De negatieve effecten van de langstudeerdersboete op deeltijdopleidingen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Einde van de deelstudies in zicht»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over de in dit bericht (en de bijbehorende televisie-uitzending) gerapporteerde effecten van nieuwe regels, zoals de langstudeerdersboete, op deeltijdopleidingen?
Ik ben van mening dat het voorbarig is nu al van gerapporteerde effecten van de langstudeerdersmaatregel op deeltijdopleidingen te spreken. Ik ga deze maatregel monitoren, inclusief het effect hiervan op deeltijdopleidingen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat deeltijdopleidingen per definitie langer duren dan voltijdopleidingen, maar desondanks een grote waarde vertegenwoordigen voor onze kenniseconomie? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat deeltijdopleidingen van grote waarde zijn. Maar, ik stel tegelijkertijd vast dat deeltijdopleidingen niet per definitie langer duren dan voltijdopleidingen. Deeltijd betekent niet per definitie halftijd. Uit cijfers van het CBS blijkt dat de verblijfsduur van voltijd- en deeltijdstudenten in het hoger beroepsonderwijs niet sterk uiteenloopt. In het wetenschappelijk onderwijs doen deeltijdstudenten over het algemeen wel langer over hun opleiding. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) schrijft niet voor dat deeltijdopleidingen per definitie langer moeten duren. De WHW bevat een onderscheid tussen voltijd- en deeltijdopleidingen, maar bepaalt niet hoe de programma’s door de instellingen ingericht dienen te worden. Onderwijsinstellingen hebben verschillende keuzes gemaakt bij de vormgeving van de deeltijdopleidingen. Wat daarbij opvalt, is dat het bij deze groep opleidingen, meer dan bij voltijdse studies, aan de student wordt gelaten om in eigen tempo te studeren. Dat deeltijdstudenten in het wo er veelal langer over doen, heeft mede te maken met de keuzes van instellingen over de inrichting van de deeltijdopleidingen in het wo.
Deelt u de mening dat deeltijdopleidingen op dit moment disproportioneel geraakt worden door de systematiek van de langstudeerdersboete? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Er is bij de behandeling van de Wet langstudeerders een motie van de heer Ganzevoort (GroenLinks) aangenomen waarin de regering verzocht wordt om in overleg met de sector vóór 1 september 2012 een regeling te treffen die disproportionele gevolgen voor deeltijdstudenten voorkomt. Ik heb aangegeven dat geen enkel kabinet en geen enkele bewindspersoon zal verdedigen dat beleid en wetgeving disproportionele gevolgen met zich zouden mogen meebrengen. Dat is wat iedereen altijd tracht te voorkomen. Verder heb ik aangegeven dat ik eerst in een bredere verkenning ga bezien of de definitie van deeltijd in de WHW aangepast moet worden. De definitie is nu namelijk heel ruim geformuleerd. Als uit deze verkenning blijkt dat er sprake is van disproportionele gevolgen, zal ik daarop bij u terugkomen. En zoals vermeld in het antwoord op vraag 1, ga ik de langstudeerdersmaatregel monitoren.
Wat gaat u doen om deze weeffout in de langstudeerdersmaatregel op korte termijn te herstellen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Het vereiste van werk voor buitenlandse (Master)studenten in Nederland |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met gevallen waarin (master)studenten uit het buitenland het recht op studiefinanciering verliezen omdat zij niet aan de verplichting voldoen om minstens 32 uur per maand te werken?
Uitgangspunt is dat studenten uit Europa aanspraak moeten maken op studiefinanciering van hun eigen land. Daarom is in Nederland ook geregeld dat het onder bepaalde voorwaarden mogelijk is om Nederlandse studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland.
Naast dit uitgangspunt volgt uit Europees recht dat een migrerend werknemer die een gemeenschapsonderdaan is op grond van zijn nationaliteit niet anders mag worden behandeld dan nationale werknemers. Dat brengt met zich dat een student uit Europa die in Nederland studeert en tevens als migrerend werknemer gezien wordt aanspraak kan maken op Nederlandse studiefinanciering. In de beleidsregel inzake het controlebeleid migrerend werknemerschap is dit zodanig uitgewerkt dat de Dienst Uitvoering Onderwijs ervan uitgaat dat iedere studerende, die over de controleperiode gemiddeld 32 uur of meer per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft. Indien een migrerend werknemer in de praktijk minder dan 32 uur per maand gaat werken dan verliest hij inderdaad zijn aanspraak op studiefinanciering.
Deelt u de mening dat een stage die binnen de gevolgde opleiding valt, moet tellen als werk zoals vereist in Beleidsregel van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 20091, inzake het controlebeleid migrerend werknemerschap op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van mening dat studenten die een stage lopen die binnen de gevolgde voltijdse opleiding valt, als migrerend werknemer gezien moeten worden. Zoals ook uit de door u aangehaalde beleidsregel blijkt kan als werknemer slechts worden beschouwd degene die reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag werkzaamheden verricht en als tegenprestatie een beloning ontvangt. Aan deze voorwaarden wordt door het lopen van een stage niet automatisch voldaan.
Er is echter één uitzondering, namelijk als een stage wordt vormgegeven door een wettelijk arbeidscontract tussen de student en de werkgever, waarbij de student reële en daadwerkelijke arbeid verricht tegen een in het algemeen voor dat werk als normaal geacht loon. In dat geval kan deze verhouding worden gezien als een arbeidsverhouding en daarmee kan de student beschouwd worden als migrerend werknemer. Indien er dan ook 32 uur of meer per maand wordt gewerkt, zal de student in aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering.
Acht u het redelijk dat studenten, waarvan het kabinet de mening is toegedaan dat ze vooral zo snel mogelijk moeten afstuderen, bijbaantjes aannemen en daarmee studievertraging oplopen omdat2 Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een stage niet mee wil tellen als werk?
Het is primair het thuisland dat verantwoordelijk is voor de studiefinanciering van de eigen onderdanen. Ten aanzien van de toegang tot het onderwijs is in Nederland geregeld dat Europese studenten die naar Nederland komen onder gelijke omstandigheden als Nederlanders toegang hebben tot het onderwijs. Zij betalen namelijk het wettelijk collegegeld.
Vervolgens is het de eigen keuze van de student om door middel van het migrerend werknemerschap Nederlandse studiefinanciering te verwerven. Bovendien zijn er wel degelijk gevallen waarin studenten die stage lopen recht hebben op studiefinanciering. Dat is ook al aangegeven in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om DUO te verzoeken om stagelopende studenten vrij te stellen van de werkplicht voor 32 uur per maand alsmede zo spoedig mogelijk de informatievoorziening hieromtrent duidelijk en toegankelijk te maken voor studenten? Zo nee, waarom niet?
Neen, zoals ook al uit de antwoorden op de hierboven gestelde vragen blijkt ga ik uit van het uitgangspunt dat buitenlandse studenten aanspraak maken op studiefinanciering in het land van herkomst. In die gevallen waarin buitenlandse studenten via de Europese regels van vrij verkeer van werknemers toch aanspraak willen maken op Nederlandse studiefinanciering acht ik de wijze waarop DUO bepaalt of sprake is van een migrerend werknemer coulant en redelijk. 32 uur per maand komt neer op gemiddeld slechts 1 dag in de week. Bovendien is de in vraag 2 genoemde beleidsregel reeds vele malen beoordeeld door onafhankelijke rechters en altijd gezien als redelijk.
De toename van de groepsgrootte in het basisonderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de PO-raad van 15 augustus jl. over de toename van de groepsgrootte in het basisonderwijs?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Is het waar dat de groepsgrootte in het primair onderwijs dit schooljaar met gemiddeld 12 procent zal toenemen als direct gevolg van de bezuinigingen die het afgelopen jaar zijn doorgevoerd? Zo nee, met hoeveel procent zal de groepsgrootte dan toenemen?
Besturen kiezen zelf hoe zij de middelen die ze ter beschikking hebben inzetten voor het onderwijs. Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte. Sinds 2002 wordt de bekostiging van basisscholen gebaseerd op 20 leerlingen per fte voor de onderbouw en 28 leerlingen per fte voor de bovenbouw. Dit betreft een onderbouwing van de opbouw van de bekostiging. Het is aan de schoolbesturen zelf om te bepalen hoeveel en op welke manier zij personeel inzetten. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. De bezuinigingen op bestuur en management en de groeimiddelen die het vorige kabinet heeft doorgevoerd betreffen circa 2% van de bekostiging van basisscholen. De door de PO-raad gesuggereerde stijging van de groepsgrootte met gemiddeld 12% staat niet in verhouding tot deze bezuiniging. Het is mij dan ook onduidelijk waarop de PO-raad haar gegevens baseert.
Is het waar dat de vergoeding voor de materiële instandhouding ver achter blijft bij de werkelijke kosten waardoor geld dat bestemd is voor het primaire proces moet worden gebruikt voor gebouwbeheer, stookkosten en kosten van de elektriciteit? Wat vind u van deze ontwikkeling? Bent u van plan maatregelen te nemen om deze ontwikkeling te stoppen?
De materiële instandhouding kent een jaarlijks wettelijk verplichte indexering. In de Wet op het primair onderwijs is bepaald dat de materiële instandhouding iedere vijf jaar geëvalueerd wordt. De laatste evaluatie is in 2011 afgerond en aan u toegezonden op 26 april 2011 (TK 2010 – 2011, 31 293, nr. 100). Uit deze evaluatie blijkt dat schoolbesturen in de periode 2006 tot en met 2009 4% meer uitgegeven hebben dan zij bekostigd kregen. Dit betreft 0,37% van de totale bekostiging. Gezien de geringe afwijking tussen bekostiging en feitelijke uitgaven zie ik geen reden om tot bijstelling van de bekostiging over te gaan. Schoolbesturen zijn vrij in de besteding van middelen. In de toekenning van de bekostiging wordt onderscheid gemaakt tussen materiële instandhouding en personele bekostiging. Maar voor de schoolbesturen is sprake van één budget waarvoor goed onderwijs gegeven moet worden. Het komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede als scholen bestedingsvrijheid hebben. Ik wil dan ook niet ingrijpen in deze vrijheid van scholen.
Bent u het eens met de conclusie van de PO-raad dat door verschillende bezuinigingen en de hogere uitgaven van de scholen de kwaliteit van het onderwijs steeds verder onder druk komt te staan? Zo ja, hoe gaat u dit de kwaliteit in het onderwijs versterken? Zo nee, waarom niet?
Voor mij is de kwaliteit van het onderwijs leidend. De kwaliteit is voldoende en stijgende, zo constateert de Inspectie in het meest recente onderwijsverslag. Het is mijn ambitie om met kracht door te gaan met de verbetering van deze kwaliteit. Deze ambities en de daarbij behorende concrete beleidsmaatregelen staan beschreven in het Actieplan Basis voor presteren en het Actieplan Leraar 2020- Een krachtig beroep. Door in samenspraak met het onderwijsveld uitvoering te geven aan de actieplannen, werken we aan een versterking van de kwaliteit.
Wat vindt u van de zorgen van de PO-raad dat door de aankomende bezuinigingen op het Passend Onderwijs er niet voldoende geld beschikbaar is om kinderen extra zorg en begeleiding te geven, leerkrachten niet de noodzakelijke bijscholing kunnen krijgen, de taak van het leraarsvak fors wordt verzwaard en minder aantrekkelijk wordt en de kwaliteit achteruit gaat?
