De onrechtmatige benoeming van een lid van de Raad van Toezicht van de Hogeschool van Amsterdam |
|
Jasper van Dijk |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Marleen Barth onrechtmatig lid Raad van Toezicht HvA», waaruit blijkt dat de benoeming van een lid van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer als lid van de Raad van Toezicht onrechtmatig is?1
Ik heb geen bemoeienis met de benoeming van een lid van de raad van toezicht van een bijzondere instelling, zoals de HvA, Ik heb begrepen dat er een open sollicitatieprocedure is geweest voor de vervulling van deze functie. De centrale medezeggenschapsraad (CMR), bestaande uit personeel en studenten van de HvA, heeft op grond van de wet een voordrachtsrecht voor de benoeming van één lid van de raad van toezicht. De CMR heeft het lid dat uit deze sollicitatieprocedure naar voren kwam, mevrouw Barth, voorgedragen. Deze voordracht is door de raad van toezicht gevolgd, met als uiteindelijk resultaat de voordracht van mevrouw Barth en haar benoeming door de Raad van Toezicht.
Verder heb ik begrepen dat de Raad van Toezicht van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) bij de benoeming van mevrouw Barth een bepaling uit de statuten van de Stichting Hogeschool van Amsterdam over het hoofd heeft gezien.
Was u op de hoogte van deze benoeming? Zo ja, waarom heeft u niets ondernomen? Zo nee, hoe voorkomt u dit soort onrechtmatigheden?
Tijdens de benoemingsprocedure heeft de HvA mij zorgvuldigheidshalve geïnformeerd over de voorgenomen benoeming en wel in verband met de nauwe samenwerking tussen de Raad van Toezicht van de HvA en die van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en gelet op de verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs voor de samenstelling van laatstgenoemde Raad. Mij is toen de vraag voorgelegd of ik bezwaar zou hebben tegen benoemingen en het gelijktijdig zitting hebben in de Staten-Generaal. De voorgenomen benoeming was niet strijdig met de WHW en de Minister van Onderwijs heeft geen rol bij de benoeming van de leden van de raad van toezicht van een hogeschool. Er was dan ook grond noch reden om iets te ondernemen.
Wat is uw mening over de bepalingen in de statuten van de Hogeschool van Amsterdam, waaronder het uitgangspunt dat een lid van de Raad van Toezicht niet tevens lid kan zijn van de Staten-Generaal (Artikel 13)? Zo nee, is in het verleden, bij voorbeeld toe u betrokken was bij de Hogeschool, ooit overwogen deze bepaling in de statuten aan te passen?
De HvA heeft er destijds, bij de introductie van de personele unie voor de Colleges van Bestuur en de Raden van Toezicht, voor gekozen om de statuten van de HvA in lijn te brengen met de wettelijke incompatibiliteitsbepaling die geldt voor de leden van een raad van toezicht van een openbare universiteit, zoals de UvA. Een dergelijke gelijkstelling kan, gegeven het onverplichte karakter, ook weer ongedaan gemaakt worden. In de periode dat ik betrokken was bij deze hogeschool is een aanpassing van de bepaling in de statuten niet aan de orde geweest.
Welke gevolgen heeft deze onrechtmatige benoeming voor de reeds genomen besluiten van de Raad van Toezicht?
De HvA heeft mij desgevraagd laten weten dat de raad van toezicht in de vergaderingen waaraan mevrouw Barth sinds haar benoeming per 1 mei 2013 deelnam twee besluiten heeft genomen, namelijk met betrekking tot de benoeming van een nieuwe vicevoorzitter van het College van Bestuur en met betrekking tot de begroting en het huisvestingsplan van de HvA voor 2014. Bij beide gelegenheden was de voltallige Raad van Toezicht aanwezig; alle leden van de Raad hebben bij beide gelegenheden voor de genoemde besluiten gestemd, waarmee aan de quorumvereisten is voldaan en de geldigheid van de besluitvorming niet in het geding is.
Deelt u de mening dat het nogal opportunistisch is om eenvoudigweg de statuten aan te passen waardoor de benoeming niet langer onrechtmatig is? Wat zijn deze statuten nog waard, als zij eenvoudig worden aangepast na overtreding?
Aanpassing van statuten is ter bepaling aan een rechtspersoon. Een Minister van Onderwijs heeft daarin een rol noch daarover een oordeel, anders dan dat – met het oog op de bekostigingsvoorwaarden – de statuten niet strijdig moeten zijn met de wettelijke voorschriften. Zoals hierboven aangegeven is hiervan geen sprake. De statutenwijziging van de HvA slecht een belemmering in de eigen bepalingen van de instelling om bepaalde RvT-leden te benoemen zoals in casu een benoeming van een door de medezeggenschapsraad voorgedragen lid van de raad van toezicht. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Kan dit lid van de Raad van Toezicht wat u betreft aanblijven? Zo nee, wat onderneemt u hiertegen?
Ik zie geen belemmering voor de benoeming van mevrouw Barth wanneer de statuten zijn gewijzigd.
Wat voor eisen stelt u aan leden van een Raad van Toezicht? Hoe voorkomt u (eenzijdige) partijpolitieke benoemingen, zoals in het verleden bij Amarantis het geval was?
Eisen aan de leden van de raad van toezicht, waar het gaat om deugdelijkheid en onafhankelijkheid zijn vastgelegd in de wet, kwaliteitseisen zijn geformuleerd in de Branchecode goed bestuur hogescholen. Voorts hebben de Staatssecretaris en ik uitgebreid aandacht besteed aan de rol, positie en het functioneren van de raad van toezicht in de brief Versterking bestuurskracht onderwijs van 19 april 2013 aan de Kamer (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 495, nr. 10). Zo hecht ik bij mijn benoemingen van de leden van de raad van toezicht bij openbare universiteiten aan een diversiteit in de raad, bijvoorbeeld ten aanzien van man/vrouw-verhouding en verschillende leeftijden.
Ik zie niet in op basis waarvan de benoeming van mevrouw Barth als een «partijpolitieke» benoeming kan worden aangemerkt. Het feit dat mevrouw Barth benoemd is op voordracht van de medezeggenschap – zie mijn antwoord op vraag 2 – duidt op het tegendeel.
Vindt u dat het Raad van Toezicht-model naar behoren functioneert? Zo nee, hoe gaat u dit verbeteren?
Op deze vraag ben ik al ingegaan in mijn antwoord van 24 mei 2013 op vragen van het lid Jasper van Dijk (SP) over problemen bij de VU, onder verwijzing naar de in het antwoord op vraag 7 bedoelde brief van 19 april 2013.
Deelt u de mening dat u, als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inspraak moet hebben over de samenstelling van College van Bestuur en Raad van Toezicht, opdat een onevenwichtige of omstreden samenstelling van het bestuur kan worden voorkomen?
Anders dan voor de benoeming van de leden van de raad van toezicht van openbare universiteiten deel ik die mening niet. Niet rechtstreekse bemoeienis van de Minister van Onderwijs maar wet- en regelgeving en eigen bepalingen, waaronder begrepen bepalingen geformuleerd in de branchecodes goed bestuur dienen een onevenwichtige of omstreden samenstelling van het bestuur of toezichtsorgaan te voorkomen.
Het bericht dat scholen geld overhouden |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onderwijsinstellingen houden ruim 300 miljoen euro over»?1
Ja. De in het bericht opgenomen bedragen zijn afkomstig uit het eerder gepubliceerde jaarrekeningoverzicht voor MBO, HBO en universiteiten en het Financieel Beeld funderend onderwijs. Dit laatste overzicht is op 20 december 2013 aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 31 293, nr. 193). De overzichten voor MBO, HBO en universiteiten worden openbaar gemaakt via de website van DUO. Deze overzichten worden jaarlijks door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgesteld.
Klopt het dat, zoals de Algemene Onderwijsbond heeft berekend op basis van gegevens van uw ministerie, verschillende onderwijssectoren geld «overhouden»?
Een incidenteel positief resultaat betekent niet per definitie dat de sectoren geld «overhouden». Voor een prudent financieel beleid is het zaak om op de lange termijn naar evenwicht te streven. Dit sluit aan bij de bevindingen van de commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstelling (commissie Don) (Kamerstuk 32 123 VIII, nr.2. Geadviseerd werd dat instellingen een meerjarige financiële planning opstellen en een op de eigen omstandigheden toegesneden risico-analyse. Instellingen kunnen zelf van jaar tot jaar een inschatting maken om in te teren, te lenen of te sparen om zo een financiële buffer op te bouwen voor het opvangen van risico’s of om te investeren.
Kunt u (per onderwijssector) nader toelichten hoe hoog de exacte onderuitputting van de beschikbare middelen is?
Voor de onderwijssectoren als totaal zijn over 2012 de volgende resultaten behaald (in miljoenen euro’s):
PO
VO
MBO
HBO
WO
(S)BAO
Expertisecentra
Samenwerkingsverbanden WSNS
5
30
– 5
94
21,5
61
104
Voor zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs geldt, dat voor het eerst sinds enkele jaren weer sprake is van een positief resultaat. Voor het basisonderwijs is dit voor het eerst sinds 2008, voor het voortgezet onderwijs voor het eerst sinds 2010. In de jaren 2010 en 2011 samen behaalde het basisonderwijs een negatief resultaat van € 233 mln. Het voortgezet onderwijs had in deze jaren een totaal negatief resultaat van € 140 mln. Zo bezien is het positieve resultaat van € 5 mln. in het basisonderwijs, oftewel 0,1% van de totale baten, zeer beperkt. Voor het voortgezet onderwijs is dit percentage 1,2%.
De expertisecentra in het (s)vo hadden in 2012 vanwege toenemende inkomsten een positief resultaat van € 30 mln. In de jaren 2010 en 2011 bedroeg het resultaat € 1 mln.
Het beperkte positieve resultaat in het basisonderwijs is een resultante van een daling in personeelskosten. Besturen hebben op grond van een prognose voor de komende jaren in 2012 besloten minder personeel in dienst te nemen of te houden. Het positieve resultaat in het voortgezet onderwijs komt voort uit een minder sterke stijging van de personeelskosten dan verwacht gezien de leerlingontwikkeling.
De samenwerkingsverbanden Weer Samen naar School tot slot hadden in 2012 een negatief resultaat van € 5 mln., circa 1,2% van de totale baten. Met ingang van augustus 2014 zullen de samenwerkingsverbanden WSNS vervangen worden door de nieuwe samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs.
De MBO-sector kende in 2012 geen noemenswaardig exploitatieresultaat. Ook in de jaren daarvoor (2008–2011) was hiervan geen sprake. Het beeld voor het MBO over de afgelopen 5 jaar is wisselend positief en negatief. Als de resultaten van de afgelopen vijf jaar bij elkaar worden opgeteld, is er sprake van een totaal positief resultaat van € 21,3 mln. Dat betekent een gemiddeld resultaat over de afgelopen vijf jaar van € 4,3 mln. per jaar en een rentabiliteit van ongeveer 0,1% van de totale baten. Dit laat zien dat de MBO-sector de afgelopen jaren goed heeft begroot en middelen niet aan de reserves zijn toegevoegd.
De totale HO-sector had over 2012 een resultaat van € 165 mln. De HBO-sector kende in 2012 een positief resultaat van € 61 mln. De WO-sector had in 2012 een positief resultaat van € 104 mln. De resultaten fluctueren per jaar, maar vertonen een positief beeld. De rentabiliteit van de HBO-sector is in 2012 1,7% van de totale baten. Voor de WO-sector geldt dat de rentabiliteit 1,9% van de totale baten is.
Omdat bij de sector HO ten opzichte van de andere sectoren sprake is van relatief hogere inkomsten uit de derde geldstroom, kan dit resultaat niet geheel als een onderuitputting van de rijksbijdrage worden aangemerkt.
Binnen het HO geldt dat de instellingen financiële middelen reserveren omdat zij zelf verantwoordelijk zijn voor onder meer huisvestinginvesteringen, investeringen in ICT-infrastructuur en cao’s.
HO-instellingen hebben – naast de rijksbijdragen – relatief veel inkomsten uit de zogenoemde tweede en derde geldstroom. In tegenstelling tot wat geldt voor de bijdrage van de overheid, doen zich daarbij risico’s in de continuïteit voor. Als de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom teruglopen, moet de instelling deze terugloop kunnen opvangen. Ook hiervoor moeten instellingen reserves aanhouden.
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat er in 2012 in sommige sectoren tientallen miljoenen euro's niet zijn uitgegeven aan het onderwijs, de kwaliteit van leraren en het op peil houden van aanbod van voldoende arbeidsplaatsen voor leraren?
De genoemde bedragen betreffen slechts een fractie van de middelen die in 2012 zijn uitgegeven aan het onderwijs.
De niet in 2012 uitgegeven bedragen blijven beschikbaar voor de instellingen. Zoals aangegeven bij vraag 2 kunnen instellingen een positief resultaat gebruiken om tekorten uit het verleden aan te zuiveren of om te sparen. Deze gelden kunnen in de toekomst worden ingezet voor bijvoorbeeld investeringen in het onderwijs of om minder positieve/negatieve resultaten op te vangen.
Kunt u inzichtelijk maken of er in 2013 ook sprake is geweest van onderuitputting van de budgetten en het oppotten van geld door onderwijsinstellingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het dan per sector?
Nee. Onderwijsinstellingen hebben nog tot 1 juli 2014 de tijd om hun jaarrekening over 2013 in te dienen. Om die reden is er op dit moment nog geen totaalbeeld van het financieel resultaat over 2013 van de verschillende onderwijssectoren beschikbaar.
Deelt u de mening dat onderwijsgeld aan onderwijs moet worden uitgegeven? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om scholen aan te moedigen of te dwingen om in een situatie van onderuitputting de middelen die zij «overhouden» alsnog te investeren in de kwaliteit van het onderwijs en niet (onnodig) oppotten?
