Het Lighthouse Reports rapport “Desert Dumps” |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport van Lighthouse Reports «Desert Dumps» en het Trouw-artikel «Mede mogelijk gemaakt door de EU: migranten ontvoerd, verkocht of achtergelaten in de woestijn»?1 2
Ja.
Welke stappen gaat u namens Nederland nemen om ervoor te zorgen dat er niet langer Europese, noch Nederlandse financiering of operationele aanwezigheid, bewust of onbewust, plaatsvindt?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de zorgelijke berichten over de behandeling van migranten, zoals benoemd in het rapport van Lighthouse Reports. Nederland heeft bij de Europese Commissie om opheldering gevraagd. Zowel de Europese Commissie als de Europese Dienst voor Extern Optreden geven desgevraagd aan dat het rapport van Lighthouse Reports geen bewijs levert voor directe of indirecte EU steun voor de genoemde praktijken.
Financiële middelen van de Europese Commissie zouden op geen enkele wijze mogen bijdragen aan mensenrechtenschendingen. Dat draagt het kabinet voortdurend uit in Europees verband. De Europese Commissie brengt dit ook steeds op in contacten met de betrokken landen.
Nederland zet bilateraal in deze regio in op de ondersteuning van de bescherming van migranten, de re-integratie van personen die terugkeren en ter ondersteuning van grensbeheer. Deze ondersteuning is onderdeel van een brede partnerschapsbenadering, waarvan ook monitoring en dialoog onderdeel zijn. Deze benadering heeft als doel om irreguliere migratie tegen te gaan, bescherming van migranten te versterken en terugkeer te bevorderen. Nederland maakt in zijn bilaterale inzet, via partners als IOM en UNHCR, steevast duidelijke afspraken over monitoring, waarbij periodiek risicoanalyses en rapportages gedeeld worden. Er zijn afspraken gemaakt over te nemen mitigerende maatregelen, tot en met het stopzetten van de samenwerking, in het geval van aanwijzingen dat bilateraal verstrekte Nederlandse middelen betrokken zijn bij activiteiten die direct leiden tot mensenrechtenschendingen.
Er is geen sprake van Nederlandse migratie-gerelateerde operationele bijstand in Tunesië, Mauritanië en Marokko – anders dan reguliere diplomatieke contacten over bijvoorbeeld terugkeer vanuit de Dienst Terugkeer en Vertrek of kennisuitwisseling op bijvoorbeeld grensmanagement of asiel.
Nederland beschikt niet over aanwijzingen dat Nederlandse middelen direct of indirect zouden bijdragen aan mensenrechtenschendingen. Blijvende betrokkenheid is van belang om eventuele schendingen te kunnen (blijven) adresseren en toekomstige schendingen mogelijk te kunnen voorkomen.
Kunt u de monitoringsrapporten van de Europese Commissie en de reactie van de Nederlandse regering daarop delen met de Kamer?
De Europese Commissie rapporteert jaarlijks openbaar over de totale NDICI programmering (inclusief migratie) naar EU lidstaten conform haar verplichtingen volgend uit de NDICI-verordening3.
Het Europees Parlement heeft de Commissie op 24 mei jl. gevraagd om een uitleg en een volledige review van EU-financiering naar aanleiding van het rapport van Lighthouse Reports. Hierop is nog niet geantwoord.
Heeft u een overzicht van alle vormen van zowel financiële als operationele betrokkenheid van de Europese Unie (EU) en/of Nederland?
Het publiceren van een overzicht van de EU inzet in deze landen is voorbehouden aan de Europese Commissie. Zoals hierboven genoemd heeft het Europees Parlement reeds om een review van de Europese financiering gevraagd.
Zoals eerder in deze beantwoording vermeld is er momenteel geen sprake van Nederlandse operationele bijstand door de migratieketen aan derde landen genoemd in het rapport. Wel zijn er met enige regelmaat gesprekken tussen de verschillende onderdelen van de Nederlandse migratieketen en hun tegenhangers in derde landen met het oog op kennisuitwisseling, op bijvoorbeeld het gebied van asiel en opvang, aanpak van smokkel en grensbeheer. Voor programmeringsinzet van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het kabinet uw Kamer naar de beantwoording van de vragen gesteld n.a.v. het jaarverslag 20234. Vanuit dat ministerie wordt er projectmatig bijgedragen aan het versterken van grensbeheer in Tunesië en Turkije via capaciteitsopbouw van verantwoordelijke autoriteiten.
Nadere toelichting over bilaterale financiële betrokkenheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het gebied van migratie zal terug te vinden zijn in de migratierapportage die op korte termijn gedeeld zal worden met de Kamer.
In hoeveel gevallen is er sprake van inlichtingen waarbij migranten gelokaliseerd of onderschept worden?
Op grond van Europese regelgeving kan Frontex operationele en technische bijstand verlenen aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren5. Op basis daarvan kan Frontex waarschuwingen uit laten gaan over personen in nood aan de verantwoordelijke nationale autoriteiten op het gebied van opsporing en redding op zee. Op grond van het internationaal recht is Frontex verplicht om de verantwoordelijke nationale autoriteiten te waarschuwen als zij een boot in nood detecteren. Op basis hiervan deelt Frontex ook informatie, onder andere de locatiegegevens/coördinaten van een boot in nood, die in het belang zijn voor het goed uitvoeren van een operatie met verantwoordelijke nationale autoriteiten van derde landen, zoals Tunesië. Precieze aantallen zijn niet bekend.
In hoeveel gevallen, waarbij mensen in de woestijn belanden, wordt er gebruik gemaakt van door de EU gefinancierde apparatuur en middelen?
Zoals gesteld in vraag 2 en 3 geven de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden aan dat het rapport van Lighthouse Reports geen bewijs levert voor directe of indirecte EU steun voor de genoemde praktijken. Het Europees Parlement heeft de Commissie op 24 mei jl. gevraagd om een uitleg en een volledige review van EU-financiering naar aanleiding van het Lighthouse Report. Hierop is nog niet geantwoord.
Welke methode wordt er gebruikt om in al deze gevallen te checken of er sprake is van mensenrechtenschendingen?
De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma's en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden.
Op welke wijze heeft u opvolging gegeven aan deze vorm van monitoring?
Nederland heeft de Commissie gevraagd om opheldering. Zoals gesteld in vraag 2, 3 en 6 geven de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden aan dat het rapport van Lighthouse Reports geen bewijs levert voor directe of indirecte EU steun voor de genoemde praktijken. Het Europees Parlement heeft de Commissie op 24 mei jl. gevraagd om een uitleg en een volledige review van EU-financiering naar aanleiding van het rapport van Lighthouse Reports. Hierop is nog niet geantwoord.
Kunt u reflecteren op het feit dat ondanks het monitoringsmechanisme er op grote schaal door de EU gefinancierde en ondersteunde schendingen van de mensenrechten plaatsvinden?
Zoals in bovenstaande vragen gesteld geven de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden geven desgevraagd aan dat het rapport van Lighthouse Reports geen bewijs levert voor directe of indirecte EU steun voor de genoemde praktijken.
Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet opnieuw gebeurt?
Het kabinet is gecommitteerd aan het do no harm principe als het gaat om migratiesamenwerking, zowel voor de Nederlandse programmering, als de Europese programmering. Deze inzet is onder meer erop gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat de middelen die worden ingezet om irreguliere migratie tegen te gaan (onbedoeld) bijdragen aan destabilisering of mensenrechtenschendingen, omdat bijvoorbeeld apparatuur in verkeerde handen zijn gevallen. Het kabinet hecht groot belang aan adequate toepassing van het het do no harm-beleid en mensenrechten due diligence en dringt hier in Europees verband dan ook consistent op aan. Ook heeft het kabinet het belang van mensenrechtenmonitoring opgenomen in het recent gedeelde lobbypaper voor de nieuwe Europese Commissie6 en roept hiertoe op in de relevante EU gremia en in gesprekken met de Europese Commissie. De Europese Commissie geeft ook aan zich uit te spreken wanneer er sprake is van mistanden.
Hoe beoordeelt u – gezien de bevindingen in dit onderzoek – de recente uitspraken van Eurocommissaris Schinas, die stelde dat er geen Europees geld gemoeid is bij dit soort incidenten?
Zoals in de antwoorden hierboven gesteld, stellen de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden dat het rapport van Lighthouse reports geen bewijs levert dat er sprake is van Europese financiering van de in het bericht genoemde praktijken.
Erkent u dat het externaliseren van het Europese migratiebeleid en de samenwerking met derde landen, waarbij onvoldoende zorgvuldige voorwaarden zijn gesteld aan migratiesamenwerking, de slechte en onmenselijke behandeling van migranten in de hand werkt?
Het kabinet is van mening dat de behandeling van migranten en vluchtelingen te allen tijde in lijn moet zijn met internationaal recht en mensenrechten, inclusief het beginsel van non-refoulement. Daar zet het kabinet zich ook voor in middels het versterken van migratiesamenwerking met relevante derde landen langs voorname migratieroutes en het versterken van adequate opvang in de regio, via de EU en bilateraal. Het kabinet zoekt samenwerking met deze landen over de volle breedte van de migratie-agenda, ook op het gebied van asiel en bescherming. In dat verband vindt het kabinet het belangrijk dat het migratie- en asielmanagement in desbetreffende landen beter wordt ingericht, in lijn met internationale standaarden. De gesprekken die het kabinet met verschillende partnerlanden voert, vormen ook een platform om zorgen over behandeling van migranten en vluchtelingen aan te kaarten, en dat doet het kabinet ook.
Gaat u andere lidstaten, waaronder Spanje, aanspreken op hun betrokkenheid in deze praktijken?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie die betrokkenheid van andere lidstaten bevestigt.
Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat andere lidstaten hun betrokkenheid bij deze praktijken per direct stop zetten?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie die betrokkenheid van andere lidstaten bevestigt.
Indien inderdaad blijkt dat de EU en lidstaten passief en actief hebben bijgedragen aan het dumpen van migranten in de woestijn, wat betekent dit voor de internationale aansprakelijkheid van de EU en haar lidstaten?
De Commissie heeft aangegeven dat het rapport van Lighthouse Reports geen bewijs levert voor directe of indirecte steun voor genoemde praktijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en voor het commissiedebat op 12 juni 2024 over de JBZ-raad van 13 en 14 juni 2024 beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Conform de toezegging gedaan in het JBZ-debat van 12 juni jl. door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is deze beantwoording binnen twee weken na het debat aan uw Kamer verzonden.
Het aanbieden van alternatieve behandelingen aan getraumatiseerde veteranen |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Defensie stuurt special forces voor hun gezondheid op cursus sjamanistisch ademhalen» gepubliceerd door Follow the Money over het aanbieden van alternatieve behandelingen aan getraumatiseerde veteranen?1
Ja.
Klopt het dat getraumatiseerde veteranen via defensieprojecten worden geïntroduceerd aan behandelaars die zonder de benodigde BIG- en VEN-registraties of academische opleiding traumatherapie (EMDR) aanbieden?
Nee. Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is een bewezen effectieve behandeling bij traumaverwerking. EMDR maakte geen deel uit van de pilot BaseQamp. EMDR wordt binnen de militaire gezondheidszorg alleen ingezet door daartoe bevoegde en bekwame behandelaars.
Deelt u de zorgen van experts dat alternatieve behandelingen het herstel van kwetsbare en getraumatiseerde veteranen juist kan ontsporen met ernstige extra schade tot gevolg?
Ja. Het is echter altijd moeilijk in te schatten hoe een behandeling uitpakt als het geen bewezen effectieve behandeling is. Daarom biedt de militaire geneeskundige dienst ook geen alternatieve behandelingen aan.
Kunt u, gezien het risico op psychotische episodes, garanderen dat er voldoende medisch toezicht geboden wordt bij interventies waarin psilocynine gebruikt wordt door alternatieve behandelaren?
Binnen Defensie worden geen interventies aangeboden waarin psilocynine wordt gebruik.
Deelt u de opvatting dat een alternatieve behandeling nooit in de plaats vanevidence basedbehandelingen met gecertificeerde experts dient te worden aangeboden?
Voor wat betreft de militaire gezondheidszorg: ja, tenzij het experimentele behandelingen zijn in het kader van medisch-wetenschappelijk onderzoek. In die gevallen wordt gehandeld volgens een vastgelegde procedure en vindt er altijd vooraf verplicht een toetsing plaats door een Medisch Ethische Toetsingscommissie (METC).
Worden er naast het BaseQamp-project ook nog andere alternatieve behandelingen aangeboden namens Defensie, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel alternatieve behandelaars het dan gaat?
BaseQamp was geen behandelmethode. De insteek van de pilot BaseQamp was om de deelnemers handvatten te bieden op het gebied van persoonlijk effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid, middels diverse methoden zoals ademhalingstechnieken, cold exposure, meditatie et cetera. Het betrof een aanbodgerichte pilot waarvoor militairen zich vrijwillig konden aanmelden. De pilot is inmiddels gestopt. Ter toelichting hierop: de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) heeft in de loop van 2023 uit verschillende hoeken signalen ontvangen met zorgen over BaseQamp. Deze signalen betroffen onder meer het gebrek aan begeleiding en nazorg van de militair, de inbedding van de pilot binnen Defensie en de ontbrekende relatie met de militaire gezondheidszorg. De IMG is op basis daarvan in juli 2023 een inventariserend onderzoek gestart. De tussenrapportage van dit inventariserend onderzoek is op 26 oktober 2023 voorgelegd aan de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten (pCDS). De pCDS heeft naar aanleiding daarvan op diezelfde dag besloten de pilot BaseQamp te pauzeren totdat nadere onderzoeken zouden zijn afgerond. De IMG heeft vervolgens nader onderzoek gedaan met als centrale vraag «Is de zorg voor gezondheid van defensiepersoneel voldoende geborgd binnen BaseQamp?». Het onderzoeksrapport is op 14 mei 2024 aangeboden aan de pCDS. Ook de Inspectie Veiligheid Defensie (IVD) heeft onderzoek verricht naar BaseQamp. De centrale vraag luidde «Welke lessen kunnen op basis van de casus BaseQamp voor Defensie als werkgever worden geïdentificeerd om de veiligheid van soortgelijke processen van sociale innovatie te versterken?». Die rapportage is eveneens op 14 mei 2024 aangeboden aan de pCDS. De pCDS heeft op 5 juni 2024 besloten de pilot BaseQamp definitief te stoppen. Hiervoor had hij de volgende argumenten: de pilot zou eigenlijk al eind 2023 stoppen; de adviezen van zowel de IMG als IVD waren niet snel te implementeren in de pilot; de naam «BaseQamp» is aangetast door de berichtgeving.
Defensie zelf biedt geen alternatieve behandelingen aan. De militaire ziektekostenverzekeraar SZVK vergoedt wel alternatieve zorg aan zijn deelnemers. Alternatieve zorg wordt door de SZVK gedefinieerd als «behandelingen en (telefonische) consulten die vallen onder de volgende stromingen: acupunctuur en andere oosterse geneeswijzen, homeopathie, antroposofische alternatieve geneeswijzen, natuurgeneeswijzen, alternatieve bewegingstherapieën en psychosociale zorg». Voor alternatieve zorg is geen verwijskaart nodig van de Militair Geneeskundige Dienst (MGD); wel dient de alternatieve zorg te worden verleend door een door de SZVK aangewezen zorgaanbieder.
Hoe verhoudt het aanbieden door Defensie van alternatieve behandelingen, waar experts zeer kritisch op zijn, zich tot de zorgplicht van Defensie jegens diens personeel?
Zie het antwoord op vraag 6: Defensie biedt geen alternatieve behandelingen aan.
Deelt u de opvatting dat veteranen zoveel mogelijk via het Landelijk Zorgsysteem van Veteranen (LZV) behandeld moeten worden? Zo ja, hoe wilt u mensen dan motiveren om zich te laten behandelen via het LZV?
In hoeverre worden psychologische en HR-experts geraadpleegd door het Transitieteam Defensie en op grond van welke criteria wordt besloten alternatieve behandelingen binnen te halen?
Het Transitieteam haalt geen alternatieve behandelingen binnen.
Vindt u dat er aan de door de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gestelde voorwaarde om de werkzaamheden tussen het project BaseQamp en de commerciële tak van BaseQamp duidelijk te scheiden is voldaan?
Ja.
Vindt u ook dat zowel preventie als beleid bij posttraumatische stressstoornis (PTSS) en moral injury (morele verwondingen) onder veteranen grote aandacht behoeft? Wat is in de huidige praktijk het preventieve beleid binnen Defensie voor morele verwondingen onder (toekomstige) veteranen? Hoe zijn de bevindingen uit de verhalen uit het proefschrift van Tine Molendijk (2020) geïmplementeerd in het defensiebeleid?2
Bent u bereid om deze vragen voor het commissiedebat Personeel van 30 mei 2024 te beantwoorden?
Ik heb u middels mijn brief van 30 mei 2024 (referentie BS2024017897) laten weten dat ik beoogde de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden.
Aanbestedingsbureaucratie bij defensieaankopen |
|
Gijs Tuinman (BBB), Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelen «Met al die miljarden euro’s extra piept en kraakt de inkoop van legerspullen»1 en «Defensie gefrustreerd door bureaucratie: «Ik ben er klaar mee dat Nederland niks zelf kan»»?2
Ja.
Hoe reflecteert u op de huidige balans tussen aanbestedingsregelgeving en een effectief defensie-inkoopproces?
Het verwerven van goederen en diensten is onderworpen aan (Europese) aanbestedingsregelgeving, namelijk de Aanbestedingswet 2012 (AW2012) en de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV). Beide wetten bevatten uitzonderingsbepalingen en laten onverlet dat een beroep kan worden gedaan op artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan.
Er wordt nu ook gekeken in hoeverre aanpassingen nodig zijn van de nationale en Europese aanbestedingsregelgeving om te voorzien in de gereedstelling van de Krijgsmacht voor optreden in het kader van diens eerste hoofdtaak, nl. het verdedigen van het eigen grondgebied en dat van onze bondgenoten. Dat geldt in het bijzonder voor de inkoop van civiele goederen en diensten, omdat de AW2012 minder uitzonderingen heeft die geschikt zijn voor gereedstelling en ook nationale koppen bevat. De ADV bevat geen nationale koppen, voor aanpassing van de ADV zal in beginsel de Europese Richtlijn moeten worden gewijzigd.
Is er volgens u sprake van een vertragende aanbestedingsbureaucratie die de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht negatief beïnvloedt? Kunt u over uw antwoord uitweiden?
Het zo laag mogelijk houden van de administratieve lasten heeft constante aandacht. Zoals eerder toegezegd aan de leden Valstar (VVD) en Dassen (Volt)3 wordt de Kamer hier voor de zomer over geïnformeerd.
Het vinden van het goede evenwicht tussen een verantwoorde besteding van overheidsgeld, snelheid en rechtmatigheid is de opgave van Defensie bij de inkoop van het juiste product. Dit betekent ook dat we waar het gaat om de toepassing van de aanbestedingsregels scherper moeten gaan kijken naar het vinden van ruimte. We zien bij de inkoop voor Oekraïne dat daar snellere resultaten mogelijk zijn.
Tegelijkertijd blijft het hoe dan ook nodig om controleerbaar vast te leggen hoe Defensie overheidsgeld besteedt. Dit geldt ook als Defensie gebruik maakt van uitzonderingen, artikel 346 VWEU of de escalatieprocedure voor onrechtmatige inkopen.
Defensie werkt aan het vasthouden en bijstellen van dit goede evenwicht afhankelijk van het te verwerven product.
Hoe vaak wordt er gevolg gegeven aan het gebruik van Artikel 346, lid 1, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wat in de motie Knops en Van den Bosch (Kamerstuk 34 725 X, nr. 6) en de daaropvolgende kabinetsbrief (Kamerstuk 31 125, nr. 78) is toegezegd?
Defensie doet geen uitspraken over de frequentie van het toepassen van artikel 346 lid 1 sub b VWEU, dit vanwege de bescherming van het veiligheidsbelang waar artikel 346 lid 1 sub b VWEU voor wordt toegepast.
Worden in beginsel defensieprojecten aangelopen vanuit de uitzonderingsgronden uit het VWEU of met als uitgangspunt Europees aanbesteden?
De aanbestedingsstrategie wordt per project bekeken. Er is geen standaard uitgangspunt, zodat voor elk materieelproject de meest geschikte weg kan worden bewandeld. Daarnaast beoogt Defensie het oude mantra van beste product, voor de beste prijs los te laten en laat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder meewegen. Dit draagt ook bij aan de ambitie van meer standaardisatie en interoperabiliteit van systemen en materieel in Europa. Hier over is uw Kamer recent geïnformeerd4.
Kunt u zich vinden in de gedachte dat met het actuele dreigingsbeeld vaker een beroep moet worden gedaan op het landsbelang en daarmee de uitzonderingsgronden in het VWEU?
Ja, de mogelijkheid bestaat dat Defensie in de huidige geopolitieke omstandigheden meer dan voorheen een beroep op de uitzondering van artikel 346 VWEU zal doen. Dit kan als aan alle criteria voor de toepassing van dit artikel wordt voldaan. Deze afweging wordt voor elke aanschaf afzonderlijk gemaakt en vastgelegd.
Welke exacte regelgeving en procedures dragen het meeste bij aan de bureaucratie, complexiteit en administratieve last van defensieaankopen?
Defensiematerieel is vaak complex materieel. De inkoopregelgeving is maar een onderdeel van alles wat komt kijken bij de aanschaf van defensiematerieel. Daarnaast is er ook andere regelgeving die van toepassing kan zijn. Te denken valt aan gebieden zoals beveiliging en veiligheid, kwaliteit, arbo en milieu om maar een paar zaken te noemen. Het is niet aan te geven welke exacte regelgeving het meeste bijdraagt aan de complexiteit, omdat dit per aankoop kan verschillen.