De invoering van het nieuwe stelsel passend onderwijs is een grote verandering, die veel vraagt van schoolbesturen, scholen, schooldirecteuren en leraren. Bij de invulling van de bezuiniging op passend onderwijs wordt het reguliere onderwijs zoveel mogelijk ontzien, omdat juist van het reguliere onderwijs veel wordt gevraagd in het nieuwe stelsel passend onderwijs. Bekend is dat niets zo belangrijk is voor de kwaliteit van het onderwijs en de prestaties van leerlingen als goede leraren voor de klas. Zoals in het Actieplan leraar 2020- een krachtig beroep staat investeert dit kabinet in zowel nieuwe als zittende leraren, juist ook ten aanzien van het omgaan met verschillen tussen leerlingen. Leraren zullen meer worden toegerust om op de juiste wijze om te gaan met leerlingen met verschillende zorgbehoeften. Dit zal ook de «gewone» leerlingen en de kwaliteit van het onderwijs ten goede komen.
Op welke termijn heeft u er zicht of de voorspelde vergroting van de klassengrootte daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en bent u bereid de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte en kan daarom ook niet de ontwikkeling van de groepsgrootte volgen. Het is een zaak van schoolbesturen, zoals altijd in overleg met de medezeggenschapsraad, hoe zij de beschikbare middelen voor de inrichting van het onderwijs inzetten. Ik richt mij vanuit mijn verantwoordelijkheid op de kwaliteit van het onderwijs.
Het bericht dat klassen in het basisonderwijs uitpuilen |
|
Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel dat klassen in het basisonderwijs komend schooljaar een stuk groter zullen zijn dan afgelopen schooljaar?1
Ik kan mij niet vinden in de conclusies van het artikel.
Onderschrijft u de constatering van de PO-raad dat de klassen groter zullen worden na de zomer? Zo nee, waarom niet?
Besturen kiezen zelf hoe zij de middelen die ze ter beschikking hebben inzetten voor het onderwijs. Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte. Sinds 2002 wordt de bekostiging van basisscholen gebaseerd op 20 leerlingen per fte voor de onderbouw en 28 leerlingen per fte voor de bovenbouw. Dit betreft een onderbouwing van de opbouw van de bekostiging. Het is aan de schoolbesturen zelf om te bepalen hoeveel en op welke manier zij personeel inzetten. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. De bezuinigingen op bestuur en management en de groeimiddelen die het vorige kabinet heeft doorgevoerd betreffen circa 2% van de bekostiging van basisscholen. De door de PO-raad gesuggereerde stijging van de groepsgrootte van gemiddeld 12% staat niet in verhouding tot deze bezuiniging. Het is mij dan ook onduidelijk waarop de PO-raad haar gegevens op baseert.
Klopt het dat het snijden in het personeelsbestand van scholen onvermijdelijk is door de rijks- en gemeentebezuinigingen van de afgelopen jaren en het gebrek aan compensatie voor bijvoorbeeld gestegen energieprijzen?2
De bezuinigingen op bestuur en management en de groeimiddelen die het vorige kabinet heeft genomen betreffen circa 2% van de bekostiging van basisscholen. De bekostiging van basisscholen is de afgelopen jaren volledig geïndexeerd. De materiële instandhouding kent een jaarlijks wettelijk verplichte indexering. In de Wet op het primair onderwijs is bepaald dat de materiële instandhouding iedere vijf jaar geëvalueerd wordt. De laatste evaluatie is in 2011 afgerond en aan u toegezonden op 26 april 2011 (TK 2010 – 2011, 31 293, nr. 100). Uit deze evaluatie blijkt dat schoolbesturen in de periode 2006 tot en met 2009 4% meer uitgegeven hebben dan zij voor materiële instandhouding bekostigd kregen. Dit betreft 0,37% van de totale bekostiging. Gezien de geringe afwijking tussen bekostiging en feitelijke uitgaven zie ik geen reden om tot bijstelling van de bekostiging over te gaan. Schoolbesturen zijn vrij in de besteding van middelen. In de toekenning van de bekostiging wordt onderscheid gemaakt tussen materiële instandhouding en personele bekostiging. Maar voor de schoolbesturen is sprake van één budget waarvoor goed onderwijs gegeven moet worden. Het komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede als scholen bestedingsvrijheid hebben. Ik wil dan ook niet ingrijpen in deze vrijheid van scholen.
Deelt u de mening van de PO-raad dat het onwenselijk is als de klassen in het basisonderwijs steeds groter worden?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk bewijs dat de groepsgrootte van invloed is op de kwaliteit van onderwijs. Het CPB heeft onderzoek gedaan naar toonaangevende wetenschappelijke studies op het gebied van klassengrootte. Een deel van de (quasi) experimentele studies, waaronder die voor Nederland, vindt geen effect van een verandering in de klassengrootte op de leerprestaties. De Inspectie van het Onderwijs heeft in 2006 onderzoek gedaan naar de effecten van maatregelen om klassen te verkleinen. Dit onderzoek wijst uit dat klassenverkleining geen effect heeft op de kwaliteit van het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt de kwaliteit van het primair onderwijs als voldoende. In het Onderwijsverslag over het schooljaar 2009–2010 concludeert de Inspectie onder andere dat het aantal zeer zwakke basisscholen daalt en dat leerlingen op de basisscholen beter presteren. Ik vertrouw op de professionaliteit van de besturen en de schoolteams om bij de inrichting van het onderwijs de juiste keuzes te maken bij de verdeling van de middelen, zodat de kwaliteit gewaarborgd blijft.
Ziet u een risico voor de kwaliteit van het onderwijs met deze steeds groter wordende klassen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte. Voor mij is de kwaliteit van het onderwijs leidend. De kwaliteit is voldoende en stijgende, zo constateert de Inspectie in het meest recente onderwijsverslag. Het is mijn ambitie om met kracht door te gaan met de verbetering van deze kwaliteit. Deze ambities en de daarbij behorende concrete beleidsmaatregelen staan beschreven in het Actieplan Basis voor presteren en het Actieplan Leraar 2020- Een krachtig beroep. Door uitvoering te geven aan de actieplannen, in samenspraak met het onderwijsveld, werken we aan een versterking van de kwaliteit.
Klopt het dat u al veel langer weet dat de klassen in het basisonderwijs aan het groeien zijn, als gevolg van bezuinigingen door het rijk? Zo ja, waarom hebt u niet eerder actie ondernomen?
Zie antwoord vraag 5.
Ziet u risico’s in de combinatie van de invoering van het zogenaamde «passend onderwijs» en de groeiende groepsgrootte? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke risico’s?
In de huidige inrichting van de zorg en extra ondersteuning in het onderwijs bestaan verschillende systemen naast elkaar. In het nieuwe stelsel passend onderwijs wordt gestreefd naar één – zo veel mogelijk- integraal systeem, waarbij de nieuwe samenwerkingsverbanden op basis van hun zorgplan verantwoordelijk worden voor de toewijzing van extra ondersteuning en begeleiding. Zij hebben daarin veel meer vrijheid dan nu het geval is ten aanzien van het inzetten van de zorgmiddelen, waardoor meer maatwerk mogelijk is. Daarbij is hetniet zo dat bij de invoering van het nieuwe stelsel passend onderwijs alle leerlingen vanuit het speciaal onderwijs ineens naar het regulier onderwijs moeten. Het speciaal onderwijs blijft gewoon bestaan.
Bent u nog steeds van mening dat de verantwoordelijkheid voor de grotere klassen enkel bij de schoolbesturen ligt?3 Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen om de klassenvergroting te stoppen?
De lumpsumbekostiging is ingevoerd zodat schoolbesturen een integrale afweging van uitgaven en doelen kunnen maken en maatwerk kunnen leveren. Een schoolbestuur doet dat in samenspraak met de directie van een school. Daarnaast speelt ook de medezeggenschapsraad een rol. In samenspraak met directeuren, leraren en medezeggenschapspartners is het schoolbestuur uiteindelijk verantwoordelijk voor de inrichting van het onderwijs en daarbij ook over de organisatie, samenstelling en omvang van de groepen. Ik ga niet ingrijpen in deze inrichtingsvrijheid van schoolbesturen.
Bent u bereid met voorstellen te komen om de klassengrootte te maximeren op 25 leerlingen? Zo ja, wanneer? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Over toepassing van zogenaamde ‘glijdende schaal’ bij de bijverdiengrens in de studiefinanciering |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juni 20111, waarin de rechter de student in het gelijk heeft gesteld door te oordelen, kort gezegd, dat het bedrag dat de student wegens bijverdiensten moet terugbetalen, wordt berekend op basis van de nieuwe regels die gelden met ingang van 1 januari 2010, ook al betreft het bijverdiensten die betrekking hebben op de jaren vóór 2010? Hoe beoordeelt u deze uitspraak?
Ja. DUO is daartegen in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechterlijke instantie in dit soort zaken. Hierbij speelt een rol dat verschillende rechtbanken DUO in het gelijk hebben gesteld in andere «bijverdien»-zaken, overigens zonder dat de overweging van de rechtbank Dordrecht daarbij expliciet aan de orde kwam. Ook is van belang dat de Centrale Raad van Beroep in 2003 in een soortgelijke zaak over het meerinkomen tot een andere uitspraak is gekomen (LJN: AN9752). En bovendien moet opgemerkt worden dat in de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel ter invoering van de «glijdende schaal» bij de bijverdiengrens expliciet is gemaakt dat de nieuwe regels van toepassing zijn vanaf het inkomensjaar 2010 en geen terugwerkende kracht hebben naar eerdere inkomensjaren. Daarmee wordt in casu bedoeld dat voor de bijverdiensten uit 2007 de regels gelden waarmee de student in 2007 rekening had moeten houden. Met het hoger beroep krijgt DUO een definitieve uitspraak over de correcte uitvoering van de wet.
Deelt u de mening dat alle studenten die in een soortgelijke situatie verkeerden en verkeren als bovengenoemde student dezelfde behandeling van uw ministerie dienen te krijgen met betrekking tot de toepassing van het met ingang van 1 januari 2010 gewijzigde artikel 3.17, lid 7 van de Wsf 20002, zoals thans door de rechter geoordeeld?
Nee. Er zijn meerdere lezingen mogelijk (zie antwoord 1). Ik wacht de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep af.
Deelt u de mening dat de thans bij vele studenten ontstane onduidelijkheid3 zo spoedig mogelijk moet worden omgezet in duidelijkheid?
Ja. Ik kan u melden dat de rechter dit ook onderkent. Voorzien is dat deze zaak al begin oktober ter zitting komt.
Waarom heeft uw ministerie zich niet aan de door de rechtbank genoemde duidelijke aanwijzing(en)4 gehouden en is zij ondanks die aanwijzing(en) gaan procederen?
Zoals hierboven is aangegeven zijn op dit terrein verschillende lezingen mogelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgdragen dat studenten die zich geconfronteerd zien met toepassing van onderhavig artikel van de Wsf juist worden behandeld door uw ministerie en niet onnodig tijd en moeite moeten steken in gerechtelijke procedures? Hoe gaat u daar voor zorgen indien uw ministerie in hoger beroep en mogelijk in cassatie gaat en uiteindelijk in het ongelijk wordt gesteld door de hoogste rechter?
Zodra de Centrale Raad van Beroep in deze zaak een uitspraak heeft gedaan, zal ik deze uitvoeren ten aanzien van alle studenten, die een dergelijke vordering opgelegd hebben gekregen. Hiertoe hoeven zij zelf geen procedure te starten.
