Het coronavirus |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Vanaf 7 juni zijn alle middelbare scholen weer open voor leerlingen en hoeft er geen 1,5 meter afstand meer worden gehouden, heeft u er al een beeld van hoe groot het aandeel scholen is dat werkt met twee keer per week zelftesten? Wordt minimaal 50% van de leerlingen en docenten reeds gehaald? Zo ja, krijgt de Kamer nog een overzicht over de participatiegraad? Zo nee, hoe denkt u de participatiegraad nog voor de zomervakantie te verhogen?
Het Ministerie van OCW heeft enkel gegevens van de distributie van de testen. Er is nog geen zicht op in hoeverre de testen daadwerkelijk gebruikt worden. Wel is een monitoringsonderzoek gestart om beter zicht te krijgen op testbereidheid onder personeel, leerlingen en studenten. De eerste resultaten hiervan worden eind juli verwacht. Het eindrapport wordt in september verwacht; deze zal ook met uw Kamer gedeeld worden. Een eerste indicatie van de testbereidheid krijgen we door middel van de aanvraagmodule die is ingericht voor scholen in het po en vo. Via deze module kunnen scholen aangeven of zij meer of minder testen willen ontvangen. Hieruit blijkt (peildatum 29 juni 2021) dat 79% van de vo-scholen nog hetzelfde aantal testen of meer testen geleverd wil krijgen dan in de voorgaande weken. Van de 1889 vo-scholen zijn er 398 scholen die minder of geen testen willen ontvangen. De voornaamste reden hiervan is dat zij voldoende testen op voorraad hebben.
In de communicatie naar scholen wordt gewezen op het belang van het gebruik van de zelftesten. Daarnaast is sinds 1 juni een jongerencampagne live op social media (Facebook, Instagram, Tiktok, Snapchat en scholieren.com) en hangen er posters in scholen. De campagne heeft een goed bereik.
Bent u ervan op de hoogte dat vanaf 1 augustus geen nieuwe aanvragen meer kunnen worden ingediend voor zelftesten in het onderwijs, via zelftestonderwijs.nl? Waarom stopt deze regeling en bent u voornemens deze regeling alsnog te prolongeren?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Uw Kamer heeft hierover met mij gesproken tijdens het plenair debat over de ontwikkelingen rondom Corona van 24 juni jl. Daarbij heeft u tevens de motie Westerveld1 ingediend die het kabinet oproept om het aanvragen van zelftesten via de website www.zelftestonderwijs.nl langer te accepteren. Deze motie is op verzoek van het kabinet aangehouden zodat we uw Kamer eerst nader kunnen informeren. Uw Kamer heeft hier op 1 juli jl. een brief over ontvangen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2.
Kunt u het rapport van de werkgroep Landelijke Coordinatie Testketen (LCT) naar de mogelijkheden om zelftesten te gebruiken naar aanleiding van de motie Westerveld en Paternotte naar de Kamer sturen?1
Ja, uw Kamer heeft de verkenning reeds ontvangen. Zie Kamerstuk 25 295, nr. 1330.
Wat is de laatste stand van zaken betreffende het aandeel gevaccineerde dak- en thuislozen? Hoe denkt u de vaccinatiegraad onder deze groep komende tijd te verhogen?
Het Ministerie van VWS heeft de GGD regio’s verzocht – in samenwerking met regionale partners zoals gemeenten, opvanginstellingen en straatdokters – een regionaal uitvoeringsplan te maken voor de vaccinatie van dak- en thuisloze mensen, mensen die verblijven in de vrouwenopvang en ongedocumenteerden. Omdat voor deze mensen een uitnodiging via de reguliere route niet mogelijk is, vindt vaccinatie plaats op locaties waar de doelgroep vindbaar is, zoals in inloophuizen en locaties van de maatschappelijke opvang. Inmiddels zijn bijna alle regio’s klaar met het vaccineren van mensen uit de maatschappelijke opvang. In week 26 en 27 wordt er specifiek voor ongedocumenteerden aandacht besteed aan vaccinatie. Er worden aparte inloopspreekuren gehouden of er is een contactpersoon aangewezen die helpt bij het vaccinatieproces. Na afloop worden de activiteiten geëvalueerd en ook beoordeeld in hoeverre en op welke manier er zo nodig extra acties ingezet moeten worden.
Heeft u kennisgenomen van het opiniestuk: «Bied jongeren gratis antistoffenbloedtest aan»?2 Is het kabinet voornemens om jongeren en volwassenen kosteloos een serologische test aan te bieden waardoor zij alsnog een Digitaal Corona Certificaat (DCC) kunnen krijgen?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. In de verordening van het Digitaal Corona Certificaat (DCC) is opgenomen dat alleen een herstelbewijs kan worden uitgegeven na een positieve NAAT en niet na een positieve antigeen test of serologische test. Een serologische test is dus niet relevant in het kader van het Digitaal Corona Certificaat (DCC).
Bent u ervan op de hoogte dat de discussie rondom de oorzaak van het coronavirus opnieuw is aangewakkerd nadat enkele Amerikaanse inlichtingendiensten het scenario expliciet niet uitsluiten dat «patient zero» uit het Wuhan Institute of Virology afkomstig is? Wat is uw zienswijze rondom de zoektocht naar de oorsprong van het virus?
Ik ben er van op de hoogte dat de Amerikaanse inlichtingendienst het door u genoemde scenario niet uitsluiten. Er heeft eerder dit jaar een wetenschappelijke missie van de WHO in China plaatsgevonden, daarbij was ook professor Koopmans van het ErasmusMC aanwezig. De conclusie van die missie was dat de meest waarschijnlijke oorsprong van het virus door overdracht van dieren op mensen is ontstaan, maar dat andere mogelijkheden niet zijn uitgesloten. Tegelijkertijd is het van belang om alle invalshoeken goed te blijven bekijken.
Hoe draagt u bij aan meer inzichten en datavergaring omtrent het onderzoeken van de oorzaak van het coronavirus?
In WHO verband wordt gewerkt aan vervolgonderzoek, als Nederland daarbij kan helpen dan zullen we dat zeker doen.
Kunt u bovenstaande vragen voor 1 juli 2021 beantwoorden?
Nee, helaas is het vanwege de diversiteit aan onderwerpen die twee ministeries raken niet haalbaar gebleken om de vragen voor 1 juli 2021 te beantwoorden.
Het bericht ‘Onderwijsinspectie op bezoek bij Tjalling Koopmans College vanwege hevige onrust, SVPO blijft knokken tegen publicatie rapporten’ |
|
Mariëlle Paul (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de onrust op het Tjalling Koopmans College in Hurdegaryp en de berichtgeving hierover?1
Ja.
Klopt het dat niet alleen het Tjalling Koopmans College, maar ook de locaties van «De Scholen voor Persoonlijk Onderwijs» (SVPO) in Amsterdam, Hoorn en Utrecht door de Onderwijsinspectie als zeer zwak zijn beoordeeld? Klopt het eveneens dat de Utrechtse locatie reeds in het najaar van 2019 als zeer zwak is verklaard door de Inspectie van het Onderwijs? Betekent dit in feite dat leerlingen op deze scholen al geruime tijd «zeer zwak» onderwijs krijgen? Wat is het gevolg van zwak onderwijs voor de kansengelijkheid van deze leerlingen?
Het Tjalling Koopmans College in Hurdegaryp is niet als zeer zwak beoordeeld door de inspectie, de SvPO-scholen in Amsterdam, Hoorn en Utrecht wel. Voor de school in Utrecht is het de tweede beoordeling «zeer zwak» op rij. De kwaliteit van de lessen en begeleiding op deze school is het afgelopen jaar niet voldoende verbeterd. Het effect van het oordeel zeer zwak op de kansengelijkheid van de leerlingen op deze school is niet concreet te meten. Het is echter uiteraard in het belang van de leerlingen dat de situatie wordt verbeterd. Aan de herstelopdracht wordt in Utrecht een bekostigingssanctie gekoppeld.
Welke stappen heeft u genomen nadat u de Kamer in mei 2020 informeerde dat als «bevindingen van de inspectie ten aanzien van de SVPO daar aanleiding toe geven, zal worden ingegrepen»? Wat waren de bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs en op welke manier heeft u op basis van deze signalen ingegrepen?2
Het toezicht op de naleving van de onderwijswetgeving is voorbehouden aan de inspectie. Het afgelopen jaar heeft de inspectie een breed onderzoek verricht op alle besturen en scholen van SvPO. Over het voornemen daartoe heb ik u in mei 2020 bericht. Op basis van de onderzoeken beoordeelt de inspectie de scholen in Utrecht, Amsterdam en Hoorn nu als «zeer zwak». Omdat de school in Utrecht reeds zeer zwak was, wordt die school een bekostigingssanctie opgelegd. De overige scholen wordt de gebruikelijke herstelperiode van een jaar geboden om noodzakelijke verbeteringen door te voeren, en om beter zicht en grip te krijgen op de kwaliteit van het onderwijs.
Wat is de voortgang van de verschillende herstelopdrachten die de SVPO heeft gekregen van de Inspectie van het Onderwijs, zowel de kwaliteitsonderzoeken van het onderwijs als de rapporten over het financiële beheer van de scholen? In hoeverre is er sprake van verdachte geldstromen en transacties bij het netwerk van SVPO-stichtingen?3
De herstelopdrachten zijn gekoppeld aan de bevindingen in de rapporten die de inspectie recent naar aanleiding van de onderzoeken heeft vastgesteld. De besturen hebben de opdracht gekregen om binnen een jaar zorg te dragen voor herstel. De inspectie heeft tekortkomingen geconstateerd op het gebied van de jaarverslaggeving. Ze stelt verder dat er sprake is van niet-transparante verantwoording van investeringen in de onderwijshuisvesting en beperkt zicht op de toekomstige financiële continuïteit, vanwege diverse (onderlinge) geldstromen tussen SvPO-scholen en verbonden private stichtingen. Alle SvPO-besturen en scholen zijn daarom onder aangepast financieel toezicht gesteld. Verder is de inspectie een specifiek (financieel) onderzoek gestart naar de vraag hoe het eigendom van het vastgoed van SvPO Utrecht en de andere SvPO-scholen juridisch en financieel is geregeld, en naar de rol van betrokken partijen daarin. Voor dit onderzoek heeft de inspectie externe expertise ingeschakeld.
Klopt het dat de SVPO naar de rechter is gestapt om te voorkomen dat de rapporten van de Inspectie van het Onderwijs zouden worden gepubliceerd? Is de Inspectie van het Onderwijs niet wettelijk verplicht om vier weken nadat zij het onderzoeksrapport opstelt dit openbaar te maken?
Het klopt dat SvPO een procedure is gestart met het doel openbaarmaking van de rapporten tegen te gaan. Uit artikel 21 van de Wet op het onderwijstoezicht volgt dat de inspectie rapporten in de vijfde week na vaststelling openbaar maakt. Uit hetzelfde artikel volgt echter dat de openbaarmaking moet worden opgeschort als voor die tijd wordt verzocht om een voorlopige voorziening, totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.
Op welke manier gaat u, in samenwerking met de Inspectie van het Onderwijs, op korte termijn ingrijpen op het Tjalling Koopmans College zodat de kwaliteit van het onderwijs weer snel kan worden geborgd? En op welke manier gaat u dit doen op de andere locaties die herstelopdrachten hebben gekregen van de Inspectie van het Onderwijs?
Het toezicht van de inspectie is gericht op het bestrijden van tekortkomingen in de kwaliteit van het onderwijs. Op het moment dat de regelgeving niet wordt nageleefd, geeft de inspectie een herstelopdracht. De afgegeven herstelopdrachten zijn dus bedoeld om de kwaliteit van het onderwijs zo snel mogelijk weer te waarborgen. Alle acht besturen hebben de opdracht gekregen om de kwaliteitszorg, de kwaliteitscultuur en de verantwoording en dialoog binnen een jaar te verbeteren. De inspectie maakt hierover nadere afspraken, en heeft de besturen gevraagd om de maatregelen op te nemen in een verbeterplan. Dat plan wordt gemonitord en de inspectie zal daarover rapporteren.
Kunt u de Kamer informeren over de ontwikkelingen en uitkomsten van het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs?
Ja. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd dit te zullen doen, die toezegging blijft staan.
Het bericht ‘Mijn kind wil niet meer Joods zijn’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Hebt u kennis genomen van het bericht «Mijn kind wil niet meer Joods zijn»?1
Ja.
Herkent u de constatering dat het aantal incidenten tegen Joodse leerlingen gestegen is tijdens het recente conflict tussen Israël en Gaza? In hoeverre heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) in die periode (meer) signalen ontvangen over dergelijke misstanden en wat is daarmee gebeurd?
De inspectie heeft in de afgelopen maanden geen meldingen ontvangen van incidenten gericht tegen leerlingen van Joodse scholen of Joodse leerlingen. Op basis daarvan kan ik dus niet concluderen dat het aantal incidenten tegen Joodse leerlingen is gestegen.
Hoe reageert u op de signalen dat de situatie op school voor Joodse leerlingen kennelijk onvoldoende veilig is om aanwezig te kunnen zijn? Is het uitgangspunt van het beleid van de inspectie om een specifiek onderzoek uit te voeren als zulke signalen over de veiligheid van leerlingen ontvangen worden? Zo ja, zijn dergelijke onderzoeken in uitvoering?
Het is vreselijk dat een leerling zich niet veilig voelt op school omdat hij of zij zich gediscrimineerd voelt. Een school moet voor iedereen een veilige omgeving zijn. Daar hebben scholen een wettelijke opdracht toe. Met de nieuwe burgerschapswet komt daarbij dat scholen in het funderend onderwijs de opdracht hebben te zorgen voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en dat ze moeten zorgen dat elke leerling zich veilig en geaccepteerd weet.
Het toezicht van de inspectie is risicogericht. Als er signalen zijn die daartoe aanleiding geven, zal de inspectie onderzoek doen of anderszins optreden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij ernstige signalen rond onveiligheid, of rond uitingen die strijdig zijn met basiswaarden, waarbij er sprake is van onvoldoende optreden van school en bestuur. Dergelijke signalen zijn er op dit moment niet. Leerlingen of hun ouders hebben altijd de mogelijkheid contact te zoeken met een vertrouwensinspecteur.
Wat is uw reactie op de praktijk dat Joodse leerlingen zelfs door leraren ter verantwoording worden geroepen over het handelen van Israël? Wilt u in overleg met de sectororganisaties verkennen hoe dit probleem op de kaart gezet en aangepakt kan worden?
Als Joodse leerlingen door leraren ter verantwoording wordt geroepen voor het handelen van Israël is dat niet acceptabel. Een leerling is een individu, en geen vertegenwoordiging van een land. Op school moeten leerlingen zich veilig voelen. Ik ben regelmatig in gesprek met de sectorraden én met Stichting School & Veiligheid om te spreken over sociale veiligheid en burgerschap. Binnen die thema’s gaat het ook over antisemitisme.
In hoeverre is er sprake van afstemming tussen de Inspectie van het Onderwijs en de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding als het gaat om misstanden in het onderwijs? Bent u bereid om met de coördinator te verkennen hoe de bestrijding van antisemitisme in het onderwijs verbeterd kan worden?
De functie van Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding is pas zeer recent in het leven geroepen (per 1 april jongstleden), en de coördinator is net begonnen met zijn taak. Ik zal met de coördinator in gesprek gaan om te bespreken hoe antisemitisme in het onderwijs zo effectief mogelijk bestreden kan worden. Waar nodig zoekt de inspectie contact met instanties die (mede) gericht zijn op het tegengaan van antisemitisme, zoals de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. In situaties in het onderwijs waarin sprake is van strijdigheid met de basiswaarden, kan de inspectie zo nodig optreden.
Bent u bereid financiële steun te geven aan initiatieven die, in samenwerking met scholen, antisemitisme onder leerlingen en leraren tegengaan? Wilt u hierover in contact treden met organisaties als het CIDI2, het Joods Cultureel Kwartier en de Stichting antisemitismepreventie, onder meer over het organiseren van de genoemde lerarenreizen?
Ik ondersteun scholen op dit terrein via Stichting School & Veiligheid en via de ondersteuningsstructuur in het kader van de nieuwe burgerschapswet. Daarnaast wordt de Anne Frank Stichting door de overheid gesteund. Zij hebben een heel goed aanbod van zeer bruikbaar lesmateriaal voor scholen, en hebben een goede samenwerking met Stichting School & Veiligheid. Door de ondersteuning door een overzichtelijk aantal organisaties te laten doen worden de beschikbare middelen niet te zeer versnipperd maar effectief ingezet, en weten scholen ook beter waar ze terecht kunnen.
De inbreuk op de academische vrijheid door de woke-cultuur en cancel-praktijk op universiteiten en hogescholen. |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel in De Telegraaf: «Wie niet woke is moet zijn mond houden: controle op «juiste» gedachtegoed»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat op universiteiten en hogescholen een cultuuroorlog woedt waarin de aanstelling op grote schaal van zogenoemde diversity officers het hoger onderwijs moet zuiveren van zogenaamde «witte superioriteit» en vermeend kolonialisme?