Zijn er maatregelen te verwachten om de aanbestedingscomplexiteit en administratieve lastendruk voor Defensie te verlichten? Op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten?
Zoals eerder toegezegd aan de leden Valstar (VVD) en Dassen (Volt)5 wordt de Kamer hier voor de zomer over geïnformeerd.
De situatie in Soedan |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de onbevattelijke humanitaire ramp, mogelijk zelfs genocide, die zich in Soedan afspeelt waarbij 25 miljoen Soedanezen humanitaire hulp nodig hebben en het gevaar lopen te sterven door ondervoeding?
Ja.
Gezien de grote regionale betrokkenheid inclusief wapenleveranties, hoe gaat u de Nederlandse relaties met de landen in de regio inzetten voor de-escalatie van het conflict in Soedan? Bent u bereid om de bij het conflict betrokken landen in de regio, zoals de Verenigde Arabische Emiraten, aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om het wapenembargo van de VN na te leven?
In de afgelopen maanden heb ik met regionale partners gesproken over de zorgwekkende situatie in Soedan en de noodzaak tot een einde van het geweld. Ik heb daarbij mijn zorgen geuit over de dreigende hongersnood, het belang van naleving van het VN wapenembargo benadrukt en de Nederlandse wens uitgesproken dat ook betrokken landen in de regio zoals de VAE en Egypte zich aansluiten bij het Jeddah-proces, zodra dit hervat wordt. Landen in de regio hebben een cruciale rol in het bereiken van een staakt-het-vuren en het voorkomen van verdere escalatie en in Soedan. Nederland verwelkomt dan ook dat landen in de regio, inclusief de VAE, de Paris Declaration of Principles hebben ondertekend. Nederland zal daarover actief het gesprek blijven aangaan.
Zijn wat u betreft alle bureaucratische vereisten die zijn gesteld aan humanitaire organisaties om geld te kunnen ontvangen op dit moment realistisch? Op welke manier gaat u zich ervoor inzetten dat deze worden gemitigeerd?
De criteria en eisen die normaal gesproken aan grote humanitaire organisaties gesteld kunnen worden zijn vaak niet realistisch voor kleine lokale organisaties in de huidige context in Soedan. Nederland is er voorstander van dat juist ook die kleinere, lokale organisaties – zoals de Emergency Response Rooms (ERRs) – in Soedan de beschikking hebben of krijgen over hulpgelden, omdat zij kunnen opereren in gebieden waar andere (internationale) organisaties dat niet kunnen. In gesprekken met humanitaire partners pleit Nederland er daarom voor om juist deze kleine lokale organisaties te ondersteunen, ook als het daarbij nodig is de vereisten zo aan te passen dat ze voor deze organisaties realistisch zijn. Dit gebeurt onder meer vanuit Sudan Humanitarian Fund (SHF) van OCHA waaraan Nederland in 2024 bijdraagt met EUR 10 miljoen. Nederland heeft zich vanuit zijn rol in de Advisory Board van het SHF sterk gemaakt voor deze financiering van ERRs.
Bent u bereid te onderzoeken hoe Nederland financieel kan bijdragen aan lokale initiatieven die bureaucratische belemmeringen omzeilen, zoals de door jongeren geleide Emergency Response Rooms (ERR’s) die al 4 miljoen mensen hebben bereikt?
Nederland ondersteunt het Sudan Humanitarian Fund (SHF) van OCHA in 2024 met EUR 10 miljoen. Het SHF op haar beurt financiert lokale organisaties, zoals de Emergency Response Rooms. Hier heeft Nederland zich in de Advisory Board van het fonds hard voor gemaakt en dat is gelukt. Nederland ondersteunt daarnaast de organisaties van de Dutch Relief Alliance (DRA) met EUR 7,1 miljoen in 2024. Ook zij werken samen met Soedanese organisaties, waardoor het merendeel van de financiering bij hen terecht komt.
Bent u bereid andere donorlanden aan te sporen om flexibele financiële steun voor humanitaire hulpverlening te verhogen aan lokale NGO’s, CSO’s en ERR’s ook al voldoen zij niet altijd aan alle bureaucratische vereisten maar zijn ze wel momenteel noodzakelijk voor de hulp die zij verlenen?
Ja. Nederland is in continu gesprek met andere donoren en humanitaire partners (VN, DRA, Rode Kruis) over hoe we humanitaire hulp effectiever kunnen inzetten in Soedan. Dit doen we onder andere in multilateraal verband in New York, Rome en Geneve. Daar hoort het punt van financiering aan lokale organisaties ook bij.
Hoe kan Nederland zich in EU verband steviger inzetten om via het Intergovernmental Authority on Development (IGAD)/Jeddah-proces onbelemmerde toegang voor humanitaire hulp in Soedan te bewerkstelligen?
Nederland en de EU zetten zich onverminderd in voor verbetering van humanitaire toegang. De Speciaal Vertegenwoordiger voor de Hoorn van Afrika van de EU, Annette Weber, speelt hierbij een belangrijke rol. Zij is nauw betrokken bij het Jeddah proces en spreekt daarnaast met andere relevante actoren (o.a. IGAD, AU High Level Panel) om inspanningen te coördineren. Ook in bilaterale gesprekken met Golfstaten, like minded en de VN, brengt Nederland het punt van toegang consequent op. De diplomatieke inzet wordt versterkt door het EU sanctieregime waar momenteel zes bedrijven op staan. De EU bereidt momenteel additionele sancties voor om de druk op beide strijdende partijen verder op te voeren.
Kan u ingaan op hoe Nederland (in EU-verband) kan bijdragen aan het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij vredesonderhandelingen?
Op dit moment vinden geen actieve vredesonderhandelingen plaats. Wel worden naar verwachting onderhandelingen over een staakt-het-vuren op korte termijn hervat. Dit is een eerste voorwaarde, waarna vervolgens de besprekingen over vrede en een politiek proces kunnen plaats vinden. Hierbij steunt Nederland onder andere Taqqadum, een platform bestaande uit Soedanese civiele actoren. De Nederlandse financiële bijdrage heeft als doel het maatschappelijk middenveld en met name vrouwenorganisaties, nauwer bij dit proces te betrekken. Daarnaast steunt Nederland, via de EU, een organisatie met expertise op gebied van conflictbemiddeling en vredesopbouw, met als doel ervoor te zorgen dat de politieke besprekingen zo inclusief mogelijk zijn en daarmee breed gedragen door de Soedanese bevolking.
Ook is Nederland via zes strategische partnerschappen ter versterking van het maatschappelijk middenveld actief in Soedan. Twee van deze partnerschappen zijn specifiek gericht op vrouwengroepen en vredesinitiatieven.
Op welke manier steunt Nederland op dit moment de initiatieven voor het tot verantwoording roepen van de daders in Soedan? Zijn er voldoende middelen voor het Monitoring- en Rapportagemechanisme (MRM)?
Nederland ondersteunt monitoring van mensenrechten schendingen en accountability op de volgende manieren:
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor financiering voor het MRM ofwel nieuwe monitoringsinitiatieven? Op welke manier gaat u dit doen?
Het is van groot belang dat de Fact Finding Mission (FFM) het mandaat kan uitvoeren dat door de Mensenrechtenraadresolutie van 11 oktober 2023 is ingesteld. Door de VN-liquiditeitscrisis is het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) echter hard geraakt en is het werk van onderzoeksmechanismen, zoals van de FFM Sudan en Special Procedures in het gedrang gekomen. De FFM is intussen wel operationeel en conform het mandaat zal de FFM tijdens de zitting van de Mensenrechtenraad in juni een mondelinge update geven van hun werkzaamheden. Onderhandelingen hierover zijn voorzien tijdens de septemberzitting van de Mensenrechtenraad dit jaar. Nederland geeft verder een vrijwillige bijdrage aan OHCHR voor ondersteuning van accountability-mandaten, en roept ook andere landen op dat te doen.
Het bericht ‘In slechts 67 seconden slaagde de Georgische regeringspartij erin de Europese droom van talloze Georgiërs in gevaar te brengen’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «In slechts 67 seconden slaagde de Georgische regeringspartij erin de Europese droom van talloze Georgiërs in gevaar te brengen»?1
Ja.
Welke consequenties verwacht u dat het toch aannemen van deze wet heeft voor de vrije pers en mensenrechten in Georgië?
Zodra de wet van kracht wordt, moeten non-gouvernementele organisaties en mediaorganisaties die meer dan 20% van hun financiering uit het buitenland ontvangen zich verplicht registeren als «organisatie die de belangen van een buitenlandse mogendheid vertegenwoordigt». Dergelijke organisaties krijgen extra administratieve verplichtingen opgelegd en komen onder verscherpt toezicht te staan van het Georgisch Ministerie van Justitie. Ook moeten zij volledige inzage kunnen geven in al hun gegevens, inclusief financiële en persoonsgegevens. Indien de organisaties zich niet registreren of niet voldoen aan hun rapportageverplichtingen, kunnen hoge administratieve boetes worden opgelegd. Door de zware administratieve verplichtingen, stigmatisering en de beperkingen in het onafhankelijk opereren, zien veel organisaties de registratie als een groot probleem. De administratieve boetes en lasten die voortvloeien uit het niet registreren kunnen uiteindelijk leiden tot het staken van de activiteiten van de organisaties.
De Venetië Commissie van de Raad van Europa heeft een opinie opgesteld over de conformiteit van het wetsvoorstel met mensenrechtenstandaarden. De Commissie stelt dat de wet aanzienlijke negatieve gevolgen heeft op het recht op vereniging, vrijheid van meningsuiting, het recht op privacy, het recht om deel te nemen aan publieke aangelegenheden en het verbod op discriminatie. Gesteld wordt dat een open en geïnformeerd publiek debat, pluralisme en de democratie hiermee worden aangetast.
Welke consequenties heeft het aannemen van deze wet op de stabiliteit en daarmee de vrede en veiligheid in de Zuidelijke Kaukasus, de Europese Unie (EU) en Nederland?
In de externe communicatie vanuit de EU Hoge Vertegenwoordiger, de Europese Commissie, het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken en andere lidstaten werd duidelijk gemaakt dat de Georgische regering zich met de aanname van deze wet verwijdert van de Europese Unie (EU). Hoewel grote aantallen Georgische burgers de afgelopen weken massaal protesteerden voor hun Europese toekomst, Europese waarden en tegen de aanname van de wet, is er door de Georgische regering geen gehoor gegeven aan dit geluid. Hiermee neemt de politieke instabiliteit en polarisatie in Georgië verder toe. Rekening houdend met de complexe regionale context, en het belang van veiligheid en stabiliteit in de zuidelijke Kaukasus, houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Welke consequenties heeft het aannemen van deze wet op de toetredingsonderhandelingen van Georgië tot de Europese Unie?
In december 2023 werd Georgië kandidaat-lidstaat van de Europese Unie, met dien verstande dat de regering opvolging zou geven aan de, door de Europese Commissie geïdentificeerde, 9 stappen. Naar aanleiding van de recente negatieve ontwikkelingen, waaronder de aanname van de wet, publiceerden de Europese Commissie en de EU Hoge Vertegenwoordiger, mede op aandringen vanuit Nederland, op 15 mei 2024 een statement waarin werd gesteld dat de aanname van de wet een negatieve impact heeft op het EU-toetredingstraject van Georgië. De Georgische autoriteiten werden opgeroepen om de wet in te trekken en zich te committeren aan de implementatie van de 9 stappen. Zo lang er geen progressie wordt geboekt op de 9 stappen, is voor het kabinet het openen van de toetredingsonderhandelingen niet aan de orde.
Gezien de gelijkenissen van deze wet met vergelijkbare wetgeving in Rusland, hoe duidt u de recente ontwikkelingen in relatie tot Russische hybride oorlogvoering en maatschappelijke beïnvloeding?
Het is bekend dat Rusland verschillende hybride dreigingen inzet om geopolitieke doelen te bewerkstelligen. In de huidige politieke situatie is Georgië extra kwetsbaar voor dergelijke dreigingen. Het kabinet heeft er notie van genomen dat de wetten gelijkenissen met elkaar vertonen, en houdt met extra aandacht zicht op de situatie.
Welke mogelijkheden ziet u om, al dan niet in EU-verband, aanvullende stappen te zetten om het maatschappelijk middenveld in Georgië verder te ondersteunen?
Via onder meer Matra en het mensenrechtenfonds steunt Nederland al ruim dertig jaar het maatschappelijk middenveld in Georgië. Ook nu hun functioneren wordt bemoeilijkt zal Nederland de steun aan het maatschappelijk middenveld zoveel mogelijk voortzetten. Daarnaast heeft Nederland de EU verzocht om te inventariseren op welke manieren het EU instrumentarium in dit kader verder benut kan worden.
Welke mogelijkheden ziet u om, al dan niet in EU-verband, de Georgische bevolking verder te steunen in hun streven naar vrijheid, democratie, en rechtsstaat?
Nederland en de EU hebben afgelopen weken duidelijk uitgesproken de Georgische burgers te blijven steunen in hun streven naar een Europese toekomst van het land en de daarbij behorende idealen. Ook is duidelijk gecommuniceerd dat de huidige ontwikkelingen een negatief effect hebben op het toetredingsproces. De Georgische parlementaire verkiezingen in oktober zullen een cruciaal ijkmoment vormen. Nederland zal de komende maanden blijven uitdragen dat deze verkiezingen vrij en eerlijk moeten verlopen. Onafhankelijke verkiezingswaarnemingsmissies, zoals die van OVSE/ODHIR, hebben hierin een onmiskenbare rol.
Bent u bereid om op te roepen tot een Buitengewone Raad Buitenlandse Zaken, om de situatie te bespreken en een Europese aanpak te coördineren?
Op 27 mei jl. werd de politieke situatie in Georgië voor het eerst besproken door de Raad Buitenlandse Zaken. Hier werd geconcludeerd dat Georgië als volledig agendapunt zal worden opgenomen tijdens de volgende bijeenkomst van de Raad op 24 juni. Mogelijk zal de situatie ook aan de orde komen tijdens de volgende Europese Raad. Nederland is voorstander van aanhoudende dialoog binnen de verschillende Brusselse diplomatieke gremia over het situatie. Het oproepen tot een Buitengewone Raad Buitenlandse Zaken wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht.
De Working Group Meeting over de Verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat een Nederlandse delegatie deze week aanwezig is bij de Europese Working Group Meeting over de Verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten?1
Ja, ik kan bevestigen dat Nederland aanwezig was bij de Raadswerkgroep van 15 en 16 mei jl. waar is gesproken over het voorstel tot een Verordening over het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten.
Kunt u uiteenzetten wat de Nederlandse inbreng bij deze bijeenkomst zal zijn?
De Nederlandse inzet ten aanzien van het voorstel is in grote lijnen uiteengezet in het BNC-fiche dat 22 december 2023 naar de Kamer is verzonden. De inbreng van de Nederlandse delegatie tijdens de Raadswerkgroepen is onder meer gericht op het verduidelijkt en voldoende specifiek krijgen van algemeen en open geformuleerde voorschriften.
Wordt, naar uw visie, met het huidige voorstel het doel van de Verordening bereikt, namelijk de goede bescherming van honden en katten in Europa?
Op dit moment is er op EU-niveau nog geen regelgeving over het welzijn van honden en katten. Zoals aangegeven in het BNC-fiche verwelkomt Nederland in beginsel dit voorstel. Het voorstel zet stappen in de juiste richting. De Nederlandse inzet is erop gericht om het niveau van bescherming van honden en katten nog verder te verbeteren en het voorstel op dat punt te verbeteren.
Kunt u toezeggen dat Nederland zich bij deze bijeenkomst zal inzetten voor een verbod op het fokken van honden en katten met korte snuiten? Zo nee, waarom niet?
Dit betreft een van de speerpunten van de Nederlandse inzet en is ook reeds ingebracht.
Kunt u toezeggen dat Nederland zich bij deze bijeenkomst zal inzetten voor een chipplicht voor alle honden en katten, waaronder zwerfdieren en dieren die niet worden verhandeld? Zo nee, waarom niet?
In Nederland geldt al een chipplicht voor honden. Momenteel wordt gewerkt aan een nationale chip- en registratie plicht voor katten. Nederland is in principe voorstander van een chipplicht voor alle honden en katten en heeft in de Raadswerkgroep deze brede wens tot verplichte I&R – voor zover daar op EU-niveau juridische mogelijkheden toe zijn – ook naar voren gebracht. Tot een volledige I&R-plicht van alle honden en katten zal het in EU-verband echter waarschijnlijk niet komen. Er zullen naar verwachting in beperkte mate uitzonderingen zijn.
Kunt u toezeggen dat Nederland zich bij deze bijeenkomst zal inzetten voor diervriendelijke oplossingen voor zwerfdieren, zoals identificatie, registratie en sterilisatie? Zo nee, waarom niet?
Het Verordeningsvoorstel richt zich op het op de markt brengen van honden en katten. Het toepassingsbereik van het voorstel omvat geen aanpak van zwerfdierproblematiek.
Sluit dit voorstel aan bij de bestaande voorschriften van de Diergezondheidsverordening als het gaat om de registratieverplichting van alle fokkers? Zo nee, waarom wordt niet voor deze harmonisatie gekozen?
Er wordt een notificatie- en registratieplicht voorzien van fokkers. Beoogd wordt dat lidstaten gebruik kunnen maken van de informatie die reeds beschikbaar komt op basis van de EU-diergezondheidsverordening (artikel 84). In dat geval kunnen deze fokkers worden vrijgesteld van deze notificatie- en registratieplicht.
Bent u ervan op de hoogte dat particuliere, kleinschalige handel vaak als dekmantel wordt gebruikt voor grootschalige, bedrijfsmatige handel, terwijl in het huidige voorstel de kleinschalige handel wordt vrijgesteld van (registratie)verplichtingen?
Ik ben hiervan op de hoogte. In de discussies over de (registratie-)verplichtingen wordt er op ingezet om particuliere, kleinschalige handelaren niet vrij te stellen van een registratieplicht en andere verplichtingen.
Deelt u de mening dat door de uitzondering voor kleinschalige handel dierenleed en fraude ongezien blijft?
Ja. Het voorstel zet stappen in de goede richting voor een beter dierenwelzijn en betere traceerbaarheid, maar dierenleed en -fraude zal nooit volledig voorkomen kunnen worden. In de discussies over de (registratie-)verplichtingen wordt er op ingezet om particuliere, kleinschalige handelaren niet vrij te stellen van een registratieplicht en andere verplichtingen.
Kunt u toezeggen dat Nederland zich bij deze bijeenkomst zal inzetten voor een registratieplicht voor alle fokkers van honden en katten? Zo nee, waarom niet?
Er wordt een notificatie- en registratieplicht voorzien voor alle fokkers die puppy’s of kittens op de markt brengen en dat wordt vanuit NL ondersteund.
Kunt u deze vragen één voor één en nog deze week beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord, maar het is niet gelukt om de vragen binnen de zeer korte termijn van twee dagen te beantwoorden.
Bent u bekend met het artikel «Optimising Dutch Air and Space Power Policy Recommendations for Defending the Netherlands and Deterring Aggression as Part of NATO», gepubliceerd door de Royal United Services Institute (RUSI) in opdracht van het Ministerie van Defensie?1
Ja.
Bent u het eens met de bevinding dat Defensie de laatste jaren diverse rapporten heeft laten opstellen over de verschillende militaire domeinen van optreden (land, zee, cyber en nu ook lucht enspace), waarbij de conclusie iedere keer was dat Defensie te veel met te weinig middelen wil doen en er keuzes moeten worden gemaakt?
Met de Defensienota 2022 zijn belangrijke stappen gezet in het herstel en groei. In het licht van de verslechterde veiligheidssituatie waren deze investeringen noodzakelijk om aan onze grondwettelijke taken te voldoen. Maar we zijn er nog lang niet. Het versterken van de Defensieorganisatie kost tijd, mede omdat de jarenlange bezuinigingen op Defensie hun tol hebben geëist. Daarnaast zullen er altijd keuzes moeten worden gemaakt, zelfs wanneer ten minste 2% van het BBP aan Defensie wordt besteed.
Kunt u uitleggen hoe het proces bij Defensie eruitziet zodra er keuzes moeten worden gemaakt die over domeingrenzen heengaan en wat de rol van de Commandant der Strijdkrachten daarin is als kennisautoriteit militair optreden?
Defensie volgt en analyseert continu trends die zich in het veiligheidsdomein voordoen. Dit zijn onder andere geopolitieke ontwikkelingen, bedreigingen voor de Nederlandse veiligheidsbelangen en karakteristieken van de toekomstige operationele omgeving. Vervolgens wordt bepaald welke invloed deze aspecten hebben op het veiligheidslandschap en wat deze specifiek voor Defensie betekenen. Deze analyses stellen de CDS in staat om in samenwerking met DG-Beleid militaire adviezen op te stellen. Deze adviezen beogen een balans te vinden tussen de doelstellingen, de manier waarop deze gerealiseerd moeten worden en de benodigde (militaire) vermogens. Het kabinet zal deze keuzes uitwerken in een Defensienota, die uiterlijk met Prinsjesdag met de Kamer wordt gedeeld.
Ziet u de noodzaak om ook een rapport te laten opstellen dat specifiek ingaat op het operationele concept van de NAVO (Multi Domein Optreden (MDO)), de vernieuwde dreigingsscenario’s en de NAVOcapability targets en wat dat betekent voor de inrichting van de Nederlandse krijgsmacht, gelet op de diverse deelrapporten op het gebied van domeinspecifiek optreden?
