Het bericht ‘lastig leden werven en geen evenementen, corona brengt studentenvereniging in problemen’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Lastig leden werven en geen evenementen, corona brengt studentenvereniging in problemen»?1
Ja.
Aan welke voorschriften moeten studenten- en studieverenigingen vanaf 1 juni voldoen, zowel voor binnen- als buitenactiviteiten, om weer bijeenkomsten te mogen organiseren?
Voor activiteiten van studenten- en studieverenigingen gelden de algemene regels uit de noodverordeningen en de RIVM-richtlijnen.
Tot 15 juni gold dat er in het hoger onderwijs geen onderwijsactiviteiten plaatsvonden op de locaties van hogeronderwijsinstellingen. Met de Vereniging van hogescholen (VH) en de Vereniging van universiteiten (VSNU) is hierover afgesproken dat activiteiten georganiseerd door studenten- en studieverenigingen tot 15 juni in principe werden afgeschaald, net als alle andere activiteiten die niet direct bijdroegen aan het georganiseerd onderwijs. Deze afspraken zijn vastgelegd in het servicedocument ho. De versoepelingen per 1 juli bieden meer ruimte voor de openstelling van allerlei activiteiten. Op hoofdlijnen wordt er een onderscheid gemaakt tussen basisregels voor activiteiten binnen en buiten. Voor meer informatie over deze verschillende basisregels en de voorwaarden die gelden zie de brief COVID-19 Update stand van zaken van het Ministerie van VWS.2 Uiteraard kunnen activiteiten alleen plaatsvinden wanneer dat past bij de bepalingen van de regionale (nood)verordening en de adviezen van de GDD en het RIVM. Daarom blijft gelden dat studenten- en studieverenigingen over de mogelijkheden voor activiteiten in nauw overleg moeten blijven met de instelling, gemeente en veiligheidsregio.
Klopt het dat voor studentenverenigingen, die beschikken over een horecavergunning, per 1 juni dezelfde verruiming van de corona-maatregelen geldt als voor de horeca? Zo nee, waarom niet?
De verruiming van de corona-maatregelen voor de horeca geldt ook voor studentenvereniging met daarin een eet- en drinkgelegenheid. Zij kunnen de deuren weer openen met inachtneming van de regels van de horeca. Vanaf 1 juli gelden er verschillende basisregels voor binnen en buiten activiteiten. Dat houdt in dat binnen per zelfstandige ruimte maximaal 100 personen zijn toegestaan (exclusief personeel), mits er sprake is van placering en als de personen 1,5 meter afstand van elkaar kunnen bewaren, de bijbehorende verkeersstromen zijn gescheiden en hygiënemaatregelen zijn getroffen. Deze voorwaarden gelden ook voor buitenterrassen met maximaal 250 personen. Binnen kunnen meer dan 100 en buiten meer dan 250 personen worden toegelaten als naast bovenstaande voorwaarden ook wordt gereserveerd en een gezondheidscheck plaatsvindt.
Waar kunnen studenten- en studieverenigingen zich melden over onduidelijkheden rondom de coronamaatregelen met betrekking tot het organiseren van activiteiten of de organisatie van de introductieweken?
Studenten- en studieverenigingen kunnen zich met vragen omtrent de coronamaatregelen richten tot de instelling, de gemeente of de veiligheidsregio.
Bent u in overleg met de VSNU, de Vereniging van Hogescholen en de Landelijke Kamer van Verenigingen over de gevolgen van de coronamaatregelen op de introductieweken van aankomende studenten? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen? Zo ja, wat zijn de afspraken die hieruit zijn voortgekomen?
Met regelmaat vindt er overleg plaats met o.a. de VSNU en de VH over de gevolgen van de coronamaatregelen voor het hoger onderwijs en de activiteiten die binnen en buiten de instelling plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor overleg met de studentenorganisaties, ISO en LSVb. Met de LKvV hebben we nog geen overleg gevoerd. Zij houden onder meer met de instellingen en andere stakeholders in de regio contact.
Ik vind het belangrijk dat eerstejaarsstudenten op een goede manier kennis kunnen maken met hun studentenstad, hun studie en hun medestudenten. De gebruikelijke grootschalige introductieweken vlak voor aanvang van het nieuwe collegejaar voor nieuwe studenten kunnen niet in de gebruikelijke vorm plaatsvinden. In overleg met de instelling, gemeente en veiligheidsregio kunnen er mogelijk fysieke activiteiten op beperkte schaal plaatsvinden, uiteraard met inachtneming van de algemene voorschriften van het RIVM. Verder zal ook van digitale middelen gebruik gemaakt moeten worden. De organisatie van deze introductieactiviteiten vraagt om flexibiliteit van alle betrokkenen. Ik heb begrepen dat hier ook al goede ideeën voor ontstaan. Ik verwacht dat instellingen over wat er wel en niet kan communiceren richting studenten en studenten- en studieverenigingen en dat de verenigingen hierover ook contact onderhouden met de gemeente en veiligheidsregio.
Religie en seksualiteit in een online lesmethode voor burgerschapsonderwijs in het mbo |
|
Niels van den Berge (GL), Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het feit dat er ophef ontstaan is naar aanleiding van stereotyperende en generaliserende vragen over religie en seksualiteit in een online lesmethode voor burgerschapsonderwijs in het mbo?1
Ja, dat is mij bekend.
Bent u het met de mening eens dat burgerschapsonderwijs bij zou moeten dragen aan wederzijds begrip tussen jongeren met verschillende achtergronden en aan maatschappelijke samenhang? Bent u het met de mening eens dat lesmethodes burgerschapsonderwijs derhalve kritisch nadenken en eigen meningsvorming zouden moeten stimuleren?
Ik deel deze standpunten. Het is van belang dat studenten kritische denkvaardigheden ontwikkelen, zoals het perspectief van anderen in kunnen nemen en het kunnen nadenken over hoe eigen opvattingen, beslissingen en handelingen tot stand komen. Lesmethoden voor burgerschapsonderwijs moeten het kritisch nadenken en eigen meningsvorming stimuleren. In 2019 heb ik de kwalificatie-eisen voor burgerschap verduidelijkt en daarmee nog eens benadrukt dat het van groot belang is dat studenten leren omgaan met diversiteit, waaronder seksuele en genderdiversiteit. Met de extra middelen die ik beschikbaar heb gesteld voor de erkenning en herkenning van diversiteit, ondersteunt het Kennispunt MBO Burgerschap scholen hierbij. Via de website van het Kennispunt MBO Burgerschap, podcasts en verschillende themabijeenkomsten worden docenten geïnspireerd met kennis, vaardigheden en concreet lesmateriaal om met deze onderwerpen aan de slag te gaan.
Bent u het in algemene zin met de mening eens dat het doel van burgerschapsonderwijs niet is het uitdragen van gestandaardiseerde informatie en stereotypes, maar het dialogisch reflecteren waardoor kritisch denken wordt gestimuleerd?
Deze mening deel ik volledig met u. De kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap vormen de basis van het burgerschapsonderwijs. Deze eisen bevatten ook het leren reflecteren op eigen opvattingen en gedrag, het praten over vooroordelen en stereotypen. Het vormen van een eigen mening door dialoog over en verdieping in de opvattingen en visies van anderen over sociaal-culturele, religieuze en seksuele waarden staan hierin centraal en zijn van groot belang voor een volwaardige deelname aan de maatschappij.
Heeft u zicht op de manier(en) waarop lesmaterialen die gaan over belangrijke, maar ingewikkelde thema’s als seksuele diversiteit, identiteit, gender alsmede culturele en religieuze tradities, ontwikkeld worden?
Hiervoor zijn grofweg drie manieren. Als eerste zijn er op dit moment landelijk negen uitgevers die lesmethoden voor burgerschapsonderwijs in het mbo ontwikkelen. Deze lesmethoden worden doorgaans samen met docenten en deskundigen uit het veld ontwikkeld. Ten tweede zijn er veldorganisaties met deskundigen die lesmaterialen over specifieke thema’s ontwikkelen voor scholen, bijvoorbeeld voorlichtingsmateriaal en methodieken en trainingen op het gebied van seksualiteit, integriteit, discriminatie, radicalisering en polarisatie. Ten derde kunnen scholen ervoor kiezen om zelf hun lesmethoden vorm te geven.
Heeft u zicht op hoe lesmateriaal over deze thema’s bijdraagt aan de doelen van burgerschapsonderwijs?
Om goed in te kunnen spelen op de leeftijd, de achtergrondkenmerken en het onderwijsniveau van studenten, en omdat het burgerschapsonderwijs in het mbo sterk verweven is met de beroepspraktijk, kunnen scholen zelf kiezen hoe zij het burgerschapsonderwijs vormgeven en welke lesmethode gebruikt wordt voor het onderwijs, zolang maar wordt voldaan aan de wettelijke eisen die zijn gesteld aan dit onderwijs. De manieren waarop de lesmaterialen bijdragen aan de doelen van het burgerschapsonderwijs verschillen, maar hier is geen onderzoek naar gedaan.
Kunt u aangeven of er toezicht gehouden wordt op lesmethodes binnen het burgerschapsonderwijs? Zo ja, op welke manier?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. De inspectie heeft geen specifieke taak bij een algemene beoordeling van lesmateriaal of leermethoden, maar kijkt wel naar de deugdelijkheid van het gegeven onderwijs, inclusief gebruik van leermethoden.
Kunt u aangeven of er toezicht gehouden wordt op de inhoudelijke behandeling van maatschappelijk-sensitieve thema’s binnen het burgerschapsonderwijs? Zo ja, op welke manier?
Zie mijn antwoord op vraag 6. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs en heeft daarbij als basis de kwalificatie-eisen, zoals die zijn geformuleerd. Voor zover de maatschappelijk gevoelige thema’s onderdeel uitmaken van deze eisen, zal de inspectie beoordelen of hier aandacht aan wordt besteed tijdens de lessen.
Bent u bereid om in gesprek met de VO-raad, MBO-raad, uitgevers van lesmethodes en (verenigingen voor) docenten maatschappijleer en burgerschapsonderwijs, te bevorderen dat deskundigen op het gebied van religieuze geletterdheid, culturele sensitiviteit, seksuele diversiteit en inclusie in de breedste zin van het woord, betrokken worden bij het ontwikkelen van lesmethodes maatschappijleer en burgerschapsonderwijs? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, worden docenten en andere deskundigen op dit moment al vaak betrokken bij de ontwikkeling van lesmethoden. Het is daarnaast aan de school zelf om te beslissen hoe het burgerschapsonderwijs wordt vormgegeven en welke lesmethode hierbij wordt gebruikt. Aangezien het ministerie geen rol heeft in de ontwikkeling van lesmateriaal, maar dit aan docenten, andere deskundigen en de markt wordt overgelaten, zie ik geen reden om in gesprek met betrokken partijen aan te dringen op (meer) betrokkenheid van de in de vraag genoemde deskundigen.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitkomsten van het recente onderzoek Burgerschapsonderwijs en het omgaan met verschil in morele opvattingen, hierin te betrekken?2
De uitkomsten van dit onderzoek benadrukken het belang van goede deskundigheid onder docenten burgerschap. In het kader van de professionalisering van docenten als actielijn vanuit de Burgerschapsagenda 2017–2021 en de recentelijk aangenomen motie Van den Berge/Rog, wordt momenteel met het Kennispunt MBO Burgerschap, de Werkplaats burgerschap en docenten samengewerkt om professionalisering onder docenten te bevorderen. Docenten worden daarnaast ondersteund door het Kennispunt MBO Burgerschap, en via de Werkplaats burgerschap wordt praktijkgericht onderzoek gedaan door mbo- en ho-instellingen naar goed burgerschapsonderwijs in relatie tot kritisch denken. Ten slotte biedt de Stichting School en Veiligheid trainingen aan voor docenten, gericht op professionalisering specifiek in het omgaan met botsende opvattingen in de klas, zoals Dialogen onder Druk en De fijne kneepjes van het vak (seksuele integriteit).
Het bericht dat studenten drie maanden collegegeld terugkrijgen bij vertraging afstuderen |
|
Frank Futselaar |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Welke reden ziet u om aan te nemen dat studenten die niet in het jaar van afstuderen zitten en studievertraging oplopen dit nog kunnen inhalen? Zijn hierover afspraken gemaakt met de instellingen in het hoger onderwijs? Op welke wijze gaan instellingen in het hoger onderwijs hiervoor gecompenseerd worden?1
Alle onderwijsinstellingen in het mbo en ho werken hard aan het voorkomen van studievertraging voor studenten. Studenten die niet in het laatste jaar van hun studie zitten kunnen tijdens hun studie nog eventuele vakken inhalen. Instellingen spannen zich in om ervoor te zorgen dat studenten zo weinig mogelijk achterstand oplopen of deze tijdens de studie kunnen inlopen. Laatstejaars studenten met vertraging kunnen dat niet omdat zij in het laatste jaar zitten. In het hoger onderwijs loopt het meeste onderwijs gewoon (digitaal) door. Zowel de student als de instelling heeft baat bij zo min mogelijk studievertraging. Toch zal dit voor sommige studenten niet geheel te voorkomen zijn en geldt voor hen dat zij hun studievertraging op een later moment dienen in te halen. Voor hen geldt dat de oplossing meer ligt in het bieden van meer tijd om die studievertraging binnen een redelijke termijn in te halen. Hier zijn in het kader van het servicedocument ho afspraken over gemaakt. Zo geven instellingen eerstejaarsstudenten die door de coronamaatregelen studievertraging oplopen en als gevolg daarvan de norm van het bindend studieadvies (bsa) in het studiejaar 2019–2020 niet halen, de mogelijkheid de bsa-norm te halen in het volgende studiejaar. Ook kunnen studenten in het hoger onderwijs erop rekenen dat coulance wordt betracht wanneer zij door corona niet binnen de diplomatermijn kunnen afstuderen. Normaliter wordt de hele prestatiebeursschuld omgezet in een lening (alle ontvangen basisbeurs, aanvullende beurs en de reisvoorziening) als een student niet binnen 10 jaar na aanvang van de studiefinanciering afstudeert. Dit is opgelost door de diplomatermijn ter verlengen met coulance/hardheidsclausule. Voor studenten die de overstap willen maken van het hbo naar het wo, of van bachelor naar master, maar door het COVID-19 virus niet op tijd aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen kunnen voldoen, zijn ook afspraken gemaakt met instellingen. Deze studenten kunnen doorstromen naar de vervolgopleiding onder de voorwaarde dat zij binnen een redelijke termijn alsnog voldoen aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen. Onderwijsinstellingen worden voor deze inspanningen niet gecompenseerd.
Waarom is in dit steunpakket geen compensatie opgenomen voor de instellingen in het hoger onderwijs?
In het compensatiepakket zoals beschreven in de brief van 15 mei jl. is een subsidieregeling aangekondigd voor het inhalen van onderwijsachterstanden voor groepen kwetsbare kinderen en studenten. Doordat de coronacrisis kan leiden tot verergering van de kansenongelijkheid en daarmee tot verlies aan menselijk kapitaal, heeft het kabinet extra aandacht voor deze kwetsbare groepen. Omdat deze groepen meer voorkomen in het po, vo en mbo is ervoor gekozen om het compensatiepakket daarop te richten.
Deelt u de mening dat het juist dankzij een geweldige inspanning van de docenten in het hoger onderwijs is, dat er nog zoveel onderwijs doorgang kan vinden? Kunt u dit toelichten?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat juist door inspanning van alle leraren en docenten het onderwijs zo veel mogelijk doorgang kan vinden. Ook voor het hoger onderwijs is dat zeker waar. In alle sectoren gaat het onderwijs zo veel mogelijk digitaal door. Ik waardeer de inzet van al die leraren en docenten dan ook zeer.
Bent u zich ervan bewust dat deze omslag naar digitale onderwijsvormen ook kosten met zich meebrengt? Zo ja, hoe worden deze gecompenseerd?
Het is logisch dat er kosten zullen zijn voor digitale onderwijsvormen. Dat neemt niet weg dat deze omslag in het hoger onderwijs voor een deel al was voorzien. De investeringen hierin zouden waarschijnlijk later in de toekomst zijn gedaan en zijn nu naar voren gehaald. Dat betekent dat dit jaar een deel van de (bestemmings)reserves kan worden ingezet dat anders later werd ingezet. Tevens staan tegenover dit soort meerkosten ook minderkosten voor instellingen door minder gebruik van gebouwen.
Op welke manier worden instellingen vergoed voor de extra kosten die zij maken om de studievertraging, waarvoor studenten nu terecht gecompenseerd worden, met extra onderwijsinspanningen in te lopen?
Zie eerdere antwoorden op vraag 1, 2 en 4.
