De beantwoording van Kamervragen d.d. 3 oktober 2024 |
|
Michiel van Nispen , Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Karremans , Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Hoe kijkt u naar de zorgplicht van de desbetreffende bonden, gezien de stelling uit de beantwoording van 3 oktober dat «de rol en invloed van de bonden relatief beperkt is en hun verantwoordelijkheid voor individueel grensoverschrijdend gedrag gering»? En hoe kijkt u in het bijzonder naar de onder sportkoepel NOC*NSF ressorterende Nederlandse Algemene Danssport Bond (NADB) en welke rol zij hebben naar hun leden of naar de dansers die worden begeleid door bij de NADB-aangesloten dansleraren?
De zorgplicht van een sportbond heeft met name betrekking op verenigingen. Zodra melding wordt gedaan van grensoverschrijdend gedrag binnen een vereniging door (bestuurs-)leden, hebben verenigingen een meldplicht richting de bond of het Centrum Veilige Sport Nederland (CVSN).
NOC*NSF heeft samen met de bonden algemene gedragsregels opgesteld om ongewenst gedrag te verminderen. Alle sportbonden die zijn aangesloten bij NOC*NSF – inclusief de NADB – hebben deze gedragsregels opgenomen in hun tuchtrecht. Zo zijn in ieder geval leden van de desbetreffende sportbonden via hun lidmaatschap gebonden aan deze reglementen. Om begeleiders, inclusief de bij de NADB-aangesloten dansleraren, te binden aan deze reglementen kunnen zij tevens lid worden van de desbetreffende bond. Ook kunnen zij op verzoek de Verklaring Onderwerping Tuchtrecht (VOT) tekenen, waarmee ze tevens worden gebonden aan de reglementen uit het tuchtrecht.
Bent u ervan op de hoogte dat van de aanbevelingen die door een onafhankelijke projectgroep binnen de NADB zijn gedaan het advies om excuses te maken niet wordt opgevolgd? Wat vindt u van de uitblijvende excuses? Deelt u de mening dat de «erkenningsvideo» van de door het Rijk gefinancierde Alliantie Dans Veilig niet toereikend is?1 2
De Alliantie Dans Veilig heeft een brede erkenningsvideo gepubliceerd richting de danssector waarmee zij haar erkenning uitspreekt aan alle dansers die zijn geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag en het leed dat zij hebben ervaren.
Het is aan de bonden om te bepalen hoe de erkenning aan de dansers wordt ingevuld. De NADB heeft ervoor gekozen dat te doen door te verwijzen naar deze erkenningsvideo.
Wat kunnen de indieners van u verwachten met betrekking tot de tijdens het wetgevingsoverleg Sport op 2 december 2024 overgenomen motie die u verzoekt «om een fatsoenlijke en behandeling en erkenning voor de klokkenluider in het dansmisbruikdossier»?3
In het verleden zijn reeds gesprekken gevoerd waarbij een fatsoenlijke behandeling altijd het uitgangspunt is geweest. Daarnaast zal het Ministerie van VWS binnenkort opnieuw in gesprek treden met de betrokkene om de opties voor erkenning samen verder te verkennen.
Klopt het dat trainers, coaches, bestuurders en anderen in posities waarin sociale veiligheid een rol speelt bij hun aanstelling binnen bijvoorbeeld de NADB nog altijd geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) hoeven aan te leveren? Zo ja, welke reden ligt hieraan ten grondslag? En vanaf wanneer gaat die verplichting wel in?
Tot op heden zijn sportverenigingen en sportbonden – inclusief de NADB – niet verplicht om naar een VOG te vragen bij vrijwilligers. Wel moedigt het kabinet samen met de sportsector het gebruik van de VOG binnen de sport aan. Een sportvereniging kan via de Regeling Gratis VOG die door het Ministerie van VWS wordt gesubsidieerd vrijwilligers vergoeden.
Op dit moment wordt een wettelijke verplichting niet overwogen, met name omdat het een zeer kostbare aangelegenheid is en het vrijwilligers mogelijk afschrikt. Ook zal een wettelijke plicht niet leiden tot de benodigde cultuurverandering binnen een vereniging, omdat die met name moet worden bereikt door het uitspreken en naleven van behoorlijke omgangsnormen waardoor betrokkenen hopelijk de benodigde veiligheid ervaren om meldingen te doen. Ten slotte hebben enkel uitspraken vanuit het strafrecht – en niet het tuchtrecht – invloed op de verstrekking van een VOG.
Waarom valt het Centrum Veilige Sport Nederland (CVSN) onder de sportkoepel NOC*NSF en is er niet gekozen voor een volledig onafhankelijke positie? Begrijpt u de bezwaren van (oud-)dansers dat ze geen vertrouwen hebben in dit meldpunt? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
NOC*NSF heeft in zijn professioneel statuut vastgelegd dat zowel vertrouwenspersonen, casemanagers als overige medewerkers die werkzaam zijn bij het CVSN hun werk volledig onafhankelijk van de directie van NOC*NSF moeten kunnen doen. Dit is doelbewust opgenomen om het onafhankelijk functioneren van het CVSN te benadrukken zodat het doen van een melding kan worden gefaciliteerd. Dat lijkt zijn vruchten af te werpen: het CVSN ervaart de afgelopen jaren een toenemende meldingsbereidheid onder sporters en betrokkenen in de sport.
Hoewel ik het betreur dat dansers geen vertrouwen hebben in het CVSN, heeft het meldpunt tot op heden geen concrete signalen of anderszins ontvangen die gaan over de betrouwbaarheid van het meldpunt.
Om sociale veiligheid in de sport te versterken, werk ik momenteel aan een wetsvoorstel dat zal leiden tot de oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum, waarmee het CVSN tevens wordt losgekoppeld van NOC*NSF. Tot die tijd blijft het CVSN beschikbaar voor alle melders. Het CVSN heeft herhaaldelijk hulp aangeboden aan betrokkenen en staat open voor iedereen die een melding wil doen. Ook kunnen melders zich wenden tot andere hulporganisaties als zij dat wensen.
Kunt u een eerste tussenrapportage geven over de Opvolgingscommissie Dansen en de Ethische Commissie Dansen en aangeven welke stappen reeds zijn gezet?
De Instellingsbesluiten voor zowel de Opvolgingscommissie als de Ethische Commissie Dansen zijn inmiddels gepubliceerd.4 Hiermee zijn de leden van de Ethische Commissie Dansen ook gelijk benoemd. Voordat de beoogde leden van de Opvolgingscommissie worden benoemd, zal de Ethische Commissie Dansen hierover eerst de Minister van OCW adviseren. Door een transparant vormgegeven traject om te komen tot de benoeming van de leden van de Opvolgingscommissie wordt gezorgd voor vergroting van het draagvlak voor het proces om tot verbeteringen te komen in de danssector. Na hun benoeming kunnen zij aan de slag met de beoordeling van de vraag in hoeverre de aanbevelingen uit het onderzoek Schaduwdansen voldoende zijn opgepakt door de betrokken partijen.
Bent u op de hoogte van de door Alliantie Dans Veilig opgestelde gedragscode die geldt voor leden van de expertgroepen die werken aan verbeteringen in de danssector? Zo ja, bent u het eens met alle vijf de afspraken waarmee akkoord gegaan dient/diende te worden om te kunnen toetreden?
De Minister van OCW en ik zijn op de hoogte van de afspraken die worden gemaakt met de leden van de expertgroepen. Deze afspraken zijn gebaseerd op het tussen de aangesloten partijen overeengekomen convenant dat is opgesteld door een integriteitsjurist.
Klopt het dat van de circa 4800 dansaanbieders maar zo’n zes procent valt onder de vijftien (koepel)organisaties die samen de Alliantie Dans Veilig vormen? En klopt het ook dat de «dansersachterban» van de Alliantie Dans Veilig, afgezet tegen de ongeveer anderhalf miljoen dansers die in Nederland actief zijn, nog geen half procent beslaat? Met andere woorden: wat zegt dit over het draagvlak, de slagkracht en reikwijdte van de Alliantie Dans Veilig?
De Alliantie Dans Veilig is een samenwerkingsverband tussen een aantal partijen in de danssector. Deze organisaties hebben de handen ineen geslagen om veiligheid en integriteit binnen deze gehele sector te bevorderen. Zij beperken hun inspanningen echter niet tot hun eigen «dansersachterban». Integendeel: de Alliantie Dans Veilig tracht sociale veiligheid binnen de danssector in de breedste zin te verbeteren door opvolging te geven aan de aanbevelingen uit het onderzoek Schaduwdansen. Daarmee is hun beoogde slagkracht groot en hun reikwijdte breed.
Vanaf de oprichting van de Alliantie Dans Veilig kan elke dansorganisatie die wil bijdragen aan een veilige danssector zich bij de Alliantie Dans Veilig aansluiten. Hiermee wordt het draagvlak voor het proces verder bevorderd. Daarom moedigen Minister van OCW en ik de organisaties die nog niet zijn aangesloten aan om alsnog deze stap naar voren te zetten.
Welke stappen worden gezet om de didactische vaardigheden, ethiek en integriteit te verbeteren/borgen van het nog altijd onbeschermde beroep van dansdocent/leraar?
De Alliantie Dans Veilig werkt momenteel aan de verbetering van didactische vaardigheden en ethiek en integriteit door het aanbieden van e-learnings via de website, handreikingen voor de sociale veiligheid binnen de amateur dansscholen en (samen met Dans Belang) de bredere inzet van het kwaliteitsregister en scholing onder dansdocenten. Tot slot neemt Dans Belang een module over sociale veiligheid op in haar scholing voor dansdocenten.
Kunt u aangeven wat uw aangekondigde «betrokken blijven bij de inspanningen» als bewindslieden in concrete zin betekent? In hoeverre bent u betrokken?
De Ministeries van OCW en VWS financieren tot eind 2025 de Alliantie Dans Veilig en de ethische- en opvolgingscommissie die de aanbevelingen uit het onderzoek Schaduwdansen evalueren. Daarnaast hebben het Ministerie van VWS en het Ministerie van OCW regelmatig contact met de Alliantie Dans Veilig over de voortgang op dit dossier.
In hoeverre verhoudt de aankondiging dat «gezien de nadere portefeuilleverdeling op het Ministerie van OCW de Minister van OCW verantwoordelijk voor dit dossier is» zich tot verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport op dit dossier? Kunt u dit nader toelichten?
Ik ben als Staatssecretaris Jeugd Preventie en Sport verantwoordelijk voor het dansdossier voor zover de dans betrekking heeft op sport (en in het bijzonder wedstrijddans). De Minister van OCW is verantwoordelijk voor het dansdossier voor zover de dans betrekking heeft op de culturele sector. Hoewel deze set Kamervragen ook aan de Staatssecretaris van OCW is gesteld, heeft zij hier geen rol in. Onderhavige vragen zijn daarom beantwoord door de Minister van OCW en mij.
Het bericht ’Duizenden pechstudenten lopen ook nog compensatie mis: 'Alsof mijn papiertje niet volwaardig is'’ |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht ««Duizenden pechstudenten lopen ook nog compensatie mis: «Alsof mijn papiertje niet volwaardig is»»?1
Ja.
Is het waar dat universitaire studenten die onder het leenstelsel een bacheloropleiding hebben afgerond, geen recht hebben op de compensatie van ruim € 2.000 als zij geen masteropleiding hebben voltooid?
Er zijn twee tegemoetkomingen die vanaf 2025 uitgekeerd gaan worden: de tegemoetkoming studievoucher en de tegemoetkoming leenstelsel.2 De vraag van uw Kamer heeft slechts betrekking op de tegemoetkoming studievoucher. De tegemoetkoming studievoucher is bedoeld om (oud-)studenten die in de studiejaren 2015–2016 tot en met 2018–2019 voor het eerst studiefinanciering hebben ontvangen tegemoet te komen, omdat zij niet hebben kunnen profiteren van de kwaliteitsinvesteringen die zijn betaald met het afschaffen van de basisbeurs. Voor de tegemoetkoming studievoucher geldt inderdaad dat een student zowel een wo-bachelor- als een wo-masterdiploma moet hebben behaald om aan de diploma-eis te voldoen.
Is het waar dat hbo-studenten die een bacheloropleiding hebben afgerond wél in aanmerking komen voor de volledige compensatie, terwijl universitaire studenten met enkel een bachelor dat niet doen? Zo ja, hoe verklaart u dit verschil?
Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2 geldt dat alleen voor de tegemoetkoming studievoucher. Voor deze afbakening van de doelgroep is reeds in 2015, bij invoering van het leenstelsel, gekozen in de Wet studievoorschot hoger onderwijs.3
Met de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs in 2023 zijn deze studievoorschotvouchers, op verzoek van uw Kamer en de studentenorganisaties, omgezet in een financiële tegemoetkoming.4 De doelgroep is, in lijn met door uw Kamer aangenomen moties over een tegemoetkoming voor studenten die al aanspraak konden maken op een voucher, gelijk gebleven aan de oorspronkelijke doelgroep. Deze afbakening is bij de behandeling van de Wet herinvoering basisbeurs in 2023 opnieuw gewogen, en wederom goedbevonden, door het parlement.
Kunt u uiteenzetten waarom de compensatieregeling voor universitaire studenten afhankelijk is gemaakt van het afronden van een masteropleiding en acht u dit onderscheid tussen hbo- en universitaire studenten rechtvaardig?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt dit onderscheid zich tot het uitgangspunt van gelijke behandeling van studenten, ongeacht de aard van hun opleiding, binnen het onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zou de financiële en administratieve impact zijn van een aanpassing waarbij alle studenten die onder het leenstelsel een bacheloropleiding hebben afgerond, in aanmerking komen voor dezelfde compensatie?
Dit zou een uitbreiding van de in 2015 vastgestelde doelgroep betekenen. Een exacte schatting is niet mogelijk aangezien de reguliere diplomatermijn loopt tot en met 20295. Het is derhalve nog niet duidelijk welk deel van de wo-studenten die nu alleen een bachelordiploma heeft behaald, nog een wo-masterdiploma gaat behalen ultimo 2029. Grofweg zou het kunnen gaan om een uitbreiding van de doelgroep met circa 20.000 studenten voor de tegemoetkoming studievoucher, wat extra dekking vereist van circa € 44 miljoen. Bovendien vergt dit een wetswijziging en substantiële aanpassingen in de uitvoering met de bijbehorende additionele doorlooptijd.
Hoe heeft DUO deze regeling gecommuniceerd aan studenten, en is daarbij expliciet gemaakt dat universitaire studenten zonder master geen aanspraak maken op de volledige compensatie? Zo ja, waarom is deze nuance niet eerder onder de aandacht gebracht?
DUO heeft in 2015 bij invoering van het leenstelsel de voorwaarden voor de studievoorschotvouchers, waaronder de diploma-eis, kenbaar gemaakt richting (oud-)studenten, onder andere via de website en berichten via Mijn DUO. Ook bij de wijziging van de vormgeving van een voucher naar een tegemoetkoming in 2023 zijn (oud-)studenten geïnformeerd via een mailing en via de website. Daarbij is wederom gecommuniceerd over de voorwaarden voor de tegemoetkoming studievoucher.
Bent u bereid de compensatieregeling aan te passen zodat u hbo- en wo-studenten gelijk behandelt?
Zoals duidelijk gemaakt in antwoord op vraag 3, 4, 5 en 6 is het parlement in 2015 bij invoering van het leenstelsel akkoord gegaan met de afbakening van de doelgroep voor de studievoorschotvoucher. DUO heeft destijds de voorwaarden voor de studievoorschotvouchers, waaronder de diploma-eis, kenbaar gemaakt richting (oud-)studenten. Vervolgens is het parlement wederom in 2023 bij het wetvoorstel herinvoering basisbeurs akkoord gegaan met de afbakening van de doelgroep. Opnieuw zijn studenten in 2023 geïnformeerd over de voorwaarden. Daarin is ook de wijziging van de vormgeving van een voucher naar een tegemoetkoming richting (oud)-studenten gecommuniceerd. Het opnieuw wegen van de afbakening van de doelgroep (voor een derde keer) vind ik in het kader van stabiel overheidsbeleid onwenselijk. De uitbreiding zou bovendien extra financiële middelen vereisen, die middelen zijn niet voorhanden. Daarnaast is de huidige afbakening in lijn met de wens van uw Kamer om de oorspronkelijke doelgroep aan te houden, waar beide Kamers bij de herinvoering van de basisbeurs opnieuw mee hebben ingestemd. Aanpassing lijkt mij daarom niet wenselijk. Tot slot wil ik nogmaals benoemen dat de studenten die alleen een wo-bachelordiploma hebben behaald, mits zij aan de overige voorwaarden voldoen in aanmerking komen voor de in 2023 vastgestelde tegemoetkoming leenstelsel.
Het bericht ‘Waarom wordt studenten aan de Erasmus Universiteit verteld dat porno een vorm van kunst is?’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Waarom wordt studenten aan de Erasmus Universiteit verteld dat porno een vorm van kunst is?»?1
Ja.
Klopt het dat organisaties die verantwoordelijk waren voor dit evenement onderdeel uitmaken van de Erasmus Universiteit?
Ja. Het evenement werd georganiseerd door het Studium Generale van de Erasmus Universiteit in samenwerking met het Erasmus Love Lab en de Erasmus Wellbeing week. Het Studium Generale organiseert door het jaar heen wetenschappelijke, maatschappelijke en culturele programma’s voor studenten. De taak van de Studia Generalia van de universiteiten is het verbreden van de academische blik buiten het curriculum van de opleiding.
Vindt u dat het organiseren van bijeenkomsten door een bekostigde universiteit om porno te promoten redelijkerwijze past binnen het beleid om studentenwelzijn te bevorderen?
Van de Erasmus Universiteit heb ik begrepen dat er tijdens dit evenement onderzoeksresultaten werden besproken van het onderzoeksproject «Pornfessions». Met dit project wordt onderzocht waarom mensen van verschillende sociale achtergronden zich aangetrokken voelen tot bepaalde stereotypen en clichés in pornografie, welke impact dit heeft op jongeren en hoe schadelijke effecten kunnen worden voorkomen. De resultaten van het onderzoek leveren informatie die bijdraagt aan deze doelen, waaronder het voorkomen van schadelijke effecten van pornografische stereotypen op seksuele gezondheid. Het doel van dit evenement was daarom niet het promoten van pornografie, maar het bevorderen van een discussie over dit thema aan de hand van onderzoeksresultaten. Het bespreken van dergelijke onderzoeksresultaten en het discussiëren over dergelijke maatschappelijke en culturele thema’s past binnen de taak van de universiteit om maatschappelijke discussie en dialoog te faciliteren.
Voor het hoger onderwijs geldt, net als voor iedereen, de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van meningsuiting. Tevens geniet het hoger onderwijs van – de in artikel 1.6 van de WHW vastgelegde – academische vrijheid. Dat betekent dat de wet veel vrijheid geeft als het gaat om de inrichting van onderzoek en onderwijs. In het verlengde hiervan kunnen onderwijsinstellingen zelf bepalen hoe zij hun welzijnsbeleid vormgeven. Dat betekent dat ze zelf kiezen welke onderwerpen besproken worden in het kader van studentenwelzijn. Onderwijsinstellingen zijn hierbij wel gebonden aan de grenzen van de wet en de huisregels en gedragscodes van de instelling.
Bent u ermee bekend dat er veel overzichtsstudies zijn die negatieve effecten rapporteren van seksualisering door mediabeelden, waaronder de seksistische beeldvorming en het geweld tegen vrouwen?2
Ja, ik ben ermee bekend dat deze studies bestaan.
Zou, indien een universiteit zich al met dit thema wil inlaten en gelet op de problemen bij studentenverenigingen, niet eerder het bestrijden dan het bevorderen van porno voor de hand liggen?
Zoals eerder benoemd was het doel van dit evenement niet het promoten van pornografie, maar het bevorderen van een discussie over dit onderwerp aan de hand van wetenschappelijke inzichten. Zo werden onderzoeksresultaten besproken die onder andere kunnen bijdragen aan het voorkomen van schadelijke effecten van pornografische stereotypen op seksuele gezondheid. Het is aan universiteiten zelf om te bepalen aan welke thema’s ze aandacht geven, welke bijeenkomsten zij organiseren en wie zij daarvoor uitnodigen. Hierbij geldt wel dat dit plaats moet vinden binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de huisregels en gedragscodes van de instelling.
Zouden in het kader van studentenwelzijn niet ten minste de schaduwzijden ervan en de mogelijke ondersteuning van studenten aandacht verdienen?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
Bent u ermee bekend dat het kabinet onderzoek laat verrichten naar signalen van misstanden in de porno-industrie?3
Ja, hiermee ben ik bekend.
Hoe is het te verenigen met de wettelijke plicht van instellingen om maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen dat de porno-industrie een podium krijgt?