In de bestaande analyses en processen waarmee doorlopend richting wordt gegeven aan de inrichting van de NLD krijgsmacht worden dreigingsscenario’s, conceptuele ontwikkelingen zoals MDO, en de ontwikkelingen rond de NAVO capaciteitendoelstellingen structureel meegenomen. De NAVO vormt immers de hoeksteen voor ons veiligheidsbeleid. Zie ook het antwoord op vraag 3. Daarbij wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de kennis en expertise van nationale en internationale kennis- en onderzoeksinstituten, waaronder TNO en Clingendael.
Voor de inzet en inrichting van de toekomstige krijgsmacht is MDO als kern van het militair optreden een uitgangspunt. De basis hiervoor is het NAVO MDO-concept, dat onder regie van het Allied Command Transition (ACT) met medewerking van alle lidstaten is ontwikkeld. De implementatie van MDO is een belangrijk speerpunt binnen de NLD krijgsmacht en wordt momenteel verder uitgewerkt door een speciaal daarvoor ingericht team onder leiding van de CDS. TNO en NLR ondersteunen hierbij middels een breed onderzoeksprogramma.
Het MDO-concept, de NAVO capaciteitendoelstellingen en andere (inter)nationale verplichtingen vormen belangrijke kaders voor de capaciteitsontwikkeling en benodigde investeringen voor een slagvaardige en toekomstbestendige krijgsmacht.
Deze thema’s zijn geborgd in bestaande (interne) processen en er is structurele samenwerking en kennisuitwisseling met internationale partners en kennis- en onderzoeksinstituten op dit gebied. Deze thema’s krijgen de nodige aandacht in bijvoorbeeld de Defensienota. Daarom acht ik het opstellen van een separaat rapport over deze thema’s momenteel niet nodig.
Kunt u reflecteren op de uitkomsten van het rapport en of die in lijn waren met eerdere resultaten van Nederlandse capaciteitsanalyses enbenchmarksop het gebied van Nederlandse air power?
Het RUSI rapport is de eerste uitgebreide analyse uitgevoerd op het Nederlandse lucht- en ruimteoptreden, gericht op de dreiging van de Russische Federatie. Echter, middels de Defensienota 2022 (Kamerstuk 36 124, nr. 1) heeft het kabinet gerichte keuzes gemaakt ter versterking van de krijgsmacht, waaronder in lucht- en raketverdediging. Ook zijn er in de voorjaarsnota extra middelen ter beschikking gesteld voor luchtverdediging en munitie en heeft Defensie haar eerste ruimtestrategie gepubliceerd. Het kabinet onderschrijft de conclusie van het RUSI rapport dat meer investeringen nodig zijn, waaronder op het gebied van voortzettingsvermogen. De verslechterde mondiale veiligheidssituatie maakt het noodzakelijk dat we doorgaan met het versterken van de krijgsmacht in de gehele breedte en diepte. Daarbij hebben 30 jaar bezuinigingen diepe sporen getrokken binnen de gehele Nederlandse defensie en dus ook in de luchtmacht. Het RUSI rapport maakt wat betreft het kabinet duidelijk dat een verdere groei naar ten minste 2% noodzakelijk is om toegerust te zijn op een mogelijk conflict.
Bent u het eens met de gevolgtrekkingen van het rapport dat Nederland om haarair power te optimaliseren keuzes moet maken, waarbij het doorbreken van de A2AD-dreiging met suppression/destruction of enemy air defences (SEAD/DEAD) de eerste prioriteit zou moet krijgen met de F-35 als zwaartepunt en dat taken zoals close air support en helikoptersteun zouden moeten wijken?
Rusland vormt de meest significante en directe bedreiging voor vrede, veiligheid en stabiliteit op het Europese continent2 Zij beschikt over een geavanceerde Anti-Acces Area Denial (A2AD) capaciteit gevormd door Integrated Air Defence System (IADS) en Electronic Warfare (EW) capaciteiten. Het huidige conflict in Oekraïne toont aan dat het creëren en behouden van luchtoverwicht van cruciaal belang is om vrijheid van handelen mogelijk te maken, om zowel het land alsook het maritieme domein vanuit de 3e dimensie een asymmetrisch voordeel te kunnen bieden. Luchtsteun vergroot de vrijheid van handelen voor zowel het land als maritieme domein. Daarvoor is een robuuste SEAD/DEAD-capaciteit nodig waarmee de NAVO in staat is om effectief de Russische A2AD-capaciteit uit te schakelen. Dit draagt bij aan de afschrikking van verdere agressie door Rusland, middels het concept van deterrence by denial. Deze capaciteit is binnen de Europese bondgenoten van de NAVO beperkt aanwezig. Mede daarom heeft Defensie besloten de SEAD/DEAD capaciteit te versterken en in de Defensienota 2022 aangekondigd te investeren in verbeterde Anti-A2AD-bewapening voor de F-35 (Kamerstuk 27 830, nr. 402), en spitst de training verder toe op deze complexe taak.
Bent u het eens met de U.S. Joint Air Power Competence Centre dat SEAD en DEAD een echtejointactiviteit is, waarbij de andere domeinen ook activiteiten zoals cyberhacks, speciale operaties en het via land aangrijpen van knooppunten en vijandelijke lucht- en raketsystemen in samenhang moeten uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe krijgt dat vorm in alle plannen en investeringstrajecten?
Ja. Het doel van SEAD/DEAD is het uitschakelen van (delen van) vijandelijke A2AD-capaciteiten om vrijheid van handelen op het slagveld te creëren en behouden en is inherent een joint activiteit. Defensie erkent dat gesynchroniseerde activiteiten vanuit zowel het lucht, land, maritieme, cyber en space-domein noodzakelijk zijn om het voornoemde doel te kunnen bereiken. Om die reden zijn voortkomend uit de Defensienota 2022 niet alleen specifieke maatregelen genomen om de SEAD/DEAD capaciteit van de Luchtmacht te verbeteren (o.a. met uitbreiding van het aantal F-35 jachtvliegtuigen en verbeterde Anti-A2AD-bewapening voor de F-35 (Kamerstuk 27 830, nr. 402)), maar ook in Deep Strike capaciteiten maritiem en land (Kamerstuk 27 830, nr. 376 en 391). Daarnaast is met de Defensienota 2022 ingezet op de versterking van Special Operations Forces (SOF), welke ook een rol kunnen spelen in operaties gericht op SEAD/DEAD. Tot slot zijn cyber en space in het doorlopende proces van krijgsmachtontwikkeling geïdentificeerd als belangrijke ontwikkelgebieden voor een toekomstbestendige inrichting van onze krijgsmacht.
Overweegt u om de resterende Nederlandse F-16»s aan te houden of modernere F-16»s te verwerven om efficiënt en effectief invulling te kunnen geven aan het ondersteunen van het grondoptreden metAir Interdiction of Close Air Support?
Nee. Op dit moment bevindt de Nederlandse Luchtmacht zich in de laatste fase van de transitie van de F-16 naar de F-35, waarbij de F-35 dit jaar de status Fully Operational Capability (FOC) bereikt en alle taken van de F-16 overneemt. Daarna bouwt de F-35 capaciteit de aankomende jaren verder op tot drie volwaardige squadrons. Gedurende de transitieperiode is het personeel (technische personeel en vliegers) stapsgewijs omgeschoold van de F-16 naar de F-35 in overeenstemming met de afbouw van de F-16 capaciteit. De Kamer wordt hierover jaarlijks geïnformeerd middels de Voortgangrapportage Project Verwerving F-35 (Kamerstuk 26 488, nr 476). Het gevolg hiervan is dat de personele capaciteit voor de F-16 vanaf 2024 onvoldoende is om de F-16 als tweede jachtvliegcapaciteit in stand te houden en in te zetten. Daarnaast wordt een deel van de resterende Nederlandse F-16’s gereed gesteld en geleverd aan Oekraïne (Kamerstuk 36 045, nr. 166 en Kamerstuk 36 045, nr. 173).
Kunt u toelichten welke implicaties de aanbevelingen van prof. Justin Bronk in het artikel hebben voor de Nederlandse Luchtmacht van de toekomst in het NAVO MDO-concept?
Het NAVO Multi Domein Optreden (MDO) concept is een conceptuele koers voor de ontwikkeling van NAVO’s manier van optreden in de toekomst. Zodanig informeert het MDO-concept het NATO Defense Planning Process (NDPP) waarin de benodigde capaciteiten om effectieve Multidomein Operaties uit te voeren vastgesteld worden en toegewezen aan de bondgenoten. De aanbevelingen van prof. Bronk met betrekking tot Europese shortfalls in het luchtdomein zijn in lijn met inzichten die NAVO hieromtrent opgedaan heeft binnen het NDPP. Een typische MDO-missieset betreft Counter Anti Access/Area Denial (C-A2/AD). De bijdrage van het luchtwapen (o.a. dat van Nederland) aan deze missieset die vraagt om geïntegreerde effecten uit alle domeinen, betreft onder andere SEAD/DEAD-missies voor F-35s (inclusief alle benodigde ondersteuning en munitie) en penetrating Intelligence Surveillance and Reconnaissance (ISR) middelen, zoals prof. Bronk benoemd.
Hoe verklaart u de harde conclusies die RUSI trekt over de inzetbaarheid van de F-35?
Zoals reeds in het antwoord op vraag 8 toegelicht heeft de Nederlandse Luchtmacht zich de afgelopen jaren ingespannen voor een succesvolle transitie naar de F-35, met het doel om dit jaar alle taken van de F-16 over te nemen. Gedurende deze periode is tegelijkertijd de inzetbaarheid van de F-16 gehandhaafd en personeel om die reden stapsgewijs omgeschoold van de F-16 naar de F-35. In combinatie met de afgelopen jaren van bezuinigingen, operationele inzetten van zowel de F-16 alsook de F-35 en uitdagingen in de beschikbaarheid van materieel en ondersteunende apparatuur, betreft dit geen gemakkelijke opgave en heeft dit zijn invloed gehad op de inzetbaarheid van de F-35. Inmiddels heeft de Nederlandse Luchtmacht verschillende maatregelen genomen om de inzetbaarheid van de F-35 te vergroten. Zo is er structureel nauw overleg met het F-35 programma en de Amerikaanse overheid om de beschikbaarheid van het voornoemde materieel en ondersteunende apparatuur te vergroten. Ook wordt onderzocht hoe met industriële partners de doorlooptijden van onderhoud kunnen worden verkleind. De Kamer is hierover geïnformeerd middels de laatste twee voortgangsrapportages project Verwerving F-35 (Kamerstukken 26 488, nr. 473 en 476). Verder zal het afstoten van de F-16 ten behoeve van Oekraïne aan het einde van dit jaar en de omscholing van het laatste deel van het personeel tevens een positieve invloed hebben op de inzetbaarheid van de F-35.
Zijn de inzichten uit het RUSI-rapport betrokken bij de A-brief «Programma doorontwikkeling F-35» (Kamerstuk 26 488, nr. 475)? Op welke wijze is dat gebeurd, en zo niet, hoe gaat u dat alsnog doen, aangezien deze brief aan de Kamer twee maanden voor het uitbrengen van het RUSI- rapport werd verzonden?
De keuze om de doorontwikkeling van de F-35 in een programmatische aanpak vorm te geven staat los van het RUSI-rapport. Deze keuze is gebaseerd op het feit dat de doorontwikkeling van dit vliegtuig niet zelfstandig door Nederland wordt uitgevoerd, maar gezamenlijk met de partnerlanden in het F-35 programma. Onder leiding van het F-35 Joint Program Office (JPO) wordt de F-35 doorontwikkeld volgens de methodiek van Continuous Capability Development and Delivery (C2D2). Deze methodiek beoogt snel in te spelen op nieuwe dreigingen en technologische ontwikkelingen. Inzichten uit het RUSI-rapport kunnen wel relevant zijn voor het stellen van prioriteiten voor air power en in de doorontwikkeling van de F-35, en zullen door Defensie worden meegenomen bij het bepalen van de Nederlandse inbreng in het internationale programma.
Wat betreft de doorontwikkeling van de F-35 raamt u 5,8 miljard euro voor de komende dertig jaar en geeft u aan taakstellend te kunnen blijven, terwijl de Amerikanen onder druk van de Amerikaanse Rekenkamer de Block 4-upgrade een losstaand programma (Major Acquisition Program) maken en er zorgen zijn over de haalbaarheid voor 2030; hoe verhoudt zich dit tot de eerdergenoemde A brief «doorontwikkeling F-35»?
De situatie in de Verenigde Staten is anders dan hier in Nederland. Het Amerikaanse F-35 JPO is leidend in het programmamanagement van de doorontwikkeling van de F-35, en binnen de genoemde C2D2 methodiek worden kleinere en grote updates ontwikkeld en geïmplementeerd. De genoemde Block 4 upgrade omvat meerdere verbeteringen en wordt nu inderdaad op advies van de Amerikaanse Rekenkamer als een subprogramma van het grotere F-35 programma aangestuurd. Daarmee komt er in de Verenigde Staten aanvullend toezicht op het verloop van deze upgrade wat zal leiden tot meer transparantie. Ook voor de informatievoorziening aan de Kamer heeft dit positieve gevolgen.
Het programma doorontwikkeling F-35 omvat echter meer dan alleen de grote Block 4 upgrade: er zijn ook diverse kleinere upgrades die uit het programma-budget worden gefinancierd, en met de voorgenomen programmatische aanpak ontstaat een completer beeld wat de doorontwikkeling van het wapensysteem op de lange termijn kost. Verder biedt een overkoepelende programma-aanpak meer flexibiliteit om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld als specifieke upgrades worden versneld of vertraagd.
Kunt u uitleggen welke afwegingen u heeft gemaakt om de breed gesteunde motie Boswijk en Van Dijk (Kamerstuk 36 410 X, nr. 76) niet uit te voeren, maar in hetzelfde tijdsbestek wel de A-brief «doorontwikkeling F-35» aan de Kamer te sturen?
De aangenomen motie van Boswijk en Van Dijk betrof de behoeftestelling voor de oprichting van een tankbataljon. Echter, aan deze motie kan Defensie op dit moment geen invulling geven omdat binnen de afspraken van het Defensiematerieelproces (DMP) het niet toegestaan is een A-brief te versturen zonder financiële dekking op de begroting. Na het opstellen van de begroting 2025, kunnen projecten aanvullend op de Defensienota 2022 worden gestart.
Defensie volgt vanwege de internationale aspecten van het programma «Doorontwikkeling F-35» niet de standaardfasering van Defensie Materieelproces (DMP, Kamerstuk 27 830, nr. 431). De brief over de doorontwikkeling van de F35 is daarom geen A-brief maar een programmabrief. De Kamer zal jaarlijks worden geïnformeerd over de voortgang en de mate waarin verplichtingen worden aangegaan. De uitgaven voor deze doorontwikkeling worden financieel gedekt vanuit het investeringsprogramma.
Onderschrijft u de visie van het RUSI-rapport dat kritisch is over de doctrinaire rol van de Nederlandse Luchtmobiele Brigade binnen het Commando Landstrijdkrachten? Waarom?
De NAVO vraagt naast zware capaciteiten ook om snel inzetbare (lichte) eenheden die over grote afstand verplaatst kunnen worden, zoals de Allied Response Force. Bij de inzet van snel inzetbare eenheden zoals de Luchtmobiele brigade (of het Korps Mariniers) wordt, zoals bij elke capaciteit, doctrinair rekening gehouden met zowel de operationele voordelen als de kwetsbaarheden. Naast verplaatsen via de lucht vergroten we daarom de inzetmogelijkheden van de brigade door ook de grondmobiliteit te verbeteren o.a. met het nieuwe luchtmobiele voertuig.
Om de impact van de bevindingen van het RUSI-rapport over de richting die Nederlandseair power op zou moeten gaan te beoordelen, is het cruciaal dat de Kamer een goed beeld heeft van hoe het luchtoptreden randvoorwaardelijk is voor met name het land of maritieme optreden; kunt u dat toelichten?
Het optreden van de krijgsmacht en het veranderende karakter van oorlogsvoering vereisen in toenemende mate gesynchroniseerde en geïntegreerde effecten uit alle domeinen. Het luchtdomein kan derhalve een versterkend effect hebben op de effecten in het land- of maritieme domein. Het luchtoptreden onderscheidt zich door de karakteristieken «hoogte», «snelheid» en «bereik». Hierdoor dragen activiteiten in het luchtdomein, naast dat deze zelfstandig kunnen bijdragen aan het behalen van strategische, operationele en tactische effecten, ook significant bij aan de versterking van effecten in zowel het land- alsook het maritieme domein. Uit recente conflicten blijkt dat het luchtoptreden, vooral in de eerste fase van een conflict, cruciaal is voor het behalen en behouden van luchtoverwicht (control of the air). Met dit luchtoverwicht neemt de vrijheid van handelen in het land- en maritieme domein sterk toe waarmee het optreden op land en op zee effectiever wordt. De huidige oorlog in Oekraïne laat zien dat het niet beschikken over luchtoverwicht aan beide kanten kan bijdragen tot een statisch conflict waarin beide partijen zeer beperkt zijn in hun vrijheid van handelen.
Vrijwel elke vorm van militair optreden begint bij een goed beeld van de omgeving. Door de bolling van het aardoppervlakte is het sensorbereik van schepen en landsystemen beperkt. Middels het uitvoeren van Intelligence, Surveillance en Reconnaissance (ISR) taken, vergoot luchtoptreden het beeld voor schepen en landoptreden. Het luchtoptreden draagt binnen het maritieme domein bijvoorbeeld bij aan het detecteren en identificeren van doelen (o.a. vijandelijke vlootverbanden of onderzeeërs), het doorgeven van doelinformatie om deze aan te grijpen of het zelf aangrijpen van dergelijke doelen middels de inzet van eigen wapens. Dit noemen we Anti Surface Warfare (ASuW) en Anti Submarine Warfare (ASW); het laatste is tevens cruciaal in de bescherming van het eigen vlootverband.
De karakteristieken «snelheid» en «bereik» maken het ook mogelijk om snel mensen, materieel en voorraden over grote afstanden te verplaatsen; ook op land of tussen land en schepen. Dit omdat personeel, materieel of voorraden snel nodig zijn voor het gevecht ter plaatste, of voor de afvoer vanaf de gevechtslocatie. Tevens draagt gewapende inzet van luchtwapensystemen direct bij aan het uitschakelen van vijandelijke eenheden op het gevechtsveld om doorbraken binnen het landdomein te bewerkstelligen of eigen landeenheden te beschermen tegen aanvallen van vijandelijke eenheden. Ten slotte wordt het luchtdomein ook breed gebuikt door (onbemenste) middelen van zowel maritieme als landsystemen. Een luchtruim waarvan vrij gebruik gemaakt kan worden moet bevochten worden en continu bevochten blijven om te behouden. Dus met (tijdelijk en plaatselijk) luchtoverwicht wordt en blijft de 3e dimensie een essentieel domein voor alle overige domeinen.
Kunt u conceptueel uitleggen hoe deair-component de randvoorwaardelijk taken uit dient te voeren en welke Nederlandse luchtcapaciteiten daar cruciaal en van minder belang voor zijn?
De Nederlandse luchtmacht beschikt over verschillende luchtwapensystemen die, de in de beantwoording van vraag 15 benoemde taken, kunnen uitvoeren. De meeste luchtwapensystemen kunnen één of meerdere van deze taken uitvoeren. Verschillen zijn te onderscheiden door o.a. afstanden, gewicht dat deze systemen mee kunnen nemen, mate van bescherming tegen aanwezige dreigingen en specifieke bewapening om doelen aan te grijpen in het land- of maritieme domein. Al deze luchtwapensystemen zijn cruciaal voor de ondersteuning van het land- en maritieme optreden; een aantal maken geïntegreerd deel uit van het operationele concept van een vlootverband of van Air Maneuver binnen het landdomein.
Over de aanschaf van vier extra MQ-9 Reapers heeft het lid Tuinman eerder al schriftelijke vragen gesteld en in dit RUSI-rapport komt wederom een kritisch geluid over deze aanschaf in het kader van de huidige gebezigde NAVO-scenario’s, dat leidt tot de vraag of u het advies om de vier extra toestellen te annuleren overneemt en zo nee, waarom niet?
Zoals opgenomen in de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Tuinman (Kamerstuk ah-tk-20232024, nr. 911) blijft de MQ-9 onderdeel van de krijgsmacht welke meer en meer zal bestaan uit onbemenste systemen. Defensie beschikt met uiteindelijk acht MQ-9 toestellen over een Airborne Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR) capaciteit die in staat is gelijktijdig op twee assen, boven land en boven zee, hoogwaardige informatie te verzamelen. Het uitbreiden en versterken van de huidige MQ-9 Medium Altitude Long Endurance Unmanned Aerial System (MALE UAS) capaciteit draagt bij aan het vermogen van Defensie om Informatie Gestuurd Optreden mogelijk te maken en geeft invulling aan het door Nederland geaccepteerde NAVO Air capability target ten aanzien van Joint ISR-capaciteit. Zo draagt de MQ-9 momenteel bij aan Air Shielding operaties aan de NAVO Oostflank. Door langs de grens van het NAVO-grondgebied en over internationale wateren te vliegen, verzamelt de MQ-9 inlichtingen die bijdragen aan het opbouwen van een accuraat situationeel beeld.
