Het artikel ‘Russische schepen die bijtanken bij Vlissingen? Daarmee helpt Nederland Poetins oorlogseconomie' |
|
Silvio Erkens (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel ««Russische» schepen die bijtanken bij Vlissingen? Daarmee helpt Nederland Poetins oorlogseconomie»?1
Ja.
Is het correct dat de scheepvaart bij ankerplaats Everingen geen havengeld betaalt? Zo ja, waarom is dit niet het geval?
Ja, dat is correct. Op de ankerplaatsen in de Westerschelde, waaronder de ankerplaats Everingen, wordt door de scheepvaart geen havengeld betaald. Ankerplaatsen maken geen onderdeel uit van een haven, waarmee het recht van de vrije scheepvaart geldt. Op die locaties is het niet toegestaan havengeld te vragen.
Is het aantal schepen dat aanmeert bij deze ankerplaats de afgelopen maanden inderdaad fors toegenomen? Kan dit cijfermatig nader worden onderbouwd? Waarom wel, waarom niet?
Het aantal schepen is de afgelopen maanden niet fors toegenomen. In het afgelopen jaar was er per kwartaal sprake van een stabiel aantal schepen die voor anker gingen op locatie Everingen, zie hieronder:
2024 kwartaal 1 (tot nu toe): 276 schepen
2023 kwartaal 4: 274 schepen
2023 kwartaal 3: 255 schepen
2023 kwartaal 2: 321 schepen
2023 kwartaal 1: 332 schepen
De afgelopen jaren was er wel sprake van een toename. Het aantal schepen, dat voor anker ging op locatie Everingen, steeg van 440 in 2020 via 548 in 2021 naar 1.149 in 2022 en 1.182 in 2023.
Klopt de bewering dat er zeven Russische schepen de afgelopen tijd zijn aangemeerd bij deze ankerplaats? Zo nee, hoeveel Russische schepen zijn hier de afgelopen tijd dan aangemeerd?
Er hebben geen Russisch gevlagde schepen voor anker gelegen op de Everingen. De vier schepen die met naam genoemd zijn in het NRC artikel, hebben wel toestemming gekregen om de Westerschelde op te varen en voor anker te gaan, omdat deze niet onder de Europese sancties vielen.
Klopt het dat de kans op ongelukken is toegenomen door «schaduwschepen», zoals benoemd in het artikel?
Op dit moment kunnen we nog geen inschatting geven of de kans op een ongeluk is toegenomen. Dat verkent de ILT momenteel. De eerste stap hierbij is het scherper in kaart brengen van de schaduwvloot.
Voor zeegaande schepen gelden internationale veiligheidseisen. De verantwoordelijkheid om in compliance te zijn met die internationale eisen ligt in eerste instantie bij de reder en Vlaggenstaat. Het controleren van buitenlandse schepen die Nederlandse havens aandoen is een recht dat dient als vangnet om te controleren of er aan deze eisen wordt voldaan. Hiervoor zijn er wereldwijd verschillende samenwerkingsverbanden van lidstaten die havenstaatcontroles uitvoeren. Nederland is lid van het samenwerkingsverband ParisMoU en CaribbeanMoU. Schepen welke Nederland aandoen worden op basis van een risicoprofiel geselecteerd voor inspectie. Deze profielen worden gebaseerd op gegevens van de ParisMoU en de EU.
Wat kan er op korte termijn gedaan worden om ongelukken met deze «schaduwschepen» te voorkomen?
Op korte termijn wordt er gekeken wat er gedaan kan worden om de «schaduwvloot» scherper in kaart te brengen. Door meer inzicht te hebben in welke schepen onderdeel uitmaken van deze vloot en die hiermee trachten sancties te omzeilen, kan er gerichter worden gecontroleerd op de technische staat van deze schepen.
Daarnaast is het van belang dat er Europees afspraken worden gemaakt als het gaat om het omzeilen van sancties door middel van deze schaduwvloot. Door samen met andere lidstaten gerichter te monitoren op deze schepen, kan er een duidelijker beeld ontstaan waar de schepen zich bevinden.
Is het correct dat de douane en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) niet handhavend optreden tegenover deze Russische schepen?
Het is onwenselijk dat schepen de Europese sanctieregels kunnen omzeilen en daarbij ook mogelijk een gevaar zijn voor mens en milieu. De ILT neemt deze signalen uiterst serieus en gaat daarmee aan de slag.
Inspecties op buitenlandse schepen gaan in Nederland op basis van risicolijsten van de ParisMoU en de EU. Deze inspecties vinden plaats in havens en op enkele ankerplaatsen (Everingen A en Put bij Terneuzen). De ILT gaat, samen met andere betrokken partijen, aan de slag om ervoor te zorgen dat er meer zicht en controle komt op de risicoschepen die we niet in kaart hebben, waaronder de schaduwvloot.
Verder voert de ILT sanctie-inspecties uit aan boord van schepen die worden geselecteerd door de Kustwacht. Het betreffen dan schepen die op enigerlei wijze in verband kunnen worden gebracht met de sanctielijst. Russische schepen hebben geen toegang tot Nederlandse havens op basis van de sancties tegen Rusland. De schaduwvloot bestaat met name uit schepen die onder andere vlag varen, mogelijk geen Europese havens aandoen en hierdoor onder de radar kunnen blijven op de risicolijsten.
Deelt u de mening dat het verboden moet worden om aan te meren bij deze ankerplaats?
Nee, want Everingen is – net als de andere ankerplaatsen in het Scheldegebied – aangewezen als ankerplaats onder het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest vanuit het Gemeenschappelijk Nautisch Beheer in het Scheldegebied. Deze ankerplaatsen vervullen een belangrijke functie voor veilig en vlot scheepvaartverkeer in het Scheldegebied en worden gebruikt als noodankerplaats, voor overslagwerkzaamheden en bunkeringen. De ankerplaats Everingen is nautisch gezien een verantwoorde en veilige ankerplaats.
Als dit niet mogelijk is, kunnen burgemeesters dan de bevoegdheid krijgen handhavend op te treden tegenover deze schepen?
Nee, in Nederland hebben burgemeesters geen directe verantwoordelijkheid voor het toezicht en handhaving op schepen.
Het toezicht en de handhaving op schepen vallen onder de verantwoordelijkheid van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, zie hierboven.
Het bericht dat er bij een Nederlandse wapeninzet in Afghanistan in 2007 mogelijk zes burgerslachtoffers zijn gevallen |
|
Sarah Dobbe |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
Kunt u de wapeninzet van 14 september 2007 uitgebreider toelichten inclusief de precieze toedracht van de betreffende aanval, met daarbij onder andere locatie, soort wapeninzet, aantal betrokken militairen en het doel van de inzet? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 27 925, nr. 964)
Zoals aan uw Kamer gemeld op 20 februari 2024 (Kamerstuk 27 925, nr. 964) is door een mediaverzoek gebleken dat de geweldsaanwending van 14 september 2007 met mogelijke burgerslachtoffers niet is opgenomen in de registratie die door het Ministerie van Defensie op 18 december 2009 openbaar is gemaakt.1 In deze brief heb ik toegezegd uw Kamer hierover nader te informeren.
Op 14 september 2007 verleende een Nederlandse eenheid vuursteun aan een politiepost die door vijandelijke strijders werd aangevallen. De Afghaanse politie dreigde de post te moeten opgeven. Ter verdediging viel de Nederlandse eenheid de vijandelijke strijders aan, die twee wooncomplexen (quala’s) als gevechtsposities gebruikten. Op 17 september werd op basis van informatie van een nabijgelegen ziekenhuis bekend dat er mogelijk zes burgers waren omgekomen en twee kinderen gewond waren geraakt. De dodelijke slachtoffers waren toen al begraven en waren daarvoor niet door medici gezien. Op 18 september hebben Nederlandse militairen in het ziekenhuis gesproken met familieleden van één van de gewonde kinderen. Om een feitencomplex te kunnen reconstrueren werd gepoogd ter plaatse te gaan. Dit werd echter bemoeilijkt doordat de locatie wegens verhoogde dreiging niet toegankelijk was. Op 29 december werd een bezoek mogelijk waarbij bleek dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld waardoor en onder welke omstandigheden de slachtoffers hun (dodelijke) verwondingen hadden opgelopen. Een situatierapport van 30 december vermeldt dat er aan één van de families een ex-gratia betaling is gedaan.
Sinds wanneer is het u bekend dat er mogelijk zes burgerslachtoffers zijn gevallen op 14 september 2007 door de Nederlandse wapeninzet?
Zie antwoord vraag 1.
Sinds wanneer is deze informatie bekend bij het ministerie?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe komt het dat deze informatie in 2009 niet bekend is gemaakt?
Het betreft een omissie in de registratie die op 18 december 2009 door Defensie per Wob-besluit openbaar is gemaakt, waarbij destijds ook is aangegeven dat deze registratie mogelijk niet volledig was (Kamerstuk 27 925, nr. 403). In aanloop naar de publicatie van het artikel in de NRC over de vaandelopschriften Afghanistan (28 februari 2024) werd dit opgemerkt en is de Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 27 925, nr. 964).
U schrijft dat er «mogelijk» burgerslachtoffers zijn gevallen op 14 september 2007; wat is hierover bekend en worden de feiten onderzocht zodat hier uitsluitsel over kan worden gegeven? Zo ja, wanneer kan de Kamer hier meer duidelijkheid over verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het verzwijgen van burgerslachtoffers een ernstige zaak is?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom is de toedracht en het vallen van burgerslachtoffers op 14 september 2007 niet eerder met de Kamer gedeeld tussen 2007 en 2024?
Zie antwoord vraag 4.
Is er contact geweest met de slachtoffers en nabestaanden van 14 september 2007, in het geval er sprake is van burgerslachtoffers? Zo ja, wanneer was dit, met wie, hoe vaak, en wat was de aard van dit contact?
Zie antwoord vraag 1.
Is er met de slachtoffers en nabestaanden van 14 september 2007 gesproken over compensatie en excuses? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In een artikel in NRC Handelsblad van 28 februari 2024 wordt gesteld dat in juni 2009 acht burgers werden gedood; klopt dit?1
De Task Force Uruzgan was op 13 juni 2009 op de hoogte dat er sprake was van een vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van deze geweldsaanwending op 11 juni 2009. Deze geweldsaanwending is opgenomen in de op 18 december 2009 door Defensie per Wob-besluit openbaar gemaakte registratie met de vermelding dat er sprake was van zeven doden, en dat het waarschijnlijk om vijandige strijders ging.
Hoe rijmt u dit artikel met de antwoorden op Kamervragen van de SP van 23 december 2009 waarin staat: «Op 11 juni 2009 hebben twee Nederlandse helikopters luchtsteun gegeven aan Afghaanse en Australische eenheden die in het Mirabad-gebied in gevecht waren geraakt met Talibanstrijders. De Nederlandse helikopters hebben een beschieting uitgevoerd op twee voertuigen die daarbij betrokken waren, en die tijdens het wegrijden duidelijk herkenbaar reageerden op opdrachten van de Talibanstrijders die door middel van radiocontact werden gegeven.»?2
Zie antwoord vraag 10.
Indien dit bericht in NRC klopt, waarom is de Kamer niet geïnformeerd over de acht burgerdoden die zijn gevallen op 11 juni 2009?
Zie antwoord vraag 10.
Sinds wanneer is het u bekend dat er mogelijk burgerslachtoffers zijn gevallen op 11 juni 2009 door Nederlandse wapeninzet?
Zie antwoord vraag 10.
Sinds wanneer is deze informatie bekend bij het ministerie?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is bekend over de toedracht van 11 juni 2009 en worden de feiten onderzocht zodat hier uitsluitsel over kan worden gegeven? Zo ja, wanneer kan de Kamer hier meer duidelijkheid over verwachten? Zo nee, waarom niet?
De toedracht staat beschreven in de registratie die op 18 december 2009 door Defensie per Wob-besluit openbaar is gemaakt. Destijds zagen Defensie en het Openbaar Ministerie (OM) geen aanleiding voor vervolgonderzoek. In 2021 maakt het OM openbaar dat er aanvullend onderzoek was ingesteld naar deze geweldsaanwending, op basis van nieuwe informatie die het OM in de loop van 2018 bereikte. Defensie wacht het onderzoek af.
Is er contact geweest met de slachtoffers en nabestaanden van 11 juni 2009, in het geval er sprake is van burgerslachtoffers? Zo ja, wanneer was dit, met wie, hoe vaak, en wat was de aard van dit contact?
De Nederlandse Apaches handelden op verzoek van Australische grondeenheden die zij ondersteunden. Het is Defensie niet bekend of er nadien door Australische eenheden contact is gelegd met burgerslachtoffers en/of nabestaanden. Defensie zal Australië verzoeken de bij hen bekende informatie over mogelijke burgerslachtoffers te delen.
Is er met de slachtoffers en nabestaanden van 11 juni 2009 gesproken over compensatie en excuses? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Op 20 april 2023 antwoordde u op Kamervragen van de SP dat een intern onderzoek zou worden gestart naar burgerslachtoffers tijdens een inzet op 22 maart 2016 bij een gebouw in Mosul in Irak dat volgens de coalitie door ISIS werd gebruikt als hoofdkwartier; zijn de resultaten van dit onderzoek er inmiddels en wanneer verwacht u deze naar de Kamer te sturen?3
De Kamer is op 30 maart 2023 geïnformeerd dat er een intern onderzoek naar dit vermoeden van burgerslachtoffers is gestart. Dit onderzoek is gaande, zodra dit is afgerond wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
De voorbereidingen voor opschaling van het dienjaar |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat een goed functionerend dienjaar belangrijk is voor de opschaling van de instroom bij Defensie en dat dit uitgebreide voorbereidingen vergt?
Ja, een goed functionerend dienjaar is een belangrijk onderdeel van de opschaling van de instroom bij Defensie. Met het dienjaar bereikt Defensie op een laagdrempelige manier een brede doelgroep. Het heeft daardoor veel potentie. De groei van het aantal deelnemers moet zorgvuldig verlopen om de kwaliteit van het dienjaar te kunnen borgen. Dit vergt een gedegen voorbereiding.
Hoe wordt gegarandeerd dat er voldoende ruimte is voor training, huisvesting, eetfaciliteiten en opslag? Wat zijn de plannen om deze aspecten te regelen vóór de opschaling plaatsvindt? Zijn de plannen in het nationaal programma Ruimte voor Defensie afdoende voor onze grotere ambities? Hoe sluiten de tijdslijnen op elkaar aan?
Binnen de grenzen van het absorptievermogen van de krijgsmacht wordt het dienjaar opgeschaald. Voor de geplande opschaling in 2025 naar 1000 dienjaarmilitairen zijn de randvoorwaarden op orde. De randvoorwaarden voor de opschaling van het dienjaar naar uiteindelijk 4000 dienjaarmilitairen per jaar, waaronder voldoende opleidingscapaciteit, vastgoed, ruimte, eetfaciliteiten en uitrusting, zullen tijdig moeten worden ingevuld. Defensie wenst de opschaling naar 4000 dienjaarmilitairen te realiseren maar onderkent tegelijkertijd de grote uitdaging die dit met zich meebrengt voor het absorptievermogen van de krijgsmacht en het behoud van de kwaliteit van het dienjaar. Het behoeftestellingsproces van Defensie borgt dat alle genoemde aspecten, maar ook (in)directe ruimte, in samenhang worden beschouwd. In de behoefte aan vastgoed wordt voorzien, rekening houdend met het Strategisch Vastgoedplan, door gebruik te maken van een combinatie van bestaande en nieuwe voorzieningen al naar gelang de behoefte per locatie en de beschikbaarheid. Indien aan de orde wordt de behoefte aan extra (in)directe ruimte afgestemd met het nationaal programma Ruimte voor Defensie.
