Het bericht ‘Honderden lichamen ontdekt in massagraven in Gaza, maar onderzoek bijna onmogelijk’ |
|
Sarah Dobbe |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Honderden lichamen ontdekt in massagraven in Gaza, maar onderzoek bijna onmogelijk»? (NOS, 24 april 2024)
Ja.
Bent u het eens dat deze berichten grondig en onafhankelijk moeten worden onderzocht? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit zijn zeer zorgwekkende berichten en het is van groot belang om de precieze omstandigheden vast te stellen waaronder deze mensen om het leven zijn gekomen en werden begraven of herbegraven. Het kabinet steunt daarom de oproepen van onder meer de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN1, de Secretaris-Generaal van de VN2 en leden van de Veiligheidsraad3 tot grondig en onafhankelijk onderzoek.
Wat gaat u doen om een grondig en onafhankelijk onderzoek naar deze berichten te faciliteren en te bevorderen?
Het kabinet onderschrijft het belang van onafhankelijk onderzoek en documentatie. Hiertoe heeft het kabinet al opgeroepen, ook bij de Israëlische autoriteiten. Nederland heeft een extra vrijwillige bijdrage van 3 miljoen euro overgemaakt aan het Internationaal Strafhof om de algemene onderzoekscapaciteiten van het Hof te versterken. Ook heeft Nederland USD 1 miljoen extra ter beschikking gesteld aan OHCHR, ten behoeve van het landenkantoor in de Palestijnse Gebieden, opdat dat kan bijdragen aan het verzamelen van informatie over schendingen.
Bevestigt u de volgende berichtgeving uit het artikel: «Het is in Gaza vrijwel onmogelijk om forensisch onderzoek te doen; Israël houdt de grenzen gesloten en weigert onderzoekteams toe te laten.»?
Het onderzoeken van massagraven is doorgaans een zeer complex, langdurig en kostbaar proces, waarvoor aanzienlijke expertise en middelen, zoals DNA-testen, nodig zijn. Onder de huidige omstandigheden vormen de afwezigheid van onafhankelijke forensische experts en het gebrek aan de noodzakelijke middelen enorme obstakels voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken. Voor zover het kabinet bekend, heeft Israël nog geen onderzoeksteams toegelaten.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel zou zijn als Israël een onafhankelijk onderzoek hiernaar zou frustreren?
Bij de ontdekking van massagraven in conflictgebieden is het van groot belang dat dat bewijsmateriaal behouden blijft en dat er zo spoedig mogelijk onafhankelijk onderzoek wordt verricht. In dit geval spelen de Israëlische autoriteiten daarbij een essentiële rol.
Welke consequenties verbindt u er aan als blijkt dat het klopt dat Israël onafhankelijk onderzoek naar deze berichten onmogelijk maakt?
Op dit moment is onze inzet gericht op het bewerkstelligen van een onafhankelijk onderzoek. Nederland roept alle partijen op tot volledige medewerking aan dit onderzoek.
Bent u het ermee eens dat straffeloosheid niet mag bestaan, en dat Nederland een rol en verantwoorlijkheid heeft om straffeloosheid te bestrijden, en te zorgen dat daders berecht worden en dat internationaal recht wordt beschermd?
Ja.
Worden bewijzen van mogelijke oorlogsmisdaden in de oorlog in Gaza, gepleegd door Israël of Hamas, voldoende bewaard en veilig gehouden zodat onafhankelijk onderzoek mogelijk is? Kunt u dat toelichten?
Ten behoeve van het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek wordt door tal van nationale, internationale en niet-statelijke actoren verschillende soorten bewijsmateriaal verzameld, zoals forensisch en digitaal bewijsmateriaal, satellietbeelden, video’s en getuigenverklaringen. Voor het verzamelen van bepaalde soorten bewijsmateriaal hoeven onderzoekers geen toegang te hebben tot de plaatsen waar de misdrijven zijn gepleegd.
Het is in eerste instantie aan de partijen zelf om onderzoek te verrichten naar vermeende oorlogsmisdrijven. Daarnaast wordt momenteel onafhankelijk onderzoek verricht naar alle partijen door het Internationaal Strafhof, dat daarbij ook bewijsmateriaal ontvangt van externe partijen, zoals ngo’s. De onderzoeken van het Internationaal Strafhof zijn vertrouwelijk. Het kabinet kan geen oordeel vellen over de precieze aard en omvang van het tot op heden door de Aanklager van het Strafhof vergaarde bewijsmateriaal.
Wat doet u momenteel om onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden in Gaza door Israël of Hamas te faciliteren?
Zoals reeds bij de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, heeft Nederland een extra vrijwillige bijdrage van 3 miljoen euro overgemaakt aan het Internationaal Strafhof om de algemene onderzoekscapaciteiten van het Hof te versterken. Ook heeft Nederland USD 1 miljoen extra ter beschikking gesteld aan OHCHR, ten behoeve van het landenkantoor in de Palestijnse Gebieden, opdat dat kan bijdragen aan het verzamelen van informatie over schendingen.
Hoe draagt Nederland bij aan de berechting van daders van oorlogsmisdaden tijdens de oorlog in Gaza?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om deze vragen een voor een te beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid, gezien de urgentie als het gaat om behouden en beschermen van bewijzen van oorlogsmisdaden, deze vragen binnen de termijn, en zo snel als mogelijk te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Deelname aan de Europese verkiezingen door EU-burgers uit een andere lidstaat die in Nederland wonen |
|
Glimina Chakor (GL) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «EU nationals: you have just seven days left to register to vote»?1
Ja.
Deelt u de mening dat EU-burgers uit een andere lidstaat die in Nederland wonen en willen deelnemen aan de Europese verkiezingen adequaat en tijdig op de hoogte moeten worden gesteld hoe zij hiervoor in aanmerking kunnen komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het van belang dat EU-burgers uit een andere lidstaat, die in Nederland wonen, hun stem voor de Europees Parlementsverkiezing (EP-verkiezing) in Nederland uit kunnen brengen. Deelname aan deze verkiezing vormt een belangrijk onderdeel van de rechten van het EU-burgerschap en van de Europese democratie. EU-burgers moeten daarom de beschikking hebben over de benodigde informatie voor het uitoefenen van hun kiesrecht. Op Rijksoverheid.nl is deze informatie in het Nederlands en het Engels te vinden. Daarnaast worden inwoners door hun gemeente geïnformeerd, zie het antwoord op vraag 3.
Stellen alle gemeenten de genoemde EU-burgers in hun gemeente op de hoogte van de formaliteiten waaronder het Y32 formulier en de termijn waarop dat ingeleverd moet worden? Zo nee, hoeveel gemeenten doen dat niet en waarom niet?
Niet-Nederlandse EU-burgers kunnen zich in Nederland registreren bij de gemeente met een Y 32-formulier dat is vastgesteld in de Kiesregeling2. De gemeente registreert deze personen dan in de BRP als kiezers voor de EP-verkiezing en zij ontvangen een stempas. Een verzoek tot registratie moest voor de EP-verkiezing van donderdag 6 juni aanstaande op 23 april binnen zijn. De verantwoordelijkheid voor het informeren van niet-Nederlandse EU-burgers over hun kiesrecht ligt bij gemeenten. Gemeenten zijn via de circulaire Europees Parlementsverkiezing 2024 en via nieuwsbrieven aan projectleiders verkiezingen geadviseerd kiezers actief aan te schrijven in aanloop naar deze verkiezing.3
Uit de contacten van het Ministerie van BZK met gemeenten blijkt dat gemeenten de betreffende kiezers hebben aangeschreven om hen te informeren over hun kiesrecht. Het ministerie beschikt niet over informatie van alle 342 gemeenten over het informeren van kiezers. Voor de evaluatie van de Europees Parlementsverkiezing laat de Kiesraad een onderzoek onder gemeenteambtenaren uitvoeren. Hierin zullen gemeenten ook gevraagd worden hoe zij niet-Nederlandse EU-burgers hebben geïnformeerd over hun kiesrecht.
Deelt u de mening dat alle gemeenten op heldere wijze tijdig de genoemde EU-burgers op de hoogte moeten stellen van het feit dat en hoe zij aan de Europese verkiezingen kunnen deelnemen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is belangrijk dat gemeenten op heldere wijze tijdig niet-Nederlandse EU-burgers informeren over hoe zij aan de EP-verkiezing kunnen deelnemen. Uit de Kieswet volgen een aantal verplichtingen voor gemeenten met betrekking tot het informeren van kiezers. Gemeenten zijn hierop gewezen in de circulaire Europees Parlementsverkiezing 2024 en verschillende nieuwsbrieven verkiezingen van het Ministerie van BZK. Daarnaast zijn gemeenten geadviseerd kiezers actief aan te schrijven. Hiervoor zijn door het ministerie ook een begeleidende brief en vertaling van het formulier beschikbaar gesteld, in het Nederlands, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Pools en Spaans.4 Tevens zijn een flyer en voorbeeld-webteksten beschikbaar gesteld voor gemeenten.5
Het bericht dat de schade van weerextremen in 2023 in Europa 13,4 miljard euro bedroeg |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de boodschap van de Europese klimaatdienst Copernicus en de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) die de kosten van weer- en klimaatgerelateerde verliezen in 2023 in Europa schatten op 13,4 miljard euro?1
Ja.
Bent u het eens met de volgende uitspraak van Celeste Saulo, secretaris generaal van het WMO: «De klimaatcrisis is de grootste uitdaging van onze generatie. De kosten van klimaatactie lijken misschien wel hoog, maar de kosten van niets doen zijn veel hoger.»?2 Zo nee, hoe ziet u dit dan?
Ja, deze uitspraak onderschrijf ik.
Hoeveel geld is per jaar gereserveerd in de meerjarenbegroting voor schade als gevolg van weersextremen? Denkt u dat dit voldoende zal zijn, ook rekening houdende met de steeds extremere weersituaties?
In Nederland hebben we de afgelopen jaren steeds vaker te maken met weersextremen, waaronder ook de waterschade in Limburg en delen van Noord-Brabant in juli 2021. Het is de verantwoordelijkheid van particulieren en bedrijven om zich te verzekeren tegen het risico van schade door weersextremen. Indien er sprake is van een ramp in de zin van artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s kan het kabinet de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) toepassen voor schade die niet verhaalbaar, niet vermijdbaar en niet redelijkerwijs verzekerbaar is. Voor de Wts is geen structureel budget gereserveerd.
De Wts is toegepast vanwege de wateroverlast in Limburg en delen van Noord-Brabant in juli 2021. Toen is er incidenteel budget gereserveerd. Voor de afwikkeling van deze regeling resteert nog 5 miljoen euro op de begroting. Bij de Voorjaarsnota 2024 is daarnaast in totaal 21,8 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast juli 2021. Op grond van deze beleidsregel kan door de Minister van Justitie en Veiligheid een financiële verstrekking worden gedaan aan particulieren die de herstelkosten van de woning of de noodzakelijke dubbele woonlasten die zijn ontstaan door de wateroverlast in juli 2021, niet kunnen betalen dan wel hiervoor een schuld zijn aangegaan en daardoor in financiële nood zijn.
Momenteel wordt, in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Wts geëvalueerd. Dit moet inzicht bieden of de Wts voldoende toekomstbestendig is, mede gelet op de verzekeringsmogelijkheden met betrekking tot de gevolgen van klimaatverandering.
Hoeveel extra geld is per jaar ook beschikbaar voor de meer indirecte effecten van klimaatverandering, zoals meer mensen met een slechtere gezondheid door meer luchtvervuiling?
Er is geen geoormerkt budget beschikbaar voor indirecte effecten van klimaatveranderingen. Eventuele gezondheidsschade door klimaatverandering is wel onderdeel van de reguliere zorgkosten. Vanuit het Ministerie van VWS wordt de komende drie jaar 2,1 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering. Zo gaat het RIVM de effecten van klimaatverandering op de gezondheid beter in kaart brengen.
Deelt u de mening dat investeren in klimaat en natuur, en daarmee het voorkomen van steeds meer schade uit weersextremen, de voorkeur zou moeten hebben boven het elk jaar weer repareren van schade door weersextremen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat investeren in klimaat en natuur de voorkeur heeft boven het repareren van de schade door weersextremen. Fysieke klimaatrisico’s kunnen nu en in de toekomst leiden tot forse maatschappelijke en economische schade. De economische schade van de overstromingen in de zomer van 2021 bedroeg 44 miljard euro voor Nederland, België en Duitsland gezamenlijk.3 Ook afgelopen jaar zagen we in Europa dat de weercondities extreem kunnen zijn met de hittegolven, overstromingen, bosbranden en droogte. Het Copernicus-rapport geeft ook aan dat, naast de gezamenlijke kosten van 13,4 miljard, ongeveer 1,6 miljoen mensen in Europa hier gevolgen aan ondervonden. Het IMF verwacht dat de klimaatschade tussen 2018 en 2050, zonder aanvullend adaptief klimaatbeleid, tussen de 0,2 en 0,5 procent van het bbp is.4 Bij het investeren in klimaat en natuur is het van belang om subsidiërende, normerende en beprijzende maatregelen tegen elkaar af te wegen, om een zo efficiënt mogelijk klimaatbeleid te voeren.
Gezien het feit dat de kosten van niets doen hoger zijn dan de uitgaven aan klimaatbeleid, bent u bereid om met een voorstel te komen om deze kosten zoveel mogelijk te voorkomen en de overgebleven voorziene kosten te begroten? Zo nee, hoe wilt u hier dan mee omgaan?
Ik ben het met u eens dat de kosten van niets doen hoger zijn dan de uitgaven aan het klimaatbeleid, zoals genoemd in het antwoord op vraag 5. Het demissionaire kabinet heeft een ambitieus klimaatbeleid opgesteld met een evenwichtige beleidsmix om daarmee invulling te geven aan het 2030-klimaatdoel. Aanvullend klimaatbeleid is op dit moment aan het volgende kabinet.
Het bericht 'Poland's capital Warsaw earmarks $30 million for bomb shelters and other security' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Poland's capital Warsaw earmarks $ 30 million for bomb shelters and other security»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Ziet u ook de noodzaak om op de meest negatieve scenario’s voorbereid te zijn, kijkend naar de huidige geopolitieke context?
De overheid bereidt zich voor op verschillende soorten dreigingen, waarbij verschillende scenario’s worden uitgedacht. Landelijke crisisplannen geven invulling aan de voorbereidingen op deze dreigingen, dit middels continu geactualiseerd en aangevulde scenario’s. Specifiek in relatie tot militaire en hybride dreiging is het belang van voorbereiding op een potentieel conflict de laatste jaren gegroeid.
De Ministeries van Defensie en Justitie en Veiligheid werken nauw samen in de aanpak om maatschappelijke weerbaarheid en de militaire paraatheid tegen een statelijke dreiging te verhogen. Er is al een goede basis om op voort te bouwen: onder coördinatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt nu al intensief gewerkt aan onder meer de bescherming van de Nederlandse vitale infrastructuur, cyberveiligheid, economische veiligheid, crisispreparatie in het kader van militaire dreigingen en de uitwerking van de NAVO weerbaarheidsdoelstellingen. Daarnaast werkt Defensie intensief aan het verhogen van de gereedheid van de krijgsmacht. De Minister van Defensie heeft, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, een Kamerbrief toegezegd over de maatschappelijke weerbaarheid in relatie tot militaire dreiging. Hiermee wordt de Kamer na de zomer geïnformeerd over de opgaven en doelstellingen voor de komende periode.
