leerling in het laatste leerjaar die niet onder een van de wettelijke ontheffingsgronden valt. Wanneer basisscholen dit weigeren, benadelen zij daarmee de leerlingen. Zij ontnemen leerlingen namelijk de kans op een objectief tweede gegeven en daarmee de kans op bijstelling van het schooladvies. Dat is kwalijk, want we weten uit onderzoek dat bepaalde kinderen vaak worden onderschat, zoals leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Voor middelbare scholen betekent het weigeren van de doorstroomtoets door de basisschool dat zij een onvolledig aanmelddossier ontvangen. Om al deze redenen zie ik mij genoodzaakt in te grijpen wanneer een school weigert de doorstroomtoets af te nemen.
Zijn er voornemens om zaken rondom de doorstroomtoets te veranderen voor het nieuwe afnamemoment in 2026, gezien de onrust die er op dit moment is rondom de doorstroomtoets?
Na de eerste afname van de doorstroomtoets in 2024 is een kortetermijnevaluatie uitgevoerd waarmee knelpunten rondom het tijdpad en de aanmelding van leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn geïdentificeerd. Daarvoor zijn passende oplossingen gevonden die voorlopig voor de huidige en toekomstige afnamen gelden. De uitwerking van de Wet doorstroomtoetsen po wordt uitgebreider in beeld worden gebracht met de langetermijnevaluatie die in januari is gestart. Hiervan wordt de eerste tussenrapportage in april 2026 verwacht.
Tijdens de behandeling van de Wet doorstroomtoetsen PO is er bewust voor gekozen om de keuzevrijheid voor een doorstroomtoets overeind te laten. Doordat er verschillende doorstroomtoetsen worden aangeboden, kunnen scholen een doorstroomtoets kiezen dat past bij hun eigen onderwijsvisie. Deze keuzevrijheid was destijds een belangrijke wens van de politiek en het onderwijsveld.
Er wordt nu op verzoek van de Kamer een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om te komen tot één doorstroomtoets en een mogelijk tijdpad voor de invoering daarvan ontwikkeld. De uitkomsten van deze verkenning deel ik met u in het najaar van 2025. Indien een van de rapportages hierboven genoemd aanleiding geeft tot wijzigingen rondom de doorstroomtoets gelden daarvoor de geëigende (wettelijke) procedures.
De doorlooptijd van een wetstraject is gemiddeld twee jaar. In het geval dat er besloten wordt toe te werken naar één doorstroomtoets moet er goed gekeken worden naar de positie van de huidige toetsaanbieders en de afbouw daarvan. Daarnaast moeten we dan zorgen dat de doorstroomtoets die behouden blijft dusdanig is ingericht dat het aan de diverse wensen van scholen voldoet, bijvoorbeeld in afnamevorm of op het gebied van toegankelijkheid voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. De eisen daarvoor dienen we nog bij wet- en regelgeving vast te stellen.
Bovenstaande acties kunnen deels parallel aan elkaar uitgevoerd worden, maar het is niet realistisch om deze acties te doorlopen voor de afname van 2026. U ontvangt in het najaar van 2025 de eerste uitkomsten van de verkenning «terug naar één doorstroomtoets» en in het voorjaar van 2026 de uitkomsten van de eerste evaluatie van de doorstroomtoetsen onder scholen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de berichtgeving dat er te grote verschillen zijn tussen doorstroomtoetsen en basisscholen die de toets weigeren?
Ja.
Het verbod op gebedsrituelen op het Cobbenhagenlyceum |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Nobel , Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tilburgse middelbare school staat gebedsrituelen niet toe: «Wij zijn een school en daar wordt geleerd»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het beleid van het Cobbenhagenlyceum om leerlingen niet toe te staan om te bidden, zelfs niet in de pauze of op een rustig plekje buiten de leslokalen?
Naar aanleiding van het bericht in het AD heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het Cobbenhagenlyceum. Het Cobbenhagenlyceum geeft aan dat er van een verbod op bidden geen sprake is.
Het is aan de het Cobbenhagenlyceum zelf of de school het bidden ook wil faciliteren. In 2000 heeft de toenmalige Commissie gelijke behandeling (nu: College voor de Rechten van de Mens) geoordeeld dat openbare scholen hiertoe niet verplicht zijn.2 Hetzelfde geldt voor bijzondere scholen zoals het Cobbenhagenlyceum. Als het Cobbenhagenlyceum het bidden niet wil faciliteren, is dat dus zijn goed recht. Ik steun de school hierin volledig.
Deelt u de opvatting dat het verbieden van gebedsrituelen tijdens pauzes in strijd is met de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
Laat ik allereerst nog eens herhalen: het Cobbenhagenlyceum geeft aan dat van een gebedsverbod bij hen geen sprake is.
Voor wat betreft het wettelijk kader: het Cobbenhagenlyceum is een bijzondere school. Bijzondere scholen mogen op grond van artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb) van leerlingen vragen dat zij de geloofsovertuigingen van hun school onderschrijven en dat zij zich daarnaar gedragen. Als het gebed belijden van een andere geloofsovertuiging hier niet bij past, mogen zij dit verbieden. Zulke voorschriften moeten wel onderdeel uitmaken van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school. Zulke voorschriften mogen dus niet verder gaan dan nodig.
De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op een school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat houdt ook in dat alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De inspectie houdt geen toezicht op de naleving van de Awgb. Of de Awgb wordt nageleefd, kan slechts (niet bindend) worden beoordeeld door het College voor de Rechten van de Mens en (bindend) door de civiele rechter. Deze instanties zullen van geval tot geval beoordelen of het beleid van de school inderdaad in overeenstemming is met de wet. Die weging kunnen alleen zij maken.
Hoe verhoudt het beleid van het Cobbenhagenlyceum zich tot de Algemene wet gelijke behandeling op grond van godsdienst of levensovertuiging, waarin discriminatie op basis van religie expliciet verboden is?
Voor het openbaar onderwijs verbiedt de Awgb onderscheid op grond van godsdienstige uitingen, zoals bidden. In dat kader mogen openbare scholen het bidden niet verbieden. Bijzondere scholen mogen het bidden soms wel verbieden, dat bepaalt artikel 7, tweede lid, van de Awgb.
Het Cobbenhagenlyceum is een bijzondere school, maar geeft aan dat er van een gebedsverbod geen sprake is. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen. Als het Cobbenhagenlyceum het bidden niet wil faciliteren, is dat zijn goed recht. Ik steun de school hierin volledig.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van Muslim Rights Watch dat dit beleid in de praktijk vooral moslimleerlingen raakt, aangezien andere religieuze uitingen zoals een kerstviering en een iftar wél worden gefaciliteerd? Vindt u dit consistent en rechtvaardig beleid?
Bijzondere scholen zoals het Cobbenhagenlyceum hebben de ruimte om in hun beleid onderscheid te maken op grond van godsdienstige overtuigingen. Op basis van de toelichting die de school tot op heden heeft gegeven, lijkt van een dergelijk onderscheid overigens geen sprake.
Verder is het aan scholen zelf om uit te werken hoe zij omgaan met godsdienstige uitingen. Dat het Cobbenhagenlyceum ervoor kiest om een diversiteit aan religieuze feestdagen te vieren, betekent niet dat zij ook verplicht is om andere uitingen, zoals bidden, te faciliteren.
Bent u het ermee eens dat scholen, zeker wanneer zij bekostigd worden met publieke middelen, een inclusieve leeromgeving moeten waarborgen waarin ruimte is voor religieuze diversiteit?
Op school moeten alle leerlingen zich vrij en veilig kunnen voelen en zichzelf kunnen zijn. Mede in dat kader hebben scholen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. Tegelijkertijd behouden bijzondere scholen de vrijheid om bijvoorbeeld denominatief selectiebeleid te voeren, mits is voldaan aan de voorwaarden uit de Awgb.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de schooldirecteur dat «bidden thuis moet gebeuren» en dat de school niet de opdracht heeft om hierin te faciliteren? Vindt u dat een school het recht heeft om religieuze uitingen die geen overlast veroorzaken volledig uit het schoolleven te weren?
In Nederland kan je als ouder en leerling de school kiezen die het beste bij jou past en bieden we via artikel 23 van de Grondwet alle ruimte aan bijzondere scholen. Veel leerlingen en ouders maken binnen die keuzevrijheid bewust de keuze voor onderwijs dat uitgaat van een specifieke godsdienst of geloofsovertuiging of juist voor openbaar onderwijs. Het staat leerlingen en ouders vrij om ook de mate waarin een school het belijden van religie faciliteert mee te wegen in hun keuze. Scholen hebben geen verplichting om het belijden van religie te faciliteren.
Bent u bereid om met het Cobbenhagenlyceum en andere onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te waarborgen dat religieuze rechten van leerlingen worden gerespecteerd, binnen de kaders van de wet? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat de religieuze rechten van leerlingen op het Cobbenhagenlyceum niet worden gerespecteerd en zie geen aanleiding om hierover met deze school in gesprek te gaan.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen geen beleid voeren dat mogelijk in strijd is met de vrijheid van godsdienst en de wetgeving omtrent gelijke behandeling?
De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op een school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat houdt ook in dat alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. Ik zie op dit moment geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Het bericht 'Harde klap voor gastlessen' |
|
Claudia van Zanten (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Harde klap voor gastlessen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u een nadere, concrete, toelichting geven waarom de subsidie voor stichting Na de Oorlog niet los kon staan van de aanbesteding waaraan ook organisaties meededen die lessen en/of ondersteuning bieden over geheel andere maatschappelijke thema’s?2
De subsidie voor stichting Na de Oorlog was een projectsubsidie ter invulling van een amendement van de leden Ellian (VVD) en Segers (CU) op de begroting van 2023 voor het verbeteren van kennis over de Joodse geschiedenis en over antisemitisme.3 De projectsubsidie staat los van de aanbestedingsopdracht, ter invulling van een ander amendement van de leden Ceder (CU) en Paternotte (D66) op de begroting van 2024 voor het ondersteunen van docenten bij het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke thema’s.4
Het aflopen van de projectsubsidie volgde automatisch uit de overeenkomst tussen OCW en de stichting Na de Oorlog, de aanbestedingsopdracht heeft hierin geen rol gespeeld. Voor de aanbestedingsopdracht is een zorgvuldig proces doorlopen met als doel om de opdracht aan de meest geschikte partij te gunnen. Het gunningsbesluit is genomen op basis van vooraf opgestelde criteria.
Deelt u de mening dat lessen over antisemitisme zeker in de huidige tijd zeer belangrijk zijn en dat als stichting Na de Oorlog mee had moeten doen aan een tender, dit een aanbesteding had moeten zijn specifiek voor ondersteuning op het gebied van lessen over antisemitisme?
Lessen over antisemitisme zijn van groot belang. Het is onaanvaardbaar als Joodse leerlingen gepest, bedreigd of niet geaccepteerd worden om wie ze zijn. Als dat wel gebeurt, moet daar tegenop getreden worden. Daarom roepen we scholen op om te handelen bij antisemitische incidenten. Ter ondersteuning is in mei 2024 een handreiking gepubliceerd die scholen en docenten moet helpen bij het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten. Ook is het essentieel dat dit thema op een passende en effectieve manier in het curriculum wordt behandeld. Niet voor niets is structurele kennisoverdracht van de Holocaust verankerd in het curriculum PO en onderbouw VO.
Om docenten extra ondersteuning te bieden op het gebied van lessen over antisemitisme heb ik ervoor gekozen om één van de twee opdrachten waarmee uitwerking wordt gegeven aan het amendement van de leden Ceder (CU) en Paternotte (D66) toe te spitsen op het thema antisemitisme. In de opdracht wordt het thema antisemitisme verbonden aan het thema racisme en discriminatie in bredere zin. Deze koppeling sluit aan bij de ondersteuningsbehoeftes in het onderwijsveld en vergroot de kans dat de thema’s succesvol landen. Bij het beoordelen van de offertes van de verschillende organisaties is rekening gehouden met kennis van en ervaring met zowel antisemitisme als met racisme en discriminatie in bredere zin.
Kunt u nader toelichten waarom enige ervaring in antisemitismebestrijding niet behoorde tot de eisen aan deelnemende organisaties tijdens de aanbesteding naar aanleiding van het amendement van het lid Ceder, ingediend tijdens de begrotingsbehandeling OCW 2024?
Bij het gunnen van de aanbestedingsopdracht is vanzelfsprekend rekening gehouden met expertise op het gebied van antisemitisme. In de offerteaanvraag stonden drie gunningscriteria vermeld: relevante kennis en ervaring, borging van de effecten en plan van aanpak. Bij het gunnen van de aanbestedingsopdracht zijn alle offertes op deze drie criteria beoordeeld.
Fawaka heeft ervaring met training op het gebied van inclusief samenleven en, in die context, met training op het gebied van op antisemitisme en racisme en discriminatie in bredere zin. Om aanvullende kennis op het gebied van antisemitisme in huis te halen, laat Fawaka medewerkers trainen door de Anne Frank Stichting.
Deelt u de mening dat enige specifieke kennis over antisemitisme een volstrekt vanzelfsprekende vereiste zou zijn geweest bij deze aanbesteding, aangezien deze aanbesteding in de plaats kwam van de in 2023 toegekende subsidie aan stichting Na de Oorlog?
De aanbesteding is niet in de plaats gekomen van de in 2023 toegekende projectsubsidie aan stichting Na de Oorlog. De aanbesteding en de projectsubsidie volgen beide uit verschillende amendementen en staan geheel los van elkaar.
Kennis over antisemitisme is een vanzelfsprekende vereiste, gegeven de aard van de opdracht. Daarom is relevante kennis en ervaring één van de drie gunningscriteria. In lijn met de beoordelingscommissie heb ik er alle vertrouwen in dat Fawaka deze relevante kennis en ervaring in ruime mate in huis heeft. Om aanvullende kennis op het gebied van antisemitisme in huis te halen, laat Fawaka medewerkers trainen door de Anne Frank Stichting
Deelt u de mening dat stichting Na de Oorlog in de afgelopen jaren heeft bewezen zeer bedreven te zijn in het ondersteunen van leraren bij lessen over antisemitisme?
Net als andere organisaties speelt stichting Na de Oorlog een waardevolle rol in het tegengaan van antisemitisme.
Deelt u de mening dat ondersteuning moet worden geboden c.q. gastlessen moeten worden gegeven door professioneel opgeleide mensen die in staat moeten zijn om met diverse kritische leerlingengroepen om te gaan?
Het is belangrijk dat ondersteuning en gastlessen worden gegeven door professioneel opgeleide mensen en juist daarom heb ik deze aanbestedingsopdracht uitgezet. Daarnaast is in juni 2024 het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie gepubliceerd, dat zich onder andere richt op het versterken van de educatieve functies van musea, herinneringscentra en gastlessen. Een belangrijke actie binnen dit plan is de docentenpeiling, die in het najaar van 2024 is gestart. Deze peiling brengt de ondersteuningsbehoefte van docenten bij het geven van Holocausteducatie in kaart. De uitkomsten zullen naar verwachting medio mei 2025 bij ons binnenkomen en zullen helpen om gerichter waar nodig de ondersteuning van docenten te verbeteren. Voor het zomerreces zullen we de Kamer hierover informeren.
Op welke wijze wordt de kostbare ervaring van stichting Na de Oorlog geborgd, mochten cruciale middelen definitief niet ter beschikking komen aan deze stichting?
Ik geloof dat kwalitatief hoogwaardig onderwijs op het gebied van antisemitisme van groot belang is in de strijd tegen antisemitisme. Om die reden zullen in de loop van 2025 naar verwachting twee nieuwe subsidieregelingen en/of aanbestedingsopdrachten in werking treden.
Eén daarvan vormt de invulling het amendement van de leden Ceder (CU), Kisteman (VVD) en Van Zanten (BBB) waarmee voor 2025 opnieuw 500.000 euro wordt vrijgemaakt voor ondersteuning van docenten bij het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke thema’s in de klas, waaronder antisemitisme.5 Ik erken de kostbare ervaring die stichting Na de Oorlog op dit gebied heeft en zal ervoor zorgen dat de stichting op de hoogte wordt gesteld wanneer de inschrijving of aanbesteding gestart wordt.
Daarnaast treedt naar verwachting medio 2025 de vierjarige subsidieregeling «het verhaal van de Tweede Wereldoorlog blijven vertellen» in werking, deze subsidieregeling loopt via het Ministerie van VWS en is onderdeel van het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie. De regeling is bedoeld om een extra impuls te geven aan organisaties binnen de herinneringssector die het verhaal van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog vertellen. De regeling maakt ruimte voor het organiseren van museale activiteiten en cultureel-educatieve activiteiten gericht op kennisoverdracht over de Holocaust en onderbelichte verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Ook voor deze regeling kan stichting Na de Oorlog een subsidieaanvraag indienen.
Kunt u nader toelichten hoe het proces van de aanbesteding is verlopen?
Het aanbestedingsproces is verlopen volgens de daarvoor geldende richtlijnen van de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden voor diensten (hierna: ARVODI). In lijn met deze richtlijnen is gekozen voor een aanbesteding buiten de raamovereenkomst onder zes partijen. Deze zes partijen hebben een offerteaanvraag ontvangen met daarin een beschrijving van, onder meer, de opdracht en de gunningscriteria.
Van drie van de zes partijen hebben we een offerte ontvangen, deze offertes zijn door een vierkoppige beoordelingscommissie beoordeeld, eerst door de leden van de commissie afzonderlijk en vervolgens door de commissie als geheel. Alle partijen zijn per brief over de beoordeling en over de daaruit volgende gunningsbeslissing geïnformeerd. Partijen die het niet eens waren met de beslissing, hebben de mogelijkheid gekregen om een kort geding te starten. Geen van de partijen heeft dit gedaan, daarmee werd de gunningsbeslissing definitief.