Universiteiten en Hogescholen voeren beleid om kansengelijkheid en een inclusieve cultuur te stimuleren. De formuleringen in de vraag doen geen recht aan de inzet en verantwoordelijkheid van de instellingen.
Weet u dat literatuurlijsten worden gescand op wat als «foute literatuur» wordt ervaren en van pogingen om het onderwijs, zoals dat wordt genoemd, te dekoloniseren?
Onderwijsinstellingen kunnen curriculum scans inzetten om het onderwijsprogramma door te lichten. Het doel daarvan is dat studenten een zo breed mogelijk scala aan inzichten en perspectieven krijgen aangeboden.
Hoe kijkt u aan tegen een cancel-praktijk die docenten uitsluit, wanneer zij niet voldoen aan de steeds verdergaande eisen van de onder meer op racistische ideeën van de «kritische rassentheorie» gebaseerde woke-cultuur?
Ik herken deze praktijk niet.
Hoe kijkt u aan tegen de beschreven angstcultuur waarin studenten die een onvoldoende hebben gekregen, dreigen om docenten bij de diversity officers aan te geven als racist of islamofoob?
Ik heb geen signalen dat dit op Nederlandse universiteiten en hogescholen gebruik is. Diversity officers hebben niet de bevoegdheden of de positie dergelijke potentiële klachten te behandelen.
Diversity officers zijn er op gericht handvatten te bieden voor het overbruggen van verschillende meningen.
Wat gaat u ondernemen om de academische vrijheid en de kwaliteit van het hoger onderwijs te beschermen tegen de bedreiging van politiek activisme, zoals vermeld onder de vragen 2, 3, 4 en 5?
Academische vrijheid is een groot goed. Daar hoort bij dat iedereen zijn of haar mening mag uiten en er sprake is van een open debat. Zoals in de Wetenschapsbrief en het Nationaal actieplan diversiteit aangegeven, moeten alle spelers in het hoger onderwijs en onderzoek aandacht blijven houden voor diversiteit in perspectieven. Censuur, in welke vorm dan ook, mag daar geen plaats in hebben. Daarnaast doen instellingen en onderzoeksinstituten er goed aan om te streven naar divers samengestelde teams en naar een cultuur waarin optimaal wordt geprofiteerd van de verschillen in perspectieven en opvattingen, omdat dit zowel onderwijs als onderzoek verrijkt en versterkt. De onderwijsinstellingen hechten zelf sterk aan het bewaken van de academische vrijheid.
Deelt u het inzicht dat de woke-cultuur en de cancel-praktijk in toenemende mate een schadelijk klimaat creëren waarin slechts voor bepaalde, door diversity officers voorgeschreven meningen zijn toegestaan aan universiteiten en hogescholen?
Ik heb geen signalen dat dit op Nederlandse universiteiten en hogescholen gebruik is. Diversity Officers hebben niet de bevoegdheden of positie noch de intentie een klimaat te creëren waar slechts bepaalde meningen tellen.
Vindt u dat van het in het leven roepen van raden als de «Culturele Raad van Advies» die de Vrije Universiteit van Amsterdam heeft ingesteld om «multiculturele studenten te helpen aan een betere integratie in een door wit gedomineerd werkveld», een splijtende werking uitgaat op het hoger onderwijs waardoor verhoudingen eerder op scherp komen te staan dan dat ze worden bevorderd?
Opleidingen in het HO kunnen verschillende instrumenten inzetten om de aansluiting op de arbeidsmarkt voor hun studenten te verbeteren. Wanneer een opleiding constateert dat die aansluiting voor een bepaalde groep studenten meer drempels kent, kan zij daarvoor extra maatregelen treffen. Het is aan de instellingen zelf om daarin keuzes te maken ten behoeve van hun studenten.
Het bericht 'Ministerie schatte aantal studenten jarenlang verkeerd in' |
|
René Peters (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat door een vergissing in het rekenmodel het aantal verwachte studenten al sinds 1995 structureel te laag ingeschat wordt?1
Elk ramingsmodel is een versimpeling van de werkelijkheid en zal nooit de toekomst perfect voorspellen. Sinds 1995 zijn er zowel over- als onderramingen geweest, maar met name deelname aan het hoger onderwijs is vaker onderschat dan overschat. Dit hebben wij u in de verkenning van de systematiek rondom de ramingen in 2018 laten weten (Kamerstuk 35 000, nr. 28).
De effecten van emigratie en sterfte werden te sterk ingeschat. Emigratie en sterfte bleken in verschillende onderdelen van het ramingssysteem anders verwerkt te worden. Door de toegepaste verbetering is dit effect nu weggenomen, waardoor de ramingen beter aansluiten bij de werkelijke aantallen leerlingen en studenten.
Hoe verhoudt deze vergissing in het rekenmodel zich ten opzichte van de verkenning naar de systematiek rondom de OCW-ramingen in 2018, waarbij de conclusie was dat de nauwkeurigheid van de ramingen niet wezenlijk kan worden verbeterd?
Met de verkenning hebben we geconcludeerd dat de OCW ramingen nauwkeurig zijn. In het eerste jaar wijkt de totaalraming niet meer dan 1% af van het werkelijke aantal studenten. Maar we zagen ook dat de afwijkingen van de ramingen ten opzichte van de realisatie per sector groter zijn dan op het totaalniveau. Daarnaast zijn er verschillen in de nauwkeurigheid van de ramingen tussen sectoren. De nauwkeurigheid in de Referentieraming is het grootst voor het po en neemt vervolgens geleidelijk af voor het vo, het mbo, het hbo en het wo (waar de onzekerheid het grootst is).
De opgebouwde inzichten uit de verkenning zijn de afgelopen jaren in overleg met de experts van de Adviesgroep Leerlingen- en Studentenramingen (ALS) gebruikt om de ramingsmethodiek verder tegen het licht te houden, zoals ook aangekondigd in de brief over de verkenning naar de systematiek rondom de OCW-ramingen. Daarmee is het aanleiding geweest om onder andere deze methodeverbetering uit te werken. Het ministerie blijft ook de komende jaren verder werken aan mogelijke verbeteringen.
Overigens blijft een raming een (zo goed mogelijke) inschatting van de toekomst en is deze per definitie niet 100% nauwkeurig, ook niet met de doorgevoerde of nog door te voeren verbeteringen.
Hoe is deze vergissing alsnog aan het licht gekomen? Wanneer kwamen de eerste interne signalen dat er toch een vergissing zat in het rekenmodel en wat is hier toen mee gedaan?
In de brief over de verkenning in 2018 hebben we aangegeven de ramingen continue te blijven verbeteren waar mogelijk. Na de verkenning hebben we dan ook verder geïnvesteerd in de ramingen en is nader onderzoek uitgevoerd naar mogelijke verbeteringen. Hierdoor is de kennis van het wiskundige ramingsmodel en onderliggende aannames verder verbeterd.
Dit heeft geleid tot hernieuwde inzichten over de ramingen, zoals eerder beschreven. Door de toegepaste verbetering sluiten de ramingen beter aan bij de werkelijke aantallen leerlingen en studenten. De onafhankelijke Adviesgroep Leerlingen- en Studentenramingen (ALS) adviseerde deze verandering al te implementeren bij de eerstvolgende mogelijkheid. Dat was in de Referentieraming 2021.
Wat houdt de vergissing in en wat zijn de gevolgen voor de OCW-begroting?
Zie het antwoord op vraag 1. De inhoudelijke wijziging is ook nader toegelicht in paragraaf 3.2 (pp. 12 en 13) van het onlangs gepubliceerde rapport Referentieramingen 2021 (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/04/19/referentieraming-ocw-2021)
Hierin wordt zo helder mogelijk uitgelegd wat de inhoudelijke wijziging is en waarom deze is toegepast, hoewel het een technisch onderwerp blijft.
De wijziging leidt tot hogere verwachte leerlingen- en studentenaantallen binnen het onderwijs. Dit heeft met name impact in het hoger onderwijs. We verwachten dat de ramingen na deze methodeverbetering nauwkeuriger zijn.
De gevolgen voor de OCW-begroting van de verbetering in de methodiek is dat voortaan een nog nauwkeurigere raming van benodigde budgetten voor onderwijsbekostiging kan worden gemaakt en afwijkingen in de voorspelling van de verdere toekomst (t+5) kleiner zullen zijn. Overigens heeft de methodeverbetering geen invloed op het aantal leerlingen en studenten dat werkelijk onderwijs volgt, alleen op de nauwkeurigheid van de voorspelling. Uiteindelijk is het daadwerkelijke aantal leerlingen en studenten de basis voor de onderwijsbekostiging en is de nauwkeurigheid van de voorspelling alleen van invloed op het moment waarop een eventuele mee- of tegenvaller op de OCW-begroting bekend wordt en gedekt moet worden.
Door het doorvoeren van de verbetering heeft er eenmalig een grotere correctie op de raming van het aantal leerlingen en studenten plaatsgevonden. Dit is als onderdeel van de totale ramingsbijstelling van de Referentieraming 2021 dit voorjaar als tegenvaller in de OCW-begroting verwerkt. Deze tegenvaller is generaal gedekt.
Wat is de reden, mede in het licht van de jaarlijkse discussie over de ramingen die niet blijken te kloppen en het tekort dat dit oplevert op de begroting, dat hierover niet een aparte brief naar de Kamer is gestuurd?
Jaarlijks worden de uitkomsten van de ramingen in een rapport gepubliceerd. Daarbij worden eventuele wijzigingen in het rapport beschreven. Het ramingsrapport dat deze ontwikkelingen en de methodeverbetering uitgebreid toelicht is op 19 april gepubliceerd op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/04/19/referentieraming-ocw-2021
Het rapport bevat een uitgebreide toelichting van de ontwikkelingen in de raming. Dit jaar is een apart hoofdstuk gewijd aan de verbetering van de methodiek, waarin ook is aangegeven welk deel van de bijstelling wordt verklaard door de methodewijziging en welk deel door andere omstandigheden (met name corona). Vanwege bijzondere omstandigheden (corona en de methodewijziging) is de publicatie van Referentieraming 2021 vervroegd om transparantie te bevorderen.
Elk jaar vinden ontwikkelingen in de onderwijsdeelname plaats die leiden tot een hoger of lager aantal leerlingen en studenten. Dit jaar heeft de coronacrisis bijvoorbeeld een grote impact op de onderwijsdeelname. De verbetering in de methode is dit jaar ook een belangrijke factor in de uitkomst van de raming, die vooral ook een structurele doorwerking heeft en voor een hogere schatting van het aantal leerlingen en studenten zorgt. In de raming van vorig jaar speelden bijvoorbeeld bijstellingen in de Bevolkingsprognose van het CBS een grote rol.
Het bericht 'Stagediscriminatie bij mbo-studenten voor het eerst wetenschappelijk aangetoond' |
|
Bouchallikh |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «Stagediscriminatie bij mbo-studenten voor het eerst wetenschappelijk aangetoond»?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van de conclusie van het onderzoek dat ongeveer een kwart van de Utrechtse mbo-studenten te maken heeft met discriminatie bij het zoeken van een stage?
In het onderzoek is wetenschappelijk aangetoond dat studenten discriminatie ervaren bij het zoeken naar een stage. Helaas weten we uit vele verhalen en eerdere onderzoeken dat stagediscriminatie een hardnekkig probleem is. De objectief vastgestelde discriminatie helpt bij de erkenning van het probleem. Ik heb met veel studenten gesproken die met mij hun ervaring met discriminatie hebben gedeeld. Dit blijft mij raken. Een ervaring met discriminatie doet iets met je. Sommige jongeren delen met mij dat ze er onzeker van worden en het hun zelfvertrouwen aantast. Ik blijf mij dan ook hard maken voor gelijke kansen en mij uitspreken tegen discriminatie.
Deelt u de conclusie van het onderzoek dat het geen zin heeft om alleen aan bewustwording te werken en verder geen stappen te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het onderzoek wordt aangegeven, is stagediscriminatie een hardnekkig probleem waar meerdere actoren bij betrokken zijn. Het werken aan een oplossing kan dan ook alleen gezamenlijk met onderwijsprofessionals, werkgevers en studenten. Dit kost helaas tijd. Bewustwording is een belangrijke eerste stap. We zien dat er steeds meer erkenning is voor het probleem. De maatschappij is veranderd en er is toegenomen aandacht voor de aanpak van discriminatie. Maar dat alleen is niet voldoende.
Deelt u de mening dat het tijd is voor daadkrachtigere maatregelen, zoals in het onderzoek voorgestelde antidiscriminatievoorziening (ADV), die verantwoordelijk is voor opsporing en het uitvoeren van praktijktests?2 Zo nee, waarom niet?
Om stagediscriminatie te voorkomen en tegen te gaan en gelijke kansen naar stages en werk te bevorderen is het belangrijk om in te zetten op concrete acties en maatregelen. De afgelopen periode heb ik met het veld hier op verschillende wijzen aan gewerkt (zie vraag 7 en 8). In iedere gemeente is een lokale anti-discriminatievoorziening (ADV) aanwezig. Naast het registreren van discriminatieklachten, verlenen ADV’s bijstand aan burgers die een vraag hebben over discriminatie of ondersteuning behoeven bij het melden van discriminatie. Ook studenten die discriminatie ervaren bij het zoeken naar een stage of tijdens de stage kunnen bij een ADV advies ontvangen over welke stappen zij het beste kunnen ondernemen en hierbij de benodigde juridische en emotionele ondersteuning krijgen. ADV’s doen periodiek praktijkteksten. Zij bepalen daarbij zelf in welke vorm en waar zij de praktijktesten uitvoeren. De komende periode zal ik samen met het veld de werkagenda herijken waarin nieuwe inzichten worden meegenomen, in verbinding met bestaande initiatieven en ontwikkelingen. Daarbij ben ik voornemens om te verkennen welke rol ADV’s mogelijk kunnen nemen in de opsporing van stagediscriminatie.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling van het onderzoek om de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en mbo-instellingen te stimuleren om in hun contact met werkgevers actief te vragen naar antidiscriminatiebeleid? Is het mogelijk om antidiscriminatiebeleid wettelijk te verplichten voor stage- en leerwerkbedrijven? Zo nee, waarom niet?
Het stellen van een sterke sociale norm kan een grote invloed hebben op het gedrag van mensen. Het is daarom belangrijk dat eenieder zich actief uitspreekt tegen discriminatie. Adviseurs praktijkleren van SBB gaan bij (aspirant) leerbedrijven op bezoek voor erkennings- en kwaliteitsgesprekken. Een nieuw erkend leerbedrijf krijgt een informatiepakket met o.a. hand-outs Veiligheid en Werving en selectie waarbij het onderwerp discriminatie expliciet aan bod komt. Veiligheid – en daarmee de afwezigheid van discriminatie – is ook in latere kwaliteitsgesprekken een terugkerend gespreksonderwerp. Mbo-instellingen kunnen helpen bij het stellen van een sterke sociale norm, door in hun contacten met werkgevers het belang van een veilige leerplek – waarin niet gediscrimineerd wordt – te benadrukken.
Met het wetsvoorstel «Toezicht gelijke kansen bij werving en selectie» worden bedrijven wettelijk verplicht om beleid te voeren, gericht op het bevorderen van gelijke kansen bij werving en selectie. Dit geldt ook voor de werving en selectie van stagiairs. Het wetsvoorstel is in december 2020 naar de Kamer verstuurd, maar is met de demissionaire status van het kabinet controversieel verklaard. Dit wetsvoorstel is nu aan het volgend kabinet. Bij de herijking van de werkagenda zal ik de aanbevelingen uit het onderzoek meenemen.
Het onderzoekt stelt voor dat elke mbo-instelling een vertrouwenspersoon zou kunnen aanstellen die een proactieve rol op zich neemt; zijn er op dit moment mbo-instellingen zonder een vertrouwenspersoon die actief monitoren hoe het stageproces verloopt? Zo ja, hoe kunt u die stimuleren om een vertrouwenspersoon aan te stellen?
Alle mbo-instellingen moeten beschikken over een klachtenprocedure waar onder andere discriminatie kan worden gemeld. In de praktijk heeft vrijwel elke instelling een vertrouwenspersoon voor studenten waar zij terecht kunnen met een klacht over ongewenst gedrag. De stagebegeleider op een mbo-instelling heeft een rol bij het stageproces, omdat zij studenten helpen voorbereiden op de stage en begeleiden tijdens de stage. We zien dat de rol van een vertrouwenspersoon in toenemende mate van belang is voor studenten die worden gediscrimineerd. Bijvoorbeeld als de student merkt dat de ervaring van discriminatie niet serieus wordt genomen door de stagebegeleider. Het is van belang dat alle onderwijsprofessionals zich bewust zijn van de ervaringen van discriminatie. Het is de taak van de stagebegeleiders en/of -coördinatoren om met deze wetenschap actief het stageproces te monitoren. Het kennispunt Gelijke kansen, diversiteit en inclusie (GKDI) ondersteunt scholen bij het bevorderen van gelijke kansen op stages en een eerste baan. Het professionaliseren van de stagebegeleiding op thema’s als stagediscriminatie is daar een onderdeel van.