Deelt u de mening van het RUSI-rapport dat lucht- en raketverdediging in eerste aanleg bij de hoogste NAVO-commandant moet worden neergelegd, gezien het feit dat Nederland naast NAVO artikel 5, de bondgenootschappelijke verdediging, ook een verantwoordelijkheid in NAVO artikel 3,resilienceheeft?
De NAVO heeft een geïntegreerde lucht- en raketverdediging (Integrated Air and Missile Defence, IAMD) om het NAVO-verdragsgebied te beschermen tegen luchtdreigingen. Daarbij werken bondgenoten nauw samen om hun nationale luchtverdedigingssystemen geïntegreerd te laten optreden. Omdat luchtverdedigingscapaciteiten hoog technologisch en kostbaar zijn, en daarom relatief schaars, moeten keuzes worden gemaakt in te verdedigen locaties. Met het oog op deze keuzes bepalen bondgenoten in overleg met de NAVO welke luchtverdedigingscapaciteiten zij beschikbaar kunnen stellen aan de NAVO. De NAVO bepaalt vervolgens waar en hoe deze capaciteiten zo optimaal mogelijk worden ingezet. Daarbij speelt mee of het bondgenootschap zich in vredes-, crisis- of conflicttijd bevindt, omdat SACEUR verschillende bevoegdheden heeft in de verschillende fasen. In geval van een crisis of conflict kan besloten worden om SACEUR meer bevoegdheden te geven. Het is belangrijk dat NAVO’s luchtverdedigingscapaciteiten aansluiten op deze NAVO-systematiek. Nederland kiest er voor te investeren in schaarse luchtverdedigingsmiddelen.
Hoe komt het dat grondgebonden lucht- en raketverdediging in Nederland onderdeel uitmaakt van de Landmacht, maar qua optreden onder de Luchtmacht wordt geschaard?
In 2011 heeft Defensie er met de oprichting van het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigings Commando (DGLC) voor gekozen om alle grondgebonden luchtverdedigingseenheden onder te brengen in één eenheid, onder Single Service Management van het Commando Landstrijdkrachten. De eenheid is gevuld met landmacht, luchtmacht en marine personeel. Dit is een bedrijfsvoeringskeuze.
Verschillende landen doen dit op een andere manier. Zo zijn bijvoorbeeld Amerikaanse PATRIOT-eenheden ingedeeld bij de landmacht en Duitse PATRIOT-eenheden bij de luchtmacht. Beide zijn even effectief en kunnen bij inzet zowel landmacht- als luchtmachteenheden, objecten en gebieden beschermen volgens de eisen en procedures die NAVO voorschrijft.
Onderschrijft u de conclusie van een ander RUSI-artikel «Requirements for the Command and Control of the UK’s Ground-Based Air Defence», dat specifiek ingaat op hoe grondgebonden luchtverdedigingssystemen (sensor, shooter en C2) dieper en beter moeten worden geïntegreerd in het gemeenschappelijk optreden? In hoeverre bent u daarover in gesprek met de Landmacht?2
Defensie onderschrijft de dreigingsontwikkeling en de daaruit voortvloeiende operationele noodzaak voor meer integratie van systeemcomponenten in de grondgebonden luchtverdedigingsketen. De uitdagingen die het artikel beschrijft zijn ook herkenbaar. Defensie probeert waar mogelijk belemmeringen vanuit de industrie voor meer integratie te doorbreken, bijvoorbeeld door initiatieven hiervoor binnen de NAVO en de Europese Defensie-industrie te steunen en door specifieke eisen op te nemen in materieelprojecten. Een voorbeeld daarvan is de integratie van de Nederlandse Multi Missie Radar in het NASAMS-wapensysteem.
Doctrine ontwikkeling en behoeftestellingen van grondgebonden luchtverdedigingssystemen vindt plaats onder regie van de Landmacht via het Joint Kenniscentrum Grondgebonden Lucht- en Raketverdediging, in nauwe samenwerking met de warfare centers van Landmacht, Luchtmacht en Marine. De ontwikkelingen binnen de NAVO in het algemeen en bij onze strategische partners in het bijzonder worden hierbij nauwlettend gevolgd.
Klopt het dat de MQ-9 Reapers nog steeds niet volwaardig kunnen trainen in verband met AVG-wetgeving? Hoe zit dat voor de F-35, NH-90 en satellietcapaciteit?
De Commissie Brouwer heeft geconcludeerd dat de krijgsmacht klem zit tussen bestaande kaders en nieuwe dreigingen en dat dit vraagt om aanpassing van de bestaande kaders. Zonder grondslag is het verwerken van persoonsgegevens – onvermijdelijk in de informatieomgeving – niet rechtmatig. Onder coördinatie van de CIO is een informatiegestuurd optreden (IGO) wasstraat ingericht werkende oplossingen te ontwikkelen voor de ontwikkeling van IGO. Dit betreft zowel het optimaliseren binnen huidige kaders als structurele oplossingen in wet- en regelgeving. Op dit moment wordt onderzocht of, bijvoorbeeld in een Wet op de Gereedstelling, een grondslag kan worden gecreëerd met voldoende waarborgen voor privacy.
Wat is de reden om juist voor het Nederlandseair power rapport een buitenlandse denktank te selecteren, gezien het feit dat de overige domeinrapporten over het algemeen door The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) zijn uitgevoerd?
De keuze voor het Royal United Services Institute (RUSI) is gebaseerd op selectiecriteria in het reguliere aanbestedingsproces van Defensie.
Vindt u een eigenstandige Nederlandse kennis- en onderzoekpositie op het gebied van militaire expertise cruciaal in de veranderende tijden van nu? Vindt u de huidige kennis en expertise op het gebied van de militaire domeinen in het kennis-ecosysteem voldoende of moet Nederland daar specifiek in gaan investeren?
Een Nederlandse Defensie-specifieke kennisbasis is cruciaal. Deze wordt primair opgebouwd bij de strategische kennispartners TNO, NLR en Marin. Andere nationale en internationale onderzoeksinstituten voeren ook onderzoek uit voor Defensie, waaronder HCSS en Clingendael. Het kabinet hecht waarde aan het verder opbouwen van de kennisbasis met betrekking tot alle militaire domeinen.
Hoe Nederlandse klimaatfinanciering ten goede komt aan vrouwen en gemarginaliseerde groepen |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwe rapport van ActionAid, Making climate finance work for women and marginalised groups: Lessons from the Dutch Fund for Climate and Development first phase, waaruit blijkt dat financiering via het Dutch Fund for Climate and Development (DFCD) nog te weinig ten goede komt aan gemarginaliseerde groepen waaronder vrouwen?1
Ja.
Wat vindt u van bovengenoemd rapport?
Het kabinet waardeert het als derden zoals ActionAid onderzoek uitvoeren. Het Dutch Fund for Climate and Development (DFCD) is een belangrijk programma binnen het Nederlandse internationale klimaatinstrumentarium en het is waardevol om hierover aanbevelingen te ontvangen.
Conform het subsidiebeleidskader is de hoofddoelstelling van het DFCD het bevorderen van klimaatbestendige economische groei met een zo’n groot mogelijk rendement van publieke en private klimaatfinanciering. Om meer middelen voor klimaatactie beschikbaar te maken, moet het fonds privaat kapitaal mobiliseren. De inzet in ontwikkelingslanden is gericht op het tegengaan van klimaatverandering (mitigatie) en mensen in staat stellen zich aan te passen aan een veranderend klimaat (adaptatie). Alle projecten moeten daarbij ontwikkelingsrelevant zijn. De ontwikkelingsrelevantie van een project kan op verschillende manieren tot uiting komen, bijvoorbeeld door toegang tot voorzieningen, tot grotere veiligheid, tot economisch perspectief of tot kennis en capaciteiten. Bij de selectie van projecten richt de fondsmanager zich ook op projecten die de armste groepen bedienen en die een positieve impact hebben op vrouwen. Het fonds moet dus aandacht hebben voor de armsten en vrouwen, maar het is geen verplichting dat ieder project zich volledig richt op deze doelgroepen.
Het ActionAid rapport zet het criterium van het ook inzetten op de armsten en vrouwen voorop bij hun onderzoek over het DFCD en toetst daarmee aan een andere interpretatie van de hoofddoelstelling dan voortkomend uit het subsidiebeleidskader. Hierdoor sluiten de conclusies niet goed aan bij de doelstelling van het DFCD. Daarnaast wijkt de onderzoeksmethode af van evaluaties waartoe het ministerie opdracht geeft zoals de recentelijk uitgevoerde externe evaluatie van het DFCD.2
De externe evaluatie en het rapport van ActionAid maken duidelijk dat de inzet op gemarginaliseerde groepen meer aandacht verdient bij de implementatie van het DFCD. Hier kan ik mij in vinden en dit zal worden meegenomen bij de opvolging van de externe evaluatie. Bij de aanvullende financiering van het DFCD in 2023 zijn afspraken gemaakt met de uitvoerders over het intensiveren van de inzet op kwetsbare groepen en gendergelijkheid.
Aanvullend op het DFCD, waarin klimaatbestendige economische groei centraal zal blijven staan, financiert het kabinet ook verschillende klimaatgerelateerde programma’s die zich primair richten op gemarginaliseerde groepen waaronder het Demand Side Subsidiesprogramma, het Climate & Development Knowledge Network (CDKN) en veel van de door de ambassades gefinancierde lokale programma’s.
Deelt u de conclusies uit de IOB evaluatie, de externe midterm evaluatie, en het ActionAid rapport dat klimaatfondsen, zoals DFCD en het Green Climate Fund (GCF), die zich richten op klimaatfinanciering voor bedrijven met een bepaald groeipotentieel, niet goed in staat zijn om vrouwen en gemarginaliseerde groepen te bereiken? Zo ja, welke stappen worden genomen om verbeteringen aan te brengen in uw beleid?
Nee, ook klimaatfondsen gericht op klimaatfinanciering voor bedrijven met een bepaald groeipotentieel kunnen vrouwen en gemarginaliseerde groepen bereiken.
Deelt u de conclusie dat ondanks het voornemen, zoals beschreven in de Kamerbrief van Minister Kaag van 2018 (Kamerstuk 31 793, nr. 183), om specifieke aandacht te hebben voor gender en de allerarmsten, dit onvoldoende is uitgewerkt in de implementatie van het DFCD? Zo nee, op basis waarvan komt u dan tot een andere conclusie?
Ik deel de bevinding dat er verbeteringen mogelijk zijn omtrent de aandacht voor gendergelijkheid en kwetsbare groepen bij de implementatie van het DFCD. Dat blijkt ook uit de uitkomsten van de recente externe evaluatie.
Wat is er sinds de IOB evaluatie klimaatfinanciering van 2021 – waar vergelijkbare conclusies worden getrokken – gedaan om hier verbetering in aan te brengen en te zorgen dat kwetsbare groepen en specifiek vrouwen beter betrokken en bereikt worden in verschillende fases van programma's? Hebben die aanpassingen ook plaatsgevonden in het DFCD? Zo nee, waarom niet?
Bij de Nederlandse sturing van klimaatfondsen en -programma’s wordt oog gehouden voor mogelijke verbeteringen voor het bereiken van onder andere vrouwen en het waarborgen van ontwikkelingsimpact. Dit is ook belangrijk in het licht van het feministisch buitenlandbeleid.
Zo zet Nederland in op een genderbeleid binnen het Green Climate Fund (GCF), gericht op vrouwen als eindbegunstigde. Het GCF heeft hier op hoog niveau oog voor maar in de implementatie zal dit nog tijd kosten, juist ook omdat er zoveel en zulke diverse uitvoerders zijn.
Zoals ook beschreven in de beleidsreactie op de IOB evaluatie over internationaal klimaatbeleid 2016–20223, heeft Nederland daarnaast actief deelgenomen aan gesprekken binnen de OESO-DAC over de waarborgen en voorwaarden voor gemengde publiek-private financiering om de ontwikkelingsadditionaliteit beter te kunnen toetsen. De hieruit voortgevloeide sterkere OESO-regels zijn ook van toepassing op de implementatie van het DFCD.
De genoemde IOB evaluatie uit 2021 onderzocht klimaatfinanciering in de periode 2016 tot en met 2019. Het DFCD is in 2019 opgericht en had daarmee nog geen resultaten die konden worden getoetst in deze IOB evaluatie. Zoals benoemd bij het antwoord op vraag 2, speelde het vergroten van de aandacht voor gendergelijkheid en sociale inclusie een belangrijke rol bij de aanvullende financiering van het DFCD in 2023. Dit wordt onder meer uitgewerkt door de werving van meer personeel met de relevante expertise en de uitvoering van analyses van huidige én toekomstige DFCD projecten. Bij de ontwikkeling van nieuwe projecten zal gendergelijkheid en sociale inclusie nog beter worden meegenomen in de vormgeving. Daarnaast richt het DFCD zich op het verbeteren van de samenwerking met bestaande programma’s op het terrein van sociale inclusie, waaronder het Voices for Just Climate Action (VCA) programma dat zich specifiek richt op de empowerment van lokale gemeenschappen voor klimaatactie.
Ten slotte, gezien de substantiële financieringstekorten voor zowel klimaatmitigatie als -adaptatie in ontwikkelingslanden, acht het kabinet de mobilisatie van private financiering absoluut noodzakelijk. De gevolgen van klimaatverandering hebben de grootste impact op de allerarmsten in ontwikkelingslanden. Het is daarom van belang deze gevolgen zo veel mogelijk te beperken, onder andere door het versnellen van de energietransitie. Dit maakt het mobiliseren van private klimaatfinanciering waardevol, ook als dat niet direct de meest kwetsbaren bereikt.
Welke stappen gaat de Minister nog zetten om te zorgen dat in de tweede fase van het DFCD er veel actiever doelstellingen worden gemaakt en gemonitord wordt op gender? Bent u bereid om in de tweede fase van het DFCD genderresponsiviteit te verankeren in het gehele proces, van selectie en ontwerp tot implementatie, monitoring en evaluatie?
De vormgeving van een nieuw klimaatfonds als vervolg op het DFCD en bijbehorende beleidskeuzes zijn aan een nieuwe bewindspersoon.
Kunt u bevestigen of private-publieke fondsen effectief blijken te zijn in het ondersteunen van vrouwen en de meest gemarginaliseerde groepen in het mondiale Zuiden, die het hardst getroffen worden door de klimaatcrisis? Welke maatregelen worden er genomen om ervoor te zorgen dat deze fondsen daadwerkelijk bijdragen aan klimaatinitiatieven waar kwetsbare groepen niet worden uitgesloten maar juist actief betrokken worden?
De mate waarin private-publieke fondsen vrouwen en de meest gemarginaliseerde groepen kunnen ondersteunen, hangt af van de sector waarin en het investeringsmandaat waarmee klimaatfondsen opereren. Investeringen in landbouw met kleinschalige boeren zijn beter in staat deze groepen te ondersteunen dan grootschalige duurzame energieprojecten. Ook speelt de mate van concessionaliteit van publieke middelen een belangrijke rol.
Voor verdere toelichting op het bereiken van gemarginaliseerde groepen door klimaatfondsen verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 5.
Welke opvolging wordt gegeven aan de aanbevelingen van de externe midterm evaluatie van het DFCD2 om strengere kwaliteitsbeoordelingscriteria in te voeren en kleinere bedrijven te financieren?
De externe evaluatie adviseert strengere kwaliteitsbeoordelingscriteria rondom de uitwerking van projecten en verwachte uitkomsten voor kwetsbare groepen en vrouwen. Hiertoe zal in de beoordelingsformulieren voor de investerings-commissies binnen het DFCD een paragraaf over gendergelijkheid en sociale inclusie worden toegevoegd.
Conform de uitkomsten van de externe evaluatie onderzoekt het DFCD mogelijkheden om ook lagere investeringen (lager dan EUR 3 miljoen) te kunnen aanbieden, dit kan ten goede komen aan de ondersteuning van kleinere bedrijven. Daartoe zoekt het consortium mogelijkheden tot het verdiepen van de samenwerking met andere impact-investeerders die meer ervaring hebben met het aanbieden van dergelijke lagere investeringen.
Erkent u dat de criteria van de jaaromzet voor bedrijven die in aanmerking komen per definitie kleinere bedrijven als startups alsook meer lokaal geleide projecten uitsluiten die een belangrijke positieve bijdrage kunnen leveren voor zowel klimaatactie als ontwikkelingsdoelen, en juist makkelijker gemarginaliseerde groepen weten te bereiken? Stelt Nederland financiële steun beschikbaar voor dit type bedrijvigheid? Zo nee, waarom niet?
Met oog op de primaire doelstelling van het DFCD, klimaatbestendige economische groei met een zo’n groot mogelijk rendement van publieke en private klimaatfinanciering, is er voor gekozen enkel bedrijven te financieren met een minimale jaaromzet van EUR 5 miljoen.
Uiteraard kunnen lokale bedrijvigheid en kleinere bedrijven een belangrijke positieve bijdrage leveren aan klimaatactie en de bredere ontwikkelingsdoelen. Daarom financieren we dergelijke bedrijven met andere programma’s. Zo steunt Nederland via P4G (Partnering for Green Growth and the Global Goals 2023) samenwerkingsverbanden tussen lokale kleine bedrijven en NGOs om hun groei én duurzame impact te bevorderen. Via AFAWA, een programma van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, krijgen vrouwelijke ondernemers begeleiding om van de informele sector naar de formele sector te kunnen gaan. Ook richten we ons met bepaalde programma’s specifiek op kleinschalige boeren (m/v). Zo steunt het succesvolle One Acre Fund boeren met zaden, kunstmest en training om hun inkomsten en weerbaarheid te verhogen.
Het artikel 'Kiew ruft Ukrainer aus dem Ausland zurück und erwartet Unterstützung – doch die Bundesregierung spielt auf Zeit' |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Onderschrijft u de kern van het artikel, namelijk dat twee jaar lang vele Oekraïners non-stop aan het front hebben gevochten – zonder vakantie en rust, terwijl er elke dag doden vallen en daarom het Oekraïense leger dringend aflossing van de huidige soldaten nodig heeft om de verliezen te compenseren, de troepen te ontlasten en de strijd tegen het agressieve Rusland voort te zetten?1
Ja. Het is duidelijk dat door de niet aflatende Russische agressie in Oekraïne de Oekraïense strijdkrachten aan het brede front onder grote druk staan. In algemene zin is aflossing van troepen van belang voor het voortzettingsvermogen van het Oekraïense leger.
Wat vindt u van het Oekraïense initiatief dat mannen tussen de 18 en 60 jaar geen papieren meer kunnen krijgen bij Oekraïense ambassades in het buitenland, waaronder Nederland, en de consulaire dienst is opgeheven?
Er bestaat onder internationaal recht geen verplichting voor een staat om consulaire bijstand te verlenen. Er bestaat op grond van internationaal recht ook geen onverkort recht op consulaire bijstand. Het is – net als aan alle landen – aan Oekraïne zelf of en in welke mate zij consulaire dienstverlening aan Oekraïense onderdanen verlenen. Daarin is Nederland geen partij. Oekraïne kent, net als Nederland en enkele andere EU-landen, geen wettelijk recht op consulaire bescherming.
Is Nederland benaderd, geconsulteerd of op de hoogte gesteld van dit Oekraïense initiatief? Zo ja, wanneer en kunt u de inhoud met de Kamer delen?
Ja, Nederland is op 23 april 2024 door de Oekraïense ambassade ingelicht over de (tijdelijke) schorsing van de consulaire dienstverlening voor mannen tussen de 18 en 60 jaar. De ontvangen aankondiging van dit Oekraïense initiatief kan worden geraadpleegd via: https://netherlands.mfa.gov.ua/en/news/consular-services-offered-male-citizens-ukraine-between-aged-18-and-60.
Voeren u of uw ambtenaren gesprekken met de Oekraïense ambassade in Nederland over deze Oekraïense wet en wat is daarin de positie van Nederland?2
Ja, er is doorlopend contact met de Oekraïense ambassade, waaronder over de betreffende mobilisatiewetgeving. Zoals hierboven gesteld is het een besluit dat primair ligt bij de Oekraïense overheid. Implicaties voor de Oekraïense populatie in Nederland worden door het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen met andere betrokken departementen in kaart gebracht.
Klopt het – in het geval Nederland aandringt op het voldoen aan de paspoortvereiste – dat Oekraïense mannen hun documenten thuis moeten vernieuwen, zij anders illegaal in Nederland verblijven, met tot gevolg dat zij in Oekraïne zich moeten laten registreren bij een militair rekruteringsbureau?
Nee. Wanneer een Oekraïense man geen geldig identiteitsdocument in zijn bezit heeft, is daarmee geen sprake van illegaal verblijf in Nederland. Oekraïners met een verlopen identiteitsbewijs mogen worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).3 Als de IND heeft vastgesteld dat een ontheemde aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voldoet, is er recht op tijdelijke bescherming onder deze richtlijn in Nederland en wordt een sticker op een inlegvel of een O-document verstrekt aan de ontheemde. Met een sticker of O-document kan de ontheemde aantonen dat hij recht heeft op bescherming onder de RTB. Als een vreemdeling op geen enkele wijze zijn identiteit kenbaar kan maken, is er de mogelijkheid asiel aan te vragen. In het kader van die procedure wordt bezien of gestelde identiteit en nationaliteit aannemelijk/geloofwaardig is. Gedurende de lopende asielprocedure is sprake van procedureel rechtmatig verblijf in Nederland.
Wat vindt u van het standpunt van de Oekraïense ambassadeur in Nederland dat Oekraïense mannen hun land horen te verdedigen en dat hij aangeeft dat de Oekraïense regering graag wil meewerken en meepraten over manieren om hun burgers terug naar huis te laten gaan?3
Het staat de ambassadeur vrij om dergelijke uitspraken te doen. En het is positief dat hij wil meepraten over manieren om Oekraïners die naar huis willen te helpen bij hun terugkeer.