Kunt u beschrijven welke voorbereidingen worden getroffen met betrekking tot het opleiden en/of inhuren van meer militaire instructeurs? Hoe sluiten deze aan bij de grotere ambities op het gebied van het dienjaar?
De groei van de opleidingscapaciteit evenals de innovatie van opleidingen zijn belangrijke randvoorwaarden voor het opschalen van het dienjaar. Defensie heeft een tekort aan militaire instructeurs. De opschaling van het dienjaar laat die tekorten verder oplopen. Daarom investeren de krijgsmachtdelen momenteel in hun eigen opleidingscapaciteit en worden opleidingen in voorkomend geval uitbesteed Zo huren we militaire instructiecapaciteit ook in om de ambities op het gebied van het dienjaar te kunnen realiseren. Andere voorbeelden zijn het opleiden van vliegtuigonderhoudstechnici bij het MBO en de inhuur van instructeurs voor medische opleidingen van Defensie. Er dient een goede balans te worden gevonden tussen vaste instructeurs bij de krijgsmachtdelen, inhuur van instructeurs en uitbesteden van opleidingen.
Hoe wordt de prioriteit voor het opleiden van extra militaire instructeurs bepaald binnen het personeelsbestand, en zijn er capaciteitsknelpunten die moeten worden aangepakt?
Instructie- en opleidingsfuncties worden met prioriteit gevuld door de Operationele Commando’s. Desondanks is er sprake van een tekort aan militaire instructeurs. Daarom wordt er voor additionele instructiecapaciteit voor het Dienjaar gekozen voor inhuur. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Verwacht u mogelijke gevolgen voor de opschaling van het dienjaar naar aanleiding van de vertraging bij de ontwikkeling van het programma Grensverleggende IT (GrIT)?
Nee, de opschaling van het dienjaar is niet afhankelijk van de realisatie van het programma GrIT.
Kunt u aangeven welke overleggen er plaatsvinden met sociale partners over het dienjaar en de geplande opschaling en hoe zij kunnen helpen bij het versneld opschalen van het programma?
Op dit moment wordt met de centrales van overheidspersoneel gesproken over de rechtspositie van dienjaarmilitairen. Het is van groot belang dat Defensie en de vakcentrales met elkaar in gesprek blijven over de ontwikkelingen rondom de opschaling van het dienjaar en dat wij met hen overeenstemming bereiken over de rechtspositie van dienjaarmilitairen in het bijzonder.
Welke voordelen brengt het organiseren van meerdere instroommomenten per jaar met zich mee? Draagt een periodieke instroom bij aan een grotere aantrekkingskracht voor deelname aan het dienjaar?
Voor 2024 zijn drie instroommomenten voorzien. Bij meerdere instroommomenten voor het dienjaar kunnen studenten die tussentijds stoppen met hun studie, na gebleken geschiktheid, snel instromen in het dienjaar. Gegeven de huidige krappe arbeidsmarkt is het van belang om belangstellenden voor het dienjaar snel te kunnen binden aan Defensie. Daarnaast kan met meerdere instroommomenten de beschikbare opleidingscapaciteit optimaal worden benut.
Hoe beschouwt u de bijdrage van degenen die een dienjaar vervullen met betrekking tot inzet? Bestaat er ook een optie voor deelnemers om vrijwillig te kiezen voor een actieve militaire status in plaats van die van reservist?
Eén van de uitgangspunten van het dienjaar is dat het een directe bijdrage levert aan de personele gereedheid. Tegelijkertijd is het dienjaar nog in ontwikkeling. Dat vraagt om het voortdurend maken van afwegingen. Het stelt Defensie ook in staat te ontdekken waar nog aanpassingen in huidig beleid nodig zijn.
Deelname van dienjaarmilitairen aan diverse type activiteiten van Defensie, waaronder inzet, is wat Defensie betreft mogelijk als een drietal belangrijke uitgangspunten is gewaarborgd. Deelname moet vrijwillig zijn, de dienjaarmilitairen moeten voldoen aan gestelde vaardigheidseisen en de rechtspositie moet passend en beschermend zijn.
Er varen op dit moment twee dienjaarmilitairen mee aan boord van de Zr.Ms. Tromp en twee aan boord van de Zr.Ms. Karel Doorman in het kader van de Amerikaans geleide operatie Prosperity Guardian respectievelijk de EU-operatie Aspides in de Rode Zee. Om volledig te voldoen aan bovenstaande uitgangspunten voor inzet, is de aanstellingsvorm van de dienjaarmilitairen aangepast van reservist naar beroepsmilitair op grond van artikel 11 van het AMAR.
Ik ben mij ervan bewust dat de bonden en ik, als strategische en sociale partners, de rechtspositie van dienjaarmilitairen in alle opzichten zo spoedig mogelijk goed moeten hebben geregeld. Daarover zijn wij reeds in overleg.
Hoe wordt gewaarborgd dat deelnemers van het dienjaar kunnen opereren in een eenheid met dezelfde kwalitatieve vaardigheden, bij bijvoorbeeld een uitzending of bij het vervullen van andere functies, zodat militair personeel vrijgespeeld kan worden? Hoe vrijblijvend is dit? Wat acht u wenselijk?
Binnen de operationele eenheden wordt op basis van de vereiste kwalificaties, kennis en ervaring bezien wat een passend en uitdagend takenpakket is voor dienjaarmilitairen. Een zorgvuldige afweging tussen het organisatiebelang, de vereiste kwalificaties, het ontwikkelen van de talenten van deelnemers en het borgen van de veiligheid is vereist. Dit vergt maatwerk.
Kunt u beschrijven hoe de pilot van het specialistisch dienjaar verloopt? Is hier mogelijkheid tot opschaling? Hoeveel capaciteit verwacht u in het specialistisch dienjaar?
De pilot van het specialistisch dienjaar is in het eerste kwartaal gestart bij de Marine met circa 10 deelnemers. Zij worden op basis van hun ervaring en expertise individueel geplaatst. In de huidige vorm is dit traject arbeidsintensief en beperkt schaalbaar. Daarom wordt bezien hoe dit traject beter schaalbaar te maken is en of het uitgebreid kan worden naar de andere krijgsmachtdelen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De doelgerichte aanvallen door Israël op journalisten |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het NRC artikel «TNO: Israël schoot in Libanon «waarschijnlijk» ook met machinegeweren op journalisten»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het drama dat zich afspeelde op 13 oktober jongstleden, waarbij het Israëlische leger twee granaten afvuurde op een duidelijk geïdentificeerde groep journalisten in Zuid-Libanon, met als gevolg de directe dood van de 37-jarige Reuters-journalist Abdallah?
Ja.
Wat is uw reactie op de beschuldigingen vanHuman Rights Watch en hoogleraar Internationaal Humanitair Recht Jessica Dorsey, die Israël beschuldigen van opzettelijke aanvallen op journalisten, en deze daden als oorlogsmisdaden bestempelen?2 3
Ieder land is gehouden zijn verplichtingen onder het internationaal recht na te komen. Het kabinet neemt de uitspraken van verschillende hoge VN-vertegenwoordigers, gerenommeerde internationale non-gouvernementele organisaties en academici over de vraag of het humanitair oorlogsrecht wordt nageleefd uiterst serieus. Gedegen en onafhankelijk onderzoek zal nodig zijn om de relevante feiten boven water te krijgen. Het is in eerste instantie aan partijen zelf om onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht.
Bent u bereid op te roepen tot onafhankelijk, effectief en grondig onderzoek naar de reeds bekende gevallen van doelgerichte aanvallen op journalisten door autoriteiten ter plekke, waaronder Hamza al-Dahdouh, Mustafa Thuraya en Issam Abdallah, conform Nederlandse inzet op het tegengaan van straffeloosheid van moorden op journalisten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van onafhankelijk onderzoek naar vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Nederland steunt programma’s van UNESCO op de veiligheid van journalisten, waaronder het monitoren en rapporteren over journalisten die zijn omgekomen bij het uitoefenen van hun beroep. Daarbij worden overheden jaarlijks verzocht informatie aan te leveren over de status van juridische procedures van onopgeloste zaken. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden om dit onderwerp onder de aandacht te brengen in internationale fora, zoals de Media Freedom Coalition en de VN mensenrechtenraad. Ook doet het Internationaal Strafhof onderzoek naar de gebeurtenissen op en na 7 oktober jl., waarbij Nederland EUR 3 miljoen ter beschikking heeft gesteld voor de algemene onderzoekscapaciteiten van het Internationaal Strafhof. Ook heeft Nederland USD 1 miljoen ter beschikking gesteld aan het VN-mensenrechtenkantoor in de Palestijnse Gebieden voor hun monitoringstaken.
Hoe reageert u op het verontrustende feit dat journalisten in Gaza volgens het Palestijnse Journalisten Syndicaat vijf tot tien keer meer kans hebben om vermoord te worden dan de gemiddelde burger?4
Dit zijn ernstige berichten. Journalisten moeten hun werk vrij en veilig kunnen uitvoeren.
Erkent u het belang van journalisten bij het documenteren van oorlogsmisdaden en het verstrekken van betrouwbaar nieuws om desinformatie tegen te gaan, evenals het feit dat zonder onafhankelijke journalistiek cruciale informatie wordt onthouden aan burgers in Gaza, zoals evacuatieroutes en doelwitten van bombardementen?5
Het kabinet erkent het belang van journalisten voor de toegang tot betrouwbare en onafhankelijke informatie, zeker in conflictsituaties. De VN-Speciaal Rapporteur voor vrijheid van meningsuiting karakteriseert toegang tot informatie in conflictsituaties dan ook als een «survival right», waarvan het leven en de veiligheid van mensen in conflictsituaties afhangen.
Welke stappen heeft het kabinet ondernomen om journalisten en mediawerkers in Gaza en in de wijdere omgeving die verslag doen van het conflict te beschermen? Welke mogelijkheden ziet u om deze inzet te intensiveren en bent u bereid om dit te doen?
Nederland steunt het werk van Free Press Unlimited en Reporters Without Borders vanuit het Safety for Voices-subsidiekader. Deze organisaties bieden fysieke, juridische, digitale, financiële en psychosociale hulp aan journalisten in nood. Binnen beperkte mogelijkheden hebben beide organisaties lokale partners ondersteund om journalisten in Gaza te voorzien van communicatieapparatuur, humanitaire goederen, en plekken met internet om van daaruit te kunnen werken. Daarnaast steunt Nederland programma’s van UNESCO ten aanzien van de veiligheid van journalisten, waaronder journalisten die werkzaam zijn in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever. Toegang tot Gaza is echter zeer beperkt, en daarmee ook de mogelijkheden voor meer inzet. Nederland blijft ook in het diplomatieke verkeer het belang van vrije media en bescherming van journalisten onderstrepen.
Deelt u de mening dat het consequent weigeren van toegang voor buitenlandse journalisten tot de Gazastrook een bedreiging vormt voor betrouwbare en onafhankelijke informatie?
Zie het antwoord op vraag 6.
Zo ja, bent u bereid om, samen met uw collega's in de Media Freedom Coalition, Israël op te roepen om buitenlandse journalisten toegang te verlenen tot Gaza? Zo nee, waarom niet?
Onder Nederlands co-voorzitterschap en op Nederlands initiatief heeft de Media Freedom Coalition in een verklaring zorgen geuitover de veiligheid van journalisten en de consequenties voor de toegang tot informatie van dit conflict en andere conflictsituaties.6 De Media Freedom Coalition onder Duits en Ests voorzitterschap bekijkt momenteel de mogelijkheden voor andere gezamenlijke acties.
Deelt u de mening dat het Kabinet zich moet uitspreken over het ongekende aantal vermoorde journalisten in Gaza, in lijn met de internationale voortrekkersrol die Nederland de afgelopen jaren op zich heeft genomen als covoorzitter van de Media Freedom Coalition?
Nederland heeft zich in eerdergenoemde verklaring samen met 23 andere leden van de Media Freedom Coalition uitgesproken over het aantal omgekomen journalisten gedurende het conflict tussen Israël en Hamas.
De laatste stand van zaken rondom de 36 Afghaanse studentes |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Gerrit van Leeuwen |
|
![]() |
Bent u bekend met de 36 Afghaanse studentes aan het National Agricultural Education College (NAEC) in Kaboel, die in tegenstelling tot de mannelijke studenten niet de kans hebben gekregen af te studeren? Is u bekend dat de studenten slechts een diploma hebben ontvangen, echter zonder het achterliggende onderwijs?
In de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking op d.d. 21 november jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de 36 Afghaanse NAEC-studentes, waarbij is gemeld dat de Taliban besloten hebben om de studentes alsnog een diploma uit te reiken.
Houdt de ambassade contact met de studentes? Is het bekend hoe het op dit moment gaat met de studentes?
De ambassade onderhoudt geen contact meer met de studentes omdat het project met de NAEC is afgerond en de studentes niet meer op school zitten.
Wat is de laatste stand van zaken aangaande de toezegging van het kabinet «om deze studentes te blijven ondersteunen en hen ook daadwerkelijk baat bij hun opleiding te laten hebben»?1
De ambassade onderzoekt de mogelijkheden voor het realiseren van werkervaringsplekken, via een VN-partner. Deze verkenning loopt nog en heeft vooralsnog niet geleid tot resultaten.
Waarom sloten de gesprekken over de zogeheten Qatar-optie onvoldoende aan bij deze wens? Heeft u het aanbod direct met de partij in Qatar besproken? Zo ja, wat kwam er uit dit gesprek? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie heeft geen rechtstreeks contact gehad met de partij in Qatar, maar via een NGO. De zogeheten Qatar-optie bleek niet uitvoerbaar vanwege praktische- en veiligheidsredenen. In een soortgelijke zaak werden vrouwelijke studentes die naar het buitenland wilden gaan om te studeren bij de grens tegengehouden door de Taliban. Daarnaast waren er problemen te voorzien met logistieke ondersteuning, zoals bij het aanvragen van paspoorten en visa, maar ook de benodigde toestemming om te reizen zonder een mahram (mannelijke begeleider).
Vooralsnog hebben gesprekken over het aanbieden van werkervaringsplekken voor de afgestudeerde studentes nog geen resultaat opgeleverd, maar de ambassade blijft zich hiervoor inspannen. Een mogelijke werkervaringsplek in Afghanistan zou bijdragen aan het ondersteunen van economische kansen voor deze groep vrouwen en meisjes in Afghanistan.
Waarom acht u het voorstel dat uit deze gesprekken is gekomen niet «uitvoerbaar»?2
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verlopen de gesprekken met een VN-partner in Afghanistan voor het realiseren van werkervaringsplekken? Kunt u aangeven wat deze optie inhoudt en waarom deze optie volgens u beter is dan de Qatar-optie?
Zie antwoord vraag 4.
Uiterlijk op welke termijn wilt u een geschikte optie hebben gevonden voor de studentes?
De situatie in Afghanistan is complex en de gesprekken met de VN-partner vinden nog steeds plaats. Het is daarom lastig om vast te stellen op welke termijn een geschikte optie kan worden gevonden. Nederland blijft zich inzetten voor het realiseren van werkervaringsplekken langs deze spoor, zolang dat perspectief biedt. Gegeven de genoemde uitdagingen lijkt dit de enige reële optie.
Het bericht ‘Nederlanders betalen reisbureau hoge bedragen voor evacuatie familie Gaza’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders betalen reisbureau hoge bedragen voor evacuatie familie Gaza»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerder gestelde schriftelijke vragen van het lid Van Baarle (DENK) d.d. 6 februari 2024?2
Ja.
