Het bericht dat de Universiteit Leiden sponsoring hoogleraar door Belastingdienst verzweeg. |
|
Jasper van Dijk , Peter Kwint |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Universiteit Leiden verzweeg sponsoring hoogleraar door Belastingdienst»?1
Als een leerstoel wordt gefinancierd door externe partijen, dan moet duidelijk zijn wie de financier is. Uit de berichtgeving is gebleken dat de universiteit en de betreffende hoogleraar hierover geen volledige openheid hebben gegeven. Dat vind ik kwalijk.
Waarom heeft de Rijksuniversiteit Leiden niet vermeld dat de leerstoel van bijzonder hoogleraar Rex Arendsen werd betaald door de belastingdienst, terwijl hij als hoogleraar onderzoek doet naar belastingwetgeving en de uitvoerbaarheid daarvan? Gaat u de Rijksuniversiteit daarop aanspreken?
Universiteiten (en hoogleraren) staan in toenemende mate in nauwe verbinding met de samenleving. Dat wordt ook van de instellingen verwacht. Onderzoek en onderwijs zijn gebaat bij kennis en samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Om die reden is de afgelopen decennia door universiteiten juist veel geïnvesteerd in samenwerkingen, nevenfuncties en nevenwerkzaamheden. Dit alles met het oog op kennisontwikkeling die bijdraagt het oplossingen van maatschappelijke uitdagingen.
Tegelijkertijd moet steeds de onafhankelijkheid bewaakt worden. De Universiteit Leiden heeft mij laten weten dat ze de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit onderschrijft en volledige transparantie betracht over externe financiering van activiteiten en nevenfuncties. Hiervoor wordt intern regelmatig aandacht gevraagd. Hoogleraren en faculteiten doen hun best aan de eisen van transparantie te voldoen, maar rondom financiering van leerstoelen zijn de kaders nog niet volledig uitgekristalliseerd. Dat blijkt ook uit de berichtgeving in de media waaruit blijkt dat universiteiten de kaders verschillend interpreteren als het om extern gefinancierde leerstoelen gaat. Omdat de Universiteit Leiden meent dat de vermelding van financiers dit geval wel vollediger en gedetailleerder had gemoeten, zijn inmiddels de vermeldingen aangepast. De universiteit geeft aan van deze casus te willen leren. Hiertoe wordt eerst een inventarisatie uitgevoerd. Daarna zal er intern aandacht aan worden besteed, met als doel actief het belang van transparantie actief uit te blijven dragen binnen haar universitaire gemeenschap.
Ik ben van mening dat de Universiteit Leiden naar aanleiding van deze casus de nodige eerste stappen heeft gezet. Transparante vermelding van dergelijke financiering is aan de betreffende universiteit en diens bijzonder hoogleraren. Ik zal vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het wetenschapsstelsel aan UNL vragen hier goed naar te kijken.
Waarom was de Rijksuniversiteit Leiden niet op de hoogte van regels rondom financiering van leerstoelen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat iedere universiteit op de hoogte is van de regels en protocollen rondom de financiering van leerstoelen?
De Universiteit Leiden was en is volledig op de hoogte van geldende kaders, en past deze zo goed mogelijk toe ook op financiering van leerstoelen. Daarbij is Universiteit Leiden (net als de andere instellingen) mede afhankelijk van de (ver)meldingen van externe financiering door de hoogleraren zelf. De hoogleraren worden door de Universiteit Leiden regelmatig aangesproken op en herinnerd aan het grote belang van het tijdig, juist en volledig vermelden van nevenwerkzaamheden en externe financiering. In het geval van de genoemde hoogleraar wordt op dit moment geïnventariseerd hoe de hoogleraar is omgegaan met de kaders. De universiteit heeft aangegeven daarvan te willen leren en zal aandacht blijven vragen voor de noodzaak van transparantie en zorgvuldigheid. Ik ben voornemens de universiteitsbesturen een brief te sturen waarin ik hun verantwoordelijkheden met betrekking tot transparantie over nevenwerkzaamheden en externe financiering onder de aandacht breng.
Welke gevolgen heeft dit voor de Rijksuniversiteit Leiden en Rex Arendsen? Bent u bereid om sancties op te leggen in het geval er niet is voldaan aan de transparantie-eisen?
Wetenschap moet onomstreden en transparant zijn. Alleen dan kunnen we vertrouwen op de feiten, en gaan staan voor deze feiten. In de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit staan normen voor onderzoekers en zorgplichten voor instellingen. Het is van belang om een beeld te krijgen van de effectiviteit, handhaving en naleving van de normen en zorgplichten en de omvang van de schendingen hiervan. Indien er een vermoeden bestaat dat de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit wordt geschonden kan een klacht worden ingediend bij en behandeld door de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de kennisinstelling waar de persoon waartegen de klacht zich richt werkzaam is. Daarnaast is er het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), een onafhankelijk adviesorgaan in de klachtenprocedure voor mogelijke schendingen van de wetenschappelijke integriteit. Het LOWI kan op verzoek beoordelen of de klachtenprocedure bij de CWI van de instelling zorgvuldig is verlopen, of er normen van wetenschappelijke integriteit zijn geschonden en, zo ja, hoe de normschending vervolgens gekwalificeerd zou moeten worden. Het ministerie heeft niet de mogelijkheid sancties op te leggen.
Bent u bereid één landelijk register te maken waarin alle hoogleraren inclusief bijbanen zijn opgenomen, onder toezicht van uw ministerie en deze publiek toegankelijk te maken, zodat het publiek weet wie het voor zich heeft alsmede de mogelijke belangen die de hoogleraar dient? Zo nee, hoe voorkomt u dat de registratie onnauwkeurig blijft?
Ik ben in gesprek met UNL over wat de universiteiten gaan doen om de registratie te verbeteren. Het idee van een centraal en openbaar register zal onderdeel van dat gesprek zijn, en hoe geborgd kan worden hoe de registratie van nevenwerkzaamheden actueel en volledig blijft. Ik zal uw Kamer dit najaar een brief sturen over de stand van zaken met betrekking tot de registratie van nevenwerkzaamheden.
Bent u bereid om universiteiten sancties op te leggen in het geval er in de toekomst niet transparant wordt omgegaan met de financiering van leerstoelen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat is uw inzet bij het gesprek met universiteiten om het thema over transparantie te bespreken?
Mijn inzet is allereerst dat ik sta voor de wetenschap. Als Minister heb ik, samen met de universiteiten, ervoor te waken dat wetenschappers in vrijheid en veiligheid hun werk kunnen doen. Ik heb, samen met hen, ook de opdracht om in te staan voor de betrouwbaarheid en het gezag van wetenschap. Ook sta ik voor het belang van een goede samenwerking tussen publieke en private partijen om onze kennissamenleving verder te brengen.
Hier staat tegenover dat de universiteiten en hun medewerkers transparantie moeten betrachten en elke schijn van belangenverstrengeling moeten vermijden. De sector heeft verschillende instrumenten van zelfregulering, zoals de gedragscode, om die verantwoordelijkheid te nemen. Als ik constateer dat zelfregulering niet naar behoren werkt en er geen zicht op verbetering is, zal ik niet schuwen om waarborgen met betrekking tot wetenschappelijke integriteit in de wet te verankeren.
Op welke manier heeft u de Universiteit Leiden en de UvA aangesproken op het gebrek aan transparantie? Kunt u in het kader van transparantie hiervan een afschrift of gesprekverslag naar de Kamer sturen?
Naar aanleiding van de berichtgeving van NOS over financiering van de leerstoel van de bijzonder hoogleraar in Leiden hebben mijn ambtenaren contact opgenomen met de Universiteit Leiden om opheldering te vragen. Er is per mail gevraagd om te reageren op de gang van zaken zoals beschreven in het bericht. De universiteit heeft aangegeven dat de vermelding van financiers in dit geval vollediger en gedetailleerder had gekund en dat de universiteit inventariseert hoe omgegaan wordt met de geldende kaders.
Naar aanleiding van de berichtgeving in Folia over de afdeling Belastingrecht bij de Universiteit van Amsterdam (eind februari) hebben mijn ambtenaren contact opgenomen met de UvA om opheldering te vragen. Er heeft een gesprek plaatsgevonden. Daarvan is geen gespreksverslag gemaakt, maar ik geef hierbij de strekking weer. In dit gesprek hebben mijn ambtenaren gevraagd of het artikel in Folia juist is – dit kon de UvA bevestigen. Gevraagd is of de UvA van plan was om een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken. Mijn ambtenaren hebben daarbij gewezen op het belang van een onafhankelijk onderzoek. De UvA heeft bevestigd een onafhankelijk onderzoek in te zullen stellen. Nadat de NOS (eind april) berichtte dat een hoogleraar van deze vakgroep was opgestapt hebben mijn ambtenaren opnieuw contact gezocht met de UvA. De UvA heeft toen bevestigd dat er meerdere onderzoeken zouden plaatsvinden, door externe, onafhankelijke commissies, waaronder de commissie wetenschappelijke integriteit.
Het bericht ‘Men realiseert zich onvoldoende welke gevolgen de krimp zal hebben’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Wat vindt u van het artikel «Men realiseert zich onvoldoende welke gevolgen de krimp zal hebben»1, waar onder andere in staat dat de opleiding civiele techniek van de hogeschool Saxion mogelijk zo klein wordt dat de instelling zich op termijn genoodzaakt voelt om de opleiding te sluiten?
Ik zie de urgentie van het vraagstuk van dalende studentenaantallen in het hbo als gevolg van demografische ontwikkelingen. Tegelijkertijd kunnen die demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan verschillen per regio.
Zoals ik in het notaoverleg van 11 april jl. over de hoofdlijnenbrief hoger onderwijs en wetenschap heb aangegeven is meer zicht nodig op het vraagstuk van krimp in het hbo. Het vraagt om een scherper beeld van de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de verschillende regio’s, hoe deze het onderwijsaanbod raken en in hoeverre instellingen daarbij tegen grenzen aanlopen. Kleinschaligheid hoeft niet per definitie een reden voor een instelling te zijn om een opleiding te sluiten. Met de Vereniging Hogescholen ben ik in gesprek over dit onderwerp en medio juni ga ik hier in mijn beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap nader op in.
Wat zijn de prognoses voor de studentenaantallen voor het hbo in de komende jaren (bij ongewijzigd beleid) die het Ministerie van OCW hanteert?
Jaarlijks presenteert het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in de referentieraming een prognose van het aantal leerlingen en studenten in het bekostigde onderwijs. De referentieraming 2022 dient als onderbouwing voor de begroting 2023 van het Ministerie van OCW.
489,3
488,6
484,1
478,2
472,6
467,3
462,3
457,9
453,7
449,9
446,4
443,3
440,3
437,5
Bron: Referentieraming 2022
Wat zijn de prognoses voor de studentenaantallen in de komende jaren (bij ongewijzigd beleid) die de hbo-instellingen zelf hanteren?
De hoger onderwijs instellingen hebben de vrijheid om bij het maken van hun prognoses uit te gaan van aannames die verschillen van de aannames die OCW gebruikt voor het opstellen van de referentieraming. In de jaarverslagen geven hoger onderwijsinstellingen, in de continuïteitsparagraaf, hun prognoses op voor de studentenaantallen in de komende jaren. De Vereniging Hogescholen geeft aan dat instellingen primair de referentieraming gebruiken voor hun prognoses. Daarnaast maken ze gebruik van gegevens van het centraal bureau van de statistiek om rekening te houden met demografische ontwikkelingen in de regio.
Worden er momenteel opleidingen bedreigd met sluiting door krimp van studentenaantallen? Zo ja, welke?
Ik heb geen signalen ontvangen dat op dit moment opleidingen direct bedreigd worden door sluiting als gevolg van krimpende studentaantallen. Door de Vereniging hogescholen is bij OCW wel een aantal instellingen en opleidingen in diverse regio’s onder de aandacht gebracht die te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van regionale krimp. Bij verdere krimp zullen eerst uitstroomrichtingen onder druk komen te staan, pas later het voortbestaan van een gehele opleiding. Daarbij gaat om opleidingen en uitstroomrichtingen in de sectoren van Techniek, Management en Accountancy en Zorg.
Wanneer is er volgens u nog in voldoende mate sprake van een toereikend aanbod in een regio?
Dit is een belangrijke vraag die nu niet eenduidig te beantwoorden is. Voor een toereikend en toekomstgericht onderwijsaanbod in een regio is het van belang dat de hogeschool met het onderwijsaanbod kan (blijven) inspelen op de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio en dat er tussen hoger onderwijsinstellingen en binnen en tussen sectoren wordt samengewerkt en gezamenlijk afgestemd over een doelmatig, dekkend en divers aanbod. Ik vind het belangrijk dat er een breed onderwijsaanbod in de regio’s is ten behoeve van tekortsectoren en de specifieke arbeidsmarktbehoefte in de regio. In mijn beleidsbrief van juni zal ik hier nader op ingaan.
Op welke manier houdt u zicht op welke opleidingen voornemens zijn om te stoppen? Deelt u de mening dat het wenselijk zou zijn als u tijdig wordt geïnformeerd over opleidingen die voornemens zijn om te stoppen op grond van dalende studentenaantallen, zodat er een afweging kan worden gemaakt of het wenselijk is dat een bepaalde opleiding in een bepaalde regio stopt? Zo ja, hoe zou dit proces verder vorm moeten worden gegeven? Zo nee, welke rol heeft u ten opzichte van de problematiek rondom krimp in het hbo?
Besluiten van instellingen om opleidingen te beëindigen, zijn aan de instelling. Redenen om als instelling een opleiding te beëindigen kunnen uiteenlopend zijn. Voornemens tot beëindiging van een opleiding door de instelling hoeven volgens de wet niet voor instemming aan mij te worden voorgelegd en er is ook geen weigeringsgrond om deze te blokkeren.2 Tegelijkertijd is het ook de vraag welke opvolging OCW zou kunnen en moeten geven aan signalen over beëindiging van opleidingen, mede gelet op de lumpsumbekostiging en bestedingsvrijheid. Bij het zicht houden op zowel de opleidingen die instellingen voornemens zijn te starten als op opleidingen die instellingen voornemens zijn te sluiten, vind ik het in de eerste plaats wenselijk dat instellingen vanuit goede en intensieve samenwerking in opleidingssectoren elkaar hierover informeren en onderling afstemmen. Een goed voorbeeld vind ik de procesafspraken die gemaakt zijn vanuit de Talenvisie (2016) ten aanzien van het behoud van unieke (specialisaties in) de talenopleidingen.3
Met de Vereniging Hogescholen ben ik in gesprek over het vraagstuk van krimp en hoe dit de hogescholen en regionale vitaliteit raakt. In de beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap kom ik terug op dit onderwerp.
Wat vindt u van de suggestie in het artikel dat een stabiele bekostiging kan helpen bij de problematiek rondom krimp in het hbo?
De komende jaren wil ik zorgen voor meer rust en ruimte in het onderwijs en wetenschapssysteem. De bekostiging kan hier een rol bij spelen. Het verhogen van de vaste voet is een mogelijkheid die bijdraagt aan een meer stabiele bekostiging. Het is daarbij wel de vraag in hoeverre dit voldoende bijdraagt aan een lange termijnoplossing voor vraagstukken rond krimp. In mijn beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap kom ik nader terug op de problematiek rondom krimp in het hbo.
Het bericht ‘Voorbereidend jaar Twente Pathway College sluit onvoldoende aan bij UT-onderwijs’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Wat vindt u van het artikel «Voorbereidend jaar Twente Pathway College sluit onvoldoende aan bij UT-onderwijs»1, waar onder andere in staat dat bijna 60% van de studenten dat aan een voorbereidend jaar begint het bindend studieadvies (bsa) niet haalt?
De Gedragscode Internationale Student in het hoger onderwijs (hierna: Gedragscode) schrijft voor dat de onderwijsinstelling die de toelating en inschrijving tot de opleiding afhankelijk maakt van het succesvol doorlopen van een voorbereidend jaar of premaster, zich er vooraf van vergewist dat de internationale student het voorbereidend jaar of de premaster naar verwachting succesvol zal afronden. Na het succesvol afronden van het voorbereidend jaar zijn de deficiënties weggewerkt en wordt door de onderwijsinstelling de voorwaardelijke toelating omgezet in een definitieve toelating tot de hoofdstudie. Hiermee zou een goede instroom en doorstroom in de hoofdstudie verwacht mogen worden. In dat licht lijkt een positief bindend advies van 40.9% in het eerste jaar van de wo-bachelor laag. Er is echter geen centrale registratie van het bindend studieadvies, waardoor een vergelijking op studiesucces met andere voorbereidende programma’s of met studenten die via de «reguliere» weg zijn ingestroomd, niet goed mogelijk is.
De UT heeft desgevraagd de volgende toelichting gegeven: het percentage van 40,9% is inclusief studenten die (zelf) vroegtijdig stoppen gedurende het foundation year. Uit het evaluatierapport blijkt dat van de TPC studenten die in 2020–2021 beginnen aan de UT Bachelor, en het eerste jaar hebben afgerond, 66% een positief BSA heeft gekregen. Dit percentage is exclusief uitvallers en inclusief studenten met een uitgesteld BSA. Ter vergelijking: voor alle UT Bachelor studenten van cohort 2020–2021, is dit percentage 79%.
Uit het onderzoek uit 2020 van de Landelijke Commissie Internationale Student in het Hoger Onderwijs (hierna: Landelijke Commissie), naar een aantal private aanbieders van het voorbereidend jaar, bleek overigens geen verschil tussen de «reguliere» studenten en de studenten die zijn ingestroomd via een voorbereidend jaar, als het ging om het halen van het BSA in het eerste jaar van de hoofdstudie. Navitas, waarvan Twente Pathway College een lokale afdeling is, was in die studie wel opgenomen, maar omdat het programma dat jaar voor het eerst werd aangeboden, kon in dit onderzoek nog geen beeld worden gegeven van studiesucces in de vervolgopleiding.
Wat zijn de publieke kosten van één internationale student die zijn bsa niet haalt?
De onderwijsuitgaven per student per jaar in het wetenschappelijk onderwijs bedragen gemiddeld ca. € 8.300. Dit geldt voor Nederlandse studenten en andere studenten uit de Europese Economische Ruimte (EER). Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 en vraag 6 gaat het hier vrijwel geheel om niet-EER studenten waarvoor geen publieke kosten worden gemaakt.
Kunt u aangeven hoe een commercieel traject om meer internationale studenten aan te trekken, waar studenten tot € 15.000,– per jaar voor betalen, zich verhoudt tot de passage in het artikel over «zorgen voor een uitputting van de UT-middelen»? Op welke wijze worden publieke middelen door de Universiteit Twente besteedt aan de commerciële activiteiten van Twente Pathway College? Kunt u tevens aangeven hoe de scheiding van de geldstromen bij deze en andere universiteiten waarbij commercieel een voorbereidend jaar wordt aangeboden geregeld is? Hoe houdt u hier toezicht op?
De UT mag alleen publieke middelen besteden aan private activiteiten als aan de voorwaarden uit de «Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten» wordt voldaan. De tweede voorwaarde, genoemd in artikel 3 van deze beleidsregel, behelst dat publieke middelen alleen voor private activiteiten mogen worden ingezet indien de activiteit aantoonbare meerwaarde heeft voor de wettelijk bekostigde taak.
Publieke middelen investeren
Bekostigde onderwijsactiviteiten zijn activiteiten in lijn met artikel 1.3 van de WHW. En dat ziet op ingeschreven studenten. Daar mag de bekostiging (de publieke middelen) aan worden besteed. Onder publieke middelen vallen bijvoorbeeld ook publiek bekostigde docenten en lesruimten.
Overige activiteiten zijn privaat en deze kunnen alleen met publieke middelen worden gefinancierd als de voorwaarden uit de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten worden toegepast.