Op welke manier wordt er publieke verantwoordelijkheid genomen voor de vertraging die onderzoekers oplopen? Deelt u de mening dat hun positie als gevolg van de coronacrisis benard is en dat dit ook overheidssteun rechtvaardigt?
Ik ben me er van bewust dat de huidige situatie veel vraagt van wetenschappers. Ik neem deze signalen dan ook zeer serieus. Samen met de publieke kennispartners (NWO, KNAW, VSNU, VH en NFU) houdt OCW de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Doel is om geen onderzoekers tussen wal en schip te laten vallen. Er worden door de samenwerkende publieke kennispartners verschillende stappen gezet om onderzoeksvertraging waar mogelijk op te vangen of beoordeling aan te passen, ook in het licht van het nieuwe erkennen en waarderen. Daarnaast is NWO begonnen met het openbaar maken van calls die in de toekomst gepubliceerd worden. Dit geeft onderzoekers meer tijd om aanvragen voor te bereiden en hun planning daarop aan te passen. Nieuwe sluitingsdata van gepauzeerde calls worden ruim van tevoren gepubliceerd. Ook wordt gekeken of er mogelijkheden zijn om onderzoekers verlenging te bieden indien ze die nodig hebben om hun onderzoek af te ronden.
We kijken daarnaast naar mogelijkheden om het onderzoekswerk te hervatten binnen de kaders van de coronamaatregelen. Ik verwijs u daarvoor graag naar het servicedocument dat wij regelmatig uitbrengen en het protocol «Herstart Universiteiten». Alle bovenstaande maatregelen zijn er op gericht om onderzoekers zo veel mogelijk te ondersteunen in deze bijzondere omstandigheden.
Daarnaast investeert het kabinet in totaal € 47,5 miljoen – via de ministeries van VWS, OCW en EZK en wetenschapsfinanciers ZonMw en NWO en de topsector LSH – in coronagerelateerd onderzoek. Tot slot span ik mij in Europa in om binnen de financiële middelen van Horizon 2020 de continuïteit voor onderzoeksprojecten te borgen. Dat betreft een case by case benadering, geen generieke maatregelen.
Welke financiële consequenties heeft de meer kleinschalige inrichting, zoals die de komende tijd te verwachten is als gevolg van de coronamaatregelen, op de instellingen in het hoger onderwijs? Bent u bereid deze consequenties op te vangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat de anderhalvemetersamenleving consequenties zal hebben. Welke financiële impact dat heeft is niet bekend. Deze kosten hangen ook af van hoelang de crisis duurt en wanneer de coronamaatregelen versoepeld kunnen worden. Voor het hoger onderwijs zijn op dit moment de Vereniging Hogescholen en VSNU nog bezig met een inventarisatie van de kosten voor de korte en middellange termijn. Dit kan inzichtelijk maken tegen welke kosten instellingen aanlopen. Hogescholen en universiteiten zijn grotendeels publiek bekostigde instellingen. Er zijn op dit moment geen acute liquiditeitsproblemen.
Het lerarentekort in Rotterdam |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat het schokkend is dat met de verbeterde meetmethode het lerarentekort in Rotterdam twee keer groter blijkt te zijn dan eerder werd berekend? Is het aannemelijk om te verwachten dat eenzelfde soort beeld zich gaat aftekenen in andere grote steden? Wanneer deelt u deze nieuwe gegevens met de Kamer?1
Samen met de partijen aan de landelijke tafel en het onderwijsveld werk ik aan de aanpak van het lerarentekort. Omdat de tekorten in vooral de G5 (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Almere) snel oplopen, is de aanpak in die steden geïntensiveerd.2 In dat kader is ook Het een werkgroep ingericht met de G5 en de PO-Raad om methoden te onderzoeken om het lerarentekort beter in kaart te brengen. Dat is lastig, zoals ik ook heb beschreven in onze kamerbrief van 16 december 2019.3
De gemeenten en schoolbesturen in Rotterdam en Den Haag hebben een methode ontwikkeld waarmee via een vragenlijst die wordt ingevuld door scholen, het actuele lerarentekort in kaart wordt gebracht. Eenzelfde uitvraag heeft inmiddels ook in Almere en Utrecht plaatsgevonden. Er is zowel gevraagd naar vacatures als naar «verborgen vacatures»: vacatures die op een door de school onwenselijk geachte wijze zijn ingevuld.
In Rotterdam heeft de uitvraag geleid tot een flinke toename in het beeld van de tekorten ten opzichte van de uitvraag van een half jaar eerder.4 De gemeente Rotterdam en de schoolbesturen verklaren dit voornamelijk door het feit dat het huidige tekort nu op schoolniveau is uitgevraagd in plaats van op bestuursniveau, het bereik van de uitvraag en in mindere mate door een werkelijke toename van de tekorten. De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat de nieuwe uitvraag in februari 2020 juist het beeld geeft van een kleiner tekort dan in oktober 2019. De gemeente verklaart het verschil doordat de data van de laatste meting nauwkeuriger zijn geanalyseerd. Daarmee geeft de meting van februari 2020 een betrouwbaar beeld van de werkelijke situatie.
De systematiek is nog niet volledig doorontwikkeld en kent ook beperkingen: een dergelijke uitvraag brengt grote administratieve lasten voor scholen met zich mee en kan leiden tot subjectieve uitkomsten door verschillen in interpretatie. In overleg met de eerder genoemde werkgroep onderzoek ik daarom of een dergelijke uitvraag een geschikte manier is om het lerarentekort verder in beeld te brengen en of er ook een andere methode mogelijk is waarbij er geen uitvraag nodig is. Ik verwacht uw Kamer in december nader te kunnen informeren over deze methodes.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat juist die scholen waar relatief veel kinderen met onderwijsachterstanden heen gaan het hardst worden getroffen door het lerarentekort? Zo ja, hoe vindt u dat dit moet worden opgelost?2
Het is zorgelijk dat het lerarentekort groter lijkt te zijn op scholen met veel kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Dit is ook geconstateerd door de Inspectie van het Onderwijs en heb ik in de brief over het lerarentekort afgelopen december ook aan uw Kamer gemeld: de mobiliteit onder leraren is relatief hoog op scholen met een hoge achterstandsscore.6 Dit probleem is lastig op landelijk niveau op te lossen, omdat een passende oplossing afhankelijk is van de lokale situatie.
De aanpak van het lerarentekort op specifieke scholen, zoals scholen met veel kinderen met een risico op een onderwijsachterstand, past daarom goed bij de regionale aanpak van de tekorten. Op regionaal niveau heeft men het beste zicht op de lokale problematiek en kunnen gericht acties worden ondernomen. Sinds vorig jaar kunnen regio’s een beroep doen op de subsidieregeling Regionale Aanpak Personeelstekort en inmiddels ontvangen 67 regio’s in het land subsidie. In de noodplannen van de G5 (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Almere) is ook aandacht voor deze specifieke groep scholen. De uitwerking van de noodplannen vindt op dit moment plaats, hierover heb ik nauw contact met de gemeenten en schoolbesturen in de G5.
Heeft u er vertrouwen in dat de huidige Rotterdamse aanpak voldoende zoden aan de dijk zet voor deze scholen? Op welke termijn wilt u verbetering zien?
Ik werk goed samen met de schoolbesturen in Rotterdam en de gemeente in de aanpak van het lerarentekort en zie dat het lerarentekort hier serieus wordt aangepakt. Ik heb vertrouwen in hun inzet, net als in de rest van de G5 om de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid in het onderwijs zo goed mogelijk te waarborgen.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, vindt de uitwerking van de noodplannen op dit moment verder plaats. Ik heb hierover nauw contact met de gemeenten, schoolbesturen en lerarenopleidingen.
Acht u de door u in februari eerder toegezegde 100 miljoen euro voor de aanpak van het lerarentekort in de grote steden nog steeds nodig? Zo ja, wanneer komt dit geld er? Zo nee, waarom niet?
Zoals inmiddels bij uw Kamer bekend is, is er met de voorjaarsnota voor een periode van vier jaar € 116 miljoen vrijgemaakt voor de uitvoering van de noodplannen G5. Hierover maak ik afspraken met de schoolbesturen en gemeenten middels convenanten. Ik heb uw Kamer hier recent over geïnformeerd in mijn brief Kamerbrief over de intensivering van de aanpak tekorten in het onderwijs en de lerarenopleidingen.
Welke resultaten verwacht u dat gemeenten en scholen gaan boeken in hun strijd tegen het lerarentekort met de hiervoor in de Voorjaarsnota vrijgekomen 32 miljoen euro?
Zoals ik in antwoord vier aangeef, heb ik uw Kamer hierover recent geïnformeerd met een brief: Kamerbrief over de intensivering van de aanpak tekorten in het onderwijs en de lerarenopleidingen.
Hoe verklaart u het relatief hoge percentage vacatures in het voortgezet speciaal onderwijs? Deelt u de aanname dat het feit dat deze leraren onder de cao voor het primair onderwijs vallen hier een rol bij speelt? Zo ja, bent u bereid naast het salaris ook financiële middelen beschikbaar te stellen om de overige arbeidsvoorwaarden gelijk te trekken met die in het reguliere voortgezet onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Samen met de PO-Raad voer ik gesprekken met betrokkenen, om de knelpunten voor het lerarentekort in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) te inventariseren. Op deze manier zoeken we naar de verklaringen en oplossingsrichtingen.
In het convenant dat ik in het najaar van 2019 heb afgesloten met de sectorraden en onderwijsvakbonden is daarnaast structureel € 16,5 miljoen opgenomen voor de verhoging van de salarissen van docenten in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs van het vso. Dit budget is conform de vraag uit het noodpakket dat de sociale partners destijds hebben ingediend en is bij voorjaarsnota beschikbaar gekomen vanaf komend schooljaar 2020–2021. Helaas hebben de sociale partners er lang over gedaan collectieve invulling te geven aan de verwerking van deze middelen en het maken van een beloningsafspraak. Momenteel wordt een subsidieregeling voorbereid waarbij het voornemen is dat besturen voor schooljaar 2020–2021 geld aan kunnen vragen op basis van het aantal leerlingen dat diplomagericht onderwijs volgt in het vso.
Wat vindt u ervan dat de onderwijswethouder Kasmi in zijn brief aan de Rotterdamse gemeenteraad aangeeft dat het «niet in de verwachting ligt dat het tekort aan bevoegde leraren opgelost kan worden de komende jaren»? Deelt u de mening dat een dergelijke uitspraak weinig vertrouwen geeft in goed en waardig onderwijs?
De ramingen van het lerarentekort wijzen erop dat het lerarentekort de komende jaren zal blijven groeien. We hebben echter al wel kunnen constateren dat de ingezette maatregelen effect hebben en de groei minder hard gaat dan eerder werd voorspeld.7 We moeten echter wel realistisch zijn: de verwachting is niet dat het tekort op korte termijn volledig opgelost zal worden. En daarom werken we er hard aan om, ondanks het lerarentekort, kwalitatief goed onderwijs te blijven bieden. De aanpak om het lerarentekort tegen te gaan bevat maatregelen om de instroom van leraren te verhogen, leraren te behouden en het onderwijs anders te organiseren. In de G5, waar het tekort het grootst is, zijn noodplannen gemaakt en met het extra geld uitgevoerd kunnen de steden maatregelen uit deze plannen gaan uitvoeren.
Op basis waarvan denkt u dat de mogelijkheid om 22 uren per maand onbevoegde leraren voor de klas te zetten voldoende ruimte biedt om de onderwijskwaliteit op peil te houden?
Recent heb ik de beleidsregel Andere dag- en weekindeling op scholen in de G5gepubliceerd, waarmee het voor scholen met een lerarentekort in de G5 voor vier jaar mogelijk wordt gemaakt om het onderwijs maximaal 22 uur in de maand door een andere professional te laten verzorgen. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd om een nadere toelichting te geven op de beleidsregel en hierbij te reageren op de reactie van de AOb op de beleidsregel. Deze toelichting heb ik recent naar uw Kamer gestuurd: Reactie op de beleidsregel andere dag- en weekindeling in het kader van noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de G5.
Wat is uw reactie op de stelling van het VVD-raadslid «beter iemand voor de klas dan niemand»?3
Het uitgangspunt is en blijft dat het onderwijs wordt gegeven door bevoegde leraren, zodat de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid in het onderwijs zo goed mogelijk gewaarborgd worden.
Hoe zorgt u dat het anders organiseren van onderwijs niet leidt tot een verschraling van de onderwijskwaliteit en het vergroten van de kansenongelijkheid?
De kwaliteitseisen aan het onderwijs en de eisen ten aanzien van bevoegdheden worden niet veranderd. In de G5 is het op dit moment nodig om meer ruimte te geven voor een andere organisatie van het onderwijs in tijden van nood door het lerarentekort. Om ook dan de kwaliteit en kansengelijkheid te waarborgen stel ik verschillende voorwaarden aan deelname van scholen aan de beleidsregel voor een andere dag- en weekindeling in de G5. Voor een nadere toelichting op deze beleidsregel verwijs ik naar de brief die ik recent aan uw Kamer heb gestuurd: Reactie op de beleidsregel andere dag- en weekindeling in het kader van noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de G5.
Het afleggen van examens in het buitenland. |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de Wereldschool die leerlingen in het buitenland ondersteunt bij het doen van Nederlandse examens?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel leerlingen zich bij DUO hebben ingeschreven voor het doen van staatsexamen dit schooljaar?
Er hebben zich in totaal 8.696 kandidaten ingeschreven. Hiervan zijn er 4.282 individuele kandidaten en zijn er 4.414 kandidaten uit het voortgezet speciaal onderwijs.
Wat zijn de gevolgen voor deze leerlingen nu het centraal schriftelijk examen, een van de verplichte onderdelen van het staatsexamen naast het college-examen, vanwege COVID-19 dit schooljaar niet doorgaat?
Vanwege het vervallen van het centraal schriftelijk examen in dit schooljaar bestaat het staatsexamen alleen uit het college-examen. Dit college-examen bestaat uit mondelinge of praktische examens, voor een aantal vakken aangevuld met een schriftelijk college-examen. Deze examens worden in Europees Nederland afgenomen, met uitzondering van de college-examens die normaliter op de staatsexamenlocatie Bonaire worden afgenomen.
Hoe verhoudt de eis van de mondelinge afname van het college-examen in Nederland zich met de huidige reisbeperkingen tussen landen in de wereld, zowel in Europa als wereldwijd? In hoeverre is het realistisch dat leerlingen in juli of augustus de mogelijkheid hebben om vanuit hun land van verblijf te reizen naar Nederland? Wilt u daarbij het feit meenemen dat sommige werkgevers van ouders strikte reisbeperkingen hebben opgelegd aan hun personeel waardoor het de facto ook heel lastig is voor gezinsleden om te reizen?
Het coronavirus heeft een grote impact in zowel Europa als daarbuiten, waaronder op reisbewegingen. Dat brengt onzekerheid met zich mee over de vraag of het mogelijk is om op tijd in Nederland of Bonaire te zijn om staatsexamens af te leggen. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is zich hier goed van bewust en houdt hier rekening mee. Voor de groep staatsexamenkandidaten die zich in het buitenland bevindt en niet op korte termijn naar Nederland kan komen, geldt in eerste instantie dat zij uitstel kunnen aanvragen en later met hun examens kunnen starten. De afnameperiode van het staatsexamen beslaat een aantal maanden en er kan gebruik gemaakt worden van de tijd die er is. In een deel van de gevallen zal dit voldoende ruimte geven om alsnog af te kunnen reizen en aan het examen deel te nemen. In die gevallen waar voortdurende en zware reisrestricties of de slechte gezondheid van een staatsexamenkandidaat de reis naar Nederland belemmeren, gaat het CvTE op zoek naar een passende oplossing om de examinering door te laten gaan.
Voor de groep staatsexamenkandidaten die examens af zouden leggen op de staatsexamenlocatie Bonaire heeft het CvTE besloten om vanwege de omstandigheden, waaronder de aanhoudende onzekerheid over de hervatting van het vliegverkeer in het Caribisch gebied, de fysieke examenafname te vervangen door digitale afnames. Dit is een noodmaatregel die wordt genomen omdat het CvTE op dit moment geen andere manier ziet om deze groep het staatsexamen af te laten leggen, ook al is dit geen ideale oplossing. Deze vervangende manier van examineren zal het nodige vragen van staatsexamenkandidaten en van examinatoren. Het CvTE heeft daarom een beroep gedaan op scholen op de afzonderlijke eilanden om hierbij ondersteuning te verlenen. Die hebben aangegeven hiertoe bereid te zijn. In de komende maand wordt er samengewerkt aan het voorbereiden van deze afnames.
Onder welke voorwaarden is het mogelijk om het examen op een Nederlandse ambassade af te leggen, zoals op de website van de Wereldschool wordt aangegeven?