Klopt het dat Abed Al Attar nog steeds niet is teruggekeerd naar Nederland? Zo ja, wat gaat u doen om Abed Al Attar zo spoedig mogelijk terug te laten keren naar Nederland?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich via politieke en diplomatieke inspanningen inzetten voor alle Nederlanders die vanuit Gaza willen terugkeren naar Nederland, inclusief de heer Al Attar. Conform de AVG is het Ministerie van Buitenlandse Zaken terughoudend in het geven van meer details over individuele zaken.
Kunt u verklaren waarom het zo moeilijk blijkt om Nederlanders terug naar Nederland te halen vanuit Gaza en welke concrete inspanningen heeft u geleverd om dit te versnellen? Zijn er autoriteiten die onvoldoende meewerken of processen bij autoriteiten die vertragend werken?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zorgt ervoor dat de namen van de mensen met wie het ministerie in contact staat en die in aanmerking komen, bekend zijn bij de relevante autoriteiten, waaronder de Israëlische en Egyptische autoriteiten, die de lijsten opstellen van mensen die de grens over mogen. Het ministerie en de Nederlandse ambassades en vertegenwoordigingen in de regio onderhouden actief contact en stemmen af met alle betrokken partners in de regio. Via alle beschikbare diplomatieke kanalen, ook in EU-verband, zet het ministerie zich er voor in dat deze personen zo snel mogelijk Gaza kunnen verlaten. Daarnaast wordt op politiek niveau, door verschillende leden van het kabinet waaronder de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister-President, blijvend aandacht gevraagd dat alle Nederlanders, inclusief kerngezinsleden, mensen met een Nederlandse verblijfsstatus en mensen die een positief besluit van de IND hebben in het kader van gezinshereniging, zo snel mogelijk Gaza kunnen verlaten. De definitieve grenslijst wordt opgesteld door Israël en Egypte die ook gezamenlijk de grens bewaken. Aan de grens wordt toegang verzocht; de autoriteiten ter plekke bepalen vervolgens de feitelijke toelating. Ook zijn er mensen die vanwege individuele- en veiligheidsomstandigheden Gaza (nog) niet kunnen verlaten.
Hoe komt het proces van het op lijsten plaatsen van personen die Gaza mogen verlaten precies tot stand, welke autoriteiten zijn hierbij betrokken en wat is de rol van deze autoriteiten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Van Baarle c.s. over het bevorderen dat in Europees verband gezamenlijk wordt opgetrokken om Europese staatsburgers in Gaza zo snel mogelijk terug te halen?3
Nederland onderhoudt op alle niveaus sinds oktober intensief contact met betrokken partners in de regio en zet zich er via alle beschikbare diplomatieke kanalen voor in. Zeker ook in EU-verband vindt vanaf oktober politieke druk plaats richting alle betrokken landen in de regio opdat EU-onderdanen wordt toegestaan Gaza te verlaten. Daarnaast vindt continu EU-coördinatie en samenwerking aan de grens en in de betrokken landen plaats
Klopt het dat er bedragen tussen de 12.000 en 250.000 euro gevraagd worden om mensen uit Gaza te halen?
De genoemde bedragen uit het mediabericht «Nederlanders betalen reisbureau hoge bedragen voor evacuatie familie Gaza» kunnen wij niet verifiëren. Bij de verlening van consulaire bijstand volgt het Ministerie van Buitenlandse Zaken de route langs de officiële autoriteiten om mensen te helpen Gaza te verlaten en naar Nederland over te brengen.
Klopt het dat mensen gebruik maken van een reisbureau dat zeer hoge kosten rekent voor het arrangeren van de overtocht van Gaza naar Egypte?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat het schrikbarend is dat er zo veel geld verdiend wordt aan de wanhoop van mensen die uit Gaza moeten vluchten? Zo ja, hoe gaat u zich internationaal inspannen voor een mogelijkheid voor Palestijnen om zonder slachtoffer te worden van absurde kosten Gaza te kunnen verlaten?
Ik deel uw mening dat het schrikbarend is indien er zoveel geld wordt verdiend aan de wanhoop van mensen die uit Gaza vluchten. Nederland blijft zich ervoor inzetten dat alle Nederlanders, inclusief kerngezinsleden, mensen met een Nederlandse verblijfsstatus en mensen die een positief besluit van de IND hebben in het kader van gezinshereniging zo snel mogelijk Gaza kunnen verlaten.
Kunt u verzekeren dat Nederlanders die terugkeren naar Nederland vanuit Gaza, of Nederlanders die hun familie wensen terug te halen uit Gaza, niet genoodzaakt zijn om zeer hoge bedragen te betalen voor de evacuatie uit Gaza? Indien u dat niet kunt, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze hoge kosten niet meer betaald dienen te worden?
Nederlanders in Gaza of hun familieleden in Nederland kunnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken vragen om consulaire bijstand als zij dat willen. Bij de verlening van consulaire bijstand handelt het ministerie conform de gemaakte (inter)nationale afspraken. Hierbij wordt de route langs de officiële autoriteiten gevolgd. Het betalen voor diensten maakt hier geen onderdeel van uit.
Het bericht ‘Zuid-Afrika gaat burgers straffen als ze vechten voor Israël’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zuid-Afrika gaat burgers straffen als ze vechten voor Israël»?1
Ja.
Klopt het dat Zuid-Afrika burgers die in het Israëlische leger hebben gediend bij terugkeer in het land zal vervolgen? Zo ja, wat vindt u van dit voornemen?
Dit is zo gezegd door de Zuid-Afrikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dr. Naledi Pandor. Zij heeft aangegeven dat onderdanen die in het Israëlische leger hebben gediend, zullen worden gearresteerd bij terugkeer in Zuid-Afrika. De Zuid-Afrikaanse Grondwet verbiedt Zuid-Afrikanen deel te nemen aan een gewapend conflict, tenzij daar in de Grondwet of in aanvullende wetgeving toestemming voor is gegeven. Het is niet aan het kabinet daarover te oordelen.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen van het lid Van Baarle (DENK) d.d. 23 november 2023?2
Ja.
Is het u nog steeds niet bekend hoeveel Nederlanders momenteel actief zijn in het Israëlische leger noch hoeveel zijn opgeroepen of afgereisd? Indien dit zo is, waarom wordt dit niet door de Nederlandse regering bijgehouden?
Nee. Nederland houdt dit niet bij omdat Nederland niet in gewapend conflict is met Israël.
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Ja.
Is het kabinet bereid om een (eventuele) machtiging voor militairen om voor het Israëlische leger te vechten in geen enkel geval te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse burgers mogen in vreemde krijgsdienst treden, tenzij zij
Nederlands militair ambtenaar zijn in werkelijke dienst of wanneer Nederland in gewapend conflict zou zijn met het land in kwestie. Voor militairen geldt dat een machtiging (formele goedkeuring) van de Minister van Defensie nodig is om toe te mogen treden tot een vreemde krijgsdienst. Wanneer deze situatie zich voordoet, zal een zorgvuldige beoordeling per geval worden uitgevoerd. Daarbij zullen de actuele en individuele omstandigheden worden meegewogen.
Kan het kabinet uitsluiten dat de Israëlische regering werft in de zin van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht en zich dus onthoudt van het benaderen, bespelen, beïnvloeden of anderszins overreden van personen om in Israëlische krijgsdienst te treden of namens Israël deel te nemen aan een gewapend conflict?
Zoals in reactie op de eerdere vragen van het lid Van Baarle (DENK) d.d. 23 november 2023 uiteen is gezet, is de Israëlische oproep aan reservisten niet strafbaar op grond van artikel 205 Sr, omdat dit een al bestaande vorm van dienstbetrekking of arbeidsrelatie betreft.
Op welke wijze houdt het kabinet zicht op Nederlanders in Israëlische krijgsdienst en op de vraag of Nederlanders in Israëlische krijgsdienst mogelijk oorlogsmisdrijven begaan?
Zoals ook geantwoord op vraag 4 houdt de Nederlandse overheid zelf niet bij of Nederlanders dienst hebben genomen bij de krijgsmacht van landen waarmee Nederland niet in gewapend conflict is. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Welke wetgeving is van toepassing op mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders in Israëlische krijgsdienst en hoe wordt erop toegezien dat bij terugkomst in Nederland mensen voor mogelijke oorlogsmisdrijven ook vervolgd worden?
Nederlandse burgers actief in het Israëlische leger blijven onder het Nederlandse strafrecht vallen, alsook onder de nationale wet- en regelgeving van Israël. Op grond van de Nederlandse Wet internationale misdrijven heeft Nederland onder meer rechtsmacht over internationale misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven, die zijn begaan door Nederlanders. Indien het openbaar ministerie indicaties krijgt dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, zal niet worden nagelaten om hier een oriënterend onderzoek naar te doen om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is.
Deelt u de mening dat eventuele oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders in Israëlische krijgsdienst nooit onbestraft zouden mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland zet zich sinds jaar en dag in voor de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven. Zo is Nederland onder meer partij bij het Internationaal Strafhof en heeft het zich de afgelopen jaren hard gemaakt voor de totstandkoming van de Ljubljana – The Hague Convention die interstatelijke samenwerking bij de opsporing en vervolging van internationale misdrijven beter zal faciliteren. Indien er indicaties zijn van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, kan het Openbaar Ministerie bezien of het opportuun is om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Het is aan het Openbaar Ministerie om die afweging te maken.
Bent u bekend met de talloze uitingen van mensenrechtenorganisaties en VN-experts over mogelijke oorlogsmisdrijven van het Israëlische leger? Zo ja, ziet u daarin geen aanleiding om Nederlanders te ontmoedigen om in Israëlische krijgsdienst te gaan?
Ja, ik ben daarmee bekend. Het is Nederlandse burgers niet verboden in vreemde krijgsdienst treden, tenzij zij militair ambtenaar zijn in Nederland of wanneer Nederland in gewapend conflict is met het land in kwestie. Daar is in dit geval geen sprake van. Deelname aan de Israëlische krijgsmacht levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op. Zoals hiervoor in antwoord op de vragen 9 en 10 aan is aangegeven, zijn er mogelijkheden om op te treden indien er indicaties zijn dat Nederlanders oorlogsmisdrijven plegen of hebben gepleegd.
Zijn er Nederlanders bekend die mogelijk in Israëlische krijgsdienst hebben bijgedragen aan mogelijke oorlogsmisdrijven? Zo ja, worden deze personen bij terugkeer vervolgd?
Zoals hiervoor in antwoord op vraag 10 uiteen is gezet, zal, indien het Openbaar Ministerie indicaties krijgt dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, niet worden nagelaten om hier een oriënterend onderzoek naar te doen om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat Nederlanders actief bijdragen aan de gewapende strijd van Israël in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 11.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het voor Nederlanders verboden wordt om in Israëlische krijgsdienst te treden? Zo neen, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 11 is beschreven, is het – behoudens enkele uitzonderingen – niet verboden dat Nederlanders in krijgsdienst treden van een andere staat dan Nederland. Het kabinet ziet geen aanleiding hierin verandering te brengen. Voor zover Nederlanders in vreemde krijgsdienst (ernstige) strafbare feiten plegen, is het in voorkomend geval mogelijk voor het Nederlandse Openbaar Ministerie hiernaar een onderzoek te starten.
Het rapport van Amnesty International ‘From freedom to censorship, the consequences of the Hungarian propoganda Law’ |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport van Amnesty International «From freedom to censorship, the consequences of the Hungarian propaganda law»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Hongaarse «propaganda wetgeving» welke het afbeelden en de «promotie» van diverse genderidentiteiten en seksuele oriëntaties verbiedt in onder andere lesmateriaal, media en reclamemateriaal?
Het kabinet heeft zich heel duidelijk tegen deze anti-LHBTIQ+ wetswijzigingen uitgesproken sinds de aanname van de wetswijzingen in juni 2021, waaronder in de Europese Raad.2
Hoe strookt deze wetgeving volgens u met het recht op informatie, het recht op gelijkheid en non-discriminatie en het recht op onderwijs?
De anti-LHBTIQ+ wetswijzingen stroken niet met diverse grondrechten uit het EU-Handvest, waaronder de vrijheid van meningsuiting en informatie, het non-discriminatiebeginsel, het recht op menselijke waardigheid en het recht op eerbiediging van het privéleven.
Erkent u dat er geen bewijs is dat uitingen van seksuele geaardheid en genderidentiteit een negatief effect op jongeren zou hebben, zoals ook de Commissie van Venetië stelt?
Ja.
Deelt u de mening dat het juist van belang is voor jongeren om informatie te kunnen krijgen over seksuele voorlichting in het kader van een veilige seksuele ontwikkeling, ongeacht diens seksuele oriëntatie?
Ja.
Deelt u de zorgen dat dit soort wetgeving stigma en discriminatie in de hand werkt, terwijl de overheid juist de rechten van al haar burgers zou moeten beschermen?
Het kabinet deelt deze zorgen.
Deelt u de mening dat deze wet de rechtsstaat in Hongarije verder beschadigt? Zo ja, graag een reflectie, zo nee, waarom niet?
Ja. De anti-LHBTIQ+ wetswijzingen zijn allereerst in strijd met EU waarden. In reactie op de wetswijzigingen besloot de Commissie Hongarije op 15 juli 2022 voor het Hof te dagen, waarbij de Commissie heeft geconstateerd dat de wetgeving onder meer in strijd is met de richtlijn audiovisuele mediadiensten, diverse grondrechten uit het EU-Handvest en de gemeenschappelijke waarden van artikel 2 VEU. Het kabinet deelt deze zienswijze van de Commissie.
Wat zijn wat u betreft de consequenties hiervan wat betreft de artikel 7-procedure die al langere tijd loopt voor Hongarije?
Zorgen over maatregelen die de Hongaarse regering neemt die de gelijke rechten van LHBTIQ+ personen beperken en ondermijnen zijn onderdeel van de artikel 7 procedure tegen Hongarije en worden bij de hoorzittingen consequent door lidstaten, waaronder Nederland, opgebracht.3
Wat gaat u doen om de LHBTQ+ gemeenschap in Hongarije te ondersteunen?
Nederland steunt de LHBTIQ+ gemeenschap in Hongarije actief. Dit doet Nederland door politieke steun te verlenen, bijvoorbeeld doordat de Nederlandse ambassadeur in Boedapest meeloopt in de Pride en steun uit te spreken via sociale media. Ook wordt financiële steun verleend aan LHBTIQ+ organisaties in Hongarije. Deze steun zal onverminderd voortgezet worden.
Gaat u uw Hongaarse ambtgenoot aanspreken op deze vorm van censuur? Wat gaat u doen om kenbaar te maken dat deze «propaganda wet» niet strookt met Europese rechten en waarden?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Inmiddels heeft de infractieprocedure die de Commissie is gestart tegen Hongarije, constaterende dat de anti-LHBTIQ+-wetswijzingen niet stroken met EU waarden en regels, geleid tot een zaak tegen Hongarije voor het EU-Hof. Nederland zal aan deze hofzaak deelnemen en heeft zich er actief voor ingezet dat zoveel mogelijk andere EU lidstaten dit ook doen. In totaal zullen zestien EU lidstaten deelnemen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voor het debat over de Europese Raad van 19 maart?
Helaas is dit niet gelukt.
Het bericht ’Paniek bij UNRWA om stopzetten financiering was allemaal theater’ |
|
Dennis Ram (PVV) |
|
Gerrit van Leeuwen |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Paniek bij UNRWA om stopzetten financiering was allemaal theater»?1
Ja.