Welke rol kunnen schuilkelders spelen bij een eventueel conflict waarbij Nederland betrokken is?
Het is, en was, de verantwoordelijkheid van de gemeente om te beslissen of zij al dan niet een openbare schuilgelegenheid aanbiedt. Tot 1990 had het Rijk een stimulerende en ondersteunende rol ten aanzien van de openbare schuilgelegenheden.
In 1990 heeft het toenmalige kabinet besloten de rol van openbare schuilgelegenheden bij de bescherming van de bevolking te beëindigen. Daarmee beëindigde het Rijk ook zijn stimulerende en ondersteunende rol. Dit besluit is nog steeds van kracht. Op dit moment spelen schuilkelders daarom geen rol bij een eventueel conflict waarbij Nederland betrokken is.
Wat is het aantal schuilkelders in Nederland? Zijn deze evenredig over het land verdeeld? Zijn er gebieden in Nederland met een tekort aan schuilkelders?
Het Rijk heeft tot 1988 de bouw en het onderhoud van openbare schuilgelegenheden gestimuleerd en ondersteund door het op verzoek van
gemeenten investeren in de nieuwbouw en het geven van bijdragen voor het beheer en onderhoud. In haar brief van 18 juli 1988 aan de Tweede Kamer2 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken aangekondigd de investering in nieuwe openbare schuilgelegenheden stop te zetten.
In het eindrapport Reorganisatie rampenbestrijding3 kondigde de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken tevens aan dat de bijdragen voor het onderhoud werden stopgezet. Hiermee besloot het toenmalige kabinet feitelijk de rol van openbare schuilgelegenheden bij de bescherming van de bevolking te beëindigen.
In 1990 werd de gemeenten de mogelijkheid geboden om eenmalig op kosten van het Rijk de bestaande openbare schuilgelegenheden te preserveren.
Onder dit preserveren wordt verstaan het eenmalig treffen van voorzieningen aan de werktuigkundige installaties, zoals de luchtzuiverings-, nooddrinkwater- en noodstroominstallaties, in de openbare schuilgelegenheid teneinde deze installaties gedurende enkele jaren (vijf à tien jaar) in een zekere basisconditie te houden. Hierdoor zou het mogelijk zijn de installaties in die periode (tot maximaal vijf à tien jaar) weer operationeel te maken.
In 1990 waren er in Nederland circa 100 kleinere en 72 grotere openbare schuilgelegenheden, die aan een klein deel van de bevolking bescherming konden bieden (in totaal aan minder dan een half miljoen mensen). Van de 72 grotere openbare schuilgelegenheden werden er in 1990 op verzoek van de gemeenten 62 geheel of gedeeltelijk gepreserveerd of nam de gemeente het onderhoud over. Tien openbare schuilgelegenheden werden direct afgestoten. De huidige stand van zaken ten aanzien van de openbare schuilgelegenheden is niet bekend.
In hoeverre zijn oude schuilkelders uit de Koude Oorlog voldoende onderhouden?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zouden de kosten zijn van het opknappen van schuilkelders uit de Koude Oorlog? Wat zijn de kosten van de bouw van nieuwe schuilkelders?
De staat en de bruikbaarheid van eventueel nog bestaande openbare schuilgelegenheden en de kosten voor het eventueel opknappen daarvan zijn mij niet bekend. Ook zijn voornemens en kosten voor de bouw van nieuwe openbare schuilgelenheden mij niet bekend.
In 1990 heeft het kabinet immers besloten de rol van openbare schuilgelegenheden bij de bescherming van de bevolking te beëindigen, en dit besluit is nog steeds van kracht.
Zijn er vergelijkbare plannen in Nederland voor de bouw van nieuwe schuilkelders? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn er, buiten Polen, andere Europese landen die extra schuilkelders bouwen?
Dit is mij niet bekend.
Het rapport 'Hinweise zum Einsatz autogener BTV-3 Impfstoffe' |
|
Caroline van der Plas (BBB), Cor Pierik (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het rapport «Hinweise zum Einsatz autogener BTV-3 Impfstoffe» van de Ständige Impfkommission Veterinärmedizin (StIKo Vet) bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er in Europa nog geen blauwtongvaccin tegen blauwtong serotype 3 is toegelaten op grond van artikel 5, artikel 26, eerste lid, of artikel 110, tweede lid, van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees parlement en de Europese Raad?
Er zijn inderdaad in de EU geen vaccins toegelaten tegen BTV-3. Echter inmiddels heb ik d.m.v. artikel 110 lid 2 van de Europese diergeneesmiddelenverordening 2019/6, toestemming gegeven voor het gebruik in Nederland van het vaccin Syvazul BTV 3 van de producent Syva, het vaccin Bultavo 3 van producent Boehringer Ingelheim en het vaccin Bluevac-3 van producent CZ Vaccines/Kernfarm BV.
Kunt u bevestigen dat artikel 2, derde lid, in samenhang met artikel 106, vijfde lid, en artikel 105, van Verordening (EU) 2019/6 de mogelijkheid biedt voor dierenartsen om geïnactiveerde immunologische diergeneesmiddelen (autovaccins) voor te schrijven?
Ja, de dierenarts mag in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer er voor de indicatie geen toegelaten vaccin beschikbaar is, een autovaccin voorschrijven. Echter in artikel 2 lid 3 van diergeneesmiddelenverordening staat ook de beperking hiervan in de definitie van een autovaccin. Autovaccins (ook bekend als bedrijfseigen vaccins of stalvaccins) zijn volgens de definitie van de diergeneesmiddelenverordening (EU) 2019/6 bedoeld voor gebruik bij ziekten waarbij de ziekteverwekker wordt geïsoleerd uit een specifieke stal of bedrijf, of bij bedrijven die een epidemiologische verband hebben, om deze vaccins vervolgens ook binnen die stal of dat bedrijf toe te passen. Een autovaccin hoeft, omdat het voor kleinschalig gebruik bedoeld is, daarom niet aan alle strenge bepalingen te voldoen zoals dat geldt voor reguliere vaccins. Dat maakt dat het niet geschikt is om in het hele land toe te passen.
Kunt u bevestigen dat onwenselijk gebruik van autovaccins in Nederland is beperkt door artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022?
Ja, voor de dierziekten die volgens EU Verordening 2018/1882 gecategoriseerd zijn als A en B ziekte, zoals vogelgriep en mond- en klauwzeer, is het niet toegestaan in Nederland om een autovaccin in te zetten.
Kunt u bevestigen dat de experts in de Ständige Impfkommission Veterinärmedizin (StIKo Vet) bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit aangeven dat bij het vaststellen van de dieren die vallen onder een «eenheid met een bevestigd epidemiologisch verband», moet worden uitgegaan van de dieren die zich bevinden in het verspreidingsgebied van knutten die zijn besmet met blauwtong serotype 3, zoals eerst vastgesteld in Nederland?
Dat is inderdaad wat deze experts aangeven; maar zoals aangegeven heb ik hierover een andere opvatting. Zie mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de autoriteiten in Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Bremen en Rijnland-Palts StIKo Vet volgen in de interpretatie dat in relatie tot blauwtong serotype 3 het begrip «dieren uit een eenheid met een bevestigd epidemiologisch verband» uit artikel 2, derde lid, van Verordening (EU) 2019/6, zo moet worden uitgelegd dat hieronder die dieren vallen die zich bevinden in het verspreidingsgebied van knutten die besmet zijn met blauwtong serotype 3 – zoals eerst vastgesteld in Nederland – en vatbaar zijn voor blauwtong?
Ja
Kunt u bevestigen dat het verspreidingsgebied van knutten met blauwtong serotype 3, met eenzelfde stam, zich van Nederland uitstrekt naar de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Bremen en Rijnland-Palts?
Het klopt dat ook in Duitsland bij knutten BTV 3 stammen zijn aangetoond.
Kunt u bevestigen dat de «SAN Group Biotech Germany GmbH» een geïnactiveerde immunologisch diergeneesmiddel tegen blauwtong serotype 3 heeft ontwikkeld en dat inmiddels distribueert?
Ja, dat klopt. Inmiddels is dit autovaccin ook weer teruggeroepen door de fabrikant. Deze adviseert om geen dieren meer te vaccineren met dit autovaccin, want er blijken veiligheidsissues te zijn. Er is bij gevaccineerde dieren een blauwtong-besmetting vastgesteld en deze dieren vertoonden ook verschijnselen van blauwtong. Het virus in het vaccin is waarschijnlijk niet goed geïnactiveerd.
Kunt u bevestigen dat de wachttijd, voor onder andere melk, voor dit vaccin nul dagen is?2
Het vaccin is niet toegelaten in Nederland en derhalve is geen informatie bekend over de specificaties
Kunt u bevestigen dat dit vaccin inmiddels met goede ervaringen door Duitse dierenartsen wordt toegepast?3
Nee, zie antwoord op vraag 8.
Kunt u bevestigen dat de experts in de StIKo Vet bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit aangeven dat vaccinatie tegen blauwtongvirus de enige betrouwbare bescherming van de dieren tegen blauwtong is en dat de vaccinatiecampagne tegen de zomer (meestal vanaf juli) moet zijn voltooid in verband met het begin van het hoofdvliegseizoen van de overdragende knutten?4
Ja, vaccinatie is de enige uitweg uit de huidige situatie met blauwtong. Ik ben blij dat er in Nederland werkzame en veilige reguliere vaccins beschikbaar zijn gekomen.
Kunt u bevestigen dat de experts in de StIKo Vet bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit aangeven dat de vaccinatiecampagne uiterlijk in mei 2024 moet starten om voldoende bescherming te bieden voor de start van het knuttenseizoen?5
Ja, volgens experts zal het verloop van de BTV-3 epidemie dit jaar waarschijnlijk lijken op het verloop van de BTV-8 epidemie in 2007. Ik verwacht dat voor het begin van een nieuwe besmettingsgolf veel dieren kunnen worden gevaccineerd.
Kunt u bevestigden dat u (in welk geval uw ministerie) het volgende heeft gecommuniceerd? «We begrijpen dat houders van dieren graag zo snel mogelijk wil gaan vaccineren. Echter is het niet toegestaan het Duitse autovaccin in Nederland te gebruiken. Als de NVWA dit constateert zal er worden gehandhaafd. We hebben goede hoop dat er op korte termijn een veilig en werkzaam vaccin beschikbaar is.».6
Ja
Hoe vindt u het dat herkauwers in Nederland onnodig lijden en sterven omdat Nederlandse dierenartsen het autovaccin niet durven voor te schrijven, omdat u, via de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), dreigt om op te treden tegen dierenartsen die het Duitse autovaccin voorschrijven? Wat denkt u dat dit met boerengezinnen doet?
Ik heb heel veel inzet gepleegd om een werkzaam en veilig vaccin voor de zomer beschikbaar te krijgen. De eerste gesprekken met de farmaceuten zijn in oktober 2023 gestart. De daadwerkelijke ontwikkeling van vaccin is gestart in november. Het is zeer uitzonderlijk dat in 6 maanden tijd een vaccin is ontwikkeld, positief beoordeeld en geproduceerd. Dit duurt normaal minimaal anderhalf jaar. Dankzij de inzet van de producenten en de beoordelingsautoriteit aCBG/BD is dit zeer snel verlopen. Ik hoop dat hiermee een tweede golf van besmettingen en veel leed bij de dieren en dierhouders voorkomen kan worden.
Aanvaart u aansprakelijkheid voor de schade die optreedt doordat veehouders het Duitse autovaccin niet kunnen inzetten, omdat dierartsen het vaccin niet voor durven te schrijven door het dreigement van uw ministerie?
Nee.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw ministerie binnen een zo kort mogelijke termijn naar dierenartsen en veehouders toe bevestigt dat het door «SAN Group Biotech Germany GmbH» ontwikkelde autovaccin, op grond van de Europese regelgeving, in het gehele Nederlandse besmettingsgebied van knutten met blauwtong serotype 3 kan worden toegepast?
Ik ga daar niet voor zorgen. Er zijn inmiddels reguliere vaccins beschikbaar, daarnaast is het autovaccin teruggeroepen vanwege veiligheidsissues. Zie mijn eerdere antwoord op vraag 8.
Hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat bij een uitbraak van andere (vector)ziekten waarvoor geen geregistreerd vaccin beschikbaar is, zoals Epizootic haemorrhagic disease (EHD) of een uitbraak met een ander serotype van blauwtong, er zo snel mogelijk een autovaccin in het Nederlandse besmettingsgebied kan worden ingezet?
Ik zal ook dan waarschijnlijk niet voor een autovaccin kiezen. De reden hiervoor is dat van een autovaccin geen gegevens bekend zijn over de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit (zie ook antwoord op vraag 3 en 8). Voor grootschalige dierziekte, waarin de overheid geen plicht heeft deze te bestrijden, zal ik voor zover mogelijk dezelfde weg bewandelen als ik voor het BTV-3 vaccin heb gedaan.
Kunt u alle vragen voor 1 mei 2024 individueel beantwoorden?
Vanwege de drukte op dit dossier is dat helaas niet gelukt.
De verdubbeling van Europese subsidies voor vleesreclames |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de Europese Unie eind 2023 in haar jaarlijkse subsidieronde 46 miljoen euro toekende aan reclamecampagnes voor vlees en zuivel?1
Ik ben bekend met de analyse waarop deze bedragen zijn gebaseerd.
Bent u bekend met het feit dat alleen al voor eet-meer-vlees-campagnes bijna 29 miljoen euro wordt uitgetrokken – meer dan het dubbele van 2022 en het hoogste bedrag sinds 2021?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u, in lijn met het IPCC, dat de EU alleen aan het Klimaatakkoord van Parijs kan voldoen als zij inzet op flinke vermindering van de vlees- en zuivelconsumptie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe rijmt u deze conclusie dan met de exorbitante bedragen die de EU aan vlees- en zuivelcampagnes uitgeeft?
Zoals de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 29 april 20242 al kenbaar heeft gemaakt, is het kabinet voorstander van het afschaffen van het EU-Promotiebeleid voor reguliere landbouwproducten. Ook is het kabinet in lijn met de motie Wassenberg/Van Raan (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1565) van mening dat subsidie uit het EU-Promotiebeleid voor promotie van vleesproducten niet mogelijk moet zijn. Ik acht dit mede van belang omdat het belangrijk is om in te zetten op een vermindering van de vlees- en zuivelconsumptie om de klimaatdoelen te behalen waar de EU zich aan heeft gecommitteerd. Daarbij vind ik het in het licht van de eiwittransitie eveneens teleurstellend dat een deel van het budget wordt besteed aan de promotie van vlees. Zolang het EU-Promotiebeleid echter bestaat, is het kabinet van mening dat dit beleid volledig in lijn moet zijn met ander EU-beleid en dat alleen duurzaam geproduceerde en gezonde producten gebruik zouden moeten kunnen maken van subsidie uit het EU-Promotiebeleid.