Het rechtstreeks overmaken van kinderopvangtoeslag |
|
Helma Neppérus (VVD), Roland van Vliet (PVV), Pieter Omtzigt (CDA), Bruno Braakhuis (GL), Wouter Koolmees (D66), Carola Schouten (CU) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ouder ontpopt zich als wanbetaler»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in een aantal omstandigheden wenselijk is voor zowel de ouder als de opvang, dat de kinderopvangstoeslag rechtstreeks wordt overgemaakt aan de opvanginstelling of het gastouderbureau, ten einde financiële problemen te voorkomen?
De overheid behoort in beginsel geen rol te spelen in de financiële relaties tussen private instellingen en hun cliënten. Ik realiseer mij echter dat dit onder omstandigheden ongewenste neveneffecten kan hebben, zoals in het onder 1 genoemde artikel wordt geschetst.
Herinnert u zich nog dat u op 13 januari 2011 opgemerkt heeft: «...: in sommige gevallen kan het goed zijn dat de toeslag aan een derde moet worden uitgekeerd, maar dan zul je dat slechts aan een aantal gecertificeerde partijen moeten toestaan....Met die noties zal ik naar de vereenvoudigingsslag kijken, waarna ik er in de Kamer op terugkom.»?
Tijdens het algemeen overleg op 13 januari 2011 heb ik aangegeven de opmerking van de eerste vragensteller ten aanzien van de naam-nummercontrole zo te begrijpen dat het goed kan zijn dat de toeslag in sommige gevallen aan een derde wordt uitgekeerd, maar dat dan slechts een aantal gecertificeerde partijen moeten worden toegestaan. Vervolgens heb ik inderdaad aangegeven met die noties naar de vereenvoudigingsslag te willen kijken.
Kunt u per ommegaande aan de Kamer meedelen wat de uitkomst van deze denkexercitie is?
In de Fiscale agenda heb ik mijn plannen uiteengezet om toe te werken naar één rekeningnummer per belastingplichtige waarop toeslagen en belastingteruggaven worden gestort.2 Tijdens het algemeen overleg met uw Kamer op 15 juni jl. ben ik uitgebreid ingegaan op vragen van uw Kamer over deze maatregel.3 Ik heb daarbij aangegeven dat de pro’s en contra’s van uitzonderingen bij het wetsvoorstel goed afgewogen zullen worden. Daarbij is van belang dat met de voorgestelde maatregel niet alleen fraude en vergissingen bij het uitbetalen van toeslagen en belastingteruggaven aanzienlijk worden verminderd, maar ook dat deze maatregel tot een forse besparing op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst zal leiden. Deze besparing is becijferd op € 5,1 miljoen per jaar structureel en wordt ingezet voor de bezuinigingstaakstelling van de Belastingdienst.
Bent u bereid op korte termijn met vertegenwoordigers van kinderopvanginstellingen, gastouderbureaus en woningbouwcoöperaties om de tafel te gaan zitten om een systeem te ontwerpen waarbij burgers de toeslag kunnen laten overmaken op de (geblokkeerde) rekening van gecertificeerde partijen en de uitkomsten van dit overleg uiterlijk bij het belastingplan aan de Kamer aan te bieden, zodat het gebruikt kan worden bij de behandeling daarvan?
Zoals ik in het wetgevingsoverleg van 7 november jl. over het Belastingpakket 2012 heb aangegeven, zal ik bij nota van wijziging voor kindercentra een uitzondering op het verplicht gebruik van één rekeningnummer opnemen. Deze uitzondering zou het dan mogelijk maken om de kinderopvangtoeslag direct aan het kindercentrum over te maken. Aan het creëren van deze uitzonderingspositie verbind ik strikte voorwaarden voor het kindercentrum waaronder een hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugvorderingen die samenhangen met de ontvangen toeslagen en het voeren van een sluitende administratie waaruit in elk geval de ontvangen kinderopvangtoeslag per aanvrager/belanghebbende blijkt. Daarnaast wil ik met de sector afspraken maken over het betalen van de uitvoeringskosten die hiermee samenhangen. De overheid neemt hier immers een (deel van het) debiteurenrisico van de kinderopvangsector op zich. De komende periode start onder verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg met de kinderopvangsector om na te gaan of de uitzondering inclusief de daarbij horende plichten voor de kindercentra een toereikende oplossing biedt voor de wanbetalersproblematiek. Met het oog op het beperken van de aan de uitzondering verbonden additionele uitvoeringskosten, wil ik een zorgvuldige inschatting van het toekomstig gebruik maken. Ook daarover wil ik met de sector van gedachten wisselen. Zoals ik in het wetgevingsoverleg van 7 november jl. heb aangegeven, zal ik de Kamer informeren over de uitkomst van dit overleg.
De gesloten jeugdzorg voorziening Transferium |
|
Nine Kooiman , Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Nog geen geld Transferium»?1
De situatie rond het Transferium Heerhugowaard is reeds eerder door de gemeente Heerhugowaard bij ons onder de aandacht gebracht. Het artikel voegt daar niets aan toe. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. In het artikel wordt onterecht de indruk gewekt dat gemeenten daartoe vanuit het Rijk een geoormerkte vergoeding ontvangen om onderwijshuisvesting te bekostigen. Dat is echter niet het geval. Voor onderwijshuisvesting is het aantal leerlingen speciaal onderwijs op 1 oktober slechts één van de elementen die de omvang van de uitkering uit het Gemeentefonds bepaalt. De bekostiging via het Gemeentefonds levert geen geoormerkte budgetten op. Gemeenten zijn autonoom in de besteding ervan en dienen de onderwijshuisvesting uit het geheel van algemene middelen te bekostigen.
Hoeveel leerlingen zijn nu ingeschreven bij het onderwijs dat door de school De Spinaker wordt gegeven in de gesloten instelling voor jongeren met gedragsproblemen Transferium in Heerhugowaard?
Volgens opgave van het schoolbestuur aan DUO waren er op 20 augustus 2011 80 leerlingen.
Waarom is er vanuit de landelijke overheid voor het schooljaar 2010–2011 geen vergoeding gekomen voor de huisvesting van de school binnen de gesloten jeugdzorgvoorziening in Heerhugowaard, omdat op de teldatum geen leerlingen ingeschreven stonden bij de school aangezien de school op die teldatum nog niet was geopend, maar kort daarna wel veel leerlingen binnen had?
Zie het antwoord op vraag 1.
Wie is volgens u verantwoordelijk voor de huurkosten van het onderwijs binnen de gesloten jeugdzorgvoorziening Transferium in de periode van november 2010 tot oktober 2011? Wie is daarna verantwoordelijk?
De gemeente is voor de gehele periode verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting.
Bent u ervan op de hoogte dat het aantal jongeren dat les krijgt in het Transferium fluctueert en dat de school hier geen invloed op heeft, aangezien leerlingen doorgaans een korte periode geplaatst worden in gesloten jeugdzorg voorziening Trasferium aangezien er voor beperkte periode een machtiging gesloten jeugdzorg wordt toegewezen door een rechter?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de school een vaste huurprijs moet betalen ongeacht het aantal leerlingen dat is ingeschreven? Zo ja, waarom werkt u dan toch met een bekostiging op basis van een leerlingenaantal?
Ja. Echter, de verdeling van het Gemeentefonds is niet op basis van gemaakte kosten, maar is globaal. Elke school kan te maken hebben met enige onder- of overcapaciteit in het gebouw door fluctuaties in het leerlingenaantal.
Deelt u de mening dat er vanuit de landelijke overheid dubbelzinnig beleid wordt gevoerd, aangezien de gemeente Heerhugowaard (die verantwoordelijk is voor de huisvesting van de school) vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) geen geld voor huisvesting krijgt, terwijl vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wel geld beschikbaar is voor docenten en er vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wel geld is voor de behandeling van de vastzittende jongeren waar het onderwijs onderdeel van is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Nee. De ministeries van OCW en VWS (niet SZW) zijn elk verantwoordelijk voor een adequate vergoeding voor de personele en materiële uitgaven van respectievelijk de schoolbesturen en de instellingen. De gemeente is verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting en kan hiervoor putten uit de algemene uitkering van het Gemeentefonds. De systematiek van de algemene uitkering van het Gemeentefonds is per definitie ongeschikt om tegemoet te komen aan een specifiek geval in een enkele gemeente. De middelen zijn globaal verdeeld, maar vrij besteedbaar, zodat afwijkingen wegvallen of zelf door de gemeente gecompenseerd kunnen worden.
Deelt u de mening dat het niet logisch is om de financiering van de huisvesting van een school waarvan het leerlingenaantal sterk fluctueert, omdat zij voor leerlingen afhankelijk is van de duur van de machtiging gesloten jeugdzorg die de kinderrechter afgeeft en een vaste huurprijs moet betalen, te baseren op het leerlingenaantal? Zo nee, hoe voorkomt u dat de school de huur niet meer kan betalen vanwege een gering aantal leerlingen op de teldatum waardoor de financiering vanuit de Rijksoverheid stokt?
Nee. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Wat is uw reactie op de uitspraak van onderwijskoepel Ronduit dat zij op termijn de school zal sluiten wanneer de financiering voor huisvesting vanuit het ministerie van BZK achter blijft bij de werkelijke kosten? Wat gaat u doen om sluiting van de school te voorkomen?
De gemeente is verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. Het schoolbestuur zal zich daarom tot de gemeente moeten wenden.
Bent u van mening dat het mogelijk is een gesloten jeugdzorg voorziening draaiende te houden zonder onderwijsvoorziening? Zo nee, hoe voorkomt u dat de school zich uit de inrichting terugtrekt vanwege financiële problemen? Zo ja, hoe?
Nee. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid alsnog een eenmalige vergoeding te betalen, zodat de huurschuld van het afgelopen jaar van ruim 130 000 euro afgelost kan worden bij de woningcorporatie waarvan de onderwijsruimte wordt gehuurd? Zo nee, waarom niet?
Nee, de gemeente is verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting.
Bent u bereid te werken met een kostplaatsfinanciering voor de huur van onderwijsruimte voor het Transferium in Heerhugowaard zodat de onderwijskoepel Ronduit de vaste huurprijs kan blijven betalen, zodat de gesloten inrichting voor jeugdzorg Transferium kan blijven bestaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, kostplaatsfinanciering zou de prikkel op overcapaciteit van onderwijshuisvesting betekenen. Bovendien past geoormerkte financiering niet bij de uitgangspunten van het Gemeentefonds. Overigens moet ook zonder kostplaatsfinanciering de gemeente voldoende middelen beschikbaar stellen.
Bent u bereid met de drie gezamenlijk betrokken ministeries in overleg te gaan met gemeente en inrichting en alles op alles te zetten om tot een oplossing te komen?
De verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting is duidelijk belegd, namelijk bij de gemeente. Het is daarom niet zinvol om hierover in overleg te gaan.
Zijn er andere onderwijsinstellingen die tegen dezelfde problemen aanlopen omdat de onderwijsinstelling onderdeel uitmaakt van een gesloten jeugdzorgvoorziening of een Justitiële Jeugdinrichting? Zo ja, welke voorzieningen zijn dit? Bent u bereid hiervoor een structurele oplossing te vinden en de Kamer hierover te informeren?
Het is bij ons niet bekend dat andere instellingen jeugdzorgplus of justitiële jeugdinrichtingen met vergelijkbare problemen te maken hebben.