Er is geen sprake van gedwongen terugkeer. Ontheemden uit Oekraïne die vrijwillig willen terugkeren, kunnen een beroep doen op de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) voor terugkeerondersteuning hierbij.
Kunt u de vragen een voor een beantwoorden alvorens het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 22 mei 2024?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Etnische zuiveringen in Darfur en mogelijk zelfs genocide, stelt Human Rights Watch' |
|
Jan Paternotte (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport «The Massalit Will Not Come Home» van Human Rights Watch?1, 2
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van Human Rights Watch dat in het westen van Darfur sprake is van etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zeer bezorgd over de situatie in Darfur. De feiten zoals die in het Human Rights Watch rapport worden beschreven, wijzen erop dat wordt geprobeerd door geweld en intimidatie personen van bepaalde groepen uit het gebied te verwijderen. Het is niet aan het kabinet hier een kwalificatie aan te verbinden.
Bent u bereid de aanbevelingen van Human Rights Watch op te volgen en in de relevante gremia te pleiten voor sancties tegen commandanten en militieleiders die verantwoordelijk zijn voor misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in West-Darfur? En bent u bereid te pleiten voor uitbreiding van het wapenembargo en sancties voor individuen en bedrijven die het wapenembargo schenden? Zo nee, waarom niet?
Mede op initiatief van Nederland wordt momenteel in EU-verband uitbreiding van sancties, onder andere tegen commandanten verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen in West-Darfur, voorbereid en besproken. Het doel van de sancties is het verder onder druk zetten van beide strijdende partijen en daarmee het geweld een halt toe te roepen. Daarbij wordt de timing van sancties en het niveau waarop sancties worden ingesteld meegewogen, zodat het bemiddelingspogingen niet belemmert, maar juist versterkt.
De VN-Veiligheidsraad heeft op 8 maart 2024 het mandaat van het panel van deskundigen dat zijn sanctiecomité voor Soedan moet bijstaan, verlengd tot 12 maart 2025. De Raad besloot tegelijkertijd om de sanctieregeling (waaronder wapenembargo Darfur) tegen Soedan te bevestigen en te verlengen tot 12 september 2024. Voor die tijd moeten eventuele nieuwe sancties worden verkend.
Nederland onderhoudt contact met gelijkgezinde landen in de VN-Veiligheidsraad, waaronder het VK (penvoerder) en met EU lidstaten over de mogelijkheid van uitbreiding van huidige sancties. Deze zullen zoals gebruikelijk afhankelijk zijn van de dynamiek in de Veiligheidsraad.
Kunt u garanderen dat er geen Nederlands of Europees ontwikkelingsgeld terechtkomt bij de strijdende partijen, zoals eerder het geval was in verband met de rol die de RSF speelde in het bewaken van de grenzen?
Sinds de staatsgreep van 2021 lopen de ontwikkelingsprogramma’s in Soedan uitsluitend via iNGO’s, private sector en multilaterale kanalen. Er gaat geen directe OS-financiering naar de de facto overheid, noch naar de RSF.
Bent u in gesprek met het Internationaal Strafhof over de situatie in Soedan en bereid de politieke en praktische steun te bieden die nodig is om het onderzoek af te ronden? Kunt u daarnaast toezeggen alle mogelijke diplomatieke middelen in te zetten om te zorgen dat alle partijen medewerking verlenen aan het onderzoek?
Ja, Nederland is in gesprek met het Internationaal Strafhof over de situatie in Soedan en is bereid, met inachtneming van de onafhankelijkheid van het Strafhof, om waar mogelijk politieke en praktische steun te bieden om het onderzoek van het Strafhof naar de situatie in Darfur te faciliteren. Nederland benadrukt in diverse fora en in bilaterale contacten het belang van het investeren in accountability, waaronder het onderzoek van het Internationaal Strafhof. Daarnaast heeft Nederland in de afgelopen jaren door middel van een vrijwillige bijdrage van in totaal 6 miljoen euro een bijdrage geleverd aan de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Strafhof. Met behulp van deze vrijwillige bijdrage heeft het Parket van de Aanklager onder meer geïnvesteerd in nieuwe ICT-voorzieningen ten behoeve van de bewijsgaring, die ook voor dit onderzoek kunnen worden gebruikt.
Bent u bereid zich in te zetten voor het uitbreiden en verlengen van de Independent International Fact-Finding Mission for the Sudan, in lijn met de aanbeveling van Human Rights Watch?
Het is van groot belang dat de Fact Finding Mission (FFM) het mandaat kan uitvoeren dat door de Mensenrechtenraadresolutie van 11 oktober 2023 is ingesteld. Door de VN-liquiditeitscrisis is het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) echter hard geraakt en is het werk van onderzoeksmechanismen, zoals van de FFM Sudan en Special Procedures in het gedrang gekomen. De FFM is intussen wel operationeel en conform het mandaat zal de FFM tijdens de zitting van de Mensenrechtenraad in juni een mondelinge update geven van hun werkzaamheden. Nederland zal zich inzetten voor verlenging van het mandaat van de FFM. Onderhandelingen hierover zijn voorzien tijdens de septemberzitting van de Mensenrechtenraad dit jaar. Nederland geeft verder een bijdrage aan OHCHR voor ondersteuning van accountability-mandaten, en roept ook andere landen op dat te doen.
Deelt u de zorgen over gebrekkige toegang tot alle relevante gebieden in het kader van de Fact-Finding Mission en het gebrek aan toegang voor journalisten en hulpverleners? Zo ja, welke rol kan Nederland – zowel individueel als in Europees of internationaal verband – spelen in het verbeteren van deze toegang?
Die zorgen deel ik. Nederland steunt daarom onder andere een lokale media organisatie om onafhankelijk nieuws te brengen. Ook steunt Nederland organisaties die mensenrechtenverdedigers helpen en die ondersteunen bij het monitoren en documenteren van mensenrechtenschendingen. Wat betreft de Fact Finding Mission wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6. De EU heeft afgelopen jaar een sanctieregime aangenomen waarop momenteel 6 bedrijven gelist staan die hebben bijgedragen aan mensenrechtenschendingen in Soedan. Zoals vermeld bij vraag 3, wordt momenteel in EU-verband uitbreiding van sancties voorbereid en besproken.
Op welke manier zet Nederland druk op het naleven van resolutie 2724 (2024) van de VN Veiligheidsraad om ervoor te zorgen dat alle belemmeringen worden weggenomen en volledige, snelle, veilige en ongehinderde humanitaire toegang mogelijk te maken, ook over de grenzen heen, en te voldoen aan verplichtingen op grond van het internationaal humanitair recht?3
Tijdens de humanitaire conferentie in Parijs van 15 april jl., georganiseerd door Frankrijk en de EU met deelname van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, is een declaration of principles ondertekend waarin o.a. wordt opgeroepen humanitaire toegang te verbeteren. Nederland zegde EUR 10 miljoen extra toe aan het World Food Programme als onderdeel van een totaalpakket van EUR 80 miljoen aan Soedan en buurlanden. De EU zet zich in voor verbetering van humanitaire toegang via diplomatieke inzet van met name de EU Speciaal Gezant voor de Hoorn van Afrika. Daarnaast is Nederland in gesprek met verschillende VN organisaties, waaronder World Food Programme en de Food and Agriculture Organization, in New York, Geneve en Rome om de urgentie van de situatie te benadrukken, inspanningen waar mogelijk te vergroten, en mogelijke acties te identificeren en coördineren.
De EU heeft op 12 april jl. een verklaring uitgebracht waarin ook wordt opgeroepen het geweld te staken en humanitaire hulp toe te laten. Hierin is tevens gerefereerd aan het EU sanctie-regime, waarin het blokkeren van humanitaire hulp een criterium is voor listing. Op 13 mei jl. heeft de EU bij monde van de Hoge Vertegenwoordiger van de EU een verklaring gepubliceerd naar aanleiding van gevechten in Noord-Darfur waarbij wederom dezelfde oproep wordt gedaan.
Op welke manier kan Nederland bijdragen aan het hervestigen van de meest kwetsbare vluchtelingen?
Hervestiging gebeurt op voordracht van de VN Vluchtelingenorganisatie (UNHCR) vanuit een land van eerste opvang. UNHCR selecteert daarvoor de meest kwetsbare vluchtelingen en draagt hen voor. Om in aanmerking te komen voor hervestiging naar Nederland moet een persoon daarnaast op grond van het geldende nationale asielbeleid in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.
Op dit moment geldt een besluit- en vertrekmoratorium (BVM) voor asielzoekers afkomstig uit Soedan, omdat de huidige situatie in Soedan te onduidelijk en instabiel is om adequaat asielbeleid te kunnen opstellen. Aan de hand van het binnenkort te verschijnen Ambtsbericht Soedan zal het land-gebonden asielbeleid voor Soedan opnieuw bezien worden. Zolang het besluit- en vertrekmoratorium geldt, kan de beoordeling van asielaanvragen niet worden gemaakt en is het niet mogelijk om Soedanezen te hervestigen4. Het geldende besluit- en vertrekmoratorium zal op 8 juli 2024 van rechtswege verlopen. Het vertrekmoratorium kan niet meer verlengd worden gelet op de maximale termijn. Zodra het BVM wordt opgeheven en weer kan worden beslist op asielverzoeken van Soedanezen, kunnen Soedanezen ook weer door UNHCR worden voorgedragen voor hervestiging naar Nederland.
Welke steun biedt Nederland aan de opvang van Soedanese vluchtelingen in de omringende landen? Hoe kan deze steun worden verbeterd zodat vluchtelingen humaan en met toekomstperspectief kunnen worden opgevangen?
Nederland financiert humanitaire partners (VN, Rode Kruis/ICRC en NGO’s van de Dutch Relief Alliance/DRA) die werkzaam zijn in Soedan en in de buurlanden waar vluchtelingen en terugkeerders opgevangen worden. Nederland heeft in april besloten tot een extra bijdrage aan WFP van EUR 10 miljoen voor de crisis in Soedan en WFP zal deze bijdrage deels in Tsjaad inzetten voor de opvang van Soedanese vluchtelingen. Ook heeft DRA EUR 3 miljoen vrijgemaakt voor een acute response in het Oosten van Tsjaad. Nederland is daarnaast een van de grootste donoren van het Central Emergency Response Fund (CERF) dat voor steun aan Soedanese vluchtelingen al USD 10 miljoen vrijmaakte voor Zuid-Soedan en USD 15 miljoen voor Tsjaad.
Door middel van het door Nederland gefinancierde PROSPECTS partnerschap wordt daarnaast steun geboden aan Soedanese vluchtelingen in Egypte en Ethiopië. Dit partnerschap biedt vluchtelingen perspectief in hun gastlanden door sociale en juridische bescherming, onderwijs, werk en kritieke infrastructuur (WASH, huisvesting). Recentelijk is een tweede fase van PROSPECTS gestart met een verhoogd budget voor de periode 2024 -2027.
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Kunstacademie stopt samenwerking met Israël: eisen van studenten worden ingewilligd»?1, 2
Ja.
Zo ja, wat vindt u ervan dat een Nederlandse onderwijsinstelling buigt voor antisemitische eisen van een groepje studenten?
De eis die door de demonstranten in de verschillende protesten wordt neergelegd is dat de betreffende instelling alle (wetenschappelijke) banden met Israëlische instellingen, zoals academische samenwerking bij wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, zonder meer verbreekt. Deze eis gaat voorbij aan de wijze waarop instellingen tot beslissingen over internationale samenwerking komen op basis van zorgvuldige, inhoudelijke en democratische processen, vrij van intimidatie, druk of dreiging met geweld. Het is namelijk een academische kernwaarde dat wetenschappers in vrijheid mogen bepalen met wie en naar welke vragen zij onderzoek doen. Instellingen hebben het recht en de vrijheid om te beslissen over hun internationale samenwerkingen binnen de kaders van de wet. Ik vind het belangrijk dat universiteiten en hogescholen wetenschappelijke en strategische samenwerkingsverbanden met andere instellingen of in internationale projecten op eenzelfde zorgvuldige wijze tegen het licht houden en dat elk individueel geval op basis van de omstandigheden inhoudelijk, en daarmee landenneutraal wordt bekeken.
KABK heeft aangegeven dat hun keuze om de samenwerking met een kennisinstelling uit Israël Design te bevriezen, gebaseerd is op een proces van enkele maanden waarin verschillende gesprekken zijn gevoerd met docenten en studenten. Een KABK general assembly bijeenkomst was hiervan onderdeel. Sinds 2019 heeft er geen uitwisseling met de betreffende kennisinstelling plaatsgevonden. De KABK geeft aan op korte termijn te starten met de ontwikkeling van een ethisch kader om alle huidige en toekomstige partners te kunnen toetsen.
Ook andere instellingen zijn momenteel bezig met de (door)ontwikkeling van criteria waarmee zij de (ethische) kansen en risico’s van internationale samenwerking kunnen afwegen. Ik heb de universiteiten en hogescholen verzocht om bij deze doorontwikkeling een aantal belangrijke uitgangspunten te betrekken. Ik verwijs voor deze uitgangspunten naar de bijlage bij de kamerbrief over de «Stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza» van 31 mei 2024.3
In hoeverre vindt u het inwilligen van de eis van de studenten ongeoorloofde discriminatie op basis van komaf en/of religie?
Hogescholen en universiteiten zijn momenteel bezig met de (door)ontwikkeling van criteria waarmee zij de (ethische) kansen en risico’s van internationale samenwerking kunnen afwegen. Ik heb universiteiten en hogescholen verzocht om bij deze doorontwikkeling een aantal belangrijke uitgangspunten te betrekken. Eén daarvan is dat de werkwijze en de toepassing van het beoordelingskader niet discrimineert wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid. Er mag in het bijzonder geen sprake zijn van antisemitisme. Ik ga ervanuit dat ook de KABK op die wijze handelt. De KABK geeft aan dat het niet gaat over het inwilligen van eisen van studenten, maar over het opnieuw evalueren van samenwerkingsverbanden. Daarbij is de samenwerking ook niet – zoals geëist door de studenten – beëindigd, maar opgeschort.
De KABK-studenten schrijven op Instagram in hun bericht: «We are all a part of the Global intifada.» De pro-Palestijnse studenten/activisten gaan steeds een stap verder; wat vindt u hiervan?
Het is zorgelijk als de protesten verharden. Het is belangrijk dat studenten zich vrij voelen om hun mening te uiten maar dit mag nooit leiden tot onveiligheid. Voor antisemitisme en racisme is geen enkele ruimte. Als sprake is van strafbare feiten verwacht ik van instellingen dat zij daar tegen optreden en aangifte doen.
Bent u bereid de bekostiging van deze onderwijsinstelling per ommegaande stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven en toegelicht in mijn brief over de «Stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza»4 van 31 mei 2024 hebben instellingen het recht en de vrijheid om te beslissen over hun internationale samenwerkingen binnen de kaders van de wet. Ik vind het belangrijk dat universiteiten en hogescholen wetenschappelijke en strategische samenwerkingsverbanden met andere instellingen of in internationale projecten op eenzelfde zorgvuldige wijze tegen het licht houden en dat elk individueel geval op basis van de omstandigheden inhoudelijk, en daarmee landenneutraal wordt bekeken. Ik heb de universiteiten en hogescholen, zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, verzocht om bij de (door)ontwikkeling van criteria waarmee zij de (ethische) kansen en risico’s van internationale samenwerking kunnen afwegen, een aantal belangrijke uitgangspunten te betrekken. Ik verwijs voor deze uitgangspunten naar de bijlage bij eerder genoemde brief. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderwijs en het onderzoek. Het doel van bekostiging is om instellingen in staat te stellen deze wettelijke taak te vervullen. Omdat instellingen het recht en de vrijheid hebben om te beslissen over hun internationale samenwerkingen is er geen sprake van sanctionerende maatregelen of het stopzetten van bekostiging.
Welke overige sanctionerende maatregelen kunt u in dit soort gevallen nemen tegen onderwijsinstellingen?
Zie antwoord vraag 5.
Welk van deze sanctionerende maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn bij u andere, soortgelijke gevallen bekend en/of bent u bekend met onderwijsinstellingen die overwegen de eisen van anti-Israëlische studentengroepen in te willigen?
Ik ben nauw in gesprek met instellingen over hoe samenwerkingsverbanden tegen het licht kunnen worden gehouden. Het is daarbij van belang dat instellingen tot hun beslissingen voor samenwerking komen op basis van zorgvuldige, inhoudelijke en democratische processen. De overheid monitort echter niet welke Nederlandse instellingen overwegen om internationale samenwerkingsbanden met kennisinstellingen te bevriezen of te beëindigen, net zo min als de overheid monitort welke samenwerkingsverbanden gestart worden.
Zo ja, kunt u een overzicht van deze onderwijsinstellingen delen en aangeven om welke eisen het precies gaat?
Zie antwoord vraag 8.
De humanitaire crisis in Oost-Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht van het International Non-Governmental Organizations Forum in the Democratic Republic of Congo (FONGI-RDC): «Emergency Situation in Displaced Persons Camps and Sites in Goma»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de huidige humanitaire en veiligheidssituatie in Oost-Congo? Wordt er door de internationale gemeenschap voldoende gedaan om de humanitaire noden te lenigen? Zo niet, waarom niet?
De humanitaire en veiligheidssituatie in Oost-DRC is zeer zorgelijk. Het geweld in Oost-DRC is het gevolg van een langslepend, ingewikkeld en gelaagd conflict met betrokkenheid van vele verschillende statelijke en niet-statelijke actoren en een verscheidenheid aan oorzaken. Meerdere gewapende groepen, deels met buitenlandse steun, zijn actief in het gebied. Op dit ogenblik komt de grootste dreiging voor stabiliteit vanuit de door Rwanda militair en materieel gesteunde M23. Het conflict tussen DRC en de door Rwanda gesteunde rebellengroep M23 leidt tot grote aantallen ontheemden. In totaal zijn in DRC 7,2 miljoen mensen intern ontheemd (UNHCR). Ontheemdenkampen kunnen de grote aantallen niet aan, vooral niet rond de provinciehoofdstad Goma. De humanitaire situatie is schrijnend en verslechtert in rap tempo verder.
De internationale gemeenschap spant zich in om de humanitaire noden te verlichten. VN organisaties, NGOs, het Rode Kruis en andere humanitaire actoren doen wat ze kunnen op verschillende locaties in Oost-DRC, al blijft toegang tot gebieden waar gewapende groepen de dienst uitmaken moeilijk. Ook het feit dat de gevechten tussen de strijdende partijen ook plaatsvinden in ontheemdenkampen zelf, maakt de situatie er niet makkelijker op. Nederland en andere humanitaire donoren dringen er bij de Congolese autoriteiten op aan om humanitaire toegang niet te belemmeren, land vrij te maken waar ontheemden kunnen worden opgevangen en de militarisering van ontheemdenkampen tegen te gaan.
Financiering voor het humanitaire respons plan 2024 blijft achter: tot nu toe is 12% van de benodigde USD 2,12 miljard toegezegd. Dit hangt samen met het grote aantal intensiverende conflicten en de daarmee gepaard gaande enorme noden wereldwijd, waardoor humanitaire fondsen steeds minder toereikend zijn.
Hoe beoordeelt u de rol van Rwanda en de militaire rebellengroep M23 bij het steeds verder aanwakkerende geweld in Oost-Congo?
De rol die Rwanda speelt in het ondersteunen van rebellengroep M23 op Congolees grondgebied is zorgelijk en onwenselijk. In bilateraal contact met Rwanda roept Nederland dan ook op de steun aan M23 te staken en de Rwandese troepen van DRC grondgebied terug te trekken. Dit gebeurde ook tijdens ontmoetingen tussen beide Ministers van Buitenlandse Zaken in november 2023 en april 2024.
DRC en Rwanda dragen beide verantwoordelijkheid voor de opgelopen spanningen, de escalerende veiligheidssituatie en de humanitaire noden. Naast het aanspreken van Rwanda roept Nederland daarom ook de Congolese autoriteiten op om steun aan gewapende groeperingen, inclusief FDLR (voortkomend uit betrokkenen bij de genocide tegen de Tutsi in 1994), te staken en etnische hate speech aan te pakken. Dit is ook de positie van de EU, zoals recentelijk ook uitgedragen in een gezamenlijke EU-verklaring. Nederland heeft zich ingespannen voor de totstandkoming van deze gezamenlijke verklaring.
Hoe is Nederland zelf betrokken bij het verlichten van de humanitaire noden in Oost-Congo, en ziet u mogelijkheden deze rol te vergroten in 2024? Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de rol die Nederland speelt in het helpen van slachtoffers van seksueel en gender-gerelateerd geweld, dat in Oost-Congo schrikbarend hoog is?
Nederland draagt bij aan verlichting van de humanitaire noden (voedselonzekerheid, stijgende aantal ontheemden) door middel van financiële bijdragen aan verschillende fondsen en humanitaire programma’s. Zo draagt Nederland bij aan humanitaire programma’s in Oost-DRC via de Dutch Relief Alliance (DRA) en via het Humanitaire Fonds voor DRC. De DRA ontvangt in Oost-DRC financiering voor de meerjarige joint response (2024–2026) van jaarlijks zo’n EUR 5,5 miljoen. Nederland draagt in 2.024 EUR 10 miljoen bij aan het Humanitaire Fonds voor DRC. Daarnaast draagt Nederland financieel bij aan de VN en andere humanitaire organisaties met ongeoormerkte middelen. Zo is Nederland met EUR 55 miljoen een van de grootse donoren van het CERF (Central Emergency Response Fund) van de VN. In 2024 is er tot nu toe USD 26 miljoen via CERF gealloceerd aan de DRC. Ook de afgelopen jaren zijn er aanzienlijke bedragen vanuit CERF naar DRC zijn gegaan: USD 51 miljoen in 2022 en USD 46 miljoen in 2023.
