Het ’s nachts uitschakelen van de SMART-L-radar in Wier. |
|
Sadet Karabulut |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
Op welke afstand staat de radar in Wier van de bebouwde kom?1
De bebouwde kom van Wier ligt op ruim 600 meter van de nieuwe radartoren.
Wat waren de doorslaggevende argumenten om de radar ’s nachts uit te zetten?
De doorslaggevende argumenten om de radar in Wier gedurende de testfase tijdelijk ’s nachts stil te zetten zijn dat de radar alleen ’s nachts de geluidsnormen overschrijdt en het niet noodzakelijk is om gedurende de gehele testperiode 24 uur per dag te testen. Daarnaast is de verwachting dat het slechts een tijdelijk probleem is en dat dit kan worden opgelost.
Klopt het dat de klachten in Wier overeenkomen met de klachten van de bevolking van Herwijnen met de radarstraling van de KNMI-radar en de radarstraling van het scheepsverkeer? Zo nee, wat is het verschil?
De bewoners in Wier maken melding van verstoringen op televisies, Wi-Fi signalen en (buiten)lampen en het geluid dat de SMART-L radar produceert. Vanuit beide regio’s komen vragen over radarstraling en gezondheid, waarbij in Herwijnen specifiek ook de koppeling met de KNMI-radar en radars van scheepsverkeer aan de orde is.
Deelt u de opvatting dat afzien van de bouw van SMART-L-radar in Herwijnen gepast is en dat de bewaking van het luchtruim met andere middelen kan worden opgelost? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Kamerbrief (Kamerstuk 27 830, nr. 139) van 29 oktober 2014 en de antwoorden op vragen naar aanleiding van onder andere het alternatieve locaties onderzoek van 20 april 2020 (Kamerstuk 31 936, nr. 739) is toegelicht dat er ten minste twee radars noodzakelijk zijn voor structurele luchtruimbewaking onder verantwoordelijkheid van Nederland. Het opvangen van de weggevallen radardekking met tijdelijke en beperkte alternatieven is geen structurele borging van luchtruimbewaking.
Kunt u aangeven wat de vorderingen zijn bij het zoeken van een andere locatie voor de zuidelijke radar dan Herwijnen?
Zoals bekend is er door het Rijksvastgoedbedrijf een alternatieve locaties onderzoek verricht dat op 6 februari 2020 (Kamerstuk 31 936, nr. 718) met uw Kamer is gedeeld.
Daarnaast is in de Kamerbrief Uitvoering moties met betrekking tot de SMART-L radar te Herwijnen (Kamerstuk 35 570 X, nrs. 24 en 29) aangegeven dat een nieuw onderzoek naar alternatieve locaties wordt gestart, waarbij, om tot een nieuw zoekgebied te komen, ook de hoogte van de radar zal worden meegenomen.
De-rubricering bilaterale verdragen van Nederland en de VS over plaatsing van kernwapens in Nederland. |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie van een negentiental documenten door het National Security Archive over de bilaterale betrekkingen over atoomwapenpolitiek tussen Nederland en de Verenigde Staten?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u deze documenten niet zelf wenste te openbaren?
Wat is de politieke relevantie van deze geheimhouding nu belangrijke kerndocumenten bevestigen wat algemeen bekend werd verondersteld, namelijk dat Nederland gedetailleerde afspraken over Amerikaanse kernwapens in ons land heeft gemaakt?
Zijn er behalve deze negentien documenten nog meer documenten die u naar aanleiding van deze publicatie inmiddels bereid bent te publiceren dan wel te de-rubriceren? Zo ja, wanneer? Indien nee, waarom niet?
Waarom hebt u in dat licht wel een aantal documenten vrijgegeven op 15 juli 2020 en was u niet bereid documenten die over hetzelfde onderwerp gaan en in dezelfde periode speelden niet openbaar te maken? Kunt u uw antwoorden toelichten?2
Op grond van overwegingen van staatsveiligheid kunnen geen mededelingen worden gedaan over geheime verdragen tussen Nederland en andere landen. Geheimhouding van verdragen is aan de orde, wanneer verdragen door openbaarmaking hun reden van bestaan verliezen. In hoeverre het noodzakelijk is het geheime karakter van een verdrag in stand te houden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verdrag komt in aanmerking voor derubricering wanneer openbaarmaking van een verdrag niet langer de reden van het bestaan van dat verdrag aantast. Instemming van de andere verdragspartij(en) met openbaarmaking is een voorwaarde.
De vrijgave van documenten op 15 juli 2020 betreft de publicatie van de Technische en de Veiligheidsbijlage bij de Overeenkomst tussen Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, tot samenwerking inzake atoomgegevens (Parijs, 18 juni 1964) en het Protocol tot wijziging van de Veiligheidsbijlage bij de Overeenkomst (Brussel, 2 juni 1998). Uit onderzoek was gebleken dat de NAVO de twee bijlagen reeds gederubriceerd had, waarmee ook het Protocol openbaar gemaakt kon worden. In de brief aan uw Kamer dd. 15 juli 2020 [Kamerstuk 34 958, nr. 9] heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd in het eigen departement en ook bij de andere verantwoordelijke departementen periodiek de mogelijkheid tot derubricering van vertrouwelijke en geheime verdragen onder de aandacht te blijven brengen.
Deelt u de opvatting dat naar aanleiding van de langdurige strijd van onderzoekers die uiteindelijk leidde tot publicatie op 15 januari 2021 er geen reden is verdere de-rubricering tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de memoranda van Overeenstemming (MoU’s) over kernwapens die deel uit maken van het op 2 juli 2018 afgesloten bilaterale raamverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten vrij te geven? Zo nee, waarom niet?3
Middels het raamverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten wordt voorzien in standaardbepalingen voor toekomstige bilaterale MoU’s voor defensiesamenwerking. Op grond van overwegingen van staatsveiligheid en/of bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over eventuele separate bilaterale of multilaterale overeenkomsten die verband houden met de kernwapentaak van Nederland in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging.
Hoe verhouden deze geheime bilaterale afspraken zich tot het transparantiebeleid dat Nederland en de NAVO hebben vastgesteld met betrekking tot kernwapens in Nederland?
Het kabinet heeft de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat het, net als de Kamer, voorstander is van transparantie. In gesprekken met bondgenoten heeft het kabinet ook regelmatig gepleit voor (meer) transparantie, maar kreeg daar geen steun voor. Nederland is gebonden aan verdragsrechtelijke geheimhouding ten aanzien van bondgenootschappelijke afspraken. Daar liggen veiligheidsoverwegingen aan ten grondslag.
Deelt u de opvatting dat het in het licht van de ratificatie van het VN-Verdrag tot afschaffing van kernwapens een logische tussenstap op weg naar ratificatie is om deze verdragen openbaar te maken? Zo ja, kunt u deze bij de antwoorden op deze vragen voegen? Zo nee, wanneer verwacht u het wel te kunnen openbaren?
Nederland heeft deelgenomen aan de onderhandelingen over het verdrag voor het verbod van kernwapens (TPNW), maar heeft het verdrag niet ondertekend. Hierover is uw Kamer onder meer geïnformeerd middels de Kamerbrief van 14 juli 2017 [Kamerstuk 33 783 nr. 26]. De inwerkingtreding van het verdrag of resultaten van een recente peiling zijn voor het kabinet geen aanleiding de positie ten aanzien van het TPNW te veranderen.
Is het draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor u relevant om tot ondertekening van het VN-Verdrag over te gaan? Deelt u de opvatting dat u veel draagvlak heeft om het Verdrag te tekenen, omdat een grote meerderheid van de bevolking zo’n stap steunt? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord vraag 9.
De MQ-9 Reaper drones en over vergunningen voor vliegbasis Leeuwarden. |
|
Eva van Esch (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Meer drones, meer oorlog» van Lauren Gould en Isa Zoetbrood van 27 december 2020?1 Kunt u een uitgebreide reactie geven op dit artikel?
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Het project MALE UAV, de MQ-9 Reaper, heeft als primaire focus het verder versterken van de inlichtingencapaciteit van Defensie. Deze behoefte, waarover uw Kamer is geïnformeerd met de A-brief (Kamerstuk 30 806, nr. 10) d.d. 14 december 2011, is tot op de dag van vandaag relevant en onveranderd. Zoals in de A-brief werd gesteld, zijn voor militair optreden actuele, gedetailleerde en gevalideerde inlichtingen nodig. Informatievergaring vanuit de lucht of de ruimte biedt de mogelijkheid een groot gebied te bekijken en vervolgens belangrijke objecten meer in detail te onderzoeken. De noodzaak tijdens operaties met grote precisie op te treden en nevenschade zoveel mogelijk te voorkomen, maakt informatievergaring vanuit de lucht belangrijk.
De capaciteit van de MQ-9 stelt Nederland ook in staat om – binnen de coalitie waarin Nederland op dat moment opereert – aan dit proces een hoogwaardige bijdrage te leveren. Deze investering kan tevens worden bezien in het licht van de motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 27 925, nr. 718) d.d. 14 mei 2020 over investeren in verbeterde samenwerking op informatie- en inlichtingenvlak met bondgenoten en in gedegen eigenstandige inlichtingenvergaring.
Op dit moment is het bewapenen van de MQ-9 nog niet opgenomen in de defensieplannen. Tegelijkertijd heeft uw Kamer met de motie van het lid Bosman c.s. (Kamerstuk 35 300 X, nr. 23) d.d. 7 november 2019 het kabinet verzocht de Kamer te informeren of de behoeftestelling aangepast dient te worden om de MQ-9 te bewapenen.
Zoals ik uw Kamer in mijn reactie (Kamerstuk 30 806, nr. 52) d.d. 21 januari 2020 op de voorgenoemde motie van lid-Bosman c.s. antwoordde, onderkent Defensie de operationele voordelen van het bewapenen van de MQ-9. Zo vergroot de combinatie van het langdurig kunnen inzetten van waarnemings- en aanvalsmiddelen op hetzelfde platform de snelheid en flexibiliteit van handelen van de krijgsmacht. Tegelijkertijd levert dit een krachtige capaciteit op het gebied van het beschermen van eigen of coalitietroepen. Daarbij is het van belang te vermelden dat wapeninzet vanaf een MQ-9 technisch gezien niet anders is dan van enig ander aanvalsplatform. Een MQ-9 is geen autonoom wapensysteem en in alle gevallen beslist gekwalificeerd personeel om tot inzet van het wapen over te gaan binnen de relevante wet- en regelgeving.
Daarbij wordt gehandeld conform de geldende rules of engagement en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit en onderscheid tussen militaire doelwitten enerzijds en burgers en burgerobjecten anderzijds.
De verschillende doorgroeimogelijkheden worden samen met de andere defensiebehoeften integraal afgewogen binnen het beschikbare budget. Als dit leidt tot een behoeftestelling voor de bewapening van de MQ-9, dan wordt u daarover geïnformeerd conform de afspraken met uw Kamer aangaande het Defensie materieelproces.
Erkent u dat moderne drone-technologie de illusie creëert van een nauwkeurige langeafstandsoorlog, maar feitelijk gepaard gaat met veel burgerlijk leed?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de zin «met technologie alleen zullen wij deze oorlog niet winnen, maar het zal ons wellicht verleiden tot een volgende»? Bent u bereid in dit licht, conform de oproep van de schrijvers van het artikel, de optie om de MQ-9 Reaper te bewapenen te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kent u het artikel «Defensie vraagt nieuwe vergunningen aan voor vliegbasis Leeuwarden» van 19 oktober 2020?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat er voor de militaire vliegbasis in Leeuwarden inmiddels een natuurvergunning en een omgevingsvergunning is aangevraagd?
Ja.
Kunt u aangeven of stikstofuitstoot en geluidsproductie door vliegbasis Leeuwarden, waaronder van de in de toekomst in te zetten MQ-9 Reaper drones, onderdeel uitmaken van de ontwerpvergunningen? Zo nee, waarom niet?3
De vergunningsaanvragen zijn in behandeling bij het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de Wnb-aanvraag is rekening gehouden met de inzet van de MQ-9 Reaper. In de aangevraagde omgevingsvergunning voor de vliegbasis is dit nog niet gedaan. Dit omdat hiervoor meer aspecten moeten worden beschouwd dan stikstofdepositie en geluidsproductie. Als er voldoende zekerheid en duidelijkheid is over deze overige aspecten met betrekking tot de MQ-9 Reaper zal worden bezien of en hoe aanvullende toestemmingen worden aangevraagd.
Zal de informatie over stikstofuitstoot en geluidsproductie bij de terinzagelegging van de ontwerpvergunning voor de burger compleet raadpleegbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Het bevoegd gezag, LNV voor de Wnb-vergunning en IL&T voor de omgevings-vergunning, bepaalt welke informatie openbaar wordt gemaakt bij de terinzagelegging van de ontwerpvergunning. Hierbij geldt dat Defensie aangeeft hoe omgegaan dient te worden met door haar aangeleverde geclassificeerde informatie.
Als Defensie bij de vergunningsaanvraag stelt dat delen van de geleverde informatie geclassificeerd zijn, dan wordt door het bevoegd gezag in de beschikking een motivering opgenomen en worden die delen niet ter inzage gelegd. Zo is een deel van de gegevens over grondgebonden geluid (proefdraaien, installaties op de vliegbasis) en vlieggerelateerd geluid voor wat betreft prestatieprofielen geclassificeerd.
Van het niet-geclassificeerde vlieggerelateerd geluid worden jaarlijks openbare geluidbelastingrapportages via de Commissie Overleg en Voorlichting Milieu Leeuwarden verspreid en op de defensiewebsite gepubliceerd. Daarbij wordt informatie gedeeld via het geluidsmeetnet, ook bereikbaar via de defensiewebsite. Prestatieprofielen van militaire vliegtuigen zijn om operationele redenen niet openbaar (Artikel 34 Besluit Militaire Luchtvaart). Geclassificeerde gegevens worden indien nodig door Defensie beschikbaar gesteld aan het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) die deze verwerkt in scenario’s en geluidsmodellen. De uitkomsten van deze modellen zijn niet geclassificeerd en worden gebruikt in de ontwerpvergunningen ter onderbouwing. Indien het bevoegd gezag voor vergunningverlening geclassificeerde gegevens moet beoordelen kunnen deze op aanvraag door gescreende toezichthouders van LNV en IL&T ingezien worden.
Kunt u toezeggen dat alle onderzoeken in relatie tot de ontwerpvergunningaanvraag onverkort en integraal door de burger inzichtelijk en raadpleegbaar zullen zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat Defensie geen gestructureerde informatie over het geluid rondom vliegbasis Leeuwarden wil delen? Zo ja, hoe worden de geluidsrapporten, nodig voor het komen tot de ontwerpvergunningen, dan opgemaakt? Zo nee, hoe zit dit dan?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de stikstofuitstoot van vliegbasis Leeuwarden mogelijk een verslechterend effect heeft op de Natura 2000-gebieden de Waddenzee, de Alde Feanen en de Groote Wielen?
Nee, voor de onderbouwing van de Wnb-vergunningaanvraag heeft Defensie de stikstofdepositie onderzocht en zijn niet-geclassificeerde rapporten aangeleverd aan het bevoegd gezag. Hieruit blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in deze Natura 2000-gebieden.
Kunt u bevestigen dat vliegbasis Leeuwarden alleen een natuurvergunning kan krijgen wanneer vastligt dat en hoe deze natuurgebieden (op een andere manier) in een gunstige staat van instandhouding gebracht zullen worden? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen?
De Wet natuurbescherming vereist niet dat voor de verlening van een natuurvergunning de betrokken Natura 2000-gebieden in een gunstige staat van instandhouding zullen worden gebracht. Een natuurvergunning kan worden verleend indien blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet aantast, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Op grond van objectieve gegevens moet kunnen worden uitgesloten dat het plan of project significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. In de niet-geclassificeerde rapporten die deel uitmaken van de vergunningaanvraag wordt geconcludeerd dat er geen significante gevolgen zijn voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden.
Het is de Minister van LNV, op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, die bevoegd is tot het verlenen van een vergunning. Het is dan ook aan de Minister van LNV om te beoordelen of een natuurvergunning verleend kan worden.
Kunt u toezeggen dat omwonenden actief door Defensie geïnformeerd worden over de plannen op vliegbasis Leeuwarden via bijvoorbeeld nieuwsbrieven en informatiebijeenkomsten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Ja. Dat gebeurt nu al en hierbij zoeken we continue naar mogelijkheden om dit te verbeteren. Met regelmaat informeert de vliegbasis omwonenden over nieuwe ontwikkelingen zoals bijzondere oefeningen via nieuwsberichten op defensie.nl, via social media en via de verspreiding van persberichten die op gemeentelijke websites worden gepubliceerd. Ook zijn omwonenden uitgenodigd om zich met een email naar vliegbasisleeuwarden@gmail.com aan te melden voor een maandelijkse digitale burenmailing. In vergaderingen van de Commissie Overleg en Voorlichting Milieu (COVM) worden zulke ontwikkelingen aangekondigd en toegelicht. Waar nodig worden ook informatiebijeenkomsten georganiseerd, bijvoorbeeld voorafgaand en tijdens grote internationale vliegoefeningen zoals Frisian Flag.
De disfunctionerende nieuwe radar te Wier. |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het bericht «Nieuwe radar in Wier maakt ’s-nachts te veel geluid»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat Defensie een radar heeft geïnstalleerd die de omgeving veel meer belast dan werd verwacht en daardoor ook niet (volledig) kan worden ingezet?