Een uitzonderingspositie voor Godsdienst Pastoraal Werk (GPW) inzake tweede-studieregeling |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Waarom heeft u ingestemd met het maken van een uitzondering voor de opleiding Godsdienst Pastoraal Werk inzake het extra betalen voor het doen van een tweede studie? Welke criteria hebben u bewogen juist hier een uitzonderingspositie te maken?1
De bekostiging van het hoger onderwijs is met ingang van 2011 gewijzigd in bekostiging van één bachelor en één master. De overgang van het ene bekostigingsstelsel naar een andere geeft altijd frictie. Voor een aantal opleidingen in het hbo is door de HBO-raad i.s.m. mijn departement onderzocht welke instellingen overgangsproblemen hadden en welk bedrag voor de overgangsperiode moest worden gereserveerd. Voor de periode 2011–2015 wordt aan een aantal instellingen in het hbo een tegemoetkoming gegeven voor de overgang van het oude bekostigingsmodel naar het nieuwe. De middelen daarvoor zijn door de sector zelf opgebracht.
Er bleef nog een beperkte restproblematiek over waarover nog geen beslissing was genomen. Dit betrof onder meer de opleiding Godsdienst-Pastoraalwerk. De HBO-raad heeft een gedegen onderzoek gedaan en aan de hand van de uitkomsten criteria ontwikkeld voor de restproblematiek. Deze criteria zijn:
Aan de hand van deze criteria komt alleen de opleiding Godsdienst-Pastoraalwerk in aanmerking voor compensatie gedurende de periode 2011–2015, waarna een evaluatie zal plaatsvinden. Naar aanleiding van het onderzoek van de HBO-raad heb ik ingestemd met een financiële compensatie voor deze opleiding. De middelen hiervoor zijn gevonden binnen het macrobudget van het hbo.
Er is dus niet besloten een tweede studie te bekostigen, maar in de periode 2011–2015 een compensatie te geven voor de overgangsproblematiek van het oude bekostigingsstelsel naar het nieuwe.
Waarom wilt u hier wel een uitzondering maken, terwijl voor andere opleidingen deze niet wordt gemaakt?
Zie het antwoord op vraag 1
Ik ben met u van mening dat een tweede studie kan bijdragen aan verdere ontwikkeling van talent.
Vanuit het oogpunt van beperkte overheidsmiddelen is echter ervoor gekozen de financiële verantwoordelijkheid van de overheid niet verder te laten strekken dan één bekostigde bachelor- en één bekostigde masteropleiding, tegen wettelijk collegegeld.
Op deze regel is één uitzondering. Voor tweede studies in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs geldt geen verhoogd collegegeld. Per 1 september 2010 is een student die voor de eerste maal een opleiding op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg volgt het wettelijk collegegeld verschuldigd. Dit geldt bij inschrijving aan een bacheloropleiding als in deze sectoren niet eerder een bachelorgraad is behaald en voor inschrijving aan een masteropleiding als in deze sectoren niet eerder een mastergraad is behaald.
Deelt u de mening dat tweede studies van groot belang zijn voor het ruimte geven aan en het ontwikkelen van talent en dat het doen van een tweede studie zo veel mogelijk gestimuleerd moet worden? Bent u bereid alle studies gelijk te behandeling wat betreft de bekostiging?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de kinderopvang onbetaalbaar wordt door kabinetsbezuinigingen |
|
Nine Kooiman |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de kinderopvang onbetaalbaar wordt door de kabinetsbezuinigingen?1
Door de bezuinigingen van dit kabinet wordt kinderopvang inderdaad duurder voor ouders. Deze bezuiniging is noodzakelijk om de kinderopvang betaalbaar te houden voor de overheid. In mijn brief van 6 juni 2011 (Kamerstuk 31 322 nr. 137) geef ik aan dat de collectieve bijdrage in de kosten van kinderopvang wordt teruggebracht van 78% in 2010 tot circa 66% in 2015. De vergoeding voor gezinnen met lage inkomens is nog steeds meer dan 90%. Ook na de bezuinigingen wordt dus nog een substantieel deel van de kosten van kinderopvang voor ouders door de overheid vergoed.
Wat is uw reactie op het rapport opgesteld in opdracht van het Netwerkbureau Kinderopvang, waaruit blijkt dat tienduizenden ouders de komende jaren hun kinderen van de kinderopvang en de buitenschoolse opvang zullen halen als gevolg van de kabinetsbezuinigingen?
Het rapport waar in het artikel in het Algemeen Dagblad van 2 augustus 2011, «Crèches lopen leeg», naar wordt verwezen, is van Buitenhek Management & Consult. Dit bureau heeft onderzoek gedaan naar het actuele bereik en de verwachte groeimogelijkheden van de kinderopvang in Nederland.
Conclusie van het onderzoek is dat het gebruik van kinderopvang van zowel 0–4 jarigen, als 4–12 jarigen in 2010 marginaal is gestegen. In vergelijking met voorgaande jaren is de groei afgevlakt. Zowel in de dagopvang als buitenschoolse opvang is er marktevenwicht aan het ontstaan. Door de bezuinigingen van het kabinet is volgens het onderzoek de kans groot dat de totale kinderopvangmarkt tot aan 2014 geconfronteerd wordt met een volumekrimp die kan variëren van 5% tot 13% eind 2014. Hierdoor zullen wachtlijsten de komende jaren verdampen en komt er meer concurrentie tussen ondernemers in de kinderopvang. Dit vergroot de keuzemogelijkheden voor ouders om een passend opvangaanbod te kiezen.
De conclusie uit het onderzoek dat de groei de afgelopen jaren is afgevlakt klopt. De ontwikkelingen per opvangsoort in 2010 zijn echter gedifferentieerd. Door de maatregelen in de gastouderopvang is het aantal kinderen in deze opvangsoort in 2010 met 28% gedaald. Het aantal kinderen in de dagopvang is gestegen met 10% en het aantal kinderen in de buitenschoolse opvang is met 14% gestegen. Uit uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst blijkt dat de stijging in deze opvangsoorten niet volledig verklaard kan worden door ouders die zijn overgestapt van gastouderopvang. Er was in 2010 derhalve zowel bij de dagopvang als bij de buitenschoolse opvang sprake van een forse autonome groei. De doorwerking van deze groei op de ontwikkeling in 2011 wordt in het onderzoek onderschat.
In het onderzoek staat dat de bezuinigingen van het kabinet zouden leiden tot een kostenstijging van 75% voor ouders. De gemiddelde ouderbijdrage tot de maximum uurprijs stijgt echter van 22% in 2010 naar 34% in 2015. Dat betekent een kostenstijging voor ouders van 55%. Voor de zomer van 2011 heb ik met uw Kamer gesproken over de maatregelen om dit te realiseren (Kamerstuk 31 322 nr. 137). Omdat de daadwerkelijke kostenstijging lager is dan in het onderzoek wordt berekend, zullen ook de gevolgen van de bezuiniging op het gebruik van kinderopvang kleiner zijn. Het effect van de bezuiniging wordt dus in het onderzoek vermoedelijk overschat.
Ik deel de conclusie van het onderzoek dat door de bezuinigingen het gebruik van kinderopvang zal afnemen. Deze afname is echter een correctie op de autonome trendmatige groei van het gebruik van kinderopvang. Daarom verwacht ik tot 2015 nog een lichte stijging van het gebruik. Het is van belang om op te merken dat de vraag naar kinderopvang niet alleen wordt bepaald door de eigen bijdrage die ouders moeten betalen. Conjuncturele ontwikkelingen, sociaal culturele opvattingen over kinderopvang en de nabijheid van opvang van voldoende kwaliteit, zijn minstens zo belangrijk voor de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang. Mede daarom is het moeilijk te ramen hoe de vraag naar kinderopvang zich precies gaat ontwikkelingen en wat de invloed van de bezuiniging binnen deze ontwikkeling is. Ook is de kinderopvangmarkt zeer lokaal. Daarom kunnen er grote regionale verschillen blijven bestaan. Dat betekent dat het mogelijk is dat de komende jaren in de ene regio kinderopvanginstellingen groepen moeten sluiten, terwijl er in andere regio’s nog wachtlijsten zullen bestaan.
Bent u bereid het rapport van Buitenhek Management & Consult naar de Kamer te sturen met een inhoudelijke reactie op dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek is openbaar (zie www.buitenhek.nl). Mijn reactie op het onderzoek vindt u bij het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ouders niet noodgedwongen hun kinderen van de kinderopvang hoeven te halen?
De kinderopvang is een markt. Dat betekent dat het de taak is van ondernemers in de kinderopvang om ouders ervan te overtuigen dat zij goede opvang voor een redelijke prijs bieden. Het is vervolgens de private afweging van ouders om al dan niet te kiezen voor het aanbod van de ondernemer. Als ouders kiezen voor informele opvang om arbeid en zorg te combineren is dat hun keuze. Met de kinderopvangtoeslag geeft de overheid een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, zodat ouders die geen gebruik kunnen maken van informele opvang, toch de mogelijkheid krijgen om arbeid en zorg voor hun kinderen te combineren, door hun kind naar de formele kinderopvang te brengen.
Hoeveel kinderopvangorganisaties krijgen nu al minder aanmeldingen? Hoeveel minder aanmeldingen zijn dit? Zo nee, bent u bereid dit anders te onderzoeken?
Het ministerie heeft uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst over de ontwikkeling van het aantal kinderen over het eerste half jaar 2011 (t/m juni).
Hierbij merk ik wel op dat deze informatie de komende maanden nog kan veranderen omdat ouders op elk moment hun gegevens bij de Belastingdienst (bijvoorbeeld de einddatum van het gebruik van kinderopvang) met terugwerkende kracht kunnen wijzigen. Onder dit voorbehoud kan op basis van voorlopige cijfers opgemerkt worden dat in de dagopvang en buitenschoolse opvang nog steeds een stijgende lijn zit in het aantal kinderen.
Binnen het totale beeld is het aantal kinderen in de gastouderopvang wel gedaald ten opzichte van 2010. Deze daling wordt naar verwachting veroorzaakt door de diverse maatregelen die in de gastouderopvang zijn genomen in 2010, zoals de registratieplicht van gastouders, het verlagen van de maximumuurprijs en de deskundigheidseisen. Daarnaast wordt een deel van de daling veroorzaakt door
stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor toeslagaanvragers die niet hebben gereageerd op de herhaalde verzoeken van de Belastingdienst om het LRK-nummer van de opvanglocatie van hun kind(-eren) door te geven. Uw Kamer is hier eerder over geïnformeerd (Kamerstuk 31 322 nr. 118).
De ontwikkeling van het aantal kinderen per opvangsoort kan niet uitgesplitst worden naar kinderopvangondernemer. Ik ben niet voornemens om dit te onderzoeken. De uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst biedt betrouwbare informatie over de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang. Extra onderzoek biedt geen toegevoegde waarde.
Is het waar dat nu vooral ouders uit de lage inkomensgroepen afhaken, omdat zij de opvang niet meer kunnen betalen? Als dit niet bekend is, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 5 geef ik aan dat er nog steeds een stijgende lijn zit in het aantal kinderen in de dagopvang en buitenschoolse opvang. In geen enkele inkomensgroep is sprake van een daling ten opzichte van 2010. Dat ligt anders in de gastouderopvang. De daling van het aantal kinderen in de gastouderopvang treedt in sterkere mate op bij lagere inkomensgroepen.
Deelt u de mening dat er goede en betaalbare kinderopvang moet zijn voor iedereen? Zo ja, hoe gaat u dan voorkomen dat voor tienduizenden ouders de kinderopvang onbetaalbaar wordt?
Het kabinet hecht aan verantwoorde en betaalbare kinderopvang voor ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren. Om kinderopvang financieel toegankelijk te maken is er de kinderopvangtoeslag. Ook na de bezuinigingen van het kabinet blijft kinderopvang betaalbaar (zie antwoord op vraag 1).