Wat is het standpunt van de regering over de beweringen van Hillel Neuer, directeur van het onafhankelijke UN Watch, betreffende de agenda en activiteiten van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA)?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel en de uitspraken van dhr. Neuer daarin.
Hoe reageert de regering op de stelling van Hillel Neuer dat de problemen bij UNRWA een «theater» zijn?
Het kabinet is het oneens met de stelling van de heer Neuer. UNRWA is volledig afhankelijk van vrijwillige bijdragen van donoren om het door de AVVN verleende mandaat uit te voeren in de regio. Dat het vrijwillige karakter van bijdragen onzekerheden oplevert in de financiële planning voor de organisatie is een feit, en was dat al voor de bevriezingen van donorbijdragen sinds januari jl. De laatste stand van zaken is dat UNRWA fondsen heeft om te kunnen opereren tot eind juli a.s.
Hoe beoordeelt de regering de onafhankelijkheid en effectiviteit van de twee onderzoeken die naar UNRWA zijn opgestart in reactie op de recente schandalen en de kritiek van UN Watch?
Het eerste onderzoek, naar de aantijgingen over mogelijke betrokkenheid van UNRWA-medewerkers bij de aanvallen van 7 oktober, wordt uitgevoerd door de Office of Internal Oversight Services (OIOS), het onafhankelijke onderzoeksorgaan van de VN. Daarnaast vond er een bredere review plaats waarbij het integriteitsbeleid en risicomanagement van UNRWA tegen het licht wordt gehouden. Dit onderzoek werd gecoördineerd door de voormalige Franse Minister van Buitenlandse zaken, Catherine Colonna, en uitgevoerd door drie onafhankelijke instituten, namelijk Raoul Wallenberg Institute, Chr. Michelsen Institute en het Danish Institute for Human Rights, en de onderzoeksresultaten werden op 22 april jl. gepresenteerd. Het kabinet heeft geen reden te twijfelen aan de onafhankelijkheid of professionaliteit van het verloop van deze onderzoeken.
Kunt u informatie verstrekken over eventuele gesprekken of initiatieven op internationaal niveau die gericht zijn op het beëindigen van UNRWA in zijn huidige vorm?
De focus in internationale fora ligt daar op dit moment niet op, juist omdat in deze fase van het conflict geen alternatief bestaat voor UNRWA. UNRWA is door de AVVN gemandateerd, ten behoeve van basisdienstverlening aan Palestijnen in afwachting van een duurzame tweestatenoplossing. In de toekomst, bij totstandkoming van deze tweestatenoplossing, kan gekeken worden of en welke rol UNRWA dan zou kunnen spelen.
De uitlevering van Julian Assange |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
De Duitse kanselier Olaf Scholz heeft laten weten dat hij hoopt dat Julian Assange niet wordt uitgeleverd aan de Verenigde Staten; is dit ook het standpunt van de Nederlandse regering en zo nee, waarom niet?1
Mediavrijheid en persvrijheid zijn essentieel in een democratie en belangrijke pijlers binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. In veel landen – ook in Nederland – is het echter strafbaar om welbewust staatsgeheime informatie te openbaren. Nederland staat pal voor de rechtsstaat. Het betreft hier een uitleveringsverzoek tussen twee democratische rechtsstaten zonder Nederlandse betrokkenheid. Het is niet aan Nederland zich te mengen in de rechtsgang van andere landen.
Het testverslag 'Acceptatieverslag Minimum Viable Product Defensie Big Data Advanced Analytics Platform' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat er een testverslag met als titel «Acceptatieverslag Minimum Viable Product Defensie Big Data Advanced Analytics Platform» (acceptatieverslag MVP DBDAAP) voor DBDAAP is geschreven door de afdeling Kennis Innovatie Experimenten en Simulatie (KIXS) binnen het Joint Informatievoorzieningscommando (JIVC) en dat dit testverslag is opgeleverd aan de stuurgroep DBDAAP op 18 januari 2022?
Het Defensie Big Data Advanced Analytics Platform (DBDAAP) is een systeem voor data analyses. De CIO was opdrachtgever voor het project. COMMIT/JIVC is opdrachtnemer. De afdeling Kennis Innovatie Experimenten en Simulatie (KIXS) binnen het JIVC is de gebruiker.
Het betreffende acceptatieverslag is door KIXS, als gebruiker, vastgesteld op 20 januari 2022. Dit testverslag is niet op 18 januari 2022, of op een ander moment, aangeboden aan de stuurgroep DBDAAP. Het testverslag is een momentopname met een beperkte scope binnen een breder testproces. Daarom was het verslag in deze fase van het project alleen relevant voor COMMIT/JIVC als opdrachtnemer van het programma en opdrachtgever voor de test. Een stuurgroep van een project wordt in de regel geïnformeerd over meerdere testresultaten tegelijk, zodat er een integraal beeld ontstaat. In dit geval is de stuurgroep schriftelijk door COMMIT/JIVC geïnformeerd over de integrale testresultaten op 14 februari 2022.
Kan de Kamer dit testverslag toegestuurd krijgen voor het commissiedebat Derde Voortgangsrapportage GrIT op 12 maart 2024? Zo nee, waarom niet?
Bijgaand ontvangt u het gevraagde testverslag. In het testverslag zijn de namen van defensiemedewerkers en informatie gerelateerd aan operationele inzet gelakt in verband met vertrouwelijkheid. Aan uw verzoek van 11 maart om dit testverslag voor het commissiedebat op 12 maart toe te sturen kon ik niet voldoen. Ik heb er waarde aan gehecht om het technische testverslag gelijktijdig met de beantwoording van de vragen te versturen, voorzien van de nodige context. Daarnaast heeft het project DBDAAP geen relatie met het programma GrIT.
Welke onderzoeksvraag werd beantwoord in dit testverslag?
Het testverslag van 20 januari beoordeelde vanuit het perspectief van de gebruiker of bestaande use cases (toepassingen) vanuit de bestaande IT konden worden overgezet naar het DBDAAP-platform. Op het moment van de test bezat het DBDAAP-platform nog niet de volledige functionaliteit, maar was er sprake van een zogeheten minimal viable product (MVP).
Wat is de conclusie van dit testverslag?
Op basis van de testresultaten werd geconcludeerd dat het nog te vroeg was om het MVP DBDAAP als productiewaardig platform te beschouwen.
Wie was (binnen Defensie) de opdrachtgever voor het schrijven van dit testverslag en waarom werd deze opdracht verstrekt?
COMMIT/JIVC was opdrachtnemer van het project en daarmee de opdrachtgever voor het testverslag. Het is gebruikelijk dat de resultaten van projecten worden getest op techniek en op geschiktheid voordat deze in gebruik genomen worden. Dit is een standaard onderdeel van het proces om projectresultaten te beoordelen en onvolkomenheden te onderkennen. De stuurgroep wordt geïnformeerd over integrale testresultaten. De stuurgroep is schriftelijk door COMMIT/JIVC over de integrale testresultaten geïnformeerd op 14 februari 2022.
Heeft het testverslag de opdrachtgever bereikt? Zo ja, welke actie heeft de opdrachtgever vervolgens genomen naar aanleiding van dit testverslag?
Het testverslag heeft COMMIT/JIVC, als opdrachtgever van het testen bereikt. De CIO, als opdrachtgever van het project, is vertegenwoordigd in de stuurgroep die op 14 februari 2022 schriftelijk is geïnformeerd over de integrale testresultaten. In de vergadering van de stuurgroep op 15 februari 2022 is vervolgens door de voorzitter van de stuurgroep besloten het project tijdelijk stil te leggen. Er waren afwijkingen geconstateerd ten opzichte van de oorspronkelijke eisen in het projectplan. Door het project stil te leggen kon het project worden herijkt.
In de herijking is een aantal van de oorspronkelijke eisen anders geformuleerd. Daarnaast zijn niet essentiële functionaliteiten naar achter geschoven in de planning, zodat deze na de oplevering van het platform gerealiseerd konden worden. Na de herijking is het DBDAAP platform met een eindrapport opgeleverd in april 2022. Op dit moment wordt het platform binnen Defensie gebruikt.
Zo nee, waarom niet en heeft de opdrachtgever actie ondernomen om het door de opdrachtgever zélf aangevraagde testverslag te verkrijgen?
Het testverslag heeft COMMIT/JIVC, als opdrachtgever van het testen bereikt. De CIO, als opdrachtgever van het project, is vertegenwoordigd in de stuurgroep die op 14 februari 2022 is geïnformeerd over de integrale testresultaten.
Het bericht dat UNRWA toch 68 miljoen euro krijgt vanuit de EU |
|
Dennis Ram (PVV) |
|
Gerrit van Leeuwen |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het besluit van de Europese Commissie over de extra gelden aan UNRWA?1
Ja. De geplande bijdrage van de Europese Commissie voor UNRWA in 2024 is EUR 82 miljoen, waarvan de eerste betaling gepland stond voor begin maart. De Commissie heeft besloten tot een eerste betaling van EUR 50 miljoen. Hier werden voorwaarden aan gesteld, evenals aan de uitbetaling van de nog openstaande EUR 32 miljoen. Daarnaast heeft de Europese Commissie EUR 68 miljoen humanitaire financiering toegezegd voor Gaza via andere kanalen; dus niet via UNRWA.
Wat is de reden waarom de Europese Commissie teruggekomen is op haar eerdere besluit en hoe is de Raad van Ministers Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking daarbij betrokken?
Bent u bekend met het bericht dat er meer dan 450 werknemers van UNRWA betrokken waren bij de terroristische aanslagen en/of ontvoeringen in Israël op 7 oktober2? Hoe beoordeelt de Nederlandse regering deze berichtgeving? Graag een uitgebreide toelichting.
Ja. Het kabinet kan deze berichtgeving niet eigenstandig verifiëren.
Nederland steunt de onderzoeksprocessen, waarvan inmiddels het neutraliteitsonderzoek is afgerond, en voert hierover gesprekken met de VN en met andere UNRWA-donoren. Hierover bent u ook middels de Kamerbrief d.d. 26 april 20243 geïnformeerd.
UNRWA deelt de namen van medewerkers met de Israëlische autoriteiten. Op basis van een lijst van maart 2024 heeft Israël publiekelijk gereageerd dat een significant aantal UNRWA stafleden lid zijn van terroristische organisaties/Hamas. Het Colonna-rapport stelt dat geen nader bewijs ter bevestiging is gedeeld.
Deelt u de mening dat het volledig ongewenst is dat UNRWA toch geld krijgt, terwijl de VN-onderzoeken naar de misdaden en de betrokkenheid bij de terreur en/of ontvoeringen op 7 oktober 2023 nog niet zijn afgerond? Zo nee, waarom niet?
Het besluit om UNRWA al-dan-niet te financieren is een eigenstandig besluit van elke donor afzonderlijk. Alle donoren maken daarbij hun eigen afwegingen.
Over het Nederlandse standpunt bent u middels de Kamerbrief d.d. 26 april 2024 geïnformeerd.
Worden de nieuwe bewijzen en beschuldigingen3 betrokken bij de twee lopende onderzoeken van de VN door (1) de Independent Review Group, welke is benoemd door de Secretaris-Generaal van de VN, en alleen de interne procedures en interne mechanismes van UNRWA naar aanleiding van de beschuldigingen onderzoekt en (2) de Office of Internal Oversight Services (OIOS) die de betrokkenheid van de 12 UNRWA-medewerkers bij de aanslag van 7 oktober 2023 onderzoekt4? Zo nee, waarom niet? Wilt u bevorderen dat dit wel gebeurt?
De beide onderzoekteams spreken met alle partijen. Zij zullen alle informatie die met hen gedeeld wordt meenemen. Nederland en andere donoren roepen alle partijen op tot volledige medewerking aan de onderzoeken en het delen van al het relevante bewijsmateriaal.
Bent u bereid om zich bij de Europese Commissie maximaal in te spannen om dit ongewenste besluit terug te draaien5? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie mag dit eigenstandig beslissen op basis van eigen overwegingen, waaronder het maken van afspraken met UNRWA. Alle donoren maken afzonderlijk hun afwegingen en nemen eigenstandig beslissingen over inzet van hun middelen. Over het Nederlandse standpunt bent u middels een Kamerbrief d.d. 26 april 2024 geïnformeerd.
Bent u gezien deze nieuwe ernstige beschuldigingen en bewijzen bereid om alle banden met UNRWA te verbreken? Zo nee, waarom niet?
Over het Nederlandse standpunt bent u middels een Kamerbrief d.d. 26 april 2024 geïnformeerd.
Het bericht ‘Van genocidale opruiing betichte Israëlische president komt naar Nederland voor opening Holocaustmuseum’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Van genocidale opruiing betichte Israëlische president komt naar Nederland voor opening Holocaustmuseum»?1
Ja, dit bericht is ons bekend.
Hoe beschouwt u de ontvangst van de Israëlische president Yitzhak Herzog in het licht van het feit dat het Internationaal Gerechtshof hem expliciet bij naam heeft genoemd in de aanwijzingen voor een aannemelijke genocide door Israël in Gaza?2
President Herzog is door het Joods Cultureel Kwartier uitgenodigd om bij de officiële opening van het Nationaal Holocaustmuseum te zijn. De president vertegenwoordigde hier het thuisland van Joodse Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog naar Israël zijn geëmigreerd. Zoals dat gebruikelijk is onder staatshoofden, heeft de Koning de president van Israël daarna formeel uitgenodigd.
Nederland en Israël hebben een historische en brede bilaterale relatie en daarbinnen past de ontvangst van de Israëlische president. De goede bilaterale betrekkingen bieden ook de mogelijkheid om zorgpunten met Israël te delen, waaronder over de situatie in Gaza. In zijn gesprek met de Israëlische president heeft Minister-President Rutte, naast gedeelde zorgen over de gegijzelden, met klem benadrukt dat Israël moet afzien van een grootschalig militair offensief in Rafah en dat massief meer humanitaire hulp Gaza in moet, ook om hongersnood tegen te gaan.
Bent u het eens dat de door het Internationaal Gerechtshof geciteerde uitspraak van president Herzog («It is an entire nation out there that is responsible. It is not true this rhetoric about civilians not aware, not involved. It is absolutely not true. They could have risen up. They could have fought against that evil regime which took over Gaza in a coup d’état. But we are at war. We are at war. We are at war. We are defending our homes. We are protecting our homes. That’s the truth. And when a nation protects its home, it fights. And we will fight until we’ll break their backbone.» d.d. 12 oktober 2023) mogelijk wijst op het aansturen op genocide en andere vormen van collectieve bestraffing? Zo ja, waarom wordt president Herzog alsnog welkom geheten? Zo nee, waarom niet en hoe beschouwt u deze uitspraak dan?
Het Hof haalt deze en andere uitspraken aan in het kader van de vaststelling dat het aannemelijk is dat de rechten van Zuid-Afrika in het geding zijn. Het gaat hier dan om het recht van Palestijnen om niet onderworpen te worden aan handelingen die zijn verboden in het Genocideverdrag en het recht van Zuid-Afrika om naleving door Israël van de verplichtingen onder het Genocideverdrag te eisen. Het Hof heeft hiermee niet vastgesteld dat deze uitspraak «wijst op het aansturen op genocide of andere vormen van collectieve bestraffing».
Zoals ik hierboven schreef, was president Herzog voor de opening van het Nationaal Holocaust Museum uitgenodigd om de Joodse Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog naar Israël gemigreerd zijn te vertegenwoordigen.
