De effectiviteit van investeringen in R&D |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het proefschrift van dr. P. Donselaar over innovatie en arbeidsproductiviteit?1
Ja.
Hoe waardeert u de conclusie dat één euro extra investeren in het stimuleren van Research en Development (R&D) een groei van het bruto binnenlands product met minstens 10 euro op kan leveren?
Het stimuleren van R&D neemt in mijn bedrijfslevenbeleid en in de actieplannen van de topsectoren een voorname plaats in. Het kabinet stelt zich ten doel om met het nieuwe bedrijfslevenbeleid in 2020 de R&D-intensiteit te verhogen naar 2,5% van het BBP. Het proefschrift geeft een wetenschappelijke bevestiging van het grote belang van R&D voor de arbeidsproductiviteit en het concurrentievermogen.
Binnen het nieuwe beleid worden de overheidsgelden voor onderzoek en innovatie verhoogd in vergelijking met het pré-crisisjaar 2008.2 De empirische resultaten in het proefschrift bieden daar wetenschappelijke ondersteuning voor. Om het hoge ambitieniveau voor de R&D-intensiteit te realiseren, is echter meer nodig dan alleen extra overheidsgelden. Het gaat ook om het verbeteren van de voorwaarden voor private R&D in brede zin. Het wegnemen van belemmeringen voor innovatie in de topsectoren en een betere aansluiting van publiek uitgevoerde R&D op de behoeften van bedrijven zijn hier belangrijke elementen.
Hoe waardeert u de conclusie dat de multiplier van extra fiscale R&D-stimulering lager is dan de multiplier van overige overheidsfinanciering?
Het onderzoek geeft aan dat R&D-stimuleringsregelingen gericht op specifieke projecten per euro aan overheidsmiddelen een groter effect op de private R&D-uitgaven kunnen hebben dan algemene financiële stimulering van R&D zoals die met fiscale R&D-faciliteiten plaatsvindt. Bepalend voor de mate waarin dat zich in werkelijkheid voordoet, is in hoeverre selectie- en/of toekenningscriteria ertoe leiden dat de overheidsmiddelen in relatief sterke mate naar R&D toevloeien die anders niet zou worden uitgevoerd.
Ik waardeer het dat de auteur aan dit aspect aandacht heeft besteed. In mijn beleid is het Innovatiefonds MKB+ R&D-stimulering waarmee een hoge multiplier wordt beoogd. Naast het gerichte karakter op projecten die anders niet tot stand zouden komen (vanwege gebrek aan financiering) heeft deze regeling als groot voordeel dat bij succes van projecten gelden terugvloeien naar de overheid. Door die terugvloeiende middelen vervolgens opnieuw te investeren kan het effect op de private R&D per ingezette overheidseuro worden verhoogd.
De innovatiecontracten zijn een ander middel van dit kabinet om een hoge hefboom te bewerkstelligen van publieke middelen naar private investeringen in R&D en innovatie. Momenteel worden innovatiecontracten per topsector gevormd, waarin afspraken worden gemaakt over het uitvoeren van specifieke R&D- en innovatietrajecten in privaat-publieke samenwerkingsverbanden, zoals de Topconsortia voor Kennis en Innovatie. Publieke R&D-inspanningen worden daarbij meer dan voorheen gericht op de behoeften van het bedrijfsleven. Met de innovatiecontracten committeren bedrijven zich om private middelen te verbinden aan de activiteiten in de samenwerkingsverbanden.
Wat betreft fiscale stimulering van R&D wil ik opmerken dat de in 2007 uitgebrachte WBSO-evaluatie erop heeft gewezen dat de WBSO een effectief instrument is ter bevordering van R&D.3 Momenteel wordt de WBSO opnieuw geëvalueerd. Verder kan vermeld worden dat het CPB de in 2012 in te voeren Research and Development aftrek (RDA) als kansrijk heeft beoordeeld.4 In 2013 wordt de RDA+ regeling ingevoerd. Daarmee worden bedrijven fiscaal gestimuleerd om deel te nemen in Topconsortia voor Kennis en Innovatie.
Deelt u de mening dat het proefschrift laat zien dat meer overheidsinvesteringen in kennis en innovatie zichzelf ruimschoots terugverdienen?
Het proefschrift laat zien dat R&D en innovatie belangrijke effecten hebben op de omvang van het BBP. Een hoger BBP werkt via hogere belasting- en premieopbrengsten gunstig uit op de overheidsfinanciën. Dat overheidsinvesteringen in R&D en innovatie zich op termijn ruimschoots terugverdienen beschouw ik als een realistische mogelijkheid. Tegelijkertijd neem ik echter ook een analyse van het CPB in acht waarin een grote terughoudendheid bestaat bij de inschatting van de economische effecten van R&D en innovatie(beleid).5 Voorzichtigheid is op dit punt geboden.
Bent u bereid u binnen het kabinet sterk te maken voor extra investeringen in kennis en innovatie zodra daarvoor de mogelijkheid bestaat?
Het kabinet heeft met de bedrijfslevenbrief »Naar de top. Het bedrijvenbeleid in actie(s)» onlangs een ambitieuze agenda opgesteld voor het innovatiebeleid, die de komende jaren wordt geïmplementeerd. Het nieuwe bedrijfslevenbeleid werkt eraan om op tal van punten de condities voor private R&D en innovatie gunstiger te maken, waarbij het niet primair om extra financiële overheidsmiddelen voor R&D en innovatie gaat. Het doel is wel dat er meer geïnvesteerd wordt in R&D en innovatie, maar vooral vanuit de bedrijven zelf. Met het Innovatiefonds MKB+ en de intensiveringen in fiscale R&D-stimulering geeft de overheid al sterke financiële prikkels voor extra private R&D en innovatie.
Wat vindt u van de suggestie van de auteur om naast de bestaande Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) een incrementele R&D-faciliteit in te voeren, omdat de multiplier bij de laatste hoger is?
Dat is een interessante suggestie. De auteur van het proefschrift ziet dit vooral als een mogelijkheid om R&D bij grotere R&D-intensieve bedrijven extra te stimuleren. Nadelen van een incrementele regeling zijn een grotere complexiteit en hogere uitvoeringskosten. De literatuur geeft een gemengd beeld van de wenselijkheid van een incrementele regeling. De literatuur geeft verder aan dat er incrementele regelingen in verschillende vormgevingen voorkomen, waarbij het nog verre van duidelijk is aan welke vormgeving de voorkeur gegeven zou kunnen worden. Mede gelet op het feit dat de WBSO in de vorige evaluatie werd gewaardeerd als een effectieve regeling met relatief lage uitvoeringskosten, zie ik nog geen aanleiding om de WBSO aan te vullen met een incrementele regeling.
Deelt u de constatering van de auteur dat Nederlandse bedrijven steeds meer R&D uitvoeren in het buitenland, terwijl dat andersom in veel mindere mate het geval is? Bent u bereid via het bedrijfslevenbeleid R&D-uitgaven van buitenlandse bedrijven in Nederland te stimuleren? Zo ja, hoe?
De auteur vindt aanwijzingen in die richting, maar vooralsnog ontbreekt datamateriaal over een lange periode om dat hard te bevestigen. Vast staat wel dat de private R&D-achterstand van Nederland ten opzichte andere OECD-landen voor een deel kan worden toegeschreven aan te weinig R&D van buitenlandse bedrijven in Nederland in vergelijking met de hoeveelheid R&D die Nederlandse bedrijven in het buitenland verrichten. In het bedrijfslevenbeleid van dit kabinet is er specifiek aandacht voor het vergroten van de R&D-uitgaven van buitenlandse bedrijven in Nederland met gerichte acquisitie van buitenlandse R&D. Daarnaast draagt het beleid via versterking van het R&D-klimaat in Nederland bij aan meer R&D van buitenlandse bedrijven in Nederland.
Bent u bereid de auteur van het proefschrift te betrekken bij het beantwoorden van deze vragen?
De auteur van het proefschrift is betrokken geweest bij het opstellen van de antwoorden op deze vragen.
Tussentijdse verzwaring van opleidingen voor mbo-deeltijdleerlingen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt het feit dat deeltijdopleidingen tot onder andere doktersassistent, tandartsassistent en onderwijsassistent vlak voor het einde van de opleiding een aantal verplichte vakken (onder andere wiskunde) toevoegt aan het onderwijsprogramma?
Dit vind ik onwenselijk. Voor studenten dient bij de start van hun mbo-opleiding duidelijk te zijn uit welke onderdelen het onderwijsprogramma bestaat. Dit onderwijsprogramma dienen onderwijsinstellingen te baseren op het kwalificatiedossier (of eindtermendocument) dat van toepassing is voor het studiejaar waarin de studenten met hun opleiding starten.
Klopt het dat deze tussentijdse verwaring van opleidingen voor mbo-deeltijdleerlingen gebeurt vanwege de vanaf 2013–2014 verplichte centrale examens voor voltijdleerlingen op niveau 4-opleidingen in het mbo?
Dat klopt niet; er is geen sprake van tussentijdse verzwaring van de kwalificatie-eisen aan mbo-opleidingen. Met ingang van 1 augustus 2010 kennen alle mbo-4 opleidingen kwalificatie-eisen Nederlands en rekenen die gebaseerd zijn op de referentieniveaus. Deze kwalificatie-eisen (en de centrale examinering ervan in 2013–2014) gelden voor alle studenten die vanaf 1 augustus 2010 met hun mbo-opleiding beginnen. Voor «zittende» studenten die vóór 1 augustus 2010 met hun opleiding zijn begonnen, geldt dat zij hun opleiding mogen afmaken volgens het kwalificatiedossier (of eindtermendocument) zoals dat gold toen zij met hun opleiding begonnen. Voor studenten die vanaf 1 augustus 2010 met een korte mbo-4 opleiding beginnen- gericht op afronding vóór studiejaar 2013–2014 – is de pilotfase van kracht. In deze pilotfase worden de kwalificatie-eisen taal en rekenen getoetst met instellings- en pilotexamens en kunnen studenten ook zonder een voldoende voor deze taal- en rekenexamens hun diploma behalen.
Bent u bekend met het effect van deze examenmaatregel en vakkentoevoeging voor deeltijdstudies in het mbo van 1,5 jaar, waarbij deze leerlingen tussentijds een studieverzwaring opgelegd krijgen die zij niet nodig hebben aangezien deze groep aan het werk gaat en niet doorstroomt naar het hbo?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Van tussentijdse studieverzwaring is geen sprake. Bij mijn beleid voor taal en rekenen in het mbo maak ik geen onderscheid in de wijze waarop studenten – in deeltijd of «voltijds» – hun diploma behalen. Zowel het vervolgonderwijs als het bedrijfsleven moet ervan op aan kunnen dat studenten na het behalen van het mbo-4 diploma hun basisvaardigheden beheersen. Ook voor de uitoefening van de door u genoemde beroepen als doktersassistent, tandartsassistent en onderwijsassistent, is een goede beheersing van taal en rekenen van groot belang.
Vindt u het redelijk wanneer een opleiding, vlak voor het eind van de opleidingsduur, verplichte examenvakken toevoegt, ten opzichte van het programma wat bekend is gemaakt aan het begin van de periode? Zo ja, waarom mag dit in dit geval volgens u bij deze deeltijdstudies? Zo neen, hoe gaat u om met deze beschreven situatie?
Zie mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze u tegemoet kan komen aan deze mbo-deeltijdleerlingen, die nu tussentijds in hun opleiding negatieve effecten lijken te ondervinden van een examenmaatregel en vakkentoevoeging die voor voltijdse leerlingen met hbo-perspectief bedoeld zijn?
Zie mijn antwoorden op vragen 1 en 2; ik vind het niet nodig om hiernaar nader onderzoek te doen. In de door u beschreven situatie kunnen de betreffende studenten een klacht indienen bij de onderwijsinstelling. Indien de studenten van mening zijn dat deze niet zorgvuldig wordt afgehandeld, kunnen zij hierover een klacht indienen bij de Ombudslijn mbo. Deze bewaakt dan een zorgvuldige afhandeling.
Het bericht dat duizenden leerlingen onterecht thuis zitten |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de Kamer u herhaaldelijk heeft verzocht om informatie over het aantal thuis zittende leerlingen dat niet op een school kan worden ingeschreven of dat op een school staat ingeschreven maar niet wordt toegelaten tot de lessen. Bent u bereid om naar het aantal thuiszittende leerlingen gericht onderzoek te laten doen? Zo ja, wanneer kan de Kamer een antwoord verwachten en zo nee, waarom niet?1
Uw verzoek bevestig ik. In 2010 heeft Ingrado (de vereniging van leerplichtambtenaren) een onderzoek naar het aantal thuis zittende leerlingen gedaan. Ik zie geen reden om op dit thema verder aanvullend onderzoek te doen. Sinds het najaar van 2010 worden de cijfers over thuiszitters meegenomen in de rapportages die gemeenten jaarlijks opstellen op het gebied van leerplicht. Deze cijfers komen in het eerste kwartaal van 2012.