Het organiseren van examenafnames op Nederlandse ambassades is geen taak van de Nederlandse overheid. Het staatsexamen wordt in Europees Nederland of Bonaire afgenomen. In uitzonderlijke gevallen kan het CvTE toestaan dat een (deel van het) staatsexamen in het buitenland wordt afgenomen, bijvoorbeeld via een digitale afname. De beoordeling hiervan ligt bij het CvTE. Zoals ik aangeef in het antwoord op vraag 4 gaat het CvTE op zoek naar een passende oplossing om de examinering door te laten gaan in de gevallen waar het staatsexamenkandidaten niet lukt om op tijd op een staatsexamenlocatie te geraken.
Bent u bereid om voor alle kinderen die dit schooljaar examen doen in het buitenland mogelijk te maken dat zij het college-examen kunnen afleggen op de Nederlandse ambassade in hun land van verblijf of een andere mogelijkheid indien reizen naar de ambassade niet mogelijk is, waarbij uiteraard bepaalde waarborgen ten aanzien van omgang met de examens in acht genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit wordt niet generiek mogelijk gemaakt voor alle staatsexamenkandidaten die zich in het buitenland bevinden. Zie ook mijn antwoord op vragen 4 en 5.
Bent u bereid deze vragen op de kortst mogelijke termijn te beantwoorden?
Ja.
Het beoordelingskader voor LVS-instrumenten van de Expertgroep toetsen PO |
|
Michel Rog (CDA), Paul van Meenen (D66), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het beoordelingskader voor leerlingvolgsysteem (LVS) -instrumenten van de Expertgroep toetsen PO?1
Ja.
Kunt u toelichten waar de Expertgroep de stelling op baseert dat onder de verplichte normering van toetsen ook observatie-instrumenten zouden vallen, terwijl de huidige wet enkel een grondslag biedt voor het hanteren van regels voor toetsen en leerlingvolgsystemen? Deelt u de mening dat het schrappen van kleutertoetsen geen vrijbrief is om dan maar eisen te gaan stellen aan observatie-instrumenten?
De Expertgroep Toetsen PO toetst de inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering van alle LVS-instrumenten. Dit zijn instrumenten met als doel om de vorderingen in de kennis en vaardigheden op het niveau van de leerling, de groep en de school te volgen. Dit kunnen schoolse toetsen zijn, maar ook observatie-instrumenten vallen hieronder. De wettelijke basis hiervoor ligt in artikel 8, zesde en zevende lid, Wet op het Primair Onderwijs. Alle instrumenten die de groei van een leerling in kaart brengen, moeten worden beoordeeld door de Expertgroep Toetsen PO. Het beoordelingskader van LVS-instrumenten van de Expertgroep geldt enkel voor LVS-instrumenten. Wanneer een observatie-instrument de groei van leerlingen niet in kaart brengt, kijkt de Expertgroep Toetsen PO niet naar de kwaliteit van het instrument. Scholen zijn niet verplicht om observatie-instrumenten voor kleuters te gebruiken, maar indien zij de groei van kleuters in kaart brengen in het LVS mag dit enkel met een door de Expertgroep Toetsen PO erkend instrument.
In mijn brief aan Uw Kamer van 6 juli 2018 schreef ik verder dat in het Regeerakkoord is afgesproken dat scholen binnen het LVS voor kleuters geen gebruik meer kunnen maken van schoolse LVS-toetsen. Ik schreef hier ook dat er wel ruimte blijft voor het gebruik van observatie-instrumenten binnen het LVS voor kleuters.2
Hoe is de opvatting van de Expertgroep, dat scholen gebruik zouden moeten maken van goedgekeurde observatie-instrumenten, te rijmen met het gegeven dat momenteel niet eens een duidelijk kenbaar en onderscheidend kader voor goedkeuring van deze instrumenten beschikbaar is? Hoe is uitwerking gegeven aan uw aankondiging dat de Expertgroep met aanbieders zou gaan overleggen over de beoordelingscriteria?2 Op welke wijze worden scholen en aanbieders een duidelijk verhaal en eerlijke kansen geboden?
Scholen zijn niet verplicht om observatie-instrumenten af te nemen bij kleuters, maar indien zij de groei van kleuters in kaart brengen in het LVS mag dit enkel met een door de Expertgroep Toetsen PO erkend instrument. De eisen voor goedkeuring van instrumenten verbonden aan het LVS staan beschreven in het «Beoordelingskader LVS-instrumenten» van de Expertgroep Toetsen PO. Daarnaast vindt overleg plaats tussen de Expertgroep en een toetsaanbieder indien de toetsaanbieder voornemens is een volginstrument voor kleuters te ontwikkelen. De eisen beschreven in het beoordelingskader van de Expertgroep zijn transparant en gelden voor alle aanbieders op een gelijke manier. Het beoordelingskader LVS-instrumenten is geschikt voor de beoordeling van alle LVS-instrumenten. Daarnaast kan dit worden bijgesteld als blijkt dat dit nodig is om aspecten als normering, betrouwbaarheid en validiteit voor specifieke instrumenten goed te kunnen beoordelen.
Deelt de u de opvatting dat het onwenselijk is dat de criteria voor beoordeling van (kleuter)toetsen min of meer ongewijzigd worden toegepast op instrumenten, gelet op de erkenning in uw brief dat de bezwaren tegen de kleutertoets zich in belangrijke mate ook richten tegen de normering ervan?
Voor het in kaart brengen van groei geldt voor kleuters hetzelfde als voor andere leerlingen in het basisonderwijs: een leerkracht wil op basis van de prestaties op een instrument bepalen of een leerling goed op weg is om gestelde doelen te behalen. Om de groei van een kleuter in kaart te brengen is het nodig om deze groei te duiden ten opzichte van een vaststaande meetlat. Hierbij is een normgroep van afdoende grootte nodig. Dit hoeft geen landelijk gemiddelde te zijn. In mijn brief beschrijf ik dat ik bezwaar heb tegen het indelen van kleuters in een bepaalde niveaugroep, op basis van een vergelijking van de prestaties van individuele kleuters met een landelijk gemiddelde. Dit doet namelijk geen recht aan het feit dat kleuters zich sprongsgewijs ontwikkelen. Dit alles laat onverlet dat ook observatieinstrumenten moeten voldoen aan eisen van betrouwbaarheid en validiteit.
Kunt u aangeven waarom de strekking van het aanhangige wetsvoorstel, dat de verplichting schrapt om genormeerde toetsen te gebruiken, verheldering zou behoeven?3 Kunt u bevestigen dat in ieder geval klip en klaar is dat op grond van het wetsvoorstel geen genormeerde toetsen verplicht zijn en dat scholen die observatiemiddelen mogen kiezen, die het beste zijn voor de leerlingen?
Zowel leden van de fractie van de ChristenUnie als leden van de SGP-fractie in de Eerste Kamer hebben vragen gesteld over het amendement-Bisschop c.s. bij het wetsvoorstel actualisering deugdelijkheidseisen in het funderend onderwijs. Zoals ik ook gedurende het debat over dit wetsvoorstel aangaf, maak ik mij zorgen over het effect van de onderdelen van het amendement die zich richten op het schrappen van de referentieniveaus in de LVS-instrumenten en het vervallen van de beoordeling van de LVS-toetsen op de onderwijskwaliteit door een onafhankelijke commissie. Ook schrapt het amendement de grondslag om bij AMvB nadere regels te stellen over toetsen in het LVS, zoals nu gebeurt in het Toetsbesluit PO. Op 6 juli 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat in deze AMvB de eisen voor het toetsen van kleuters worden aangescherpt. In deze brief heb ik ook aangegeven dat dit zal worden meegenomen in de wijziging van wet- en regelgeving die voortvloeit uit de evaluatie van de Wet eindtoetsing po. Het nieuwe wetsvoorstel doorstroomtoetsen po hoop ik nog dit jaar met uw Kamer te bespreken. Ik vind het belangrijk om alle consequenties van het amendement-Bisschop c.s. goed in beeld te hebben voordat de regering dit onderdeel eventueel in werking laat treden. Door de grondslag voor een AMvB volledig te schrappen is het bijvoorbeeld niet langer mogelijk om erkende observatie-instrumenten voor kleuters die voldoen aan alle eisen op te nemen als toets uit het LVS. Ik vraag de inspectie daarom een uitvoeringstoets uit te voeren op het amendement, zoals ook bij reguliere wetstrajecten gebruikelijk is. Ik wil benadrukken dat het niet gepast is om vooruit te lopen op wetgeving waarover parlementair nog gestemd wordt. De wetgeving wordt dus niet vooruitlopend op deze stemming opgeschort.
Onderkent u dat scholen die keuzes moeten maken voor komende schooljaren, snel behoefte hebben aan duidelijkheid over de wettelijke kaders en dat het met het oog daarop niet toereikend is om in de communicatie te volstaan met plannen voor 2022? Zo ja, bent u bereid in de communicatie van uw ministerie en de Inspectie van het Onderwijs duidelijk op te nemen dat scholen de komende jaren geen verplichtingen hebben tot het gebruik van goedgekeurde instrumenten en bent u bereid hierover contact op te nemen met de Expertgroep en de betrokken sectororganisaties?
De tekst op rijksoverheid.nl is in lijn met de nu geldende wetgeving. Deze wordt aangepast als de nog lopende wetstrajecten zijn afgerond. De informatie wordt niet aangepast vooruitlopend op de nog aan te passen wetgeving waarover parlementair nog gestemd wordt. Daarnaast is op de website van de Expertgroep Toetsen PO een pagina met veel gestelde vragen over de kleutertoetsen opgenomen.
13.000 mbo’ers die geen stageplek of leerbaan hebben |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Hoe gaat u in het mbo een sluitende aanpak voor de beroepspraktijkvorming waarmaken, zoals de Kamer in 2015 de regering heeft verzocht door de motie van het lid Jadnanansing c.s. aan te nemen, nu het tekort aan stageplekken in het mbo is opgelopen tot 13.000?1 2
Op dit moment is er inderdaad een tekort van 13.000 stages en leerbanen, wat uitzonderlijk hoog is en te maken heeft met onder andere de contact-beperkende maatregelen die veel impact hebben op sectoren zoals toerisme, verzorging en horeca. SBB heeft daarom op verzoek van mij en de Minister en Staatssecretaris van SZW een actieplan opgesteld dat er voor moet zorgen dat zoveel mogelijk jongeren en werkenden en werkzoekenden toch een stage of leerbaan kunnen krijgen.3 Er wordt door SBB extra acquisitie gedaan om nieuwe leerbanen en stageplekken te vinden. Hiervoor zijn door het kabinet ook additionele middelen ter beschikking gesteld aan SBB.4 Onderdeel van het actieplan is dat er een goed beeld ontstaat van de studentenaanmeldingen per school, voor zowel opleiding als locatie. Door het regelmatig ophalen van deze informatie ontstaat een nog beter inzicht in waar tekorten aan leerbanen en stages (dreigen te) ontstaan. SBB kan dan proactief en tijdig bijsturen. SBB gaat hier samen met de scholen mee aan de slag. Het meldpunt stage- en leerbanentekorten wordt extra onder de aandacht gebracht van scholen en studenten. Studenten die hun stage of leerbaan verliezen melden zich eerst bij de school om een passende oplossing te vinden. SBB helpt als er een vervangende plek nodig is. Om studenten in staat te stellen hun opleiding af te ronden en niet in de knel te komen als gevolg van het wegvallen van stages en leerbanen, heb ik met de sector afgesproken dat onderwijsteams kunnen beoordelen of leerdoelen en praktijkopdrachten afgerond kunnen worden zonder dat de uren volledig gemaakt worden. Daarbij kan ook gekeken worden naar resultaten uit eerdere stages of naar alternatieve (praktijk-)opdrachten. In formele zin is er zo sprake van een sluitende aanpak. Dat laat onverlet dat vanwege de onzekerheid over de economische ontwikkelingen zich nog steeds knelpunten bij de beroepspraktijkvorming kunnen voordoen.
Vanzelfsprekend houd ik nauw een vinger aan de pols of de genomen maatregelen volstaan.
Kunt u garanderen dat deze mbo’ers, die vooral worden opgeleid voor beroepen in de openbare orde en veiligheid, retail, horeca, luchtvaart en evenementen- en toeristensector, niet de dupe worden van de ontstane situatie, die geheel buiten hun schuld is ontstaan? Zo ja, hoe gaat u dan voorkomen dat de betrokken mbo’ers studievertraging oplopen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de zorg van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) dat deze stagetekorten een voorbode zijn van toekomstige werkloosheid van de mbo’ers die geen stageplek weten te verwerven? Zo ja, wat gaat u daartegen ondernemen?
Het tekort aan stageplaatsen en leerbanen kan inderdaad een indicatie zijn van knelpunten op de arbeidsmarkt voor schoolverlaters. Het CPB heeft in het rapport «Scenario’s economische gevolgen coronacrisis» (26 maart 2020) aangegeven dat de gevolgen voor onder meer schoolverlaters groot kunnen zijn. Ondanks dat de crisis het voor scholen niet gemakkelijk maakt, wil ik wel het belang benadrukken van dat de omvang van de instroom van opleidingen zo goed mogelijk aansluit bij de toekomstige vraag van de arbeidsmarkt. Scholen hebben daartoe een wettelijke zorgplicht arbeidsmarktperspectief. SBB monitort in hun werkwijze doelmatigheid welke opleidingen een goed arbeidsmarktperspectief bieden en welke niet. Voor het zomerreces zal ik conform toezegging uw Kamer een voortgangsbrief over de kabinetsreactie op het IBO-onderzoek «Jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt» toesturen. Ik zal hierbij ook ingaan op de knelpunten voor schoolverlaters en mogelijke maatregelen.5
Wilt u in overleg treden met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat om gezamenlijk de problematiek die zich nu aftekent, te verhelpen?
In het kabinet is volop overleg over de aanpak van de COVID-19 problematiek. Zo heeft het kabinet onlangs een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over het wegwerken van achterstanden, onder meer door een extra impuls voor SBB voor de aanpak van tekorten aan stages en leerbanen.
Het onterecht innen van verplichte ouderbijdragen voor onderwijs aan hoogbegaafden. |
|
Michel Rog (CDA), Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het ingrijpen door de Inspectie van het Onderwijs vanwege onterecht geïnde verplichte ouderbijdragen betreffende OPUS leerlingen door de Gelderse Onderwijsgroep Quadraam?1
Ik ken de situatie. Onderwijsgroep Quadraam (hierna: het bestuur) tijdens een contactmoment aangesproken op de onterechte inning van verplichte ouderbijdragen. Het bestuur gaf hierbij aan reeds te zijn gestopt met de verplichte inning naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State in de zaak van de Stichting Conexus.2 Hierdoor is ingrijpen door de inspectie niet noodzakelijk meer geweest.
Hoeveel verplichte ouderbijdrage betaalden ouders voor een jaar onderwijs voor hoogbegaafden op de afdeling OPUS van Quadraam?
De verantwoording over middelen voor het onderwijs vindt plaats via de jaarrekening van het bestuur. Recent heeft de inspectie een vierjaarlijks onderzoek uitgevoerd bij het bestuur. Het rapport van dit onderzoek is vastgesteld 13 juni 2019. Het onderzoek heeft geen signalen opgeleverd die aanleiding zijn tot het doen van nader specifiek onderzoek. Hiermee ga ik ervan uit dat het bestuur zich houdt aan de wettelijke eisen die gesteld worden aan de vrijwillige ouderbijdrage.
Hoeveel verplichte ouderbijdragen heeft Quadraam onterecht geïnd de afgelopen jaren van ouders van deze betreffende groep leerlingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzage geven in waar deze verplichte ouderbijdragen jarenlang voor ingezet zijn? Zo nee, bent u bereid dit op te vragen bij Quadraam?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben alle ouders van kinderen die onderwijs voor hoogbegaafden volgden op de afdeling OPUS van Quadraam de onterecht geïnde verplichte ouderbijdrage teruggekregen van de school zoals de ouder(s) in het Wob-verzoek? Zo nee, bent u bereid Quadraam hierop aan te spreken en er alsnog voor te zorgen dat al deze ouders hun geld terugkrijgen?
Het bestuur heeft de inspectie laten weten dat de ouders die zich hebben gewend tot het bestuur de betaalde ouderbijdrage teruggekregen. Het bestuur heeft aangegeven dat er ook ouders zijn die tevreden zijn over het onderwijs op de OPUS-afdeling en daarom de reeds betaalde ouderbijdrage niet terugvragen.
Is Quadraam verplicht ouders te informeren dat zij onterecht jarenlang een verplichte ouderbijdrage voor hoogbegaafdenonderwijs hebben geïnd en deze terug moeten betalen? Zo ja, bent u bereid Quadraam hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Het bestuur heeft de inspectie laten weten dat zij een financiële reservering hebben opgenomen om alle ouders die zich nog bij hen melden terug te betalen. Ik zal het bestuur vragen dit onder de aandacht te brengen bij alle ouders.