Kunt u toelichten op basis van welke scores en criteria de stichting Fawaka de aanbesteding heeft gewonnen?
De offerteaanvragen werden beoordeeld op basis van drie criteria: relevante kennis en ervaring, borging van de effecten en plan van aanpak. Fawaka had de hoogste totaalscore over de drie gunningscriteria heen.
Deelt u de mening dat het feit dat stichting Fawaka op haar website zich op geen enkele wijze uitlaat over antisemitisme, duidt op een gebrek aan affiniteit met en kennis van het thema?
In haar activiteiten richt Fawaka zich op inclusief samenleven en, in die context, ook op antisemitisme en op racisme en discriminatie in bredere zin. Om aanvullende kennis op het gebied van antisemitisme in huis te halen, laat Fawaka medewerkers trainen door de Anne Frank Stichting. Samenwerking tussen Fawaka en de Anne Frank Stichting omvat verder gezamenlijke ontwikkeling van gastlessen en van trainingen voor docenten en continue kennisuitwisseling onderling. Daarnaast maakt Fawaka gebruik van de lesmaterialen van de Anne Frank Stichting.
Kunt u met de Kamer delen wie de vier andere partijen zijn geweest, die hebben deelgenomen aan de aanbesteding? Zo niet, waarom niet?
Er zijn in totaal drie offerteaanvragen binnengekomen. De offertes van de andere twee partijen waren van stichting Na de Oorlog en de Respect Foundation.
Bent u bereid een evaluatie te laten uitvoeren van het aanbestedingsproces?
Het aanbestedingsproces is zorgvuldig verlopen volgens de daarvoor geldende richtlijnen van de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden voor diensten (ARVODI). Geen van de inschrijvers heeft naar aanleiding van de aanbesteding een kort geding gestart over de uitkomst. Daarmee is de gunning definitief geworden. Er is geen reden om dit specifieke proces te laten evalueren.
Kunt u aangeven hoe de twee nieuwe aanbestedingen, waarover u onder meer sprak tijdens de begrotingsbehandeling OCW 2025, vorm krijgen, inclusief tijdpad?
In de loop van 2025 zullen naar verwachting twee nieuwe subsidieregelingen en/of aanbestedingsopdrachten in werking treden. Eén daarvan vormt de invulling het amendement van de leden Ceder (CU), Kisteman (VVD) en Van Zanten (BBB) waarmee voor 2025 opnieuw 500.000 euro wordt vrijgemaakt voor ondersteuning van docenten bij het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke thema’s in de klas, waaronder antisemitisme.
Daarnaast treedt naar verwachting medio 2025 de vierjarige subsidieregeling «het verhaal van de Tweede Wereldoorlog blijven vertellen» in werking, deze subsidieregeling loopt via het Ministerie van VWS en is onderdeel van het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie. De regeling is bedoeld om een extra impuls te geven aan organisaties binnen de herinneringssector die het verhaal van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog vertellen. De regeling maakt ruimte voor het organiseren van museale activiteiten en cultureel-educatieve activiteiten gericht op kennisoverdracht over de Holocaust en onderbelichte verhalen over de Tweede Wereldoorlog.
Kunt u garanderen dat bij deze aanbestedingen kennis en expertise over antisemitisme en de Holocaust als belangrijkste criterium zal worden gehanteerd?
Net als bij de aanbestedingsprocedure die is doorlopen in het kader van het amendement Ceder (CU) en Paternotte (D66), zal relevante kennis en ervaring ook bij een nieuw aanbestedingsproces uiteraard een belangrijke voorwaarde zijn. De verdeling van het gewicht tussen voorwaardes onderling is afhankelijk van de precieze invulling van de aanbestedingsopdracht.
Kunt u alle vragen afzonderlijk en met spoed beantwoorden?
Vanzelfsprekend heb ik hiervoor mijn best gedaan.
Het bericht 'Op veel scholen wordt gehandeld in vuurwerk, inclusief cobra's en nitraten' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Op veel scholen wordt gehandeld in vuurwerk, inclusief cobra's en nitraten»1?
Ja.
Deelt u de schok en verbazing over het nieuws dat op scholen zwaar en levensgevaarlijk illegaal vuurwerk wordt verhandeld? Betreft het hier alleen instellingen voor voortgezet onderwijs of ook andere onderwijsinstellingen?
Vuurwerk op school, zeker dit soort vuurwerk, bedreigt de veiligheid van andere leerlingen en onderwijspersoneel. Dat vind ik ernstig, want dat schaadt het recht dat leerlingen en personeel hebben op een veilige leeromgeving.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft, naast signalen van vuurwerkgerelateerde incidenten in het voortgezet onderwijs, ook enkele signalen daarvan in het primair onderwijs.
Klopt het dat er nu geen landelijke uniforme richtlijnen zijn voor onderwijsinstellingen over hoe om te gaan met de handel in illegaal vuurwerk op en rondom hun terrein? Is een dergelijke landelijke richtlijn wat u betreft van toegevoegde waarde? Kunnen instellingen wat u betreft lessen trekken uit de aanpak van drugshandel op scholen?
Er zijn algemene landelijke richtlijnen. Er zijn in Nederland namelijk wettelijke regels ten aanzien van de handel in legaal en illegaal vuurwerk, opslag en verkoop. De vormen van vuurwerk (zoals cobra’s) uit dit artikel zijn illegaal en het bezit en afsteken hiervan is strafbaar. Er ligt een belangrijke taak voor ouders en verzorgers om te voorkomen dat jongeren illegaal vuurwerk in hun bezit krijgen, verhandelen of afsteken. Ook als ouder moet je een goed voorbeeld geven aan je kinderen. Het inkopen, verhandelen of afsteken van illegaal of zwaar vuurwerk is hier geen onderdeel van.
Daarnaast hebben scholen een zorgplicht voor de veiligheid op school. Wanneer er (illegaal) vuurwerk op school wordt verhandeld, dient de school actie te ondernemen. Waar nodig doet de school dit in samenwerking met ouders, politie, gemeente en andere lokale partners. Want ook deze partijen hebben een belangrijke rol in het voorkomen en oplossen van dergelijke incidenten. Dat zal echter niet voorkomen dat er nooit een veiligheidsincident plaatsvindt.
Om scholen te helpen bij het tegengaan van bezit van en handel in illegaal vuurwerk heeft Stichting School & Veiligheid een handreiking gepubliceerd waarin wordt ingegaan op de stappen die een school kan zetten.2 In 2025 zullen er daarnaast, naar aanleiding van een motie van het lid de Kort (VVD), gesprekken plaatsvinden met het onderwijsveld, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en Stichting School & Veiligheid over de mogelijkheden om het handelingsperspectief van scholen op het gebied van kluisjescontroles te vergroten.3 Ook voert Stichting School & Veiligheid, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning uit naar de ondersteuningsbehoefte van scholen op het gebied van agressie en criminaliteit.
Is bij u bekend of onderwijsinstellingen onderling best practices uitwisselen over de aanpak van handel van illegaal vuurwerk? Ziet u hier een effectieve aanpak die landelijk uitgerold zou kunnen worden?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden tot het beter aanpakken van het bezit en de handel van illegaal vuurwerk op school ziet u in het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs, dat binnenkort naar de Kamer komt?
Ik zie hier verschillende mogelijkheden toe. Het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs bevat maatregelen waarmee scholen en de inspectiescherper zicht krijgen op de veiligheid op school. Daaronder valt onder andere het introduceren van een monitoringsverplichting voor de veiligheid van het personeel, een incidentenregistratie voor veiligheidsincidenten en een meldplicht voor ernstige incidenten bij de inspectie. De handel of het afsteken van (zware en illegale vormen van) vuurwerk zal in de meeste gevallen geregistreerd worden en afhankelijk van het ernst ook gemeld worden bij de inspectie. Daardoor is er scherper zicht op school en heeft ook de inspectie sneller zicht op dit soort incidenten. Ook ziet het wetsvoorstel op een zorgvuldige jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid waarbij lering kan worden getrokken uit veiligheidsincidenten die hebben plaatsgevonden. Het wetsvoorstel is recentelijk verzonden naar de Raad van State en zal naar verwachting in Q2 van 2025 naar uw Kamer gestuurd worden.
Hoe wordt bewustwording onder jongeren over de gevaren van illegaal vuurwerk op dit moment vormgegeven? Wordt daar ook stilgestaan bij de gevaren van het opslaan of verstoppen van dit vuurwerk?
Scholen besteden op verschillende manieren aandacht aan de gevaren van illegaal vuurwerk. Zo geeft Halt jaarlijks zo’n duizend voorlichtingen «Veilig oud en nieuw» op scholen. Daarbij wordt ingegaan op de gevolgen die het bezit van vuurwerk heeft op anderen en henzelf. Ook wordt door (wijk-)agenten of door de brandweer voorlichting gegeven. Daarnaast wordt er door VeiligheidNL een (gratis) lespakket aangeboden aan scholen (4vuurwerkveilig). Het lespakket maakt leerlingen van groep 7 en 8 bewust van de gevaren van vuurwerk en geeft vuurwerktips om veilig oud en nieuw te vieren. Ik vind het goed dat veel scholen hier, samen met partners, bewust mee bezig zijn. Scholen kunnen dit echter niet alleen. Ouders, politie, gemeente en media hebben samen met de school een rol in het voorlichten over en waar nodig handelen tegen het bezit, de handel of het gebruik van illegaal vuurwerk.
Het bericht 'Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo af zonder diploma' |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo af zonder diploma»?1
Ja.
Wat vindt u van het gegeven dat 176.000 jongeren zonder een havo-, vwo- of mbo-2 school verlaat? Wat vindt u van het feit dat dit de afgelopen drie jaar met ruim veertig procent is gestegen?
Het aandeel van de jongeren dat geen onderwijs volgt en niet werkt (zogenoemde NEET-jongeren), is in Nederland het laagst van alle EU- en OESO landen.2, 3 De toename van het aantal jongeren zonder startkwalificatie dat geen onderwijs volgt, is zorgelijk. Wel heeft 70% van deze jongeren werk. Door de zeer krappe arbeidsmarkt is het voor veel jongeren op korte termijn aantrekkelijk om te stoppen met hun opleiding en te gaan werken. Jongeren zonder startkwalificatie hebben echter een grotere kans om hun baan na verloop van tijd kwijt te raken. Daarom is het tegengaan van ongediplomeerde uitstroom naar werk een belangrijk onderwerp in het actieplan voortijdig schoolverlaten (vsv), waarbij ingezet wordt op het aantrekkelijker maken van het onderwijs voor jongeren die willen werken. In maart 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan vsv.
Niet voor alle jongeren is het halen van een startkwalificatie mogelijk of passend. Veel van de 54.000 jongeren zonder startkwalificatie die geen onderwijs volgen of werk hebben, kampen met ziekte of persoonlijke problemen. Hierdoor is terugkeer naar school of werk niet altijd zelfstandig mogelijk. Deze jongeren hebben hier vaak ondersteuning bij nodig. Het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk zorgt dat jongeren deze ondersteuning krijgen. Nog voor het kerstreces stuurt het kabinet dit wetsvoorstel naar de Kamer.
Waardoor denkt u dat jongeren voortijdig stoppen met hun opleiding? Heeft u meer inzicht in de redenen waarom jongeren stoppen?
Jongeren verlaten om verschillende redenen voortijdig het onderwijs. Vaak is het een combinatie van oorzaken die bijdragen aan de schooluitval. De belangrijkste oorzaken zijn:4
Hoe reflecteert u op de uitkomst dat mentale problemen vaak een reden zijn om met een opleiding te stoppen? Wat zijn de plannen van het kabinet om de mentale gezondheid van jongeren te verbeteren?
Mentale problemen zijn een belangrijke reden waarom jongeren stoppen met hun opleiding. Jongeren met psychische problematiek vallen twee keer vaker uit dan andere jongeren, blijkt uit onderzoek van het CBS.5 Daarom wil ik deze problematiek vroegtijdig signaleren en laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning organiseren, zowel op school als in de overgang naar de arbeidsmarkt. In het actieplan vsv heb ik daarom aangekondigd dat ik wil dat scholen en gemeenten hierover verplicht afspraken maken. Dit is onderdeel van het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk en de bijbehorende regeling.
Het verbeteren van de mentale gezondheid van mbo-studenten is één van de doelstellingen van de Werkagenda mbo. Scholen en studenten komen, na gezamenlijk het gesprek aan te zijn gegaan over mentaal welzijn, tot een visie, beleid en laagdrempelige voorzieningen voor studenten. Veel mbo-instellingen zijn daarnaast aangesloten bij de integrale aanpak Gezonde School en Welbevinden op School. Vanuit deze aanpakken worden handvatten geboden om schoolbreed te werken aan het welzijn van studenten, bijvoorbeeld met hulp van een GGD-adviseur. Ook subsidieer ik de komende jaren het programma STIJN, dat als doel heeft om de kennis- en ondersteuningsstructuur te verbeteren die partijen rondom de student in staat stelt om effectief aan het studentenwelzijn te werken. Ten slotte is er afgelopen voorjaar een onderzoek uitgevoerd naar stress en prestatiedruk onder mbo-studenten.6 Een beleidsreactie op dit onderzoek zal ik dit najaar met uw Kamer delen.
Bent u het eens dat het ontvangen van een stagevergoeding kan bijdragen aan het op school houden van jongeren, omdat zij minder financiële stress ervaren en niet de voorkeur geven aan het hebben van een betaalde baan boven het behalen van hun diploma? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat studenten een passende vergoeding moeten krijgen voor hun stage. In het Stagepact MBO 2023–2027 is met vertegenwoordigers van studenten, mbo-scholen, docenten, werknemers, werkgevers en overheden afgesproken dat elke student een passende vergoeding voor de stage krijgt. Dit bestaat uit een onkostenvergoeding en daarbovenop stimuleren we dat in elke cao-afspraken staan over een passende stagevergoeding. We zien echter dat slechts 41% van de mbo-studenten een stagevergoeding ontvangt. Dat moet beter Uit een analyse van de 40 effectrapportages die de regio’s over schooljaar 2022–2023 ingevuld hebben, blijkt dat de meest voorkomende reden van studenten om voortijdig de school te verlaten is: «De krappe arbeidsmarkt in combinatie met de financiële noodzaak om inkomen te hebben».
In de Kamerbrief van april 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de monitoring door het Ministerie van SZW en het CBS. Begin volgend jaar informeer ik uw Kamer over de ontwikkeling op het geven van stagevergoedingen. Hiernaast doe ik naar aanleiding van de motie van de leden Stultiens en Ergin momenteel onderzoek naar een wettelijke minimumstagevergoeding.7 Op basis van dit onderzoek stuur ik in begin 2025 een brief om uw Kamer op de hoogte te stellen van de resultaten en de mogelijke vervolgstappen.
Wat gaat het kabinet de komende periode doen om het aantal voortijdig schoolverlaters terug te dringen? Gaat u het aanvalsplan voortijdig schoolverlaters doorzetten, en zo ja op welke manier? Zijn er financiële middelen voor de uitvoering van dit plan? Denkt u dat u het doel, minder dan 18.000 schoolverlaters in het mbo in 2026, gaat halen?
Het kabinet houdt vast aan het actieplan vsv en de in de Werkagenda mbo afgesproken doelstelling van 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2026.
Met het actieplan vsv zetten we een grote stap naar minder schooluitval. De ervaring leert dat niet alle uitval voorkomen kan worden. 18.000 vsv’ers in 2026 is zeer ambitieus. Daarom zet het kabinet ook in op het ondersteunen van jongeren naar duurzaam werk, waarvoor nog voor het kerstreces van 2024 een wetsvoorstel aan de Kamer wordt gestuurd. Het ombuigen van de stijging van het aantal jongeren met mentale problemen is essentieel om het doel te bereiken. Verder is een krappe arbeidsmarkt van invloed door de aanzuigende werking op jongeren om aan het werk te gaan. Met het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk krijgen scholen en de gemeenten aanvullende middelen om ondersteuning te bieden aan jongeren bij het behalen van een diploma en het vinden van duurzaam werk. In maart 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan vsv.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
Ja.
De niet ingevulde bezuiniging op het basis en voortgezet onderwijs en het mbo |
|
Jan Paternotte (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Eppo Bruins (CU), Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Waarom is het niet gelukt om deze bezuinigingen te verwerken in de OCW-begroting?
De Tweede Kamer is op 24 oktober 2024 geïnformeerd over de concrete verwerking van de subsidietaakstelling op de OCW-begroting, met een Kamerbrief en een nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2025.
De voorlopige verwerking, zoals opgenomen in de ontwerpbegroting die op Prinsjesdag is gepresenteerd, komt daarmee te vervallen.
Wij hebben een welbewuste keuze gemaakt bij het voorlopig verwerken van de subsidietaakstelling (maatregel 40) uit het Hoofdlijnenakkoord. Die keuze is ook nader toegelicht in de Kamerbrief van 18 september 2024 in reactie op verzoek van het lid Jetten voorafgaand aan de Algemene Politieke Beschouwingen1.
De subsidietaakstelling is € 75 miljoen in 2025 en loopt op tot structureel € 361 miljoen. De taakstelling is voor 2025 ingevuld met concrete maatregelen. Deze maatregelen zijn verwerkt in de ontwerpbegroting van OCW die op Prinsjesdag naar de Tweede Kamer is gestuurd. De ontwerpbegroting heeft betrekking op het jaar 2025 en voor OCW was het van groot belang dat de Tweede Kamer op Prinsjesdag een ontwerpbegroting zou ontvangen waarin de taakstelling voor 2025 concreet was verwerkt. Dit om het parlement in staat te stellen haar budgetrecht zo goed mogelijk uit te oefenen. Daarnaast zijn de betrokken instellingen en organisaties onlangs geïnformeerd over het voornemen tot beëindiging of vermindering van subsidie of bekostiging.