Bent u bereid om ouders die in het kader van een dergelijk onderzoek melden dat hun kind thuis zit omdat hun kind door de scholen wordt geweigerd, in overleg met Ingrado (Vereniging voor leerplichtambtenaren) te vrijwaren van vervolging op grond van de Leerplichtwet?
Leerplichtambtenaren schrijven een proces-verbaal uit als ouders hun kind bewust thuis houden. Als een leerling naar oordeel van de leerplichtambtenaar echter noodgedwongen thuis zit, dan is het niet de taak van de leerplichtambtenaar om verbaliserend op te treden. Hij zal dan samen met de ouders, de leerling en de school of scholen een oplossing zoeken. Als een leerling langdurig thuis zit, zonder uitzicht op een schoolplaatsing, kunnen ouders ook ondersteuning krijgen van een onderwijsconsulent.
Op welke wijze garandeert u het recht op onderwijs van deze kinderen, zoals dat voortvloeit uit artikel 2 EP Evrm, artikel 28 en 29 van het Verdrag van de Rechten van het Kind, als een school in strijd daarmee handelt?2
Het recht op onderwijs wordt beschermd door de Leerplichtwet. Een kind hoort dat onderwijs te kunnen krijgen waarbij zijn of haar talenten het beste tot ontwikkeling komen. Als een leerplichtige leerling als gevolg van een handicap, chronische ziekte of stoornis zeer moeilijk plaatsbaar is, dan kunnen ouders de hulp van een onderwijsconsulent inschakelen. Zie ook het antwoord op vraag 7. Met de beleidvoornemens rond passend onderwijs worden structureel betere voorwaarden gecreëerd om de thuiszitterproblematiek effectiever aan te pakken. Als passend onderwijs wordt ingevoerd, dan krijgt het schoolbestuur namelijk de verantwoordelijkheid om voor elke leerling die zich aanmeldt een passend aanbod te vinden. Dit gebeurt zo nodig in goed overleg met ouders, gemeenten, jeugdzorg en andere partners.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Haarlem, waar de rechter heeft nagelaten om de schorsing van een leerling te toetsen aan de daarvoor toepasselijke onderwijswet- en regelgeving angezien werd gesteld: «De door eisers betoogde schendingen lenen zich niet voor behandeling in kort geding en dienen in een bodemprocedure dan wel op de in genoemde wetten voorziene wijze aan de orde te worden gesteld»?3
Ja, ik ben bekend met deze uitspraak.
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze de complexe onderwijswet- en regelgeving voor juristen, waaronder rechters, beter toegankelijk wordt?
Het is naar mijn mening niet juist om een verband te leggen tussen de rechterlijke uitspraak genoemd onder vraag 4 en de mate van complexiteit van de onderwijswetgeving. In algemene zin heeft de kwaliteit en toegankelijkheid van de onderwijswetgeving vanzelfsprekend mijn aandacht. Bij het voorbereiden van nieuwe wetgeving betrek ik de mogelijkheden voor vereenvoudiging van de onderwijswetgeving.
Bent u bereid in dat onderzoek de mogelijkheid mee te nemen om de rechtspositie van de onderwijsvrager te regelen in een onderwijsovereenkomst in boek 7 BW, bijvoorbeeld naar het voorbeeld van de geneeskundige behandelingsovereenkomst?4
De belangen van de onderwijsvrager worden gewaarborgd in de Leerplichtwet en in de verschillende sectorwetten. Voor een onderzoek naar de mogelijkheid om de rechtspositie van de onderwijsvrager in het Burgerlijk Wetboek te regelen, zie ik geen concrete aanleiding.
Op welke wijze denkt u vorm te geven aan de rechtsbescherming van de leerling als sprake is van een schorsing of verwijdering die strijdig is met de onderwijswet- en regelgeving?
Als ouders het niet eens zijn met een besluit tot verwijdering, dan kunnen zij tegen dit besluit binnen zes weken bezwaar aantekenen bij de school. De school moet vervolgens binnen vier weken het bezwaar overwegen en haar besluit aan de ouders meedelen. Als ouders zich niet in dit besluit kunnen vinden, dan kunnen zij naar de rechter stappen.
In het openbaar onderwijs is ook een schorsing een besluit waartegen bezwaar kan worden ingediend en beroep kan worden ingesteld bij de (bestuurs)rechter. In het bijzonder onderwijs kan een schorsing, eventueel in kort geding, worden aangevochten bij de burgerlijke rechter.
Naast bovengenoemde procedures kunnen ouders zich wenden tot de klachtencommissie van de school.
Ten aanzien van verwijdering geldt nog het volgende. In de huidige situatie mag een basisschool een leerling pas verwijderen, nadat de school 8 weken aantoonbaar inspanningen heeft verricht om een andere school voor de leerlingen te vinden. Verwijdert de school de leerling zonder inachtneming van deze inspanningsverplichting en/of termijn, dan voldoet de school niet aan een bekostigingsvoorwaarde en kan aan de school een bekostigingssanctie worden opgelegd. In het voortgezet onderwijs geldt dat een leerling pas kan worden verwijderd als de school een andere school bereid heeft gevonden de leerling toe te laten. Als mijn beleidsvoornemens voor passend onderwijs worden ingevoerd, dan gaat deze regeling ook voor het basisonderwijs gelden.
Tot slot moet het hoofd van een school op grond van de Leerplichtwet de beslissing tot verwijdering van een leerling terstond melden aan de leerplichtambtenaar. Indien het hoofd van de school deze verplichting niet nakomt, dan kan hiervoor vanaf 1 januari 2012 een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Welke gegevens mag een school opnemen in het leerlingdossier? Bent u bereid om scholen te verplichten om ouders in de schoolgids te informeren over hun bevoegdheden ten aanzien van het leerlingdossier op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens en uw antwoorden op eerder gestelde Kamervragen?5 Zo ja, op welke wijze en welke termijn gaat u de scholen hiervan op de hoogte brengen? Zo nee, wat is de reden om dat niet te doen?
Onder «leerlingdossier» wordt verstaan de verzameling van administratieve en onderwijskundige gegevens die de school verwerkt en bijhoudt over een leerling. Het betreft algemene gegevens die nodig zijn voor de leerlingadministratie, zoals het verzuim, de in- en uitschrijving, gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de bekostiging die de school van OCW krijgt en om onderwijskundige gegevens als rapporten, toetsresultaten en gegevens uit het leerlingvolgsysteem. Er kan specifieke informatie over de leerling zijn opgenomen als dit noodzakelijk is voor het geven van het onderwijs en de begeleiding van de leerling.
Welke informatie van een leerling wordt bewaard, is de verantwoordelijkheid van de school. Er zijn geen regels voor vastgelegd, zodat de school maatwerk kan leveren. Een school dient zich hierbij te houden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dit betekent onder andere dat de school leerlinggegevens niet mag verspreiden tenzij opgrond van een wettelijke opdracht.
Scholen zijn verplicht om in de schoolgids de rechten en plichten van de ouder en de school te benoemen (artikel 13, eerste lid, onder f, van de WPO en artikel 24a, eerste lid, onder e, van de WVO). Ook is de school op grond van artikel 42 van de WPO en artikel 43 van de WEC verplicht om ouders en eventueel de leerling een afschrift van het onderwijskundig rapport te geven. Ik adviseer de sectorraden om hun leden te wijzen op de mogelijkheid om in de schoolgids aan te geven welke concrete procedures de school hanteert rond opslag en verwerking van leerlinggegevens. Ook zal ik bij de landelijke ouderorganisaties aandringen op goede voorlichting over de rechten van ouders. In de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) is vastgelegd dat ouders instemmingsrecht hebben op de schoolgids, en op eventuele specifieke regelingen voor het verwerken van persoonsgegevens van de ouders en de leerlingen en de uitwisseling van informatie tussen ouders en de school (artikel 13, onder g, i en k, en artikel 14, eerste lid, onder a, tweede lid, onder f en g en derde lid, onder d, van de WMS).
Deelt u de mening dat scholen expliciete toestemming moeten hebben van de betrokken ouders of wettelijke verzorgers en of leerlingen van 16 jaar of ouder om het leerlingdossier van een leerling uit te wisselen met andere organisaties?
De leerlinggegevens die de school verwerkt en bijhoudt over een leerling zijn slechts toegankelijk voor de ouders en/of de leerling, de schoolleiding en het onderwijspersoneel dat bij de leerling betrokken is. Ouders of wettelijk verzorgers (en leerling vanaf 16 jaar) moeten eerst toestemming geven, voordat derden de gegevens van de leerling mogen inzien. Soms is de school verplicht gegevens aan derden te geven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij:
Het onderwijskundig rapport wordt door een basisschool opgesteld voor de nieuwe school wanneer een leerling naar een andere school gaat. Op deze wijze dragen de scholen er zorg voor dat elk kind in een cruciale fase van zijn ontwikkeling het onderwijs en de begeleiding ontvangt die het nodig heeft, en uiteindelijk in de passende leerweg binnen het voortgezet onderwijs terecht komt. Hier prevaleert dus het onderwijskundig belang van het doorgeven van ter zake doende informatie aan de nieuwe school, dat een wettelijk verplicht karakter heeft, ten behoeve van de doorlopende leerlijn van de leerling boven het toestemmingsrecht van de ouders. Ouders moeten door de school worden geïnformeerd over de inhoud van het onderwijskundig rapport; zij hebben recht op correctie van onjuiste informatie, en kunnen hun visie aan het rapport laten toevoegen als zij het niet eens zijn met het professionele oordeel van de school. Dit is mijns inziens een aanvaardbare oplossing als bijvoorbeeld meningsverschillen bestaan over de inhoud.
Er ligt een wetswijziging voor in de Eerste Kamer, waarmee ik mogelijk wil maken dat het persoonsgebondennummer gebruikt wordt bij de overdracht van leer- en begeleidingsgegevens tussen scholen. Uw Kamer heeft hier vorig jaar mee ingestemd. Tevens zal bij AMvB nader bepaald worden wélke gegevens scholen ten hoogste mogen uitwisselen, gelet op de directe noodzaak en relevantie voor het leren en de begeleiding van de leerling op de nieuwe school.
Handelde de directeur van de school van Gemma6 in overeenstemming met wet- en regelgeving omtrent het leerlingdossier door haar dossier te verspreiden zoals is gebeurd?
De betreffende casus is mij niet bekend. Volgens het artikel in Metro betreft het een basisschoolleerling. Op grond van artikel 42 WPO stelt de directeur voor iedere leerling die de school verlaat, een onderwijskundig rapport op ten behoeve van de ontvangende school. Ook de permanente commissie leerlingenzorg of de commissie voor de indicatiestelling kunnen om een onderwijskundig rapport verzoeken.
Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Op welke gronden hebben de scholen waar Gemma aanklopte na te zijn weggepest geweigerd haar toe te laten?
Zoals bij vraag 10 aangegeven, ken ik de casus en dus ook de gronden van weigering niet. Scholen kunnen een leerling weigeren bijvoorbeeld wegens plaatsgebrek of op grond van denominatie.
Beschikten deze scholen op het moment van de weigering over het leerlingdossier van Gemma? Zo ja, welke rol heeft dit dossier gespeeld bij het bepalen van de weigeringsgrond?
Zie het antwoord op vraag 10 en 11.
Op welke wijze controleert de Inspectie van het Onderwijs de kwaliteit van de leerlingdossiers? Maakt de inspectie hierbij gebruik van een a-selecte steekproef of selecteert de te inspecteren school welke dossiers voor inspectie in aanmerking komen?
Om te kunnen oordelen over de kwaliteit van het onderwijs, betrekt de inspectie de gegevens die de school over een leerling registreert in het leerlingdossier. Selectie van de dossiers gebeurt door de inspecteur. De school zelf speelt hierin geen rol. Als de inspectie bij controle vaststelt dat de school wettelijke voorschriften niet naleeft, dan spreekt de inspectie de school hierop aan. Daarnaast beoordelen instellingsaccountants de (papieren) procedures, ook vanuit privacyoogpunt (administratieve organisatie). Dit wordt samen met eventuele andere signalen en/of klachten betrokken bij de risicodetectie.