Zoals eerder benoemd was het doel van dit evenement niet het promoten van pornografie, maar het bevorderen van een discussie over dit onderwerp aan de hand van wetenschappelijke inzichten. Voor hoger onderwijsinstellingen is in artikel 1.3, vijfde lid, van de WHW een verplichting opgenomen tot het bevorderen van het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. In het veld vindt er een discussie plaats over de maatschappelijke opdracht van het onderwijs en de invulling van deze verplichting. Daarbij komen vragen aan de orde over de taak van het onderwijs bij het bijbrengen van democratische rechtsbeginselen en de verantwoordelijkheid die een instelling draagt binnen het onderwijsstelsel. De speelruimte in deze discussie wordt mede bepaald door de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van meningsuiting en de in de WHW vastgelegde academische vrijheid. Aan deze opdracht kan op velerlei wijze tegemoet worden gekomen. Mede gezien de academische vrijheid wordt er van overheidswege niet getreden in die invulling.
Klopt het dat de Erasmus Universiteit studievoorschotmiddelen of andere bekostiging heeft gebruikt om deze bijeenkomst mogelijk te maken?
Het Studium Generale maakt onderdeel uit van de dienst Education and Student Affairs van de Erasmus Universiteit Rotterdam dat wordt gefinancierd vanuit algemene bekostiging van de universiteit. Daarnaast wordt het Studium Generale tevens financieel ondersteund door het Erasmus Trustfonds.
Bent u ook van mening dat dit niet redelijkerwijs als rechtmatige besteding van de bekostiging valt aan te merken en bent u bereid de instelling hierop aan te spreken?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven werden op dit evenement de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek gepresenteerd. Besteding van bekostiging aan een dergelijk evenement valt binnen de wettelijke taak van universiteiten.
Het bericht ‘MBO Westland zet in op minder schoolverlaters: oriëntatieperiode van zes maanden’. |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «MBO Westland zet in op minder schoolverlaters: oriëntatieperiode van zes maanden»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe werkwijze van MBO Westland om een oriëntatieperiode van zes maanden in te stellen zodat studenten beter kunnen bepalen welke studierichting het beste bij hun talenten en ambities past?
Ik ben enthousiast over de potentie van oriëntatieprogramma’s, om studenten die bij instroom in het mbo nog geen gerichte studiekeuze kunnen maken te begeleiden naar een passende keuze. Verschillende mbo-instellingen bieden dit al aan, met verschillende werkwijzen. In de Werkagenda mbo is afgesproken een experiment te starten, zodat gevolgd kan worden of en wanneer oriëntatieprogramma’s effectief zijn. In de beleidsregel oriëntatieprogramma’s is toegelicht welke ruimte mbo-instellingen hebben om een programma vorm te geven en is een pilot ingericht om oriëntatieprogramma’s te monitoren. Ik vind het goed om te zien dat MBO Westland het initiatief neemt om in augustus 2025 te starten met een oriëntatieprogramma en ik neem de resultaten graag mee in het pilotonderzoek.
Deelt u de mening dat het aantal voortijdige schoolverlaters in het mbo moet worden verminderd?
Ja. In het actieplan voortijdig schoolverlaten is uitgewerkt welke acties ingezet worden om te komen tot maximaal 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters. In het eerste kwartaal van 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan.
Deelt u de mening dat er binnen het hele beroepsonderwijs meer dan nu moet worden gedaan aan het verbeteren van loopbaanoriëntatie en begeleiding?
Kwalitatieve loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) is essentieel om studenten in staat te stellen om weloverwogen loopbaankeuzes te maken, met oog voor zowel arbeidsmarktperspectief als eigen interesses, talenten en capaciteiten. Door de afspraken die zijn gemaakt in de Werkagenda mbo 2023–2027 wordt per 2023 extra geïnvesteerd in de versterking van loopbaanoriëntatie en -begeleiding, door middel van de kwaliteitsmiddelen en Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB 2023. De eerste monitoringsresultaten laten zien dat mbo-instellingen investeren in extra fte’s, professionalisering van docenten, het intensiveren van de begeleiding van studenten en het organiseren van meer oriënterende beroeps- en bedrijfsbezoeken.2 Het zal echter enige tijd duren voordat de investeringen in LOB effect sorteren en daarom is het nu te vroeg om te concluderen dat er meer nodig is. De voortgang van de afspraken uit de Werkagenda worden tot en met 2027 nauw gemonitord. Daarna kan de balans worden opgemaakt. Tot die tijd wordt u jaarlijks geïnformeerd over de voortgang.
Ziet u de mogelijkheid om deze oriëntatieperiode van MBO Westland te monitoren?
Verschillende mbo-instellingen bieden oriëntatieprogramma’s aan. Daar ben ik blij mee, want ik wil graag onderzoeken of en wanneer oriëntatieprogramma’s effectief zijn in het voorkomen van uitval en onnodige switch, en of wet- en regelgeving toereikend is of aanpassing behoeft. Het initiatief van MBO Westland neem ik daarom ook graag mee in het onderzoek.
Welke concrete ontwikkelingen en meetbare resultaten zijn zichtbaar als gevolg van de jaarlijkse extra investering van 32 miljoen euro voor loopbaanoriëntatie en begeleiding?
Om te kunnen zien of de investeringen die in het kader van de Werkagenda zijn gedaan leiden tot de gewenste bewegingen is een monitoringsprogramma opgezet. Hierbij worden ook de investeringen voor de versterking van loopbaanoriëntatie- en begeleiding betrokken. U heeft recent de startmeting ontvangen. Daarin is te zien dat mbo-instellingen met de kwaliteitsagenda’s investeren in het organiseren van meer beroeps- en bedrijfsbezoeken (77% van de instellingen) en in de samenwerking met werkgevers op het gebied van voorlichting (85%). Daarnaast krijgt goede begeleiding ook aandacht doordat mbo-instellingen kwaliteitsmiddelen inzetten op extra fte’s voor LOB (70% van de instellingen) en professionalisering van docenten en loopbaanbegeleiders (75%). Dit stemt mij positief. Ik hoop dat deze inspanningen gaan resulteren in een hogere tevredenheid van studenten over de hulp van school bij de keuze voor verder leren of werken.
In het najaar van 2025 wordt u geïnformeerd over de mid-term review. Dit zal ook het moment zijn waar ik meer kan vertellen over de ontwikkelingen en resultaten die te zien zijn op het gebied van loopbaanoriëntatie- en begeleiding. Specifiek voor oriëntatieprogramma’s verwacht ik dat er in 2026 een tussenrapportage verschijnt, en in 2028 een eindrapportage.
Ziet u mogelijkheden om, naar aanleiding van initiatieven zoals MBO Westland Start, meer sturing te geven aan de studiekeuzes van studenten, zodat studenten vaker terechtkomen in sectoren met een beter en duurzaam arbeidsperspectief?
Ik vind het belangrijk dat studenten kunnen kiezen voor wat past bij hun talenten en wat ze leuk vinden. Deze keuze moeten zij kunnen maken binnen een opleidingsaanbod dat aansluit op de behoefte van de toekomstige arbeidsmarkt, landelijk en regionaal. Zodat zij goede kansen hebben op de arbeidsmarkt, ook voor de langere termijn. Scholen en bedrijfsleven hebben gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor een passend aanbod in de regio. Deze verantwoordelijkheid moeten zij ook behouden. Maar ik zie dat er meer sturende landelijke regie of landelijke kaders nodig zijn, waarbinnen zij gezamenlijk tot afspraken kunnen komen in de regio. Daarom sluit ik samen met het onderwijs en bedrijfsleven een Pact Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is het ook van belang dat studenten arbeidsmarktinformatie meewegen in hun loopbaankeuzes. Hier speelt goede loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) een belangrijke rol in. Ik blijf de effecten van de investeringen in LOB volgen. Ook bekijk ik of, en voor wie, oriëntatieprogramma’s bijdragen aan het maken van duurzame studiekeuzes.
Bent u bekend met het recente onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en Maastricht Universiteit waaruit blijkt dat tienduizenden mensen met een diploma in de zorg of het onderwijs niet werkzaam zijn in het beroep waarvoor ze zijn opgeleid?1 2 3
Ja. Het krantenartikel behandelt een onderzoek waarover in februari 2024 gepubliceerd werd in ESB4 en waarover het Kamerlid De Kort (VVD) toen ook vragen stelde aan mij. Die zijn op 10 april beantwoord.5
Hoe verklaart u dat de «stille reserve» van, sinds 2000 afgestudeerden, gekwalificeerde docenten (62.000 personen) en verpleegkundigen (28.000 personen) aanzienlijk groter is dan de huidige tekorten in respectievelijk het onderwijs en de zorg?
Ik wil nogmaals benadrukken dat het belangrijk is en goed voor het onderwijs, dat mensen die voor het beroep leraar kiezen ook voor de klas willen blijven staan en hiertoe aangemoedigd worden. Datzelfde geldt voor de mensen die ervoor kiezen om als verpleegkundige aan de slag te gaan. Deze professionals moeten we koesteren zodat zij hun belangrijke werk in de zorg en het onderwijs kunnen en willen voortzetten.
Dat er toch sprake is van een stille reserve in beide sectoren heeft meerdere redenen: 1) waar iemand wil werken blijft een individuele keuze, de onderwijs- en zorgsector zijn daarin niet anders dan andere beroepssectoren. 2) Uit eerder onderzoek van OCW blijkt ook dat er een onderlinge wisselwerking is van stille reserve in de zorg en het onderwijs. 3) Daarnaast hebben we te maken met een krappe arbeidsmarkt waarin sectoren onderling veel concurreren. Met name de onderwijs- en zorgsector staan in een dergelijke krappe markt voor een grote uitdaging.
Voor het onderwijs geldt verder dat we ook tijdelijke verschuivingen zien waarin leraren tijdelijk iets anders gaan doen om vervolgens toch weer te kiezen voor het onderwijs. De praktijk wijst verder uit dat een groot deel van de stille reserve in het onderwijs en de zorg niet per se woont op de plaats waar ook de meeste behoefte is aan meer leerkrachten of verpleegkundigen.
Kunt u aangeven welke maatregelen u reeds heeft genomen of van plan bent te nemen om deze stille reserve te activeren en terug te laten keren naar hun oorspronkelijke beroep?
De Minister van VWS en ik willen de stille reserve inspireren om weer aan de slag te gaan, via het bredere arbeidsmarktbeleid dat wij voeren om de tekorten in de zorg en het onderwijs aan te pakken. Een goede en aantrekkelijke arbeidsmarkt voor de zorg- en onderwijssector heeft onze hoogte prioriteit. Het direct benaderen en/of aanschrijven van de stille reserve is AVG technisch niet mogelijk.6 Wel is een algemeen bericht naar de ABP deelnemers uitgegaan via de nieuwsbrief van het ABP. Dit waren interviews met gepensioneerden die doorwerken na AOW of zijn heringetreden in het onderwijs.7
Er zijn meerdere stappen gezet om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en daarmee ook de stille reserve aan te moedigen om weer te kiezen voor het onderwijs. Zo is geïnvesteerd in het verhogen van de salarissen van leraren waarmee de loonkloof tussen het po en vo is gedicht. Daarnaast is er geïnvesteerd in het verlichten van de werkdruk in het po en vo. Met de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) die in 2024 van start is gegaan, geven we een serieuze impuls aan de verdere professionalisering van leraren. Ook hebben we 21 januari de landelijke campagne «Werken met de Toekomst» gelanceerd om mensen enthousiast te maken voor een baan in het onderwijs: het is de plek waar je verschil kunt maken in de levens van kinderen, jongeren en jong-volwassenen. Over deze en andere maatregelen is de Kamer zeer recent ook nog geïnformeerd.8
Ook de Minister van VWS zet stappen om het werken in de zorg aantrekkelijk te maken. Daarvoor wordt ingezet langs drie lijnen, namelijk 1) het halveren van de administratietijd onder andere door de inzet van artificial intelligence, 2) de juiste inzet van medewerkers onder andere door arbitrage tussen zorgwetten waarbij de minste inzet van medewerkers uitgangspunt wordt en medisch technische zorginnovaties die arbeidsbesparend werken en 3) het vergroten van vakmanschap en werkplezier onder meer via een leidraad die werkgevers concrete handvatten biedt om hiermee aan de slag te gaan. Deze maatregelen moeten er gezamenlijk aan bijdragen dat de zorgvraag afneemt en het aantrekkelijk is en blijft om in de zorg te werken, ook voor mensen die tot de stille reserve behoren.
In het onderzoek wordt aangegeven dat veel mensen uit de stille reserve hun huidige werk aantrekkelijker vinden dan werken in de zorg of het onderwijs, onder meer vanwege een betere werk-privébalans en meer autonomie; wat doet u om de werkdruk in deze sectoren te verlichten en de autonomie van werknemers te vergroten?
Voor de aanpak van werkdruk zijn elk jaar werkdrukmiddelen beschikbaar voor po en vo. Scholen kunnen kiezen hoe zij de middelen inzetten. In opdracht van OCW wordt het proces en de effectiviteit van de werkdrukaanpak gemonitord. In december 2024 is de eindevaluatie opgeleverd.9 Dit rapport laat zien dat de werkdrukmiddelen lijken bij te dragen aan vermindering van de ervaren taakeisen en een toename van de regelmogelijkheden. Maar we zien ook dat het effect van de werkdrukmiddelen niet blijvend toeneemt en het gesprek over werkdruk minder vaak wordt gevoerd dan de eerste jaren na invoering van de werkdrukmiddelen. De komende maanden vinden met het onderwijsveld gesprekken plaats over het verlagen van werkdruk, de inzet van de werkdrukmiddelen en het vergroten van werkplezier, waarna beleidsopties worden uitgewerkt. De Kamer wordt hierover voor de zomer van ’25 geïnformeerd.
De mate van autonomie en professionele ruimte van leraren verschilt sterk per school. Een belangrijk instrument is het professioneel statuut waarin afspraken gemaakt worden over autonomie en de professionele ruimte tussen bestuur en onderwijsprofessionals. De Kamer is in de lerarenbrief geïnformeerd dat we binnenkort met een beleidsreactie komen op het onderzoek over het professioneel statuut.
Om de werkdruk in de zorg te verlichten wil de Minister van VWS in de eerste plaats de administratieve lasten verlagen en ervoor zorgen dat medewerkers op de juiste manier worden ingezet, onder meer met behulp van arbeidsbesparende technologie. Daarnaast wordt vanuit verschillende initiatieven ingezet op het bevorderen van professionele autonomie en zeggenschap van werknemers. Zo zijn er subsidiemiddelen beschikbaar om op instellingsniveau met zeggenschap aan de slag te gaan, om leermiddelen te ontwikkelen en activiteiten te organiseren om professionele autonomie te stimuleren10. Met de Monitor Zeggenschap wordt de formele en ervaren zeggenschap van professionals in kaart gebracht. De rapportage van de eerste her-meting en de bijhorende factsheet worden op korte termijn naar de Tweede Kamer verzonden. Deze informatie helpt werkgevers om gerichter zeggenschap en professionele autonomie in de zorg te kunnen verbeteren.
Bent u bereid samen te werken met werkgeversorganisaties om flexibele werktijden en andere maatregelen, zoals het beperken van nachtdiensten, te stimuleren, zodat met name vrouwen met zorgtaken makkelijker kunnen terugkeren naar de zorg?
De gezondheidszorg gaat 24 uur per dag en 7 dagen per week door, waardoor veel werk geen 9-tot-5 is. Ook in de nacht hebben we medewerkers nodig die klaarstaan om zorgvragen te vervullen. Gelukkig zijn er veel mensen die ook (of juist) op deze «afwijkende» werktijden willen werken. Tegelijkertijd zullen er mensen zijn met andere voorkeuren voor werktijden, omdat die bijvoorbeeld beter te combineren zijn met zorgtaken of andere verplichtingen in het privéleven. Op dit moment is het door het Arbeidstijdenbesluit niet altijd mogelijk voor werkgevers in de zorg om in de grote diversiteit van wensen en voorkeuren van medewerkers te voorzien. De wet- en regelgeving hieromtrent ligt op het beleidsterrein van de Minister van SZW. De Minister van VWS vindt het een interessant idee en gaat daarom, in navolging van de motie-Tielen11 die hier ook op ziet, in overleg met het Ministerie van SZW en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de zorg na of flexibilisering van de arbeidstijdenregelgeving op dit punt wenselijk en haalbaar is.
Eerder onderzoek wees uit dat starters in het onderwijs vaak uitvallen door gebrek aan goede begeleiding; wat doet u om te zorgen dat alle scholen een degelijk inwerkprogramma voor nieuwe docenten hebben?
Goede begeleiding is essentieel, en dat geldt ook voor loopbaanontwikkeling. Begeleiding krijgt in de cao’s gelukkig al meer aandacht en geld. Daarnaast zien we dat dat steeds meer starters worden begeleid. De begeleiding van de startende leraren ligt op ongeveer 90% in po en vo en 77% in het mbo.
De afgelopen jaren is er gewerkt aan een helderder structuur tussen scholen, opleidingen en leraren voor betere kwaliteit van de begeleiding van starters. Daarnaast worden er in de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren verschillende ontwikkelpaden gerealiseerd. Dit betekent in het begin van je carrière dat je bijvoorbeeld van start- naar vakbekwaam kan komen. Daarnaast kan een ervaren leraar een loopbaanpad kiezen waarin begeleiding van beginnende leraren een belangrijk onderdeel is. De verschillende loopbaanpaden helpen bij duidelijkere kwalitatieve kaders voor de begeleiding van startende leraren en ervaren docenten.
Heeft u zicht op de financiële en praktische haalbaarheid van een nationaal actieplan om de stille reserve te mobiliseren? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de stappen die u op dit gebied heeft gezet of gaat zetten?
De Minister van VWS en ik zetten in op een breed spectrum aan maatregelen om het werk in zorg en welzijn en het onderwijs aantrekkelijker te maken voor iedereen – inclusief de stille reserve. Zie ook de beantwoording van vraag 3 met de maatregelen die wij hiervoor nemen.
Hoe kan de overheid bijdragen aan een cultuurverandering binnen de zorg- en onderwijssectoren, zodat medewerkers meer waardering en ondersteuning ervaren, met als doel zowel uitstroom te beperken als herintreders te werven?
Langs verschillende lijnen is er inzet op beleid dat er aan bijdraagt dat het onderwijs een prettige plek is om als professional te werken. Zo beperken we de uitstroom van leraren en vergroten we de instroom van herintreders. In het funderend onderwijs wordt dit bijvoorbeeld gedaan met financiële middelen voor strategisch personeelsbeleid en een inspiratiebundel voor scholen over dit onderwerp. In aanvulling daarop wordt gewerkt aan het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid. Doelstelling van het wetsvoorstel is het bevorderen van professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid van onderwijsprofessionals. Op deze manier zou onderwijspersoneel ook meer waardering en ondersteuning kunnen ervaren. Strategisch personeelsbeleid geeft invulling aan goed werkgeverschap en kan daarmee helpen de personeelstekorten in de sector te verminderen. Het streven is dat het wetsvoorstel voor de zomer van 2025 naar de Raad van State gaat. Met de onlangs gepresenteerde lerarencampagne (zie beantwoording vraag 3) benadrukken we ook nogmaals het belang en de waardering voor het werk van leraren.
Ook in de zorg is er veel aandacht voor het aantrekkelijker maken van het werken in zorg en welzijn. De Minister van VWS zet via ondersteuning van het Preventieplan voor medewerkers in zorg en welzijn in op het tegengaan van ongewenste uitstroom. Dit is een aanpak die ervoor zorgt dat werkgevers het verzuim en verloop in hun organisatie terugdringen door sámen met hun medewerkers te kijken naar oorzaken van hiervan en wat er daadwerkelijk nodig is om mensen gezond aan het werk te houden12. Een gezond en veilig werk- en leerklimaat, een leidinggevende die de werknemer in zijn of haar kracht zet en waardering uit en het betrekken van medewerkers in de besluitvorming zijn belangrijke elementen die in de eerste fase van het Preventieplan naar voren zijn komen. De Minister van VWS is van plan om samen met de initiatiefnemers de bevindingen zo breed mogelijk te verspreiden. Ook is de Minister van VWS voornemens om de aanpak van het Preventieplan op te nemen op het platform dat zij dit voorjaar tijdens een zorgtop zal lanceren. Op dit platform komen effectieve initiatieven die een bijdrage kunnen leveren aan het sverminderen van het arbeidsmarkttekort in de zorg. Dit levend platform zal voortdurend in ontwikkeling blijven en meebewegen met de tijd. Daarmee levert het naar verwachting ook een bijdrage aan de cultuurverandering in de zorgsector.