Deelt u de mening dat deze subsidiëring van vleesreclames rechtstreeks ingaat tegen het voornemen van het kabinet om het aandeel plantaardige eiwitten in ons dieet te verhogen, ook in het belang van het klimaat?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de aangenomen motie-Wassenberg en Van Raan (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1565) die de regering oproept zich in Europa actief te verzetten tegen Europese subsidies voor de vleespromotie?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zich al actief uitspreekt tegen subsidiering van vleesreclames, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Verslag van de Landbouw- en Visserijraad op 21 februari 2022, waarin hij schrijft dat Nederland sinds 2014 in Europese overleggremia uitdraagt dat het geen voorstander is van de Promotie-verordening? (21 501-32, nr. 1381)
Wanneer de mogelijkheid zich aandient, ben ik bereid om mij actief uit te spreken, net als de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Bent u bereid zich in Europees verband, net als de Minister van LNV al doet, in het belang van het klimaat actief uit te spreken over de onwenselijkheid van subsidiering door de Europese Unie van reclames voor vlees en zuivel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 6.
Marteling van Papoea’s door Indonesische militairen in West-Papoea |
|
Don Ceder (CU) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Human Rights Monitor over martelingen van Papoea’s door Indonesische militairen, waarvan in elk geval één incident ook op video is vastgelegd?1
Ja.
Weet u of de Indonesische autoriteiten inmiddels een onafhankelijk onderzoek hebben ingesteld naar deze martelingen?
Op 25 maart jl. liet het Indonesische leger via een verklaring weten dat het een onderzoek heeft ingesteld naar het incident dat op video is vastgelegd. Men heeft op basis daarvan 13 personen gearresteerd. Ik heb geen verdere informatie over de andere incidenten genoemd in het bericht.
Bent u bereid opheldering te vragen aan de Indonesische autoriteiten en aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar deze martelingen?
Zoals aangegeven in eerdere beantwoording van Kamervragen (kenmerk 2023Z15309) zal Nederland aandacht blijven vragen voor de situatie in Papua, zoals het tijdens de afgelopen Universal Periodic Review (UPR) van Indonesië bij de VN-Mensenrechtenraad in november 2022 heeft gedaan.
Bent u op basis van de beschikbare informatie van oordeel dat het hier om een incident gaat, of dat martelingen door het Indonesische leger veelvuldig voorkomen?
Het VN-Mensenrechtencomité behandelde op 11 en 12 maart jl. de tweede periodieke rapportage van Indonesië. In de conclusies en aanbevelingen van 26 maart jl. sprak het VN-Mensenrechtencomité zijn zorgen uit over de systematische berichten (systematic reports) over het gebruik van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling in detentie, in het bijzonder over de inheemse bevolking in Papua. Het comité constateerde een gebrek aan informatie over bijv. het aantal berichten, geregistreerde klachten en uitgevoerde onderzoeken.
Welke verplichtingen heeft Indonesië onder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing? Hoe kan Indonesië hierop aangesproken worden? Welke rol kunt u hierin spelen?
Indonesië is partij bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing; hieruit vloeit een verplichting tot naleving van de verdragsbepalingen voort. Die bepalingen houden onder meer in: het nemen van maatregelen om foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing te voorkomen, het niet uitleveren van personen aan staten waar gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat er een risico op foltering bestaat, en het uitleveren of voorleggen tot vervolging van personen die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan foltering. Het VN-Comité tegen Foltering houdt toezicht op de naleving van het verdrag.
Indonesië is ook partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten- en politieke rechten. Dat verdrag bepaalt in artikel 7 dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Het bovengenoemde VN-Mensenrechtencomité houdt toezicht op de naleving van dit verdrag en heeft in het bovengenoemde rapport van 26 maart jl. aanbevelingen aan Indonesië gedaan.
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, en het bespreken van de mensenrechtensituatie blijft hiervan een vast onderdeel. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken en dit gebeurt zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband.
Wat kunt u zeggen over de voortgang van de gesprekken tussen de Office of the High Commissioner of Human Rights (OHCR) en Indonesië over een bezoek van de Verenigde Naties (VN) Hoge Commissaris voor een bezoek aan West-Papoea?2 Welke reden geeft Indonesië om zo’n gesprek tot op heden niet plaats te laten vinden?
Nederland is niet betrokken bij de gesprekken tussen het kantoor van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) en Indonesië over een bezoek van de Hoge Commissaris aan Indonesië. Een dergelijk bezoek heeft nog niet plaatsgevonden; de precieze redenen hiervoor zijn onduidelijk.
Bent u bereid Indonesië blijvend aan te spreken over het toestaan van een bezoek van de VN Hoge Commissaris en kunt u de Kamer over de resultaten hiervan blijven informeren?
Uit de officiële reactie van Indonesië op de aanbevelingen die zijn gedaan tijdens de Universal Periodic Review van Indonesië tijdens de VN-Mensenrechtenraad in november 2022 blijkt dat Indonesië akte heeft genomen («noted») van de aanbevelingen die een bezoek van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten aanmoedigen. Nederland blijft de mensenrechtensituatie in Papua nauwlettend volgen en zou een spoedig bezoek door de Hoge Commissaris aan Papua nog steeds verwelkomen. Nederland zal zich hiervoor blijven inspannen.
Kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van een eventueel onderzoek zoals bedoeld in vraag 2 en 3 en ook over het uitblijven van zo’n onderzoek binnen redelijke termijn?
De voorlopige uitkomst van het bovengenoemde onderzoek heeft geleid tot de arrestatie van 13 personen. Het Indonesische leger heeft geen verplichting om het publiek te informeren over interne onderzoeken. Indien het Indonesische leger in de toekomst verdere uitspraken doet over het verloop en uitkomsten van het onderzoek zal ik uw Kamer hierover informeren.
Het bericht opgeven soevereiniteit voor interne markt EU |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rutte zet deur open naar opgeven soevereiniteit voor interne markt EU»?1
Ja.
Kunt u uitleggen welke specifieke aspecten van de Nederlandse soevereiniteit het kabinet bereid is op te geven voor de vervolmaking van de kapitaalmarktunie?
Veel regelgeving ten aanzien van de ontwikkeling van de kapitaalmarktunie is reeds Europees vormgegeven. Dit volgt veelal uit het Verdrag van de Werking van de Europese Unie (VWEU). Dit verdrag geeft de Europese Unie (EU) onder meer de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen voor de onderlinge aanpassing van nationale bepalingen, met als doel de totstandbrenging en goede werking van de interne markt. Daaronder valt ook het vrije verkeer van kapitaal. Aan deze bevoegdheid is door de Unie uitoefening gegeven ten aanzien van de regelgeving voor de kapitaalmarkten. Zo zijn bijvoorbeeld de regels voor uitgifte van en handel in financiële instrumenten, bescherming van beleggers en prudentiële eisen voor financiële ondernemingen, alsmede het toezicht hierop door nationale en Europese toezichthouders, Europees gereguleerd. Maar ook op andere beleidsterreinen, zoals faillissementswetgeving, ondernemingsrecht of fiscaliteit, kan de EU tot op zekere hoogte maatregelen vaststellen (en heeft de EU reeds maatregelen vastgesteld) om de interne markt voor kapitaal te bevorderen.
Zoals beschreven in het visiedocument dat ik uw Kamer eerder heb gestuurd, voorziet het kabinet vooralsnog geen beleidsterreinen waarop nieuwe bevoegdheden voor de Unie noodzakelijk zijn voor de gewenste versterking van de kapitaalmarktunie.2 De beoogde versterkingen kunnen binnen de huidige bevoegdheden van de Unie ten aanzien van de interne markt worden bereikt door (herziening van) richtlijnen en verordeningen inzake de hierboven genoemde beleidsterreinen. Juist door samenwerking bij de aanpak van grensoverschrijdende uitdagingen, kunnen de lidstaten hun soevereiniteit als geheel versterken, zoals we bijvoorbeeld zien bij de aanpak van belastingontwijking. Daarbij zet het kabinet wel in op verdere standaardisering en gerichte harmonisatie, zodat de nationale wet- en regelgeving van de EU-lidstaten ten aanzien van de kapitaalmarkten beter op elkaar aansluit en barrières tot (grensoverschrijdende) marktfinanciering worden weggenomen. Ook pleit het kabinet, evenals de toezichthouders De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten, voor een sterkere rol van de Europese toezichthoudende instanties (ESA’s) bij het toezicht op de kapitaalmarkten.3 Hierbij ziet het kabinet kansen voor meer direct toezicht door de ESA’s en betere samenwerking met de nationale toezichthouders, vergelijkbaar met het toezicht op systeemrelevante banken dat door DNB (en andere nationale centrale banken) en de ECB gezamenlijk wordt uitgevoerd.
In hoeverre heeft deze positie concreet invloed op de autonomie en besluitvormingscapaciteit van Nederland en ook specifiek onze nationale instituties?
Zoals ik in mijn antwoord op de vorige vraag toelicht, voorziet het kabinet momenteel geen beleidsterreinen waarop nieuwe bevoegdheden voor de Unie nodig zijn ter versterking van de kapitaalmarktunie, maar kan deze versterking plaatsvinden binnen de huidige bevoegdheden van de EU ten aanzien van de bevordering van de interne markt. Als er binnen deze bevoegdheden meer EU-wetgeving wordt geharmoniseerd en toezicht verder convergeert of centraliseert om de kapitaalmarkten te versterken, dan zal de beleidsruimte die Nederland bij die regelgeving of invulling van het toezicht heeft logischerwijs afnemen, maar kunnen de beoogde publieke doelstellingen wel beter worden bereikt.
Het is mogelijk dat in de toekomst gezamenlijk door alle lidstaten wordt besloten om bepaalde nieuwe bevoegdheden aan de Unie toe te kennen. De lidstaten blijven in dat geval zelf bepalen welke bevoegdheden aan de EU worden toebedeeld, en welke bevoegdheden de lidstaten behouden. Voor het toebedelen van een nieuwe bevoegdheden aan de EU is altijd een wijziging van de Europese verdragen nodig, waarvoor instemming van elke lidstaat vereist is. Dit gebeurt dus alleen als Nederland daarmee ook instemt. Het betekent bovendien niet dat Nederland, als een bevoegdheid eenmaal is toebedeeld aan de Unie, geen invloed meer heeft op het betreffende beleidsterrein. Zo heeft Nederland nog steeds een stem bij besluitvorming in de Raad over nieuwe Europese wetgeving of herzieningen hiervan. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt bovendien beperkt door de grondbeginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Deze aspecten worden bij elk wetgevend voorstel van de Europese Commissie geapprecieerd door het kabinet in het zogeheten BNC-fiche, waarmee ook de Nederlandse Eerste en Tweede Kamer worden betrokken bij de Europese besluitvorming.
Zijn er alternatieve strategieën overwogen om de financiële markten te versterken en te verdiepen zonder het opgeven van nationale soevereiniteit en besluitvormingscapaciteiten? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse financiële markten hebben een sterke internationale verwevenheid met Europese en internationale financiële markten. Om die reden is al veel regelgeving op Europees niveau tot stand gekomen, waarbij regelmatig invulling wordt gegeven aan internationale afspraken of richtlijnen. Het gaat bij versterking van de financiële markten om een van de vier vrijheden van de EU, de vrijheid van kapitaal. Verbetering hiervan vergt daarom een Europese aanpak, waarbij Nederland – zoals in voorgaande antwoorden uiteengezet – binnen de Raad, en Nederlandse parlementariërs in het Europees Parlement, meestemt over de besluitvorming. Alternatieven om een versterking van de financiële markten tot stand te brengen vergen eveneens besluitvorming in de EU. Zoals uit recente onderzoeken blijkt, waaronder het rapport van denktank Instituut voor Publieke Economie dat op verzoek van uw Kamer is opgesteld, vergt verdere actie ter versterking van de kapitaalmarkten meer bereidheid van lidstaten om over nationale of sectorale belangen heen te stappen.4 Dat is ook in het belang van de Nederlandse economie, burgers en bedrijfsleven. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze verzekert u dat Nederland niet ongewild garant komt te staan voor financiële verplichtingen van andere EU-lidstaten, of vast komt te zitten in EU-afspraken die niet in het nationale belang zijn en hoe betrekt u het parlement hierbij?
Zoals genoemd in mijn antwoord op de vorige vraag, is een sterke, diepe en geïntegreerde kapitaalmarkt in het belang van Nederland. Zowel voor Nederlandse huishoudens, bedrijven als de economie als geheel. Dat is ook de conclusie van het bij antwoord 4 genoemde rapport dat uw Kamer heeft laten uitvoeren en waarop ik uw Kamer recent mijn reactie heb gestuurd.5 Juist daarom zet het kabinet zich hiervoor in Europa in. Versterking van de kapitaalmarktunie draagt bij aan grotere private risicodeling tussen beleggers en financiers in verschillende lidstaten. Hiermee neemt de noodzaak tot meer publieke risicodeling af. Zoals eerder gedeeld met uw Kamer is het kabinet geen voorstander van het op structurele basis gemeenschappelijk financieren van elkaars begrotingstekorten en schulden via eurobonds.6
Ten aanzien van het parlementaire proces, in aanvulling op mijn antwoorden op vragen 2 en 3, het volgende. Het kabinet zal uw Kamer conform de reguliere afspraken betrekken bij de Nederlandse appreciatie van en inzet bij nieuwe wit-of groenboeken, mededelingen (actieplannen) en/of wetgevende voorstellen van de Europese Commissie. Dit zal onder meer verlopen via BNC-fiches en geannoteerde agenda’s en verslagen van bijeenkomsten van de Ecofinraad en Eurogroep.
Het bericht ‘U.S. expected to sanction IDF unit for human rights violations in West Bank’ |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «U.S. expected to sanction IDF unit for human rights violations in West Bank» waarin het voornemen wordt beschreven aan het Netzah Yehuda bataljon, een specifiek politiek-religieus bataljon van de Israëlische strijdkrachten, sancties op te leggen voor structurele mensenrechtenschendingen op de West Bank, waaronder de dood door kneveling van een 80-jarige Palestijnse Amerikaan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het optreden van dit specifieke bataljon van de IDF op basis van de onderzoeken van het Amerikaanse State Department en berichten over hun optreden, zoals onder andere beschreven in het artikel «Lies, Violence and Far-right Ideology: The West Bank Militia Formed Inside the Israeli Army»?2
De berichten over het optreden van dit bataljon zijn zeer zorgelijk. De aanwezigheid van de nederzettingen en de kolonisten in de bezette Palestijnse Gebieden zijn schendingen van het bezettingsrecht. Op Israël rust de (internationaal-)rechtelijke plicht om geweldsgebruik door zowel kolonisten als Israëlisch overheidspersoneel, onder wie personeel van het Israëlische leger (Israel Defense Forces (IDF)), zoveel mogelijk te voorkomen en hiertegen handhavend op te treden.
Heeft u contact met uw Amerikaanse ambtsgenoot over het optreden van dit bataljon op de West Bank?