Verantwoording publieke middelen
Binnen de geldende wet- en regelgeving mag elke instelling de financiële administratie naar eigen inzicht inrichten. Dit geldt eveneens voor het verwerken van transacties inzake publieke of private activiteiten. Het bevoegd gezag kan ervoor kiezen om de private activiteiten in een aparte rechtspersoon onder te brengen, maar is daar niet toe verplicht, zolang de financiële verantwoording maar volledig en transparant is. De inspectie kan eventueel onderzoeken of de instelling bij haar private activiteiten (die met publieke middelen worden gefinancierd) passende (risico-) beheersmaatregelen heeft getroffen en die ook adequaat toepast. Het bevoegd gezag dient daarnaast op verzoek van de Minister, dan wel op verzoek van de inspectie, inzage te geven in álle specifieke private activiteiten, met name voor wat betreft de interne kostentoerekeningen (voor- en nacalculatie van de integrale kostprijs, inclusief een berekening van de risico-opslag op de geïnvesteerde publieke middelen).
In het accountantscontroleprotocol 2021 is opgenomen dat de instellingsaccountant vaststelt dat aan de in artikel 3.7 van de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten opgenomen verantwoordingseis in het bestuursverslag is voldaan.2
De Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten stelt in artikel 3, onder 7, dat over de investeringen met publieke middelen in private activiteiten verantwoording dient te worden afgelegd in het bestuursverslag.
De inspectie houdt toezicht op naleving van de Beleidsregel tijdens haar reguliere vierjaarlijks instellingstoezicht of op basis van signalen.
Het gaat hier overigens om internationale studenten die een kostendekkend (vaak commercieel tarief) betalen voor het voorbereidend traject. Niet-EER studenten betalen bovendien voor hun bachelor of master het hogere instellingscollegegeld. In die zin is er geen sprake van (uitputting van) publieke middelen. Wel geven enkele docenten in het evaluatierapport aan dat de studenten die via het foundation year van Twente Pathway de bachelor instromen, vaker moeite hebben met de manier waarop het Nederlandse academisch onderwijs is georganiseerd (onder andere de gevraagde zelfstandigheid) en daardoor meer aandacht en ondersteuning nodig hebben.
Is volgens u, voor (aspirant-)studenten, in voldoende mate duidelijk dat er sprake is van twee aparte organisaties (namelijk een commerciële organisatie Twente Pathway College en een publieke organisatie de Universiteit Twente), aangezien de website «Twente Pathway College» volledig in dezelfde huisstijl is als die van de Universiteit Twente?
Voorbereidende programma’s worden door of onder verantwoordelijkheid van de betreffende hogeschool of universiteit aangeboden. Die blijft dus altijd verantwoordelijk voor het onderwijs in het voorbereidend traject, ook als dat in de praktijk wordt uitgevoerd en aangeboden door een andere (commerciële) partij. Desalniettemin moet in de informatievoorziening aan de aspirant-studenten duidelijk worden gemaakt hoe het voorbereidend programma wordt aangeboden en door wie. In de Gedragscode is hierover onder andere opgenomen: «De onderwijsinstelling stelt, onder andere via de website, tijdig betrouwbare en eenvoudig toegankelijke informatie aan de internationale student ter beschikking over het aangeboden onderwijs, tenminste m.b.t. (..) een beschrijving van de opleiding».
De Landelijke Commissie heeft geen signalen ontvangen van studenten over mogelijke onduidelijkheid over welke organisatie The Twente Pathway aanbiedt.
In het onderzoek in 2020 constateerde de Landelijke Commissie wel dat de Universiteit Twente zelf geen informatie verschaft op haar website over The Twente Pathway. De informatievoorziening verloopt volledig via de daarvoor ingericht website «The Twente Pathway».
Is volgens u, voor (aspirant-)studenten, in voldoende mate duidelijk dat het voorbereidend jaar een commerciële activiteit is waar geen publiek toezicht op wordt gehouden?
De Landelijke Commissie heeft geen klachten ontvangen over dit specifieke onderwerp. Eén van de uitkomsten van de periodieke evaluatie van de Gedragscode is dat een separaat hoofdstuk in de Gedragscode wordt ingericht over de samenwerking met aanbieders van voorbereidend onderwijs. Daarnaast werkt de Landelijke Commissie aan een verkenning die ziet op de samenwerking met gecontracteerde agenten, zie ook het antwoord op vraag 7.
Vindt u het aanvaardbaar dat dit type onderwijs niet onder het toezicht van de inspectie valt, omdat de wettelijke basis hiervoor ontbreekt, mede gezien deze vorm van onderwijs leidt tot publiek gefinancierd wetenschappelijk onderwijs?
Dit type onderwijs valt inderdaad niet onder de WHW en daarmee niet onder toezicht van de Inspectie. Wel is hier sprake van zelfregulering (die periodiek geëvalueerd wordt) en heeft de Landelijke Commissie hierin een belangrijke rol. De voorbereidende trajecten zijn bedoeld voor internationale studenten die nog niet toelaatbaar zijn tot de bachelor of master. Voor de voorbereidende trajecten moet een kostendekkend tarief worden gevraagd. De niet-EER studenten die daarna doorstromen naar een bachelor of master, moeten hiervoor het instellingscollegegeld betalen. Het onderwijs voor deze groep is daarmee niet publiek gefinancierd.
Hoe gaat het met de voornemens zoals verwoord staan in de briefReactie op verzoek commissie over het bericht «Hoe de UvA in de jacht op de internationale student de grenzen opzoekt»?2 Kunt u hierbij in ieder geval ingaan op de volgende twee punten: de evaluatie van de Gedragscode waarbij mede vanwege de zorgplicht voor de jonge aankomende studenten gekeken wordt naar de rol van private aanbieders bij voorbereidende jaren, in het bijzonder de rol van de zogenoemde agenten bij de werving; wat de stand van zaken is rondom de vergewisplicht in de Gedragscode (artikel 4.5) waarbij onderwijsinstellingen vooraf nauwkeuriger moeten nagaan in hoeverre studenten het voorbereidend jaar naar verwachting met succes zullen doorlopen? In hoeverre geldt deze plicht ook voor het bsa?
De Gedragscode is een vorm van zelfregulering. De Gedragscode is opgesteld door de hoger onderwijsinstellingen, vertegenwoordigd door de koepelorganisaties. De overheid stelt ondertekening van de Gedragscode door de onderwijsinstelling als voorwaarde voor het verlenen van verblijfsvergunningen aan buitenlandse studenten van buiten de EER.
De periodieke (vijfjaarlijkse) evaluatie van de Gedragscode is bijna afgerond. De geactualiseerde tekst kan waarschijnlijk worden vastgesteld op 1 juli en op 1 oktober aanstaande in werking gaan. In de Gedragscode wordt onder andere ingegaan op de zogenoemde agenten en op de schriftelijke overeenkomst tussen hogeronderwijsinstelling en agent, die de taken, rollen en verplichtingen van beide partijen, naar elkaar en naar de student, vastlegt. Daarnaast zal de Landelijke Commissie in een verkenning naar de samenwerking met agenten best practices en risico’s in kaart brengen en vertalen naar handvatten die de hogeronderwijsinstellingen kunnen helpen bij de uitvoering van de Gedragscode. Volgens de vergewisplicht in de Gedragscode stelt de instelling jaarlijks, na afloop van ieder studiejaar, de studievoortgang vast. Dit is nodig omdat deze groep studenten voor het behouden van hun verblijfsvergunning op grond van studie jaarlijks minimaal 50% van de studiepunten moet halen. De Landelijke Commissie en koepelorganisaties hebben geen aanleiding gevonden de vergewisplicht in relatie tot het voorbereidend onderwijs te wijzigen. Door beoordeling van de vooropleiding en taalvaardigheid beoordelen de hogeronderwijsinstellingen in algemene zin de kans van slagen van studenten in de bachelor of master opleidingen.
Het bindend studieadvies geldt voor alle studenten en is daarom niet apart opgenomen in deze Gedragscode voor internationale studenten.
Wat is volgens u de toekomst van deze commerciële voorbereidende jaren? Deelt u de mening dat het wenselijk zou zijn om hiermee te stoppen?
In een brief van 7 januari jl., naar aanleiding van het rapport van de Landelijke Commissie, heeft mijn voorganger aangegeven dat de insteek van OCW een strikte benadering is. Daarin kan alleen bij een strenge selectie op talent een uitzondering worden gemaakt voor aankomend niet-EER studenten met een diploma op havoniveau voor de wo-bachelor.
UNL (Universiteiten van Nederland), Vereniging Hogescholen en de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding hebben op verzoek van OCW een kwaliteitskader opgesteld voor het voorbereidend jaar, waarin strengere selectiecriteria zijn opgenomen voor de toegang tot het voorbereidend traject (met name voor de wo-bachelor). De koepelorganisaties hebben aangegeven dat een volgende versie van het kwaliteitskader een nog striktere insteek zal hebben wat betreft de toelaatbaarheid. Het is de bedoeling de volgende versie in te laten gaan voor toelating tot het studiejaar 2023–2024.
Met dit kwaliteitskader wordt een belangrijke aanbeveling van de Landelijke Commissie opgevolgd. Die richtte zich op het strenger selecteren van de groep aankomend studenten voor het voorbereidend jaar en het opstellen van duidelijke en objectieve criteria hiervoor. De Landelijke Commissie zegt hierover onder andere: «In een groot aantal landen is een 5-jarige, algemeen vormende secundaire opleiding het hoogst haalbare niveau van voortgezet onderwijs, dat naar Nederlandse maatstaven gewaardeerd wordt op havoniveau. Ook de beste aankomende studenten uit deze landen bevinden zich in een dergelijke situatie, terwijl deze wellicht een bijdrage kunnen leveren aan de international classrooms van het Nederlandse hoger onderwijs. De actieve werving door de onderwijsinstellingen moet dan alleen op de enkele getalenteerde aankomende studenten zijn gericht.» De Landelijke Commissie beveelt dus niet aan om volledig te stoppen met de voorbereidende trajecten, maar noemt een aantal duidelijke verbeterpunten, die ik onderschrijf.
Om te garanderen dat dit kader daadwerkelijk leidt tot aanscherping, is het belangrijk te monitoren. Na één jaar zal een eerste evaluatie worden gedaan, waarbij mijn collega van JenV en ik betrokken zullen zijn. In het kwaliteitskader is verder opgenomen dat drie jaar na inwerkingtreding, de effectiviteit wordt geëvalueerd.
Het bericht dat Poetin de RUG noopt tot uitbreiden blended onderwijs |
|
Peter Kwint |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Poetin noopt de RUG tot uitbreiden blended onderwijs»?1
Het artikel in Science Guide is gebaseerd op de financiële kaderstelling van de RUG voor 2023. Hierin benoemt de RUG de context waarin deze kaderstelling tot stand komt, namelijk een periode waarin er een oorlog woedt in Oekraïne. Mede hierdoor stijgen de prijzen voor bouwgrondstoffen en energie. De RUG verkent hierom hoe zij zuiniger om kunnen gaan met energie.
De inzet van blended onderwijs en hybride werken is al langer een van de speerpunten van de RUG. In het strategisch plan van 2021 maakte de RUG al bekend dat blended learning past binnen de onderwijsvisie van RUG. Hierbij is het doel van RUG om niet de contactmomenten te verminderen, maar om deze beter te benutten. Dit wil de RUG realiseren door in te zetten op actieve, fysieke werkvormen om zo discussie en vrije uitwisseling van ideeën mogelijk te maken.
Onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de onderwijsvisie en – kwaliteit. Het is van belang dat de onderwijsvisie en -kwaliteit – en niet de energieprijzen – bepalen welke onderwijsvormen ingezet worden op een onderwijsinstelling. Zoals aangegeven hierboven, geeft de RUG zelf aan dat zij op basis van de onderwijsvisie deze beslissing hebben genomen.
Vindt u de reden die de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) opgeeft, namelijk de gestegen energieprijzen vanwege de oorlog in Oekraïne, een gegronde reden om blended onderwijs en hybride werken uit te breiden?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het eerlijk dat de RUG de gestegen energieprijzen op deze manier afwentelt op haar medewerkers en studenten, aangezien zij door blended onderwijs en hybride werken thuis meer energie zullen verbruiken? Wat vindt u ervan dat studenten nu meer energiekosten zullen maken, maar geen compensatie krijgen? Gaat u hierover het gesprek aan met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?
In het strategisch plan 2021–2026 heeft de RUG haar ambities en visie voor het onderwijs omschreven. Om haar onderwijsactiviteiten te optimaliseren, bedient de RUG zich nu van een mix van on-campus en online educatieve methodes. Onderwijs op locatie blijft daarbij de hoeksteen van het onderwijs aan de RUG. De RUG bepaalt dus op basis van de onderwijsvisie welke onderwijsvormen zij inzetten.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 en 2 maakt de RUG deze keuze op basis van hun onderwijsvisie zoals bekendgemaakt in het strategisch plan van 2021.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de motie Kwint c.s., die het kabinet verzocht in gesprek te gaan met MBO Raad, Vereniging Hogescholen en VSNU om ervoor te zorgen dat fysiek onderwijs de norm is, en behoudens dwingende omstandigheden alleen bij hoge uitzondering en met instemming van studenten en docenten tot afstandsonderwijs mag worden overgegaan?2
Zoals aangeven bij antwoord 1 en 2, zijn onderwijsinstellingen zelf aan zet om te bepalen welke onderwijsvormen zij inzetten. De vormgeving van het onderwijs dient hierbij geen afbreuk te doen op de kwaliteit van het onderwijs. De motie Kwint c.s.3 verzocht mij om in gesprek te gaan met de onderwijskoepels om te praten over de inzet van (online) afstandsonderwijs. Ik zal binnenkort samen met de Minister voor primair en voorgezet onderwijs een Kamerbrief delen waarin ik dieper inga op deze motie.
Bent u bereid om met de RUG in gesprek te gaan om hen te wijzen op het feit dat de Kamer heeft besloten dat fysiek onderwijs de norm is en alleen bij hoge uitzondering en met instemming van studenten en docenten tot afstandsonderwijs mag worden overgegaan? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij mijn reactie op vraag 1 en 2, is de inzet van blended onderwijs en hybride onderwijs de keuze van de instelling en is het van belang dat deze keuze wordt gemaakt op basis van onderwijsvisie en kwaliteit. Blended onderwijs is al een onderdeel van de onderwijsvisie van de RUG en daarom is er nu geen aanleiding om met de RUG in gesprek te gaan.
Welke andere mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten hebben de afgelopen jaren aangegeven om wat voor reden dan ook het afstandsonderwijs, blended learning of hybride werken uit te breiden en welke reden hebben zij daarvoor gegeven?
In coronatijd hebben instellingen hard gewerkt om de noodgedwongen afstandsonderwijs te verzorgen en de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Op het moment is er geen sprake meer van noodgedwongen afstandsonderwijs en kunnen instellingen zelf hun onderwijsvorm bepalen waarbij de kwaliteit van het onderwijs altijd centraal staat. De redenen voor instellingen om gebruik te maken van blended onderwijs hangt dus altijd nauw samen met het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. In al mijn gesprekken met de onderwijsinstellingen is het belang van fysiek onderwijs benadrukt. De ervaringen gedurende de pandemie hebben juist inzichten gegeven waar de toegevoegde waarde van fysiek onderwijs het grootst is.
Een kwart van de mbo’ers dat recht heeft op een aanvullende beurs, maar deze niet aanvraagt |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u dat het Centraal Planbureau constateert dat in 2019 ruim een kwart (26,5%) van de mbo-studenten dat recht had op een aanvullende beurs hiervan echter geen gebruik maakte en deze mbo’ers zo gemiddeld 190 euro per maand misliepen?1
Ik vind het zorgelijk dat ruim een kwart van de mbo-studenten dat voor het eerst recht had op een aanvullende beurs, daar geen gebruik van maakte. Dit is vergelijkbaar met het niet-gebruik van de aanvullende beurs onder studenten in het hoger onderwijs. Ik wil er daarom alles aan doen om het niet-gebruik af te laten nemen. In de hoofdlijnenbrief over de herinvoering van de basisbeurs2 heb ik aangegeven budget te willen reserveren voor aanpassingen in het aanvraagproces die dit niet-gebruik moeten doen dalen.
Hoe verklaart u het niet gebruikmaken van de aanvullende beurs door deze doelgroep? In hoeverre is er volgens u sprake van de mogelijke verklaringen die het Centraal Planbureau noemt: onbekendheid met de aanvullende beurs, niet weten dat zij recht hebben, denken dat de aanvraagprocedure ingewikkeld is, privacyoverwegingen of stigma?
Ik ben van mening dat de mogelijke verklaringen die het CPB noemt zeker een rol kunnen spelen bij het niet-gebruik van de aanvullende beurs. Deze kwamen grotendeels ook terug in de beleidsdoorlichting over Artikel 11: Studiefinanciering.3 Uit dat onderzoek kwam het niet nodig hebben van de aanvullende beurs naar voren als meest voorkomende reden voor het niet-gebruik van de aanvullende beurs. Het feit dat het niet-gebruik van de aanvullende beurs het hoogst is onder mbo-studenten die maar op een klein bedrag aan aanvullende beurs recht hebben wijst hier mogelijk op.
Wat betreft het meespelen van privacyoverwegingen wil ik benadrukken dat ouders niet in hoeven te stemmen met het verwerken van hun inkomensgegevens. Ze worden hier wel achteraf van op de hoogte gesteld, en studenten worden daarop gewezen. Mogelijk zijn er studenten die vanwege deze reden geen aanvullende beurs aanvragen, maar uit de beleidsdoorlichting kwam dit niet naar voren als vaak voorkomende oorzaak.
Welke consequenties verbindt u hieraan voor de invoering per studiejaar 2023/2024 van een basisbeurs voor alle studenten in en een inkomensafhankelijke aanvullende beurs per studiejaar 2023/2024, zoals afgesproken in het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst»?
In de hoofdlijnenbrief over de herinvoering van de basisbeurs heb ik aangegeven budget te willen reserveren voor aanpassingen in het aanvraagproces die dit niet-gebruik moeten doen dalen. Dat doe ik binnen het traject voor de herinvoering van de basisbeurs.
Onderkent u dat het vanwege de kansengelijkheid voor mbo-studenten uit minder draagkrachtige milieus wenselijk is dat er bij de invoering van de nieuwe stelsel van studiefinanciering niet eenzijdig aandacht moet zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, maar ook voor het beperken van bureaucratische rompslomp die bij jongeren ertoe kan leiden dat zij afzien van voorzieningen waar zij recht op hebben? Zo nee, waarom niet en op welke wijzen gaat u het niet-gebruik dan tegen? Zo ja, hoe gaat u dan gestalte geven aan deze beperking van bureaucratische rompslomp?
Bij de vormgeving van het nieuwe stelsel van studiefinanciering besteed ik veel aandacht aan de begrijpelijkheid van het aanvraagproces. Het mag niet zo zijn dat studenten voorzieningen waar ze recht op hebben mislopen, omdat ze vastlopen in het aanvraagproces. Het aanvragen van studiefinanciering verloopt voor de meeste studenten in een beperkt aantal stappen en ze hoeven weinig informatie te verstrekken. Studenten hoeven bijvoorbeeld niet zelf aan te geven hoeveel hun ouders verdienen, maar DUO stelt dat vast met inkomensgegevens van de Belastingdienst. Pas als de inkomensgegevens daar niet bekend zijn, zal DUO de ouders hiervoor benaderen.
Studenten moeten vooral aangeven van welke voorzieningen ze gebruik willen maken. Daar gaat het bij de aanvullende beurs nog veel te vaak mis. Ik ga het niet-gebruik aanpakken door bij het aanvragen van studiefinanciering in het startscherm de aanvullende beurs standaard aan te vinken. De student wordt dan doorgeleid naar het aanvraagscherm van de aanvullende beurs en kan besluiten die aan te vragen. Hierdoor zal het niet-gebruik naar verwachting substantieel afnemen.