Is het u bekend dat het College Bescherming Persoonsgegevens ouders met klachten over leerlingdossiers doorverwijst naar de klachteninstellingen in het onderwijs die daarvoor niet zijn bedoeld, noch over voldoende deskundigheid beschikken over de Wet bescherming persoonsgegevens?7
Het is mij bekend dat het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) zich niet de eerst aangewezen instantie acht om klachten in behandeling te nemen en dat zij verwijst naar klachteninstellingen binnen het onderwijs. De klachteninstellingen in het onderwijs zijn bedoeld voor alle mogelijke klachten over gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel van de school (artikel 14 van de WPO en artikel 24b, eerste lid, van de WVO). Dus daaronder vallen ook mogelijke klachten van ouders of leerlingen over het niet naleven door de school van voorschriften uit de Wbp of onderwijswetten ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens, het uitwisselen van leer- en begeleidingsgegevens en de rechten van ouders en leerlingen. Ik wijs hierbij ook op het CBP-Richtsnoer «Informatieplicht basisscholen met betrekking tot het onderwijskundig rapport» en het «Modelprivacyreglement verwerking leerlingengegevens voor PO en VO» die voor klachteninstellingen als leidraad kunnen dienen.
Bent u van mening dat de onderwijsconsulenten de bevoegdheid hebben om scholen op hun verplichting terzake het leerlingdossier aan te spreken, ingeval een stigmatiserend dossier de kansen voor de leerling te zeer beperkt?
Onderwijsconsulenten hebben hiervoor geen formele bevoegdheid. Zij adviseren en ondersteunen ouders en scholen bij ernstige schoolplaatsingsproblematiek. In overleg met de ouders onderzoeken en analyseren zij in ieder geval de situatie van de betrokken leerling en de betrokken scholen. Stuiten zij in hun onderzoek op een onderwijskundig rapport of leerlingdossier dat overbodige, niet relevante informatie bevat, dan zullen zij de betreffende school daar zeker op wijzen.
Aan welke onafhankelijke instantie kunnen ouders bezwaren voorleggen, in geval van een geschil waarbij de klachtencommissies niet de aangewezen instanties zijn, zodat met spoed een zorgvuldig oordeel kan worden gegeven waardoor conflicten tussen ouders en scholen zoveel mogelijk kunnen worden vermeden?
Een goed functionerende onafhankelijke klachtencommissie zal bij spoedeisende zaken ook spoed betrachten, een zorgvuldig oordeel geven en trachten conflicten tussen school en ouders zoveel mogelijk te beperken. Verder kunnen ouders altijd een kort geding of bodemprocedure aanspannen bij de rechter.
Overigens kunnen ouders die vermoeden dat hun kind met een handicap of chronische ziekte ongelijk is behandeld, hun klacht voorleggen aan de Commissie Gelijke Behandeling.
Waar hadden de ouders van Gemma de aantekeningen van de directeur van de school in haar leerlingdossier kunnen aanvechten? Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de OCW begroting 2012?
Ouders hebben recht op correctie van onjuiste informatie.
Als ouders het niet eens zijn met het professionele oordeel van de school en/of menen dat er onjuiste, niet relevante of onterechte informatie in het dossier zit dan kunnen zij de school verzoeken de betreffende informatie te verwijderen. Ook kunnen zij hun visie aan het rapport laten toevoegen. Dit is mijns inziens een aanvaardbare oplossing als bijvoorbeeld meningsverschillen bestaan over de inhoud. Als de school aan bovenstaande niet meewerkt, kunnen ouders een klacht indienen bij de klachtencommissie van de school. In het uiterste geval kunnen ouders zich tot de rechter wenden.
Basisscholen moeten ouders actief informeren over de inhoud van het onderwijskundig rapport. De school moet dit schriftelijk vastleggen.
Het vrijwillige mobiliteitsplan voor leerkrachten in krimpgebieden “in beweging” |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het project «In beweging» van het Personeelscluster Oost Nederland (PON)?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u dit initiatief, dat vanwege de terugloop in Oost-Nederland van werkgelegenheid voor leerkrachten in het primair onderwijs is opgezet om vrijwillige mobiliteit te stimuleren en om gedwongen ontslagen te voorkomen?
Dat beoordeel ik positief. Het is immers in het belang van werkgevers, werknemers en de sector dat alles wordt gedaan om werkloosheid te voorkomen.
Hoe beoordeelt u de positieve resultaten die in het afgelopen jaar zijn geboekt?
Het is positief dat er in het afgelopen jaar veel vrijwillige mobiliteit is ontstaan, dat er geen ontslagen nodig waren en dat boventalligheid – formatieve frictie – is weggenomen.
Kunt u bevestigen dat, na een verkennend gesprek met uw ministerie over het ondersteunen van het project, de initiatiefnemers door OCW zijn doorverwezen naar het Participatiefonds?
OCW heeft de initiatiefnemers doorverwezen om de volgende redenen. Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het personeelsbeleid en het mobiliteitsbeleid. Waar mogelijk ondersteunt het Participatiefonds de schoolbesturen hierbij. Als ontslag niet te vermijden is, financiert het fonds in principe de werkloosheidsuitkering. Het participatiefonds verevent de kosten van de werkloosheidsuitkeringen over alle schoolbesturen. De eventuele baten van een goed mobiliteitsbeleid komen zo via premieverlaging ten goede aan alle schoolbesturen. Ook verzorgt het Participatiefonds re-integratiebeleid. In verband met de geschetste rolverdeling is het PON doorverwezen.
Deelt u de mening, dat de samenwerking binnen het project «In beweging» de uitgaven van het Participatiefonds verlaagt doordat ontslaguitkeringen worden voorkomen?
zie vraag zeven.
Deelt u de mening dat een investering in een project zoals «In beweging» zich terugverdient door minder gedwongen ontslagen en meer arbeidsparticipatie van leerkrachten?
zie vraag zeven.
Bent u bereid financiële ondersteuning vanuit het Participatiefonds aan preventieve en kostenbesparende projecten, zoals het project «In beweging», te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het bestuur van het Participatiefonds om een beslissing te nemen over ondersteuning van projecten zoals het project «In beweging». Het Participatiefonds is een zelfstandig bestuursorgaan dat wordt bestuurd door vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers. Het Participatiefonds heeft de deskundigheid om te beoordelen of met dit project ontslaguitkeringen worden voorkomen en of het project zich terugverdient.
Wanneer en voor welke omvang kan het project «In beweging» voor financiële ondersteuning in aanmerking komen?
Zoals bij vraag 7 aangegeven: het is aan het bestuur van het Participatiefonds om hierover een beslissing te nemen. Werkgevers en werknemers dragen samen de verantwoordelijkheid voor het personeelsbeleid en het mobiliteitsbeleid. Het is mijn verantwoordelijkheid om te zorgen voor een stelsel dat schoolbesturen de ruimte biedt om hun verantwoordelijkheid waar te maken. Daarom zorg ik er voor dat de besturen in krimpgebieden voldoende tijd krijgen om de transitie te maken naar een goed en toegankelijk onderwijsaanbod van voldoende diversiteit. Een aantal voorzieningen kent het stelsel al. De daling van de bekostiging loopt altijd een jaar achter op de daling van het aantal leerlingen (de t-1 bekostiging). Kleine scholen krijgen meer bekostiging per leerling dan grotere scholen (door de kleine scholen toeslag en de vaste voet per school). Scholen die fuseren, krijgen de vermindering van de bekostiging twee jaar gecompenseerd (eerste jaar 100%, tweede jaar 50%). De opheffingsnormen worden elke vijf jaar aangepast aan de demografische ontwikkelingen. Bij daling van het aantal leerlingen, dalen zo ook de opheffingsnormen, waardoor er ook in dunbevolkte gebieden voldoende scholen zijn. De bekostiging van scholen stopt pas nadat scholen drie jaren achtereen onder de opheffingsnorm zitten. Er zijn verschillende bepalingen in de wet opgenomen, waardoor scholen ook onder de opheffingsnorm kunnen blijven bestaan (laatste school van een richting, geen andere scholen in de buurt).
Daar zijn, of worden binnenkort, de volgende maatregelen aan toegevoegd. Er komt een wetsvoorstel om er voor te zorgen dat de bekostiging van scholen pas stopt nadat scholen vijf achtereenvolgende onder de opheffingsnorm zitten. Dat geeft besturen meer tijd. De regeling die het verlies van bekostiging bij fusie compenseert wordt verlengd van twee jaar naar vijf jaar (eerste jaar 100% compensatie, daarna elk jaar 20% minder). Ook dat geeft meer tijd.
Daarnaast is ter wille van de denominatieve diversiteit in het onderwijsaanbod de samenwerkingsschool (een school die zowel openbaar als bijzonder is) mogelijk gemaakt, als anders het openbaar onderwijs of het onderwijs van een richting met opheffing wordt bedreigd. Ook kan ik toestaan dat scholen met minder dan 23 leerlingen tijdelijk worden opengehouden, als er op termijn perspectief is op meer leerlingen. Dat kan van belang zijn als juist deze school bij de herschikking van het onderwijs aanbod open zou moeten blijven om leerlingen van andere scholen die moeten sluiten op te vangen.
Dit pakket van voorzieningen biedt schoolbesturen voldoende tijd en geld om de overgang naar een kleinere organisatie met minder scholen beheerst te maken en om de formatie geleidelijk aan te passen aan de verminderde aantallen leerlingen. Zo zorg ik voor de nodige aanpassingen in het stelsel en bied ik de werkgevers en werknemers tijd en ruimte om te zorgen voor een goed mobiliteitsbeleid.
Pre-masters |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het voornemen van de Vrije Universiteit te Amsterdam om geen premasterprogramma’s meer aan te bieden?1
Ik ken het artikel in Ad Valvas van 27 oktober 2011 waarin gesuggereerd wordt dat de Vrije Universiteit (VU) te Amsterdam premasters gaat afschaffen. Dit is echter niet juist. De VU biedt hbo-studenten die een master aan de VU willen volgen drie manieren om in te stromen:
Per 1 september 2012 geldt bij de VU dat premasters van maximaal 30 ECTS zijn te volgen tegen een collegegeld ter hoogte van het wettelijk collegegeld. Als er meer modules gevolgd moeten worden dan 30 ECTS is dat op basis van contractonderwijs met de daarvoor door de VU vastgestelde tarieven.
Zijn er meer instellingen met soortgelijke voornemens?
Ik beschik niet over informatie dat universiteiten van plan zijn om te stoppen met het aanbieden van premasters. Ook de VU blijft premasters aanbieden.
Wat betekent dit voor de kosten die een hbo’er moet maken om een master te kunnen volgen?
In het algemeen vind ik dat universiteiten geen financiële belemmeringen voor studenten moeten opwerpen voor de doorstroom van hbo-bachelor naar wo-master, maar ik vind ook dat er grenzen zijn aan de lengte van schakelprogramma’s die tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld worden aangeboden.
Ik maak een onderscheid in drie soorten doorstroomtrajecten:
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat premasters veel duurder worden, omdat het studenten ervan zal weerhouden om verder te studeren? Zo nee, waarom niet?
Ik beschouw premasters als een programma dat in principe niet langer duurt dan 30 ECTS en tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld gevolgd kan worden. Dit zal ik ook wettelijk regelen.
Bij «trajecten»van meer dan 30 ECTS is er mijns inziens geen sprake meer van «schakelen» tussen bachelor en master en mogen instellingen dan ook een hoger collegegeld vragen.
Bent u bereid met de universiteiten af te spreken dat premasters onder het normale collegegeld moeten blijven vallen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Borg en handel rond schoolboeken |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Was de regering bekend met de omruil- en borgacties van Van Dijk Educatie? Wat is uw beleidsmatige reactie op deze actie?
Via het persbericht in het Algemeen Dagblad van 2 november jl. is voor het eerst kennisgenomen van deze acties van Van Dijk Educatie.
Het doel van een borg voor de «gratis schoolboeken» is om ervoor te zorgen dat leerlingen zorgvuldig omgaan met de schoolboeken. Zolang initiatieven niet strijdig zijn met dit doel, er geen sprake is van gedwongen winkelnering en de belangen van de school, leerling of ouder niet in het gedrang komen, zie ik geen reden mij te mengen in dit soort commerciële acties. Wél wil ik benadrukken dat wij door de commotie rondom de borg eind 2010 met betrokken partijen een aantal uitgangspunten hebben geformuleerd voor een zorgvuldige omgang met de borg en een heldere communicatie naar ouders.1 Ik roep alle partijen op deze uitgangspunten te hanteren.