Het sluiten van een school in een dichtbevolkte wijk in Haarlem |
|
Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Hoe oordeelt u over het sluiten van het Teyler College in de Schalkwijk in Haarlem? Hoe was volgens u sluiting van het Teyler College te voorkomen? Deelt u de mening van ouders, leerlingen en gemeenteraad dat het onwenselijk is dat een wijk met 35 000 inwoners geen middelbare school meer heeft?
Over mijn oordeel over het sluiten en het eventueel voorkomen daarvan van het Teyler College in Haarlem herinner ik u aan mijn antwoorden op uw vragen over het verdwijnen van de enige school voor voortgezet onderwijs uit Zandvoort aan Zee van 14 september 2010 met kenmerk 2010Z12812. Op bedoelde vragen heb ik immers reeds geantwoord dat het al dan niet sluiten van (neven)vestigingen beslissingen zijn die door het schoolbestuur worden genomen, waarbij uit hoofde van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) de medezeggenschapsraad wordt betrokken. Het schoolbestuur is daartoe gerechtigd. Overigens is het Teyler College geen zelfstandige school, maar een nevenvestiging van het Linneaus College Haarlem. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening van het overkoepelende Dunamare bestuur dat de sluiting mede het gevolg is van de recente rijksoverheidsbezuinigingen?1 Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die mening niet.
De afgelopen jaren is er juist geïnvesteerd in het onderwijs, met name via het Actieplan Leerkracht en de Kwaliteitsagenda VO. De in het huidige regeerakkoord opgenomen bezuinigingen worden bovendien pas in 2012 of later gerealiseerd. Daartegenover staan weer nieuwe investeringen, zoals in het kader van het actieplan Leraren 2020- een krachtig beroep!
Deelt u de analyse van het overkoepelende Dunamare bestuur dat de reden voor het lage leerlingaantal is dat er een sterke beweging onder de bevolking van Schalkwijk is om leerlingen naar een school buiten Schalkwijk te laten gaan? Zo ja, hoe verklaart u die beweging terwijl het Teyler College een goede beoordeling heeft gehad van de onderwijsinspectie? Zo nee, wat is dan de reden dat een school in een wijk met 35 000 inwoners niet voldoende leerlingen kan werven om te blijven bestaan?
Gelet op mijn antwoord op vraag 1 ligt het niet op mijn weg de analyse van het schoolbestuur te beoordelen.
Is hier sprake van een zogenaamde «witte vlucht»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het verkwisting is van onderwijsgeld en slecht is voor het tegengaan van segregatie, dat de gemeente Haarlem scholen voor voortgezet onderwijs toestond om de capaciteit uit te breiden, terwijl het Teyler College de lokalen niet vol kreeg? Zo nee, waarom niet?
Taak en budget voor de huisvesting van het voortgezet onderwijs liggen bij de gemeente. Het is niet aan mij een oordeel te vellen over het beleid op het gebied van de onderwijshuisvesting van de gemeente Haarlem. Wel is het zo dat die taak en budget het aantal aanwezige leerlingen volgen.
Bent u bereid te komen met voorstellen die ertoe moeten luiden dat gemeenten afspraken moeten maken met scholen om een goede spreiding van leerlingen over een stad te bewerkstelligen? Zo nee, waarom laat u de mogelijkheid open voor herhaling van onwenselijk situaties zoals in Haarlem?
Nee. Het bestaande wettelijke instrument Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen (RPO) heeft immers als doel het onderwijsaanbod van het voortgezet onderwijs af te stemmen op de vraag van leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in de regio. Over het RPO wordt op overeenstemming gericht overleg gepleegd met de gemeente. Alle scholen in Haarlem nemen deel aan het bestaande RPO voor Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer.
Is het waar dat het Teyler College nog maar sinds 2006 open is, nu alweer moet sluiten en dat de mogelijkheid wordt open gehouden om binnen enkele jaren opnieuw een school te stichten in Schallkwijk? Zo ja, deelt u de mening openen en sluiten van scholen op deze manier onnodig veel geld kost?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 6. Zowel het schoolbestuur (voor wat betreft de exploitatie) als het gemeentebestuur ( voor wat betreft de huisvesting) zijn in de positie om de geëigende (financiële) afwegingen te maken om tot een doelmatig onderwijsaanbod te komen dat is afgestemd op de vraag van ouders en leerlingen. Eventueel gevraagde nieuwe onderwijsvoorzieningen worden getoetst aan de wettelijke criteria.
Is het waar dat Medezeggenschapsraad (MR) en de Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) niet om advies zijn gevraagd bij de sluiting van het Teyler College, maar dat hen het besluit tot sluiting enkel is medegedeeld? Zo ja, wat voor consequenties heeft een dergelijk schending van inspraak tot gevolg? Zo nee, wanneer is de sluiting besproken met MR en GMR? Zijn hier notulen van?
Nee; volgens mijn informatie is aan de MR, overeenkomstig de bepalingen van de WMS, vooraf advies gevraagd over de sluiting van het Teyler College en hebben de ouder/leerling-geleding en de personeelsgeleding met de gevolgen van de sluiting ingestemd. Ik beschik niet over verdere details van het gevoerde overleg ter plekke.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat 53 eerstejaars leerlingen na de zomer starten op het Teyler College, terwijl al duidelijk is dat zij hun schoolcarrière hier niet kunnen afronden?
In het algemeen verdient het de voorkeur dat de schoolloopbaan op één schoollocatie kan worden doorlopen. Er zijn echter tal van redenen denkbaar waarom tussentijds van locatie moet worden gewisseld. Dat is naar de mening van het schoolbestuur in dit geval kennelijk aan de orde.
Bent u bereid de groep ouders en leerkrachten die werken aan een doorstart van het Teyler College te steunen, opdat er toch een school voor voortgezet onderwijs kan zijn in de Haarlemse Schalkwijk? Zo nee, waarom niet?
Alhoewel ik uiteraard begrip heb voor het streven van de bewuste ouders en leerkrachten naar een doorstart van hun schoolvestiging in Schalkwijk, ligt het niet op mijn weg mij te mengen in plaatselijke initiatieven. Het schoolbestuur, de medezeggenschapsraad alsook wellicht de gemeente Haarlem zijn in dit verband immers de direct betrokkenen.
Problemen bij de Purmerendse Scholen Groep |
|
Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u bekend met de Purmerendse Scholen Groep, waar al jaren allerlei verschillende problemen spelen, waardoor grote onrust is bij leraren, leerlingen en ouders?1
Ja.
Waarom heeft de Onderwijsinspectie nooit zichtbaar voor de buitenwereld ingegrepen?
Personele en financiële aangelegenheden zijn primair de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. De Inspectie van het onderwijs was en is op de hoogte van de onrust. Het is echter niet aan de inspectie om – direct – te interveniëren als sprake is van een conflict tussen een of meer werknemer(s) en het bestuur van een school.
Wat wordt er op korte termijn door u ondernomen om orde op zaken te stellen en de rust te doen terugkeren?
Nu er aanleiding is te veronderstellen dat het conflict een dusdanige omvang heeft bereikt dat er risico’s voor het onderwijs ontstaan, heeft de Inspectie op 8 september 2011, een nader onderzoek ingesteld, met name om na te gaan in hoeverre de dagelijkse gang van zaken doorgang vindt en om vast te stellen wat het afgelopen cursusjaar de omvang was van de lesuitval. Dit onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er behoefte is aan een uitgebreider vervolgonderzoek. Dit zal plaatsvinden op donderdag 29 september. Dit onderzoek zal leiden tot een openbaar rapport.
Ouders die een leraar betalen van een bekostigde school |
|
Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op de artikelen «Ouders betalen leraar»1 en «Ouders gevraagd om geld voor extra leraar»2?
Voor mijn reactie verwijs ik u naar mijn antwoorden op de onderstaande vragen.
Hoe is het idee ontstaan dat ouders allen 300 euro meebetalen aan het salaris van een leerkracht? Kwam dit idee van de ouders of van de school?
Uit contact met het bevoegd gezag is gebleken dat het initiatief vanuit het team en de ouders is gekomen en dat het bevoegd gezag het voorstel heeft overgenomen.
Deelt u de mening van de directeur van basisschool De Basis in het Groningse Mussel dat de kwaliteit van het onderwijs wordt aangetast wanneer er nog maar twee groepen zouden zijn voor de hele basisschool? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat de onderwijskwaliteit wordt aangetast? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet geheel. Het kan voor leraren lastig zijn om aan een combinatiegroep (een samenvoeging van twee of meer leerjaren in één groep) les te geven, maar het is zeker mogelijk. De Inspectie van het Onderwijs wijst er in het Onderwijsverslag 2009/2010 op dat verreweg de meeste kleine scholen ten minste voldoende kwaliteit leveren. Dat geldt ook voor De Basis (zie ook mijn antwoord op vraag 4).
Wel is het zo dat kleine scholen een grotere kans hebben om zwak of zeer zwak te worden. Om die reden heb ik in het actieplan «Basis voor Presteren» aangekondigd dat er een programma komt om kleine scholen te ondersteunen bij het (blijvend) realiseren van een goede onderwijskwaliteit. De doelgroep van dit programma bestaat uit scholen met minder dan vijftig leerlingen. De Basis hoort daar ook toe.
Begrijpt u de wanhoop van de ouders die vrezen voor de kwaliteit van het onderwijs voor hun kinderen? Zo ja, hoe gaat u deze vrees wegnemen?
Ik betreur het als ouders wanhopig zijn en vrezen voor de kwaliteit van het onderwijs. Daar is volgens mij geen reden toe, gelet op de bevindingen van de inspectie. Tijdens een inspectieonderzoek dat op 24 november 2010 is uitgevoerd, heeft De Basis het vertrouwen van de Inspectie van het Onderwijs gekregen. In februari 2011 is op grond hiervan het basisarrangement toegekend. Dit betekent dat het onderwijs op De Basis van voldoende niveau is. Ik hoop dat deze positieve bevindingen de onrust bij de ouders kunnen wegnemen.
Wat is uw oordeel over het feit dat ouders de docent zelf gaan betalen, omdat deze anders wordt wegbezuinigd? Deelt u de mening dat niet de ouders, maar het schoolbestuur moet zorgen voor genoeg leerkrachten? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
De rijksbekostiging is toereikend voor het inrichten van het onderwijs op kleine scholen. Deze scholen krijgen relatief meer geld per kind, onder andere vanwege de kleine scholentoeslag.
Het schoolbestuur is verder verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod. Het moet de rijksbekostiging aanwenden voor het onderwijsproces op de school. Dit betekent ook dat men moet zorgen voor voldoende leerkrachten om het onderwijs te geven. Het is daarom niet nodig dat ouders een leraar gaan betalen. Zij kunnen daartoe evenmin verplicht worden gesteld. Het basisonderwijs is immers gratis. Het staat ouders vrij om op vrijwillige basis een ouderbijdrage te geven.
Deelt u de mening dat het onwettig en onaanvaardbaar is dat ouders leerkrachten zelf gaan betalen, aangezien het hier om het primaire onderwijsproces gaat? Wat gaat u doen om deze situatie ongedaan te maken zonder dat de leerlingen er de dupe van worden?
Een bestuur mag aan ouders een extra bijdrage vragen maar dit is te allen tijde op vrijwillige basis. Bovendien dient goedkeuring te worden gevraagd aan de medezeggenschapsraad. Essentiële besluiten met betrekking tot het schoolbeleid, waaronder de vaststelling of wijziging van de hoogte en de bestemming van de ouderbijdrage zijn namelijk onderworpen aan het instemmingsrecht van de (oudergeleding) van de medezeggenschapsraad. Het aanvaarden van extra (ouder)bijdragen voor het aanstellen van een leerkracht moet dan ook deze instemming hebben.