Over de maatregel die de VS heeft ingesteld tegen dit specifieke bataljon is contact geweest.
Deelt u de mening dat gewelddadig optreden door kolonisten op de West Bank en/of deze legereenheid tegen ongewapende Palestijnen het risico op escalatie en onschuldige slachtoffers in de Palestijnse gebieden vergroot?
Ja. Zoals hierboven beschreven is het aan de IDF om Palestijnse burgers actief te beschermen tegen geweld van kolonisten, maar komt het regelmatig voor dat dit niet gebeurt en dat de IDF actief deelneemt of ondersteuning biedt aan dit geweld. Mijn ambtsvoorganger heeft in haar contacten met haar Israëlische ambtsgenoot de Israëlische regering steevast opgeroepen om hiertegen op te treden.
Bent u bereid om, in navolging van de Amerikanen, u in de Raad Buitenlandse Zaken van 22 april en in andere relevante gremia ervoor in te zetten om Netzah Yehuda te sanctioneren, in lijn met de aangenomen motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2870) die vraagt de sanctielijsten voor gewelddadige kolonisten met de VS gelijk te trekken? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
De door de VS aangekondigde maatregel betreft geen sanctie, maar behelst het toepassen van de Leahy Law uit 1977. Deze wet verbiedt de Amerikaanse regering om goederen, diensten en trainingen te leveren aan eenheden van buitenlandse veiligheidstroepen die betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen. De individuen van het Netzah Yehudabataljon zijn niet aan financiële sancties of inreisverboden onderhevig.
De Nederlandse krijgsmacht werkt niet samen met de Israëlische strijdkrachten op of met betrekking tot de bezette Westelijke Jordaanoever. Zoals meermaals met uw Kamer is gedeeld, zet het kabinet zich conform motie Piri c.s. – aangenomen met steun van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, CDA, SP, DENK, PvdD en Volt – in voor het uitbreiden van de sancties tegen Israëlische gewelddadige kolonisten die recent in EU-verband zijn aangenomen. Daarbij zetten we in op hetzelfde ambitieniveau als de VS en het VK ten aanzien van het sanctioneren van individuele kolonisten en daaraan gelieerde entiteiten. Omdat Nederland alleen met Israël binnen de internationaal erkende grenzen van 1967 samenwerkt, Nederland geen relatie met het Netzah Yehudabataljon heeft en er geen sprake is van een sanctie in de zin van inreisverboden of tegoedbevriezingen, volgt Nederland het Amerikaanse voorbeeld niet.
De mogelijkheden voor aanvullende leveringen van luchtafweersystemen aan Oekraïne |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat tijdens het debat over de Buitengewone Europese Top op 16 april door meerdere Kamerleden werd opgeroepen de maximale pijngrens op te zoeken als het gaat om het leveren van meer Patriot-systemen aan Oekraïne?
Ja.
Op welke wijze zal Nederland gebruikmaken van de ruimte die door NAVO-chef Stoltenberg wordt geboden waardoor landen tijdelijk onder de NAVO-ondergrenzen voor de wapenvoorraden mogen komen?1
Nederland heeft het voortouw genomen om een internationale coalitie bijeen te brengen voor de levering van aanvullende Patriot capaciteit aan Oekraïne. Inmiddels zijn de benodigde onderdelen voor een volledig Patriotsysteem verzameld. Nederland stelt zelf drie lanceerinstallaties en een radar beschikbaar, de overige benodigde kerncomponenten worden door een bondgenoot geleverd. De uitspraken van SG NAVO onderstreept de urgente Oekraïense behoefte aan luchtverdedigingssystemen en munitie en de prioriteit die steun aan Oekraïne heeft: «Ik heb duidelijk aangegeven dat, als het niet behalen van de capaciteitsdoelstellingen de enige manier is om Oekraïne te ondersteunen, dit het juiste is om te doen. [..] Dit onderstreept het belang van verhoging van productie omdat de voorraden ook weer aangevuld moeten worden.»2. Ik beaam de boodschap van de SG NAVO en benadruk dat het essentieel is om op korte termijn de aanvulling van voorraden verder te intensiveren.
Verder draagt Nederland € 150 miljoen bij aan het Duitse Immediate Action on Air Defense initiatief en € 60 miljoen ten behoeve van korte afstand luchtverdediging. Nederland heeft eerder twee Patriot-lanceerinrichtingen geleverd. Ook heeft Nederland verschillende type raketten, mobiele luchtdoelkanonnen, Stingerraketten en radars geleverd. Via de levering van F-16’s, als co-lead van de Air Force Capabilty Coalition, en als lid van de Integrated Air and Missile Defence (IAMD) Capability Coalition draagt Nederland bij aan de ontwikkeling van de huidige en toekomstige Oekraïense geïntegreerde luchtverdediging. Nederland spoort bondgenoten en internationale partners actief aan dit ook te doen.
De situatie in Oekraïne laat duidelijk het belang van een sterke Europese luchtverdediging en defensie industrie zien. Daarom onderzoekt Nederland hoe meer militaire goederen in Nederland en Europa geproduceerd kunnen worden. Conform de oproep van de SG NAVO zet Nederland zich actief in voor de uitbreiding van de bestaande productiecapaciteit van onder andere Patriot-raketten. Deze inzet is in lijn met de motie van het Lid Brekelmans (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2878 van 18 april 2024). Zo heeft Nederland bijgedragen aan het tot stand komen van de vraagbundeling en Europese productie van Patriot-raketten.
Bent u bereid opnieuw te bezien wat we zo spoedig mogelijk aan Patriot-systemen kunnen leveren aan Oekraïne, nu deze ruimte om onder de NAVO-ondergrenzen voor de wapenvoorraden te komen is geboden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich in te zetten voor meer gezamenlijke oefeningen binnen de NAVO, zodat daarmee wellicht ook veel meer capaciteiten vrijgespeeld kunnen worden?
De Nederlandse krijgsmacht oefent reeds veelvuldig gezamenlijk in NAVO-verband. Het kabinet blijft zich hiervoor inzetten. Dit heeft tot op heden niet geleid tot het vrijspelen van capaciteiten.
Het bericht dat Corendon Russische toeristen naar de zon blijft vliegen |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het NRC artikel «Reisorganisatie Corendon blijft Russische toeristen naar de zon vliegen»1?
Ja.
Klopt het dat er sancties van kracht zijn die het Europese luchtvaartmaatschappijen verbieden om het Russische luchtruim binnen te vliegen? Vallen deze vluchten onder deze sancties? Zo ja, hoe konden deze vluchten dan toch gepland worden? Zo nee, waarom niet en wat kan eraan gedaan worden zodat deze er wel onder vallen?
Nee, dat klopt niet. De EU-sancties verbieden het Russische luchtvaartmaatschappijen en vliegtuigen in Russische eigendom om te landen en op te stijgen in de EU. Rusland heeft als tegenmaatregel EU-maatschappijen toegang tot het Russische luchtruim verboden. Er zijn vanuit de EU geen maatregelen die Europese luchtvaartmaatschappijen verbieden om naar Rusland te vliegen.
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid tot aanvullende sanctiemaatregelen tegen Rusland, waarbij in principe alle opties op tafel liggen. Het kabinet weegt hierbij zorgvuldig of nieuwe sanctiemaatregelen beantwoorden aan de doelstelling om de Russische staatsinkomsten en het Russische oorlogvoerende vermogen te raken, en in hoeverre dit opweegt tegen andere zwaarwegende, humanitaire belangen.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat het Nederlands-Turkse Corendon deze zomer Russische toeristen bedient met goedkope vluchten naar Turkije terwijl Rusland dagelijks dodelijke aanvallen in Oekraïne uitvoert?
Nederland heeft samen met de andere EU-lidstaten sancties ingesteld met als doel om druk op de Russische Federatie te vergroten en de Russische oorlogsmachine die de oorlog tegen Oekraïne voert te belemmeren. Bedrijven in de EU dienen zich te houden aan deze sancties. Indien bedrijven voldoen aan de actuele sanctieregelgeving, kunnen zij in beginsel zaken doen in Rusland. Het kabinet benadrukt daarbij echter te allen tijde dat er geen sprake is van business as usual. Ten aanzien van Rusland geldt dat de handels- en investeringsbevordering, zoals bekend, zijn beëindigd en dat de handelsbevorderende regelingen op Rusland zijn gesloten.
Wat is de geschatte winst van deze vluchten voor Corendon in de zomer van 2024?
Het kabinet heeft hier geen inzicht in.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te nemen om bedrijven die ondanks de vernietigende oorlog in Oekraïne winst blijven maken door bedrijvigheid in en handel met Rusland hiervan te weerhouden?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid tot nieuwe sanctiemaatregelen met als doelstelling het verminderen van de Russische staatsinkomsten om zo Russische oorlogsmachine zo veel mogelijk te belemmeren. Daarbij liggen voor het kabinet alle opties op tafel. Het is echter niet in het belang van de onderhandelingen om in het openbaar uitspraken te doen over eventuele nieuwe maatregen.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar Nederlandse bedrijven die nog steeds winst maken door bedrijvigheid in en handel met Rusland?
Mits bedrijven voldoen aan de actuele sanctieregelgeving, kunnen zij in beginsel zaken doen in Rusland. In die context is een dergelijk onderzoek niet opportuun.
Gaat u in gesprek met Corendon om opheldering te vragen en erop aan te dringen dat deze vluchten niet doorgaan?
In algemene zin geldt dat het kabinet voortdurend in gesprek is met Nederlandse bedrijven en dat hierbij wanneer opportuun sancties en het bredere beleid richting Rusland aan de orde komen.
Het kabinet kan in het openbaar niet ingaan op wat het bespreekt met individuele bedrijven.
Het vervangen en vervolgen van UNRWA. |
|
Dennis Ram (PVV) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het feit dat minimaal 17% van de medewerkers van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in Gaza actief was voor Hamas?1 2
De berichten hierover zijn mij bekend.
Deelt u de overtuiging dat UNRWA tot op het bot corrupt is en derhalve in geen enkele vorm van steun mag ontvangen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nee. Graag verwijs ik naar de Kamerbrief over UNRWA d.d. 26 april 20243.
Bestaan er juridische mogelijkheden, zowel nationaal als internationaal, om UNRWA aan te klagen of te verbieden vanwege;
UNRWA is in 1949 opgericht door de AVVN met een mandaat ten behoeve van basisdienstverlening aan Palestijnen in afwachting van een duurzame tweestatenoplossing. UNRWA geniet als suborgaan van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) immuniteit voor rechtsvervolging. Alleen de VN kan deze immuniteit opheffen of werkzaamheden opschorten. Een dergelijke besluit ligt niet in de reden gezien de brede steun voor het UNRWA mandaat en de cruciale en stabiliserende rol die de organisatie speelt in de hele regio.
Bent u op de hoogte van de activiteiten van de Israëlische organisatie Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT), die dagelijks honderden vrachtwagens met voedsel en humanitaire hulp Gaza binnenbrengt?3
Ja.
Is het beeld dat de media schetsen van een hongersnood nog wel correct, gezien de enorme inspanningen die Israël dagelijks levert via COGAT om hulpgoederen te leveren? Zo nee, waarom niet?
Ja. De media berichten over de uiterst zorgwekkende voedselzekerheidssituatie in Gaza zijn nog actueel. Vertrouwde, professionele organisaties aanwezig in Gaza bevestigen deze zorgelijke situatie. De Integrated Food Security Phase Classification (IPC) – de internationale waakhond voor voedselzekerheid – publiceerde op 18 maart jl. een rapport waaruit blijkt dat circa 1,1 miljoen Gazanen in de periode tot half juli te maken krijgt met wat IPC duidt als «catastrofale honger».
Deelt u de mening dat de humanitaire taken van UNRWA in Gaza overgenomen kunnen worden door COGAT en het World Food Program (WFP), aangezien nu slechts 38% van de hulpverlening door UNRWA wordt verzorgd?4 Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ook kenbaar gemaakt in de Kamerbrief over UNRWA d.d. 26 april 2024 is er in deze fase van het conflict geen alternatief voor het werk en de infrastructuur van UNRWA in Gaza. Dit bevestigen andere organisaties, zoals het World Food Programme en het Rode Kruis.
Tegelijkertijd wil het kabinet zich sterk maken voor het vergroten van de rol van andere organisaties ten behoeve van de diversificatie van de humanitaire hulp en het verlichten van de hoge noden die Gaza momenteel kent. De grote mate van afhankelijkheid van UNRWA maakt het humanitaire systeem in Gaza kwetsbaar.
Bent u bekend met het filmpje «Hoe is het conflict tussen Israëliërs en Palestijnen ontstaan?» – een videodocumentaire die aanbevolen wordt vanuit de handreiking aan gemeenten vanuit het Rijk betreffende een aanpak voor omgang met spanningen en polarisatie rondom het conflict in Israël en de Palestijnse gebieden door Maurits Berger?1
Ja, ik ben bekend met het filmpje.
In hoeverre vindt u dat het beeld in het filmpje de vele kanten van het conflict tussen Israël en de Palestijnen in neutraal historisch perspectief stelt?
De handreiking «Hoe in gemeenten om te gaan met spanningen en polarisatie rondom het conflict in Israël en Palestijnse gebieden» van de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van SZW benadrukt het belang van het begrijpen van de complexiteit van het conflict om lokale spanningen beter te kunnen plaatsen. In deze context wordt naar het filmpje verwezen als één van de bronnen die de complexiteit van het conflict belichten.
Constaterende dat verschillende burgers erop wijzen dat de beschrijving van historische gebeurtenissen in het filmpje een eenzijdig narratief neerzet dat niet weersproken wordt, waarbij het filmpje een bepaalde context vanuit de Israëlische kant mist, bent u het eens dat het filmpje niet de volledige historische context meeneemt in de beschrijving van historische gebeurtenissen?
In de handreiking wordt aanbevolen om meerdere bronnen te raadplegen en verschillende perspectieven te erkennen, om zo een diepgaander begrip te krijgen van de historische context en complexiteit van het conflict. De maatschappelijke discussie benadrukt hoe verschillende perspectieven een verschillende kleuring kunnen geven aan het debat.
Het filmpje is één voorbeeld van een bron over het conflict. Het raadplegen van diverse bronnen blijft aanbevolen om kennis te nemen van de diverse perspectieven. Daarom is er een bijlage aan de handreiking toegevoegd die verwijst naar plaatsen met aanvullende voorbeelden met informatie over het ontstaan van het conflict.
Vindt u een handreiking die een onvolledige historische documentatie bevat ter bestrijding van polarisatie en spanningen tussen Israël en de Palestijnen potentieel gevaarlijk? Zo nee, waarom niet?
De handreiking biedt gemeenten verschillende handelingsperspectieven voor het omgaan met spanningen en polarisatie. De nadruk in de handreiking ligt op het toepassen van deze inzichten, door bijvoorbeeld binnen de lokale context concreet te werken aan verbinding en dialoog. Het filmpje wordt niet gepresenteerd als instrument voor gemeenten om in te zetten bij het omgaan met spanningen en polarisatie. Het dient als één van de mogelijke bronnen ter bevordering van de eigen kennis over het conflict.