Geld dat bedoeld is voor onderwijs moet ook aan onderwijs worden uitgegeven. De financiële situatie van de diverse onderwijsinstellingen in de diverse sectoren is echter gevarieerd en er kan niet zonder meer gesproken worden van het «overhouden» van onderwijsgeld. Een bestuur kan een goede reden hebben voor het aanhouden en of creëren van reserves. Het ministerie van OCW bepaalt niet hoeveel reserves een bestuur aan mag houden omdat er bij het aanhouden van een financiële buffer sprake is van maatwerk. In eerste instantie legt een onderwijsinstelling verantwoording af aan de direct belanghebbenden over de keuzes die het maakt bij de inzet van bekostiging, waaronder ouders, leerlingen, leerkrachten, en medezeggenschapsraad.
In 2012 is er door de Inspectie van het Onderwijs uitgebreid onderzoek gedaan naar besturen met hoge financiële buffers in het primair en voortgezet onderwijs. Uit het rapport CVO 400, dat op 23 augustus 2012 aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstuk 31 293/31 289, nr.146), bleken 93 van de onderzochte besturen in het PO en 17 van de onderzochte besturen in het VO een te hoge financiële buffer te hebben. De Inspectie van het Onderwijs heeft afspraken met de betreffende besturen gemaakt om de reserves in te zetten voor het onderwijs en/of om zich te verantwoorden over de hoge reserves. De inspectie monitort het nakomen van de afspraken.
De voortgaande islamisering van het universitaire onderwijs |
|
Joram van Klaveren (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitnodiging «Multiculturele ontmoeting voor geneeskundestudentes en hun moeder»?1
Ja. Het VU medisch centrum (VUmc) heeft op 11 januari jl. een bijeenkomst georganiseerd voor vrouwelijke geneeskundestudenten en hun moeders. Ook andere vrouwelijke geïnteresseerden waren welkom.
VUmc geeft aan dat de doorstroom van studentes van niet Nederlandse afkomst naar de vervolgopleiding voor medisch specialisten gering is. Dat is jammer, omdat het vaak om goede studentes gaat, met de potentie een goed medisch specialist te worden. Het doel van de ontmoetingsdag was om deze studentes te laten kennismaken met twee vrouwelijke rolmodellen en ze tijdig te informeren over de mogelijkheden voor specialisatie in een vervolgopleiding. Daarnaast stond een aantal workshops op het programma over professionele en culturele vraagstukken. Goede zorg heeft een belangrijk cultureel aspect: in Amsterdam wordt zorg gegeven aan circa 40% patiënten van niet-Nederlandse origine, uit zeer diverse culturen en met 175 nationaliteiten. VUmc wil al zijn studenten besef van diverse culturele achtergronden meegeven, zodat ze later in de beroepspraktijk de patiënt centraal kunnen stellen, op medisch en cultureel vlak. Dit helpt studenten om te gaan met lastige dilemma’s in hun toekomstige beroepspraktijk.
Deelt u de visie dat het meer dan triest is dat we geneeskundeworkshops in een Nederlandse universiteit hebben waar de vraag centraal staat of mensen van het andere geslacht wel behandeld kunnen worden? Zo neen, hoe duidt u deze islamitische vraag met betrekking tot sekse-apartheid dan?
In de geneeskunde in Nederland, en dus ook in VUmc, helpen artsen eenieder, zonder aanzien des persoons. Dat is ook in overeenstemming met de eed c.q. gelofte die artsen afleggen. Net als praktiserende artsen, houden de geneeskundestudenten zich hier aan. Zowel artsen als geneeskundestudenten mogen dus geen onderscheid maken naar de sekse van patiënten. Ik vind het goed dat VUmc deze onderwerpen niet uit de weg gaat, maar ze bespreekbaar maakt.
Bent u het ermee eens dat in Nederland anno 2014 het onderzoeken van een persoon van de andere sekse door geneeskundestudenten binnen de beroepsgroep algemeen aanvaard is en bovendien een essentieel onderdeel van de beroepsvoorbereiding is? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre erkent u de toenemende invloed van de islam op onder andere de Vrije Universiteit, met haar islamitische gebedsruimte, halalvoedsel, islamitische geestelijk verzorger, uitnodigingen in onder meer het Arabisch en workshops over islamitische sekse-apartheid binnen de geneeskunde?
Een groeiende groep studenten in het Nederlands hoger onderwijs is moslim. Ik vind het terecht dat de Vrije Universiteit en VUmc zich hiervan rekenschap geven. VUmc leidt geneeskundestudenten op die verantwoordelijkheid willen dragen in onze pluriforme samenleving. VUmc vindt het een profielkenmerk dat binnen zijn academische gemeenschap ruimte bestaat om met elkaar in gesprek te gaan over de invloed van uiteenlopende levensbeschouwingen op de uitoefening van de geneeskunde.
Deelt u de mening dat er geen cent belastinggeld dient te worden verspild aan dit soort multiculprojecten? Zo neen, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Om studenten voor te bereiden op hun rol en verantwoordelijkheid in onze pluriforme samenleving, organiseert VUmc op menig terrein activiteiten die aanvullend zijn op de reguliere onderwijsactiviteiten. VUmc is vrij de middelen die zij van de overheid krijgt in te zetten voor verdiepingsactiviteiten. Het past bij de autonomie van onderwijsinstellingen om hierin een eigen afweging te maken, de instelling heeft bestedingsvrijheid. Hierbij geldt als voorwaarde dat de uitgaven doelmatig en rechtmatig zijn en dat zij gecontroleerd en goedgekeurd worden door een accountant.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen tegen de voortgaande islamisering van ons (universitaire) onderwijs?
Ik ben niet voornemens maatregelen te treffen. Als minister sta ik voor de kwaliteit en de toegankelijkheid van het Nederlandse (hoger) onderwijs. Als de kwaliteit of de toegankelijkheid van het onderwijs in het geding zijn, heb ik de mogelijkheid om in te grijpen. In dit geval is er geen sprake van dat de kwaliteit of toegankelijkheid van het onderwijs in het geding zijn. Het onderwijs is en blijft toegankelijk voor mannelijke en vrouwelijke studenten en daarom niet in strijd met de wet. Het staat VUmc vrij om op deze wijze invulling te geven aan een bijeenkomst, met respect voor de culturele diversiteit van de studentenpopulatie. De eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en het respecteren van ieders geloofsovertuiging zijn fundamentele waarden van onze samenleving.
De berichten dat er opnieuw sprake lijkt te zijn van grootschalige fraude door een wetenschapper |
|
Jasper van Dijk |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over de berichten dat er opnieuw sprake lijkt te zijn van grootschalige fraude door een wetenschapper, die meerdere keren plagiaat pleegde?1
Ik vind het voorbarig om te spreken van fraude. Anders dan bij manipulatie of fabricatie van onderzoeksgegevens of zuiver plagiaat, ligt de essentie nu in de (on)toelaatbaarheid van zelfcitaties. De KNAW heeft geconstateerd dat de regels over citateren verduidelijking behoeven en komt naar verwachting in maart van dit jaar met een advies. De Vrije Universiteit (VU) heeft een commissie benoemd die onderzoek zal doen naar de wijze waarop in het werk van de wetenschapper gebruik wordt gemaakt van eerder gepubliceerd werk van hemzelf, van hemzelf samen met co-auteurs en van anderen. De uitkomst van dat onderzoek – dat geruime tijd zal duren – wacht ik af.
Deelt u de mening dat er direct een einde moet komen aan de opeenstapeling van dit soort zaken, dat de wetenschap in een slecht daglicht stelt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat integriteit een groot goed is in de wetenschap en een inbreuk hierop schaadt het vertrouwen in wetenschappers. Onderzoekers zijn gebonden aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Terecht laat de VU uitzoeken of de betrokken wetenschapper zich aan de gedragscode heeft gehouden.
Deelt u de mening dat de toenemende publicatiedruk een kwalijke rol speelt in deze zaken? Zo ja, wat gaat u doen om deze druk te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan geen oplossing bieden voor het vraagstuk van de publicatiedruk. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vragen van Van Meenen en Mei Li Vos over perverse prikkels in de wetenschap (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 608). Ik heb wel een opvatting over de attitude die ik van wetenschappers verwacht en die is dat alle wetenschappers zich de vraag dienen te stellen wat het doel van een publicatie is. Ik constateer dat deze vraag actueel is in de wetenschappelijke gemeenschap en ik zie dat veel wetenschappelijke tijdschriften steeds kritischer worden op wat zij publiceren. Dat zijn goede ontwikkelingen en ik laat ook niet na dit uit te dragen.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat een wetenschapper meerdere artikelen per week kan publiceren zonder dat daar alarmbellen over afgaan bij de betrokken instelling?
Ik ben van mening dat publiceren om het publiceren de wetenschap niet verder brengt. Publicaties dienen tot doel te hebben nieuwe inzichten voort te brengen of inzicht te bieden in de reproduceerbaarheid van reeds gedaan onderzoek. Elke wetenschapper die met dat motief en met inachtneming van de gedragscode wetenschapsbeoefening een groot aantal artikelen gepubliceerd weet te krijgen, verdient erkenning.
Bent u van mening dat het huidige systeem van «zelfreiniging» door de universiteiten voldoende functioneert? Zo ja, waarop baseert u die aanname? Zo nee, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Ja, het systeem werkt naar mijn mening voldoende. De VU heeft een anonieme klacht over plagiaat door een promovendus in een nog niet verdedigd proefschrift voorgelegd aan een wetenschappelijke integriteitscommissie. Daarbij is de promotie opgeschort. De aanbevelingen van de commissie zijn door alle betrokkenen overgenomen. Zoals te doen gebruikelijk, is de geanonimiseerde samenvatting op de website van de VSNU geplaatst, in dit geval direct na het verstrijken van de beroepstermijn. Na de berichten over (zelf)plagiaat door de promotor, heeft de VU een breed onderzoek ingesteld naar al het werk van de betrokkene, van de betrokkene samen met co-auteurs en van anderen. De KNAW heeft geconstateerd dat de regels over citeren verduidelijking behoeven en komt hierover met een advies. Dat toont aan dat het systeem voldoende werkt.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat de gedragscode voor wetenschap en onderzoek daadwerkelijk wordt nageleefd?
Naleving van de gedragscode behoort tot de verantwoordelijkheid van de instellingen en de onderzoekers. Ik merk dat de instellingen meer aandacht zijn gaan besteden aan integere wetenschapsbeoefening. Daarbij ligt de focus niet alleen op de huidige onderzoekers. Juist ook in de opleiding van toekomstige onderzoekers is steeds meer aandacht voor het bewust omgaan met integriteitsnormen. Verder constateer ik dat het aantoonbaar schenden van de integriteitsnormen grote gevolgen heeft gehad voor de betrokken wetenschappers. Verwacht mag worden dat hier een afschrikwekkend effect vanuit gaat, al kan helaas niet worden voorkomen dat er nieuwe gevallen van schending kunnen optreden.
Het artikel ‘Cao in Onderwijs niet rechtsgeldig’ |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Cao in onderwijs niet rechtsgeldig»?1
Ja.
Bent u het met de auteur van het artikel eens dat, alhoewel werkgevers en vakbonden in de onderwijssector collectieve afspraken over arbeidsvoorwaarden maken, van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) geen sprake is? Zo nee, waarom niet? Onderschrijft u zijn conclusie dat daarmee de afspraken niet doorwerken naar de individuele arbeidsovereenkomst? Zo nee, waarom niet?
Onderwijs-cao’s zijn, voor zover de bepalingen daarin betrekking hebben op het personeel met een arbeidsovereenkomst, cao’s in de zin van artikel 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst. De cao-afspraken werken door naar de individuele arbeidsovereenkomsten via het van toepassing verklaren van de desbetreffende cao’s in deze overeenkomsten. Voor het openbaar onderwijs is daarvoor een afzonderlijk besluit van het bevoegd gezag noodzakelijk.
Herkent u de problemen die de auteur in zijn artikel schetst, namelijk dat er bij de overheidscentrales geen sprake is van een vereniging van werknemers, maar van verenigingen van verenigingen?
Ja. Artikel 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst vereist dat cao’s afgesloten worden door verenigingen van werknemers. In een enkel geval is in het onderwijs nu nog sprake van een ondertekening van een (lopende) cao door centrales van overheids- en onderwijspersoneel in plaats van werknemersverenigingen. In de praktijk heeft dit overigens geen problemen opgeleverd voor de doorwerking van de gemaakte cao-afspraken. Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 2. Nieuwe onderwijs-cao’s zullen – overeenkomstig de voorschriften in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst – worden afgesloten met werknemersverenigingen.
Erkent u dat het daarnaast de vraag is of de werkgevers in de VO-Raad wel statutair bevoegd zijn een cao af te sluiten en dat afspraken over collectieve arbeidsvoorwaarden voor het onderwijs niet kunnen worden aangemeld op grond van de Wet op de loonvorming en dat daarmee aan deze overeenkomst niet de status van cao kan worden toegekend? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de eigen statuten is de VO-raad bevoegd om cao’s af te sluiten voor het personeel dat werkzaam is bij rechtspersonen die één of meer scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, in stand houden. In tegenstelling tot hetgeen in het artikel «Cao in Onderwijs niet rechtsgeldig» wordt gesuggereerd, is de reikwijdte van de cao vo niet ruimer dan deze statutaire bevoegdheid en sluit deze cao dus aan op de statutaire bevoegdheid van de VO-raad.
Onderwijs-cao’s worden in de praktijk afgesloten voor zowel onderwijzend als niet-onderwijzend personeel en worden door de cao-partijen aangemeld bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Cao-partijen ontvangen vervolgens een kennisgeving van ontvangst waarmee de cao’s in werking treden. De basis voor de aanmelding van cao’s is neergelegd in de Wet op de loonvorming. Deze wet geldt van oudsher onder meer niet voor personeel van publiekrechtelijke lichamen en niet voor onderwijzend personeel. Ik zal in overleg met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bezien of de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming die in het onderwijs heeft plaatsgevonden en de ontwikkelingen in het arbeidsrecht, aanleiding geven om de Wet op de loonvorming aan deze ontwikkelingen aan te passen.