De SMART-L radar vervangt de oude Medium Power Radar (MPR). Gedurende de ontwikkeling van de SMART-L radar zijn bij de fabrikant Thales te Hengelo geluidsmetingen uitgevoerd om te toetsen of de radar voldoet aan de geluidsnormen voor de omgevingsvergunning. De geluidsnormen zijn gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (VROM, 1998). Op basis van deze metingen was de conclusie dat de SMART-L radar in Wier zou voldoen aan de grenswaarden in de vergunning en is de vergunning ook verleend door het bevoegd gezag (ILT).
In het notaoverleg van 11 juni 2020, het wetgevingsoverleg d.d. 30 november 2020 en de antwoorden op diverse vragen (Kamerstuk 31 936, nr. 739 van 20 april 2020; Kamerstuk 31 936, nr. 806 van 17 november 2020) is toegelicht dat gedurende de testfase ook op de definitieve locatie metingen zouden worden gedaan. Dit is gebruikelijk voor de operationele ingebruikname van nieuwe apparatuur.
Het is niet ongebruikelijk dat bij de realisatie van nieuw materieel nog technische tekortkomingen aan het licht komen. In de testperiode, als onderdeel van de realisatiefase, worden deze technische tekortkomingen waar mogelijk en nodig in overleg met de fabrikant opgelost, of er worden passende aanvullende maatregelen getroffen.
De testperiode kent verschillende fasen waarbij verschillende aspecten worden getoetst. Sommige testen worden bij de fabrikant uitgevoerd, andere testen moeten op locatie worden gedaan. Dit is juist om te zien of de radar – ook op locatie – aan alle normen en eisen voldoet voordat de radar daadwerkelijk in gebruik wordt genomen.
Tegen de verwachting in is uit de testen op locatie gebleken dat het geluid van de radar niet binnen de geldende geluidsnormering voor de nachtelijke uren valt. Overdag en ‘s avonds overschrijdt de radar de geldende geluidsnormen niet. Momenteel wordt onderzocht welke maatregelen kunnen worden genomen om de geluidsbelasting van de radar te verlagen.
Wat is hier misgegaan en hoe kan het dat dergelijke gebreken in materieel pas in een zeer laat stadium aan het licht komen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe en binnen welke termijn worden de problemen opgelost, zodat omwonenden geen overlast meer ervaren (die nu varieert van geluidsoverlast tot elektrische storingen)?
De oorzaak van de geluidsoverlast is nog onbekend. De afgelopen weken zijn diverse metingen en analyses uitgevoerd om de oorzaak van de geluidsoverlast te onderzoeken. Op grond van de nadere analyse daarvan bepalen we mogelijke oplossingen. Dit proces loopt nog enkele weken.
Defensie gaat samen met Thales vanaf 25 februari een maand lang testen uitvoeren om onder andere de geluidsoverlast en verstoring op elektrische apparatuur te onderzoeken. Defensie en Thales zijn dan ook in Wier aanwezig om zoveel mogelijk met de bewoners te inventariseren welke mogelijke effecten de radar heeft op elektrische apparaten in de buurt en om die op te lossen. De omwonenden ontvangen hierover een bewonersbrief met nadere informatie.
Dit proces wordt met de hoogste prioriteit uitgevoerd. Over de voortgang en worden de bewoners op de hoogte gehouden. Samen met Thales werkt Defensie aan het oplossen van het probleem, echter het is nu nog niet duidelijk wanneer welke oplossingen gerealiseerd zijn.
Klopt het dat er door de problemen met de radar sprake is van «verminderde bewaking van het luchtruim»?
Het uitzetten van de radar ’s nachts heeft geen ongeplande consequenties. De nieuwe radar in Wier bevindt zich op dit moment nog in de testfase. De radar gaat pas een bijdrage leveren aan het bewaken van het luchtruim zodra de testfase is voltooid. Deze testfase neemt conform planning nog enkele weken in beslag.
Vanaf de sloop van de radar in Wier is er sprake van verminderde (radar)dekking. Een periode van verminderde dekking is daarmee voor de locatie Wier onvermijdelijk, maar voorzien. Dit komt, omdat de nieuwe radar op vrijwel dezelfde locatie als de oude radar is gebouwd en de aanwezigheid van de oude radar(toren) verstorend werkt op de nieuwe radar(toren), en vice versa. De sloop van de oude radar is daarom noodzakelijk om de nieuwe radar te kunnen testen en daarna in gebruik te nemen.
Om deze transitieperiode zo kort als mogelijk te houden is de sloop van de oude radar pas gestart nadat de nieuwe radar was geplaatst. Gedurende deze transitie maakt Defensie gebruik van de oude radar in Nieuw Milligen in combinatie met radarbeelden van NAVO-bondgenoten, waardoor het verlies aan radardekking gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Tezamen is dit echter onvoldoende om aan de NAVO-eisen omtrent luchtruimbewaking te voldoen. Dit is daarmee geen oplossing voor de lange termijn.
Realiseert u zich dat het doordrukken van een nieuwe radar in Herwijnen met als argument dat het belangrijk is om een goede luchtbewaking te hebben zeer ongepast is, nu blijkt dat die luchtbewaking juist door eigen falen van Defensie onder druk staat?
De radar bevindt zich in de geplande testfase die erop is gericht om tekortkomingen te constateren en op te lossen voordat de radar operationeel in gebruik wordt genomen. De recente inzichten uit de testfase van de radar in Wier omtrent geluid zijn onderdeel van de balans tussen het opleveren van een operationele capaciteit en een juiste inpassing in de leefomgeving. Dit doet niets af aan het feit dat de radar zo spoedig als mogelijk vervangen en ingepast moet worden en vervolgens in gebruik moet worden genomen. Met de radar vervult Defensie haar NAVO-verantwoordelijkheid in het bewaken van het Nederlandse luchtruim en het luchtruim boven de Noordzee.
Erkent u dat deze nieuwe blunder voor Defensie zeer beschamend is, temeer daar we bijvoorbeeld ook al geconfronteerd worden met JSF- vliegtuigen die niet kunnen vliegen tijdens onweer? Zo nee, waarom niet?
Nee. Bij de ontwikkeling van modern materieel, zoals een radar, is het gebruikelijk dat dit materieel wordt getest voordat het in gebruik wordt genomen. Dit gebeurt in de fabriek bij de fabrikant en later ook bij de inbedrijfstelling op locatie. In de testperiode wordt het materiaal verder verfijnd, zodat deze optimaal aansluit bij de operationele eisen en ook op de beste wijze wordt ingepast in de leefomgeving. In een testperiode kunnen (technische) aandachtspunten naar voren komen die verdere uitwerking behoeven en indien nodig tot aanpassingen leiden.
Bent u bereid deze vragen voor het notaoverleg Materieel Defensie van 3 februari 2021 te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De periode tussen het aanleveren van de schriftelijke vragen op 22 januari 2021 en het notaoverleg van 3 februari 2021 was te kort om de vragen zorgvuldig te beantwoorden.
Het bericht 'Nieuwe radar in Wier maakt 's nachts te veel geluid' |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nieuwe radar in Wier maakt’s nachts te veel geluid»?1
Ja.
Waarom was het niet eerder bekend dat de nieuwe radar de omgeving meer zou belasten dan de oude radar? Is er vooraf geen onderzoek gedaan of niet laten doen naar de geluidsbelasting van de nieuwe radar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de resultaten van dat onderzoek?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3 van het Kamerlid Fritsma (PVV) d.d. 22 januari 2021.
Klopt het dat er eerder geen voorlichtingsavonden voor omwonenden hebben plaatsgevonden? Zo ja, waarom niet?
In Wier is de oude MPR vervangen door de nieuwe SMART-L radar. Het betreft een bouwproject dat past binnen het vigerende bestemmingsplan. Mede om deze reden was er voor de realisatie van de SMART-L radar destijds geen aanleiding om voorlichtingsavonden voor inwoners te organiseren. Wel is er met de gemeente Waadhoeke, waar Wier onder valt, gesproken over de vervanging van de bestaande radar.
Voor dit bouwproject is een omgevingsvergunning aangevraagd bij het bevoegd gezag, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). ILT heeft de aanvraag ter advies gestuurd aan gemeente Waadhoeke. De gemeente heeft vervolgens ingestemd met het verlenen van de aangevraagde vergunning. De aanvraag en de ontwerpbeschikking zijn ter inzage gelegd en gepubliceerd in de Staatscourant en in het lokale blad de «Bildtse post» om bewoners van de gemeente Waadhoeke te attenderen op deze aanvraag. Op de omgevingsvergunning zijn geen zienswijzen ingediend, waarna deze is verleend.
Destijds waren bij Defensie geen vragen van mensen uit de gemeente Waadhoeke bekend. Er was dan ook geen aanleiding om een voorlichtingsbijeenkomst te organiseren. Eind november 2020 bleek dat mensen in de omgeving van de radar in Wier vragen hadden over de nieuwe SMART-L radar. Defensie heeft in samenspraak met gemeente Waadhoeke daarom een digitale bijeenkomst georganiseerd op 20 januari 2021.
Op welke andere manieren wordt – door het nu ’s nachts uitzetten van de radar – het luchtruim in de gaten gehouden?
Het uitzetten van de radar ’s nachts heeft geen ongeplande consequenties. De nieuwe radar in Wier bevindt zich op dit moment nog in de testfase. De radar gaat pas een bijdrage leveren aan het bewaken van het luchtruim zodra de testfase is voltooid. Deze testfase neemt conform planning nog enkele weken in beslag.
Vanaf de sloop van de radar in Wier is er sprake van verminderde (radar)dekking. Een periode van verminderde dekking is daarmee voor de locatie Wier onvermijdelijk, maar voorzien. Dit komt, omdat de nieuwe radar op vrijwel dezelfde locatie als de oude radar is gebouwd en de aanwezigheid van de oude radar(toren) verstorend werkt op de nieuwe radar(toren), en vice versa. De sloop van de oude radar is daarom noodzakelijk om de nieuwe radar te kunnen testen en daarna in gebruik te nemen.
Om deze transitieperiode zo kort als mogelijk te houden is de sloop van de oude radar pas gestart nadat de nieuwe radar was geplaatst. Gedurende deze transitie maakt Defensie gebruik van de oude radar in Nieuw Milligen in combinatie met radarbeelden van NAVO-bondgenoten, waardoor het verlies aan radardekking gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Tezamen is dit echter onvoldoende om aan de NAVO-eisen omtrent luchtruimbewaking te voldoen. Dit is daarmee geen oplossing voor de lange termijn.
De nieuwe radar is na de eerste fase van testen, als onderdeel van de site acceptance test (SAT), op 8 december 2020 aan Defensie overgedragen. Sinds de overdracht worden operationele testen uitgevoerd om de radar gereed te maken voor operationeel gebruik. Deze testfase neemt ongeveer vier maanden in beslag. De planning is dat de radar begin april operationeel in gebruik wordt genomen.
Op welke termijn verwacht u dat de problemen met de radar verholpen zullen zijn?
Zie het antwoord op vraag 4 van het Kamerlid Fritsma (PVV) d.d. 22 januari 2021.
Waarover wordt overleg gevoerd met Thales? Welke afspraken worden er gemaakt met Thales?
Met de fabrikant Thales wordt intensief samengewerkt om de oorzaak van de geluidsproblematiek en de verstoringen van de WiFi/TV-signalen en (buiten)lampen te onderzoeken. Aan de hand van de uitkomsten worden gezamenlijk oplossingen uitgewerkt en de noodzakelijke maatregelen genomen.
Waarom is ervoor gekozen de oude radar te verwijderen, terwijl de nieuwe radar nog in de testfase zit en niet operationeel is? Hoe verhoudt dit zich met het uitgangspunt dat voor bescherming van ons land de radar 7 dagen per week en 24 uur per dag moet draaien? Hoe lang was de geplande testfase?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de gevolgen van de ervaringen van de radar in Wier voor de (te verwachten) geluidsoverlast van de radar te Herwijnen alsook voor de besluitvorming daaromtrent?
Elke (omgevings)situatie is verschillend. Dat betekent dat er per locatie bekeken moet worden hoe de radar het beste kan worden ingepast in de omgeving. Wel zullen de ervaringen in Wier bijdragen aan de inpassing van de tweede radar, ongeacht de locatie. Omdat de oorzaak van het geluidsprobleem nog niet is vastgesteld, is nog onbekend wat de eventuele gevolgen zijn voor de beide radars. Eventuele geluidsbeperkende maatregelen zullen op beide radars worden doorgevoerd.
De berichtgeving ‘Ombudsman: vergoeding voor invalide veteranen moet sneller’ |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de berichtgeving «Ombudsman: vergoeding voor invalide veteranen moet sneller»?1
De Veteranenombudsman heeft een degelijk onderzoek uitgevoerd en daarbij alle partijen die een rol hebben in het proces van de afhandeling van letselschadeclaims betrokken. Op 3 september 2020 heeft hij een rondetafelconferentie georganiseerd waarvoor ook vertegenwoordigers van Defensie waren uitgenodigd. Ik heb met veel belangstelling kennis genomen van het rapport en ik ben blij met de suggesties voor verbetering van de zorg voor veteranen en voor het verkorten van de doorlooptijden van schadeprocedures. Zoals gebruikelijk krijgt de Veteranenombudsman binnen drie maanden een inhoudelijke reactie.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van de veteranenombudsman naar de duur van de schadeprocedures na klachten van tientallen veteranen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting van de veteranenombudsman dat in totaal honderden veteranen te maken hebben met een te trage afhandeling van aanvragen voor militair invaliditeitspensioen en aanvullende schadevergoeding, hetgeen tot veel stress en onzekerheid bij veteranen leidt, alsmede «schrijnende en onverteerbare situaties»?
Ik herken de klacht dat veteranen het in het algemeen lang vinden duren voordat hun letselschade is afgewikkeld. Ik realiseer mij ook dat een lang proces tot spanning en onzekerheid kan leiden bij veteranen. Toch komt het slechts incidenteel voor dat de afhandelingsduur van een letselschadeclaim leidt tot een klacht of bemiddelingsverzoek bij de Veteranenombudsman. In een groot deel van de zaken is sprake van goed contact tussen veteranen en hun belangenbehartigers enerzijds en de letselschadejuristen van Defensie anderzijds en worden claims in goed overleg afgehandeld.
Deelt u de opvatting van de veteranenombudsman dat een veteraan die invalide raakt binnen twee jaar schadevergoeding moet krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Defensie een aanvraag voor een schadevergoeding voortaan binnen twee jaar afhandelt? 5. Wat vindt u van de mogelijke oplossingen die in het rapport van de veteranenombudsman genoemd staan, zoals:
Het vergoeden van letselschade is een essentieel onderdeel van het veteranenzorgsysteem en betreft een vorm van erkenning en waardering voor veteranen. Defensie streeft altijd naar een snelle en volledige afwikkeling van de claims. De zorgvuldige afwikkeling van een claim is echter een complex proces, dat ook bij een voortvarende aanpak de nodige tijd in beslag neemt. Ik ben mij ervan bewust dat de afhandelingsduur als te lang wordt ervaren. Naast dat Defensie al bezig is met verbeteringen van het proces en een evaluatie van de Regeling Volledige Schadevergoeding uit laat voeren door de Audit Dienst Rijk, ben ik blij met het rapport van het onderzoek dat de Veteranenombudsman heeft gedaan. Defensie streeft er naar – samen met betrokken partijen – de schadevergoeding binnen twee jaar af te handelen.
Bent u bereid over te gaan tot digitalisering van medische dossiers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, binnen welke termijn? Kunnen tot die tijd artsen niet met elkaar bellen over reeds gedane keuringen?
Ik sta positief tegenover de aanbevelingen die de Veteranenombudsman noemt. Zoals ik u heb gemeld in de Veteranennota 2019 – 2020 (Kamerstuk 30 139, nr. 234) werkt Defensie aan de herziening van het uitkeringen en voorzieningenstelsel voor veteranen. In de beoogde herziening zijn ook deze elementen terug te vinden zoals het beperken van het aantal medische keuringen, een centrale rol voor de zorgcoördinator in het hele proces en goede ondersteuning van het proces door een verbeterde bedrijfsvoering en informatievoorziening.
Is de pilot met drie advocatenkantoren wel genoeg? Kan niet direct bij alle zaken toenadering gezocht worden door Defensie, om de verharding in de juridische procedures te doorbreken?
Ik sta positief tegenover digitalisering van medische dossiers. Het digitaliseren van de bestaande medische dossiers is evenwel tijdrovend, kostbaar en levert beperkte tijdswinst op. Daarbij is de complicatie dat sprake is van meerdere partijen (Defensie, ABP, UWV) die op dit moment elk hun eigen systeem kennen, al dan niet digitaal. Ik ga de aanbeveling van de Veteranenombudsman grondig bezien op de mogelijkheden die daadwerkelijk bijdragen aan tijdswinst in het proces.
De collegiale afstemming tussen (keurings-)artsen vindt momenteel al plaats. Maar waar het gaat om keuringen door verzekeringsartsen is zorgvuldigheid en nauwkeurigheid geboden, waardoor mondelinge afstemming niet altijd mogelijk is.
Herkent u zich in de kritiek van de veteranenombudsman dat tempo nogal eens ontbreekt bij de omgang van Defensie met veteranen? Waarom moet er al jaren worden gewacht op de toegezegde verbeteringen van het militair (invaliditeits-)pensioen, de klachtenafhandeling en de regeling voor militairen met PTSS? Waarom ontbreekt het kennelijk vaak aan een goede uitvoering? Wat bent u bereid hieraan te doen en binnen welke termijn?