Mocht het lukken om bij rechthebbenden verbetering te brengen in de niet-aanvragen van aanvullende beurzen, wat gaat dit dan betekenen voor de hoogte van de basisbeurs, aangezien het gehele nieuwe studiefinancieringsstelsel wordt betaald uit een vaste pot geld en het niet een zogenoemde open einde regeling betreft?
In de raming van de uitgaven aan studiefinanciering is rekening gehouden met een substantiële afname van het niet-gebruik van de aanvullende beurs. Als de maatregelen voor het tegengaan van het niet-gebruik van de aanvullende beurs nog succesvoller blijken te zijn, hebben we te maken met een overschrijding van de uitgaven en een tegenvaller op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze tegenvaller mag niet worden gedekt door te korten op de beschikbare bedragen voor de basisbeurs en aanvullende beurs (deze bedragen staan wettelijk vast en daar hebben studenten recht op), maar zal betrokken worden bij de jaarlijkse besluitvorming rondom de Voorjaarsnota.
De mondelinge examens in het voortgezet speciaal onderwijs. |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) de uitslag van hun centraal schriftelijke examens pas krijgen, nadat zij de mondelinge examens hebben afgelegd?
Ja.
Kunt u toelichten waarom de resultaten van de centraal schriftelijke examens pas worden bekend gemaakt, nadat de mondelinge examens zijn afgenomen?
Het is tot nu toe niet mogelijk om alle staatsexamenkandidaten tijdig en op gelijke wijze te informeren over de behaalde resultaten voor het centraal schriftelijk examen alvorens de mondelinge college-examen starten. Dat vind ik erg vervelend voor kandidaten want ik snap dat het voor hen belangrijk is om te weten welk resultaat is behaald voor het centraal schriftelijk examen voordat de mondelinge examens starten. Dat het tot nu toe niet mogelijk is komt doordat de mondelinge college-examens op een aantal vso-scholen al halverwege juni starten. Op dat moment zijn de uitslagen van de centraal schriftelijke examens nog niet beschikbaar. De N-termen van het tweede tijdvak zijn dan nog niet bekend en tevens zijn de correctoren van het staatsexamen op dat moment nog bezig met het corrigeren van de examens. De N-termen worden voor alle examenkandidaten vastgesteld en daarom is het niet mogelijk om de bekendmaking van de N-termen naar voren te halen. De bekendmaking vindt nu al zo snel mogelijk plaats. Om ervoor te zorgen dat alle staatsexamenkandidaten vanuit dezelfde startpositie aan de mondelinge college-examens beginnen (en niet een deel wel op de hoogte is van de reeds behaalde resultaten en een ander deel niet) worden alle kandidaten na afloop van de college-examens geïnformeerd over hun resultaten voor het centraal schriftelijk examen.
Klopt het dat de examinatoren die de mondelinge examens afnemen wel op de hoogte zijn van de resultaten van de centraal schriftelijke examens? Zo ja, waarom wordt ervoor gekozen deze resultaten dan niet te delen met leerlingen en leraren?
De examinatoren die de mondelinge college-examens afnemen hebben inzicht in de behaalde cijfers voor het centraal schriftelijk examen mits deze al zijn vastgesteld. Zoals hierboven toegelicht worden deze resultaten niet met de kandidaten gedeeld om ervoor te zorgen dat alle staatsexamenkandidaten dezelfde uitgangspositie hebben wanneer zij deelnemen aan de mondelinge college-examens.
Bent u het met de vragensteller eens dat het onwenselijk is dat leerlingen door het ontbreken van deze resultaten zich minder goed kunnen voorbereiden op de mondelinge examens?
Ik begrijp en herken de zorgen van de heer Van Meenen en van de staatsexamenkandidaten. Als kandidaat wil je je natuurlijk zo goed mogelijk voorbereiden op het examen. Uit het onderzoek van CINOP naar de aansluiting van het staatsexamen op de vso-leerling1 bleek eveneens dat vso-kandidaten het niet kennen van de behaalde resultaten als onwenselijk ervaren. Ik ben dan ook van mening dat het belangrijk is om dit aan te passen. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) heeft dit punt ook een plaats gegeven in de Verbeteragenda Staatsexamen2 zodat er naar een oplossing gezocht kan worden. Daar zal ik op toezien. U Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang van de verbeteragenda. In de voortgangsrapportages wordt duidelijk gemaakt wanneer het mogelijk is om dit aan te passen.
Is het mogelijk de resultaten van de centraal schriftelijke examens bekend te maken voordat de mondelinge examens worden afgelegd? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 wordt toegelicht is het op dit moment niet mogelijk om de resultaten voor de centraal schriftelijke examens bekend te maken aan alle staatsexamenkandidaten voor de start van de mondelinge college-examens. In het kader van de Verbeteragenda Staatsexamen is het CvTE aan het onderzoeken hoe dit wel mogelijk gemaakt kan worden, bijvoorbeeld door het aanpassen van de jaarplanning. Om dit mogelijk te maken vraagt het aanpassingen van de gehele staatsexamenorganisatie. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden van de voortgang van de Verbeteragenda middels voortgangsrapportages. Daarbij zal aandacht worden besteed aan de voortgang op de verschillende actielijnen en de projecten die daar onder vallen, waaronder de mogelijkheid om de resultaten van de centraal schriftelijke examens voor de start van de mondelinge college-examens aan kandidaten te kunnen melden. Er wordt bekeken hoe dit zo snel mogelijk kan worden bewerkstelligd. Ik zie er op toe dat dit met prioriteit wordt opgepakt.
Kunt u deze vragen voor 18 mei a.s. beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat bovenbouwleerlingen lesgeven aan onderbouwleerlingen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Minder les en onvoldoendes: lerarentekort raakt leerlingen in hele land»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het bewonderenswaardig is hoe hard scholen werken om nieuwe leraren te werven?
Ja. Het is mooi om te zien hoe scholen samen in de regio plannen maken en met creatieve oplossingen komen om het lerarentekort tegen te gaan.
Bent u geschrokken van het nieuws dat scholen nu zo ver gaan om het lerarentekort op te vullen dat er zelfs bovenbouwleerlingen voor klassen onderbouwleerlingen worden gezet? Deelt u de mening dat dit absoluut niet acceptabel is?
Ik heb kennis genomen van het nieuwsbericht, dat uiteindelijk niet bleek te kloppen, en er is hierover contact opgenomen met de school in kwestie. Het bestuur van de school heeft toegelicht dat het nieuwsbericht geen recht doet aan de werkelijkheid; bovenbouwleerlingen staan op de school niet zelfstandig voor de klas, maar begeleiden onderbouwleerlingen die behoefte hebben aan extra bijlessen in specifieke vakken. Deze vorm van begeleiding maakt dus geen deel uit van het vaste onderwijsprogramma. Uiteraard deel ik de mening dat het onacceptabel zou zijn wanneer zelfstandige lessen van leerlingen onderdeel van het curriculum zouden uitmaken.
Heeft u contact gehad met de school in kwestie over het feit dat zij leerlingen uit de bovenbouw voor de klas zetten? Zo ja, kunt u een verslag geven van dat gesprek? Zo nee, wanneer spreekt u met deze school?
Er is inderdaad contact geweest met de school in kwestie. In dit gesprek heeft het bestuur van de school de situatie nader geduid, zoals bovenstaand toegelicht.
Wordt naar uw mening de veiligheid van leerlingen goed gewaarborgd wanneer leerlingen moeten lesgeven aan elkaar? Deelt u de mening dat het onverantwoord is om dergelijke verantwoordelijkheid bij leerlingen te leggen?
Ik wil nogmaals benadrukken dat het niet klopt dat leerlingen in deze situatie zelfstandig voor de klas stonden. Het gaat hier alleen om onderbouwleerlingen die zelf behoefte hebben aan bijles van een bovenbouwleerling. Afgezien daarvan is het bevoegd gezag (het bestuur van de school), ook in het geval van bijles georganiseerd door de school, verantwoordelijk voor de veiligheid op school. Die verantwoordelijkheid kan niet bij leerlingen worden neergelegd. Juist in situaties waarbij leerlingen les aan elkaar geven, is het van belang dat een bestuur oog heeft voor de veiligheid van alle leerlingen.
Hoe gaat u waarborgen dat zulke praktijken nimmer meer voorkomen?
Uiteraard is het niet de bedoeling dat leerlingen zelfstandig voor de klas staan, maar is, zoals bovenstaand toegelicht, hier ook niet het geval. Indien er signalen zijn dat dit wel gebeurt kan de Inspectie van het Onderwijs onderzoek uitvoeren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook de andere groepen die worden ingezet om klassen te bemensen (intern begeleiders, studenten, onderwijsassistenten en conciërges) ook niet langer andere taken dan hun eigen hoeven te vervullen om te voorkomen dat de schoolontwikkeling en leerlingenzorg onder druk staat, zoals de Onderwijsraad concludeert?2
Besturen en scholen zijn verantwoordelijk voor het aanstellen en de inzet van voldoende en goed personeel en voor de inrichting van het onderwijs. Wanneer er vanwege de tekorten (tijdelijk) voor wordt gekozen om bijvoorbeeld de intern begeleider breder voor de klas in te zetten dan moeten zij ook afspraken maken over wat dat betekent voor de andere taken van de intern begeleider.
Deelt u de zorg dat er momenteel veel effecten van het lerarentekort zijn die verborgen blijven, zoals het tijdelijk uitvallen van vakken of vermindering van lesuren? Hoe gaat u deze effecten betrekken bij de monitoring opdat de volle impact van het lerarentekort duidelijk wordt?
De vermindering van lesuren wordt gemonitord via het IPTO (Integrale PersoneelsTelling Onderwijs), waarover ik uw Kamer jaarlijks informeer.3 De effecten uit dit onderzoek worden in de trendrapportage arbeidsmarkt leraren meegenomen. Ook in de afgelopen rapportage zijn hierover cijfers met uw Kamer gedeeld.
Gaat u uw aanpak van het lerarentekort intensiveren naar aanleiding van de wijdverbreidheid van het lerarentekort? Zo ja, hoe? Zo nee, is het feit dat het lerarentekort nu niet langer een overwegend randstedelijk probleem is, geen nieuws?
Voor het lerarentekort in het voortgezet onderwijs is er al eerder geconstateerd dat het niet iets is wat zich slechts overwegend in de Randstad afspeelt, maar juist een breder probleem is. Mede hierom is er al eerder gekozen voor een regionale aanpak van het tekort. Op korte termijn zal ik uw Kamer informeren over een intensivering van de aanpak tekorten voor de komende jaren. Het kabinet wil hier in ieder geval zeker wel op inzetten.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het structureel maken van de arbeidsmarkttoelage?
Zoals uw Kamer reeds gemeld is in mijn brief van 22 april over het Onderwijsakkoord4, ontvangt onderwijspersoneel op scholen met veel kwetsbare leerlingen een arbeidsmarkttoelage bovenop het salaris. Hiermee is met het Nationaal Programma Onderwijs al ervaring opgedaan en krijgt dit vanaf 2023 een structureel karakter.
Maakt u zich zorgen over het feit dat dit jaar minder hbo-studenten zich inschrijven vanwege het feit dat de studiefinanciering pas in 2023/2024 ingaat, en de gevolgen die dit kan hebben met betrekking tot de uitstroom van pabo-studenten vier jaar later?3 Zo ja, welke maatregelen gaat u met uw collega treffen? Zo nee, waarom niet?
Uit recente vooraanmeldingscijfers blijkt dat studenten er over het algemeen niet voor kiezen om later te gaan studeren door het terugkomen van de basisbeurs. Er lijkt zich geen boeggolf voor te doen. Wel moet gezegd worden dat we nu nog spreken over vooraanmeldingscijfers, welke fluctueren. Definitieve instroom en inschrijfcijfers worden begin februari 2023 bekend gemaakt.
Overigens blijft het Ministerie van OCW in gesprekken met aankomend studenten benadrukken dat als je dit jaar begint met studeren, je (conform het wetsvoorstel dat nu in voorbereiding is) vanaf studiejaar 2023–2024 wél een basisbeurs zult ontvangen en tevens een tegemoetkoming voor het feit dat je in het eerste jaar nog geen basisbeurs kreeg.
Daarnaast zetten de Minister van OCW, ikzelf en onze voorgangers ons al langer in voor het aantrekkelijk maken van het lerarenberoep en het verhogen van de instroom in de lerarenopleidingen. Naar aanleiding van de aanmeldcijfers voor de pabo in 2021–2022 hebben we extra maatregelen genomen, die u kunt vinden in de Kamerbrief Versterken Toegankelijkheid Pabo van 12 november 2021.6 Op 22 april is het onderwijsakkoord gesloten en ook hier verwacht ik positieve gevolgen van voor het instromen en behouden van leraren.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Koppelverkoop door educatieve uitgeverijen |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het LiFo-systeem1, waarmee de grote educatieve uitgeverijen het scholen onmogelijk maken om alleen een boek aan te schaffen, zonder ook een online licentie aan te schaffen die maar beperkte tijd geldig is?
Ja, ik ben bekend met het licentie-folio ofwel LiFo-product. Dit wordt in het voortgezet onderwijs aangeboden door diverse grotere uitgevers voor het merendeel van hun methoden. Hierbij schaft de school een licentie aan voor het gebruik van het digitale leermateriaal. Daarmee krijgt een leerling toegang tot de gehele digitale methode, voor alle leerjaren en alle onderwijsniveaus. De school heeft vervolgens de optie om daar ook een papieren exemplaar (folio) bij aan te schaffen in de vorm van een leerwerkboek, waarin leerlingen ook aantekeningen kunnen maken. Het leerwerkboek is verbruiksmateriaal dat door de leerling kan worden behouden; het hoeft niet terug naar het leermiddelenfonds van de school of naar de distributeur.
Deelt u de mening dat het LiFo-systeem een vorm van koppelverkoop kan zijn, omdat scholen vaak een lesboek willen aanschaffen en niet zozeer een online licentie?
Koppelverkoop is een vorm van misbruik van een economische machtspositie. Het is aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om koppelverkoop in specifieke gevallen vast te stellen. Dit vergt gedegen onderzoek en is niet op voorhand in te schatten. Ik ben bereid om hierover met de ACM in gesprek te gaan, maar de ACM bepaalt als onafhankelijke toezichthouder haar eigen werkagenda.
Het is aan scholen om leermiddelen te kiezen die passen bij hun leerlingpopulatie en hun visie. Zij kunnen hierbij naast het aanbod van uitgeverijen gebruik maken van open leermiddelen. In het keuzeproces van scholen spelen meerdere factoren een rol, zoals inhoud, vorm, gebruiksgemak, kwaliteit en kosten. Scholen kunnen in hun aanbestedingen aangeven in welke vorm zij de leermiddelen uitgeleverd willen zien.
Deelt u de mening dat een jaarlijks te betalen licentie voor een lesmethode scholen onnodig op kosten jaagt en duurzaam gebruik van schoolmaterialen tegengaat? En deelt u het standpunt dat deze praktijken van educatieve uitgeverijen indruisen tegen onze publieke taak om efficiënt en verstandig om te gaan met de (schaarse) middelen die beschikbaar zijn voor het onderwijs?
Er zitten verschillende aspecten aan het gebruik van licenties. Enerzijds is het een antwoord van uitgevers op de behoefte van scholen om leermiddelen flexibeler in te zetten, zodat zij het onderwijs beter op de leerling kunnen afstemmen. Tegelijkertijd is er bij scholen behoefte om vrij te kunnen kiezen voor een digitale of een foliovariant en bestaan er zorgen over de stijgende kosten van leermiddelen.Indien de vraag van scholen verandert kunnen zij dit in hun aanbestedingen opnemen. SIVON ondersteunt scholen en besturen bij het articuleren en bundelen van de vraag in de markt, zodat aanbieders daar goed op kunnen inspelen.
Ik vind het belangrijk dat leermiddelen kwalitatief goed zijn en scholen voldoende keus in leermiddelen hebben voor een aanvaardbare prijs. Een goede werking van de leermiddelenmarkt is nodig om dit te bereiken. Na de zomer stuur ik uw Kamer een beleidsreactie op de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken (WGS), waar ik dieper inga op de werking van de leermiddelenmarkt en welke maatregelen ik wil nemen zodat de kwaliteit, keuzevrijheid en betaalbaarheid van leermiddelen geborgd wordt.2
Heeft u al geïnventariseerd hoe vaak het LiFo-systeem gebruikt wordt voor nieuw ontwikkelde lesmethodes? Zo niet, bent u bereid dit te doen?
De werking van de WGS wordt periodiek geëvalueerd, waarbij ook de ontwikkelingen aan de aanbodzijde in de leermiddelenmarkt in kaart worden gebracht. Uit de meest recente evaluatie van de WGS blijkt dat meer dan 40 procent van de scholen voor één of meerdere vakken met LiFo werkt.3
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de educatieve uitgeverijen over oneigenlijk gebruik van het LiFo-systeem?
Ik vind het prematuur om uit te gaan van oneigenlijk gebruik van het LiFo-product. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Het is primair aan uitgevers, schoolbesturen, scholen en leraren om de professionele dialoog te voeren over de pluriformiteit, inhoud, vorm, kwaliteit en prijs van leermiddelen. Ik roep scholen op zich aan te sluiten bij de coöperatie SIVON en hun wensen ten aanzien van folio en/of digitale leermiddelen te bundelen en scherp te articuleren in gezamenlijke aanbestedingen op de markt.
Bent u bereid om de Autoriteit Consument & Markt op te roepen om dit fenomeen te onderzoeken en, indien mogelijk, aan banden te leggen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Welke instrumenten heeft u om oneigenlijk gebruik van dit verdienmodel in te perken? Bent u bereid deze in te zetten?
Zie mijn antwoorden op vraag 2, 5 en 6.
Het bericht 'Nationaal Coördinator tegen Racisme: 'Stop met solliciteren voor stageplek'' |
|
Lisa Westerveld (GL), Bouchallikh |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nationaal Coördinator tegen Racisme: «Stop met solliciteren voor stageplek»»?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van de oproep van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme om de opleiding de stageplek voor studenten te laten regelen?
Discriminatie in iedere vorm is onacceptabel en actie tegen stagediscriminatie is nodig. Stagediscriminatie heeft impact op het zelfvertrouwen en welbevinden van studenten. Daarnaast kan het zorgen voor studievertraging, het vroegtijdig afbreken van de studie en een moeilijke start op de arbeidsmarkt. Kansengelijkheid is voor mij een topprioriteit. Daarom wil ik stagediscriminatie hard aanpakken in het mbo en ho.
Het bestrijden van discriminatie is een langdurige opgave, waarvoor niet één oplossing is. Gezien de verschillen tussen de sectoren en doelgroep kennen het mbo en hoger onderwijs ieder een eigen aanpak. Waar zij elkaar kunnen versterken wordt de verbinding gezocht.
In het mbo werk ik samen met het Ministerie van SZW en scholen, studenten en leerbedrijven in co-creatie aan de herijking van de bestaande aanpak stagediscriminatie. De aanpak wordt na de zomer afgerond en is onderdeel van het stagepact in het mbo. Ook in het hoger onderwijs (ho) staat het thema stagediscriminatie inmiddels hoog op de agenda. Onderzoek laat zien dat niet alle studenten gelijke kansen hebben op het realiseren van een stageplek.2 Binnenkort lanceer ik samen met ho-instellingen, studentenorganisaties en werkgevers het manifest tegen stagediscriminatie in het hoger onderwijs met een onderliggend werkprogramma.
Bij het bestrijden van stagediscriminatie is het belangrijk om alle mogelijke oplossingen serieus te bekijken. Onderzoek laat zien dat het objectiveren van werving- en selectieprocessen kan bijdragen aan het tegengaan van discriminatie bij de zoektocht naar werk of een stage.3 Idealiter doet de werkgever dat zelf.