Indien u de mening van de auteur van het artikel onderschrijft, wat betekent dit dan in formele en praktische zin voor de cao? Bent u bereid maatregelen te treffen, waardoor de cao in het onderwijs wel rechtsgeldig is? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor de antwoorden op de voorgaande vragen.
Het bericht ‘School doet er alles aan om van oudere leraar af te raken’ |
|
Norbert Klein (50PLUS), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «School doet er alles aan om van oudere leraar af te raken»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat CNV-Onderwijs schetst dat oudere docenten «bij het grofvuil gezet» worden?
Nee, dat beeld herkennen wij niet.
Beschikt u over cijfers die het beeld onderschrijven of ontkrachten dat oudere docenten relatief vaak betrokken zijn bij conflict- en ontslagzaken en dat hier sprake lijkt van een brede tendens in het onderwijs?
Het UWV publiceert kwartaalcijfers over de instroom van leraren in de WW. Voor het jaar 2013 zijn op dit moment alleen de instroomcijfers over de eerste 3 kwartalen beschikbaar. De UWV-cijfers laten een stijging van de instroom in de WW zien van zowel oudere als jongere leraren. Zie hiervoor onderstaande tabel.
Leeftijd
Instroom WW
Instroom WW
verschil 2013–2012
1e t/m 3e kwartaal 2012
1e t/m 3e kwartaal 2013
PO
VO
MBO
PO
VO
MBO
PO
VO
MBO
<35 jaar
2458
530
354
3190
652
343
+732
+122
-11
≥55 jaar
658
370
223
890
436
247
+232
+66
+24
Als de instroom van oudere leraren in de WW wordt afgezet tegen het totaal aantal oudere leraren in het onderwijs, kan niet worden gesteld dat oudere leraren relatief vaak worden ontslagen. Van het aantal leraren van 55 jaar en ouder in het primair onderwijs (31 457) is in de eerste 3 kwartalen van 2013 2,8% ingestroomd in de WW. Van het aantal leraren van 55 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (20 420) is 2,1% ingestroomd in de WW en van de 11225 leraren van 55 jaar en ouder in het middelbaar beroepsonderwijs 2,2%.
Ter vergelijking: van het aantal leraren in het primair onderwijs jonger dan 35 jaar (41 800) is in de eerste 3 kwartalen van 2013 7,6% ingestroomd in de WW en van het aantal leraren in het voortgezet onderwijs jonger dan 35 jaar (19 828) 3,3%. De hogere instroom in de WW bij jongere leraren heeft deels te maken met de afloop van tijdelijke contracten aan het einde van het schooljaar. Een deel van deze leraren kan in het nieuwe schooljaar weer aan de slag.
Klopt het dat bij het ontslag van deze groep docenten financiële motieven een rol spelen voor scholen en schoolbestuurders? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
Het gestegen aantal WW-uitkeringen in het onderwijs is voor een belangrijk deel te verklaren door een daling van het aantal leerlingen (primair onderwijs) en omdat scholen nu de formatie in lijn brengen met de bekostiging. Door een dalend aantal geboorten is het aantal leerlingen in het primair onderwijs tussen 2009 en 2012 gedaald met 3%. Schoolbesturen vertalen deze daling vanaf 2010 door in hun personeelsbezetting.
Deelt u de mening dat (oudere) docenten niet de dupe mogen worden van slecht personeelsbeleid van scholen? Zo ja, hoe wilt u hier zorg voor dragen?
We hebben geen reden om aan te nemen dat oudere leraren nu de dupe worden.
In de onderwijscao’s zijn stringente bepalingen opgenomen met betrekking tot onder meer werkgelegenheids- en ontslagbeleid, waaraan de werkgever is gehouden. Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving hiervan.
Het voeren van een goed personeelsbeleid is de verantwoordelijkheid van de scholen zelf. In de bestuursakkoorden die met de sectororganisaties zijn gesloten, zijn goede afspraken gemaakt over onder meer de versterking van het personeelsbeleid binnen de scholen. Ook zijn in het Nationaal Onderwijsakkoord afspraken gemaakt over een nieuwe gemoderniseerde seniorenregeling, die gericht is op de duurzame inzetbaarheid van ouderen. Hieraan zal aan de cao-tafels verdere invulling moeten worden gegeven.
Deelt u de mening dat het bijhouden van de bekwaamheid van oudere docenten een gedeelde verantwoordelijkheid is van school(bestuur) en docent? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het beeld van CNV-Onderwijs dat stelt dat de verantwoordelijkheid hiervoor vaak eenzijdig bij de docent wordt neergelegd door scholen?
Het bijhouden van de bekwaamheid van (oudere) docenten is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid voor de werkgever en werknemer. In de paragrafen in de onderwijscao’s die betrekking hebben op scholing en professionele ontwikkeling, is dit ook expliciet vastgelegd. Op grond van de cao dient de werkgever in overleg met de personeelsgeleding van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (P(G)MR) het meerjarenbeleid met betrekking tot scholing en professionalisering te formuleren. Het onderhoud van de bekwaamheid is één van de doelen waarop het scholingsbeleid moet zijn gericht. In het kader van de professionele gesprekkencyclus (bestaande uit loopbaangesprekken, functioneringsgesprekken en beoordelingen) dienen tussen werkgever en werknemer afspraken te worden gemaakt over specifieke scholing en deskundigheidsbevordering die nodig is voor het onderhoud van de bekwaamheid. De werkgever moet de werknemer door de beschikbaarstelling van faciliteiten in tijd en geld ook in staat stellen om aan de wettelijke onderhoudsplicht te voldoen.
Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving van deze cao-afspraken.
Deelt u de mening dat oudere docenten een belangrijke rol kunnen en moeten spelen in de begeleiding van startende docenten?
Ja, wij vinden dat oudere leraren, gelet op hun kennis en ervaring, een belangrijke rol zouden kunnen spelen in de begeleiding van startende leraren. Het is echter aan de schoolbesturen zelf om hier in het kader van levensfasebewust personeelsbeleid en taakbeleid invulling aan te geven.
Bent u bereid deze rol van oudere docenten te verbeteren en u in te spannen hun kennis en kunde te behouden voor het onderwijs? Zo ja, op welke wijze wilt u dit gaan doen?
In het Nationaal Onderwijsakkoord is de totstandkoming van een nieuwe seniorenregeling afgesproken, die participatie- en kwaliteitsbevorderend is. Doel daarvan is om ouderen duurzaam te kunnen inzetten. Op de cao-tafels zal hieraan verdere invulling moeten worden gegeven.
Het is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om binnen de in de cao gemaakte afspraken over taakbeleid, met individuele werknemers afspraken te maken over hun inzet, rekening houdend met hun belastbaarheid, kennis en ervaring. Gelet op de kennis en ervaring van oudere leraren zouden deze naar onze mening een belangrijke rol kunnen spelen in de introductie en begeleiding van beginnende leraren op de school. Het is echter aan het schoolbestuur zelf om in overleg met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad het taakbeleid vast te stellen.
Het falend onderwijstoezicht op Ibn Ghaldoun |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onderwijsinspectie faalde bij toezicht op Ibn Ghaldoun»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) dat de onderwijsinspectie pas na de examendiefstal in samenhang naar alle kwesties rond Ibn Ghaldoun is gaan kijken?
In zijn algemeenheid onderschrijf ik de conclusies van de analyse door de inspectie, het essay van de NSOB en van externe validatie door ABD Topconsult. Achteraf bezien is de conclusie dat er voldoende toezicht was, maar dat dit te gefragmenteerd was. Belangrijker is naar mijn mening de conclusie dat het onderzoek van de inspectie van afgelopen zomer wel alle omstandigheden samenhangend in beeld heeft gebracht en dat mede daardoor het toezicht van de inspectie rijker en breder wordt.
Deelt u de opvatting dat bij (zeer) zwakke scholen altijd aandacht zou moeten zijn voor de samenhang tussen verschillende kwesties? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgdragen? Op welke termijn wordt de Kamer hierbij betrokken?
Met ingang van augustus 2014 zal de inspectie op bestuursniveau oordelen, als er sprake is van risico’s het gebied van kwaliteit (bij afdelingen), financiën of bij signalen. Uit die beoordeling kan naar voren komen dat een onderzoek naar het bestuurlijk handelen gewenst is. In het toezicht op het bestuurlijk handelen heeft de inspectie daarnaast oog voor de toezichthistorie en de specifieke context waarin het bestuur opereert.
Ik voer met de inspectie geregeld overleg over mogelijk risicovolle situaties op scholen, zodat er tijdig kan worden ingegrepen wanneer dat nodig is. De inspectie zal daarbij goed rekening houden met de aansluiting van haar toezicht op mijn interventiemogelijkheden.
Hoe verklaart u het feit dat de onderwijsinspectie, ondanks constateringen en signalen van derden, niet eerder heeft ingegrepen bij Ibn Ghaldoun?
Tot nu toe was er veel, maar fragmentarisch toezicht op Ibn Ghaldoun, waarbij het ontbroken heeft aan samenhang in de toezichtactiviteiten. Daarbij is wel steeds overeenkomstig het toezichtkader en volgens de beslisregels geoordeeld. Door de sterk gestandaardiseerde werkwijze zijn echter belangrijke aspecten, die geen deel uitmaken van de set van normindicatoren, te weinig in de beoordeling betrokken. Hierdoor is onder meer de context waarin Ibn Ghaldoun opereerde en de toezichthistorie onvoldoende meegewogen. Elke nieuwe bestuurder en schoolleider kregen steeds weer het voordeel van de twijfel en het vertrouwen. Signalen zijn door de inspectie wel opgepakt, maar achteraf bezien te laat.
Hoeveel signalen van derden zijn er nodig voor een onderzoek door de inspectie?
Elk signaal wordt door inspectie gewogen qua zwaarte en urgentie. Vooraf is niet aan te geven dat een bepaald aantal signalen van derden een noodzakelijke aanleiding is voor onderzoek door de inspectie.
Welke maatregelen heeft de inspectie getroffen en welke afspraken heeft de inspectie, vanwege de jarenlange constateringen dat er iets mis was op Ibn Ghaldoun, gemaakt om de kwaliteit te verbeteren?
De inspectie werkt continu aan de verbetering van haar toezicht. De ervaringen met Ibn Ghaldoun leiden tot aanpassing in verwerking van signalen en tot het sneller oordelen op bestuursniveau, waarbij rekening wordt gehouden met de toezichthistorie en de specifieke context waarin het bestuur opereert.
Kunt u bovenstaande vragen (en antwoorden hierop) en de analyse van de NSOB betrekken bij het «what if»-scenario dat op verzoek van de Kamer wordt opgesteld inzake Ibn Ghaldoun?
Wat er gebeurd zou zijn als er geen examendiefstal had plaatsgevonden is een vraag die niet met zekerheid is te beantwoorden. Ieder «what if»-scenario heeft een hoog speculatief karakter. Relevant in dit kader is de reeds in gang gezette ontwikkeling van geïntegreerd toezicht en de introductie van toezicht op bestuurlijk handelen. Zoals ook in de externe validering wordt aangegeven is de veronderstelling gerechtvaardigd dat ook zonder examenfraude in de loop van 2013 een inspectieonderzoek naar het bestuurlijk handelen van Ibn Ghaldoun op de agenda zou zijn gekomen.
De telsystematiek voor educatiebudgetten |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Is het waar dat de hoogte van het educatiebudget van gemeenten wordt bepaald op basis van het aantal educatietrajecten dat de gemeente aanbiedt?
De hoogte van het educatiebudget van gemeenten in 2013 en 2014 is bepaald op basis van vier indicatoren, die elk voor 25% meetellen in de berekening. Deze indicatoren zijn: het percentage laagopgeleiden in een gemeente, het percentage inwoners met een allochtone achtergrond, het aantal door gemeenten bij roc’s ingekochte educatietrajecten en het aantal behaalde NT-2 certificaten.
Kunt u uiteenzetten wat u precies verstaat onder een educatietraject? Kunt u daarbij specificeren hoe en door wie het aantal educatietrajecten wordt vastgesteld?
Bij de invoering van het participatiebudget in 2009 is ervoor gekozen het begrip educatietraject niet nader te definiëren, zodat gemeenten voldoende beleidsvrijheid hadden om dit naar eigen inzicht in te vullen. Behalve aanbod gericht op de verbetering van taal- en rekenvaardigheden, valt hierbij ook te denken aan een sollicitatietraining voor een werkzoekende of cursus budgettering voor laaggecijferden. Gemeenten hebben immers goed zicht op de opleidingsbehoeften van hun inwoners en daardoor op de invulling en inkoop van daarbij behorende trajecten. Gemeenten en roc’s maken onderling afspraken over de invulling van de aangeboden educatietrajecten, bijvoorbeeld met betrekking tot het aantal onderwijsuren. Het is dus aan gemeenten en roc’s om het aantal educatietrajecten vast te stellen. Gemeenten leggen hierover verantwoording af via het Single Information Single Audit (SiSa) systeem.
Op basis van welke criteria moeten gemeenten het aantal educatietrajecten berekenen en vaststellen?
Gemeenten stellen op basis van de behoefte van hun inwoners en het beschikbare budget vast welke en hoeveel educatietrajecten zij inkopen. Gemeenten verantwoorden het aantal bij roc’s ingekochte educatietrajecten via SiSa.
Is het waar dat gemeenten verschillende telsystemen gebruiken? Zo ja, kunt u dit verklaren? Kunt u aangeven welke verschillende systemen er in de gemeenten gebruikt worden?
Het is niet zo dat gemeenten verschillende systemen gebruiken om educatietrajecten te tellen. Wel bestaan er tussen gemeenten verschillen in de invulling en omvang van educatietrajecten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is bij de invoering van het participatiebudget in 2009 ervoor gekozen gemeenten voldoende beleidsvrijheid te geven om educatietrajecten binnen de wettelijke kaders naar eigen inzicht in te vullen.