Kunt u de verdeling van de bezuiniging binnen twee weken naar de Kamer sturen? Zo nee, wanneer dan wel?
Sinds de start van dit kabinet hebben wij een zorgvuldig en verantwoord besluitvormingsproces gevolgd om de subsidietaakstelling structureel uit te werken. Tegelijk erkennen wij het belang van een goede parlementaire behandeling en respecteren wij het budgetrecht van uw Kamer. OCW informeert de Tweede Kamer ruim vóór de begrotingsbehandeling hoe de subsidietaakstelling vanaf 2026 structureel wordt ingevuld middels de voornoemde Kamerbrief en een nota van wijziging op de ontwerpbegroting.
Waarom is ervoor gekozen om de bezuiniging in te boeken op allerlei initiatieven voor het basis- en middelbaar onderwijs en stageplekken voor (voornamelijk) mbo-studenten, ondanks uw claim dat er geen inhoudelijke keuzes zijn gemaakt?
Het feit dat subsidiebudgetten in de Ontwerpbegroting met dergelijke grote bedragen zijn verlaagd, vooruitlopend op een nota van wijziging met structurele invulling van de taakstelling, roept veel vragen op. Dat is begrijpelijk.
In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de ombuigingen volgend uit het akkoord worden verwerkt op de departementale begrotingen bij ontwerpbegroting 2025. Dit geldt dus ook voor de subsidietaakstelling.
Omdat meer tijd nodig was om de subsidietaakstelling in te vullen is er gekozen om de subsidietaakstelling voorlopig te verwerken op drie grote subsidiebudgetten. De budgetten in de begroting zijn verlaagd, maar er werden vooralsnog géén concrete maatregelen genomen en er waren geen consequenties in de buitenwereld. Dit staat ook toegelicht in de begroting en in de voornoemde Kamerbrief van 18 september 2024.
Er is specifiek gekozen voor deze drie subsidiebudgetten omdat dit grote subsidiebudgetten zijn. Er is geen individueel subsidiebudget op de OCW-begroting dat groot genoeg is om de volledige subsidietaakstelling op te verwerken. Daarom heeft OCW het aantal subsidiebudgetten waarop de taakstelling wordt ingeboekt zo klein mogelijk gehouden.
Deelt u dat deze initiatieven van onmisbare waarde zijn voor kinderen en jongeren?
In de voornoemde Kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling toegelicht.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op onderwijs aan zieke leerlingen en Ziezon?
Ja, dat kunnen wij bevestigen. De budgetten die zijn bedoeld voor de huidige activiteiten van «onderwijs aan zieke leerlingen» en Ziezon zijn geen onderdeel van de invulling van de subsidietaakstelling. Ook na invulling van de subsidietaakstelling blijft hier budget voor beschikbaar.
Dit geldt ook voor de activiteiten en organisaties die worden genoemd in vragen 6 t/m 11; te weten het omzetten van lesmateriaal naar braille door Dedicon, onderwijs aan nieuwkomers door lowan, Ouders & Onderwijs, het Nederlands Gebarencentrum, het LAKS en de techniekhavo.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het omzetten van lesmateriaal naar braille door Dedicon?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op onderwijs aan nieuwkomers door lowan?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op Ouders & Onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het Nederlands Gebarencentrum?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het LAKS?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op de techniekhavo?
Zie het antwoord op vraag 5.
Als u niet van plan bent om deze initiatieven weg te bezuinigen, heeft u contact gehad met de betrokken organisaties om deze boodschap te delen? Vindt u het een voorbeeld van goed bestuur om een bezuiniging ergens in te boeken zonder daarover met de betrokken organisaties te spreken?
Hier is helder over gecommuniceerd. Het oogmerk van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid ziet ook op de relatie tussen OCW en subsidieontvangers. OCW heeft in deze relatie vanzelfsprekend goed bestuur te betrachten. De wijze van verwerking in de begroting heeft hier in grote mate mee te maken.
De ontwerpbegroting van OCW wordt namelijk samen met de nota van wijziging door het parlement geautoriseerd, nadat het parlement ook over de subsidietaakstelling haar oordeel heeft uitgesproken. Omdat de nota van wijziging gaat over de subsidietaakstelling vanaf 2026 kunnen organisaties ruim van tevoren worden geïnformeerd zodat zij rekening kunnen houden met de consequenties van de subsidietaakstelling.
Daarnaast heeft OCW met betrokken organisaties gesprekken gevoerd die consequenties ondervinden van de subsidietaakstelling.
Deelt u dat het waardevol is voor mbo-studenten om in de praktijk te leren? Zo ja, waarom boekt u dan een bezuiniging hierop in?
De korting op de Regeling Praktijkleren staat toegelicht in de voornoemde Kamerbrief.
Hoeveel stageplekken worden nu gefinancierd vanuit de subsidieregeling praktijkleren?
In 2024 worden ongeveer 170.000 leerwerkplaatsen (in de sectoren vo, mbo en hbo en wo) gefinancierd via de Regeling praktijkleren.
Hoeveel stageplekken gaan er naar inschatting verloren door een mogelijke bezuiniging van 152 miljoen euro op een totaal van 250 miljoen euro voor deze plaatsen?
Wij vinden het niet opportuun om te reflecteren op een voorlopige verwerking van een mogelijke bezuiniging. In de voornoemde Kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling nader toegelicht. De Regeling praktijkleren wordt vanaf 2030 structureel met circa € 11,9 miljoen verlaagd. Dit heeft naar verwachting weinig significante impact gezien het feit dat in de toekomst in het mbo de studentenaantallen nog zullen dalen.
Heeft u gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het mbo over deze bezuiniging?
Er is gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het mbo om toe te lichten dat de voorlopige verwerking van de subsidietaakstelling, op het subsidiebudget «Regeling praktijkleren», in de begroting geen inhoudelijke consequenties heeft.
Kunt u alle onderliggende stukken bij de totstandkoming van de OCW-begroting én de onderwijsparagraaf van het regeerprogramma met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Wanneer de Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de invulling van de subsidietaakstelling, dan worden alle beslisnota’s die ten grondslag hebben gelegen aan die Kamerbrief en de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2025 actief openbaar gemaakt.
Verdere onderliggende stukken bij de onderwijsparagraaf van het Regeerprogramma worden op grond van eenheid van kabinetsbeleid niet openbaar gemaakt.
Wanneer bent u op de hoogte gebracht van de totaalsom die uw ministerie moet bijdragen aan de rijksbrede subsidietaakstelling?
In het Hoofdlijnenakkoord is bepaald dat de subsidietaakstelling wordt verdeeld naar rato van de subsidiegrondslag op de begrotingen waarbij de grondslag eerst wordt verlaagd met de specifieke budgetkortingen uit het hoofdlijnenakkoord. De uitwerking van deze verdeling is door het Ministerie van Financiën gedeeld met de overige departementen op 3 juli 2024 ten behoeve van de ministerraad van 5 juli 2024 waar het kabinet heeft ingestemd met de Startbrief. De Startbrief is een kabinetsinterne brief en bevat de technische vertaling van de budgettaire afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord naar de Rijksbegroting. Het besluit over de Startbrief is gepubliceerd in de besluitenlijst van de ministerraad van 5 juli 2024.
Welke subsidieregelingen zijn nog meer overwogen bij het inboeken van deze additionele bezuiniging van bijna 400 miljoen euro per jaar structureel?
De invulling van de subsidietaakstelling is bezien over de volle breedte van de OCW-begroting. In de voornoemde kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling toegelicht.
Waarom is er, vergeleken met voorgaande jaren, in het subsidieoverzicht voor artikelen 1 en 3 van de OCW-begroting voor 2025 een nieuwe post «overige subsidies» gecreëerd op de OCW-begroting om op te bezuinigen?
De post «Overige subsidie» is niet nieuw en staat al lange tijd in de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» van de begrotingsartikelen 1 (Primair onderwijs) en 3 (Voortgezet onderwijs). De begroting van OCW bevat ook een bijlage met een subsidieoverzicht per begrotingsartikel. Dit subsidieoverzicht sluit aan op de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» bij de begrotingsartikelen. De post «Overige subsidies» is in de ontwerpbegroting 2025 toegevoegd aan het subsidieoverzicht in de bijlage om het overzicht beter aan te laten sluiten op de voornoemde tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid».
Welk selectiecriterium ligt eraan ten grondslag om gerekend te worden tot «overige subsidies»?
In de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» bij de begrotingsartikelen wordt een uitsplitsing gemaakt van het instrument subsidies. De prioriteiten van dit kabinet en de grote budgetten worden op een aparte regel genoemd. Dit geldt bijvoorbeeld voor subsidieregelingen als Basisvaardigheden en School en Omgeving. Ook grote instellingssubsidies zoals Kennisnet worden apart vermeld. De overige, kleinere instellingssubsidies, projectsubsidies en kleinere subsidieregelingen worden niet apart genoemd, maar zijn onderdeel van de regel «Overige subsidies». Een nadere uitsplitsing van alle subsidies per artikel is opgenomen in het Subsidieoverzicht in Bijlage 4 van de begroting.
Kunt u deze vragen binnen twee weken elk afzonderlijk beantwoorden?
Op 15 oktober 2024 heeft de Tweede Kamer een uitstelbrief ontvangen voor de beantwoording van deze vragen, omdat voor de beantwoording meer tijd nodig was. In de antwoorden op de vragen 6 t/m 11 wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5.
Het bericht 'Gebruik laptop op veel scholen verplicht, lang niet elke ouder kan dat betalen' |
|
Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Gebruik laptop op veel scholen verplicht, lang niet elke ouder kan dat betalen»1?
Ja.
Hoe reflecteert u op het groeiende aantal ouders dat een aanvraag doet bij een particuliere organisatie, zoals Stichting Leergeld, omdat zij schoolspullen voor hun kinderen niet kunnen betalen en hoe reflecteert u op het feit dat het groeiende aantal vooral laptops betreft?
Ieder kind in Nederland dient goed onderwijs te krijgen. Scholen in het primair en voortgezet onderwijs ontvangen hiervoor bekostiging, waar zij onder andere leermiddelen van aanschaffen. Scholen maken in toenemende mate gebruik van digitaal lesmateriaal waar een device voor nodig is. Met name in het voortgezet onderwijs is dit het geval, zo blijkt uit de meest recente evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken.2 Als ouders een laptop niet kunnen of willen betalen moet de school zorgen voor een volwaardig alternatief. De school kan ouders daarnaast wijzen op specifieke financieringsmogelijkheden, bijvoorbeeld via Stichting Leergeld of regelingen van gemeenten. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de school in de basis voorziet en dat de ondersteuning van deze organisaties aanvullend is.
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat leerlingen geen toegang hebben tot het onderwijs vanwege het ontbreken van een device. Samen met het Ministerie van SZW zoek ik dit conform motie-De Hoop3 nader uit. Met een onderzoek breng ik in beeld welke regelingen er, publiek en privaat georganiseerd, in gemeenten zijn en of alle leerlingen in het funderend onderwijs over een device kunnen beschikken voor het volgen van onderwijs. Over de uitkomsten van dit onderzoek informeer ik de Kamer dit najaar.
Vindt u dat sprake is van kansengelijkheid in het onderwijs als blijkt dat een groeiend aantal ouders de kosten van (digitale) leermiddelen niet kan opbrengen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het aanvaardbaar dat particuliere organisaties moeten bijspringen om kinderen te voorzien in schoolspullen die nodig zijn om onderwijs te volgen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat laptops of andere digitale leermiddelen als essentieel leermiddel kunnen worden aangemerkt, nu zoveel scholen deze verplichten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat laptops of andere devices op steeds meer scholen essentieel zijn voor het volgen van onderwijs. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat scholen de aanschaf van laptops of vergelijkbare digitale leermiddelen door ouders niet verplicht stellen. Als ouders een laptop niet kunnen of willen betalen moet de school zorgen voor een volwaardig alternatief of kan de school verwijzen naar andere vormen van ondersteuning.
Is er inzicht in hoeverre scholen die laptops voorschrijven deze ook zelf aan de leerlingen leveren en zo ja, treedt u op tegen scholen die ouders gedeeltelijk of geheel voor de kosten op laten draaien? Zo nee, waarom niet?
Voor schooljaar 2020–2021 is met de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken in kaart gebracht dat iets meer dan tien procent van de scholen een device zelf beschikbaar stelt aan leerlingen. De meerderheid van de scholen vraagt ouders om een vrijwillige bijdrage. Zij stellen dit niet verplicht. De Inspectie van het Onderwijs ziet er signaalgestuurd op toe dat scholen zich houden aan de regels rondom de vrijwillige ouderbijdrage.
Snapt u de frustratie van ouders als ze enerzijds een laptop moeten aanschaffen voor school en anderzijds zien dat er elk jaar veel schoolboeken worden weggegooid, omdat ze maar één jaar meegaan?
Ja, de frustratie van ouders hierover is begrijpelijk. Tegelijkertijd is het lesmateriaal steeds vaker digitaal en worden papieren schoolboeken minder gebruikt. Uit het oogpunt van doelmatige besteding van middelen en duurzaamheid en, moedig ik scholen aan om hun leermiddelenbeleid en inkoopproces goed op hun leermiddelengebruik af te stemmen. De coöperatie SIVON heeft een handreiking opgesteld om scholen en leveranciers te ondersteunen om duurzame keuzes te maken ten aanzien van hun leermiddelen.4 Ik roep aanbieders op om scholen voldoende duurzame keuzemogelijkheden te bieden.
Vindt u ook dat het weggooien van schoolboeken eigenlijk niet meer kan in een samenleving waar we zoveel mogelijk proberen te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u voornemens om digitale leermiddelen onder de Wet Gratis Schoolboeken te laten vallen? Zo nee, waarom niet?
Digitale leermiddelen vallen reeds onder de Wet Gratis Schoolboeken (WGS). Devices vallen niet onder de definitie van gratis leermiddelen volgens de WGS, omdat dit elektronische informatiedragers zijn en geen leermiddelen. Ik heb geen voornemens om devices onder de WGS te laten vallen. Dat zou bovendien structureel aanvullende middelen vragen (€ 201 mln. voor het voortgezet onderwijs, € 516 mln. voor primair en voortgezet onderwijs). Hier is geen budgettaire ruimte voor.
Het bericht “Steeds meer Twentse scholen vinden Paarse Vrijdag maar gedoe” |
|
Arend Kisteman (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer Twentse scholen vinden Paarse Vrijdag maar gedoe»?1
Ja.
Deelt u de mening dat aandacht besteden aan seksuele diversiteit op school belangrijk is en niet voor niets is opgeschreven in de kerndoelen?
Absoluut, want zo leren leerlingen dat iedereen er mag zijn en je verliefd mag worden op wie je wil. Door aandacht te besteden aan seksuele diversiteit op school leren kinderen zelf keuzes te maken op het gebied van hun lichaam, verliefdheid en seksualiteit, worden zij zich bewust van verschillen in normen en waarden en leren zij zelf verantwoorde keuzes te maken en respectvol met elkaar om te gaan. Dit is onderdeel van burgerschapsvorming, waarin leerlingen zich leren verhouden tot de waarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit en van het creëren van een sociaal veilig klimaat voor alle leerlingen. Leerlingen kunnen alleen komen tot leren als zij in vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn. Het is daarom erg belangrijk dat scholen en schoolbesturen zich hardmaken voor hun lhbtiq+ leerlingen en vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit uitdragen als onbetwistbare waarden.
Deelt u de mening dat Paarse Vrijdag een prachtig initiatief is waardoor leerlingen samen met docenten kunnen stilstaan bij het feit dat verschillen er mogen zijn, je altijd jezelf mag zijn en mag houden van wie je wil?
Het is belangrijk dat álle jongeren geaccepteerd worden en zichtbaar zichzelf kunnen zijn. We kunnen het niet toestaan dat daarop wordt ingeboet, daarom vind ik het ontzettend belangrijk om op een positieve manier aandacht te besteden aan diversiteit, waaronder seksuele- en genderdiversiteit. Zo laten we namelijk zien dat iedereen erbij hoort. En dat is ontzettend belangrijk. Niemand mag gepest of uitgesloten worden om wie die is. Het staat scholen vrij om dat via Paarse Vrijdag of op een andere manier te doen.
Kunt u met de Kamer delen hoeveel scholen in Nederland meedoen aan het initiatief van Paarse Vrijdag en hoe zij hier richting ouders en leerlingen over communiceren?
Ik heb dit nagevraagd bij COC Nederland, omdat zij dit project coördineren. COC ondersteunt de deelnemende scholen met informatiemateriaal, zowel digitaal als fysiek. COC gaf aan dat bijna 3.000 schoollocaties jaarlijks meedoen aan Paarse Vrijdag. Dit getal is gebaseerd op het aantal Paarse Vrijdag pakketten dat jaarlijks wordt verstuurd op aanvraag van individuele schoollocaties.
Op welke manier ondersteunt uw ministerie initiatieven om de veiligheid van lhbti-leerlingen te bevorderen?
Het ministerie ondersteunt onder andere Stichting School & Veiligheid. Deze organisatie zet zich in voor een sociaal veilig schoolklimaat en ondersteunt scholen bij het bevorderen daarvan. Dat doen ze bijvoorbeeld door het geven van actuele informatie en deskundig advies via de website, conferenties en een adviespunt. Ook onderhoudt SSV de website www.gendi.nl met inspiratie, (les)materialen en kennis voor leraren, schoolleiders en onderwijspersoneel op het gebied van gender-en seksuele diversiteit in de klas.