Het is aanbevolen om meerdere bronnen te raadplegen. Daarom is, zoals bij vraag 3 aangegeven, een bijlage toegevoegd aan de handreiking waarin verwezen wordt naar plaatsen met aanvullende voorbeelden met informatie over het ontstaan van het conflict.
Kunt u aangeven of u het filmpje wil laten verbeteren door een nieuwe documentaire te maken die ook de historische context van de Israëliërs voldoende meeneemt?
Het is niet aan mijn ministerie om perspectieven op te leggen door de inhoud van dit filmpje aan te passen of een nieuwe documentaire te maken. Mede uit de vragen die zijn gesteld over de handreiking door het lid Keijzer (BBB), blijkt dat het advies om meerdere bronnen te raadplegen nog onvoldoende naar voren kwam in de handreiking.
Daarom heb ik de verschillende opties onderzocht om deze boodschap te benadrukken. Het advies om meerdere bronnen te raadplegen wordt nu explicieter benoemd. In de bijlage van de handreiking wordt nu verwezen naar aanvullende voorbeelden van plaatsen met kennis over het ontstaan van het conflict.
Kunt u ingaan op alle uitspraken en analyses die gemaakt worden in het artikel over het filmpje? Kunt u per alinea reageren op de gedane uitspraak, en op of deze uitspraak terecht of onterecht niet is meegenomen in de video? Zo nee, waarom niet?
Het filmpje, gemaakt door een hoogleraar van de Universiteit Leiden, is één van de bronnen over het conflict. Het blijft aanbevolen om meerdere bronnen te raadplegen, omdat er vanuit verschillende perspectieven en raamwerken naar dit zeer complexe en polariserende conflict kan worden gekeken.
Ik erken dat dit conflict meerdere narratieven kent. Juist omdat dit conflict vanuit verschillende perspectieven en raamwerken benaderd kan worden wil ik geen oordeel geven over deze verschillende zienswijzen.
Als Minister zet ik me in voor sociale inclusie door te stimuleren dat mensen met elkaar in gesprek gaan en blijven, om elkaars perspectieven te kennen en elkaars pijn te begrijpen.
Kunt u alle bovenstaande vragen apart en puntsgewijs binnen drie weken beantwoorden?
Nee, vanwege afstemming vergde de beantwoording meer tijd.
De ‘Stichting Plant een Olijfboom’ |
|
Marjolein Faber (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Elmar Vlottes (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Woede om steun Hamas door hulporganisatie Plant een Olijfboom: «ze juichen om slachting Israëli’s»»?1
Ja, dat bericht heb ik gelezen.
Bent u het met de stelling eens dat het te walgelijk voor woorden is om de terroristische aanslag van 7 oktober te verheerlijken?
Ja, daar ben ik het mee eens.
Deelt u de mening dat hierbij aangezet wordt tot geweld als bedoeld in artikel 137d Wetboek van Strafrecht? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Het is aan het Openbaar Ministerie en ultiem de rechter om te bepalen of de door u bedoelde handeling strafbaar is.
Bent u bekend met het feit dat deze stichting een algemeen nut beogende instelling (ANBI)-status heeft?
Ja, in het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat de Stichting Plant een Olijfboom vermeld.
Gezien de feiten dat de overheid van een stichting met ANBI-status verlangt dat die een doelstelling heeft bestaande uit een visie en een missie en de visie van de betreffende stichting luidt: Stichting Plant een Olijfboom werkt voor rechtvaardige vrede met gelijkwaardigheid voor alle burgers, inclusief recht op terugkeer voor Palestijnse vluchtelingen; hoe verhouden de uitlatingen die namens Stichting «Plant een Olijfboom» zijn gedaan zich tot de visie van deze Stichting in relatie tot de ANBI-status?
Allereerst wil ik benadrukken dat ik afstand neem van dergelijke uitlatingen die geweld tegen een bepaalde groep verheerlijken. Niet-vervolgbare activiteiten of handelingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het «algemeen nut» zijn echter geen grondslag om een instelling de ANBI-status te ontnemen.
Om als ANBI te kunnen worden aangemerkt moet een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beogen. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dit is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, maar kan soms ongemakkelijk voelen als sprake is van gedrag van ANBI’s dat conflicteert met gangbare maatschappelijke waarden en opvattingen. Dit is echter inherent aan het neutrale karakter van de ANBI-regelgeving. Naar aanleiding van zorgen van Tweede Kamerleden de afgelopen jaren over zulk gedrag van ANBI’s, is door de vorige Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst een raadgevende commissie van deskundigen ingesteld om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn, al dan niet door aanpassing van ANBI-regelgeving, om het algemeen nut karakter beter tot uitdrukking te laten komen. Het rapport «Toezicht op algemeen nut» van deze raadgevende commissie biedt een waardevol inzicht in de maatschappelijke waarde van ANBI’s en de wijze waarop toezicht kan worden gehouden op ANBI’s zodat zij het algemeen nut (blijven) uitdragen. Het rapport bevat een lijst met 25 sets Kamervragen over gedrag van ANBI’s dat conflicteert met gangbare maatschappelijke waarden en opvattingen. Wat de casussen uit de Kamervragen gemeen hebben, is dat het doorgaans gaat om zaken waar de Belastingdienst niet op kan ingrijpen. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het rapport «Toezicht op Algemeen Nut» vindt het kabinet het belangrijk dat burgers die zich voor maatschappelijke doelen willen inzetten, voldoende keuze hebben en ook kunnen bepalen welke activiteiten van ANBI's zij wenselijk vinden. Tegelijkertijd vindt het kabinet het belangrijk om zich uit te spreken over wat het kabinet als wenselijk maatschappelijk gedrag ziet en dit uit te dragen. Daarom wordt langs verschillende lijnen gewerkt aan het bestrijden van ongewenst gedrag door maatschappelijke organisaties, zoals ANBI's. De grens van de vrijheid van ANBI’s om hun doelen na te streven ligt bij overtreding van de wet (of daar waar toepassing van de integriteitstoets binnen de ANBI-regeling in beeld komt) of daar waar een instelling door de rechter verboden wordt.
Gezien de feiten dat één van de voorwaarden is dat er per jaar een financiële verantwoording wordt gepubliceerd en wij deze op de website van de stichting niet hebben aangetroffen evenals een verslag van de uitgeoefende activiteiten in 2023 en het enige verslag dat te raadplegen is, een verslag is uit 2022 over de activiteiten van de stichting; deelt u de mening dat de stichting daarmee niet voldoet aan de voorwaarden voor het hebben van een ANBI-status? Zo nee, waarom niet?
Het is juist dat een ANBI verplicht is om bepaalde gegevens te publiceren op een eigen website, of op een gemeenschappelijke website van bijvoorbeeld een brancheorganisatie. Het niet voldoen aan de publicatieplicht kan reden zijn om de ANBI-status van de betreffende instelling in te trekken. In de praktijk krijgen instellingen van de Belastingdienst de kans om omissies te herstellen en dat gebeurt ook vrijwel altijd.
Deelt u de mening van de PVV dat het «juichen om slachting Israëli’s» helemaal niets te maken heeft met het dienen van het algemeen nut? Bent u dan ook bereid de ANBI-status per direct in te trekken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u tevens bereid de FIOD opdracht te geven een onderzoek te starten naar de 900.000 euro liquide middelen van deze stichting, de oorsprong van deze geldstromen en de financiële verantwoording zoals verplicht voor hun ANBI-status?
De Belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en kan daarom geen nadere informatie verstrekken over individuele instellingen. Evenals de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst laat ik mij niet uit over individuele zaken. Het is voorts aan het Openbaar Ministerie om te besluiten of een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld.
Bent u het de PVV eens dat mocht blijken dat deze stichting geld heeft overgemaakt aan Hamas of aan Hamas gelieerde organisaties dat deze Stichting dan direct verboden moet worden? Zo nee, waarom niet?
Die bevoegdheid valt mij niet toe. Op grond van artikel 2:20 BW kan het openbaar ministerie de rechter verzoeken een rechtspersoon, bijvoorbeeld een stichting, te ontbinden en verboden te verklaren waarvan de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde. Deze mogelijkheid tot verbodenverklaring is recent nog verruimd (Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen, Stb. 2021, 310). Door deze wetswijziging is verduidelijkt dat in ieder geval in strijd met de openbare orde is het doel dat of de werkzaamheid van de rechtspersoon die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Verder is verduidelijkt dat in strijd met de openbare orde wordt vermoed te zijn het doel dat of de werkzaamheid die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Uiteindelijk is het aan de rechter om een en ander te beoordelen.
Bent u bekend met de berichten over fraude met gelden uit het EU-herstelfonds (RRF) «Fraud-busters swoop on Greek contracts involving € 2.5B of EU recovery funds»1 en «Lamborghini and Rolexes seized in massive EU police raid over € 600M Covid fraud»?2
Ja. Ten aanzien van het tweede nieuwsbericht wil ik u ook graag wijzen op het persbericht van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) over deze casus3 en op het aanvullende persbericht dat het EOM op 12 april gepubliceerd heeft over de omvang van HVF-middelen betrokken bij het vermoede fraudegeval in Italië.4 Daarin licht het EOM toe dat het onderzoek naar mogelijke fraude ter hoogte van 600 miljoen euro voor een deel middelen uit de HVF betreft. Het EOM doet geen uitspraak over welk deel HVF-middelen betreft. Over deze casus hebben de leden Van Hijum en Kahraman (beiden Nieuw Sociaal Contract) op 8 april 2024 vragen gesteld (2024Z05970). Ten aanzien van het eerstgenoemde nieuwsbericht ontbreekt vooralsnog vergelijkbare aanvullende informatie van het Europees Openbaar Ministerie.
Bent u bekend met andere fraudezaken?
Het EOM publiceert geregeld over onderzoeken naar fraudezaken5 en geeft in haar jaarverslag een overzicht over deze onderzoeken. In de verordening 2017/1939 betreffende het EOM is opgenomen dat het EOM haar jaarverslag naast de Raad en het Europees Parlement ook aan de nationale parlementen stuurt. Het laatste beschikbare jaarverslag van het EOM betreft het jaar 2023 en laat een sterke stijging zien van het aantal onderzoeken betreffende HVF-middelen.6 Ook het Europees Bureau voor fraudebestrijding OLAF publiceert regelmatig nieuws en jaarlijks een verslag over haar werkzaamheden. Het jaarrapport van OLAF over 2023 is nog niet beschikbaar. Daarnaast stuurt de Europese Commissie ieder jaar een verslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de bestrijding van fraude aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. Ook dit jaarlijkse verslag bevat veel informatie over fraudezaken en fraudebestrijding. Het laatste verslag, over 2022, werd in juli 2023 gepubliceerd.
Bent u ermee bekend dat de Europese openbaar aanklager (EPPO) vorig jaar meer dan 200 strafrechtelijke fraudeonderzoeken is gestart gerelateerd aan het RRF? Is dit op enig moment besproken in de Ecofinraad bij de voortgang van het RRF?
Ja, daar ben ik mee bekend. Dit aantal kan in een breder perspectief worden geplaatst. Het EOM heeft volgens zijn jaarverslag in 2023 1371 nieuwe onderzoeken geopend en had op 31 december 2023 1927 actieve onderzoeken lopen. Daarvan hadden bijvoorbeeld 319 onderzoeken betrekking op landbouwmiddelen, 313 onderzoeken op cohesiemiddelen en 233 onderzoeken op HVF-middelen. Op basis van deze informatie kan het kabinet op dit moment niet vaststellen hoe de hoeveelheid fraude en de effectiviteit van de fraudebestrijding bij het HVF zich verhoudt tot die bij andere EU-fondsen.
De fraudeonderzoeken door het EOM gerelateerd aan de RRF zijn niet door de Ecofinraad besproken. Wel heeft Nederland in 2022 in de Ecofinraad en het ambtelijk voorportaal, het Economisch Financieel Comité, het belang van fraudebestrijding onderstreept.7 Aanleiding hiervoor waren vragen van u tijdens het Commissiedebat van 13 maart van dat jaar.
Bent u op de hoogte van het rapport van de Europese Rekenkamer dat de controle op de besteding van meer dan 700 miljard euro uit het EU-herstelfonds tekortschiet en het tevens onduidelijk is in hoeverre de doelstellingen van het fonds worden gehaald?
De Europese Rekenkamer (ERK) heeft gelet op de relevantie en de nieuwheid van de HVF, controles van de faciliteit in het werkprogramma opgenomen. In 2023 heeft de ERK meerdere rapporten over de HVF gepubliceerd. In de context van uw vraag zijn twee daarvan met name relevant, een speciaal verslag over de opzet van het controlesysteem van de Commissie voor de HVF (07/2023), en een speciaal verslag over het prestatiemonitoringskader van de HVF (26/2023).8, 9
In speciaal verslag 07/2023 uit maart 2023 heeft de ERK beoordeeld of de opzet van het controlesysteem van de Commissie voor de HVF adequaat was. De ERK concludeert dat de Commissie in relatief korte tijd een controlesysteem heeft opgezet dat voorziet in een uitgebreid proces voor het verifiëren van de verwezenlijking van mijlpalen en doelstellingen. De ERK merkt ook op dat het systeem beperkte informatie biedt op EU-niveau over de vraag of door de HVF gefinancierde investeringsprojecten voldoen aan de EU- en nationale regels. Wat betreft de bescherming van de financiële belangen van de Unie merkt de ERK op dat de Commissie in iedere lidstaat controles heeft gepland gericht op de controlesystemen van lidstaten op het gebied van fraude, corruptie, belangenverstrengeling en dubbele financiering. De effectiviteit van deze systeemcontroles kan volgens de ERK pas in een later stadium volledig worden beoordeeld. De ERK wijst er ook op dat lidstaten weliswaar melding moeten maken van frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden in de begeleidende beheersverklaring bij een betaalverzoek, maar dat een geïntegreerd IT-systeem voor deze meldingen ontbreekt. Het onderzoek van de ERK richt zich op het niveau van de Europese Unie en specifiek de rol van de Europese Commissie en doet geen uitspraken over de kwaliteit of effectiviteit van de systemen die lidstaten hebben ingericht op het gebied van fraude, corruptie, belangenverstrengeling en dubbele financiering en ook niet over de effectiviteit van OLAF en het EOM op dit vlak.
In het laatst beschikbare jaarverslag10 van de Europese Commissie over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie uit juli 2023 geeft de Commissie uitleg over de auditstrategie ten aanzien van de beheers- en controlesystemen van de lidstaten en legt daarbij uit welke goede praktijken zijn geïdentificeerd en wat de belangrijkste problemen waren die zijn aangetroffen. Op basis van de audits doet de Commissie aanbevelingen aan de lidstaten, die ermee hebben ingestemd om deze aanbevelingen binnen een vooropgestelde termijn uit te voeren om de problemen op te lossen. Ik verwacht dat de Europese Commissie in het eerstvolgende jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie aanvullend inzicht zal kunnen geven in de uitvoering van de HVF.