Bent u het ermee eens dat Nederland, als het centrum van internationale vrede en veiligheid, niet de president van een land moet ontvangen dat aannemelijk beschuldigd wordt van genocide? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat vermeende plegers van internationale misdrijven niet op vrije voeten moeten rondlopen in Nederland? Zo nee, waarom niet en wat heeft dit dan voor precedentwerking voor alle vergelijkbare toekomstige gevallen?
Uitgangspunt van het Nederlands beleid is dat Nederland geen vluchthaven mag zijn voor plegers van internationale misdrijven. Indien er indicaties zijn dat plegers van internationale misdrijven zich in Nederland ophouden en Nederland hierover rechtsmacht heeft, kan het openbaar ministerie besluiten dat het opportuun is om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Het is aan het openbaar ministerie om die afweging te maken. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met eventuele beperkingen vanwege immuniteiten. Daarnaast werkt Nederland als verdragspartij bij het Statuut van Rome en als gastland van het Internationaal Strafhof met het Hof samen. Daar loopt op dit moment een onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden, waarbij de aanklager, in lijn met zijn mandaat in het Statuut van Rome, alle vermeende misdrijven in een specifieke situatie in ogenschouw neemt ongeacht door welke partij die zouden zijn gepleegd.
Klopt het bovendien dat de Koning samen met president Herzog deel zal nemen aan deze samenkomst? Bent u niet bang dat dit de Koning onnodig onderwerp van kritiek maakt?
Zijne Majesteit de Koning heeft het Nationaal Holocaustmuseum geopend. De opening is mede bijgewoond door de president van Israël als vertegenwoordiger van het thuisland van Joodse Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog naar Israël zijn geëmigreerd, de Bondspresident van Oostenrijk en de voorzitter van de Duitse Bondsraad. Duitsland en Oostenrijk hebben aan de totstandkoming van het museum financieel bijgedragen. Hun aller aanwezigheid bij deze bijzondere gelegenheid was passend.
Bent u ervan bewust dat, zowel onder het Statuut van het Internationaal Strafhof als onder het Genocideverdrag, er geen beroep kan worden gedaan op functionele immuniteiten en dat dit tegenwoordig zeer breed wordt beschouwd als internationaal gewoonterecht?
Wij zijn bekend met de verplichtingen onder beide genoemde verdragen. Zoals ook aangegeven in de kabinetsreacties op het CAVV-advies over het misdrijf agressie3 en het CAVV-advies over de ILC-ontwerpartikelen over immuniteit van staatsfunctionarissen4, is het standpunt van het kabinet dat onder geldend internationaal recht functionele immuniteit niet zonder meer van toepassing is op internationale misdrijven. Dit betekent echter niet dat vervolging altijd mogelijk is.
Klopt het dat Nederland een monistisch stelsel heeft waar «het voor de geldigheid in de nationale rechtsorde niet van belang [is] of een regel een nationale dan wel een internationale oorsprong heeft,» en «[o]mzetting van de regel van internationale oorsprong in een nationale regel niet nodig is»?3
Dat klopt. Omzetting van normen van (geschreven en ongeschreven) internationaal recht is niet noodzakelijk voordat deze normen in de nationale rechtsorde kunnen worden toegepast, mits het gaat om bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties die een ieder verbinden en die in Nederland zijn bekendgemaakt. Ongeschreven internationaal gewoonterecht geldt eveneens binnen de Nederlandse rechtsorde, maar toetsing door de Nederlandse rechter mag er niet toe leiden dat wettelijke voorschriften buiten toepassing worden gelaten als ze in strijd zijn met het internationaal gewoonterecht.
Klopt het dan ook dat er daarom in principe geen belemmering hoeft te zijn op grond van bijvoorbeeld artikel 16 van de Wet internationale misdrijven om president Herzog te arresteren? Zo ja, welke implicaties heeft dit voor de juridische status van president Herzog die beticht wordt van opruiing tot genocide?
Het staatshoofd, de regeringsleider en de Minister van Buitenlandse Zaken genieten persoonlijke immuniteit onder internationaal gewoonterecht. Deze immuniteit strekt zich uit tot alle handelingen, met inbegrip van internationale misdrijven. Dit blijkt ook uit jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof.6 De geldigheid van deze persoonlijke immuniteit wordt in onze nationale rechtsorde benadrukt met artikel 8d van het Wetboek van Strafrecht. Deze persoonlijke immuniteit komt te vervallen op het moment dat de ambtstermijn van deze personen is beëindigd. Dit komt tot uiting in artikel 16 van de Wet internationale misdrijven. Het Nederlandse openbaar ministerie kan president Herzog, het staatshoofd van Israël, op dit moment dus niet op grond van de Wet internationale misdrijven vervolgen.
Bent u bereid president Herzog te weren en hem tot persona non grata te benoemen?
Daartoe zijn wij niet bereid.
Kunt u deze vragen vóór het weekend beantwoorden omdat de komst van president Herzog voor aanstaande zondag 10 maart 2024 gepland staat?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Vrouwen in de krijgsmacht |
|
Derk Boswijk (CDA), Gijs Tuinman (BBB), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Laurens Dassen (Volt), Jimme Nordkamp (PvdA), Sarah Dobbe , Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Wat ziet u als de grootstebottlenecks bij de verschillende krijgsmachtdelen ten aanzien van het doorgroeien van vrouwen naar leidinggevende posities?
Alle leidinggevende functies staan open voor zowel vrouwen als mannen. Tegelijkertijd zien we dat het aantal vrouwen in topfuncties nog onvoldoende en niet representatief is. Dit stijgt wel gestaag. Op 1 januari 2024 was 15% van het totaal aantal topfunctionarissen (militair vanaf brigadegeneraal, burger vanaf schaal 16) vrouw (meer dan verdubbeld, in 2020 was dit nog 7.6%). Die groei moeten we bestendigen en dat kost tijd. Dit hangt ook samen met het feit dat het totaal aantal vrouwen dat binnen de krijgsmacht werkzaam is, nog steeds beperkt is (op 1 januari 2024 was 12.4% van de militairen vrouw). Hoe meer vrouwen er bij Defensie werken, hoe groter de vijver waaruit de doorstroom gerealiseerd kan worden.
Deelname aan uitzendingen is niet voorwaardelijk om door te groeien in rang. De kennis en ervaringen die militairen opdoen tijdens een missie en voorbereiding op operationele inzet zijn van onschatbare waarde voor militairen. Dit geldt voor alle militairen, vrouwen en mannen. Een groot aantal functies vereist dan ook operationele kennis en ervaring. Die operationele ervaring kan opgedaan worden tijdens een uitzending of door geplaatst te worden bij een operationele eenheid. Dit gebeurt in samenspraak met de P&O-organisatie, om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen en behoeften van het personeel.
Voor operationele functies geldt vaker dat de druk om fulltime te werken hoger is, de optie voor deeltijdwerken staat dan onder druk. Dit wordt, met name door vrouwen maar ook steeds meer door mannen, als een uitdaging gezien in de combinatie met bijvoorbeeld ouderschap of zorgtaken. Hier wordt, indien mogelijk, rekening mee gehouden door vroegtijdig met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken over inzet op (varende) operationele functies of een uitzending.
In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024, zoals hieronder verder beschreven in antwoord op vraag 4, is daarom overeengekomen dat er een aanvullende variant van deeltijdverlof voor militairen wordt geïntroduceerd, waarbij voor een bepaalde (vooraf vastgestelde) periode wordt afgesproken dat de commandant geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om het deeltijdverlof op te schorten. Ik ben ervan overtuigd dat het verbeteren van de mogelijkheden voor militairen om in deeltijd te werken Defensie tot een aantrekkelijker werkgever maakt voor vrouwen én mannen. Ook draagt het bij aan een goede werk-privé balans en een meer diverse beeldvorming over wat het betekent om militair te zijn.
Klopt het dat voor bepaalde rangen in bepaalde krijgsmachtdelen het deelnemen aan uitzendingen voorwaardelijk is? Kunt u zich voorstellen dat vrouwen en mannen er hierdoor vaker voor kiezen de krijgsmacht te verlaten, omdat dit niet (meer) past bij hun levensfase? Wat wordt hier op dit moment aan gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Wat wordt op dit moment verder gedaan om doorstroming van vrouwen naar leidinggevende posities in de krijgsmacht te bevorderen?
Het is voor Defensie belangrijk om als uitgangspunt gelijke kansen te creëren, talentgerichte ontwikkeling te stimuleren en te faciliteren, op alle niveaus. Dat geldt niet alleen voor vrouwen maar voor alle (potentiële) medewerkers. Echter, het is duidelijk dat versterkte inzet nodig blijft om het aantal vrouwen bij Defensie, inclusief in leidinggevende posities, te vergroten. Dit doen Defensieonderdelen door het in beeld hebben en ontwikkelen van leidinggevend talent, het aanbieden van loopbaanbegeleiding en talent(ontwikkel)programma’s. Daarnaast zet Defensie in op het verbeteren van de zichtbaarheid naar buiten toe door D&I actief te integreren in arbeidsmarktcommunicatie met als doel een positieve trend te realiseren in de instroom van onder andere vrouwelijke medewerkers.
Alleen inzetten op instroom is niet voldoende, behoud van vrouwelijk personeel is minstens zo belangrijk. Daarom zetten Defensieonderdelen tijdens informatiebijeenkomsten specifiek in op het interesseren van vrouwen in leidinggevende functies op alle niveaus, bijvoorbeeld ook bij onderofficieren. Daarnaast worden bijvoorbeeld de Middelbare Defensievorming (MDV) en Hogere Defensievorming (HDV) inmiddels in modulaire vorm aangeboden. Dit biedt deelnemers meer flexibiliteit om de opleiding te volgen en dit aan te passen aan de persoonlijke situatie, of dit beter te kunnen combineren met ouderschap. Ook wordt ingezet op het schrijven van vacatureteksten die een bredere doelgroep aanspreken.
Op welke wijze wordt de mogelijkheid tot meer parttime werken door de krijgsmacht gefaciliteerd? Klopt het dat dit bij sommige krijgsmachtdelen of in sommige functies alleen kan als militairen zelf zorgen voor iemand die bereid is een functie gezamenlijk fulltime te vervullen? Zo ja: wat kan er vanuit Defensie worden gedaan om dit eenvoudiger te maken?
Voor militairen is in deeltijd werken wettelijk geregeld door het verlenen van deeltijdverlof. Militairen kunnen deeltijdverlof aanvragen in de vorm van onbetaald verlof. Dit hoeft niet in combinatie met een andere militair die deeltijd werkt. Bij deze vorm van parttime werken bestaat de mogelijkheid tot afwijzing en het opschorten van het verlof, bijvoorbeeld in overweging van operationele redenen. Ik ben me ervan bewust dat de onzekerheid die de huidige regeling met zich meebrengt de werk-privé balans negatief kan beïnvloeden. In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 is daarom overeengekomen dat er een aanvullende variant van deeltijdverlof voor militairen wordt geïntroduceerd, waarbij voor een bepaalde (vooraf vastgestelde) periode wordt afgesproken dat de commandant geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om het deeltijdverlof op te schorten. Hiermee heeft de militair gedurende een periode van maximaal zes jaar, die op te splitsen is in meerdere periodes van 1 jaar, dus zekerheid over het werken in deeltijd. Deze vorm van deeltijdverlof wordt gedurende de looptijd van het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 ingevoerd.
Medewerkers kunnen daarnaast ouderschapsverlof opnemen totdat het kind de leeftijd van acht jaar bereikt. Het opnemen van het ouderschapsverlof kan voor maximaal 26 keer de arbeidsduur per week. Hiervan krijgt de medewerker de eerste 13 weken salaris (75% van het inkomen) en de laatste 13 weken niet. Het ouderschapsverlof kan flexibel worden opgenomen voor bijvoorbeeld een aantal uren per week voor een bepaalde periode. Opnemen in meerdere periodes is ook mogelijk.
Op welke wijze wordt op dit moment kinderopvang voor kinderen van medewerkers van Defensie gefaciliteerd – op dagelijkse basis, maar ook waar het gaat om opvang gerelateerd aan de unieke uitdagingen van defensiepersoneel, zoals tijdens uitzendingen? Wat kan er op dit vlak meer worden gedaan?
Defensie faciliteert op dit moment geen kinderopvang. De omstandigheid dat militairen periodiek van functie wisselen, hetgeen regelmatig wijziging van de werklocatie betekent, maakt dat militairen kiezen voor een kinderopvang in de nabijheid van hun woonomgeving en sociale vangnet. Om die reden is Defensie in het verleden dan ook gestopt met het aanbieden van kinderopvanglocaties op de werkplek van de militair.
Bij uitzendingen worden vrouwelijke militairen niet ingezet tot het kind de leeftijd van één jaar heeft bereikt. Voor vrouwelijke en alleenstaande mannelijke militairen met kinderen, geldt dat zij op aanvraag niet hoeven worden ingezet tot het kind de leeftijd van vijf jaar bereikt. Ik ben me er van bewust dat hier een bepaalde mate van ongewenste ongelijkheid in zit en Defensie beschouwt welke mogelijkheden er zijn om dit gelijkwaardig te maken. Hierbij is het belangrijk mee te nemen dat de operationele inzetbaarheid van de eenheid gewaarborgd blijft.
Tot slot biedt Defensie ouders met jonge kinderen tot de leeftijd van vijf jaar en militairen met zorgtaken voor kinderen en/of de partnerkinderen gedurende de uitzending een financiële tegemoetkoming van maximaal € 150 netto per maand.
Wordt er binnen Defensie actief gekeken op welke wijze de balans tussen werk en privé kan worden verbeterd – met inachtneming van het unieke werk van Defensie? Op welke wijze worden hierover gesprekken met vrouwen en mannen in de krijgsmacht gevoerd, wordt maatwerk mogelijk gemaakt en hoe worden goede voorbeelden gedeeld en breder toegepast?
De leidinggevende draagt in samenspraak met de medewerker zorg voor een goede werk-privé balans tijdens uitoefening van de functie, bijvoorbeeld door afspraken te maken over hybride werken. Dit is een belangrijk bespreekpunt bij functioneringsgesprekken. Loopbaanbegeleiding bespreekt de balans tussen toekomstige functies en privé. Er wordt actief gezocht naar functies die voor beide partijen goed passen of naar mogelijkheden om bepaalde operationele functies op een ander moment te plannen. Ook wordt bij partners bij Defensie gekeken of operationele plaatsingen niet (of juist wel) tegelijk plaatsvinden, afhankelijk van de behoefte.
Daarnaast worden er binnen de organisatie meerdere mogelijkheden aangeboden om medewerkers te ondersteunen bij hun eigen inzetbaarheid, zoals workshops, trainingen en yoga en verscheidene gesprekspartners, waaronder leefstijl- en collega-coaching, bedrijfsmaatschappelijk werk en geestelijke verzorging. Ook de rol en verantwoordelijkheid van de leidinggevende in werk-privé balans van de medewerker wordt uitgelicht in verschillende leiderschapsopleidingen.
Als gevolg van de HR-Vernieuwing zullen de mogelijkheden om maatwerk te kunnen leveren verder toenemen, onder meer door de invoering van strategisch talentmanagement, strategische personeelsplanning en meer flexibiliteit in aanstellings- en contractvormen.
Bent u bereid de Kamer periodiek (bijvoorbeeld in de staat van Defensie) te informeren over de voortgang ten aanzien van de aanpassing van uniformen, materieel en uitrusting welke deze meer geschikt moet maken voor vrouwen in de krijgsmacht, zodat zij hun werk effectiever, veiliger (bij voorbeeld in relatie tot ballistiek en vesten) en met meer trots (pasvorm) kunnen vervullen?