Het bericht 'Op veel scholen wordt gehandeld in vuurwerk, inclusief cobra's en nitraten' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Op veel scholen wordt gehandeld in vuurwerk, inclusief cobra's en nitraten»1?
Ja.
Deelt u de schok en verbazing over het nieuws dat op scholen zwaar en levensgevaarlijk illegaal vuurwerk wordt verhandeld? Betreft het hier alleen instellingen voor voortgezet onderwijs of ook andere onderwijsinstellingen?
Vuurwerk op school, zeker dit soort vuurwerk, bedreigt de veiligheid van andere leerlingen en onderwijspersoneel. Dat vind ik ernstig, want dat schaadt het recht dat leerlingen en personeel hebben op een veilige leeromgeving.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft, naast signalen van vuurwerkgerelateerde incidenten in het voortgezet onderwijs, ook enkele signalen daarvan in het primair onderwijs.
Klopt het dat er nu geen landelijke uniforme richtlijnen zijn voor onderwijsinstellingen over hoe om te gaan met de handel in illegaal vuurwerk op en rondom hun terrein? Is een dergelijke landelijke richtlijn wat u betreft van toegevoegde waarde? Kunnen instellingen wat u betreft lessen trekken uit de aanpak van drugshandel op scholen?
Er zijn algemene landelijke richtlijnen. Er zijn in Nederland namelijk wettelijke regels ten aanzien van de handel in legaal en illegaal vuurwerk, opslag en verkoop. De vormen van vuurwerk (zoals cobra’s) uit dit artikel zijn illegaal en het bezit en afsteken hiervan is strafbaar. Er ligt een belangrijke taak voor ouders en verzorgers om te voorkomen dat jongeren illegaal vuurwerk in hun bezit krijgen, verhandelen of afsteken. Ook als ouder moet je een goed voorbeeld geven aan je kinderen. Het inkopen, verhandelen of afsteken van illegaal of zwaar vuurwerk is hier geen onderdeel van.
Daarnaast hebben scholen een zorgplicht voor de veiligheid op school. Wanneer er (illegaal) vuurwerk op school wordt verhandeld, dient de school actie te ondernemen. Waar nodig doet de school dit in samenwerking met ouders, politie, gemeente en andere lokale partners. Want ook deze partijen hebben een belangrijke rol in het voorkomen en oplossen van dergelijke incidenten. Dat zal echter niet voorkomen dat er nooit een veiligheidsincident plaatsvindt.
Om scholen te helpen bij het tegengaan van bezit van en handel in illegaal vuurwerk heeft Stichting School & Veiligheid een handreiking gepubliceerd waarin wordt ingegaan op de stappen die een school kan zetten.2 In 2025 zullen er daarnaast, naar aanleiding van een motie van het lid de Kort (VVD), gesprekken plaatsvinden met het onderwijsveld, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en Stichting School & Veiligheid over de mogelijkheden om het handelingsperspectief van scholen op het gebied van kluisjescontroles te vergroten.3 Ook voert Stichting School & Veiligheid, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning uit naar de ondersteuningsbehoefte van scholen op het gebied van agressie en criminaliteit.
Is bij u bekend of onderwijsinstellingen onderling best practices uitwisselen over de aanpak van handel van illegaal vuurwerk? Ziet u hier een effectieve aanpak die landelijk uitgerold zou kunnen worden?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden tot het beter aanpakken van het bezit en de handel van illegaal vuurwerk op school ziet u in het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs, dat binnenkort naar de Kamer komt?
Ik zie hier verschillende mogelijkheden toe. Het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs bevat maatregelen waarmee scholen en de inspectiescherper zicht krijgen op de veiligheid op school. Daaronder valt onder andere het introduceren van een monitoringsverplichting voor de veiligheid van het personeel, een incidentenregistratie voor veiligheidsincidenten en een meldplicht voor ernstige incidenten bij de inspectie. De handel of het afsteken van (zware en illegale vormen van) vuurwerk zal in de meeste gevallen geregistreerd worden en afhankelijk van het ernst ook gemeld worden bij de inspectie. Daardoor is er scherper zicht op school en heeft ook de inspectie sneller zicht op dit soort incidenten. Ook ziet het wetsvoorstel op een zorgvuldige jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid waarbij lering kan worden getrokken uit veiligheidsincidenten die hebben plaatsgevonden. Het wetsvoorstel is recentelijk verzonden naar de Raad van State en zal naar verwachting in Q2 van 2025 naar uw Kamer gestuurd worden.
Hoe wordt bewustwording onder jongeren over de gevaren van illegaal vuurwerk op dit moment vormgegeven? Wordt daar ook stilgestaan bij de gevaren van het opslaan of verstoppen van dit vuurwerk?
Scholen besteden op verschillende manieren aandacht aan de gevaren van illegaal vuurwerk. Zo geeft Halt jaarlijks zo’n duizend voorlichtingen «Veilig oud en nieuw» op scholen. Daarbij wordt ingegaan op de gevolgen die het bezit van vuurwerk heeft op anderen en henzelf. Ook wordt door (wijk-)agenten of door de brandweer voorlichting gegeven. Daarnaast wordt er door VeiligheidNL een (gratis) lespakket aangeboden aan scholen (4vuurwerkveilig). Het lespakket maakt leerlingen van groep 7 en 8 bewust van de gevaren van vuurwerk en geeft vuurwerktips om veilig oud en nieuw te vieren. Ik vind het goed dat veel scholen hier, samen met partners, bewust mee bezig zijn. Scholen kunnen dit echter niet alleen. Ouders, politie, gemeente en media hebben samen met de school een rol in het voorlichten over en waar nodig handelen tegen het bezit, de handel of het gebruik van illegaal vuurwerk.
Het bericht 'Een derde van de schoolbestuurders laat zich maximaal belonen' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Een derde van de schoolbestuurders laat zich maximaal belonen»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel schoolbestuurders worden beloond tot vlak onder het wettelijke maximum van de Wet normering topinkomens en hoe beoordeelt u voorts dat in 51 gevallen de maximale norm werd overgeschreden?
Ik vind het belangrijk dat er zuinig wordt omgegaan met onderwijsgeld en dat bestuurders niet bovenmatig worden betaald. We hebben daarom ook een wet om dit te regelen. De WNT bevat voor het onderwijs verlaagde maxima die gebaseerd zijn op een uitgebalanceerde systematiek, waarbij een lager maximum geldt als de onderwijsinstelling wat aansturing en besturing betreft minder complex is.2 Onder dit maximum heeft de Raad van Toezicht (RvT) zelf de verantwoordelijkheid om de bezoldiging van de bestuurders vast te stellen. Dit mag vlak onder het toepasselijk maximum zijn. Ik ga ervanuit dat de RvT hierin een zorgvuldige afweging maakt. Consequentie van een bezoldiging op of vlak onder het maximum is echter wel dat de instelling voortdurend alert moet zijn op het niet overschrijden van het maximum.
Op basis van de gegeven motiveringen voor overschrijdingen zie ik dat er in de genoemde gevallen sprake is van zogenaamde «optische overschrijdingen». Dit zijn bijvoorbeeld nabetalingen van vakantiegeld of andere kosten die aan een eerder kalenderjaar toegerekend kunnen worden. In dat geval is dat volgens de wet, onder voorwaarden, toegestaan. Indien er wel sprake is van een overtreding dan kan de Inspectie van het Onderwijs handhavend optreden.
Klopt het dat er sinds 2022 een cao voor schoolbestuurders in het funderend onderwijs geldt en is u bekend welk effect dit heeft gehad op de salarissen van schoolbestuurders in het funderend onderwijs?
Het klopt dat er sinds 2022 een cao voor schoolbestuurders in het funderend onderwijs is. Voor die tijd waren er twee aparte bestuurderscao’s voor het po en het vo. De bestuurderscao vo is in 2011 in werking getreden en de bestuurderscao po in 2013. Omdat de bestuurderscao’s en de WNT in dezelfde periode in werking zijn getreden en er in deze periode ook andere ontwikkelingen zijn geweest, is er geen causale relatie vast te stellen tussen de inwerkingtreding van de bestuurderscao’s en de ontwikkeling van de bezoldiging van bestuurders.
Sinds invoering van de WNT en cao’s zien we dat het aandeel bestuurders met een bezoldiging boven het individueel toepasselijk maximum van de WNT is afgenomen. Tegelijkertijd is het aandeel bestuurders met een bezoldiging tussen 80–100% van het toepasselijk maximum toegenomen. De bezoldigingen van bestuurders in het funderend onderwijs lopen hierdoor minder uiteen dan daarvoor.
Trad deze cao, toen deze werd afgesloten, direct in werking voor alle schoolbestuurders in het funderend onderwijs of pas na het afsluiten van nieuwe arbeidscontracten?
De cao bestuurders funderend onderwijs hanteert een overgangsrecht dat vergelijkbaar is met het overgangsrecht van de WNT. In de meeste gevallen zal de bezoldiging gedurende vier jaar in stand gehouden mogen worden, waarna deze in drie jaar afgebouwd moet worden tot het voor de bestuurder geldende maximum volgens de cao.
In het geval dat de bestuurder de bezoldiging volgens de WNT al eerder moet verlagen, dan is de WNT leidend ten opzichte van de cao.
Kunt u aangeven wie bepaalt hoeveel salaris een bestuurder krijgt en wie toeziet of een schoolbestuurder hier ook daadwerkelijk recht op heeft?
De RvT bepaalt de bezoldiging van een bestuurder en zorgt daarbij voor naleving van de WNT. De RvT houdt daarbij rekening met de zwaarte van de functie en individuele kenmerken van de bestuurder en kan bij de bepaling van de bezoldiging gebruikmaken van de Handreiking Remuneratiebeleid uit de cao voor bestuurders funderend onderwijs. Deze handreiking biedt de RvT handvatten bij het bepalen van een passende bezoldiging.
De accountant (eerstelijns) en Inspectie van het Onderwijs (tweedelijns) zien toe of de bezoldiging voldoet aan de WNT. Indien de bezoldiging het WNT-maximum overschrijdt kan de Inspectie van het Onderwijs handhavend optreden.
Klopt het dat het salaris van schoolbestuurders wordt betaald vanuit de lumpsumpvergoeding en klopt het voorts dat hieruit ook leermiddelen, onderhouds- en schoonmaakkosten moeten worden betaald?
Ja, dat klopt.
Is het mogelijk dat het uitbetalen van een maximale beloning aan een schoolbestuurder ten koste gaat van investeringen in deze andere middelen en deelt u de mening dat dat onwenselijk is?
Ik vind het belangrijk dat middelen goed landen in de klas. Ik ga ervanuit dat de RvT een gedegen afweging maakt bij het vaststellen van de bezoldiging van de bestuurder. In het Regeerprogramma is het voornemen aangekondigd om een norm in te voeren voor de hoeveelheid middelen voor het primaire proces. Op deze manier moet het transparanter worden in welke mate middelen in de klas landen en kan daar binnen de schoolorganisatie ook het goede gesprek over worden gevoerd.
Kunt u aangeven of nevenfuncties inmiddels deel uitmaken van de publieke bezoldigingsnorm van de Wet normering topinkomens en hoe is dat vormgegeven?
De WNT maximeert de totale bezoldiging als iemand bestuursfuncties bij meerdere WNT-instellingen vervult. Dit is de anticumulatiebepaling, die sinds 2018 van toepassing is. Deze maximering geldt niet als een topfunctionaris een functie als leidinggevende topfunctionaris (in dienstbetrekking) combineert met een functie als toezichthouder bij een andere WNT-instelling of een nevenfunctie bij een instelling die niet onder de WNT valt.
In antwoord op vragen van leden Westerveld/Bromet3 (GroenLinks/PvdA) heeft voormalig Minister van Binnenlandse Zaken aangegeven de voor- en tegens van het verder aanscherpen van de anticumulatiebepaling naar toezichthoudende topfuncties bij WNT-instellingen uit te laten zoeken4. Deze informatie zal door de Minister van BZK met uw Kamer worden gedeeld als onderdeel van het aangekondigde wetgevingstraject naar aanleiding van de tweede evaluatie van de WNT.
Bent u het ermee eens dat schoolbestuurders onder de wettelijke norm van het beloningsplafond moeten blijven en hoe voorkomt u dat zij hier door het nemen van zogeheten geitenpaadjes de norm overschrijden?
De wettelijke norm is er niet voor niets, en ik vind het belangrijk dat de bezoldiging van bestuurders onder het maximum blijft. Uit het artikel blijkt ook dat schoolbestuurders zich aan de WNT houden. Er is hier dus geen sprake van zogeheten geitenpaadjes om de WNT te ontlopen.
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarin nadere eisen worden gesteld aan het bestuur en intern toezicht dat naar verwachting in de eerste helft van 2025 in internetconsultatie gaat. Daarin stel ik aanvullende eisen aan het bestuur en intern toezicht in het funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de kwaliteit van onderwijsbesturen en intern toezicht te verhogen. Ook worden hier nadere integriteitseisen in vastgelegd. Deze eisen worden nog nader uitgewerkt. Dit wetsvoorstel ziet echter niet op de bezoldiging van bestuurders, omdat deze al via de WNT wetgeving geregeld is.
De uitzending ‘Werkt een online cursus tot BHV’er?’ |
|
Bart van Kent |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Wat is uw reactie op de Radar-uitzending «Werkt een online cursus tot BHV’er?»1, van 4 november jongstleden?
De Radar-uitzending gaat over bedrijfshulpverleners (BHV’ers) die als opleiding uitsluitend een online cursus hebben doorlopen, zonder te oefenen in de praktijk. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) zijn werkgevers verantwoordelijk voor de veiligheid van hun personeel en daarmee de organisatie van de bedrijfshulpverlening. BHV’ers moeten beschikken over een zodanige opleiding en uitrusting, zodanig in aantal zijn en zodanig georganiseerd dat zij hun taken naar behoren kunnen vervullen2. Deze taken betreffen in elk geval het verlenen van eerste hulp bij ongevallen, brandbescherming en de evacuatie van werknemers en andere aanwezige personen.
De precieze taken, en daarmee de noodzakelijke opleiding en uitrusting, van BHV’ers kunnen per sector en werkgever verschillen. Denk aan het verschil tussen kantoorpanden en bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen of machines. Het is niet goed mogelijk al die verschillen te ondervangen in de Arbowet. Het is daarom aan de sectoren om afspraken te maken over de specifieke opleiding en uitrusting van BHV’ers, die aansluiten bij de eigen praktijk. Dit kunnen zij vastleggen in arbocatalogi. Daarbij kunnen sectoren en werkgevers BHV-opleiding-certificeringsbureaus zoals het NIBHV (Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening), KIWA of soortgelijke instanties betrekken. Naar aanleiding van de signalen roep ik sectoren op dit te doen. Gezien de genoemde taken lijkt het in zijn algemeenheid voor de hand te liggen dat de opleiding van BHV’ers ook praktijkervaring bevat. Daarbij wijs ik erop dat de NRR (Nederlandse Reanimatie Raad), het Rode Kruis en het Oranje Kruis geen reanimatiecertificaat afgeven wanneer de deelnemer niet in de praktijk gedemonstreerd heeft te kunnen reanimeren. Wanneer een BHV’er niet in staat is om hulp te verlenen en dit probleem niet onmiddellijk door andere BHV’ers kan worden opgelost, kan het zijn dat niet is voldaan aan de Arbowet en de werkgever nalatig is geweest.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder op de Arbowet. Zij werkt meldingsgericht en risicogestuurd. Bij het constateren van een overtreding kan vanuit de bestaande wetgeving worden gehandhaafd.
Bent u van mening dat een online cursus van 75 minuten voldoende is voor een werknemer om als bedrijfshulpverlener (BHV’er) te functioneren?
Op grond van de Arbowet dient een BHV’er een zodanige opleiding te krijgen dat deze naar behoren zijn of haar taken in de praktijk kan vervullen. De werkgever is hiervoor verantwoordelijk. Gezien de genoemde taken lijkt het echter in zijn algemeenheid voor de hand liggen dat de opleiding van BHV’ers ook praktijkervaring bevat. Wanneer een BHV’er niet in staat is om hulp te verlenen en dit probleem niet onmiddellijk door andere BHV’ers kan worden opgelost, kan het zijn dat niet is voldaan aan de Arbowet en de werkgever nalatig is geweest. De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder op de Arbowet.
Zij werkt meldingsgericht en risicogestuurd. Bij het constateren van een overtreding kan vanuit de bestaande wetgeving worden gehandhaafd.
Is een werknemer die alleen een online cursus heeft gevolgd in staat om zijn/haar collega’s te reanimeren? Zo niet, welke vaardigheden moet hij/zij dan hebben, en deelt u de mening dat de wet goed moet regelen dat werknemers die vaardigheden beheersen?
De NRR (Nederlandse Reanimatie Raad) en het Rode Kruis en Oranje Kruis geven geen reanimatiecertificaat af wanneer de deelnemer niet in de praktijk gedemonstreerd heeft te kunnen reanimeren.
Conform de Arbowet moet een BHV’er bijstand kunnen verlenen in de vorm van het verlenen van eerste hulp bij ongevallen, het beperken en het bestrijden van brand, het beperken van de gevolgen van ongevallen en het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het bedrijf of de inrichting. Rekening houdend met deze taken van de BHV’er kan worden gedacht aan het bezitten van een geldig EHBO-diploma, kennis over en ervaring met brandbestrijdingstechnieken en brandbestrijdingsvoorschriften en kennis over en ervaring met ontruimingstechnieken en ontruimingsvoorschriften.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 kunnen de precieze taken, en daarmee de noodzakelijke opleiding en uitrusting, van BHV’ers per sector en werkgever verschillen. Het is daarom niet goed mogelijk deze verschillen te ondervangen in de Arbowet. Gezien de genoemde taken lijkt het echter in zijn algemeenheid voor de hand te liggen dat de opleiding van BHV’ers ook praktijkervaring bevat. Wanneer een BHV’er niet in staat is om hulp te verlenen en dit probleem niet onmiddellijk door andere BHV’ers kan worden opgelost, kan het zijn dat niet is voldaan aan de Arbowet en de werkgever nalatig is geweest.
Welke verantwoordelijkheden hebben werkgevers als er tijdens een ongeval blijkt dat een BHV’er niet in staat is om hulp te verlenen, zoals bij het blussen van branden en reanimeren? Welke consequenties worden daaraan verbonden?
Conform de Arbowet zijn werkgevers verantwoordelijk voor de veiligheid van hun personeel en daarmee voor de organisatie van de bedrijfshulpverlening. Wanneer een BHV’er niet in staat is om hulp te verlenen en dit probleem niet onmiddellijk door andere BHV’ers kan worden opgelost, kan het zijn dat niet is voldaan aan de Arbowet en de werkgever hierin nalatig is geweest. De Arbeidsinspectie is toezichthouder op de Arbowet. Zij werkt meldingsgericht en risicogestuurd. Als een overtreding wordt geconstateerd, kan de Arbeidsinspectie vanuit de bestaande wetgeving handhaven.
Kunt u zo snel mogelijk een wetswijziging van de Arbowet indienen om te verplichten dat werknemers op de werkplaats geoefend moeten hebben om BHV’er te zijn, en minstens eens per jaar deze oefeningen moeten herhalen?
Er is geen wijziging in de Arbowet noodzakelijk. Volgens de Arbowet dienen BHV’ers te beschikken over een zodanige opleiding en uitrusting dat zij de taken naar behoren kunnen vervullen. De werkgever is verantwoordelijk om dit in te vullen.
Gaat u verdere maatregelen nemen en in gesprek met de sector? Zo ja, op welke termijn krijgt de Kamer te horen wat u gaat doen?
De taken van een BHV-er, en daarmee de noodzakelijke opleiding en uitrusting, kunnen per sector verschillen. Het is niet goed mogelijk om al die verschillen te ondervangen in de Arbowet. Het is daarom aan de sectoren zelf om nadere afspraken over specifieke opleiding en uitrusting te maken die aansluiten bij de praktijk. Ik roep de sectoren op om BHV-opleiding-certificeringsbureaus zoals het NIBHV (Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening), KIWA of soortgelijke instanties hierbij te betrekken.
Is er sprake van een reductie van het aantal EHBO’ers sinds de invoering van de BHV in 1997? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad op de veiligheid en de kwaliteit van spoedeisende hulp?
Het Rode Kruis en het CBS hebben geen exacte gegevens over de aantallen EHBO-ers in de gevraagde periode. Het Rode Kruis heeft met enquêtes de afgelopen twee jaar een schatting gemaakt van het aantal mensen met een geldig EHBO-diploma. In 2023 was de schatting op basis van deze enquêtes dat 21% van de Nederlanders in het bezit was van een geldig EHBO-certificaat. In 2024 was dit percentage gedaald naar 17%, maar op basis van deze beperkte gegevens kan niet worden vastgesteld of hier sprake is van een trend. Uit onderzoek bleek dat het merendeel van de mensen met een EHBO-diploma deze behaald heeft in het kader van een BHV-training op kosten of verzoek van de werkgever.