Daarnaast subsidieert het ministerie COC Nederland. Zij bieden ondersteuning door onder andere het jaarlijks organiseren van Paarse Vrijdag, het faciliteren van Gender & Sexuality Alliances (GSA’s) en het bouwen van een GSA-docentennetwerk.
Is u bekend of en op welke wijze en in welke specifieke regio’s weerstand tegen dit initiatief bestaat vanuit ouders en leerlingen en/of de omgeving van de school en wat daarbij redenen zijn?
Er loopt op dit moment een onderzoek bij de Rijksuniversiteit Groningen, waarbij een vragenlijst is ingevuld door ruim 1.000 lhbtiq+ jongeren. Het onderzoek is nog niet gepubliceerd, maar uit de voorlopige resultaten blijkt dat er een verschil zit in lhbtiq+ acceptatie tussen een school in de stad en een school op het platteland: scholen in de stad doen vaker mee aan Paarse Vrijdag en hebben vaker een GSA.2 Ook heeft het SCP in 2022 een onderzoek gepubliceerd waaruit bleek dat bewoners van stedelijke gebieden over het algemeen positiever over seksuele en genderdiversiteit waren dan bewoners van het platteland.3 Ik hoor ook geluiden dat dit bijvoorbeeld zou komen door de invloed van sociale media en conservatieve (culturele) denkbeelden. Deze en mogelijk andere oorzaken wil ik nader uitgezocht hebben.
Hoe duidt u de weerstand in de Twentse regio?
De resultaten uit het onderzoek zijn verontrustend. Uit de monitor blijkt dat 35% van de jongeren homoseksualiteit (helemaal) niet goed vindt en ook denken 21% van de meisjes en 34% van de jongens dat leerlingen die zich identificeren als lhbtiq+, dit niet eerlijk op school kunnen vertellen. Ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor in het funderend onderwijs (2021/2022) blijkt dat lhbtiq+ leerlingen vaker gepest worden dan leerlingen die dat niet zijn. Leerlingen moeten zichzelf kunnen zijn op school. Ik wil er alles aan doen om de dalende acceptatie onder jongeren tegen te gaan. Daarom wil ik in samenspraak met COC meer inzicht krijgen in mogelijke oorzaken en oplossingen, want iedereen in Nederland mag houden van wie die wil houden en zijn wie die wil zijn.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze berichtgeving in contact te treden met Twentse middelbare scholen over deze zorgwekkende ontwikkeling?
Ja, ik ga hier graag over in gesprek met de Twentse middelbare scholen en het Programma Gezonde School, welke ook in het artikel wordt genoemd.
Wanneer komt de Twentse Gezondheidsmonitor lhbtqi+ uit en kunt u deze met de Kamer delen?
De vragenlijst van de Gezondheidsmonitor Jeugd bestaat uit twee delen: een landelijk gedeelte en een regionaal gedeelte. De onderzoeksresultaten uit het landelijke gedeelte van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 vindt uw Kamer op VZ Info en RIVM Statline. Daarnaast publiceren alle GGD’en deze landelijke resultaten op hun website en dashboards, samen met de resultaten van het regionale gedeelte van de vragenlijst. GGD Twente heeft de resultaten van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 gepubliceerd op een dashboard. Deze is online te vinden via: https://www.twentsegezondheidsverkenning.nl/dashboard/dashboard-twentse-gezondheidsverkenning/seksuele-gezondheid-3
Welk handvatten ontvangen scholen uit de evaluatie van het Actieplan Veiligheid lhbti 2019–2022 om lhbti-onderwerpen beter bespreekbaar te maken in de klas in plaats van te besluiten de onderwerpen niet of minder te bespreken omdat er weerstand zou spelen?
De evaluatie bevat 14 aanbevelingen. Geen van deze aanbevelingen ziet specifiek op het beter bespreekbaar maken van lhbtiq+ onderwerpen in klas. Wel wordt aangehaald dat in diverse onderzoeken is aangetoond dat de inzet van Gender and Sexuality Alliances (GSA’s) op scholen effectief is in het verbeteren van het sociale klimaat voor lhbtiq+ jongeren. Ook wordt opgemerkt dat er in Nederland veel interventies bestaan gericht op het vergroten van de zichtbaarheid en verbeteren van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen in het onderwijs. Zoals aangegeven in de brief van de voormalig Minister van Justitie en Veiligheid van 14 mei jl. (Kamerstukken II, 2023–2024, 20 420, nr. 396) zal uw Kamer na de zomer de inhoudelijke beleidsreactie op de evaluatie ontvangen met de vervolgstappen die genomen gaan worden.
Welke plannen liggen er op het ministerie om de aanbevelingen uit bovengenoemde evaluatie over te nemen en te implementeren?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe kijkt u aan tegen Gender & Sexuality Alliance (GSA) samenwerkingen op scholen waarbij leerlingen zelf zorgen dat lhbti-leerlingen veilig zichzelf kunnen zijn op scholen? Bent u bereid deze initiatieven te ondersteunen en in de toekomst te borgen?
Ik ondersteun deze initiatieven via COC Nederland en hecht groot belang aan de activiteiten van deze organisatie. GSA’s leveren een heel belangrijke en bijzondere bijdrage op school, omdat leerlingen hierbij zelf aan zet zijn. Zo laten ze elkaar zien welke waarden de school heeft ten opzichte van gender en seksualiteit. Uit onderzoek van Movisie en de Universiteit van Amsterdam uit 2018 blijkt dat leerlingen veel baat hebben bij GSA's. Leerlingen ervaren daardoor meer sociale steun van andere leerlingen en het schoolpersoneel waardoor hun zelfvertrouwen groeit en ze beter weten wie ze zijn.4
De niet nagekomen afspraken aan de organisatie Digibende |
|
Aant Jelle Soepboer (FNP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
Bent u bekend met de organisatie Digibende?
Ja.
Bent u bekend met de toezeggingen van de vorige Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en het ministerie aan Digibende over bekostiging van hun activiteiten?
Ik ben bekend met de toezegging uit het commissiedebat passend onderwijs van 5 april 2023. Er is toegezegd aan de Tweede Kamer om te kijken naar de financieringsmogelijkheden van thuiszittersinitiatieven die dreigen te verdwijnen. Hierbij werd door het lid Kwint (SP) het zogenoemde rommelpotje benoemd, een klein budget waarmee bestedingsruimte is om alternatieve niet vanuit het Rijk bekostigde initiatieven die van serieuze betekenis zijn voor leerlingen die anders uit het onderwijs vallen, te kunnen ondersteunen. Met betrekking tot Digibende is verder toegezegd om een soort extra spoor te verkennen. Mijn ambtenaren hebben diverse malen met Digibende gesproken om te verkennen bij welke andere ontwikkelingen zoals de onderwijszorgarrangementen zij zou kunnen aansluiten. De kaders daarvoor bleken echter niet passend. Mijn ambtenaren hebben daarbij ook toegelicht dat rechtstreekse financiering van Digibende niet mogelijk is, omdat daarmee sprake zou zijn van willekeur. Digibende kan straks wel op dezelfde wijze gebruik maken van de beoogde subsidieregeling voor samenwerkingsverbanden zoals andere niet-bekostigde thuiszittersinitiatieven.
Kunt u aangeven waarom er, ondanks toezeggingen en schriftelijke bevestiging daarvan, tot nu toe nog weinig actie is ondernomen waardoor Digibende op dit moment in onzekerheid verkeert over of zij leerlingen wel of niet kunnen plaatsen?
Het afgelopen jaar is er een uitgebreide verkenning geweest naar de mogelijkheden om thuiszittersinitiatieven zoals Digibende direct te bekostigen. Daarbij is gezocht naar een balans tussen de wens om ook creatieve initiatieven voor (dreigend) thuiszittende jongeren te ondersteunen en tegelijkertijd goed zicht te hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van die initiatieven en daarmee ook de zorgvuldigheid in de besteding van middelen. Welke opties ik heb overwogen en waarom ik heb gekozen voor de optie voor een subsidieregeling voorsamenwerkingsverbanden heb ik uw Kamer per brief toegelicht. Deze brief stuur ik parallel met deze Kamervragen naar uw kamer. De in deze brief geschetste ontwikkeling, kan ook voor Digibende een oplossing bieden.
Het is de kerntaak van scholen en samenwerkingsverbanden om in de regio te zorgen voor een passend aanbod van onderwijs voor elke leerling. Om daarbij aan te sluiten werk ik, zoals al eerder aan uw Kamer vermeld, aan een subsidieregeling voor samenwerkingsverbanden. Met de impuls van zo’n regeling zouden samenwerkingsverbanden ofwel zelf meer activiteiten kunnen ondernemen, ofwel diensten – conform de aanbestedingsregelgeving – kunnen inkopen bij initiatieven die geen bekostiging vanuit de overheid krijgen maar wel bijdragen aan de ontwikkeling van (dreigend) thuiszittende jongeren. Het is essentieel om goed zicht te hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de initiatieven. Anders lopen we het risico dat deze middelen, die juist zo hard nodig zijn, weglekken. Binnen het passend onderwijs ligt de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van onderwijs voor elke leerling bij de scholen en samenwerkingsverbanden. Dat maakt de keuze voor de samenwerkingsverbanden een logische.
Bent u bereid alsnog werk te maken van het nakomen van de toezeggingen richting Digibende? Zo ja, op welk termijn en op welke manier bent u van plan dit vorm te geven?
Zoals aangegeven werk ik op dit moment aan een subsidieregeling voor samenwerkingsverbanden passend onderwijs, waarmee zij niet-bekostigde initiatieven, zoals Digibende, kunnen inzetten. Naar verwachting kunnen in het voorjaar van 2025 de subsidieaanvragen worden ingediend.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
De beantwoording is zo snel als mogelijk was naar uw kamer verstuurd.
De nieuwe VO-school van Soner Atasoy |
|
Daan de Kort (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Nu ook islamitische middelbare scholen in Brabant, landelijk staat de teller straks op acht»1 en «Komt er een nieuwe islamitische middelbare school in Tilburg?»2?
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk en zorgwekkend is dat Soner Atasoy opnieuw een school sticht, na waarschuwingen van de AIVD vanwege contacten met salafistische aanjagers, zijn deze week in hoger beroep bevestigde ontslag als bestuurder van het Cornelis Haga Lyceum en het starten en sluiten van de school «Het Achterhuis» voor leerlingen met een onderwijsvrijstelling?
Als Staatssecretaris is het mijn verantwoordelijkheid te zorgen dat ieder kind in een veilige omgeving onderwijs kan volgen dat van goede kwaliteit is. In Nederland zijn duidelijke afspraken gemaakt over het stichten van nieuwe scholen (zie antwoord op vraag 6). Ik probeer daarmee te verzekeren dat nieuwe scholen kwaliteit gaan bieden. De heer Atasoy heeft juridisch gezien niets fout gedaan, maar ik kan me voorstellen dat er zorgen zijn over de maatschappelijke uitlatingen van deze bestuurder (zie ook het antwoord op vraag 4).
Momenteel werkt mijn ministerie aan een wetsvoorstel waarin nadere eisen worden gesteld aan schoolbesturen. Eisen die van toepassing zijn op bestaande én nieuwe besturen en bestuurders. Met dit wetsvoorstel wil ik de kwaliteit van schoolbesturen voor zowel bestaande als toekomstige scholen nog beter borgen.
Deelt u de zorgen over de mogelijkheid van kinderen om in een vrije veilige schoolomgeving op te groeien op een school waar de bestuurder in het verleden niet heeft laten zien vrijheid en veiligheid hoog in het vaandel te hebben staan?
Ik deel uw zorgen in generieke zin en zet mij altijd in voor veilig, vrij, en kwalitatief goed onderwijs. Het is cruciaal dat onze kinderen kwalitatief goed onderwijs krijgen, en een goede invulling van de burgerschapsopdracht aan scholen speelt hierin een sleutelrol. Dit onderwijs zou georganiseerd en gegeven moeten worden door mensen voor wie vrijheid, veiligheid, en de democratische rechtstaat prioriteiten zijn.
Met het oog op de kwaliteit van schoolbesturen wordt er gewerkt aan een wetsvoorstel waarin eisen worden gesteld aan besturen zoals omschreven in antwoord 2.
Vindt u dat een persoon die bewust een school vernoemt naar de schuilplaats van Anne Frank, met als uitleg «dat niet alleen de Joden, maar ook islamieten grondrechten zouden zijn afgepakt» en salafistische banden heeft schoolbestuurder zou moeten kunnen zijn?
Een dergelijke benaming van een school valt niet binnen mijn fatsoensnormen. Dit gezegd hebbende is de taak van de overheid, en mijn verantwoordelijkheid als Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat er goed onderwijs wordt verzorgd op zowel bestaande als nieuwe scholen. Aanvragen voor nieuwe scholen worden op verscheidene punten beoordeeld, en de criteria dienen te zorgen voor kwalitatief goede scholen, waar belangvoorstelling voor is en waar goede bestuurders aan het roer staan (zie antwoord op vraag 6). Als een aanvraag voor een nieuwe school voldoet aan alle voorwaarden, wordt de nieuwe school bekostigd. Aan hoe een school genoemd wordt, worden momenteel geen eisen gesteld.
Klopt het dat schoolbestuurders van «onbesproken gedrag» moeten zijn? Hoe kan het dat deze persoon nog steeds nieuwe scholen kan starten?
Schoolbestuurders die een aanvraag doen voor het stichten van een nieuwe school moeten aan objectieve criteria voldoen. Tijdens de stichtingsprocedure wordt er bijvoorbeeld gecontroleerd of een bestuurder in de vijf voorgaande jaren een onherroepelijke aanwijzing heeft ontvangen, danwel bestuurder was bij een school die vanwege het oordeel «zeer zwak» gesloten werd. Dergelijke bestuurders mogen gedurende vijf jaar geen nieuwe school stichten. Ook moet elke schoolbestuurder die een aanvraag indient voor een nieuwe school een verklaring omtrent gedrag (VOG) aanvragen en indienen. De heer Atasoy heeft voldaan aan deze voorwaarden: zo heeft hij geen onherroepelijke aanwijzing ontvangen en heeft hij een geldige VOG ingediend. Deze VOG’s moeten zijn afgegeven voor het specifieke screeningsprofiel onderwijs en mogen op het tijdstip van de aanvraag niet ouder zijn dan zes maanden. Bij een VOG-aanvraag voor het screeningsprofiel onderwijs wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een natuurlijke persoon. Daarbij wordt het belang van de aanvrager afgewogen tegen het risico voor de samenleving in het licht van het doel van de aanvraag. Daarnaast toetst de inspectie op de te verwachte onderwijskwaliteit van nieuwe scholen, waar de invulling van de burgerschapsopdracht een belangrijk deel van uitmaakt. De inspectie houdt vanaf het eerste jaar nadat de school haar deuren opent toezicht op de daadwerkelijke invulling van de deugdelijkheidseisen.
De bovengenoemde eisen aan bestuurders van nieuwe scholen gelden nog niet voor bestuurders van bestaande scholen. Met het wetsvoorstel (zie antwoord op vraag 2) ben ik voornemens de lat voor alle bestuurders hoger te leggen.
Wordt het hebben van «onbesproken gedrag» nu enkel ingevuld door de aanvraag van een VOG? Bent u bereid extra voorwaarden te stellen aan het worden van schoolbestuurder?
Zie antwoord vraag 5.
Waren er in voorliggend geval uitsluitingsgronden op basis waarvan de aanvraag afgewezen kon worden, omdat deze schoolbestuurder eerder bestuurder was bij een zeer zwakke school? Zo ja, waarom heeft u hier geen gebruik van gemaakt? Indien niet, zouden deze uitsluitingsgronden uitgebreid moeten worden?
Indien een schoolbestuurder een onherroepelijke aanwijzing heeft gekregen of betrokken was bij een school die moest sluiten vanwege zeer zwakke kwaliteit, dan kan een aanvraag voor bekostiging voor een nieuwe school worden afgewezen. Beide uitsluitingsgronden waren in dit geval niet van toepassing. De bestuurder in kwestie kreeg wel een aanwijzing, maar deze is niet onherroepelijk geworden.
Zoals reeds genoemd wordt er gewerkt aan een wetsvoorstel waarin eisen worden gesteld aan schoolbesturen. Ik vind het belangrijk om te bekijken welke eisen er aan schoolbesturen gesteld (kunnen) worden om de kwaliteit van schoolbesturen, en hiermee de kwaliteit van het onderwijs, te vergroten. Ook wil ik met dit wetsvoorstel bewerkstellingen dat bestuurders die niet door de VOG-toets komen of niet in aanmerking komen om een nieuwe school te stichten, ook uit bestaande scholen worden geweerd.
Hoeveel beleidsvrijheid heeft u als Minister om een aanvraag al dan niet af te wijzen?
In de wet zijn objectieve en uniforme criteria vastgelegd waaraan een aanvraag moet voldoen om bekostigd te worden. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2. In deze casus had ik geen mogelijkheid om van deze criteria af te wijken.
Wat vindt u van de uitspraak van de gemeente Tilburg dat een islamitische middelbare school «hard nodig» is? Bent u het ermee eens dat een gemeente niet als taak heeft om onderwijs van een bepaalde denominatie te bevorderen?
De gemeente Tilburg heeft uitgesproken dat er behoefte is aan een islamitische middelbare school, op basis van demografische feiten, kennis van de doelgroep en het grote aantal ondersteuningsverklaringen dat initiatiefnemers hebben verzameld. Er is geen sprake geweest van het bevorderen van onderwijs van een bepaalde denominatie.
Een belangrijk onderdeel van een aanvraag voor een nieuwe school is de belangstellingsmeting onder ouders in het voedingsgebied, die de behoefte en daarmee levensvatbaarheid op de lange termijn peilt. Alleen indien voldoende ouders een ouderverklaring indienen, die een indicatie geeft van hun belangstelling in de nieuwe school, kan een aanvraag worden goedgekeurd (mits deze ook voldoet aan de andere bekostigingsvoorwaarden).