Zijn er nog steeds scholen die verplichte ouderbijdragen vragen aan ouders van hoogbegaafde kinderen voor hoogbegaafdenonderwijs, terwijl dit niet mag? Zo ja, waarom heeft uw oproep naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Rudmer Heerema en Van Meenen niet gewerkt? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat scholen hier per direct mee ophouden?2
Zowel bij mij als bij de inspectie zijn op dit moment geen scholen bekend die een verplichte eigen bijdrage van ouders vragen.
Zoals aangegeven tijdens het AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en kwetsbare leerlingen van 1 juli jl. heb ik een brief verstuurd waarmee ik scholen en samenwerkingsverbanden oproep per direct te stoppen met het vragen van een (verplichte) eigen bijdrage aan ouders van (hoog)begaafde kinderen. Dit conform een verzoek van het lid Heerema (VVD).
Is er al een sanctiebeleid opgesteld voor scholen die nog steeds een (verplichte) bijdrage vragen aan ouders voor onderwijs aan hun hoogbegaafde kind, zoals verzocht in de aangenomen motie van het lid Rudmer Heerema? Zo ja, wat houdt dit sanctiebeleid in en door wie wordt dit uitgevoerd? Zo nee, waarom niet en wanneer kan de Kamer dit verwachten?3
In de wet is geregeld dat de toelating van leerlingen niet afhankelijk mag zijn van financiële bijdragen van ouders. De achtergrond van deze bepaling is dat het onderwijs, dat uit publieke middelen wordt bekostigd, gratis toegankelijk moet zijn voor alle kinderen in Nederland. Wanneer er toch een financiële bijdrage van ouders wordt gevraagd, dan dient deze te zijn afgestemd met de ouder- (en leerling)geleding van de medezeggenschapsraad van de school. Tevens is geregeld dat alle gevraagde financiële bijdragen vrijwillig dienen te zijn. De school dient dit laatste in haar schoolgids te vermelden.
Wanneer een school zich niet houdt aan bovenstaande wettelijke eisen met betrekking tot de ouderbijdrage, dan zal de inspectie hierop handhaven. Dit heeft zij ook met succes gedaan in de zaak van de Stichting Conexus. Voorts heb ik in de verzamelbrief moties en toezeggingen in primair en voortgezet onderwijs5 van 20 december 2019 vermeld dat niet alleen de desbetreffende school, maar ook het betrokken samenwerkingsverband wordt aangesproken. Hiermee is er een solide sanctiebeleid voor scholen die zich niet houden aan de wet met betrekking tot de ouderbijdrage.
De uitvoering van de aangenomen motie inzake geen coronaboetes voor studenten in hun eigen studentenhuis. |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie Van Haga/Hiddema inzake geen coronaboetes voor studenten in hun eigen studentenhuis (Kamerstuk 25 295, nr. 344)?
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze en binnen welke termijn u uitvoering zult gaan geven aan deze motie?
Zoals aangegeven bij de beantwoording heden van de vragen van de leden Den Boer, Paternotte en Van Eijs geldt het verbod van groepsvorming alleen in de publieke ruimte. In artikel 2.2, eerste lid, van de op 8 mei 2020 door de voorzitters van de veiligheidsregio’s opgestelde modelnoodverordening staat nu expliciet dat het groepsvormingsverbod geldt voor de publieke ruimte. Bovendien is hier bij de instructie voor de handhaving nogmaals op gewezen. Hiermee heb ik uitvoering gegeven aan de motie.
Kunt u aangeven of de reeds opgelegde boetes op grond van de aangenomen motie zullen worden teruggedraaid, aangezien de consequenties van deze boetes voor de studenten erg groot zijn?
Als men van mening is dat ten onrechte een boete is opgelegd voor groepsvorming buiten de publieke ruimte, dan kan de betrokkene tegen de opgelegde OM-strafbeschikking in verzet gaan bij de rechter. De rechter beoordeelt de zaak dan opnieuw en toetst of de strafbeschikking terecht is uitgevaardigd.
Vindt u niet dat de definitie van een «gezamenlijk huishouden» op landelijk niveau zou moeten worden geregeld?
Zoals aangegeven in de brief van 1 mei 20201 is het kabinet momenteel bezig om via nieuwe, aanvullende wetgeving maatregelen vorm te geven om COVID-19 te blijven bestrijden. Bij de totstandkoming van deze wetgeving zullen dergelijke definities en andere regelelementen opnieuw vorm worden gegeven. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel wissel ik hierover graag met u van gedachten.
Vindt u niet dat de definitie van een «gezamenlijk huishouden» zodanig moet worden gewijzigd dat wordt voorkomen dat er sprake is van discriminerend onderscheid tussen verschillende woonvormen?
Zie antwoord vraag 4.
Onderwijs in asielzoekerscentra |
|
Bram van Ojik (GL), Lisa Westerveld (GL), Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA), Paul van Meenen (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht «Jongeren in azc's verstoken van onlineonderwijs door slechte wifi: «soms doen ze 's nachts hun huiswerk»»?1
Ja.
Is het u bekend dat vanwege slechtwerkende wifi honderden jongeren in asielzoekerscentra (azc’s) geen onlineonderwijs kunnen volgen? Zo ja, wat is de aard en de omvang van deze problemen? Zo nee, kunt u zich dan op de hoogte stellen van deze problemen?
Zoals ik in mijn brief van 17 april jl met uw Kamer heb gedeeld, bleek al vrij snel na de invoering van de coronamaatregelen dat de netwerkcapaciteit op een aantal COA-locaties niet was ingericht op het intensieve gebruik waar toen behoefte aan ontstond, waaronder voor thuisonderwijs aan studenten en kinderen. Dit was reden voor het COA om, in samenwerking met de provider, waar mogelijk zowel de bandbreedte als de WiFi-capaciteit uit te breiden. De verwachting was dat dit in april gereed zou komen, maar deze planning bleek te ambitieus. Inmiddels kan evenwel gemeld worden, dat de voorgenomen uitbreiding op alle locaties gerealiseerd is.
Het onderzoek van de werkgroep Kind in AZC onder scholen vond plaats op een moment dat de uitbreiding van de bandbreedte en de WiFI-capaciteit op de diverse COA-locaties nog gaande was. Inmiddels is deze afgerond, waarbij ik aanteken dat dit niet betekent dat overal volledige dekking zal zijn van goedwerkende WiFi. Net als voor alle locaties in Nederland geldt namelijk dat dekking op COA-locaties van meerdere factoren afhankelijk is, te weten de lokaal beschikbare bandbreedte, gebouwtype, afstanden binnen de locatie, gebruikte materialen in het gebouw, verstoringen door andere randapparatuur etc.
In het kader van de uitbreiding die is gerealiseerd, zijn op de COA-locaties de bandbreedtes verhoogd en daarnaast zijn twee nieuwe netwerken uitgerold: één voor scholieren en één voor bewoners. Het netwerk «Student» biedt op schooldagen tussen 08.00 en 18.00 uur een hogere prioriteit dan het netwerk «bewoners», waardoor voor scholieren beter (video)contact met school mogelijk is en er goed gewerkt kan worden aan schoolopdrachten. Dit kan tenminste in de centrale ruimtes en de computerruimtes, zowel met eigen (school)apparatuur door middel van WiFi als met de computers die zich in de computerruimtes bevinden. Uiteraard worden in deze ruimtes de RIVM-richtlijnen in acht genomen.
Sinds de uitbreiding monitort het COA dagelijks het gebruik van de bandbreedte en het gebruik van de WiFi via het netwerk »Student». Daaruit is tot nu toe gebleken dat anders dan daarvoor met de opwaardering op alle COA-locaties voldoende netwerkcapaciteit beschikbaar is gekomen om aan de vraag te voldoen. Verder heeft het COA tijdelijk een separate helpvoorziening ingericht ten behoeve van de promotie van deze voorzieningen, het beantwoorden van vragen en het oplossen van problemen.
Is het waar dat er azc’s zijn waar onvoldoende laptops of tablets zijn om schoolgaande kinderen online onderwijs te laten krijgen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Uit de signalen die zijn ontvangen, blijkt inderdaad dat er COA-locaties waren waar niet alle kinderen beschikking hadden over apparatuur om online onderwijs te volgen. De Minister van Basis-, Voortgezet Onderwijs en Media acht het van groot belang dat alle leerlingen in deze bijzondere tijd onderwijs op afstand kunnen volgen. Daarom heeft hij in totaal EUR 6,3 mln. vrijgemaakt voor de aanschaf van laptops en tablets voor leerlingen die daar niet over kunnen beschikken. Schoolgaande kinderen op COA-locaties of in internationale schakelklassen zijn in dit kader aangemerkt als kwetsbare groep.
SIVON, een coöperatie van schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs, heeft geïnventariseerd wat de behoefte is aan laptops en tablets en waar schoolbesturen zelf of in samenwerking met lokale initiatieven niet in konden voorzien. Dertig schoolbesturen hebben aangegeven behoefte te hebben aan bijna 1.100 apparaten voor schoolgaande kinderen op COA-locaties of in internationale schakelklassen. Deze aanvragen zijn met voorrang behandeld en de benodigde apparatuur wordt in bruikleen verstrekt. Er is voldoende budget om in de behoefte voor deze leerlingen te voorzien, zodat deze leerlingen onderwijs op afstand kunnen volgen.
Deelt u de mening dat kinderen in azc’s die vanwege corona geen regulier onderwijs kunnen krijgen dan tenminste online onderwijs moeten kunnen krijgen? Zo ja, in hoeverre wordt dit belemmerd door slechte internetverbindingen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover schoolgaande kinderen op COA-locaties of in internationale schakelklassen inderdaad geen regulier onderwijs kunnen volgen, geldt (net als voor andere kinderen) dat van scholen wordt gevraagd dat zij onderwijs op afstand aanbieden. Dat kan online onderwijs zijn, maar dit kan bijvoorbeeld ook met papieren lespakketten. Het is aan de scholen om te bepalen hoe dit precies wordt vormgegeven. Het is onwenselijk dat online onderwijs niet mogelijk is door beperkingen in netwerkverbindingen of de beschikbaarheid van tablets, laptops of computers. Zoals aangegeven in de antwoorden onder vragen 2 en 3, is de afgelopen periode fors ingezet op uitbreiding van de brandbreedte en de WiFi-capaciteit op COA-locaties respectievelijk de beschikbaarheid van voldoende apparatuur.
Overigens kunnen de kinderen in het primair onderwijs waar het hier om gaat sinds 11 mei weer volledig naar school. Dit geldt voor het primair onderwijs aan kinderen die verbonden zijn aan een COA-locatie en op schoollocaties die uitsluitend onderwijs geven aan nieuwkomers, zolang het onderwijs hier plaatsvindt in relatief kleine groepen van ongeveer 15 kinderen. Nieuwkomers op andere scholen in het primair onderwijs kunnen sinds 11 mei weer deels naar school. Het primair onderwijs is sinds 8 juni weer volledig open. Leerlingen in het voortgezet onderwijs, waaronder kinderen op een COA-locatie die deelnemen aan een internationale schakelklas, gaan per 2 juni weer (deels) naar school.
Welke rol hebben de Onderwijsinspectie en de leerplichtambtenaren bij het toezicht op onderwijs aan vluchtelingkinderen?
Als leerlingen niet op school komen, maakt de school hiervan melding via het verzuimregister bij de gemeente. De leerplichtambtenaar stelt dan een onderzoek in naar de reden van het verzuim en gaat in de meeste gevallen eerst het gesprek aan met de ouders en/of leerling. Op basis hiervan wordt besloten of er vervolgacties nodig zijn. In de periode van de sluiting van de scholen waren scholen niet verplicht verzuim te melden. Des te meer is het van belang dat scholen het gesprek met leerlingen aangaan als de (online) lessen niet worden gevolgd. De leerplichtambtenaar kan hierbij behulpzaam zijn. De functie van de leerplichtambtenaar is in het bijzonder in deze tijd gericht op gedeelde maatschappelijke zorg, waarbij het contact met de ouders en/of leerling centraal staat.
De Onderwijsinspectie (hierna: inspectie) houdt toezicht op de eerste opvang anderstaligen (hierna: EOA). De inspectie neemt dit onderwijs mee in haar reguliere toezicht. Dat betekent dat de inspectie elk jaar een prestatieanalyse uitvoert voor zogeheten nieuwkomersvoorzieningen en dat zij deze voorzieningen meeneemt in de vierjaarlijkse onderzoeken bij besturen en hun scholen. De inspectie gebruikt hierbij haar reguliere onderzoekskader, zij het in een iets aangepaste vorm; de inspectie kan de resultaten van de nieuwkomers immers niet beoordelen, omdat de nieuwkomers maximaal twee jaar onderwijs krijgen op een EOA.
Wat gaat u op korte termijn doen om ervoor te zorgen dat kinderen in azc’s wel over voldoende laptops of tablets beschikken en er wel goede internetverbindingen komen?
De manier waarop corona de kansenongelijkheid in het onderwijs vergroot |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat er nauwelijks verbetering is opgetreden in de kansenongelijkheid, onder meer omdat nog altijd kinderen onder meer door onderadvisering geen eerlijke start krijgen?1 Wat vindt u van de conclusie van de Inspectie van het Onderwijs dat kinderen met lager opgeleide ouders de afgelopen tien jaar een steeds lager schooladvies hebben gekregen dan kinderen van hoger opgeleide ouders, ook als ze met hun toets gelijk presteerden? Bent u bereid deze hardnekkige onderadvisering actief tegen te gaan, en zo ja, hoe, of zo nee, waarom niet?
Er wordt op allerlei sporen veel inzet gepleegd om gelijke kansen in het onderwijs te bevorderen. Recente onderzoeken, onder andere van de Inspectie van het Onderwijs, laten zien dat de ongelijkheid in de laatste jaren niet verder is toegenomen.2 , 3 Dat vind ik positief. Maar er zijn ook aandachtspunten, zo blijkt uit de Staat van het Onderwijs 2020. Hoewel er meer meervoudige schooladviezen komen, blijkt ook dat op scholen met veel kinderen met hoogopgeleide ouders de resultaten gemiddeld beter zijn, dat leerlingen met hoger opgeleide ouders hoger geplaatst worden in het voortgezet onderwijs en vaker doorstromen na hun diploma. Het betekent dat het nog steeds hard nodig is te werken aan gelijke kansen van alle leerlingen in het onderwijs. Daarom blijf ik maatregelen ontwikkelen die bijdragen aan het tegengaan van kansenongelijkheid. Daarbij heb ik specifieke aandacht voor de risicovolle momenten tijdens de schoolloopbaan, zoals bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
Voor het bevorderen van kansengelijkheid is het tegengaan van onderadvisering een belangrijk speerpunt. Hieraan wordt onder meer aandacht besteed in de handreiking schooladvisering. De handreiking kan scholen ondersteunen bij het versterken van de kwaliteit van het schooladvies. Daarnaast moedigen we de scholen in het funderend onderwijs aan met elkaar samen te werken voor een goede overdracht van leerlingen.
De mogelijkheid tot herziening van het schooladvies is een ander belangrijk element in de overgang van primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Het draagt eraan bij dat leerlingen op een voor hen passend niveau onderwijs volgen. Als gevolg van de brede toetsadviescategorieën komen meer leerlingen in aanmerking voor een heroverweging van het schooaldvies. In schooljaar 2018/2019 was dit 41 procent. Van 23 procent van de leerlingen met een heroverweging werd het advies bijgesteld (9,4 procent van het totaal aantal adviezen).4 60 procent van de leerlingen met een herzien advies volgt in het derde leerjaar onderwijs op of boven dit geadviseerde niveau.5 Om deze reden ben ik verheugd dat het percentage leerlingen met een bijgesteld advies is toegenomen. 6 Ik blijf deze cijfers monitoren en publiceer deze jaarlijks op www.onderwijsincijfers.nl. Ook het aandeel brede schooladviezen wordt gemonitord, ik vind het positief dat dit aandeel sinds 2016 weer toeneemt.
Daarnaast zet ik in op de versoepeling van de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Zo verstrek ik subsidie aan scholen in primair en voortgezet onderwijs die met elkaar samenwerken om doorstroomprogramma’s te realiseren voor leerlingen die op een hoger niveau kunnen presteren, maar minder vanzelfsprekend dan hun klasgenoten ondersteuning of hulpbronnen tot hun beschikking hebben.
Door de coronacrisis en het wegvallen van de eindtoets is dit jaar extra aandacht nodig voor een goede overstap van het primair naar het voortgezet onderwijs. In mijn brief van 17 april jl. aan alle scholen in het funderend onderwijs, die in samenwerking met de PO-Raad, VO-raad en Ouders & Onderwijs tot stand is gekomen, heb ik daarom verzocht in 2020 meer aandacht te besteden aan de warme overdracht, in aanvulling op het onderwijskundig rapport. Daarnaast heb ik middelbare scholen gevraagd in het nieuwe schooljaar extra goed te evalueren of leerlingen op de juiste plaats zitten.