We vinden het belangrijk om, meer dan we tot nu toe hebben gedaan, rekening te houden met verschillende behoeften op het gebied van materieel en uitrusting. We spannen ons er dan ook voor in hier om in de toekomst rekening mee te houden bij aanbestedingen. Een eerste stap hebben we hierbij gezet rondom het aanbestedingstraject voor het Defensie Operationeel Kleding Systeem (DOKS) (Kamerstuk 27 830, nr. 429, 28 maart 2024). Met dit project is een kledingsysteem ontwikkeld en verworven dat het gevechtstenue voor de Nederlandse krijgsmacht en het huidige boordtenue van de Nederlandse en Belgische marine vervangt. Defensie toetste DOKS niet alleen op kwalitatieve aspecten, maar ook op basis van waardering vanuit de gebruikers, waaronder vrouwelijke collega’s.
Binnen project DOKS staan bescherming, individuele veiligheid en draagcomfort centraal. Hiermee zorgt Defensie ervoor dat iedere militair de juiste en passende kleding krijgt. Er wordt rekening gehouden met lichaamsvormen, bewegingsbereik, mogelijkheden tot aanpassing, uiterlijke kenmerken en comfort. Om DOKS voor al het defensiepersoneel passend te maken, maakt het systeem daarom gebruik van voorvorming, diverse materiaalsoorten op specifieke plekken en wordt verstellen op verschillende plekken mogelijk. Daarmee wordt het nieuwe kledingsysteem geschikt voor alle militairen ongeacht geslacht, lengte of lichaamstype.
Daarnaast is binnen de innovatieomgeving van het Centrum voor Mens en Luchtvaart de zoektocht naar een scherfvest voor vrouwen gestart. De ontwikkelingen op dit gebied zijn op dit moment nog beperkt. We zijn wel blij dat we hiermee weer een stap zetten in de goede richting.
De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van het DOKS-project via de begroting van het Defensiematerieel-begrotingsfonds, het jaarverslag en het Defensie Projectenoverzicht. Over andere initiatieven word u via deze weg ook geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren over de maatregelen die u reeds genomen heeft ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen Defensie? Kunt u de Kamer informeren over de aantallen en aard van de klachten? Welke mogelijkheden ziet u om de situatie van vrouwen, met name die in lagere rangen, te verbeteren daar waar het gaat om (seksueel) grensoverschrijdend gedrag?
Het integriteitsbeleid van Defensie richt zich op het bevorderen van gewenst gedrag en het tegengaan van ongewenst gedrag – waaronder seksueel grensoverschrijdend gedrag – voor alle defensiemedewerkers, ongeacht rang of stand. Zo komt integriteit in opleidingen terug en beschikt Defensie over een groot netwerk van vertrouwenspersonen en andere ondersteuners die laagdrempelig benaderbaar zijn. Daarnaast voeren wij periodieke metingen uit naar verschillende onderdelen van het beleid, zoals het gebruik van de Gedragscode en de meldingsbereidheid. Op dit moment ontwikkelt Defensie een communicatiecampagne, gericht op aanspreken en met elkaar in gesprek gaan, om zo bewustwording bij medewerkers te vergroten. Hierbij wordt waar mogelijk en nuttig aangesloten bij Rijksbrede initiatieven.
Specifiek voor het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) een kennisgroep met specialisten. Deze draagt zorg voor kennisuitwisseling en het ontwikkelen van een betere aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zo geven de groepsleden trainingen voor onder meer de vertrouwenspersonen en verzorgen zij lezingen op symposia en landelijke bijeenkomsten binnen Defensie. Eind 2023 heeft de kennisgroep een leidraad voor leidinggevenden uitgebracht. Leidinggevenden kunnen deze gebruiken wanneer zij te maken krijgen met een signaal of melding over seksueel grensoverschrijdend gedrag in hun team.
Het aantal meldingen rondom seksuele intimidatie wordt centraal geregistreerd door de COID. De cijfers hierover worden opgenomen in het Jaarverslag Integriteit Defensie, dat elk jaar in mei op Verantwoordingsdag aan uw Kamer wordt verzonden. Het aantal meldingen van «seksuele intimidatie» in de afgelopen jaren is als volgt: 34 in 2021, 58 in 2022 en 43 in 2023. Voorzichtigheid is geboden bij het interpreteren van deze cijfers. In het Jaarverslag wordt uitgebreider ingegaan op de context van de aantallen.
Kunt u specifiek ingaan op de wijze waarop het ministerie omgaat met de bijzondere rol van vrouwen in de frontlinie en de impact die dat kan hebben op enerzijds militaire gevechtseenheden en anderzijds de dynamiek van vrouwen in de frontlinie op het conflict, de-escalatie en representatie van vrouwen in de lokale bevolking in een conflictgebied?
Defensie zet in missiegebieden vrouwen en mannen in diverse functies en rollen in en werkt met het Defensie Actieplan (DAP) 1325, waarvan de uitvoering wordt geleid door twee genderadviseurs. Het DAP 1325 draagt bij aan de implementatie van de Women, Peace and Security (WPS) agenda. Binnen Defensie werken we aan het versterken van het gender-perspectief bij het plannen, uitvoeren en evalueren van operaties en activiteiten. Er wordt zoveel mogelijk gestreefd naar optreden in gemengde teams. Gemengde teams zijn sterkere teams omdat het diversiteit in denkkracht met zich meebrengt. Onze militairen kunnen in gemengde teams beter in contact komen met mannen én vrouwen die deel uitmaken van de lokale bevolking. Dat versterkt onze informatiepositie en daarnaast is het de taak van onze militairen om te luisteren naar de lokale vrouwen, naar hun ervaringen, uitdagingen en veiligheidsbehoeftes zodat Defensie daar de operaties/activiteiten beter op kan afstemmen.
Vrouwelijke militairen worden vaak door de lokale bevolking gezien als makkelijker benaderbaar, zowel door mannen als vrouwen. Een ander positief effect is dat vrouwelijke militairen vaak worden gezien als rolmodel. Binnen de eigen eenheden brengen gemengde teams een andere, vaak minder masculiene dynamiek teweeg. Defensie streeft dus naar een grotere variatie van kwaliteiten en perspectieven. Daar ben ik blij mee omdat ik ervan overtuigd ben dat dit Defensie sterker maakt.
Herkent u het beeld uit Brits onderzoek, waarin wordt geschetst dat vrouwen zich over het algemeen minder herkennen in het beeld van «de veteraan», dat zij zich minder herkend en erkend voelen als veteraan en dat zij gemiddeld minder gebruik maken van dienstverlening (nazorg) gericht op veteranen? Bent u bereid in samenwerking met het veteraneninstituut onderzoek te doen naar de Nederlandse situatie en wat er gedaan kan worden om dit te verbeteren?
In Groot-Brittannië wordt een andere definitie gehanteerd als het gaat over veteranen, hetgeen het moeilijk maakt om de resultaten van het onderzoek direct te vertalen naar de situatie in Nederland. Ondanks het verschil in definitie worden wel overeenkomsten gezien met de uitkomsten van het Brits onderzoek. Onderzoek door het Nederlands Veteraneninstituut (NLVi) onder Nederlandse veteranen laat ook zien dat vrouwen zich minder veteraan lijken te voelen dan mannen. Het meerjarig onderzoek «Zorgbehoeften van vrouwelijke en mannelijke veteranen», uitgevoerd door de Nederlandse Defensieacademie en waarvan in het tweede kwartaal 2024 het onderzoeksrapport wordt gepresenteerd, besteedt ook aandacht aan de identificatie als veteraan van zowel mannen als vrouwen. Daarnaast wordt ingegaan op de zorgvragen van mannen en vrouwen en de verschillen die mogelijk bestaan. Dit onderzoek wordt toegelicht in de Veteranennota 2023/2024, die begin juni aan de Kamer wordt aangeboden. Indien nodig, zal Defensie opvolging geven aan de resultaten.
Maakt Defensie gebruik vanbest practices uit andere landen ten aanzien van de positie van vrouwen in de krijgsmacht? Zo ja, kunt u aangeven wat hiervan wordt geleerd en geïmplementeerd in de Nederlandse krijgsmacht?
Defensie werkt op verschillende terreinen aangaande diversiteit en inclusie samen met andere overheden, bedrijven en kennisinstituten om kennis te delen en innovatie toe te passen. Waar mogelijk en relevant gebeurt dit ook internationaal. Nederland draagt bijvoorbeeld sinds oktober 2015 structureel bij aan het werk van het Nordic Centre for Gender in Military Operations (NCGM), wat tevens fungeert als het NAVO expertise centrum voor dit onderwerp. Vanuit project DOKS is ook contact met Scandinavische landen (Nordic Combat Uniform), België (Belgium Defence Clothing System) en Duitsland. De koers die de Scandinavische landen hebben gekozen komt erg overeen met de koers van Nederland, namelijk een focus op een systeemgedachte en intensief testen met gebruikers. In 2023 hebben daarnaast twee buitenlandse delegaties van het Noorse en Japanse leger een werkbezoek gebracht aan de Centrale Organisatie Integriteit Defensie. Tijdens deze bezoeken werden ervaringen uitgewisseld over (beleid rondom) sociale veiligheid, opvolging van meldingen van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, hoe om te gaan met cultuurverandering en diversiteit en inclusie. Op 8 maart 2024, internationale vrouwendag, zijn tenslotte digitaal ervaringen uitgewisseld met vrouwelijke militairen in Oekraïne. Hierbij was aandacht voor het integreren van een genderperspectief in de operationele realiteit van Oekraïne en hoe om wordt gegaan met (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dergelijke uitwisselingen zijn waardevol, zowel voor de Nederlandse krijgsmacht als voor partners, en zullen daarom ook blijvend aandacht krijgen.
Het artikel ‘Kolonisten in Palestijns gebied krijgen hun helmen en drones van orthodox-christelijk Nederland’ |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Kolonisten in Palestijns gebied krijgen hun helmen en drones van orthodox-christelijk Nederland» van Trouw, d.d. 4 maart 2024?1
Ja.
Was u op de hoogte van de financiële donaties door Christenen voor Israël aan kolonisten in bezet Palestijns gebied, bestemd voor faciliteiten in en de beveiliging van illegale nederzettingen?
Nee. Het ministerie heeft geen contact gehad met Christenen voor Israël en is niet geïnformeerd over de in het artikel genoemde bestemming van deze financiële donaties.
Herinnert u zich uw gevestigde standpunt, ook uitgedragen in Europese Unie (EU)-verband, dat de nederzettingen strijdig zijn met het internationaal recht?
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke financiële donaties de nederzettingen bestendingen en daarmee het voortduren van ernstige schendingen van het internationaal recht faciliteren?
Nederland en de EU beschouwen Israëlische nederzettingen in bezet gebied als strijdig met internationaal recht en een obstakel voor het bereiken van een twee-statenoplossing. Nederland acht het dan ook onwenselijk dat individuen of organisaties hieraan bijdragen.
Klopt het dat Christenen voor Israël, dat deze financiële donaties in Nederland actief werft, een ANBI-status heeft? Zo ja, betekent dit dat dergelijke donaties met fiscale voordelen door Christenen voor Israël worden geworven?
Ja, in het ANBI-register op de website van de belastingdienst staat de stichting vermeld met de naam stichting Christenen voor Israël. Aan de ANBI-status zijn enkele fiscale voordelen verbonden. Omdat de belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan geen nadere informatie worden verstrekt over individuele instellingen.
Past het binnen de voorwaarden voor een ANBI-status om met belastingvoordelen gelden te werven die bijdragen aan (de instandhouding van) ernstige schendingen van het internationaal recht, die lijnrecht indruisen tegen het Nederlandse buitenlandbeleid?
Om als ANBI te kunnen worden aangemerkt moet een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beogen. Het begrip «algemeen nut» is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dit is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving maar kan soms ongemakkelijk voelen als sprake is van gedrag van ANBI’s dat conflicteert met gangbare maatschappelijke waarden en opvattingen. Dit is echter inherent aan het neutrale karakter van de ANBI-regelgeving. Het kabinet vindt het belangrijk dat burgers die zich voor maatschappelijke doelen willen inzetten, voldoende keuze hebben en ook kunnen bepalen welke activiteiten van ANBI’s zij wenselijk vinden. Tegelijkertijd vindt het kabinet het belangrijk om zich uit te spreken over wat het kabinet als wenselijk maatschappelijk gedrag ziet en dit uit te dragen. Daarom wordt langs verschillende lijnen gewerkt aan het bestrijden van ongewenst gedrag door maatschappelijke organisaties, zoals ANBI’s. De grens van de vrijheid van ANBI’s om hun doelen na te streven ligt bij overtreding van de wet of daar waar een instelling door de rechter verboden wordt. De wet biedt de mogelijkheid om in gevallen waar overduidelijk (strafrechtelijke) grenzen zijn overschreden de ANBI-status af te wijzen of in te trekken. Dit gebeurt op basis van de integriteitstoets. Als de Belastingdienst reden heeft om te twijfelen aan de integriteit van een instelling of een persoon die daarbij betrokken is, kan de Belastingdienst vragen om een VOG. Als de VOG niet wordt aangeleverd, krijgt de instelling de ANBI-status niet of wordt deze ingetrokken. Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of handelingen die simpelweg niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het «algemeen nut» zijn geen redenen om een instelling de ANBI-status te ontnemen.
Concreet betekent dit dat een donatie, die vervolgens wordt aangewend voor de financiering van goederen ter bescherming van levens, zoals (onderdelen voor) scherf- en kogelwerende vesten en beschermende helmen, in de context van de ANBI-regelgeving als algemeen nuttig kan worden beschouwd. Het moet daarbij gaan om goederen die uitsluitend dienen ter bescherming van levens en de goederen mogen dus niet worden gebruikt voor het plegen van geweld. De levering en/of financiering van goederen die (kunnen) worden gebruikt voor het plegen van geweld (zoals wapens en munitie) valt echter niet onder een van de huidige algemeen nut categorieën. Als de Belastingdienst constateert dat een ANBI niet meer voldoet aan de voorwaarden, kan dat aanleiding zijn voor het intrekken van de ANBI-status.
In geval van levering van militaire goederen als scherf- en kogelwerende vesten en helmen door middel van uitvoer vanuit Nederland geldt dat deze uitvoer vergunningplichtig is en conform de gebruikelijke procedure zorgvuldig wordt getoetst aan de Europese criteria voor wapenexportcontrole. Hiervan is in dit geval geen sprake.
Hoe verhoudt zich de fiscaal gesteunde fondsenwerving van Christenen voor Israël ten dienste van illegale nederzettingen tot het Nederlandse ontmoedigingsbeleid, ook in het licht van het feit dat het aan Christenen voor Israël gelieerde bedrijf Israël Producten Centrum producten uit nederzettingen verkoopt?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 6, betreft de ANBI-regelgeving nationaal fiscaal beleid. Het ontmoedigingsbeleid met onder andere het handelsinstrumentarium, is van toepassing op Nederlandse bedrijven waar het gaat om internationale activiteiten die zij ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns Gebied. Het kabinet acht dergelijke activiteiten onwenselijk.
Heeft u aanwijzingen dat kolonisten en/of «beveiligingsteams» van nederzettingen, die van fiscaal gesteunde financiële donaties door Christenen voor Israël profiteren, betrokken zijn bij kolonistengeweld? Zo ja, wilt u die aanwijzingen met de Kamer delen? Zo nee, wilt u dit risico nader onderzoeken en uw bevindingen aan de Kamer rapporteren, ook in het kader van de motie Dassen c.s. (Kamerstuk 36 410 V, nr. 75)?