Om welke redenen was de gemeente Tilburg tegenstander van de start van het «Novum Lyceum»? Kunt u de ingediende zienswijze met de Kamer delen?
Tijdens de stichtingsprocedure krijgen gemeenten de kans om hun zienswijze over stichtingsaanvragen in hun gemeente kenbaar te maken. Alleen de elementen uit deze zienswijze die betrekking hebben op de bekostigingseisen kunnen worden meegenomen in het besluit.
In de bijgevoegde zienswijze gaf de gemeente Tilburg de voorkeur aan een schoolbestuur waaronder reeds twee bestaande islamitische basisscholen vallen. Onderbouwing van deze voorkeur was het feit dat dit andere bestuur al plannen had om een islamitische vo-school te stichten, dat er een passende en doorlopende leerlijn zou zijn tussen de po- en vo-scholen en dat dit andere bestuur een onomstreden en goede reputatie in de samenleving heeft.
Welk deel van de handtekeningen voor de nieuwe school komen uit Tilburg? Hoeveel handtekeningen komen uit andere plaatsen als Breda en Oosterhout?
Vanwege privacy-technische overwegingen wordt bij DUO niet geregistreerd waar handtekeningen en ouderverklaringen exact vandaan komen. Er wordt alleen vastgelegd of ze binnen het voedingsgebied verzameld zijn onder ouders met kinderen in de juiste leeftijdscategorie. Het voedingsgebied van een nieuwe vo-school betreft alle postcodes in een straal van 15 kilometer om de beoogde viercijferige postcode van vestiging (WVO, art. 4.6, lid 2).
Deelt u de mening dat een straal van 15 kilometer als voedingsgebied erg hoog is in stedelijk gebied en dat het onwaarschijnlijk is dat alle ouders die een handtekening gezet hebben ook daadwerkelijk hun kinderen naar deze school gaan sturen?
Met betrekking tot vo-scholen komt de straal van 15 kilometer voort uit de redenering dat vo-scholen een regionale functie en aantrekkingskracht hebben. In het po is deze straal kleiner (6 kilometer), omdat vo-leerlingen verder kunnen reizen dan po-leerlingen. Belangrijk is dat ouderverklaringen slechts een indicatie zijn van de belangstelling in de nieuwe school. Het uitgangspunt van deze meting is niet dat alle ouders hun kinderen daadwerkelijk bij de nieuwe school inschrijven, maar om te meten wat de levensvatbaarheid op de lange termijn is voor een nieuwe school. Om die reden is er een correctiefactor in de berekening van de belangstelling opgenomen. Momenteel zijn er geen aanwijzingen dat de straal van 15 kilometer te groot is, maar de bepaling van het voedingsgebied en de straal die gebruikt wordt om het voedingsgebied vast te stellen zijn onderdeel van de evaluatie van de nieuwe stichtingswet3, waarover eind 2025 een eindrapport gepubliceerd wordt.
Bent u bereid te onderzoeken of het voedingsgebied ook beperkt kan worden in het aantal inwoners dat binnen dit gebied valt?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid te onderzoeken wat binnen artikel 23 van de Grondwet de mogelijkheden zijn om de gemeenteraad instemmingsrecht te geven op het starten van een nieuwe school?
De eerste nieuwe scholen die onder de nieuwe stichtingsprocedure zijn aangevraagd, hebben pas in de zomer van 2023 hun deuren geopend. Het evaluatie- en monitoringsonderzoek naar de nieuwe wet loopt nog en het eindrapport hiervan wordt eind 2025 gepubliceerd. Mijns inziens is het zinnig om de resultaten van de evaluatie af te wachten voordat we fundamentele systeemwijzigingen aanbrengen. In de evaluatie zullen belangrijke vraagstukken die raken aan de rol van gemeenten, zoals concurrentie, segregatie en het voedingsgebied van nieuwe scholen aan de orde komen. Als uit de evaluatie blijkt dat in gemeenten grote problemen ontstaan door de komst van nieuwe scholen dan ben ik bereid te kijken naar de beste oplossingen voor die problemen.
Wat vindt u ervan dat het aantal islamitische middelbare scholen verviervoudigd is in de komende jaren? Deelt u de vrees dat segregatie in het onderwijs hierdoor gaat toenemen?
Er zijn momenteel ruim 1.600 vestigingen in het vo, waarvan 2 islamitisch. Over een aantal jaar, als ook de nieuwe scholen hun deuren mogen openen, zijn er 8 islamitische vo-scholen in Nederland. Het feit dat het aantal islamitische scholen in Nederland in de beginjaren van de nieuwe stichtingsprocedure zou toenemen komt niet onverwacht, omdat het onder de oude stichtingsprocedure lastiger was om de belangstelling voor een islamitische school aan te tonen. We zien overigens ook een toename van algemeen bijzondere scholen met onderwijsconcepten als Dalton of Jenaplan. Op deze manier beweegt het scholenaanbod langzaam mee met de wensen van ouders en leerlingen.
Onderdeel van de inwerkingtreding van de nieuwe stichtingsprocedure is dat deze enkele jaren wordt gemonitord, onder andere om in kaart te brengen wat mogelijke gevolgen zijn van de nieuwe stichtingsprocedure op kwesties als segregatie. Omdat het overgrote deel van de nieuwe scholen haar deuren nog niet heeft geopend, is het moeilijk om nu al inzicht te hebben in de achtergronden van hun leerlingen. Hiervoor is simpelweg meer tijd en meer data nodig. Het evaluatie- en monitoringsonderzoek loopt dan ook nog, en zal eind 2025 leiden tot een eindrapport over de eerste fase. Tot die tijd is het cruciaal dat de onderwijskwaliteit op nieuwe scholen voldoende is, en dat er ook goed wordt voldaan aan de burgerschapsopdracht. Ik vind het daarom van groot belang dat de inspectie de vinger aan de pols houdt op deze nieuwe scholen, zoals zij ook doet op bestaande scholen.
Budget voor de ondersteuning van leerlingen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat samenwerkingsverband Passend Primair Onderwijs (PPO) Rotterdam onlangs aankondigde dat schoolbudget voor de ondersteuning van leerlingen voor het lopende schooljaar 2023–2024 niet meer aangevraagd kan worden?1
Ja. Naar aanleiding van uw vragen hebben mijn ambtenaren contact opgenomen met het samenwerkingsverband PPO Rotterdam. Dat het schoolbudget voor het lopende schooljaar niet meer aangevraagd kan worden, betekent niet dat leerlingen die het nodig hebben, geen ondersteuning meer kunnen krijgen. Er zijn namelijk ook andere vormen van ondersteuning. Bij het samenwerkingsverband PPO Rotterdam is de expertise in dienst van het samenwerkingsverband. Aan elke Rotterdamse primair onderwijs-school is een zogenaamde schoolcontactpersoon van PPO Rotterdam verbonden. Deze kan samen met zijn of haar collega’s nog steeds ondersteuning bieden binnen de school.
Het samenwerkingsverband geeft aan dat er geen leerlingen tussen wal en schip zijn gevallen omdat het schoolbudget niet meer kan worden aangevraagd. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft ook geen signalen ontvangen dat leerlingen nu niet meer de nodige ondersteuning krijgen om onderwijs te volgen. Mochten er onverhoopt toch leerlingen of ouders zijn met vragen over de aanvragenstop of de geboden oplossingsmogelijkheden, dan kunnen zij contact opnemen met de betrokken schoolcontactpersoon van PPO Rotterdam. Is dat niet voldoende dan beschikt PPO Rotterdam ook over ouderfunctionarissen en een onafhankelijk ouder- en jeugdsteunpunt.
Spelen soortgelijke situaties ook op andere plekken? Wordt dit gemonitord door de Inspectie van het Onderwijs of een ander toezichthoudend orgaan?
De inspectie heeft op dit moment geen signalen dat soortgelijke situaties spelen op andere plekken. Monitoring hiervan ligt primair bij het intern toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband. Als signalen over dergelijke situaties de inspectie bereiken, dan neemt de inspectie doorgaans contact op met het samenwerkingsverband. De inspectie vraagt dan naar het verhaal achter het signaal en gaat na of zo’n situatie de ondersteuning van de leerlingen niet raakt of waar nodig voor andere oplossingen wordt gezorgd. Treft de inspectie tekortkomingen aan, dan geeft de inspectie een herstelopdracht en kan zij dit opvolgen door het doen van een herstelonderzoek.
Heeft u in beeld wat de consequenties zijn voor individuele leerlingen? Zijn er bijvoorbeeld leerlingen die nu niet meer de nodige ondersteuning krijgen om onderwijs te volgen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het dat het schoolbudget niet meer aangevraagd kan worden terwijl het Samenwerkingsverband Passend Primair onderwijs Rotterdam eind 2022 nog € 4.605.115 aan mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen had en daarmee een van de samenwerkingsverbanden is met de hoogste bovenmatige financiële reserves?2
De keuze om het schoolbudget voor 2023–2024 te sluiten voor aanvragen is het gevolg van een afweging die is gemaakt door het samenwerkingsverband. Samenwerkingsverbanden ontvangen vanuit het Rijk middelen om passend onderwijs vorm te geven. Een deel van deze middelen gaat rechtstreeks naar het gespecialiseerd onderwijs, en het overgebleven geld kan het samenwerkingsverband inzetten voor het zorgen voor passend onderwijs voor de leerlingen in de regio.
Het samenwerkingsverband geeft aan dat het schoolbudget voor 2024 naar beneden is bijgesteld omdat de reserves geen ruimte meer bieden om overschrijdingen op te vangen.
Hoewel het samenwerkingsverband eind 2022 nog € 4,6 mln. aan bovenmatig eigen vermogen had, was dit in 2023 al sterk afgenomen, mede vanwege de generieke korting op de reserves van samenwerkingsverbanden die ik op initiatief van uw Kamer heb toegepast, en is de verwachting dat het bovenmatig eigen vermogen in 2024 helemaal is afgebouwd.
Hoe beoordeelt u het dat het schoolbudget niet meer aangevraagd kan worden, terwijl uit het meest recente openbare jaarverslag van PPO Rotterdam (2022) blijkt dat het aantal thuiszitters is toegenomen?3
Het samenwerkingsverband bepaalt grotendeels zelf hoe zij de middelen inzet. Het feit dat het schoolbudget niet meer aangevraagd kan worden geeft aan dat dit schoolbudget voor dit schooljaar geheel gebruikt is. Het samenwerkingsverband houdt de verantwoordelijkheid voor het bieden van een dekkend netwerk in de regio. Samen met de scholen moeten zij zorgen dat elke leerling een plek heeft en de ondersteuning krijgt die de leerling nodig heeft.
Wij zien geen directe relatie tussen het niet meer kunnen aanvragen van het schoolbudget en het aantal thuiszittende leerlingen in de regio. Tegelijkertijd werken we aan de landelijke stijging van het aantal leerlingen dat verzuimt. Over mijn aanpak hiervoor heb ik u recent geïnformeerd.4
Hoe beoordeelt u in dat licht dat in datzelfde jaarverslag wordt gemeld dat het eigen vermogen niet wordt afgebouwd tot de Inspectienorm van 3,5%, maar het samenwerkingsverband een hogere reserve wil aanhouden, namelijk van 5%?4
Om de wettelijke taak en maatschappelijke opgave goed te kunnen vervullen en om te kunnen gaan met onverwachte ontwikkelingen, is enige reserve uiteraard relevant voor een samenwerkingsverband. Echter, onderwijsgeld moet naar onderwijs gaan. Een bovenmatig eigen vermogen is niet gewenst want daarmee wordt geld dat is bedoeld voor de ondersteuning van leerlingen niet ingezet. We hebben in het kader van het sectorplan voor de afbouw van de reserves bij samenwerkingsverbanden afgesproken het eigen vermogen wanneer deze bovenmatig is, en dus boven de 3,5%, in te zetten voor passend onderwijs.6 Dat is dan ook het uitgangspunt waarop ik de generieke korting heb toegepast. Het is daarom ook goed dat het samenwerkingsverband heeft aangegeven werk te maken van het afbouwen van reserves en aangeeft per 2024 het eigen vermogen af te bouwen tot onder 3,5% van de totale baten en daarmee meer afbouwt dan de 5% die in het jaarverslag van 2022 staat vermeld.
Wat vindt u ervan dat uit het Technisch rapport financiële kwaliteit, bijlage bij de Staat van het Onderwijs, nog steeds blijkt dat het percentage samenwerkingsverbanden met een bovenmatige financiële reserve weliswaar is afgenomen, maar nog steeds 67,5% is, terwijl de Inspectie van het Onderwijs ook constateert dat het niet goed gaat met de ondersteuning van leerlingen die passend onderwijs nodig hebben? Zijn er behalve personeelstekorten meer redenen waarom geld dat voor ondersteuning is bedoeld, hier niet aan wordt uitgegeven?5
Ik vind het ongewenst als er bovenmatige eigen reserves zijn in het onderwijs, ook bij de samenwerkingsverbanden. Onderwijsgeld moet namelijk naar onderwijs gaan. Het geconstateerde percentage betreft de cijfers van 2022, en zijn daarmee de cijfers die de basis zijn geweest voor het toepassen van de generieke bekostigingskorting in 2023.
Vanaf 1 juli zijn de gegevens over het jaar 2023 beschikbaar en hebben we meer inzicht wat het effect van de korting is. Uw Kamer wordt hier voor de begrotingsbehandeling OCW over geïnformeerd.
Personeelstekorten zijn inderdaad een oorzaak van het niet uitgeven van geld. Samenwerkingsverbanden geven daarnaast onder andere aan dat zij laat in het kalenderjaar (extra) geld ontvangen dat dan ook nog dat kalenderjaar zou moeten worden uitgegeven. Zij ervaren de tijd dan vaak als te kort om dit gericht en doelmatig te doen. Middelen die niet in het kalenderjaar van ontvangst worden ingezet, worden dan onderdeel van de reserves om op een later moment besteed te kunnen worden. Verder geven zij aan dat de informatievoorziening niet altijd op orde is, waardoor het moeilijker is om te sturen op ontwikkelingen nu en in de toekomst, zodat zij zich soms genoodzaakt voelen om een hogere reserve aan te houden.
Heeft u of de Inspectie van het Onderwijs een goed beeld van het beleid per samenwerkingsverband en in hoeverre dat bijdraagt aan de doelstellingen van passend onderwijs? Worden samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld hoge aantallen thuiszitters hierop aangesproken? Zo ja, hoe ziet het toezicht eruit?
In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband is het beleid van het samenwerkingsverband beschreven en uitgewerkt, onder andere in de vorm van doelstellingen. In zijn algemeenheid ziet de inspectie dat deze doelstellingen per regio aansluiten en bijdragen aan de doelstellingen van passend onderwijs.
Als er sprake is van (signalen van) thuiszitters, dan betrekt de inspectie dit in haar toezicht; de inspectie gaat bij het samenwerkingsverband na wat de oorzaak is en of er sprake is van verwijtbaarheid. Van verwijtbaarheid is bijvoorbeeld sprake als een samenwerkingsverband niet zorgt voor een passend aanbod. De inspectie stelt dan een tekortkoming (geen dekkend netwerk) vast en geeft het samenwerkingsverband een herstelopdracht.
Worden jaarverslagen van samenwerkingsverbanden ook actief doorgelezen om te kijken naar doelstellingen en worden zij erop aangesproken als blijkt dat zij zich niet aan de Inspectienormen willen houden? Zo nee, waarom niet?
Een samenwerkingsverband beschrijft in zijn ondersteuningsplan hoe het vorm en inhoud geeft aan passend onderwijs in de regio en welke beoogde resultaten het hiermee wil bereiken. De inspectie gaat in haar toezicht na – onder andere door bestudering van het jaarverslag – of en hoe het samenwerkingsverband hierover vervolgens verantwoording aflegt. Een van zaken die de inspectie toetst, is of het samenwerkingsverband er in zijn jaarverslag verantwoording over aflegt als sprake is van een reserve boven de signaleringswaarde (conform artikel 3, lid 2, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs).
Kunt u aangeven of u tevreden bent met de uitkomsten van de motie Westerveld cs. die vraagt om samenwerkingsverbanden met bovenmatige financiële reserves te korten en dat geld te investeren in passend onderwijs?6
Met het korten op de reserves van de samenwerkingsverbanden heb ik invulling gegeven aan een breed gesteunde motie van de Tweede Kamer.9 De motie Bisschop/Peters, die in april 2023 opriep om toch van deze korting af te zien, kreeg daarna geen meerderheid.10 Daarom ben ik overgegaan tot een generieke korting. Met de middelen die hiermee beschikbaar zijn gekomen, heb ik onder andere gericht kunnen bijdragen aan de verbetering van het residentieel onderwijs en van het onderwijs aan hoogbegaafden. Dit draagt bij aan passend onderwijs voor deze kwetsbare groepen. Of de generieke korting ook heeft bijgedragen aan het structureel verminderen van de reserves bij samenwerkingsverbanden, wordt duidelijk zodra de jaarverslagen over 2023 beschikbaar zijn. Daarover informeer ik u voor de begrotingsbehandeling van OCW.
Hoe kan het dat een deel van dit geld juist weer ten goede is gekomen aan samenwerkingsverbanden die al hoge financiële reserves hadden, zoals blijkt uit een eerdere analyse van de redactie van het Onderwijsblad van de AOb?7 Hoe gaat u ervoor zorgen dat de financiële reserves van juist deze samenwerkingsverbanden niet verder stijgen, maar juist wordt gezorgd dat deze bedragen én de bovenmatige financiële reserves ten goede komen aan onderwijs en ondersteuning?