Onderwijsinstellingen hebben een belangrijke rol in het ondersteunen van studenten bij het verkrijgen van een stage of leerbaan. Dit kunnen onderwijsinstellingen op verschillende wijzen vorm geven, bijvoorbeeld middels matching. Hiernaar wordt in het mbo momenteel onderzoek gedaan, zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Het toewijzen van stages is echter niet voor iedere student geschikt. Studentenraden benadrukken terecht het belang van keuzevrijheid bij stages. Ook is het vinden van een stage een leermoment waarin studenten leren solliciteren. Echte verandering vindt pas plaats als stagebedrijven inclusiever werven.
Op welke wijze past dit voorstel in de ambitie van het kabinet om een pact te sluiten tussen overheid, onderwijsinstellingen en bedrijfsleven om te zorgen dat elke mbo-student een stageplek en een passende vergoeding krijgt?2
Vanuit het coalitieakkoord wordt ingezet op het uitbannen van stagediscriminatie, en het sluiten van een pact tussen overheid, onderwijsinstellingen en bedrijfsleven om te zorgen dat elke mbo-student een stageplek en een passende vergoeding krijgt. Binnen dat kader herijken we in samenwerking met het Ministerie van SZW en scholen, studenten en leerbedrijven de bestaande aanpak van stagediscriminatie in het mbo. De nieuwe aanpak stagediscriminatie voor het mbo wordt na de zomer afgerond. Zodra de nieuwe aanpak gereed is zal deze met de Kamer worden gedeeld.
Zijn er onderzoeken naar de effecten van direct placement? Zo nee, bent u voornemens om die in kaart te brengen?
Op dit moment zijn er geen onderzoeken die specifiek ingaan op de effecten van direct placement.
Binnen het wetenschappelijke onderzoeksprogramma Gelijke kansen richting de toekomstwordt een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de verschillende vormen van stagematching (waaronder direct placement) binnen mbo-instellingen en welke elementen bepalend zijn in het tegengaan van stagediscriminatie. Eind 2022 wordt een tussenrapportage verwacht. Het jaar daarop volgt de eindrapportage over het NRO-brede onderzoeksprogramma.5 Afhankelijk van de uitkomsten bekijk ik of een vervolgonderzoek naar de effecten van direct placement wenselijk is.
Wat is de stand van zaken van het voornemen van de toenmalige Minister van OCW in 2020 om aan de slag te gaan met direct placement in pilot-vorm?3 Zijn hierover gesprekken gevoerd met de onderwijsinstellingen en zo ja, wat waren de uitkomsten van die gesprekken?
De toezegging aan het lid Van Meenen (D66) wordt uitgevoerd in de vorm van een vergelijkend onderzoek naar bestaande vormen van stagemachtsging binnen het NRO onderzoeksprogramma Gelijke kansen richting de toekomst. Hierover is uw Kamer vorig jaar geïnformeerd.7 Op dit moment zijn de onderzoekers bezig met dataverzameling en het voeren van gesprekken met onderwijsinstellingen. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 4 verwacht ik eind dit jaar de tussenrapportage met de eerste inzichten en eind 2023 de eindrapportage van het brede onderzoek. De Kamer wordt hier in het voorjaar van 2024 over geïnformeerd.
Kunt u in kaart brengen wat direct placement zou betekenen voor de werkdruk in het onderwijs; in het mbo, voor de hogescholen en de universiteiten?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5 loopt er een vergelijkend onderzoek naar bestaande vormen van stagematching. In dat onderzoek wordt het effect op de werkdruk niet meegenomen. Om dit in beeld te krijgen voor direct placement in het mbo, hbo en universiteiten, is een aanvullend grootschalig onderzoek nodig. Daar is op dit moment niet in voorzien. Indien uit het onderzoek blijkt dat stagematching effectief is om stagediscriminatie tegen te gaan, dan zullen uitvoeringslasten als werkdruk in kaart worden gebracht.
Bent u in gesprek met ROC Nijmegen over hun proefproject, waarbij de instelling de student koppelt aan een stageplek? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welke instellingen werken op dit moment nog meer met direct placement, zoals ROC Nijmegen dat doet?
Welke onderwijsinstellingen of opleidingen nog meer met direct placement werken zoals ROC Nijmegen dat doet is mij niet bekend. Ik heb het Kennispunt Gelijke Kansen, Diversiteit en Inclusie gevraagd om dit te inventariseren.
Bent u het met JOBmbo eens dat direct placement het probleem van stagediscriminatie niet bij de kern aanpakt en dat stage-, en leerwerkbedrijven aanspreken op discriminatie noodzakelijk is?4
Stagediscriminatie is een complex probleem. Het kan zich voordoen bij de zoektocht naar een stage of leerbaan, maar ook op de werkvloer. Een maatregel die alleen ziet op de werving en selectie van stagiairs lost het probleem niet op. Het voorkomen én tegengaan van stagediscriminatie vereist actie van zowel stagebedrijven als onderwijsinstellingen. Ik ben van mening dat ook het aanspreken van stage- en leerwerkbedrijven noodzakelijk is.
Het bericht ‘Erasmus Universiteit stopt met onderwijs voor ouderen: ‘Schandalig, nalatig, waardeloos!’’ |
|
Harry Bevers (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Erasmus Universiteit stopt met onderwijs voor ouderen: «Schandalig, nalatig, waardeloos!»»?1
Ja.
Bent u het eens dat de deelname van ouderen aan het HOVO (Hoger onderwijs voor ouderen) van de Erasmus Academie past in de visie van dit kabinet over een Leven Lang Ontwikkelen (LLO)?
Alle vormen van leren zijn in alle fasen van leven en werken van belang voor het bewerkstelligen van de leercultuur die het kabinet in het LLO-beleid beoogt. Ook HOVO kan daar aan bijdragen. De Erasmus Academie heeft laten weten dat zij de HOVO-cursussen de afgelopen jaren met verlies hebben uitgevoerd en dat continuering ervan niet langer verantwoord zou zijn.
Kunt aangeven hoeveel mensen in Nederland gebruik maken van het HOVO?
In onderstaand overzicht staan de cijfers van HOVO Nederland over aantallen mensen die in de periode 2014 tot en met 2021 jaarlijks gebruik hebben gemaakt van HOVO.
Instelling
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Achterhoek en Liemers
319
335
337
476
441
481
223
0
Alkmaar
450
494
468
510
415
376
256
76
Amsterdam
6048
6156
6700
6845
6469
6630
4025
3626
Brabant
2138
2523
2825
2509
2523
3155
1716
1321
Noord-Nederland
2973
3451
3595
3649
3549
3785
2020
1678
Leiden
1803
1833
1794
1741
1820
1815
1164
1073
Limburg
840
1214
1221
936
605
462
gestopt
–
Nijmegen
2711
2756
2320
2303
2125
2062
gestopt
–
Rotterdam
4200
3959
3140
2800
3307
3253
2102
2056
Utrecht
2249
2237
2639
2666
2602
2487
1730
1793
Totaal
23731
24958
25039
24435
23856
24506
13236
11623
Deelt u de mening dat er een bredere trend zichtbaar is onder onderwijsinstellingen om te stoppen met HOVO? Deelt u de mening dat deze ontwikkeling onwenselijk is?
In de afgelopen jaren is het HOVO-aanbod inderdaad op meer plaatsen in het land gestopt. Zoals te zien in bovenstaand overzicht is in 2020 het aanbod gestopt in Limburg en Nijmegen. Eerder stopten al HOVO Zeeland in 2010 en HOVO Den Haag in 2012. Dit is erg jammer voor de mensen die graag deelnemen aan HOVO-activiteiten. Het stoppen met het verzorgen van HOVO hangt samen met het feit dat het moeilijk blijkt om dit type onderwijs kostendekkend te organiseren.
HOVO valt niet onder de wettelijke taak van instellingen en wordt niet door de overheid bekostigd. Dat betekent dat instellingen voor deze activiteiten, net als voor andere vormen van contractonderwijs, de integrale kostprijs in rekening moeten brengen en de activiteiten structureel kostendekkend moeten uitvoeren. Structurele aanwending van bekostigingsmiddelen voor contractonderwijs (zoals HOVO) geldt als ondoelmatige besteding van rijksbekostiging en is niet toegestaan.
Kunt aangeven of het HOVO wel of niet onder de nieuwe STAP-regeling valt? Als dat niet het geval is, wat is de reden hiervan?
Indien de instelling die HOVO aanbiedt een instelling is die door het Ministerie van OCW erkend is als aanbieder van formele opleidingen leidend tot een diploma (mbo, hbo en wo), dan mogen zij ook HOVO en ander non-formeel scholingsaanbod opnemen in het STAP-register. Is de aanbieder geen door OCW erkende instelling, dan is opname van HOVO in het STAP-register mogelijk indien sprake is van erkenning door een van de andere keurmerken die bij STAP zijn aangesloten. Momenteel zijn dat NRTO, NLQF, CPION en Cedeo. In de loop van 2022 kunnen ook andere keurmerken die aan voorwaarden voldoen in aanmerking komen voor toelating tot STAP. Opleiders zijn zelf verantwoordelijk voor het registreren van scholingsactiviteiten in het STAP-register. Individuen kunnen tot de AOW-leeftijd gebruik maken van STAP, omdat STAP bedoeld is voor arbeidsmarktgerelateerde deelname aan scholing.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Erasmus Academie stelt dat het aanbieden van deze cursussen niet meer past bij wat de Erasmus universiteit wil zijn omdat «het HOVO het domein is van de hoogopgeleide, witte Nederlander?»
Volgens de Erasmus Academie heeft de journalist op dit punt absoluut niet het standpunt van de Erasmus Universiteit verwoord. Men vermoedt dat de journalist twee zaken door elkaar haalt, te weten het verbreden van de doelgroep voor de cursussen in 2019 en het stoppen met de opleiding per 2022.
Erasmus Academie is een private aanbieder onder de vlag van de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2019 heeft de Erasmus Academie besloten om de doelgroep van het HOVO-onderwijs te verbreden. Het HOVO-onderwijs was oorspronkelijke gericht op mensen die net voor en na de tweede wereldoorlog geen toegang hadden tot het hoger onderwijs. Wie echter naar de deelnemers kijkt van het HOVO-onderwijs in de afgelopen jaren, ziet dat veel van hen een opleiding hoger onderwijs hebben gehad en aan HOVO-cursussen deelnamen vanuit een interesse in een bepaald vakgebied of thema.
Verder was het HOVO-onderwijs van de Erasmus Academie gericht op de 50-plusser. De huidige 50-plusser voelt zich echter geen oudere en voelt zich niet aangesproken door de term «ouderenonderwijs». Bovendien wilde de Erasmus Academie juist geen groepen uitsluiten en de cursussen openstellen voor iedereen die nieuwsgierig is, zin heeft om te leren en zich aangesproken voelt door de veelzijdigheid van academisch onderwijs. Per september 2019 heeft de Erasmus Academie daarom de leeftijdsgrens van 50 jaar en de termen «ouderen» en «HOVO» losgelaten. Het betreffende opleidingsaanbod ging vanaf toen verder onder de naam Erasmus Academie Cursussen. Maar zoals gezegd in het antwoord op vraag 2 is continuering van de HOVO-cursussen nu niet meer verantwoord vanwege de verliezen die de Erasmus Academie daarop lijdt.
De universiteit geeft aan «... juist geen groepen te willen uitsluiten». Bent u het eens dat door het stoppen met de HOVO, de universiteit juist een hele grote groep uitsluit, namelijk de generatie die begin jaren vijftig van de vorige eeuw niet in de gelegenheid is geweest om hoger onderwijs te volgen?
Zie het antwoord op vraag 6.
De reiskosten vergoeding van jonge nieuwkomers |
|
Lisa Westerveld (GL), Senna Maatoug (GL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat gemeenten verschillende regels en bedragen hanteren met betrekking tot reiskostenvergoeding voor schoolgaande nieuwkomers ouder dan 12 jaar?
Dit klopt voor nieuwkomers ouder dan 12 jaar die een status hebben. Voor deze groep zijn ouders/verzorgers namelijk zelf verantwoordelijk voor de reiskosten. Bij of krachtens de wet is voor deze groep geen vergoeding van de reiskosten geregeld. Er zijn gemeenten die wel reiskostenvergoeding voor deze groep beschikbaar stellen. Het is aan deze gemeenten om te bepalen hoe ze dit regelen. Bij nieuwkomers die geen status hebben is het COA verantwoordelijk voor leerlingenvervoer.
Welke indicatoren worden gebruikt bij het berekenen van de reiskostenvergoeding voor nieuwkomers ouder dan 12 jaar en waarom verschillende deze indicatoren per gemeenten?
Zoals aangegeven, is er geen wettelijke taak voor reiskostenvergoeding van nieuwkomerskinderen die een status hebben. Er zijn gemeenten die daar op eigen initiatief iets voor regelen. Ik heb echter geen overzicht van welke vergoedingen gemeenten verstrekken en onder welke voorwaarden.
Wat is het verschil in de reiskostenvergoeding tussen de gemeente met het hoogste bedrag en de gemeenten met het laagste bedrag?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de verschillen in de minimale afstand in kilometers voor aanspraak op de reiskostenvergoeding tussen de gemeenten?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er gemeenten die helemaal geen reiskosten vergoeden voor deze groep nieuwkomers? Zo ja, wat is uw appreciatie hiervan?
Er zijn gemeenten die geen reiskosten vergoeden voor nieuwkomers van 12 jaar en ouder die een status hebben. Net als voor alle andere leerlingen, met uitzondering van nieuwkomers die geen status hebben, is het vervoer van de leerlingen van huis naar school in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de ouders/verzorgers. Doordat er een landelijk dekkend aanbod is van internationale schakelklassen (ISK’s) is de reisafstand voor deze groep leerlingen over het algemeen behapbaar. Daarom zie ik geen noodzaak om iets te veranderen aan deze situatie.
Heeft u in beeld hoeveel nieuwkomers in het voortgezet onderwijs naar een taalschool moeten reizen buiten hun woonplaats? Zo nee, wilt u dit in kaart brengen?
Uit gegevens die ik van de Dienst Uitvoering Onderwijs heb ontvangen, blijkt dat er in 2021 3874 leerlingen waren waarvoor schoolbesturen recht hadden op nieuwkomersbekostiging, die niet woonden in dezelfde gemeente als waar ze naar school gingen.
Is er volgens u sprake van een landelijk dekkend aanbod van nieuwkomerscholen? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Ja. Er zijn circa 120 ISK’s in Nederland. Op https://www.lowan.nl/vo/scholen/ is een kaart te vinden waarop alle ISK’s in Nederland staan aangegeven. Hierop is te zien dat het aanbod landelijk goed dekkend is.
Hoe worden jonge nieuwkomers op de hoogte gebracht van de verkeersregels in Nederland en bij wie licht deze verantwoordelijkheid?
De verantwoordelijkheid om jonge nieuwkomers op de hoogte te brengen van de verkeersregels in Nederland ligt in de eerste plaats bij hun ouders/verzorgers. Wel wordt op sommige ISK’s aandacht besteed aan de verkeersregels. Een aantal basiszaken rondom verkeersveiligheid komt bijvoorbeeld vaak terug in de NT2-methodes die worden gebruikt. Er is ook lesmateriaal over verkeersveiligheid beschikbaar voor de tweede fase van het ISK-traject. In deze fase worden leerlingen voorbereid op de uitstroom naar het reguliere voortgezet onderwijs.
Het artikel ‘Studenten noemen mij racistisch en homofoob’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Studenten noemen mij racistisch en homofoob.»1?
Ja.
Kunt u bevestigen dan wel ontkennen of van universitaire docenten wordt geëist hun literatuurlijst te herzien omdat er te veel «witte mannen» op zouden staan?
Het artikel betreft een interview met een universitair docent over zijn nieuwe boek. Hij vertelt dat sommige studenten van hem eisen dat hij andere literatuur kiest bij het onderwijs dat hij verzorgt. Ik zie geen aanleiding om zijn verhaal in twijfel te trekken.
Kunt u bevestigen dan wel ontkennen of van universitaire docenten in een nota bene wetenschappelijke omgeving wordt geëist dat zij «niet-wetenschappelijke» perspectieven ruimte geven, net zoals eerder aan de Universiteit van Amsterdam «rationaliteit» als «westers» is bestempeld?
Ik heb niet geverifieerd wat studenten van deze of andere docenten precies eisen. Het is de verantwoordelijkheid van de universiteit om de academische vrijheid van medewerkers te beschermen en zorg te dragen voor een veilige werk- en leeromgeving. Op de universiteiten, net als in andere domeinen van onze samenleving, worden bepaalde uitingen, instituties en praktijken bekritiseerd omdat zij zouden uitsluiten of stigmatiseren. Dit kan leiden tot stevige discussies over wat goede wetenschap en wat goed onderwijs is. De universiteit lijkt me de juiste omgeving voor die discussie.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken haaks staat op de plicht van universiteiten om academische vrijheid te borgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Opleidingen in het hoger onderwijs vormen een leeromgeving voor studenten waarin plaats is voor confrontaties, debat en lastige gesprekken. Daar hoort bij dat studenten en docenten elkaar kunnen aanspreken, maar ook dat daarop een weerwoord kan volgen. Deze kritische functie ligt in de aard van academisch onderwijs. De wrijving die dit soms oplevert is van alle tijden. Universiteiten zijn robuuste organisaties die hiermee om kunnen gaan.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is als docenten zich niet meer vrij durven te uiten in een academische omgeving waar het open en vrije debat juist de norm zou moeten zijn? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om de academische vrijheid op universiteiten beter te beschermen? Zo nee, waarom niet?
De academische vrijheid moet te allen tijde geborgd zijn. De instellingsbesturen hebben de plicht om die vrijheid te beschermen. Als docenten zich niet vrij durven te uiten, bijvoorbeeld omdat zij zich geïntimideerd of bedreigd voelen, is dat zorgwekkend. Maar als docenten het lastig vinden om door mondige studenten te worden geconfronteerd met kritiek, vormt dat nog geen beperking van de academische vrijheid. Een respectvolle omgang met studenten vereist dat docenten hun woorden zorgvuldig kiezen, maar als zij voortdurend op eieren moeten lopen is dat kwalijk. Het kan voor bestuurders lastig zijn om te bepalen waar zij in concrete gevallen mee te maken hebben. Ik zal, mede naar aanleiding van bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs over het studie- en werkklimaat, in gesprek gaan met de Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen over hoe zij omgaan met dit spanningsveld.
Kunt u laten weten wat de laatste stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van de motie van het lid Van der Woude c.s. over een onderzoek of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven een rol spelen in wetenschap en hoger onderwijs2 en kunt u deze casus bij dat onderzoek betrekken? Zo nee, waarom niet?
In reactie op de motie van het lid Van der Woude c.s. over een eventueel nieuw onderzoek over zelfcensuur heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven eerst twee lopende onderzoeken af te willen wachten. Op basis van de uitkomsten van die onderzoeken kan worden besloten of een aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ten eerste het onderzoek van de KNAW over de preventie van wangedrag in de wetenschap. De uitkomsten van dit onderzoek verwacht ik voor de zomer. Ik zal uw Kamer daarover informeren. Ten tweede heeft de Inspectie van het Onderwijs in 2021 een eerste beeld opgehaald over de mate waarin studenten zich vrij voelen om hun mening te uiten.3 In de Staat van het Onderwijs 2022 heeft de inspectie dit beeld nader ingevuld.4 Zoals ik aangaf in antwoord op vraag 5 zal ik met UNL in gesprek gaan op basis van de bevindingen van de inspectie. Ik zal de thema’s die bij deze casus aan bod komen betrekken in dat gesprek.
Long covid bij leraren en onderwijsondersteunend personeel |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het meldpunt van de Algemene Onderwijsbond (AOb) rondom long covid en kunt u aangeven of u ook bent geschrokken van de uitkomst dat veel leraren en ondersteunend personeel corona hebben opgelopen tijdens hun werk?1
Ja, ik heb kennis genomen van het meldpunt waar ruim 1.100 mensen uit het onderwijs zich hebben gemeld met langdurige klachten na een COVID-besmetting. Ik vind het bijzonder vervelend voor mensen als zij gedurende een lange periode na een COVID-besmetting klachten houden.