De drie advocatenkantoren waarmee de pilot loopt, zijn de juridisch belangenbehartigers van het overgrote deel (tussen de 75 en 80 procent) van de veteranen die een claim bij Defensie hebben lopen. Het is een proef om te kijken wat werkt om daarna de afspraken te bestendigen. Om die reden is het aantal partijen in eerste aanleg beperkt tot deze drie hoofdpartijen.
Naast dit proefproject streeft Defensie er in alle zaken naar om pro-actiever, duidelijker en transparanter op te treden richting de veteranen en hun belangenbehartigers. Dat is er juist op gericht om verharding te voorkomen of te doorbreken. Het doel hiervan is om in alle zaken de doorlooptijden te verkorten en om het schaderegelingsproces beter te laten aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel van de veteraan.
Bent u bereid het rapport van de veteranenombudsman en uw reactie daarop naar de Kamer te sturen?
Ik herken me in de kritiek van de Veteranenombudsman waar het gaat om de wachttijden voor medische keuringen en in de afhandelingsduur van schadeclaims. In de veteranennota 2019 -2020 heb ik daarover gerapporteerd. Ik herken me niet in de opmerking dat het vaak ontbreekt aan een goede uitvoering. Er wordt bij voortduring gewerkt aan verbeteringen van de zorg voor veteranen. Voor wat betreft de afhandeling van verzoeken om een schadevergoeding is de capaciteit hiervoor sinds 2015 bijna verdubbeld en ondersteunt de Landsadvocaat waar nodig. Verder is onlangs het Nederlands Veteraneninstituut tot stand gekomen als resultaat van de samenvoeging van zes veteranenorganisaties. Doordat expertise van de keten van zorg nu in een centrale organisatie is ondergebracht, kan beter afgestemd, geïntegreerd en meer doelgerichte zorg worden geleverd. Een centrale organisatie maakt het overzichtelijk voor de veteranen. Het Veteranenloket blijft bestaan en is effectiever en flexibeler ingericht (Kamerstuk 30 139 nr. 240 van 13 januari jl.). En zoals hierboven aangegeven, werkt Defensie aan de herziening van het uitkeringen en voorzieningenstelsel voor veteranen.
Het verzoek voor inzet van het Defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
Welke verzoeken heeft Defensie, al dan niet via de veiligheidsregio’s, ontvangen voor inzet van militairen ter ondersteuning van het zorgpersoneel?1 2
Defensie heeft gedurende de gehele COVID-19 crisis meerdere verzoeken ontvangen voor Militaire Steunverlening in het Openbaar Belang (MSOB). Deze steunverzoeken zijn volgens de formele procedure bij Defensie terechtgekomen. De verzoeken voor ondersteuning van zorgpersoneel komen van ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen en zorghotels.
Aangezien ondersteuning door Defensie last resort is, wordt eerst gekeken of de andere mogelijkheden door de zorgaanbieder reeds zijn benut. Als blijkt dat deze mogelijkheden onvoldoende opleveren, kan via de GGD/Veiligheidsregio een verzoek worden gedaan voor steunverlening bij het Landelijk Operationeel Coordinatie Centrum (LOCC). Deze verzoeken worden gezamenlijk besproken door Defensie, GGD/GHOR en VWS. Als geconstateerd wordt dat het verzoek aan bovengenoemde de gestelde voorwaarden voldoet, kijkt Defensie over welke mogelijkheden zij in praktische zin beschikt om te ondersteunen. Defensie zal contact met de zorgaanbieders opnemen en fysiek een «fact finding» bezoek brengen aan de verzoekende instelling om optimale steun te kunnen realiseren. Daarna wordt de wijze van inzet bepaald.
Defensie ontvangt dagelijks verzoeken voor ondersteuning van defensiepersoneel aan het zorgpersoneel. Het genoemde driehoeksoverleg vindt dan ook zeer frequent plaats.
Er zijn sinds de tweede COVID-19 golf zijn intrede deed (oktober 2020) in het totaal 25 verzoeken gehonoreerd, zowel grootschalig (bijv. 1.000 medewerkers van Defensie paraat voor test- en vaccinatiestraten) als kleinschalig (bijv. 1 planner voor het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding).
Welke verzoeken zijn gehonoreerd dan wel afgewezen?
Defensie moet zekerstellen dat de lopende missies in het buitenland worden uitgevoerd en terdege worden voorbereid, tevens zal Defensie voorbereid moeten zijn op de andere belangrijke taken die van haar worden verwacht. In evenwicht met deze taken zal Defensie het gevraagde personeel inzetten met de juiste prioriteit in de bestrijding van de pandemie.
In de brief 29 282, nr. 426 van 5 januari jl. heeft mijn collega, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uw Kamer uitgebreid geïnformeerd welke afwegingen gemaakt worden bij het beoordelen van ondersteuningsverzoeken van verpleeghuizen instellingen die thuiszorg leveren en zorghotels.
Gelet op de gelimiteerde capaciteit, zijn er twee belangrijke opties waarin defensiepersoneel kan worden ingezet. Allereerst kan ondersteuning van de verpleeghuizen plaatsvinden om de druk op de continuïteit van de zorg te verminderen. Tevens kan ondersteuning van de keten (bijvoorbeeld een zorghotel) plaatsvinden om stagnatie van de doorstroom van patiënten vanuit het ziekenhuis te voorkomen. Daarmee wordt ook de zorg in de ziekenhuizen ondersteund. Het is van belang om te benoemen dat er eerder afspraken zijn gemaakt over de extra inzet van Defensiepersoneel voor COVID19-ziekenhuiszorg. Deze vindt geconcentreerd plaats in het UMC Utrecht. Defensie ondersteunt het UMC Utrecht sinds 22 oktober 2020 met maximaal 160 medisch geschoolde medewerkers (en vanaf 20 januari 2021 met maximaal 100 medische geschoolde medewerkers).
Uitgangspunt is dat eerst regionaal wordt gezocht naar samenwerking tussen zorgaanbieders. Daarna kunnen zorgaanbieders een aanvraag doen voor verzorgend en ondersteunend personeel van andere instanties zoals Extra Handen voor de Zorg en het Rode Kruis. Het opgerichte expertiseteam Zorgcontinuïteit van GGD/GHOR Nederland ondersteunt de regio hierbij. Als laatste biedt Defensie een mogelijkheid tot gerichte en tijdelijke ondersteuning, altijd afgewogen ten opzichte van de reguliere inzet in de eerste en tweede hoofdtaken van Defensie.
Op meerdere locaties biedt Defensie inmiddels ondersteuning. Een actueel beeld van de ondersteuning door Defensie in het kader van de COVID-19 crisis vindt u op Defensie.nl.
Welk afwegingen worden gemaakt voor het beoordelen van hulpverzoeken ter bestrijding van de pandemie in Nederland? Welke prioriteit krijgt deze taak, ten opzichte van de inzet van militairen voor de lopende missies in het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Is het mogelijk meer militairen vrij te maken voor ondersteuning van het zorgpersoneel, aangezien het zorgpersoneel in ziekenhuizen op hun tandvlees loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Defensie heeft naast de taken ten behoeve van ondersteuning in nationale crisisoperaties, ook verplichtingen, zoals reguliere inzet in Nederland, beschermen van het gemeenschappelijke grondgebied en bijdragen aan het handhaven van de internationale rechtsorde. Militair personeel dient naast deze inzet ook gereedgesteld te worden om deze taken uit te kunnen voeren.
Met inachtneming van al deze taken en de voorbereiding daarop, wordt iedere ondersteuningsvraag specifiek beoordeeld en levert Defensie de maximale ondersteuning voor het zorgpersoneel.
Op welke manier is de motie-Marijnissen over inzet van o.a. Defensie ter ondersteuning van het zorgpersoneel uitgevoerd?3
Naast de grote inzet waarmee Defensie het zorgpersoneel bovenregionaal in het Universitair Medisch Centrum Utrecht ondersteunt, heeft Defensie in meerdere zorginstellingen militair personeel tewerkgesteld om het zorgpersoneel te ontlasten en te ondersteunen. Tevens staan er 1.000 medewerkers van Defensie paraat voor de verdere ondersteuning van de zorg op een breed terrein: planning, coördinatie, testen, vaccineren en logistiek.
Ook hier verwijs ik naar het actuele beeld op Defensie.nl.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht waarin oud-Dutchbatters vinden dat er alsnog erkenning moet komen van overheid, defensie en media. |
|
Albert van den Bosch (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht: «Oud-Dutchbatters: overheid, defensie en media moeten alsnog met erkenning komen»?1
Het krantenartikel waar u naar verwijst is gepubliceerd naar aanleiding van de presentatie van het rapport «Focus op Dutchbat-III» en de aanbevelingen van de begeleidingscommissie Borstlap. Ik heb het rapport en de aanbevelingen op 14 december jl. in ontvangst mogen nemen tijdens een presentatie in Nieuwspoort. Met mijn brief (Kamerstuk 26 122, nr. 48. van 14 december 2020) heb ik deze documenten aan uw Kamer toegestuurd. Daarbij heb ik aangegeven dat ik begin 2021 mijn beleidsreactie zal geven. Deze heb ik u vandaag toegezonden.
Hoe beoordeelt u dat één op de drie oud-Dutchbatters een actuele behoefte heeft aan zorg of ondersteuning?
Het is van groot belang om de juiste zorg, waardering en erkenning te geven aan de Dutchbat-veteranen. Dat is ook de reden dat ik er uitvoerig onderzoek naar heb laten doen. Het onderzoeksrapport en de aanbevelingen zijn voor mij daarom belangrijke documenten. In mijn beleidsreactie – die u vandaag ontving – ben ik nader ingegaan op deze vragen.
Om handen en voeten te kunnen geven aan de aanbevelingen, is er uiteraard voldoende budget nodig. De financiële consequenties van het overnemen van de aanbevelingen zullen bij Voorjaarsbesluitvorming in overleg met de ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken worden gedekt op de departementale begroting.
Hoe kan het dat één op de vijf hulpbehoevende veteranen geen professionele hulp ontvangt, terwijl zij aangeven dat wel nodig te hebben?
Elke veteraan die bij Defensie aangeeft dat hij of zij hulp nodig heeft, kan dat ontvangen. Dat is niet alleen belangrijk voor Defensie maar het vloeit ook voort uit de Veteranenwet en het Veteranenbesluit. Voor goede en snelle zorg is het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen opgezet. Het loket voor zorg is 24-uur per dag geopend en zeven dagen in de week. Helaas komt het voor dat er veteranen zijn die zich nog niet hebben gemeld voor hulp of dat wel willen ontvangen maar niet van Defensie. Ik raad hen aan om (toch) deze stap te zetten. In beginsel levert het LZV voor elke hulpvraag een aanbod op maat. Dat geld niet alleen voor Dutchbat-veteranen – waar nu het onderzoek op gericht is geweest – maar voor elke veteraan. Uit het onderzoek “Veteraan, hoe gaat het u?” gepubliceerd in 2019 en het onderzoek onder ISAF-veteranen dat begin 2020 is gepubliceerd, is bekend dat er groepen veteranen zijn die zorg mijden en om die reden lastig te bereiken zijn. In de beleidsreactie ben ik ook op dat thema ingegaan. Alle Dutchbat-III-veteranen en hun thuisfront ontvangen binnenkort een brief, waarin zij expliciet worden uitgenodigd om contact op te nemen met het zorgloket indien zij nog professionele hulp behoeven vanwege de uitzending.
Gaat u zo snel mogelijk maatwerk leveren om deze groep te helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid ook te kijken of er bij andere groepen veteranen ook een dergelijke substantiële groep is die tussen wal en schip valt?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u mee in de visie van de oud-Dutchbatters dat erkenning van Defensie tekort schiet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich er maximaal voor inzetten dat de oud-Dutchbatters adequate extra hulp ontvangen zonder dat zij hiervoor eerst juridische stappen moeten zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen voor de oud-Dutchbatters die zich onvoldoende gewaardeerd voelen door Defensie?
Zie antwoord vraag 2.
De stand van zaken rond de gebreken aan de F-35 vliegtuigen (Joint Strike Fighters) |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Hoeveel van de 883 geconstateerde ontwerpfouten van de F-35 toestellen zijn op dit moment nog niet opgelost?1
Zoals ik eerder schriftelijk heb geantwoord op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2145) d.d. 3 april 2019 alsmede in de eenentwintigste voortgangsrapportage project Verwerving F-35 (Kamerstuk 26 488, nr. 461) d.d. 15 september 2020, is de lijst van tekortkomingen, dus ook die van de zogeheten category 1 deficiencies (hierna te noemen categorie 1 tekortkomingen), een momentopname en aan veranderingen onderhevig en variëren deze in aantal. Dat geldt ook voor de lijst van tekortkomingen per subcategorie, die breder is dan «Open in Dispute» en «Open No Plan to Correct».
De onderkende tekortkomingen worden in volgorde van prioritering beoordeeld en vervolgens opgelost. Tegelijkertijd kunnen nieuwe tekortkomingen op de lijst worden geplaatst ter beoordeling. Het F-35 Joint Program Office (JPO) stelt vast dat van de categorie 1 tekortkomingen er negen betrekking hebben op de F-35A (peildatum 29 december 2020), het type jachtvliegtuig dat Nederland verwerft.
Voor alle nog openstaande categorie 1 tekortkomingen zijn maatregelen genomen om het risico te verlagen of volledig weg te nemen. Deze maatregelen hebben o.a. betrekking op het aanpassen van operationele procedures of het doorvoeren van software- of hardware wijzigingen. Het zogeheten restrisico dient na implementatie van de mitigerende maatregelen op een voor Nederland acceptabel niveau te liggen. Een categorie 1 tekortkoming verdwijnt pas van de lijst van het JPO als deze daadwerkelijk opgelost is, in sommige gevallen vergt dat meer tijd. Vanwege de classificering van deze informatie kan ik uw Kamer in deze brief geen details verstrekken over de specifieke aard van de categorie 1 tekortkomingen en de getroffen maatregelen.
Ook bij de volgende fase, de doorontwikkeling van de F-35, zullen waarschijnlijk continu nieuwe tekortkomingen worden geconstateerd en gecorrigeerd. Dit is het resultaat van het naleven van strenge eisen die gericht zijn op het optimaliseren van de capaciteit van het vijfde generatie jachtvliegtuig, dat gekenmerkt wordt door hoogwaardige technologie, alsmede het garanderen van de vliegveiligheid van het materieel en het betrokken personeel.
Volgens het JPO is het totaal aantal geregistreerde tekortkomingen 875 (peildatum 28 december 2020), inclusief tekortkomingen in het kader van de doorontwikkelingen. Deze tekortkomingen hebben onder meer betrekking op het vliegtuig zelf alsmede de ondersteunende software en trainingsmiddelen. Ook de lijst van totale tekortkomingen blijft een momentopname en is aan veranderingen onderhevig. In de tekortkomingenlijst zijn ook bevindingen opgenomen die afwijken van de ontwerpeisen, maar deze tekortkomingen doen geen afbreuk aan de effectieve inzetmogelijkheden. Een groot deel van deze bevindingen worden waarschijnlijk niet als tekortkoming gezien en blijven daarom onopgelost. Deze worden door het F-35 programma na een grondige beoordeling geaccepteerd en aan het eind van de testfase afgesloten.
Welk deel hiervan is «open, in dispute» en welk deel is erkend door «contractors»?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat 162 geconstateerde ontwerpfouten nooit meer zullen worden opgelost? Waarom worden bepaalde fouten niet hersteld en wat zijn daarvan de risico’s en gevolgen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel ernstige («category 1») gebreken, die bijvoorbeeld gevaarlijk kunnen zijn voor vliegers, zijn er op dit moment nog? Kunt u deze gebreken omschrijven?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel van de 873 «software-bugs» zijn op dit moment nog niet opgelost?
Het in het artikel genoemde aantal van 873 betreft waarschijnlijk het totaal aantal openstaande tekortkomingen (peildatum 4 november 2019), zoals gerapporteerd in het jaarlijkse rapport van Office of the Director of Operational Test & Evaluation (DOT&E) op 30 januari 2020. Zoals vermeld hebben deze tekortkomingen betrekking op het vliegtuig zelf alsmede de ondersteunende software en trainingsmiddelen en zijn deze een momentopname.
In het op 13 januari jl. gepubliceerde jaarrapportage van DOT&E worden 871 openstaande tekortkomingen gemeld (peildatum 2 oktober 2020), waaronder 10 categorie 1 tekortkomingen. Zoals vermeld, blijft de lijst van totale tekortkomingen een momentopname en is deze aan veranderingen onderhevig.
Is op dit moment bekend waarom brandstofleidingen kunnen exploderen, waardoor de vliegtuigen niet kunnen vliegen tijdens onweer (omdat blikseminslag vermeden moet worden)?2 Zo ja, wat is de oorzaak van het probleem en wanneer is dit opgelost?