De middelen die zijn vrijgekomen met de toepassing van de korting zijn deels ingezet om de beschikbare budgetten voor de subsidieregelingen voor residentieel onderwijs en hoogbegaafdheid te verhogen.12 Hier konden alle samenwerkingsverbanden een beroep op doen. Een belangrijk verschil is dat deze middelen geoormerkt zijn en daarmee specifiek voor deze doelen worden toegekend. Als gevolg daarvan worden ze tijdens de looptijd van de subsidie niet automatisch onderdeel van de financiële reserve. Na afloop van de subsidie kunnen eventueel overgebleven middelen van de subsidie ingezet worden voor andere activiteiten van het samenwerkingsverband. Die middelen kunnen dan mogelijk wel onderdeel worden van de financiële reserve.
Wat zijn de uitkomsten van de gesprekken die u heeft gevoerd met samenwerkingsverbanden over het voorkomen dat in de toekomst de (bovenmatige) financiële reserves weer toenemen, zoals de motie vraagt, en is toegezegd in de Kamerbrief van 19 september 2023?8 Wat is de status van deze afspraken en wie ziet erop toe dat deze daadwerkelijk worden uitgevoerd?
In de gesprekken naar aanleiding van deze motie is het belang van het afbouwen van de reserves benadrukt. Ik informeer uw Kamer voor de begrotingsbehandeling van OCW nader over de stand van zaken van de reserves van de samenwerkingsverbanden, hoe deze zich ontwikkelen en of op basis daarvan aanvullende afspraken nodig zijn.
Samen naar School Klassen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Kunt u een overzicht geven van het aantal Samen naar Schoolklassen dat in de afgelopen jaren is opgericht per jaar voor primair- en voortgezet onderwijs en hoe is de bekostiging van deze initiatieven geregeld? Is de bekostiging vanuit het Ministerie van OCW voldoende om initiatieven te starten en de continuïteit te waarborgen?
Het aantal Samen naar Schoolklassen wordt niet centraal door het Ministerie van OCW geregistreerd, dus deze zijn niet bekend. Wel weet ik uit gesprekken met de NSGK (Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind) dat het aantal initiatieven inmiddels de 50 heeft gepasseerd. De bekostiging van de initiatieven is afhankelijk van de keuzes die de initiatiefnemers zelf maken. Daarbij valt te denken aan of de klas binnen het regulier of gespecialiseerd onderwijs is en hoe de verbinding met zorgverleners wordt geregeld. Voor de bekostiging zijn er geen specifieke regels voor de Samen naar Schoolklassen. Of de bekostiging afdoende is, hangt verder af van de keuzes die worden gemaakt voor de Samen naar Schoolklas.
Is ook bekend hoeveel trajecten uiteindelijk toch zijn gestrand en om welke redenen?
Hierover worden geen gegevens bijgehouden.
Hoe wordt in uw beleid de oprichting van nieuwe Samen naar Schoolklassen aangemoedigd?
De Samen naar Schoolklassen zijn een belangrijk initiatief om leerlingen met een ernstige beperking toch naar school te laten gaan en zich te laten ontwikkelen. Daarom heb ik in samenwerking met onder andere de NSGK en vertegenwoordigers van schoolbesturen en samenwerkingsverbanden een handreiking opgesteld om het oprichten van een Samen naar Schoolklas te vergemakkelijken. Daarnaast biedt mijn ministerie financiële ondersteuning aan onder andere de NSGK om initiatieven te ondersteunen wanneer daar behoefte aan is.
Bent u het ermee eens dat de leeftijdsgrens voor leerlingen die een beperking hebben, minder strikt zou moeten worden gehanteerd, juist omdat zij soms een ontwikkelingsachterstand hebben en bent u bereid wet- en regelgeving hierop aan te passen zodat het in uitzonderlijke situaties bijvoorbeeld langer mogelijk is om een kind op het basisonderwijs ingeschreven te houden?
Het is ook op dit moment, op basis van artikel 39, vierde lid van de Wet op het Primair Onderwijs al mogelijk om leerlingen langer op het basisonderwijs te houden als dat passend is. Dat geldt tot het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt. Het is belangrijk dat er daarna een goede plek is voor hen in het voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld in het voortgezet speciaal onderwijs.
Hoe verklaart u het dat de huidige wet- en regelgeving het nog steeds niet mogelijk maakt dat leerlingen die naar Samen naar Schoolklassen gaan, ingeschreven kunnen worden op het voortgezet onderwijs?
Het voortgezet onderwijs is gericht op het kunnen behalen van vastgestelde eisen in de vorm van een landelijk erkend diploma. Voor leerlingen die in een Samen naar Schoolklas zitten is dat vaak niet mogelijk omdat zij niet kunnen voldoen aan de landelijk vastgestelde eisen. Daarom is het lastiger om deze initiatieven vorm te geven in het voortgezet onderwijs dan in het primair onderwijs. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de landelijke vastgestelde eisen blijven gelden om de waarde van een diploma in het voortgezet onderwijs te borgen en leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden op het vervolg na hun opleiding. Ik ben in gesprek met onder andere de NSGK om te bezien welke knelpunten hier zijn en wat hierin wel mogelijk gemaakt kan worden.
Wat vindt u ervan dat de KanZ-Klas in Heerhugowaard mede om deze reden vanaf schooljaar 2024–2025 stopt met de inclusief Voortgezet Onderwijs klas. Was u op de hoogte van deze problemen? Zo ja, is geprobeerd dit met de betrokkenen op te lossen?
Er is door de KanZ-Klas recent contact opgenomen met mijn ambtenaren, mede naar aanleiding van contact met de NSGK hierover. Er vindt binnenkort een gesprek plaats over de situatie.
Waarom kon Stichting KanZ niet meedoen met de experimenteerregeling die juist is bedoeld om te kunnen afwijken van kaders in regelgeving om ruimte te maken voor mooie initiatieven?
Stichting KanZ heeft een aanvraag ingediend voor deelname aan het Experiment Onderwijszorgarrangementen. Voorwaarde voor een aanvraag en selectie voor het experiment was een samenwerkingsovereenkomst met betrokken partners, zoals een schoolbestuur, het samenwerkingsverband, gemeente en zorgpartijen. De aanvraag van KanZ was incompleet op het gebied van deze genoemde voorwaarde en het bleek niet mogelijk om dit binnen de aanvraagperiode voldoende aan te vullen. Hierover zijn mijn ambtenaren het gesprek aangegaan met Stichting KanZ om de mogelijkheden te bespreken om deelname aan deze regeling wel te doen slagen.
Hoe verklaart u het dat initiatieven richting inclusief onderwijs nog steeds worden belemmerd door bureaucratie en tekortkomingen in wet- en regelgeving en wat is er concreet gebeurd sinds de Kamer begin 2020 de motie Westerveld-Kwint aannam die vroeg om de oprichting van samen naar Schoolklassen te stimuleren en hen formeel te erkennen als onderwijsvorm om problemen in de bekostiging te voorkomen?1
Sinds het aannemen van de motie heb ik samen met partijen uit het veld onderzocht wat er nodig was om Samen naar Schoolklassen een stevige basis te geven binnen het onderwijsstelsel. Daarvoor is de eerder genoemde handreiking opgesteld om het opstarten van initiatieven te vergemakkelijken. Ook worden de huidige initiatieven ondersteund via onder andere de NSGK. De volgende stap is het verkennen hoe Samen naar Schoolklassen ook binnen het stelsel van het voortgezet onderwijs een plek kunnen krijgen.
In algemene zin zie ik dat initiatieven die nu al aan de slag willen met inclusief onderwijs maximaal de ruimte zoeken om hier invulling aan te geven. Tegelijkertijd zie ik dat ze hierbij soms ook tegen de grenzen van de huidige wet- en regelgeving aan lopen. Zoals gemeld in de brief over passend onderwijs van 10 mei 2024 zal de komende periode de ambitie voor inclusief onderwijs verder worden uitgewerkt, waarbij ook wordt gekeken naar welke wet- en regelgeving aangepast moet worden om die te realiseren.2
Kunt u uitleggen waarom u in de 3e Voortgangsrapportage Verbeteraanpak Passend onderwijs die op 10 mei jongstleden verscheen, de motie Westerveld-Kwint de status «uitgevoerd» geeft terwijl blijkt dat er nog volop werk in uitvoering is bij de ondersteuning en erkenning van Samen naar Schoolklassen?2
Ik deel dat er ook de komende periode nog verder moet worden ingezet op de groei van het aantal Samen naar Schoolklassen. Met de eerder genoemde handreiking en de ondersteuning die wordt geleverd op basis van subsidie van het Ministerie van OCW, wordt hier ook de komende periode op ingezet. Hiermee is het onderdeel geworden van het vaste beleid van mijn ministerie.
Bent u het ermee eens dat deze problemen laten zien dat aanpassing van wet- en regelgeving noodzakelijk is? Zo nee, wat gaat u dan doen om deze wens van de Kamer uit te voeren? Zo ja, wanneer kan de Kamer voorstellen verwachten?
Het opzetten van een Samen naar Schoolklas binnen het primair onderwijs is op dit moment al mogelijk, en vergt daarom geen wijziging van wet- en regelgeving. Voor het voortgezet onderwijs zal de komende periode worden verkend hoe deze mogelijk gemaakt kunnen worden, waarbij ook wordt bezien of wijziging van wet- en regelgeving nodig is.
Kunt u proberen deze vragen voor het commissiedebat over passend onderwijs op 29 mei 2024 te beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Havo-leerlingen stappen vaker over naar het mbo' |
|
Claire Martens-America (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Havo-leerlingen stappen vaker over naar het mbo»?1
Ja.
Kunt u schetsen hoeveel leerlingen voor de afronding van hun middelbare school een overstap maken naar een vervolgopleiding (toegespitst per opleiding)?
In het huidige studiejaar 2023/2024 zijn in het mbo 7400 studenten ingestroomd die een jaar eerder havo en vwo ongediplomeerd hebben verlaten, en ook geen eerder vmbo- of havodiploma hadden behaald. In 2018/2019 waren dit er 3.900. Het aantal is sindsdien voortdurend gestegen, met uitzondering van het eerste coronajaar 2020.
Het merendeel van deze studenten, 94% in het huidige studiejaar, betreft havisten.
Als studenten met een eerder vmbo- of havodiploma wel meegerekend worden zijn er in 2023/2024 in totaal 9.800 studenten ingestroomd zonder havo- of vwo-diploma. Volgens deze definitie waren het er in 2018/2019 5.200.
Hoe kijkt u naar de ontwikkeling dat steeds meer havo-leerlingen zonder het behalen van hun middelbare school diploma een overstap maken naar het mbo? Kunt u uw antwoord toelichten?
Leerlingen stappen om verschillende redenen zonder diploma vanuit het voortgezet onderwijs over naar het mbo. Leerlingen stromen bij voorkeur uit het vo met diploma. Soms past het mbo beter bij een leerling dan de bovenbouw havo en kan ongediplomeerde doorstroom toch positief zijn. De doorstroom van havo naar mbo kan ook een goede manier zijn om leerlingen binnen het onderwijs te houden. Naast leerlingen zonder havodiploma stromen ook steeds meer havisten en vwo’ers met diploma door naar het mbo. Hieruit trek ik voorzichtig de conclusie dat het imago van het mbo aan het verbeteren is. Leerlingen zien steeds vaker in dat het mbo voor hen de meest passende plek is om zich verder te ontwikkelen. Dat is een goede ontwikkeling.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat steeds meer leerlingen en studenten kiezen voor het mbo? Kunt u uw antwoord toelichten?
In Nederland zijn veel vakmensen nodig om de maatschappelijke opgaven waar we voor staan te behalen. Als meer havo- en vwo-leerlingen hun vervolgopleiding kiezen op basis van hun talenten en interesses, dan betekent dat een waardevolle extra instroom in het mbo. Uiteindelijk staat de ontwikkeling en ambitie van de leerling centraal, of dat nu op het mbo, havo of vwo is.
Deelt u daarnaast ook de mening dat elke leerling het onderwijs met een startkwalificatie moet verlaten? Is dit voldoende geborgd nu overstappers het voortgezet onderwijs zonder diploma verlaten?
Ik deel uw mening. Elke leerling of student moet het onderwijs met een startkwalificatie verlaten. Met een startkwalificatie beschikken jongeren over de minimale bagage om aan het werk te gaan en het vergroot hun kansen op de arbeidsmarkt. Jongeren die bewust kiezen voor een overstap naar het mbo blijven behouden voor het onderwijs (zie ook het antwoord op vraag 3). Om te borgen dat studenten in het mbo niet zonder startkwalificatie uitvallen voer ik het actieplan voortijdig schoolverlaten uit, dat ik naar uw Kamer heb gestuurd.2
Is reeds in kaart gebracht welk deel van de overstappers naar mbo uiteindelijk een mbo-diploma haalt? Zijn er in deze groep voortijdig schoolverlaters die het onderwijs dus verlaten zonder startkwalificatie?
Van degenen die in de periode 2011/2012 tot 2016/2017 zonder havo- of vwo-diploma, en ook geen eerder vo-diploma, zijn overgestapt naar het mbo heeft 85% een mbo-diploma gehaald en 4% alsnog een vo-startkwalificatie. 11% heeft dus geen startkwalificatie behaald. Voor de periode vanaf 2016/2017 daalt het aandeel gediplomeerden, maar dat heeft waarschijnlijk hoofdzakelijk als oorzaak dat een deel van hen nog in het mbo studeert.
Van de mbo-gediplomeerden in deze periode heeft 86% een niveau 4-diploma behaald, 10% een niveau 3-diploma en 4% een niveau 2-diploma.
Als naar de gehele groep doorstromers zonder havo- of vwo-diploma gekeken wordt, dus ook degenen zonder eerder vo-diploma, dan zijn de percentages nagenoeg hetzelfde als hierboven vermeld.
Het doel blijft uiteraard dat iedere leerling of student het onderwijs verlaat met startkwalificatie.
Deelt u de mening dat deze overstappers het extra belangrijk maken dat de basisvaardigheden op het mbo geborgd worden? Zo ja, hoe zorgt u ervoor dat alle basisvaardigheden, waaronder burgerschap, de kennis van mbo4-studenten wordt getoetst?
Ik ben van mening dat het onderwijs in de basisvaardigheden voor iedere student van goede kwaliteit moet zijn. Niet alleen voor ongediplomeerde havisten, maar voor alle leerlingen die het mbo instromen. Het is van belang dat studenten na diplomering een stevige basis hebben waarmee zij zich kunnen redden in het beroep, in vervolgonderwijs en in het dagelijkse leven. De onderwijsroute van deze overstappers onderstreept het belang van goed onderwijs in de basisvaardigheden op het mbo. Want niet elke jongere volgt de route vmbo-mbo of havo-hbo. Jongeren die tussentijds overstappen moeten ook een stevige basis krijgen.
In mijn brief aan uw Kamer van 4 april jl. heb ik aangegeven waaruit het plan van aanpak basisvaardigheden voor het mbo bestaat.3 In deze brief geef ik aan hoe ik het taal-, reken- en burgerschapsonderwijs voor het mbo de komende jaren versterk. Ook ga ik in op de maatregelen die ik neem om de kwaliteit van docenten basisvaardigheden te verhogen en de maatregelen die ik neem voor een goede examinering van de basisvaardigheden.
Welke rol ziet u weggelegd voor de beroepshavo, waarmee studenten naast hun mbo4-diploma enkele deelcertificaten voor de havo behalen? Waarom?
De beroepshavo is een recente ontwikkeling waarmee mbo-instellingen jongeren beter willen voorbereiden op de overstap naar het hbo. Ik heb op dit moment nog geen zicht op de effectiviteit van de beroepshavo. Mogelijk biedt de beroepshavo de overstappers voldoende handvatten om via een alternatieve route naar het hbo te gaan. Ik zal in het najaar een onderzoek uitzetten om hier zicht op te krijgen.
De MBO Raad geeft aan dat de toenemende populariteit van het mbo onder havisten bijdraagt aan een verbetering van het imago van het mbo; zijn hier lessen uit te trekken in relatie tot het verbeteren en bekender maken van de te volgen opleidingen in het mbo? Kunt u uw antwoord toelichten?
De populariteit van het mbo onder havisten kan bijdragen aan het positieve imago van het mbo. Ik zie het ook andersom; de havisten stappen vaker over dankzij het positievere imago. Ik trek lessen uit deze wisselwerking voor de manier waarop ik werk aan het imago van het mbo. Eén van de manieren waarop ik dit doe is door havisten en vwo’ers te wijzen op de kansen die het mbo te bieden heeft. Zoals in de brief die eindexamenleerlingen in het najaar krijgen om ze voor te bereiden op hun studiekeuze4 en in de open brief die ik in het voorjaar stuurde naar aanleiding van mijn Kamerbrief over het vervolgonderwijs als waaier.5
Het bericht 'Elk jaar stoppen tienduizenden jongeren zonder diploma met school' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Elk jaar stoppen tienduizenden jongeren zonder diploma met school»?1
Ja.
Heeft u een beeld van het aantal jongeren dat uitvalt door verkeerde studiekeuzes en de beperkte voorzieningen voor jongeren die zoekende zijn en heeft u een beeld van het aantal mbo-studenten die op dit moment meedoen aan een oriëntatieprogramma in het mbo?