Het bericht 'Inspectie bezoekt al jaren veel minder basisscholen dan aan Kamer is beloofd' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Inspectie bezoekt al jaren veel minder basisscholen dan aan Kamer is beloofd»1?
Ja.
Klopt het dat er in 2007 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat alle basisscholen iedere vier jaar bezocht zouden worden en klopt het dat aan deze toezegging niet is voldaan, omdat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) de registratie niet op orde had, en dat één derde van de basisscholen niet is bezocht?
Het klopt dat in 2007 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat alle basisscholen iedere vier jaar bezocht zouden worden en dat aan deze toezegging niet voldaan. Dat betreuren wij. Wij zijn voornemens een onafhankelijk en extern onderzoek te laten verrichten naar de rapportages over de bezoeken van de inspectie aan scholen in het funderend onderwijs. Wij zijn momenteel met de Auditdienst Rijk (ADR) in gesprek over dit verzoek en de mogelijkheden voor een spoedige start. Uw Kamer zal hierover in de Voortgangsbrief toezicht van medio december nader worden geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het bezoeken van scholen een wezenlijk onderdeel is van de werkzaamheden van de inspectie?
Ja.
Is bij u bekend waarom de inspectie de registratie niet of onvoldoende op orde had?
De inspectie heeft in haar nota die als bijlage bij onze Kamerbrief2 van 31 oktober jl. was gevoegd enkele redenen genoemd hoe dit heeft kunnen gebeuren. Zoals bij vraag 2 al aangekondigd is de ADR gevraagd om onafhankelijk en extern onderzoek te doen. Uw Kamer zal over dit onderzoek nog nader worden geïnformeerd.
Klopt het dat u zich vanwege deze ontbrekende registratie heeft gebaseerd op onvolledige informatie?
Zoals in de antwoord op de vragen 2 en 4 al aangegeven zijn wij in gesprek met de ADR over een onderzoek naar de rapportages over de bezoeken van de inspectie in het funderend onderwijs. Pas als deze uitkomsten bekend zijn weten wij welke gevolgen dit eventueel heeft gehad. Uw Kamer zal over dit onderzoek nog nader worden geïnformeerd.
Kunt u schetsen of er beslissingen dan wel keuzes gemaakt zijn die gebaseerd zijn op de onvolledige informatie die de inspectie in haar rapportages naar u heeft verzonden? Zo ja, kunt u toelichten welke?
Wij vinden het belangrijk dat eerst het onderzoek zoals genoemd onder vragen 2, 4 en 5 plaatsvindt. Vervolgens kunnen wij op basis van dit onderzoek deze vraag zorgvuldig beantwoorden.
Kunt u aangeven of de registratie bij de inspectie inmiddels wel op orde is en zo nee, wat gaat u eraan doen om dit zo snel mogelijk op orde te krijgen?
De inspectie spant zich doorlopend in om de kwaliteit en volledigheid van de registratie van haar toezichtactiviteiten te verbeteren. Dit zal de komende periode worden geïntensiveerd. De inspectie zal een verbeterplan toezichtregistratie opstellen, waarvan zij de uitkomst door een onafhankelijk bureau zal laten valideren. Deze verbeterslag moet ertoe leiden dat de inspectie zich te allen tijde volledig kan verantwoorden over haar activiteiten. Daarbij zal de inspectie steeds helder zijn over wat er met de beschikbare capaciteit wel en niet mogelijk is.
Deelt u de mening dat het plegen van onverwachte bezoeken door de inspectie scholen de kans biedt hun inzet voor goed onderwijs, onder andere op basisvaardigheden- en burgerschapsonderwijs, te demonstreren?
Scholen hebben bij bezoeken door de inspectie in principe altijd de kans om hun inzet voor goed onderwijs te laten zien. Dit geldt niet specifiek of alleen bij onverwachte (onaangekondigde) bezoeken. De inspectie voert een groot aantal activiteiten uit waarbij scholen worden bezocht. Hierbij valt te denken aan herstelonderzoeken, verificatie-activiteiten bij scholen in het kader van bestuursonderzoek en bezoeken aan scholen in het kader van stelselonderzoek. Daarnaast is de inspectie vanaf 2021 meer gaan inzetten op kwaliteitsonderzoeken, zowel risicogericht (risicokwaliteitsondezoeken) als steekproefsgewijs (steekproefkwaliteitonderzoeken). De inspectie heeft een verkenning gedaan naar de vraag hoe onaangekondigde toezichtsactiviteiten het toezicht van de inspectie kunnen versterken. Uw Kamer ontvangt deze verkenning binnenkort, samen met de reactie van de OCW-bewindspersonen daarop.
Kunt u schetsen wat de stand van zaken is van het plegen van onverwachte bezoeken, mede omdat de Kamer in 2023 heeft aangedrongen op meer onaangekondigde bezoeken?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat het budget van de inspectie de afgelopen jaren is gegroeid met € 15,5 miljoen in 2022 en € 13,9 miljoen in 2023?
In de Kamerbrief toezicht van november 20223 is opgenomen dat het kabinet jaarlijks ca. € 15,5 mln. extra in de inspectie investeert, wat grotendeels beschikbaar is voor het aannemen van extra mensen. Toen is ook verwoord dat deze uitbreiding gefaseerd gaat en een ambitieuze opgave is, gezien de huidige arbeidsmarkt. In 2022 zijn de totale uitgaven van de inspectie met € 7,5 miljoen gestegen, in 2023 was de stijging € 13,9 miljoen. Het grootste deel van het extra geld is gegaan naar het aannemen van extra personeel om meer onderzoeken op scholen uit te kunnen voeren. Ook zit in dit bedrag de reguliere loon- en prijsontwikkeling verdisconteerd.
Klopt het voorts dat een deel van de extra middelen naar het programma Versterking Toezicht is gegaan en heeft u inzicht in de besteding hiervan, zeker in het licht van het achterblijven van het aantal toegezegde schoolbezoeken?
Het klopt dat er extra middelen naar de inspectie zijn gegaan voor het programma Versterking Toezicht. Het grootste deel van het extra geld is gegaan naar het aannemen van extra personeel om de grotere aantallen risico-kwaliteitsonderzoeken op scholen en ook de (nieuwe) steekproef-kwaliteitsonderzoeken op scholen te kunnen uitvoeren.
In hoeverre klopt de informatie die volgt uit de door de inspectie uitgevoerde steekproef dat er circa duizend basisscholen in Nederland zijn die de onderwijskwaliteit niet op orde hebben, maar hier zelf niet van op de hoogte zijn en hoe gaat u de inspectie aansporen deze scholen zo snel mogelijk in beeld te brengen en te adviseren?
Vanaf augustus 2023 is de inspectie – naast het risico-kwaliteitsonderzoek dat zij al deed op scholen – met steekproefkwaliteitsonderzoek gericht en diepgaand naar de kwaliteit van scholen gaan kijken. Iets meer dan 20% van de 225 in 2023 in de steekproef onderzochte scholen werd beoordeeld met een onvoldoende. Het gaat dus om een steekproef onder een relatief beperkt aantal scholen, maar de resultaten baren wel zorgen. Als de 20% wordt geëxtrapoleerd is de uitkomst inderdaad een aantal scholen in de orde van grootte van 1.000. Van besturen en scholen mag in beginsel worden verwacht dat zij zelf zicht hebben op de eigen onderwijskwaliteit en de tekortkomingen daarin en dat zij werken aan verbetering. De inspectie heeft met de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse goed zicht op de scholen met risico’s en zet de beschikbare capaciteit daar in waar dat het meest nodig is. De uitkomsten van de steekproefkwaliteitsonderzoeken zijn daarbij behulpzaam, omdat ze een goed beeld geven van waar aandacht aan moet worden besteed en hoe dat het beste kan gebeuren. De inspectie gaat de uitkomsten van de steekproefkwaliteitsonderzoeken ook gebruiken om de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse te valideren en aan te scherpen. De inspectie zal ons informeren over deze validatie en aanscherping van de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse.
Deelt u de mening dat onderwijsprestaties en -kwaliteit prevaleren boven een eventuele «toezichtslast» voor onderwijsbestuurders en leerkrachten en hoe beoordeelt u in dat licht de notie van de inspectie dat zij scholen geen onnodige druk wenst te bezorgen?
Het is van belang dat de inspectie vooral daar is waar dat nodig is. In die gevallen zijn de toezichtlast en de druk die daarmee gepaard gaat op hun plaats. In die gevallen prevaleert dus ook het belang van kwaliteitsverbetering boven het beperken van de toezichtlast. Wel houdt de inspectie zicht op alle scholen en op het landelijke beeld van de onderwijskwaliteit. Dit doet de inspectie via de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse bij alle scholen, de steekproef-kwaliteitsonderzoeken op scholen en via stelselonderzoek.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de inspectie alle scholen periodiek gaat bezoeken, conform de wens van de Kamer?
De inspectie houdt zicht op de onderwijskwaliteit op alle scholen via de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse. De inspectie heeft met een mix van toezichtactiviteiten goed zicht op de onderwijskwaliteit op de scholen in Nederland en is vooral daar waar dat nodig is. Dit is de kern van het huidige toezicht, niet het met een bepaalde periodiciteit bezoeken van alle scholen. Het toezicht van de inspectie is altijd in beweging, nieuwe ontwikkelingen en ideeën neemt de inspectie mee in de toezichtontwikkeling. Een aspect daarvan is dat de inspectie met de uitkomsten van het steekproef-kwaliteitsonderzoek dat sinds augustus 2023 plaatsvindt de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse gaat valideren en aanscherpen. Verder ontwikkelt de inspectie momenteel een nieuw onderzoekskader. De beoogde ingangsdatum is 1 augustus 2027. Bij de totstandkoming van dit onderzoekskader neemt de inspectie de lessen uit het verleden mee en vooral ook inzichten over wat effectief is in het toezicht. Over de ontwikkeling van dit kader is ons departement regelmatig in gesprek met de inspectie. In het voorjaar van 2026 zullen wij u informeren over de contouren van het nieuwe kader voor 2027, en de definitieve onderzoekskaders worden na vaststelling door ons aan de Staten-Generaal aangeboden.
Het bericht ‘Niet-rendabele talenstudies verdwijnen, want studenten doen liever een brede bachelor’ |
|
Claudia van Zanten (BBB), Rosanne Hertzberger (VVD), Chris Stoffer (SGP) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Niet-rendabele talenstudies verdwijnen, want studenten doen liever een brede bachelor»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Wat is uw reactie op de constatering dat op verschillende plaatsen tegelijk kleine talenstudies geschrapt gaan worden die voor de Nederlandse samenleving, het onderwijs, de economie en onze internationale positie van wezenlijk belang zijn?
Recent hebben Universiteit Leiden (UL) en Universiteit Utrecht (UU) hun plannen bekendgemaakt tot wijzigingen in het opleidingsaanbod binnen het talen- en cultuurdomein. Ik begrijp de zorgen naar aanleiding van deze berichten. De zorgen zijn het grootst voor het onderwijs in Frans en Duits in verband met de schoolvakken Frans en Duits op het voortgezet onderwijs.
De genoemde talenopleidingen kennen reeds decennialang een daling van de instroom. Ondanks de vele inspanningen van de sector lukt het niet om dit tij te keren. Uit cijfers blijkt dat jongeren steeds vaker kiezen voor brede opleidingen, eventueel met een taalcomponent. De kans dat studenten in groten getale weer gaan kiezen voor een klassieke bachelor in het talen- en cultuurdomein is gering. De universiteiten hebben daarom in het sectorplan Talen & Culturen gekozen voor een vernieuwde aanpak. Met dit sectorplan wordt ingezet op vernieuwing van het onderwijs, de borging van de expertise en het aantrekken van meer studenten.
De voorgenomen plannen voor de wijzigingen in het opleidingsaanbod van de universiteiten Utrecht en Leiden zijn in lijn met de sectorplannen. Het is een bewuste keuze geweest om de sectorplannen te continueren en ik steun dan ook de aanpak van de universiteiten om gezamenlijk te komen tot keuzes, waaronder ook het sectorplan Talen & Culturen. In lijn met het amendement Stoffer2 op de begroting OCW zal ik het landelijke Disciplineoverleg Letteren en Geesteswetenschappen (DLG) in samenwerking met de Universiteiten van Nederland (UNL) verzoeken om te bezien hoe binnen het plan van aanpak Talen & Culturen een actieplan opgesteld kan worden dat specifiek de toekomst van deze studies in Nederland verzekert en de positie ervan versterkt. Voor een verdere toelichting op de kleine talenopleidingen verwijs ik door naar mijn recente Kamerbrief en de verklaring van de universiteiten3.
Zijn u nog meer signalen bekend van andere universiteiten die talenstudies willen beëindigen?
Vooralsnog zijn mij geen signalen bekend.
In hoeverre is voorafgaand overleg gevoerd tussen universiteiten over de voorgenomen beëindiging van talenstudies en hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot eerdere actieplannen en richtlijnen om meer regie te voeren ten behoeve van het behoud van talenstudies?
De keuze voor de voorgenomen beëindiging ligt bij de instellingen zelf.
Er wordt binnen de geesteswetenschappen, waaronder de taal- en cultuuropleidingen vallen, regelmatig overleg gevoerd op verschillende niveaus (sectoraal, domeinniveau en tussen instellingen). Voorts gelden voor unica-opleidingen in de Geesteswetenschappen afspraken over welke route een instelling volgt indien zij het voornemen heeft een unica-opleiding of -specialisatie in de Geesteswetenschappen op te heffen. Deze procedure is onlangs herbevestigd (en deels aangepast).
Deze procedure behelst een advies van de zusterfaculteiten binnen het Decanenoverleg Letteren en Geesteswetenschappen (DLG). Dit advies wordt vervolgens voorgelegd aan de SSH-raad en het rectorencollege van UNL. Vervolgens verstrekken het zij op basis hiervan, elk vanuit een eigen verantwoordelijkheid, een zwaarwegend advies aan het College van Bestuur (CvB) van de desbetreffende instelling. Uiteindelijk ligt het besluit bij het CvB van de desbetreffende instelling. Alle betrokken partijen en ikzelf hechten waarde aan de opvolging van deze procedure zodat besluiten zorgvuldig worden genomen. Graag verwijs ik uw Kamer naar mijn recente kamerbrief en de bijbehorende verklaring van het DLG (Decanenoverleg Letteren en Geesteswetenschappen), de SSH-Raad en UNL voor de recent herbevestigde procedure.4
Tot slot zal ik met de onderwijsinstellingen verkennen hoe in het kader van de motie Martens-America5 het landelijke aanbod van opleidingen kan worden gewaarborgd en te voorkomen dat er opleidingen zonder gezamenlijk overleg uit Nederland verdwijnen.
Kunt u aangeven op hoeveel plekken in Nederland de academische bachelor- en masteropleidingen Frans en Duits nog gevolgd kunnen worden indien de opleidingen in Utrecht en Leiden zouden verdwijnen?
Indien bovenstaande zelfstandige bacheloropleidingen worden afgebouwd dan zijn Frans en Duits als zelfstandige bachelor nog te volgen aan de universiteiten van Amsterdam en Nijmegen. Landelijk gezien zijn op masterniveau de meeste taal- en cultuuropleidingen reeds samengevoegd tot bredere opleidingen zoals Literatuurwetenschap en Taalkunde, waarbinnen studenten kunnen kiezen voor een specialisatie.
Overigens betekent het afbouwen van zelfstandige opleidingen (waaronder bij de bacheloropleidingen Frans en Duits) niet direct dat de expertise in die talen bij de betrokken instellingen verdwijnt. Die expertise wordt onder brede opleidingen voor een grotere groep studenten beschikbaar gemaakt en blijft daarmee voor de samenleving, het onderwijs, de economie en onze internationale positie behouden.
Wat is volgens u het absolute minimum voor de aanwezigheid en spreiding van de opleidingen Frans en Duits, mede gezien de wettelijke positie van vreemde talen in het voortgezet onderwijs, en vindt u het bijvoorbeeld acceptabel dat de academische opleiding Duitse taal en cultuur niet meer in Nederland aanwezig zou zijn?
Er is momenteel geen norm hiervoor. Wel dient er sprake te zijn van een landelijk dekkend aanbod. Als de studentenaantallen van een opleiding van grote maatschappelijke waarde in de ogen van een instellingen te klein worden, dan is het aan de instellingen samen om te bezien hoe het onderwijs behouden kan blijven. Het maken van keuzes, het eventueel stoppen van zelfstandige opleidingen en wat er wordt verstaan onder een minimaal landelijk dekkend aanbod zie ik als zeer relevante vragen voor de nabije toekomst om samen te verkennen. Zoals in het antwoord op vraag 4 weergegeven zal ik in het kader van de motie Martens-America met de sector bekijken hoe we invulling kunnen blijven geven aan een landelijk dekkend aanbod.
Op welke wijze bevordert u dat de instellingen tot gezamenlijke minimumnormen komen voor het behoud van opleidingen zoals Franse en Duitse taal en cultuur en op welke wijze kunt u daarbij faciliteren?
Dit doe ik ten eerste door mijn besluit om de sectorplannen in stand te houden. Daarnaast stimuleer ik het gesprek binnen de sector over het landelijke opleidingsaanbod. Voor unica-opleidingen in de Geesteswetenschappen gelden afspraken over welke route een instelling volgt indien zij het voornemen heeft een unica-opleiding of een specialisatie in de Geesteswetenschappen op te heffen, zie ook mijn antwoord op vraag 4. Zoals in datzelfde antwoord aangegeven, wil ik mede in het kader van de motie Martens-America met de sector bekijken hoe we tegen de achtergrond van de krimpproblematiek en bezuinigingen invulling kunnen blijven geven aan een landelijk dekkend aanbod.
Hoe zorgt u ervoor dat we in de toekomst voldoende docenten voor het voortgezet onderwijs kunnen opleiden in deze talen?
Het tekort aan leraren in de schooltalen Duits en Frans is de laatste twee decennia groter geworden. Vandaar dat ik de vernieuwende beweging in het sectorplan Talen & Culturen steun. In het sectorplan is niet alleen afgesproken om de talige expertise breder beschikbaar te maken, maar ook om in de komende jaren te bezien hoe de toegang tot de lerarenopleiding kan worden verbreed, zodat studenten met een verwante vooropleiding ook toegang tot de lerarenopleiding kunnen krijgen.
Daarnaast bestaan er ook andere routes voor het behalen van een eerste en/of tweedegraads bevoegdheid Frans of Duits. Zo is er een divers aanbod van tweedegraads opleidingen in de vorm van een hbo-bachelor en zijn er aanvullende masters te volgen aan hogescholen waarmee een eerstegraads bevoegdheid kan worden gehaald.
Om de tekorten aan leraren in Frans en Duits tegen te gaan is het ook van belang dat het beroep van docent aantrekkelijk is en blijft en dat we zo veel mogelijk doelgroepen interesseren voor het onderwijs door een breed aanbod van routes tot het leraarschap aan te bieden. Ik verwijs u hiervoor graag naar de Kamerbrief over de lerarenstrategie en de aanpak van het lerarentekort die wij recentelijk aan uw Kamer hebben gezonden.6
Hoe ziet u het belang voor Nederland van kleine opleidingen taal en cultuur zoals Turks, Perzisch, Arabisch en Koreaans, die ook als eigenstandige opleidingen dreigen te verdwijnen aan de Universiteit Leiden?
In het algemeen zie ik het belang van kennis van andere talen en culturen zowel voor de wetenschap als de maatschappij. Dat betekent niet dat kleine studies niet aan verandering onderhevig kunnen zijn. Het is normaal dat het onderwijsaanbod in beweging is. De wereld is immers in verandering, evenals de vakgebieden en de voorkeuren van studenten. Het is belangrijk dat het onderwijs daarop responsief inspeelt. Het is aan de instellingen samen om te bepalen hoe het onderwijs behouden kan blijven. Dit kan in allerlei vormen, bijvoorbeeld door middel van het samenvoegen van kleine opleidingen, verbreding van opleidingen, interdisciplinair onderwijs of het gezamenlijk verzorgen van onderwijs. Overigens betekent het stopzetten van een zelfstandige bacheloropleiding niet dat de bijbehorende expertise niet meer aanwezig is. Veel studies zijn in grotere facultaire onderzoeksinstituten georganiseerd en die kennis vindt een plek in deze bredere kennisstructuur.
Acht u het als stelselverantwoordelijke van belang voor Nederland om een kleine, maar vaste groep deskundigen op te leiden die kennis heeft over deze talen en culturen?