Acht u het wenselijk dat commerciële partijen blijkbaar rente trekken van het borggeld? Over hoeveel geld gaat het exact? Acht u het wenselijk dat een deel van de borg mag worden omgezet naar een winkeltegoed?
Wanneer een boekleverancier een borg aan ouders vraagt, gebeurt dit in opdracht van de school. Hoe de borgregeling wordt uitgevoerd hangt af van de afspraken die de school, na overleg en met instemming van de oudergeleding van de medezeggenschapsraad, met de boekleverancier heeft gemaakt. Het betreft hier dus een zaak tussen school en leerlingen/ouders aan de ene kant, en de boekleverancier aan de andere kant. Zie ook de beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 3148, 3760, en vergaderjaar 2009–2010, nr. 910, nr. 2501, nr. 3355).
Bij de afweging die scholen maken voordat zij een borgstelling in de Europese aanbesteding opnemen, is naar ik aanneem dit rentevoordeel voor de desbetreffende commerciële partij aan de orde geweest. Ik zie geen reden mij nu hierin te gaan mengen. Wij voeren geen beleid op het bedrag dat met de borg gemoeid is. Het betreft immers geld van de ouders en niet van de overheid. Noch ga ik over de wijze waarop ouders of leerlingen hun terug te ontvangen borg moeten besteden. Indien scholen en/of ouders geen borgacties wensen, dan adviseer ik scholen om dit bij een volgende aanbesteding vast te leggen.
Bent u bekend met gelijksoortige acties van andere boekaanbieders? Zo ja, welke en hoe is uw reactie daarop?
Andere «commerciële» acties rondom de borg van «gratis schoolboeken» zijn mij niet bekend.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken niet wenselijk is? Wat wilt u doen om dit soort gebruik van de overheidsbetaalde schoolboeken tegen te gaan?
Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2.
De wetenschappelijke fraude van de heer Stapel |
|
Jasper van Dijk , Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Hoe oordeelt u over de aanbevelingen van de Commissie Levelt inzake de fraude van de gewezen hoogleraar psychologie, de heer Stapel?1
De aanbevelingen van de Commissie Levelt zijn gericht aan de betrokken instellingen. Het is aan de instellingen om hiermee op een verstandige manier om te gaan. Meer in het algemeen merk ik op dat ik mij zeer goed kan vinden in de aanbevelingen. Zo stelt het rapport dat vertrouwen de basis moet blijven voor samenwerking in de wetenschap en dat dit niet kan worden vervangen door bureaucratische maatregelen. Ik ben in dit verband verheugd over de voortvarendheid waarmee de wetenschappelijke gemeenschap omgaat met de door de Commissie Levelt geconstateerde schending van de wetenschappelijke integriteit. Zo heeft de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een commissie ingesteld onder leiding van Prof. dr.mr. C.M. Schuyt. Deze commissie zal in kaart brengen hoe binnen verschillende vakgebieden wordt omgegaan met het verzamelen en verspreiden van gegevens en hoe onderzoekers en hun werkgevers ervoor zorgen dat normen voor wetenschappelijke integriteit worden nageleefd. Ook zal de commissie adviseren hoe met name jonge onderzoekers ertoe kunnen worden gebracht om wetenschappelijk integer om te gaan met onderzoeksgegevens. De commissie adviseert hierover in april volgend jaar. De VSNU en de rectores magnifici hebben besloten te bezien of de code wetenschapsbeoefening dient te worden aangescherpt en of bestaande beoordelingsmechanismen voldoende zijn toegerust om integriteitsinbreuken te kunnen voorzien. Ook zal de VSNU zich in dit verband buigen over de onderzoekscultuur bij de instellingen.
Wat vindt u van de aanbeveling om een laagdrempelige vertrouwenspersoon voor fraude aan te stellen en van de aanbeveling om ervoor te zorgen dat onderzoeksgegevens voor ten minste vijf jaar zijn te raadplegen? Vindt u het juist dat deze aanbevelingen op alle universiteiten worden toegepast?
In de interim-rapportage wordt gesteld dat Universiteit Tilburg een vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit dient aan te stellen volgens de richtlijnen van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dit laatste is in overeenstemming met het reglement van het LOWI waarin sprake is van een «vertrouwensinstantie». In dit verband merk ik op dat dit reglement is opgesteld door het Dagelijks Bestuur van de KNAW, na overleg met VSNU en NWO. Universiteiten hebben zich daarmee gecommitteerd aan de werkwijze van het Landelijk Orgaan. Ik ben het met vragenstellers eens dat de toegang tot een vertrouwenspersoon laagdrempelig moet zijn. Ik verwijs hierbij naar de Notitie Wetenschappelijke Integriteit2 waarin is gesteld dat de vertrouwensfunctie niet verenigbaar is met een aantal functies zoals die van lid van het college van bestuur, leider van een onderzoeksschool etc. VSNU zal nagaan of bij alle instellingen aan de voorwaarde van laagdrempeligheid wordt voldaan. Wat betreft de bewaartermijn van onderzoeksgegevens verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
In hoeverre heeft de huidige gedragscode van universiteiten gefaald, aangezien daarin staat dat (ruwe) onderzoeksgegevens vernietigd moeten worden?
De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening heeft niet gefaald. Individuele overtredingen, hoe zwaar ook, duiden niet op een falen van de code. Dit geldt eveneens voor de onlangs aan de orde gekomen fraude van de heer Poldermans. De gedragscode stelt niet dat ruwe onderzoeksgegevens moeten worden vernietigd, integendeel. Artikel III.3 van de code schrijft voor dat ruwe onderzoeksgegevens minimaal vijf jaar worden bewaard. Gedurende deze periode moet de wetenschappelijke gemeenschap hierin inzage kunnen hebben. De universiteiten zullen nagaan of een strikter beleid op de naleving van de bewaartermijnen kan worden gehanteerd.
Wat vindt u ervan dat sommige onderzoekers in alle beslotenheid te werk kunnen gaan? Bent u het eens met de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) dat de cultuur binnen universiteiten opener moet worden?
Een grote mate van openheid en transparantie horen bij een gezond wetenschappelijk klimaat. Het hoort bij de taak van de President van de KNAW om deze openheid te bepleiten. Ik betreur het zeer dat de heer Stapel op deze wijze in beslotenheid te werk heeft kunnen gaan. Overigens vindt het overgrote deel van het wetenschappelijk onderzoek in teamverband plaats. Ik ben het met de President van de KNAW eens dat de cultuur rond wetenschapsbeoefening en de naleving van gedragsregels rond integriteit opener moet. Dit is door KNAW en VSNU met voortvarendheid opgepakt; zie ook het antwoord op vraag 1.
Wat vindt u van het argument dat onderzoekers onder druk staan om te scoren en dat onderzoeksmiddelen schaars zijn? Deelt u de mening dat dit nooit een excuus kan zijn voor fraude, maar dat dit wel een punt van zorg kan zijn?
Dit kan geen argument zijn. De wil om te presteren en met anderen te concurreren is een heel normaal verschijnsel in de samenleving. Dit geldt niet alleen voor wetenschappers maar ook voor bijvoorbeeld artsen, kunstenaars en topsporters. In de wetenschap zorgt gezonde concurrentie ervoor dat onderzoeksmiddelen bij de beste wetenschappers en de beste onderzoeksgroepen terecht komen. Wel ben ik van mening dat juist onder condities van schaarste en concurrentie er sprake moet zijn van de juiste checks and balances. Hiervoor moeten de wetenschappelijke instellingen en hun werknemers gezamenlijk zorgdragen.
Wat kunt u doen om vergelijkbare gevallen als de fraude van de heer Stapel te voorkomen? Bent u bereid om met universiteiten in gesprek te gaan over het hanteren van de Verklaring van Onafhankelijke Wetenschap van de KNAW? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ik al in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, onderschrijf ik de conclusie van de Commissie Levelt dat vertrouwen niet kan worden vervangen door bureaucratische maatregelen. De Verklaring van Onafhankelijke Wetenschap betreft een voorstel van de KNAW in haar advies «Wetenschap op bestelling» en heeft betrekking op de relatie tussen onderzoeker en opdrachtgever bij contractonderzoek. Dit voorstel is door het vorige kabinet niet overgenomen omdat het tekenen van een verklaring van onafhankelijkheid bij ieder in opdracht uitgevoerd onderzoek te veel administratieve lasten met zich meebrengt (TK, 29 338, nr. 68). De universiteiten hebben het advies van de KNAW destijds wel onderschreven, en dat nemen zij in de praktijk ook ter harte.
Kunt u een rol spelen in de «bescherming» van onderzoekers die gelieerd zijn aan de heer Stapel? Deelt u de mening dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat zij onterecht beschadigd raken?
Uiteraard deel ik de opvatting dat betrokkenen niet onterecht beschadigd mogen raken. Ik vind dit op de weg liggen van de betrokken instellingen en hun bestuurders. De interim-rapportage bevat hiervoor de nodige aanbevelingen, zoals het uitgeven van verklaringen voor reeds gepromoveerden en het bieden van goede mogelijkheden voor betrokkenen die nog in hun promotietraject zitten om alsnog te promoveren. De betrokken instellingen hebben aangegeven te willen voorkomen dat betrokken onderzoekers en promovendi worden beschadigd. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat hiervan geen sprake zal zijn.
Studiefinanciering voor studenten uit het buitenland |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD), Malik Azmani (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoeveel buitenlandse studenten tevens als migrerend werknemer worden aangemerkt en studiefinanciering ontvangen en welk percentage zij uitmaken van het totaal aan Europese studenten in Nederland en hoe dit percentage zich heeft ontwikkeld over de afgelopen 5 jaar?1
In onderstaande tabel is te lezen hoeveel studenten tevens als migrerend werknemer worden aangemerkt en volledige studiefinanciering ontvangen. Dit aantal is afgezet tegen het totale aantal studenten uit de Europese Economische Ruimte en Zwitserland dat in Nederland studeert.
Aantallen
2006
2007
2008
2009
2010
2011
migrerend werknemers met SF
1 509
2 028
2 663
3 388
4 186
4 823
Europese studenten (EER + CH)
24 457
27 604
31 351
35 681
38 397
41 845
Percentage
6.2%
7.3%
8.5%
9.5%
10.9%
11,5%
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld er jaarlijks aan studiefinanciering wordt uitgekeerd aan studenten uit het buitenland die tevens de status migrerend werknemer hebben?
Onderstaande tabel geeft een indicatie van de studiefinancieringsbedragen die sinds 2006 zijn uitgekeerd aan studenten die ook migrerend werknemer zijn.
Bedragen (indicatief)
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Uitgaven (x € 1 miljoen)
6
8
10
14
20
26
Kunt u aangeven op basis van welke Europese verplichting de beleidsregel inzake het controlebeleid migrerende werknemers is gebaseerd en in hoeverre er sprake is van een Nederlandse kop op het Europees beleid?
Studiefinanciering is door het Europese Hof van Justitie aangemerkt als een sociaal voordeel (zie de arresten in de zaak Bernini C-3/90 en Meeusen C-337/97). Om belemmeringen in de mobiliteit van werknemers zoveel mogelijk weg te nemen moeten alle burgers van de Unie die in het gastland economisch actief zijn («migrerende werknemers»), wat betreft de aanspraak op sociale voorzieningen, gelijk worden behandeld als de onderdanen van het gastland. Dit is onder meer opgenomen in artikel 7, tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 492/2011 (verordening over het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie) en artikel 24 van Richtlijn 2004/38/EG (richtlijn over het vrije verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden).
Economisch actief houdt in: het in loondienst verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid, gedurende een bepaalde tijd, voor een ander en onder diens gezag. Dit volgt uit verschillende uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Voor de beoordeling van het «reële en daadwerkelijke» karakter van arbeid moet in beginsel de gehele arbeidsrelatie onder de loep worden genomen. Hierbij kunnen zaken zoals arbeidsloon en het aantal gewerkte uren een rol spelen. Omdat het voor de uitvoering veel werk zou zijn om in alle afzonderlijke gevallen de arbeidsrelatie in haar geheel te beschouwen, hanteert Nederland voor de toekenning van studiefinanciering tot nu toe een norm van minimaal 32 gewerkte uren per maand. Dit wordt gecontroleerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Als er minimaal 32 uur per maand gewerkt is, wordt de status van migrerend werknemer over die maand zonder meer aangenomen.