Kunt u een overzicht geven van het aantal mensen met long covid dat nu een Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-)uitkering bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aanvraagt? Kunt u hierbij aangeven hoeveel zieke werknemers een WIA-uitkering ontvangen en in welke klasse van arbeidsongeschiktheid deze zieke werknemers vallen? Kunt u hierbij een specificering geven per sector of beroep, en dan specifiek voor leraren?
Tijdens de periode van ziekte voordat er een WIA-aanvraag wordt gedaan, wordt de reden van ziekmelding niet geregistreerd. Ik kan daardoor niet aangeven hoeveel mensen die ziek zijn als gevolg van langdurige klachten na een COVID-besmetting een WIA-aanvraag gaan doen. Op dit moment zijn er nog geen cijfers over de WIA-instroom in verband met langdurige COVID bekend. Sinds april 2020 heeft UWV een algemene diagnosecode voor Covid-19 in de registratiesystemen aangebracht en per 1 januari 2022 ook een diagnosecode specifiek voor langdurige klachten na een COVID-besmetting, te gebruiken bij alle WIA-claimbeoordelingen. UWV verwacht uiterlijk begin juli de eerste instroomcijfers in de WIA vanwege langdurige klachten na COVID te publiceren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar arbeidsongeschiktheidsklasse en of Covid-19 de hoofd- of nevendiagnose is. Specificering van de instroom in de WIA per sector of beroep is niet mogelijk.
Vindt u het ook zorgwekkend dat nu, twee jaar later, vele leraren met long covid het risico lopen hun baan en inkomen te verliezen vanwege het aflopen van de loondoorbetaling bij ziekte?
Ik begrijp dat langdurige ziekte grote gevolgen kan hebben voor diegenen die het treft, zowel sociaal, mentaal als financieel. Het stelsel van sociale zekerheid biedt een vangnet voor alle werknemers die ziek worden en daardoor hun eigen werk niet meer kunnen doen, ongeacht de aard of oorzaak van de ziekte. Als een zieke werknemer niet binnen de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet het werk volledig heeft hervat, is het mogelijk dat hij daarna een WIA-uitkering ontvangt. In samenspraak kunnen werkgever en werknemer de loondoorbetalingsperiode bij ziekte met maximaal één jaar verlengen. De WIA-aanvraag wordt dan uitgesteld. Als een werknemer daarna recht heeft op een WIA-uitkering betekent dit echter niet dat de inzet op re-integratie moet stoppen. Ook betekent het niet dat de werkgever tot ontslag moet over gaan. Ook de WIA kent mogelijkheden om de re-integratie bij de werkgever voort te zetten.
Bent u het eens dat leraren met long covid, die tijdens de coronapandemie voor de klas hebben gestaan en daardoor veel risico hadden op het oplopen van corona tijdens hun werk, vanuit de overheid ondersteund dienen te worden?
Ik onderken dat medewerkers in het onderwijs, en ook in andere sectoren, risico’s hebben gelopen tijdens de coronapandemie. Zoals ook in het vorige antwoord aangegeven, biedt het reguliere stelsel van sociale zekerheid voor werknemers die ziek worden en hun eigen werk niet meer kunnen doen een vangnet. In de brief van 25 februari jl. die de Minister van Langdurige Zorg en Sport aan uw Kamer heeft gestuurd, is een tijdelijke aanvullende ondersteuningsmaatregel aangekondigd voor werkgevers in de zorgsector. Zoals ook in die brief staat, kiest het kabinet ervoor om specifiek werkgevers in de zorg te ondersteunen vanwege het uitzonderlijke karakter van de beginfase van de pandemie en het werken in zorg. Dit kabinet heeft in die brief aangegeven dat de overwegingen bij de ondersteuningsmaatregel voor zorgwerkgevers zijn gebaseerd op een uitzonderlijke combinatie van factoren in de zorgsector.
Vindt u het ook onwenselijk dat leraren door het oplopen van long covid te maken hebben gekregen met salariskorting in het tweede ziektejaar en medische kosten? Waar kunnen deze leraren terecht voor (financiële) ondersteuning en bent u bereid om hen (financieel) te ondersteunen hierbij?
Werkgevers zijn verplicht het loon van zieke werknemers gedurende een periode van twee jaar door te betalen. Het eerste ziektejaar minstens 70% van het loon en minimaal het minimumloon en het tweede ziektejaar ook minimaal 70% van het loon. De werkgever mag tijdens ziekte meer betalen dan 70% van het loon. Zo is in bijna de helft van de cao’s opgenomen dat in het eerste ziektejaar 100% van het loon wordt doorbetaald. Dit geldt ook voor de cao primair onderwijs. Ten aanzien van de medische kosten geldt dat paramedische herstelzorg bij ernstige klachten na COVID vergoed wordt vanuit het basispakket. De huisarts of medisch specialist kan beoordelen of iemand in aanmerking komt voor eerstelijns paramedische herstelzorg. Paramedische herstelzorg kan bestaan uit fysiotherapie, oefentherapie, ergotherapie, diëtetiek en logopedie. De voorwaardelijke vergoeding van deze zorg uit het basispakket is recent verlengd tot 1 augustus 2023, zie de zesde incidentele suppletoire begroting2.
Bent u het eens dat het voor de re-integratie van zieke werknemers het beste is om in dienst bij de eigen werkgever te blijven?
Werkgevers en hun zieke werknemers hebben gedurende de loondoorbetalingsperiode van 104 weken een re-integratieverplichting ten behoeve van de terugkeer in het arbeidsproces. In eerste instantie is de re-integratie gericht op terugkeer binnen het eigen bedrijf (spoor 1 re-integratie). Als re-integratie bij de eigen werkgever niet meer lukt kijken werkgever en werknemer of het werk bij een andere werkgever hervat kan worden (spoor 2 re-integratie). Als een zieke werknemer niet binnen de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte het werk volledig heeft hervat, is het mogelijk dat hij daarna een WIA-uitkering ontvangt. Instroom in de WIA betekent echter niet dat er geen re-integratie-inspanningen meer verricht worden en dat personen niet meer aan het werk komen. Ook de WIA kent prikkels en mogelijkheden om te re-integreren. In samenspraak kunnen werkgever en werknemer de periode van loondoorbetaling bij ziekte met maximaal één jaar vrijwillig verlengen. Zij kunnen dit doen, als het er bijvoorbeeld naar uitziet dat de werknemer binnenkort (volledig) terug kan keren in zijn oude werk, of als zij een andere oplossing willen zoeken bij de bestaande of een andere werkgever. Re-integratie is maatwerk en in het re-integratietraject is de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend. Afhankelijk van de situatie van de individuele werknemer kan het vrijwillig verlengen van de loondoorbetalingsperiode een oplossing zijn.
Het beleid op het gebied van ziekte en arbeidsongeschiktheid geldt voor alle ziektebeelden en aandoeningen. Ik zie op dit moment geen reden tot aanpassing specifiek voor de groep mensen met langdurige Covid klachten. Ook voor andere ziekten en aandoeningen kennen we geen apart beleid.
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 4 kiest het kabinet ervoor om specifiek werkgevers in de zorg tijdelijk te ondersteunen met als doel langdurige zieke zorgmedewerkers te behouden voor de zorg en te blijven werken aan hun herstel en re-integratie vanwege het uitzonderlijke karakter van de beginfase van de pandemie en het werken in zorg. Het kabinet realiseert zich dat veel werkgevers grote uitdagingen hebben ondervonden als gevolg van de pandemie en moeite hebben met het vinden van voldoende personeel. De regeling stimuleert het behoud van mensen voor de zorgsector. Deze subsidie voor werkgevers is een tegemoetkoming in de loonkosten die gemoeid zijn met een vrijwillige verlenging van de loondoorbetaling na het tweede ziektejaar aan werknemers in de zorg die in de periode 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 langdurig ziek zijn geworden.
Erkent u daarom – ook vanuit het perspectief van het lerarentekort – het belang van het uitstellen van de WIA-keuring voor werknemers met long covid? Zo ja, op welke wijze denkt de Minister dat te gaan stimuleren?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om, net zoals in de zorg, te komen met een tegemoetkomingsfonds, met gefixeerde schadebedragen, voor onderwijswerknemers met long covid?
De regeling zoals wordt getroffen voor de zorg is geen tegemoetkomingsfonds voor werknemers, maar een subsidieregeling specifiek voor werkgevers in de zorg, zoals aangekondigd door de Minister van Langdurige Zorg en Sport in de Kamerbrief van 25 februari jl. Het kabinet zet met deze regeling in op een extra stimulans voor het herstel en de re-integratie van personen in de zorg met langdurige klachten na een COVID-besmetting. Het kabinet kiest daarvoor vanwege de unieke combinatie van factoren die in de zorgsector speelden aan het begin van de coronacrisis. Er is op dit moment geen regeling in voorbereiding voor het onderwijs.
Klopt het dat het mogelijk is om zieke werknemers, bijvoorbeeld met long covid, voor een derde ziektejaar in dienst te laten houden bij hun eigen werkgever? Bent u bereid om te kijken of er voor werknemers met long covid de mogelijkheid kan komen om voor hen een derde ziektejaar te realiseren? Bent u dan ook bereid om te kijken of (een gedeelte van) de kosten gedragen kunnen worden door de overheid?
Zie antwoord vraag 6.
Herkent u de signalen vanuit leraren, maar ook vanuit andere werknemers, dat de keuringen bij long covid door het UWV soms als star en averechts wordt ervaren? Zo ja, bent u bereid om hierover met het UWV in gesprek te gaan?
Het is bijzonder vervelend voor mensen als zij langdurige klachten hebben na een COVID-besmetting. Als iemand na twee jaar ziekte het werk niet (volledig) heeft hervat kan hij/zij een WIA-uitkering aanvragen. Het is mij bekend dat er veel vragen zijn over de WIA-beoordeling van mensen die ziek zijn als gevolg van langdurige klachten na een COVID-besmetting. UWV is zich hier ook van bewust en heeft om die reden op haar website een pagina ingericht met extra informatie hierover. Daarnaast implementeert UWV dit jaar een werkwijze waarbij mensen die een WIA-aanvraag hebben gedaan, helemaal aan het begin van dit proces, door een UWV-medewerker worden gebeld. Zij geven de aanvrager uitleg over de stappen die nodig zijn om tot een beoordeling van de WIA-aanvraag te komen. Wat WIA inhoudt, wordt verteld in een nieuwe online WIA-webinar, waar de WIA-aanvrager naar verwezen wordt.
Zoals voor iedereen die te maken krijgt met ziekte en arbeidsongeschiktheid, geldt ook voor werknemers met langdurige COVID dat de uitkomst van de WIA-beoordeling niet voor iedereen met vergelijkbare klachten precies gelijk zal zijn. Dat is logisch, omdat de klachten die mensen bij langdurige COVID ervaren niet voor iedereen hetzelfde zijn, maar ook omdat de individuele omstandigheden van de werknemer een rol spelen bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
De WIA is erop gericht om inkomen uit arbeid te verzekeren en een terugval in inkomsten dor ziekte (gedeeltelijk) op te vangen. Gevolg daarvan in de systematiek van de WIA, is dat wordt beoordeeld wat de resterende verdiencapaciteit van iemand met een ziekte of beperking is. Op basis daarvan wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld en dat kan dus van persoon tot persoon verschillen, ook wanneer mensen vergelijkbare klachten ervaren.
UWV behandelt alle WIA-aanvragen op eenzelfde manier en houdt bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening met de functionele mogelijkheden in arbeid van de individuele werknemer. UWV maakt geen onderscheid in manier van handelen naar de reden van uitval of ziekte. Dat betekent ook dat de uitkomst van de WIA-beoordeling niet voor iedereen die langdurige klachten heeft na een COVID-besmetting precies gelijk zal zijn. Dit is de gebruikelijke gang van zaken voor iedereen die te maken krijgt met ziekte en arbeidsongeschiktheid, niet alleen voor werknemers met langdurige klachten na COVID.
Het artikel ‘MQ Scan: 24% van basisschoolleerlingen heeft ondermaatse motoriek; ’Zorgwekkende piek onder negenjarigen’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «MQ Scan: 24% van basisschoolleerlingen heeft ondermaatse motoriek; «Zorgwekkende piek onder negenjarigen»»?1
Ja, dat ben ik.
Bent u bekend met het feit dat een kwart van de basisschoolleerlingen in Nederland over onvoldoende bewegingsvaardigheden beschikt en een onderontwikkelde motoriek heeft?
Ja, dat ben ik.
Erkent u het belang van voldoende beschikbaarheid van sport- en speelplaatsen in de directe omgeving van kinderen voor de ontwikkeling van de motoriek en bewegingsvaardigheden?
Ja, dat erken ik.
Wat gaat u doen om op de korte termijn en op de lange termijn de motoriek van bassischoolleerlingen op niveau te krijgen?
Het primair onderwijs heeft met het aanbod van bewegingsonderwijs een belangrijke rol bij de ontwikkeling van motorische vaardigheden. Vanaf juli 2023 is het voor scholen wettelijk verplicht om een daartoe bevoegde leerkracht ten minste twee uur bewegingsonderwijs te laten geven. Om deze aankomende verplichting goed te kunnen implementeren in de scholen, is er de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs. Hiervan staat op dit moment de tweede aanvraagperiode tot en met 15 mei open.
Daarnaast zijn er in algemene zin veel initiatieven voor bewegen door de dag heen en bewegend leren. Scholen die voldoen aan de aankomende urennorm kunnen de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs ook inzetten voor het realiseren van een dynamische schooldag. Daarnaast wordt er samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een Platform Bewegend Leren ontworpen. Ook bij de invulling van de Rijke Schooldag heeft sport en bewegen een belangrijke plek.
Tot slot is er met het Nationaal Programma Onderwijs aan scholen de mogelijkheid geboden om met interventies sport en bewegen te werken aan coronagerelateerde vertragingen in de ontwikkeling van leerlingen, op cognitief dan wel motorisch (en sociaal-emotioneel) gebied.
Hoeveel gemeenten hebben voldoende gymzaalcapaciteit wanneer de wettelijke verplichting voor twee uur bewegingsonderwijs in het primair onderwijs in 2023 van kracht wordt? Indien u dit overzicht niet heeft, kunt u deze inventarisatie zo snel mogelijk laten uitvoeren?
De Vereniging Sport en Gemeenten inventariseert het tekort aan gymzaalcapaciteit en verwacht voor de zomer de eerste resultaten. Zodra deze beschikbaar zijn, zal ik dit met uw Kamer delen.
Deelt u de mening en bent u het eens met de talloze wetenschappelijke publicaties dat vakleerkrachten bewegingsonderwijs van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) een positieve bijdrage leveren aan de motoriek van basisschoolleerlingen en het verkrijgen van plezier in sport?
Ja, ik ben het ermee eens dat ALO-gediplomeerde vakleerkrachten een positieve bijdrage leveren aan de motoriek van basisschoolleerlingen en hun plezier in sport. Een groepsleerkracht met de aanvullende bevoegdheid, waar diegene een post-initiële-hbo-opleiding voor heeft gevolgd, is echter ook bekwaam om hieraan bij te dragen.
Welke gezondheidsrisico’s zijn er als dit percentage van 24% de komende jaren oploopt tot 30%, 40% of 50%? Het percentage van 24% is al veel te hoog, maar vanaf welk percentage gaat u over tot het verplichten van vakleerkrachten van de ALO voor het geven van bewegingsonderwijs in het primair onderwijs?
Uit onderzoek van De Haagse Hogeschool en VU Amsterdam naar motorische peilingen2, waar in het artikel3 naar verwezen wordt, is gelukkig te zien dat het percentage basisschoolleerlingen dat ondergemiddelde motorische vaardigheden heeft in de periode tussen 2018 en 2021 afneemt.
Er is op dit moment onvoldoende kwalitatief goed longitudinaal of interventie-onderzoek beschikbaar om scenario’s te kunnen schetsen van de gezondheidsrisico’s bij een oplopend percentage kinderen met een ondergemiddelde score op de MQ-scan.4 5 Op basis hiervan kunnen we geen wetenschappelijk onderbouwde conclusies trekken over de relatie tussen de ontwikkeling van motorische vaardigheden op jonge leeftijd en de gezondheidsrisico’s. Wel blijkt uit onderzoek dat er een positieve associatie is tussen goed ontwikkelde fundamentele motorische vaardigheden en fysieke activiteit bij kinderen en adolescenten, cardiorespiratoire gezondheid en gezond gewicht.6
De relatie tussen het aanleren van motorische vaardigheden door een vakleerkracht en het verschil in gezondheidsrisico’s bij kinderen is niet één op één te leggen. De keuze om een ALO-gediplomeerde vakleerkracht of een groepsleerkracht met bevoegdheid de lessen bewegingsonderwijs te laten verzorgen, ligt bij de scholen. Ik zie, gelet op de huidige onderwijsarbeidsmarkt, geen aanleiding om de wet op dit punt te wijzigen. De krapte op de huidige onderwijsmarkt is in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen toegelicht.7
Passend onderwijs |
|
Peter Kwint |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is de stand van zaken aangaande de ontwikkeling en invoering van de landelijke norm voor basisondersteuning?1
Om nu echt concrete stappen te zetten voor de ontwikkeling van de landelijke norm basisondersteuning, heb ik besloten om deze eerst te laten ontwikkelen voor drie ontwikkelingsgebieden waar veel behoefte aan is: hoogbegaafdheid, dyslexie en leergedrag. Gezien de aanbestedingsregels is het nodig hiervoor meerdere partijen een offerte te vragen. Dit is eind april gedaan, waarna in juni de opdracht is gegund. Begin 2023 stuur ik de invulling van de norm voor deze drie ondersteuningsgebieden naar de Kamer en ga ik die ook wettelijk vastleggen. Op basis van de lessen uit het ontwikkeltraject in 2022, bepaal ik samen met uw Kamer hoe de doorontwikkeling en invulling van de totale landelijke norm voor basisondersteuning gerealiseerd kan worden. Daarbij start ik in elk geval met de ondersteuningsgebieden die te maken hebben met aandacht en concentratie (bijvoorbeeld gelieerd aan ADD en ADHD). Daarbij start ik in elk geval met de ondersteuningsgebieden die te maken hebben met aandacht en concentratie (bijvoorbeeld gelieerd aan ADD en ADHD) zodra de norm voor de eerste drie ontwikkelingsgebieden ontwikkeld is.
Hoe komt het dat er na drie jaar nog steeds geen landelijke norm voor basisondersteuning is ontwikkeld en ingevoerd?
Allereerst: Ik vind net als u dat het te lang heeft geduurd met de landelijke norm voor basisondersteuning. Deze norm vind ik belangrijk omdat die helderheid biedt aan alle betrokkenen over wat elke school ten minste moet leveren aan ondersteuning aan leerlingen. Die duidelijkheid is belangrijk voor leerlingen, ouders en leraren.
Daarom trek ik de regie op dit onderwerp meer naar me toe en heb ik in juni opdracht gegeven om de landelijke norm op de drie genoemde ontwikkelingsgebieden daadwerkelijk te gaan ontwikkelen. Ik blijf daarbij zo goed mogelijk samenwerken met de verschillende partijen, maar dit mag niet leiden tot verdere vertraging in het proces.