Ik ben als Minister van OCW stelselverantwoordelijk voor een macrodoelmatig opleidingsaanbod. Dat wil zeggen dat het opleidingsaanbod, met een efficiënte inzet van middelen, zo goed mogelijk inspeelt op de behoeften van de arbeidsmarkt, maatschappij en wetenschap. Binnen dat kader behoort het initiatief tot het opstarten of beëindigen van individuele opleidingen aan de instellingen toe. Voorts is het aan de instellingen om de behoefte van de arbeidsmarkt, maatschappij en wetenschap blijvend te vertalen naar een passend onderwijsaanbod en dat ook te onderhouden. Ik verwacht van hen dat zij hier gezamenlijk en regulier op reflecteren, in dialoog met maatschappelijke partners. De stelselverantwoordelijkheid van de Minister van OCW heeft zich de afgelopen decennia vooral gericht op het toetsen van de doelmatigheid bij nieuwe opleidingen in het bekostigde stelsel.
Met de daling van het aantal studenten bij bepaalde opleidingen en het besluit van instellingen opleidingen te stoppen of anders in te richten wordt het vraagstuk hoe ik als Minister van OCW invulling wil geven aan een andere, tot nu toe minder belichte zijde van de stelselverantwoordelijkheid urgenter. Namelijk het in stand houden van een minimaal dekkend landelijk aanbod. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven ga ik hierover met de instellingen in gesprek.
Op welke wijze worden de opleidingen Nederlandse taal en cultuur getroffen door deze hervormingen?
Om de opleidingen Nederlands te versterken blijf ik middelen beschikbaar stellen n.a.v. het amendement Van der Molen/Westerveld.7 Daarbij is de afspraak dat op vijf vestigingen de opleiding Nederlands wordt aangeboden. Ook binnen de opleidingen Nederlands is er sprake van vernieuwing en ook deze opleidingen doen mee met de gezamenlijke plannen uit het sectorplan Talen & Culturen, waarmee wordt ingezet op meer samenwerking en profilering. Dat maakt ook deze opleidingen weerbaarder en robuuster.
Deelt u de opvatting dat een brede bachelor Europese taal en cultuur geen toereikend alternatief is voor de inhoud en kwaliteit van een specifieke talenstudie wanneer er geen volledige specialisatie binnen die bachelor mogelijk is en worden aankomende studenten hierover voldoende geïnformeerd?
Ik kan in algemene zin geen uitspraken doen over hoe bepaalde expertises het beste inhoudelijk vormgegeven kunnen worden in het universitair onderwijs.
Rijksuniversiteit Groningen heeft tien jaar geleden al besloten de bachelors Duits en Frans op te nemen in een brede bachelor. De afgestudeerden aan deze brede opleiding voldoen aan het niveau voor toelating tot de talenmasters en de lerarenopleiding (Frans of Duits). Uiteraard worden aankomende studenten op de gebruikelijke wijze geïnformeerd over het programma (voorlichting; website; testimonials etc.) mochten de voorgenomen plannen doorgevoerd worden.
Welke inzet pleegt u om de trend naar meer brede opleidingen in het talendomein te stuiten?
De trend naar brede opleidingen is een internationaal en langlopend verschijnsel. De eerdergenoemde talenopleidingen kennen reeds decennialang een daling van de instroom. Ondanks grote inzet vanuit de sector en overheid (waaronder campagnes) is deze daling niet voorkomen. Ik denk dan ook dat het verstandig is zoals de sector doet, bijvoorbeeld via het sectorplan Talen, in te spelen op deze trend zodat opleidingen en expertise geborgd kunnen blijven.
Bent u bereid een numerus fixus te overwegen voor brede bachelors teneinde belangstelling voor specifieke studies hoog te houden?
Vooralsnog ben ik dit niet van plan. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat aankomende studenten dan voor een smalle talenopleiding zullen kiezen.
Bent u bereid om, gelet op de dreigende verschraling in het opleidingenaanbod, met alle sectororganisaties en de vakverenigingen gezamenlijk te werken aan een actieplan voor versterking van de opleidingen Franse- en Duitse taal en cultuur?
Er is al een actieplan, namelijk het sectorplan Talen & Culturen. De versterking van het opleidingsaanbod in de talensector komt tot uitdrukking in actielijn 1 van het sectorplan, namelijk de onderbrenging van de betreffende expertise in bredere opleidingen, evenals in actielijn 3, het verbreden van de toegang tot de lerarenopleiding. Actielijn 2 van dat sectorplan richt zich op het borgen van expertise op landelijk niveau voor een specifiek programma taal en cultuur (Frans of Duits). Daarvoor zijn de faculteiten met talige expertise gezamenlijk verantwoordelijk. Dit aanbod zorgt ervoor dat studenten die specifiek Duits of Frans willen studeren, dat ook in de toekomst zullen kunnen doen. Voor meer informatie verwijs ik uw Kamer naar de eerdergenoemde Kamerbrief en de bijbehorende verklaring van het DLG, SSH-Raad en UNL.
Voorts zal ik over de uitvoering van het amendement Stoffer8 op de begroting OCW met het DLG in gesprek gaan.
Kunt u ervoor zorgen dat er tot die tijd geen onomkeerbare stappen worden gezet zoals het opheffen van CROHO-labels?
Onder welk CROHO (RIO) label onderwijs en expertise geborgd blijft, is een keuze van de universiteit in afstemming en overleg met de andere universiteiten, daaronder valt ook het eventueel opheffen van een CROHO (RIO)-label. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 9.
Naar aanleiding van onderzoek van Nieuwsuur is gebleken dat de inspectie de vierjaarlijkse onderzoeken niet halen en de registraties daarvan niet op orde zijn; hoe heeft dit volgens u kunnen gebeuren?1
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft na onderzoek van het programma Nieuwsuur geconstateerd dat het tussen 2014 en 2019 niet is gelukt om alle basisscholen eens per vier jaar te bezoeken. Wij zijn voornemens om een onafhankelijk en extern onderzoek te laten verrichten naar de rapportages over de bezoeken van de inspectie aan scholen in het funderend onderwijs. Over dit verzoek en de mogelijkheden van een spoedige start van het onderzoek zijn wij met de Auditdienst Rijk (ADR) in gesprek. Uw Kamer zal hierover in de Voortgangsbrief toezicht van medio december nader worden geïnformeerd. Aan de inspectie hebben we gevraagd om de kwaliteit en volledigheid van de registratie van haar toezichtsactiviteiten te verbeteren. Daarbij zijn we met de inspectie in gesprek om ervoor te zorgen dat de verbeterde manier van rapporteren objectiveerbaar kan worden vastgesteld.
De inspectie heeft aangegeven dat het een beleidskeuze is geweest om zo weinig scholen te bezoeken; kunt u deze beleidskeuze toelichten?
Er is geen sprake geweest van een beleidskeuze met het specifieke oogmerk om weinig of minder scholen te bezoeken. Vanaf augustus 2017 was er sprake van een focus op bestuursgericht toezicht, waarbij het bestuur als verantwoordelijk bevoegd gezag wordt aangesproken op de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen. Dit is conform de opdracht zoals vastgelegd in de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT) naar aanleiding van het initiafiefvoorstel van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog (2014)2. Een vierjaarlijks scholenbezoek maakte overigens geen deel uit van het initiatiefvoorstel en is ook niet in de WOT opgenomen. In de periode 2017–2021 hanteerde de inspectie niettemin nog steeds ook de vierjaarscyclus voor scholen als uitgangspunt, waarbij tegelijk een bredere mix aan toezichtvormen is ingezet om meer aandacht te geven aan de onderwijskwaliteit op scholen met vooral (meer) risico-kwaliteitsonderzoeken en (vanaf augustus 2023) ook steekproef-kwaliteitsonderzoeken. Vanaf augustus 2021 is het uitgangspunt van de vierjaarlijkse cyclus losgelaten; hierover is de Tweede Kamer toentertijd ook geïnformeerd.3 Wij betreuren dat de rapportage over de periode tot 2021 onvolledig is geweest. De inspectie heeft toegezegd om de informatievoorziening voor de toekomst te verbeteren ten behoeve van eenduidige en betrouwbare rapportage. Verder heeft de Inspectie ook aangeboden nog eventueel op haar toezichtsaanpak een externe peer-review te kunnen laten verrichten; daar zijn wij met de inspectie over in gesprek. Dit in aanvulling op het voorgenomen onderzoek naar de rapportages zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Wanneer is de beleidskeuze gemaakt om niet elke school elke vier jaar te onderwerpen aan een inspectiebezoek en op welke wijze is de Kamer daarover geïnformeerd?
Om tot een beleidskeuze te komen zijn de afwegingen om van de vierjaarsverplichting af te stappen besproken met de bewindspersonen op 15 december 2020. De Kamer is over het voornemen om te stoppen met de vierjaarsbezoeken aan scholen geïnformeerd in de Kamerbrief die op 15 februari 2021 naar uw Kamer is verstuurd.4 Bij de aanbieding van de onderzoekskaders 2021 aan de Staten-Generaal is dit voornemen geëffectueerd. In de aanbiedingsbrief is ook aangegeven op welke gronden dit besluit is genomen.
Deelt u de opvatting dat er niet gestuurd kan worden op kwaliteit als er geen zicht is op hoe het ervoor staat?
Ja. Het is belangrijk om inzicht in de kwaliteit van het onderwijs te hebben om te weten waarop vanuit de overheid gestuurd moet worden. Dit inzicht komt in belangrijke mate voort uit het toezicht van de inspectie, dat breder is dan alleen schoolbezoek. De inspectie heeft hiervoor diverse instrumenten tot haar beschikking. Het toezicht van de inspectie is gericht op het zicht houden op individuele scholen en besturen en op het stelsel als geheel.
Kunt u aangeven waarom de rapportage voor het aantal uniek bezochte scholen niet volledig bijgehouden is?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 1 zijn wij voornemens een onderzoek te laten verrichten door de ADR. Uw Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.
Kunt u alle stukken (memo’s, mails en andere stukken), waarmee de Minister(s), Staatssecretaris(sen), de SG en de DG’s sinds 2012 zijn geinformeerd over de frequentie van de bezoeken en inspecties van de inspectie, aan de Kamer doen toekomen?
De frequentie van bezoeken en inspecties van de inspectie sinds 2012 zijn gerapporteerd in de jaarverslagen, die aan uw Kamer zijn toegezonden. De ADR wordt gevraagd deze jaarverslagen en alle overige documenten te betrekken bij het onderzoek zoals bedoeld in vraag 1.
Bent u het ermee eens dat de verwachting aan de Kamer is gewekt dat een groot aantal scholen bezocht zou blijven, ervan uitgaande dat aanvankelijk alle scholen eens in de vier jaar bezocht zouden worden? Zo ja, vindt u dat aan deze verwachting is voldaan?
In 2021 is gestopt met de vierjaarscyclus voor het bezoeken van scholen. De verwachting is destijds bij de Kamer gewekt dat daarna nog steeds een groot aantal scholen bezocht zou worden. Aan die verwachting is niet volledig voldaan, en dat betreuren wij. Het bezoeken van scholen was en is een essentieel onderdeel van het toezicht van de inspectie. In de eerste jaren na het stoppen met de vierjaarscyclus was het aantal bezochte scholen en opleidingen in het funderend onderwijs en het mbo relatief beperkt. In 2021–2022 ging het om 161 risicokwaliteitsonderzoeken, in 2022–2023 om 430 risicokwaliteitsonderzoeken. Natuurlijk zijn er ook andere bezoeken aan scholen geweest, zoals bij herstelonderzoek, stelselonderzoek en bestuursonderzoek (verificatieactiviteiten op scholen). Dit heeft verschillende oorzaken. In het schooljaar 2021–2022 kampte het onderwijs nog met de effecten van de coronapandemie. In de jaren die volgden vergde de opschaling van de inspectieorganisatie veel capaciteit: nieuwe medewerkers moesten – en moeten nog steeds – gedurende langere tijd ingewerkt en begeleid worden. In het schooljaar 2023–2024 trok het aantal bezoeken aan scholen flink aan: de inspectie deed in dit jaar 363 risicokwaliteitsonderzoeken en 728 steekproefkwaliteitsonderzoeken. Dat is los van de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse bij alle scholen en de contacten van de inspectie met scholen die daaruit voortvloeien, en ook los van de al genoemde bezoeken in het kader van herstelonderzoek, bestuursonderzoek en themaonderzoek. De inspectie werkt er hard aan om weer meer op scholen te komen en vooral ook om daarin effectieve keuzes te maken.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de informatievoorziening van de inspectie te verbeteren?
De inspectie spant zich doorlopend in om de kwaliteit en volledigheid van de registratie van haar toezichtactiviteiten te verbeteren. Dit zal de komende periode worden geïntensiveerd. De inspectie zal een verbeterplan toezichtregistratie opstellen, waarvan zij de uitkomst door een onafhankelijk bureau zal laten valideren. Tevens zijn we, zoals reeds in eerdere antwoorden beschreven, in gesprek met de ADR over een onderzoek. Deze acties moet ertoe leiden dat de inspectie zich te allen tijde volledig kan verantwoorden over haar activiteiten. Daarbij zal de inspectie steeds helder zijn over wat er met de beschikbare capaciteit wel en niet mogelijk is.
Kunt u inzicht geven in de gegevens en de werkwijze van de inspectie voor 2014?
Zoals reeds beschreven zijn wij voornemens om een onderzoek naar de rapportage omtrent de schoolbezoeken van de inspectie te laten verrichten door de ADR. Het is van belang dat dit onderzoek eerst plaatsvindt, zodat wij op basis van dit onderzoek deze vraag zorgvuldig kunnen beantwoorden. Uw Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.
Kunt u een schatting geven van hoeveel volledige inspectiebezoeken zijn afgelegd aan basisschoollocaties en hoeveel bassisschoollocaties er waren, voor elk jaar vanaf 2012?
Zoals beschreven zijn wij voornemens een onderzoek te laten verrichten door de ADR. Op basis van dit onderzoek kunnen wij naar verwachting deze vraag zorgvuldig beantwoorden. De Kamer zal over dit onderzoek nog nader worden geïnformeerd.
Wat is de langste termijn, die u bekend is, dat een bassischoollocatie niet aan inspectie onderworpen geweest is? Om welke school/scholen gaat het en vindt u dit acceptabel?
Scholen zijn jaarlijks aan toezicht onderworpen via de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse, via de analyse die voorafgaat aan bezoeken aan besturen, en ook via ad hoc contacten die er zijn naar aanleiding van bijvoorbeeld signalen. Op dit moment is niet bekend wat de langste termijn is dat een basisschoollocatie niet fysiek is bezocht, naar verwachting is deze vraag zorgvuldiger te beantwoorden na het onderzoek door de ADR.
Kunt u deze vragen een voor een, zo snel als mogelijk en zeker voor de OCW-begrotingsbehandeling, beantwoorden?
Ja.
De berichten ‘Kleine scholen kunnen ‘zomaar’ worden opgeheven’ en ‘Zorgen over toekomst van Amelander basisschool: “Dan vergrijst het dorp”’ |
|
Aant Jelle Soepboer (FNP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kleine scholen kunnen «zomaar» worden opgeheven» en het voorbeeld van de basisschool in Ballum op Ameland?1 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat genoemde voorbeelden exemplarisch zijn en dat vele kleine scholen in de regio hun deuren moeten sluiten?
In de artikelen worden voorbeelden genoemd van kleine basisscholen in de regio die door hun bestuur gesloten worden. Er sluiten elk jaar ongeveer 40–50 scholen in het primair onderwijs hun deuren3. Het overgrote deel van deze scholen fuseert met een andere school. Een kleiner deel wordt daadwerkelijk opgeheven. Het stelsel van instandhouding en opheffing houdt rekening met verschillen tussen stad en regio. Opheffingsnormen zijn namelijk gedifferentieerd en worden berekend aan de hand van de leerlingdichtheid van de gemeente waarin de school ligt: in dichtbevolkte gemeenten liggen deze hoger dan in dunbevolkte gemeenten. Zo is de opheffingsnorm in Den Haag bijvoorbeeld 200 leerlingen en is die van Ameland 23 leerlingen. Deze differentiatie is cruciaal voor het behoud van voldoende onderwijsaanbod in dunbevolkte gebieden.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid in de dorpen?
Ja. Kleine scholen in dorpen zijn soms de enige school in de omgeving. Deze scholen zijn belangrijk voor de leefbaarheid van deze dorpen en de omliggende gebieden. De kwaliteit van onderwijs moet altijd leidend zijn, maar ook de bereikbaarheid van onderwijs is belangrijk. Ik zet mij in voor het behoud van een voldoende dekkend scholenaanbod overal in Nederland. Door de omvorming van de kleinescholentoeslag tot een dunbevolktheidstoeslag wil ik het scholenaanbod in dunbevolkte regio’s versterken. Ik ben voornemens uw Kamer hier nog voor het einde van het jaar nader over te informeren.
Kunt u aangeven of u het eens bent met het gegeven dat als een school verdwijnt deze meestal niet terug komt? Zo ja, bent u het ermee eens dat het daarom belangrijk is dat waar mogelijk sluiting moet worden voorkomen?
Het klopt inderdaad dat veel scholen die sluiten, niet opnieuw in dezelfde vorm gesticht worden. Soms komt dat omdat de wensen van ouders veranderen en er minder belangstelling is voor hetzelfde type school. Het stelsel van stichting, instandhouding en opheffing laat ruimte voor het scholenaanbod om mee te bewegen met de wensen van ouders, leerlingen en onderwijspersoneel, die op hun beurt weer meebewegen met maatschappelijke veranderingen.
Soms is echter sprake van bevolkingskrimp, waardoor een school niet (langer) levensvatbaar is en waardoor ook de kwaliteit onder druk kan komen te staan. Het is voor leerlingen, ouders en onderwijspersoneel aangrijpend als een school haar deuren sluit; er verdwijnt immers iets dat voor hen persoonlijk van groot belang is. Ook in dunbevolkte gebieden moet er aanbod zijn van goed en veilig onderwijs. Vandaar dat ik mij ook inzet om het stelsel zodanig vorm te geven dat in de regio voldoende aanbod blijft. Op sommige plekken kan dat vragen om samenwerking tussen besturen.
Deelt u de opvatting dat de kwaliteit van het onderwijs juist op kleine scholen goed kan zijn?
Dat is niet noodzakelijkerwijs het geval. Er is geen duidelijke eenzijdige relatie tussen schoolgrootte en onderwijskwaliteit. Kleine scholen kunnen ook kwetsbaarder zijn.4, 5 Dit kan onder andere te maken hebben met de klassenvorming: op kleine scholen worden vaker (noodgedwongen) combinatieklassen toegepast. «Volgens de Inspectie (Staat van het Onderwijs 2020) kan de complexiteit van onderwijs aan combinatieklassen een rol spelen bij het feit dat kleine basisscholen (<100 leerlingen) vaker dan gemiddeld onvoldoende en zeer zwakke onderwijskwaliteit hebben. Hoewel het overgrote deel van de kleine scholen aan de basiskwaliteit voldoet, stelt de Inspectie vast dat kleine scholen kwetsbaar zijn.»6 In een advies van de Onderwijsraad uit 2013 stelt de raad dat deze kwetsbaarheid op meer vlakken speelt dan alleen klassenvorming: «Zo zijn er op kleine scholen minder mogelijkheden voor het personeel om taken te verdelen en zijn er doorgaans minder professionaliseringsmogelijkheden. (...) Uit onderzoek van de Inspectie blijkt daarnaast dat bepaalde risicofactoren voor de kwaliteit vaker voorkomen op scholen die met krimp te maken hebben. Voorbeelden daarvan zijn een grotere werkdruk, meer combinatieklassen en meer dan twee leraren voor een groep.»4 Bovendien kunnen er op zeer kleine scholen risico’s ontstaan voor leerlingen op sociaal-emotioneel gebied. Ze hebben immers minder klas- en schoolgenoten.
Welke concrete stappen gaat u, naast de dunbevolktheidstoeslag, nemen om het tij te keren?
Ik weet niet op welke trend hier gedoeld wordt. Ik wil mij in ieder geval richten op het keren van negatieve trend als het gaat om onderwijskwaliteit. Daarvoor is het van cruciaal belang dat we een voldoende aanbod hebben van goede en veilige scholen. Dit vraagt om een stelsel met regionale gedifferentieerde normen. De afgelopen maanden is een zorgvuldige analyse van het huidige stelsel van instandhouding en opheffing uitgevoerd, die op dit moment en gedurende de komende maanden in samenspel met veldpartijen verder wordt uitgewerkt. De Kamer wordt voor het einde van het jaar over deze ambities geïnformeerd.
Welke mogelijkheden ziet u voor de ouders in een dergelijke situatie?