Indien een ouderbijdrage wordt gebruikt voor het aanstellen van een extra leerkracht die ingezet wordt voor het geven van onderwijs, kunnen kinderen van ouders die hieraan niet mee kunnen of willen betalen, hiervan niet worden uitgesloten.
Deelt u de mening dat dit soort oplossingen alleen mogelijk is voor ouders die genoeg geld hebben? Zo ja, hoe voorkomt u dat publieke scholen op deze manier deels privaat worden?
Deze mening deel ik niet. Het basisonderwijs is gratis. Het bijdragen door ouders aan de kosten van een extra leraar is niet nodig, omdat de rijksbekostiging toereikend is.
Wat zijn de voorschriften over de besteding van giften van religieuze instellingen aan scholen? Mogen scholen deze giften inzetten voor zaken die het primaire proces raken, zoals onderwijzend personeel?
Met een groot aantal onderwijspartners is in februari 2009 het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» afgesloten. Hierin staat opgenomen dat een gift wordt gezien als een donatie. Dat is een geldelijke bijdrage, niet gebaseerd op de onderwijswetgeving en de ouderbijdragen, waarvoor het bevoegd gezag geen tegenprestatie levert.
In het convenant staat opgenomen dat de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar mag komen doordat op enig moment sponsormiddelen of donaties wegvallen (art. 6). Het uitvoeren van aan de school wettelijk opgedragen kernactiviteiten, mag niet afhankelijk worden van de extra middelen.
In dit verband merk ik nogmaals op dat de overheid zorgt voor de reguliere bekostiging van de scholen waarmee men in staat is te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.
Wanneer kunnen wij uw plannen tegemoet zien om de bevolkingskrimp in goede banen te leiden? Bent u bereid schoolbesturen die te maken hebben met krimp tegemoet te treden wanneer zij vanwege die krimp in financiële moeilijkheden komen?
Op 14 september 2011 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven over de kostenontwikkeling bij schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs die te maken hebben met krimp. In mijn beleidsreactie, waarnaar ik hier volledigheidshalve verwijs, zet ik uiteen welke maatregelen ik tref op dit thema.
Een fusie van de universiteiten Leiden, Delft en Rotterdam |
|
Jasper van Dijk |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Fusie van universiteiten Leiden, Rotterdam, Delft»?1
Ik heb kennisgenomen van een krantenbericht over voornemens van de drie genoemde universiteiten. Over de inhoud van het artikel heb ik geen oordeel.
Is het waar dat de collegevoorzitters van de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft hun plannen voor een fusie bekend willen maken bij de opening van het academisch jaar? Zo nee, wat is dan wel hun voornemen?
Het is aan de betrokken instellingen om te bepalen hoe en op welk moment zij de publiciteit zoeken. De drie universiteiten hebben inmiddels inderdaad ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar aangegeven waar zij staan in hun samenwerkingsproces.
Deelt u de mening dat een fusie tussen deze drie universiteiten buitengewoon onverstandig is vanwege de schaalvergroting die het tot gevolg heeft? Hoe wordt het unieke karakter van de drie instellingen bewaard?
Naar ik heb begrepen, denkt men vooral aan samenwerking in het kader van gemeenschappelijke regelingen op basis van artikel 8.1 WHW dat het instellen van samenwerkingsinstituten mogelijk maakt. Het bewaren van het unieke karakter van de universiteiten van Delft, Rotterdam en Leiden is bij uitstek een aangelegenheid die de drie instellingen zelf aangaat. Niettemin willen de betrokken collegevoorzitters, waar het gaat om de uiteindelijke bestuurlijke en organisatorische vormgeving, alle opties openhouden, inclusief die van het – op termijn – daadwerkelijk samengaan van de drie universiteiten. Het is echter prematuur om de aangekondigde samenwerking van de universiteiten van Delft, Rotterdam en Leiden nu vanuit dat perspectief te beoordelen.
Wordt de fusie mede ingegeven door de wens van de drie universiteiten hoger te scoren op internationale ranglijsten en meer internationale studenten aan te trekken, bijvoorbeeld uit China? Zo ja, wat is hierover uw mening?
Ik heb begrepen dat men plannen heeft voor intensieve samenwerking om de krachten op het terrein van onderwijs en onderzoek te bundelen met als doel profilering en differentiatie. De plannen die de drie instellingen aan het ontwikkelen zijn, zullen naar ik verwacht in lijn zijn met de kabinetsreactie van 7 februari jl. op het rapport van de Commissie Veerman en de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap van 1 juli jl., waarin profilering van instellingen en een betere benutting van en meer focus en massa in onderzoek tot prioriteit voor deze kabinetsperiode is verklaard. Indien de samenwerking tussen Leiden, Delft en Rotterdam leidt tot een hogere plaats van deze universiteiten op internationale ranglijsten, juich ik dat van harte toe.
Hoe voorkomt u dat de nieuwe mega-universiteit een bestuur krijgt dat mijlenver verwijderd staat van personeel en collegezaal en veel minder affiniteit heeft met onderwijs en onderzoek?
Het voert te ver om op basis van een krantenbericht nu al te spreken van een mega-universiteit en een bestuur dat ver verwijderd staat van personeel en onderwijs. Zie ook mijn antwoord op de vragen 6 en 7.
Is het waar dat voor een fusie een wetswijziging nodig is, aangezien de drie universiteiten in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek afzonderlijk worden benoemd? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen een dergelijke wetswijziging?
Voor een bestuurlijke en/of institutionele fusie van openbare universiteiten is inderdaad wetswijziging nodig. Ik wil daarover in het algemeen het volgende zeggen: het is mijn voornemen om wet- en regelgeving, waar deze een belemmering vormen voor de ambities van de Strategische Agenda, zoveel mogelijk aan te passen en daartoe voorstellen te doen. Indien de plannen van twee of meer universiteiten gericht op intensieve samenwerking en profilering als bedoeld in de Strategische Agenda gebaat zijn bij een daadwerkelijke instellingsfusie, dan zal ik per geval bezien of wetswijziging om een fusie mogelijk te maken geboden is, maar eerst nadat is gebleken dat een fusie een meerwaarde heeft in termen van kwaliteit die niet bereikt kan worden met bestaande wettelijke samenwerkingsvormen. Aan een fusie zullen strikte voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de zorgvuldigheid van het fusieproces, het draagvlak onder interne en externe belanghebbenden, beperking van overhead en checks & balances waar het gaat om governance en kwaliteitsborging. Bovendien zal de regelgeving met betrekking tot de fusietoets onverkort van toepassing worden verklaard.
Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wettelijke kaders voldoende ruimte bieden voor samenwerking tussen universiteiten; ik denk daarbij vooral aan de instelling van samenwerkingsinstituten ex artikel 8.1 WHW.
Op wat voor manier hebben personeel en studenten van de universiteiten inspraak op de fusieplannen? Deelt u de mening dat zij over een dergelijke grote beslissing instemmingsrecht moeten hebben?
Ik vind het vanzelfsprekend dat bestuurders zoeken naar draagvlak voor veranderingen die wezenlijke consequenties hebben voor personeel en studenten en dat alle geldende bepalingen met betrekking tot de betrokkenheid van de medezeggenschap in acht worden genomen. Bij de beoordeling van een fusie is – zoals ook geldt bij andere fusiebesluiten – de instemming van de medezeggenschap van belang.
Wordt de geplande fusie onderworpen aan de fusietoets? Zo ja, wanneer gaat u dit doen? Zo nee, hoe blijft de kleinschaligheid en de variëteit van het onderwijsaanbod in de regio gewaarborgd?
Een fusietoets is eerst aan de orde wanneer er sprake is van een daadwerkelijke fusie, die dan ook wettelijk mogelijk gemaakt moet zijn. Ik voeg daaraan toe dat het waarborgen van kleinschaligheid niet het doel is van de fusietoetswetgeving en dat «regio» geen wettelijk gehanteerd begrip is in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Overigens zijn ook grote instellingen in staat om het onderwijs kleinschalig te organiseren. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat andere vormen van geïntensiveerde samenwerking vergelijkbaar met een fusie net zo goed aan de fusietoets moeten worden onderworpen? Zo nee, hoe voorkomt u dat de fusietoets een lege huls wordt?
Op dit punt, samenwerking tussen ho-instellingen in relatie tot de fusietoets, ben ik op verzoek van de Kamer nader ingegaan in mijn brief van 2 september jl. (Kamerstuk 31 288, nr. 205). Kortheidshalve verwijs ik naar de inhoud van die brief.
Wat is uw eigen opvatting over schaalvergroting in het hoger onderwijs? Deelt u de mening dat de schaalvergroting in het hoger beroepsonderwijs (HBO) compleet is doorgeslagen en dat moet worden voorkomen dat een vergelijkbaar proces zich voordoet in het universitair onderwijs?
De schaalvergroting in het hbo heeft bijgedragen aan de emancipatie van het hoger beroepsonderwijs en de vorming van krachtige kennisinstellingen. Niettemin hebben we kunnen vaststellen dat er ook – in combinatie met andere factoren – in sommige situaties nadelige effecten kunnen zijn. Van een ongebreidelde schaalvergroting in het wetenschappelijk onderwijs zal geen sprake zijn, omdat een fusie per geval eerst wettelijk mogelijk moet worden gemaakt en bovendien aan een fusietoets onderworpen zal worden.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de collegevoorzitters van de drie instellingen met als inzet het afzien van een fusie? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte houden van de voortgang van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Een gesprek met die inzet acht ik niet opportuun. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven, is een fusie van de drie universiteiten wettelijk gezien thans niet mogelijk. Ik zal de Kamer uiteraard informeren over de uitvoering van de Strategische Agenda en over de afspraken die in dat kader met de instellingen en tussen de instellingen onderling worden gemaakt.
Wanneer krijgt de Kamer antwoord op de eerdere Kamervragen van 27 mei 2011 over een mogelijke fusie tussen de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam?2
De antwoorden op deze Kamervragen zijn begin augustus naar uw Kamer gestuurd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3274).
Het bericht dat gezakte leerlingen de dupe zijn van de nieuwe exameneisen |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Gezakte leerlingen dupe van nieuwe exameneisen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat gezakte leerlingen die voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) gaan doen met extra eisen te maken krijgen, waardoor zij bijvoorbeeld meer vakken opnieuw moeten doen?
Neen, zonder aanscherping van de slaag/zakregeling kan het voorkomen dat een leerling zonder één voldoende bij de cijfers voor de vakken bij het centrale examen toch kan slagen. Ik heb dit in de toelichting van het wijzigingsbesluit en tijdens het debat hierover met uw Kamer een weeffout genoemd. Die weeffout voor de dagscholen gold ook in het vavo. De normen die gelden voor het behalen van een diploma moeten voor alle leerlingen gelijk zijn. Anders is er sprake van rechtsongelijkheid.
Is het bericht van LAKS waar dat er veel onduidelijkheid over de exameneisen is, zelfs op vavo’s? Zo ja, is het gerechtvaardigd en van uit oogpunt van deugdelijk bestuur wenselijk dat gaandeweg zonder voorafgaande informatie regels worden veranderd? Op welke manier kunnen volgens u de leerlingen zich voorbereiden op deze nieuwe situatie?
Er is geen sprake van een wijziging «zonder voorafgaande informatie».