Kunt u een overzicht geven van de ondernomen stappen sinds het onderzoek in 2018 naar stagediscriminatie waaruit bleek dat«bijna 24% van de mbo-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond vier keer of vaker moet solliciteren voor een stage, tegenover 11% van hun autochtone medestudenten»?3
Per brief heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd over de diverse acties die zijn ondernomen sinds het onderzoek in 2018.4 Daarnaast verwijs ik u aanvullend naar mijn antwoord op vraag 8.
Kunt u een overzicht geven van de (beoogde) effecten van de aangekondigde maatregelen, de bedrijfsbezoeken, de trainingen en de #Kiesmij campagne, als reactie op het onderzoek in 2018? Hoe staat het met de gesprekken over het vervolg van de #Kiesmij campagne en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?4
In 2018 heb ik mij met veel partijen gecommitteerd aan een gezamenlijke werkagenda gelijke kansen bij stages voor mbo-studenten. Daarbij is door partners ingezet op diverse individuele en gezamenlijk acties om te komen tot zoveel mogelijk gelijke kansen bij stages, waaronder het voorkomen en tegengaan van discriminatie. Hieronder volgen enkele voorbeelden.
In de campagne #KIESMIJ wordt meer aandacht gevraagd voor stagediscriminatie en met het platform kiesmij.nl kunnen studenten, scholen en werkgevers terecht voor hulp bij het tegengaan en voorkomen van stagediscriminatie. Het doel van de campagne is om de dialoog rondom stagediscriminatie te stimuleren, het bewustzijn te bevorderen en stagediscriminatie zo te voorkomen. Samen met partners kijkt OCW hoe een vervolg kan worden gegeven aan de campagne. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd in het najaar van 2021.
Ook is door OCW en SZW, in samenwerking met de MBO Raad, het kennispunt GKDI opgericht. Het kennispunt zet in op het bevorderen van gelijke kansen voor jongeren met een (niet-westerse) migratieachtergrond of lage sociaaleconomische status. Scholen en docenten krijgen ondersteuning bij het bevorderen van gelijke kansen op stages en een eerste baan.
Daarnaast wordt er hard gewerkt aan een brede inzet van aantoonbaar effectieve interventies. Zo heeft het NRO, in opdracht van OCW en SZW, de call gelijke kansen naar de toekomst uitgezet voor onderzoek naar effectieve interventies. Binnen het traject Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt onder leiding van SZW wordt er bij het thema «jongeren» aandacht besteed aan studiekeuze, loopbaan oriëntatie en het tegengaan van stagediscriminatie. Het doel is om gezamenlijk met het veld gelijke kansen vanuit het onderwijs naar de arbeidsmarkt te stimuleren. Dit betreft zowel stages als een eerste baan.
De coronacrisis raakt jongeren onevenredig hard. Met de aanpak jeugdwerkloosheid is er specifiek aandacht voor kwetsbare schoolverlaters. Het gaat onder andere om kwetsbare schoolverlaters uit het mbo waarvan we weten dat zij een moeilijke start kennen op de arbeidsmarkt, zoals jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond.
Hoewel er steeds meer erkenning is voor de problematiek, blijft dit een langdurige opgave waar ik mij blijvend voor inzet. Discriminatie, in welke vorm dan ook, is onacceptabel.
In hoeverre denkt u dat de genomen stappen effect hebben gehad als in het bovengenoemd onderzoek naar stagediscriminatie in het mbo vergelijkbare cijfers naar voren kwamen met het onderzoek in 2018?
Stagediscriminatie is een hardnekkig probleem, waarbij een continue inzet vereist is om verbetering te kunnen zien. De erkenning en maatschappelijke aandacht die er nu is voor stagediscriminatie, is hierbij een eerste stap. Ik vind het belangrijk om in te zetten op concrete acties, zodat zo min mogelijk studenten te maken krijgen met discriminatie. Dit is echter ondanks alle inspanningen naar mijn mening nog niet voldoende. Actie op dit thema blijft benodigd. De huidige bestuurlijke werkagenda zal daarom worden geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zal de werkagenda in samenwerking met het veld worden herijkt, zodat er verdere toegespitste actie kan worden ondernomen om stagediscriminatie tegen te gaan en gelijke kansen naar stages te bevorderen.
Beoogd is om bij deze nieuwe werkagenda een adviescommissie aan te stellen, die zowel de overheid als de sector zal adviseren over het tegengaan van discriminatie bij en tijdens de stage. Bij de ontwikkeling van de nieuwe werkagenda wordt de verbinding gezocht met initiatieven in het hoger onderwijs, waar ook een aanpak op stagediscriminatie wordt ontwikkeld. Ook wordt verbinding gezocht met de werkagenda die momenteel door de Taskforce Werk & Integratie wordt ontwikkeld, waarin aandacht is voor de stage- en arbeidsmarktkansen van jongeren met een migratieachtergrond. Het volgende kabinet zal een besluit nemen over de nieuwe werkagenda Stagediscriminatie en het aanstellen van een adviescommissie.
Bent u van plan om de motie van de leden Van den Berge (GroenLinks) en Kuik (CDA) die pleit voor het ontwikkelen van een anti-discriminatie app voor het laagdrempelig melden van stagediscriminatie alsnog uit te voeren, aangezien onderzoek aantoont5 dat studenten vermoedens van discriminatie maar mondjesmaat melden bij professionals van hun onderwijsinstelling?6 Zo nee, hoe wilt u de meldingsbereidheid onder mbo-studenten anders vergroten?
Het is van belang dat studenten een melding doen van stagediscriminatie, zodat de onderwijsprofessional – indien gewenst – de student kan ondersteunen en het gesprek kan voeren met het leerbedrijf. Uit gesprekken met het veld blijkt dat zij niet verwachten dat een anti-discriminatie app voor het laagdrempelig melden van stagediscriminatie de meldingsbereidheid zal vergroten. Zoals in het onderzoek is aangetoond, hebben studenten nu weinig vertrouwen dat een melding van stagediscriminatie wordt opgevolgd. Om de meldingsbereidheid te vergroten, is het van belang dat de ervaring van de student wordt erkend en dat er actie wordt ondernomen richting het leerbedrijf zodra er sprake is van een vermoeden van discriminatie. Bewustzijn bij onderwijsinstellingen en leerbedrijven is hierbij van groot belang. Als mbo-instelling is het belangrijk om studenten te informeren waar zij discriminatie kunnen melden en wat daarmee gedaan wordt. Daarnaast moeten onderwijsprofessionals tools krijgen zodat zij geen handelingsverlegenheid ervaren maar daadwerkelijk het gesprek kunnen voeren met studenten en leerbedrijven om discriminatie tegen te gaan en te voorkomen. De komende periode wil ik samen met studenten, onderwijsprofessionals en leerbedrijven – als onderdeel van de herijking van de werkagenda – kijken hoe we de meldingsbereidheid kunnen vergroten en welke ondersteuning daarbij benodigd is.
Door de coronacrisis zijn de stagetekorten in het mbo toegenomen; bent u voornemens een onderzoek uit te voeren naar de effecten van de stagetekorten door de coronacrisis in het mbo op (de toename van) stagediscriminatie?
Inmiddels zijn er diverse onderzoeken naar stagediscriminatie afgerond. Ook het onderzoek van Verwey-Jonker heeft stagediscriminatie objectief vastgesteld. In het NRO onderzoek Gelijke kansen richting de toekomst wordt onderzocht welke interventies gelijke kansen op stages en werk kunnen bevorderen, en helpen bij het tegengaan en voorkomen van stagediscriminatie. Dit onderzoek is gestart tijdens de coronacrisis. Ik ben niet voornemens om een extra onderzoek uit te voeren naar de effecten van de stagetekorten door de coronacrisis in het mbo op (de toename van) stagediscriminatie. Nu is het zaak om de ingezette acties op het voorkomen van stagediscriminatie en het vergroten van het aantal stage- en leerwerkplekken volop door te zetten.
Het bericht ‘AIVD: hoger onderwijs is zich totaal niet bewust van digitale dreiging' |
|
René Peters (CDA), Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel in ScienceGuide «AIVD: hoger onderwijs is zich totaal niet bewust van digitale dreiging»1 over uitspraken van de heer Akerboom tijdens de technische briefing van de AIVD aan de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken ten aanzien van het gebrek aan bestuurlijke aandacht voor digitale veiligheid bij hogescholen en universiteiten?
Ja
Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak van de heer Akerboom dat kennisinstellingen in het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs niet zijn doordrongen van de dreiging van cyberaanvallen van statelijke actoren? Bent u het eens met de heer Akerboom dat het bewustzijn hierover bij universiteiten en hogescholen nog te laag is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op het gebied van kennisveiligheid en cyberveiligheid in gesprek met kennisinstellingen, de koepels en ook met het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Deze instellingen heb ik ook betrokken bij de laatste Kamerbrief over cyberveiligheid, die ik op 19 mei 20212 naar uw Kamer heb gestuurd.
Mijn indruk is dat de instellingen zich bewust zijn van de dreiging van cyberaanvallen, of deze dreiging nu van statelijke actoren of van hackersgroepen afkomstig is. Ik ben het met de heer Akerboom eens dat de veiligheid van onze instellingen verder moet worden verhoogd. Het is duidelijk dat deze bewustwording nodig is in alle lagen van de organisaties en vertaald dient te worden in maatregelen gericht op het tegengaan van dreigingen. De hoger onderwijsinstellingen zijn hier dan ook actief mee bezig en ik zal de voortgang van de instellingen blijven volgen, zoals ik in de Kamerbrief heb aangekondigd. Daarbij realiseer ik mij dat cyberveiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van zowel de instellingen als de overheid. Belangrijk hierbij is dat de cyberveiligheid van instellingen expliciet wordt meegenomen in de reguliere bestuurlijke gesprekken die mijn ministerie met de instellingen en de koepels voert. Deze periodieke gesprekken over cyberveiligheid bevorderen het internaliseren van cyberveiligheidsmaatregelen in de bedrijfsvoering van de gehele sector.
In die Kamerbrief heb ik ook beschreven welke concrete maatregelen de hoger onderwijs- en kennisinstellingen nemen om hun digitale veiligheid te verhogen. Dit doen zij bijvoorbeeld door monitoringssystemen, maar ook door het vergroten van bewustwording en trainingen. Een knooppunt in de aanpak van cyberdreigingen is het SURF Computer Emergency Response Team (SURFcert), dat 24/7 ondersteuning biedt bij cyberincidenten en in direct contact staat met het NCSC. Daarnaast is er, op initiatief van de hoger onderwijsinstellingen, een Security Operations Center (SURFsoc) gerealiseerd bij SURF. Een belangrijk onderdeel van het SOC is de 24/7 monitoring van netwerken en de signalering van dreigingen bij deelnemende instellingen. De continue monitoring helpt instellingen enorm met het versterken van de informatiebeveiliging, omdat er constant informatie wordt verzameld die bij mogelijke dreigingen snel sector breed wordt gedeeld. De toetreding van instellingen tot de SURFsoc zal nu gefaseerd plaatsvinden, door de technische en contractuele voorbereidingen die per instelling moeten worden getroffen.
Hoe verhouden de uitspraken van de heer Akerboom zich met uw uitspraken in de kamerbrief2 van 19 mei 2021 waarin u stelt dat «cyberveiligheid bij de hoger onderwijs- en onderzoekinstellingen hoog op de agenda staat»? Baseert u deze veronderstelling enkel op gesprekken met kennis- en onderzoeksinstellingen of heeft u hier zelf ook actief onderzoek naar gedaan? Hoe verklaart u de uitspraak van de heer Akerboom dat er bij hogescholen en universiteiten onvoldoende bestuurlijke aandacht is voor digitale veiligheid?
De directeur-generaal van de AIVD, heeft in de technische briefing over de WIV d.d. 2 juni 2021 gepleit voor een breed cyberoffensief, te beginnen met een betere awareness en actie in eigen huis. Zijn uitspraken in de technische briefing over cyberveiligheid betroffen kennisinstellingen, het bedrijfsleven en de overheid.Zowel bij kennisinstellingen, overheden als bedrijfsleven bestaat aandacht voor (cyber)veiligheid, maar actie en bewustzijn is volgens de directeur-generaal nodig in alle lagen van de betrokken organisaties. Zoals ik ook bij vraag 2 meldde, ben ik het met hem eens dat de digitale veiligheid van de instellingen verder kan worden vergroot. Ik heb daarom de instellingen eerder al opgeroepen om hun veiligheidsbeleid in hun jaarverslagen op te nemen wanneer dit nog niet het geval is, dit onderwerp structureel met hun Raden van Toezicht te bespreken en een meerjarenvisie op dit terrein te presenteren. De genomen maatregelen (zie vraag 2 en de Kamerbrief) laten wat mij betreft zien dat de instellingen de cyberveiligheid serieus nemen. Het bereiken van 100% veiligheid is helaas onmogelijk, er zal altijd een risico op cyber- en kennisveiligheidsincidenten blijven bestaan.
In hoeverre hebben kennisinstellingen oog voor ogenschijnlijk «onschuldige» incidenten, zoals de cyberaanvallen bij de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam van afgelopen februari, die mogelijkerwijs grotere gevolgen kunnen hebben? Zoals een opmaat tot cyberaanvallen met meer impact?
Ik denk dat, wanneer het gaat om de preventie van cyberaanvallen, er niet gesproken kan worden over «ogenschijnlijk onschuldige incidenten». Uiteindelijk kan de aangerichte schade wel verschillen, maar de preventiebenadering is dezelfde. De schade van deze «onschuldige» incidenten is juist beperkt gebleven doordat de kennisinstellingen goed samenwerken en kennis over de cyberaanvallen binnen hun netwerk snel met elkaar delen. Dat doen zij zowel bij zwaardere als bij lichtere incidenten, want er wordt door SURF 24/7 gemonitord en ondersteuning geboden. Bij dit incident speelde ook de vroege detectie door het Security Operations Centre (SOC) en ingrijpen door het Computer Emergency Response Team (CERT) een belangrijke rol in het inperken van de impact.
Erkent u, naast de dreiging van ransomware aanvallen, de dreiging vanuit statelijke actoren als het gaat om spionage, met name gericht op het verkrijgen van hightech kennis en informatie, en sabotage? Zo ja, welke gerichte stappen gaat u nemen naar aanleiding van dit signaal van de AIVD om de bestuurlijke aandacht voor digitale veiligheid te vergroten? Zo nee, waarom niet?
In een eerdere brief4 over kennisveiligheid schreef ik dat het verwerven van (hoogwaardige) kennis voor diverse statelijke actoren tot hun strategische doelstellingen behoort. Ik heb in die brief ook verschillende maatregelen benoemd om de kennisveiligheid in het hoger onderwijs en de (toegepaste) wetenschap beter te borgen, welke momenteel worden uitgevoerd. Zo komt er dit jaar nog een specifieke «leidraad» voor kennisveiligheid beschikbaar, die de rijksoverheid samen met de kennissector ontwikkelt. Ook worden er bestuurlijke afspraken gemaakt met de kennisinstellingen waarin de aandacht ook naar digitale veiligheid zal uitgaan. Bovendien wordt een Expertise- en adviesloket Kennisveiligheid opgezet om kennisinstellingen te ondersteunen bij de afwegingen die zij vanuit hun verantwoordelijkheid maken. In dit kader hebben de Nederlandse universiteiten al een belangrijke stap gezet door op 8 juli het Kader Kennisveiligheid te presenteren. Door dit kader kunnen wetenschappers en universiteiten nog scherper de afweging maken tussen de openheid van wetenschap en het voorkomen van ongewenste kennisoverdracht.
Naast de eerder genoemde maatregelen die instellingen nemen om hun digitale veiligheid te vergroten, heb ik zoals ik ook aangaf in het antwoord op vraag 4 en de Kamerbrief «Cyberveiligheid in het hoger onderwijsveld en onderzoeksveld», de instellingen opgeroepen om hun veiligheidsbeleid in hun jaarverslagen op te nemen, dit onderwerp structureel met hun Raden van Toezicht te bespreken en een meerjarenvisie op dit terrein te presenteren. De rol van bestuurders hierbij is evident, zo ook het belang van een integrale veiligheidsaanpak in het onderwijs-en onderzoeksveld.
Bent u het ermee eens dat de activiteiten van statelijke actoren een hogere prioriteit moeten krijgen als het gaat om de (digitale) beveiliging van onze kennisinstellingen? Zo ja, hoe gaat u dit concreet oppakken in samenwerking met universiteiten, hogescholen en de AIVD? Zo nee, waarom niet?
De maatregelen die ik heb benoemd bij het antwoord op vraag 5 laten zien dat de rijksoverheid en de kennisinstellingen momenteel al intensief samenwerken om kennisveiligheid in het hoger onderwijs en bij de kennisinstellingen te verhogen. Ik zal uw Kamer in het najaar van 2021 opnieuw informeren over de voortgang die er op het gebied van kennisveiligheid wordt geboekt.