Kunt u aangeven welke andere sociale voorzieningen openstaan voor studenten uit het buitenland die tevens de status migrerend werknemer hebben?
Studenten hebben de hierboven aangehaalde verordening over het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie niet nodig om een beroep te kunnen doen op andere sociale voorzieningen dan studiefinanciering.
Hoe vindt de controle plaats op het aantal gewerkte uren van de buitenlandse studenten met een status migrerend werknemer?
Bij de aanvraag van studiefinanciering moeten migrerende werknemers een passende arbeidsovereenkomst overleggen. DUO controleert de rechtmatigheid van de toegekende studiefinanciering. Bij de controle op het migrerend werknemerschap moeten studenten het door hen gewerkte aantal uren aantonen door middel van salarisstrookjes en een ingevulde werkgeversverklaring. Alle gevallen worden individueel beoordeeld.
Is er ruimte om de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de status migrerend werknemerschap voor studenten aan te scherpen?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, geeft Europa niet één concrete norm voor de invulling van het begrip «reële en daadwerkelijke arbeid». In beginsel moet immers rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de betreffende situatie in het desbetreffende land. Desondanks kan een basisurennorm voor de uitvoering van de studiefinanciering, zoals de Nederlandse, handig en toelaatbaar zijn, als daarnaast maar de mogelijkheid blijft bestaan om in individuele gevallen andere omstandigheden mee te wegen.
Voor de toepassing van het vreemdelingenbeleid bevat de Vreemdelingencirculaire een uitleg van het begrip «reële en daadwerkelijke arbeid». Uitgangspunt hierbij is dat het inkomen meer moet bedragen dan de helft van de bijstandsnorm die voor die persoon geldt. Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in elk geval voldaan, als ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Tot slot kunnen zowel de duur als de regelmaat van de werkzaamheden een rol spelen bij de beoordeling (bijvoorbeeld bij oproepcontracten).
De bij de studiefinanciering gebruikte Nederlandse 32-urennorm past binnen deze uitleg. Wel is deze basisurennorm destijds, om uitvoeringstechnische redenen, relatief laag gekozen ten opzichte van de hierboven aangehaalde 40% aan gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit heeft geleid tot een groot aantal migrerende werknemers met studiefinanciering. Dit aantal is in de loop der tijd toegenomen.
Uitgaande van het in de Vreemdelingencirculaire opgenomen uitgangspunt (40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd) is er ruimte om de 32-urennorm op te hogen naar een minimumaantal van 56 gewerkte uren per maand. Ik ben voornemens deze aanscherping met ingang van volgend kalenderjaar door te voeren. De nieuwe norm is daarmee in lijn met de Vreemdelingencirculaire.
Payrollen bij een ROC |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel over payrollen bij een Regionaal opleidingscentrum (ROC)?1
Ja.
Deelt u de opvatting, dat het zeer ongewenst is om een pay roll constructie in te zetten opdat de inlenende werkgever (het ROC Eindhoven) het eigenrisicodragerschap van de Werkloosheidswet (WW) kan ontlopen?
Sinds de introductie van het eigenrisicodragerschap WW in 2001 is het uitgangspunt dat de overheidswerkgever zelf het risico draagt t.a.v. de werkloosheidslasten voor overheidswerknemers. Het is ongewenst dat het WW-risico voor overheidswerknemers wordt afgewenteld op WW-fondsen in de marktsector, zoals eerder aangegeven in de beantwoording van Kamervragen over Pay-Rollbedrijven uit 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel, nr. 438).
Het staat instellingen als ROC’s echter vrij om marktpartijen (zoals payrollondernemingen) in te schakelen om met een flexibel aanbod onderwijs aan te kunnen bieden aan partijen die daar om vragen. Zeker als het gaat om werkzaamheden met een element van marktwerking waarvoor een ROC een marktconform werkloosheidsrisico loopt. Uit het aangehaalde artikel blijkt dat het geval te zijn bij het ROC Eindhoven. Payrollwerknemers zijn geen werknemers van de overheid, maar van de payrollonderneming. Het gevolg van de inhuur van payrollmedewerkers is dat de financiële gevolgen van het risico van werkloosheid voor de payrollmedewerkers worden gefinancierd via een marktconforme premie.
Deelt u de mening dat de kosten van de WW op deze wijze worden afgewenteld op het collectief?
De keuze voor inhuur van medewerkers van een payrollonderneming betekent dat de eventuele werkloosheidslasten van die medewerkers worden gedragen door sociale fondsen waar overwegend marktwerkgevers aan bijdragen. De payrollonderneming betaalt premies aan het sectorfonds en het Algemeen werkloosheidsfonds ter dekking van het risico van werkloosheid van de payrollwerknemers. De overheidsinstelling draagt in zo’n situatie niet direct de lasten van de eventuele WW-uitkeringen. De prijs van het risico op WW is echter verdisconteerd in de prijs die de payrollonderneming aan de overheidsinstelling rekent voor haar diensten. In die zin is dus geen sprake van uitkeringen die zonder eigen bijdrage van die overheidsinstelling worden afgewenteld op het collectief.
Zo ja, welke acties gaat u ondernemen zodat deze praktijk wordt gestopt?
Het kabinet heeft de Stichting van de Arbeid om advies gevraagd over payrolling. De Stichting brengt naar verwachting in december advies uit. Daarna zal het kabinet met een reactie komen waarbij tevens zal worden ingegaan op het beleid ten aanzien van inhuur van payrollmedewerkers bij de rijksoverheid.
12.000 leerwerkbanen die in de uitzendbranche op de tocht worden gezet |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Deelt u de mening van de branchevereniging van uitzendorganisaties (ABU) dat het plan om de regeling Wet Vermindering Afdracht Onderwijs aan te passen en uitzendbureaus niet meer in aanmerking te laten komen voor belastingvoordeel,12 000 leerwerkbanen op de tocht zal zetten in de uitzendbranche?1 Zo nee, waarom niet?
Nee.
De afdrachtvermindering onderwijs binnen de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die erkende leerbedrijven maken bij het verzorgen van de beroepspraktijkvorming (bpv) als onderdeel van een mbo-opleiding. Een leerling-werknemer is verminderd inzetbaar in het leerbedrijf en wordt vakinhoudelijk begeleid door een praktijkopleider van het leerbedrijf.
Uit de praktijk zijn signalen gekomen dat bij inschakeling van een intermediaire werkgever, de tegemoetkoming niet altijd ter dekking van deze kosten wordt aangewend en de afdrachtvermindering dus niet terechtkomt bij het leerbedrijf terwijl dit wel de bedoeling is. In sommige gevallen komt dit doordat het leerbedrijf er niet mee bekend is dat deze tegemoetkoming bestaat.
Ter bevordering van de bereidheid van erkende leerbedrijven om bpv-plaatsen aan te (blijven) bieden, is er derhalve voor gekozen de wet op dit onderdeel te verduidelijken. De verduidelijking houdt in dat de afdrachtvermindering bij inschakeling van een intermediaire werkgever deels of volledig moet toekomen aan het erkende leerbedrijf, afhankelijk van de onderling overeengekomen taakverdeling (zie ook mijn antwoord op vraag 3). Dit om te borgen dat de tegemoetkoming daadwerkelijk wordt ingezet ter dekking van de kosten van de bpv die door het erkende leerbedrijf worden gemaakt. De verwachting is dat het aanbod aan bpv-plaatsen door deze maatregel juist positief wordt beïnvloed.
Hoe rijmt u deze ingreep met de grote scholingsrol die de uitzendbranche vervult en het overheidsbeleid dat juist de uitzendsector een grotere rol wil geven in de bemiddeling en kwalificatie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt?
Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 1, verzorgt het erkende leerbedrijf – en dus niet de uitzendwerkgever – de beroepspraktijkvorming als onderdeel van de beroepsopleiding.
Wel leveren uitzendwerkgevers in voorkomende gevallen een belangrijke bijdrage aan het bemiddelen en begeleiden van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt, waarbij steeds vaker scholing wordt ingezet. Ik ben blij met deze inspanning van uitzendwerkgevers, maar dit dient wel los te worden gezien van het feitelijk opleiden van mbo-studenten als onderdeel van de beroepsopleiding. Het opleiden van mbo-studenten in het kader van een mbo-opleiding geschiedt door de mbo-instelling, wat betreft de schoolse component, en door het erkende leerbedrijf, wat betreft de praktijkcomponent.
Laat het u onverschillig dat uitzendondernemingen vaak jongeren zonder startkwalificatie opleiden voor beroepen in sectoren waar op termijn een groot tekort aan vakmensen ontstaat, zoals de techniek, zorg, logistiek en administratie? Zo neen, wat gaat u dan ondernemen om het probleem dat hiermee voor de arbeidsmarkt wordt gecreëerd, verhelpen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, ben ik blij dat uitzendwerkgevers bereid zijn kwetsbare jongeren, vaak met inzet van scholing, te bemiddelen en te begeleiden naar de arbeidsmarkt. Ingeval uitzendwerkgevers deze jongeren bovendien bemiddelen naar sectoren waarin een tekort aan vakmensen is dan wel dreigt, strekt dit tot voordeel van de individuele jongere en het sectorale bedrijfsleven dat met deze (dreigende) tekorten te maken heeft.
De staatsecretaris van Financiën heeft mede daarom in overleg met mij onlangs besloten de voorwaarden rondom de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs bij inschakeling van een intermediaire werkgever (zoals de uitzendwerkgever) te versoepelen.
De belangrijkste reden hiervoor is dat een intermediaire werkgever weliswaar niet de bpv verzorgt, maar wel overige begeleiding – zoals loopbaanbegeleiding – biedt aan de mbo-student. Ook blijkt een intermediaire werkgever het leerbedrijf substantieel te ontlasten door (administratieve) handelingen te verrichten die normaliter een leerbedrijf (tevens zijnde werkgever) zelf verricht. Bij de uitwerking van de maatregel in de ministeriële regeling zal het daarom aan partijen (leerbedrijf en de intermediaire werkgever) worden overgelaten om te komen tot een verdeling van de afdrachtvermindering onderwijs. Dit zal intermediaire werkgevers in staat stellen voornoemde taken op zich te blijven nemen. Partijen zullen contractueel wel tot uitdrukking moeten laten komen dat ze bij deze verdeling acht hebben geslagen op de onderlinge taakverdeling in relatie tot het doel van de afdrachtvermindering. Dit zal ervoor zorgen dat voortaan ook bij de inschakeling van een intermediaire werkgever sprake is van een transparante aanwending van de afdrachtvermindering conform het doel waarvoor de afdrachtvermindering is bestemd.
Het artikel ‘Ondernemende universiteit in zwaar weer’ |
|
Jasper van Dijk , Tanja Jadnanansing (PvdA), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ondernemende universiteit in zwaar weer»1 en de reactie van TU Delft op dit artikel?
Ja.
Hoewel een aantal van de aangehaalde punten in het artikel niet nieuw zijn, geeft dit artikel en de reactie van TU Delft u aanleiding om een nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de besteding van de middelen die de TU Delft ontvangen heeft? Welke mogelijkheden heeft u om in te grijpen bij onrechtmatige bestedingen? Ziet u hiertoe aanleiding?
In het artikel van de NRC «Ondernemende universiteit in zwaar weer» van 22 oktober 2011 wordt gesteld dat bij de TU Delft sprake zou zijn van onrechtmatig uitgeven van rijksmiddelen, verliezen op vastgoed en gebrek aan aandacht voor integriteit.
Naar aanleiding van dit artikel heb ik overleg gevoerd met het College van Bestuur van TU Delft. Dit gesprek ging over de analyse van de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van het genoemde krantenartikel.
Op basis van dit overleg heeft de Inspectie van het Onderwijs de inbreng van TU Delft nader gevalideerd. TU Delft heeft hierbij voornemens kenbaar gemaakt met betrekking tot de verbetering van het beheerssysteem voor het declareren van reis- en verblijfskosten, het betrachten van gepaste soberheid, het inzetten van een awarenessproject over de intern vastgestelde gedragscode.
Aanvullend heeft de Inspectie TU Delft een brief gestuurd over een aantal verbeterpunten bij TU Delft. Deze gaan over het inkoopbeleid en de inkoopprocedures, nevenwerkzaamheden, beheer van het vastgoed en de onkostenvergoedingen.
De Inspectie vraagt TU Delft in het najaar of bij het jaarverslag 2011 te rapporteren over de voortgang van de verbeterpunten. De TU Delft heeft met de brief van 13 februari 2012 haar eerder geuite voornemens bevestigd en tevens aangegeven in te stemmen met de door de Inspectie gevraagde verbeterpunten.