Het JPO heeft de landen met een F-35A-vliegtuigen, waaronder Nederland, geïnformeerd dat er beschadigde leidingen van het On-Board Inert Gas Generation System (OBIGGS) zijn geconstateerd. Hierdoor kunnen de overige brandstoftanks onvoldoende inert worden gemaakt of gehouden. Het inert maken van brandstoftanks zorgt ervoor dat de kans op explosie van brandstofdampen bij bijvoorbeeld een blikseminslag tot een minimum wordt beperkt. Het is thans nog niet bekend wanneer een definitieve oplossing beschikbaar is. De oorzaak met betrekking tot de beschadigde leidingen van het OBIGGS wordt momenteel met hoge prioriteit onderzocht door fabrikant Lockheed Martin in samenwerking met het JPO. Op basis van dit onderzoek, inclusief testvluchten, vindt naar verwachting een herontwerp van de OBIGSS-leidingen plaats, waarmee de vliegbeperking in de omgeving van onweer kan worden opgeheven. De huidige beperking heeft tot op heden nauwelijks gevolgen gehad voor de inzet van de Nederlandse F-35 jachtvliegtuigen die hun geplande vlieguren halen.
Wat zijn alle (te verwachten) kosten van het oplossen van zowel de ontwerp als de softwarefouten?
Het F-35 programma heeft een wapensysteem ontwikkeld op basis van een operationeel pakket van eisen, die in een ontwikkelingscontract met de fabrikanten Lockheed Martin en Pratt & Whitney zijn vastgelegd. Dit is, zoals gebruikelijk bij een Amerikaans ontwikkelprogramma, een zogenaamd cost-plus contract waarin een inspanningsverplichting voor de fabrikant is opgenomen om de contractuele eisen te realiseren. Inmiddels is de ontwikkelingsfase (ook wel bekend als de fase System Design and Development) voltooid en is het JPO nog bezig met de afwikkeling van het contract. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre door de fabrikanten aan de contractuele eisen is voldaan en worden afspraken over de verdere afwikkeling van het ontwikkelingscontract gemaakt.
Eventuele verbeteringen die aan het einde van de ontwikkelingsfase zijn vastgesteld, worden desgewenst meegenomen in de doorontwikkelingsfase van het vliegtuig. Nederland draagt hier niet meer aan bij dan volgens de in het F-35 programma reeds overeengekomen kostenverdeelsleutel (de zogeheten cost share ratio). De ramingen voor de totale doorontwikkeling zijn in de exploitatiekosten opgenomen en maken deel uit van de programmakosten.
Welke concrete inspanningen zijn er (geweest) om deze kosten te verhalen op bijvoordeeld de leverancier van de vliegtuigen? Wat is het Nederlandse deel van de eventuele claims?
Zie antwoord vraag 7.
Welk tijdpad is gekoppeld aan het oplossen van alle gebreken?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de analyse van een deskundige3, die aangeeft dat de F-35 weinig tot geen meerwaarde heeft, en dat voor een fractie van de kosten beter een «updated legacy aircraft» gekozen had kunnen worden? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de punten dat de F-35 kansloos zou zijn in luchtgevechten tegen andere geavanceerde vliegtuigen en dat het enige voordeel van de F-35, de stealth technologie, bij een ander toestel (de F-22) al simpelweg beter is?
De F-35 zal moeten voldoen aan alle gestelde operationele en technische eisen, waaronder die betreffende stealtheigenschappen. Over de specifieke operationele capaciteiten van de F-35, inclusief beweringen over eventuele kwetsbaarheden van het systeem, kan ik uw Kamer vanuit veiligheidsoverwegingen echter geen verdere informatie doen toekomen.
Het Amerikaanse F-22 jachtvliegtuig is niet voor export beschikbaar en derhalve wordt met Nederland geen specifieke kennis over de technische kenmerken van het toestel gedeeld.
Erkent u dat, gelet op alle kostenoverschrijdingen, door niet gehaalde deadlines (ontwerpfouten, sofwarefouten, tekorten aan reserveonderdelen en gedateerde strategische inzetbaarheid) de aanschaf van de F-35 vliegtuigen een grote fout is (geweest)? Zo nee, kunt u beargumenteerd uitleggen waarom niet?
De verwerving van de F-35 betekent een aanzienlijke versterking van de krijgsmacht en verschaft onze militairen het beste materieel voor de uitoefening van hun grondwettelijke taken, zoals o.a. de bewaking van het Nederlandse luchtruim, inzet bij conflictsituaties en de bestrijding van (terreur-) en andere dreigingen. Zoals ook aangegeven in het DMP-D Document Vervanging F-16 (kenmerk 2014D46793) en de eenentwintigste voortgangsrapportage project Verwerving F-35, wil Nederland met de F-35 zes missietypen veilig en effectief kunnen uitvoeren. De kandidatenvergelijking in 2008 heeft aangetoond dat de F-35 het meest geschikt is om alle zes missietypen uit te kunnen voeren.
Zoals ik ook tijdens het Wetgevingsoverleg Personeel en Materieel Defensie d.d. 30 november jl. heb toegelicht, zijn de ervaringen met de Nederlandse F-35 jachtvliegtuigen tot dusverre positief. Dat oordeel baseert Defensie op de eigen ervaringen met de vliegtuigen die sinds 2019 vanuit Nederland opereren alsmede de ervaringen in de Verenigde Staten waar Defensie F-35 personeel opleidt en waar Nederland sinds 2013 bijzondere kennis en ervaring heeft opgedaan door deelname in het Initiële Operationele Test en Evaluatie fase met andere internationale partners.
Er is op dit moment geen aanleiding te veronderstellen dat de belangrijkste mijlpalen, te weten de initiële operationele inzetbaarheid eind 2021 en volledige operationele inzetbaarheid in 2024, niet worden gehaald. Deze mijlpalen worden in belangrijke mate bepaald door het behalen van operationele doelstellingen, opgeleid personeel en het succesvol behalen van bepaalde trainingsdoelstellingen. Zoals gerapporteerd in de laatste voortgangsrapportage project Verwerving F-35, zal de Nederlandse F-35 vloot in 2024 alle taken over kunnen nemen van de F-16.
LIMC, JISTARC en andere inlichtingenwerkzaamheden door de krijgsmacht |
|
Sadet Karabulut , Salima Belhaj (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Wanneer, door wie en op basis van welke wettelijke kaders en regels is toestemming gegeven voor de oprichting van Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) op 20 maart 2020? Welke gegevens zijn tijdens de werkzaamheden verzameld? Wat wordt met die gegevens gedaan? Hebt u toestemming gegeven om in het werk van het LIMC van diverse binnenlandse actiebewegingen potentiële staatsvijanden te maken? Zo ja, welke groeperingen en waarom? Kunt u de weekrapporten en andere berichten aan de Kamer voorleggen?1
Het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) heeft in maart 2020 besloten tot de oprichting van het experimentele Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) als onderdeel van een Concept Development & Experimentation (CD&E) traject. Experimenteren met informatiegestuurd optreden is van groot belang om de toekomstige organisatie in te richten en te betrekken bij grote investeringsplannen die nodig zijn om de grondwettelijke taken van Defensie nu en in de toekomst uit te kunnen voeren. Daarbij was het CLAS door de CDS aangewezen als het uitvoerend Operationeel Commando voor de ondersteuning van de civiele autoriteiten bij de bestrijding van COVID-19. Het gevoel van urgentie om de civiele autoriteiten bij deze nationale COVID-crisis te hulp te schieten, gecombineerd met het belang om te experimenteren met informatiegestuurd optreden, verklaart dat het CLAS deze crisis aangreep om in een CD&E-traject het LIMC op te richten. Het doel was militaire en civiele besluitvormingsprocessen te voorzien van inzicht en waar mogelijk van handelingsperspectief om de COVID-crisis het hoofd te bieden.
Het experimentele LIMC gaf uitvoering aan deze opdracht door data uit algemeen toegankelijke bronnen te verzamelen, te verwerken en te analyseren. Het uitgangspunt hierbij was dat voor deze activiteiten geen aparte grondslag of mandaat nodig was. Dit uitgangspunt was juist voor zover het verrichten van dergelijke activiteiten tot de gereedstellings- en instandhoudingstaak van de krijgsmacht behoort. Voor activiteiten die niet tot deze taak behoren, zoals het inschatten van effecten in de maatschappij en het opstellen en verspreiden van rapporten hierover, geldt dat dit inzet betreft waarvoor altijd een grondslag vereist is. In geval van inzet voor nationale taken is dat – afgezien van enkele structurele taken die zijn vastgelegd in wet- en regelgeving, of in geval van structurele ondersteuning van civiel gezag – alleen mogelijk op basis van bijstand of Militaire Steunverlening in het Openbaar Belang (MSOB). In mijn brief van 27 november informeerde ik u eerder dat het civiele gezag geen verzoek tot bijstand aan het LIMC had gedaan.2
Ik wist dat er een LIMC was, maar heb geen mandaat gegeven voor gegevensverwerking die niet tot de eigen taak van de krijgsmacht behoort. Zodra ik hierover nader ben gebriefd, heb ik die activiteiten stilgelegd, zoals ik u eveneens in mijn brief van 27 november heb laten weten. In mijn brief van 7 mei (ons kenmerk BS2021009199) met mijn appreciatie van het rapport van de Functionaris Gegevensbescherming over het LIMC, zet ik uiteen welke maatregelen ik neem om de AVG-organisatie te versterken en herhaling hiervan bij Defensie te voorkomen. De rapporten van het LIMC worden gelijk met deze antwoorden aan uw Kamer aangeboden3. Gelet op het bovenstaande zijn de verwerkte persoonsgegevens in deze LIMC-rapporten gelakt om aan de voorwaarden van de AVG te voldoen.
Hoe verhouden deze werkzaamheden zich tot de werkzaamheden van de MIVD en AIVD? Welke kaders zijn er voor het in de gaten houden van mensen en groepen, online en offline?
Het experimentele LIMC is geen inlichtingendienst, maar valt onder het Commando Landstrijdkrachten. Het LIMC kan alleen voor nationale taken ter ondersteuning van de civiele autoriteiten worden ingezet op basis van bijstand of MSOB. De MIVD en de AIVD opereren onder de Wiv2017. Deze wet biedt grond voor het uitvoeren van inlichtingenactiviteiten en geldt alleen voor beide diensten. De Wiv2017 en het bijbehorende systeem van toestemming en toezicht zorgen voor de benodigde borging van de grondrechten bij de inzet van de diensten. In de openbare jaarverslagen van de MIVD en de AIVD staat waarvoor de inlichtingendiensten hun bevoegdheden inzetten.
Klopt het dat de legertop in de afgelopen tijd heeft ingegrepen bij het LIMC, zoals NRC schrijft? Zo ja, waaruit bestaat die ingreep dan? Zo nee, waarom niet?
Het CLAS heeft in eerste instantie besloten de producten niet meer extern te verspreiden. Nadat ik nader over het LIMC ben gebriefd, heb ik besloten ook de activiteiten van het LIMC voor wat betreft het verzamelen en analyseren van informatie stil te zetten. Hierover heb ik u geïnformeerd in mijn brief van 27 november 2020.5
Bent u het met de vragenstellers eens dat de operatie van het LIMC niet onder de grondwettelijk taken van Defensie valt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?2 Hoe is het mogelijk dat het LIMC al meer dan een half jaar opereert zonder mandaat, noch met enige aanwijzing dat er op afzienbare tijd een mandaat gaat komen?
Zoals ik in antwoord op vraag 1 stel, was er geen grondslag voor deze activiteiten van het LIMC voor zover die niet tot de eigen gereedstellings- en instandhoudingstaak van de krijgsmacht behoren. Zoals in u in mijn brief van 7 mei informeer, wordt naar aanleiding hiervan de samenwerking tussen de juridische en operationele lijn versterkt. Mede aan de hand van het onderzoeksrapport van de Functionaris Gegevensbescherming heeft Defensie een algemeen overzicht gemaakt van de meest relevante juridische bepalingen die van toepassing zijn op operationele activiteiten in de informatieomgeving. Deze is als bijlage bij die brief gevoegd. Alle commandanten van organisatieonderdelen die in de informatie-omgeving actief zijn, hebben hierover een gesprek met hun juridische adviseur en/of AVG-functionaris. Het streven is deze gesprekken voor het zomerreces te hebben voltooid.
Klopt het dat het LIMC de rapporten heeft verspreid bij andere organisaties van de Nederlandse staat (in het bericht worden de volgende productafnemers genoemd: TOC, LOT-C, LOCC, NCTV, OM, NP)? Zo ja, gebeurt dit nog steeds? Kunt u een lijst naar de Kamer sturen met alle organisaties die een rapport hebben ontvangen van het LIMC?
Het experimentele LIMC heeft buiten Defensie rapporten verspreid aan de het Ministerie van Justitie en Veiligheid waaronder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), het Landelijk Operationeel Team Corona (LOT-C) en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC). Verder aan de Nationale Politie, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en het Landelijk coördinatiecentrum Patiëntenspreiding, het Instituut Fysieke Veiligheid, de Brandweer en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM). Bij het merendeel van deze externe instanties betrof het slechts een enkel mailadres, uitschieter was het Ministerie van J&V waaronder de NCTV, het LOCC en het LOT-C vallen die de coronabestrijding coördineren. Het Territoriaal Operatie Commando (TOC) is een eigen onderdeel van de Defensie dat momenteel is belast met de aansturing van de COVID-19 gerelateerde inzet van Defensie.
Wat betekent een dergelijke veronderstelde ingreep als u stelt dat LIMC helpt anticiperen?3
Zie antwoord vraag 3.
Waarin verschilt JISTARC van LIMC? Waarom moet JISTARC aan een oefening voor een operatie tegen «een radicaal linkse cel» deelnemen, waarvan de leden «in beeld zijn gekomen dankzij getuigen, aftappen van internetverkeer en een wapenvondst»? Waarom rekent de Nederlandse krijgsmacht zich deze taken toe en waarom geeft u daartoe toestemming? Deelt u de opvatting dat dit werk van de politie zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?4
Het JISTARC (Joint Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaisssance Commando) en het experimentele LIMC zijn beide eenheden die zijn opgericht voor de eerste en tweede hoofdtaak van Defensie. Het JISTARC is een tactische inlichtingeneenheid van het CLAS die inlichtingen levert aan de operationele eenheden van de krijgsmacht. Deze inlichtingen verzamelt het JISTARC in een inzetgebied onder operationele omstandigheden als daarvoor een mandaat is. Het LIMC volgt een CD&E traject en verschilt van JISTARC omdat het in een experimentele setting met nieuwe data-technologieën een overzicht van de toestand (Situational Awareness en Situational Understanding) probeert te genereren. Ook voor inzet van het LIMC moet een mandaat zijn.
De oefening waar in vraag 7 naar wordt verwezen en waaraan het JISTARC deelnam, betrof een fictief scenario voor een inzet in het buitenland. Afhankelijk van de aard van de buitenlandse inzet en het daarbij behorende mandaat behoort dit ook tot de taken van de krijgsmacht en moet zij zich daarop voorbereiden. Er is geen reden om hiervoor bij het JISTARC in te grijpen.
Waarom wordt het boekwerk van een Tweede Kamerlid van GroenLinks gebruikt bij deze vijandbeelden over een radicaal linkse cel? Deelt u de opvatting dat dit een totaal verkeerde aanpak is van boeken die de discussie over de inrichting van de maatschappij beogen?5 Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat onderneemt u tegen deze dystopische oefenscenario’s?
Het boek «De mythe van het economisme» van het lid Jesse Klaver was privéeigendom van één van de figuranten die meedeed aan de oefening. Het boek maakte geen onderdeel uit van het oefenscenario en speelde geen rol in de oefening.
Deelt u de opvatting dat de wijze waarop zowel LIMC als JISTARC optreedt de grenzen tussen buitenlands en binnenlands optreden vervaagt? Zo nee, kunt u dat toelichten?
Nee, gereedstelling en inzet voor elk van de drie hoofdtaken geschiedt in principe onder de daarbij behorende juridische kaders en bijbehorende mandaten. In het geval van de activiteiten van het experimentele LIMC ontbrak echter een grondslag voor activiteiten voor zover die niet tot de eigen gereedstellings- en instandhoudingstaak van de krijgsmacht behoren.
Bent u bereid ook bij JISTARC in te grijpen om een einde te maken aan het voorbereiden van oorlogshandelingen tegen dit soort binnenlandse oppositiegroepen omdat dit operationele werk in eerste instantie voor de politie is en de inlichtingenkant van het werk voor de bevoegde inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de opvatting dat het benaderen van Nederlandse burgers door de Nederlandse krijgsmacht het vertrouwen in de krijgsmacht en de Nederlandse staat ondermijnt. Zo nee, waarom niet?
Zonder mandaat is het niet toegestaan Nederlandse burgers te benaderen. Ook het gebruik van avatars is niet toegestaan bij Defensie en bij het LIMC is hiertoe geen opdracht gegeven. Defensie heeft kennisgenomen van het NRC-artikel van 16 november over LIMC en de verwijzing daarin naar het mogelijk gebruik van avatars op social media. Defensie beschikt niet over andere signalen dat dit is gebeurd en ziet daarom, tot dergelijke signalen zich alsnog zouden voordoen, geen aanleiding voor een nader onderzoek. In het rapport van de Functionaris Gegevensbescherming wordt gewezen op het aanmaken van een «leeg» Facebook-account, «omdat anders de bedrijfspagina’s op Facebook niet konden worden betrokken in de sentimentanalyse».