Het bericht dat er vrees is voor stortvloed aan eigen bijdragen van studenten |
|
Peter Kwint |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Klopt het dat de algemene maatregel van bestuur «Regeling andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs» leidt tot allerhande eigen bijdragen van studenten?1
Met de regeling wordt duidelijkheid verschaft aan studenten en instellingen over voor welke kostensoorten hoger onderwijsinstellingen een bijdrage mogen verlangen van (aspirant-)studenten en bezitters van een getuigschrift en/of verklaring. Dat betekent dus ook dat instellingen voor alle andere kostensoorten geen eigen bijdrage mogen vragen. De regeling sluit in grote mate aan bij de huidige werkwijze van instellingen en komt overeen met eerdere brieven gestuurd aan de instellingen, studentenvakbonden en koepelorganisaties2 en de Tweede Kamer.3 Het ligt zodoende niet in de lijn der verwachting dat de regeling gaat leiden tot allerhande eigen bijdragen.
Kunt u «kosten die verband houden met de aard van een opleiding» nader specificeren?
Instellingen kunnen enkel een bijdrage bij de student in rekening brengen indien de kosten voor deze onderwijsvoorzieningen voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding en niet vervangbaar zijn met een kosteloos alternatief. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld onderwijsexcursies die zodanig verweven zijn met of essentieel zijn voor de leerdoelen die voor de opleiding zijn gesteld dat het ontbreken van een excursie te veel afbreuk doet aan één van die doelstellingen. Kosten die verbonden zijn aan het onderwijs tijdens een onderwijsvoorziening zoals een onderwijsexcursie zijn voor rekening van de instelling. Kosten waarvoor het in de rede ligt dat van studenten een bijdrage wordt gevraagd betreffen bijvoorbeeld reis- en verblijfskosten. Dergelijke kosten kunnen niet redelijkerwijs van het instellingsbestuur verlangd worden. Kosten die voortvloeien uit de aard van de opleiding mogen niet worden doorbelast. Sportvoorzieningen verbonden aan een lerarenopleiding voor lichamelijke opvoeding mogen niet worden doorberekend, terwijl dit bij andere opleidingen wel mag, omdat die dan geen verband hebben met het onderwijs.
Hoe worden de eigen bijdragen naar de aankomende studenten gecommuniceerd? Wordt bij inschrijving duidelijk vermeld wat de bijkomende studiekosten zijn?
Het is de verantwoordelijkheid van instellingen transparant te communiceren over eventuele bijdragen naast het collegegeld. De instellingen hebben reeds benadrukt de regeling tijdig te willen afronden zodat zij ook voldoende tijd hebben om richting de (aspirant-)studenten te communiceren.
Bent u van mening dat een leraar-in-opleiding zelf moet betalen voor een VOG, of dat een student die een sportopleiding doet een verplicht sportmedisch advies zelf moet bekostigen?
Instellingen verzorgen de gehele selectieprocedure voor studenten, maar het afgeven van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) of het opvragen van een (sport)medisch advies opvragen bij een onafhankelijke (sport)arts zijn geen werkzaamheden die voortvloeien uit de wettelijk taak van instellingen en zijn ook geen werkzaamheden die de instellingen zelf kunnen uitvoeren. Gezien de aard van de kosten en gelet op het feit dat het werkzaamheden betreft die niet door de instelling zelf uitgevoerd kunnen worden, is het redelijk dat de student de kosten draagt voor een dergelijke aanvraag.
Deelt u de mening dat hogere eigen bijdragen de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet ten goede komt en het weer een extra drempel opwerpt om voor het hoger onderwijs te kiezen?
Vanuit het Ministerie van OCW is continue aandacht voor het toegankelijk houden van het hoger onderwijs en het bieden van gelijke kansen voor studenten. Hiertoe zijn in de afgelopen jaren verschillende beleidswijzigingen doorgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de afschaffing van eigen bijdrage voor het deelnemen aan selectieprocedures. Gelet op het feit dat deze regeling in grote mate aansluit bij de huidige werkwijze van instellingen ligt het niet in de lijn der verwachting dat de regeling hoge impact heeft op de hoogte van de bijdragen die door instellingen in rekening worden gebracht. Om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te borgen mogen instellingen ten hoogste een kostendekkende bijdrage in rekening brengen en is in de regeling opgenomen dat instellingen verplicht een kosteloos alternatief moeten aanbieden voor bepaalde onderwijsvoorzieningen. Instellingen kunnen hier slechts in enkele gevallen van afwijken.
Deelt u de mening het onwenselijk te vinden dat studenten die de eigen bijdrage niet kunnen betalen bijvoorbeeld geen studie Egyptologie kunnen doen, omdat er dan een eigen bijdrage wordt gevraagd voor een excursie naar Egypte, en het reguliere onderwijsprogramma als kostenloze alternatief wordt aangeboden voor een honours-traject waarbij een eigen bijdrage wordt gevraagd?
Ik ben van mening dat het in de rede ligt dat in een dergelijk geval van studenten een eigen bijdrage wordt gevraagd voor de reis- en verblijfkosten. De overige kosten die verbonden zijn aan het onderwijs tijdens de excursie zijn voor rekening van de instelling. Het uitgangspunt blijft dat excursies vervangbaar zijn door een alternatieve opdracht. Ook voor honours-trajecten geldt dat een eigen bijdrage gevraagd kan worden voor bepaalde onderwijsvoorzieningen mits er kosteloze alternatieven worden aangeboden binnen de opleiding.
Naar aanleiding van het artikel in Science Guide is contact opgenomen met Universiteit Utrecht. De universiteit geeft aan dat zij belang hecht aan de toegankelijkheid van honours programma’s voor alle gemotiveerde en getalenteerde studenten en dat financiële draagkracht geen drempel is om deel te nemen. Voor honours programma’s die gekoppeld zijn aan opleidingen worden geen eigen bijdragen gevraagd. Bij uitzondering wordt voor enkele interdisciplinaire honours programma’s wel een eigen bijdrage gevraagd. Als dit het geval is, en een gemotiveerde student kan die bijdrage niet betalen, probeert de universiteit maatwerk te bieden en alternatieve financiering te vinden zodat de student toch deel kan nemen. De universiteit geeft aan dat zij hier altijd in is geslaagd. De werkwijze van Universiteit Utrecht past naar mijn mening bij de strekking van de regeling en vormt geen belemmering voor de toegankelijkheid.
Bent u bereid om deze regeling in te trekken, of op zijn minst de eigen bijdragen te maximeren, zodat studenten niet met extra kosten tijdens hun toch al dure studie worden overvallen?
De regeling zal niet worden ingetrokken. In de huidige regeling is per onderdeel bepaald of een gemaximeerd bedrag gewenst is. De bijdragen voor het waarderen van een buitenlands diploma van een aspirant-student en voor een te late inschrijving voor een tentamen zijn zodoende gemaximeerd met een vastgesteld bedrag. Voor overige bijdragen geldt dat deze ten hoogste kostendekkend mogen zijn.
Het meerekenen van studieschuld bij een hypotheekaanvraag |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u het ermee eens dat studieschuld niet zou moeten worden meegerekend bij een hypotheekaanvraag? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen om te zorgen dat dit niet gebeurt?
Voor verantwoorde kredietverlening is het verplicht om bij het bepalen van de maximale financieringslast rekening te houden met financiële verplichtingen zoals een studieschuld. De aanvrager is dan ook verplicht om bij een hypotheekaanvraag eventuele studieschulden op te geven. De terugbetaling van een studieschuld drukt namelijk op het besteedbaar inkomen. Het is daarom ook in het belang van de consument om bij een hypotheekaanvraag een eventuele studieschuld eerlijk op te geven. Daarmee voorkomt de aanvrager dat de hypotheek lasten te hoog worden, met mogelijke betalingsproblemen als gevolg. Voor studieschulden wordt vanwege het bijzondere karakter met de bijbehorende sociale terugbetaalvoorwaarden een lagere wegingsfactor gehanteerd bij een hypotheekaanvraag dan voor consumptieve kredieten.
Bent u voorstander van het compenseren van de generatie studenten die geen basisbeurs hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief1 aan uw Kamer van 8 april jl. heb ik verschillende mogelijkheden geschetst voor compensatie voor leenstelselstudenten bij een wijziging van het studiefinancieringsstelsel. Daarin heb ik tevens aangegeven dat de keuze voor het overgaan tot compensatie afhankelijk is van verschillende factoren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan óf er een wijziging komt in het studiefinancieringsstelsel, hoe die wijziging er uit ziet en welke (financiële) keuzes men verder maakt. Het maken van deze keuzes is aan een volgend kabinet.
Bent u voornemens om studenten, die al begonnen waren aan een studie toen de coronamaatregelen werden ingesteld, te compenseren voor de verminderde kwaliteit van het onderwijs door de coronamaatregelen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Omdat veel studenten last hebben van de coronamaatregelen zijn een aantal regelingen getroffen.
Ten eerste krijgen mbo-studenten die in de periode september 2020 tot en met juli 2023 uit hun recht op de basisbeurs en/of aanvullende beurs lopen, een tegemoetkoming. Daarnaast krijgen studenten die een mbo-diploma behalen in de periode 1 augustus 2020 tot en met 31 augustus 2021, een tegemoetkoming. Bovendien krijgen studenten voor het studiejaar 2021–2022 een algemene korting van 50% op het lesgeld en cursusgeld.
Ook studenten in het hoger onderwijs die uit hun recht op de aanvullende beurs lopen in de periode september 2020 tot en met augustus 2023, krijgen een tegemoetkoming. Daarnaast krijgen studenten die in de periode 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 een associate degree, bachelor of master behalen aan het hbo of een master behalen aan de universiteit, een tegemoetkoming. Ook voor studenten in het hoger onderwijs geldt een algemene korting van 50% op het collegegeld voor studiejaar 2021–2022. Tot slot is het reisrecht voor studenten in het hoger onderwijs verlengd.
Op de website van DUO staat een volledig overzicht van de genomen maatregelen voor studenten in verband met corona: https://duo.nl/particulier/corona/.
Het bericht ‘Minister over gedoe met examenpost: ‘Sommige leerlingen zullen uitslag donderdag niet weten’’ |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Wanneer ontving u de eerste signalen dat het proces van bezorging van de eindexamens niet juist verliep?1
Vanaf 2 juni zijn er meldingen binnen gekomen bij het Examenloket en de inspectie dat er sprake was van vertraging bij verzendingen van examenwerk tussen eerste en tweede correctoren. Lopende deze dagen is een groot deel van dit werk terecht gekomen. In de dagen erna is overzicht gecreëerd en zijn meldingen gecheckt. Een deel was inmiddels weer terecht. Op 8 juni ben ik door PostNL geïnformeerd over hun constatering dat er sprake was van vermist werk, dat mogelijk niet meer (op tijd) terecht zou komen, en dat dit bij meerdere scholen speelde.
Heeft u toen direct actie ondernomen en zo ja, welke?
Ik heb op 8 juni direct actie ondernomen en een inventarisatie laten uitvoeren naar de aard en omvang van de problematiek. Alle scholen die een melding hadden gedaan bij het Examenloket, het College voor Toetsen en Examens of de Inspectie van het Onderwijs zijn vervolgens op 9 juni gebeld om hen te vragen naar de actuele status van hun melding. Op basis van deze inventarisatie bleek dat bij drie scholen geen uitslag kon worden vastgesteld omdat er examens kwijt waren geraakt op de weg van de eerste naar de tweede corrector. Voor deze leerlingen heb ik een uitzondering gemaakt zodat zij vandaag alsnog hun uitslag konden ontvangen. Hierover zijn de betreffende scholen op 9 juni geïnformeerd.
Hebben de getroffen scholen het protocol gevolgd van de VO-raad? Zo ja, hoeveel van deze scholen hebben dit gedaan en zijn door deze scholen kopieën gemaakt van de examens? Zo nee, hoeveel scholen niet?
Bij vier scholen is geconstateerd dat er werk mist. Eén van deze scholen had een kopie gemaakt van het werk, waardoor de correctie alsnog kon plaatsvinden. De overige scholen hadden geen kopie of scan gemaakt van het gemaakte examenwerk.
Indien scholen geen kopieën hebben gemaakt, bestaat dan nog een mogelijkheid dat de leerlingen geen herexamen hoeven te doen? Bijvoorbeeld door te vertrouwen op de eerste corrector?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar debrief die ik uw Kamer op 9 juni gestuurd heb over de uitzondering voor gedupeerde leerlingen van het vermiste examenwerk.2
Wat betekent dit voor leerlingen waarvan later blijkt dat zij een vak niet gehaald hebben en die dus een herexamen moeten aanvragen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Worden extra maatregelen getroffen voor het tweede tijdvak? Zo ja, welke?
In mijn brief van 9 juni jl. heb ik het expliciete advies gegeven aan scholen om kopieën van het gemaakte examenwerk te maken. Hiermee kunnen eventuele vertragingen of vermissingen worden opgevangen. Daarnaast is er op 10 juni een mailing verstuurd aan scholen met daarin tips en adviezen om een soepele verzending te ondersteunen
Kunt u deze vragen beantwoorden voor vrijdag 11 juni?
De beantwoording van de vragen stuur ik u vrijdag 11 juni toe.
Het bericht ‘Bindend studieadvies zorgt voor betere prestaties en minder studievertraging’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bindend studieadvies zorgt voor betere prestaties en minder studievertraging»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het onderzoek dat studenten die eenmaal achterlopen moeite hebben om die achterstand ook weer in te halen?
Ik denk zeker dat het een uitdaging is voor studenten om een opgelopen achterstand in te halen. Dat zal per student, opleiding en context verschillen. Goede begeleiding kan hierbij het verschil maken.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het aantal studenten dat achterstand heeft opgelopen door de gevolgen van de coronacrisis en wat is de gemiddelde opgelopen achterstand?
In mijn brief van 22 juni jongstleden heb ik uw Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken met betrekking tot de gevolgen van COVID-19 in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs, waaronder het effect op de studievoortgang.2 De studievoortgang van studenten lijkt op basis van de nu beschikbare informatie gemiddeld niet significant af te wijken van andere jaren.3 Specifieke studies met grote praktijkcomponenten en stages springen er negatief uit. Extra zwaar is de situatie in medische opleidingen. De actuele cijfers in het wetenschappelijk onderwijs worden door de VSNU zorgvuldig in de gaten gehouden, zodat bij zorgelijke ontwikkelingen kan worden ingegrepen. In het hbo geldt dat de groep opleidingen met een praktijkcomponent die last hebben gehad van de maatregelen, groter is dan in het wo. Gezamenlijke repetities in het kunstonderwijs kunnen bijvoorbeeld maar beperkt doorgaan. Het aandeel studenten dat in de studentenmonitor rapporteert studievertraging te hebben opgelopen, is met vier procentpunten gestegen.
Op welke manier gaat u de studenten met een grotere studieachterstand monitoren?
De hogeronderwijs instellingen monitoren zelf de studievoortgang van studenten. Ze doen dat bijvoorbeeld met eigen geautomatiseerde studievoortgangsystemen. Hierdoor kunnen tussen de administraties van de instellingen verschillen bestaan en is het niet mogelijk om de gegevens van de verschillende instellingen op te tellen tot een kwantitatief, eenduidig landelijk beeld over de studievoortgang van studenten in het hoger onderwijs. De VSNU zal in een factsheet studieresultaten aan het einde van 2021 de cijfers weer samenbrengen. Landelijk is wel een indicatie te geven op basis van informatie van een aantal hogeronderwijsinstellingen. In de brief van 22 juni jongstleden is hier op ingegaan.4 Daarnaast wordt middels de Monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs de in- en doorstroom van studenten gevolgd. Dit gebeurt op basis van gegevens uit de Studentenmonitor (dit betreft een studenten enquête, met laatste meting medio 2020). U heeft op 22 juni jongstleden de Monitor beleidsmaatregelen 2020–2021 ontvangen, tezamen met mijn beleidsreactie.5 Later in het najaar komen eenduidige landelijke gegevens over in-, door- en uitstroom beschikbaar van DUO.
Hoe gaat u voorkomen dat studenten die een groter aantal studiepunten zijn misgelopen gaan «zwerven» door het studieprogramma? En welke mogelijkheden hebben instellingen om deze studenten door te verwijzen naar een andere studiekeuze, waar deze studenten vaak beter af zijn?