In speciaal verslag 26/2023 onderzoekt de ERK of het monitoringkader van de HVF geschikt is voor het meten van de prestaties ervan door de tijd heen. De ERK constateert dat het monitoringskader toereikend is om de voortgang bij de uitvoering te meten. Volgens de ERK is de Commissie echter slechts gedeeltelijk in staat om te beoordelen hoe goed de HVF haar algemene en specifieke doelstellingen verwezenlijkt. Verder vindt de ERK dat de gemeenschappelijke indicatoren waarover lidstaten moeten rapporteren, de voortgang niet volledig kunnen weergeven. Daarnaast ziet de ERK dat veel mijlpalen en doelstellingen betrekking hebben op input en output factoren en relatief weinig op impact en resultaat.
Nederland hecht veel waarde aan de correcte en doelmatige besteding van Europese middelen en verwelkomt de verschillende rapporten van de ERK over de implementatie van de HVF. Het is positief dat de Commissie veel van de aanbevelingen van de ERK grotendeels aanvaardt.11, 12 Aandachtspunten die op deze wijze, of tijdens de implementatie van het instrument, aan het licht komen moeten geadresseerd worden.
Hoe kan het in uw ogen dat een project in Griekenland voor tienmaal het gebruikelijke bedrag wordt aanbesteed en dit pas opvalt wanneer andere bedrijven hierover klachten indienen? Deelt u de opvatting dat dit exemplarisch is voor het gebrek aan toezicht op het RRF?
Het artikel waarnaar u verwijst maakt melding van een budget voor een digitaal moderniseringsproject in Griekenland dat volgens de auteur van het artikel veel hoger zou liggen dan het budget voor vergelijkbare projecten in andere lidstaten. Het kabinet heeft onvoldoende informatie om te beoordelen in welke mate de projecten in andere landen waar naar wordt verwezen vergelijkbaar waren met het Griekse project en wat de reden zou kunnen zijn voor het verschil in de hoogte van de budgetten. Of bij deze specifieke aanbesteding of bij de andere aanbestedingen waar het artikel over gaat sprake is geweest van fraude of andere onrechtmatigheden zal moeten blijken uit de in het artikel genoemde onderzoeken van de Griekse mededingingsautoriteit, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie.
De controlesystemen binnen de HVF zijn erop gericht om fraude zoveel mogelijk te voorkomen en te detecteren en corrigeren als deze heeft plaatsgevonden. De aangehaalde nieuwsberichten laten zien hoe in het samenspel tussen nationale autoriteiten, de Europese Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie mogelijke fraude wordt opgespoord.
Staat u nog achter de positieve tussentijdse evaluatie van het EU-herstelfonds zoals opgesteld door de Europese Commissie en vastgesteld in de Raadsconclusies, mede in het licht van de aan het licht gekomen fraudezaken, eerdere miljardentegenvallers als gevolg van de stijgende rente en de tekortschietende controle op de besteding van de EU-middelen?
Vanzelfsprekend zou het kabinet voor alle Europese fondsen en nationale middelen bij voorkeur vast kunnen stellen dat helemaal geen fraude optreedt. Als fraude toch voorkomt is het van groot belang dat dit gedetecteerd en gecorrigeerd wordt. De aangehaalde nieuwsberichten laten zien hoe in het samenspel tussen nationale autoriteiten, de Europese Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie mogelijke fraude wordt opgespoord.
U bent middels de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 11 en 12 april geïnformeerd over de kabinetsappreciatie van de tussentijdse evaluatie van de HVF en de Raadsconclusies die hierover ter besluitvorming voorlagen.13 Daarbij is aangegeven dat het kabinet de analyse van de Commissie over de werking van de HVF in grote lijnen kan volgen. De koppeling met hervormingen uit het Europees Semester, en de uitbetaling op basis van concrete mijlpalen en doelstellingen waren eigenschappen van de HVF waar Nederland bij de totstandkoming sterk aan hechtte. Dat de Commissie hier in haar evaluatie voorlopig positief over oordeelt, is daarmee positief. Het kabinet heeft tegelijkertijd meerdere kanttekeningen geplaatst bij de tussentijdse evaluatie, en aangegeven dat het te vroeg is om definitieve conclusies te verbinden aan het instrument aangezien het een tussentijdse evaluatie is. Ten aanzien van de Raadsconclusies heeft het kabinet aangegeven deze te kunnen steunen, aangezien ze een voldoende gebalanceerd beeld gaven van de evaluatie. Daarbij erkennen de Raadsconclusies ook het belang van de vereisten op gebied van audit- en controleraamwerken voor het beschermen van de financiële belangen van de Unie. Met oog op het beperken van administratieve lasten zou een overlap met de controle op het bereiken van mijlpalen en doelstellingen daarbij wel moeten worden voorkomen, aldus de Raadsconclusies.
Nederland heeft de Commissie tijdens de Ecofinraad van april 2024 opgeroepen om in toekomstige evaluaties van het instrument aandacht te besteden aan de doeltreffendheid en doelmatigheid, en aan de financieringswijze. Het kabinet vindt daarnaast dat in toekomstige evaluaties ook de effectiviteit van het controleraamwerk en de vraag hoe eventueel misbruik voorkomen had kunnen worden, betrokken moeten worden.
Hoe en wanneer gaat u de berichtgeving over fraude met gelden uit het EU-herstelfonds aan de kaak stellen in Europa?
Nederland hecht veel waarde aan de correcte besteding van Europese middelen en zal dit blijven uitdragen. De aangehaalde nieuwsberichten laten zien hoe in het samenspel tussen nationale autoriteiten, de Europese Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie mogelijke fraude wordt opgespoord. Het komende jaarverslag van de Europese Commissie over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de bestrijding van fraude in 2023 vormt in mijn ogen een goed aanknopingspunt om het voorkomen en bestrijden van fraude bij de HVF en de andere EU-fondsen in EU-verband te bespreken. Daarnaast zal Nederland bij besprekingen over de voortgang van de HVF in de Ecofinraad en haar ambtelijke voorportalen aandacht blijven vragen voor het belang van een effectieve fraudebestrijding.
Bent u het eens dat indien er bewezen sprake is van fraude met gelden uit het EU-herstelfonds, deze middelen teruggevorderd dienen te worden bij desbetreffende overheden en teruggestort dienen te worden aan de donerende lidstaten waaronder Nederland?
Lidstaten worden op grond van de HVF-verordening geacht maatregelen te treffen om vastgestelde fraude, corruptie en belangenconflicten die de financiële belangen van de Unie schaden, recht te zetten. Indien een lidstaat hierin verzaakt heeft de Europese Commissie op grond van de HVF-verordening het recht om de financiële steun uit de HVF verhoudingsgewijs te verminderen en het verschuldigde bedrag terug te vorderen of te verzoeken om vervroegde terugbetaling van een lening. Vanzelfsprekend is het kabinet van mening dat indien deze situatie zich voordoet de Europese Commissie gebruik moet maken van dit recht.
Deelt u de mening dat het EU-herstelfonds RRF eenmalig is en niet verlengd mag worden?
Nederland heeft ingestemd met de HVF als eenmalig en tijdelijk crisisinstrument in reactie op de COVID-19 pandemie. De Commissie houdt in haar mededeling over de tussentijdse evaluatie vast aan de deadline van 2026. Nederland steunt dit.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Eurogroep/Ecofinraad?
Ja.
De levering van Patriot-systemen en raketten aan Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de oproep van Oekraïne (President Zelensky en Minister van Buitenlandse Zaken Kuleba) om meer Patriot-systemen en raketten te leveren, gegeven de intensivering van luchtaanvallen door Rusland op onder andere Kharkiv?
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland, Europese landen, de Verenigde Staten (VS) en andere partners zich maximaal moeten inspannen om de luchtverdediging van Oekraïne te versterken?
Ja, het leveren van luchtverdedigingssystemen blijft één van de prioriteiten ten aanzien van de internationale militaire steun aan Oekraïne. Luchtverdedigingssteun is dermate belangrijk dat het kabinet onlangs heeft toegezegd € 150 miljoen bij te dragen aan het Duitse Immediate Action on Air Defense initiatief en daarnaast € 60 miljoen vrij te maken voor het verwerven van korte afstand luchtverdedigingsmiddelen om op korte termijn de Oekraïense luchtverdediging te versterken. Ook blijft het kabinet partners en bondgenoten actief aansporen om materieel te leveren.
Welke mogelijkheden zijn er nog voor Nederland om (reserve-)onderdelen en raketten te leveren uit de bestaande voorraad, binnen de relevante kaders ten aanzien van NAVO-verplichtingen en de gereedheid van onze Patriot-eenheden?
Nederland heeft reeds twee Patriot-lanceerinrichtingen geleverd en onderzoekt momenteel met maximale flexibiliteit en creativiteit, zoals verzocht door de recente motie van het lid Brekelmans (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2878 van 18 april 2024), de mogelijkheden om aanvullende middelen uit eigen voorraad te leveren. Hierbij wordt in de afweging kritisch gekeken naar de gevolgen voor de operationele gereedheid, internationale verplichtingen en de mogelijkheid om Nederlandse militairen te blijven trainen.
Zijn er mogelijkheden om in samenwerking met andere landen die over Patriot-systemen beschikken meer te leveren uit bestaande voorraden?
Het Patriot-systeem is een schaarse capaciteit voor Nederland en binnen de NAVO. Echter, gezien de noden aan het Oekraïense front, onderzoekt het kabinet momenteel conform de motie van het lid Brekelmans (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2878 van 18 april 2024) de mogelijkheden om aanvullende luchtverdedigingsmiddelen en andere militaire steun aan Oekraïne te leveren. Een eventuele levering van Patriot-systemen zal in samenwerking met andere landen moeten gebeuren.
Wanneer gaat het aangekondigde initiatief van vier Europese Unie (EU)-landen, waaronder Nederland, om via een nieuwe productielijn in Zuid-Duitsland 1.000 Patriot-raketten te produceren daadwerkelijk leiden tot de realisatie van nieuwe Patriot-raketten? Is het mogelijk om dit te versnellen? Zo ja, hoe?
In de eerste week van januari 2024 heeft het NATO Supply and Procurement Agency (NSPA) namens Nederland, Duitsland, Roemenië en Spanje de opdracht voor Europese productie tot een totaal van 1.000 Patriot-raketten gegund aan de joint venture van het Amerikaanse Raytheon en het Europese MBDA. De assemblagelijn van de Patriot-raketten zal in Zuid-Duitsland gerealiseerd worden. De Kamer is in de vertrouwelijke bijlage bij de Kamerbrief «Aanvulling inzetvoorraad munitie» (Kamerstuk 27 830, nr. 395 van 18 april 2023) geïnformeerd over de jaren waarin de Patriot-raketten geleverd worden.
Ziet u aanvullende kansen om de productie van Patriot-raketten te versnellen of op te schalen? Zo ja, welke?
Nederland heeft zich actief ingezet voor de uitbreiding van de bestaande productiecapaciteit van Patriot-raketten. Deze inzet is in lijn met het verzoek van de motie van het lid Brekelmans (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2878 van 18 april 2024). Zo heeft Nederland actief bijgedragen aan het tot stand komen van de vraagbundeling en Europese productie van Patriot-raketten. Op dit moment ziet Nederland weinig aanvullende mogelijkheden om de Europese productie verder te versnellen of op te schalen. Meer Patriot-raketten zullen wel in de Verenigde Staten en Japan, worden geproduceerd. Nederland is over dit onderwerp met verschillende internationale partners in gesprek. Hierover kunnen wij op dit moment geen verdere uitspraken doen.
Bent u bekend met de uitspraak van Thomas Laliberty, President van Raytheon Land & Air Defense Systems, dat de productiecapaciteit om één Patriot-batterij per maand te produceren nu nog onderbenut is? Herkent u deze uitspraak?
Ja. Het kabinet heeft geen exact beeld van de mate waarin het betreffende bedrijf de productiecapaciteit benut en doet daarover dan ook geen verdere uitspraken. Wel is bekend dat de internationale vraag naar Patriot-systemen hoog is. Zo heeft Nederland, ter vervanging van de geleverde systemen, direct na donatie van materieel aan Oekraïne een verzoek tot het verwerven van Patriot-lanceerinrichtingen ingediend, maar daarvoor nog geen aanbod ontvangen. Defensie verwacht in de zomer een reactie op dit verzoek.
Overweegt Nederland om samen met andere landen actie te ondernemen om de productie van Patriot-batterijen te stimuleren, bijvoorbeeld door de vraag te bundelen en een gezamenlijke bestelling te doen? Zo ja, welke mogelijkheden worden verkend en wanneer verwacht u hierover te besluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich actief ingespannen om de productie van Patriot-batterijen te stimuleren en zal blijven zoeken naar additionele mogelijkheden daartoe in lijn met het verzoek van de motie van het lid Brekelmans (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2878 van 18 april 2024). Zo heeft Nederland actief bijgedragen aan het tot stand komen van de vraagbundeling en de Europese productie van Patriot-raketten. Via diverse werkgroepen vindt overleg met andere landen plaats over mogelijkheden tot vraagbundeling voor versterking van de eigen capaciteiten en die voor Oekraïne.
Welke stappen worden gezet om de interoperabiliteit tussen Nederlandse Patriots-luchtafweersystemen en die van andere NAVO-partners te verbeteren?
Nederland investeert in de doorontwikkeling van de huidige Patriot-communicatieapparatuur om beter te voldoen aan de nieuwste technische NAVO-standaarden die interoperabiliteit vergroten (Federated Mission Network). Ook voert Nederland gesprekken met Duitsland om barrières in regelgeving weg te nemen waardoor de procedurele interoperabiliteit wordt vergemakkelijkt.
Overweegt Nederland om Norwegian Advanced Surface to Air Missile System (NASAMS) aan Oekraïne te leveren? Zo ja, wat zijn de belangrijkste afwegingen en wanneer verwacht u hierover te besluiten? Zo nee, waarom niet?
NASAMS luchtverdedigingssystemen zijn op dit moment benodigd voor nationale operationele taken en kunnen dus niet aan Oekraïne gedoneerd worden zonder dat dit onacceptabele gevolgen heeft voor de gereedheid van onze krijgsmacht. Al het materieel dat niet essentieel is voor operationele taken of voor afstoting bestemd is wordt overwogen voor donatie aan Oekraïne, dit is op korte termijn voor NASAMS systemen niet voorzien.
Ziet u kansen om de productie van alternatieve luchtverdedigingssystemen in Europese landen op te schalen (buiten Patriots en NASAMS)? Zo ja, welke rol zou Nederland hierin, eventueel via de EU of NAVO, kunnen spelen?
Nederland zoekt actief naar mogelijkheden om de productie van luchtverdedigingssystemen op te schalen. Het kabinet inventariseert hiervoor, via de interdepartementale Task Force Productiezekerheid, mogelijkheden om dit multilateraal en/of in NAVO/EU verband te bewerkstelligen. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de inzet en eerste resultaten van deze Task Force.
Ziet u kansen om wereldwijd raketten voor luchtverdediging voor Oekraïne op te kopen, zoals Tsjechië doet voor artilleriemunitie? Zo ja, welke rol zou Nederland hierin kunnen spelen?