Deelt u de mening dat verschillende manieren van tellen leidt tot een onevenredige verdeling van budgetten?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 reeds heb aangegeven, tellen gemeenten de educatietrajecten niet op verschillende manieren. Wel bestaan er, binnen de gestelde wettelijke kaders, verschillende invullingen van educatietrajecten voortvloeiend uit afspraken tussen gemeenten en roc’s. De maatstaf ingekochte educatietrajecten telt, als één van de vier maatstaven, voor 25% mee in de verdeelsystematiek van de educatiemiddelen in 2013 en 2014.
Hoeveel middelen worden in totaal besteed aan educatiebudgetten? Kunt u daarbij specificeren hoe dit geld over gemeenten wordt verdeeld?
Het beschikbare budget voor educatie is € 53 miljoen per jaar voor 2013 en verder. Voor de wijze van verdeling van educatiemiddelen verwijs ik u kortheidshalve naar mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling is dat bepaalde gemeenten meer geld krijgen dan anderen, doordat zij een andere manier van tellen hanteren? Zo ja, bent u bereid dit op te lossen?
Zoals ik u in mijn antwoord op vraag 5 al heb meegedeeld, is er geen sprake van het tellen van educatietrajecten op verschillende manieren. Wel kan de invulling van educatietrajecten tussen gemeenten verschillen.
Bent u bereid tot een heldere, uniforme definitie van educatietraject en bijbehorende telsystematiek te komen?
Sinds 1 januari 2013 is het educatieaanbod gefocust op opleidingen Nederlandse taal en rekenen en hiervoor zijn eindtermen vastgesteld. Zoals ik u in mijn brief van 14 januari jl. (kamerstuk 28 760, nr. 36) over de toekomst van de educatie heb aangegeven, bereid ik thans een wetsvoorstel voor waarmee de educatiemiddelen per 2015 als specifieke uitkering aan regio’s worden uitgekeerd. Binnen deze regio’s zullen coördinerende gemeenten een regierol vervullen bij het regionaal organiseren van het educatieaanbod. In het kader van voornoemd wetsvoorstel bezie ik welke verdeelmaatstaven het meest passend zijn.
Het bericht ‘Salaris bestuurder mbo wordt afhankelijk van aantal studenten’ |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Salaris bestuurder mbo wordt afhankelijk van aantal studenten»?1
Ja.
Op welke manier verhoudt het belonen naar het aantal studenten op een Regionaal Opleidingscentrum (ROC) zich tot de problematiek die zich voor heeft gedaan bij ROC’s die alsmaar groter werden?
De bezoldiging van de bestuurder is weliswaar afhankelijk van de omvang van de instelling, maar studentenpopulatie en arbeidsmarkt zijn normaliter niet zodanig te beïnvloeden dat de bezoldiging van een bestuur in zijn benoemingstermijn enorm kan stijgen.
De bezoldiging van de mbo bestuurder wordt aan de bovenkant begrensd door het sectorale mbo maximum. De sector zelf reguleert de bezoldiging van bestuurders in de code. De raden van toezicht zijn verantwoordelijk voor toepassing en handhaving van de normen.
Deelt u de mening dat door deze maatregel het risico bestaat van het vergroten van ROC’s, enkel omwille van de beloning van bestuurders?
De beloningscode dient, bovenop de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), als instrument voor zelfregulering van de beloningen van mbo-bestuurders, maar is geen wetgeving. Het doel van de beloningscode is om te differentiëren onder het sectorale maximum om zo opwaartse druk naar het sectorale maximum te voorkomen.
De individuele raden van toezicht vervullen een belangrijke rol bij de bepaling van de hoogte van het salaris van een bestuurder. Zij gebruiken daarbij de code als richtinggevend kader. Ik ga er vanuit dat raden van toezicht handelen in het belang van de instelling. Groei in het aantal studenten hoeft er niet perse voor te zorgen dat een bestuurder meer gaat verdienen. Echter een grotere instelling met substantieel meer studenten, brengt zwaardere verantwoordelijkheden met zich mee en wordt daarom ook hoger beloond. Dat is in de code vormgegeven. De beloning mag in elk geval niet boven het sectorale plafond uitstijgen en moet passen binnen de beloningsklasse. Het is aan de raden van toezicht om daarnaar te handelen.
In andere sectoren is de vormgeving van de klassenindeling onder het verlaagde beloningsmaximum ook door het veld zelf geregeld. Ik zal de code jaarlijks monitoren. Ik kan over één tot twee jaar nagaan wat de effecten zijn van de beloningscode. Mocht er dan aanleiding zijn voor het anders vormgeven van salarisklassen, bijvoorbeeld middels een ministeriële regeling, dan zal ik dit doen. De beloningscode is tot stand gekomen in overleg tussen bestuurders en het platform van toezichthouders van mbo-instellingen. Op dit moment ligt de verantwoordelijkheid voor de beloningen van mbo-bestuurders bij de mbo-sector. Ik heb er alle vertrouwen in dat de sector deze verantwoordelijkheid kan dragen.
Daarnaast ben ik, conform Regeerakkoord, voornemens om met ingang van 1 januari 2015 te WNT zo aan te passen dat de bezoldiging van een topfunctionaris in de publieke sector 100% van een ministersalaris bedraagt. Op dit moment is dit nog 130%. Er zal dan ook gekeken worden naar de sectorale plafonds. Ook heb ik een moreel appel gedaan op bestuurders, die op basis van oude afspraken, nu nog boven het sectorale maximum verdienen. Hier is op grote schaal gehoor aan gegeven.
Kunt u de differentiatie in de beloning inzichtelijk maken en in een tabel weergeven welke beloning hoort bij een ROC van 1.000 studenten en vervolgens welke beloning hoort bij iedere 500 studenten extra (dus 1.500, 2.000, 2.500 etc.)?
Ja, zie hieronder.
Grootte van de instelling
Minimumbedrag
Maximumbedrag
0–8.000
€ 117.931
€ 160.094
8000–18.000
€ 133.897
€ 179.184
18.000 en meer
€ 149.862
€ 198.279
Hoe verhoudt deze nieuwe beloning zich tot de motie-Van Meenen over het instellen van een cao voor bestuurders in het middelbaar beroepsonderwijs (en het hoger onderwijs)?2
Vooropgesteld, het al dan niet instellen van een cao voor bestuurders in het middelbaar beroepsonderwijs (en het hoger onderwijs) is een verantwoordelijkheid voor de sectoren zelf. De motie roept (mede) op tot het instellen van een cao om mogelijk onwenselijk gedrag in beloning en salariëring tegen te gaan. Om dit onwenselijke gedrag voor de gehele publieke sector tegen te gaan is per 1 januari 2013 de WNT in werking getreden, met daarin de mogelijkheid een verdere normering onder het wettelijk maximum vast te stellen. OCW heeft op basis van deze mogelijkheid de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW sectoren vastgesteld, in de nieuwe beloningscode worden salaristreden onder het bezoldigingsmaximum uit deze regeling afgesproken.
In de brief Versterking governance in de praktijk, die in januari aan uw Kamer zal worden gezonden, zal verder op deze motie worden ingegaan.
Hoe verhoudt deze nieuwe beloning voor bestuurders in het middelbaar beroepsonderwijs zich tot de beloningscode in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs?
Net als in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs geeft het middelbaar beroepsonderwijs met deze code invulling aan het verzoek om te komen tot een klassenindeling onder het verlaagde beloningsmaximum van € 198.279 (niveau 2013) bij de WNT. Voor de sectoren primair onderwijs en voortgezet onderwijs ligt het beloningsmaximum op € 164.551 resp. € 182.948. Voor de indeling in een salarisklasse hanteert de code het objectieve criterium van studentenaantallen; in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs hanteert men leerlingenaantallen. Verschil met de sectoren primair onderwijs en voortgezet onderwijs is dat in die sectoren een cao is afgesloten, waarin naast de beloning ook overige arbeidsvoorwaarden zijn opgenomen. De bestuurders in het mbo vallen niet onder een cao, maar maken individuele afspraken over arbeidsvoorwaarden, waarbij de beloningscode als richtinggevend kader dient.
Het bericht dat scholen niet klaar zijn voor passend onderwijs |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Scholen niet klaar voor passend onderwijs»1 en het persbericht van ECPO «Passend Onderwijs: Code Oranje»?2 3
Ja.
Bent u het eens met de constatering van ECPO dat de belangrijkste spelers (docenten en ouders) niet weten waar zij aan toe zijn met de invoering van passend onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Veel leraren en ouders weten inderdaad nog niet precies waar ze aan toe zijn. De verschillen tussen samenwerkingsverbanden zijn echter groot. Er zijn ook samenwerkingsverbanden waar docenten en ouders goed betrokken zijn bij passend onderwijs, bijvoorbeeld door middel van ouderbijeenkomsten, websites en nieuwsbrieven.
Wat vindt u ervan dat scholen nu niet voldoende in staat zijn om goede voorlichting te geven over wat passend onderwijs inhoudt op hun school waardoor ouders geen goede keuze kunnen maken voor een passende school voor hun kind?
Ik vind dat scholen op tijd geïnformeerd moeten zijn over de consequenties van de invoering van passend onderwijs, zodat zij ook ouders goed kunnen informeren in verband met de schoolkeuze voor hun kind. De meeste voorlichtingsbijeenkomsten vinden in het voorjaar van 2014 plaats. De besturen van de samenwerkingsverbanden hebben de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat scholen dan weten waar zij aan toe zijn.
Op welke wijze gaat u er voor zorgen dat ouders en kinderen niet tussen wal en schip vallen bij de samenwerkingsverbanden waar het niet goed op orde is?
Ik geef een extra impuls aan het invoeringsprogramma passend onderwijs in samenwerking met de onderwijsorganisaties. Dit gebeurt in aanvulling op het bestaande invoeringsprogramma. Ik heb schoolbesturen al opgeroepen om zo snel mogelijk in gesprek te gaan met ouders en leraren en de eerste extra acties zijn al van start gegaan. In de brief bij de derde voortgangsrapportage passend onderwijs die op 10 december jl. naar uw Kamer is gestuurd ga ik hier uitgebreid op in. Ook beschrijf ik in die brief welke mogelijkheden ik heb om in te grijpen als een samenwerkingsverband niet aan de wettelijke taken voldoet.
Bent u bereid gehoor te geven aan de oproep van ECPO om zo snel als mogelijk met organisaties van ouders, docenten, schoolleiders en besturen om tafel te gaan zitten om te zorgen dat na het bestuurlijke proces de focus wordt verlegd naar de inhoud?
Op dit moment werk ik intensief samen met deze organisaties. De extra impuls zoals beschreven in bovengenoemde brief is in samenwerking met de organisaties tot stand gekomen en wordt in samenwerking met hen uitgevoerd.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over Passend Onderwijs d.d. 18 december 2013?
Ja.
Het oneigenlijk gebruik van de fusiecompensatieregeling |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met signalen van ouders die wijzen op het oneigenlijk gebruik van de fusiecompensatieregeling door scholen, die mogelijk een premie ontvangen voor een fusie met een kleine (laatste) school in een dorp en die vervolgens na de fusie de kleine school sluiten?
Nee. Door fusie daalt de bekostiging. Na een fusie is de bekostiging niet toereikend om twee scholen in stand te houden. De compensatieregeling zorgt er voor dat de bekostiging langzamer daalt. De sluiting van een school door fusie met een andere school duidt niet op oneigenlijk gebruik van de fusiecompensatieregeling.
De regeling biedt een tijdelijke compensatie voor het bekostigingsverlies dat ontstaat door fusie van twee scholen die vóór de fusie apart bekostigd werden. De bekostiging van de school die door fusie ontstaat, is minder dan die de twee gefuseerde scholen eerder samen kregen. Om de gefuseerde school de tijd te geven de financiële huishouding aan te passen aan de nieuwe situatie, wordt het verschil tussen de bekostiging voor en na de fusie in vijf jaren afgebouwd: in het eerste jaar na fusie ontvangt de school 100 procent van het verschil, in het tweede jaar 80 procent en de daarop volgende jaren telkens 20 procent minder.
De medezeggenschapsraden van beide scholen moeten met een fusie instemmen. Daarbij moet het de medezeggenschapsraden, als vertegenwoordigers van onder andere de ouders, vooraf bekend zijn dat één van de te fuseren scholen wordt gesloten.
Deelt u de mening dat scholen, vooral in krimpgebieden, moeten samenwerken (waaronder fuseren) om te kunnen bestaan? Hoe beoordeelt u de signalen dat scholen door de overheid worden gecompenseerd voor een fusie die door het sluiten van een andere school feitelijk niet tot stand komt?
Ik juich samenwerking tussen scholen met name in gebieden met leerlingendaling van harte toe. Bij fusie kunnen de twee scholen niet zelfstandig doorgaan. Er is altijd sprake van beëindiging van één van de betrokken scholen die samengaat met de andere.
Hoeveel gevallen zijn u bekend van scholen die na de fusie en na het ontvangen van de fusiecompensatie gefuseerde scholen afstoten of sluiten?
Per 1 augustus 2013 zijn 95 scholen gefuseerd die gebruikmaken van de fusiecompensatieregeling. Bij hoeveel van deze fusies sprake is van sluiting van een vestiging, weet ik niet.
Indien er dergelijke gevallen bekend zijn, welke maatregelen gaat u treffen om het oneigenlijk gebruik van de fusiecompensatieregeling te voorkomen?
Zie 1. Als blijkt dat zich misbruik of oneigenlijk gebruik van de fusiecompensatieregeling voordoet, zal ik treffende maatregelen nemen en onrechtmatig verkregen bekostiging terugvorderen.