Herinnert u zich het antwoord van uw voorganger, de Minister van Defensie in 1980, over de oefening Black Palermo van enkele landmachtonderdelen die tegen de vredesbeweging waren gericht, namelijk dat «oefeningen als de onderhavige zijn naar hun aard uiteraard geen bijdrage aan een discussie, welke dan ook»? Bent u met ons van mening dat de werkzaamheden van LIMC en JISTARC uiteraard geen bijdrage aan een discussie zijn, welke dan ook? Zo nee, waarom niet?6
Ja, dat antwoord over Black Palermo is mij bekend. Voor de oefening van het JISTARC waaraan in vraag 7 wordt gerefereerd, geldt hetzelfde als in 1980. Namelijk dat dergelijke oefeningen naar hun aard uiteraard geen bijdrage zijn aan een discussie, welke dan ook. Voor het LIMC geldt dat voor hun activiteiten voor zover die niet tot de eigen gereedstellings- en instandhoudingstaak van de krijgsmacht behoren geen grondslag was en dat die activiteiten in november zijn stopgezet.
Klopt het dat er vertrouwelijke data van de politie is gebruikt? Was dat alleen data van het interne registratiesysteem van de politie? Zo ja, wat voor data is daaruit gedeeld met het LIMC? Zo nee, wat voor data van de politie werd nog meer gebruikt?
Nee, het LIMC had en heeft geen toegang tot het interne registratiesysteem van de politie. Het LIMC maakte bij zijn producten gebruik van de ongerubriceerde Corona Crime Change Monitor (CCCM) van de Nationale Politie (zie ook het bronnenoverzicht in het rapport van de Functionaris Gegevensbescherming). In een van die monitors stond een verwijzing naar het registratiesysteem. Die verwijzing is vervolgens in een LIMC product terecht gekomen.
Kunt u bevestigen dat het LIMC nooit aan social media engagement heeft gedaan?
Zie antwoord vraag 11.
Zijn er medewerkers bij het LIMC geweest die, in functie, met een schuilnaam een online platform hebben betreden? Zo nee, hebben ze deze opdracht wel gekregen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoeveel medewerkers zijn er sinds het oprichten van het LIMC opgestapt of vervangen?
Het LIMC was een experimentele eenheid met tijdelijk personeel van andere organieke eenheden waarbij geen vaste bezetting was. In totaal hebben van 1 maart tot 1 november 2020 151 mensen gedurende langere of kortere tijd bij het LIMC gewerkt. Er was sprake van een voortdurende wisselende samenstelling van het personeelsbestand waarbij steeds 15 tot 25 personen aanwezig waren. Daarbij is niemand op formele gronden opgestapt of vervangen.
Kunt u toelichten wat er nu met de verzamelde persoonsgegevens gebeurt? Worden deze vernietigd?
De verzamelde gegeven zijn veiliggesteld en worden in overleg met de Functionaris Gegevensbescherming Defensie bewaard en vernietigd conform de Archiefwet en het archiefbesluit aan de hand van de selectielijst Defensie.10
Kunt u zich vinden in het geschetste beeld in de Volkskrant dat het ongemerkt anders gebruiken van bepaalde technologie – function creep – een ongewenste manier is van technologiegebruik en data-ontwikkeling?7
Tot wat voor real-time technologie en IT-infrastructuur heeft het LIMC toegang tijdens het verzamelen van data?
Het experimentele LIMC heeft voornamelijk gebruik gemaakt van door Defensie verstrekte en geaccrediteerde informatiesystemen, zoals het reguliere bedrijfsvoering netwerk MULAN en de operationele variant TITAAN. Daarnaast is gebruik gemaakt van een eigen Netwerk en Network-attached storage (NAS). Zie ook het rapport van de Functionaris Gegevensbescherming dat ik op 7 mei samen met mijn appreciatie aan de Kamer heb aangeboden.
Wat wordt er in het artikel bedoeld met «semi-gesloten» bronnen?
Deze term werd door het LIMC gebruikt voor open bronnen waarvoor een (betaald) abonnement nodig is, zoals bijvoorbeeld kranten.
Zijn er militairen in het LIMC die ook voor de projecten Greyzone en/of Trafisac hebben gewerkt?
«Greyzone» en «Trafisac» zijn geen projecten waar militairen voor hebben gewerkt, maar studies die binnen het Concept Development and Experimentation (CD&E) proces van het CLAS zijn uitgevoerd om bij te dragen aan de kennisopbouw over informatiegestuurd optreden.
Herkent u zich in het geschetste beeld dat luitenant-generaal Martin Wijnen negatief juridisch advies van Defensie juristen meermaals naast zich neer zou hebben gelegd?8
De Commandant der Landstrijdkrachten heeft herhaaldelijk opgedragen om de activiteiten binnen de geldende wet- en regelgeving uit te voeren. Dit is vermeld in alle opdrachten die het CLAS hiertoe verstrekte. Dit laat onverlet dat er discussie is geweest met juristen over de toepassing van de geldende wet- en regelgeving. Mede daarom is een juridisch kader voor optreden in het informatiedomein opgesteld dat ik als bijlage bij mijn brief over LIMC van 7 mei aan het parlement heb aangeboden.
Kunt u uitleggen wat er bedoeld wordt met de veranderende juridische randvoorwaarden die COVID-19 gecreëerd zou hebben?
Er zijn geen veranderde juridische randvoorwaarden als gevolg van de COVID-19 crisis.
Hebt u Luitenant-Kolonel Dekkers specifiek toestemming gegeven om aan de slag te gaan in de grey zone?9
Nee, de commandant van het LIMC kreeg opdracht van het CLAS om in het kader van een experimenteertraject militaire en civiele besluitvormingsprocessen te voorzien van inzicht en waar mogelijk met handelingsperspectief om de COVID-crisis het hoofd te bieden.
Hebt u de operatie van het LIMC afgekeurd en tot een halt geroepen? Zo ja, is de operatie toen ook daadwerkelijk gestopt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen apart en voorafgaand aan het debat over de Defensie-begroting beantwoorden?
De vragen zijn zoveel mogelijk apart beantwoord. Het is niet gelukt de vragen voor de begrotingsbehandeling van 3 december te beantwoorden. Dit vergde meer tijd. Ook heb ik hiervoor de resultaten van het onderzoek van de Functionaris Gegevensbescherming naar de naleving van de AVG door het experimentele LIMC afgewacht. Hierover bent u geïnformeerd in mijn brieven van respectievelijk 27 november 202014 en 15 december 202015.
Het Nederlandse kernwapenbeleid. |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Bram van Ojik (GL), Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kunt u toelichten wat het besluit van de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) precies inhoudt om «meer openheid te verschaffen over deze specifieke oefening»?1
Binnen de NAVO is besloten om dit jaar voor het eerst de nucleaire dimensie van een jaarlijkse NAVO-oefening bekend te maken. Dit is een belangrijke stap in het streven naar meer transparantie. Het NAVO-persbericht over de oefening en over het bezoek van de secretaris-generaal van de NAVO aan vliegbasis Volkel benadrukt dat meer transparantie van belang is om het vertrouwen tussen kernwapenlanden te vergroten en het risico van miscalculatie te verkleinen. Bondgenoten maken een eigen afweging over het bekendmaken van hun deelname aan de oefening. Nederland streeft er naar om binnen de kaders van de bondgenootschappelijke afspraken zo transparant mogelijk te zijn over de kernwapentaak en daaraan gerelateerde onderwerpen, en heeft dan ook bekendgemaakt aan deze oefening deel te nemen.
Geldt deze transparantie alleen Nederland? In welke andere NAVO-lidstaten zijn mededelingen gedaan over deze oefening?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat het de oefening Steadfast Noon betrof? Zo nee, welke oefening was het dan?
Aan de NAVO-oefening met nucleaire dimensie namen dit jaar vliegtuigen deel vanuit landen verspreid over het bondgenootschap. Het is aan bondgenoten zelf om bekend te maken of zij deelnemen aan deze oefening. Nederland heeft ervoor gekozen om dit te doen, in het streven naar meer transparantie. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, blijven de details van deze jaarlijkse NAVO-oefening geclassificeerd2. Daaronder valt ook de naam van de oefening.
Is ook door andere NAVO-lidstaten deelgenomen aan de oefening Steadfast Noon? Zo ja, welke landen waren dat?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom was dhr. Stoltenberg tijdens de oefening in Volkel? Heeft hij tijdens de dagen van de oefening ook andere luchtmachtbases bezocht? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De secretaris-generaal van de NAVO bezoekt regelmatig oefeningen en heeft tijdens deze oefening alleen vliegbasis Volkel bezocht. Elk jaar wordt de oefening door een andere deelnemende bondgenoot gecoördineerd. Dit keer heeft Nederland dit gedaan.
Hoe heeft de NAVO het transparantiebeleid over deze oefening geëvalueerd? Zal in de toekomst een verruiming van dit transparantiebeleid plaats hebben? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De evaluatie van bondgenootschappelijke oefeningen, inclusief berichtgeving hierover, vindt altijd plaats binnen de NAVO. Evaluaties blijven geclassificeerd, ten einde de effectiviteit van oefeningen niet te ondermijnen. Binnen de NAVO wordt belang gehecht aan meer transparantie over bondgenootschappelijke activiteiten, om de kans op miscalculatie te verkleinen. De Nederlandse inzet binnen de NAVO is erop gericht om transparantie over de kernwapentaak en daaraan gerelateerde onderwerpen waar mogelijk te vergroten, binnen de kaders van de bondgenootschappelijke afspraken.
Is de observatie juist dat u van mening verschilt over het transparantiebeleid over kernwapens in Nederland nu de Minister van Defensie heeft bekend gemaakt dat de Koninklijke Luchtmacht oefent in kernwapenprocedures en bovendien tijdens een tv-uitzending op 18 oktober 2020 erkend heeft dat er in Nederland kernwapens zijn en de Minister van Buitenlandse Zaken categorisch blijft ontkennen iets over kernwapenbeleid te kunnen meedelen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?2
Het kabinet streeft ernaar zo transparant mogelijk te zijn over de kernwapentaak en daaraan gerelateerde onderwerpen, binnen de kaders van de bondgenootschappelijke afspraken. Het beoefenen van nucleaire scenario’s, op alle niveaus, teneinde de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van nucleaire wapens te garanderen, heeft binnen NAVO altijd plaatsgevonden. De uitspraken van de Minister van Defensie tijdens de uitzending van WNL Op Zondag van 18 oktober jl. gingen over het belang van transparantie over deze NAVO-oefening, en benadrukten de realistische wijze van oefenen tijdens de bekendgemaakte NAVO-oefening met nucleaire dimensie.
Zoals uw Kamer bekend, kunnen over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens op grond van bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken geen mededelingen worden gedaan. Overwegingen van veiligheid liggen hieraan ten grondslag. Alle bondgenoten, inclusief Nederland, onderschrijven deze geheimhoudingsplicht.
Deelt u de mening dat het Non-Proliferatieverdrag verbiedt om kernwapens en andere voorwaardenscheppende omstandigheden zoals oefeningen, procedures en opslag van kernwapens van de erkende kernwapenmachten zoals de Verenigde Staten te delen? Zo nee, wat is dan uw uitleg van het Non-Proliferatieverdrag (NPV)? Kunt u dat uitvoerig toelichten?
Ten tijde van de onderhandeling over het Non-Proliferatieverdrag (NPV) bestonden de NAVO «nuclear sharing arrangements» al. Deze afspraken zijn in die onderhandelingen expliciet aan de orde geweest en zijn volledig in lijn met het verdrag, dat in 1970 in werking trad. De afspraken vormen de basis voor de Nederlands kernwapentaak binnen de NAVO. Deze taak, alsmede het oefenen daarvoor, is derhalve niet in strijd met het NPV. Nederland bezit geen kernwapens. Wapens die aan de NAVO zijn toegewezen blijven te allen tijde onder de nationale controle van een kernwapenstaat. Bij de NAVO-oefening met nucleaire dimensie van medio oktober is daarnaast door deelnemende bondgenoten niet gevlogen met kernwapens. Dit is ook expliciet gemeld in het persbericht van de secretaris-generaal van de NAVO over de oefening.
Deelt u de analyse dat Nederland in overtreding is van het NPV nu u heeft toegegeven met Amerikaanse kernwapens te oefenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zult u doen om in overeenstemming te komen met de bepalingen van het NPV?3
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de Defensiebegroting op 1 december 2020?
De vragen zijn binnen de reguliere termijn van drie weken beantwoord.
Het bericht 'Militairen betaalden te veel voor pensioen’ |
|
Martijn van Helvert (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennis genomen van de berichtgeving «Militairen betaalden te veel voor pensioen»?1
Ja.
Klopt het dat zeven (oud-)militairen naar de rechter gestapt zijn omdat ze teveel pensioenpremie zouden hebben betaald en als gevolg daarvan tienduizenden euro’s per persoon financiële schade zouden hebben geleden?
Het klopt dat zeven (oud-)militairen een procedure bij de rechter zijn gestart over de hoogte van de pensioenpremie die vanaf 2004 tot en met 2018 bij hen is ingehouden.
Klopt het dat in de periode tussen 2004 en 2019 nog de eindloonregeling van toepassing was op militairen, waarbij de meerkosten van deze regeling door Defensie in rekening zouden worden gebracht bij de werknemers?
Toen in 2004 de burgerambtenaren overstapten van eindloon naar middelloon, kozen de vakbonden en Defensie (sociale partners) er voor om de eindloonregeling voor militairen in 2004, dus tijdelijk, te handhaven. De reden hiervoor was dat sociale partners, gelet op de wezenlijk afwijkende salarisstructuur en het specifieke stelsel van toelagen dat voor militairen gold, de positie van de militairen binnen het ABP wilden bezien. Specifiek werd toen gekeken naar de vraag of invoering van een middelloonregeling- zoals die vanaf 2004 gold voor de burgerambtenaren – ook voor militairen een realistische optie was. Daarbij is door sociale partners afgesproken dat de extra pensioenpremie, in verband met het voor militairen (tijdelijk) handhaven van de eindloonregeling binnen ABP, door de militairen zou moeten worden opgebracht. Dit is vormgegeven door middel van een bij de militairen in rekening te brengen opslag. In 2004 is door sociale partners verder gesproken over de militaire pensioenpositie, maar omdat partijen er nog niet uit waren is afgesproken de tijdelijke voortzetting van de eindloonregeling in 2005 te handhaven. De hoogte van de opslag is door sociale partners in zowel 2004 als 2005 in overleg vastgesteld en schriftelijk vastgelegd.
In 2005 hebben de vakbonden en Defensie structurele afspraken gemaakt over de militaire pensioenpositie. Afgesproken werd dat vanaf 2006 voor militairen een eindloonregeling bleef gelden. Bij het handhaven van de eindloonregeling voor militairen zijn afspraken gemaakt over de ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP)-premieverdeling tussen werkgever en werknemer. In de pensioenovereenkomst is toen vastgelegd dat de werknemersbijdrage 30% is. Verder hebben sociale partners begin 2006, gelet op het vasthouden aan de eindloonregeling voor militairen, de zogenoemde «koppelafspraak» gemaakt. Die kwam erop neer dat de overheidsbrede relatieve premieontwikkeling als uitgangspunt werd gehanteerd voor de toekomstige werkgeversbijdrage vanuit Defensie. Meer concreet hebben sociale partners afgesproken dat de jaarlijkse mutatie van het werkgeversaandeel nooit meer zal bedragen dan de eventuele relatieve – i.c. procentuele – stijging van de (gemiddelde) ABP-brede OP/NP-premie voor burgerpersoneel. Als de mutatie wel meer bedroeg, dan zou deze grotere stijging volledig worden verhaald op de militairen via een opslag op de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen. In 2014 hebben sociale partners de koppelafspraak, ten gunste van militairen, nader gepreciseerd. De precisering hield in dat de opslag in enig jaar kon worden verlaagd als gevolg van een kleinere stijging of een grotere daling ten opzichte van de ontwikkeling van de premie voor het militaire ouderdoms- en nabestaandenpensioen in vergelijking tot de burgerregeling. Dit was overigens een codificering van een op dat moment reeds bestaande praktijk.
Op basis van de koppelafspraak zijn door de vakbonden en Defensie jaarlijks afspraken gemaakt over de premieverdeling. Die afspraken zijn telkens schriftelijk vastgelegd. Daarbij is de koppelafspraak toegepast en in enkele jaren in gunstige zin voor de militairen van de koppelafspraak afgeweken, waarbij een lagere opslag of geen opslag in rekening is gebracht. Aan de met de vakbonden gemaakte afspraken is ook telkens uitvoering gegeven bij het inhouden van de premie.
Klopt het dat het pensioen voor militairen in deze periode helemaal niet duurder was voor Defensie, goedkoper zelfs, maar dat er via een opslag toch om een hogere premie werd gevraagd?
Of het pensioen voor militairen al dan niet duurder was, is afhankelijk van waarmee wordt vergeleken en welke aspecten daarbij worden betrokken. Zo geldt bijvoorbeeld dat in 2006 de pensioenregeling voor burgerambtenaren fors is verbeterd ter compensatie van het stopzetten van de vroegpensioenregeling op dat moment. Voor militairen was een dergelijke aanpassing van de pensioenregeling niet aan de orde, omdat de UGM-regeling (voor vervroegd uittreden) voor militairen op dat moment ongewijzigd is voortgezet.
Daarnaast geldt dat destijds bij het overleg over het handhaven van de eindloonregeling voor militairen door de vakbonden en Defensie is onderkend dat een overgang naar de middelloonregeling, zoals die voor burgers gold, tot een stijging van de pensioenlasten zou leiden. Voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de premie wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Is er door Defensie, om de pensioenen voor militairen betaalbaar te houden, bezuinigd door over een kleiner deel van het salaris pensioen op te bouwen? Klopt het dat deze versobering niet is meegenomen in de premieopslag, waardoor militairen stelselmatig te veel betaalden?