Ouders hebben belang bij een toekomstbestendige school die goed en veilig onderwijs verzorgt. Ik ga ervan uit dat ouders constructief meedenken over hoe onderwijs in hun regio zo goed mogelijk gerealiseerd kan worden. Via de medezeggenschapsraad kunnen ouders hun mening uiten over samenwerkingen tussen scholen en over mogelijke fusies. Daarnaast zijn er manieren waarop ouders kunnen bijdragen aan het behoud van een school; het artikel over de school in Griendtsveen, waar ouders zelf een bestuur hebben opgericht en de school draaiende hebben gehouden, is hier een voorbeeld van. Dit vraagt wel een grote verantwoordelijkheid van deze ouders, die daarmee zelf een schoolbestuur en gelijk ook werkgever worden en verantwoordelijk zijn voor de onderwijskwaliteit op school.
Ik zet mij in voor een voldoende dekkend scholenaanbod, zodat er voor zoveel mogelijk leerlingen op fietsafstand onderwijs te volgen is en scholen die van groot belang zijn voor het onderwijsaanbod in een regio open kunnen blijven.
Bestaat er een landelijk loket instandhouding kleine scholen waar ouders en/of schoolleiders en bestuurders aan kunnen kloppen voor hulp?
Het sluiten of openhouden van een school is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Als bestuurders of schoolleiders twijfels hebben bij de haalbaarheid van het verwezenlijken van kwalitatief goed onderwijs op een kleine school, kan sluiting tot een van de mogelijkheden behoren. Ouders kunnen via verschillende routes, waaronder de medezeggenschapsraad, betrokken zijn bij dit proces. Schoolbestuurders zouden zich voor advies of ondersteuning kunnen richten tot de sectorvereniging, zoals de PO-Raad. Uiteraard kunnen schoolbestuurders, schoolleiders en ouders bij ingewikkelde gevallen ook altijd bij mijn ministerie terecht met vragen.
Zou een dergelijk meldpunt volgens u kunnen helpen bij het voorkomen van sluitingen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat er diverse perverse prikkels bestaan die op dit moment sluiting in de hand werken?
Voor besturen spelen verschillende overwegingen een rol bij een besluit over het sluiten van een school. Onder andere matige onderwijskwaliteit, een teruglopend leerlingenaantal of een personeelstekort spelen een rol in de besluitvorming. Ik vind het van belang dat bij deze besluiten de medezeggenschap goed betrokken wordt.
De wet kent een aantal prikkels om een school te sluiten of in stand te houden, zoals gedifferentieerde opheffingsnormen per gemeente, uitzonderingen op deze normen en de bekostigingssystematiek. Scholen waarop minder leerlingen staan ingeschreven dan de geldende opheffingsnorm kunnen een beroep doen op een aantal uitzonderingsgronden. Een veel gebruikte uitzondering is de «gemiddelde schoolgrootte» waarmee een bestuur een te laag leerlingaantal op een school kan compenseren met een hoger leerlingaantal op een andere school. Daarnaast ontvangen alle scholen met minder dan 150 leerlingen momenteel kleinescholentoeslag; dus ook kleine scholen in de stad. Dit zijn beiden prikkels voor instandhouding van kleine scholen. Waar in dunbevolkt gebied bepaalde prikkels voor instandhouding wenselijk kunnen zijn voor het behoud van het onderwijsaanbod en daarmee de leefbaarheid in kleine kernen, speelt dit in stedelijk gebied in minder sterke mate een rol en kan het behoud van een groot aantal relatief kleine scholen leiden tot ondoelmatige inzet van middelen.
Zoals aangegeven informeer ik uw Kamer voor het einde van dit jaar verder over mijn ambities om het stelsel te herzien en beter in balans te brengen, en over de wijze waarop ik hierover in gesprek ben en blijf met het veld.
Kunt u aangeven welke prikkels nog meer meespelen bij het sluiten van een school?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de opvatting dat het bestaan van dit soort prikkels niet wenselijk is voor het voortbestaan van scholen in kleine dorpen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen voor de OCW-begrotingsbehandeling beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Veel schade bij basisschool na brand begint nu wel een patroon te worden' |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht in het AD, getiteld «Veel schade bij basisschool na brand begint nu wel een patroon te worden»1?
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Zijn er volgens u concrete aanwijzingen dat de veiligheid van de leerlingen en het personeel op deze basisschool momenteel in gevaar is?
Die signalen heb ik niet.
Kunt u bevestigen dat er bij deze basisschool eerder sprake is geweest van vernielingen en brandstichting?
Vernieling en brandstichting zijn strafbare feiten. Als hiervan sprak is, zal aangifte moeten worden gedaan bij de politie. De politie zal zich dan inzetten voor opsporing van de daders. Ik heb geen overzicht van aangiften die bevestigen dat dergelijke incidenten zich eerder hebben voorgedaan, omdat dit niet onder de verantwoordelijkheid van mijn ministerie valt. Navraag bij de gemeente Zoetermeer leert dat ook zij deze informatie niet bijhouden. De politie verstrekt geen informatie over individuele zaken.
Erkent u dat er een zorgwekkend patroon zichtbaar is in de vernieling en brandstichting bij deze onderwijsinstelling? Welke oorzaken kunnen volgens u aan dit patroon ten grondslag liggen?
Brandstichting en vernieling bij onderwijsinstellingen zijn altijd verwerpelijk en hebben een diep ontwrichtend effect op het personeel van de school, de leerlingen en hun ouders. Elk incident van deze aard vind ik dan ook zorgwekkend, ongeacht waar het plaatsvindt. Over het al dan niet aanwezig zijn van opzet, een patroon en mogelijke oorzaken van een dergelijk patroon kan ik niks zeggen.
Ik heb geen kennis omtrent de daders en hun motieven omdat het opsporen en straffen van deze daders taken van de politie en het Openbaar Ministerie zijn.
Worden incidenten, zoals deze brandstichting, meegenomen in het dreigingsbeeld ten aanzien van veiligheid binnen islamitische gemeenschappen in Nederland?
Dreigingsbeelden ten aanzien van veiligheid jegens welke gemeenschap dan ook worden niet door het Ministerie van OCW gevormd. Ik verwijs u voor informatie ten aanzien van dreigingsbeelden door naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid en/of de NCTV.
Hoe beoordeelt u de brandstichting bij Yunus Emre, een basisschool die gebaseerd is op islamitische principes? Beschouwt u dit als een specifiek signaal van bedreiging richting islamitische instellingen?
Het is helder dat brandstichting bij en vernieling van scholen altijd afschuwelijk is. Indien uit onderzoek mocht blijken dat deze zeer ernstige strafbare feiten worden ingezet als dreigmiddel jegens specifieke bevolkingsgroepen, vind ik dat verwerpelijk. Het is altijd belangrijk dat de daders opgepakt zullen worden, en hun straf niet zullen ontlopen. Ook als er geen sprake is van het oogmerk op bedreiging maar van bijvoorbeeld «jeugdige baldadigheid» en kattenkwaad met ernstige gevolgen.
Heeft u concrete aanwijzingen of signalen ontvangen van verhoogde dreiging richting islamitische instellingen, waaronder scholen? Zo ja, welke specifieke maatregelen worden genomen om de veiligheid van deze instellingen te waarborgen?
Ik heb dergelijke aanwijzingen of signalen niet ontvangen. Het waarborgen van de fysieke veiligheid op scholen is een taak die ligt bij o.a. het bevoegd gezag op de school, de gemeentes, de politie, het OM, veiligheidsregio’s, en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Zij werken samen om veiligheidsrisico’s te identificeren en te mitigeren, en waar nodig beveiligingsmaatregelen te treffen. De inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de wijze waarop het bevoegd gezag de veiligheid op school waarborgt.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle gevallen van dreiging, intimidatie en aanvallen op islamitische basisscholen en middelbare scholen in de afgelopen vijf jaar?
Een dergelijk overzicht wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden. De Inspectie van het Onderwijs houdt eveneens geen overzichten bij van bedreigingen jegens onderwijsinstellingen. Er bestaat voor scholen ook geen verplichting daarvan melding te doen. De inspectie geeft in reactie op deze vraag aan in elk geval bekend te zijn met twee situaties waar in de afgelopen jaren sprake was van dergelijke voorvallen richting een school. Het betreft een situatie waarbij een school schriftelijke beledigingen ontving en een situatie waarbij geregeld vernielingen zijn bij een (ook door anderen gebruikt) gebouw. De inspectie adviseert scholen bij dreiging contact op te nemen met de politie en daarvan aangifte te doen. De politie verstrekt geen informatie over individuele zaken.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de opsporing en vervolging van de daders van deze brandstichting?
Opsporing en vervolging van daders van strafbare feiten zijn taken van de politie en het Openbaar Ministerie. Voor informatie hieromtrent moet ik u naar hen verwijzen.
Welke aanvullende preventieve maatregelen neemt u om soortgelijke incidenten in de toekomst te voorkomen bij deze en andere islamitische onderwijsinstellingen die te maken hebben met verhoogde dreiging?
Het waarborgen van de fysieke veiligheid op scholen is een taak die ligt bij onder andere het bevoegd gezag op de school, de gemeentes, de politie, het OM, veiligheidsregio’s en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij werken samen om veiligheidsrisico’s te identificeren en te mitigeren, en waar nodig beveiligingsmaatregelen te treffen. De inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de wijze waarop het bevoegd gezag de veiligheid op school waarborgt.
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek «De herstelopdracht doorgelicht: Een verkenning naar de rechtmatigheid van herstelopdrachten in het funderend onderwijs» van professor Renée Van Schoonhoven?1
In het onderzoek stelt professor Van Schoonhoven de rechtmatigheid van herstelopdrachten ter discussie. De verkenning was voor de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) aanleiding om de praktijk van de herstelopdrachten tegen het licht te houden. De conclusie die de inspectie ons heeft gemeld is dat zij vertrouwen heeft in de rechtmatigheid van herstelopdrachten. De inspectie hanteert kwaliteitsborgingssystemen en handelt op basis van wettelijke kaders. Naar aanleiding van de verkenning gaat de inspectie wel nader bestuderen of de onderbouwing van de tekortkomingen in de rapporten nog verder kan worden verduidelijkt, en zo ja hoe.
Hoe taxeert u de conclusie van professor Van Schoonhoven dat er in de praktijk herstelopdrachten gegeven worden die geen (of te weinig) juridische basis kennen?
De inspectie heeft een kwaliteitsborgingssysteem en baseert tekortkomingen waarvoor herstelopdrachten worden opgelegd op de wettelijke deugdelijkheidseisen. De wet schrijft voor waar het onderwijs aan moet voldoen, maar daarbij geeft de wet ruimte. Dat is vaak een bewuste keuze van de wetgever, om in concrete gevallen nadere invulling te kunnen geven aan wettelijke normen en rekening te houden met bijzondere situaties. Om de wet te kunnen toepassen, heeft de inspectie op grond van artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht de taak om onderzoekskaders voor te dragen die door de Minister worden vastgesteld. Daarin staat de wijze waarop de wettelijke eisen worden geïnterpreteerd. Daardoor weten zowel scholen en besturen als de inspecteurs waar ze aan toe zijn.
Als de inspectie bij een school of bestuur een tekortkoming in naleving van wettelijke deugdelijkheidseisen constateert, vermeldt zij in het rapport welke wettelijke bepaling niet wordt nageleefd. Om aan scholen en besturen duidelijk te maken wat de wet van hen vraagt, formuleert de inspectie in de rapporten herstelopdrachten. Daarbij wordt altijd verwezen naar de wettelijke deugdelijkheidseis waarop de tekortkoming is geconstateerd.
Is het waar dat de Inspectie van het Onderwijs herstelopdrachten heeft gegeven die niet zijn gebaseerd op het niet-naleven van een deugdelijkheidseis? Zo ja, in hoeveel gevallen en op welke gronden?
De conclusie dat de inspectie herstelopdrachten heeft gegeven die niet zijn gebaseerd op het niet-naleven van een deugdelijkheidseis wordt door de inspectie niet herkend. Naar aanleiding van de verkenning hebben juristen, wetenschappelijk onderzoekers en toezichtdeskundigen van de inspectie onderzoek gedaan naar herstelopdrachten. De conclusie die de inspectie met ons heeft gedeeld is dat de inzet van de herstelopdracht wel degelijk rechtmatig is, omdat deze is gebaseerd op geconstateerde tekortkomingen op de wettelijke deugdelijkheidseisen.
Deelt u de opvatting dat persoonlijke interpretaties van (het door een bestuur of school voldoen aan) een deugdelijkheidseis van een inspecteur niet mogen leiden tot een herstelopdracht of een sanctie en hoe zorgt de Inspectie van het Onderwijs er intern voor dat zulke situaties maximaal worden vermeden?
Wij vinden het belangrijk dat inspecteurs op navolgbare en transparante wijze handelen en oordelen. De inspectie werkt daarvoor met onderzoekskaders waarin de werkwijze wordt beschreven. Daarbij mag het voor een school of bestuur niet uitmaken welke inspecteur het onderzoek doet. Daarom oordelen inspecteurs in de zogeheten risico-kwaliteitsonderzoeken nooit alleen, maar altijd in teams. Die teams wisselen geregeld van samenstelling, wat bijdraagt aan een gelijksoortige en navolgbare manier van werken.
Ook op andere manieren werkt de inspectie aan de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van haar werkwijze. Zo maakt de inspectie gebruik van handreikingen voor een uniforme werkwijze, frequente (bij-)scholing van inspecteurs en consensusoverleggen. Indien een school als «zeer zwak» wordt beoordeeld, wordt dit rapport voor een extra kwaliteitscheck voorgelegd aan een interne toetsingscommissie.
Hoe beschouwt u deze conclusie in relatie tot de wet van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht waarin de stimulerende en de toezichthoudende taak meer onderscheiden zijn?2
De inspectie baseert haar toezichthoudende taak op wettelijke deugdelijkheidseisen. Daarnaast heeft de inspectie ook een stimulerende taak. In 2021 zijn de onderzoekskaders van de inspectie en de bijbehorende inspectierapporten herzien, om duidelijker onderscheid te maken tussen de controlerende en stimulerende taak van de inspectie. Dit is terug te zien in de rapporten, waarin de inspectie helder aangeeft wat beter moet (waarborgen van de deugdelijkheidseisen) en wat beter kan (stimuleren van kwaliteitsaspecten). Enkel die eerste categorie levert een herstelopdracht op. Bij de evaluatie van de initiatiefwet van de leden Bisschop c.s. van 8 april 2026 in mei 2022 bleek al dat het gemaakte onderscheid in lijn is met het doel van de wet.
Kunt u onderbouwen in hoeverre het de taak van de Inspectie van het Onderwijs is om het onderwijskundige beleid van scholen actief bij te sturen en daarvoor de herstelopdracht als middel in te zetten?
Scholen hebben, binnen de grenzen van de wet, de vrijheid om zelf invulling te geven aan hun onderwijskundige beleid. Wel vraagt de wet van scholen dat zij dit beleid vastleggen in het schoolplan. De inspectie kan op dit vlak een tekortkoming constateren wanneer het schoolplan niet alle onderdelen bevat die door de wet worden voorgeschreven (artikel 12 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 2.88 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 21 van de Wet op de expertisecentra). In dat geval kan de inspectie een herstelopdracht opnemen in het rapport, om aan scholen en besturen duidelijk te maken wat de wet van hen vraagt en wat er nog ontbreekt.
Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs beter en concreter onderscheid maken tussen haar oordelende en stimulerende rol?
Naast een toezichthoudende taak heeft de inspectie de wettelijke taak tot het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, lid 1, sub b, onder 1 van de Wet op het onderwijstoezicht). De stimulerende taak van de inspectie ligt in het verlengde van de taak om te waarborgen dat het onderwijs voldoet aan de wettelijke vereisten.
De inspectie maakt op meerdere manieren onderscheid tussen de toezichthoudende en stimulerende taak, bijvoorbeeld in de onderzoekskaders en in de rapportindeling. In rapporten wordt duidelijk aangegeven wat beter moet en dus onder de toezichthoudende taak valt. Daarnaast geeft de inspectie aan wat er al goed gaat en wat nog beter kan, als onderdeel van de stimulerende taak.
In juni 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop scholen vanuit het toezicht gestimuleerd kunnen worden om te werken aan kwaliteitsverbetering.3 Daarin is onder andere aangegeven dat bij de professionalisering van inspecteurs extra aandacht zal worden besteed aan de stimulerende aspecten van het toezicht.
Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs ervoor zorgen dat elke geconstateerde tekortkoming en dus gegeven herstelopdracht goed is onderbouwd?
De inspectie maakt gebruik van vooraf vastgestelde kwaliteitsnormen en beoordelingswijzen. Dit zorgt ervoor dat tekortkomingen niet willekeurig worden vastgesteld, maar worden beoordeeld op basis van heldere bepalingen. Elke tekortkoming wordt beschreven in een inspectierapport, waarin de context, bevindingen en het oordeel van de inspectie worden vastgelegd. Dit rapport bevat concrete argumenten die de tekortkoming(en) onderbouwen. Op basis van de constateringen worden waar sprake is van tekortkomingen herstelopdrachten geformuleerd.
Wel heeft de inspectie laten weten dat zij uit de discussie over de toepassing van de herstelopdrachten opmaakt dat zij naar scholen en besturen soms een duidelijker onderbouwing kan geven van de tekortkoming en de herstelopdracht die daar bij hoort. Daarmee gaat de inspectie aan de slag. De verkenning onderstreept ook het belang van een onderzoekskader dat zorgvuldig tot stand komt, helder beschreven is en zo duidelijk mogelijk maakt wat de wet van scholen en besturen vraagt. Dit neemt de inspectie mee in de herziening van de onderzoekskaders die op dit moment in voorbereiding is.
Bent u het ermee eens dat scholen een ruime eigen pedagogische en didactische ruimte toekomt bij alle vakgebieden, dus ook bij burgerschap? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze ruimte nu en in de toekomst gehandhaafd blijft? Zo nee, waarom niet?
Scholen hebben inderdaad veel ruimte om een eigen pedagogische en didactische invulling te geven aan het onderwijs dat zij verzorgen. Ten aanzien van burgerschap geldt dat scholen een wettelijke opdracht hebben om op doelgerichte, samenhangende en herkenbare wijze actief burgerschap en sociale cohesie te bevorderen. Scholen hebben daarbij veel ruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven, zo lang wordt voldaan aan de eisen uit de wet. De inspectie beoordeelt of scholen aan die wettelijke eisen voldoen.
Hoe wilt u voorkomen dat de Inspectie van het Onderwijs herstelopdrachten inzet als verkapt stimuleringsmiddel?
Herstelopdrachten zien alleen op de wettelijke deugdelijkheidseisen en op de uitwerking die de onderzoekskaders daaraan geven. Daarmee geeft de inspectie uitvoering aan de toezichthoudende taak. Herstelopdrachten zijn dus noodzakelijke interventies en geen instrument om scholen aan te moedigen bovenwettelijke verbeteringen te implementeren. De inspectie maakt in haar rapporten ook duidelijk welke uitspraken worden gedaan in het kader van het nalevingstoezicht en welke uitspraken worden gedaan in het kader van stimulerend toezicht. We zien ook dat besturen daar gebruik van maken om verdere verbeteringen door te voeren, omdat zij het belangrijk vinden om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren en de adviezen van de inspectie graag ter harte nemen. Niet omdat zij hiertoe wettelijk verplicht zijn, maar omdat zij dit in het belang van de leerling achten.
Gaat de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van het onderzoek van professor Van Schoonhoven herstelopdrachten intrekken? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Nee, de inspectie geeft aan op basis van de verkenning door professor Van Schoonhoven geen aanleiding te zien herstelopdrachten in te trekken.
Wat doet u om schoolbesturen te wijzen op hun rechten als de Inspectie van het Onderwijs in gebreke blijft en/of onzorgvuldig te werk gaat?
De inspectie neemt verschillende maatregelen om schoolbesturen te wijzen op hun rechten. Zo worden besturen actief geïnformeerd over de hoor- en wederhoorprocedure en het recht op bezwaar en beroep bij het oordeel «zeer zwak». Rapporten met een ander oordeel kunnen aan de civiele rechter worden voorgelegd.
Daarnaast wordt door de inspectie gedurende een onderzoek ruimte geboden voor feedback en eventuele bezwaren tegen de werkwijze van de inspectie. Dit geeft scholen en besturen de kans om hun zorgen te uiten en hierover met de inspectie in gesprek te gaan. Tevens informeert de inspectie scholen en besturen over de mogelijkheid om een klacht in te dienen als zij vinden dat de inspectie onzorgvuldig heeft gehandeld. De inspectie zal dan samen met het bestuur op zoek gaan naar een mogelijke oplossing. Wanneer het niet lukt om tot een gezamenlijke oplossing te komen, wordt de klacht voorgelegd aan een onafhankelijke klachtadviescommissie. Deze klachtenprocedures zijn beschreven op de website van de inspectie en worden indien gewenst toegelicht tijdens inspectiebezoeken.