Deelt u de conclusie van het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam dat de coronacrisis de kansenongelijkheid groter maakt?
Ja, die conclusie deel ik. Er zullen verschillen ontstaan tussen kinderen. Het ene kind zal meer vorderingen maken dan het andere kind. Dat heeft diverse oorzaken. Voor de ene school is het makkelijker om het onderwijs op afstand goed te organiseren dan voor de andere school. Ook zijn er verschillen tussen de mate waarin ouders in staat zijn om kinderen te helpen met schoolwerk. Dit zal betekenen dat sommige kinderen op achterstand komen te staan. Daar moeten we aandacht voor hebben. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Onderkent u bij scholen ook een zogenoemd mattheuseffect, waarover een onderzoeker van de Erasmus Universiteit Rotterdam spreekt?
Het mattheusseffect gaat over de ongelijkheid tussen rijk en arm, oftewel het principe dat rijken profiteren van situaties en de armen of kwetsbaren extra worden benadeeld. Ik zie dat scholen er veel aan doen om in deze uitzonderlijk tijd extra aandacht te hebben voor de kinderen in een kwetsbare positie, door ze extra te ondersteunen. Tegelijkertijd is er inderdaad het risico dat vooral deze groep kinderen een grotere achterstand heeft opgelopen als gevolg van het onderwijs op afstand.
Erkent u, net als de aangehaalde onderzoekers, dat er extra begeleiding op school nodig is om achterstanden zo goed mogelijk in te halen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat ben ik met de onderzoekers eens. Ondanks de inzet voor onderwijs op afstand zijn er zorgen over de toenemende verschillen tussen leerlingen in hun voortgang. Vooral voor kinderen die thuis niet over de juiste faciliteiten beschikten om het onderwijs op afstand te volgen, die thuis niet de juiste begeleiding konden krijgen of die thuis in een onveilige situatie verkeren, is de periode van sluiting van scholen en instellingen ingrijpend. Leerlingen zijn hierdoor kwetsbaar geworden voor (grotere) onderwijsachterstanden en studievertraging. We weten dat voor leerlingen met een risico op achterstand een periode niet naar school gaan een negatieve invloed heeft op hun kennis en vaardigheden. We zien dat bijvoorbeeld in de zomervakanties. Daarom is extra begeleiding nodig, nu kinderen en leerlingen weer terug naar school gaan.
Wat gaat u doen met deze inzichten nu de scholen weer langzaam opengaan? Gaat uw aandacht vooral naar het repareren van achterstanden die zijn ontstaan tijdens de coronacrisis of wilt u scholen helpen met structurele oplossingen die de kansenongelijkheid verkleinen? Indien het eerste het geval is, waarom ziet u dan af van structurele oplossingen? Indien dat laatste het geval is, hoe gaat u deze structurele oplossingen dan gestalte geven?
Het kabinet trekt 244 miljoen euro uit om de achterstanden weg te werken die kinderen in een kwetsbare positie tijdens de corona-lockdown in het onderwijs hebben opgelopen. Het geld gaat naar de voorschoolse educatie, het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Met een regeling worden middelen beschikbaar gesteld voor scholen en instellingen die extra onderwijs of begeleiding willen organiseren. Dit is in aanvulling op het reguliere aanbod. Het is bedoeld om leer- en ontwikkelachterstanden en vertraging als gevolg van de coronacrisis in te halen en (in het vmbo, mbo en hoger onderwijs) het wegvallen van mogelijkheden om praktijkervaring op te doen, te ondervangen.
Daarnaast lopen de structurele maatregelen, die eraan bijdragen dat kansenongelijkheid in het onderwijs structureel wordt aangepakt, onverkort door. Hiertoe worden jaarlijks middelen beschikbaar gesteld voor het (gemeentelijke) onderwijsachterstandenbeleid in de voorschoolse educatie en het primair onderwijs en de leerplusmiddelen in het voortgezet onderwijs. Ook zijn er specifieke subsidies voor scholen om extra aandacht te besteden aan achterstandsleerlingen, zoals de doorstroomprogramma’s po-vo en het vrijroosteren van leraren. De Gelijke Kansen Alliantie ondersteunt gemeenten bij hun aanpak om kansengelijkheid te bevorderen.
Deelt u de conclusie dat structureel ongelijk investeren nodig is voor een echte aanpak van ongelijke kansen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan voor uw beleid?
Ja, die conclusie deel ik. Dit is de reden dat ik de structurele maatregelen zoals het (gemeentelijke) onderwijsachterstandenbeleid, die ook in het antwoord bij vraag 5 heb beschreven, richt op de leerlingen met een groter risico op achterstanden.
Daarnaast let ik er ook bij de inzet van de incidentele maatregelen op dat er aandacht is voor de aanpak van ongelijke kansen. De regeling voor inhaal- en ondersteuningsprogramma’s, die vanaf juni geldt, maakt het mogelijk dat scholen extra begeleiding kunnen bieden om achterstanden als gevolg van het afstandsonderwijs aan te pakken. Daarbij mogen de scholen met een positieve achterstandsscore per school voor het dubbele aantal leerlingen subsidie aanvragen, namelijk 20% van de leerlingen in plaats van 10%. Ook krijgen deze scholen voorrang als loting nodig is bij de verdeling van de beschikbare middelen.
Wat is uw reactie op de peiling van de PO-Raad en de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) waaruit blijkt dat 40 procent van de scholen onvoldoende leraren verwacht te hebben voor de heropening vanaf 11 mei a.s.?2
Sinds 11 mei zijn de scholen in het primair onderwijs weer gedeeltelijk open. De eerste berichten laten zien dat dit in veel gevallen goed is verlopen. Zo heeft de AVS in de week van 11 mei wederom een peiling gehouden onder haar leden, waar ruim 1.100 schoolleiders aan deelnamen. Deze peiling laat zien dat 97% van de ondervraagden met een positief gevoel terugkijkt op de eerste week. De AVS heeft ook gevraagd naar de aanwezigheid van leraren. Zo blijkt uit de peiling dat op bijna de helft van de scholen alle leraren aanwezig waren. Bij iets meer dan de helft van de scholen bleef gemiddeld 2% van de leraren thuis. Het overgrote deel daarvan is desalniettemin ingezet bij het onderwijsproces, aldus de AVS. Ten slotte blijkt uit de peiling dat op 5% van scholen niet genoeg leraren aanwezig waren om alle klassen fysiek onderwijs te geven. Zowel de afgelopen maanden als in de aanpak van de tekorten is gebleken dat veel scholen heel creatief bleken, waardoor het onderwijs ook in lastiger situaties doorgang heeft kunnen vinden. Uiteindelijk is het van belang dat alle kinderen weer fysiek onderwijs krijgen. Daarom is het voor alle leraren ook mogelijk om zich laagdrempelig te laten testen, zodat iedereen die gezond is weer voor de klas kan staan.
Welke rol gaat werkdruk spelen in uw eerdere toezegging tijdens het notaoverleg d.d. 29 april 2020 over onderwijs en corona om de komende weken de vinger aan de pols te houden bij de gevolgen van de scholensluiting op de kansengelijkheid?
Zoals ik ook in mijn antwoord bij vraag 7 heb aangegeven, ben ik blij dat uit de peiling van de AVS blijkt dat het overgrote deel van de leraren bij de opening van de scholen weer aanwezig was. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat deze periode extra inspanningen van leraren vraagt, ook nu de kinderen weer terug naar school komen. Momenteel loopt de tussenevaluatie naar de werkdrukmiddelen. De tussenevaluatie heeft ten doel de effecten van deze middelen op de werkdruk van leraren inzichtelijk te maken en te bekijken of het proces rond de inzet van de werkdrukmiddelen goed is gevolgd. Ook in deze tijd van Corona loopt dit onderzoek door, waardoor eventuele effecten op de werkdruk inzichtelijk worden.
Het onderzoek naar de nevenfuncties van professor Kochenov van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en zijn rol in de promotie van de verkoop van paspoorten |
|
Kees Verhoeven (D66), Renske Leijten , Harry van der Molen (CDA), Attje Kuiken (PvdA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitzendingen van Nieuwsuur van 26 en 27 september 2019 over de verkoop van paspoorten op Malta en de rol van professor Kochenov (RUG) hierin en de vele Kamervragen die daarover tot nu toe gesteld zijn?1
Ja.
Herinnert u zich dat er onafhankelijk onderzoek zou plaatsvinden in opdracht van de RUG, dat in het eerste kwartaal van 2020 zou zijn afgerond, dat het openbaar gemaakt zou worden, naar de inspectie en u gestuurd zou worden en dat de inspectie er een oordeel over zou geven en dat u het onderzoek aan de Kamer zou doen toekomen?
Ja. In antwoord op eerdere vragen van de leden Omtzigt en Van der Molen heb ik aangegeven dat de oplevering van het onderzoeksrapport werd voorzien in het eerste kwartaal van 2020 en dat het rapport van het onderzoek openbaar gemaakt wordt.2 Daarbij heb ik ook aangegeven dat de verspreiding en openbaarmaking een verantwoordelijkheid is van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: RUG) en heb ik toegezegd een afschrift van een door de RUG openbaar gemaakt rapport aan uw Kamer toe te zenden.
Heden is uw kamer bij brief met kenmerk 24674941 geïnformeerd over het onderzoeksrapport. In deze brief heb ik aangegeven dat van de RUG is begrepen dat de oplevering van het onderzoeksrapport door onvoorziene omstandigheden werd vertraagd. Per brief gedateerd 27 mei 2020 ben ik door het College van Bestuur van de RUG geïnformeerd over de besluiten die het bestuur heeft genomen naar aanleiding van het onderzoeksrapport. Het onderzoeksrapport is heden openbaar gemaakt door de RUG, een afschrift van dit rapport heb ik u – conform mijn toezegging – doen toekomen.
Heeft de heer Kochenov tussen september 2019 en nu nog nevenactiviteiten op het gebied van de advisering over de verkoop van paspoorten verricht? Zo ja welke zijn dat dan en hoe beoordelen de RUG en u die activiteiten gedurende het onderzoek?
In de bijlage bij het onderzoekrapport van de commissie Van Keulen/Berenschot is een overzicht opgenomen van activiteiten van de heer Kochenov. Uit dit overzicht komt naar voren dat door de heer Kochenov tussen september 2019 en nu geen nevenactiviteiten op het gebied van advisering over de verkoop van paspoorten zijn verricht. Van de RUG heb ik begrepen dat er ook geen nevenactiviteiten van deze strekking door de heer Kochenov zijn gemeld of anderszins bekend zijn.
Zoals ook in het onderzoeksrapport van de commissie van Keulen/Berenschot is opgenomen is de heer Kochenov wel aanwezig geweest bij een congres in Londen van Henley & Partners op 13 november 2019, ondanks een dringend advies van de decaan om niet te gaan. In het onderzoeksrapport is opgenomen dat de heer Kochenov er voor heeft gekozen dit congres wel te bezoeken omdat het hem niet verboden was, hij de resultaten van de voorpublicatie van de nieuwe – mede door hem ontwikkelde – Quality of Nationality Index (QNI) wilde presenteren en de wetenschappelijke context en ontmoetingen met collega-hoogleraren voor hem relevant waren. Van de RUG heb ik begrepen dat de heer Kochenov de niet-wetenschappelijke onderdelen van het congres niet heeft bezocht. In antwoorden op eerdere Kamervragen is aangegeven dat het kabinet weinig begrip heeft voor de keuze die de heer Kochenov in onderhavig geval heeft gemaakt.3 Dit standpunt is niet gewijzigd na kennisname van het onderzoeksrapport.
Kunt u het rapport, inclusief de reactie van de onderwijsinspectie, aan de Kamer doen toekomen?
Ja. Met de brief met kenmerk 24674941 heeft uw Kamer een afschrift van het door de RUG openbaar gemaakt rapport ontvangen. In de brief ben ik ook ingegaan op de reactie van de onderwijsinspectie.
Wat vindt u zelf van de conclusies van het rapport en de acties van de Rijksuniversiteit Groningen?
In mijn brief met kenmerk 24674941 ben ik ingegaan op het rapport, het oordeel van de inspectie en heb ik aangegeven hoe ik aankijk tegen de belangrijkste conclusies en maatregelen.
Hoe kan herhaling van een soortgelijke affaire voorkomen worden?
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de heer Kochenov, zijn leidinggevende en de universiteit (i.c. het faculteitsbestuur) bij de naleving en uitwerking van bestaande sectorale regelgeving (cao Nederlandse universiteiten en de sectorale regeling nevenwerkzaamheden 2017) tekort zijn geschoten. Ik kan geen garanties geven op het voorkòmen van soortgelijke affaires. Zoals ook aangegeven in mijn brief met kenmerk 24674941 juich ik toe dat de RUG de naleving, toepassing en handhaving van sectorale regelgeving inzake nevenwerkzaamheden in landelijk overleg agendeert en bespreekt. Ik verwacht over de resultaten hiervan door de VSNU geïnformeerd te worden. De inspectie volgt ook op stelselniveau ontwikkelingen op het terrein van nevenwerkzaamheden en zal hier bij de VSNU, de VH en de KNAW aandacht voor vragen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Op 26 mei 2020 heb ik uw Kamer geïnformeerd waarom beantwoording binnen de gestelde termijn voor beantwoording van Kamervragen niet mogelijk was.4 Daarbij heb ik ook aangegeven uw Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over het rapport en oordeel van de inspectie. Deze toezegging ben ik heden nagekomen.
Het openstellen van de TOZO-regeling voor studentondernemers |
|
Frank Futselaar |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Bent u bekend met het feit dat studenten die hun inkomen halen uit ondernemen, bijvoorbeeld als zzp’er, nu uitgesloten worden van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) vanwege het feit dat zij vallen onder de uitsluitingsgronden van de participatiewet (artikel 13, tweede lid, onderdeel c), ook als zij wel aan alle andere voorwaarden voldoen?
Op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet hebben personen jonger dan 27 jaar geen recht op algemene bijstand, als zij door het Rijk bekostigd onderwijs kunnen volgen en in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). Omdat de wettelijke grondslag van de Tozo is gelegen in de Participatiewet, strekt deze uitsluiting zich ook uit tot het recht op bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo. De reden van deze uitsluiting is dat in de Participatiewet studiefinanciering op grond van de WSF 2000 wordt aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Dit is geen normatief oordeel, maar een juridisch oordeel, bevestigd door vaste rechtspraak, onafhankelijk van de hoogte en vorm van de studiefinanciering. Op grond van artikel 15 van de Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening.
Afwijking van artikel 13 van de Participatiewet en van het uitgangspunt dat studiefinanciering een passende en toereikende voorliggende voorziening is, betekent vervolgens dat een groot deel van de studenten met studiefinanciering aanspraak kan maken op algemene bijstand op grond van de Participatiewet en dat de studiefinanciering moet worden aangevuld vanuit de Participatiewet, omdat het inkomen uit studiefinanciering over het algemeen lager ligt dan de geldende bijstandsnorm. Ik vind dit een ongewenste situatie.
De wettelijke grondslag van de Tozo is gelegen in artikel 78f van de Participatiewet. Dit artikel staat mij niet toe, om voor de Tozo af te wijken van in dit geval de artikelen 13 en 15 van de Participatiewet.
Vind u het uit het oogpunt van rechtsgelijkheid redelijk dat studenten met een onderneming, die buiten het bovengenoemde artikel voldoen aan alle voorwaarden van de Tozo, voor inkomsten alleen een beroep kunnen doen op «studiefinanciering», wat sinds de invoering van het leenstelsel vooral leningen betekent, terwijl niet-studenten in exact dezelfde situatie van de Tozo gebruik kunnen maken?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u op de hoogte van het feit dat uw collega Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inmiddels heeft erkent dat het niet redelijk is dat studenten met bijbanen en nul-urencontracten op geen enkele mate gebruik kunnen maken van de steunmaatregelen van het kabinet en daarom naar een oplossing zoekt? Voelt u zelf een verplichting om ook een oplossing te vinden voor studenten die niet in enige vorm van loondienst werk(t)en maar die tot nu toe hun inkomen haalden uit een eigen onderneming?
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft tijdens het Wetgevingsoverleg van 14 april jl. toegezegd dat hij de Kamer zal informeren over de mogelijkheden tot het bieden van inkomensondersteuning aan degenen die hun baan hebben verloren en geen gebruik kunnen maken van de noodmaatregelen en ook niet van de WW of de bijstand, en dat hij daarbij zal ingaan op de positie van studenten. Over de in brede zin verkende mogelijkheden voor een extra vangnet voor flexwerkers in verband met de coronamaatregelen, waaronder zich ook studenten kunnen bevinden, heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer bij brieven van 20 mei en 3 juni jl. geïnformeerd. Een gerichte regeling met duidelijk afgebakende doelgroepen zoals studenten, is niet haalbaar. Een tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA) is de enige technisch uitvoerbare regeling die op korte termijn mogelijk is.