Circa 22% van de voortijdig schoolverlaters in het mbo in schooljaar 2020–2021 heeft als belangrijkste reden voor uitval opgegeven dat de opleiding inhoudelijk toch niet was wat de student wilde.2 Circa 6% van de voortijdig schoolverlaters geeft als belangrijkste reden voor uitval een gebrek aan begeleiding en ondersteuning vanuit school.3
Een scherp beeld van het aantal studenten dat deelneemt aan oriëntatieprogramma’s heb ik niet. Alleen van studenten in een opleidingsdomeininschrijving kan uit gegevens van DUO worden afgeleid dat zij een vorm van een oriëntatieprogramma volgen. Op dit moment zijn circa 379 studenten ingeschreven in een opleidingsdomein. Deze cijfers geven echter geen betrouwbaar beeld van het aantal mbo-studenten dat een oriëntatieprogramma volgt, omdat mbo-instellingen in veel gevallen geen gebruikmaken van de opleidingsdomeininschrijving voor studenten die oriënteren op hun studiekeuze. Navraag leert dat ook de MBO Raad geen betrouwbare inschatting kan maken van het aantal mbo-studenten dat op dit moment meedoet aan een oriëntatieprogramma in het mbo. Voor mij bevestigt dit het belang van het opleidingsdomein als inschrijfpositie voor oriënterende studenten. Zo krijgen we beter zicht op de omvang van de groep oriënterende mbo-studenten en de resultaten van oriëntatieprogramma’s in het mbo.
Kunt u uiteenzetten waarom is gekozen voor het vormgeven van oriëntatieprogramma’s binnen bestaande wettelijke kaders, ofwel een pilot, zoals beschreven in de Kamerbrief «Uitwerking Actieplan voorkomen voortijdig schoolverlaten en begeleiden naar een kansrijke toekomst»? Is het niet logischer dat oriëntatieprogramma’s juist buiten wettelijke kaders worden vormgegeven in de vorm van een experiment?2
Op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) kan via een experiment worden afgeweken van bepaalde wettelijke eisen, indien dat noodzakelijk is om ruimte te maken voor innovatie. In het kader van oriëntatieprogramma’s is de benodigde ruimte voor innovatie binnen de bestaande wet- en regelgeving gevonden. Er is dan geen sluitende onderbouwing meer voor een experiment in de zin van de WEB.
In hoeverre worden bestaande trajecten, naast PitstopMBO, meegenomen in het vormgeven van de beleidsregel over oriëntatieprogramma’s?
In de beleidsregel zal worden verduidelijkt dat mbo-instellingen veel mogelijkheden hebben om oriëntatieprogramma’s naar eigen inzicht inhoudelijk vorm te geven. Zo is voor een weloverwogen studiekeuze ook ruimte voor persoonlijke ontwikkeling van belang, zodat de student zicht krijgt op zijn talenten, voorkeuren en capaciteiten. Veel bestaande oriëntatieprogramma’s zullen dan ook inhoudelijk doorgang kunnen vinden. Daarbij gelden wel een aantal wettelijke vereisten, bijvoorbeeld ten aanzien van de opleidingsdomeininschrijving en het toelatingsrecht. Door het gebruik van de opleidingsdomeininschrijving kunnen bovendien de resultaten van oriëntatieprogramma’s goed in beeld worden gebracht. De toepassing van het toelatingsrecht zorgt dat oriëntatieprogramma’s openstaan voor alle niveau 2, 3 en 4 studenten die hier gebruik van willen maken. Deze punten vragen soms kleine, maar gerechtvaardigde aanpassingen van lopende initiatieven. Om tot een goed werkbare beleidsregel te komen is door OCW veel gesproken met de MBO Raad, met diverse bestaande oriëntatieprogramma’s en met een mbo-instelling die geïnteresseerd is in het opzetten van een oriëntatieprogramma. De uitkomsten van deze gesprekken worden meegenomen in de vormgeving van de uiteindelijke beleidsregel.
Bent u bekend met Youlab van het Graafschap College waarin jongeren een jaar lang de kans krijgen zich te ontwikkelen en te oriënteren op hun studiekeuze en bent u het ermee eens dat dergelijke trajecten, zeker in het licht van vroegselectie en uitval van studenten, een waardevolle aanwinst zijn? Zo ja, op welke wijze gaat u dergelijke trajecten ondersteunen?
Ja, ik ben bekend met Youlab. Oriëntatieprogramma’s in het mbo kunnen een waardevol instrument zijn om een bestendige studiekeuze te realiseren en uitval te voorkomen. In het kader van de werkagenda mbo is dan ook afgesproken dat we gaan toetsen of, en op welke wijze, oriëntatieprogramma’s effectief zijn. Voor oriëntatieprogramma’s in het mbo wordt gedurende de pilot jaarlijks € 14 miljoen beschikbaar gesteld. De beschikbaarheid van structurele middelen specifiek voor oriëntatieprogramma’s is mede afhankelijk van de uitkomsten van de eindevaluatie van de pilot.
Hoe wordt omgegaan met het bindend studieadvies in de vormgeving van de orientatiëprogramma’s en wat is de invloed van het orientatië-onderdeel op de maximale duur van een mbo-opleiding?
Met het bindend studieadvies in het mbo wordt beoogd dat de student met de juiste begeleiding een passende opleiding kan voltooien. Naar verwachting draagt een oriëntatieprogramma bij aan de keuze voor een passende opleiding. Het bindend studieadvies is op zichzelf slechts in beperkte mate toepasbaar in de context van een oriëntatieprogramma. Aangezien de student pas na het oriëntatieprogramma instroomt in de kwalificatie, is het lang niet altijd mogelijk een goed beeld te krijgen van de studievoortgang gedurende het eerste jaar. Tijdens het oriëntatieprogramma, of na instroom in de kwalificatie na een oriëntatieprogramma, ligt het daarom voor de hand dat de student in veel gevallen geen negatief bindend studieadvies kan krijgen. Bij het evaluatieonderzoek van de pilot zal ook de werkwijze omtrent het bindend studieadvies worden betrokken en de vraag of het bindend studieadvies aanpassing behoeft in het kader van oriëntatieprogramma’s.
Het oriëntatieprogramma dient te passen binnen de maximale geprogrammeerde studieduur van een mbo-opleiding. In dat kader dient tijdens het oriëntatieprogramma te worden gestreefd naar het aanbieden van zoveel mogelijk relevante onderdelen, die meetellen voor de rest van de opleiding, waar dat mogelijk en passend is voor de student. De mbo-instelling heeft dus geen verplichting om onderdelen aan te bieden waar dat niet mogelijk of niet passend is voor de student. In het kader van de pilot zal worden onderzocht op welke wijze het mbo-instellingen lukt om binnen de maximale geprogrammeerde studieduur te blijven in het kader van oriëntatieprogramma’s. Het wettelijk kader biedt overigens al ruimte voor een individuele student die langer over de studie doet dan de wettelijke studieduur.
In hoeverre is het binnen de oriëntatieprogramma’s mogelijk dat studenten zich kunnen bezighouden met persoonlijke ontwikkeling, naast het oriënteren op een studiekeuze en erkent u dat het goed is om kennis te maken met de beroepspraktijk maar dat het net zo belangrijk is dat een student zich persoonlijk ontwikkelt?
Om te komen tot een weloverwogen studiekeuze is het van belang dat een student zicht heeft op zijn talenten, voorkeuren en capaciteiten. Mbo-instellingen krijgen dan ook de ruimte om deze aandacht voor persoonlijke ontwikkeling in een oriëntatieprogramma op te nemen. Kennismaking met de beroepspraktijk kan overigens juist ook bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling, doordat de student een beter beeld krijgt van de beroepen die bij hem passen.
Erkent u dat een havo- of vwo-scholier gemakkelijk een tussenjaar kan nemen maar dat dit voor een vmbo-scholier eigenlijk niet kan en bent u het ermee eens dat het niet alleen belangrijk maar ook eerlijk is dat mbo-studenten ruimte krijgen voor persoonlijke ontwikkeling in een oriëntatiejaar, gezien hun leeftijdsgenoten hier wel voor kunnen kiezen?
Binnen een mbo-opleiding is er veel ruimte voor persoonlijke ontwikkeling, bijvoorbeeld in het kader van loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Dat vind ik ook erg belangrijk voor deze vaak relatief jonge studenten. Aandacht voor persoonlijke ontwikkeling hoort zowel thuis in het oriëntatiejaar als in de opleiding zelf.
Kunnen deze vragen beantwoord worden voor de publicatie van de beleidsregel omtrent oriëntatieprogramma’s?
Ja.
De werking van de wet meer ruimte voor nieuwe scholen |
|
Kiki Hagen (D66), Fonda Sahla (D66) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Kunt u toelichten wanneer een nieuwe school, na goedkeuring van de aanvraag, de startbekostiging en de reguliere bekostiging ontvangt?
Een school voor primair onderwijs (hierna: po) of voortgezet onderwijs (hierna: vo), die aan de voorwaarden voldoet, ontvangt uiterlijk op 31 mei een positief besluit van de Minister. De school mag het jaar erna, per augustus, starten.
De startbekostiging is bedoeld voor de periode voordat de school daadwerkelijk start. In het vo heeft een goedgekeurde nieuwe school recht op startbekostiging (momenteel € 124.077,51) vanaf 1 juni van het jaar van de start van de school, dus een klein jaar na het goedkeuringsbesluit en enkele maanden voor de daadwerkelijke start van de school. Voorwaarde is dat een prognose voor het verwachte aantal leerlingen op 1 oktober in het eerste schooljaar wordt aangeleverd. Het betaalmoment van de startbekostiging hangt af van het moment waarop het schoolbestuur de prognose aanlevert. Als de prognose uiterlijk de 1e dag van een maand wordt aangeleverd, wordt de startbekostiging de maand daarop betaald. Dit is in geen geval eerder dan de maand mei.
In het po ontvangt de school, na goedkeuring van de aanvraag, de startbekostiging (momenteel € 17.190,24) automatisch na 1 juni van het jaar van de start van de school. Dus een jaar na het goedkeuringsbesluit en enkele maanden voor de daadwerkelijke start van de school. Ook in het po moet de school een leerlingenprognose aanleveren, maar dit is niet van invloed op de betaling van de startbekostiging. Het is de verwachting dat de meeste kosten in de maanden voor de start van de school worden gemaakt.
De reguliere bekostiging (gebaseerd op de aangeleverde prognose) start per augustus als de school haar deuren opent.
Bent u het ermee eens dat potentiële onbeschikbaarheid van budget in de eerste fase een drempel kan vormen voor de oprichting van een nieuwe school?
Nee, in principe niet. Bij de oprichting van een nieuwe school komt veel kijken, zeker voor nieuwe schoolbesturen. De startbekostiging is daarom bedoeld om de kosten in de eerste fase te dekken. De startbekostiging in het po is gebaseerd op twee maandsalarissen voor een directeur. In het vo is de startbekostiging de helft van de vaste voet voor een hoofdvestiging. We hebben een beperkt aantal signalen ontvangen die erop wijzen dat nieuwe schoolbesturen vinden dat de startbekostiging te laag is en te laat wordt uitgekeerd. Met deze nieuwe schoolbesturen zijn we in gesprek om te onderzoeken in hoeverre de timing (of betaalmoment) en de hoogte van de startbekostiging een drempel vormen voor de oprichting van een nieuwe school.
Bent u op de hoogte van signalen dat nieuwe scholen gehinderd worden in hun oprichting door het moment van verstrekking van de startbekostiging?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u een inschatting maken van de kosten die realistisch gezien nodig zijn voor de oprichting van een nieuwe po- of vo-school, zoals voor het aanstellen van directie, leerkrachten en andere staf voor alle leerniveaus, het (eerder) werven van leerlingen, het ontwikkelen van burgerschapsonderwijs met leerlijnen, het inrichten van schoolgebouwen en het opzetten van een organisatie en administratie?
Zoals bij het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn we in gesprek met verschillende nieuwe besturen over de startbekostiging. Voor de kosten van de eerste inrichting van het schoolgebouw geldt overigens dat deze niet vallen onder de startbekostiging. Dit wordt betaald door de gemeente. Zij zijn hiervoor verantwoordelijk.
Bent u bereid om in overleg te gaan met bestaande lopende initiatieven voor nieuwe scholen, om samen te bezien waar zij tegenaan lopen met betrekking tot de startbekostiging?
Ja, zie ook de antwoorden op vragen 2 en 4.
Heeft u van nieuwe scholen en scholen in oprichting signalen ontvangen met betrekking tot trage afhandeling van administratieve verplichtingen door DUO, waardoor deze nieuwe scholen in de knel komen?
Mijn ministerie heeft signalen ontvangen van nieuwe schoolbesturen over de verstrekking van een instellingscode (ook wel: instellingsnummer) door DUO, die nodig is voor de aanvraag van bijvoorbeeld softwarelicenties, leerlingvolgsystemen en subsidies. DUO verkent momenteel of het mogelijk is om een instellingsnummer sneller na het afgeven van het positieve besluit uit te geven.
Bent u bekend met signalen van trage toekenning van BRIN-nummers waardoor het verwerven van subsidies vertraging oploopt? Zo ja, bent u bereid om DUO opdracht te geven de nieuwe scholen onmiddellijk na goedkeuring van hun aanvraagdossiers de noodzakelijke instellingscodes te verlenen, zodat zij tijdig subsidies kunnen ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid deze vragen vóór 7 december te beantwoorden?
Beantwoording vóór 7 december was helaas niet haalbaar. De beantwoording is op 14 december naar uw Kamer gestuurd.
De berichten ‘Joodse school Cheider opnieuw dicht uit angst voor antisemitische incidenten’ en ‘Gepeste Joodse leerlingen wisselen van school’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Joodse school Cheider opnieuw dicht uit angst voor antisemitische incidenten» en «Gepeste Joodse leerlingen wisselen van school»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat het voor alle betrokkenen een ingrijpende ervaring is als scholen moeten sluiten vanwege zorgen over de veiligheid? Op welke wijze worden leerlingen, ouders en personeel hierin ondersteund? Hoe houdt u er rekening mee dat dit ook voor de voortgang van het onderwijsproces een belastende situatie is?
Ik wil voorop stellen dat ik het onwenselijk vind dat scholen het schoolgebouw fysiek sluiten, maar dat ik ook begrijp dat er grote zorgen leven binnen de Joodse gemeenschap. School is bij uitstek een plek om zorgen en emoties met elkaar bespreekbaar te maken. Juist om het onderwijsproces zo ononderbroken als mogelijk voortgang te laten vinden is het belangrijk dat scholen zo veel als mogelijk open blijven. Het uitgangspunt daarbij is dat leerlingen uiteraard altijd vrij en veilig naar school moeten kunnen gaan.
In het geval van de Joodse scholen hebben de veiligheidsdiensten en de gemeente Amsterdam een rol als het gaat om de veiligheid van de leerlingen en de medewerkers. Het zijn de gemeente en de veiligheidsdiensten die kunnen adviseren dat een school de deuren moet sluiten. In dit specifieke geval is dat een besluit van het schoolbestuur geweest.
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de Joodse scholen, NCTV, NCAB, de gemeente Amsterdam en het CJO. Ook hebben de scholen contact met stichting School en Veiligheid, die de scholen onder andere kan ondersteunen bij het omgaan met de psychosociale aspecten van deze situatie.
Kunt u aangeven hoeveel leerlingen inmiddels van school zijn veranderd vanwege dreigende, antisemitische uitingen? Klopt het dat het niet alleen gaat om bedreigingen voor leerlingen onderweg naar school, maar ook om misstanden op het schoolplein en in de school?
Ik ben bekend met de signalen van Joodse leerlingen die overwegen om van school te wisselen of dat al gedaan hebben. Precieze cijfers zijn ons en de inspectie niet bekend, omdat ouders vrij zijn om hun kinderen op een andere school in te schrijven. De zes leerlingen die worden genoemd in het artikel van het Nederlands Dagblad zijn bevestigd door de gemeente Amsterdam.
Cheider en JBO krijgen inderdaad aanmeldingen van leerlingen van andere scholen die zich niet veilig voelen (vanwege antisemitische uitingen). De Joodse scholen kunnen echter niet al deze leerlingen plaatsen. Zolang een leerling geen andere school heeft, is de oorspronkelijke school verantwoordelijk. Zo kunnen leerlingen niet tussen wal en schip vallen.
Verder herken ik het beeld dat het niet enkel om pesten op school gaat, maar ook in de digitale leefwereld, bijvoorbeeld in whatsappgroepen. Dat maakt het voor scholen lastiger om hier zicht op te krijgen, maar is niet minder pijnlijk voor de leerlingen die het betreft.
Kunt u bevestigen dat het uitgangspunt bij misstanden moet zijn dat niet de slachtoffers genoodzaakt zijn van school te veranderen, maar dat de daders worden aangepakt? Worden de scholen die het betreft aangesproken op de kaders die hiervoor gelden? Neemt de Inspectie van het Onderwijs contact op met scholen die hiermee te maken krijgen?
Leerlingen moeten zich altijd vrij en veilig voelen. Pesten, discriminatie, racisme of antisemitisme horen niet thuis in onze samenleving en dus ook niet op school. Scholen moeten daar zorg voor dragen. In dit kader moet de school schadelijk gedrag bespreken, voorkomen dat het escaleert en zorgen dat de veiligheid geborgd wordt.
Dergelijke situaties vragen om maatwerk. Scholen kunnen voor ondersteuning bij het tegengaan van pesten altijd bij stichting School en Veiligheid terecht. Ook kunnen leerlingen en/of hun ouders zich wenden tot de vertrouwenspersoon van de school of tot de vertrouwensinspecteur van de inspectie. De inspectie analyseert signalen die zij binnenkrijgt en neemt, indien nodig, contact op met de betreffende school.
Verder kan men aangifte doen indien men meent dat de wet is overtreden. De autoriteiten zullen vervolgens de aangifte onderzoeken en besluiten om al dan niet tot vervolging over te gaan.
Hoe verhoudt de veiligheidsinschatting van de gemeente en de betrokken diensten zich tot die van de school? Hoe bevordert u dat op dit punt zoveel mogelijk eenduidigheid bestaat? Deelt u de opvatting dat het bevoegd gezag van de scholen op grond van de wet uiteindelijk een eigenstandige afweging moet maken of de veiligheid van de leerlingen voldoende gewaarborgd kan worden?