Het bericht dat scholen steeds minder vaak schoolzwemmen aanbieden |
|
Renske Leijten , Jasper van Dijk |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat gemeenten massaal stoppen met de financiering van schoolzwemmen?1
Hiervan heb ik kennis genomen. In antwoord op eerdere Kamervragen (kamerstukken 2009Z14143, 2010Z10598 en 2013Z15435) heb ik aangegeven dat de verantwoordelijkheid bij het leren zwemmen als volgt is verdeeld: de zwemvaardigheid van kinderen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders, daarbij ondersteund door scholen en gemeenten. Scholen zijn sinds 1983 niet meer verplicht om schoolzwemmen aan te bieden.
Hoe verklaart u de enorme daling van het aantal kinderen dat deelneemt aan schoolzwemmen, van 90% in 1991 naar 43% in 2012? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Volgens de Vereniging Sport en Gemeenten komt dit mede door bezuinigingen bij gemeenten. Veel kinderen in de schoolzwem-leeftijd kunnen al zwemmen en gemeenten zien daarom te weinig toegevoegde waarde in het subsidiëren van schoolzwemmen. Dat blijkt ook uit het feit dat 94% van alle kinderen een zwemdiploma haalt (Zwemmen in Nederland, Mulier Instituut, 2013).
Vindt u het niet ook schokkend dat 1 op de drie gemeenten de afgelopen collegeperiode bezuinigd heeft op schoolzwemmen? Hoe verklaart u dit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Het bedrag dat de Rijksoverheid aan gemeenten overmaakt (via het gemeentefonds) voor schoolzwemmen is de afgelopen jaren ongeveer hetzelfde gebleven. Dit bedrag is niet geoormerkt.
Is het waar dat 35 procent van de leerlingen aan het eind van groep 8 geen zwemdiploma heeft gehaald als de zwemles niet via school wordt aangeboden? Wat is uw reactie hierop?3
Nee, uit de rapportage «Zwemmen in Nederland» blijkt dat 94% van alle kinderen een zwemdiploma haalt.
Is het waar dat in Maastricht scholen bestaan waar 45–71% van de leerlingen geen zwemdiploma meer haalt? Wat is uw reactie hierop?
Er wordt geen landelijke, verplichte registratie bijgehouden over hoe het diplomabezit verdeeld is over steden en regio’s. De Vereniging Sport en Gemeenten heeft met financiële steun van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een registratiesysteem ontwikkeld genaamd «Waterdicht». Aangezien Maastricht niet meedoet aan deze zwemmonitor, kan ik daar geen uitspraken over doen.
Hoe verhouden deze cijfers zich tot andere steden/regio’s wat betreft het aantal zwemdiploma’s dat behaald wordt? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het pijnlijk is dat vooral kinderen uit achterstandsgezinnen geen zwemdiploma halen als gevolg van het feit dat schoolzwemmen steeds minder wordt aangeboden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo nee, waarom niet?
Binnen de groep allochtonen blijkt dat met name kinderen uit Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse gezinnen relatief minder vaak een zwemdiploma halen. Dit betekent overigens niet automatisch dat deze kinderen geen zwemles krijgen of hebben gehad.
Om de zwemvaardigheid te stimuleren onder kinderen uit achterstandsgezinnen heeft de Rijksoverheid van 2002 tot 2005 een stimuleringsregeling zwemvaardigheid opgezet. In 2005 en 2006 is uw Kamer geïnformeerd over het stopzetten van deze zogenaamde «vangnetregeling» (2005–2006, 30 300 VIII, nr. 85 en 30 800 XVI en 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 28). Een van de redenen hiervoor was dat de meerwaarde ervan niet kon worden aangetoond.
Het is aan gemeenten zelf of zij wel of niet de zwemvaardigheid en het schoolzwemmen stimuleren. Ik zie geen aanleiding om de huidige verantwoordelijkheidsverdeling aan te passen.
Zijn het tevens relatief veel kinderen van nieuwkomers die geen zwemles krijgen? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is uw reactie op de constatering van het Mulier Instituut, dat volgens SCP-cijfers «vangnetgemeenten» met name succesvol zijn in het vergroten van het aantal behaalde zwemdiploma’s onder allochtone kinderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel verdrinkingsdoden vallen er jaarlijks in Nederland en hoeveel in de afgelopen 10 jaar? Welk deel daarvan betreft kinderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie figuur 1. Volgens het rapport «Zwemmen in Nederland» ligt het gemiddeld aantal verdrinkingen met dodelijke afloop, afhankelijk van de definitie en de bron, tussen de tientallen en enkele honderden mensen per jaar. Als we kijken naar de historische ontwikkeling dan blijkt dat het aantal jonge slachtoffers zich gunstig heeft ontwikkeld ten opzichte van eind jaren negentig.
Bron: Statistiek niet-natuurlijke dood 1995–2012, Centraal Bureau voor de Statistiek.
Deelt u de mening dat schoolzwemmen bijdraagt aan vermindering van het aantal verdrinkingsdoden? Zo ja, waarom onderneemt u dan geen actie om het schoolzwemmen te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat leren zwemmen bijdraagt aan vermindering van het aantal verdrinkingen met dodelijke afloop. Zoals de schrijvers van het rapport «Zwemmen in Nederland» echter aangeven, geeft schoolzwemmen, of het hebben van een zwemdiploma nog steeds geen garantie dat een kind zich te allen tijde weet te redden in onverwachte situaties in het water. Vaardigheden op peil houden en conditie zijn minstens even belangrijk. Het is ook belangrijk dat ouders zich realiseren dat je jonge kinderen niet alleen kunt laten zwemmen. Daarom is ouderlijk toezicht zo belangrijk. Daarnaast draagt het organiseren van professioneel toezicht in zwembad, aan het strand of bij ander open water bij aan het verhogen van de veiligheid.
Erkent u het grote belang van schoolzwemmen voor leerlingen die van huis uit geen zwemles krijgen? Zo ja, waarom heeft u de enorme bezuinigingen op het schoolzwemmen de afgelopen jaren laten passeren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1, 7 t/m 9 en 11.
Ziet u het zelf leren zwemmen als een goed voorbeeld van de participatiesamenleving of erkent u dat zwemvaardigheid een kwestie van leven en dood kan zijn waarbij u ook een verantwoordelijkheid heeft?
Zie het antwoord op vraag 1, 7 t/m 9 en 11.
Gaat u zich ervoor inspannen dat meer scholen schoolzwemmen aanbieden, nu blijkt dat veel gemeenten daarin niet hun verantwoordelijkheid nemen? Zo ja, wat gaat u hiertoe ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1 en 7 t/m 9: de zwemvaardigheid van kinderen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders, daarbij ondersteund door scholen en gemeenten. Aangezien 94% van alle kinderen een zwemdiploma haalt, zie ik geen aanleiding om de huidige verantwoordelijkheidsverdeling aan te passen.
De zogenaamd vrijwillige ouderbijdrage in het onderwijs |
|
Jasper van Dijk |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Vrijwillige ouderbijdrage is vaak plicht»?1
Het artikel is gebaseerd op een inventarisatie die door de NRC is uitgevoerd onder 234 algemeen bijzondere basisscholen. De gemiddelde hoogte van de ouderbijdrage op deze scholen is veelal hoger dan de gemiddelde bijdrage op andere basisscholen. De ingezonden brief van de Verenigde Bijzondere Scholen (VBS) die op 2 december jl. ook werd geplaatst in de NRC bevestigt dit beeld. Hierin is te lezen dat de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage aanzienlijke verschillen vertoont, omdat algemeen bijzondere scholen vaak «extra’s bieden naast het basisprogramma».
Het van rijkswege bekostigde onderwijs is gratis en voor iedereen toegankelijk. Toegang tot de school mag nooit afhankelijk zijn van de ouderbijdrage, omdat deze vrijwillig is. Dat er verschil is in de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage vind ik geen probleem. Zolang de ouderbijdrage maar vrijwillig is en uitsluitend is bedoeld voor zaken die ofwel niet essentieel zijn voor het onderwijs («extraatjes»), ofwel openstaan voor alle leerlingen ongeacht of hun ouders de bijdrage betalen of niet.
Hoe oordeelt u over de Top 10 van ouderbijdragen die loopt van 726 euro tot maar liefst 1.475 euro?
Deze Top 10 bevat uitsluitend algemeen bijzondere basisscholen. In mijn antwoord op vraag 1 gaf ik reeds aan dat de gemiddelde hoogte van de ouderbijdrage op deze scholen veelal hoger is dan de gemiddelde bijdrage op andere basisscholen. Onderzoek van de inspectie uit 2010 onder een representatieve steekproef van 150 scholen (waaronder ook algemeen bijzondere basisscholen, maar niet uitsluitend) toont aan dat de ouderbijdrage op basisscholen al jaren min of meer op hetzelfde niveau ligt. Verreweg de meeste scholen (94%) vroegen in 2008/2009 een bijdrage die onder de honderd euro lag. Gemiddeld vroeg een basisschool een ouderbijdrage van ongeveer dertig euro per kind. Dit bedrag was sinds 2000 niet veranderd. Het hoogste bedrag dat destijds door de inspectie werd aangetroffen in de steekproef van 150 scholen was € 330.
Om een beeld te verkrijgen van de hoogte van de huidige ouderbijdragen, zal de inspectie van het onderwijs een dergelijk onderzoek in het primair onderwijs opnieuw uitvoeren. De resultaten van dit onderzoek zullen in de zomer van 2014 beschikbaar zijn.
Deelt u de mening dat de ouderbijdrage bedoeld is voor extraatjes en dat het niet de bedoeling is om honderden euro’s te vragen, laat staan 1.475 euro?
De ouderbijdrage dient vrijwillig te zijn en is uitsluitend bedoeld voor zaken die ofwel niet essentieel zijn voor het onderwijs («extraatjes»), ofwel openstaan voor alle leerlingen ongeacht of hun ouders de bijdrage betalen of niet.
Het is altijd aan het bestuur om met instemming van de oudergeleding van de medezeggenschapsraad (MR) de hoogte en de bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage te bepalen. De randvoorwaarden voor deze inspraak liggen vast in de WMS, ouders zijn hiermee wettelijk in positie gebracht. De ouderbijdrage mag nooit een belemmering vormen voor minder draagkrachtige ouders, daarom is deze bijdrage vrijwillig.
Deelt u de mening dat scholen expliciet (en dus niet verhuld) moeten duidelijk maken dat de ouderbijdrage een vrijwillige bijdrage is? Bent u het eens dat genoemde scholen dit niet waarmaken indien zij ouders (moreel) onder druk zetten om te betalen?
Scholen moeten ouders in hun schoolgids expliciet wijzen op het vrijwillige karakter van de bijdrage en mogen dat karakter dus niet verhullen. Dit is voor het basisonderwijs helder geregeld in de WPO. Indien scholen zich niet aan de wet houden, kan de inspectie handhavend optreden en scholen er zo toe bewegen om hun handelen alsnog in overeenstemming met de wet te brengen.
Deelt u de mening dat het schandalig is om leerlingen buiten te sluiten van bepaalde activiteiten (zoals les van de vakleerkracht) als ouders de ouderbijdrage niet betalen? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Indien een ouderbijdrage wordt gebruikt voor het aanstellen van een extra leerkracht, die ingezet wordt voor het geven van onderwijs, kunnen kinderen van ouders die hieraan niet mee kunnen of willen betalen hiervan niet uitgesloten worden. Ook voor dit punt geldt dat daar waar de inspectie constateert dat scholen zich niet aan de wettelijke bepaling houden dat toelating tot de school niet afhankelijk mag worden gesteld van een geldelijke bijdrage, zij handhavend optreedt.
Deelt u de mening dat een hoge ouderbijdrage ouders met een laag inkomen kan afschrikken om voor een bepaalde school te kiezen? Erkent u dat deze kans bestaat, bijvoorbeeld als ouders van een school een zeer hoge ouderbijdrage overeenkomen? Wat onderneemt u hiertegen?
Een ouderbijdrage mag nooit een belemmering vormen voor minder draagkrachtige ouders om voor een bepaalde school te kiezen, omdat deze bijdrage vrijwillig is. Scholen moeten, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 reeds meldde, ouders in hun schoolgids expliciet wijzen op het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage.
Hoe is het mogelijk dat de Kievietschool klassen kleiner maakt en vakleerkrachten aanstelt met het geld van de ouderbijdrage, aangezien deze niet bestemd is voor het primaire onderwijsproces? Wat gaat u hiertegen ondernemen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 3. Overeenkomstig de regels met betrekking tot de ouderbijdrage kan een school een ouderbijdrage vragen ten behoeve van het aanstellen van vakleerkrachten mits daarover overeenstemming is bereikt met de oudergeleding in de medezeggenschapsraad en ouders niet gedwongen worden om mee te betalen. Indien een ouderbijdrage wordt gebruikt voor het aanstellen van een extra leerkracht, die ingezet wordt voor het geven van onderwijs, kunnen kinderen van ouders die hieraan niet kunnen of willen meebetalen hiervan niet worden uitgesloten.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat er verschillen ontstaan tussen scholen vanwege hoge en lage ouderbijdragen? Hoe voorkomt u dat openbare scholen in grote steden grote klassen hebben terwijl scholen in Wassenaar kleine klassen hebben dankzij de ouderbijdrage?
Scholen beschikken over voldoende middelen om groepen van acceptabele omvang te kunnen samenstellen. Op veel scholen lukt dat prima. Ik vertrouw erop dat besturen en schoolleiders hierin de juiste afwegingen maken. Als ouders bereid zijn vrijwillig een hogere ouderbijdrage te betalen, bijvoorbeeld om klassen te verkleinen, treed ik hier niet in. Dat is iets tussen het bestuur en de ouders van die school. De komende jaren zal ik, op basis van betrouwbare gegevens, scherp blijven volgen of alle scholen over het algemeen aanvaardbare keuzes (kunnen) blijven maken bij het samenstellen van de groepen. Dit heb ik ook gemeld in mijn brief over «de groepsgrootte in het basis- en voortgezet onderwijs» die ik uw Kamer op 9 december jl. heb toegezonden.