Dat is voor mij afdoende.
Deelt u de mening dat de € 300 mln. die de TU Delft jaarlijks aan belastinggeld ontvangt, bedoeld is voor onderwijs en onderzoek en niet voor het voeren van rechtszaken tegen de overheid en voor het betalen van bestuurlijke boetes voor te veel verdienende voorzitters?
Zoals elke rechtspersoon heeft ook TU Delft de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen beslissingen van de rijksoverheid. De middelen die TU Delft van OCW ontvangt zijn bestemd voor onderwijs, onderzoek, beheer en bestuur van de instelling, daartoe hoort in sommige gevallen ook de gang naar de rechter.
Kunt u bevestigen dat PricewaterhouseCoopers (PwC) de TU Delft in 2007 en 2008 een goedkeuring onthield op de jaarrekening? Is het waar dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is geïnformeerd door PwC, maar dat er geen maatregelen zijn genomen? Kunt u toelichten waarom er vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geen maatregelen genomen zijn?
Ja. De reden waarom de accountant goedkeuring bij TU Delft onthield was het niet aanbesteden van opdrachten volgens de richtlijnen voor Europese aanbesteding. Voor het niet naleven van de Europese aanbestedingsregels heeft de Nederlandse overheid geen sanctiebeleid. Wel kunnen private partijen besturen van instellingen hierop aanspreken als zij zich geschaad voelen bij het niet Europees aanbesteden van opdrachten. Zij kunnen dan een schadeclaim indienen bij de aanbestedende instantie. Het niet Europees aanbesteden zegt op zich niets over het al dan niet daadwerkelijk marktconform aanbesteden en ook niet over het niet aanwenden van middelen voor de primaire taken van instellingen. De Inspectie van het Onderwijs zag daarom geen aanleiding tot het treffen van maatregelen.
Het aantrekken van getalenteerde Chinese studenten door Nederlandse universiteiten |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De strijd om Chinees toptalent»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Chinese getalenteerde studenten nodig zijn om de Nederlandse kenniseconomie op stoom te krijgen en te houden?
Ja, Nederland wil aantrekkelijk zijn voor getalenteerde buitenlandse studenten. Door hun motivatie en achtergrond zijn ze een verrijking voor het Nederlandse hoger onderwijs en kunnen ze bijdragen aan de versterking van de kenniseconomie. Ook de WRR en AWT benadrukken het belang van het benutten van buitenlands kennispotentieel.
Bent u het tevens van mening dat niet alle kracht van de kenniseconomie uit buitenlandse studenten geput kan worden, maar dat forse investeringen in Nederlandse studenten ook noodzakelijk blijven?
Ja. Naast het aantrekken van buitenlandse getalenteerde studenten, het aanbieden van international classrooms en het stimuleren van internationale mobiliteit neem ik met de Strategische Agenda «Kwaliteit in verscheidenheid» maatregelen om de positie van Nederland als kenniseconomie te versterken, o.a. door ruimte voor differentiatie en profilering en intensief en activerend onderwijs voor studenten te bevorderen.
Bent u bereid om de Nederlandse universiteiten te helpen bij het werven van talenten nu zij het steeds vaker afleggen tegen concurrerende landen?
Door de toegenomen concurrentie binnen de internationale markt voor hoger onderwijs zullen Nederlandse hoger onderwijsinstellingen meer kwaliteit moeten leveren in de slag om het aantrekken van talent. Met de Strategische Agenda «Kwaliteit in verscheidenheid» neem ik maatregelen om dit te bewerkstelligen. Uitgangspunt voor het werven van talent door de instellingen is en moet zijn dat zij zich bij de werving en selectie laten leiden door kwaliteit.
Bent u bereid de knelpunten die in de uitzending van Nieuwsuur worden genoemd, zoals hoge visumkosten en het wegvallen van de Huygensbeurzen, op korte termijn weg te nemen?
De toegankelijkheid van het Nederlandse hoger onderwijs is onderdeel geweest van de overwegingen bij de legesverhoging. Het kabinet is van mening dat de toegankelijkheid van Nederland voor studenten van buiten de EU niet in gevaar komt door de legesverhoging. Voor deze studenten, die hun studie en verblijf volledig zelf financieren, bestaan de kosten van de leges immers uit een klein deel van de totale kosten.
Het wegvallen van een programma als het Huygens Scholarship Programme betekent niet dat Nederland geen aantrekkelijke studielocatie kan zijn. Voor het ontwikkelen van academisch talent in Nederland zullen andere wegen moeten worden benut. Daarbij vind ik het gerechtvaardigd als in tijden van noodzakelijke overheidsbezuinigingen een groter beroep kan worden gedaan op investeringen uit particuliere hoek. De Nuffic onderzoekt de mogelijkheid om met privaat geld ook in de toekomst onder de naam Huygens Scholarship Programme beurzen aan studenten te verstrekken.
Bent u van mening dat, indien op dit soort problemen geen passende actie volgt, de geambieerde «Top-5-kenniseconomie»-ambitie langzaam een holle frase dreigt te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4 en vraag 5.
Het bericht dat het aantal deeltijdstudenten sterk gedaald is |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Een leven lang leren? Dat wordt zwaar beboet»?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Kunt u bevestigen dat het aantal aanmeldingen door deeltijdstudenten drastisch is gedaald, naar schatting met 30% voor het wetenschappelijk onderwijs en met 13% voor het hoger beroepsonderwijs?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. In het bericht wordt gesproken over het aantal vooraanmeldingen. Wat uiteindelijk van belang is zijn de aantallen inschrijvingen. In januari 2012 worden de cijfers bekend met betrekking tot de inschrijvingen voor het studiejaar 2011/2012.
Hoe beoordeelt u deze drastische daling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Heeft u deze daling zien aankomen? Zo nee, hoe is dit te verklaren? Zo ja, waarom heeft u geen maatregelen genomen om de daling te voorkomen?
Zoals aangegeven heb ik op dit moment nog geen exact beeld van de aantallen inschrijvingen deeltijd hoger onderwijs in het lopende studiejaar. Het is wel duidelijk dat er reeds enige jaren sprake is van een daling in de aantallen nieuwe inschrijvingen voor het bekostigde deeltijdonderwijs hbo en wo en van een terugloop in het aanbod deeltijdstudies in het hoger onderwijs. In de Keuzegids deeltijdstudies is daar ook op gewezen. In de Strategische Agenda heb ik daarom een aantal maatregelen aangekondigd, zoals vergroting van de flexibiliteit in het onderwijsaanbod, een verkenning naar de toekomstbestendigheid van de definitie van deeltijdonderwijs in de wettelijke kaders, specifiek macrodoelmatigheidsbeleid ten aanzien van deeltijdonderwijs en een onderzoek naar verruiming van de leenfaciliteit collegegeldkrediet voor onder meer deeltijdstudenten. In het kader van de brede verkenning deeltijdonderwijs laat ik ook inventariseren hoe de instroomcijfers zich ontwikkelen op het niveau van afzonderlijke instellingen en welke factoren volgens de instellingen van invloed zijn op die ontwikkeling.
Bent u, gezien dit bericht, van mening dat u een uitzonderingsclausule voor (daadwerkelijke) deeltijdstudenten had moeten scheppen bij de invoering van de langstudeerdersregeling?
Ik ben niet van mening dat ik een uitzonderingsclausule voor deeltijdstudenten had moeten scheppen bij de invoering van de langstudeerdersmaatregel. Er is bij de behandeling van de Wet langstudeerders een motie van de heer Ganzevoort (GroenLinks) aangenomen waarin de regering verzocht wordt om in overleg met de sector vóór 1 september 2012 een regeling te treffen die disproportionele gevolgen voor deeltijdstudenten voorkomt. Ik heb aangegeven dat geen enkel kabinet en geen enkele bewindspersoon zal verdedigen dat beleid en wetgeving disproportionele gevolgen met zich zouden mogen meebrengen. Daarnaast ga ik de effecten van de langstudeerdersmaatregel monitoren, inclusief het effect hiervan op de deelname aan deeltijdopleidingen.
Bent u bereid op korte termijn maatregelen te nemen om in deeltijd studeren te stimuleren en het volgen van hoger onderwijs op latere leeftijd weer aantrekkelijker te maken?
Zie het antwoord op vraag 4.
De Wageningen Universiteit |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wageningen weet niet of melk gezond is»1
Ja
Klopt het dat het bericht «Joris Driepinter had toch gelijk» nog steeds online staat bij media van de Wageningen Universiteit , zonder dat sprake is van een rectificatie?2 Zo ja, bent u bereid Wageningen Universiteit daarop aan te spreken?
Ja. Het is aan Wageningen UR om te beslissen of zij berichtgeving over dit onderwerp in haar blad Resource voor studenten en medewerkers van Wageningen UR wel of niet intrekt. Ik constateer dat met de gezamenlijke verklaring van de onderzoekers de discussie een vervolg krijgt daar waar hij thuis hoort, in de wetenschappelijke wereld.
Kunt u aangeven waarom de Wageningen Universiteit onder een ander ministerie ressorteert dan alle andere Nederlandse universiteiten?
In de harmonisatiebrieven groen onderwijs (Kamerstuk 27 417, nrs. 7 en 10) zijn de uitgangspunten voor de rol van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie vastgelegd. Zoals in deze brieven is aangegeven maakt Wageningen Universiteit deel uit van de kennisinfrastructuur voor de sectoren Voedsel en Groen.
Voor Wageningen Universiteit gelden, onder verwijzing naar de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dezelfde regels als voor alle andere universiteiten. De uitgangspunten zoals opgenomen in genoemde brieven zijn nog steeds van kracht. De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is eindverantwoordelijk voor het groen onderwijs. Dit betekent dat hij verantwoordelijk is voor de inhoudelijke ontwikkelingen en voor een voldoende en actueel aanbod van groene opleidingen. In de praktijk werkt dit goed. De minister heeft het functioneren van de gouden driehoek van bedrijven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en overheid voor Agro& Food als voorbeeld genomen bij de ontwikkeling van zijn topsectorenbeleid. Wageningen Universiteit vervult hierin een gewaardeerde rol.
De kinderopvangtoeslag voor docenten in het voortgezet onderwijs en zelfstandig ondernemers |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat ouders die werken als docent in het voortgezet onderwijs, als gevolg van tussenuren, een hogere eigen bijdrage moeten gaan betalen door de nieuwe kinderopvangtoeslagregeling, waarbij er kinderopvangtoeslag gegeven wordt voor 140% (dagopvang) en 70% (na-schoolseopvang) van de gewerkte uren, aangezien hierin slechts wordt gekeken naar het aantal gewerkte uren, en dus niet naar tussenuren, hoewel die onlosmakelijk verbonden zijn aan het voorgezet onderwijs?
Ik verwacht dat het maximum aantal uren kinderopvangtoeslag ook voor de docenten over het algemeen voldoende zal zijn. Docenten hebben ongeveer dezelfde vakantietijden als hun kinderen waardoor zij vrijwel geen vakantieopvang nodig hebben. Dan is 70% van de gewerkte uren voor schoolgaande kinderen en 140% van de gewerkte uren voor niet schoolgaande kinderen op jaarbasis naar verwachting voldoende.
Daarnaast moeten docenten onder andere de lessen voorbereiden. Hiervoor krijgen docenten uren van de werkgever. Ook deze uren worden aangemerkt als gewerkte uren.
Deelt u de mening dat werknemers die gaten hebben in hun werkdag wel de hele dag kinderopvang nodig hebben?
Dat hangt af van de situatie. In sommige gevallen zal de hele dag kinderopvang nodig zijn en in sommige gevallen kan flexibele kinderopvang of gastouderopvang een oplossing bieden.
Klopt het dat ook andere groepen werkende ouders die geen arbeidscontract hebben, zoals zelfstandige ondernemers, of ouders met een nulurencontract, zoals veel thuishulpen, problemen kunnen tegenkomen met het definiëren van het aantal gewerkte uren, en daardoor problemen kunnen tegenkomen met de nieuwe kinderopvangtoeslagregeling?
Nee, deze ouders weten hoeveel uur zij hebben gewerkt. Ouders met een nulurencontract kunnen het aantal gewerkte uren aan de hand van een salarisstrook aantonen. Zelfstandig ondernemers moeten het aantal gewerkte uren aannemelijk maken aan de Belastingdienst. Dit is toegelicht in het besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in de kosten kinderopvang zoals gepubliceerd op 16 september jl. Deze systematiek wordt door de Belastingdienst ook bij de zelfstandigenaftrek gebruikt. Er is geen reden om te veronderstellen dat er problemen zullen ontstaan.