Zoals gevraagd door uw Kamer is sinds de indiening van de motie met veel betrokkenen in het veld samengewerkt. Gekeken is op welke manier de landelijke norm geformuleerd zou kunnen worden. Helaas zonder echt succes. Het blijkt niet makkelijk, omdat de veldpartijen erg verschillend denken over of de norm er wel moet komen, hoe concreet deze moet worden en hoe de hoogte ervan moet worden bepaald. In het kader van het gezamenlijke traject is de afgelopen periode onderzocht of er een standaard kon komen voor de protocollen van scholen. Dit heeft geleid tot het stappenplan basisondersteuning,2 dat per brief van 16 december aan uw Kamer is toegestuurd.3 Andere opties waren om aan de hand van de uitgaven van scholen aan de basisondersteuning een norm te bepalen. Dit bleek niet werkbaar: het was niet mogelijk om de financiën voor basisondersteuning in kaart te brengen door de grote verschillen tussen scholen en verschillende manieren waarop zij nu de basisondersteuning financieren. Ook het bepalen van de norm aan de hand van de onderzoekskaders van de inspectie was geen haalbare optie, omdat basisondersteuning niet wettelijk is omschreven en dus niet in de onderzoekskaders voorkomt.
Bent u voornemens extra middelen vrij te maken voor de landelijke norm voor basisondersteuning, zodat kinderen geen last hebben van financiële problemen van scholen en samenwerkingsverbanden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat de komende tijd eerst wordt gewerkt aan het inhoudelijk helder krijgen wat alle scholen in de basisondersteuning moeten bieden. Om dit te bereiken is een ontwikkelopdracht uitgezet (zie het antwoord op vraag 1). Bij het vaststellen van het minimumniveau dat scholen moeten bieden in de basisondersteuning zal rekening worden gehouden met wat een ruime meerderheid van de scholen, binnen de huidige financiële kaders, nu kan waarmaken. In het kader van het wetsvoorstel waarmee ik de norm zal vaststellen, ga ik hierover graag nader met u in gesprek.
Bent u voornemens om een resultaatsverplichting te verbinden aan de landelijke norm voor basisondersteuning? Zo nee, waarom niet?
Zodra de landelijke norm voor basisondersteuning in de wet is vastgelegd, zal de Inspectie van het Onderwijs hierop gaan toezien en, afhankelijk van de invulling van de norm, haar toezichtkader hierop aanpassen. Via die weg zal daadwerkelijk worden geborgd dat de basisondersteuning ook daadwerkelijk zal worden geleverd door de scholen.
Klopt het dat de ontwikkelgroep een norm gaat ontwikkelen voor slechts drie ondersteuningsgebieden, namelijk dyslexie, hoogbegaafdheid en leergedrag, en dat pas daarna andere ondersteuningsgebieden worden uitgewerkt?
Ja, dat klopt. Om nu snel stappen te zetten is het belangrijk om keuzes te maken en op die manier ook ervaring op te doen met het ontwikkelen van onderdelen van de norm. Bij de keuze van de eerste ondersteuningsgebieden is gekeken naar de gebieden waar de roep om duidelijkheid groot is, zowel bij ouders als bij leraren en de politiek. Het zijn ook ondersteuningsbehoeften die voor alle leraren herkenbaar zijn.
Hoe gaat het proces verder nadat de ontwikkelgroep een norm heeft ontwikkeld voor deze drie ontwikkelingsgebieden? Kunt u tevens een tijdlijn schetsen?
Eind 2022 zal de ontwikkelgroep de norm opleveren voor de drie ontwikkelgebieden. Deze zal ik begin 2023 aan uw Kamer sturen, en daarna zal ik ook de wetswijziging in gang zetten om deze vast te gaan leggen. Onderdeel van de opdracht aan de ontwikkelgroep is dat zij, op basis van het resultaat voor de eerste drie ondersteuningsgebieden, ook adviseren over de verdere doorontwikkeling van de landelijke norm basisondersteuning. Begin 2023 informeer ik u over de norm voor die ontwikkelgebieden en bespreek ik met u het plan voor verdere doorontwikkeling inclusief het bijbehorende tijdspad. Ik zal u dan ook informeren over de wijze waarop ik voornemens ben al te anticiperen op de nieuwe norm voordat het wetsvoorstel ingaat.
Waarom worden de andere ondersteuningsgebieden niet direct meegenomen? Bent u bereid dit alsnog te doen, zodat de landelijke norm voor basisondersteuning in zijn geheel zo snel als mogelijk kan worden ingevoerd?
Het feit dat het, ondanks vele inspanningen van alle betrokken partijen, nog steeds niet gelukt is om een norm te hebben, laat zien hoe complex het is. Er zijn nog veel vragen over hoe de norm uitgewerkt moet worden: de norm moet bijvoorbeeld duidelijk zijn voor ouders en leraren, maar er niet toe leiden dat scholen gemakkelijker leerlingen zullen doorverwijzen die ze nu wel toelaten. Daarom is het niet haalbaar om de hele norm in één keer te ontwikkelen. Dan is er een groot risico dat het traject vastloopt en dat er ofwel geen resultaat komt ofwel een resultaat waar leraren en ouders uiteindelijk niet mee uit de voeten kunnen.
Ik wil deze impasse nu doorbreken door het traject op te knippen. Om deze reden heb ik nu eerst een opdracht uitgezet voor drie ondersteuningsgebieden. Hiermee zal al een belangrijk deel van de totale norm ingevoerd kunnen worden vanaf begin 2023. Voor deze aanpak is ook steun van de veldpartijen die de Kamer in de motie heeft benoemd. De uitwerking hiervan zal richting geven aan de doorontwikkeling van de totale landelijke norm. De ontwikkelgroep komt ook met een advies hoe ik dit goed en snel kan doen. Daarbij start ik in elk geval met de ondersteuningsgebieden die te maken hebben met aandacht en concentratie mee (bijvoorbeeld gelieerd aan ADD en ADHD). Ik verwacht dat we vanaf begin 2023 snelle stappen kunnen zetten naar een totale landelijke norm voor basisondersteuning.
Klopt het dat samenwerkingsverbanden op korte termijn hun ondersteuningsplan opnieuw vaststellen voor enkele jaren? Is het dan nog mogelijk om de landelijke norm in te voeren voordat de nieuwe periode is afgelopen? Zo nee, waarom niet en bent u dan bereid dit alsnog wel te doen?
Het klopt dat veel samenwerkingsverbanden bezig zijn met de herziening van hun ondersteuningsplan voor de periode 2022–2026. Omdat de totstandkoming van de norm nog even op zich laten wachten, zal het niet meer mogelijk zijn deze daarin direct mee te nemen. Samenwerkingsverbanden kunnen hun ondersteuningsplan wel tussentijds aanpassen. Ik zal hen, zodra de norm er voor de drie ontwikkelgebieden is, oproepen om dit ook te doen en ik zal bekijken hoe we dit ook kunnen stimuleren.
Waarom negeert u de wens van de Kamer door de motie-Kwint over het beleggen van doorzettingsmacht bij de onderwijsinspectie2 niet uit te voeren, terwijl er gezien het hoge aantal thuiszitters juist een taak ligt voor de onderwijsinspectie vanwege het ontbreken van een dekkend onderwijsaanbod in de samenwerkingsverbanden, zoals ook in de motie-Kwint c.s. wordt verzocht?
Het doel van de motie, namelijk borgen dat er ook voor leerlingen die een grote zorgvraag hebben, onderwijs is waarmee ze zich kunnen ontwikkelen, steun ik volledig. Dit sluit goed aan bij de acties voor het tegengaan van verzuim en schooluitval, waarover ik u in maart heb geïnformeerd.5 Eén van de manieren waarop ik dat doe is door het, samen met de Staatssecretaris Jeugd en Preventie, mogelijk maken van onderwijszorgarrangementen. Hierin kan vanaf 1 januari 2023 op een aantal onderdelen afgeweken van de huidige wet- en regelgeving, waardoor de samenwerking tussen samenwerkingsverbanden, schoolbesturen, onderwijszorginitiatieven, gemeenten en/of zorgkantoren wordt versterkt. Binnen het eerste jaar van het experiment zullen wij starten met een wetswijziging. Ik heb er vertrouwen in dat via deze weg op steeds meer plekken dit soort initiatieven gaan ontstaan, bijvoorbeeld via zorgboerderijen.
De motie roept het kabinet op doorzettingsmacht bij de inspectie te beleggen zodat zij schoolbesturen een aanwijzing kunnen geven om samenwerking met zorginitiatieven te verplichten. Zoals al eerder aangegeven aan uw Kamer, is dit geen passende oplossing.6 De inspectie heeft een toezichthoudende rol. Daarbij past het niet om ook een sturende rol te hebben in het verplichten van samenwerking.
Tegelijkertijd is een vorm van doorzettingsmacht beleggen in het stelsel belangrijk, om er zo voor te zorgen dat er iemand is die de knoop door kan hakken als partijen er onderling niet uitkomen. Daarom neem ik bij het wetsvoorstel rondom de onderwijszorgarrangementen ook het voorstel mee om verplicht doorzettingsmacht te beleggen in de regio. Dat houdt in dat een onafhankelijke persoon of organisatie wordt aangewezen met mandaat die waar nodig, alles overziende, een school kan verplichten tot het inschrijven en bieden van onderwijs aan een leerling en de naleving hiervan. Ik neem daarbij de zorg ter harte van ouders en leerlingen uit de eerdere internetconsultatie, namelijk dat de persoon écht onafhankelijk moet zijn van samenwerkingsverband en gemeente.
Vindt u niet dat juist succesvolle initiatieven waar zorg en ondersteuning geboden wordt aan kwetsbare leerlingen – vaak thuiszitters – behouden moeten blijven als zij ook onderwijs willen gaan verzorgen? Zo ja, waarom worden deze initiatieven dan op dit moment niet ondersteund en is er een heel nieuw experiment gestart, waardoor het nog langer duurt voordat zorg en onderwijs gecombineerd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Op veel plekken in het land zijn al mooie initiatieven die juist voor deze kwetsbare doelgroep zorg en ondersteuning bieden zodat zij zich kunnen ontwikkelen. Op dit moment worden bijvoorbeeld al 15 onderwijszorginitiatieven intensief ondersteund en begeleid als «proeftuin», vooruitlopend op de start van het experiment onderwijszorgarrangementen. Vanaf de start van het experiment – 1 januari 2023 – kan voor 80 initiatieven worden afgeweken van verschillende bepalingen uit wet- en regelgeving, met als doel om deze groep leerlingen een beter passend aanbod te kunnen bieden. Het is daarbij de verwachting dat in drie jaar tijd 5000 tot 6000 jongeren kunnen deelnemen. Uiterlijk begin 2024 wordt er een wetstraject gestart om de wet aan te passen zodat dit omgezet wordt in structurele ruimte die er nodig is voor deze jongeren.
Waarom bent u niet bereid de regie te pakken als het gaat om het regionaal opnieuw bekijken van alle dossiers van thuiszitters en hun een passend onderwijsaanbod te doen zoals in de Kamerbreed aangenomen motie-Kwint c.s. wordt verzocht?3
Ik deel de mening dat het onacceptabel is dat er zoveel kinderen niet naar school (kunnen) gaan en dat de oplossing veelal in de regio en lokaal moet worden gevonden. Daarbij hoort ook landelijke regie om nu echt stappen te gaan zetten. Daarom heb ik recent de nieuwe en aangescherpte verzuimaanpak aangekondigd waarmee ik onder andere toe wil naar een aanwezigheidsbeleid.
Tijdens het debat over passend onderwijs van 30 maart jl. heb ik uw Kamer toegezegd om een aantal wetsvoorstellen te bundelen. Hieronder valt ook het wetsvoorstel dat ervoor gaat zorgen dat samenwerkingsverbanden zo snel als mogelijk verzuimgegevens mogen gaan inzien zodat zij nog beter kunnen werken aan het voorkomen van langdurige uitval. Hiermee krijgen zij ook beter zicht op de kinderen die niet naar school gaan binnen de eigen regio zodat zij hier samen met verschillende betrokken partijen werk van kunnen maken en die kinderen een passende plek kunnen bieden. Ook geeft dit de samenwerkingsverbanden meer mogelijkheden om – samen met de scholen maar ook met de gemeenten – te kijken naar de achterliggende redenen waarom deze kinderen zijn uitgevallen, waar uw motie om verzoekt.
Wat betreft het deel van de motie over het landelijk categoriseren van deze redenen sluit ik aan bij het project WEL in ontwikkeling, waarvoor ik subsidie beschikbaar heb gesteld. In het kader van dit project kunnen samenwerkingsverbanden thuiszitters direct helpen door hen te ondersteunen op die onderdelen die nodig zijn. Daarnaast wordt er per samenwerkingsverband een aantal casussen geanalyseerd om te bekijken hoe de situatie heeft geleid tot thuiszitten om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Thuiszitters en hun ouders die de stap willen zetten om terug naar school te gaan, kunnen hiervoor altijd bij elke school aankloppen die daarbij dan zorgplicht heeft. Ze kunnen met vragen over het ondersteuningsaanbod of bij het hulp krijgen bij het (weer) naar school gaan met de juiste ondersteuning, ook terecht bij het ouder- en jeugdsteunpunt van hun samenwerkingsverband. Dit steunpunt verzorgt ondersteuning en begeleiding, bemiddeling en afstemming met het belang van jeugdigen en hun ouders voor ogen. Het Kabinet maakt hiervoor 15 miljoen euro vrij zodat ieder samenwerkingsverband hun steunpunt verder kan doorontwikkelen.
Vanaf dit najaar gaat er een monitor lopen naar het functioneren van de steunpunten. Zodra de uitkomsten bekend zijn bespreek ik deze graag met uw Kamer en ga ik, in het kader van het bredere gesprek over het terugdringen van het aantal leerlingen dat verzuimt, nader in gesprek over hoe de steunpunten bijdragen aan het terugleiden van thuiszitters naar het onderwijs.
Zou u opnieuw kunnen kijken naar welke mogelijkheden er wel zijn om deze motie alsnog uit te voeren, passend in de nieuwe verzuimaanpak? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat als informatie over de reden van thuiszitten regionaal wordt geïnventariseerd, dit vervolgens landelijk gecategoriseerd kan worden naar redenen van thuiszitten en ondersteuningsvraag, zodat er meer inzicht kan worden verschaft in het probleem? Deelt u tevens de mening dat het niet uitvoeren van dit verzoek politieke onwil is? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Wat is de status van de motie-Kwint/Van den Hul over het monitoren van de wachtlijsten in het speciaal (basis)onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs5? Wanneer kan de Kamer deze informatie verwachten?
Er wordt kort na de zomer een vragenlijst uitgezet waarmee de samenwerkingsverbanden de scholen binnen hun regio onder meer vragen naar het aantal leerlingen dat op een wachtlijst staat en wat daar de reden van is. Deze uitvraag wordt twee keer per jaar herhaald. Ik informeer uw Kamer in het najaar over de uitkomsten.
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer een recht zou moeten zijn voor kinderen die dit op basis van hun ondersteuningsvraag nodig hebben? Zo ja, wat vindt u ervan dat dit niet voor alle kinderen beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?6
Ik deel de mening dat alle leerlingen die leerlingenvervoer nodig hebben, dit ook moeten krijgen. De uitvoering van het leerlingenvervoer is gedecentraliseerd in 1987. Gemeenten zijn sindsdien verplicht een regeling vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen binnen de randvoorwaarden die de onderwijswetten stellen, aanspraak kunnen maken op leerlingenvervoer. In het speciaal onderwijs kunnen in principe alle leerlingen aanspraak op leerlingenvervoer maken. In het primair en voortgezet (speciaal) onderwijs geldt dit voor alle leerlingen die vanwege hun beperking niet zelfstandig kunnen reizen. Daarnaast kunnen leerlingen in het primair onderwijs, waarvoor binnen 6 kilometer geen school van hun gewenste richting beschikbaar is, aanspraak maken op leerlingenvervoer, ook wel het afstands- of denominatief vervoer genoemd. Indien het gaat om taxivervoer moet dat uiteraard ook veilig zijn en met een zo kort mogelijke reistijd. Uit een recent rapport van Ouders en Onderwijs en signalen van LBVSO blijkt dit niet altijd het geval te zijn. Ik vind dat ongewenst.
Ik heb in het debat van 30 maart toegezegd om u voor zover mogelijk nog voor de zomer van 2022 op de hoogte te stellen van de resultaten van de gesprekken met de VNG over de verkorting van de reistijden en de kwaliteit in het leerlingenvervoer. De signalen van Ouders en Onderwijs en LBVSO hierover zijn de afgelopen periode, zoals toegezegd in het debat van 30 maart jl., samen met de VNG opgepakt. Ook Ouders & en Onderwijs en de Kinderombudsman zijn hierbij betrokken. Nog voor de zomer wordt de monitor leerlingenvervoer (uitgevoerd in de periode 2012–2017) opnieuw aanbesteed, en deze gaat nog in 2022 van start. Het doel van de monitor is inzichtelijk te maken wat de uitgaven van het leerlingenvervoer zijn, het aantal leerlingen dat gebruik maakt van het leerlingenvervoer, het type vervoer en het in kaart brengen van de gemiddelde reisafstand en reistijd. Uiteraard wordt er daarbij een vergelijking gemaakt met de voorgaande monitoren. Daarnaast wordt in de monitor ook aandacht besteed aan ontwikkelingen in het gemeentelijk beleid die van invloed zijn op het leerlingenvervoer. Verder gaat de VNG in de zomer in nauwe samenwerking met OCW een representatief onderzoek onder ouders uitzetten naar de reistijd en de kwaliteit van het leerlingenvervoer.
Mijn inzet blijft het zo snel mogelijk verkorten van de reistijd tot maximaal 45 minuten enkele reis voor (in ieder geval) kinderen in de basisschoolleeftijd. Ik vind dat de modelverordening hier duidelijkheid over moet bieden. Hier kan alleen in uitzonderlijke situaties van afgeweken worden als de reistijd van 45 minuten niet haalbaar is omdat een leerling te ver van een passende school woont. Tegelijkertijd geeft de VNG het signaal af zorgen te hebben over een kortere reistijd, aangezien er op dit moment een groot tekort aan chauffeurs is. De uitkomsten van beide onderzoeken moeten er voor zorgen dat er nog dit najaar gerichte maatregelen worden genomen door gemeenten om de reistijd niet langer dan 45 minuten te laten zijn. Bovendien moeten de onderzoeken de basis vormen voor aanpassing van de modelverordening van de VNG. In dat kader belegt de VNG direct na de zomer een bijeenkomst met betrokkenen uit gemeenten en met Ouders&Onderwijs om de mogelijkheden in kaart te brengen snel verbeteringen, op het gebied van reistijd en kwaliteit, aan te brengen in het leerlingenvervoer. De uitkomsten van deze bijeenkomst benut de VNG ook om te bepalen of de handreiking aanbesteden aanpassing behoeft. Ik informeer u dit najaar verder over de voortgang op leerlingenvervoer.
Zijn er bij u signalen bekend dat het leerlingenvervoer voor kinderen met een bepaalde ondersteuningsvraag concurreert met leerlingenvervoer voor kinderen op basis van een religieuze grondslag qua chauffeurs? Zou het niet eerlijker zijn om het vervoer eerst beschikbaar te stellen voor zorgleerlingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het tweeminutendebat na het Commissiedebat Passend onderwijs van 30 maart heb ik toegezegd me te verdiepen hoe het zit met denominatief leerlingenvervoer en wat we in de gesprekken met de VNG zouden kunnen meenemen. Er zijn bij mij geen signalen bekend van concurrentie tussen leerlingenvervoer op basis van een religieuze grondslag. Het is ook wettelijk niet toegestaan: het recht op leerlingenvervoer is vastgesteld in wet- en regelgeving en in de verordening van de gemeenten. Dat is leidend voor het bepalen of een leerling een recht op leerlingenvervoer heeft, niet of er voldoende middelen zijn. Dit geldt zowel voor het gehandicaptenvervoer als voor het afstandsvervoer (ook wel denominatief vervoer). In de monitor die dit najaar wordt uitgevoerd, wordt meegenomen welk type vervoer wordt ingezet en welke bekostiging daarbij hoort. Eind dit jaar ontvangt uw Kamer meer informatie over de uitkomsten van de monitor.