Bent u concreet bereid de Tozo zo aan te passen dat studenten die ondernemen niet worden uitgesloten vanwege de uitsluitingsronden in de participatiewet maar gelijk worden behandeld als andere ondernemers?
Ik ben daartoe niet bereid, omdat andere studenten dan, op grond van rechtsgelijkheid, ook voor algemene bijstand in aanmerking zouden kunnen komen. En daarvoor geldt dat studiefinanciering een voorliggende voorziening is.
Gelijke behandeling betekent dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Studenten die een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening, en ondernemers die voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van hun bedrijf of zelfstandig beroep, zijn naar mijn oordeel geen gelijke gevallen. Ik vind ook de situatie van studenten met studiefinanciering die als gevolg van de coronacrisis bijverdiensten uit hun onderneming verliezen, waarbij zij bovendien de mogelijkheid hebben tot extra bijlenen, onvergelijkbaar met de situatie van ondernemers die als gevolg van de coronacrisis hun hele bestaan zien wegvallen en onder het bestaansminimum dreigen te komen. Bovendien betekent de toepassing van de bijstandsnormen van € 1.052 voor alleenstaanden en € 1.503 voor gehuwden en samenwonenden, dat de inkomensaanvulling vanuit de Tozo voor studenten in veel situaties méér compenseert dan de als gevolg van de coronacrisis weggevallen inkomsten uit onderneming, namelijk ook het verschil tussen de hoogte van de studiefinanciering en de bijstandsnorm. Het aanbieden van een aanvullende bijstandsuitkering voor levensonderhoud aan studenten bovenop hun studiefinanciering als tegemoetkoming voor het verlies van bijverdiensten als gevolg van de coronacrisis, acht ik om die redenen geen gewenste oplossing. Dit laat onverlet, zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3, dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de mogelijkheden heeft verkend in hoeverre studenten kunnen worden tegemoetgekomen in het kader van een extra vangnet voor flexwerkers in verband met de coronamaatregelen.
Het bericht ‘islamitische school hoort erbij’ |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «islamitische school hoort erbij»?1
Ja.
Deelt u de mening van de heer Littooij dat een islamitische school «er gewoon bijhoort»? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom?
In Nederland geldt vrijheid van onderwijs, vastgelegd in de Grondwet. Het verzoek van de Stichting voor Islamitisch Voortgezet Onderwijs Rotterdam (SIVOR) is getoetst aan vigerende wet- en regelgeving. De statuten van SIVOR voldoen aan de eisen. De grondslag van de nieuwe school is een erkende richting in het basis- en voortgezet onderwijs en het potentieel aantal leerlingen voldoet aan de stichtingsnormen, zoals opgenomen in de artikel 64, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO).
Hoe plaatst u de haat en geweldsoproepen van de islam in de richting van bijvoorbeeld Joden, christenen, islamverlaters en homoseksuelen in de context van een islam die uitgaat van «verantwoordelijkheid voor iedereen en respect voor iedereen»?
Het kabinet vindt het onacceptabel indien mensen antidemocratische en onverdraagzame boodschappen verspreiden. In onze democratische rechtsstaat is geen plaats voor discriminatie of het oproepen tot haat of geweld.
Deelt u de mening dat de islam juist níet bij ons land hoort? Zo nee, waarom niet?
Nee. Godsdienstvrijheid is een belangrijk grondrecht waar het kabinet pal voor staat.
Deelt u de zorg dat het geven van deze vergunning, juist mede op basis van demografische ontwikkelingen, een kapitale blunder is? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 reeds is aangegeven voldoet het verzoek van SIVOR aan de wettelijke voorwaarden die zijn gesteld aan het voor bekostiging in aanmerking brengen van een nieuwe school.
Bent u bereid de vergunning voor deze islamitische school in te trekken en daarnaast al het islamitische onderwijs af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland geldt vrijheid van onderwijs, dat is een groot goed en deze vrijheid – vastgelegd in de Grondwet – geldt voor alle Nederlanders, daarnaast is deze aanvraag tot bekostiging getoetst aan voorwaarden gesteld in de WVO.
Het bericht 'Oplossing voor onderzoekers aan universiteiten hard nodig' |
|
Harry van der Molen (CDA), Jan Paternotte (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de berichten «Oplossing voor onderzoekers aan universiteiten hard nodig»1 en «Erken en waardeer solidariteit in tijden van crisis»?2
Ja.
Heeft u zicht op hoeveel onderzoekers afhankelijk zijn van projectfinanciering en vervolgfinanciering?
Tot en met 2017 bevatten de jaarlijkse Kengetallen Universitair Onderzoek (KUOZ-data) van de VSNU informatie over de onderzoeksinzet van de universiteiten per geldstroom. Uit die data blijkt dat:
Indien men naar de financiën kijkt, is er sprake van een andere verdeling. Op basis van de cijfers in de jaarverslagen van de universiteiten en umc’s, de onderzoekcoëfficiënten voor de universiteiten en voor de werkplaatsfunctie van het CBS, is te berekenen dat:
Het verschil kan als volgt worden verklaard: uit de eerste geldstroom worden niet alleen de personeelskosten voor het onderzoekspersoneel betaald, maar ook (overhead)kosten voor huisvesting, ondersteunend personeel, faciliteiten. Alsook de overige kosten, zoals infrastructuur en materialen, benodigd voor het onderzoek aan de universiteiten en umc’s.
Bij de lectoraten is het aandeel van de in competitie verkregen middelen (2e en 3e geldstroom) in de totale middelen voor praktijkgericht onderzoek de laatste jaren gegroeid van 34 procent in 2015 tot 42 procent in 2017.
Klopt het dat het vooral promovendi en post-docs zijn die op basis van projectfinanciering een tijdelijk dienstverband bij een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling hebben?
Ja, dat klopt. Promovendi hebben bijna altijd een tijdelijk contract, van de postdoc onderzoekers heeft 88 procent een tijdelijk contract en van de universitair docenten 26 procent. Overigens verschilt het aantal tijdelijke dienstverbanden sterk per universiteit3.
Bij de hogescholen heeft 20 procent van de medewerkers een tijdelijke aanstelling.
Wat vindt u van de suggestie om onderzoeksinstellingen de mogelijkheid te bieden om eenmalig een extra tijdelijk dienstverband aan te bieden?
Door de COVID-19 crisis ligt veel onderzoek stil. Veel onderzoekers hebben geen toegang meer tot labs of collecties, kunnen geen data verzamelen, of zetten zich in het ziekenhuis in. Dit heeft een grote impact op het Nederlandse onderzoek. Met name onderzoekers met tijdelijke contracten lopen vertraging op bij de afronding van hun onderzoeksprojecten. Samen met NWO, KNAW (incl. De Jonge Akademie), AOb, FNV, VH, VSNU en NFU houd ik de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Doel is om geen onderzoekers tussen wal en schip te laten vallen. Samen met deze partijen wordt gekeken naar oplossingen voor onderzoekers met een tijdelijk contract die in de problemen komen.
Voor welke periode verwacht u dat onderzoekscalls gepauzeerd of uitgesteld worden?
Om de schade voor de sector te beperken is het belangrijk dat de tweede geldstroom niet te lang stilvalt. NWO heeft de verantwoordelijkheid om een eerlijk speelveld en een zorgvuldig beoordelingsproces te borgen, ook in deze periode. NWO heeft daarom maatregelen genomen om wetenschappers te ondersteunen en verfijnt deze constant:
Heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) al alternatieve selectieprocedures ingericht om bijvoorbeeld de interviews in de lopende en nieuwe onderzoekscalls weer doorgang te kunnen laten vinden zolang de voorzorgsmaatregelen rondom het nieuwe coronavirus van kracht zijn?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Welke mogelijkheden hebben onderzoekers met een door NWO verstrekte beurs als het onderzoek door coronamaatregelen pas later dan gepland voltooid kan worden?
Op dit moment is het binnen de geldende (budgettaire) kaders voor al het door NWO gefinancierde onderzoek mogelijk om, in overleg, naar budgetneutrale oplossingen te zoeken. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld aanpassingen van onderzoeksopzet of aanpassingen van dataverzameling waardoor de vertraging minder kan zijn.
Heeft u – eventueel op basis van historische gegevens – zicht op de afname van de derde geldstroom bij economische neergang? Welke consequenties heeft dat voor onderzoekers en de positie van Nederland als kennisland?
Ondanks de kredietcrisis van 2007–2009 hebben de totale baten van de universiteiten zich van 2004 tot 2018 positief ontwikkeld. De inkomsten uit «Werk voor derden» zijn in deze periode gegroeid, van 22 procent tot 26 procent.
Uiteraard deel ik de zorg van de kennisinstellingen dat de derde geldstroommiddelen zullen afnemen, we houden dit nauwlettend in de gaten.
Bent u bereid om NWO te vragen per geval te bekijken of reeds toegekende onderzoeksbeurzen verlengd kunnen worden als de onderzoeker kan aantonen dat door de coronamaatregelen het onderzoek pas later voltooid kan worden?
Dit is niet alleen de verantwoordelijkheid van NWO, maar ook van bijvoorbeeld de universiteiten. Zie ook het antwoord op vraag 4 en vraag 7. NWO beoordeelt aanvragen voor verlenging of vaststelling van lopend onderzoek altijd per individueel geval. Universiteiten zijn ook op zoek naar oplossingen, onder andere in de nieuwe CAO.
Welke mogelijkheden hebben universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen op dit moment om onderzoeksactiviteiten op locatie doorgang te laten vinden en zijn er mogelijkheden om met inachtneming van de RIVM-richtlijnen de mogelijkheden voor onderzoek te verruimen?
Universiteiten hebben gedurende de intelligente lockdown de mogelijkheid gehouden om, met in achtneming van de RIVM-voorschriften, op kleine schaal op locatie door te gaan met onderzoek. De universiteiten zijn daar divers mee omgegaan. Nu er sprake is van een verruiming van de maatregelen neemt de mogelijkheid tot het doen van onderzoek op locatie verder toe.
Gevolgen van het opschorten van Staatsexamens Nt2 voor statushouders en andere nieuwkomers |
|
Niels van den Berge (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat het opschorten van Staatsexamens Nt2 gevolgen kan hebben voor statushouders en andere nieuwkomers die in september aan een opleiding willen beginnen?
Ja.
Zou u het ook onwenselijk vinden als nieuwkomers die staan te popelen om aan een opleiding te beginnen, in hun enthousiasme en leergierigheid zouden worden afgeremd door de coronacrisis?
Ja.
Zou u in gesprek willen gaan met onderwijsinstellingen over oplossingen, waardoor statushouders en andere nieuwkomers die als gevolg van de coronacrisis geen staatsexamen kunnen doen, wel in september aan een opleiding kunnen beginnen?
Ik ben reeds in gesprek gegaan met VH, VSNU en de MBO Raad. Dat heeft tot de volgende afspraken geleid.
In het servicedocument voor het hoger onderwijs is opgenomen dat Aspirant-studenten die als gevolg van het stil leggen van de Staatsexamens als tweede taal niet in staat zijn om voorafgaand aan de start van het studiejaar voldoende beheersing van het Nederlands via Nt2 aan te tonen, voorwaardelijk worden toegelaten tot het hoger onderwijs, indien zij naar verwachting binnen een redelijke termijn over het gewenste niveau zullen beschikken. Dit kan onder de voorwaarden dat de student aan de voorkant aantoont over voldoende beheersing van de Nederlandse taal te beschikken door middel van een taaltoets, aangeboden door de desbetreffende instelling. Ook kan de instelling ervoor kiezen om deze student toe te laten zonder dat deze nog voldoet aan het gewenste taalniveau, onder de voorwaarden dat de student het staatsexamen Nederlands vóór 1 januari haalt of anderszins aantoont aan het gewenste taalniveau te voldoen. Kan de student vóór 1 januari niet aantonen dat deze aan voldoende beheersing van de Nederlandse taal voldoet, dan zal deze alsnog de opleiding moeten verlaten. Dit laatste geldt ook voor studenten die in andere vakken dan Nederlands staatsexamen doen. Zij worden toegelaten tot het hoger onderwijs, onder de voorwaarde dat zij het staatsexamen vóór 1 januari halen. Zo niet, dan dienen zij de opleiding te verlaten.
In het servicedocument voor het mbo is aangegeven:
Het CvTE, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het Staatsexamen Nt2, werkt momenteel samen met DUO de planning voor het hervatten van de Staatsexamens uit. Vanzelfsprekend hangt dit samen met besluitvorming van het kabinet over de maatregelen die nodig zijn om de gevolgen van het Coronavirus te beperken.
Zou u deze vragen voorafgaand aan het notaoverleg Onderwijs en corona op 29 april 2020 kunnen beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Studenten protesteren tegen tentamensoftware die beelden van hun huiskamer opslaat’ |
|
Jan Paternotte (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel »Studenten protesteren tegen tentamensoftware die beelden van hun huiskamer opslaat»?1
Ja.
Welke hogescholen en universiteiten maken op dit moment gebruik van software voor online tentamens, waarbij videobeelden van de student of van het computerscherm worden opgeslagen?
De Vereniging Hogescholen (VH) geeft desgevraagd aan dat bijna alle hogescholen op verschillende manieren in pilotvorm testen met proctoring. In een recent gepubliceerd white paper duidt SURF deze verschillende wijzen van proctoring in «niveaus»2. Een tweetal hogescholen (Avans en Hogeschool Leiden) heeft aangegeven geen gebruik te maken van surveillance-software. Ook de kunsthogescholen maken, gezien de aard van het onderwijs, nauwelijks gebruik van proctoring.
De Vereniging van Universiteiten (VSNU) geeft desgevraagd aan dat de Maastricht University, de Universiteit Utrecht en de Open Universiteit geen gebruikmaken van software voor online tentamens. Bij de overige universiteiten gebeurt dit, al dan niet in pilotvorm, op verschillende manieren en schaalgrootte wel.
Van welke softwareaanbieder(s) maken de betreffende onderwijsinstellingen gebruik? Kunt u daarbij aangeven of dat Amerikaanse of Europese zogeheten «proctorbedrijven» zijn?
De onderwijsinstellingen maken gebruik van de softwareaanbieders ProctorExam, Proctorio en Remote Proctor Now. ProctorExam is een Nederlands bedrijf waarvan de data in Duitsland worden verwerkt. Proctorio en Remote Proctor Now zijn bedrijven uit de Verenigde Staten met vestigingen en datacentra in de Europese Unie.
Verzoeken de betreffende proctorbedrijven toestemming aan de student of die zijn persoonsgegevens, zoals videobeelden van diens gezicht, mogen opslaan? Voldoen zij verder aan de vereiste van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)?
Het is aan de onderwijsinstellingen om de studenten goed te informeren over het gebruik en de werking van de proctoring software, bijvoorbeeld middels een privacyverklaring. Een student kan ervoor kiezen niet aan deze tentamenvorm deel te nemen, zoals ik ook toelicht in mijn antwoord op vraag 8.
In mijn antwoord op de schriftelijke vragen van uw collega Futselaar (SP) gaf ik reeds het volgende aan. Bij het gebruik van online proctoring verwerken onderwijsinstellingen (beeld, geluid en andere) gegevens van studenten. Op deze verwerkingen van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. De AVG verplicht – kort gezegd – om persoonsgegevens op een behoorlijke en rechtmatige wijze te verwerken. Deze verantwoordelijkheid rust in dit geval op de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling moet kunnen aantonen dat de wijze waarop deze online proctoring toepast bij het afnemen van toetsen, in lijn is met de verplichtingen uit de AVG, in het bijzonder met de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking, juistheid, opslagbeperking en integriteit en vertrouwelijkheid. De Autoriteit persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van de AVG. Bovendien kondigde de AP recent aan na te gaan of onderwijsinstellingen «voldoende werk maken van het beschermen van de privacy van hun leerlingen of studenten. Zij moeten aantonen hoe zij dit doen.»
Hogeronderwijsinstellingen geven aan dat de gekozen software en haar leveranciers voldoen aan de AVG. Zo worden de persoonsgegevens die de proctoring software verzamelt enkel gebruikt voor het opsporen van mogelijke fraude tijdens een tentamen. Studenten worden voorgelicht over het gebruik en de werking van de proctoring software. De persoonsgegevens zullen niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk. De instelling verzorgt in bijzondere gevallen alternatieven voor studenten die daar voor in aanmerking komen. Bijvoorbeeld wanneer de student niet kan beschikken over de benodigde ICT-middelen.