Nee, dergelijke aanwijzingen zijn het kabinet niet bekend. Nederland acht het onwenselijk dat individuen of organisaties bijdragen aan nederzettingen, maar het is Nederlandse private partijen niet verboden om (ondersteunende) relaties aan te gaan met partijen uit Israëlische nederzettingen.
Motie Dassen (Kamerstuk 36 410 V, nr. 75) verzoekt de regering sancties op te leggen aan Israëlische kolonisten die zich schuldig maken aan misdaden op de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet heeft hieraan uitvoering gegeven door zich in de EU in te zetten voor sancties tegen personen en organisaties betrokken bij mensenrechtenschendingen tegen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Op 19 april jl. heeft de EU een sanctiepakket aangenomen tegen vier personen en twee entiteiten. In het kader van de motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2870) blijft het kabinet zich inzetten voor aanvullende maatregelen. In zijn algemeenheid geldt dat wanneer een persoon of entiteit op de sanctielijst is geplaatst er onder het Europese mensenrechtensanctieregime een tegoedenbevriezing, een verbod om de EU in te reizen en een verbod aan eenieder in de EU om tegoeden of economische middelen ter beschikking te stellen aan actoren op de lijst geldt. Dit laatste verbod omvat ook alle vormen van financiële steun of levering van goederen zoals beschermingsmiddelen.
Wilt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord, helaas is het niet gelukt om de vragen eerder te beantwoorden.
Het bericht ‘A historic step’: G20 discusses plans for global minimum tax on billionaires’ |
|
Folkert Idsinga (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «A historic step»: G20 discusses plans for global minimum tax on billionaires»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Hoe beoordeelt u het idee om voortbordurend op de wereldwijde minimumbelasting voor multinationals een vergelijkbare wereldwijde minimumbelasting voor miljardairs te verkennen?
Ik heb in eerdere correspondentie met uw Kamer aangegeven dat verkend wordt of er in internationaal en Europees verband afspraken gemaakt kunnen worden over de belastingheffing van zogenoemde «high net worth individuals» (HNWI’s).2 In de kabinetsappreciatie van het Global Tax Evasion Report 2024 is onder andere nader ingegaan op deze verkenning en het voorstel van de onderzoekers van het rapport voor een wereldwijde minimumbelasting voor miljardairs. In de kabinetsreactie is aangegeven dat Nederland meermaals richting de OESO heeft aangegeven dat de belastingheffing van HNWI’s voor Nederland een prioriteit is. Er lijkt momentum te zijn hiervoor. Er lijkt momenteel steun te zijn vanuit enkele andere landen om dit onderwerp in OESO-verband te bespreken. Momenteel is de OESO echter nog druk bezig met het afronden van de pijlers. Voor het behouden en verkrijgen van meer draagvlak is het verstandig, en tevens de inzet van Nederland, om in internationaal verband stapsgewijs de problematiek en mogelijke beleidsoplossingen te onderzoeken voordat stevig voor een bepaalde oplossingsrichting gepleit wordt. Daarmee geeft het kabinet opvolging aan de moties van de leden Van der Lee en Alkaya.
Is Nederland tot dusver betrokken geweest bij de genoemde bespreking of de totstandkoming van het Europese standpunt hierin? Zo ja, wat is de Nederlandse inbreng geweest?
Nederland is dit jaar niet direct betrokken bij G20-discussies over belastingen, omdat Nederland van G20-voorzitter Brazilië geen volledige uitnodiging heeft ontvangen voor deelname aan de G20. De EU-inzet voor de G20-bijeenkomst van Ministers van Financiën en Presidenten van Centrale Banken (FMCBG) die plaatsvond op 28–29 februari is zoals gebruikelijk afgestemd via de «EU Terms of Reference for the FMCBG». In die «EU Terms of Reference» is opgenomen dat de EU openstaat voor het overwegen van thema’s op het gebied van belastingen en ongelijkheid. Nederland heeft ingestemd met de «EU Terms of Reference».
Wat zijn de meest gebruikte methodes die door miljardairs gebruikt worden om het betalen van een eerlijk deel van hun inkomen aan belasting zoveel mogelijk te ontlopen? Zou een wereldwijde minimumbelasting hier een oplossing voor kunnen bieden?
Het voorstel van de Franse Minister van Financiën tijdens de G20 is gebaseerd op het voorstel voor een wereldwijde minimumbelasting voor miljardairs uit het Global Tax Evasion Report 2024 van het EU Tax Observatory. De onderzoekers beschrijven in het rapport hoe voor deze groep een lage belastingdruk kan ontstaan. In de kabinetsreactie op het rapport wordt uitgebreid ingegaan op hun analyse. Voor de beantwoording van deze vraag wordt daarom naar deze kabinetsreactie verwezen.
In hoeverre is belastingontwijking door miljardairs op dit moment in beeld? Hoeveel belastinginkomsten worden wereldwijd misgelopen als gevolg van belastingontwijking door deze groep?
Er is een onderscheid tussen belastingontwijking (tax evasion) en belastingontduiking (tax avoidance). Een vorm van belastingontduiking is vermogen te verhullen door deze te stallen in belastingparadijzen en deze niet op te geven voor de inkomstenbelasting (box 2 en box 3). In de literatuur zijn voor bepaalde landen wel enkele schattingen beschikbaar van de omvang van verhuld vermogen, bijvoorbeeld naar aanleiding van inkeerregelingen waarbij belastingplichtigen alsnog vrijwillig hun eerdere, onjuiste belastingaangiften kunnen verbeteren zonder dat zij een boete ontvangen.
Bij belastingontwijking maken belastingplichtigen op een niet-beoogde wijze gebruik van de mogelijkheden die belastingstelsels bieden. Het is lastig de totale omvang van belastingontwijking zowel binnenlands als wereldwijd te meten, aangezien hier geen eenduidige definitie voor valt te geven. Er moet eerst concreet worden gemaakt welke fiscale constructie of planning als belastingontwijking kan worden bestempeld om dan vervolgens te onderzoeken in welke mate dit voorkomt. Daarbij is er sprake van verschillende vormen van belastingontwijking. Om vervolgens schattingen te maken zijn internationale informatie-uitwisseling en transparantie onontbeerlijk.
Zijn er cijfers of schattingen over misgelopen inkomsten in Nederland als gevolg van deze vorm van belastingontwijking? Wat zou de opbrengst van een dergelijke minimumbelasting voor miljardairs in Nederland kunnen zijn?
Deelt u de opvatting dat het aanpakken van belastingontwijking het meest effectief kan plaatsvinden in samenwerking met andere (Europese of OESO) landen en dat dit initiatief daarom gestimuleerd moet worden?
Het aanpakken van internationale belastingontwijking door HNWI’s is uiteraard alleen effectief als dat in internationaal samenwerkingsverband gebeurd, net zoals de aanpak van internationale belastingontwijking door multinationals. Dit sluit echter de aanpak van binnenlandse onevenwichtigheden in het belasten van (inkomen uit) vermogen niet uit. De oorsprong van belastingontwijking door HNWI’s zit hem in het gegeven dat in veel landen de effectieve belastingdruk op (inkomen uit) vermogen veel lager ligt dan die op inkomen uit arbeid. Dit komt met name ondernemers (directeur-grootaandeelhouders en IB-ondernemers) en aanmerkelijk belanghouders in het algemeen ten goede. In veel landen zie je dan ook dat de top 1% rijkste huishoudens met name ondernemers en aanmerkelijk belanghouders kent. Naar aanleiding van het IBO Vermogensverdeling heeft dit (demissionaire) kabinet flinke stappen gezet in het evenwichtiger belasten van inkomen uit arbeid en vermogen.
Bent u bereid om aan te sluiten bij dit initiatief om de mogelijkheden voor een wereldwijde minimumbelasting voor miljardairs te verkennen en om hierin samen met gelijkgestemde landen in EU-, OESO- en G20-verband voor te pleiten?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de tweede vraag, heeft Nederland meermaals richting de OESO aangegeven dat de belastingheffing van HNWI’s voor Nederland een prioriteit is. Er lijkt momentum te zijn hiervoor. Er lijkt momenteel steun te zijn vanuit enkele andere landen om dit onderwerp in OESO-verband te bespreken. Momenteel is de OESO echter nog druk bezig met het afronden van de pijlers. Voor het behouden en verkrijgen van meer draagvlak is het verstandig, en tevens de inzet van Nederland, om in internationaal verband stapsgewijs de problematiek en mogelijke beleidsoplossingen te onderzoeken voordat stevig voor een bepaalde oplossingsrichting gepleit wordt. Daarmee geeft het kabinet opvolging aan de moties van de leden Van der Lee en Alkaya.
Welke nationale mogelijkheden zijn er om, vooruitlopend op de totstandkoming van een dergelijke minimumbelasting, de handhaving in eigen land te verbeteren om belastingontwijking door miljardairs tegen te gaan?
Ik wil bij de beantwoording van deze vraag net als bij de beantwoording van vraag 5 graag een onderscheid maken tussen belastingontwijking en belastingontduiking. De term «handhaving» lijkt namelijk op belastingontduiking te duiden, waarbij belastingplichtigen in strijd met de wet de wet handelen. Ik veronderstel dat op belastingontwijking gedoeld wordt, waarbij belastingplichtigen op een niet-beoogde wijze gebruik maken van de mogelijkheden die de fiscaliteit kan bieden.
Het kabinet heeft in de afgelopen jaren veel maatregelen genomen om belastingontwijking door bedrijven (waarvan de bedoelde miljardairs aandeelhouder kunnen zijn en in zoverre qua doelgroep overlappen) tegen te gaan en om het evenwicht in het belasten van inkomen uit arbeid en vermogen te verbeteren. De kabinetsappreciatie van het Global Tax Evasion Report 2024 bevat een uitgebreid overzicht van de maatregelen die zijn getroffen.
Het kabinet blijft ook nationale stappen zetten tegen belastingontwijking. Het kabinet wil bijvoorbeeld het opknippen van activiteiten over verschillende vennootschappen aanpakken door de drempel van de earningsstrippingmaatregel specifiek voor vastgoedlichamen met (aan derden) verhuurd vastgoed buiten toepassing te laten en onderzoekt nog verschillende concrete maatregelen voor de aanpak van opmerkelijke belastingconstructies die in de inventarisatie van belastingconstructies naar voren zijn gekomen. Ik verwijs naar de Kamerbrief van 19 september 2023 voor het volledige overzicht van geïnventariseerde constructies.3
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk twee weken voor het commissiedebat internationale fiscaliteit op 18 april 2024 beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en voorafgaand aan het commissiedebat internationale fiscaliteit beantwoord. Het was vanwege het vervroegen van het commissiedebat niet mogelijk om volledig tegemoet te komen aan de gevraagde termijn van twee weken.
Het artikel 'Palestinians ‘beaten and sexually assaulted’ at Israeli detention centres, UN report claims' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Palestinians «beaten and sexually assaulted» at Israeli detention centres, UN report claims»?1
Ja.
Was u op de hoogte van de verdenkingen die in het artikel worden gemeld?
Ik ben bekend met deze zorgelijke aantijgingen. In een recent rapport van de VN Speciaal Vertegenwoordiger voor Seksueel Geweld in Conflict (gepubliceerd op 4 maart jl.) wordt onder andere geschreven over verdenkingen van seksueel geweld in de vorm van o.a. invasieve fouilleringen, ongewenste aanrakingen en mishandeling in de intieme gebieden, bedreigingen met verkrachting van vrouwen en ongepaste en langdurige gedwongen naaktheid onder Palestijnse gedetineerden.2
Hoe staat dit rapport in verhouding tot eerdere meldingen van mishandelingen van Palestijnen in Israëlische gevangenissen en de kabinetsreacties daarop, zoals bijvoorbeeld beschreven door uw voorganger Minister Blok?2
Het VN-rapport waarover in het artikel van de Guardian wordt gesproken, is niet openbaar. Het is daarmee niet mogelijk om een vergelijking te maken.
Gaat u het betreffende rapport bij United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) opvragen?
Ik heb vernomen dat de Secretaris-Generaal van de VN of het Office of the High Commissioner for Human Rights het rapport openbaar zal maken. Ik zal daarop wachten.
Vindt u de verdenkingen van mishandelingen, waaronder fysieke mishandeling, aanvallen door honden, urineringen, betastingen en water-, voedsel- en slaaptekorten, zorgwekkend?
Ja.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de verdenkingen dan wel onafhankelijk onderzoek naar de verdenkingen te steunen?
Nederland steunt al jaren de NGO Hamoked die o.a. onderzoek doet naar schendingen van rechten van gevangenen in Israëlische detentie en hen juridische steun verleent. Deze organisatie doet ook specifiek onderzoek naar dit soort schendingen die hebben plaatsgevonden sinds 7 oktober jl. Daarnaast onderhoudt Nederland intensief en goed contact met verschillende andere NGO’s en organisaties die momenteel soortgelijke onderzoeken uitvoeren. Het kabinet zal, wanneer daartoe concrete initiatieven worden voorgesteld, overwegen om VN-onderzoeken naar de verdenkingen van mensenrechtenschendingen in Israëlische gevangenissen te steunen. Het kabinet acht voldoende toegang tot detentiecentra door organisaties als ICRC in dezen van belang en zal dit bepleiten bij de Israëlische autoriteiten.
Spreekt u uw Israëlische collega er op aan om mee te werken aan onafhankelijk onderzoek naar de verdenkingen?
Het belang van de naleving van mensenrechten en het meewerken aan onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen wordt bilateraal en multilateraal op diverse niveaus aan de orde gebracht. Zie daarnaast antwoord vraag 6.
Spreekt u uw Israëlische collega er op aan om de rechten van Palestijnse gevangen te allen tijde te waarborgen?
Het kabinet hecht aan de strikte naleving van de internationaalrechtelijke bepalingen over detentie. Deze boodschap wordt in de contacten met Israël op verschillende niveaus uitgedragen.
Een tweet waarin beweerd wordt dat “Ambassadeurs van EU-landen in Rusland een ontmoeting met de Russische minister van Buitenlandse Zaken hebben geweigerd” |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de op maandag 4 maart 2024 door oud-president Medvedev verstuurde tweet1 waarin hij beweert dat «Ambassadeurs van EU-landen in Rusland een ontmoeting met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken hebben geweigerd»?
Ja.
Is deze bewering van Medvedev correct?
De EU-ambassadeurs waren uitgenodigd voor een gesprek met Minister Lavrov. Zij zijn niet op deze uitnodiging ingegaan.
Heeft (ook) de Nederlandse ambassadeur in Rusland (onlangs) een ontmoeting met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd? Indien dit het geval is, waarom heeft de Nederlandse ambassadeur geweigerd om te spreken met de Russische Minister?
De EU-ambassadeurs, inclusief de Nederlandse ambassadeur, waren uitgenodigd voor een gezamenlijke ontmoeting met Minister Lavrov. Deze uitnodiging om te spreken over de relatie tussen de Europese Unie en de Russische Federatie kwam na anderhalf jaar van stilte, zonder een concrete agenda en vlak voor de presidentsverkiezingen. Minister Lavrov had vlak daarvoor in een interview laten weten dat herstel van banden met de EU «out of question» was. Het was de lidstaten duidelijk dat de uitnodiging geen serieus aanbod voor een gedachtewisseling behelsde en waarschijnlijk slechts voor Russische propagandadoeleinden zou worden gebruikt. Daarnaast, na ontvangst van de uitnodiging, overleed Aleksej Navalny en een constructieve reactie op oproepen van de EU-lidstaten (o.a. om een onafhankelijk onderzoek en om zijn lichaam vrij te geven aan zijn nabestaanden) bleef uit. Gezamenlijk is besloten om als EU-ambassadeurs niet op de uitnodiging in te gaan.