De humanitaire inzet wordt gekoppeld aan andere activiteiten die bijdragen aan stabiliteit en weerbaarheid, capaciteit van gemeenschappen om met conflicten om te gaan, en om relaties op te bouwen tussen gemeenschappen en lokale overheden. Daarnaast ligt de focus op lokalisering, het versterken van de synergie op humanitaire, ontwikkelings- en vredesprogrammering en op het verlenen van geestelijke gezondheidszorg en psychosociale steun (MHPSS).
Naast humanitaire hulp draagt Nederland ook bij aan de aanpak van grondoorzaken van het conflict, door middel van een regionaal programma van EUR 37,5 miljoen per jaar dat zich richt op veiligheid en stabiliteit in Oost-DRC en de bredere Grote Merenregio. In Oost-DRC richt dit programma zich op het verbeteren van veiligheid en stabiliteit, het aanpakken van grondoorzaken van conflict en het verzachten van de effecten van conflict voor de bevolking. Het programma ziet ook toe op de stijgende noden van slachtoffers van seksueel en gender-gerelateerd geweld. Zo financiert Nederland een project dat slachtoffers van seksueel geweld medische, juridische, psychosociale en financiële hulp geeft. Ook steunt Nederland een project dat werkt aan verbetering van de toegang tot seksuele gezondheidzorg in kampen voor ontheemden. In samenwerking met lokale gezondheidscentra wordt de hulpverlening aan slachtoffers van seksueel geweld beter toegankelijk.
Welke maatregelen kunnen door de internationale gemeenschap, en de EU in het bijzonder, worden genomen om de veiligheid van het enorme aantal ontheemden en ook de humanitaire hulpverleners in de kampen te verbeteren?
In beginsel moeten vluchtelingen worden opgevangen op plekken waar het veilig voor hen is. In het geval van Oost-DRC is de situatie in ontheemdenkampen momenteel niet veilig genoeg. Zo werd begin mei een tweetal vluchtelingenkampen nabij provinciehoofstad Goma gebombardeerd waarbij minstens 14 doden vielen. Nederland en de EU zijn in constant overleg met de Congolese autoriteiten over de opvang van de hoge aantallen ontheemden, met name rond Goma. De autoriteiten hebben plekken voor ontheemdenkampen gecreëerd, maar die plekken zijn niet altijd goed bewaakt en voorzien van basisvoorzieningen.
De internationale gemeenschap zal dan ook blijven benadrukken dat Internationaal Humanitair Recht door strijdende partijen moet worden gerespecteerd en dat burgers en humanitaire hulpverleners moeten worden beschermd. Dit werd recent nog in EU verband gedaan in een verklaring als reactie op de aanval op de vluchtelingenkampen rond Goma. Ook de aan te treden EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren regio (zie verder vraag 7) zal als taakstelling hebben om naleving van Internationaal Humanitair Recht bij de strijdende partijen te blijven benadrukken.
Welke diplomatieke initiatieven, zowel vanuit buurlanden, de Afrikaanse Unie als vanuit de bredere internationale gemeenschap, lopen er om de sterk geëscaleerde situatie te mitigeren?
Nederland is in doorlopende dialoog met zowel autoriteiten in DRC als Rwanda over het conflict in Oost-DRC. De Minister van Buitenlandse Zaken sprak zowel in november 2023 als in april 2024 met de Rwandese ambtsgenoot over de situatie in Oost-DRC. Daarbij wijst de Minister van Buitenlandse Zaken ook op de noodzaak tot het staken van steun aan rebellengroep M23 en het terugtrekken van Rwandese troepen van DRC grondgebied. Ook in gesprekken met de Afrikaanse Unie wordt gesproken over de zorgelijke situatie in Oost-DRC. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Zaken in april dit jaar met AU-Commissaris Bankole over de regionaal geleide vredesinitiatieven als het Luanda-proces en het Nairobi proces.
In multilateraal verband spant Nederland zich in om dit soms «vergeten conflict» op de agenda te houden: zo nam Nederland begin dit jaar het initiatief tot een EU-27 verklaring om in EU-verband zorgen te uiten over de escalatie van geweld en de humanitaire situatie en op te roepen tot de-escalatie en terugkeer naar de regionaal geleide vredesprocessen. Ook speelde Nederland een actieve rol in het aanstellen van een EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de regio (zie ook het antwoord op vraag 7).
Ook is Nederland, zowel bilateraal als in multilateraal verband, in contact met andere landen in de regio als Burundi, Oeganda, Angola, Zuid-Afrika en Kenia om te bespreken hoe regionaal geleide vredesinitiatieven kunnen worden ondersteund. Zo reisde een Nederlandse vertegenwoordiger in maart dit jaar af naar zowel DRC als Rwanda als onderdeel van een internationale missie van VS, VK, EU, Frankrijk, België, de VN en de Afrikaanse Unie. Nederland deed dit in de hoedanigheid als voorzitter van de International Contact Group, een informeel samenwerkingsverband van gelijkgezinde partners om informatie uit te wisselen en inspanningen om vredesinitiatieven te ondersteunen te coördineren.
Daarnaast draagt Nederland bij aan de inspanningen van de VN Speciaal Gezant voor de Grote Meren regio en steunt Nederland de International Conference for the Great Lakes, een intergouvernementele organisatie van landen in de Grote Meren regio, die zich bezig houdt met de bevordering van regionale ontwikkeling en duurzame vrede.
Wat is de status van de aan te stellen EU Speciale Gezant voor het Grote Merengebied? Deelt u de mening dat deze persoon zo snel mogelijk ter plekke zou moeten zijn? Kunt u die urgentie adresseren tijdens de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken in Brussel?
De Europese Commissie is in de afrondende fase van de aanstelling van een EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren regio. Nederland heeft zich sterk ingespannen voor de instelling van deze functie door dit, in samenwerking met andere lidstaten, consistent onder de aandacht te brengen in Brussel. Inmiddels is de Europese Commissie bezig met de afronding van de selectieprocedure, en is er reeds overeenstemming bereikt over het mandaat van de Speciaal Vertegenwoordiger. Gezien de voorgenoemde ontwikkelingen acht ik het niet nodig dat Nederland dit tijdens de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken agendeert.
Het ontzeggen van toegang aan de Brits-Palestijnse dokter Ghassan Abu-Sittah tot het Schengengebied |
|
Jan Paternotte (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Met welke reden(en) heeft het kabinet besloten om geen uitzondering te maken op het Duitse inreisverbod tot het Schengengebied voor de Brits-Palestijnse chirurg Ghassan Abu-Sittah?
Namens de Minister van Asiel en Migratie deelt het kabinet in de regel geen informatie over individuele zaken met de Kamer. In algemene zin kan worden gesteld dat vreemdelingen dienen te voldoen aan toegangsvoorwaarden als zij het Schengengebied willen inreizen en verblijven. Eén van die toegangsvoorwaarden tot Nederland is dat zij geen gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een andere toegangsvoorwaarde is dat zij niet in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd staan. Zoals tijdens het plenaire Kamerdebat over de situatie in Gaza op 16 mei jl. reeds aan de orde kwam, staat de heer Abu-Sittah inmiddels niet meer in het SIS gesignaleerd.
Is er overwogen om een uitzondering te maken en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Weet u op welke gronden de Duitse autoriteiten de heer Abu-Sittah toegang tot het Schengengebied hebben ontzegd? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat is bekend en met betrokkene gedeeld.
Vindt het kabinet juist niet dat de heer Abu-Sittah zijn ervaringen in Gaza tijdens de eerste maanden van de oorlog met het Europese publiek zou moeten kunnen delen, in het bijzonder omdat Israël geen internationale journalisten en waarnemers toelaat tot Gaza?
Het kabinet hecht groot belang aan de vrijheid van meningsuiting en onderschrijft het belang dat betrokkenen hun ervaring moeten kunnen delen. Tegelijkertijd hebben lidstaten te maken met het Schengen acquis dat voorwaarden stelt aan toegang tot het Schengengebied. Lidstaten zijn eraan gehouden het acquis te respecteren.
Bent u ervan op de hoogte dat de heer Abu-Sittah in januari 2024 in Den Haag heeft deelgenomen aan het lopende onderzoek van het Internationaal Strafhof naar misdrijven gepleegd in de bezette Palestijnse Gebieden?
Ja, dat is bekend.
Is bekend of de heer Abu-Sittah een afspraak had met een internationale organisatie zoals het ICC, ICJ of OPCW tijdens zijn geplande bezoek aan Nederland? Zo ja, wat voor consequenties heeft het dat Nederland kan bepalen welke getuigen wel/niet kunnen worden gehoord door dit soort internationale organisaties die onderzoek doen naar o.a. schendingen van het internationaal recht?
Ja, het bezoekprogramma is door tussenkomst van de Palestijnse missie met het Ministerie van Buitenlandse Zaken gedeeld. Het is aan de internationale organisaties om te bepalen welke personen als getuige worden aangemerkt of om aan te geven dat aanwezigheid van een persoon nodig is bij bijeenkomsten bij die organisaties. De regering respecteert de onafhankelijkheid van de organisaties en doet daar geen uitspraken over.
Is het kabinet in overleg getreden met het Internationaal Strafhof of andere internationale organisaties over het al dan niet volgen van het Duitse inreisverbod tegen de heer Abu-Sittah?
In het algemeen geldt dat Nederland de internationaalrechtelijke verplichting heeft om de toegang en het verblijf op het grondgebied mogelijk te maken van personen van wie (onder andere) de genoemde organisaties aangeven dat hun aanwezigheid bij de zetel van de betreffende organisatie vereist is in het kader van de vervulling van hun taken.
Is de heer Abu-Sittah volgens u een getuige, dan wel een persoon die onder artikel 26 of artikel 29 van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en Nederland bepaalde bescherming geniet? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Internationaal Strafhof om te bepalen of een persoon wordt aangemerkt als getuige onder artikel 26 van het Zetelverdrag of als persoon van wie de aanwezigheid bij de zetel van het Strafhof is vereist onder artikel 29 van het Zetelverdrag.
Is de heer Abu-Sittah volgens u een deskundige die onder artikel 14 van het Gastlandverdrag tussen Nederland en de OPCW bepaalde bescherming geniet? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OPCW) om te bepalen of een persoon wordt aangemerkt als deskundige onder artikel 14 van het Zetelverdrag.
Als het antwoord op vraag 8 of 9 bevestigend is, hoe strookt het inreisverbod met de rechten van Abu-Sittah onder beide verdragen?
Zie het antwoord op de vragen 8 en 9 hierboven.
Deelt het kabinet de mening dat Nederland als gastland van internationale organisaties die onderzoek doen naar schendingen van het internationaal recht, een speciale verantwoordelijkheid heeft om toegang te verlenen tot getuigen? Zo nee, waarom niet?
De regering respecteert de onafhankelijkheid van de in Nederland gevestigde internationale organisaties en het onderzoek dat zij doen naar schendingen van het internationaal recht. Op grond van de zetelverdragen met die internationale organisaties heeft Nederland de verplichting om de toegang tot Nederland van getuigen en andere personen van wie de aanwezigheid bij die organisaties nodig is te faciliteren. Of personen als zodanig worden aangemerkt, is aan de internationale organisaties zelf om te bepalen.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk en vóór woensdagavond 15 mei beantwoorden?
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Lucratief belang en partiële buitenlandse belastingplicht |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Miljoenen toucheren, nul belasting betalen: hoe twee expat-managers van Action buiten bereik van de fiscus bleven»?1
Ja.
Bent u na het lezen van dit artikel nog steeds van mening dat het combineren van de keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht en de doorstootverplichting in de lucratiefbelangregeling niet mogelijk is, zoals u aangaf in antwoorden op Kamervragen van het lid Maatoug uit november 2022?2
Ja. Zoals ik ook bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Maatoug van november 2022 heb aangegeven, ben ik van mening dat de doorstootverplichting van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) niet kan samengaan met de optionele partiële buitenlandse belastingplicht van artikel 2.6 Wet IB 2001. Bij de optionele partiële buitenlandse belastingplicht wordt bij de belastingplichtige het inkomen uit box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen) alleen in de Nederlandse heffing van inkomstenbelasting betrokken voor zover Nederlands inkomen wordt genoten. Als sprake is van een aanmerkelijk belang in een in niet in Nederland gevestigde vennootschap (vergelijk artikel 7.5 Wet IB 2001) worden voordelen daaruit niet in de Nederlandse heffing van inkomstenbelasting betrokken. Deze voordelen worden op grond van artikel 2.6 Wet IB 2001 buiten beschouwing gelaten. Hierdoor kan naar mijn mening niet worden voldaan aan de doorstootverplichting. De doorstootverplichting vereist immers dat er voor ten minste 95% van de lucratiefbelangvoordelen inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten. Dat kan alleen als iemand belastingplichtige is voor het aanmerkelijk belang, hetgeen belanghebbende niet is, omdat hij gebruik heeft gemaakt van de optionele partiële buitenlandse belastingplicht. Daarnaast acht ik het standpunt van belanghebbende dat de doorstootregeling in zijn geval kan worden toegepast, in strijd met doel en strekking van deze bepaling. Duidelijk is immers dat de wetgever voor ogen stond dat box 1-heffing terugtreedt in verband met box 2-heffing, en niet in verband met geen heffing op grond van die wet.
Indien deze combinatie toch mogelijk blijkt te zijn en expats door gebruik van de doorstootverplichting in de lucratiefbelangregeling én de keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht over een deel van hun inkomen überhaupt geen belasting in Nederland betalen, zou u dit dan classificeren als een concreet signaal van onbedoeld ontwijkgedrag van de lucratiefbelangregeling?
Ja. Zoals bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, vind ik het ongewenst als belastingplichtigen bij de lucratiefbelangregeling kiezen voor de partiële buitenlandse belastingplicht in combinatie met een buitenlandse houdstervennootschap en daarbij voor de doorstootverplichting kiezen ter zake van in Nederland gerealiseerde lucratiefbelangvoordelen. Deze samenloop kan er niet toe leiden dat geen belastingheffing plaatsvindt ter zake van het lucratieve belang. Tegen de andersluidende oordelen van rechtbank Noord-Holland en Zeeland-West-Brabant heeft de Belastingdienst daarom terecht hoger beroep aangetekend.3
Klopt het dat deze manier van belasting ontwijken vanaf 2025 niet meer mogelijk is door het amendement Grinwis waarmee de partiële buitenlandse belastingplicht wordt afgeschaft? Zo nee, wat gaat u doen om deze ontwijkingsconstructie onmogelijk te maken?
Het aangenomen amendement van het lid Grinwis is onderdeel van het Belastingplan 2024.4 Het amendement regelt dat artikel 2.6 Wet IB 2001 per 1 januari 2025 vervalt en leidt daarmee tot afschaffing van de keuzemogelijkheid voor de partiële buitenlandse belastingplicht. Zoals hiervoor toegelicht ben ik van mening dat het nu ook niet mogelijk is om de partiële buitenlandse belastingplicht in combinatie met de doorstootregeling van het lucratief belang toe te passen. Vanaf 2025 zal de partiële buitenlandse belastingplicht voor nieuw ingekomen werknemers, die gebruikmaken van de 30%-regeling, worden afgeschaft zodat er voor die belastingplichtigen ook geen mogelijkheid meer is om dit standpunt in te nemen. Bij de afschaffing van dit keuzerecht geldt overgangsrecht voor een periode van twee jaar. Hierdoor zal er in ieder geval vanaf 2027 geen discussie meer bestaan tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst over de constructie van de partiële buitenlandse belastingplicht in combinatie met de lucratiefbelangregeling.
Is bekend hoe vaak de lucratiefbelangregeling jaarlijks sinds het invoeren ervan in 2009 wordt toegepast? Hoe vaak wordt jaarlijks sinds 2009 de doorstootverplichting toegepast? Is er volgens u sprake van een toename? Zo ja, wat is daarvan volgens u de oorzaak?
Het is niet mogelijk om op basis van Belastingdienstgegevens in beeld te brengen in hoeveel gevallen de lucratief belangregeling van toepassing is. Er zijn geen gegevens beschikbaar bij de Belastingdienst over het aantal situaties waarin de lucratiefbelangregeling een rol speelt, aangezien deze niet afzonderlijk worden geregistreerd in de aangiften inkomstenbelasting. Het is daarom evenmin bekend hoe vaak de doorstootverplichting wordt toegepast.
Wat vindt u van het bestaan van andere ontwijkingsmogelijkheden met de fiscale regelingen voor buitenlandse werknemers, bijvoorbeeld door brutoloon uit te ruilen tegen vergoedingen voor extraterritoriale kosten, waarover geen belasting hoeft te worden betaald? Hoe kijkt u aan tegen het vergoeden van kosten die in werkelijkheid helemaal niet gemaakt zijn of het standaard vergoeden van kosten in ruil voor een lager brutoloon zonder dat dit met de desbetreffende werknemer is besproken?
Voor werkgevers en werknemers bestaat -binnen bepaalde grenzen (bijvoorbeeld het minimumloon)- contractsvrijheid om de hoogte van het loon onderling af te spreken. Dat houdt ook in dat werkgevers en werknemers kunnen afspreken dat een werknemer hetzelfde werk verricht tegen een lager loon en daarnaast een vergoeding ontvangt voor extraterritoriale kosten. Dit biedt werkgevers en werknemers de mogelijkheid om de arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de (samenstelling van de) beloning, naar eigen voorkeur samen te stellen, rekening houdende met de wettelijke mogelijkheden. Deze ruil van bruto loon voor een onbelaste kostenvergoeding vindt overigens niet alleen plaats in het kader van extraterritoriale kosten, maar ook voor diverse andere onbelaste kostenvergoedingen zoals reiskosten en studiekosten. Dergelijke regelingen worden ook op CAO-niveau afgesproken. De fiscale spelregels voor het uitruilen van bruto loon voor een onbelaste kostenvergoeding zijn opgenomen in het besluit Loonheffingen, wijziging beloningen; cafetariaregelingen5 (hierna: het besluit).
Ingekomen werknemers maken vanwege hun uitzending naar Nederland extra kosten (zogenoemde extraterritoriale kosten (ETK)). Dat zijn onder meer extra kosten voor levensonderhoud door een hoger prijspeil in Nederland, de kosten voor een kennismakingsbezoek aan Nederland, kosten voor het aanvragen of omzetten van officiële persoonlijke papieren (zoals verblijfsvergunningen, visa en rijbewijzen), reiskosten van en naar het land van herkomst en dubbele huisvestingskosten. Het doel van de ETK-regeling is het creëren van een gelijk speelveld tussen Nederlandse en buitenlandse arbeidskrachten voor dezelfde functie door de compensatie van extraterritoriale kosten die Nederlanders niet hebben. Voor ingekomen werknemers die aan bepaalde voorwaarden voldoen, bestaat een forfaitaire variant van de ETK-regeling, de zogenoemde 30%-regeling.
Om een onbelaste kostenvergoeding toe te kunnen kennen aan een werknemer geldt in beginsel als basisvoorwaarde dat er daadwerkelijk gemaakte kosten tegenover dienen te staan. Het onbelast vergoeden van kosten die in werkelijkheid niet zijn gemaakt is, uitzonderingen daargelaten, niet toegestaan en zal door de Belastingdienst worden bestreden wanneer dit bij een controle wordt geconstateerd.
Een uitruil van bruto loon in ruil voor een onbelaste kostenvergoeding maakt deel uit van de arbeidsvoorwaarden die werkgever en werknemer overeenkomen in de arbeidsovereenkomst of in aanvulling daarop. Een arbeidsovereenkomst vraagt instemming van zowel werkgever en werknemer. Het besluit stelt bovendien als eis aan een uitruil dat de partijen de gevolgen van een dergelijke uitruil, bijvoorbeeld voor bepaalde loonafhankelijke regelingen, zoals sociale zekerheidsuitkeringen en vakantiegeld, bewust aanvaarden. Een uitruil van bruto loon voor een onbelaste kostenvergoeding die niet met de werknemer is besproken en waar de werknemer niet expliciet mee akkoord is gegaan, is daarom niet toegestaan.
De gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten wordt op dit moment geëvalueerd (tezamen met de 30%-regeling en de keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht). De eerste conceptrapportage naar aanleiding van de evaluatie kan ik in juni met uw Kamer delen. Daarna ontvangt u ook een inhoudelijke reactie van het kabinet op de bevindingen van de onderzoekers.
Bent u het ermee eens dat de discussie over of iets een beloning voor geleverde arbeid of voor verstrekking van kapitaal is, niet relevant is op het moment dat inkomsten uit kapitaal en uit arbeid gelijk worden belast?
Ja. Als inkomen uit kapitaal en inkomen uit arbeid gelijk worden belast, dan wordt de discussie over de kwalificatie van het inkomen als ofwel inkomen uit arbeid ofwel inkomen uit kapitaal niet of minder relevant.
Worden inkomsten uit kapitaal en uit arbeid volgens u op dit moment gelijk belast? Kunt u toelichten waarom wel of niet?