Kunt u een overzicht geven van het eigen vermogen en bovenmatig eigen vermogen per samenwerkingsverband passend onderwijs basisonderwijs en voortgezet onderwijs?7
In de onderstaande tabel wordt een totaaloverzicht gegeven van het eigen vermogen (EV) en het mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen (MBEV) van de samenwerkingsverbanden in de afgelopen jaren.12 Via de website samenwerkingsverbandenopdekaart.nl is per samenwerkingsverband zichtbaar wat het (mogelijk bovenmatig) eigen vermogen is. Hier staan gegevens over de afgelopen jaren en een prognose voor de komende jaren. Overigens zijn de eigen vermogens van de samenwerkingsverbanden inmiddels aan het dalen als gevolg van afspraken die ik hierover met de sector heb gemaakt.
2016
152
€ 206
131
86%
€ 165
2017
152
€ 238
129
85%
€ 163
2018
152
€ 260
133
88%
€ 179
2019
152
€ 259
137
90%
€ 184
2020
151
€ 236
129
85%
€ 160
Welke verschillen zijn er tussen samenwerkingsverbanden die te maken hadden met positieve verevening en de samenwerkingsverbanden met negatieve verevening qua financiële staat en het aantal thuiszitters en vrijstellingen van onderwijs vanaf het begin van de verevening tot nu? Wat valt u daarin op?
Als alleen naar het (mogelijk bovenmatig) eigen vermogen van samenwerkingsverbanden wordt gekeken zijn er geen grote verschillen te zien tussen samenwerkingsverbanden met een positieve of negatieve verevening. In 2020 had 85% van de samenwerkingsverbanden een (mogelijk) bovenmatig eigen vermogen. Van de 15% zonder bovenmatig eigen vermogen was er voor ongeveer de helft van de samenwerkingsverbanden sprake van een positieve verevening en de andere helft dus negatieve verevening. Wel is te zien dat samenwerkingsverbanden met een negatieve of kleine vereveningsopgave relatief meer vermogen hebben dan samenwerkingsverbanden met een grote positieve verevening. In een onderzoek van Oberon werd onder andere geconcludeerd dat samenwerkingsverbanden met een grote negatieve verevening voorzichtiger zijn bij het opstellen van hun begroting.
Er is geen verband te leggen tussen de verevening en het aantal thuiszitters en vrijstellingen per samenwerkingsverband. De cijfers uit de leerplichttelling worden aangeleverd door gemeenten. Deze cijfers kunnen niet op samenwerkingsverband gegenereerd worden. Leerlingen staan namelijk niet altijd ingeschreven bij een school die binnen het samenwerkingsverband valt wat gekoppeld is aan de gemeente/woonplaats van de leerling.
Hoeveel geld zou het extra kosten om de samenwerkingsverbanden die geld tekortkomen om alle kinderen de juiste ondersteuning en zorg te bieden voldoende te financieren? Welke samenwerkingsverbanden zouden hiervoor volgens u in aanmerking moeten komen als dit geregeld wordt?
Ik heb geen signalen gekregen dat kinderen geen of onjuiste ondersteuning ontvangen omdat het samenwerkingsverband geld tekort zou komen. De bekostiging voor samenwerkingsverbanden is zo ingericht dat als het geld dat verplicht naar de scholen gaat voor ondersteuning meer bedraagt dan het beschikbare budget, het verschil betaald wordt door de schoolbesturen van het samenwerkingsverband.
Is wat u betreft de verevening geslaagd gezien de staat van passend onderwijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de invoering van passend onderwijs is onderzocht of er inhoudelijke redenen zijn dat de ene regio meer ondersteuningsbudget zou ontvangen dan de andere.13 Dit bleek niet zo te zijn; daarom is besloten om het totaalbedrag voor extra ondersteuning, evenredig te verdelen over alle samenwerkingsverbanden op basis van leerlingaantal. Zo is de verdeling van het geld objectief en transparant, lokt het geen strategisch gedrag uit, wordt voorkomen dat slecht presterende samenwerkingsverbanden worden beloond en zijn de uitgaven beheersbaar.
De samenwerkingsverbanden hebben vijf jaar gekregen (tot en met schooljaar 2019–2020) om hier naartoe te groeien. In 2020 had 85% van de samenwerkingsverbanden een (mogelijk) bovenmatig eigen vermogen. Die zijn ze nu, zoals afgesproken, aan het afbouwen. Van de resterende 15% heeft ongeveer de helft een positieve en de helft negatieve verevening. Daarmee kunnen we zeggen dat het overgrote deel van de samenwerkingsverbanden in staat is om de kosten voor het dekkende netwerk in hun regio te dragen. Voor een klein deel van de samenwerkingsverbanden kan het, mede door de verevening, een uitdaging zijn om met het budget uit te komen. In deze regio’s betalen schoolbesturen ook mee als de afdracht van ondersteuningsbekostiging voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan het budget wat het samenwerkingsverband krijgt.
Bent u bereid om de komende regeerperiode ook te kijken naar oplossingen buiten het bestaande systeem en meer te kijken naar wat kinderen daadwerkelijk nodig hebben? Kunt uw antwoord toelichten?
Daartoe ben ik zeer gemotiveerd. Voor mij staat namelijk het belang van het kind centraal, en niet het systeem. Zoals ik in het passend onderwijsdebat van 30 maart heb aangekondigd, pas ik wet- en regelgeving aan op die onderdelen waar dat nodig is. Ik kom al deze zomer met een bundeling van wetsvoorstellen over de aanpak van verzuim en een betere positie voor ouders en leerlingen. Daarnaast krijgen 80 onderwijszorgarrangementen vanaf januari 2023 meer ruimte in de wet- en regelgeving om onderwijs en zorg te kunnen bieden aan de kinderen met een complexe ondersteuningsbehoefte en ga ik ook uiterlijk begin 2024 aan de slag om dit wettelijk te borgen. Daarnaast wil ik met de route naar inclusiever onderwijs niet alleen kijken naar het huidige systeem, maar juist komen tot een ander systeem waar de behoefte van de leerling meer centraal staat. Hierover informeer ik u na de zomer.
Het bericht van NOS van 6 april jl. waaruit blijk dat geen enkele universiteit de registratie van bijbanen van hoogleraren op orde heeft |
|
Jasper van Dijk , Peter Kwint |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van 6 april jl. waaruit blijk dat geen enkele universiteit de registratie van bijbanen van hoogleraren op orde heeft?1
De reportage van Nieuwsuur, waarover NOS bericht, bevat een verontrustend signaal voor onze universiteiten. Gebleken is dat nevenwerkzaamheden niet of niet volledig zijn geregistreerd. Het is voor het vertrouwen van de maatschappij in de wetenschap van groot belang dat transparant is welke nevenwerkzaamheden hoogleraren aan universiteiten hebben. De reportage is een wake up call voor alle betrokkenen: voor bestuurders, voor decanen en hoogleraren.
Hoe verklaart u dat instellingen dit niet goed hebben geregistreerd of zelfs helemaal geen register hebben? Wat gaat u hieraan doen?
Mogelijk spelen meerdere factoren een rol. Hoogleraren hebben de verantwoordelijkheid om nevenwerkzaamheden te melden bij de universiteit als werkgever. Universiteiten hebben de verantwoordelijkheid om nevenwerkzaamheden te registreren. Hoogleraren moeten de nevenwerkzaamheden melden op een openbaar toegankelijke webpagina. Dit is zo afgesproken in de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden, een onderdeel van de cao Nederlandse Universiteiten. Ik ben met de Universiteiten van Nederland (UNL) in gesprek over wat de universiteiten gaan doen om de registratie te verbeteren.
UNL is het met mij eens dat de registratie volledig op orde moet zijn en wil dit oplossen. De universiteiten onderschrijven dit ook. UNL is in elk geval van plan de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden dit jaar te evalueren.
Erkent u dat de registratie van bijbanen al jaren een probleem is, terwijl dit essentieel is voor transparantie over de petten die een hoogleraar opheeft?
Samenwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties is belangrijk om onderzoek goed aan te laten sluiten bij maatschappelijke uitdagingen en innovatie te stimuleren. Die samenwerking moet wel in transparantie, bijvoorbeeld over de nevenwerkzaamheden van hoogleraren, plaatsvinden. Dit is van groot belang voor het vertrouwen in de wetenschap. In 2008 heeft de toenmalige Minister van OCW afspraken gemaakt met de universiteiten over de wijze waarop zij inzicht verschaffen in de nevenwerkzaamheden van hoogleraren. Er zijn sindsdien goede stappen gezet maar ik concludeer ook dat de registratie nog niet goed genoeg is.
Gaat u met instellingen in gesprek om ervoor te zorgen dat universiteiten de bijbanen van hoogleraren vanaf heden goed gaan registreren?
Ik heb hierover recent met UNL gesproken. UNL vindt deze situatie niet acceptabel en gaat dit oplossen.
Hoe gaat u het register ook in de toekomst up-to-date houden? Kunt u dit toelichten?
In uw vraag is de suggestie besloten dat er sprake is van één register en dat het ministerie dit register beheert. Dit is niet het geval. De universiteiten, hun bestuurders en werknemers, hebben de verantwoordelijkheid om nevenwerkzaamheden volledig en actueel te registreren en te publiceren. Zoals aangegeven ben in gesprek met UNL over wat de universiteiten gaan doen om de registratie te verbeteren.
Hoe verklaart u dat in antwoorden op onze eerdere vragen wordt beweerd dat 97% van de hoogleraren bijbanen heeft opgegeven, terwijl uit onderzoek van Nieuwsuur blijkt dat slechts de helft van alle hoogleraren met hun bijbanen in registers is vermeld?
Ik heb hierover navraag gedaan bij UNL. Het klopt dat er een verschil tussen beide percentages is. Deze verschillen van elkaar omdat er een andere vraag aan ten grondslag ligt. Nieuwsuur constateerde dat ca. 40% van de hoogleraren geen nevenfuncties heeft vermeld – een deel daarvan heeft feitelijk ook geen nevenfuncties, dus daarvan is de registratie kloppend. Het percentage uit het eerdere antwoord is ontleend aan de website van UNL en betreft alleen het aantal gewone hoogleraren dat een opgave van nevenwerkzaamheden heeft gedaan. Voor de bijzondere hoogleraren geldt een lager percentage. Bij het onderzoek van Nieuwsuur is gekeken naar de volledigheid en juistheid van de opgave van alle hoogleraren, met daaronder een deel dat niet meer in actieve dienst is en waarvoor de universiteit ook niet meer verantwoordelijk is. Dit neemt niet weg dat ook de opgave van gewoon hoogleraren niet volledig en actueel was.
Bent u bereid één landelijk register te maken waarin alle hoogleraren inclusief bijbanen zijn opgenomen, onder toezicht van uw ministerie, en deze publiek toegankelijk te maken, zodat het publiek weet wie het voor zich heeft alsmede de mogelijke belangen die de hoogleraar dient? Zo nee, hoe voorkomt u dat de registratie onnauwkeurig blijft?
Ik ben in gesprek met UNL over wat de universiteiten gaan doen om de registratie te verbeteren. Het idee van een centraal en openbaar register zal onderdeel van dat gesprek zijn, en hoe geborgd kan worden hoe de registratie van nevenwerkzaamheden actueel en volledig blijft. Ik zal uw Kamer dit najaar een brief sturen over de stand van zaken met betrekking tot de registratie van nevenwerkzaamheden.
Een tweede studie op het gebied van zorg of onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoeveel studenten een tweede studie volgen? Hoeveel van hen starten deze studie tijdens de eerste opleiding en hoeveel studenten halen uiteindelijk meerdere bachelor- of masterdiploma’s? Kunt u een overzicht geven van de aantallen vanaf de invoering van het instellingscollegegeld voor tweede studies?
In onderstaande tabellen staan met de gegevens van DUO het aantal studenten die een tweede studie volgen en het aantal studenten dat een tweede diploma heeft behaald. Rendementen zijn niet direct uit de tabellen af te leiden, omdat het aantal inschrijvingen gebaseerd is op inschrijvingen van eerstejaars- en hogerejaars.
2011
2.789
23.006
1.122
2012
2.644
18.916
791
2013
2.249
16.966
671
2014
2.234
16.722
579
2015
2.587
16.901
447
2016
2.890
17.044
494
2017
3.172
18.365
524
2018
3.260
18.723
578
2019
3.235
19.397
534
2020
3.352
21.373
527
2021
3.534
19.531
402
Dit betreft zowel eerstejaars als hogerejaars inschrijvingen.
2011
961
4.204
1.273
2012
845
3.295
917
2013
616
3.034
791
2014
762
2.894
701
2015
993
2.719
576
2016
1.109
2.581
505
2017
1.290
2.441
411
2018
1.427
2.409
378
2019
1.559
2.262
352
2020
1.561
2.333
306
2021
1.881
2.271
333
Dit betreft zowel eerstejaars als hogerejaars inschrijvingen.
2011
5.816
3.050
2012
4.806
2.175
2013
3.705
1.828
2014
3.175
1.900
2015
3.393
1.922
2016
3.349
1.915
2017
3.645
1.965
2018
3.481
1.891
2019
3.564
1.907
2020
3.904
2.015
Hoeveel studenten volgen momenteel een tweede studie op het gebied van zorg of onderwijs? Voor hoeveel van deze studenten is dit een tweede studie zorg of onderwijs, waardoor ze het instellingstarief betalen?
Uit de gegevens van DUO blijkt dat 9.339 studenten in het studiejaar 2021–2022 een tweede bacheloropleiding volgen op het gebied van Gezondheidszorg of Onderwijs. Ook staan in dit studiejaar 1.580 studenten ingeschreven voor een tweede masteropleiding op het gebied van Gezondheidszorg of Onderwijs. Van deze groep hebben 2.171 bachelor-studenten en 490 masterstudenten het instellingscollegegeld betaald. De overige studenten zijn in aanmerking gekomen voor het wettelijk collegegeld, gezien dit hun eerste studie was in de Gezondheidszorg of Onderwijs.
Bent u, gezien de enorme personeelstekorten in zorg en onderwijs, nog steeds van mening dat het gerechtvaardigd is dat studenten die een tweede opleiding in zorg en onderwijs volgen het hogere instellingscollegegeld betalen?
Gezien de maatschappelijke arbeidskrapte in het Onderwijs en de Gezondheidszorg, geldt dat studenten die een dergelijke opleiding als tweede studie volgen, het wettelijk in plaats van instellingscollegegeld zijn verschuldigd (tenzij de eerste studie al in het Onderwijs of de Gezondheidszorg heeft plaatsgevonden). Hiermee willen wij dat er «meer handen aan het bed» en «meer voeten voor de klas» komen.
Deelt u de mening dat het hogere instellingscollegegeld mensen afremt om in een van deze sectoren te werken?
Ik beschik niet over wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat het hogere instellingscollegegeld mensen afremt om in een van deze sectoren te werken, maar acht het wel waarschijnlijk dat studenten bij de keuze voor een tweede studie meer rekening houden met de kosten dan bij een eerste studie. Het huidige beleid stelt dat iedere EER-student de mogelijkheid heeft om één bachelor- en één masteropleiding te volgen tegen het wettelijk collegegeld, maar er zijn uitzonderingen gemaakt om een tweede studie te stimuleren. Zo mogen EER-studenten bijvoorbeeld een tweede opleiding in de sectoren Gezondheidszorg of Onderwijs volgen tegen het wettelijk collegegeld, indien zij daarin niet eerder een graad hebben behaald (UWHW 2008). Sinds 1 september 2014 is het ook in de wet (UWHW 2008) verankerd dat studenten een tweede opleiding tegen wettelijk collegegeld mogen afronden, als zij die gestart zijn tijdens een eerste opleiding en ononderbroken hebben gevolgd. Dankzij het Levenlanglerenkrediet (ingevoerd op 1 september 2017), kunnen mensen die geen recht hebben op reguliere studiefinanciering (tot een maximumleeftijd vastgesteld in de Wet studiefinanciering 2000), tot vijf keer het wettelijk collegegeld jaarlijks lenen. De huidige maatregelen vormen reeds een stimulans om een tweede studie in de gezondheidszorg en onderwijs te beginnen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een student, om een bevoegdheid te halen voor een specifiek vak waarin een oplopende onvervulde vraag is naar docenten (zoals een talenvak), voor een vooropleiding het instellingscollegegeld betaalt? Deelt u de mening dat het in dit geval juist in de geest van de wet is om een uitzondering te maken omdat het hier gaat om een noodzakelijke opleiding om docent te worden?
Ik vind het, gezien het lerarentekort, van groot belang dat er voor zoveel mogelijk mensen een toegankelijke opleidingsroute naar het leraarschap is. Het is inderdaad niet mogelijk om via de universiteit een lerarenopleiding te doen zonder eerst een bacheloropleiding in een vak te hebben afgerond. Deze bacheloropleidingen zijn brede opleidingen die niet alleen opleiden tot het leraarschap. Het is bij de inschrijving voor de bachelor onzeker of iemand na afronding van de bachelor een lerarenopleiding gaat doen. Dit maakt een specifieke compensatie voor het instellingscollegegeld voor de bacheloropleiding complex. Daarnaast is er voor deze mensen een andere route. Zij kunnen dezelfde bevoegdheid ook halen via een hogeschool waar de vakinhoud onderdeel is van de lerarenopleiding. Voor een eerste lerarenopleiding – na het reeds behaald hebben van een graad – zijn diverse financiële tegemoetkomingen.
Bent u bereid om in het licht van de oplopende tekorten in onderwijs en zorgpersoneel opnieuw naar de regelgeving te kijken en deze aan te passen of uitzonderingen toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het bericht 'Acta biedt medewerkers 1000 euro bonus voor het aandragen van een tandartsdocent' |
|
Hatte van der Woude (VVD), Joba van den Berg-Jansen (CDA), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kuipers |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «»Acta biedt medewerkers 1.000 euro bonus voor het aandragen van een tandartsdocent»»?1
Ja. Zoals in het artikel is aangegeven is de bonus een instrument dat Acta heeft ontwikkeld om medewerkers te stimuleren in hun netwerk tandartsdocenten te werven. Acta maakt daarnaast ook gebruik van externe wervingsbureaus.
Klopt het dat het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) door een docententekort noodgedwongen masteronderwijs moet afschalen? Zo ja, in hoeverre wordt de uitstroom van nieuwe gediplomeerde tandartsen hierdoor beperkt?
Ja dat klopt. Acta heeft mij geïnformeerd dat het tandartsdocententekort een belangrijke reden is voor het afschalen van het klinisch master 1 en master 2 onderwijs in februari en maart 2022. Het gemiste onderwijs zal komend jaar worden ingehaald. Het reguliere uitstroommoment van gediplomeerde tandartsen uit het master 3 programma wordt hierdoor naar verwachting van Acta niet beperkt.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de gevolgen van het tandartsentekort nu ook gevoeld worden in de tandheelkundeopleidingen?
Een tandartsdocententekort is inderdaad ongewenst. Bij Acta was er sprake van een te hoge werkdruk. In februari 2022 is de groepsgrootte per docent verlaagd. Hiervoor waren acuut extra docenten nodig. Inmiddels kan weer volledig klinisch onderwijs worden aangeboden.
Klopt het dat het tekort aan tandartsdocenten een terugkerend probleem is? Zo ja, heeft dit recent ook geleid tot afschalen van onderwijs?
Het tekort aan tandartsdocenten heeft zich eerder voorgedaan. Acta was nu voor het eerst gedwongen om 1/2 dag klinisch onderwijs per week tijdelijk gedurende 2 maanden af te schalen. Met ingang van 4 april is het klinische onderwijs qua aantal uren weer naar de voorheen bestaande omvang teruggebracht.
Acta zet ook digitale tandheelkunde in om deze knelpunten te helpen oplossen.
Klopt het dat tandartsdocenten doorgaans een aanstelling hebben van slechts 0,1–0,2 fte en daardoor vaak niet bereid zijn om voor het docentschap te verhuizen? Binnen welke reikwijdte zijn tandheelkundeopleidingen in staat om tandheelkundedocenten aan te trekken?