Is het eerder voorgekomen dat een Nederlandse ambassadeur weigerde in te gaan op een uitnodiging voor een gesprek met de Minister van Buitenlandse Zaken van het land waar de ambassadeur Nederland vertegenwoordigt? Is dit gebruikelijk in het diplomatiek verkeer?
De EU-ambassadeurs hebben gezamenlijk het ongebruikelijke besluit genomen niet op de uitnodiging in te gaan. Zij doen dit onder omstandigheden die uitzonderlijk zijn.
Bent u van mening dat een Nederlandse ambassadeur, vanuit zijn rol, in contact hoort te blijven met de regering van het land waar hij geacht wordt Nederland te vertegenwoordigen en dat het open blijven staan voor dialoog en gesprek van het grootst mogelijke belang is, juist, vooral en met name als de spanning tussen Nederland en het land waar de ambassadeur ons vertegenwoordigt is opgelopen en de relatie onder druk staat? Indien u dit (diplomatieke) uitgangspunt niet onderschrijft, waarom niet?
Het kabinet acht het van belang om het diplomatieke kanaal met Rusland open te houden en onderhoudt hiertoe noodzakelijke contacten.
Heeft de Nederlandse ambassadeur in Rusland het afgelopen jaar (ook maar) iets gedaan om Rusland en Oekraïne rond de onderhandelingstafel te krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft de Nederlandse ambassadeur in Rusland in dit kader ondernomen?
Het is in de eerste plaats niet aan Nederland, maar aan Oekraïne om te bepalen hoe, wanneer en over welke onderwerpen ten aanzien van de agressie-oorlog onderhandelingen plaatsvinden. Het is immers Oekraïne waartegen de agressie van Rusland zich richt. Nederland is geen strijdende partij bij deze oorlog.
Oekraïne heeft aangegeven besprekingen over een rechtvaardige duurzame vrede middels de internationale besprekingen over de Vredesformule van president Zelensky te willen doen. Dit gebeurt vooralsnog zonder deelname van Rusland, omdat de Russische autoriteiten immers in woord en daad aangeven hun agressie niet te stoppen.
Nederland heeft positief gereageerd op het Oekraïense verzoek proactief deel te nemen aan deze besprekingen en deze te ondersteunen. Deze ondersteuning geldt met name punt 7 van de Vredesformule over rechtsherstel. Het kabinet bevordert in zijn contacten met derde staten brede deelname aan deze besprekingen en maakt daarbij gebruik van ambassades en andere vertegenwoordigingen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De Turkse drone-aanslagen op christelijke leden van Noord-Syrische militie en berichten over Turkse betrokkenheid bij misdrijven in door Turkije bezette gebieden |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van de Turkse drone-aanval in Noord-Syrië op voertuigen met daarin leden van Noord-Syrische veiligheidstroepen afkomstig uit de christelijke minderheid?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de reden van deze aanval door Turkije?
Turkije beroept zich op het recht van zelfverdediging en stelt dat de operaties gericht zijn op het tegengaan van aanvallen van PKK en YPG op Turks grondgebied.
Op welke manier vormen deze militieleden een bedreiging voor Turkije? Wat zegt Turkije hier zelf over?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan opheldering te vragen bij de Turkse autoriteiten over de voortdurende aanvallen op Noord-Syrië?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op de schriftelijke vragen van NSC dd. 4 januari erkent het kabinet de veiligheidszorgen van Turkije in de grensregio met Syrië en Irak en bespreekt deze operaties bilateraal met de Turkse autoriteiten. In deze gesprekken stelt het kabinet voorop dat Turkije moet handelen conform het internationaal recht, zodoende met de aantoonbare inachtneming van de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit, als ook het vermijden van burgerslachtoffers en verdere regionale instabiliteit. Dit zal het kabinet blijven doen.
Zijn deze aanvallen door Turkije in Noord-Syrië ooit onderwerp van gesprek binnen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit aan de orde te stellen?
De situatie in Noord-Syrië en Irak en de gevolgen daarvan zijn regelmatig onderwerp van gesprek binnen andere internationale fora, waaronder de EU en de anti-ISIS coalitie. Het kabinet ziet geen aanleiding om deze operaties ook in NAVO-verband aan de orde te stellen. Het kabinet is van mening dat een betekenisvolle dialoog over verschillen van inzicht meer gediend is door een gesprek binnenskamers dan door uitspraken in een plenaire vergadering. Zorgen over de mogelijke gevolgen van de militaire operaties worden langs de lijnen van het antwoord op vraag 4 in deze fora besproken.
Bent u van mening dat de Turkse acties de veiligheid in Noord-Syrië en Turkije verbeteren? Bent u het eens dat Turkije ertoe opgeroepen zou moeten worden aanvallen in Noord-Syrië te staken en/of bewijs te leveren dat de aangevallen doelen kwaad in de zin hadden tegen Turkije? Zo nee, waarom niet?
De situatie in Noord-Syrië blijft volatiel en complex. Diverse actoren en factoren, waaronder de Turkse activiteiten, komen in deze regio samen en kunnen invloed hebben op de veiligheidssituatie. Zoals gesteld in antwoorden 3 en 4 beroept Turkije zich op het recht op zelfverdediging. Het kabinet roept op tot proportionaliteit en noodzakelijkheid, alsook het vermijden van burgerslachtoffers en bewaken van regionale stabiliteit en blijft dit uitdragen in de contacten met Turkije.
Is bekend hoeveel inwoners van het gebied als gevolg van de Turkse aanvallen op de vlucht geslagen zijn? Weet u waar deze mensen naartoe gaan?
Nee, het valt niet vast te stellen wat de exacte impact van de Turkse militaire operaties in Noord-Irak en Syrië is op ontheemding van inwoners.
Acht u de bevindingen van het Human Rights Watch rapport betrouwbaar, dat stelt dat er wetteloosheid heerst in de door Turkije bezette gebieden in Noord-Syrië? Kunt u toelichten waarom wel of niet?2
De bevindingen van het Human Rights Watch rapport zijn zorgelijk. Het rapport spreekt over uiteenlopende mensenrechtenschendingen door verschillende actoren in Noord-Syrië. Zoals gesteld in antwoord op vraag 6 dragen diverse actoren (waaronder Turkije) en factoren bij aan de aanhoudende complexiteit en volatiliteit in Noord-Syrië. Het kabinet volgt het aanhoudende geweldsconflict in Noord-Syrië en de weerslag daarvan op de burgerbevolking nauwlettend. De situatie in Noord-Syrië is regelmatig onderwerp van gesprek in bilaterale gesprekken en in verschillende internationale fora, waaronder de EU en de anti-ISIS coalitie.
Hoeveel vluchtelingen uit deze gebieden komen in Europa dan wel Nederland terecht?
Het is niet duidelijk wat de impact van het aanhoudende conflict in Noord-Syrië is op de omvang van de vluchtelingenstroom naar Europa en/of Nederland. De asielinstroom van personen met de Syrische nationaliteit in de afgelopen jaren is vanwege de complexe situatie niet direct te relateren aan specifieke geweldsincidenten in Noord-Syrië.
Indien u deze berichten betrouwbaar acht, bent u van plan Turkije hier op aan te spreken? Bent u bereid dit ook in Europees verband te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Het artikel 'Gemeenten bereiden zich voor op ‘paspoortpiek’, vacatures staan open en noodplannen liggen klaar' |
|
Jan Paternotte (D66), Joost Sneller (D66), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat er binnenkort een piek in het aantal aanvragen voor vervanging van paspoorten wordt verwacht en zo ja, hoe ziet deze prognose er uit?1
Ja. In de jaren 2024 tot en met 2028 zal de vraag naar paspoorten en identiteitskaarten twee à drie maal hoger zijn dan de afgelopen vijf jaar. Deze conjunctuur van hoge vraag en lage vraag is ontstaan toen in 2014 de paspoorten en identiteitskaarten 10 jaar geldig werden in plaats van vijf jaar. Daardoor is de vraag in de afgelopen vijf jaar lager geweest en komt de vraag nu weer op het oude niveau. Na 2028 zal de vraag weer minder worden.
Welke gevolgen heeft dit voor de afhandeling van aanvragen voor het vervangen van paspoorten vanuit het buitenland?
Dit jaar verwachten we een verdrievoudiging van het aantal aanvragen in het buitenland. Om de paspoortpiek zo goed mogelijk op te vangen zijn de balietijden op ambassades, consulaten en bij de externe dienstverlener (VFS)2 verruimd. Ook is er voor de verwerking en beslissing op de aanvragen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken meer capaciteit gecreëerd. Sinds de zomer van 2023 is er een voorlichtingscampagne voor Nederlanders in het buitenland over het tijdig verlengen van reisdocumenten. Ook is er een bericht gestuurd via de BZ-informatieservice naar Nederlanders in het buitenland die zich voor deze berichtenservice hebben geregistreerd. Tot slot zijn in de tweede helft van 2023 extra reizen met de zogenaamde MVA (mobiel vingerafdrukopnameapparaat) uitgevoerd om op locaties wereldwijd waar veel Nederlanders woonachtig zijn, paspoortaanvragen in te nemen.
De wachttijden voor een afspraak zijn als gevolg van de paspoortpiek hoger dan vorig jaar deze tijd. Het kan voorkomen dat aanvragers enkele weken moeten wachten op een afspraakmogelijkheid in het buitenland. Bij veel ambassades en consulaten wereldwijd kunnen aanvragers binnen een termijn van 4 weken een afspraak krijgen. Verwacht wordt dat deze termijn van 4 weken op veel plekken wereldwijd niet of nauwelijks overschreden zal worden. Het kan betekenen dat aanvragers moeten uitwijken naar een andere aanvraaglocatie in een land waar meerdere posten met een consulaire balie zijn, of naar een aanvraaglocatie van de externe dienstverlener (VFS) waar BZ mee samenwerkt. Nederlanders in het buitenland kunnen ook een paspoort aanvragen of vernieuwen bij een van de 12 daarvoor aangewezen gemeenten (grensgemeenten) wanneer zij naar Nederland reizen. Hier zijn ook wachttijden.
In noodgevallen kunnen Nederlanders in het buitenland zich melden bij de ambassades en consulaten voor een nooddocument (dat is een tijdelijk reisdocument).
Welke gevolgen kan dit hebben voor mensen die vanuit het buitenland willen stemmen tijdens de Europese Parlementsverkiezingen?
Om te kunnen stemmen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement dienen Nederlandse kiezers in het buitenland een kopie van hun identiteitsdocument bij de briefstem te voegen. Conform de Kieswet dient het identiteitsdocument geldig te zijn op 23 april 2024. De briefstemmen moeten uiterlijk op 6 juni 2024 ontvangen zijn door het briefstembureau in Den Haag. Als kiezers geen geldig identiteitsdocument hebben, dan hebben zij tot 31 mei om een (nieuw) document te tonen. Op dit moment heb ik geen aanleiding om aan te nemen dat het om een significante groep kiezers zal gaan die niet tijdig een vernieuwd identiteitsdocument kunnen verkrijgen.
Op welke wijze wordt er rekening mee gehouden dat veel mensen in het buitenland rond dezelfde tijd hun paspoorten zullen moeten vernieuwen? Is er voldoende capaciteit om tijdig aan deze «piek» te voldoen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze worden mensen in het buitenland tijdig geïnformeerd dat zij hun paspoort moeten laten vernieuwen, in het bijzonder in relatie tot de benodigde registratie voor stemmen in het buitenland?
Vanwege de paspoortpiek roepen we Nederlanders in het buitenland al maanden op hun reisdocument tijdig te vernieuwen. Sinds augustus 2023 loopt er een social mediacampagne om Nederlanders erop te attenderen op tijd een afspraak te maken voor het vernieuwen van hun paspoort. Ook is er een bericht gestuurd via de BZ-informatieservice naar Nederlanders in het buitenland die zich voor deze berichtenservice hebben geregistreerd. In maart is er een nieuwe social mediacampagne van start gegaan.
Kiesgerechtigden die geregistreerd staan als kiezer bij de gemeente Den Haag hebben in de tweede week van februari een aankondiging voor de Europese Parlementsverkiezingen ontvangen van de gemeente Den Haag. Hierin staat ook vermeld dat kiezers de geldigheid van hun identiteitsdocument tijdig dienen te controleren.
Als hier nog geen actie op ondernemen is, bent u dan bereid om dit alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Is de verwachting dat de paspoortpiek periodiek zal terugkomen en zo ja, welke acties worden er ondernomen om de effecten hiervan op te vangen?
Er is een conjunctuur van vijf jaar met een hoge vraag en vijf jaar met een lage vraag. Naar verwachting zal deze conjunctuur vanaf nu nog 20 jaar duren maar wel afvlakken na verloop van tijd door demografische effecten (geboorte, sterfte, naturalisatie) en doordat mensen soms eerder een nieuw reisdocument nodig hebben (bijvoorbeeld na verlies). De effecten worden opgevangen door uitgevende instanties voor te lichten zodat ze tijdig zorgen dat ze zijn voorbereid op de periodiek hogere vraag. Ook wordt gezorgd dat er voldoende voorraden en productiecapaciteit zijn voor een tijdige levering.
Klopt het dat Frankrijk inmiddels gestart is met een experiment voor Fransen woonachtig in Canada en Portugal waarbij ze hun paspoort digitaal kunnen verlengen?
Op deze website3 van de Franse overheid is te lezen dat met ingang van 1 maart 2024 een experiment plaatsvindt in Canada en Portugal. Het betreft een experiment waarbij een Frans paspoort voor een specifieke doelgroep op afstand kan worden verlengd zonder dat naar een ambassade of consulaat gereisd hoeft te worden. We beschikken op dit moment niet over meer informatie rondom dit experiment, maar doen daarover navraag bij Frankrijk.
Is een dergelijk experiment ook een optie in Nederland om enerzijds de gemeenten te ontlasten, anderzijds digitale dienstverlening voor Nederlanders in het buitenland te vergemakkelijken, conform de eerder aangenomen motie van de leden Brekelmans en Sjoerdsma over nieuwe mogelijkheden voor digitalisering van producten en diensten voor Nederlanders in het buitenland (Kamerstuk 35 925 V, nr. 54)?
Meer gemak voor de burger en betrouwbaarheid en uitvoerbaarheid van het proces rondom het aanvragen van een reisdocument moeten hand in hand gaan; veiligheid is daarbij randvoorwaardelijk.
De huidige stand van de techniek, met name op het gebied van biometrie-afname, is op dit moment nog onvoldoende veilig en van onvoldoende kwalitatief niveau om van fysieke verschijning af te kunnen stappen. In 2023 heeft onderzoek hiernaar plaats gevonden en is de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd4. Hoe het Franse experiment veilig de biometrische gegevens verzamelt en een betrouwbare identiteitscontrole garandeert is ons nu niet bekend, maar we doen daarover navraag bij Frankrijk.
Een herhaalaanvraag van een reisdocument lijkt een eenvoudiger proces, omdat de initiële identiteitsvaststelling al bij de eerste aanvraag plaats heeft gevonden. Desalniettemin blijft het essentieel om op betrouwbare wijze de biometrische gegevens voor het nieuwe paspoort af te nemen. Dat kan op dit moment niet digitaal op afstand.
Technologie blijft zich doorontwikkelen. BZK en BZ blijven alert op mogelijke nieuwe methoden die wel betrouwbaar genoeg zijn en die ook de vereiste kwaliteit kunnen garanderen bij afname van biometrische gegevens op afstand.