Bent u bereid voor die ouders die werk hebben waarbij het aantal «gewerkte uren» niet eenduidig is vast te stellen, zoals bij docenten door tussenuren, of bij zelfstandig ondernemers door het ontbreken van een arbeidscontract, of bij werknemers met een nulurencontract, een regeling te treffen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb reeds een regeling getroffen voor alle werkende ouders, waaronder de door u genoemde groep. Deze zal in 2012 in werking treden. Er is geen reden voor een specifieke regeling voor deze groep.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het volgende algemeen overleg over kinderopvang van 23 november 2011?
Ja.
Maatregelen waardoor minder studenten een masteropleiding gaan volgen |
|
Jasper van Dijk |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), waaruit blijkt dat circa twintig procent van de studenten geen masterstudie gaat volgen als de basisbeurs voor de masterfase wordt afgeschaft?1
Ik waardeer de bijdrage van het ISO aan het debat over de introductie van het sociaal leenstelsel in de masterfase. Het onderwerp is op 6 april 2011 aan de orde geweest in het Algemeen Overleg over studiefinanciering naar aanleiding van de beleidsnotitie «Studeren is investeren». Het zal opnieuw aan de orde komen als het wetsvoorstel hierover in behandeling zal worden genomen.
Ik wil wel opmerken dat nergens wordt voorgesteld om de basisbeurs zomaar af te schaffen. Dat is niet aan de orde. Het gaat er om dat in plaats van de basisbeurs een sociaal leenstelsel wordt geïntroduceerd, zodat de toegankelijkheid gewaarborgd blijft.
Ik acht het dan ook niet waarschijnlijk dat de bovengenoemde uitkomst van het ISO-onderzoek bewaarheid zal worden. Iedereen die kan en wil studeren, krijgt – binnen bepaalde grenzen – voldoende financiële ruimte om in een opleiding te investeren.
Erkent u dat afschaffing van de basisbeurs voor de masterfase een negatief effect heeft op de toegankelijkheid?
Zie vraag 1.
Wat gaat u ondernemen om te voorkomen dat twintig procent potentieel zeer getalenteerde studenten afziet van een masteropleiding?
Zie vraag 1.
Beseft u dat de afschaffing van de basisbeurs voor de masterfase extra pijnlijk is voor studenten die een tweejarige masteropleiding willen volgen? Wat gaat u hiertegen ondernemen?
Ik realiseer mij heel goed dat hoe langer een opleiding duurt, hoe meer de desbetreffende student zal moeten investeren. Maar ook voor meerjarige masteropleidingen geldt dat het om een goede investering in een goede opleiding gaat. Een keuze voor een dergelijke opleiding is, zoals ook in de beleidsnotitie Studeren is investeren naar voren is gekomen, vooral een inhoudelijke keuze. Het sociaal leenstelsel voor de masterfase geeft daar de nodige financiële ruimte voor.
Hoe rijmt u de resultaten van het onderzoek met de ambitie van de regering om tot de top 5 van kennislanden te behoren?
In «Kwaliteit in Verscheidenheid», de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap is aangegeven dat de besparingen die de invoering van het sociaal leenstelsel oplevert, geherinvesteerd worden in een kwaliteitsimpuls in het hoger onderwijs. De lat moet over de hele linie van het onderwijs omhoog, zowel door meer intensief en activerend onderwijs als meer differentiatie en profiel in het onderwijs. Nominaal studeren moet weer de regel worden in plaats van de uitzondering. Met het realiseren van de in de strategische agenda weergegeven streefdoelen zal de positie van Nederland in de internationale ranglijsten verbeteren.
Hoe voorkomt u dat studenten steeds hogere schulden krijgen vanwege de hogere collegegelden en de lagere studiefinanciering?
Als aan studenten wordt gevraagd om zelf een groter deel van de investering in hun studie te financieren en hen tegelijkertijd meer mogelijkheden geboden worden om dat met een studielening te doen, dan ligt het in de lijn der verwachtingen dat meer studenten de leenmogelijkheden ook zullen gebruiken. Studenten zullen zeer bewust met deze mogelijkheden moeten omgaan. Ze kunnen zelf veel doen om de hoogte van hun schuld te beperken. Zo voorkomt sneller studeren (zie antwoord op vraag 5) dat studenten lang in de leenfase zitten. De voorlichting en ondersteuning vanuit DUO en andere organisaties als het Nibud (zie www.studentenleenwijzer.nl en www.wijzeringeldzaken.nl) zijn erop gericht om studenten bewust met de leenmogelijkheden te laten omgaan. Ik ben bereid, ook in het kader van de uitvoering van de motie van de leden Slob en Sap over studieschulden (TK 2011–2012, 33 000, nr.24), om het hele palet in beeld te brengen om te bezien of en waar dit versterking behoeft.
Hoe verhoudt het beleid waarbij studenten steeds meer moeten lenen zich tot het algemene inzicht dat burgers (vanwege de schuldencrisis) juist minder makkelijk leningen zouden moeten afsluiten? Erkent u dat de overheid op dit punt tegenstrijdig beleid voert?
Ik zie een duidelijk onderscheid tussen lenen voor consumptieve doeleinden en lenen voor de studie. Lenen voor de studie is nog steeds een goede investering mits studenten hiermee bewust omgaan. Dit betekent dat studenten hun schulden niet nodeloos moeten laten oplopen vanwege een te luxe leefstijl. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid een reactie te geven op de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek van ISO?
Met mijn antwoorden op uw vragen heb ik getracht een eerste reactie op het ISO-onderzoek te geven. Voor het overige stel ik voor om het ISO-onderzoek te betrekken bij de behandeling van het bovengenoemde wetsvoorstel.
Het bericht dat drie studiebegeleidingsinstituten officieel erkend zijn als zorginstelling |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het persbericht van de Maltha groep «Studiebegeleidingsinstituten officieel erkend als zorginstelling» van 9 oktober 2011?
Ja.
Is het waar dat de drie studiebegeleidingsinstituten van de Maltha groep in Bilthoven, Zeist en Utrecht nu aangemerkt worden als zorginstelling, en dat studiebegeleiding daarmee wordt aangemerkt als zorg?
De aanleiding voor het persbericht van 9 oktober 2011 ligt naar alle waarschijnlijkheid in de op 21 september 2011 afgegeven toelatingsbeschikking in het kader van de WTZi, waarmee het Instituut Maltha B.V. is toegelaten als instelling voor de AWBZ-functie begeleiding, zoals bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Een dergelijke toelating betekent uitsluitend dat de instelling voldoet aan de in het Uitvoeringsbesluit WTZi gestelde transparantievereisten voor de bestuursstructuur en de bedrijfsvoering. De toelating in het kader van de WTZi voor de AWBZ-functie begeleiding betekent niet dat studiebegeleiding als zodanig daarmee is aangemerkt als AWBZ-zorg. Ook betekent het niet dat de studiebegeleiding van Instituut Maltha per definitie AWBZ-zorg is. Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3.
Is het waar dat met deze erkenning de studiebegeleiding van de Maltha groep gefinancierd kan worden vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) en uit de AWBZ?
Er kan door een instelling uitsluitend zorg worden verleend ten laste van de Zvw en AWBZ als een instelling beschikt over een toelating. In het onderhavige geval is er alleen een toelating aangevraagd als AWBZ-instelling voor de functie begeleiding.
Wat onder begeleiding wordt verstaan, is gedefinieerd in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Het gaat hier om activiteiten door een instelling te verlenen aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben. De activiteiten bestaan onder meer uit het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen en het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie.
In de toelichting op de aanvraag heeft Instituut Maltha B.V. aangegeven waaruit de begeleiding bestaat. Op basis van die door de aanvrager gegeven toelichting was er geen aanleiding te veronderstellen dat er geen WTZi-toelating kon worden afgegeven voor de AWBZ-functie begeleiding. Daarmee is echter nog geen inhoudelijk oordeel gegeven over de activiteiten van Instituut Maltha.
Een WTZi-toelating geeft een instelling de mogelijkheid om productieafspraken te maken met het zorgkantoor om zorg te verlenen ten laste van i.c. de AWBZ. Of er daadwerkelijk zorg wordt verleend ten laste van de AWBZ hangt af van de concrete afspraken die Instituut Maltha B.V. hierover kan maken met het zorgkantoor.
Het zorgkantoor zal in dat kader bij het Instituut moeten nagaan in hoeverre de activiteiten van dit Instituut voldoen aan de eisen van rechtmatigheid, doelmatigheid en kwaliteit zoals die nu gelden in de AWBZ. Dat betekent dat het zorgkantoor moet vaststellen dat de activiteiten van het Instituut zijn gericht op de voor AWBZ-begeleiding vastgestelde doelen. Oftewel: zijn gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van zelfredzaamheid. Studiebegeleiding, gericht op het behalen van een diploma, valt daar niet onder.
Betekent deze erkenning dat alle leerlingen die studiebegeleiding krijgen AWBZ-geïndiceerd zullen worden? Om hoeveel leerlingen gaat het in totaal?
De toelating door het CIBG betekent niet dat alle leerlingen die studiebegeleiding krijgen bij het Instituut Maltha B.V. AWBZ-geïndiceerd zullen worden. Het is aan het CIZ om op basis van een individuele aanvraag te besluiten of een leerling in aanmerking komt voor AWBZ-begeleiding. Een leerling komt alleen in aanmerking voor een AWBZ-aanspraak begeleiding als hij een somatische of psychiatrische aandoening of beperking heeft, of als er bij hem een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking is vastgesteld, waardoor hij matig tot ernstig beperkt is in zijn zelfredzaamheid. Ook moet zijn vastgesteld dat in die beperking niet kan worden voorzien door gebruikelijke zorg van ouders of door andere voorliggende voorzieningen.
Hoeveel extra leerlingen zullen gebruik maken van deze geïndiceerde studiebegeleiding, nu deze financieel toegankelijk wordt voor alle kinderen met leer- en motivatieproblemen?
Leer- en motivatieproblemen op zich vormen onvoldoende grondslag om aanspraak te kunnen maken op AWBZ-zorg. Verder verwijs ik graag naar de antwoorden op vraag 3 en vraag 4.
Wat is uw reactie op de woorden van de heer Maltha dat «Nu de overheid passend onderwijs voor ogen heeft en zoveel mogelijk kinderen binnen het regulier onderwijs wil houden, is juist die deskundige hulp van buiten de school van belang. De scholen kunnen dit niet alleen af»?
Passend onderwijs wordt vormgegeven in regionale samenwerkingsverbanden voor primair en speciaal respectievelijk voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs, waarin het aanbod van lichte en zware onderwijszorg wordt samengevoegd. Binnen een regionaal samenwerkingsverband is meer maatwerk mogelijk en kan een integrale afweging worden gemaakt over de verdeling van de onderwijszorgmiddelen. Het is aan de regionale samenwerkingsverbanden om te bepalen in hoeverre zij daarbij deskundige hulp van buiten de school willen betrekken.
Kunt u toelichten waarom studiebegeleiding wordt bestempeld als zorg, en niet als een vorm van onderwijs, eventueel passend onderwijs?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2.
Worden de bezuinigingen op het onderwijs nu opgevangen binnen de begroting van VWS?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op de vragen 3, 4 en 5.
Zullen de gemeenten Bilthoven, Zeist en Utrecht verantwoordelijk worden voor deze studiebegeleiding, zodra de functie begeleiding van de AWBZ wordt overgeheveld naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)?
De gemeenten Bilthoven, Zeist en Utrecht zullen als gevolg van de decentralisatie van de functie Begeleiding naar de Wmo verantwoordelijk worden voor het beoordelen van aanvragen tot ondersteuning op dit vlak van hun inwoners. Indien een verzoek van een leerling valt onder de compensatieplicht en de overige voorwaarden van de Wmo, zal de gemeente aan haar compensatieplicht moeten voldoen. Op welke wijze de gemeenten vervolgens invulling geven aan de concrete ondersteuning, bepalen zij – wederom binnen de kaders van de Wmo – zelf.
‘Elke Dag een Werelddocent’ |
|
Jack Biskop (CDA), Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de uitgave «Elke Dag een Werelddocent», van Edukans en Loyalis?
Ja.
Onderschrijft u de daarin gestelde meerwaarde voor docenten in het primair en voortgezet onderwijs, om buiten Europa ervaring op te kunnen doen in onderwijssituaties? Zo neen, waarom niet?
Ja. Wij verwelkomen het private initiatief van Edukans en Loyalis.