In 2009 en 2010 zijn de scholen voor VO en de instellingen voor volwasseneneducatie per brief geïnformeerd. Ook in de pers is hierover veelvuldig geschreven en gesproken.
Welke actie onderneemt u om bekendheid over nieuwe exameneisen te verbeteren? Komt deze duidelijkheid over de exameneisen niet veel te laat om correcte inschrijving op het vavo en goede voorbereiding mogelijk te maken?
Zoals bij vraag 3 aangegeven zijn de instellingen correct geïnformeerd.
Daarnaast zal ik in het najaar wederom alle scholen voor VO en de instituten voor volwasseneneducatie per brief informeren over alle komende wijzigingen: verdere aanscherping slaag/zakregeling, invoeren rekentoets en hoe deze mee gaat wegen in de slaag/zakregeling vanaf 2013–2014 (de examens in 2014).
Het platvorm VAVO zal ik hierbij betrekken.
Vindt u het wenselijk dat er geen verschil meer is tussen één schooljaar op een reguliere school opnieuw doen en het vavo? Wat is de toegevoegde waarde van de vavo voor deze groep leerlingen?
Er is nog steeds een verschil tussen de dagschool en het vavo maar niet voor leerlingen die geen enkele of slechts één of twee voldoendes hebben behaald op het centraal examen. Dan stelt het vavo terecht de eis dat alle of meerdere vakken volledig overgedaan moeten worden. Het kiezen voor enkele vakken met als risico dat het gemiddeld cijfer voor het CE niet boven de 5,5 komt is een onlogische keuze.
Wat is het effect van deze maatregel op de schooluitval van deze groep leerlingen?
Het repareren van de weeffout is juist doorgevoerd om de kwaliteit te verhogen.
Hierdoor hebben de leerlingen meer kans de vervolgopleiding met succes te volgen en wordt hiermee voorkomen dat hiermee veelvoudig wisselen van opleiding met kans op uitval optreedt.
Deelt u de mening dat deze maatregel ertoe zal leiden dat zwakkere leerlingen het kind van de rekening worden? Wat zijn volgens u de positieve gevolgen van de verscherpte exameneisen voor deze categorie leerlingen?
Zie het antwoord bij vraag 6.
Bent u bereid een overgangsregeling te treffen voor vavo-leerlingen die nu met nieuwe exameneisen te maken krijgen?
Neen, het betreft een correctie op een weeffout in het eindexamenbesluit en de nieuwe aanscherping geldt voor alle leerlingen die na 1 augustus 2011 examen doen. De groep gezakte leerlingen hebben alle juridische mogelijkheden kunnen gebruiken voor 1 augustus 2011.
Wel kan de staatsexamencommissie bij die leerlingen die de examens afronden in het derde tijdvak – indien nodig – de oude regeling toepassen. Basis is hiervoor de hardheidsclausule die is opgenomen in het besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000.
Deze clausule kan uitsluitend worden gebruikt voor een kleine groep leerlingen die buiten hun schuld het volledige examen met herkansing niet binnen het schooljaar 2010–2011 konden afronden, en die gelegenheid pas in het derde tijdvak krijgen.
Lesbisch ouderschap |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is op dit moment de stand van zaken rond het aangekondigde wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap?
De Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel. Op dit moment wordt het nader rapport voorbereid. Indien de Ministerraad instemt met het nader rapport en het wetsvoorstel zal ik bevorderen dat het wetsvoorstel voor de Algemene Politieke Beschouwingen bij de Tweede Kamer wordt ingediend.
Hoe verhoudt de beoogde inwerkingtreding hiervan (1 juli 2011), zoals vermeld in de Rijksbegroting 2011, zich tot de recente toezegging van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat het wetsvoorstel «in de zomer» van 2011 wordt ingediend? Hoe verhoudt laatstgenoemde toezegging zich tot de volgende mededeling in de recente brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie1: «Ik streef er naar u spoedig nader te berichten»?
Zoals aangegeven bij vraag 1 zal ik indien de Ministerraad instemt met het nader rapport en wetsvoorstel, bevorderen dat het wetsvoorstel medio september wordt ingediend. Dit is conform de toezegging (zomer 2011).
Waarom is de indiening van het wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap een aantal keren uitgesteld?
Het opstellen van het nader rapport is complex en kost tijd.
Wordt het wetsvoorstel, zoals eerder toegezegd, nog deze zomer ingediend? Zo niet, wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel verwachten?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2.
Het bericht 'Onderwijsassistent kan niet begrijpend lezen |
|
Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onderwijsassistent kan niet begrijpend lezen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de resultaten van het Amsterdamse onderzoek, dat nog niet de helft van de onderwijsassistenten op Amsterdamse basisscholen een voldoende haalt voor een toets begrijpend lezen?
Dat vind ik zorgwekkend. Ik vind het dan ook een goede zaak dat de Amsterdamse schoolbesturen bijscholing organiseren ter verbetering van de taalvaardigheid van hun onderwijsassistenten.
In hoeverre acht u de resultaten van het Amsterdamse onderzoek representatief voor het kennisniveau van onderwijsassistenten in de rest van het land?
Omdat het onderzoek alleen in Amsterdam is uitgevoerd, kan ik over de representativiteit geen uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat in het onderzoek door de koepelorganisatie voor Amsterdamse schoolbesturen in het primair onderwijs gebruik is gemaakt van een toets, die aansluit bij de nieuwe exameneisen die vanaf schooljaar 2013–2014 aan mbo'ers worden gesteld? Klopt het dat in de afgelopen jaren in het mbo extra is geïnvesteerd in taal en rekenen? In hoeverre acht u deze extra inzet geslaagd gezien de resultaten van het Amsterdamse onderzoek?
De koepelorganisatie geeft inderdaad aan dat de toets die zij aan de onderwijsassistenten van de basisscholen hebben voorgelegd is afgestemd op de nieuwe exameneisen voor Nederlandse taal in het mbo.
In het mbo wordt inderdaad vanaf 2010 volop geïnvesteerd in taal- en rekenonderwijs. Alle studenten die vanaf 2010–2011 met de mbo-opleiding Onderwijsassistent zijn begonnen, krijgen voortaan taal- en rekenonderwijs dat afgestemd is op de nieuwe referentieniveaus. Vanaf 2013–2014 zullen deze referentieniveaus centraal worden geëxamineerd.
De onderwijsassistenten die in Amsterdam zijn getoetst, hebben nog niet kunnen profiteren van mijn gevoerde beleid. De Amsterdamse onderzoeksresultaten bevestigen wel de noodzaak van het door mij ingezette beleid voor taal en rekenen in het mbo.
Overweegt u op grond van deze onderzoeksresultaten het beleid ten aanzien van het taalonderwijs op het mbo nader aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze dan? Zo nee, waarom niet?
Het tijdpad voor invoering van de referentieniveaus, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb geschetst, getuigt reeds van de hoge prioriteit die ik geef aan een goede beheersing van taal en rekenen.
Ziet u binnen de bestaande kaders mogelijkheden om te zorgen dat onderwijsassistenten die de komende jaren afstuderen een voldoende taal- en rekenniveau hebben? Hoe denkt u dit te gaan bereiken?
Ja, mijn beleid gericht op de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in het mbo betekent dat onderwijsassistenten die in 2014 hun mbo-diploma behalen, aan de hand van resultaten van centrale examens Nederlandse taal en rekenen, kunnen aantonen over voldoende taal- en rekenvaardigheden te beschikken. Ook de in 2012 of 2013 afgestudeerde onderwijsassistenten hebben taal- en rekenonderwijs achter de rug. Zo hebben deze studenten verplichte schoolexamens Nederlands afgelegd, en hebben zij taal- en rekenonderwijs gehad in het kader van hun beroep en ter voorbereiding op een eventuele doorstroom naar de Pabo.
Op welke wijze denkt u onderwijsassistenten, die in het verleden zijn afgestudeerd, op een voldoende niveau van taal en rekenen te brengen?
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun personeel. Indien wordt geconstateerd dat de onderwijsassistenten werkzaam op een basisschool onvoldoende bekwaam zijn op het terrein van taal en/of rekenen, is het de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om te zorgen voor bijscholing.
Als in hetzelfde bericht wordt aangeduid dat Amsterdam werkt aan een ambitieus plan om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen, onder andere door het verbeteren van het resultaat van de Cito-toets, welke lessen kunnen uit deze aanpak dan worden getrokken voor alle basisscholen en zo mogelijk ook voor het mbo?
De plannen van Amsterdam om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen en het resultaat van de Cito-toets te verbeteren sluiten heel goed aan op mijn actieplan Basis voor presteren. Met dit actieplan wil ik stimuleren dat alle basisscholen hogere ambities stellen op het terrein van de leerprestaties en meer opbrengstgericht werken. Ook sluiten de plannen van Amsterdam goed aan bij mijn beleid voor taal en rekenen voor het mbo.
Het beter aanbesteden van de 'gratis schoolboeken' |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw inhoudelijke reactie op het artikel «Wat een mislukking, die schoolboekenwet»? Kunt u de geschetste problemen die in het artikel worden aangegeven bevestigen? Zo nee, welke niet, en waarom niet?1
Wat is uw inhoudelijke reactie op de voorgestelde verbeterpunten in het artikel, namelijk dat scholen hun aanbesteding aanbieden in percelen en dat de schoolboekfinanciering niet meer per leerling wordt geëxpliciteerd, maar in het algemene schoolbudget wordt opgenomen?
Bent u bereid om de evaluatie van de effectiviteit van de gratis schoolboeken te vervroegen?
De kwaliteit van onderwijsassistenten |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het onderzoek naar onderwijsassistenten gedaan op Amsterdamse basisscholen?1 2
Ik vind het belangrijk dat onderwijsassistenten die – onder verantwoordelijkheid van de leerkracht – ondersteunende werkzaamheden uitvoeren bij het onderwijs aan kinderen, hun Nederlands goed beheersen. Mijn beleid voor taal en rekenen in het mbo geldt ook voor de mbo-opleiding Onderwijsassistent. Ik vind het een goede zaak dat de schoolbesturen en de gemeente Amsterdam bij werkende onderwijsassistenten ook expliciete eisen stellen aan de beheersing van de taalvaardigheid en hun onderwijsassistenten hierop toetsen en zonodig bijscholen.
Hoe kan de situatie zijn ontstaan dat van de 164 getoetste assistenten 84 procent een voldoende haalt voor lezen, zeven op de acht slaagt voor het onderdeel schrijven en slechts 42 procent een voldoende haalt voor begrijpend lezen? Hoe heeft de inspectie hier op toegezien? Was ze al eerder van deze achterstanden op de hoogte?
Op de vraag over de specifieke situatie van de 164 getoetste onderwijsassistenten kan de betrokken werkgever zelf het beste een antwoord geven. In algemene zin kan ik zeggen dat het een recente ontwikkeling is om met behulp van referentieniveaus eisen te stellen aan taal- en rekenvaardigheden voor mbo-opleidingen die met ingang van studiejaar 2013/2014 centraal worden geëxamineerd. Ik vind het een goede zaak dat de gemeente Amsterdam in overleg met de schoolbesturen een taalnorm heeft vastgesteld voor hun onderwijsassistenten en dat die aansluit bij de referentieniveaus Nederlandse taal. Voor het toezicht door de inspectie is het voldoen aan de exameneisen Nederlands alleen een factor bij de beoordeling van de kwaliteit van de beroepsopleidingen in het mbo. De inspectie beoordeelt niet de kwaliteit van individuele personeelsleden werkzaam aan basisscholen; dit is de exclusieve verantwoordelijkheid van het bestuur van de school.