Instellingen zetten zich in om studenten van de juiste ondersteuning en begeleiding te voorzien om studievertraging zoveel mogelijk te voorkomen en in te halen. In het kader van het Nationaal Programma Onderwijs krijgen instellingen extra middelen om deze begeleiding, ondersteuning en inhaalonderwijs te organiseren. Indien een studie toch niet passend blijkt voor de student, zetten hogescholen en instellingen zich ervoor in deze zo goed mogelijk naar een andere opleiding te verwijzen. Dit kunnen zij doen door middel van een (studiekeuze)gesprek met de student. Daarnaast hebben instellingen de mogelijkheid om eventueel een bindend studieadvies (bsa) af te geven. Bij een negatief bsa dient de student de opleiding te verlaten. Hogescholen hebben aangegeven dat studenten die door de coronacrisis vertraging hebben opgelopen, dit studiejaar geen bsa zullen krijgen. Zij krijgen de mogelijkheid de bsa-norm te halen in het volgende studiejaar. Universiteiten hebben de bsa-norm op opleidingen generiek verlaagd met een bandbreedte van 10 tot 15 procent.6 Bij het geven van een negatief bsa dienen opleidingen rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van een student. Goede begeleiding van de student is daarnaast cruciaal.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het artikel dat studenten de focus moeten houden om aan de eisen van de eerstejaarsvakken te voldoen, om te voorkomen dat studievertraging op studievertraging wordt gestapeld? Ziet u mogelijkheden binnen het Nationaal Programma Onderwijs om samen met instellingen studenten, die de facto een compensatie hebben gekregen van een half studiejaar, de focus te laten houden om te voldoen aan de eisen van de eerstejaarsvakken?
In het artikel staat dat wanneer studenten slechts een beperkt aantal eerstejaarsstudiepunten dienen in te halen, ze vrij gericht studeren om die vakken alsnog te halen. Indien het bij studenten gaat om een grotere vertraging, hebben zij meer moeite om deze vertraging in te halen. Het is aan de opleiding om samen met de student te bezien op welke manier de studievertraging het best ingehaald kan worden. De opleiding kan zelf de student het beste adviseren in het maken van een studieplan, zoals welke eerstejaarsvakken het beste afgerond kunnen zijn, alvorens te starten met de tweedejaarsvakken. In het kader van het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) heb ik een bestuursakkoord met hogescholen en universiteiten gesloten over het voorkomen en wegwerken van studievertraging onder studenten.7 Eén van de thema’s waar instellingen de middelen uit het NP Onderwijs aan kunnen besteden is de soepele in- en doorstroom van studenten, met daarbij aandacht voor het eerste jaar. Voor het herfstreces zal uw Kamer een brief ontvangen over de voortgang van het Nationaal Programma Onderwijs. Goede voorbeelden in het kader van het NP Onderwijs zullen worden uitgewisseld en verspreid onder instellingen, ook als het gaat om hoe instellingen kunnen voorkomen dat er studievertraging op studievertraging wordt gestapeld.
Wat is de stand van zaken van uitvoering van de motie Wiersma, die vraagt om het gesprek met onderwijsinstellingen over het bindend studieadvies te verbreden naar een gesprek over adequate sturingsinstrumenten voor onderwijsinstellingen op toelating en selectie voor en tijdens de opleiding?2 En op welke manier borgt u de vrijheid van instellingen om zelf te sturen op studentsucces?
In de brief van 22 juni jongstleden, waarin ik inga op de Monitor beleidsmaatregelen 2020–2021, het bsa, de Ad-monitor en de evaluatie eigen bijdrage selectieprocedures, heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie Wiersma.9 De vrijheid van instellingen om te sturen op studentsucces is op dit moment geborgd. In de hiervoor genoemde brief ga ik in op het bsa in relatie tot het studentsucces.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg «Onderwijs en corona mbo en ho» van maandag 5 juli 2021?
Ja.
Het bericht ‘Spanning in de klas: verdwijnen controversiële thema’s van het lesrooster?’ |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Spanning in de klas: verdwijnen controversiële thema’s van het lesrooster»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van een enquête van de Vereniging docenten in Geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM), dat een deel van de Nederlandse docenten geschiedenis en maatschappijleer «voorzichtiger» zijn geworden in het behandelen van «controversiële» onderwerpen in hun klas?
Elke leraar moet in volledige vrijheid en veiligheid kunnen werken, ongeacht het onderwerp en de gekozen werkvorm van de les. Afwegingen aangaande de inhoud en lesvorm horen gemaakt te worden op basis van pedagogisch-didactische overwegingen en niet vanuit een gevoel van angst en onveiligheid. Ik vind het zorgwekkend dat er leraren aangeven voorzichtiger te zijn geworden bij het behandelen van bepaalde onderwerpen. De moord op Samuel Paty en de bedreigingen van leraren in Nederland hebben grote indruk gemaakt in het onderwijsveld. Ik kan mij goed voorstellen dat leraren zich door zulke gebeurtenissen zorgen maken over de mogelijke gevolgen van het bespreken van controversiële onderwerpen voor hun veiligheid. Tegelijkertijd is het van wezenlijk belang dat ook die onderwerpen besproken blijven worden. Het klaslokaal is bij uitstek een plek waar leerlingen leren omgaan met hen onwelgevallige meningen en waar de waarde van de vrijheid van meningsuiting wordt overgebracht. Om dit te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat leraren zich vrij en veilig voelen alle onderwerpen te bespreken op een manier die zij passend vinden en daarbij niet worden geïntimideerd en bedreigd.
Bent u het met de schrijver van het artikel eens dat de enquête van de VGN en NVLM een «inkijkje geven in een wereld waar we nog weinig van weten»? Wanneer heeft u voor het laatst grondig onderzoek gedaan naar de twijfels en angsten bij leraren om openlijk over «lastige» onderwerpen in de klas te praten en bent u bereid hier op korte termijn onderzoek naar te doen?
Het is van belang goed zicht te hebben op het veiligheidsgevoel van leraren, onder andere aangaande het bespreken van onderwerpen die gevoelig kunnen liggen. De Inspectie van het Onderwijs (hierna inspectie) ziet toe op de naleving van de kerndoelen en de (sociale) veiligheid op school. Scholen rapporteren jaarlijks aan de inspectie over de veiligheidssituatie op hun school. Indien bij het toezicht signalen naar voren komen dat leraren zich niet vrij en veilig voelen op school, wordt hierop geacteerd. Daarnaast wordt in de tweejaarlijkse monitor sociale veiligheid de positie van leraren meegenomen en is de veiligheid van leraren, mede op verzoek van uw Kamer, ook onderdeel van de evaluatie van de Wet sociale veiligheid.2
In 2015 is voor het laatst groot wetenschappelijk onderzoek gevoerd dat zich specifiek richt op het bespreken van onderwerpen die gevoelig kunnen liggen in de klas.3 Ik ben voornemens om bij de monitoring van het burgerschapsonderwijs hier actuele informatie over te vergaren. Ik ga met het onderwijsveld, de inspectie en wetenschappers in gesprek om te bezien wat hiervoor de beste onderzoeksopzet is. Tevens wordt er veel relevante informatie opgehaald vanuit programma’s en organisaties die scholen en leraren ondersteunen bij het bespreken van gevoelige onderwerpen in de klas. Zo heeft Stichting School en Veiligheid (hierna SSV) de training Dialoog onder druk gegeven aan 3.500 onderwijsprofessionals in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Uit hun ervaringen kunnen we bijvoorbeeld informatie destilleren over welke onderwerpen leraren het lastigst vinden om te bespreken in de klas, wat de behoeftes zijn van scholen en leraren aangaande de ondersteuning op dit gebied en hoeveel onderwijsprofessionals gebruik maken van dit aanbod.
Wat is uw reactie op de vier belangrijke knelpunten genoemd in het artikel als het gaat om de worsteling van leraren met het bespreken van controversiële onderwerpen in de klas? Kunt u deze reactie uitsplitsen per genoemd knelpunt uit het artikel?
Ik erken dat het burgerschapsonderwijs nog niet overal op het gewenste niveau zit. Dit komt mede doordat de huidige burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs te vrijblijvend en onvoldoende duidelijk is. Daarom ben ik verheugd dat het wetsvoorstel ter verduidelijking en aanscherping van de burgerschapsopdracht is aangenomen. Hiermee wordt wettelijk verankerd dat burgerschapsonderwijs op elke school doelgericht, samenhangend en herkenbaar wordt vormgegeven en gericht is op het bevorderen van het respect voor en de kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat betekent onder meer dat de waarde van de vrijheid van meningsuiting overgebracht dient te worden. Ook volgt uit de wet dat scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur in overeenstemming met de basiswaarden, waarin leerlingen en leraren zich veilig en geaccepteerd weten. In een dergelijke schoolcultuur leren leerlingen respect op te brengen voor leraren en wordt ferm opgetreden tegen elke vorm van intolerantie of intimidatie. Ook de uitgebreide ondersteuning die wordt geboden en het aanscherpen van de kerndoelen burgerschap zullen een impuls geven aan het burgerschapsonderwijs.
Nederlanders hebben het gevoel dat de polarisatie in de samenleving toeneemt, zo constateerde het SCP.4 Dit vertaalt zich logischerwijs ook naar het klaslokaal en leraren worden hiermee geconfronteerd. Dit benadrukt de noodzaak hen goed voor te bereiden op het voeren van gesprekken over onderwerpen die gevoelig kunnen liggen en hen de hulp te bieden die zij nodig hebben. Ook tonen de SCP-conclusies het belang aan van goed burgerschapsonderwijs zodat jongeren respect leren opbrengen voor anderen, en andere opvattingen.
Het is een gegeven dat leerlingen tegenwoordig veel informatiebronnen tot hun beschikking hebben. Dit kan er toe leiden dat leraren door hen geconfronteerd worden met alternatieve «feiten» en dat dit tot discussie kan leiden. Zolang dit op een respectvolle manier gebeurt, beschouw ik dit niet als een probleem, maar als een kans om mediawijsheid te doceren, leerlingen te leren omgaan met informatiebronnen en om feiten van fictie te onderscheiden.
Het is van groot belang dat leraren zich gesteund voelen door collega’s, de schoolleiding en de overheid. Het is geen gemakkelijke opgave om onderwerpen bespreekbaar te maken als je het gevoel hebt dat dit mogelijk ten koste gaat van jouw veiligheid. Dit is een collectieve verantwoordelijkheid, die nooit louter bij leraren maatschappijleer of geschiedenis gelegd mag worden. Het is aan de schoolleiding en de overheid om de juiste randvoorwaarden te creëren. Dan gaat het over zaken als een uitgebreid ondersteuningsaanbod, tijd en ruimte creëren voor de bijscholing van leraren, aandacht in de lerarenopleidingen voor burgerschap en een helder wettelijk kader dat de verantwoordelijkheid bij het bevoegd gezag legt en niet bij de leraar. Als concrete veiligheidsincidenten plaatsvinden, dienen het bevoegd gezag en de autoriteiten pal voor de leraar te gaan staan. Zo zou de aangifte idealiter gedaan worden door het bevoegd gezag en niet (alleen) door de leraar in kwestie en verlenen politie en een partij als SSV adequate ondersteuning. Het is goed om te zien dat deze ondersteuning wordt geboden en er steeds beter wordt samengewerkt tussen de betrokken domeinen, getuige de integrale aanpak van het Actieplan wapens en jongeren.5
Herkent u het beeld dat slechts een kwart van de leraren naar eigen zeggen door de schoolleiding werd gestimuleerd om de moord van de Franse leraar Samuel Paty te bespreken met hun leerlingen? En dat zelfs op enkele scholen door de schoolleiding dit actief werd afgeraden? Zo ja, welke stappen heeft u concreet gezet om dit te adresseren en de situatie voor leraren te verbeteren?
Er is geen representatief onderzoek gedaan naar hoeveel schoolleiders gehoor hebben gegeven aan de oproep van mijn collega Van Engelshoven en mijzelf, dan wel dit actief afgeraden hebben. Op basis van deze enquête onder 141 respondenten is dat niet te concluderen.
Herkent u het beeld dat er momenteel binnen lerarenopleidingen het burgerschapsonderwijs nog te beperkt aan bod komt? En op welke manier wordt er binnen bijscholing voor leraren aandacht geschonken aan de behandeling van de burgerschapsopdracht, aangezien het artikel stelt dat in de jaren negentig van de vorige eeuw het überhaupt niet ging over burgerschapsonderwijs binnen de lerarenopleiding?
Er zijn grote stappen gezet in de lerarenopleidingen. Burgerschap en sociale veiligheid maken sinds de herijking in 2018 onderdeel uit van de kennisbasis van de pabo en de lerarenopleidingen. Dat betekent dat reguliere studenten die in 2018 zijn ingestroomd binnenkort afstuderen en het onderwijs instromen. Het curriculum van de lerarenopleidingen is mede gebaseerd op de wettelijke eisen en zal dus worden aangepast op de hernieuwde burgerschapsopdracht.
Ik herken het beeld dat er voor 2018 te weinig aandacht werd besteed aan burgerschap in de lerarenopleidingen. Het is dan ook belangrijk dat er een uitgebreid ondersteuningsaanbod is voor bijscholing. Ik ondersteun diverse organisaties die materiaal ontwikkelen dat zich specifiek richt op het bespreekbaar maken van onderwerpen die gevoelig kunnen liggen in de klas. Scholen kunnen kosteloos gebruik maken van deze trainingen, lesbrieven en handreikingen. U kunt hierbij denken aan het ondersteuningsaanbod van SSV, de Stichting Leerplan Ontwikkeling, de Anne Frank Stichting en het COC. Daarnaast worden nu ook afspraken gemaakt met het programma «Ter Info» van de Universiteit Utrecht, zodat scholen gebruik kunnen maken van lesbrieven om bijvoorbeeld terreuraanslagen en ernstige geweldsincidenten in de klas bespreekbaar te maken. Ik roep scholen op om gebruik te maken van dit aanbod en ruimte en tijd vrij te maken voor leraren die behoefte hebben aan bijscholing.
Wat is de huidige stand van zaken over de toezegging gedaan tijdens het wetgevingsoverleg Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs d.d. 9 november 20202 met betrekking tot de eisen die inmiddels zijn gesteld binnen het curriculum van lerarenopleidingen, als het gaat om burgerschapsopdracht een verplicht onderdeel te laten zijn van de lerarenopleiding en waarbij toekomstige leraren specifiek handvatten meekrijgen om ogenschijnlijk moeilijke maatschappelijke thema’s in de lessen te kunnen bespreken? Welke stappen zijn er sinds die toezegging gezet om toekomstige leraren hiervoor beter op te leiden?
Mijn collega Van Engelshoven heeft gesproken met de vertegenwoordigers van de lerarenopleidingen over de wetswijziging burgerschap en de curriculumherziening. Deze twee ontwikkelingen willen de opleidingen gezamenlijk meenemen in de herijking van de kennisbasis voor 2024. Voor het zomerreces komt er een vervolggesprek met de opleidingen om te bezien hoe leraren het best kunnen worden ondersteund bij de implementatie van de burgerschapsopdracht en kunnen aansluiten op de ondersteuningsstructuur burgerschap. Het onderwijsveld, waaronder de sectorraden en de profielorganisaties, zijn tevens nauw betrokken bij de totstandkoming van deze ondersteuningsstructuur en denken mee over hoe we de bekendheid van het aanbod in het veld kunnen vergroten. Daarnaast is er, met steun van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, additioneel aanbod gecreëerd dat zich specifiek richt op het bespreken van onderwerpen die gevoelig kunnen liggen, waaronder radicalisering. Daarmee is uitvoering gegeven aan de moties Bruins en Rog7, Heerma8 en aan de toezegging richting het lid Heerma.9
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het bespreken van zogenaamde controversiële onderwerpen in de klas lijkt te verdwijnen, terwijl de wereld er niet minder controversieel op wordt? En dat de schoolklas bij uitstek een plek hoort te zijn waarbij leerlingen en leraren vrij deze thema’s moeten kunnen bediscussiëren? Zo ja, op welke concrete manier gaat u leraren ondersteunen zodat zij vrij en zonder angst voor intimidatie en geweld hierin hun vak kunnen uitoefenen?
Zie antwoorden op de vragen 2, 3, 4, 6 en 7.
De uitwisseling van studenten tijdens corona |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Hoeveel studenten hebben de afgelopen drie jaar deelgenomen aan een uitwisselingprogramma van en naar Nederland?
In onderstaande tabel zijn de aantallen inkomend en uitgaande studenten in de afgelopen 3 jaar weergegeven. Ten aanzien van Erasmus+ geldt dat de cijfers over 2019 en 2020 nog niet volledig zijn, omdat een deel van de mobiliteitsprojecten nog niet is afgerond
2018–19
2019–20
2020–21
In
Uit
In
Uit
In
Uit
Holland Scholarship
617
742
616
825
454
85
Erasmus+
15.524
14.787
14.733
14.225
6.628
1.900
16.141
15.529
15.349
15.050
7.082
1.985
Bent u het ermee eens dat het een ontzettend waardevolle ervaring voor een student is om enige tijd in het buitenland te wonen en te studeren, en het een verrijking voor Nederland is als ook internationale studenten enige tijd in Nederland studeren?
Ja, daar ben ik het mee eens. De inspanningen die instellingen plegen om uitwisselingen zo veel en veilig mogelijk door te laten gaan waardeer ik dus ook zeer.
Heeft u overleg met onderwijsinstellingen over de doorgang van uitwisselingprogramma’s van studenten?