Defensie stelt zich op het standpunt dat altijd de juiste pensioenpremie in rekening is gebracht, zoals die (jaarlijks) is overeengekomen met de vakbonden, en dat er daarom ook geen sprake is dat militairen «te veel betaalden». Het zijn sociale partners – Defensie en de vakbonden samen – die afspraken maken over de inhoud van de pensioenregeling voor militairen, waaronder ook het gedeelte van het salaris waarover pensioen wordt opgebouwd. De specifieke franchise die geldt bij de eindloonregeling is – afgezien van de uit het pensioenreglement voortvloeiende indexatie die geldt voor alle franchises – door sociale partners gehandhaafd. Er zijn geen aanvullende verhogingen van die franchise voor militairen doorgevoerd. Wel is het zo dat de franchise voor burgerambtenaren in de betreffende periode een aantal maal is verlaagd. In 2006 vond bijvoorbeeld ter verbetering van de pensioenregeling voor burgerambtenaren een forse verlaging van die franchise plaats ter compensatie van de hiervoor bij vraag 4 genoemde afschaffing van de vroegpensioenregeling. Voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de premie wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Verder wordt opgemerkt dat sociale partners niet alleen afspraken maken over pensioen, maar ook over andere arbeidsvoorwaarden. Van belang is om voor ogen te houden dat al die arbeidsvoorwaarden verband met elkaar houden. Er is één arbeidsvoorwaardenbudget dat goed moet worden besteed. Als sociale partners – Defensie en vakbonden – bijvoorbeeld bereid zijn een hoge loonsverhoging af te spreken, dan zal er minder geld overblijven voor andere arbeidsvoorwaarden, zoals pensioen. Daaruit volgt dat als Defensie door de gehanteerde pensioenpremieopslag in een bepaalde periode minder geld heeft uitgegeven aan pensioen dan wanneer die opslag niet was gehanteerd, het geld dat daarmee is «bespaard» beschikbaar is gekomen voor andere arbeidsvoorwaarden.
In hoeverre is deze problematiek relevant voor alle militairen die tussen 2004 en 2017 voor Defensie werkten?
Naar de mening van Defensie is er geen sprake van een «problematiek», omdat de juiste pensioenpremie in rekening is gebracht, zoals die (jaarlijks) is overeengekomen met de vakbonden. Zeven oud-militairen zijn over de hoogte van de pensioenpremie die vanaf 2004 tot en met 2018 is ingehouden bij militairen een procedure bij de rechter gestart, waarvan de uitkomst zal moeten worden afgewacht.
Bent u van mening dat tussen 2004 en 2019 door Defensie de juiste pensioenpremie in rekening is gebracht op basis van afspraken die jaarlijks met de vakbonden worden gemaakt? Zo ja, in hoeverre delen de militaire vakbonden uw standpunt, aangezien de vakbonden VBM, AFMP en GOV kennelijk meebetalen aan de rechtszaak van de zeven (oud-)militairen tegen Defensie?
Defensie stelt zich op het standpunt dat tussen 2004 en 2019 de juiste pensioenpremie in rekening is gebracht. Over de hoogte van de werknemerspremie zijn (jaarlijks) afspraken gemaakt tussen de vakbonden en Defensie. En aan die afspraken is ook telkens uitvoering gegeven bij het inhouden van de premie. Verder is het zo dat de vakbonden zich ook nooit op het standpunt hebben gesteld dat in dit verband in strijd met de met hen gemaakte afspraken zou zijn gehandeld, ook niet in het kader van de thans lopende procedure van de zeven (oud-)militairen.
Kunt u nader toelichten waarom u geen reden ziet voor compensatie van de zeven (oud-)militairen?
Zoals aangegeven, stelt Defensie zich op het standpunt dat tussen 2004 en 2019 de juiste pensioenpremie in rekening is gebracht, zoals die (jaarlijks) is overeengekomen met de vakbonden. De ingehouden pensioenpremies zijn alle jaren in lijn geweest met de gemaakte afspraken. Er is naar het oordeel van Defensie dan ook geen reden tot compensatie.
Bent u bereid de Kamer te informeren over het verdere verloop van de rechtszaak?
Ja, ik zal u te zijner tijd informeren over de uitkomst van de gerechtelijke procedure.
Het bericht dat de Soedanese paramilitaire groep RSF steun krijgt van de Europese Unie |
|
Tom van den Nieuwenhuijzen-Wittens (GL), Anne Kuik (CDA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Deze beruchte militie uit Soedan krijgt «veiligheidstraining» betaald door de EU»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van recente politieke en economische ontwikkelingen in Soedan?
In december 2018 begon een geweldloze volksopstand in Soedan, die heeft geleid tot het afzetten van toenmalig president Al-Bashir op 11 april 2019. Op 17 augustus 2019 ondertekenden de Militaire Overgangsraad (TMC) en de civiele oppositie een historisch constitutioneel akkoord. Dit akkoord maakte de weg vrij voor een democratische transitie in Soedan. Tijdens de overgangsperiode van 39 maanden (deze periode is met het tekenen van het vredesakkoord opnieuw ingegaan, zie onder) wordt het land geregeerd door een civiel geleide transitieregering. Alleen de ministers van Binnenlandse Zaken en Defensie zijn militairen. De Soevereine Raad neemt daarnaast de positie van staatshoofd in. Deze elfkoppige raad bestaat uit zes burgers en vijf militairen en staat momenteel onder leiding van generaal Burhan (RSF-leider Mohamed Hamdan Dagolo, ook wel Hemedti genoemd, is vicevoorzitter).
Op 3 oktober jl. werd in Juba het vredesakkoord getekend tussen de Soedanese overgangsregering en elf rebellengroeperingen verenigd in de Sudan Revolutionary Front (SRF) en de Sudan Liberation Movement (SLM). Dit omvangrijke akkoord bevat o.a. afspraken over het vormen en de samenstelling van een parlement en heeft ook uitgebreide passages over accountability. Momenteel wordt er nog onderhandeld met de rebellenleiders Al-Nur en El-Hilu, respectievelijk leiders van Sudan Liberation Movement-Al Nur (SLM-A) en Sudan People Liberation Movement North (SPLM-N). Het is belangrijk dat alle rebellen hun wapens neerleggen om tot duurzame en inclusieve vrede te komen.
In oktober jl. heeft aanklaagster Bensouda van het Internationaal Strafhof (ICC) een historisch bezoek gebracht aan Soedan. Sinds het aftreden van Al-Bashir is er sprake van toenadering tussen het civiele deel van de transitieregering en het ICC. Het kabinet heeft het belang van samenwerking met het ICC herhaaldelijk opgebracht. In Soedan was er veel aandacht voor het bezoek van aanklaagster Bensouda. De Soedanezen zijn echter verdeeld: een deel van de bevolking vindt dat Al-Bashir en de drie anderen tegen wie een arrestatiebevel openstaat zo snel mogelijk naar Den Haag moeten voor berechting, anderen zijn voorstander van lokale berechting.
Economisch gezien is het een uiterst zwaar jaar voor Soedan geweest. In september jl. is de noodtoestand uitgeroepen vanwege zware regenval en een buiten haar oevers tredende Nijl. Meer dan 875.000 mensen verkeerden in nood, 100.000 huizen zijn vernield en meer dan 150 mensen verloren het leven. Deze overstromingen kwamen bovenop een sprinkhanenplaag en Covid-19.
In het afgelopen jaar is de economische situatie dan ook zo nijpend geworden in Soedan, dat inmiddels 20% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Het kabinet heeft gedurende het jaar EUR 29,5 miljoen aan noodhulp gedoneerd (via Central Emergency Response Fund, Rode Kruis, Dutch Relief Alliance, Sudan Humanitarian Fund en het Family Support Program) om de negatieve gevolgen van deze rampen voor de bevolking te beperken.
Voor 2021 gloort er echter iets van hoop aan de economische horizon van Soedan. President Trump heeft aangegeven dat Soedan van de US State Sponsors of Terrorismlijst wordt gehaald, wat o.a. zou betekenen dat het internationale betalingsverkeer wordt gerehabiliteerd, nieuwe kansen worden geboden voor internationale handel en investeringen en Soedan in aanmerking komt voor schuldverlichting. Het Congres van de Verenigde Staten dient nog actie te ondernemen voordat delisting een feit is. Bovendien is Soedan, met o.a. de steun van de EU, het IMF en de Wereldbank, begonnen met aanzienlijke en broodnodige economische hervormingen.
Wat is de huidige verhouding van de Rapid Support Forces (RSF) met de regering van premier Hamdok en het Soedanese leger?
Met het constitutioneel akkoord van 17 augustus 2019 is de RSF formeel onderdeel uit gaan maken van de strijdkrachten van Soedan. De RSF wordt aangestuurd door de vicevoorzitter van de Soevereine Raad, Hemedti. Ter achtergrond is het belangrijk te weten dat de RSF voortkomt uit de paramilitaire Janjaweed milities. Deze Janjaweed milities zijn op etnische grondslag geformeerd en waren in Darfur en daarbuiten verantwoordelijk voor vele mensenrechtenschendingen. Omdat Al-Bashir zijn positie niet alleen maar afhankelijk wilde laten zijn van de leiders van het Soedanese leger, de Sudanese Armed Forces (SAF), financierde Al-Bashir ook de Janjaweed milities, die toen ook al werden aangevoerd door zijn vertrouweling Hemedti. Na de maandenlange burgerprotesten in 2018 en 2019 werd Al-Bashir uiteindelijk afgezet. Hemedti en generaal Burhan (een van de vooraanstaande officieren van de SAF en huidig voorzitter van de Soevereine Raad) keerden zich uiteindelijk tegen Al-Bashir en speelden een beslissende rol in zijn afzetting. Het constitutioneel akkoord van 17 augustus 2019 kan worden gezien als een machtsdeling tussen de drie belangrijkste machten in Soedan, dat wil zeggen de civiele oppositie, de SAF en de RSF. Een voorwaarde voor Hemedti zou zijn dat de RSF gelegitimeerd zou worden en dezelfde status zou krijgen als de SAF. In de praktijk bestaat de RSF echter parallel aan het Soedanese leger en is er nog geen sprake van daadwerkelijke integratie van de RSF in de SAF.
Klopt de stelling van het Trouw-artikel dat de EU van plan is om trainingen te financieren, of al financiert, waar ook leden van de RSF aan deel kunnen nemen?
Beide stellingen kloppen niet. De EU geeft geen financiële ondersteuning aan genoemde trainingen en is ook niet van plan dit in de toekomst te doen. Wel steunt de EU via het EU Emergency Trust Fund for Africa (EUTF) de democratische transitie in Soedan. Als onderdeel hiervan wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een overeenkomst ter waarde van EUR 4,95 miljoen met het bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens (OHCHR), bedoeld voor het kantoor in Soedan. Doel van de OHCHR-activiteiten is het ondersteunen van duurzame vrede, het verbeteren van de rechtsstaat en het vergroten van respect voor mensenrechten tijdens de democratische transitie en in aanloop naar de verkiezingen in Soedan. De OHCHR heeft bevestigd dat de RSF niet deelneemt aan de door de EU gefinancierde activiteiten voor de periode van 2021–2022.
Klopt de stelling van hetzelfde artikel dat de trainingen niet alleen gaan over mensenrechten, maar ook over het identificeren van illegale migranten en het bedienen van vuurwapens?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is het doel van deze trainingen? Vinden deze trainingen plaats binnen het Better Migration Management programma, of in de context van een ander programma?
De ondersteuning van de activiteiten van OHCHR betreft andere activiteiten dan het Better Migration Management programma. Beide worden wel vanuit het EUTF gefinancierd. Doel van de OHCHR-activiteiten is het ondersteunen van duurzame vrede, het verbeteren van de rechtsstaat en het vergroten van respect voor mensenrechten tijdens de democratische transitie en in aanloop naar de verkiezingen in Soedan
Klopt het dat EU-landen, waaronder Nederland, in juli expliciete toestemming hebben gegeven voor dit trainingsproject? Zo ja, waarom heeft Nederland die toestemming gegeven en welke voorwaarden zijn eraan verbonden?
Het klopt dat Nederland toestemming heeft gegeven voor de financiering van de OHCHR-activiteiten. Deze toestemming heeft Nederland, net als andere EU lidstaten, gegeven omdat Nederland de rol van OHCHR in Soedan van groot belang acht. Zoals bij ieder programma of activiteit dat opereert op een gevoelig onderwerp als mensenrechten zijn er risico’s aan de ondersteuning verbonden. Daarom zijn er mitigerende maatregelen aan het programma verbonden. Zo past OHCHR de VN Human Rights Due diligence policy (HRDDP) toe. In lijn met de HRDDP zullen alle individuen die training ontvangen een screening ondergaan van OHCHR en de United Nations Integrated Transitions Assistance Mission in Sudan (UNITAMS) om te voorkomen dat mensenrechtenschenders of oorlogsmisdadigers participeren in hun activiteiten.
Hoe verhoudt de steun van de EU aan deze trainingsprogramma’s zich tot eerdere garanties van het kabinet dat de RSF «in geen geval» tot de doelgroep van door de EU gefinancierde trainingen behoort?2
De RSF behoort niet tot de doelgroep van de door OHCHR uitgevoerde activiteiten waar de EU een bijdrage aan levert. De reactie van de heer Kenneth Roth is gebaseerd op onjuiste berichtgeving over aard en doelgroep van door de EU te ondersteunen activiteiten van OHCHR.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van Kenneth Roth, directeur van Human Rights Watch, dat het trainen van de RSF kortzichtig is?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om de EU op te roepen om strikte richtlijnen voor deelname aan de trainingen te hanteren om te voorkomen dat RSF-leden kunnen deelnemen, zeker zonder verantwoording te hebben afgelegd over misdaden begaan in het verleden?
Dit acht ik niet noodzakelijk, omdat de EU en OHCHR reeds strikte richtlijnen hiervoor hebben opgesteld en toepassen zoals in antwoord op vraag 7 wordt toegelicht.
Het bericht 'Deze beruchte militie uit Soedan krijgt 'veiligheidstraining' betaald door de EU' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Deze beruchte militie uit Soedan krijgt «veiligheidstraining» betaald door de EU»?1
Ja.
Hoe kan het dat de Rapid Support Forces (RSF), waarvan een aantal deelnemers afkomstig is uit Darfur, training krijgen gefinancierd door de EU?
De berichtgeving klopt niet. De EU geeft geen financiële ondersteuning aan genoemde veiligheidstrainingtraining en is ook niet van plan dit in de toekomst te doen.
Wel steunt de EU via het EU Emergency Trust Fund for Africa (EUTF) de democratische transitie in Soedan. Als onderdeel hiervan wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een overeenkomst ter waarde van EUR 4,95 miljoen met het bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens (OHCHR), bedoeld voor het kantoor in Soedan. Doel van het OHCHR programma is het ondersteunen van duurzame vrede, het verbeteren van de rechtsstaat en het vergroten van respect voor mensenrechten tijdens de democratische transitie en in aanloop naar de verkiezingen in Soedan. OHCHR heeft bevestigd dat de RSF geen onderdeel is van het door de EU gefinancierde programma voor de periode van 2021–2022.
Hoe verhoudt zich dit tot de eerdere toezegging dat de RSF geen directe of indirecte steun van de EU zou ontvangen, vanwege de betrokkenheid bij oorlogsmisdaden in Darfur?
De RSF behoort niet tot de doelgroep van de OHCHR activiteiten, ook niet aan activiteiten waar de EU een bijdrage aan levert.
Is het de bedoeling dat de RSF zich gaat inzetten om irreguliere migratie tegen te gaan? Zo ja, bent u op de hoogte van de betrokkenheid van de RSF bij mensensmokkel? Zo nee, welk doel heeft deze training?
Zie antwoord vraag 2. Het OHCHR programma is niet gericht op het tegengaan van irreguliere migratie en er zullen geen RSF-leden deelnemen aan activiteiten van OHCHR.
Heeft u, of gaat u, contact opnemen met Kenneth Roth van Human Rights Watch over de kritiek op deze training? Zo ja, hoe was dat contact? Zo nee, waarom niet?
Met Human Rights Watch en met andere mensenrechtenorganisaties is regelmatig contact over de situatie in Soedan. Tijdens het eerstvolgende reguliere contact zal dit misverstand worden opgehelderd.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om oorlogmisdadigers te trainen met Europees geld? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik. Om deze reden past OHCHR de VN Human Rights Due Diligence Policy (HRDDP) toe. In lijn met de HRDDP zullen alle individuen die getraind worden een screening ondergaan door OHCHR en de United Nations Integrated Transition Assistance Mission in Sudan (UNITAMS), om te voorkomen dat er mensenrechtenschenders of oorlogsmisdadigers participeren in hun activiteiten.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat milities ingezet worden voor grensbewaking? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik, onder andere omdat in dit geval de RSF tegelijkertijd wordt verdacht van mensensmokkel. Echter, met het constitutioneel akkoord van 17 augustus 2019 is de RSF formeel onderdeel uit gaan maken van de strijdkrachten van Soedan. De RSF wordt aangestuurd door de vicevoorzitter van de Soevereine Raad, Hemedti. Ter achtergrond is het belangrijk te weten dat de RSF voortkomt uit de paramilitaire Janjaweed milities. Deze Janjaweed milities zijn op etnische grondslag geformeerd en waren in Darfur en daarbuiten verantwoordelijk voor vele mensenrechtenschendingen. Omdat Al-Bashir zijn positie niet alleen maar afhankelijk wilde laten zijn van de leiders van het Soedanese leger, de Sudanese Armed Forces (SAF), financierde Al-Bashir ook de Janjaweed milities, die toen ook al werden aangevoerd door zijn vertrouweling Hemedti. Na de maandenlange burgerprotesten in 2018 en 2019 werd Al-Bashir uiteindelijk afgezet. Hemedti en generaal Burhan (een van de vooraanstaande officieren van de SAF en huidig voorzitter van de Soevereine Raad) keerden zich uiteindelijk tegen Al-Bashir en speelden een beslissende rol in zijn afzetting. Het constitutioneel akkoord van 17 augustus 2019 kan worden gezien als een machtsdeling tussen de drie belangrijkste machten in Soedan, dat wil zeggen de civiele oppositie, de SAF en de RSF. Een voorwaarde van Hemedti zou zijn dat de RSF gelegitimeerd zou worden en dezelfde status zou krijgen als de SAF. In de praktijk bestaat de RSF echter parallel aan het Soedanese leger en is er nog geen sprake van daadwerkelijke integratie van de RSF in de SAF.