Wat onderneemt u om te voorkomen dat mensen zich schamen indien zij de ouderbijdrage niet kunnen betalen, zoals in het artikel wordt vermeld?
Bestuurders, schoolleiders en medezeggenschapsraden moeten ouders – in overeenstemming met de wettelijke eisen – expliciet (in de schoolgids) wijzen op het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage en hen de mogelijkheid en ruimte bieden deze vrijwillige bijdrage niet te betalen als zij dat niet kunnen. Veel scholen hebben een regeling waarmee de vrijwillige bijdrage afgestemd wordt op draagkracht van de ouders en/of een fonds waarop de ouders een beroep kunnen doen. Ik vertrouw erop dat scholen hierin de juiste afwegingen zullen maken.
Erkent u dat uw beleid faalt, aangezien al jaren aan de orde wordt gesteld dat het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage wordt omzeild en scholen de ouderbijdrage gebruiken voor het primaire onderwijsproces? Bent u bereid een maximum in te stellen voor de ouderbijdrage?
Nee. Uit voorgaande mag duidelijk zijn dat ik de verantwoordelijkheid over de hoogte en bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage, binnen de wettelijke bepalingen, leg bij het bestuur en de oudergeleding van de MR. Ik ben niet voornemens de ouderbijdrage, die per definitie vrijwillig is, te maximeren. Dat is ook niet nodig, omdat de oudergeleding van de MR vooraf moet instemmen met de hoogte en de bestemming van de ouderbijdrage.
Het artikel ‘French parliament says free software is a priority in education’ |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel «French parliament says free software is a priority in education»?1
Ja.
Is het waar dat ook Spanje, Portugal en IJsland uitsluitend gebruik maken van open source software in het onderwijs?
Ook in Spanje, Portugal en IJsland maakt het onderwijs gebruik van open source software, maar dit is niet uitsluitend het geval. In Spanje biedt het bedrijf Microsoft™ bijvoorbeeld producten voor het onderwijs aan, de producten van dit bedrijf zijn doorgaans geen open source. 2
Bent u bereid te onderzoeken welke lessen er voor Nederland te trekken zijn uit het Franse voorbeeld?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 4. Hierbij zal ik relevante internationale ontwikkelingen betrekken.
Deelt u de mening dat het gebruik van open standaarden en open source software in het onderwijs bevorderd dient te worden?
Ja. Anders dan in landen waar de overheid rechtstreeks verantwoordelijk is voor de inkoop van leermiddelen kent Nederland vrijheid van onderwijs en zijn scholen zelf primair verantwoordelijk voor de inkoop van hardware en software. Voor de wijze waarop het gebruik van open standaarden worden bevorderd, verwijs ik naar mijn kamerbrief «Open standaarden in het onderwijs». 3
Wanneer het gaat om open source, dan geldt binnen het Ministerie van OCW dat bij gelijke geschiktheid wordt gekozen voor open source. Daarnaast wordt het gebruik van open source binnen het onderwijsveld gestimuleerd. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het bevorderen van open standaarden waardoor er een level playing field voor open source producten ontstaat. Ook wordt door organisaties als SURF, Kennisnet en saMBO-ICT voorlichting gegeven over open source.
De dynamiek van onderwijs-ICT is op dit moment erg hoog. Zo gaan de ontwikkelingen op het gebied van digitale leermiddelen razendsnel. Er ontstaat een zogenoemde «cloud» waarbij software en data niet meer lokaal op scholen aanwezig zijn, maar zich op afstand bevinden, op webservers die in een datacentrum staan, en waarbij vaak onbekend is of de gebruikte software is gebaseerd op open source. Daarbij wordt ICT steeds vaker aangeboden als dienst, en steeds minder vaak als product (software) die dan niet open source is. Ook de administraties van scholen worden steeds verder geautomatiseerd. En bovenal raken deze ontwikkelingen (digitale leermiddelen, digitale schooladministraties en de cloud) ook nog eens onderling verweven. Ik vraag mij af of het gedachtengoed van open source binnen deze ontwikkelingen voldoende wordt vertegenwoordigd.
Daarnaast stelt een veranderende wereld andere eisen aan leerlingen, studenten en aan docenten. Mogelijk hebben zij baat bij een open omgeving waaraan zij enerzijds waarde kunnen toevoegen, en die anderzijds bouwstenen bevat die zij kunnen hergebruiken.
Ik zal de komende maanden met verschillende partijen het gesprek aangaan om te kijken of en welke kansen de inzet van open source biedt in deze veranderende context.
Deelt u de mening dat de richtlijnen op het gebied van open (web)standaarden en platformonafhankelijke toepassingen binnen de (semi-)publieke sector nageleefd dienen te worden?
Ik ben van mening dat de toepassing van de «pas-toe-of-leg-uit»-standaarden van het College Standaardisatie en van EduStandaard beter kan. Voor meer informatie verwijs ik naar mijn eerder genoemde kamerbrief «Open standaarden in het onderwijs».
Wordt de naleving van de richtlijnen voldoende gehandhaafd?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Welke belemmeringen ondervinden gebruikers van open source software in het Nederlandse onderwijsbestel? Bent u bereid maatregelen te nemen om die belemmeringen weg te nemen?
Het feit dat open standaarden als de Webrichtlijnen niet volledig worden nageleefd, betekent dat gebruikers van sommige platforms worden buitengesloten.
Zoals ik in bovengenoemde kamerbrief «Open standaarden in het onderwijs» aangeef, verwacht ik dat door de huidige inspanningen het gebruik van open standaarden de komende tijd zal toenemen. Als ondanks de huidige inspanning de toegankelijkheid van online schoolsoftware voor uiteenlopende vormen van gebruik niet verbetert, zal ik het gesprek aangaan met de sectorraden en de Minister van Economische Zaken om te kijken of het wenselijk is leveranciers op een andere manier aan de Webrichtlijnen te laten voldoen. Dit omdat de opgave om «pas-toe-of-leg-uit» te implementeren ligt bij duizenden -vaak kleine- scholen, terwijl het gebruik van gesloten standaarden een gevolg is van de keuzes van een zeer beperkt aantal ICT-leveranciers.
Grote klassen |
|
Jasper van Dijk |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Bent u bekend met de uitzending van EenVandaag waarin 41% van de middelbare scholieren zegt dat er teveel leerlingen in hun klas zitten om goed onderwijs te krijgen en 59% zegt dat de klas te groot is om nog goed onderwijs te krijgen?1 Wat is uw reactie op deze uitzending?
Ja, ik ben bekend met deze uitzending. Met de antwoorden op de volgende vragen reageer ik ook hierop.
Erkent u dat niet alleen leraren, maar ook leerlingen last hebben van de te grote klassen?
Als een klas te groot is, kan dat inderdaad voor zowel leerlingen als leraren vervelend zijn. Op de vraag wanneer een klas tegroot is, is echter geen eenduidig antwoord te geven.
Welke invloed op de klassengrootte verwacht u van de invoering van het Passend Onderwijs, gezien het feit dat hiervoor geen extra gelden beschikbaar komen?
Met passend onderwijs krijgen samenwerkingsverbanden en scholen meer ruimte om eigen keuzes te maken en meer maatwerk te bieden aan kinderen. Eventuele gevolgen voor de groepsgrootte zijn afhankelijk van die keuzes. Als scholen en samenwerkingsverbanden ervoor kiezen om minder leerlingen dan nu te verwijzen naar het speciaal onderwijs, ontstaat er meer financiële ruimte voor extra ondersteuning in het regulier onderwijs, bijvoorbeeld voor extra handen in de klas, het inrichten van speciale arrangementen of het kleiner maken van klassen. Dan zou passend onderwijs dus kunnen leiden tot kleinere groepen. In andere regio's, waar geen verschuiving van het speciaal naar het regulier onderwijs plaatsvindt, is het aannemelijk dat passend onderwijs geen invloed heeft op de groepsgrootte.
Deelt u de mening dat schoolleiders soms noodgedwongen kiezen voor grotere klassen vanwege jarenlange stille bezuinigingen?2
Het bedrag per leerling in het basisonderwijs is het afgelopen decennium alleen maar gestegen. Scholen krijgen voldoende geld om groepen van acceptabele omvang samen te stellen. De bekostiging van het basisonderwijs houdt rekening met 20 leerlingen in de onderbouw en 28 leerlingen in de bovenbouw. Naar mijn mening maken scholen over het algemeen verantwoorde keuzes bij de groepsindeling. Het afgelopen jaar werden de groepen in het PO gemiddeld een halve leerling groter (stijging van 22,8 naar 23,3 leerlingen per groep). Daaruit leid ik af dat scholen de afgelopen jaren iets scherpere keuzes zijn gaan maken bij de afweging van budget en inzet van personeel. Dat kan verschillende oorzaken hebben, zoals stijging van de personeelskosten (vergrijzing, bapo), omdat men rekening moest houden met krimp, of omdat in voorgaande jaren meer personeel in dienst was dan de bekostiging toeliet.
Ik ondersteun de scholen bij het investeren in de kwaliteit van het onderwijs en de professionaliteit van leraren en schoolleiders. Vanaf eind van dit jaar krijgen scholen extra financiële middelen om dit te stimuleren. Dit geeft scholen meer financiële armslag bij de integrale afweging voor de inzet van de bekostiging, of dat nu de groepsindeling, extra formatie, scholing of iets anders is.
Wie bepaalt op school de omvang van de klassengrootte? Op wat voor manier kunnen leerlingen, leraren en ouders invloed uitoefenen op de klassengrootte?
De omvang van de groepen en klassen wordt bepaald op schoolniveau. Schoolbesturen en schoolleiders maken hierin, in overleg met de medezeggenschapsraad, hun eigen afwegingen. Scholen kunnen op deze manier onderwijs op maat verzorgen door aan te sluiten bij de onderwijskundige visie, de prioriteiten van de school en de leerlingenpopulatie. Ook kiezen scholen ervoor om enkele grotere klassen samen te stellen om zo ook «kleine» en daardoor relatief dure vakken te kunnen aanbieden. Het is van belang dat scholen de balans vinden tussen onderwijsaanbod en werkbaar aantal leerlingen in een klas. Leerlingen, leraren en ouders kunnen invloed uitoefenen op de klassengrootte door van zich te laten horen bij leraren en / of schoolleiding, bijvoorbeeld via de medezeggenschapsraad of in persoonlijk contact.
Erkent u dat schoolbestuurders (vanwege tekortschietende financiering) voor grotere klassen kunnen kiezen, zelfs als leraren, leerlingen en ouders dat niet willen?
Het bedrag dat scholen in het primair en voortgezet onderwijs per leerling ontvangen is de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen en zal door investeringen van dit kabinet de komende jaren verder stijgen. Dit geeft scholen meer financiële armslag. De meeste scholen moeten inspelen op krimpende of groeiende leerlingaantallen, stijgende kosten, te lang doorlopende verplichtingen – bijvoorbeeld doordat te hoge personele lasten niet op tijd zijn afgebouwd – of een onevenwichtige verdeling van leerlingen over de leerjaren. Dit zijn specifieke ontwikkelingen waar de school zelf op moet sturen. De financiële deskundigheid van scholen is sterk verbeterd de afgelopen jaren. Er wordt steeds meer gewerkt met meerjarenbegrotingen en meerjaren formatieplannen. Scholen kijken vooruit en maken een verstandige financiële planning. Scholen constateren dan bijvoorbeeld dat het nodig is om te hoge personele lasten tijdig af te bouwen. Dat vraagt de nodige bestuurskracht. We zien dat scholen daarin verstandige keuzes maken.
Ik vind het van belang dat leraren, leerlingen en ouders beseffen dat de eindverantwoordelijkheid en daarbij ook de beslissing over de groepsgrootte ligt bij de schoolleiding en het schoolbestuur. Zij moeten, in overleg met de leraren en de medezeggenschapsraad, keuzes maken. Net als bij elke andere organisatie (of het nu een bedrijf, overheid, gezin of nutsinstelling is) worden ook voor scholen de mogelijkheden begrensd door de financiële ruimte die ze hebben. Deze financiële ruimte vormt een kader voor de beschikbare formatie en voor de keuzes die scholen kunnen maken. Daarbij moeten verschillende wensen tegen elkaar worden afgewogen, wensen ten aanzien van bijvoorbeeld het onderwijsaanbod, de leerlingpopulatie, de inrichting van het onderwijs, de grootte van de groepen en de samenstelling van het personeelsbestand.
Leraren, leerlingen en ouders kunnen zelf het initiatief nemen en van zich laten horen wanneer zij het gevoel hebben dat de omvang van een groep niet werkbaar is, maar daarbij is het wel van belang oog te hebben voor de verschillende wensen die tegen elkaar afgewogen worden. Zo richten sommige scholen bij bepaalde vakken wat grotere groepen in (met een acceptabel aantal leerlingen, maar misschien iets meer dan ideaal gevonden zou worden), om kleinere vakken aan te kunnen blijven bieden. Er zou ook voor gekozen kunnen worden om dergelijke vakken niet meer aan te bieden om zodoende kleinere groepen te kunnen samenstellen. Waar het om gaat is dat de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet om schooleigen keuzes te kunnen realiseren.
Is het niet erg makkelijk om te zeggen dat leerlingen het moeten «laten merken» als het «de spuigaten uitloopt»? Bij wie moeten zij dat laten merken en wat moeten zij doen als dit niets oplevert?3
Mijn uitgangspunt is dat op klas- of schoolniveau gesignaleerd, besproken en zo nodig opgelost moet worden, wat op dat niveau gesignaleerd, besproken en opgelost kan worden. Een leerling of ouder kan eventuele problemen met de grootte van een groep eerst bespreekbaar maken bij de schoolleiding. Datzelfde geldt voor een leraar: als hij of zij knelpunten signaleert, bespreekt hij of zij dat eerst met collega’s (misschien kunnen optimalere klassen worden samengesteld als er «geschoven» wordt met leerlingen) en / of de schoolleiding. Indien er niet op klas- of schoolniveau tot een oplossing gekomen kan worden, kan een klachtencommissie of de inspectie worden ingeschakeld. Wanneer de kwaliteit van het onderwijs van het onderwijs in gevaar komt zal de onderwijsinspectie optreden.