Het besluit over deelname aan uitwisselingsprogramma’s is aan instellingen zelf. Mijn medewerkers hebben wel geregeld overleg met de koepels, Nuffic, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND over coronamaatregelen en de invloed op studentenmobiliteit. Deze overleggen zijn vooral bedoeld om informatie uit te wisselen en het veld zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden.
Zijn er hogescholen en universiteiten die, zoals de Universiteit van Amsterdam eerder voorgenomen had1, op dit moment hebben besloten om voor komend semester generiek, voor alle mogelijke bestemmingen, uitwisselingen van studenten te annuleren?
De wijze waarop instellingen omgaan met uitwisseling in het nieuwe studiejaar verschilt. Instellingen moeten een afweging maken of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet. De UvA heeft er in eerste instantie voor gekozen om hierin een generiek besluit te nemen om tijdig duidelijkheid aan haar studenten te kunnen bieden. Dit besluit is inmiddels in overleg met de medezeggenschap herzien.
Klopt het dat de meeste hogescholen en universiteiten nog een besluit moeten nemen over de doorgang van uitwisselingen van studenten?
Mijn beeld is dat instellingen, met het oog op het belang dat zij hechten aan uitwisseling, veel tijd en energie steken in het zoveel en veilig mogelijk laten doorgaan van deze programma’s. De meeste instellingen hebben hier al wel een besluit over genomen. Gelet op de onvoorspelbaarheid van epidemiologische omstandigheden, vraagt dit voortdurend aandacht en eventuele bijstelling van de keuzes die gemaakt worden.
Welke overwegingen en knelpunten liggen ten grondslag aan het besluit van onderwijsinstellingen om (mogelijk) generiek te besluiten alle uitwisselingen te annuleren?
In deze tijden, waarin het COVID-19 virus nog onvoorspelbaar is, is het lastig om zekerheden te bieden of vooruit te lopen op de situatie over een aantal maanden. Instellingen maken daarbij hun eigen afweging over wat zij als veilig en verantwoord beschouwen voor hun studenten. Bij internationale uitwisselingen speelt deze onzekerheid des te meer, omdat het, naast de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ook gaat om de regels van andere landen. Hierbij is het ook van belang om studenten tijdig duidelijkheid te bieden, zodat zij zich kunnen gaan voorbereiden op een alternatief voor het 1e semester. Daarnaast wordt er door instellingen ook gewerkt aan alternatieven, zoals uitwisselingen in blended vorm (combinatie van virtuele en fysieke uitwisseling), die mogelijk uitkomst kunnen bieden voor deze studenten om later in het eerste semester alsnog naar het buitenland te kunnen gaan.
Welke maatregelen treft de Europese Commissie om uitwisselingen in het Erasmus+-programma zoveel mogelijk doorgang te laten vinden?
Sinds het uitbreken van de COVID-19-pandemie zijn de lidstaten, de Europese Commissie, de Nationale Agentschappen Erasmus+ en het veld in nauw contact geweest over de mogelijkheden en onmogelijkheden van grensoverschrijdende mobiliteit vanwege de reisbeperkingen en COVID-maatregelen. Binnen het Erasmus+-programma heeft Nederland met andere lidstaten bij de Commissie gepleit voor meer flexibiliteit in de uitvoering van Erasmus+. Zo kunnen de contracten van mobiliteitsprojecten worden verlengd en zijn de regels rond mogelijkheden voor virtuele mobiliteit verruimd. Daarnaast heeft het Nationaal Agentschap Erasmus+ voor het Nederlandse onderwijsveld een groot aantal online bijeenkomsten georganiseerd waarbij instellingen onderling hun ervaringen met en kennis van online internationale activiteiten konden uitwisselen. Bovendien werd het veld geïnformeerd over de ontwikkelingen rond mobiliteit i.r.t. de reisbeperkingen. Het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de bredere Europese afspraken over reizen zijn hierbij leidend. Tot slot is het aan de onderwijsinstellingen zelf om te bepalen of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Op welke wijze ondersteunt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en/of het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderwijsinstellingen om een goede afweging te kunnen maken ten aanzien van studentenuitwisselingprogramma’s?
Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Valt het volgen van een deel van de studie, in het kader van een uitwisselingsprogramma, in het buitenland een essentiële of een niet-essentiële reis in de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Sinds mei jl. adviseert het kabinet om alleen op reis te gaan naar groene of gele landen en alleen voor noodzakelijke reizen naar oranje gebied en het is in principe aan de reiziger zelf om die noodzakelijkheid in te schatten. Bij uitwisseling in het kader van studie of stage geldt echter dat het ook tot de verantwoordelijkheid van een instelling is om vanuit haar zorgplicht de educatieve waarde voor de student en de opleiding af te wegen bij het besluit of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Klopt het dat een «oranje» reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet per definitie betekent dat er meer coronabesmettingen in die regio of dat land zijn dan in Nederland?
In landen waarvoor een oranje reisadvies geldt is het inderdaad niet zo dat er per definitie meer coronabesmettingen zijn dan in Nederland. Het reisadvies geeft de situatie ter plaatse weer. Het RIVM komt wekelijks met een advies voor welke landen er binnen de EU een verhoogd risico geldt. Dit hangt niet af van de situatie in Nederland, maar er wordt naar factoren gekeken als besmettingsgraad, aantal testen en percentage positieve testen in het betreffende land. Landen die door VWS als gevolg van het RIVM-advies tot hoog of zeer hoog risico worden aangewezen krijgen een oranje reisadvies. Het kan daarnaast ook zijn dat een land veilig is, maar het land alle inkomende reizigers (dus ook studenten) weert, bijvoorbeeld Noorwegen. In dat geval wordt de kleurcode van het reisadvies ook oranje, Nederlanders kunnen er immers niet naartoe. Voor landen buiten de EU hanteren we de EU-veilige landenlijst. Landen die daar niet op staan zijn oranje. Vanwege de toenemende vaccinaties zien we de situatie wereldwijd verbeteren, en het aankomende Digital COVID-19 Certificate van de EU zorgt er hopelijk voor dat reizen in de toekomst weer makkelijker wordt. Reizen tijdens de COVID-19-pandemie blijft echter gepaard gaan met risico’s. De ontwikkelingen van het virus zijn niet voorspelbaar, met als gevolg dat de kleurcodes van de reisadviezen kunnen veranderen als het RIVM-advies daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de stelling dat het voor studenten erg wrang is als zij medio zomer – door het Europees vaccinatiebewijs en de voortgang van het vaccinatieprogramma in Nederland en elders – wel allerlei mogelijkheden hebben om in de zomer in het buitenland op vakantie te gaan maar niet om daar te studeren?
Ik kan me voorstellen dat dit in sommige gevallen tot teleurstelling leidt. Sinds mei jl. adviseert het kabinet om alleen op reis te gaan naar groene of gele landen en alleen voor noodzakelijke reizen naar oranje gebied. Het is aan de reiziger zelf om die noodzakelijkheid in te schatten. Bij uitwisseling in het kader van studie geldt echter dat ook een instelling vanuit haar zorgplicht zal moeten afwegen of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Deelt u de stelling dat het wenselijk is dat hogescholen en universiteiten per regio of land beoordelen of uitwisselingen veilig door kunnen gaan?
Ja, dat deel ik en dit gebeurt ook al vaak. Ik wil daarbij wel opmerken dat dit veel meerwerk vergt van instellingen in een jaar waarin zij al een enorme extra inspanning hebben moeten plegen om het onderwijs doorgang te laten vinden.
Acht u het voor elke hogeschool en universiteit mogelijk om – zonder aanvullende ondersteuning van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken – per regio of land te beoordelen of uitwisselingen veilig kunnen doorgaan?
Ja. Ik acht instellingen in staat om deze afweging te maken op basis van de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, hun eigen zorgplicht en andere voor hen relevante overwegingen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u de suggestie van de indiener om tijdelijk een taskforce in te stellen om hogescholen en universiteiten te ondersteunen bij het beoordelen of een regio of land veilig is voor de doorgang van een uitwisseling?
Ik onderschrijf deze suggestie niet. Met de instellingen is geregeld overleg over de gevolgen van de pandemie voor het onderwijs. In die overleggen zijn geen vragen gesteld over extra ondersteuning rondom uitwisseling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Verantwoordingsdebat van de Vaste Kamercommissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 17 juni?
Ja.
Het bericht ‘Onderzoek inspectie: 1 op 3 scholen weigert schooladviezen bij te stellen’ |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek inspectie: 1 op 3 scholen weigert schooladviezen bij te stellen»?1
Ja.
Klopt de constatering in het artikel dat kinderen van arme en lager opgeleide ouders vaker een te laag schooladvies van de leerkracht krijgen? Welke andere groepen leerlingen krijgen ook vaker te maken met een te laag advies van de leerkracht, bijvoorbeeld leerlingen die opgroeien buiten de randstad of leerlingen met een migratie-achtergrond?
Leerlingen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status, leerlingen woonachtig in minder stedelijke gebieden en meisjes hebben vaker recht op een heroverweging van het schooladvies. Dit blijkt ook uit recent onderzoek van DUO, dat ik op 10 december jl. naar uw Kamer heb verstuurd.2 Leerlingen met een migratieachtergrond hebben gemiddeld ongeveer net zo vaak recht op heroverweging als leerlingen zonder migratieachtergrond, als wordt gecontroleerd voor het inkomen en opleidingsniveau van ouders. Gegeven het recht op heroverweging, hebben leerlingen met een migratieachtergrond een iets grotere kans op bijstelling van het advies dan leerlingen zonder migratieachtergrond, blijkt uit analyses van het CPB.3
Hoe kijkt u naar de constatering dat 1 op de 3 scholen laat weten geen enkel advies bij te zullen stellen op basis van de resultaten van de eindtoets? Deelt u de mening dat dit niet conform de wettelijke eis is dat scholen het schooladvies dienen te heroverwegen als het toetsresultaat hoger uitvalt?
Ik vind het zorgelijk dat er scholen zijn die bij voorbaat uitspreken geen enkel advies te zullen bijstellen op basis van de resultaten van de eindtoets.
Scholen zijn wettelijk verplicht om het schooladvies te heroverwegen bij een hogere eindtoetsscore en ik vind het onderdeel van de professionele attitude van de school om deze heroverweging per individuele leerling serieus uit te voeren. Ik vind het, juist dit jaar, belangrijk dat scholen de extra informatie die de eindtoets geeft gebruiken om nog een keer te kijken naar het best passende onderwijsniveau waarop de leerling start in het voortgezet onderwijs.
Ik heb vertrouwen in het professionele oordeel van de school en vind het belangrijk dat scholen ook dit jaar de heroverwegingen serieus nemen en kinderen het voordeel van de twijfel geven. Gelukkig zijn de meeste scholen dat ook van plan. Zo hebben leerlingen alle kansen om zichzelf verder te ontwikkelen in het vervolg van hun schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs.
Welke maatregelen gaat u treffen zodat deze scholen de schooladviezen wel gaan heroverwegen? Op welke manier is dit controleerbaar voor de leerling en ouder dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Scholen zijn wettelijk verplicht het schooladvies te heroverwegen bij een hogere eindtoetsuitslag. Indien een school er op basis van een serieuze heroverweging voor kiest het advies niet bij te stellen, moet dit goed onderbouwd gecommuniceerd worden met leerlingen en ouders. Het is belangrijk dat de school en de ouders het goede gesprek met elkaar voeren. Samen met de Inspectie roep ik scholen nogmaals dringend op de heroverweging van de schooladviezen serieus te nemen en leerlingen kansrijk te behandelen. In het verlengde van de eerder uitgegeven handreiking schooladvisering en de campagne rondom kansrijk adviseren, ga ik op korte termijn het gesprek aan met de Inspectie, PO-Raad en het Lerarencollectief. Daarmee wil ik deze belangrijke boodschap nogmaals onder de aandacht brengen bij scholen die geen schooladviezen bijstellen.
Wat zijn de gevolgen voor de kansengelijkheid van leerlingen als een school een advies niet bijstelt terwijl leerlingen op basis van de eindtoets wel een hoger schoolniveau zouden kunnen halen? Hoeveel leerlingen lopen hierdoor naar schatting een hoger schooladvies mis? En zijn dit voornamelijk leerlingen van buiten de randstad en leerlingen met «arme en lager opgeleide» ouders of met een migratie-achtergrond?
Het gevolg kan zijn dat een leerling instroomt in het vo op een niveau dat onvoldoende recht doet aan zijn of haar capaciteiten. Ik vind dit zorgelijk omdat het schooladvies kan fungeren als een «self fulfilling prophecy» en het kan betekenen dat leerlingen zich niet kunnen ontwikkelen naar hun potentie. Desondanks laat onderzoek zien dat ongeveer 30 procent van de leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs nog wisselt van niveau. Het is goed dat deze correctiemogelijkheid later in het systeem voldoende aanwezig is, aangezien leerlingen zich niet altijd lineair ontwikkelen. Er is ruimte voor leerlingen die vaker recht hebben op heroverweging (zie mijn antwoord op vraag 2) om tot het bij hen best passende onderwijsniveau te komen.
Welke maatregelen bent u voornemens te nemen op de constatering van de inspectie dat scholen de heroverweging onvoldoende serieus nemen? En waarom kiest u er niet voor om scholen te verplichten een hoger schooladvies te geven aan leerlingen die hoger scoren op hun eindtoets in het kader van kansengelijkheid?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 ga ik in overleg met de Inspectie, PO-Raad en het Lerarencollectief over hoe we het belang van een serieuze heroverweging van het schooladvies bij een hogere eindtoetsscore kunnen benadrukken. Om middelbare scholen te stimuleren leerlingen meer tijd te geven in de onderbouw, ook gegeven leervertragingen als gevolg van corona, wordt gewerkt aan een subsidieregeling voor heterogene en verlengde brugklassen. Dit biedt ruimte voor leerlingen om door te stromen naar het bij hen best passende onderwijsniveau.
Verplichte bijstelling van het schooladvies vind ik niet passen bij de leidende positie die het schooladvies inneemt in ons systeem, die in zowel het primair als in het voortgezet onderwijs breed wordt gedragen. Het schooladvies is gebaseerd op een breed inzicht in de ontwikkeling van de leerling over een langere termijn en scholen, waarbij de eindtoets als objectief tweede gegeven dient over vooral de cognitieve capaciteiten van een leerling. In het schooladvies wordt ook rekening gehouden met verschillende aspecten die bepalend kunnen zijn voor de kans van slagen in het voortgezet onderwijs, zoals leerlingkenmerken, uitkomsten uit capaciteitenonderzoek of motivatie. Daarbij vind ik het belangrijk dat onderwijsprofessionals in hun afwegingen bij het schooladvies de kansen van leerlingen centraal stellen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de plenaire wetsbehandeling van de wet «wijziging onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs»?
Ja.
Studentenuitwisselingen in coronatijd |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Studenten UvA boos en teleurgesteld om schrappen internationale uitwisseling»?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Deel UvA-studenten mag toch op internationale uitwisseling»?2
Ja.
Deelt u de constatering dat studenten een verschrikkelijk jaar achter de rug hebben, en dat een uitwisseling iets is waar veel studenten naar uitkijken?
Ja, die deel ik.
Klopt het dat universiteiten hun uitwisselingsbeleid nu baseren op de kleurcodes van de reisadviezen van Buitenlandse Zaken, of verschilt dit beleid per universiteit?
Sinds mei jl. adviseert het kabinet om alleen op reis te gaan naar groene of gele landen en alleen voor noodzakelijke reizen naar oranje gebied. Het is in principe aan de reiziger zelf om die noodzakelijkheid in te schatten. Bij uitwisseling in het kader van studie of stage geldt echter dat het ook tot de verantwoordelijkheid van een instelling is om vanuit haar zorgplicht de educatieve waarde voor de student en de opleiding af te wegen bij het besluit of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet. Er vindt geregeld overleg met de koepels, Nuffic, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND over coronamaatregelen en de invloed op studentenmobiliteit. Deze overleggen zijn vooral bedoeld om informatie uit te wisselen en het veld zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden.
Deelt u de mening dat alles op alles gezet moet worden om uitwisselingen op een verantwoorde wijze zo veel mogelijk doorgang te laten vinden?
Dat deel ik. In deze tijden, waarin het COVID-19 virus nog onvoorspelbaar is, is het lastig om zekerheden te bieden of vooruit te lopen op de situatie over een aantal maanden. Instellingen maken daarbij hun eigen afweging over wat zij als veilig en verantwoord beschouwen voor hun studenten. Bij internationale uitwisselingen speelt deze onzekerheid des te meer, omdat het, naast de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ook gaat om de regels van andere landen. Hierbij is het ook van belang om studenten tijdig duidelijkheid te bieden, zodat zij zich kunnen gaan voorbereiden op een alternatief voor het 1e semester. Daarnaast wordt er door instellingen ook gewerkt aan alternatieven, zoals uitwisselingen in blended vorm (combinatie van virtuele en fysieke uitwisseling), die mogelijk uitkomst kunnen bieden voor deze studenten om later in het eerste semester alsnog naar het buitenland te kunnen gaan.