Wat doet u om schoolbesturen te stimuleren gebruik te maken van de mogelijkheid een bestuursreactie te geven op de bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs?
De inspectie sluit kwaliteitsonderzoeken af met een rapport van bevindingen. In zo’n rapport kan een beleidsreactie van het bestuur worden opgenomen, maar daarnaast kan het bestuur ook een zienswijze als bijlage laten opnemen. De inspectie informeert scholen en besturen via verschillende kanalen over deze mogelijkheden en nodigt het bestuur ook actief uit tot het insturen van een beleidsreactie, die wordt opgenomen als slothoofdstuk van het rapport. Scholen maken in veel gevallen ook al gebruik van deze mogelijkheden.
Bent u ermee bekend dat organisaties in het ringenoverleg soms aangeven dat zij de uitleg van de Inspectie van het Onderwijs niet in overeenstemming vinden met de wet? Vindt u ook dat, om te voorkomen dat individuele scholen last krijgen van een norm die kennelijk betwist wordt, in dit soort situaties nadere bespreking met externen wenselijk is en dat ook het parlement hiervan expliciet op de hoogte gesteld zou moeten worden?
Het Ringenoverleg is een waardevol overleg dat de inspectie met het onderwijsveld voert. Hierin worden onder andere de onderzoekskaders besproken en wordt ook stilgestaan bij de uitleg die wordt gegeven aan wettelijke bepalingen. Waar nodig spreekt de inspectie met individuele organisaties door om specifieke onderwerpen verder uit te diepen en worden wetenschappers geraadpleegd bij de totstandkoming van voorstellen voor de onderzoekskaders, om zo de uitleg van normen extra ter discussie te stellen als daarover meningsverschillen bestaan. De (woordelijke) verslagen van de ringenoverleggen zijn openbaar en worden altijd met de Tweede Kamer gedeeld.4
Het schrappen van de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP), Harmen Krul (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Hoeveel leerlingen ontvangen dit schooljaar godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op een openbare basisschool?
Ongeveer 50.000 leerlingen ontvangen vormingsonderwijs. Daarnaast zijn scholen vanuit de wettelijke kaders verplicht om aandacht te besteden aan identiteitsvorming via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Dit onderwijs moet gegeven worden aan alle leerlingen.
Hoe verhoudt uw voornemen om de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te schrappen zich tot de wettelijke opdracht van artikel 192 van de Wet op het primair onderwijs om subsidie te verstrekken aan de organisatie voor vormingsonderwijs en de duidelijke kaders die daarvoor bij de wetsbehandeling geschetst zijn? Onderkent u dat het schrappen van de subsidie niet mogelijk is zonder wetswijzing?
Met het wegvallen van de bekostiging aan het Centrum voor Vormingsonderwijs (hierna: CvV), valt hun bron van financiering weg. De bekostiging is op dit moment wettelijk geborgd. Voor de beëindiging van de subsidie wordt een voorstel tot wetswijziging gedaan. De financiering is nog voorzien in 2025 en 2026. De komende tijd wordt het juridische proces rondom het stopzetten van de subsidie per 2027 in gang gezet.
Wat is uw reactie op de constatering van het Centrum voor Vormingsonderwijs dat «[m]et dit voornemen het openbaar onderwijs op achterstand [wordt] gezet ten opzichte van het bijzonder onderwijs», omdat openbare scholen nu niet meer tegemoet kunnen komen «aan de terechte vraag naar levensbeschouwelijke vorming»?1
Scholen zijn vanuit de wettelijke kaders ook verplicht aandacht te geven aan de identiteitsontwikkeling van kinderen via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Scholen (zowel openbaar als bijzonder) worden dus niet op achterstand gezet, maar blijven dezelfde bekostiging houden om invulling te geven aan deze wettelijke kaders.
Vanwege de taakstelling moeten er keuzes gemaakt worden. Hierbij is ervoor gekozen het primaire proces van onderwijs (kort gezegd: het verplichte curriculum, opgenomen in de kerndoelen en de burgerschapsopdracht) te ontzien. Vormingsonderwijs is niet opgenomen in dit verplichte curriculum. Hiervoor is vastgelegd dat het aanvullend op verzoek van ouders kan worden aangeboden, ter verrijking van de identiteitsontwikkeling van kinderen.
Verwacht u dat scholen na het schrappen van de subsidie evengoed in staat zijn de leerlingen in de gelegenheid te stellen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen? Kunt u die verwachting onderbouwen? Hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat de subsidie in verband staat met het gewenste hoge kwaliteitsniveau, wat onder andere tot uitdrukking komt in het toepassen van de bevoegdheidseisen?
Die verwachting is er niet. Openbare scholen worden niet bekostigd om godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te geven. Dat past niet bij de aard van openbaar onderwijs. Wel zijn openbare scholen verplicht om via onderwijs over kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht leerlingen voor te bereiden op deelname aan een pluriforme samenleving. Hierbij doen leerlingen kennis op van de verschillende wereldreligies. Ze leren zich ook vanuit hun eigen waarden te verhouden tot mensen met een andere (levensbeschouwelijke) overtuiging. Het vormingsonderwijs is een aanvullend aanbod, buiten het verplichte curriculum van de school. De beëindiging van de subsidie aan het CvV raakt niet het primaire proces van scholen.
De hoge kwaliteit van het huidige vormingsonderwijs komt mede door de bevoegdheidseisen aan vakleerkrachten. Eventuele vragen ten aan de kwaliteit hebben geen rol gespeeld in het voorgenomen besluit de subsidie te beëindigen. Aan deze afweging ligt vooral ten grondslag dat we het primaire proces willen ontzien en dat de versterking van burgerschapsonderwijs ook bijdraagt aan identiteitsontwikkeling.
Erkent u dat levensbeschouwelijk vormingsonderwijs meer is dan «leerlingen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten», maar het ook gaat over het stellen van levensvragen, het zoeken naar een persoonlijk antwoord daarop en het helpen ontwikkelen van een eigen levensbeschouwelijke identiteit en op deze manier geen opdracht vanuit burgerschap is, zoals het Centrum voor Vormingsonderwijs stelt?
Ja, identiteitsvorming van leerlingen is van wezenlijk belang. We zien dat vormingsonderwijs breder is dan alleen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten. Bij vormingsonderwijs is de docent niet neutraal maar geeft hij vanuit de eigen overtuiging les. Vormingsonderwijs draagt echter niet alleen bij aan identiteitsvorming. Onderwijs over bijvoorbeeld het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht draagt ook bij aan de identiteitsontwikkeling van kinderen. Dit aanbod is verplicht vanuit de wet en kerndoelen. In de aangescherpte burgerschapsopdracht van 2021 is opgenomen dat de school leerlingen kennis over en respect voor verschillen in o.a. godsdienst en levensovertuiging moet bijbrengen. De aanvullende waarde van deze subsidieregeling is daarmee afgenomen, zeker daar waar het vormingsonderwijs wordt verstrekt in carrouselvorm. Bij het carrouselmodel ontvangen leerlingen namelijk in lessenserie vormingsonderwijs over verschillende levensbeschouwingen, in plaats van dat leerlingen het hele jaar les krijgen over één specifieke levensbeschouwing. Wij denken dat scholen met het onderwijs over burgerschap en Geestelijke stromingen een groot deel van het aanbod van vormingsonderwijs zullen opvangen en dat leerlingen voldoende ruimte krijgen om te leren van en over elkaars geloof en levensovertuigingen en daarbij hun eigen identiteit verder te ontwikkelen.
Heeft u voorafgaande dit besluit gesproken met ouders die veel waarde hechten aan dit godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs? Wat kunt u delen over deze gesprekken?
Voorafgaand aan dit besluit is niet direct gesproken met ouders van kinderen die vormingsonderwijs ontvangen. Dat is ook niet gangbaar bij dergelijke besluiten. Wel geeft het evaluatierapport enkele inzichten in de positie van ouders ten aanzien van het vormingsonderwijs in de praktijk. Uit de eerste resultaten blijkt dat het aanbod aan vormingsonderwijs op veel scholen in beperkte mate tot stand komt op verzoek van ouders, terwijl het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat ouders de vragende partij zijn. Het evaluatierapport zal begin volgend jaar naar uw Kamer gestuurd worden.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
De vragen zijn op 27 november aan uw Kamer gezonden.
Antwoorden op eerdere schriftelijke vragen over studiefinanciering voor internationale studenten |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoeveel internationale studenten een aanvullende beurs krijgen? Kunt u deze gegevens uitsplitsen over de afgelopen vijf jaar? Kunt u dit uitsplitsen naar master- en bacheloropleidingen, hbo en wo en naar het aantal studenten dat een basisbeurs ontvangt?1
Ik beschik op dit moment nog niet over alle benodigde gegevens om een compleet beeld te geven van het aantal studenten uit EER-landen en Zwitserland die de afgelopen vijf jaar een aanvullende beurs hebben ontvangen en de daarbij gevraagde uitsplitsingen. Deze gegevens zal ik, zoals eerder aan uw Kamer toegezegd, komend voorjaar met uw Kamer delen als onderdeel van de monitor over het effect van de herinvoering van de basisbeurs op het aantal EER-studenten dat in Nederland komt studeren. Deze monitor is mede opgezet naar aanleiding van de motie El Yassini en Peters2 en over de invulling van deze monitor heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd3.
Om een goede vergelijking tussen verschillende jaren en verschillende databronnen te kunnen maken, is het van belang dat deze op dezelfde definities, periodes en peildata gebaseerd zijn. In het geval van studiefinanciering worden de uitgaven en ramingen gebaseerd op gegevens per kalenderjaar. Om bovenstaande redenen en voor een zo volledig mogelijk beeld wil ik de studiefinancieringsgegevens van de laatste maanden van 2024 ook meenemen. Daarbij zijn voor een vergelijking van het relatieve aantal EER-studenten met een aanvullende beurs in vergelijking met Nederlandse studenten inschrijvingsgegevens nodig over het aantal studenten (EER en Nederlands) in studiejaar 2024–2025. Deze gegevens zijn op dit moment nog niet bekend.
Kunt u aangeven wat de meest voorkomende nationaliteiten zijn in de groep internationale studenten die nu een aanvullende beurs ontvangen, en of specifieke lidstaten oververtegenwoordigd zijn vergeleken met het totale aantal internationale studenten?
Het is voor mij op korte termijn niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren. De reden hiervoor is dat DUO de nationaliteit van een niet-Nederlandse student niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. DUO hoeft bij het toekennen van studiefinanciering aan deze student enkel vast te stellen of deze student de juiste verblijfstitel heeft. De nationaliteit is daarom binnen het studiefinancieringsstelsel niet relevant.
Om uw Kamer de gevraagde informatie wel te kunnen leveren, zullen studiefinancieringsgegevens gekoppeld moeten worden aan andere gegevensbestanden bij de rijksoverheid. Met het koppelen van gegevensbestanden hoort de overheid zeer zorgvuldig om te gaan. De komende periode ga ik onderzoeken of deze koppeling tot stand kan én mag worden gebracht. De benodigde koppeling dient zorgvuldig te worden uitgewerkt met zowel oog voor de uitvoerbaarheid als de wet- en regelgeving ten aanzien van het gebruik van persoonsgegevens. In de reeds toegezegde monitor die ik dit voorjaar naar uw Kamer zal sturen4, zal ik u verder informeren over de voortgang van dit informatieverzoek.
Kunt u inzicht verschaffen in de gronden waarop deze aanvullende beurzen worden toegekend?
Zoals hiervoor toegelicht beschik ik op dit moment nog niet over alle benodigde gegevens om uitsplitsingen te maken over het aanvullende beurs gebruik van EER-studenten. Om die reden ga ik de verschillende gronden waarop EER-studenten een aanvullende beurs krijgen toegekend dit voorjaar inzichtelijk maken en opnemen als onderdeel van de monitor over het effect van de herinvoering van de basisbeurs op het aantal EER-studenten dat in Nederland komt studeren.
In algemene zin geldt dat EER-studenten aanspraak maken op studiefinanciering wanneer zij reeds vijf jaar of langer legaal verblijven in Nederland, of wanneer zij zelf, hun ouder of partner, kwalificeren als migrerend werknemer. Voor wat betreft het bepalen van het recht op een aanvullende beurs gelden dezelfde regels voor studenten met de Nederlandse nationaliteit als voor studenten uit overige EER-landen en Zwitserland.
Hoe vaak ontvangen internationale studenten een aanvullende beurs ten opzichte van Nederlandse studenten?
Zie antwoord vraag 1.
Bij hoeveel van de toegekende aanvullende beurzen voor internationale studenten wordt het inkomen van in ieder geval een van de ouders niet meegewogen en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse studenten?
Op 1 september 2023 is aan 50.324 studenten een aanvullende beurs toegekend waarbij voor minimaal één ouder het inkomen niet is meegewogen. Hierbij betreft het 7.210 internationale studenten waarvan 2.067 EER-studenten en 5.143 studenten die op basis van een specifieke verblijfvergunning recht hebben op studiefinanciering. Studenten die in Nederland recht hebben op studiefinanciering op basis van duurzaam verblijf5 tellen in deze aantallen niet mee bij het aantal internationale en EER-studenten. Deze groep is meegenomen bij de studenten met een Nederlandse nationaliteit.
Een belangrijke kanttekening is dat DUO bij het niet mee laten wegen van het inkomen van een of beide ouders alleen kijkt of iemand recht heeft op studiefinanciering. Of het een Nederlandse student betreft, een EER-student of een student die op basis van een verblijfsvergunning recht heeft op studiefinanciering wordt in dit proces niet geregistreerd.
In de reeds toegezegde monitor die ik dit voorjaar naar uw Kamer zal sturen6, zal ik u informeren over actuele cijfers ten aanzien van internationale studenten waarbij het inkomen van een of beide ouders niet is meegewogen bij het toekennen van een aanvullende beurs.
Hoe stelt de Dienst Uitvoering Onderwijs het inkomen van ouders van internationale studenten vast en als dit niet met zekerheid valt te achterhalen wordt er dan een inschatting gemaakt en, zo ja, hoe?
Het is afhankelijk van waar de ouders van de internationale student belastingplichtig zijn hoe het inkomen wordt vastgesteld. Als de ouders in Nederland belastingplichtig zijn, bijvoorbeeld omdat zij hier werken en hun kinderen afgeleid daarvan recht krijgen op volledige studiefinanciering, worden de inkomensgegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Dit gaat geheel automatisch. Ook wanneer de ouders van de student reeds een zogenoemd Wereldinkomen hebben aangevraagd bij de Belastingdienst, wordt dit door de Belastingdienst met DUO gedeeld.
Als er geen inkomen bekend is bij de Belastingdienst dan wordt het inkomen van de ouders opgevraagd bij de ouders. De student moet dan bewijsstukken aanleveren om het inkomen van de ouders vast te stellen. Op basis van bijvoorbeeld de jaaropgave en belastingaangifte benadert DUO het toetsingsinkomen van deze ouders dan zo goed mogelijk. Als er geen bewijsstukken worden aangeleverd, wordt ervanuit gegaan dat het inkomen van de ouders voldoende is om de student zelf te ondersteunen. Er wordt dan geen aanvullende beurs toegekend aan de student.
Het bericht 'Mbo-instelling verbiedt telefoongebruik in de klas' |
|
Sandra Beckerman |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Bent u bekend met het feit dat het Welzijn College van het ROC Midden Nederland een verbod op mobiele telefoons tijdens lessen heeft ingevoerd?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Hoe beoordeelt u deze maatregel en de effecten die door docenten zijn gemeld, zoals verbeterde concentratie, leerprestaties en een beter leerklimaat?
Ik vind dit een mooi initiatief en moedig meer mbo-instellingen aan om mobiele telefoons in de klas te verbieden als zij dat nodig achten. Ik vind het daarbij van belang dat docenten en mbo-instellingen zelf een inschatting maken of het wenselijk is om telefoons te verbieden in de lessen ten behoeve van concentratie, leerprestaties en een beter leerklimaat. Ik moedig mbo-instellingen aan om hierover met hun docenten en studenten in gesprek te gaan en op basis daarvan te bepalen wat nodig is.
Erkent u de problemen die gepaard gaan met het gebruik van mobiele telefoons tijdens lessen, zoals concentratieverlies en extra werkdruk voor docenten?
Ja, ik erken dat het gebruik van mobiele telefoons tijdens lessen kan zorgen voor verminderde concentratie en extra werkdruk.
Welke concrete stappen onderneemt het ministerie om scholen te ondersteunen bij het invoeren van maatregelen die het telefoongebruik beperken?
Op dit moment onderneemt het ministerie geen stappen om mbo-instellingen te ondersteunen bij het invoeren van maatregelen rond mobieltjesverbod.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat binnen het mbo een meerderheid van de onderwijspersoneelsleden voorstander is van een telefoonverbod tijdens lessen, zoals blijkt uit een enquête van de Algemene Onderwijsbond (AOb)?
Ik vind het goed dat onderwijspersoneel zich uitspreekt over de zorgen die zij hebben. Dit is een duidelijk signaal. Ik moedig hen aan om dit bespreekbaar te maken in hun team en op instellingsniveau, zodat teams en mbo-instellingen daarover waar nodig afspraken kunnen maken.
Bent u bereid om, gezien deze uitkomsten, een landelijk beleid te overwegen voor het verminderen van telefoongebruik tijdens lessen in het mbo?
Ik overweeg niet om een landelijke richtlijn voor alle mbo-instellingen in te voeren. Het mbo kent bovendien een diverse doelgroep waarbinnen een deel van de studenten volwassen is. Daarom kan het passend zijn dat er ruimte voor maatwerk blijft als het gaat om afspraken rond telefoongebruik tijdens de les in het mbo, maar ook dit is aan de mbo-instelling om te overwegen.
Overweegt u om landelijke richtlijnen in te voeren voor het verminderen van telefoongebruik op scholen, zowel in het primair, voortgezet als middelbaar beroepsonderwijs?
Nee, zie antwoord 6.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de effectiviteit van telefoonvrije lessen, met aandacht voor verbeterde leerprestaties, werkplezier van docenten, en vermindering van afleiding in de klas?
Ik zal hier geen onderzoek naar doen. Docenten en mbo-instellingen kunnen op basis van hun eigen ervaring een afweging maken. Ik acht het niet nodig om de effectiviteit van telefoonvrije lessen landelijk in beeld te brengen.
In hoeverre ziet u mogelijkheden om scholen financieel of praktisch te ondersteunen bij het implementeren van maatregelen, zoals afsluitbare telefoonhoesjes of andere technieken, om het telefoongebruik tijdens lessen effectief te beperken?
Instellingen kunnen hiervoor de lumpsum inzetten. Ook moedig ik scholen aan om goede voorbeelden met elkaar te delen.
Kinderopvang voor speciaal onderwijs |
|
Senna Maatoug (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Nobel , Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de zorgen van gemeenten zoals Leiden en Amsterdam over het gebrek aan kinderopvang voor kinderen op het speciaal onderwijs? Hoe beoordeelt de regering deze zorgen?1, 2
Wij vinden het belangrijk dat er voor elk kind een passende plek is in de kinderopvang. Ook voor kinderen die meer ondersteuning nodig hebben.
We herkennen de zorgen van meerdere gemeenten zoals Leiden en Amsterdam, maar ook van kinderopvangorganisaties, scholen en ouders. Diverse zorgen zijn in verschillende gesprekken met diverse stakeholders en onderzoeken3 naar voren gekomen en deze nemen we serieus. Tegelijkertijd is het neerzetten van kinderopvangaanbod met extra ondersteuning complex en vraagt dit om een stevige samenwerking tussen kinderopvangorganisatie, gemeente en zorg- en/of onderwijspartijen.
We zien dat er mooie voorbeelden in de praktijk ontstaan. Zo ook in de gemeente Amsterdam die budget gereserveerd heeft voor buitenschoolsopvang plus (bso+) om juist voor kinderen die naar het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs gaan een passende plek na schooltijd te bieden. De gemeente is tevreden over de organisaties die deze opvang bieden. Hiermee zijn ook ouders geholpen: zij hoeven niet noodgedwongen te stoppen met werken of minder te gaan werken.
Samen met de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport stimuleren we de doorontwikkeling van inclusievere vormen van kinderopvang.4 We zetten in op kennisdeling en het makkelijker maken van samenwerking tussen de verschillende sectoren. Er wordt momenteel een handreiking ontwikkeld voor gemeenten, kinderopvangorganisaties en zorg- en onderwijspartijen. Hierin komen ook handvatten en voorbeelden van hoe er meer bso bij scholen voor speciaal (basis)onderwijs gerealiseerd kan worden. Zo hopen we dat steeds meer partijen hun rol pakken en hierin samen optrekken en investeren. Zodat nog meer kinderen met een ondersteuningsbehoefte zich ook op de opvang kunnen ontwikkelen en hun ouders kunnen werken. Hierover kunt u meer lezen in de gezamenlijke beleidsreactie op het rapport Druk op de Keten die de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport u mede namens ons toestuurt.