Hoe groot is volgens u een klas van «acceptabele omvang»? Wanneer is een klas dat niet meer?
Hierop is geen eenduidig antwoord te geven. Een rustige klas met 32 gemotiveerde leerlingen die worden onderwezen door een ervaren en goede docent, ondersteund door een onderwijsassistent, kan bijvoorbeeld als veel prettiger worden ervaren door zowel leerlingen als leraar, dan een chaotische klas met 18 ongemotiveerde leerlingen met een beginnend docent die nog niet goed orde kan houden. En een collegezaal-achtige setting met 50 leerlingen zou een acceptabele groepsgrootte kunnen zijn, terwijl voor praktijkvakken in het vmbo een groep van 10 tot 12 leerlingen groot is. Voor machinale houtbewerking en lassen gelden zelfs veiligheidsnormen (Arbowetgeving) en mag de groep maximaal 8 leerlingen bedragen.
Kunt u voorbeelden geven van een acceptabele klassengrootte in de verschillende leerjaren van het primair en voortgezet onderwijs? Is een 2-Havo klas met 32 leerlingen acceptabel? Is een Groep 3 met 28 leerlingen acceptabel?
Zie het antwoord op vraag 8. Een havo-2 klas met 32 leerlingen of een groep 3 met 28 leerlingen kan zeker acceptabel zijn, als dit past in de context en hiertoe wordt besloten op basis van professionele onderwijskundige keuzes op schoolniveau.
Deelt u de mening dat er in grote klassen minder mogelijkheden zijn om extra aandacht te besteden aan excellentie of aan leerlingen die om andere reden extra aandacht vragen?
Dat is niet per definitie het geval. Zo zijn er scholen die kiezen voor grotere klassen vanuit onderwijskundige overwegingen. Denk hierbij aan het in groepen uitvoeren van projecten op bijvoorbeeld leerwerkpleinen. In kleine groepen leren de leerlingen samenwerken en elkaar helpen. Ook kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om te starten in een grotere groep van bijvoorbeeld 35 leerlingen, waarin de leraar klassikale instructie verzorgt, waarna er in kleinere groepjes uiteengegaan wordt, waarin leerlingen onder begeleiding van de leraar of een onderwijsassistent zelf met de lesstof aan de slag gaan. Zo kan er juist extra aandacht besteed worden aan verschillen in capaciteit van leerlingen.
Hoe oordeelt u over het Burgerinitiatief van Leraren in Actie? Is dit niet het zoveelste bewijs dat het verkeerd gaat met de grote klassen in het onderwijs?4
Ik begrijp dat leraren en ouders zich soms ongerust maken als kinderen in een erg grote klas zitten. Het is uiteraard het goed recht van leraren om een burgerinitiatief op te zetten. Het is van belang dat leraren van zich laten horen. Ik vind echter dat de leraren in gesprek zouden moeten gaan met hun eigen schoolleiding indien zij problemen ervaren. Op schoolniveau, in overleg tussen schoolleiding en leraren en tussen leraren onderling, wordt immers besloten over de omvang van klassen. Het is niet gewenst en ook niet mogelijk om dit vanuit Den Haag goed te organiseren. Dat zou ook een grote inbreuk betekenen in de vrijheid van scholen om vanuit eigen professionele overwegingen (zoals ten aanzien de onderwijskundige visie, het gewenste onderwijsaanbod, de leerlingenpopulatie, de samenstelling van het lerarenteam) eigen keuzes te maken.
Bent u bereid mee te denken over een stappenplan om de (grootste) klassen kleiner te maken?
De samenstelling (en dus ook de omvang) van klassen en groepen is een verantwoordelijkheid op schoolniveau. Vanwege de grote diversiteit in omstandigheden en de autonomie van scholen ten aanzien van de inrichting van het onderwijs moet de groepsindeling aan de school worden overgelaten. Ik voel er niets voor deze verantwoordelijkheid bij de rijksoverheid te leggen. Wel kunnen good practices in kaart gebracht worden om scholen te ondersteunen met het samenstellen van groepen en klassen. Het rapport van Capgemini, dat als bijlage is meegezonden met mijn brief over groepsgrootte in primair en voortgezet onderwijs (Kamerstuk II 31 293, nr. 189), geeft enkele interessante voorbeelden.
Het bericht dat een leerling mogelijk is doodgepest op de Horeca Vakschool Rotterdam |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek zelfdoding 16-jarige na pesten»1 en met de column van Hugo Borst?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de discrepantie tussen de uitspraak van de vader van het slachtoffer dat hij regelmatig de school informeerde over jarenlange verbale en fysieke agressie tegen zijn zoon, en die van de school die stelt geen enkele aanwijzing te hebben gehad dat er sprake was van pesten?
Het is zeer tragisch als een jongere zichzelf van het leven berooft. Dat verplicht ons allen te kijken naar onze verantwoordelijkheid. Het bestuur van de school heeft aangekondigd een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren om te kijken of er geen signalen zijn gemist. Ik vind het verstandig dat het bestuur dit onderzoek laat doen om er lessen uit te trekken voor de toekomst.
Onderkent u dat in veel scholen de protocollen zoals die in beleidsplannen zijn geformuleerd prima in orde zijn, maar dat ze in de dagelijkse praktijk niet worden gehanteerd? Is dat in deze school het geval?
Bij de totstandkoming van het plan van aanpak tegen pesten (Kamerstukken II, 2012/2013, 29 240, nr. 52) heb ik veel gesprekken gevoerd met scholen, leraren, ouders, leerlingen en organisaties om de knelpunten bij de aanpak van pesten te inventariseren. Een van de knelpunten was inderdaad dat het pestprotocol vaak in orde is, maar dat de aanwezigheid van een pestprotocol niet automatisch leidt tot preventie en een adequate aanpak van pesten. Of dat bij deze school het geval is moet het onderzoek uitwijzen.
Het is goed dat er protocollen zijn, maar het is niet genoeg. Daarom heb ik in het plan van aanpak tegen pesten maatregelen aangekondigd om de aanpak van pesten door scholen, leraren, ouders en leerlingen te verbeteren. Ik ben voornemens later dit jaar een wetsvoorstel bij uw Kamer in te dienen dat scholen in het funderend onderwijs verplicht (a) een effectief anti-pestprogramma te gebruiken, (b) een vertrouwenspersoon annex pestcoördinator te hebben, en (c) de sociale veiligheid op school te monitoren. De aangekondigde maatregelen en de nieuwe wet beogen dat de aanpak van pesten het papieren protocol overstijgt en dat kinderen en jongeren zich veilig voelen op school. Veiligheid is immers een randvoorwaarde voor goed onderwijs.
Deelt u de mening dat als de pesters veel eerder zouden zijn geïdentificeerd en bestraft, ondermeer door verwijdering van school, deze verschrikkelijke afloop misschien voorkomen had kunnen worden? Zo ja, waarom is dan juist de mogelijkheid om de daders te straffen uit de plannen voor de nieuwe wet- en regelgeving gehouden? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Ik kan en wil niet speculeren over dit tragische geval. Er loopt bovendien een onafhankelijk onderzoek naar het optreden van de school.
Het is al mogelijk om daders te straffen. Pesten is als zodanig niet strafbaar, maar het strafrecht voorziet in de strafbaarstelling van veel vormen van pesten. Denk bijvoorbeeld aan mishandeling, bedreiging of vernieling. Als er sprake is van een strafbaar feit moet aangifte worden gedaan. Voorts is het aan de school om beleid te voeren om de pesters aan te pakken en deze eventueel te verwijderen van de school.
Belangenverstrengeling hoogleraren financiële sector |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Al die petten, dat is oppassen geblazen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de onderzoeksconclusie dat ruim drie op de vijf hoogleraren financiële sector (accountancy, bedrijfskunde, economie, financiën, fiscaal recht), nevenfuncties vervult in de financiële wereld?
In het antwoord op schriftelijke vragen van het lid Mohandis (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 543) en Van Dijk (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 542) is gesteld dat het vervullen van nevenfuncties aangeeft dat hoogleraren en universiteiten steeds meer betrokken raken bij de samenleving en dat dit een goede zaak is. Wij zien geen reden om hierover anders te denken als het gaat om hoogleraren met nevenfuncties in de financiële sector. Waar het vervolgens wel om gaat is dat de afspraken over transparantie worden nageleefd (zie hiervoor vraag 6).
Kunt u middels een vergelijkend onderzoek inzicht geven in het aantal nevenfuncties in andere wetenschappelijke sectoren?
Nee, wij beschikken niet over de daartoe benodigde informatie. Wij delen de opvatting dat er transparantie dient te bestaan over nevenfuncties. Met de universiteiten is afgesproken dat hoogleraren hun nevenfuncties vermelden op de profielpagina’s op de website van de universiteit en dat deze informatie actueel wordt gehouden. De hoogleraren onderschrijven de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Die code bevat specifieke bepalingen, onder meer ten aanzien van het doen van opdrachtonderzoek. Deze afspraken geven waarborgen voor integriteit en transparantie.
Klopt het dat de meerderheid van de hoogleraren in de Commissie Structuur Nederlandse Banken banden heeft met de financiële sector? Vindt u het wenselijk dat een commissie, die de overheid adviseert over de financiële sector, voor het merendeel bestaat uit mensen die werkzaam zijn in diezelfde sector? Ziet u hierbij het risico dat de «slager zijn eigen vlees keurt»?
Een meerderheid van de hoogleraren die zitting hebben gehad in de Commissie Structuur Nederlandse Banken vervult nevenfuncties in de financiële sector. Dit is ook openbaar, zoals blijkt uit het eindrapport van de commissie en websites van de universiteiten van de betrokken hoogleraren.
Het vervullen van dergelijke nevenfuncties acht ik geen belemmering voor onpartijdige vervulling van het lidmaatschap van deze adviescommissie. Een dergelijke nevenfunctie is geen reden om aan te nemen dat de betrokken hoogleraren afhankelijk zijn van de financiële instelling waarbij zij hun nevenfunctie vervullen. In de praktijk blijkt ook dat hoogleraren die nevenfuncties vervullen in de financiële sector zich niet ervan laten weerhouden om standpunten uit te dragen waarvoor binnen de financiële sector veel weerstand bestaat. Een voorbeeld hiervan is het pleidooi van verschillende hoogleraren uit de commissie voor een (aanzienlijk) hogere verplichte leverage-ratio voor banken.
Verder acht ik het van belang dat in een adviescommissie zo hoogwaardig mogelijke expertise aanwezig is. Indien elke hoogleraar met enige nevenfunctie in de financiële sector van lidmaatschap van de Commissie Structuur Nederlandse Banken zou zijn uitgesloten, zou dit niet zijn bereikt.
Kunt u middels een vergelijkend onderzoek aangeven in welke mate ditzelfde geldt voor commissies op andere beleidsterreinen? Hoe waarborgt u de onafhankelijkheid van commissies die de overheid adviseren?
Een vergelijkend overzicht van adviescommissies kunnen wij niet geven. Voor advisering aan de overheid wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande adviesorganen, ingesteld op basis van de Kaderwet adviescolleges. Voor specifieke onderwerpen worden soms (ad-hoc) adviescommissies ingesteld. Daarbij gaat het om thema’s waarop specifieke deskundigheid nodig is, vaak uit de sector zelf. Van belang is wel dat de onafhankelijkheid wordt gewaarborgd, ook in verband met de kwaliteit van de advisering. Voor zover hierbij wetenschappers zijn betrokken, zijn zij gehouden aan de Nederlandse gedragscode voor wetenschapsbeoefening.
Deelt u het oordeel in antwoord op eerdere vragen2 over hoogleraren accountancy van de toenmalige staatssecretaris van OCW dat voor een onafhankelijke positie van hoogleraren, voldoende transparantie over nevenfuncties moet zijn? Bent u ervan op de hoogte dat er in de praktijk door universiteiten niet wordt voldaan aan de regels van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) omtrent de transparantie over nevenfuncties van hoogleraren? Zijn deze regels afdwingbaar? Bent u bereid om actief maatregelen te nemen zodat universiteiten wel aan deze richtlijnen gaan voldoen of een wettelijk kader te scheppen?
In de beantwoording van diverse vragen over nevenfuncties van hoogleraren is het belang van transparantie voortdurend onderstreept. In de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mohandis en het lid Van Dijk is aangegeven dat door de koepel van universiteiten (VSNU) onlangs de naleving van afspraken over het openbaar maken van nevenfuncties bij de instellingen is getoetst. Uit de toetsing blijkt dat hoogleraren hun nevenfuncties doorgaans vermelden op de profielpagina’s op de website van de universiteit en dat universiteiten op verschillende manieren borgen dat die informatie zo actueel mogelijk is. Dat gebeurt bijvoorbeeld via toetsing van de juistheid van gegevens of door het terugkerend te bespreken in functioneringsgesprekken. Ik blijf over dit onderwerp met de VSNU in gesprek. Signalen dat er zaken misgaan, zal ik daarbij aankaarten.
Deelt u de mening dat het enkel stellen van eisen aan transparantie onvoldoende is om te bewerkstelligen dat er voldoende onafhankelijke en kritische hoogleraren financiële sector zijn? Zo nee, waarom niet?
Uit het antwoord op vraag 6 blijkt dat er niet alleen afspraken zijn gemaakt over transparantie maar dat deze ook worden nageleefd. Meer in algemene zin is het verder van belang dat de Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening wordt nageleefd. Hoogleraren dienen deze bij hun aanstelling te onderschrijven. De universiteiten zien toe op de naleving van de gedragscode.
Vindt u dat het voorkomen van belangenverstrengeling door fiscalisten in de financiële sector niet alleen een zaak is van universiteiten, maar ook van de regering? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u invulling geven aan deze verantwoordelijkheid?