Nee. Het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief» laat zien dat er behoorlijke verschillen zijn in belastingdruk, zowel tussen inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen als tussen verschillende vormen van (inkomen uit) arbeid en tussen verschillende vormen van (inkomen uit) vermogen.6
Bij het inkomen uit arbeid wordt de belastingdruk voor werknemers, IB-ondernemers en directeur-grootaandeelhouders (dga’s) vergeleken, zowel de gemiddelde belastingdruk als de toptarieven. Omdat het inkomen van de IB-ondernemer en de dga ook een vermogenscomponent kan hebben, is dit ook een vergelijk van de belastingdruk op inkomen uit arbeid en op inkomen uit kapitaal. Bij deze vergelijking wordt zo goed mogelijk rekening gehouden met relevante verschillen tussen werkenden. Het gaat dus niet alleen om de tarieven in de inkomstenbelasting. De vergelijking houdt bijvoorbeeld ook rekening met de vennootschapsbelasting die de vennootschap van de dga verschuldigd is over de winst. Tegelijkertijd wordt geen rekening gehouden met het fiscale voordeel dat een dga kan bereiken door (een deel van) de winst in de vennootschap niet uit te keren. Uit recent onderzoek van het CPB blijkt dat die mogelijkheid in de praktijk over een langere periode kan leiden tot een lagere belastingdruk.
Bij inkomen uit kapitaal wordt de belastindruk op (inkomen uit) verschillende vormen van vermogen vergeleken. Het gaat dan niet alleen over verschillende vormen van vermogen in box 2 en box 3, maar ook over bijvoorbeeld de eigen woning, ondernemingsvermogen en pensioenvermogen in box 1.
Het genoemde bouwstenenrapport schetst concrete opties om desgewenst meer evenwicht in de belastingdruk te brengen. Er kunnen overigens ook goede redenen zijn om niet alle vormen van inkomen of vermogen tegen een gelijk tarief te belasten. Inkomen uit vermogen kan bijvoorbeeld naast een reële component ook een inflatiecomponent hebben. En de eigen woning heeft naast een vermogensaspect ook een belangrijk consumptieaspect. Ook is bij sommige vormen van inkomen belastingheffing meer verstorend dan bij andere vormen van inkomen, bijvoorbeeld vanwege verschillen in internationale mobiliteit. Tot slot kunnen er redenen zijn bepaalde vormen van inkomen of vermogen fiscaal gunstig te behandelen, zoals bijvoorbeeld pensioenen. Ook vermogen dat bijvoorbeeld wordt geïnvesteerd in innovatie kan positieve externe effecten met zich meebrengen.
Bent u van plan maatregelen te nemen om inkomsten uit kapitaal en inkomsten uit arbeid gelijker te gaan belasten?
Het kabinet heeft in deze kabinetsperiode diverse maatregelen genomen om het inkomen uit arbeid en vermogen evenwichtiger te belasten. Dit mede in reactie op het IBO Vermogensverdeling.7 Het Belastingplanpakket 2023 en Belastingplanpakket 2024 bevatten vele maatregelen daartoe. In antwoorden op de Kamervragen die zijn gesteld naar aanleiding van het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief» van 12 februari 2024 heb ik recent nog een opsomming daarvan gegeven.8 Het is aan een volgend kabinet om eventuele verder stappen te zetten.
Klopt het dat de insteek van het boxenstelsel is dat een «globaal evenwicht» in tarieven bereikt wordt, waarbij in box 2 ook de vennootschapsbelasting wordt meegerekend? Hoe zit dit met box 3?
Hieronder volgt een uiteenzetting zoals die ook te vinden is in Bouwstenen voor een beter belastingstelsel 20209 respectievelijk in het IBO Vermogensverdeling. In 2001 is het boxensysteem ingevoerd in de inkomstenbelasting. De hoofddoelstelling van de invoering van het boxenstelsel in 2001 was een neutralere belastingheffing van verschillende soorten vermogens en het verminderen van arbitragemogelijkheden door de keuze van een gelijk tarief voor verschillende vormen van vermogenswinsten. Box 3 vormde in 2001 de basis van het in 2001 ingevoerde boxenstelsel. De invoering van box 3 met een forfaitaire vermogensrendementsheffing betekende op dat moment een forse grondslagverbreding en een einde aan een grondslagerosie in de inkomstenbelasting. Het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Wet IB 2001 beoogde neutraliteit voor vermogensinkomens en daarmee ook een tarief van 30% voor het inkomen in box 2. De gedachte daarachter was dat een dga fiscaal deels vergelijkbaar is met een ondernemer die progressief belaste winst uit onderneming geniet én deels met een particuliere belegger van wie de beleggingen onder het forfaitaire rendement van box 3 valt, terwijl de gecombineerde druk van de Vpb- en box 2-heffing vergelijkbaar was aan het toptarief in box 1. Hoewel die gedachtegang in die tijd algemeen werd onderschreven, werd de gecumuleerde druk van 54,5% door de Tweede Kamer te hoog bevonden ten opzichte van het toptarief van 52% in box 1.10 Het oorspronkelijk box 2-tarief van 25% is destijds in de uiteindelijke Wet IB 2001 gehandhaafd als box 2-tarief. Met de invoering van het boxenstelsel in 2001 is ook beoogd om ondernemerschap gelijkwaardig te belaste ongeacht de rechtsvorm. Anders gezegd: het box 2-regime voor dga’s legde een koppeling tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarmee een globaal evenwicht tussen het belasten van een IB-ondernemer en een dga werd verkregen,11 en een globaal evenwicht met de werknemer. Zie onderstaande tabel voor de (gecumuleerde) toptarieven van een werknemer, IB-ondernemer en dga in 2001.
Tabel 2.1: Vergelijking (cumulatief) toptarieven 2001
Werknemer
52%
IB-ondernemer
52%
DGA winst ≤ ƒ 50.000
47,50%
DGA winst > ƒ 50.000
51,25%
Bij de invoering van het boxenstelsel was er dus sprake van globaal evenwicht in de fiscale behandeling van werkenden (werknemers, IB-ondernemers en directeurgrootaandeelhouders (dga’s)) en op dat moment ook min of meer evenwicht tussen box 2 en box 3. Nadien heeft internationale belastingconcurrentie ertoe geleid dat al snel na 2001 het Vpb-tarief in een rap tempo is verlaagd. Omdat dit leidde tot een vlucht naar bv’s is in 2007 de mkb-winstvrijstelling van 10% ingevoerd, om het evenwicht tussen de dga en de IB-ondernemer te bewaren. Het effectieve tarief in box 1 voor IB-ondernemers was door de mkb-winstvrijstelling op dat moment weer ongeveer gelijk aan de gecumuleerde druk op de aanmerkelijkbelanghouders in box 2. Vanaf toen is het evenwicht met de werknemer echter vrijwel geheel verloren gegaan. Onderstaande – inmiddels welkbekende – figuur laat de ontwikkelingen in de marginale toptarieven zien als gevolg van gemaakte beleidskeuze.
In reactie op het IBO Vermogensverdeling heeft dit kabinet met de opeenvolgende belastingplanpakketten 2023 en 2024 de nodige maatregelen genomen, die de trend hebben gekeerd van steeds meer uiteenlopende tarieven. Dat durf ik best historisch te noemen. Eén van de belangrijkste maatregelen betrof het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% en het verlagen van de schijfgrens van € 395.000 naar € 200.000 tot waar het lage Vpb-tarief geldt. Daarnaast is het lenen van de eigen vennootschap ingeperkt tot € 500.000, is de mkb-winstvrijstelling verhoogd en is een gedifferentieerd tarief in box 2 ingevoerd. Een opsomming van alle maatregelen is opgenomen in de antwoorden op de Kamervragen die zijn gesteld naar aanleiding van het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief» van 12 februari 2024.12 De figuur hieronder illustreert een deel van het resultaat hiervan.
Met deze historische ontwikkelingen wil ik duidelijk maken dat het boxenstelsel op zichzelf bezien niet zorgt voor onevenwichtigheden, maar wel de beleidskeuzes om tarieven aan te passen en kortingen en vrijstellingen al dan niet in te voeren. Het synthetische stelsel zoals Nederland voor 2001 kende bleek ook verre van ideaal. Het ligt dan ook aan gemaakte keuzes dat verschillen ontstaan.
In hoeverre acht u het meerekenen van de vennootschapsbelasting voor het bepalen van dit «globaal evenwicht» nog terecht als beloningen voor geleverde arbeid via constructies in box 2? Zijn er situaties waarin inkomsten in box 2 vallen zonder dat er vennootschapsbelasting wordt betaald?
Bij de bepaling van het globaal evenwicht voor aanmerkelijkbelanghouders wordt voor box 2 gerekend met het gecombineerde tarief van vennootschapsbelasting en het box 2-tarief, waarbij het box 2-tarief pas geldt als daadwerkelijk dividend wordt genoten. Bij de heffing van inkomen uit box 2 wordt dus rekening gehouden met de vennootschapsbelasting ook al wordt niet altijd vennootschapsbelasting betaald door de vennootschap waarin direct het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Bijvoorbeeld omdat de vennootschap voordelen geniet die zijn vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. In dat geval heeft de deelneming al vennootschapsbelasting betaald over haar winst en worden de voordelen bij de vennootschap die de aandelen houdt in de deelneming niet belast. Hiermee wordt dubbele heffing voorkomen. Deze deelneming kan in het buitenland zijn gevestigd waardoor er in het buitenland belasting wordt geheven over de winst. Het is dan ook niet altijd duidelijk hoeveel en waar vennootschapsbelasting is betaald. Ook kunnen er andere factoren spelen zoals verliesverrekeningen die van invloed zijn op de te betalen vennootschapsbelasting. In beginsel geldt echter wel dat over bijvoorbeeld uitgekeerde winsten die inkomen vormen in box 2 eerst vennootschapsbelasting of buitenlandse winstbelasting is geheven.
In het dertigledendebat over een extra belasting voor extreem rijken heb ik aanleiding van motie Idsinga toegezegd een onderzoek te doen naar een aanpassing van de lucratiefbelangregeling waarbij managers in de private-equity sector worden belast naar het progressieve tarief van box 1.13 De doorstootregeling (belastingheffing via box 2) is ook onderwerp van dit onderzoek. Het streven is de Kamer voor het zomerreces hierover te informeren.
In hoeverre draagt het boxenstelsel volgens u nog bij aan het gelijk behandelen van verschillende inkomsten?
Zoals bij de beantwoording van vraag 10 is aangegeven is het niet zozeer het boxenstelsel dat zorgt voor ongelijke behandeling maar gaat het vooral om de gemaakte keuzes over tarieven, kortingen en wat wel of niet tot de te belasten grondslag wordt gerekend.
Bent u van mening dat het boxenstelsel heroverwogen moet worden bij de eerstvolgende grote herziening van het belastingstelsel?
Een herziening van het belastingstelsel zoals het aanpassen van het boxenstelsel zal een ingrijpende verandering betekenen en zal een lange periode beslaan. Het boxenstelsel is in 2001 ingevoerd uit onvrede over het synthetisch stelsel daarvoor. De combinatie van progressieve tarieven voor rente- en dividendeninkomsten voor particulieren en de niet uniforme behandeling van verschillende beleggingsvormen leidde tot steeds meer belastingconstructies om zoveel mogelijk belasting op (inkomen uit) vermogen te ontwijken.14 Zoals in voorgaande antwoorden beschreven en zoals maatregelen van dit kabinet hebben laten zien, kunnen bestaande onevenwichtigheden ook worden geadresseerd door aanpassingen binnen het huidige belastingstelsel, dus zonder een stelselherziening. Dit (demissionaire) kabinet acht het van belang om voortdurend kritisch te blijven kijken naar het belastingstelsel, en daarmee ook de vormgeving van het boxenstelsel. Daarmee wordt juist handelingsperspectief op korte en middellange termijn geboden. In een onderzoek naar het boxenstelsel zou de vraag centraal kunnen staan om – in lijn met de aanbeveling uit het IBO Vermogensverdeling – tot een stelsel te komen waarbij inkomen uit werk en verschillende vermogensvormen neutraler worden behandeld. Een eventueel initiatief voor een dergelijk onderzoek is aan het volgende kabinet.
Het artikel ‘Russia plotting sabotage across Europe, intelligence agencies warn’. |
|
Henri Bontenbal (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Russia plotting sabotage across Europe, intelligence agencies warn»1?
Ja.
Herkent u de waarschuwingen die door verschillende Europese inlichtingendiensten worden gegeven over een significant grotere dreiging voor gewelddadige sabotageacties door Rusland binnen Europa?
Ik herken de waarschuwingen. In algemene zin is er sprake van een toegenomen dreiging sinds de grootschalige invasie van Oekraïne in februari 2022. Zoals in het jaarverslag van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) vermeld kan bijvoorbeeld de vitale maritieme infrastructuur in het Nederlandse deel van de Noordzee kwetsbaar zijn voor sabotage. We zien dat Rusland deze infrastructuur heimelijk in kaart brengt en activiteiten onderneemt die mogelijk duiden op spionage en voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage.
In hoeverre is deze dreiging voor gewelddadige sabotageacties ook op Nederlands grondgebied toegenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deze dreiging serieus genomen moet worden en dat de waarschuwing van Europese inlichtingendiensten ook in Nederland zou moeten leiden tot hogere waakzaamheid?
Deze mening deel ik. De MIVD en Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) zijn zeer waakzaam ten aanzien van de Russische intenties tegen Nederland. De diensten hebben hierover gerapporteerd in de onlangs verschenen jaarverslagen en staan hierover in contact met partnerdiensten.
Heeft u goed in beeld wat de mogelijke doelwitten van Russische sabotageacties in ons land kunnen zijn? In hoeverre is het identificeren van deze potentiële doelwitten een continu proces?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding wordt er in het openbaar niet ingegaan op de werkwijze dan wel het actuele kennisniveau van de diensten. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten rapporteren hierover via de geëigende kanalen. In algemene zin geldt dat de diensten indien nodig andere partijen, zoals bedrijven in de vitale infrastructuur, informeren, zodat zij in staat worden gesteld om passende maatregelen te nemen. Daarnaast is in november 2023 het Rijksbreed Responskader (RBRK) vastgesteld omdat Nederland en partners/bondgenoten geconfronteerd worden met een groeiende hybride dreiging die uitgaat van statelijke actoren. Bij de opzet van dit kader zijn alle departementen betrokken zodat een breed beeld ontstaat over de activiteiten van statelijke actoren.
Welke maatregelen neemt u om de mogelijke dreiging van gewelddadige Russische sabotageacties in Nederland nog beter in kaart te brengen en om deze informatie continu up-to-date te houden?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich de Kamermotie uit november 2021 waarin de regering werd verzocht om samen met andere landen een strategie te ontwikkelen voor de bescherming van cruciale infrastructuur in de Noordzee2?
Ja. Onlangs heeft Nederland een intentieverklaring getekend met België, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Noorwegen om gezamenlijk te werken aan een verhoogde bescherming van de Noordzee infrastructuur.
Is de financiering van het actieplan voor de Strategie ter bescherming van de Noordzee Infrastructuur inmiddels rond3? Zo nee, waarom niet?
Om uitvoering te kunnen geven aan het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur heeft het kabinet besloten voor de jaren 2024 en 2025 financiële middelen beschikbaar te stellen, zodat verder kan worden gewerkt aan de bescherming van de infrastructuur op de Noordzee. Specifiek worden de middelen in 2024 en 2025 ingezet voor o.a. het opschalen van sensorcapaciteit, investeringen in ICT hardware en software, het maken van een gezamenlijk opleidings, -trainings en oefenprogramma en de ontwikkeling van een responssysteem. Met deze financiële middelen voor 2024 en 2025 worden geen onomkeerbare stappen gemaakt en wordt door het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) een projectmatige aanpak gehanteerd. Het is aan het volgende kabinet om vast te stellen hoe na 2025 invulling wordt gegeven aan de financiering van het programma.
Op welke termijn verwacht u het actieplan voor de Strategie ter bescherming van de Noordzee Infrastructuur met de Kamer te kunnen delen?
De Kamerbrief inclusief het actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur is op 10 juni aan de Kamer verstuurd.
Welke aanknopingspunten biedt dit actieplan voor de eventuele ontwikkeling van een breder actieplan ter bescherming van andere cruciale en/of kwetsbare infrastructuur? Wordt daar al over nagedacht en/of aan gewerkt?
Om de vitale infrastructuur te beschermen heeft dit kabinet geïnvesteerd in een aanpak Vitaal.4 Met de maatregelen in deze aanpak wordt de weerbaarheid van de vitale infrastructuur integraal en structureel versterkt. Het actieplan Bescherming Noordzee Infrastructuur sluit hierop aan.
Daarnaast vraagt de bescherming van de vitale infrastructuur op de Noordzee ook om een speciale aanpak, gezien de aard van de dreiging en dit type infrastructuur. Zo gelden er op de Noordzee andere wet- en regelgeving en andere geografische en fysieke omstandigheden dan op het vasteland. Ook de transnationale aard van de pijpleidingen en datakabels op de Noordzee betekent dat de vereiste maatregelen zo veel mogelijk moeten worden ingericht in afstemming met bondgenoten rondom de Noordzee. Het actieplan is toegespitst op deze specifieke omstandigheden en eigenschappen.
In het kader van de bescherming van onderzeese elektriciteitskabels wijs ik u ook op de 1e nota van wijziging bij de Energiewet die de Minister voor Klimaat en Energie recent met uw kamer heeft gedeeld5. Onder andere vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid wordt in deze nota van wijziging voorgesteld om het staatseigendom van op zichzelf staande interconnectorsystemen (bijvoorbeeld onderzeese interconnectoren voor elektriciteit) te borgen.6 Deze keuze sluit ook bij eerdere keuzes om elektriciteitsinfrastructuur op land en op zee in publieke handen te hebben.
Wat is uw reactie op de uitspraak van één van de in het artikel geciteerde beambten van een inlichtingendienst dat Putin zich momenteel «aangemoedigd» voelt en de grenzen opzoekt met betrekking tot Russische activiteiten in Europa zoals het verspreiden van desinformatie, sabotageacties en hacken?
De dreiging van desinformatie, sabotage en hacks vanuit Rusland is niet nieuw. In hun jaarverslagen rapporteren de AIVD en de MIVD al langere tijd over Russische heimelijke beïnvloeding op het gebied van onder andere desinformatie, maar ook over sabotage en cyberdreigingen. Recentelijk hebben NAVO bondgenoten, waaronder Nederland, hun diepe bezorgdheid uitgesproken over hybride dreigingen van Rusland die een gevaar vormen voor de bondgenootschappelijke veiligheid.7
Hoe kijkt u naar de volgende uitspraak van de tevens in het artikel geciteerde expert Keir Giles van Chatham House? «These pinprick attacks we’ve seen so far are of course to create disruption, but they can also be used for disinformation. And then there is what Russia learns from these attacks if they want to immobilise Europe for real... They’re practice runs.»
Zoals blijkt uit de jaarverslagen over 2023 van de MIVD en de AIVD zien zij, vooral sinds de grootschalige invasie van Rusland in Oekraïne, meerdere dreigingen vanuit Rusland. Het gaat hierbij voornamelijk om cyberspionage en -sabotage, maar ook om het verzamelen van informatie over onze kritieke infrastructuur. Het gaat Rusland ook, zo kunt u in het AIVD jaarverslag lezen, om beïnvloeding van de publieke opinie en politieke besluitvorming over de steun aan Oekraïne. Naar aanleiding van de recentelijk bekend gemaakte incidenten, spreekt de NAVO van een intensiverende campagne van activiteiten, zoals sabotage, cyberaanvallen en desinformatiecampagnes, op bondgenootschappelijk grondgebied.8 De recente incidenten moeten worden bezien als onderdeel van een bredere campagne van in dit geval Rusland waarbij dit land opportunistisch optreedt om zijn doelstellingen te behalen. Het valt niet uit te sluiten dat het hierbij ook gaat om het verzamelen van informatie over de wijze waarop en de snelheid waarmee een land reageert.
Hoewel sabotage-activiteiten tot dusver zijn gesignaleerd bij andere Europese bondgenoten, is het belangrijk te vermelden dat onze veiligheid nauw is verweven met de internationale omgeving. Sabotage in het buitenland kan door ketenafhankelijkheid ook impact hebben op Nederlandse belangen. Andersom is dit ook het geval. Mogelijke sabotage acties door andere staten tegen vitale processen in Nederland zoals energie en logistiek kunnen gevolgen hebben voor onze bondgenoten en partners.
Deelt u de inschatting dat de tot nu toe geïdentificeerde Russische sabotageacties in Europa deels kunnen worden gezien als «oefeningen»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dat dan voor de stappen die ook Nederland moet zetten om beter voorbereid te zijn op het voorkomen van grootschaligere sabotage en het vergroten van de weerbaarheid tegen Russische sabotageacties?
Het is al langer bekend dat Rusland verschillende middelen inzet als machtsmiddel. Het gaat dan onder andere om het verspreiden van desinformatie, digitale spionage en pre-positionering voor sabotage in vitale infrastructuur. Met de aanpak statelijke dreigingen wordt ingezet op het beschermen van publieke belangen en het versterken van het vermogen om dreigingen te detecteren, aan te pakken en waar nodig te voorzien van een reactie9.
Ook de specifieke dreiging ten aanzien van de vitale infrastructuur op zee wordt al langer onderkend. De MIVD, AIVD en NCTV stellen dat Rusland deze infrastructuur heimelijk in kaart brengt en activiteiten onderneemt die duiden op spionage en voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage. Het kabinet heeft hierop besloten om in te zetten op een betere bescherming van de infrastructuur op de Noordzee. De hiervoor vereiste maatregelen zijn samengevat in het actieplan Bescherming Noordzee Infrastructuur, dat op maandag 10 juni jl. naar de Kamer is verstuurd.