Kunt u de wetsgeschiedenis op dit punt schetsen en daarbij in ieder geval de motie van de leden Van Aartsen-Bos en de memorie van toelichting van de Wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met buitenschoolse opvang betrekken?3, 4
In 2006 is de motie Van Aartsen/Bos aangenomen.7 Deze leden constateerden een groot spanningsveld tussen de arbeidstijden van werkende ouders en de schooltijden van hun kinderen in het primair onderwijs, en dat zij daardoor voor de opvang van hun kinderen aangewezen zijn op de voor- en naschoolse opvang. In de motie werd verzocht de wet- en regelgeving zodanig aan te passen dat scholen worden verplicht hetzij voor- en naschoolse opvang te bieden, hetzij faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen en de randvoorwaarden hierbij aan te geven. Om aan deze motie invulling te geven zijn de Wet op het primair onderwijs en de Wet medezeggenschap gewijzigd. Hierdoor zijn scholen in het primair onderwijs nu verantwoordelijk om buitenschoolse opvang te organiseren indien een of meer ouders hierom verzoeken.8 Dit betekent dat zij voor- en naschoolse opvang moeten bieden, of het mogelijk maken dat andere partijen dat doen en de randvoorwaarden hierbij aan te geven. Het schoolbestuur is dus niet verplicht dit zelf te organiseren. Buitenschoolse opvang is namelijk nadrukkelijk geen vorm van onderwijs. Omdat er ten tijde van deze wijziging onvoldoende bekend was over mogelijke problemen tussen de aansluiting van scholen en de opvang voor leerlingen in het speciaal onderwijs is het speciaal onderwijs niet meegenomen in deze wijziging. In de memorie van toelichting is daarom opgenomen dat er onderzocht zou worden hoe het speciaal onderwijs invulling kan geven aan deze verplichting.9 Over dit onderzoek leest u meer bij het antwoord op vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitspraak in deze memorie van toelichting dat op het speciaal onderwijs kinderen zitten met dusdanige beperkingen «dat de reguliere kinderopvang niet altijd voldoende toegerust is om deze kinderen op te vangen»?
Deze uitspraak is vandaag de dag nog van toepassing. Kinderen die naar het speciaal (basis)onderwijs gaan, gaan vaak niet naar de reguliere kinderopvang omdat hier niet altijd de benodigde expertise en ondersteuning beschikbaar is. Er zijn echter wel mooie voorbeelden en pilots van kinderopvang voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Is het nog steeds onvoldoende bekend «in hoeverre er voor wat betreft de aansluiting tussen de scholen en de opvang problemen zijn voor ouders en kinderen», zoals in deze memorie van toelichting staat?
Nee, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Op welke manier is aan de toezegging, die in deze memorie van toelichting staat, voldaan dat onderzocht zal worden hoe het speciaal onderwijs invulling kan geven aan deze verplichting? Wat waren de uitkomsten van dit onderzoek? Bent u bereid dit onderzoek te actualiseren?
In 2007 hebben Sardes en de CED groep onderzoek gedaan naar de behoefte aan buitenschoolse opvang (bso) voor kinderen uit het speciaal (basis)onderwijs en de uitvoeringspraktijk daarvan. En naar welke (financiële) knelpunten een vorm van bso in de weg staan en hoe de praktijk denkt over een verplichting.10 Het onderzoek laat zien dat er verschillende vormen van bso zijn waar kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte naartoe kunnen. Zowel reguliere vormen van opvang, als opvang die aansluit bij de school voor speciaal (basis)onderwijs (vaak bso+ genoemd). Succesfactoren die daarbij genoemd worden zijn: goed opgeleid personeel dat ervaring heeft met de doelgroep, kleine groepen waarin ieder kind voldoende aandacht krijgt en er rust gewaarborgd is, een goede ruimte zowel binnen als buiten en goede contacten met ouders en school. Uit het onderzoek bleek ook dat de behoefte aan bso groter is dan het op dat moment beschikbare aanbod (het ging in 2007 om 10.000 kinderen en jongeren extra die naar bso zouden gaan als er goed aanbod was). En dat in sommige gevallen men niet weet dat er aanbod beschikbaar is. De meeste ouders wilden dat hun kind naar een reguliere bso dicht bij huis kan, zodat ze aansluiting hebben met kinderen uit de buurt en/of naar dezelfde opvang kan als een broertje of zusje. Ook de experts uit het onderwijsveld wensten, met een kleine meerderheid, vooral geïntegreerde vormen van bso. Over de wettelijke verplichting was men verdeeld. Er werd onderschreven dat leerlingen uit het speciaal (basis)onderwijs dezelfde garanties verdienen ten aanzien van bso-aanbod. Maar niet iedereen vond dat dat deze verplichting bij de scholen belegd zou moeten worden. De uitvoeringspraktijk is erg ingewikkeld voor scholen, zie daarvoor ook het antwoord op vraag 6.
In 2008 heeft Sardes vervolgonderzoek gedaan.11 Hieruit kwam naar voren dat, ondanks dat scholen geen verplichting hebben om bso aan te bieden, scholen langzaam begonnen met het organiseren van opvang na reguliere schooltijd. Ongeveer 1 op de 6 scholen voor speciaal (basis)onderwijs bood destijds bso aan. Verder maakte het merendeel van de kinderen en ouders gebruik van het speciale aanbod van de school en niet de reguliere opvang dichtbij huis. Met als reden dat het personeel daar toegerust is om opvang voor hun kind te verzorgen, maar ze vinden het ook belangrijk dat hun kind niet ver hoeft te reizen van school naar bso. Een groot verschil met het eerste onderzoek is dat ouders hier aangaven een voorkeur te hebben voor bso in de wijk. De verwachting van de onderzoekers is dat de ouders uit het onderzoek uit 2008 helaas in de praktijk hebben ervaren dat bso nabij thuis toch niet passend is voor hun kind. Daarbij was het volgens de onderzoekers niet in te schatten hoeveel extra vervoersbewegingen er bij komen als meer kinderen gebruik gaan maken van bso.
Vorig jaar heeft de Staatssecretaris van VWS uw Kamer het onderzoeksrapport Druk op de Keten gestuurd.12 Gelijktijdig stuurt de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport u mede namens ons een beleidsreactie op dit rapport. Dit onderzoek laat zien dat de druk op de gehele keten van kinderopvang, onderwijs en zorg voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte is toegenomen in de periode 2016–2019. Naast de cijfers die uit dit onderzoek naar voren komen hebben we ook vanuit diverse gemeentes en andere partijen, zoals aangegeven bij vraag 1, recente signalen ontvangen dat de druk in de afgelopen jaren verder is toegenomen. Aangezien we door recente signalen een helder beeld hebben is aanvullend onderzoek niet nodig.
Wat voor afweging ziet u met betrekking tot een mogelijke verbreding van de wettelijke plicht om buitenschoolse opvang te regelen voor het speciaal onderwijs c.q. speciale scholen voor basisonderwijs, net zoals artikel 45, lid 2 van de Wet op het primair onderwijs dit regelt voor basisscholen?
Het verbreden van een wettelijke plicht naar het speciaal onderwijs is complex en vraagt veel van scholen. Daarbij wil ik allereerst benadrukken dat buitenschoolse opvang geen vorm van onderwijs is en daarmee geen kerntaak van scholen is. In het hoofdlijnenakkoord van dit kabinet is afgesproken dat de verbetering van de beheersing van basisvaardigheden lezen, schrijven en rekenen de komende jaren centraal moet staan in het onderwijs. We zetten hier daarom middelen voor in.
Tegelijkertijd zien we ook dat er een behoefte is aan meer en passend aanbod van opvang voor de groep kinderen die extra ondersteuning nodig heeft. Daarom gaan we de komende periode graag het gesprek aan met betrokken partijen over de knelpunten die er nu zijn en hoe we die gezamenlijk weg kunnen nemen. We zullen de mogelijkheden van een wettelijke verplichting als een van de opties bespreken en verkennen met het veld. Daarbij zetten we in ieder geval nu al in op het stimuleren van meer aanbod via kennisdeling, door de eerder genoemde handreiking. We betrekken daarbij ook de beweging richting inclusief onderwijs. Er blijft daarmee altijd een vorm van speciaal onderwijs bestaan, maar er zullen vanwege deze beweging ook steeds meer leerlingen gezamenlijk naar een school in de buurt gaan. Het ligt dus ook voor de hand om te bezien wat dit betekent voor het aanbod van buitenschoolse opvang.
Met betrekking tot een wettelijke verplichting zijn de volgende overwegingen in ieder geval relevant:
De afstand van thuis naar school en de reistijd kunnen erg verschillen. Veel leerlingen worden ’s ochtends opgehaald en thuisgebracht door taxivervoer en op verschillende tijdstippen op school afgezet. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer ligt bij de gemeenten en wordt bekostigd uit het gemeentefonds. Op basis van de huidige regeling13 hoeven alleen de kosten te worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Als de leerlingen niet alleen van en naar school, maar ook van en naar de opvang moeten worden gebracht moeten aanvullende afspraken gemaakt worden. Het is niet in te schatten hoeveel en welke extra vervoersbewegingen er dan bij komen. Daarom is het ook niet mogelijk om een inschatting te geven van de kosten. Daarnaast is het nu al vaak ingewikkeld genoeg om voldoende vervoer te organiseren door een tekort aan taxichauffeurs. Ook zou het kunnen betekenen dat de kinderen na hun schooldag nog langer onderweg zijn naar de kinderopvang of naar huis doordat andere kinderen op verschillende locaties moeten worden afgezet.
Deelt u de opvatting dat het juist voor kinderen op het speciaal onderwijs van belang is dat de kinderopvang goed is geregeld?
Ieder kind verdient goede kinderopvang, ook kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Wij streven er naar dat de kinderopvang idealiter zo inclusief mogelijk wordt in de toekomst. Dit sluit ook aan bij de doelstellingen van de Nationale strategie voor implementatie van het VN-verdrag Handicap waarvan op dit moment de werkagenda wordt gemaakt. Hoe we dit kunnen bereiken zullen we de komende periode, samen met het veld, nader uitwerken.
Acht u het wenselijk om kinderen uit het speciaal onderwijs hetzelfde wettelijke recht op kinderopvang te geven als kinderen in het reguliere onderwijs? Bent u het ermee eens dat idealiter de kinderopvang ook zo inclusief mogelijk wordt, zodat kinderen met en zonder beperking elkaar al op jonge leeftijd tegenkomen?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke manier kan een dergelijke wettelijke verplichting worden vormgegeven?
De afwegingen, die ik u bij vraag 6 heb geschetst, dienen gemaakt te worden om te bepalen of een wettelijke verplichting wenselijk en haalbaar is. Bij de gesprekken met het veld is het een mogelijkheid om een wettelijke verplichting als een van de opties te bespreken en verkennen.
Wat voor oplossing ziet u (nog meer) voor kinderen die niet terecht kunnen bij een kinderdagcentrum of de kinderopvang vanwege de benodigde zorg?
Voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte die naar het speciaal (basis)onderwijs gaan is er soms ook gespecialiseerd aanbod vanuit een (jeugd)zorgaanbieder mogelijk. Daarnaast zien we op dit moment in het hele land veel goede voorbeelden van samenwerking tussen scholen, kinderopvang en zorgpartijen, zodat kinderen met een ondersteuningsbehoefte ook zoveel mogelijk naar een reguliere kinderopvang met extra ondersteuning (vaak plusopvang genoemd) kunnen gaan. Dit wordt nu vaak in kleinere groepen met extra ondersteuning en expertise geboden. Ook nu al zijn hier dus mogelijkheden voor, en die willen we stimuleren, bijvoorbeeld via het delen van kennis en goede voorbeelden middels de handreiking die wordt ontwikkeld.
Bent u bereid om met betrokken partijen in gesprek te gaan over de mogelijkheden om kinderopvang voor kinderen in het speciaal onderwijs wettelijk te verankeren?
Ja. Zie verder het antwoord bij vraag 6.
Bent u bereid om met betrokken partijen in gesprek te gaan over de mogelijkheden om kinderopvang voor kinderen in het speciaal onderwijs beter te faciliteren en te stimuleren?
Ja. Zie verder het antwoord bij vraag 6.
Het delen van alternatieve opties voor het uitstellen van de curriculumherziening. |
|
Doğukan Ergin (DENK), Ilana Rooderkerk (D66), Sandra Beckerman , Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kunt u de scenarioverkenning ten behoeve van aanpassingen in het proces van de kerndoelenherziening (specifiek: nota #47559751) delen met de Kamer vóór het commissiedebat over de curriculumherziening en het masterplan basisvaardigheden op woensdag 16 oktober 2024? Zo nee, waarom niet?
Bij deze schrijf ik u dat ik niet aan uw verzoek kan voldoen. De genoemde nota is de nota ter ondertekening voor aanlevering van het wetsvoorstel herziening wettelijke grondslagen kerndoelen bij de Raad Sociaal Domein. In lijn met het kabinetsbrede beleid rondom openbaarmaking worden stukken ter voorbereiding van de ministerraad en onderraden in principe niet openbaar gemaakt om de eenheid van kabinetsbeleid te waarborgen. Genoemde nota diende ter voorbereiding van de bespreking in de onderraad en zal ik derhalve dan ook niet openbaar maken.
Kunt u deze vraag vóór woensdag 16 oktober 10:00 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Experts waarschuwen: Chinese spionage escaleert en Westen krijgt er geen grip op' |
|
Claire Martens-America (VVD), Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Experts waarschuwen: Chinese spionage escaleert en Westen krijgt er geen grip op1»?
Ja.
Herinnert u zich de recent aangenomen motie van het lid Martens-America c.s. over overleggen met kennisinstellingen, zodat er geen nieuwe PhD-studenten met een CSC-beurs worden toegelaten tot gevoelige onderzoeksgebieden?2
Ja.
Bent u het eens dat dit probleem onze topprioriteit moet hebben? Kunt u het antwoord toelichten?
Het weerbaarder maken van Nederland tegen dreigingen van statelijke actoren is zeker een prioriteit van het kabinet.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de NCTV waarschuwen in hun jaarverslagen en in het Dreigingsbeeld Statelijke actoren 23 al langer voor de risico’s op ongewenste kennis- en technologieoverdracht door verscheidende statelijke actoren binnen kennisinstellingen.
In de aanpak kennisveiligheid4 richt ik mij specifiek op het tegengaan van ongewenste overdracht van kennis en technologie in de academische sector. Het Ministerie van OCW voert hierover regelmatig overleg met de sectoren en vergroot hierbij de bewustwording. Ook kunnen kennisinstellingen contact opnemen met het Loket Kennisveiligheid. Het loket adviseert onder meer over ongewenste kennis- en technologieoverdracht en over de risico’s van bepaalde internationale samenwerkingen. Tot slot werk ik op dit moment aan een wetsvoorstel waarmee een wettelijke screeningsplicht voor onderzoekers en masterstudenten wordt geïntroduceerd daar waar de risico’s voor de nationale veiligheid het grootst zijn.
Het wetsvoorstel uitbreiding strafbaarheid spionageactiviteiten, dat uw Kamer op 14 mei jl. heeft aangenomen, maakt het daarnaast mogelijk om strafrechtelijk op te treden tegen meer vormen van spionage dan nu het geval is.5 Doel van het wetsvoorstel is om onze nationale veiligheid, de veiligheid van personen, vitale infrastructuur en hoogwaardige technologieën beter te kunnen blijven beschermen. Het wetsvoorstel wordt op dit moment behandeld in de Eerste Kamer.
Bent u van plan de brief over dit probleem zo snel mogelijk naar de Kamer te sturen in plaats van te wachten op het commissiedebat Kennisveiligheid van januari 2025? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op 25 oktober jl. heb ik uw Kamer middels een voortgangsbrief geïnformeerd over de wijze waarop ik uitvoering heb gegeven aan de motie van het lid Martens-America (VVD) c.s.6 over het beperken van CSC-bursalen op gevoelige onderzoeksgebieden.
In eerdere berichtgeving leek het probleem zich te centreren op technische studies en opleidingen, terwijl nu blijkt dat dit probleem veel breder is. In hoeveel situaties is hier sprake van en wat doet u daar op dit moment aan?
In de aanpak kennisveiligheid richt ik mij op de hele academische sector. Dit betekent dat alhoewel berichtgeving zich vaak concentreert op technische vakgebieden, de aanpak sector-breed is. Mijn ambtsvoorganger heeft in 2022 Nederlandse kennisinstellingen verzocht een kennisveiligheidsopgave te maken en passende maatregelen rondom kennisveiligheid te nemen7. Ik ben met de kennissector in dialoog om een realistisch, effectief en werkbaar kennisveiligheidsbeleid voor zowel overheid als kennisinstellingen te verwezenlijken. Ik kan geen uitspraken doen over hoe vaak spionage bij technische studies voorkomt. Ik wil wel benadrukken dat mijn aanpak erop toegespitst is om spionage en ongewenste kennis- en technologieoverdracht bij kennisinstellingen zoveel mogelijk te voorkomen.
Bent u bekend met de situatie dat Chinese studenten zich inschrijven bij een onderwijsinstelling onder een letterenstudie en snel overschakelen naar een technische studie waar inlichtingen worden verzameld? Kunt u het antwoord toelichten?
Ik ben mij bewust van het risico dat wanneer studenten uit welk land dan ook, mits zij voldoen aan de toelatingseisen, kunnen wisselen van studie. Ik heb de universiteiten hierover geraadpleegd om na te gaan of er indicaties zijn dat dit soort gevallen zich voordoen bij Chinese studenten. Zij geven aan dat het aantal Chinese studenten dat van opleiding verandert zeer beperkt is. Daarnaast is er geen trend aan te wijzen dat Chinese studenten structureel van niet-technische naar technische opleidingen proberen te wisselen.
Ik kan echter niet volledig uitsluiten dat de beschreven situatie ooit voorkomt. Om in de toekomst dit risico te verkleinen ben ik voornemens het wisselen van studie onder de reikwijdte van het wetsvoorstel screening kennisveiligheid te brengen. In de tussentijd vraag ik kennisinstellingen om hierop alert te zijn en bij twijfel contact op te nemen met het Loket Kennisveiligheid.
Treedt u met onderwijsinstellingen hierover op dit moment in contact en wat kunt u er vanuit het ministerie aan doen om onze kennisveiligheid te beschermen tegenover de spionageactiviteiten van China? Kunt u het antwoord toelichten?
Ja, ik bespreek het kennisveiligheidsbeleid op zeer regelmatige basis met bestuurders van kennisinstellingen, zoals tijdens de bestuurlijke dialogen in het voorjaar van 2024 en tijdens gesprekken op ambtelijk niveau. Ik spreek met de bestuurders over alle risico’s omtrent kennisveiligheid zodat de kans op ongewenste kennis- en technologieoverdracht wordt gemitigeerd. Hierbij zijn ook andere departementen en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten betrokken. Tijdens deze gesprekken blijkt dat kennisinstellingen de dreiging serieus nemen, hun kennisveiligheidsbeleid uitvoeren en deze verder ontwikkelen. Ik werk met de kennissector toe naar een brede implementatie van het gebruik van een volwassenheidsmodel, zoals ook voor cybersecurity wordt gedaan. Door middel van het Loket Kennisveiligheid, de Nationale Leidraad Kennisveiligheid en de learning community ondersteun ik kennisinstellingen hierbij nog verder.
Bent u bekend met de samenwerkingen van Wageningen University & Research bij de Autonomous Greenhouse Challenge met het Chinese techbedrijf Tencent?
Ik benadruk dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan van internationale samenwerkingen door kennisinstellingen maatwerk is en bij henzelf ligt. Zij moeten hierbij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Ik verwacht dat kennisinstellingen risico’s in beeld hebben, een zorgvuldige afweging maken en waar nodig maatregelen treffen. Wel ondersteun ik kennisinstellingen bij het maken van deze afweging, bijvoorbeeld door uitvoering te geven aan de motie van de leden Rooderkerk en Paternotte (D66)8 om samen met de kennissector aan een landelijke set uniforme criteria te werken. Deze criteria helpen kennisinstellingen om inschattingen te maken van de risico’s van internationale samenwerkingen.
Ziet u risico’s voor kennisveiligheid in dit type samenwerkingen gezien het belang van AI in tuinbouw en de toegang tot know-how door Chinese bedrijven? Kunt u het antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u de Kamer in de tussentijd al meenemen in de nieuwste ontwikkelingen ten behoeve van kennisveiligheid en niet te wachten tot het commissiedebat Kennisveiligheid in januari 2025? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb uw Kamer op 25 oktober jl. hierover geïnformeerd.