Onderdeel van de taken van de RSF zijn grensbewaking en het tegengaan van irreguliere migratie, hierbij werkt de RSF samen met de SAF en politie. De berichten over betrokkenheid van de RSF bij mensensmokkel baart het kabinet ernstig zorgen. Mede om deze reden is het essentieel dat de veiligheidssector in Soedan snel wordt hervormd. Het kabinet heeft hiervoor in het verleden gepleit en zal dit blijven doen. Om dezelfde redenen is het onwenselijk dat de RSF trainingen krijgt die voor repressieve doelen ingezet kunnen worden.
Kunt u toelichten wat de rol van het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten (OHCHR) in deze is?
De OHCHR heeft als doel het ondersteunen van duurzame vrede, het verbeteren van de rechtsstaat en het vergroten van respect voor mensenrechten tijdens de democratische transitie en in aanloop naar de verkiezingen in Soedan. In dit kader zullen er geen trainingen aan RSF-leden worden gegeven door OHCHR. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de tweede termijn van de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Ja.
Transparantie met betrekking tot het oefenen van het gebruik van atoomwapens. |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
Wat heeft u doen besluiten om tot een transparantiebeleid over te gaan over het oefenen van de luchtmacht met kernwapens? Wat houdt het transparantiebeleid in concreto in?1
Nederland streeft ernaar zo transparant mogelijk te zijn over de kernwapentaak en daaraan gerelateerde onderwerpen, binnen de kaders van de bondgenootschappelijke afspraken. De Nederlandse inzet binnen de NAVO is er dan ook steeds op gericht om die transparantie waar mogelijk te vergroten. De recente berichtgeving over een jaarlijkse NAVO-oefening met nucleaire dimensie is onderdeel van het streven naar meer transparantie. Conform de motie Knops blijft Nederland zich binnen de NAVO en in bilaterale contacten inzetten voor meer nucleaire transparantie. Er bestaat op dit moment binnen de NAVO echter geen draagvlak voor het eenzijdig vergroten van de bondgenootschappelijke nucleaire transparantie over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. Nederland blijft het gesprek hierover aangaan.
Kunt u aangeven sinds wanneer deze oefening, waarbij u, de NAVO-secretaris-generaal Stoltenberg e.a. in Volkel aanwezig waren, c.q. dit soort oefeningen wordt gedaan? Zijn het in dit geval de oefeningen «Steadfast Noon» en «Resilient Guard»? Worden er nog meer relevante oefeningen gehouden? Zo ja, welke? Welke landen nemen aan deze oefeningen deel?
Nederland heeft binnen de NAVO een kernwapentaak. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is met de uitvoering van deze taak één squadron F-16’s belast en zijn deze dual-capable jachtvliegtuigen gestationeerd op de vliegbasis Volkel.2 Het beoefenen van nucleaire scenario’s, op alle niveaus, teneinde de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van nucleaire wapens te garanderen, heeft binnen NAVO altijd plaatsgevonden en vindt ook nu nog plaats. Over de precieze aard en omvang van deze oefeningen kunnen onder de geldende bondgenootschappelijke afspraken geen mededelingen worden gedaan. Ten aanzien van de NAVO-oefening met nucleaire dimensie die onlangs plaatsvond, is binnen de NAVO besloten om meer openheid te verschaffen over deze specifieke oefening. De details van deze oefening blijven echter geclassificeerd. Over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens kunnen, op grond van bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken, eveneens geen mededelingen worden gedaan. Overwegingen van veiligheid liggen hieraan ten grondslag.
Kunt u bevestigen dat deze oefeningen worden gedaan omdat er kernwapens op vliegbasis Volkel liggen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat het vervoer van Amerikaanse kernwapens van en naar Volkel en andere Europese bases wordt geoefend?
Zie antwoord vraag 2.
Wat betekent zowel de oefening als het transport van kernwapens voor de omgeving? Welke risico’s brengt dat met zich mee? Is de gemeente Uden en is de veiligheidsregio van risico’s op de hoogte? Op welke manier worden deze risico’s behandeld? Hebt u de gemeente van deze oefening op de hoogte gebracht? Zo ja, op welke manier en zo nee, waarom niet?2
Zoals hiervoor vermeld, worden geen mededelingen gedaan over locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. De kans dat er iets misgaat met transporten van Amerikaans nucleair materiaal over Nederlands grondgebied is uitzonderlijk klein, maar nooit volledig uit te sluiten. Nederland is daarom goed voorbereid op mogelijke ongevallen. De plannen zijn hiervoor aanwezig en in voorkomend geval wordt gebruikgemaakt van de bestaande Nederlandse crisisbesluitvormingsstructuren. De lokale overheid beschikt daarbij over voldoende gegevens om in hun rampenbestrijdingsplannen rekening te houden met mogelijke ongevallen op de vliegbasis Volkel.
Wanneer wordt de F-35 bij deze oefeningen betrokken? Wanneer wordt de B-61–11 naar de VS teruggetrokken?
De F-35 zal in de komende jaren de kernwapentaak van de F-16 overnemen. Op basis van bondgenootschappelijke afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over de details van deze transitie. Uw Kamer is herhaaldelijk geïnformeerd over de modernisering van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens, meest recentelijk in antwoord op Kamervragen van Karabulut c.s. in 2018.4 Zoals eerder bekend gesteld, hebben de Verenigde Staten een levensduurverlengingsprogramma, het zogenaamde Life Extension Program (LEP), met als doel de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van onder meer het type B61 blijvend te garanderen. Het LEP betreft de modernisering van Amerikaanse kernwapens, dus NAVO-bondgenoten hebben geen zeggenschap hierover.
Zijn er op basis van het nieuwe transparantiebeleid door u aanvullingen te doen of correcties aan te brengen op eerdere antwoorden op Kamervragen?3
Op eerdere Kamervragen over het beoefenen van nucleaire scenario’s is geantwoord dat over de aard en omvang van oefeningen geen mededelingen kunnen worden gedaan. Binnen de NAVO is, in het streven naar meer transparantie, besloten om dit jaar voor het eerst te melden dat een NAVO-oefening met nucleaire dimensie plaatsvindt. De details van deze jaarlijkse oefening, inclusief het oefenscenario, blijven geclassificeerd.
Is het waar dat dit transparantiebeleid geldt voor alle landen van de NAVO die Amerikaanse atoomwapens op hun grondgebied hebben? Zo nee, welke landen niet?4
Dit jaar is voor het eerst de nucleaire dimensie van een jaarlijkse NAVO-oefening bekendgemaakt. Binnen de NAVO is besloten deze stap naar meer transparantie over de aard van de oefening te zetten. De details van de oefening blijven geclassificeerd in alle landen die betrokken zijn bij de oefening, net als dat er geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. Alle bondgenoten onderschrijven deze geheimhoudingsplicht.
Zijn er verschillen in het transparantiebeleid van de verschillende NAVO-landen? Zo ja, wat zijn die verschillen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u na het openbaar maken van de «Briefwisseling tussen regering van Nederland en de VS van 15 januari 1981» en de «Secret Technical Annex to the Agreement between the parties to the North Atlantic Treaty for Co-operation Regarding Atomic Information» melden op welke wijze: briefwisseling, memorandum of understanding of anderszins het nieuwe beleid is vastgelegd? Kunt u deze nieuwe overeenkomst aan de Kamer voorleggen? Zo nee, waarom niet?5
Het streven naar meer transparantie en de berichtgeving in dit kader over een jaarlijkse NAVO-oefening met nucleaire dimensie, behelst geen afwijking van de in de vragen genoemde overeenkomsten. De overeenkomst van 1981 waar in vraag 10 naar gerefereerd wordt, is niet gerelateerd aan de kernwapentaak; deze ziet toe op het prepositioneren van militair materieel. De overeenkomst inzake atoominformatie met bijbehorende bijlage, waar in vragen 10 en 11 naar verwezen wordt, geeft aan welke atoomgegevens de Verenigde Staten aan de NAVO en haar lidstaten ter beschikking kan stellen en dat per geval kan worden beoordeeld of, en zo ja welke, informatie openbaar gemaakt mag worden. Dat gebeurt in goed overleg, zoals nu ook binnen de NAVO in het kader van transparantie is besloten om meer openheid te geven over de eerder genoemde NAVO-oefening.
Wat betekent het transparantiebeleid voor het in 1964 overeengekomen beleid met betrekking tot «Control of information»? Is dat onveranderd zoals in «Secret Technical, enz» staat beschreven? Zo nee, wat zijn de verschillen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de Tweede Kamer een bezoek aan de kernwapensite van Volkel toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend kunnen op basis van bondgenootschappelijke afspraken geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens.
De anti-abortus lobby van de Krijgsmacht Bisschop |
|
John Kerstens (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA), Tom van den Nieuwenhuijzen-Wittens (GL), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het feit dat de per 1 juni 2020 aangestelde Krijgsmacht Bisschop een brief aan alle leden van de Kamer heeft verzonden waarin hij abortus «kindoffers» noemt en abortus vergelijkt met extreem geweld tegen kinderen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van de Krijgsmacht Bisschop? Passen deze uitlatingen binnen de normen en waarden van Defensie?
Nee, deze uitlatingen passen niet binnen de normen en waarden van Defensie. Vanuit Defensie is geen betrokkenheid bij de uitlatingen van de persoon in kwestie richting de leden van de Tweede Kamer. De titel krijgsmachtbisschop wordt door de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) zelf toegepast en is geen officiële Defensie titel. De persoon in kwestie is zelf verantwoordelijk voor zijn uitlatingen.
Ik betreur dat door gebruikmaking van deze titel de suggestie is gewekt dat de krijgsmacht betrokken is bij de bewuste uitlatingen. Inmiddels heeft de persoon in kwestie, in een artikel dat op 7 oktober jl. in het Nederlands Dagblad verscheen, uitgesproken dat hij zich een beetje ongemakkelijk voelt bij het feit dat er misverstand kan zijn ontstaan. Tevens gaf hij in dit artikel aan zich voor de volgende keer te bezinnen op een ondertekening die geen misverstanden oproept.
Zoals ook op 28 februari 2019 (Aanhangsel van de Handelingen 2018–2019, nr. 1708) is gesteld in antwoord op vragen vanuit uw Kamer geldt voor de positionering en werkzaamheden van geestelijk verzorgers binnen Defensie de scheiding tussen kerk en staat. De geestelijke verzorging verricht haar werk onder de inhoudelijke verantwoordelijkheid van de door de staat erkende zendende instanties. Defensie heeft hierover geen zeggenschap, zoals opgenomen in het ministerieel besluit betreffende Functionele Kaders Geestelijke Verzorging bij Defensie (2011) en het statuut betreffende Geestelijke Verzorging bij Defensie (2012). De persoon in kwestie en zijn zendende instantie zijn daarom zelf verantwoordelijk voor de uitlatingen.
Vindt u het, in brede zin, wenselijk dat een Krijgsmacht Bisschop op basis van die functietitel een politieke lobby voert?
Zie antwoord vraag 2.
Welke invloed heeft het Militair Ordinaat op de geestelijke verzorging binnen Defensie?
Het Militair Ordinariaat (MO) is de Rooms-Katholieke zendende instantie en één van de zeven zendende instanties die geestelijk verzorgers zenden naar de krijgsmacht, i.c. plaatsen bij de Diensten Geestelijk Verzorging (DGV). Er is ook een protestantse, humanistische, joodse, islamitische, hindoe en boeddhistische zendende instantie. Het besturen van de DGV geschiedt op basis van de afspraken tussen de zendende instanties en de Minister van Defensie, zoals verwoord in het Ministerieel Besluit betreffende «Functionele kaders Geestelijke Verzorging bij Defensie» (2011). In het bestuurscollege van de DGV zijn de zeven zendende instanties vertegenwoordigd door een Hoofd van Dienst.
Binnen de RKK is het MO één van de bisdommen. Het MO is niet gebonden aan een gebied, maar aan de krijgsmacht. Dit bisdom is bedoeld om geestelijke zorg te verschaffen aan militairen, hun thuisfront, het overig defensiepersoneel en veteranen. De gezonden aalmoezeniers zijn verbonden aan het MO en aan het hoofd daarvan staat de ordinarius, de bisschop (pauselijke benoeming). Het MO is verantwoordelijk voor de ambtsinhoudelijke aspecten van de functie van krijgsmachtsaalmoezenier.
Valt uit te sluiten dat het Militair Ordinaat, mede gelet op de uitspraken van de Krijgsmacht Bisschop, gekleurde adviezen geeft aan militairen wanneer het gaat om het thema abortus?
Dit valt niet uit te sluiten, omdat de inhoud van de gesprekken binnen de geestelijke verzorging toebehoort aan het domein van de Zendende Instanties en bovendien vertrouwelijk is, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 2 en 3. Echter, in de samenwerkingsafspraken tussen de zeven zendende instanties en Defensie staat in het ambtsprofiel voor een geestelijk verzorger vermeld: «Bereid te zijn militairen met een andere religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond bij te staan».
Een geestelijk verzorger bij de krijgsmacht dient kortom, ongeacht zijn of haar denominatieve achtergrond, beschikbaar en competent te zijn voor het bijstaan van al het defensiepersoneel, het thuisfront en de veteranen.
Wordt het Militair Ordinaat, waarvan de Krijgsmacht Bisschop het hoofd is, op enigerlei wijze gefinancierd door Defensie? Zo ja, om welke bedragen gaat het en waar zijn deze bedragen voor bedoeld?
Nee. De rechtspersoon MO maakt geen deel uit van de defensieorganisatie en begroting. Dit geldt evenmin voor één van de andere zeven denominaties. De zeven zendende instanties kennen verschillende structuren. De RKK heeft daarbij gekozen voor de juridische structuur van een bisdom ofwel ordinariaat. Deze kerkelijke rechtspersoon bezit naar Nederlands burgerlijk recht rechtspersoonlijkheid. Deze rechtspersoon wordt op geen enkele wijze gefinancierd door Defensie.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Krijgsmacht Bisschop over het gebruik van zijn functietitel voor politieke lobby op het thema abortus, alsmede om over te brengen hoezeer Defensie hecht aan neutrale geestelijke verzorging? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de uitkomsten hiervan terugkoppelen aan de Kamer?
Het principe van scheiding van kerk en staat houdt in dat beide domeinen elkaars autonomie respecteren. Dat betekent dat de aan defensie gerelateerde (kerk-) genootschappen geen formele rol toekomt in het overheidsbesluitvormingsproces. Het aanbod van geestelijke verzorging bij de krijgsmacht wordt voorzien vanuit de zeven te onderscheiden religieuze en levensbeschouwelijke denominaties en is daarom per definitie niet neutraal. De zendende instanties kiezen hun eigen vertegenwoordigers en vanuit de eigen geledingen een Hoofd van Dienst. Deze functionaris vertegenwoordigt de zendende instantie bij de Krijgsmacht.
Ik hecht eraan dat geestelijke verzorging beschikbaar is voor onze militairen. Dit draagt bij aan het (geestelijk) welbevinden van militairen en het thuisfront, overig defensiepersoneel en veteranen en aan de moraliteit van de Krijgsmacht als geheel. Geestelijk verzorgers bij Defensie zijn er voor alle defensiemedewerkers, het thuisfront en de veteranen ongeacht hun eigen achtergrond en zending.
Ik zal daarom niet apart in gesprek treden met de persoon in kwestie over dit onderwerp (zie hiervoor ook het antwoord op de vragen 2 en 3). Zijn uitlatingen stroken niet met de waarden van Defensie en de twee organisaties staan eveneens los van elkaar. De overheid en genootschappen op geestelijke grondslag hebben wederkerig vrijheid van richting en inrichting. Zij opereren beiden als autonome instanties en mengen zich niet in elkaars beleid, bestuur en organisatievorm als ook in hun waarden en normen. Wel zijn er reguliere besprekingen met de zendende instanties waarin verschillende onderwerpen aan de orde kunnen komen.
Berichten dat NAVO-lid Turkije moslimextremisten uit Syrië naar Azerbeidzjan stuurt en ook aan de strijd deelneemt |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat Turkije honderden, mogelijk duizenden moslimextremisten uit Syrië naar Azerbeidzjan stuurt?1 2
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie dat Turkije buitenlandse strijders naar Azerbeidzjan heeft overgebracht. Dergelijke berichten worden ontkend door Turkije en Azerbeidzjan. Het kabinet roept alle internationale actoren, dus ook Turkije, op om zich te onthouden van acties en retoriek die de-escalatie bemoeilijken. Mede dankzij Nederlandse inzet heeft de Europese Raad zich op 1 oktober jl. uitgesproken tegen elke externe inmenging.