Het kabinet herkent de noden van Oekraïne, in het bijzonder op het gebied van luchtverdediging en heeft daarom onlangs aangekondigd € 150 miljoen bij te dragen aan het Duitse Immediate Action on Air Defense initiatief en € 60 miljoen voor het verwerven van korte afstand luchtverdedigingsmiddelen. Verder is Nederland via bilaterale en multilaterale initiatieven zoals de Ukraine Defense Contact Group (UDCG), het International Fund for Ukraine (IFU) en een door het Verenigd Koninkrijk geleid initiatief ten behoeve van luchtverdedigingsmiddelen actief betrokken bij verschillende initiatieven ten behoeve van de Oekraïense luchtverdediging. Hierbij worden ook luchtverdedigingsmiddelen commercieel verworven ten behoeve van Oekraïne.
Welke overige acties onderneemt Nederland om de luchtverdediging van Oekraïne te versterken, zowel zelfstandig als samen met onze partners?
Nederland heeft sinds het begin van de grootschalige invasie van Oekraïne onder andere Patriot-lanceerinrichtingen, raketten, mobiele luchtdoelkanonnen, Stinger-raketten en verschillende type radars geleverd. Nederland benadert daarnaast internationale partners en bondgenoten actief om zo veel mogelijk opties tot het versterken van de luchtverdediging van Oekraïne te onderzoeken en realiseren. Ook draagt Nederland multilateraal als lid van de Integrated Air and Missile Defence en de Air Force Capability Coalition bij aan de toekomstige luchtverdediging van Oekraïne.
Bent u gezien de ernst van de recente Russische luchtaanvallen in Oekraïne bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht dat Nederland en Pakistan de banden gaan aanhalen |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Waarom gaat Nederland de banden aanhalen met een land waarvandaan dagelijks doodsbedreigingen worden afgevuurd op een Nederlandse volksvertegenwoordiger?1, 2
Het gesprek waar in het artikel en de tweet naar verwezen wordt, vond plaats in het kader van de reguliere werkzaamheden van de Nederlandse ambassade in Pakistan. De Nederlandse ambassadeur in Pakistan zet zich op velerlei wijzen in om de bilaterale relatie met dit land te onderhouden en de Nederlandse belangen ter plekke en in de regio te behartigen.
Bedreigingen, en in het bijzonder gericht aan democratisch gekozen politici, zijn onacceptabel en hebben absoluut geen plaats in onze samenleving, ongeacht of deze uit binnen- of buitenland komen. Het is essentieel dat volksvertegenwoordigers vrij en veilig hun werk kunnen doen.
Het kabinet doet er alles aan wat in zijn macht ligt om een einde te maken aan deze bedreigingen en de risico’s ervan voor de Nederlandse volksvertegenwoordiger te mitigeren. Het kabinet staat hierover in contact met de Pakistaanse autoriteiten, zowel in Islamabad als in Den Haag.
Het kabinet uit in alle gesprekken met Pakistaanse autoriteiten die zich daartoe lenen de afkeuring en ernstige zorgen ten aanzien van de bedreigingen aan het adres van de Nederlandse volksvertegenwoordiger en zal dit blijven doen. Ik heb dat zelf gedaan tijdens mijn gesprek met de Pakistaanse Minister van Buitenlandse Zaken op 18 september 2023 tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York. Ook de Minister-President doet dit bij al zijn gesprekken met zijn Pakistaanse collega, laatstelijk tijdens hun ontmoeting op 23 september 2023 in New York.
Heeft de ambassadeur zich gehouden aan de eerdere belofte van het kabinet om de zorgen over de doodsbedreigingen en doodsvonnissen (fatwa’s) «bij elke gelegenheid» te uiten?
De ernstige zorgen en afkeuring van het kabinet over de dreigtweets aan Nederlandse volksvertegenwoordiger worden op alle niveaus bij elke gelegenheid die zich daartoe leent overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten.
Wilt u stoppen met de door Nederland gerunde «pilot projects» in Pakistan, aangezien de vele doodsbedreigingen uit dat land onze democratie blijven ondermijnen? Zo, nee waarom niet?
De pilot projecten in het krantenartikel verwijzen naar initiatieven van private bedrijven waarvan een aantal gedeeltelijk gefinancierd wordt door middel van Nederlandse investeringen.
Ook wordt verwezen naar een pilot project van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Dit project komt ten gunste van de weerbaarheid van Pakistan tegen overstromingen en klimaatverandering en verbeterd water management o.a. in de landbouwsector.
Kunt u tevens garanderen dat de gesprekken over technologieoverdracht er nooit toe zullen leiden dat onze militaire- of dual-use technologie naar Pakistan wordt geëxporteerd?
De technologieoverdracht waarop wordt gedoeld in het betreffende artikel heeft betrekking op landbouw en zuivelindustrie. Er zijn geen gesprekken gaande en ook niet gepland over overdracht van militaire of dual-use technologie van Nederland naar Pakistan. Nederland hanteert geen wapenembargo of andere sancties t.a.v. de uitvoer van militaire en/of dual-use goederen naar Pakistan. Vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen of dual-use goederen met militair eindgebruik worden per geval getoetst aan de 8 criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Zo worden aanvragen o.a. getoetst op risico’s t.a.v. mensenrechtenschendingen, interne conflicten en regionale stabiliteit. Ook wordt er gekeken naar het risico op omleiding en ander ongewenst eindgebruik in het land van bestemming. Hier wordt streng op getoetst en kan een reden zijn om aanvragen af te wijzen.
Bent u bereid alle inspanningen om de relatie met Pakistan te verbeteren te staken, zolang de Pakistaanse autoriteiten niets doen om de stroom aan doodsbedreigingen en fatwa’s te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in de beantwoording op vraag 1, vond het gesprek met de Pakistaanse Minister van Financiën plaats in het kader van de reguliere werkzaamheden van de Nederlandse ambassade in Pakistan. Er is geen sprake van het intensiveren van de relatie.
Het kabinet keurt fatwa’s en de bedreigingen aan het adres van de Nederlandse volksvertegenwoordiger ten sterkste af en bespreekt dit op alle niveaus met de Pakistaanse autoriteiten, en roept hen op om ervoor te zorgen dat dit soort bedreigingen stoppen. Zoals eerder gezegd, zullen we dit blijven doen.
De hervatting van de financiering van UNRWA door de Verenigde Staten. |
|
Sarah Dobbe |
|
Gerrit van Leeuwen |
|
Klopt het bericht dat de Verenigde Staten (VS) de financiering van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) hebben hervat?1
UNRWA USA heeft de fondsenwerving ten behoeve van UNRWA weer hervat. UNRWA USA is een onafhankelijke non-profitorganisatie waar Amerikanen geld aan kunnen doneren ten behoeve van UNRWA.2
Klopt het dat de regering van de VS andere landen actief oproept om de financiering van UNRWA te hervatten?
De Amerikaanse regering spreekt zich regelmatig uit over het belang van UNRWA voor humanitaire hulp in Gaza en stelt publiekelijk in gesprek te zijn met internationale partners over steun om de humanitaire noden in Gaza te verlichten.
Onderschrijft u dat UNRWA verregaande maatregelen heeft genomen om risico’s te beperken, zoals in het bericht wordt vermeld?
Graag verwijs ik naar de Kamerbrief d.d. 26 april 20243 waarin u bent geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar het integriteits- en neutraliteitsbeleid van UNRWA en de kabinetsreactie op de onderzoeksresultaten.
Deelt u de mening dat dit een goed moment is om de financiering van UNRWA door Nederland weer te hervatten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een update geven van de voortgang van het onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking van 25 april 2024?
Dit is helaas niet gelukt.
De ramingen en realisaties van het EMU-saldo |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Overheidstekort 2023 uitgekomen op 0,3 procent bbp»?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Het CBS stelt in het bericht het EMU-saldo 2023 vast op -0,3 procent bbp. Dit is een verbetering ten opzichte van de verwachting van het kabinet bij Najaarsnota 2023 van –1,8 procent bbp. Op 25 maart is Uw kamer middels een brief2 geïnformeerd over de oorzaken van het verschil tussen de raming van het Ministerie van Financiën bij Najaarsnota en het realisatiecijfer van het CBS. Daarnaast zal in het Financieel Jaarverslag Rijk nader ingegaan worden op het verschil tussen de raming bij Miljoenennota 2023 en het FJR 2023.
Klopt het, zoals de studiegroep begrotingsruimte stelt, dat het EMU-saldo op basis van cijfers van het Ministerie van Financiën de laatste 15 jaar gemiddeld 0,7 procentpunt van het bruto binnenlands product (bbp) structureel te hoog werd ingeschat?
De onafhankelijke Beleidsdoorlichting voor de 17e Studiegroep Begrotingsruimte concludeert dat in de afgelopen 15 jaar de realisatie van het EMU-saldo gemiddeld 0,7 procentpunt positiever uitviel dan de raming in de Miljoenennota voorafgaand aan het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR). Ten opzichte van de stand ontwerpbegroting is het ramingsverschil overigens nihil. Deze analyses zijn ook afhankelijk van de jaren die je erin betrekt. Hierbij valt op te merken dat tussen de laatste Miljoenennota in het begrotingsjaar zelf en de realisatie normaliter weinig nieuwe beleidsmatige aanpassingen worden verwacht, Het ramingsverschil tussen deze twee begrotingsmomenten wordt daarmee voornamelijk veroorzaakt door autonome ontwikkelingen. Wel is het zo dat eerdere inschattingen van beleidsmatige effecten doorwerken in de realisaties. Dat effect valt echter niet los te knippen.
De beleidsdoorlichting noemt ook een aantal redenen waarom het saldo in recente jaren in het bijzonder is meegevallen, zoals de krappe arbeidsmarkt, de ambitieuze plannen uit het coalitieakkoord en een positievere economische ontwikkeling dan verwacht, zoals het herstel vanuit de coronacrisis. Volgens de beleidsdoorlichting is in 11 van de 15 geanalyseerde jaren het EMU-saldo te negatief ingeschat; dit geldt zowel bij de ontwerpbegroting als bij de Miljoenennota voor het lopende jaar.
Kunt u een overzicht maken van de ramingsafwijking per jaar? Kunt u daarbij per jaar aangeven hoe groot de afwijking met de uiteindelijke realisatie was ten opzichte van de Miljoenennota, Voorjaarsnota én de Najaarsnota over hetzelfde begrotingsjaar?
Kunt u een kwalitatieve inschatting geven hoe de ramingsafwijking zich de komende jaren naar verwachting gaat ontwikkelen? Wilt u in uw antwoord in ieder geval opsplitsen in een deel over een inschatting van de uitgaven (plafondrelevant en niet-plafondrelevant), van de inkomsten, kastranscorrecties, het saldo van decentrale overheden en het noemereffect?
Het uitgangspunt voor de ramingen van het EMU-saldo is realistisch ramen, wat inhoudt dat er op voorhand geen sprake is van een ramingsafwijking. Tegelijkertijd zijn alle ramingen vanzelfsprekend omgeven door onzekerheid. De saldoraming bestaat uit een aantal elementen: de geraamde uitgaven op de verschillende begrotingshoofdstukken, de inkomstenraming van Financiën op basis van een econometrisch model en het saldo van decentrale overheden op basis van een lopend gemiddelde van het CBS. In de Voorjaarsnota is een toelichting opgenomen op de saldoraming van Financiën met toelichting op de recente ontwikkeling van de verschillende onderdelen. Zie hiervoor ook paragraaf 3.2 van de Voorjaarsnota 2024.
Welke ramingsafwijking kennen de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) in de afgelopen 15 jaar? Kunt u daarvan een overzicht maken?
Een overzicht van de ramingsverschillen per jaar is opgenomen in bijlage 1. De gemiddelde ramingsafwijking van het CPB tussen de stand bij de laatste Miljoenennota ten opzichte van de realisatiecijfers in het FJR is 0,7%. De gemiddelde afwijking van de raming van het CPB bij de ontwerpbegroting (Miljoenennota) ten opzichte van de realisatiecijfers van het CBS in het FJR in de afgelopen 15 jaar is -0,1%. De gemiddelde afwijking in de raming van het CPB en die van het kabinet liggen daarmee heel dicht bij elkaar.
Hoe lang kunnen we onderuitputting verwachten en voor hoe lang en voor welk bedrag staat dit nu in de raming van het Ministerie van Financiën en die van het CPB?
Gedeeltelijk is onderuitputting een jaarlijks terugkerend fenomeen. Via de begroting vragen departementen goedkeuring van het parlement voor een maximum aan uitgaven. Omwille van de rechtmatigheid mogen de uitgaven niet hoger zijn dan dit maximum, maar wel lager. Enige mate van onderuitputting is dus inherent aan de Nederlandse begrotingssystematiek. Op deze jaarlijkse onderuitputting wordt geanticipeerd door departementen de mogelijkheid te geven via de zogenoemde eindejaarsmarge maximaal 1% van de niet-bestede middelen op hun begroting mee te nemen naar het volgend jaar. Hier tegenover staat de zogenoemde in=uit-taakstelling. Om te voorkomen dat het uitgavenplafond wordt overschreden als gevolg van de eindejaarsmarge, wordt tegelijkertijd een even grote taakstelling ingeboekt voor het volgende jaar. De in=uit-taakstelling is dit jaar 4,9 miljard euro en daarmee historisch hoog. Naast de reguliere 1% eindejaarsmarge geldt voor investeringsmiddelen een 100% eindejaarsmarge. Dit betekent dat alle onderuitputting op deze investeringsmiddelen meegenomen mag worden naar volgende jaren. Voorbeelden hiervan zijn middelen uit het Defensiematerieelfonds, het Mobiliteitsfonds en het Klimaatfonds. Van de totale in=uittaakstelling betreft 2,8 miljard onderuitputting op de investeringsmiddelen.
De afgelopen jaren zien we een stijgende trend in de hoogte van de onderuitputting. Om hierop in te spelen, heeft het kabinet op eerdere momenten besloten om aanvullende onderuitputting in te boeken in de begroting van 2024 en 2025. De huidige begroting houdt voor 2024 rekening met 3,6 miljard euro aanvullende onderuitputting en voor 2025 met 2,3 miljard euro. Zie voor meer toelichting hierop paragraaf 4.1 van de Voorjaarsnota. In totaal moet dit jaar 8,5 miljard euro aan onderuitputting optreden om de aanvullende onderuitputting en in=uittaakstelling geheel in te kunnen vullen. Het deel wat aan het eind van het jaar niet ingevuld wordt, leidt tot saldoverslechtering ten opzichte van de raming.
Het inboeken van aanvullende onderuitputting heeft niet de voorkeur. Het is beter om budgetten op de departementale begrotingen in een realistisch bestedingsritme te plaatsen of onderuitputting met concrete maatregelen in de begroting te zetten. Ook de Kamer verzoekt via de motie Flach en Grinwis om stappen te nemen om de mate van onderuitputting te verminderen. In de Voorjaarsnota 2024 is daarom door middel van kasschuiven de begroting realistischer gemaakt. Dit heeft geresulteerd in 5,2 miljard euro aan kasschuiven vanuit 2024 en 4,1 miljard euro aan kasschuiven vanuit 2025. Samen met het totaal aan ingeboekte onderuitputting gaat de begroting in 2024 daarmee uit van 13,7 miljard euro verwachte onderuitputting en in 2025 11,3 miljard euro ten opzichte van de stand Miljoenennota.