In zijn algemeenheid is het van belang dat de onafhankelijkheid van hoogleraren gewaarborgd wordt en dit geldt vanzelfsprekend ook voor de onafhankelijkheid van fiscale hoogleraren. Ook zij dienen bij hun aanstelling de Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening te onderschrijven. Ik zie geen reden om voor deze categorie een ander regime te hanteren dan voor overige hoogleraren.
Wat vindt u van de praktijk van gesponsorde leerstoelen in relatie tot de invloed van (financiële) bedrijven binnen universiteiten?
Sponsoring van leerstoelen is een goede manier om de banden tussen universiteiten en bedrijfsleven aan te halen en zo de economische en maatschappelijke impact van wetenschappelijk onderzoek te versterken. De onafhankelijkheid van het onderzoek wordt gewaarborgd doordat hoogleraren bij hun aanstelling de Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening dienen te onderschrijven (zie het antwoord op vraag 7).
Bent u ervan op de hoogte dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) meer dan een miljoen euro aan financiële steun ontvangt van een bedrijf dat zich specialiseert in high-frequencytrading? Acht u dit wenselijk? Op welke wijze wordt op dit moment gerapporteerd over het geld dat universiteiten ontvangen van bedrijven? Kunt u hier nader inzicht in geven? Overweegt u normen om deze praktijk aan banden te leggen?
Uit navraag bij de Universiteit van Amsterdam is gebleken dat de UvA van het bedoelde bedrijf geen rechtstreekse sponsorbijdrage heeft ontvangen. De bedoelde bijdrage is verstrekt aan de onafhankelijke Stichting Amsterdams Universiteitsfonds. Dit fonds ondersteunt projecten bij de UvA die de bevordering van de wetenschapsbeoefening en de verrijking van het studentenleven als doel hebben. Dit doet ze onder meer door het verstrekken van reisbeurzen, beurzen en stipendia, subsidies, renteloze voorschotten, leningen en garanties, het instellen en onderhouden van leerstoelen en het instellen van prijzen. Ik heb hiertegen geen bezwaar.
Via het jaarverslag en de jaarrekening rapporteren de universiteiten over de financiële gang van zaken binnen de instelling. De instellingsaccountant geeft bij deze jaarstukken een controleverklaring af. Als sprake is van bijdragen vanuit steunfondsen worden deze in de jaarstukken verantwoord.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire debat over het SEO-rapport «Uit de schaduw van het bankwezen» plaatsvindt?
Nee.
Het bericht ‘Jongeren vragen om meer klimaatonderwijs’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vragen om meer klimaatonderwijs»?1
Ja.
Hoe oordeelt u zelf over uw methode om eerst twee jonge VN-duurzaamheidsdiscipelen op pad te sturen om nog geen 3/100e procent van de schoolgaande jeugd te vragen naar «klimaatideeën», om vervolgens te concluderen dat «jongeren om meer klimaatonderwijs» vragen?
De jongerenvertegenwoordigers werken samen met veel andere actieve jongeren. Ze hebben op eigen initiatief gastlessen gegeven. Ik neem de ideeën die hieruit voortkomen serieus als signaal uit de samenleving.
Deelt u de mening dat gebrek aan bewijs voor menselijke invloed op het klimaat geen basis vormt om op de door u gebezigde wijze de schooljeugd te indoctrineren met uw angstzaaierij? Zo neen, waarom niet?
Nee. De wetenschappelijke onderbouwing ten aanzien van het klimaatvraagstuk, zoals onlangs nogmaals herbevestigd door het IPCC, is helder en vormt de basis voor het kabinetsbeleid. Het vormt ook de basis om verder invulling te geven aan de verplichting die ook Nederland heeft in het kader van het VN-klimaatverdrag om onderwijs, opleiding en het publieke bewustzijn met betrekking tot klimaatverandering te zullen bevorderen, zie ook de beantwoording van vraag 4.
Hoe ziet u uw voornemen tot «klimaatonderwijs» in relatie tot de conclusies van het Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen2, waarin wordt gesteld dat het onderwijs zich moet richten op kerntaken en dat de politiek zich niet teveel moet bemoeien met de invulling van het onderwijs?
«Klimaatonderwijs» is geen nieuw fenomeen binnen het onderwijs. Zo is het thema reeds goed geborgd in het curriculum van het voortgezet onderwijs. Er zijn kerndoelen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs en vakken in het voortgezet onderwijs zoals aardrijkskunde en natuurkunde die over het natuurwetenschappelijk domein gaan, waartoe «klimaatonderwijs» gerekend kan worden. Vervolgens is het aan scholen hoe zij het onderwijs inrichten en vormgeven en welke methoden en leermiddelen zij daarbij willen gebruiken. De oproep van jongeren staat een invulling en de daarbij behorende keuzes van scholen niet in de weg.
Bent u bereid af te zien van uw pogingen uw klimaatdogma’s via het onderwijs aan de jeugd op te leggen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4.
Wordt het niet eens tijd dat u zelf wat lesjes in wetenschap gaat volgen?
Ik neem uiteraard kennis van nieuwe, relevante inzichten op het vlak van de klimaatwetenschap.
Het feit dat scholen en gemeenten niet gezamenlijk kunnen investeren in nieuwe schoolgebouwen |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het probleem van gemeenten en schoolbesturen die een gezamenlijke ambitie hebben voor nieuwbouw van schoolgebouwen in het integraal huisvestingsprogramma, maar dat zij deze ambitie vanwege de overheveling van € 256 miljoen uit het gemeentefonds naar de lumpsum en vanwege het investeringsverbod binnen het primair onderwijs, niet meer kunnen waarmaken?1
Ik ben bekend met de ambities van gemeenten op het gebied van scholenhuisvesting. Gemeenten zijn autonoom in hoe zij de middelen uit het Gemeentefonds besteden en hoe zij hun ambities waarmaken. Gemeenten kunnen, ook na de uitname van € 256 mln. uit het Gemeentefonds, hun integrale huisvestingsprogramma prioriteit geven.
Artikel 148 van de Wet op het primair onderwijs bepaalt dat schoolbesturen het geld uit de lumpsum moeten besteden aan de taken waar die middelen voor bestemd zijn. Daarmee voorkomt het dat schoolbesturen kunnen investeren in nieuwbouw en uitbreiding, hetgeen immers een taak van gemeenten is. Deze bepaling is overigens niet nieuw.
Hoe beoordeelt u de bezwaren van schoolbesturen en gemeenten dat er onvoldoende middelen overblijven voor het realiseren van hun ambitie ten aanzien van nieuwe schoolgebouwen (bijvoorbeeld een verbeterd binnenklimaat of duurzaam bouwen) doordat het primair onderwijs niet mag investeren in taken die gemeenten toekomen?
Gemeenten zijn autonoom in hoe zij de middelen uit het Gemeentefonds besteden en hoe zij hun ambities op het gebied van bijvoorbeeld duurzaamheid waarmaken. Het is niet de bedoeling dat schoolbesturen geld uitgeven aan taken waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn, zoals nieuwbouw. Dit kan namelijk ten koste gaan van de taken waarvoor zij wel verantwoordelijk zijn.
Bent u van mening dat de middelen voor buitenonderhoud van scholen, indien scholen en gemeenten bereid zijn om daarin te investeren, ingezet moeten kunnen worden voor nieuwbouw? Zo niet, waarom zouden scholen en gemeenten daartoe niet mogen besluiten? Waarom wordt de besluitvorming en financiering van nieuwbouw niet overgelaten aan gemeenten en scholen (directe belanghebbenden)?
De PO-Raad en de VNG zijn sinds kort in gesprek over welke investeringen in nieuwbouw resulteren in terugverdieneffecten voor schoolbesturen. Als gemeenten investeren in energiezuiniger schoolgebouwen met duurzamere materialen, drukt dit de uitgaven van schoolbesturen aan energie en onderhoud. Wanneer deze investeringen aantoonbaar de financiële positie van schoolbesturen ten goede komen en gemeenten investeren in kwalitatief hoogstaande nieuwbouw sta ik hier natuurlijk positief tegenover. Als de PO-Raad en de VNG over deze zaken tot afspraken kunnen komen, ben ik bereid de mogelijkheden te onderzoeken om schoolbesturen de ruimte te geven om middelen in te zetten. Hier zal wel een aantal condities aan verbonden moeten worden. Ten eerste moet het helder zijn dat schoolbesturen alleen investeren in zaken die boven de eisen van het Bouwbesluit uitgaan. Ten tweede moeten de investeringen van schoolbesturen beperkt zijn om te voorkomen dat zij financiële risico’s lopen. Tot slot moet helder zijn binnen welke termijn schoolbesturen hun investering terugverdienen.
Wat moet er volgens u gebeuren met de plannen van gemeenten die goed bezig zijn met onderwijshuisvesting en nieuwbouw voor primair onderwijs en die straks onvoldoende middelen overhouden om hun plannen helemaal af te ronden? Wat voor gevolgen voorziet u bij gemeenten en scholen die afspraken over nieuwbouw niet meer kunnen nakomen? Zouden hierbij, in goed overleg tussen gemeenten en scholen, de middelen uit de lumpsum voor buitenonderhoud van scholen moeten kunnen worden ingezet voor het realiseren van nieuwbouw?
Zoals gezegd zijn gemeenten autonoom in hoe zij de middelen uit het Gemeentefonds besteden en of zij hun integrale huisvestingsprogramma prioriteit geven. In de wet is bepaald dat schoolbesturen geen middelen uit de lumpsum mogen inzetten voor taken waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn, zoals nieuwbouw. In het vorige antwoord heb ik omschreven onder welke condities ik de wenselijkheid van deze bepaling in overweging wil nemen.
Bent u van mening dat het investeringsverbod van het primair onderwijs versoepeld zou moeten worden, zodat gemeenten en scholen in goed overleg nieuwbouw kunnen realiseren en hun reeds ingezette plannen voor nieuwbouw kunnen afronden?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik omschreven onder welke condities ik de wenselijkheid van het investeringsverbod in overweging wil nemen.
De website scholenopdekaart.nl |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Waarom is de website scholenopdekaart.nl online gegaan terwijl het grootste deel van de informatie over scholen nog ontbreekt?
De website scholenopdekaart.nl is onderdeel van het project Vensters Primair Onderwijs. Dit project is een groeitraject. Daar is bewust voor gekozen. De eerste versie van scholenopdekaart.nl ontsluit informatie die al centraal beschikbaar was in het Basisregister Onderwijs. Stap voor stap zullen scholen daaraan nieuwe gegevens toevoegen. Dit kost tijd omdat het voor een deel ook gaat om nog door de school zelf te verzamelen informatie (zoals bijvoorbeeld cijfers over ouder- en leerlingtevredenheid).
Overigens zal ik in een aparte brief aan uw Kamer, die ik u dit voorjaar toezend, mijn visie op transparantie en daarmee ook op Vensters voor Verantwoording PO en VO uiteen zetten. Hierin zal ik onder andere ingaan op het belang dat ik hecht aan transparantie voor een goede werking van het onderwijsstelsel en de activiteiten die de PO-Raad en de VO-raad in dit kader (zullen) uitvoeren en reeds hebben uitgevoerd.
Wanneer zal de website niet meer «under construction» zijn?
Medio 2015 wordt het project Vensters PO door de PO-Raad afgerond. Op dat moment zal niet alleen de website scholenopdekaart.nl, maar ook het «schoolkeuzevenster» en het «managementvenster» gerealiseerd zijn.
Is de website op dit moment geschikt als hulpmiddel voor ouders om een school te selecteren, gezien het grote aantal ontbrekende gegevens? Kunnen ouders op basis van de website een afgewogen oordeel vellen?
Scholenopdekaart.nl is in de eerste plaats bedoeld als verantwoordingsinstrument aan alle belanghebbenden in en rond de school. De website bevat op dit moment al enkele relevante gegevens die ouders kunnen betrekken bij hun schoolkeuze. Conform de procesgang van Vensters voor Verantwoording wordt hieraan stap voor stap door de scholen nieuwe informatie toegevoegd, bijvoorbeeld over de tevredenheid van ouders en leerlingen, en over het schoolklimaat en de veiligheid.
Bent u van mening dat de belangrijkste indicator om scholen te vergelijken op de website het schooladvies voor vervolgonderwijs is? Zo nee, welke indicatoren acht u belangrijker of even belangrijk?
Het uiteindelijke doel van het project Vensters is het in samenhang tonen van de verschillende aspecten van de kwaliteit van de school. Het is juist dit brede beeld, in context geplaatst en in combinatie met het gesprek met de school zelf, dat de keuze voor een basisschool kan ondersteunen. Deze doelstelling ondersteun ik van harte.
Vindt u het wenselijk dat ouders hun schoolkeuze baseren op de schooladviezen voor vervolgonderwijs die in voorgaande jaren zijn gegeven?
Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Is het waar dat de ontwikkeling van deze website tot nu toe zeven miljoen euro heeft gekost? Waaraan zijn de ontwikkelingskosten besteed? Kunt u een onderbouwing van de kosten geven?
De PO-Raad heeft de totale kosten van het project Vensters PO gedurende 2012–2015 begroot op ruim 7 mln euro. Vensters PO ondersteunt en begeleidt meer dan 7.000 scholen in het primair onderwijs bij het ontwikkelen, verzamelen en publiceren van nieuwe, onderling vergelijkbare gegevens. Het geld wordt dus niet zozeer besteed aan de bouw van een website.
In de bij vraag 1 reeds aangekondigde brief over Vensters voor Verantwoording PO en VO zal ik ook nader ingaan op de inzet van de middelen en u een overzicht bieden van de activiteiten die in dit kader worden uitgevoerd.
Hoeveel gaat de voltooiing van de website kosten?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 6, heeft de PO-Raad de totale kosten voor de periode 2012–2015 begroot op ruim 7 mln euro. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.