De Europese Raad heeft tevens opgeroepen tot een direct staakt het vuren en een vreedzame beslechting van het geschil, waarbij geen plaats is voor een militaire oplossing en inmenging door andere landen. De Europese Raad sprak steun uit voor de OVSE Minsk Groep en verzocht de EU Hoge Vertegenwoordiger om verdere EU steun voor dit proces te onderzoeken.
In telefoongesprekken met mijn Armeense en Azeri ambtgenoten deze week heb ik aangedrongen op dialoog tussen beide landen. Dat is de enige weg naar een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict.
Naar verwachting zal tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 12 oktober a.s. worden gesproken over wat de EU aanvullend kan doen om beide landen zo snel mogelijk tot een staakt-het-vuren te bewegen. Nederland zal daarbij aandringen op eensgezind EU optreden.
Klopt het dat er ook moslimextremisten tussen zitten, zoals van de Sultan Murad Brigade, die eerder nog door dit kabinet werden gesteund?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om Turkije op te roepen deze islamitische troepentransporten direct te stoppen of krijgt Turkije van u en andere lidstaten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) wéér de vrije hand om dood en verderf te zaaien?
Zie antwoord vraag 1.
Welke «reguliere» militaire steun geeft Turkije aan Azerbeidzjan en is deze steun de afgelopen maanden opgevoerd? In hoeverre wordt de NAVO door Turkije over militaire steun aan Azerbeidzjan op de hoogte gesteld? Klopt het dat een Turkse F-16 straaljager een straaljager van Armenië heeft neergeschoten en daarbij is binnengedrongen in het luchtruim van Armenië?3
Het kabinet kan de berichten over militaire betrokkenheid van Turkije in dit conflict, alsook de berichten over het neerhalen van een Armeens straaljager op het moment van schrijven niet bevestigen. Zowel Turkije als Azerbeidzjan ontkennen de berichten.
Het kabinet is door Turkije, in NAVO verband of anderszins, niet op de hoogte gesteld van eventuele militaire steun aan Azerbeidzjan. Wel is bekend dat Azerbeidzjan en Turkije nauwe banden met elkaar onderhouden, waaronder samenwerking op militair terrein. Die samenwerking betreft onder andere gezamenlijke oefeningen en leveringen van militair materieel in de afgelopen jaren.
Deelt u de mening dat de Turkse agressie steeds meer conflicten negatief beïnvloedt/veroorzaakt en dit het gevolg is van de islamitische neo-Ottomaanse ideologie die Erdogan in alle facetten uitademt?
Berichtgeving dat Turkije militair betrokken is bij dit conflict kan vooralsnog niet worden bevestigd. Duidelijk is dat alle internationale actoren, dus ook Turkije, zich moeten onthouden van acties en retoriek die niet bijdragen aan de-escalatie in conflictsituaties.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de christelijke bevolking in Armenië en de Nagorno-Karabach ten prooi valt aan het Azerbeidzjaanse leger en de moslimextremisten uit Syrië?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u eindelijk bereid te pleiten voor een NAVO-bondgenootschap zonder de islamitische agressor Turkije? Zo nee, waarom niet?
Turkije is een belangrijke bondgenoot, zowel vanwege zijn geografische positie als vanwege de grote bijdrage die Turkije levert aan missies. Het is niet in het Nederlands en NAVO-belang om Turkije uit de NAVO te zetten. De NAVO is bovendien een waardengemeenschap. Dat betekent dat bondgenoten elkaar kunnen aanspreken. Zij doen dat ook. Ten slotte voorziet het NAVO verdrag niet in de mogelijkheid van gedwongen uittreding.
Wilt u deze vragen uiterlijk 5 oktober 2020 beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Munitiedumps in de Deltawateren en Noordzeekust. |
|
Rutger Schonis (D66), Tjeerd de Groot (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Opnieuw onderzoek in de Oosterschelde: hoe gevaarlijk is de dertig miljoen kilo munitie?»?1
Ja.
Bent u van plan om de resultaten van het onderzoek naar de munitiedump in de Oosterschelde te delen met de Kamer? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer de resultaten tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?
In 2001, 2002, 2004 en 2015 zijn onderzoeksrapporten over de munitiestort in de Oosterschelde met de Kamer gedeeld. We zijn voornemens dat ook met de resultaten van de recente onderzoeken te doen, die naar verwachting voor het einde van dit jaar zullen zijn afgerond. De resultaten worden dan in 2021 aan uw Kamer aangeboden.
Wat voor monsters zijn op dit moment genomen om te onderzoeken welk risico de munitiedump vormt voor het Nationaal Park de Oosterschelde en het omliggende gebied?
Zoals in de beantwoording van Kamervragen van de leden Schonis en Belhaj (Kamerstuk 2019D16068) aangegeven is de berichtgeving aan de omgeving versterkt. Dit heeft onder andere geleid tot een tweetal bijeenkomsten met lokale bestuurders en bestuursleden van belangenorganisaties voor visserij, natuur en recreatie in 2019, waarin eerdere onderzoeken naar de munitiestort zijn toegelicht en de recent uitgevoerde onderzoeken aan de regio zijn toegezegd. Zodra de uitkomsten beschikbaar zijn wordt een vervolgbijeenkomst gepland. In de periode 24 augustus tot 4 september van dit jaar zijn er in de munitiestort Oosterschelde bodem- en watermonsters genomen om de milieukwaliteit daarvan vast te stellen. Daarnaast is door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie een twintigtal stuks munitie aan land gebracht. De granaten zijn ter plaatse met hogedruk watersnijapparatuur door midden gesneden zodat TNO de mate van corrosie aan de hulzen kan gaan bepalen. De munitieresten zijn vervolgens vernietigd.
Wordt in het lopende onderzoek ook het vrijkomen van fosfor uit gedumpte fosforgranaten meegenomen?
Bij de analyse van de bodem- en watermonsters wordt ook naar de aanwezigheid van fosfor gekeken.
Deelt u de opvatting dat het ongecontroleerd laten voortbestaan van de munitiedump in de Oosterschelde, notabene in een nationaal park behorende tot het Europese natuurnetwerk Natura2000, onwenselijk is. Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van het ongecontroleerd laten voortbestaan van de munitiestort in de Oosterschelde. De situatie rondom de munitiestort wordt periodiek gevolgd. In het kader van de verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit neemt Rijkswaterstaat maandelijks watermonsters in de Oosterschelde om te toetsen of wordt voldaan aan de normen van de Kaderrichtlijn Water. Om de vijf jaar wordt aanvullend daarop een jaar lang elke twee maanden een meting uitgevoerd in de waterkolom direct boven de munitiestort. Deze metingen zijn opnieuw uitgevoerd in 2019.
Vanwege één afwijkende meting, waarbij de gevonden waarden overigens vér onder de normen voor de oppervlaktewaterkwaliteit bleven, vinden vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid in augustus, oktober en december 2020 ter verificatie nog aanvullende metingen plaats. Tot op heden geven de meetresultaten over meerdere jaren heen aan dat er geen sprake is van een situatie die gevaar oplevert voor de gezondheid, de waterkwaliteit of de aanwezige ecosystemen.
In 2000 zijn er daarnaast bodemmonsters uit de munitiestort genomen en geanalyseerd en ook toen is er munitie naar boven gebracht en op corrosie onderzocht. Dat onderzoek is recent herhaald. De uitkomsten van dit onderzoek, gecombineerd met die van eerdere onderzoeken, zullen worden gebruikt om de monitoringfrequentie voor bodem-, water- en corrosiemonsters onderbouwd te beoordelen en vast te stellen.
De resultaten van deze onderzoeken zullen in 2021 in samenhang aan uw Kamer worden toegezonden.
Kunt u een schatting geven van de kosten die gemoeid zouden gaan met het opruimen van de munitiedump in de Oosterschelde versus het afdekken en beheersen ervan?
Recente schattingen van TNO voor het opruimen van de munitiestort in de Oosterschelde bedragen tenminste € 75 miljard. Uit een eerste, verkennende inschatting door Rijkswaterstaat komt naar voren dat de kosten van het afdekken van de munitiestortplaats al snel een bandbreedte kennen van enkele tientallen tot meer dan honderd miljoen euro. De omvang van deze kosten is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het gebruikte materiaal, oppervlakte, dikte van de afdeklaag, etc.
Kunt u bovendien uiteenzetten wat de overwegingen zijn geweest van het kabinet om tot nu toe niet over te gaan tot opruimen dan wel afdekking van de munitiedump?
In de brief «Onderzoek munitiestortlocatie Oosterschelde» van 25 maart 2004 (Def-04-54), waarbij ook twee rapporten van TNO en het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) aan uw Kamer zijn aangeboden, geven de bewindslieden van Defensie, V&W, LNV en VROM aan dat «op grond van de uitkomsten van het tot dusver uitgevoerde onderzoek, alsmede vanuit budgettaire overwegingen, op dit moment geen aanleiding bestaat voor een besluit tot het uitvoeren van een bodemafdekking op de stortlocatie. Een eventuele wenselijkheid of noodzaak van een dergelijke maatregel zal in de toekomst regelmatig worden geëvalueerd aan de hand van periodieke controle op water- en waterbodemkwaliteit van de stortlocatie». Vanuit de onder vraag 5 beschreven monitoring is in de tussenliggende jaren geen noodzaak naar voren gekomen om een nieuwe afweging te maken.
Is op dit moment een beheerfonds beschikbaar om de kosten van het onderzoek, het opruimen of het afdekken ook voor meerdere jaren te financieren?
De kosten voor de monitoring van water- en bodemkwaliteit worden gedragen door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De financiering vindt plaats uit het reguliere beheerbudget van Rijkswaterstaat. Het Ministerie van Defensie neemt de kosten van het periodieke onderzoek naar corrosie voor haar rekening. Hiervoor is een meerjarig fonds beschikbaar. Voor andere ingrepen, zoals opruimen of afdekken, is geen beheerfonds beschikbaar en zijn ook anderszins geen middelen gereserveerd.
Indien dit beheerfonds niet bestaat, deelt u de mening dat het beschikbaar stellen van een dergelijk beheerfonds wenselijk kan zijn om enerzijds de risico’s goed in kaart te hebben en anderzijds eventuele maatregelen te financieren die nodig zijn om de veiligheid van het milieu en de omgeving te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op vraag 7 en 8. Voor de periodieke monitoring van de water- en bodemkwaliteit en de toestand van de munitie ten behoeve van het inschatten van de risico’s voor veiligheid en milieu zijn afdoende middelen beschikbaar. Het kabinet ziet vooralsnog geen reden om aanvullende maatregelen te treffen.
Kunt u een overzicht geven van waar in de Nederlandse wateren en de Noordzee nog meer munitiedumps te vinden zijn? Speelt daar eenzelfde problematiek als in de Oosterschelde? Zo ja, worden hier ook onderzoeken verricht naar de risico’s voor de omgeving? Zo nee, waarom niet?
Naast de munitiestort in de Oosterschelde zijn er nog drie munitiestortlocaties op de Noordzee: een 30 km uit de kust ter hoogte van Hoek van Holland, een 30 km uit de kust ter hoogte van IJmuiden en een in een geul tussen Ameland en Schiermonnikoog. Op alle drie locaties is de munitie op natuurlijke wijze vrijwel volledig met zand bedekt; bij Ameland zelfs met 10 meter zandafdekking. De voormalige munitiestortplaatsen zijn afgesloten («Area to be avoided») voor de scheepsvaart, staan als zodanig op de zeekaarten en zijn apart van betonning voorzien.
Uit in 2001 geborgen munitie (TNO-rapport PML 2001-A6) blijkt dat de corrosie van de munitie ook in de Noordzee zeer langzaam verloopt. Omdat de munitie grotendeels onder het zand ligt en er getijdestromen over het gebied gaan, zullen de concentraties van de op termijn vrijkomende stoffen zeer laag zijn. In 2006 heeft het Ministerie van Defensie TNO aanvullend onderzoek laten doen naar de milieurisico’s van munitie in de Noordzee. Uit een monstername van munitie voor de kust van IJmuiden is toen gebleken dat er geen aantoonbare belasting van het ecosysteem is.
Ook voor de Noordzee geldt dat Rijkswaterstaat periodiek metingen verricht naar de bodemontwikkelingen en waterkwaliteit in algemene zin. Deze metingen laten zien dat de waterkwaliteit rond de munitiestortlocaties ruimschoots voldoet aan de gestelde normen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘China krijgt voor het eerst militair voet aan de grond in Europa’ |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «China krijgt voor het eerst militair voet aan de grond in Europa»?1 Kunt u de inhoud hiervan bevestigen?
Ja, ik ben bekend met de inhoud van het artikel, die ik uit openbare bron heb vernomen. Ik kan die informatie daarom vooralsnog niet zelfstandig bevestigen.
Welke gevolgen heeft deze Chinees-Servische samenwerking voor de machtsbalans en de veiligheid van Europese burgers?
Servië maakt, als niet-lid van de NAVO en als land dat een beleid van militaire neutraliteit voorstaat, een eigen afweging ten aanzien van de aanbieder van militair materieel. In dit geval zou er vooralsnog geen reden zijn te veronderstellen dat hiervan een aanzienlijke (positieve of negatieve) invloed zou uitgaan op de machtsbalans in Europa en de veiligheid van Europese burgers.
Welke gevolgen moet deze samenwerking hebben voor de Servische samenwerking met de NAVO?
Servië is een partner van de NAVO, maar heeft geen ambitie daadwerkelijk tot het bondgenootschap toe te treden. Servië heeft een beleid van militaire neutraliteit. Dit beleid wordt door de NAVO (en door Nederland) gerespecteerd. Het is daarom aan Servië een eigen afweging te maken ten aanzien van de aanschaf van materieel. Wel kan dit mogelijk gevolgen hebben voor interoperabiliteit en deelname van Servië aan NAVO-oefeningen. Of dat zo is, kan slechts beoordeeld worden aan de hand van concrete gegevens over de aangeschafte systemen. Over die informatie beschik ik op dit moment niet.
Welke rol bent u bereid hiertoe op u te nemen?
Omdat ik geen eigen informatie heb over de systemen die volgens het aangehaalde artikel zouden zijn aangeschaft en ik ook geen andere informatie tot mijn beschikking heb dan het betreffende artikel, zie ik op dit moment geen directe rol voor Nederland. Dat laat onverlet dat het kabinet de militaire ambities van China – en de eventuele gevolgen daarvan voor de Europese veiligheid – in de gaten houdt.
Het bericht ‘Rusland betaalde Afghaanse strijders om Amerikaanse militairen te doden’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Rusland betaalde Afghaanse strijders om Amerikaanse militairen te doden»?1
Ja.
Heeft u pogingen ondernomen om deze berichten te bevestigen? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
De Amerikaanse media zeggen zich te baseren op informatie afkomstig vanuit de Amerikaanse inlichtingendiensten. Het kabinet doet, zoals bekend, in het openbaar geen mededelingen over de samenwerking met en tussen buitenlandse inlichtingendiensten. Over casuïstiek die het actuele kennisniveau en de modus operandi van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten raken, doet het kabinet in het openbaar evenmin uitspraken.
Heeft u informatie die deze berichten bevestigt?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat de Amerikaanse veiligheids- en inlichtingendiensten hierover sinds maart dit jaar hebben gesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat wanneer een belangrijke bondgenoot als de VS over dergelijke informatie beschikt, die raakt aan de veiligheid van onder meer Nederlandse militairen, deze informatie direct met u gedeeld zou moeten worden?
Het ligt in de rede dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van bondgenoten informatie delen indien deze informatie raakt aan de veiligheid van elkaars militairen.
Hebben de Amerikaanse veiligheids- en inlichtingendiensten u op enig moment geïnformeerd over deze berichten? Zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Minister van Binnenlandse Zaken, Minister van Buitenlandse Zaken of de President van de Verenigde Staten ooit enig signaal aan u overgebracht over deze informatie? Zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u naar aanleiding van deze berichten contact opgenomen met de Amerikaanse autoriteiten en veiligheidsdiensten om deze informatie te verifiëren? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Beschikt u over enige informatie dat Nederlandse militairen die actief zijn in Afghanistan hierdoor een verhoogd risico hebben gelopen?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is in zijn algemeenheid bekend dat Afghaanse overheidsinstanties, veiligheidstroepen, maar ook coalitietroepen in Afghanistan gewilde doelwitten zijn voor aanvallen van opstandelingen.2 Het kabinet doet in het openbaar echter geen uitspraken over specifieke inlichtingen. Onze militairen in Afghanistan zijn zich bewust van de gevaren in het land en houden daarmee rekening bij hun optreden. De veiligheidssituatie wordt vanzelfsprekend nauwlettend in de gaten gehouden en waar nodig worden passende voorzorgsmaatregelen getroffen. Wanneer dit significante wijzigingen behelst wordt uw Kamer hierover geïnformeerd. Overigens liggen de trainingsactiviteiten van de NAVO-missie grotendeels stil in verband met de wereldwijde pandemie.3 De huidige trainingsactiviteiten beperken zich tot advisering via telefoon en VTC. Verder richten de Nederlandse militairen zich op het weer kunnen voortzetten van de trainingsactiviteiten zodra de situatie dit toelaat.
Heeft u naar aanleiding van deze berichten of eventuele eerdere voor u beschikbare informatie hieromtrent extra maatregelen ter bescherming van de Nederlandse militairen in Afghanistan genomen?
Zie antwoord vraag 9.