Welke stappen neemt de Nederlandse regering om in nationaal en internationaal verband afspraken te maken om zo veel mogelijk uitwisselingen voor studenten doorgang te laten vinden?
Sinds het uitbreken van de COVID-19-pandemie zijn de lidstaten, de Europese Commissie, de Nationale Agentschappen Erasmus+ en het veld in nauw contact geweest over de mogelijkheden en onmogelijkheden van grensoverschrijdende mobiliteit vanwege de reisbeperkingen en COVID-maatregelen. Binnen het Erasmus+-programma heeft Nederland met andere lidstaten bij de Commissie gepleit voor meer flexibiliteit in de uitvoering van Erasmus+. Zo kunnen de contracten van mobiliteitsprojecten worden verlengd en zijn de regels rond mogelijkheden voor virtuele mobiliteit verruimd.
Daarnaast heeft het Nationaal Agentschap Erasmus+ voor het Nederlandse onderwijsveld een groot aantal online bijeenkomsten georganiseerd waarbij instellingen onderling hun ervaringen met en kennis van online internationale activiteiten konden uitwisselen. Bovendien werd het veld geïnformeerd over de ontwikkelingen rond mobiliteit i.r.t. de reisbeperkingen. Het reisadvies vanuit Buitenlandse Zaken en de bredere Europese afspraken over reizen zijn hierbij leidend. Tot slot is het aan de onderwijsinstellingen zelf om te bepalen of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Op welke wijze kunnen studenten van wie de uitwisseling vanwege corona niet meer doorgaat eventuele kosten verhalen?
Mijn beeld is dat instellingen, met het oog op het belang dat zij hechten aan uitwisseling, veel tijd en energie steken in het zoveel en veilig mogelijk laten doorgaan van uitwisselingsprogramma’s. Daar proberen zij hun studenten ook tijdig over te informeren juist om te voorkomen dat er eventueel kosten worden gemaakt. Als studenten de adviezen van hun instelling opvolgen en een uitwisseling alsnog geen doorgang kan vinden als gevolg van veranderde omstandigheden kunnen zij contact opnemen met de instelling over eventuele compensatie.
Ventilatie |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), René Peters (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich de debatten over de ontwikkeling van het coronavirus waarin het lid Van den Berg diverse malen vragen heeft gesteld over het voorkomen van overdracht door goede ventilatie en door duidelijke instructies daarover te maken voor scholen en bedrijven (aangezien niet iedereen het Bouwbesluit kent) en over de mogelijke inzet van (HEPA)-luchtfilters?1
Ja.
Kunt u aangegeven welke instructies toen zijn uitgegaan en welke acties zijn ondernomen?
Ruimte-OK is gevraagd een handreiking te maken met handzame instructies voor het ventileren in schoolgebouwen. Dat is de Handreiking Optimaal ventileren in scholen (lesopafstand.nl/ventileren) geworden. De sectororganisaties hebben in samenwerking met Ruimte-OK meerdere webinars georganiseerd. En er is een helpdesk bij Ruimte-OK ingericht, waar scholen terecht kunnen met hun inhoudelijke vragen over ventilatie in scholen. Komende maand worden door Ruimte-OK samen met FiAC (opleider voor ondersteunende organisatie van onderwijsinstellingen) specifiek voor facilitair medewerkers met Arbo taken vragenuurtjes in de vorm van webinars georganiseerd.
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen die de leden Van den Berg, Rog en Omtzigt op 7 augustus 2020 hebben ingediend over het bericht «Haast geboden met ventilatie op scholen»?2
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Rog en Van den Berg over ventilatie op scholen en koude werkplekken in het onderwijs waarbij werd aangegeven dat de subsidieregeling voor scholen pas in januari 2021 beschikbaar zou komen?3
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel scholen en onderwijsinstellingen (zowel in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, hoger onderwijs en beroepsonderwijs) nu nog niet voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit? Kunt u aangeven waarom bij 46% van de schoollocaties die gereageerd hebben op de vragenlijst van het Landelijk Coördinatieteam Ventilatie op Scholen (LCVS) nog steeds geen onderzoek naar ventilatie is uitgevoerd? Kunt u tevens aangeven welke verbeteringen er uitgevoerd worden op de 12% van de schoollocaties waar de ventilatie niet op orde is?4
De ventilatiegegevens van schoolgebouwen in het funderend onderwijs, hoger onderwijs en beroepsonderwijs worden niet centraal bijgehouden. Er is dus geen centraal beeld hoeveel scholen voldoen aan het Bouwbesluit. Voor 46% van de schoolgebouwen in het funderend onderwijs waarvoor gereageerd is op de LCVS-uitvraag, liep het onderzoek nog of is aangegeven dat het onderzoek niet kon plaatsvinden. De onderzoeken kunnen inmiddels hebben plaatsgevonden en afgerond zijn. Desondanks kan een reactie ontbreken op deze niet-verplichte uitvraag.
Scholen zijn opgeroepen om hun ventilatie – daar waar deze niet voldeed – op orde te brengen. De middelen uit de SUViS-regeling zijn daarvoor specifiek beschikbaar gesteld. De SUViS-regeling is uitgeput wat betekent dat scholen aan de slag zijn gegaan met ventilatie-verbeter-maatregelen. De orde van grootte en daarmee het karakter van de aanvragen verschillen behoorlijk.
Kent u het artikel waarin 39 wetenschappers aangeven dat er meer aandacht besteed moet worden aan ventilatie in coronabestrijding?5
Ja.
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) nu wel erkent dat aerosolen toch een rol spelen bij besmetting?6
Ja.
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van dit aangepaste inzicht van het RIVM?
Er is geen sprake van een aangepast inzicht. Het RIVM adviseert al sinds de zomer van 2020 om voldoende te ventileren. Er is vooral een betere omschrijving gegeven over hoe verspreiding plaatsvindt. Onderdeel daarvan is dat in specifieke situaties aerogene transmissie mogelijk lijkt te zijn: in slecht geventileerde ruimtes en ruimtes waar veel mensen langdurig bij elkaar verblijven.
Dit leidt niet tot aanpassing van het RIVM advies dat scholen minimaal moeten voldoen aan het Bouwbesluit en aanvullende richtlijnen en dat ventileren belangrijk is.
Daarbij blijft het naleven van de basisregels onverminderd belangrijk.
Bent u bekend met het Binnenklimaat label dat in februari 2021 is gelanceerd (waarin Rijksvastgoedbedrijf ook participeert), de bijbehorende positon paper van de Brancheorganisatie en het meta-onderzoek van Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) voor de coalitie gezonde binnenlucht?7 8
Ja.
Kunt u aangegeven wat de scores zijn van de gebouwen die onder Rijksvastgoed vallen op basis van het Binnenklimaat label?
Nee. Het Binnenklimaatlabel wordt niet toegepast op panden van het RVB. Het Binnenklimaatlabel van Vereniging Binnenklimaat is een ontwikkeling met het oog op duurzaamheidsmaatregelen. Het bevindt zich momenteel in een introductiefase waarbij het nut van toepassing door het RVB nog niet is aangetoond.
Bent u bereid om ook alle scholen op basis van dit label te laten beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de fase waarin het label zich bevindt vind ik het te prematuur maar ik volg de ontwikkelingen met interesse.
Herinnert u zich de technische briefing van januari 2021 waarin het RIVM bevestigde dat lage temperaturen in de buitenlucht voor meer besmettingen zorgen omdat de lucht dan droger is? Wat is bij binnenruimtes de bijdrage van omgevingsfactoren als temperatuur, luchtvochtigheid en (direct) zonlicht? Wordt daar bij scholen ook naar gekeken? Hoe lang blijft een binnenruimte besmettelijk zonder ventilatie?
Tijdens de technische briefing van 13 januari 2021 is verwoord dat temperatuur en luchtvochtigheid invloed hebben op de stabilisatie van druppels. En dat deze factoren ook worden meegenomen in de RIVM-modellen. Er is echter niet gesteld dat drogere lucht bij lage temperaturen resulteert in een toename van het aantal besmettingen. Temperatuur en luchtvochtigheid kunnen in binnenruimtes invloed hebben op de mate van verdamping van druppels. Uit literatuuronderzoek van het RIVM blijkt ook dat slijmvliezen in zeer lage relatieve luchtvochtigheid (< 10–30%) gevoeliger kunnen worden voor infecties doordat trilhaaractiviteit in de neus afneemt en slijmvliezen droger worden (RIVM, 2008). Het is echter onbekend in welke mate deze omstandigheden bijdragen aan het aantal besmettingen. Uit voorzorg adviseert het RIVM om de relatieve luchtvochtigheid tussen de 40 en 60% te houden (zie Ventilatie en luchtreiniging | RIVM). Er is echter geen onderbouwing dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn als de relatieve luchtvochtigheid tijdelijk lager is.
Het is niet bekend wat voor bijdrage (direct) zonlicht heeft in een binnenruimte, maar de bijdrage lijkt niet relevant te zijn. Direct zonlicht bij voldoende blootstelling kan het coronavirus inactiveren. Tijdens een gecontroleerde studie met directe blootstelling aan 20 minuten artificieel zonlicht bij verschillende relatieve luchtvochtigheid (RV van 20, 45 en 70%) trad 90% inactivering op in genereerde aerosolen van 2 µm bij 20 °C en (Schuit et al., 2020). Echter, in binnenruimtes komt (direct) zonlicht maar voor een deel in de binnenruimte en het meeste zonlicht komt door het glas van de ramen naar binnen. Zonlicht door ramen is geen factor van betekenis omdat alleen UVA-straling door het glas in de ruimte komt en de blootstelling aan effectieve straling zeer laag is. Scholen gebruiken – waar mogelijk – de Handreiking Optimaal ventileren in scholen van Ruimte-OK.
Ten aanzien van de vraag «Hoe lang blijft een binnenruimte besmettelijk zonder ventilatie?» het volgende. Internationale consensus is dat aerogene transmissie in een ruimte zonder ventilatie mogelijk is. Echter, hiervoor is het noodzakelijk dat er een besmettelijk persoon in de ruimte aanwezig is (geweest) én dat deze persoon voldoende virusdeeltjes heeft verspreid om iemand anders te besmetten. Niet iedereen met COVID-19 verspreidt evenveel virusdeeltjes en dit hangt ook af van de activiteit in de ruimte. De infectieuze dosis is nog onbekend. Een binnenruimte zonder ventilatie waar een besmettelijk persoon aanwezig is (geweest) is dus niet per definitie een besmettingsrisico voor andere personen in die ruimte. Daarnaast spelen ook factoren zoals afmeting van de ruimte, de verblijfsduur, luchtstromen en luchtvochtigheid in de ruimte een rol. Verder is niet uit te sluiten dat besmetting via oppervlakken een rol speelt. Doordat deze factoren per situatie kunnen verschillen is het niet mogelijk de vraag te beantwoorden
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot uitvoering van de motie Van den Berg om praktijkonderzoek uit te laten voeren naar de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden technische innovaties zoals het gebruik van luchtreinigers de transmissie van het coronavirus in binnenruimtes verminderen?9
Het RIVM is verzocht een onderzoeksvoorstel te maken naar effectiviteit van luchtreinigers op transmissie van het coronavirus. We bekijken of, en door welke onderzoekspartner, dit onderzoek kan worden uitgevoerd.
Kunt u iedere gestelde vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Goede relatie met China belangrijker voor Universiteit Groningen dan academische vrijheid’. |
|
René Peters (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Goede relatie met China belangrijker voor Universiteit Groningen dan academische vrijheid»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat Hongkongse studenten aan de RUG2 zich onveilig voelen door de aanwezigheid van het Confucius Instituut in Groningen en ze zich zorgen maken over hun academische vrijheid? Wat zou volgens u de collegevoorzitter moeten doen met de aangeboden petitie?
Ik hecht groot belang aan het waarborgen van academische vrijheid door de hoger onderwijsinstellingen. Het is aan de instellingen, in dit geval de RUG, om dit te garanderen. Ook hecht ik eraan dat studenten zich veilig voelen binnen de academische omgeving en dat zorgen van studenten serieus worden genomen.
Vanwege de huidige organisatorische inbedding van het Confucius Instituut in enkele Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs, is het voorstelbaar dat zorgen, zoals beschreven in het artikel waarnaar u verwijst, ontstaan. De onderzoekers van Instituut Clingendael wijzen er in hun rapport «China’s invloed op onderwijs in Nederland» ook op dat «de huidige situatie van inbedding van de Confucius Instituten in Nederlandse kennisinstellingen op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen en de Nederlandse normen en waarden op het gebied van wetenschappelijke integriteit.» Ik vind het dan ook verstandig dat de betrokken instellingen deze inbedding heroverwegen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wat vindt u van de uitspraak van de collegevoorzitter van de RUG dat er een kader van de overheid nodig is om in te kunnen grijpen? Wat is de stand van zaken van het opstellen van richtsnoeren kennisveiligheid en het toetsingskader ongewenste kennis- en technologieoverdracht? Welke resultaten zijn er uit de eerste ronde gekomen van de kennisveiligheidsdialoog met de universiteiten? Wanneer worden de bestuurlijke afspraken kennisveiligheid naar verwachting afgesloten?
In de Kamerbrief over kennisveiligheid heeft het kabinet een reeks maatregelen gepresenteerd om kennisveiligheid, in algemene zin, beter te waarborgen. Deze maatregelen zijn landenneutraal en dus op ieder land van toepassing. De maatregelen bieden de kennisinstellingen een kader op het gebied van kennisveiligheid om zo beter invulling te kunnen geven aan de verantwoordelijkheid die zij op grond van hun institutionele autonomie hebben. Het is verder belangrijk te onderstrepen dat het bij maatregelen als de richtsnoeren, bestuurlijke afspraken en de kennisveiligheidsdialoog gaat om een gezamenlijke opgave voor de kennisinstellingen en de overheid.
De in de Kamerbrief genoemde maatregelen zijn: de dialoog kennisveiligheid gericht op het verhogen van het kennisveiligheidsbewustzijn binnen kennisinstellingen; richtsnoeren en bestuurlijke afspraken over kennisveiligheid die samen met de kennissector worden uitgewerkt; een Rijksbreed expertise- en adviesloket; een toetsingskader ongewenste kennis- en technologieoverdracht. De richtsnoeren zullen naar verwachting kort na de zomer opgeleverd worden. Verder is in de Kamerbrief aangegeven dat er naar gestreefd wordt om de bestuurlijke afspraken in de tweede helft van 2021 gereed te hebben en de basisfuncties van het expertise- en adviesloket in de loop van 2021 operationeel te hebben. Voor het toetsingskader geldt dat het op zijn vroegst in 2023 in werking zal treden. Zoals toegezegd in de brief zal ik uw Kamer dit najaar informeren over de voortgang bij het uitwerken van de genoemde maatregelen.
De eerste ronde van de kennisveiligheidsdialoog met de universiteiten en de onderzoeksinstituten laat een wisselend bewustzijnsniveau ten aanzien van kennisveiligheid zien. De instellingen geven aan de risico’s rondom kennisveiligheid te herkennen, maar nog niet overal is het bewustzijn ten aanzien van kennisveiligheid ook tot in de haarvaten van de organisatie doorgedrongen. De dialoog kennisveiligheid is daarom ook een doorlopend gesprek. Sinds de eerste gespreksreeks is te zien dat door verschillende universiteiten en onderzoeksinstituten actief stappen gezet worden op het gebied van kennisveiligheid. Het Ministerie van EZK heeft parallel ook met de TO2-instellingen een kennisveiligheidsdialoog gevoerd en werkt deze nu verder uit in een thematische workshopronde waarin de instellingen een aantal aspecten dieper analyseren en praktisch uitwerken. De kennisveiligheidsdialoog met de Hogescholen is in juni begonnen. De dialoog met de universitair medisch centra gaat binnenkort van start.
Wat vindt u van de uitspraak van Van Rosmalen dat hogescholen wel kunnen samenwerken met een Confucius Instituut omdat de academische vrijheid bij hen niet in het geding is? Tot wanneer loopt het contract van Hogeschool Zuyd met het Confucius Instituut en is hogeschool Zuyd voornemens om de samenwerking te verlengen?
Ik begrijp de uitspraak van Van Rosmalen zó, dat hij het risico op aantasting van de academische vrijheid bij de Hogeschool Zuyd gering acht, omdat er daar geen China-gerelateerd onderzoek wordt uitgevoerd. Ik ben het met hem eens dat het risico inderdaad groter zou zijn als de Hogeschool Zuyd dergelijk onderzoek wél zou uitvoeren. Tegelijkertijd kan de huidige inbedding van een Confucius Instituut in een Nederlandse kennisinstelling, zoals dat ook bij Hogeschool Zuyd het geval is, wel op gespannen voet staan met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen (zie ook antwoord op vraag 2).