Schoolbesturen mogen niet zelfstandig besluiten om een school dicht te houden. Immers, het is in het belang van leerlingen dat zij zo veel als mogelijk fysiek onderwijs volgen. Daarom hebben schoolbesturen de plicht om fysiek onderwijs aan leerlingen te verzorgen.
Er kunnen wel redenen zijn om de deuren van de school tijdelijk te sluiten. De gemeente en betrokken (veiligheids)diensten maken hierbij de afweging, waarbij mogelijke veiligheidsrisico’s in acht worden genomen. Op basis van hun advies kan een schoolbestuur besluiten om de deuren gesloten te houden. Als een school sluit, neemt de inspectie altijd contact op. Ook in deze situatie is er nauw contact tussen de scholen en de inspectie.
Er heeft zich nu een situatie voorgedaan waar Cheider voor twee korte perioden de deuren van het schoolgebouw dicht heeft gehouden. Rosj Pina en Maimonides hebben voor één korte periode de deuren gesloten gehouden. Op dit moment zijn alle scholen open.
Bent u bereid in contact te treden met Joodse scholen en alles te doen wat nodig is om deze scholen te ondersteunen?
Er is reeds nauw contact met de Joodse scholen, zowel ambtelijk als door mijzelf. Dat heeft ook betrekking op de ondersteuning die de scholen nodig hebben. Dit gesprek wordt momenteel doorlopend gevoerd. Zelf ben ik onlangs bij Rosj Pina en Maimonides geweest om hier met hen over te spreken en mijn waardering uit te spreken voor het belangrijke werk dat ze in deze lastige periode doen. Binnenkort zal ik ook bij Cheider langsgaan.
Het bericht ‘Emotionele ouderavond om nieuw schoolplan: Kinderen komen huilend thuis’ |
|
Simone Richardson (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Emotionele ouderavond om nieuw schoolplan: Kinderen komen huilend thuis»?1
Ja.
Bent u bekend met het nieuwe schoolplan van het Picasso Lyceum in Zoetermeer? Wat vindt u ervan dat per vak slechts 30 minuten instructie per week wordt gegeven?
Ja, ik ben bekend met het nieuwe schoolplan van het Picasso Lyceum. Bij een verandering van het schoolplan is het van belang dat alle partijen worden betrokken in een vroeg stadium, dat er draagvlak is voor de verandering, dat een school zich houdt aan de wettelijke voorschriften, dat er gebruik gemaakt wordt van inzichten uit de wetenschap en onderwijspraktijk over wat wel en niet werkt en dat er wordt getoetst of de leerling er uiteindelijk beter van wordt. Het is goed dat de Inspectie van het Onderwijs momenteel onderzoek doet op deze school, gezien de ontstane onrust. Ik laat het aan de inspectie om een oordeel te vellen over het nieuwe schoolplan van deze school.
Klopt het dat de leerlingen op school daardoor een groot gedeelte van de tijd huiswerk aan het maken zijn? Klopt het eveneens dat de leerlingen dat in zeer grote groepen doen en soms zonder begeleiding van een bevoegde leraar?
Ik kan hier momenteel geen antwoord op geven. Dit is onderdeel van het onderzoek van de Inspectie.
Bent u het ermee eens dat de kwaliteit van het onderwijs op het Picasso Lyceum daarmee onder druk staat?
De inspectie doet momenteel onderzoek op het Picasso Lyceum en zal daar dit najaar over rapporteren. Of de kwaliteit van een school onder druk staat is aan het oordeel van de inspectie. Voor mij is het belangrijk dat de onderwijskwaliteit en het verbeteren daarvan goed geborgd is in de school.
Hoe verhoudt het inkorten van de instructietijd zich tot de vastgestelde normuren voor onderwijstijd in art. 2.38 WVO2 2020? Vallen de uren die leerlingen zelfstandig huiswerk maken hier ook onder?
In algemene zin geldt dat de wettelijke normen voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs niet alleen toezien op «traditionele lessen» en de instructietijd daarbinnen, maar meer invullingen mogelijk maken. Een onderwijsactiviteit kan gezien worden als (uit publieke middelen bekostigde) onderwijstijd als dit een integraal onderdeel vormt van het reguliere, in beginsel voor alle leerlingen toegankelijke, onder verantwoordelijkheid van de school verzorgde onderwijsprogramma. Dat onderwijsprogramma is gericht op de onder meer in kerndoelen, exameneisen en algemene wettelijke bepalingen vervatte doelstellingen. Bovendien moet de medezeggenschapsraad van de school vooraf instemmen met welke soorten onderwijsactiviteiten worden ingepland als onderwijstijd. Of in dit geval aan al deze eisen is voldaan is ter beoordeling van de inspectie.
Bent u het eens dat huiswerkuren geen vervanging zijn voor instructie door een bevoegde leraar?
Ja, daar ben ik het mee eens. Het individueel of groepsgewijs werken aan lesstof is een andere manier om deze lesstof te verwerven dan via klassikale instructie. Beide activiteiten zijn nodig en idealiter is er in de praktijk sprake van een goede mix. De ene leerling heeft meer begeleiding nodig, terwijl een andere leerling juist gebaat is bij individueel oefenen met de lesstof. Daarom kan niet categorisch gesteld worden dat méér (of minder) klassikale instructie altijd beter is, hoewel het evident is dat goede klassikale instructie van grote waarde is. Wel is het essentieel dat leerlingen daarin begeleid worden in hun onderwijsproces door gekwalificeerd onderwijspersoneel.
Waar kunnen ouders en leerlingen zich melden als zij vermoeden dat de onderwijskwaliteit op een school onder druk staat? Welke stappen kunnen zij zelf ondernemen?
Er zijn verschillende wegen die ouders en leerlingen kunnen bewandelen bij het vermoeden dat de onderwijskwaliteit onder druk staat. Ouders en leerlingen kunnen intern het gesprek aangaan door zich te melden bij de leraar, de schoolleiding, het bestuur of de medezeggenschap. Als een gesprek geen oplossing biedt kan een klacht worden ingediend volgens de klachtenregeling van de school. Het is ook mogelijk om direct een melding te maken bij de inspectie. Meldingen kunnen voor de inspectie aanleiding zijn om contact op te nemen met het bestuur van de school en kunnen ook leiden tot het doen van onderzoek.
Heeft de Onderwijsinspectie grond om op basis van deze signalen een onderzoek in te stellen? Zo ja, bent u bereid de inspectie daartoe te verzoeken?
De inspectie kan in algemene zin op basis van signalen als deze ervoor kiezen om nader onderzoek te doen. Naar aanleiding van de signalen heeft de inspectie intussen besloten onderzoek te doen op het Picasso Lyceum.
Is de door het Picasso Lyceum gebruikte onderwijsmethode wetenschappelijk onderbouwd? Bent u het ermee eens dat het gebruik van bewezen effectieve methodes gestimuleerd dient te worden?
Het bestuur van het Picasso Lyceum geeft aan dat het bij het ontwikkelen van het onderwijsmodel diverse wetenschappelijke inzichten heeft gebruikt. Het is wenselijk dat scholen deze inzichten gebruiken. Er zijn veel verschillende en uiteenlopende onderwijsmethoden waarvan de effectiviteit wetenschappelijk is onderbouwd. Daarbij geldt dat er niet slechts één onderwijsmethode is die voor alle scholen, voor alle leerlingen, voor alle onderwijsprogramma’s en in alle situaties het meest geschikt is. Het is zeker van belang om methoden te gebruiken die wetenschappelijk onderbouwd zijn, en daarom stimuleren we dit (verder), onder meer bij het Nationaal Programma Onderwijs, het Masterplan Basisvaardigheden en Ontwikkelkracht.
Welke stappen gaat u concreet zetten om de rust op de school en bij haar leerlingen zo snel mogelijk weer terug te laten keren?
Ik volg nauwgezet de ontwikkelingen rondom deze school, vanwege het belang van de onderwijskwaliteit en de rust voor de leerlingen en ik ben blij dat de inspectie momenteel onderzoek doet. De eerstvolgende stap is het afwachten van de uitkomsten hiervan.
Het artikel 'Haarlemmermeer Lyceum opent Confucius Classroom, een Chinees klaslokaal' |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Haarlemmermeer Lyceum opent Confucius Classroom, een Chinees klaslokaal»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat inmenging van buitenlandse overheden op Nederlandse scholen ongewenst is?
Ja, inmenging van buitenlandse overheden op Nederlandse scholen vind ik onwenselijk, want het kan andere normen en waarden promoten dan ik in Nederland gewenst vind. Inmenging (of heimelijke beïnvloeding) van statelijke actoren kan ook leiden tot een gevoel van onveiligheid om je uit te spreken of bepaalde onderwerpen aan te snijden in het onderwijs. Binnen bepaalde netwerken (o.a. E-Twinning en Erasmus+ programma’s) hebben scholen in Nederland wel goede contacten met scholen in andere landen en waar nodig ook overheden, om leerlingen een ander perspectief en bredere kijk op de wereld aan te bieden.
Wat vindt u ervan dat publiek bekostigd Nederlands onderwijs ook financiering ontvangt van een instituut beheerd door de Chinese overheid?
Het Nederlandse onderwijs ontvangt reguliere bekostiging vanuit de Nederlandse overheid. Aanvullende programma’s om kennis te nemen van een andere cultuur kennen soms support vanuit het betreffende land.
Deze samenwerking kan nooit zo ver gaan dat er inmenging in onze Nederlandse normen en waarden plaatsvindt. De burgerschapsopdracht zoals die in onze wetgeving is opgenomen, moet dit waarborgen.
Het Confucius Instituut heeft op geen enkele manier invloed op het onderwijs van Chinese Taal en Cultuur tijdens de lessen. Scholen kiezen hun eigen methode of gebruiken eigen materiaal en docenten maken daarnaast veel eigen materiaal. Het bedrag mag vrijelijk besteed worden en wordt vaak gebruikt voor literatuur, uitjes en ander materiaal voor in het curriculum.
Hoeveel Confucius Classrooms zijn er momenteel in Nederland? Neemt dit aantal toe of af?
Het is mij niet bekend hoeveel Confucius Classrooms er nu zijn. In 2019 waren het er 13 of 14.2 De Confuciusinstituten hadden die gegevens in dat jaar nog op het internet staan. Dit aantal lijkt stabiel te blijven, omdat elk Confucius Instituut een bepaald budget heeft voor deze Classrooms en binnen dit budget is plek voor tien scholen. Dat het Haarlemmermeerlyceum nu een Confucius classroom heeft gekregen, betekent waarschijnlijk dat een andere school zich uit dit programma heeft teruggetrokken.
Hoeveel financiele ondersteuning ontvangt een school voor het opzetten van een Confucius Classroom?
Een school ontvangt 10.000 dollar.
Leveren Confuciusinstituten ook lesmateriaal aan scholen of hebben zij op enige andere manier invloed op de inhoud van lessen?
Het Confucius Instituut heeft op geen enkele manier invloed op het onderwijs van Chinese Taal en Cultuur tijdens de lessen. Scholen kiezen hun eigen methode of gebruiken eigen materiaal en docenten maken daarnaast veel eigen materiaal. Het bedrag mag vrijelijk besteed worden en wordt vaak gebruikt voor literatuur, uitjes en ander materiaal voor in het curriculum.
Zijn er signalen dat, via Confuciusinstituten, op scholen Chinees beleid en Chinese denkbeelden eenzijdig positief belicht of actief gepromoot worden? Hoe houdt u hier zicht op?
Ik heb geen signalen dat het Confucius Instituut invloed heeft op de verspreiding van bepaalde denkbeelden in Nederlandse scholen. Scholen hebben in de dagelijkse praktijk vrijwel geen contact met de Confucius Instituten en voeren gewoon hun eigen lespraktijk uit. Het vak Chinese taal en cultuur wordt daarnaast ook veelal gezien als instrument voor wereldburgerschap en interculturele vaardigheden: door een taal en cultuur te leren die zo ver af staat van je eigen cultuur, leer je ook veel over je eigen referentiekader. Leerlingen leren met een bredere blik naar de wereld te kijken. Verder wordt het onderwijs gegeven door bevoegde docenten Chinees, academisch en eerstegraads geschoold door het ICLON, de lerarenopleiding van de Rijksuniversiteit Leiden.
Zijn er andere manieren bekend waarop buitenlandse overheden invloed uitoefenen op het Nederlandse onderwijs? Bent u bereid dit te onderzoeken voor zover dit het funderend onderwijs betreft?
Nee, dat is niet bekend. Ik heb op dit momenten geen aanleiding om te denken dat er sprake is van bedoelde inmenging. Een onderzoek is nu dan ook niet aan de orde.
Wat gaat u doen om buitenlandse inmenging op Nederlandse scholen te voorkomen?
Het wetsvoorstel Wtmo (Wet transparantie en tegengaan ondermijning maatschappelijke organisaties) en de nota van wijziging waarmee dit wetsvoorstel is aangescherpt liggen inmiddels in uw Kamer. De Wtmo gaat de burgemeester en het Openbaar Ministerie (OM) de mogelijkheid bieden toe te zien op alle geldstromen, uit binnen- en buitenland, naar maatschappelijke organisaties in Nederland.
Het OM kan op basis van de Wtmo bij de rechter een verzoek indienen om te gelasten dat bepaalde goederen van een maatschappelijke organisatie bevroren worden, indien de organisatie die de democratische rechtsstaat ondermijnt of klaarblijkelijk dreigt te ondermijnen; en het noodzakelijk is om de ondermijning of de gevolgen ervan af te wenden.
Het betreft een organisatiegerichte aanpak, waarbij het gedrag van de organisatie centraal staat en niet de herkomst van de geldstromen.
Kan de onderwijsinspectie controleren op inmenging in het onderwijs door buitenlandse mogendheden? Doet de inspectie dit momenteel al?
De inspectie beoordeelt de onderwijskwaliteit en financiële continuïteit. Wanneer daar ongeregeldheden in gezien worden, dan zal zij daarover rapporteren, kan zij herstelopdrachten geven en zelfs, namens mij, handhavend optreden. Ook kan de inspectie mij informeren over bepaalde ontwikkelingen in het onderwijs.
Kunt u in voldoende mate ingrijpen wanneer buitenlandse inmenging in het onderwijs plaatsvindt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Waar kunnen leraren, ouders en leerlingen terecht als zij signalen ontvangen, voorbeelden zien of vermoedens hebben van buitenlandse inmenging in het onderwijs?
Leraren, ouders en leerlingen kunnen met bezwaren en vermoedens in eerste instantie terecht bij het eigen schoolbestuur. Daarnaast kunnen zij dit ook altijd neerleggen bij de medezeggenschapsraad en via de (formele) klachtenregeling die elke school kent. Mocht de school de klacht niet kunnen wegnemen, dan kan de klacht onderzocht worden door een deskundige en onafhankelijke klachtencommissie. Daartoe bestaat o.a. de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (lkc) van stichting Onderwijsgeschillen.
Bent u bekend met de uitspraken van voormalig Minister van Engelshoven, die stelde dat inbedding van Confuciusinstituten in Nederlandse kennisinstellingen op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen en de Nederlandse normen en waarden op het gebied van wetenschappelijke integriteit? Deelt u deze analyse ook voor wat betreft het funderend onderwijs?
Daarmee ben ik bekend. Naar aanleiding van het Clingendaelonderzoek «China’s invloed op onderwijs in Nederland»3 adviseerde de vorige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kennisinstellingen in december 2020 om Confuciusinstituten los te koppelen, om (de schijn van) inperking van academische vrijheid en wetenschappelijke integriteit te voorkomen.
Deze analyse gaat voor de Confucius Classrooms evenwel niet op. Punt van zorg bij de Confuciusinstituten was het ontransparante aansturingsmodel, waarbij het bestuur in gezamenlijkheid door de Nederlandse kennisinstelling met de Chinese overheid gevoerd werd. Hierdoor was de mogelijkheid tot politieke beïnvloeding door China aanwezig. Bij de Classrooms speelt onduidelijke aansturing niet: scholen ontvangen weliswaar geld van het Confucius Instituut, maar bepalen zelf hoe zij het vak Chinese taal en cultuur inrichten en bepalen eigenstandig hoe zij dit geld ten dienste laten zijn aan dit vak.
Is aanscherping van regels nodig om deze buitenlandse inmenging te voorkomen en, zo ja, wanneer komt u hier dan bij de Tweede Kamer op terug?
Er zijn voldoende checks and balances, en er zijn nu geen zorgelijke signalen bij ons bekend. Ik zie momenteel dus geen aanleiding om de regels voor contacten met China in het voortgezet onderwijs aan te scherpen, maar ik hou het thema wel in de gaten.
Wokegedram van het LAKS |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het krankzinnige voorstel van het LAKS om te komen voor een «inclusieve» taalgids voor het onderwijs?1
Deelt u de mening dat het voorstel om docenten «goedemorgen leerlingen» of «goedemorgen allemaal» te zeggen, en niet «goedemorgen jongens en meisjes», alsmede te praten «die/diegene», in plaats van «hij/zij» knettergek wokegedram is, dat leraren, waarvan we toch al een groot tekort hebben, met piepende banden doet wegrijden?
Deelt u voorts de mening dat deze nieuwe trieste episode in het wokisme zorgt voor grote verwarring bij jonge kinderen die zich in veruit de meeste gevallen wel gewoon een jongen of een meisje voelen?
Wilt u het onderwijs en onze kinderen beschermen tegen het wokegedram van het LAKS door de subsidierelatie per direct te beëindigen2 en de vrijgekomen gelden te stoppen in het bestrijden van de werkelijke problemen van het onderwijs, zoals het gigantische lerarentekort?