De ICT-coöperatie van de hogeronderwijsinstellingen SURF heeft een whitepaper, zoals genoemd in de beantwoording van vraag 2, gepubliceerd. Deze publicatie is een belangrijke handleiding voor de instellingen om proctoring conform de AVG in te kunnen zetten.
Begrijpt u de angst van studenten dat de proctorbedrijven de opgeslagen gegevens niet verwijderen en mogelijk voor andere doeleinden gebruiken of doorverkopen?
Die angst kan ik mij goed voorstellen. Het is aan de onderwijsinstellingen om die angst weg te nemen door aan te tonen dat het gebruik van de software voldoet aan de AVG en dat er goede afspraken met de proctorbedrijven zijn gemaakt die de privacyrechten van studenten borgen. Onderwijsinstellingen nemen die verantwoordelijkheid. Zie ook mijn antwoord bij vraag 4.
Mag een onderwijsinstelling voor deelname aan onderwijs of tentaminering de student vragen om aanvullende of bijzondere persoonsgegevens te verstrekken?
In mijn antwoord op de schriftelijke vragen van uw collega Futselaar (SP) over dit thema gaf ik reeds het volgende aan.
Net als bij de reguliere afname van tentamens zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals gegevens over religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging of gezondheid af te leiden aan uiterlijke kenmerken. De webcam is gericht op de student in zijn persoonlijke leefomgeving waaruit deze bijzondere persoonsgegevens te herleiden kunnen zijn. Dit vergt een gedegen voorlichting door de onderwijsinstelling aan de student om de bewustwording te vergroten en de kans op het zien en tijdelijk opslaan van deze bijzondere persoonsgegevens te verkleinen. Als studenten niet willen dat dergelijke gegevens uit de beelden afgeleid kunnen worden, kunnen ze, voor zover mogelijk, zorgen dat de uiterlijke kenmerken die daartoe aanleiding geven niet in beeld zijn. Ook staat het hen vrij ervoor te kiezen niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering.
Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is in beginsel verboden. Het verwerken van deze persoonsgegevens is slechts toegestaan in de gevallen die AVG noemt. De AP kwalificeert camerabeelden echter niet als bijzondere persoonsgegevens indien (1) het doeleinde van de verwerking niet gericht is op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens dan wel op het onderscheid maken op grond van een bijzonder persoonsgegeven, (2) het voor de verantwoordelijke redelijkerwijs niet voorzienbaar is dat de verwerking zal leiden tot het maken van onderscheid op grond van een bijzonder persoonsgegeven, en (3) de verwerking van die bijzondere persoonsgegevens onvermijdelijk is bij die verwerking.
Mag een onderwijsinstelling een student van onderwijs of tentaminering uitsluiten als die geen toestemming verleent om aanvullende of bijzondere persoonsgegevens te verstrekken?
Proctoring wordt ingezet als er geen andere geschikte vormen van toetsing voor handen zijn. Dit geldt met name voor tentamens die zijn gericht op het toetsen van kennis. In veel gevallen zijn deze kennistoetsen gebaseerd op een digitaal systeem zoals een databank van tentamenvragen. Dit type tentaminering is fraudegevoelig. Proctoring is hiervoor een belangrijke oplossing.
Een onderwijsinstelling moet een alternatieve vorm van toetsing aanbieden als een student ervoor kiest niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering. Alternatieve vormen van toetsing zoals digitale toetsing op de campus met behulp van menselijke surveillance, kunnen door de coronacrisis op dit moment niet plaatsvinden. Hierdoor kunnen onderwijsinstellingen niet uitsluiten dat er studievertraging optreedt bij de keuze voor een alternatieve vorm van tentaminering.
Deelt u de opvatting dat studenten nu geen eerlijke afweging kunnen maken bij het gebruiken van deze software, aangezien studenten immers aangeven koste wat kost hun vakken te willen halen om geen studievertraging oplopen en zij zich gedwongen voelen om in te stemmen met de gestelde voorwaarden en deze software te accepteren?
Naast online proctoring bieden de onderwijsinstelling andere, minder ingrijpende, toetsvormen aan zoals openboektentamens en inleveropdrachten. In bepaalde gevallen is geen alternatieve toetsvorm mogelijk. In die gevallen wordt online proctoring ingezet om studenten geen studievertraging te laten oplopen. Daarbij voorziet de onderwijsinstelling in bijzondere gevallen in een alternatief voor studenten die daarvoor in aanmerking komen. Studenten die geen gebruik willen maken van online proctoring kunnen er ook voor kiezen te wachten tot de beperkende maatregelen van de Covid-19 crisis zijn opgeheven en fysieke toetsing weer mogelijk is.
Bent u bereid om in uw overleg met de onderwijskoepels en studentenorganisaties adequate bescherming van de privacy van studenten – ook in crisistijd – aan de orde te stellen, waarbij studenten de suggestie doen om te werken met open boek examens, alternatieve opdrachten of het schrijven van essays?
In mijn regelmatige overleg met onderwijskoepels en studentvertegenwoordigers spreken wij over het voorkomen van studievertraging en de privacy van studenten. Voor de instelling is de bescherming van privacy van studenten, ook in crisistijd, essentieel. De instellingen maken gebruik van diverse toetsvormen, waaronder de door u genoemde vormen. Echter, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 7 en 8, is de inzet van online proctoring in bepaalde gevallen de enige geschikte toetsvorm.
Bent u bereid te onderzoeken of het desnoods mogelijk is om hogescholen en universiteiten in de rest van het academisch jaar alleen voor tentaminering beperkt te openen, of als alternatief voor tentaminering door middel van proctoring?
Samen met de onderwijsinstellingen onderzoeken we maatregelen om het onderwijs en de examinering zo veel mogelijk doorgang te laten vinden, binnen de grenzen van wat gegeven de crisis veilig kan worden geacht. In het geval van deze specifieke tentamens gaat het vaak om grote groepen studenten, wat een groot beslag legt op het openbaar vervoer. Daarom laat het kabinet de ministeries OCW en IenW nu samen verkennen of en onder welke voorwaarden er een lichte versoepeling van maatregelen voor het hoger onderwijs kan komen, zodat tentaminering, voor zover dat online niet afdoende kan, weer op de instelling zou kunnen plaatsvinden.
Het bericht ‘MBO Raad waarschuwt: nieuwkomers moeten snelle toegang houden tot mbo’. |
|
Anne Kuik (CDA), René Peters (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «MBO Raad waarschuwt: nieuwkomers moeten snelle toegang houden tot mbo»?1
Ja.
Erkent u het probleem dat het taalonderwijs onder druk staat als gevolg van de coronacrisis?
Ja. De coronacrisis raakt alle geledingen van de samenleving en heeft ingrijpende consequenties voor het leven van alle burgers, ook voor inburgeraars. Dit vraagt om passende maatregelen om deze consequenties zo goed als mogelijk op te vangen. De reeds getroffen aanvullende maatregelen binnen het huidige inburgeringsstelsel zijn daar een voorbeeld van. Zo heb ik de voorwaarden voor het aanbieden van afstandsonderwijs versoepeld en heb ik de inburgeringstermijn voor alle inburgeraars verlengd. Taalscholen worden hierdoor in staat gesteld om het aanbod van inburgeringsonderwijs te continueren. Inburgeraars hebben de mogelijkheid om door te gaan met het volgen van lessen (nu klassikaal onderwijs niet mogelijk is) waardoor opgebouwde kennis niet verloren gaat.
Bent u van mening dat het van groot belang is het mbo ook tijdens de coronacrisis toegankelijk te houden voor nieuwkomers?
Ik vind dat zowel tijdens als na de coronacrisis het mbo zo veel mogelijk toegankelijk moet zijn voor nieuwkomers. Daarom wordt er in het COVID-19 aanpak MBO servicedocument ook op gewezen dat mbo-scholen aspirant studenten die niet over de juiste vooropleidingseisen beschikken kunnen toelaten en hiervoor een toelatingsonderzoek kunnen gebruiken. Binnen dit toelatingsonderzoek wordt altijd gekeken naar het behaalde taalniveau.
Mbo-scholen die het behalen van het Staatsexamen Nt2 als formeel vereiste hanteren, kunnen de volgende procedure hanteren: aspirant-studenten die als gevolg van het stilleggen van de Staatsexamens Nederlands als tweede taal niet in staat zijn om voorafgaand aan de start van het studiejaar voldoende beheersing van het Nederlands via het Staatsexamen Nt2 aan te tonen, kunnen door de mbo-school alsnog worden toegelaten en voor 1 oktober van het studiejaar 2020–2021 worden ingeschreven, mits het redelijkerwijs te verwachten is dat deze studenten voor 1 januari 2021 hun diploma behalen. Als het Staatsexamen Nt2 niet voor 1 januari 2021 wordt behaald en er is geen sprake van voldoende beheersing van de Nederlandse taal, dan zal de student alsnog uitgeschreven moeten worden. Dit zal moeten worden vastgelegd in de onderwijsovereenkomst.
Hoe gaan de ROC-taalscholen en andere inburgeringsinstituten om met de coronacrisis?
Blik op Werk ziet dat er lopende contracten naar afstandsonderwijs worden omgezet. Een behoorlijk deel van de aanbieders van inburgeringsonderwijs kan inmiddels afstandsonderwijs aanbieden aan hun cursisten. Aangezien taalscholen tot en met 19 mei aanstaande contracten kunnen omzetten naar afstandsonderwijs is er nog geen compleet beeld.
Hoe worden nieuwkomers op afstand bereikt om aan de taaleisen van inburgering te voldoen?
Inburgeraars wordt de mogelijkheid geboden om afstandsonderwijs te volgen nu klassikaal onderwijs niet mogelijk is. Daarnaast vinden op dit moment geen DUO inburgeringsexamens plaats, zowel digitale examinering als examens afnemen op de bestaande fysieke toetsingslocaties is niet mogelijk. Ik vind het belangrijk dat inburgeraars niet in de knel komen met hun inburgeringstermijn nu er geen DUO examens afgelegd kunnen worden en daarom heb ik de inburgeringstermijn van alle inburgeraars opnieuw met nog een keer twee maanden verlengd.
Kunt u cijfers geven van het aantal nieuwkomers dat taalonderwijs en/of een mbo-opleiding volgt voor en na de coronacrisis?
In het mbo wordt niet bijgehouden of de student een achtergrond heeft als nieuwkomer. Deze cijfers kunnen dus niet worden geleverd. Verder is het nu nog te vroeg om een compleet beeld te kunnen geven in hoeverre inburgeringsplichtigen gebruik maken van de mogelijkheden voor afstandsonderwijs.
Bent u bereid het probleem rondom de beperkte toegankelijkheid van taalonderwijs en een mbo-opleiding voor nieuwkomers als gevolg van de coronacrisis op te lossen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de toegang tot het taalonderwijs zijn er reeds maatregelen getroffen om afstandsonderwijs te benutten voor alle groepen inburgeringsplichtigen. Daarover bent u reeds geïnformeerd op 10 april jl.2 Voor de toegang van nieuwkomers tot een mbo-opleiding verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u voorkomen dat nieuwkomers vertraging oplopen of helemaal uit beeld verdwijnen als gevolg van de coronacrisis?
Wat betreft het uit beeld verdwijnen van inburgeringsplichtigen zijn er binnen het huidige stelsel geen mogelijkheden voor de overheid om inburgeringsplichtigen structureel in beeld te houden. Dit is een van de redenen waarom ik werk aan de invoering van een nieuw stelsel met een regierol voor gemeenten. Wel zijn er diverse trajecten waarbij inburgeraars al in beeld kunnen zijn bij bijvoorbeeld gemeenten of Vluchtelingenwerk via onder andere maatschappelijke begeleiding of ondersteuning vanuit de bijstand. Ik vertrouw hierbij ook op een ieders professionele rol en dat alle betrokken organisaties bij inburgering hun best doen om ook de meer kwetsbare inburgeringsplichtigen in beeld te houden.
Ziet u wat in het idee om nieuwkomers te helpen hun inburgering met zo min mogelijk vertraging af te kunnen maken en zo een snelle overstap naar het beroepsonderwijs te faciliteren? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 3. Het halen van het inburgeringsexamen en daarmee toegang tot het beroepsonderwijs is niet vereist in de huidige situatie. Er kan een toelatingsonderzoek worden afgenomen.
Daarnaast zijn de voorwaarden voor het aanbieden van inburgeringslessen via afstandsonderwijs versoepeld en is de inburgeringstermijn voor alle inburgeraars verlengd. Inburgeraars kunnen doorgaan met het volgen van lessen waardoor opgebouwde kennis niet verloren gaat.
Is het mogelijk een apart budget beschikbaar te stellen voor inburgering om de problemen rondom de coronacrisis aan te pakken, bijvoorbeeld voor een periode van drie maanden? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover ingelicht? Zo nee, waarom niet?
Het beschikbaar stellen van een extra budget om alle inburgeraars gratis afstandsonderwijs te laten volgen vind ik voor nu een te zware maatregel. Ik blijf de situatie en de uitwerking van de genomen maatregelen nauwgezet monitoren. Als de periode waarin het volgen van klassikaal onderwijs niet mogelijk is veel langer gaat duren of als ik de markt snel zie verslechteren, zal ik bezien of de nu getroffen maatregelen nog adequaat zijn.
Het bericht ‘Te weinig aandacht voor genocide Srebrenica in geschiedenisonderwijs’ |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Te weinig aandacht voor genocide Srebrenica in geschiedenisonderwijs»?1
Ja.
Wat vindt u van de bevindingen van de in het bericht genoemde historicus dat het woord genocide nauwelijks voorkomt in de leermiddelen van het geschiedenisonderwijs als het gaat om Srebrenica?
Het kabinet stelt voorop dat de gevolgen van de afschuwelijke genocide van 1995 in Srebrenica tot op de dag van vandaag worden gevoeld. Dit geldt uiteraard voor de nabestaanden en overlevenden, maar bijvoorbeeld ook voor de militairen van Dutchbat. Deze tragische episode in de recente Europese geschiedenis staat terecht nog steeds volop in de belangstelling van de samenleving als geheel en mag nooit worden vergeten.
Zoals echter aangegeven in eerdere antwoorden op schriftelijke vragen over lesmethoden, is het desondanks niet aan mij om een oordeel te hebben over de inhoud en kwaliteit van lesmethodes.2 De overheid bepaalt op landelijk niveau de kerndoelen en eindtermen. In het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs komt het thema Srebrenica terug in het tijdvak «Tijd van Televisie en Computers» en is er een apart canonvenster voor ingericht: «Srebrenica; een mislukte vredesmissie». Ook is kennis van Srebrenica in de context van Nederlandse NAVO-ambities een verplicht onderdeel van de syllabus van het geschiedenisexamen op het havo (vanaf 2021).
Hoe gaat u zich ervoor inzetten om de Srebrenica genocide en met name het perspectief van de slachtoffers en nabestaanden een prominentere plaats te laten krijgen in het geschiedenisonderwijs?
De tragische gebeurtenissen in Srebrenica hebben ingrijpende gevolgen gehad, in het bijzonder voor nabestaanden en overlevenden, en verdienen blijvende aandacht. Mede met het oog daarop is Nederland bijvoorbeeld elk jaar vertegenwoordigd bij de herdenking van de slachtoffers in Potočari. De Minister van Defensie is voornemens dit jaar bij deze herdenking aanwezig te zijn.
Het aantal belangrijke historische gebeurtenissen om als scholier kennis van te nemen, is praktisch oneindig. Echter, de tijd die leerlingen en leraren hebben om aan geschiedenisonderwijs te besteden, is dat niet. Regelmatig krijgt het kabinet verzoeken om bepaalde thema’s op te nemen in het (geschiedenis)curriculum of daar meer aandacht aan te besteden. Het gevaar schuilt er in dat hiermee een curriculum ontstaat dat onsamenhangend en overladen is. Vandaar dat het belangrijk is om een integrale afweging te maken welke kennis, vaardigheden en historische gebeurtenissen essentieel zijn voor álle leerlingen om in aanraking mee te komen.
Met het traject curriculum.nu wordt een dergelijke integrale afweging gemaakt. In de bouwstenen van de ontwikkelteams Burgerschap wordt expliciet benoemd dat leerlingen leren «over historische contexten die van belang zijn voor het ontstaan van en de waardering voor de democratische rechtsstaat en de mensenrechten in Nederland en Europa zoals de Opstand, de Franse en Bataafse Revolutie, ideologieën en totalitaire systemen, genocides en onafhankelijkheidsoorlogen». De bouwstenen onderstrepen daarmee het belang van deze onderwerpen voor onze samenleving en bieden aanknopingspunten voor het behandelen van de genocide in Srebrenica. Over de status van de bouwstenen heb ik uw Kamer op 9 december 2019 geïnformeerd.3
Deelt u de mening dat het voor het wederzijds begrip in een pluriforme samenleving waarin vele Bosnische Nederlanders wonen van groot belang is dat de genocide in Srebrenica op een uitgebreide wijze aandacht krijgt in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat er sprake is van een eenzijdig perspectief in de huidige leerstof betreffende de Srebrenica genocide, waarbij er onvoldoende aandacht is voor de slachtoffers en nabestaanden van de genocide? Zo nee, waarom niet?