Bent u bereid het opdoen van dergelijke ervaringen te bevorderen en op welke wijze wilt u dat doen?
Het uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van onderwijs, ook met landen buiten Europa, is onderdeel van het internationaliseringsbeleid van het kabinet.
Welke initiatieven zijn er op dit moment om leraren in het primair en voortgezet onderwijs in het buitenland (binnen en buiten Europa) ervaring op te laten doen? Welk gebruik wordt er van de huidige mogelijkheden gemaakt? Kunt u zo spoedig mogelijk inzichtelijk maken wat het effect is van de reeds lopende programma’s?
Initiatieven
Het Programma Een Leven Lang Leren (LLP) is het onderwijsprogramma van de EU. Binnen dit programma zijn er subsidieprogramma’s voor alle sectoren in het onderwijs, waaronder «Comenius» voor schoolonderwijs. Binnen het LLP kunnen leraren een nascholing volgen in een van de 27 EU-landen plus Noorwegen, IJsland, Liechtenstein, Zwitserland, Kroatië en Turkije.
Sinds 2008 bevordert OCW docentenmobiliteit door middel van het programma BIOS (bevorderen van internationale oriëntatie en samenwerking in het primair en voortgezet onderwijs). Alle bestemmingen in de wereld zijn mogelijk.
In het kader van de millennium akkoorden is Buitenlandse Zaken nauw betrokken bij het Learn4Work-programma dat zich richt op het verbeteren van het beroepsonderwijs in Afrika; Edukans coördineert dit programma. Het Learn4Work-programma voorziet o.a. in de ontwikkeling van lesprogramma’s en het opzetten van bijscholingen voor leerkrachten. Bij de projecten zijn zowel Nederlandse studenten als leerkrachten betrokken. Het Learn4Work-programma wordt gecontinueerd en gaat een nieuwe fase van 4 jaar in.
Gebruik
Het LLP geeft via «Comenius» jaarlijks zo’n 500 leraren de mogelijkheid om nascholing in een andere land te volgen.
Binnen het BIOS programma van OCW gaan jaarlijks tussen 800–1000 docenten en schoolleiders naar het buitenland.
Effect
In 2010 heeft de EC onderzoek laten doen naar het effect van het Comenius programma, met zeer goede uitkomsten. Het BIOS programma zal in 2012 worden geëvalueerd.
De consequenties van de feitelijke fusie van ROC Flevoland en het ROC van Amsterdam |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen in 2008 over de fusie van ROC’s?1
Ja.
Verandert het bericht dat alle vier de bestuurders van het veel kleinere ROC Flevoland dankzij de samenwerking met het ROC van Amsterdam nu in de top tien van best betaalde ROC-bazen zitten2 iets aan uw destijds afwachtende houding? Zo neen, waarom niet?
Ik heb destijds geen afwachtende houding aangenomen. Ik heb de Inspectie van het Onderwijs onderzoek laten doen (augustus 2010) naar de samenwerkingsconstructie. Ik heb met de betrokken Colleges een gesprek gevoerd en kon op basis van de stukken en de uitkomsten van het onderzoek van de Inspectie geen aanwijzingen vinden dat er sprake zou zijn van een formele fusie.
Ik deel uw mening dat in deze casus samenwerking zeker niet mag leiden tot een stijging van de beloning van één van de bestuurders. Sterker nog, dat keur ik ten zeerste af en ik heb dat de betrokken Raad van Toezicht inmiddels laten weten. De toezichthouder dient als werkgever van de collegeleden te komen tot een maatschappelijk aanvaardbare beloning. Om de topinkomens van de bestuurders in de publieke en semipublieke sector te normeren en daarop, indien nodig, te kunnen ingrijpen, heeft het kabinet het wetsvoorstel «normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector» (WNT) ingediend. Afhankelijk van de behandeling door de Eerste Kamer, treedt de WNT vermoedelijk in 2013 in werking. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de WNT voer ik sinds enige tijd al actief beleid om topinkomens van onderwijsbestuurders tegen te gaan. In dit verband verwijs ik u naar de aan uw Kamer hierover gezonden brief (TK 31 288 nr. 147).
Tevens heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om nu aanvullend onderzoek te doen naar de door het ROC van Amsterdam en het ROC Flevoland toegepaste constructie van samenwerking. De hogere bezoldiging van deze bestuurder lijkt op zijn minst erop, dat gehandeld wordt als ware dit een fusie. Ik zal u op de hoogte stellen van de uitkomsten van dit onderzoek en de stappen die ik op basis daarvan denk te gaan zetten.
Vindt u dat het zogenaamd veel ingewikkelder werk, dat het besturen van deze samenwerkende ROC zou betekenen, een rechtvaardiging vormt voor zo’n buitenproportionele beloning? Zo ja, waarom? Zo neen, heeft u dit deze bestuurders al laten weten?
Nee, zie verder mijn antwoord op vraag 2.
Neemt u voor lief dat er zo publiek geld wordt onttrokken aan het primaire proces? Zo neen, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Ontvangt u, net als wij, klachten van burgers, docenten en studenten over deze ontwikkeling? Zo ja, hoe reageert u daarop?
Neen, voor zover mij nu bekend is, zijn hierover geen klachten bij mijn ministerie binnengekomen
Het bericht dat basisscholen er fors op achteruit gaan door de bezuinigingen op ‘passend onderwijs’ |
|
Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van EenVandaag, waaruit blijkt dat reguliere scholen veel geld kwijtraken bij de invoering van het zogenaamde «passend onderwijs»?1
Ik heb kennis genomen van de betreffende uitzending, maar herken me niet in het beeld dat reguliere scholen veel geld kwijtraken bij de invoering van passend onderwijs.
Klopt het dat de Zevensprong in Dronten van de € 114 000 die ze nu ontvangt voor extra zorg op school, er na de invoering van het zogenaamde «passend onderwijs» nog maar € 30 000 overhoudt?
Uit de gegevens van DUO blijkt dat deze school 11 rugzakleerlingen heeft in het schooljaar 2010/2011. Daarvoor is afgerond een totaalbedrag van € 113 000 beschikbaar. Een deel daarvan gaat nu rechtstreeks naar de reguliere school (€ 67 000). Het deel ambulante begeleiding (€ 46 000) gaat naar het speciaal onderwijs en is bedoeld voor begeleiding van de 11 leerlingen van de Zevensprong. Op het deel ambulante begeleiding vindt een bezuiniging van € 26 000 plaats. Er blijft dus van de € 113 000 nog € 87 000 beschikbaar. In het nieuwe systeem passend onderwijs gaat dit totale resterende bedrag van € 87 000 naar het samenwerkingsverband (swv). Zie ook onderstaande tabel.
Was
Wordt
Regulier deel rugzak
€ 67 000 (naar reguliere school)
€ 67 000 (naar swv)
Ambulante begeleiding
€ 46 000 (naar (v)so school)
€ 20 000 (naar swv)
Totaal
€ 113 000
€ 87 000
Overigens is het totale bedrag dat het samenwerkingsverband op langere termijn ontvangt afhankelijk van de verevening die vanaf schooljaar 2015/2016 in vijf jaar geleidelijk plaatsvindt. In het geval van het samenwerkingsverband waar de Zevensprong in Dronten deel van uitmaakt betekent dit een geleidelijke vermindering van het totale budget met 35,5%.
Begrijpt u de zorgen van de moeder van de leerling in de uitzending, dat hij straks niet meer de zorg krijgt die hij nu ontvangt? Kunt u de moeder van deze leerling garanderen dat hij zijn zorg kan houden op dezelfde school?
Uitgangspunt in het nieuwe stelsel passend onderwijs is dat elk kind passend onderwijs ontvangt, zo mogelijk in het reguliere onderwijs. De schoolbesturen in het samenwerkingsverband passend onderwijs, die verantwoordelijk zijn voor een passende plek voor elk kind, bepalen gezamenlijk hoe het systeem van ondersteuning eruit komt te zien, zodat er maatwerk geleverd wordt. Hier blijven voldoende middelen voor beschikbaar, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Begrijpt u de zorgen van de schooldirecteur, die vreest dat hij straks niet meer alle kinderen kan helpen? Kunt u hem garanderen dat hij al zijn leerlingen in de toekomst nog goed kan helpen? Zo ja, op welke manier?
Zoals gezegd is het uitgangspunt dat elk kind passend onderwijs ontvangt, zo mogelijk in het reguliere onderwijs. De school bepaalt welke aanvullende ondersteuning er geleverd wordt. De schoolbesturen in het samenwerkingsverband bepalen gezamenlijk hoe het budget wordt ingezet. Om leerlingen in de toekomst goed te kunnen blijven helpen is het van belang dat schoolleiders het gesprek aangaan met hun team en schoolbesturen het gesprek aangaan binnen het samenwerkingsverband. Daarnaast komt er extra geld beschikbaar voor professionalisering van leraren en schoolleiders om goede ondersteuning te kunnen bieden aan alle leerlingen van de school. Hierbij is omgaan met verschillen een prioriteit. Vanuit het ministerie van OCW gaan medewerkers het land in om door middel van regiogesprekken de samenwerkingsverbanden te informeren.
Is het u bekend dat de gepresenteerde doorrekening voor meerdere samenwerkingsverbanden zijn gemaakt, op schoolniveau? Zo ja, kunt u de Kamer een reactie sturen op die doorrekeningen? Zo nee, bent u bereid deze berekeningen te bestuderen en de Kamer erover te berichten?
Nee. Vanuit het ministerie van OCW worden samenwerkingsverbanden rechtstreeks geïnformeerd over de daadwerkelijk beschikbare middelen. Zie tevens het antwoord op vraag 4. In de regiogesprekken worden ook kwantitatieve gegevens verstrekt en toegelicht, zoals aantallen leerlingen, deelnamegegevens in het (voortgezet) speciaal onderwijs en een indicatie van het budget voor ondersteuning in de regio na de verevening. Hiermee kunnen schoolbesturen aan de slag.
Hoe verhoudt de geschetste situatie op de Zevensprong zich tot uw belofte dat reguliere basisscholen er niet op achteruit gaan bij de invoering van het zogenaamde «passend onderwijs» en de daarbij komende bezuinigingen?
Zoals ik eerder heb toegezegd wordt het reguliere onderwijs bij de bezuiniging op passend onderwijs ontzien, omdat er juist van het reguliere onderwijs een extra inspanning wordt gevraagd. Zoals bekend is het zo dat de middelen voor ondersteuning en begeleiding naar het samenwerkingsverband gaan.
Hoe kunnen scholen straks dezelfde zorg bieden aan hun leerlingen wanneer het budget dat zij hiervoor zullen ontvangen via het samenwerkingsverband enorm gaat slinken?
De stelling dat het budget van het samenwerkingsverband enorm gaat slinken, deel ik niet. De samenwerkingsverbanden ontvangen in het nieuwe systeem het geld van de rugzakken om de ondersteuning en begeleiding vorm te geven. Zij ontvangen het reguliere deel van de rugzak en het resterende deel van het geld voor ambulante begeleiding. Op dat laatste onderdeel vindt in twee stappen een bezuiniging plaats van 57%. De eerste stap in het schooljaar 2013–2014, de tweede stap in het schooljaar 2014–2015. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Daarnaast vindt in vijf stappen een geleidelijke verevening plaats tussen regio’s.
Kunt u een overzicht geven hoeveel de reguliere scholen voor basisonderwijs er op achteruit gaan met de invoering van het zogenaamde passend onderwijs? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat het reguliere onderwijs wordt ontzien bij de bezuiniging op passend onderwijs.
Het resterende geld van de ambulante begeleiding en de leerlinggebonden financiering (de rugzakken) gaat naar het samenwerkingsverband. De schoolbesturen in de samenwerkingsverbanden bepalen hoe deze middelen worden ingezet. Daarbij is er maximale vrijheid voor de schoolbesturen in het samenwerkingsverband om het geld gericht in te zetten, zodat er maatwerk wordt geleverd.
Daarnaast komt er extra geld beschikbaar voor opbrengstgericht werken en de professionalisering van leraren en schoolleiders om goede ondersteuning te kunnen bieden aan alle leerlingen van de school.
Gaat u stoppen met zeggen dat het regulier onderwijs ontzien wordt bij de bezuinigingen, aangezien dit feitelijk niet waar is? Zo nee, waarom blijft u mensen een rad voor ogen draaien bij het invoeren van deze bezuinigingen?
De stelling dat het feitelijk niet waar is dat het reguliere onderwijs wordt ontzien bij de bezuinigingen, deel ik niet.