Acta heeft aangegeven dat veel part-time-docenten een aanstelling hebben van 0,2 tot 0,4 fte. Hoewel bij werving vooral arbeidsmarkt-omstandigheden en arbeidsvoorwaarden een rol spelen kunnen we ons goed voorstellen dat ook de afstand tot de plek van de tandheelkundeopleiding meespeelt in de afweging van studenten om wel/niet te solliciteren op een docentenplaats. Het is dan ook aannemelijk dat een evenwichtige spreiding van tandartsopleidingen bij zal dragen aan het aantrekken en behouden van tandartsdocenten.
Wordt de capaciteitsproblematiek in de tandheelkundeopleidingen en de mogelijke gevolgen ervan voor de uitstroom van nieuwe tandartsen meegewogen in de prognoses van het capaciteitsorgaan? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, wilt u het Capaciteitsorgaan verzoeken dit mee te wegen en voor het zomerreces met een reactie te komen?
Het Capaciteitsorgaan neemt alle van belang zijnde aspecten mee in zijn prognoses. In het overleg met het Capaciteitsorgaan zal extra aandacht gevraagd worden voor dit aspect in het nieuwe advies dat in het najaar zal verschijnen.
Deelt u de mening dat een evenwichtiger spreiding van tandartsopleidingen over het land zal bijdragen aan het beschikbare aanbod van tandartsdocenten, aangezien een nieuw potentieel aan tandartsdocenten kan worden aangeboord die willen bijdragen aan onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht dat een evenwichtige spreiding van de tandartsopleidingen een bijdrage kan leveren aan het aantrekken van (potentiële) tandartsdocenten die nu – gezien de huidige geografische spreiding van tandartsenopleidingen – andere keuzes maken. Het Capaciteitsorgaan zal daarom op verzoek van de Ministeries van VWS en OCW in het komende advies (in het najaar) aandacht besteden aan de regionale spreiding.
Hoe groot was de instroom van buitenlands gediplomeerde tandartsen in het BIG-register in 2021?
Op basis van cijfers van het CIBG zijn er per 1-4-2022 in totaal 12448 geregistreerde tandartsen. Hiervan zijn 2670 tandartsen in het bezit van een buitenlands diploma. In 2021 zijn in totaal 223 tandartsen in het BIG-register geregistreerd op basis van een buitenlands diploma. Dit betreft zowel mensen met een andere nationaliteit als Nederlanders die in het buitenland hun diploma hebben gehaald.
Bent u ook van mening dat het onwenselijk is dat Nederland voor een vijfde van haar tandartsenbestand en voor bijna de helft van de instroom in 2020 afhankelijk is van het buitenland?
Het baart mij zorgen dat een groot deel van de instroom uit het buitenland komt. Ik haal hier namelijk het signaal uit dat we er in Nederland onvoldoende in slagen om de instroom van tandartsen op peil te houden vanuit de eigen tandartsenopleidingen. Dit heeft dan ook de aandacht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en mij.
Vanuit de kwaliteit van zorg bezien is het voorts belangrijk dat ook Buitenslands gediplomeerde tandartsen de vereiste kwaliteit van zorg kunnen bieden, zodat de patiëntveiligheid niet in het gedrang komt. Om deze reden is het beroep tandarts een BIG-geregistreerd gezondheidsberoep en moeten Buitenslands gediplomeerde tandartsen de BIG-toelatingsprocedure voor Buitenslands Gediplomeerden doorlopen als zij hun beroep in Nederland willen uitoefenen. In deze procedure beoordeelt de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV) of de gevolgde opleiding en ervaring gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse vereisten van het beroep in het BIG-register. Dit betreft zowel mensen afkomstig uit een ander land als Nederlanders die in het buitenland hun diploma hebben behaald. Als iemand niet voldoet aan de eisen voor toelating tot het BIG-register, wordt bekeken of deze tekortkomingen kunnen worden gecompenseerd door een aanvullende opleiding, een aanpassingsstage of een proeve van vakbekwaamheid. Alleen voor aanvragen binnen de EER en Zwitserland wiens diploma Tandheelkunde is opgenomen in de Europese Richtlijn Erkenning voor Beroepskwalificaties geldt een uitzondering, namelijk dat zij direct worden ingeschreven in het BIG-register (automatische erkenning), mits zij de Nederlandse taal voldoende vaardig zijn. De diploma’s Tandheelkunde die in Europese Richtlijn Erkenning voor Beroepskwalificaties zijn opgenomen zijn beoordeeld dat zij gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse vereisten.
Als Buitenlands gediplomeerden tandartsen voldoen aan de strenge kwaliteitseisen vind ik dat zij de mogelijkheid moeten krijgen om hun vak in Nederland uit te oefenen. Dit draagt namelijk bij aan de benodigde capaciteit in de mondzorg. Daarnaast houdt de Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd ook toezicht op de kwaliteit in de mondzorg.
Kunt u deze vragen afzonderlijk voor het commissiedebat over arbeidsmarktbeleid in de zorg van 11 mei aanstaande beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het commissiedebat arbeidsmarktbeleid is verplaatst naar 6 juli. Voor deze datum zullen de antwoorden op de Kamervragen worden toegezonden.
De rol van kinderopvang in het integraal huisvestingsplan van gemeenten |
|
Fonda Sahla (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Hoe kijkt u naar de toenemende samenwerking tussen het basisonderwijs en de kinderopvang, bijvoorbeeld in een (integraal) kindcentrum?
Een goede samenwerking tussen kinderopvang en primair onderwijs is waardevol en van belang voor het realiseren van een doorlopende leer- en ontwikkellijn van kinderen. Dit draagt er aan bij dat kinderen op een passende manier worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. En zo kunnen ouders gemakkelijker en met een gerust hart arbeid en de zorg voor hun kinderen combineren. Deze samenwerking kan op verschillende manieren vormgegeven worden. In het veld wordt dit bijvoorbeeld zichtbaar in de vorm van integrale kindcentra (IKC’s) en door combinatiebanen van pedagogisch medewerker en onderwijsassistent. Dit zijn mooie initiatieven om de samenwerking te intensiveren en verbeteren.
Ziet u de voordelen van deze «alles onder één dak»-oplossing voor de ontwikkeling van kinderen? Zo ja, hoe zorgt u vanuit uw ministerie voor een goede samenwerking met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor het mogelijk maken van samenwerkingen tussen basisonderwijs en kinderopvang?
Ik zie de «alles onder één dak»-oplossing als een uiting van verdergaande samenwerking tussen de twee velden, die voordelen kan hebben voor de ontwikkeling van kinderen. Hierbij is het altijd van belang om te blijven kijken naar de meerwaarde voor kinderen en voor ouders. Er wordt doorlopend gewerkt aan het verbeteren van de samenhang en samenwerking tussen de kinderopvang en het primair onderwijs. Door de twee verschillende stelsels met andere financiering, cao’s, wet- en regelgeving, toezicht en culturen, kan het samenwerken onder één dak als een uitdaging worden ervaren. In 2017 is het advies van de Taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang aangeboden aan de Kamer. Veel van de aanbevelingen daaruit zijn inmiddels behandeld in samenwerking met het Ministerie van OCW, bijvoorbeeld in de vorm van een handreiking over btw-problematiek bij uitwisseling van personeel.
De Ministeries OCW en SZW werken momenteel met een aantal andere partijen1 aan een handreiking met goede praktijkvoorbeelden die scholen, kinderopvangorganisaties en gemeenten inzicht geeft in mogelijke oplossingsrichtingen voor knelpunten die binnen de huidige wet- en regelgeving ervaren worden bij de realisatie van gezamenlijke huisvesting. Ondanks de verschillen tussen onderwijs en kinderopvang is er al veel mogelijk in de samenwerking onder één dak.
Herkent u dat kinderopvanginstellingen in toenemende mate samenwerken met basisscholen, bijvoorbeeld door het delen van één gebouw, zoals wordt gesteld in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Onderwijshuisvesting funderend onderwijs?1 Zo ja, hoe gaat u het delen van een gebouw door kinderopvang en het basisonderwijs vereenvoudigen, door bijvoorbeeld de regels en controle op luchtkwaliteit gelijk te trekken?
Ja, dat herken ik. Zoals beschreven bij het antwoord op vraag twee wordt momenteel gewerkt aan een handreiking met goede praktijkvoorbeelden die scholen, kinderopvangorganisaties en gemeenten inzicht geeft in mogelijke oplossingsrichtingen voor knelpunten die binnen de huidige wet- en regelgeving ervaren worden bij de realisatie van gezamenlijke huisvesting.
Ten aanzien van uw vraag over de regels en controle op luchtkwaliteit kan ik het volgende toelichten. In de praktijk zijn de ventilatienormen voor kinderopvang en onderwijs gelijk. Voor bestaande schoolgebouwen (met vergunningsverlening tot 2012) geldt wel een lagere capaciteit voor luchtverversing dan voor gebouwen met vergunningverlening vanaf april 2012, maar de waarden die gelden voor onderwijs en kinderopvang zijn hetzelfde. Gezien jonge kinderen (baby’s, peuters) in de kinderopvang minder zelfredzaam zijn, is in het Bouwbesluit voor de kinderopvang een aanvullende bepaling opgenomen, uitgedrukt in CO2-grenswaarden die gerelateerd zijn aan de bovenvermelde luchtverversingscapaciteit. Dat maakt handhaving eenvoudiger. Ook voor scholen kan een dergelijke omrekening van luchtverversingscapaciteit naar CO2-grenswaarden worden gemaakt, maar die is niet aanvullend opgenomen in regelgeving.
In hoeverre sluit de wet- en regelgeving voor de gebouwen van de kinderopvang en het basisonderwijs op elkaar aan en wat kunt u doen om dit beter op elkaar aan te laten sluiten?
Gemeenten zijn wettelijk verplicht om te voorzien in de huisvesting van door het Rijk bekostigde scholen in hun gemeenten. Dat geldt niet voor organisaties die kinderopvang aanbieden. De school wordt daardoor gehuisvest op basis van een wettelijk recht. De organisatie voor kinderopvang daarentegen dient zelf in huisvesting te voorzien, bijvoorbeeld door het aangaan van een huurovereenkomst. Als wordt gekozen om de school en de kinderopvang in hetzelfde gebouw onder te brengen, bestaat er daardoor een juridisch onderscheid in huisvesting. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 wordt momenteel gewerkt aan een handreiking met goede praktijkvoorbeelden rondom het organiseren en financieren van gezamenlijke huisvesting binnen de huidige wet- en regelgeving.
Klopt het dat gemeenten in een integraal huisvestingsplan wel vooruitkijken naar de huisvesting van het basisonderwijs, maar niet naar huisvesting van de kinderopvang, waardoor kansen om samen te werken kunnen worden bemoeilijkt? Zo ja, wat kunt u doen om de huisvesting voor kinderopvang een rol te geven in het integraal huisvestingsplan, zeker gezien het voornemen in het coalitieakkoord om de relatie tussen opvang en onderwijs te versterken en kinderen een rijke schooldag te bieden?
Integrale huisvestingsplannen (IHP) van gemeenten hebben momenteel een eenjarige doelstelling. In de praktijk zijn er steeds meer gemeenten en schoolbesturen die een IHP voor meerdere jaren samenstellen. De ontwikkeling van gezamenlijke huisvesting is steeds vaker onderdeel van de IHP’s binnen gemeenten. Naast gemeenten en onderwijsorganisaties is het logisch om daar de lokale kinderopvangorganisaties bij te betrekken.
De gemeenten hebben een wettelijke plicht om te voorzien in huisvesting van de door het Rijk bekostigde scholen in hun gemeente. De gemeentelijke voorziening in huisvesting van de school maakt deel uit van de bekostiging van een school. De school betaalt geen huur, maar krijgt in principe het eigendom van het gebouw overdragen om niet, voor de duur dat de school onderwijs verzorgt in het gebouw. Die wettelijke plicht geldt niet voor de kinderopvang.
Veel gemeenten houden bij het voorzien in de huisvesting van scholen rekening met het onderbrengen van andere voorzieningen, zoals kinderopvang. Voor de delen van het schoolgebouw waar de andere voorzieningen zijn ondergebracht, zoekt de gemeente meestal dekking van de financieringskosten. Dit kan bijvoorbeeld door huur te vragen. De gemeente kan kinderopvangorganisaties betrekken bij de planning van nieuwbouw en renovatie van de schoolgebouwen. Op de website van Ruimte-OK staat een handreiking die hierbij kan helpen.3
Mijn ministerie is doorlopend in gesprek met de partijen van de handreiking over huisvesting, onder andere de gemeenten.4 Hierbij wordt ook gekeken naar de rol van kinderopvang in integrale huisvestingsplannen van gemeenten en hoe hun positie versterkt kan worden.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat kinderopvang van 21 april beantwoorden?
Ja.
Het lesmateriaal en de leerlijn van COC over genderdiversiteit en het voornemen tot doorontwikkeling |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het lesmateriaal en de leerlijn van COC over genderdiversiteit en het voornemen tot doorontwikkeling?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat het COC aan leerlingen in groep 3 en 4 onder andere meegeeft dat het helemaal niet raar is dat kinderen zich de ene dag een jongetje kunnen voelen en de andere dag een meisje?2 Vindt u, gelet op de huidige professionele en wetenschappelijke kennis van de (ontwikkelings)psychologie, dat scholen zich voldoende rekenschap geven van de intense identiteitsvragen waar leerlingen mee kunnen worstelen als ze vooral meegeven dat het prima is dat ze een fluïde genderidentiteit hebben? Ziet u dit ook als indicatie dat scholen onvoldoende oog hebben voor de sociale en psychische veiligheid van deze specifieke groep leerlingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere leerling zichzelf mag zijn en dat niemand gepest wordt om wie die is, daarbij hoort ook dat leerlingen respectvol leren omgaan met seksuele- en genderdiversiteit. Juist door hier aandacht aan te besteden en de acceptatie daarvan te bevorderen op een manier die rekening houdt met de leef- en ervaringswereld van de leerlingen, passend bij de leeftijd van de leerlingen, draagt een school bij aan de sociale veiligheid van alle leerlingen.
In de brief «Vrij en veilig onderwijs» die op 4 maart jl. naar uw Kamer is gestuurd is aangegeven dat het kabinet voor wat betreft de veiligheid van leerlingen in zal zetten op drie punten, waaronder het verhogen van de lat ten aanzien van sociale veiligheid zodat alle leerlingen en leraren zich vrij en veilig voelen. Daarbij is ook aangegeven dat bij de uitwerking en het nastreven van die ambities er specifiek aandacht zal zijn voor o.a. lhbti-jongeren en meisjes.3
Scholen zijn daartoe ook verplicht volgens o.a. kerndoel 38 voor het primair onderwijs (po), Burgerschapswet en Wet Sociale Veiligheid. Kerndoelen beschrijven wat leerlingen aan het eind van de basisschool moeten kennen en kunnen. Zo staat in dit specifieke kerndoel opgenomen dat leerlingen leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit. De pas herziene burgerschapswet geeft scholen meer richting en is minder vrijblijvend. In de wet is vastgelegd dat scholen leerlingen kennis en respect moeten bijbrengen voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en ieders grondrechten en dat scholen op een doelgerichte en samenhangende wijze werken aan burgerschapsvorming. De wet sociale veiligheid verplicht scholen zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat. Dit houdt onder meer in dat scholen verplicht zijn sociaal veiligheidsbeleid te voeren, iemand op school aan te stellen die het beleid ten aanzien van pesten coördineert en een aanspreekpunt is in het kader van pesten en tot slot de ervaren sociale veiligheid van leerlingen te monitoren.
Het oordeel over in hoeverre het materiaal dat het COC ontwikkeld heeft, bijdraagt aan het creëren van een veilig schoolklimaat of juist niet, is niet aan de rijksoverheid, maar aan de onderwijsprofessionals zelf. Scholen hebben daarbij steeds de vrijheid om een eigen invulling aan deze verplichtingen te geven. Het staat scholen dus vrij het materiaal van het COC te gebruiken, maar ook om hier een eigen invulling aan te geven en ander materiaal te gebruiken. Daarbij geldt wel dat scholen zich aan de wet dienen te houden.
De inspectie houdt scherp toezicht op de invulling van burgerschap en doet dit bij alle scholen.
Onderkent u dat de situaties van genderincongruentie – of dysforie en een non-binaire of fluïde genderidentiteit slechts in een zeer beperkt aantallen gevallen voorkomen? Vindt u het tegen die achtergrond acceptabel als in lesmateriaal en in lessen richting jonge kinderen de suggestie wordt gewekt dat een non-binaire genderidentiteit een gangbare, reguliere praktijk zou zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat deze aanpak van het COC de psychische integriteit van kinderen voldoende eerbiedigt, zeker in deze ontwikkelingsfase? Ziet u het risico dat hiermee identiteitsverwarring kan worden gezaaid? Deelt u de mening dat teksten als deze zonder nadere duiding op gespannen voet staan met de zorgplicht voor sociale en psychische veiligheid op school?
Zie antwoord vraag 2.
Wat betekent de afspraak in het regeerakkoord dat geen ruimte mag bestaan voor materiaal dat in strijd is met de waarden van de rechtsstaat, waarvan menselijke waardigheid het overkoepelende uitgangspunt vormt, in situaties als deze? Gaat u de onderwijsinspectie vragen het materiaal van COC te onderzoeken en extra aandacht te besteden aan scholen die dit materiaal gebruiken?
We hebben nu geen aanleiding om aan te nemen dat materiaal van het COC leidt tot antidemocratisch of antirechtsstatelijk onderwijs. Het is aan scholen zelf hoe ze invulling geven aan kerndoel 38 van het curriculum po. Scholen bepalen dan ook zelf of ze gebruikmaken van het materiaal dat het COC ontwikkelt. Ouders en leerlingen kunnen kwesties via de vertegenwoordiging in de medezeggenschapsraad bij het schoolbestuur aankaarten. Indien daar aanleiding toe is, kan er een klacht worden ingediend via de daarvoor geldende klachtenregeling. Hoewel het aan scholen en leerkrachten zelf is om het onderwijs in te richten en een eigen afweging te maken ten aanzien van de inzet van leermiddelen, leidt die vrijheid voor scholen ook tot verantwoordelijkheid: scholen zijn aanspreekbaar op gemaakte keuzes ten aanzien van de inzet van leermiddelen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat er een verbod komt op het gebruik van leermiddelen die antidemocratische of antirechtstatelijke elementen in zich dragen. We werken momenteel uit hoe een dergelijk verbod er in de praktijk uit kan zien.
Deelt u het uitgangspunt dat de overheid geen financiële invloed mag hebben op de markt van leermiddelen en dat staatssteun vermeden moet worden? Hoe controleert u dat het COC geen subsidie gebruikt voor het ontwikkelen van lesmethoden?
De overheid heeft geen financiële invloed op de leermiddelenmarkt, het is aan scholen om een heldere vraag te formuleren, op basis waarvan aanbieders een kwalitatief goed, pluriform en betaalbaar aanbod kunnen ontwikkelen. Interventies van de overheid in de leermiddelenmarkt zijn denkbaar om zwaarwegende redenen van publiek belang, bijvoorbeeld als de continuïteit van het onderwijs in het geding is.
Omdat staatssteun vermeden moet worden, wordt elke subsidieverlening getoetst op staatssteun voordat de subsidie wordt verleend.
In dit geval gaat de subsidieverlening niet om steun voor een voorgeschreven lesmethode of leermiddel, maar om een project om Paarse Vrijdag ook voor po scholen bekend te maken. Een onderdeel betreft materialen die scholen – voor zover zij dat willen – kunnen inzetten op Paarse Vrijdag. Het is uiteindelijk aan scholen zelf om te bepalen of en hoe en of zij aan Paarse Vrijdag willen meenemen.