Met enige regelmaat krijgt het kabinet vragen over de inhoud van leermiddelen. Hoe begrijpelijk het soms ook is dat bepaalde passages uit leermiddelen vragen oproepen, hecht ik er toch aan de formele verantwoordelijkheidsverdeling omtrent de inhoud van leermiddelen te respecteren. Zoals mijn voorgangers en ik aan uw Kamer in eerdere schriftelijke vragen hierover ook al hebben aangegeven, is het – conform artikel 23, lid 6 van de Grondwet – niet aan het kabinet om de inhoud van leermiddelen te beoordelen, maar aan scholen.
Deelt u de mening van de voorzitter van de Vereniging van docenten geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN) dat de Srebrenica genocide ons veel kan leren over de gevaren van het nationalisme en populisme, thema’s die nu bij uitstek relevant zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het artikel ‘De prijs van een kleine klas’. |
|
Peter Kwint , Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «De prijs van een kleine klas»?1
Ja.
In hoeverre wijkt het systeem Scholen voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO) van de strikte scheiding tussen onderwijstijd en lestijd af van andere scholen? Klopt het dat op veel scholen het systeem voorkomt dat er een deel instructie is en een deel zelfstandig werken, maar dat dit zelfstandig werken wel onder lestijd valt en er niet minder wordt betaald?
Er zijn veel scholen waar een les deels bestaat uit instructie en deels uit andere werkvormen, zoals zelfstandig werken. Er zijn mij geen scholen bekend waar de docent voor het deel van de les dat leerlingen zelfstandig werken anders wordt beloond dan voor het deel van de les waar instructie wordt gegeven. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beoordeelt deze beloningssystematiek niet.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs deze lestijd- en onderwijstijdberekening goed in beeld? Hoe kijken zij hier tegenaan?
De inspectie is bekend met deze berekening van de SvPO-scholen. De tijd waarin de leerlingen onder begeleiding van een docent zelfstandig werken telt de SvPO als onderwijstijd. Leerlingen gaan bij SvPO-scholen vier volle dagen naar school en één dag in de week niet naar school. De inspectie is van oordeel dat deze verdeling in principe past binnen de ruimte die de wetgeving biedt.
Hebben de medezeggenschapsraden van de SvPO-scholen ingestemd met de definitie van onderwijstijd die het bestuur hanteert?
Het is mij niet bekend of de medezeggenschapsraden met de invulling van onderwijstijd hebben ingestemd. De inspectie neemt dit mee in het brede onderzoek naar de besturen en scholen van SvPO.
Wordt de digitale leeromgeving «Workbook» voldoende beveiligd, aangezien leerlingen dit systeem kunnen hacken? Wat betekent dit voor de privacygevoelige informatie die via datzelfde systeem wordt opgeslagen?
Of «Workbook» voldoende beveiligd is, is mij niet bekend. Wel bereiken de inspectie signalen van leraren en ouders dat «Workbook» gevoelig is voor fraude.
Ik vind het van belang dat alle besturen privacygevoelige informatie voldoende beschermen en volgens de algemene verordening gegevensbescherming zijn zij hiertoe ook verplicht. Als er sprake is van datalekken dient de school dat uit eigen beweging te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Acht u het wenselijk dat SvPO methodeboeken gebruikt die tien jaar of langer geleden zijn uitgegeven en dit rechtvaardigt door te stellen dat SvPO met de scores van leerlingen door de jaren heen een historische data-analyse kan maken om het lesmateriaal «evidence based» te verbeteren? Wat is de status van de nieuwe lesbundels, die volgens SvPO-oprichter Van Denderen in voorbereiding zijn?
Het staat besturen vrij om onderwijsmethodes te kiezen die zij vinden passen bij hun pedagogisch-didactische concept. Besturen krijgen financiële middelen van de overheid om in adequaat lesmateriaal te voorzien. Besturen en scholen zijn vrij in de besteding van die middelen. De inspectie ziet erop toe of het onderwijsaanbod toereikend is om kerndoelen, referentieniveaus en eindtermen te realiseren. Het lesmateriaal (dat kunnen methodes van uitgeverijen zijn, maar bijvoorbeeld ook eigen materiaal van docenten) is één van de elementen die hierbij een rol spelen. In het onderzoekskader van de inspectie staat dat er sprake moet zijn van «geschikte opdrachten».
Het is de inspectie niet bekend wat de status van de, volgens dhr. Van Denderen, in ontwikkeling zijnde nieuwe lesbundels is.
Hoeveel geld is er in de lumpsum door alle SvPO-scholen ontvangen voor lesmateriaal?
Alle besturen in het voortgezet onderwijs ontvangen voor de bekostiging van hun onderwijs een lumpsumbedrag gebaseerd op een gemiddelde bekostiging van € 8.500 per leerling per jaar (prijspeil 2019). Dit is één budget voor materiële en personele kosten, waarbij het aan het bestuur is om te bepalen hoe zij dat binnen de wettelijke kaders besteedt. De categorie lesmateriaal is tot nu toe als afzonderlijke categorie in het lumpsumbedrag gelabeld (2019: € 316,34 per leerling).
Per 1 oktober 2018 waren op de vijf scholen van Stichting voor Persoonlijk Onderwijs 1.299 leerlingen ingeschreven. Over het kalenderjaar 2019 is op grond van het aantal leerlingen op 1 oktober 2018 in totaal een bedrag van € 410.925,66 bij bovenbedoelde vijf scholen ontvangen voor lesmateriaal.
Hoe beoordeelt u het betalingsverzoek aan ouders door SvPO om 450 euro over te maken aan de school (waarvan 200 euro voor schoolspullen), zodat de schoolmaterialen voor hun kind op tijd aangeschaft kunnen worden, terwijl er gewerkt wordt met zeer verouderde lesmethoden die het klaslokaal niet verlaten?
De bijdrage die besturen vragen van ouders is vrijwillig. Het bestuur moet daarbij altijd vermelden dat de bijdrage vrijwillig is. Wanneer een bestuur er voor kiest om als onderdeel van de vrijwillige ouderbijdrage een bijdrage aan de ouders te vragen voor het gebruik van schoolmaterialen, zoals een atlas of laptop (gebruiksmaterialen die meerdere jaren meegaan), is het de keuze van de ouders om daar wel of niet aan mee te werken.
Echter op het moment dat ouders een overeenkomst tekenen met betrekking tot het betalen van een vrijwillige ouderbijdrage, ontstaat er wel de verplichting tot betaling van deze bijdrage (zie ook de beantwoording van vraag 9 hieronder).
De vrijwillige ouderbijdrage wordt steeds vaker gebruikt voor laptops, tablets of andere digitale leermiddelen. Dit is toegestaan. Maar ook hier geldt dat de ouderbijdrage vrijwillig is. Als het gebruik van een laptop of een tablet verplicht is op school, dan betekent dit niet dat de ouderbijdrage ook verplicht is. Dit betekent dat scholen voor een gratis alternatief moet zorgen, als ouders niet willen of kunnen betalen.
De wijze van totstandkoming van de door de ouders bij SvPO verschuldigde ouderbijdrage en de onderbouwing en hoogte hiervan is één van onderdelen die door de inspectie wordt betrokken bij de uitvoering van het aangekondigde brede onderzoek naar de besturen en scholen van Stichting voor Persoonlijk Onderwijs.
In hoeverre is de vrijwillige ouderbijdrage van 250 euro echt vrijwillig als erbij vermeld wordt dat het totale bedrag van 450 euro voor een bepaalde datum ontvangen moet zijn om de schoolspullen te bekostigen?2
Ouders kunnen niet verplicht worden gesteld om voor een bepaalde datum de vrijwillige ouderbijdrage over te maken. Dit zou in strijd zijn met het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage.
Op het moment dat ouders een overeenkomst tekenen met betrekking tot het betalen van een ouderbijdrage, ontstaat de verplichting tot betaling van deze bijdrage. Het bestuur kan eisen dat de verplichting tot betaling op enig moment wordt nagekomen. Het bestuur mag ouders vragen een overeenkomst te ondertekenen, maar ouders zijn daartoe niet verplicht.
Het niet betalen van de vrijwillige ouderbijdrage mag geen reden zijn voor uitsluiting van activiteiten die onder verantwoordelijkheid van de school worden georganiseerd, ook niet als ouders een overeenkomst getekend hebben met betrekking tot het betalen van de ouderbijdrage. De toelating tot een school mag niet afhankelijk worden gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde bijdrage.
De wijze van totstandkoming van de door de ouders verschuldigde ouderbijdrage en de onderbouwing en hoogte hiervan is één van onderdelen die door de inspectie wordt betrokken bij de uitvoering van het aangekondigde brede onderzoek naar de besturen en scholen van Stichting voor Persoonlijk Onderwijs.
Wat vindt u ervan dat het voor leerlingen lastig blijkt te zijn om over te stappen naar een andere school aangezien SvPO een afwijkende vakindeling hanteert?
In algemene zin vind ik dat leerlingen zo min mogelijk belemmeringen moeten ervaren bij de overstap naar een andere school. Het is belangrijk dat scholen transparant zijn over de specifieke inrichting van het onderwijs en mogelijke belemmeringen bij het overstappen naar een andere school. Ouders alsmede besturen die als zij-instromers leerlingen van SvPO-scholen opvangen geven in dit verband bij herhaling aan dat het aan deze transparantie ontbreekt. De inspectie heeft het bestuur van SvPO hier eerder op gewezen.6
Hoe is de medezeggenschap op de verschillende SvPO-scholen georganiseerd? Voldoen zij hiermee aan de Wet medezeggenschap op scholen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De inspectie heeft in schooljaar 2017/2018 onderzoek gedaan naar de besturen en scholen van SvPO Kapelle, Hurdegaryp en Geldermalsen en in het voorjaar van 2019 bij SvPO Utrecht. Ten tijde van deze onderzoeken bestond op de SvPO-scholen een medezeggenschapscollectief waarin automatisch alle ouders, docenten en leerlingen zitting hadden en konden stemmen over voorgenomen besluiten van het bestuur. Daarnaast was er op de onderzochte scholen formeel ook een medezeggenschapsraad, maar die functioneerde niet.
De inspectie heeft bij de genoemde onderzoeken geconstateerd dat de medezeggenschapsraad niet was gevraagd om in te stemmen met voorgenomen besluiten aangaande de vaststelling van de schoolgids, het examenreglement, het programma van toetsing en afsluiting en het schoolplan. De inspectie heeft daarom geconcludeerd dat de medezeggenschap niet functioneert. Ze heeft hierover gerapporteerd en de besturen een herstelopdracht gegeven.7 Tevens heeft de inspectie mij geïnformeerd over het tekortschieten van het bestuur op dit punt. De inspectie onderzoekt in het najaar of deze tekortkoming is hersteld.
Is de vergoeding van directrice van SvPO correct volgens de Wet normering topinkomens (WNT) ingevuld?
De inspectie doet thans onderzoek naar de SvPO. Dit aspect wordt daarin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat SvPO pronkt met zestien leerlingen per klas, maar dit ten koste gaat van onder andere personeelsbeleid en zorg voor leerlingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Besturen en scholen maken eigen afwegingen met betrekking tot het aantal leerlingen per klas. Ik verwacht van besturen en scholen dat zij de middelen die zij van de overheid ontvangen zo besteden dat alle leerlingen zich optimaal kunnen ontwikkelen. Besturen hebben daarbij de ruimte om eigen afwegingen te maken. Het is de taak van de inspectie om te onderzoeken of zowel het financieel beheer als de onderwijskwaliteit voldoen aan de wettelijke eisen.
Tijdens haar onderzoek bij SvPO Utrecht heeft de inspectie geconstateerd dat de ondersteuning van leerlingen beter moet. Het bestuur heeft hiervoor een aantal herstelopdrachten ontvangen. In het najaar zal de inspectie tijdens het herstelonderzoek vaststellen of de tekortkomingen op dit punt zijn opgeheven. Bij het brede onderzoek naar de besturen en scholen van SvPO in het najaar zal dit onderwerp ook bij andere SvPO-scholen worden meegenomen.
Acht u het wenselijk dat deze scholen worden gerund als bedrijven waarbij onder andere overhead wordt geminimaliseerd ten koste van personeel en leerlingen en de «bespaarde» middelen worden geïnvesteerd in gebouwen? Is dat hoe onderwijs er volgens u uit zou moeten zien? Is dat waar onderwijsgeld, opgebracht door ons allemaal aan uitgegeven zou moeten worden? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Bestuurders van onderwijsinstellingen moeten de lumpsumbekostiging besteden aan het verzorgen van onderwijs. Dit onderwijs dient te voldoen aan de wettelijke deugdelijkheidseisen. Binnen die kaders beschikt het bevoegd gezag over bestedingsvrijheid. Hij kan het budget naar eigen inzicht besteden op voorwaarde dat deze bestedingen niet onrechtmatig of ondoelmatig zijn. Als uit toezicht blijkt dat niet aan wettelijke voorschriften voldaan wordt, kan de bekostiging worden opgeschort, gecorrigeerd of stopgezet.
Een school besturen kan vanuit zowel onderwijskundig als bedrijfskundig perspectief. Deze perspectieven hoeven elkaar niet te bijten; zij zullen elkaar veelal versterken. Zo kan het een bestuur door op verstandige wijze de kosten voor overhead te reduceren, grotere financiële ruimte creëren voor het verzorgen van onderwijs.
Vermindering van overheadkosten kent echter wel grenzen. Zo heeft het bestuur als taak om zich te houden aan eisen van rechtmatigheid, zoals vastgelegd in wet- en regelgeving, aan afspraken binnen de eigen organisatie (bijvoorbeeld met de interne toezichthouder) en aan bindende afspraken binnen de sector.
Daarnaast heeft de interne toezichthouder van een onderwijsinstelling de wettelijke taak erop toe te zien dat het bestuur de verkregen rijksbekostiging rechtmatig en doelmatig besteedt. De interne toezichthouder dient zich hierover vervolgens in zijn jaarverslag te verantwoorden.
Conform de Wet op het Voortgezet Onderwijs moet het bevoegd gezag bestedingsrichtlijnen in acht nemen bij de besteding van de ontvangen rijksbekostiging.
Het voor personeels- en exploitatiekosten ontvangen bedrag (de lumpsumvergoeding) dient te worden aangewend voor de kosten van personeel en voor voorzieningen in de schoolexploitatie. In geval van een overschot op die bedragen, kan dat overschot worden aangewend voor voorzieningen in de huisvesting.
De voor voorzieningen in de huisvesting betaalde bedragen dienen door het bevoegd gezag zodanig te worden aangewend dat een behoorlijke en deugdelijke totstandkoming van deze voorzieningen is verzekerd. Indien na realisatie van deze huisvestingsvoorzieningen de bedragen niet volledig zijn aangewend, kan het resterende deel daarvan worden aangewend voor de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie.
Neemt de Inspectie van het Onderwijs ook de verschillende financiële geldstromen mee in haar onderzoek naar het netwerk van SvPO-scholen? Zo nee, kan dit alsnog opgenomen worden in het onderzoek?3
Ja, de inspectie onderzoekt ook de geldstromen van de besturen en scholen van SvPO.
Neemt de Inspectie van het Onderwijs ook de wijze waarop de opstroom wordt gerealiseerd mee in haar onderzoek naar het netwerk van SvPO-scholen? Zo nee, kan dit alsnog opgenomen worden in het onderzoek?
Het behoort tot de standaardwerkwijze van de inspectie om de resultaten van scholen te analyseren. Eén van de indicatoren in het onderwijsresultatenmodel van de inspectie zet de op- of afstroom die scholen realiseren af tegen de voor de school geldende norm. De manier waarop de inspectie kijkt naar de resultaten is echter breder dan alleen die van een oordeel over op- of afstroom. De wijze waarop de resultaten bereikt worden én het bredere kader van onderbouwsnelheid, bovenbouwsucces en de cijfers voor het centraal examen worden door de inspectie in samenhang beschouwd bij het vellen van een oordeel over de resultaten van een school. De opstroom is dus één van de vier indicatoren die de inspectie in beschouwing neemt bij het beoordelen van de resultaten.
Het enkel kijken naar op- of afstroom geeft echter een eenzijdig en vertekend beeld van het succes van een school of onderwijssoort.
Wilt u deze vragen apart beantwoorden en niet clusteren?
Ja.