Welke cijfers zijn u bekend van basisscholen elders in het land? Hoe wilt u toezien op de kwaliteit van onderwijsassistenten?
Over de taalvaardigheid van onderwijsassistenten die elders in het land werkzaam zijn heb ik geen gegevens. Het toezicht van de inspectie richt zich niet op een beoordeling van de kwaliteit van onderwijsassistenten. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke acties gaat u ondernemen om de tekortschietende kennis van onderwijsassistenten te verbeteren naar het goede niveau?
In het mbo wordt vanaf 2010 volop geïnvesteerd in taal- en rekenonderwijs. Alle mbo-studenten die in 2010–2011 met een opleiding zijn begonnen, krijgen voortaan taal- en rekenonderwijs dat afgestemd is op de nieuwe referentieniveaus. Vanaf 2013–2014 zullen deze referentieniveaus centraal worden geëxamineerd. Dit geldt ook voor de opleidingen Onderwijsassistent. Voor onderwijsassistenten die reeds in de beroepspraktijk werken, zijn ook de schoolbesturen aan zet. Wanneer een schoolbestuur vaststelt dat de kennis van hun onderwijsassistenten tekortschiet, is het de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om ervoor te zorgen dat de onderwijsassistenten over de juiste bekwaamheden (gaan) beschikken en om zonodig te investeren in bijscholing.
Deelt u de mening dat directe en indirecte bezuinigingen, of het uitblijven van bepaalde investeringen van het kabinet op onderwijs, de druk op de kwaliteit van het onderwijs niet positief beïnvloedt?
Nee, die mening deel ik niet. Dit kabinet staat voor de zware opgave om de overheidsuitgaven weer op orde te krijgen. Op bijna alle beleidsterreinen wordt een stapje teruggedaan. Het onderwijs neemt bij dit kabinet een bijzondere positie in en wordt bij de bezuinigingen ontzien. De ombuigingen die in het onderwijs plaatsvinden worden gericht geherinvesteerd om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Een groot deel van deze investeringen komt ten goede aan het basisonderwijs. Aan het einde van deze kabinetsperiode gaat het om substantiële investeringen die de kwaliteit van het onderwijs zullen verhogen. Dit laat onverlet dat prioriteiten binnen de onderwijsbegroting herschikt zullen worden ten gunste van de kwaliteit van het onderwijs. Onze gezamenlijke uitdaging is om met hetzelfde budget het beter te doen. Dat betekent dat ook schoolbesturen duidelijke keuzes en afwegingen moeten maken bij de inzet van hun beschikbare middelen.
De onrust bij een hbo-instelling door plannen voor schaalvergroting |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Leiding HBO botst met personeel»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie op deze vestiging van de hogeschool Larenstein, vooral met het oog op de positie van onderwijspersoneel en de kwaliteit van het onderwijs?
Het bestuur en de directie van de Hogeschool Van Hall Larenstein werken aan een organisatorische en kwalitatieve vernieuwing van hun instelling. Ik ben door hen op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen en steun hun wens om het onderwijs goed te laten aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd. Aan de positie van het personeel wordt eveneens de nodige aandacht besteed.
Deelt u de opvatting dat de discussie op deze hoge school exemplarisch is voor de bredere discussie rondom schaalvergroting bij onderwijsinstellingen, waarbij hier de voor- en nadelen en de continuïteit van onderwijskwaliteit onvoldoende inzichtelijk worden gemaakt?
Nee. De ontwikkelingen in deze hogeschool zijn voor een groot deel gerelateerd aan de gewenste vernieuwing in deze instelling.
Er is bij VHL geen sprake van een schaalvergroting. Het gaat om twee scholen (Van Hall en Larenstein) die feitelijk al langer als één instelling functioneren en als zodanig worden bestuurd. In lijn met de Wet versterking besturing wordt de situatie per 1 september 2011 geformaliseerd, zodat één instelling ontstaat.
Op welke wijze is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op dit moment betrokken bij mogelijke schaalvergrotende activiteiten binnen deze hogeschool, ook vanuit het toezicht op correcte en efficiënte besteding van onderwijsmiddelen aan onderwijstaken?
Het ministerie van EL&I is door VHL op de hoogte gesteld over het voorgenomen fusiebesluit en de instemming van de medezeggenschapsraden met de fusie. Het is de verantwoordelijkheid van de instelling om te voldoen aan de wettelijke kaders zoals gesteld in de Wet versterking besturing.
Bent u bereid om de situatie en potentiële plannen voor groei en structuurwijzigingen zelf te zijner tijd te toetsen, waarbij er ook recht wordt gedaan aan opvattingen die leven onder onderwijspersoneel en studenten op de vestigingen van de hogeschool?
Een rol voor de Minister bij het toetsen van de plannen is nu niet aan de orde.
De school heeft een grote eigen verantwoordelijkheid binnen de WHW. Binnen de wettelijke kaders dient ook de medezeggenschap in het fusieproces te worden betrokken. Met de inwerkingtreding van de wet fusietoets krijgt de minister een formele rol ingeval van een fusie tussen twee of meer instellingen.
De Wet Fusietoets zal op 1 oktober 2011 in werking treden.
Het uitbuiten van buitenlandse studenten |
|
Jasper van Dijk |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Oneerlijke kamerverhuur»?1
Het is goed dat er kritisch gekeken wordt naar het woningaanbod voor en de woonomstandigheden van studenten. Overigens hebben huurders de mogelijkheid om de huurprijs van hun woonruimte bij de Huurcommissie te laten toetsen. Ik onderschrijf het initiatief «Check je kamer» van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVB), waarmee de hoogte van de huurprijs van onzelfstandige woningen (kamers) wordt onderzocht.
Deelt u de mening dat buitenlandse studenten in Nederland niet meer moeten betalen voor een gelijkwaardige studentenkamer dan Nederlandse studenten? Zo nee, waarom niet?
Navraag bij studentenhuisvester DUWO, waarover het in dit artikel gaat, leert dat de studentenkamers voor de buitenlandse studenten volledig gemeubileerd en gestoffeerd zijn, inclusief eindschoonmaak en beheer. Er is dan ook geen sprake van een gelijkwaardige situatie ten opzichte van kamerverhuur aan reguliere Nederlandse studenten.
Wat betreft de kale huur en servicekosten van een kamer of woning kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen Nederlandse of buitenlandse studenten. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven heeft elke huurder het recht de huurprijs te laten toetsen bij de Huurcommissie op basis van het woningwaarderingstelsel. DUWO geeft hierbij wel aan dat buitenlandse studenten gemiddeld meer energie gebruiken waardoor de kosten hiervoor hoger zijn dan bij een gemiddelde Nederlandse student. Verder is sprake van extra kosten voor de buitenlandse student vanwege extra service en voorzieningen die niet worden verleend aan reguliere studenten uit Nederland.
Bent u bereid verhuurder DUWO te wijzen op de wettelijke verplichting om de servicekosten transparant te maken aan de verhuurders, nu blijkt dat slechts 38% van de buitenlandse studenten weet hoe hoog de servicekosten zijn?
Met DUWO is hierover contact geweest. Blijkens informatie van DUWO wordt er altijd een uitsplitsing in het contract gemaakt tussen huur en servicekosten. Daarbij is op de website van DUWO uitleg gegeven over verschillen in behandeling en verschillen in prijzen.
Vindt u het gerechtvaardigd dat een verhuurder tien euro per maand vraagt voor de huur van bestek, zonder dat een huurder ervoor kan kiezen het bestek niet te huren? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo ja, waarom?
DUWO geeft aan dat het hier gaat om een keukenpakket én een lakenpakket, dat onderdeel is van het vooraf aangegeven all in servicepakket dat bij de kamerverhuur hoort. Hierbij zijn het keukenpakket en lakenpakket specifiek benoemd.
Vindt u het een teken van gastvrijheid om buitenlandse studenten evenveel te laten betalen voor een gedeelde kamer, als dat Nederlandse studenten betalen voor dezelfde kamer in hun eentje?
Navraag leert dat het hier gaat om shared rooms, waarbij de kale huur door 2 studenten gedeeld wordt, net als de servicekosten. DUWO geeft aan in overleg met de Haagse Hogeschool voor shared room gekozen te hebben om aan de vraag naar gegarandeerde woonruimte voor buitenlandse studenten te kunnen voldoen.
Deelt u de mening dat servicekosten redelijk en hooguit kostendekkend dienen te zijn en dat de opbouw van deze kosten inzichtelijk moet zijn? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met DUWO om hen daartoe te manen? Zo nee, waarom niet?2
Servicekosten dienen kostendekkend te zijn. Ambtelijk is hierover contact geweest met DUWO. DUWO geeft aan dat de servicekosten gebaseerd zijn op de reële kosten die zij heeft.
Is het gebruikelijk dat een vertrekkende huurder 30 euro moet betalen wanneer hij per ongeluk een eigen kussen achterlaat in de woning?
DUWO geeft aan dat de kamers waar het hier om gaat gemeubileerd en gestoffeerd zijn, inclusief eindschoonmaak en beheer. Bij het aangaan van het huurcontract wordt de huurder gewezen op het feit dat aan het eind van de huurperiode de kamer stofschoon achtergelaten moet worden.
Het schoon opleveren van een woning of kamer geldt in Nederland voor elke huurder. Wanneer er desondanks toch spullen achterblijven kunnen de kosten voor het verwijderen hiervan doorberekend worden aan de huurder.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat 56% van de buitenlandse studenten die bij DUWO huren geen rookmelder hebben, terwijl dit wettelijk verplicht is? Wat gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de verhuurder actie onderneemt?
DUWO geeft aan dat de woonruimte die zij verhuurt voldoet aan alle regelgeving als het gaat om het aanbrengen van brand/rookmelders en dat zij hierover ook contact met en controles heeft van de lokale brandweer.
In hoeverre is het toegestaan in het contract op te nemen dat een woning te allen tijde kan worden betreden door personeel van de verhuurder, ook zonder toestemming vooraf van de huurder? In hoeverre is hier sprake van huisvredebreuk en is de verhuurder strafrechtelijk te vervolgen?
De huurder is verplicht toe te staan dat de verhuurder dringende werkzaamheden aan de woning verricht (artikel 7:220 BW). Uiteraard moet dit wel in overleg gaan met de huurder(s). DUWO geeft aan dat beheerders niet zomaar naar binnen gaan bij huurders. Reden is altijd een klacht/gebrek of noodzakelijke inspectie. Er wordt altijd aangebeld en toestemming gevraagd. De praktijk is dat de meeste huurders het bijzonder prettig vinden als een klacht tijdens schooluren verholpen kan worden zonder dat zij thuis hoeven te blijven. Een afspraak maken om een klacht of inspectie in aanwezigheid te verhelpen is altijd mogelijk.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de uitbuiting van buitenlandse studenten door verhuurders? Zo neen, welke actie gaat u nemen naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek?
Het vergroten van het woningaanbod voor studenten op lokaal niveau is in mijn ogen het beste middel om eventuele misstanden tegen te gaan. Daarom heb ik op 13 juli jl. een actieplan studentenhuisvesting aangekondigd, dat ik in samenwerking met de betrokken partijen in het najaar wil opstellen. Daar zijn onder andere de onderwijsinstellingen en studentenhuisvesters bij betrokken.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de onderwijsinstellingen die namens de verhuurder de huurcontracten opstellen, om de woonomstandigheden van buitenlandse studenten te verbeteren?
Zie antwoord vraag 10.