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3 heeft de Hogeschool Zuyd aangegeven dat de overeenkomst tussen het Confucius Instituut Maastricht (CIM) en de Chinese moederorganisatie Hanban een geldigheidsduur van vijf jaar kent.4 De overeenkomst is getekend op 28 december 2016 en zal dus verlopen op 28 december 2021, met een opzegtermijn van 90 dagen voorafgaand aan de einddatum. Indien de overeenkomst niet vóór de opzegtermijn wordt beëindigd door een van de beide partijen zal deze stilzwijgend worden verlengd. Hogeschool Zuyd laat desgevraagd weten dat besluitvorming omtrent het voortzetten van de huidige inbedding van het Confucius Instituut bij Hogeschool Zuyd dit najaar verwacht wordt. In vervolg op de gesprekken die OCW met de instellingen heeft gevoerd over het rapport van Instituut Clingendael5 adviseer ik om te kiezen voor ontkoppeling van het Confucius Instituut. Dat zou mijns inziens de beste manier zijn om zorgen over mogelijke aantasting van academische vrijheid, of de schijn daarvan, weg te nemen. Ik heb de andere twee instellingen op dezelfde manier geadviseerd.
Studenten met een beperking die nog steeds te weinig studietoeslag krijgen |
|
René Peters (CDA), Lucille Werner (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de inventarisatie van de Landelijke Studentenvakbond (LSVB), waaruit blijkt dat van de vijfentwintig grootste gemeenten er nog maar elf de beloofde 300 euro studietoeslag aan functiebeperkingen uitkeren?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze inventarisatie en wat vindt u van de bevindingen van de LSVB dat slechts 7% van de 66.000 studenten met een vorm van beperking in het hoger onderwijs op de hoogte is van deze studietoeslag?
De individuele studietoeslag (IST) is een regeling in de Participatiewet voor studenten en scholieren van 18 jaar en ouder die vanwege een structurele medische beperking geen inkomsten uit arbeid (bijvoorbeeld uit een bijbaan) kunnen verwerven naast hun voltijd studie. De uitvoering en het bepalen van de hoogte van de IST is de bevoegd- en verantwoordelijkheid van het college van B&W. Om in aanmerking te komen voor de IST moet de beperking structureel van aard en voldoende ernstig zijn. Verder dient een rechtstreeks verband gelegd te kunnen worden tussen het gebrek en het niet in staat zijn van het verwerven van inkomsten uit arbeid door betrokkene naast de studie. Het vereiste dat de medische beperking een structureel karakter heeft betekent dat bij de beoordeling in ieder geval geen verbetering van de medische beperking te verwachten valt binnen een afzienbare termijn. Dat betekent dat de aanwezigheid van een functiebeperking niet automatisch leidt tot recht op de IST.
Ik vind het van groot belang dat studenten of scholieren met een structurele medische beperking die daardoor niet naast hun studie kunnen werken, gebruik kunnen maken van de regeling. Het is niet wenselijk dat de hoogte van de IST per gemeente verschilt. Daarom heeft het kabinet besloten om de regeling te verbeteren en heeft daartoe een nota van wijzing ingediend bij het wetsvoorstel Breed Offensief.2 Onderdeel van de verbetering is het schrappen van de vermogenstoets en de harmonisatie van de hoogte van de studietoeslag. De verwachting is dat hierdoor meer studenten en scholieren in aanmerking zullen komen voor de studietoeslag. Daarnaast creëert de harmonisatie duidelijkheid over de hoogte van de studietoeslag, die bij algemene maatregel van bestuur zal worden vastgesteld, en wordt de onwenselijke situatie waarbij twee studiegenoten een verschillend bedrag aan studietoeslag ontvangen omdat zij in verschillende gemeenten wonen, voorkomen.
Het wetsvoorstel Breed Offensief, waarin de aangepaste studieregeling met een centrale normering van de studietoeslag is opgenomen, is door de Tweede Kamer controversieel verklaard.3 Het is aan de Tweede Kamer om na het aantreden van een nieuw kabinet een besluit te nemen over de verdere behandeling van het wetsvoorstel.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat alle studenten op de hoogte zijn van deze regeling?
Ik neem het aanbod van de Landelijke Studentenvakbond (De LSVb) en CNV Jongeren aan, om mee te denken over het verbeteren van de informatievoorziening aan studenten en zal met de organisaties hierover in gesprek gaan.
Overigens heeft DUO op verzoek van mijn departement de individuele studietoeslag en de voorgenomen herziening van deze regeling onder de aandacht gebracht van de landelijke organisatie van studentendecanen. Ook is de IST en de voorgenomen herziening van de regeling onder de aandacht gebracht van de MBO raad. Verder is mij uit contacten met een aantal gemeenten, de VNG en Divosa bekend dat gemeenten de afgelopen periode extra inzet hebben gepleegd om de doelgroep beter te bereiken door bijvoorbeeld contacten met lokale onderwijsinstellingen of het WMO loket. De inzet van gemeenten blijft niet onopgemerkt. De CBS cijfers laten een stijgende lijn zien in de totale uitgaven aan dit instrument door gemeenten: van circa 2,5 miljoen euro in 2017 naar 4,6 miljoen euro in 2019. Het voorlopige beeld van de uitgaven in 2020 is 7,1 miljoen euro.
Constaterende dat in een aantal gemeenten helderheid ontbreekt over de hoogte van de studietoelage en de onderbouwing daarvan en studenten eerst een aanvraag indienen en daarna bekend wordt gemaakt hoe hoog de studietoelage is, hoe gaat u ervoor zorgen dat er in beginsel al transparantie is over het proces?
Burgers – zeker kwetsbare burgers – dienen de voorzieningen te krijgen waar zij recht op hebben. Die voorzieningen dienen op een zo eenvoudig mogelijke manier bereikbaar te zijn. Dat geldt ook voor de IST. Vanwege de vertraging van de wetsbehandeling van het wetsvoorstel Breed Offensief heeft de toenmalige Staatssecretaris via het gemeentenieuws van SZW 2020-94 gemeenten opgeroepen om de IST in de geest van de herziening te verstrekken. Ik zal in het Gemeentenieuws SZW gemeenten hier nogmaals toe oproepen. Deze oproep houdt in dat ik gemeenten vraag de IST vanaf de leeftijd van 21 jaar op 300 euro per maand vast te stellen. Voor studenten jonger dan 21 jaar kunnen gemeenten conform het toepasselijke jeugd-minimumloon een lager bedrag hanteren. Onderstaande tabel geeft de verschillende bedragen weer.
Leeftijd in jaren
Verhouding jeugd WML t.o.v regulier WML
21 en ouder
100%
€ 300,00
20
80%
€ 240,00
19
60%
€ 180,00
18
50%
€ 150,00
Ook zal ik in het Gemeentenieuws SZW aandacht vragen voor een eenvoudige aanvraagprocedure, een betere informatievoorziening over de hoogte van de IST en de blijvende investering om de doelgroep beter te bereiken. Ook de VNG heeft mij naar aanleiding van de inventarisatie door de LSVb en CNV Jongeren laten weten een oproep aan haar leden te hebben gedaan om in de geest van het wetsvoorstel de studietoeslag als zodanig vast te stellen.
Realiseert u zich dat het hier ook gaat om kwetsbare studenten met een hoge kans op uitval? Hoe gaat u ervoor zorgen dat studenten met een beperking zorgeloos kunnen studeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven hoe het recht op gelijke studietoeslag voor huidige en toekomstige studenten gewaarborgd is?
Zie antwoord vraag 4.
Welk landelijk nummer kan gebeld worden als studenten vragen hebben over de studietoeslag?
De uitvoering van de individuele studietoeslag is gedecentraliseerd en is de verantwoordelijkheid van het College van burgemeester en wethouders. Indien studenten of scholieren vragen hebben over de IST dan kunnen zij het beste contact opnemen met de gemeente waar zij op dat moment woonachtig zijn.
Het bericht 'Onveilige sfeer op modeschool AMFI: "Een docent vergeleek mijn Arabische model met een seriemoordenaar"' |
|
René Peters (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de vele, blijkbaar structurele misstanden op de modeschool AMFI?1
Ik ben bekend met de berichtgeving over de meldingen van sociale onveiligheid bij de modeschool AMFI, onderdeel van de Hogeschool van Amsterdam.
Klopt het dat op korte termijn de heraccreditatie van deze opleiding plaats moet vinden? Zoja, wanneer gaat dit proces lopen? En in hoeverre is de NVAO2 in staat om aan de hand van dit soort bevindingen de opleiding niet goed te keuren? Op welke standaarden zouden ze zich dan moeten berusten?
De berichtgeving betreft de bacheloropleiding Fashion and Textile Technologies die wordt aangeboden door het Amsterdam Fashion Institute van de Hogeschool van Amsterdam. De datum waarop het visitatierapport van deze opleiding moet worden ingeleverd is 31 oktober 2021, voor de zomer zal de visitatie plaatsvinden.
Het accreditatiekader van de NVAO richt zich op de kwaliteit van het onderwijs, het bevat vier standaarden waar de opleiding aan moet voldoen: 1. Beoogde leerresultaten 2. Onderwijsleeromgeving 3. Toetsing en 4. Gerealiseerde leerresultaten. De opleiding Fashion and Textile Technologies doet mee in het experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie (ILO).3 Dit betekent dat de NVAO voor heraccreditatie alleen standaard 1 en 4, de beoogde en de gerealiseerde leerresultaten, beoordeelt. De beoordeling van de standaarden onderwijsleeromgeving en toetsing is – in het kader van het experiment – de verantwoordelijkheid van de instelling.
In het experiment wordt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van standaard 2 en 3 verschoven van de NVAO naar de instelling, waarbij de instelling dient te voldoen aan de European Standards and Guidelines (ESG). In de ESG alsook het accreditatiekader van de NVAO blijven verwachtingen die terecht gesteld worden aan het hoger onderwijs, zoals sociale veiligheid en studentenwelzijn, buiten beschouwing. Met de invoering van instellingsaccreditatie wordt een rijker beeld van onderwijskwaliteit gehanteerd. Instellingen kunnen dan op instellingsniveau laten zien hoe zij hun verantwoordelijkheid op bijvoorbeeld sociale veiligheid en het welzijn en de begeleiding van studenten oppakken.4
Ben u bereid de Onderwijsinspectie opdracht te geven het geheel grondig te onderzoeken indien de NVAO niet in staat is om te handelen op dit soort signalen en indien noodzakelijk stevig in te grijpen?
De Inspectie van het Onderwijs kan zelf op basis van signalen, waaronder berichten in de media, besluiten een onderzoek in te stellen. Naar aanleiding van dit signaal en de meldingen van studenten bij de vertrouwensinspecteurs heeft de inspectie reeds contact opgenomen met de Hogeschool van Amsterdam. De inspectie heeft mij geïnformeerd dat zij de resultaten van het externe onderzoek dat de Hogeschool van Amsterdam laat uitvoeren afwacht. Voorts start de inspectie een themaonderzoek naar sociale veiligheid in het kunstvakonderwijs. De inspectie bekijkt later of er aanleiding is om het onderzoek naar sociale veiligheid breder te trekken naar opleidingen in andere sectoren binnen het hoger onderwijs.
De sociale veiligheid in het kunstvakonderwijs staat bij mij en bij de sector hoog op de agenda. In de Sectoragenda Kunstonderwijs 2021–2025, die de VH recent aan mij heeft aangeboden, wordt sociale veiligheid expliciet als aandachtspunt genoemd. Ook in komende jaren blijft de sector zich inspannen voor een veilige leer- en werkomgeving van studenten. In de sectoragenda is een statement sociale veiligheid opgenomen en zijn de contouren voor een code sociale veiligheid geschetst. Onderwerpen die ik al langer benadruk in het borgen van sociale veiligheid, zoals voldoende vertrouwenspersonen, de ombudsfunctie, en diversiteit en inclusie, hebben hierin een plek. Ik ben verheugd dat de kunstensector hierin zijn verantwoordelijkheid neemt. Net zoals ik aan de KNAW een advies heb gevraagd over preventieve maatregelen en specifieke elementen in de wetenschappelijke cultuur die een voedingsbodem kunnen zijn voor grensoverschrijdend gedrag, heb ik de Raad voor Cultuur advies gevraagd over grensoverschrijdend gedrag in de culturele en creatieve sector waar ook sprake kan zijn van ongelijke machtsverhoudingen of afhankelijkheidsrelaties. Dit advies, dat uiterlijk 1 maart 2022 wordt uitgebracht, omvat ook het kunstvakonderwijs.
Misstanden op de orthodox-joodse school Cheider |
|
Jasper van Dijk , Peter Kwint |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over de column van Rosanne Hertzberger waarin wordt gesproken over ernstige misstanden op de orthodox-joodse Cheider school in Amsterdam?1
Ik heb de column van Rosanne Hertzberger gelezen. Zoals u eerder bent geïnformeerd2, heb ik al langer zorgen over de school. De inspectie voert in deze maand (mei 2021) opnieuw onderzoek uit of en in hoeverre aan de herstelopdrachten die in 2020 zijn opgelegd is voldaan.
Is het waar dat op deze school sprake is van het slaan van kinderen, het moeten eten van zeep alsmede seksueel misbruik en bedreigingen met een mes? Zo nee, hoe zit het wel?
Bij de recente onderzoeken door de inspectie zijn geen zaken zoals het slaan van kinderen en het eten van zeep geconstateerd. In haar column heeft Rosanne Hertzberger het in dit verband over leeftijdsgenoten die op het Cheider zaten die over hun ervaringen «van destijds» vertellen. Voor zover de inspectie bekend gaat het om incidenten van enkele tientallen jaren geleden. Wat de bedreigingen met een mes betreft, heeft de school aan de inspectie bevestigd dat er een incident tussen twee beveiligers heeft plaatsgevonden waarbij met een mes zou zijn gedreigd, en dat vervolgens aangifte is gedaan. In 2018 heb ik aan de inspectie een aanwijzing gegeven om onderzoek te doen naar sociale veiligheid op de school, naar aanleiding van zorgelijke signalen uit de media over de veiligheid van leerlingen, die onder andere te maken hadden met een beschuldiging van seksueel misbruik aan het adres van een leraar in 2012.3 De conclusie uit dit onderzoek was dat het bestuur in belangrijke mate voldeed aan de zorgplicht voor de sociale veiligheid, maar tekortschoot in de borging ervan.4 Daarop heeft de inspectie herstelopdrachten geformuleerd en intensief vervolgtoezicht gehouden.
Deelt u de mening dat deze voorvallen stuk voor stuk onaanvaardbaar zijn? Waarom heeft de Inspectie nog niet ingegrepen?
Dergelijke voorvallen vind ik onaanvaardbaar. Zoals u echter in het antwoord op vraag 2 en in de eerdere inspectierapporten heeft kunnen lezen, heeft de inspectie in haar recente onderzoek dergelijke voorvallen niet geconstateerd. Wel is de inspectie recent op de hoogte gesteld van een incident tussen twee beveiligers, waarbij met een mes zou gedreigd. In die situatie heeft volgens de school aangifte plaatsgevonden. Bij deze situatie waren volgens de school geen leerlingen betrokken. De inspectie houdt intensief toezicht op de school en heeft in dit schooljaar (2020/2021) namens mij twee bekostigingssancties opgelegd, omdat de school een aantal herstelopdrachten niet of met onvoldoende tempo uitvoerde. Deze sancties zijn in januari jl. door de voorzieningenrechter geschorst, omdat deze de continuïteit van de school in gevaar zouden brengen. Deze maand voert de inspectie opnieuw herstelonderzoek uit bij de school om te kijken of er voldoende voortgang is in het herstel.
Is het juist dat een beveiliger eerder dit jaar aangifte deed omdat hij op school met een mes werd bedreigd door een gepensioneerde collega? Waarom grijpt u niet in?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Bent u het eens dat «de vrijheid van onderwijs» dan wel «angst om voor antisemiet te worden uitgemaakt» nooit een vrijbrief kan zijn voor de kindermishandeling zoals beschreven in deze column? Zo ja, waarom is er nog niet ingegrepen?
Van een vrijbrief voor kindermishandeling kan in geen enkele situatie sprake zijn. De inspectie heeft echter in haar recente onderzoek geen misstanden zoals het slaan van kinderen, het moeten eten van zeep of seksueel misbruik geconstateerd. De inspectie heeft er ook geen signalen over ontvangen van bijvoorbeeld ouders of (oud)leerlingen.
Op welke manier gaat u de wet aanscherpen zodat deze kinderen alsnog de bescherming krijgen die zij verdienen? Krijgt de Inspectie meer handvatten om in te grijpen?
De huidige wetgeving is er mede op gericht dat leerlingen de bescherming krijgen die ze verdienen. U bent eerder geïnformeerd over het wetsvoorstel uitbreiding bestuurlijk instrumentarium, dat de mogelijkheden om een aanwijzing aan het bestuur te geven uitbreidt. Ik verwacht dat dit wetsvoorstel na de zomer aan uw Kamer wordt aangeboden.
Wat onderneemt u om ervoor te zorgen dat voor eens en voor altijd een eind komt aan de misstanden op de school?
Zie de antwoorden op eerdere vragen.