Het CPB maakt onafhankelijk van het kabinet ook inschattingen voor zowel de uitgaven als de inkomsten. Het CPB verwacht dat een aantal uitgaven niet of pas later tot besteding komen dan op dit moment in de begroting staat. Dit komt onder andere door de combinatie van een krappe arbeidsmarkt en een expansief begrotingsbeleid. Het CPB verwacht vertraging bij onder andere de investeringen in defensie en infrastructuur. Ook boekt het CPB algemene onderuitputting in. Deze wordt niet verder aan specifieke posten toebedeeld en loopt geleidelijk af na 2024 omdat de arbeidsmarkt minder krap wordt en er meer tijd is voor het uitwerken en uitvoeren van plannen. Het CPB maakt geen onderscheid tussen onderuitputting en kasschuiven. Daarom is niet één-op-één een vergelijking te maken tussen de onderuitputting van het CPB en de onderuitputting in het Financieel Jaarverslag van het Rijk. Op vrijdag 26 april publiceert het CPB een ex ante doorrekening van de Voorjaarsnota waarin ook is terug te vinden met hoe veel onderuitputting zij rekening houdt voor 2024 en verder.
Kunt u nader toelichten welke meevallers er in 2023 in totaal waren en in 2024 verwacht worden aan zowel de uitgavenkant als aan de inkomstenkant?
Het Financieel Jaarverslag van het Rijk, dat op Verantwoordingsdag wordt aangeboden aan uw Kamer, bevat een compleet overzicht van alle ontwikkelingen in 2023 ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 2023. Dit betreft niet alleen mee- en tegenvallers, maar ook nieuw beleid en onderuitputting. In de brief over de realisatie van het CBS over 2023 is reeds een aantal redenen benoemd voor het meevallende beeld ten opzichte van Najaarsnota. Het ging dan om de doorwerking van in het bijzonder om het feit dat directeur-grootaandeelhouders geanticipeerd hebben op de tariefsverhoging in box 2 die per 2024 ingaat. Eind 2023 is extra dividend uitgekeerd om deze tariefsverhoging voor te zijn. Door dit anticipatie-effect heeft de staat beoogde toekomstige inkomsten al in 2023 ontvangen. Daarnaast is (beperkte) aanvullende onderuitputting opgetreden en was er sprake van meevallers bij decentrale overheden.
In de Voorjaarsnota 2024 zijn de meevallers verwerkt die tot het moment van verzending van de Voorjaarsnota aan uw kamer hebben plaatsgevonden. Een aantal grote meevallers volgt uit lagere corona-uitgaven, de meevallers bij de uitvoeringsinformatie van VWS, SZW en OCW en lagere SDE-uitgaven. Daarnaast is de inkomstenraming in de Voorjaarsnota aangepast voor actuele inzichten in het economisch beeld, zoals geraamd door het CPB. Voor een integraal overzicht van alle mutaties op de begroting ten opzichte van de Miljoenennota verwijs ik u graag naar de Voorjaarsnota. De Bijlage Verticale Toelichting in de Voorjaarsnota geeft per begroting de verwachte meevallers op de uitgaven weer.
Deelt u de opvatting dat een raming met een kleine afwijking ten opzichte van de realisatie in principe het voeren van begrotingsbeleid ten goede komt?
Het streven is altijd een zo nauwkeurig mogelijke raming te gebruiken. Zoals staat toegelicht in de Voorjaarsnota, is de raming van het EMU-saldo door Financiën opgebouwd uit de uitgavenraming zoals opgenomen in de begroting en een zo actueel mogelijke raming van belastinginkomsten. Tussen raming en realisatie kan echter veel gebeuren, zowel door externe factoren als door nieuw beleid. De afgelopen jaren waren de afwijkingen bijzonder groot, onder andere als gevolg van de corona- en energiecrisis en de beleidsreactie daarop. Juist omdat het EMU-saldo volatiel is en daardoor moeilijk te ramen, wordt vanuit het trendmatig begrotingsbeleid gestuurd op een uitgavenplafond en een inkomstenkader. Dat betekent dat economische realisaties altijd zullen afwijken van economische ramingen.
Niettemin kan ook het EMU-saldo een relevante sturingsvariabele zijn, bijvoorbeeld als de grenzen van de Europese regels in zicht komen. Om ervoor te zorgen dat de EMU-saldoramingen zo realistisch mogelijk zijn, herijkt Financiën periodiek zijn inkomstenraming. Gezien de historisch hoge onderuitputting en kasschuiven aan de uitgavenkant van de begroting heeft het kabinet bij Voorjaarsnota stappen gezet om uitgaven in een realistischer kasritme te zetten. Dit verdient ook de komende tijd aandacht, omdat de krappe arbeidsmarkt de komende tijd een relevante factor zal blijven.
Deelt u de opvatting dat door grote afwijkingen en/of een gemiddelde overschatting van een dreigend tekort het begrotingsbeleid structureel te conservatief wordt ingestoken?
Het EMU-saldo is in recente jaren vaak positiever uitgevallen dan verwacht. Er is echter geen directe link met het begrotingsbeleid. Zoals bij het antwoord op vraag 8 is opgemerkt, zijn in het trendmatig begrotingsbeleid het uitgavenplafond en het inkomstenkader de sturingsinstrumenten. De beleidsdoorlichting geeft aan dat als er sprake is van structurele onderuitputting, dit aanleiding kan zijn om de raming in het volgende voorjaar aan te passen via kasschuiven. Dit leidt tot extra ruimte onder het uitgavenplafond wat ingezet kan worden voor andere (begrotings)doeleinden.
Het kan echter ook voorkomen dat aanvullende maatregelen – bovenop het handhaven van de kaders- nodig zijn. Dit was het geval na de financiële crisis toen de normen uit het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) werden overschreden. Begrotingsinspanningen op basis van het SGP worden vastgesteld op basis van berekeningen van de Europese Commissie. Lidstaten zijn verplicht om deze maatregelen op te volgen en mogen niet anticiperen op een beter dan verwachte uitkomst. Het is bovendien niet exact te kwantificeren hoe het saldo zou zijn uitgevallen zonder maatregelen, omdat de maatregelen zelf ook een uitwerking hebben op de economie en financiële stabiliteit.
Kunt u aangeven in welk van de afgelopen 15 jaar de overschatting van een dreigend tekort tot extra bezuinigingen heeft geleid, die -gebaseerd op realisatiecijfers van die jaren- achteraf niet echt nodig bleken te zijn? Kan dit ook gekwantificeerd worden?
Zie antwoord vraag 9.
Welke mogelijkheden en/of aanknopingspunten zijn er om de ramingen – en specifiek die voor het tekort – te verbeteren?
De raming van het EMU-saldo bestaat uit de optelsom van de onderliggende ramingen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4.
Voor de inkomsten geldt dat deze ook afhankelijk zijn van beleidskeuzes, maar in belangrijke mate bepaald worden door de economische ontwikkeling. Het kabinet beoogt een zo actueel mogelijke raming op te stellen door deze meerdere keren per jaar bij te stellen. Om de raming zo trefzeker mogelijk te laten zijn, wordt gebruik gemaakt van drie informatiebronnen. Ten eerste de meest recente economische inzichten, zoals onafhankelijk geraamd door het CPB. De relatie tussen belastingontvangsten en de economie is bepaald op basis van econometrische schatting per belastingsoort, die periodiek wordt herijkt om deze actueel te houden. Ten tweede de geraamde effecten van beleidswijzigingen. De budgettaire effecten van verandering in wet- en regelgeving raamt het kabinet zo goed mogelijk, en worden getoetst door het CPB op redelijkheid, neutraliteit, en onzekerheid. Tot slot maakt het kabinet gebruik van de laatste inzichten in feitelijke kasontvangsten en het uitvoeringsproces bij de Belastingdienst. Deze inzichten uit de ontvangsten kunnen aanleiding geven om de raming bij te stellen. Alle drie de bronnen voor de raming van de belastingontvangsten kennen onzekerheid, dit is inherent aan het open-einde karakter van belastingheffing. Het kabinet maakt daarom zo transparant mogelijk hoe de raming tot stand komt, door deze uitgebreid toe te lichten in bijlages 4 en 5 van de Miljoenennota.
De raming van de uitgaven bestaat uit de som van de verschillende begrotingen. De afgelopen jaren was de onderuitputting op de begrotingen historisch hoog. Er is daarmee duidelijk een aanknopingspunt om deze ramingen te verbeteren. In de Voorjaarsnota is een stap gezet in het realistischer maken van de kasritmes, maar ook in de volgende budgettaire nota’s en onder nieuw kabinet zal scherp gekeken moeten worden naar het evenwicht tussen enerzijds de politieke ambities en anderzijds de grenzen van de uitvoeringscapaciteit, bijvoorbeeld door de krapte op de arbeidsmarkt.
Het EMU-saldo bevat ook het EMU-saldo van de decentrale overheden. Deze voeren hun eigen boekhouding, waardoor Financiën niet beschikt over de gegevens voor een gedetailleerde raming. Financiën baseert de raming van het saldo decentrale overheden op een lopend gemiddelde van CBS-realisaties.
Hoe duidt u de zeer omvangrijke ramingsafwijking van het begrotingssaldo uit 2023 in het kader van het advies van de studiegroep begrotingsruimte om het tekort te reduceren?
Het is niet aan de Minister van Financiën om zich uit te spreken over het onafhankelijke advies van de studiegroep begrotingsruimte.
Deelt u de opvatting dat het structureel overschatten tot verkeerde beleidskeuzes kan leiden, waardoor onnodige bezuinigingen plaats zouden kunnen vinden en/of het draagvlak voor het begrotingsbeleid wordt ondermijnd, omdat de indruk post kan vatten dat er stelslematig te conservatie wordt begroot?
Een realistische begroting is een begroting waarin maatregelen zijn opgenomen die ook daadwerkelijk zoveel mogelijk worden gerealiseerd met het bijbehorende budgettaire effect. Dat geeft zekerheid aan burgers en bedrijven en sterkt de geloofwaardigheid en doelmatigheid van beleid. Daarbij vormt een realistische begroting de basis van het begrotingsbeleid. Vanuit het trendmatig begrotingsbeleid wordt gestuurd op kaders voor de inkomsten en de uitgaven die bij de start van een kabinetsperiode worden vastgesteld. Daarmee wordt voorkomen dat er gestuurd wordt op een volatiel EMU-saldo dat onderhevig is aan beleidsmatige en macro-economische ontwikkelingen. Zie het antwoord bij vraag 8 voor een verdere toelichting over trendmatig begrotingsbeleid in relatie tot het EMU-saldo.
Wilt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden en in ieder geval naar buiten brengen voordat de Voorjaarsnota naar de Kamer wordt verzonden?
De beantwoording is binnen de termijn van 3 weken naar Uw kamer verzonden. Het was echter niet mogelijk om de verzending ook voor de Voorjaarsnota te laten plaatsvinden omdat deze vervroegd is uitgebracht op verzoek van de informateurs.
Luchtverdediging voor Oekraïne |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken van Oekraïne om meer luchtverdedigingssystemen te leveren?1
Nederland heeft het voortouw genomen om een internationale coalitie bijeen te brengen voor de levering van aanvullende Patriot capaciteit aan Oekraïne. Inmiddels zijn de benodigde onderdelen voor een volledig Patriotsysteem verzameld. Nederland stelt zelf drie lanceerinstallaties en een radar beschikbaar, de overige benodigde kerncomponenten worden door een bondgenoot geleverd. Oekraïne heeft een urgente behoefte aan luchtverdedigingssystemen en munitie. Het leveren van luchtverdedigingssystemen blijft één van de prioriteiten ten aanzien van de internationale militaire steun aan Oekraïne. Nederland heeft tot op heden Patriot lanceerinstellingen, raketten, mobiele luchtdoelkanonnen, Stingerraketten en radars geleverd. Via de levering van F-16’s, als co-lead van de Air Force Capabilty Coalition, en als lid van de Integrated Air and Missile Defence (IAMD) Capability Coalition draagt Nederland bij aan de ontwikkeling van de huidige en toekomstige Oekraïense geïntegreerde luchtverdediging. Nederland blijft ook de komende periode luchtverdedigingscapaciteiten aan Oekraïne leveren, bijvoorbeeld door middel van een bijdrage van € 150 miljoen aan het Duitse Immediate Action on Air Defense initiatief en € 60 miljoen ten behoeve van korte afstand luchtverdediging. Het kabinet spoort haar internationale partners actief aan om dit ook te doen.
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan de afspraak in de bilaterale veiligheidsovereenkomst dat er op korte termijn samen met andere partners met prioriteit wordt gewerkt aan de verstrekking van luchtverdediging?2
Op het gebied van luchtverdediging worden de in de veiligheidsovereenkomst vastgelegde afspraken op zowel korte als lange termijn geïmplementeerd via bilaterale en multilaterale initiatieven zoals de Capability Coalitions IAMD- en Air Force en een door het Verenigd Koninkrijk geleid initiatief ten behoeve van luchtverdedigingsmiddelen.
Klopt het dat Duitsland tijdens de NAVO-bijeenkomst van afgelopen week heeft aangegeven onmiddellijk een analyse uit te gaan voeren van alle beschikbare patriotsystemen wereldwijd? Zo ja, op welke wijze helpt Nederland hierbij?3
Duitsland heeft, als coördinator van de IAMD Capability Coalition, publiekelijk bondgenoten en internationale partners opgeroepen meer bij te dragen aan luchtverdediging. Nederland heeft informatie aan Duitsland verstrekt en spoort, waar mogelijk, actief internationale partners aan om meer middelen te leveren.
Kan Nederland, net als eerder bij de levering van houwitsers, tanks en de F-16’s, opnieuw het voortouw nemen in het leveren van luchtverdediging waaronder patriotssystemen, al dan niet samen met bijvoorbeeld Duitsland?
Het Patriot-systeem is een schaarse capaciteit voor Nederland en binnen de NAVO. Desalniettemin stelt Nederland zelf drie lanceerinstallaties en een radar beschikbaar, de overige benodigde kerncomponenten worden door een bondgenoot geleverd. Verder onderzoekt Nederland momenteel wat de uitspraken van de SG van de NAVO over de NAVO capaciteitsdoelstellingen betekenen voor de Nederlandse militaire steun aan Oekraïne. Hierbij wordt in de afweging kritisch gekeken naar de gevolgen op de operationele gereedheid, internationale verplichtingen, en de mogelijkheid om Nederlandse militairen te blijven trainen. Het kabinet acht het belang van luchtverdedigingssteun dermate belangrijk dat het een actieve rol voor zich ziet in het overtuigen van andere partners van het leveren van materieel. Het kabinet kaart dit aan in bilateraal verband, tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van de EU en in NAVO-bijeenkomsten.
Bent u bereid om ook te bekijken of en wat Nederland aan patriotssystemen nog zou kunnen leveren, wel met het oog op het getraind kunnen houden van onze eigen eenheden?
Zie antwoord vraag 4.