Welke rol ziet u voor Europese samenwerking bij het vergroten van de weerbaarheid en de waakzaamheid voor mogelijke gewelddadige sabotageacties? In hoeverre is/wordt het Europese overleg en samenwerking op dit thema geïntensiveerd?
De Europese Unie heeft het bevorderen van de weerbaarheid van vitale infrastructuur duidelijk op het netvlies staan. Zo zijn in december 2022 de zogeheten CER-richtlijn en NIS2-richtlijn vastgesteld. Hiermee is een geharmoniseerd beschermingskader opgesteld met betrekking tot alle relevante risico's die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de vitale infrastructuur, zoals hybride dreigingen of andere antagonistische dreigingen, waaronder sabotage. Een belangrijk onderdeel van de richtlijnen is samenwerking en informatie-uitwisseling, ook op Europees niveau. Het kabinet werkt momenteel aan de implementatie van voornoemde richtlijnen in nationale wet- en regelgeving.
Verder is, mede door aandringen van Nederland, de bescherming van maritieme infrastructuur een belangrijk thema binnen de recentelijk hernieuwde EU Maritieme Veiligheidsstrategie en bijbehorend Actieplan. Het kabinet is positief over de ambities van de strategie en zet in op nadere invulling van deze plannen op EU-niveau. Ondertussen werkt het kabinet de acties op lidstaatniveau verder uit. Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een verbetering van de samenwerking tussen de EU en de NAVO met de nadruk op complementariteit.
De reeks (Islamitische) aanvallen op Koptische Christenen in Egypte |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Coptic Christians are attacked in two villages in Egypt»1 en «Migrantenkerken worden grotendeels in de steek gelaten»2? Hoe beoordeelt u de stelling in laatstgenoemd artikel (Joop-BNNVARA), namelijk dat er vanuit het Westen zeer weinig aandacht is voor het dagelijks leed dat christenen wordt aangedaan in het Midden-Oosten?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Nederland zet zich wereldwijd in voor de bescherming en bevordering van mensenrechten. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland is begaan met en heeft aandacht voor het lot van christenen wereldwijd, ook in het Midden-Oosten.
Deelt u de mening dat de ontwikkelingen in Al Minya duidelijk een voorbeeld van christenvervolging zijn, gezien het feit dat dit geweld tegen christenen gericht is en oplaait na een bouwvergunning die voor een kerk verleend is?
Ik deel de zorgen over de recente incidenten tegen de koptische christelijke gemeenschap in Al Minya. Het is zeer te betreuren dat intimidatie en discriminatie jegens deze minderheid voorkomt in Egypte, met name in de armere en meer rurale gebieden. Elke Egyptische burger zou vrij moeten zijn om elke religie of geloofsovertuiging van zijn keuze te beoefenen zonder angst voor bedreigingen of fysiek geweld. Tegelijkertijd heeft de Egyptische overheid sinds het aantreden van president El-Sisi positieve stappen gezet om interreligieuze co-existentie te bevorderen. Het aantal gerapporteerde aanvallen door extremisten en antichristelijke groeperingen is de afgelopen 10 jaar afgenomen. Daarnaast zijn er ook andere verbeteringen merkbaar. Zo is scholen opgedragen geen examens te houden tijdens de koptische kerstperiode. President El-Sisi heeft tevens de grootste kerk van het Midden-Oosten ingewijd in de nieuwe administratieve hoofdstad van het land. Ook bezoekt hij jaarlijks het koptisch kerstfeest en spreekt hij regelmatig in het openbaar over eenheid tussen moslims en christenen.
Deelt u de zorgen over christenvervolging in Egypte?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u informatie of de betrokken moslimextremisten deel uitmaken van een groep of terreurgroep? Zo ja, welke is dit? Of handelden zij zonder verband?
Ik beschik niet over eigenstandige informatie over de vermeende daders, en kan daar dan ook geen oordeel over geven.
Deelt u de mening dat genoemd geweld en agressie ook intimidatie en zorgen oplevert voor de koptische gemeenschap in heel Egypte en daarbuiten, waaronder in Nederland?
Het is goed voor te stellen dat het betreffende voorval in Egypte zorgen creëert voor de gehele koptische gemeenschap. Ik beschik niet over eigenstandige informatie die erop zou wijzen dat de incidenten in Egypte aanzetten tot verdere intimidatie van de koptische gemeenschap in de rest van Egypte of daarbuiten, waaronder in Nederland.
Heeft u of heeft de Nederlandse ambassade in Egypte iets ondernomen na deze aanvallen? Zo niet, wat kan er alsnog gedaan worden?
De Nederlandse ambassade heeft via de media kennis genomen van deze aanvallen en via haar contacten navraag gedaan over de situatie bij Ngo’s en de Egyptische autoriteiten. Over het algemeen is het lastig om gedetailleerde informatie over sektarisch geweld in Egypte te verkrijgen en deze te verifiëren. De Nederlandse ambassade blijft de situatie monitoren.
Wat is de reactie van de Egyptische regering geweest op dit geweld? Vindt u dat er door de Egyptische overheid genoeg gedaan wordt voor de bescherming van deze minderheid?
Diverse bronnen geven aan dat de Egyptische veiligheidstroepen naar aanleiding van de incidenten ter plaatse zijn gekomen, verschillende verdachten hebben gearresteerd, en de situatie weer onder controle hebben gekregen. Op «X» schreef Bisschop Makarios van de koptische kerk in Minya dat de Egyptische staat de slachtoffers zal compenseren en de daders verantwoordelijk zal houden.
Nederland verwelkomt de reactie van de Egyptische autoriteiten om het geweld een halt toe te roepen. Dergelijke gebeurtenissen zijn zorgwekkend en het is van belang dat de Egyptische overheid deze vormen van geweld voorkomt.
Hoe vormt geloofsvrijheid en christenvervolging een deel van de diplomatieke inzet van het kabinet in gesprek met de Egyptische counterparts?
Zoals genoemd is vrijheid van religie en levensovertuiging een van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Dit onderwerp wordt door het kabinet op verschillende niveaus en in gesprekken met de Egyptische autoriteiten besproken, waaronder door de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging. In deze dialoog is ruimte om de zorgen over de mensenrechtensituatie in Egypte, waaronder de situatie van christelijke minderheden in Egypte, over te brengen.
Recent zijn er meer contacten geweest tussen ons kabinet en verschillende regeringen in het Midden-Oosten om de crisis rond Israël en Gaza te bespreken, neemt het kabinet daarbij nog andere onderwerpen mee in het diplomatieke gesprek, zoals bijvoorbeeld de vervolging van christenen of andere religieuze minderheden? Zo ja, wat levert dit op?
Vrijheid van religie en levensovertuiging wordt regelmatig besproken tijdens diplomatieke ontmoetingen met diverse landen, waaronder landen in het Midden-Oosten. Voor wat betreft het conflict tussen Israël en Hamas heb ik specifiek aandacht gevraagd voor het belang van religieuze tolerantie en interreligieuze dialoog tijdens mijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden op 6 maart jl.
Heeft de Nederlandse gezant voor religie en levensbeschouwing Egypte bezocht of al contact gehad met de Egyptische overheid? Welke inzet pleegt deze gezant met het oog op Egypte en het bevorderen van geloofsvrijheid?
Naar aanleiding van aanvallen op koptische christenen en de recente Koranverscheuringen in Nederland heeft de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging onlangs uitgebreid gesproken met de Egyptische ambassadeur in Nederland. Hierbij heeft zij het belang van bescherming van christelijke minderheden in Egypte benadrukt. Volgens de Egyptische autoriteiten vinden deze misstanden voornamelijk plaats in afgelegen delen van het land, waar de bescherming van minderheden niet altijd effectief gewaarborgd kan worden. De Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging blijft in gesprek met relevante partners over de situatie voor religieuze minderheden wereldwijd, waaronder in Egypte.
Welke inzet pleegt de Europese Unie (EU)-gezant met het oog op Egypte en het bevorderen van geloofsvrijheid aldaar? Acht u deze inzet voldoende? Welke aanvullende inzet kan op EU-niveau worden bepleit?
De EU-gezant heeft de afgelopen periode in Brussel gesprekken gevoerd met de Egyptische ambassadeur aldaar over de situatie voor religieuze minderheden in Egypte. De EU Speciaal Gezant voor Mensenrechten spreekt op regelmatige basis met de Egyptische overheid. Meest recent bracht hij in 2022 een bezoek aan Egypte waar onder meer het belang van geloofsvrijheid en de rechten van religieuze minderheden aan de orde kwam. Nederland blijft de EU-inzet, inclusief die van de gezant, op dit gebied volgen en steunen.
Wat kan er in Egypte aan straffeloosheid gedaan worden, en is het kabinet bereid voor vervolging van daders van christenvervolging te pleiten in Egypte?
Binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid is, naast de vrijheid van religie en levensovertuiging, het bevorderen van de internationale rechtsorde en de strijd tegen straffeloosheid een prioriteit. Het kabinet zet zich in Egypte in voor een eerlijk rechtsproces en onder meer rechtszaken van politieke gevangenen worden nauwgezet gevolgd door de Nederlandse ambassade in Cairo.
Hoe beoordeelt het kabinet de vooruitgang van het voornemen van de regering Sisi om sektarisch extremisme tegen te gaan en gelijk burgerschap te bevorderen?
De Egyptische autoriteiten hebben in de afgelopen jaren op succesvolle wijze stappen gezet om sektarisch extremisme te bestrijden en gelijkheid van burgerschap te bevorderen. President El-Sisi heeft zich sinds zijn aantreden hard opgesteld tegen gewapende extremistische groeperingen, waaronder groeperingen die het gemunt hebben op christelijke gemeenschappen. Zoals reeds beschreven is het aantal geweldsincidenten jegens koptische christenen daardoor sterk afgenomen en heeft er sinds 2018 geen grootschalige terreuraanslag tegen christenen plaatsgevonden. Desalniettemin is er sprake van discriminatie jegens niet-moslims, waaronder christenen. Hoewel de Egyptische Grondwet onder artikel 46 stelt dat vrijheid van geloof absoluut is, kunnen niet-moslims problemen ondervinden bij het vinden van werk, huisvesting, de bouw van gebedshuizen, en gezondheidszorg. Ook is er soms sprake van fysiek geweld. Dit is zorgwekkend en heeft de aandacht van het kabinet. We gaan hierover op regelmatige basis op verschillende niveaus, in zowel Den Haag als in Egypte, met de Egyptische autoriteiten in gesprek.
Welke mogelijkheden ziet u om de Kamer actiever te rapporteren over de vervolging van religieuze minderheden in het Midden-Oosten en de inzet van Nederland en de EU daarbij?
In de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage (per 2024 Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorderapportage, zie Kamerstuk 2024D18067) wordt gerapporteerd over de Nederlandse inzet op de prioritaire mensenrechten thema’s. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een mensenrechtenprioriteit en zal ook komend jaar worden behandeld in deze rapportage. Waar relevant wordt in deze rapportage ingezoomd op specifieke landen of werelddelen, waaronder het Midden-Oosten.
Het verzoek door China voor een internationaal door de Verenigde Naties geleid onderzoek naar de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Ondersteunt het Nederlandse kabinet het verzoek gedaan op vrijdag 26 april 2024 door China voor een internationaal door de Verenigde Naties geleid onderzoek naar de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen?1
Nee. Er wordt door de Duitse autoriteiten reeds onderzoek gedaan naar de explosies bij de Nord Stream pijpleiding.
Zo nee, waarom niet? Zeker nu zowel Denemarken als Zweden hun onderzoeken, zonder duidelijke conclusies te hebben getrokken en zonder bewijs te hebben geleverd wie verantwoordelijk is voor deze aanslag, hebben gestaakt?
Er wordt door de Duitse autoriteiten onderzoek gedaan naar de toedracht van de explosies bij de Nordstream pijpleidingen. De Deense en Zweedse autoriteiten hebben relevant bewijsmateriaal overgedragen aan het Duitse onderzoek. Daarmee vindt er betrouwbaar en deskundig onderzoek plaats.
Is het aanvaardbaar voor het Nederlandse kabinet dat onduidelijk blijft wie verantwoordelijk is voor het opblazen van deze (deels Nederlandse) pijpleidingen? Of moet de onderste steen boven komen?
Er wordt door de Duitse autoriteiten onderzoek gedaan naar de toedracht van de explosies bij de Nordstream pijpleidingen. Het is niet aan het kabinet om te speculeren over de uitkomsten van dit onderzoek.
Of Oekraïne lid kan worden van de NAVO |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Is het correct dat in antwoord op vraag 14 en op vraag 15 van schriftelijke vragen van de leden Baudet en Van Houwelingen d.d. 4 maart 2024 de regering op 24 april jl. het volgende antwoord heeft gegeven: «Tijdens de NAVO-top in Vilnius herbevestigden bondgenoten dat Oekraïne lid zal worden van de NAVO op het moment dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan en wanneer alle bondgenoten daarmee instemmen»?1
Ja.
Ziet de regering zelf een verband tussen bovengenoemde twee simpele ja-neevragen die zijn gesteld en het antwoord dat is gegeven?
Ja.
Waarom geeft de regering op deze twee simpele, concrete en uiterst relevante ja-neevragen – zo zei de secretaris-generaal van de NAVO op 29 april 2024 nog dat Oekraïne «onvermijdelijk» lid wordt van de NAVO2 – een ontwijkend en procedureel antwoord dat op geen enkele manier redelijkerwijs kan worden gezien als een antwoord op de gestelde vragen?
Het kabinet hecht aan zorgvuldige en volledige beantwoording.
Waarom kan de regering niet simpelweg met «ja» of met «nee» antwoorden op deze twee ja-neevragen?
Om het vraagstuk van de juiste context te voorzien, is het antwoord op de vragen gediend bij inhoudelijke toelichting.
Nogmaals, kan Oekraïne in uw ogen lid worden van de NAVO zolang nog sprake is van een oorlog tussen Oekraïne en Rusland? Ja of nee?
Tijdens de NAVO-top in Vilnius herbevestigden bondgenoten dat Oekraïne lid zal worden van de NAVO op het moment dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan en wanneer alle bondgenoten daarmee instemmen.
Nogmaals, indien Oekraïne lid zou (kunnen) worden van de NAVO terwijl het nog in oorlog is met Rusland, betekent dit – volgens artikel 5, van het Noord-Atlantisch Verdrag – dat de NAVO en dus ook Nederland automatisch in oorlog met Rusland geraken? Ja of nee?
Dat hoeft niet automatisch het geval te zijn. Artikel 5 stelt dat een aanval op één NAVO-bondgenoot zal worden beschouwd als een aanval op allen. Het is vervolgens aan NAVO-bondgenoten om aan de hand van de dan geldende context met elkaar te besluiten welke gevolgen zij daaraan wensen te verbinden.
Is het juridisch verdragsrechtelijk gezien correct dat Oekraïne, zodra het lid wordt van de NAVO én nog in oorlog met Rusland verkeert, een beroep kan doen op artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag? Ja of nee?
Ja. Als Oekraïne zonder voorbehoud toetreedt tot de NAVO, zullen alle artikelen van het Noord-Atlantisch Verdrag op Oekraïne van toepassing zijn.
Kan het kabinet deze vragen afzonderlijk (dat betekent dus dat vragen apart worden beantwoord en niet worden samengevoegd) en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en afzonderlijk beantwoord.
De kwestie Tent of Nations en effectieve bescherming van Palestijnen |
|
Don Ceder (CU) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer in het verleden eerder aandacht heeft gevraagd voor deze zaak?1 Wat is de stand van zaken van de procedure?
Ja. In 2006 heeft het Israëlische Hooggerechtshof de uitspraak gedaan dat de familie Nassar herregistratie van eigendom van het land waarop Tent of Nations is gelegen kon aanvragen. De familie Nassar heeft het proces tot herregistratie doorlopen en volgens de familie en hun advocaat voldoen zij aan alle vereisten voor herregistratie. Tot de dag van vandaag heeft dit nog niet tot erkenning geleid van het eigendom door de Israëlische autoriteiten.
Kunt u aangeven wat het gemiddelde tijdsverloop is van een registratiezaak in Area C van begin van aanvraag tot definitief oordeel? Kunt u aangeven in hoeverre de zaak van de Tent of Nations hiervan afwijkt?
Hoewel Nederland niet beschikt over exacte gegevens over het gemiddelde tijdsverloop, toont de praktijk dat landregistratieprocessen langdurig zijn en kan het jaren duren voordat deze voltooid zijn. Als er bezwaren zijn tegen een dergelijk verzoek, kan het eveneens jaren duren voordat de registratiecommissie een definitieve beslissing neemt. Tegen een dergelijk besluit kan beroep worden aangetekend bij de beroepscommissie, en ook dat kan een lang lopend proces zijn. Er zijn gevallen bekend waarbij het landregistratieproces vijftien jaar in beslag nam. De familie Nassar is sinds de jaren negentig verwikkeld in juridische procedures.
Bent u bereid bij de Israëlische autoriteiten om opheldering te vragen waarom de beoordeling van de stukken zo lang duurt?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah vraagt, al dan niet samen met gelijkgezinde landen, regelmatig aandacht voor de situatie bij Tent of Nations. Dit heeft vooralsnog niet voor opheldering gezorgd over de langdurigheid van dit proces.
In hoeverre is het juridisch mogelijk om tijdens een procedure die nog onder de rechter ligt, onomkeerbare veranderingen te maken, zoals de aanleg van wegen en andere infrastructuur in, langs en om het gebied? Welk juridisch kader/officiële afspraken bestaan hiervoor conform de afspraken gemaakt voor Area C? Welke ontwikkeling ziet u rondom het gebied van Tent of Nations?
Rondom het gebied van Tent of Nations is een weg aangelegd. De Israëlische autoriteiten (COGAT) meldden naar aanleiding van recente Nederlandse vragen te hebben geconstateerd dat er werkzaamheden op het gebied van Tent of Nations hebben plaatsgevonden en dat deze werkzaamheden niet in opdracht van het leger of de Israëlische autoriteiten plaatsvinden. In dit geval zouden het kolonisten zijn die daar illegaal een weg aanleggen. COGAT meldt dat het aanleggen van de weg niet is toegestaan en dat zij hierop zullen handhaven. Nederland zal hierop blijven aandringen.
Kunt u vanuit zowel de ambassade in Tel Aviv, als de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden navraag doen over de situatie van de militair gesloten wegen rond de Tent of Nations, die de toegang tot het eigen gebied bemoeilijkt? Indien er onvoldoende aanleiding is om het gebied een «gesloten militair gebied» te benoemen, kunt u aandringen op heropening?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah heeft navraag gedaan over de beperkte toegang tot het gebied en aangedrongen op heropening van alle toegangswegen. Dit heeft geen bevestiging opgeleverd dat het gebied rondom Tent of Nations officieel tot militair gebied is verklaard en heeft evenmin voor heropening gezorgd. Nederland zal blijven aandringen op heropening.
Hoe is de beveiliging van Palestijnse burgers in Area C juridisch en praktisch gewaarborgd?
Volgens het bezettingsrecht is de Israëlische militaire commandant verantwoordelijk voor de veiligheid van de Palestijnse burgerbevolking.
Welke specifieke instantie is belast met de handhaving van de openbare orde en veiligheid van Palestijnen in Area C en het opnemen en opvolgen van aangiften gedaan door Palestijnen? Klopt het dat de familie van de Tent of Nations een aantal dreigende incidenten heeft meegemaakt, maar bij een hulpvraag bij de Israëlische autoriteiten geen steun van de autoriteiten kreeg? Hoe beoordeelt u dit?
Zowel het Israëlische leger als de Israëlische politie zijn verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en veiligheid in Area C. Zij hebben de autoriteit en de plicht om degenen die betrokken zijn bij een overtreding aan te houden. Er zijn veelvuldig voorbeelden van het nalaten van deze verplichting. De familie Nassar zegt diverse malen fysiek bedreigd te zijn en geen steun te hebben ontvangen bij een verzoek om hulp bij de Israëlische autoriteiten. Dit is een kwalijke zaak.
Waar kunnen en moeten Palestijnen zich dan melden op het moment dat er sprake is van een strafrechtelijke inbreuk? Zijn de politiebureaus of andere locaties waar men in Area C aangifte kan doen, op plekken waar Palestijnen altijd vrij en effectief toegang toe hebben?
Palestijnen kunnen klachten indienen op Israëlische politiebureaus of via de Palestijnse politie. Beide opties zijn in de praktijk niet eenvoudig. De meeste Israëlische politiebureaus bevinden zich in nederzettingen, die Palestijnen alleen mogen betreden na goedkeuring en onder begeleiding. De wegen naar de politiebureaus bevatten veelal checkpoints en de Palestijnen worden geconfronteerd met Israëlische soldaten en kolonisten.
Palestijnen kunnen in principe ook een klacht indienen via de Palestijnse politie. Daarbij is er gerede kans dat dat de klacht niet bij de Israëlische politie terechtkomt. In de gevallen waarbij het lukt om een klacht in te dienen, wordt 93,7% van alle onderzoeksdossiers afgesloten zonder aanklacht, zo blijkt uit gegevens van de Israëlische NGO Yesh Din.
Kunt u het punt van effectieve bescherming en toegang tot hulp en het doen van aangifte door Palestijnen in Area C adresseren bij uw Israëlische collega’s en de Nederlandse vertegenwoordiging in Israël en de Palestijnse gebieden en waarborgen dat Palestijnen die zich in Area C bevinden en te maken krijgen met een strafrechtelijke inbreuk, effectieve bescherming (van de Israëlische autoriteiten of op een andere wijze) kunnen krijgen?
Nederland zet zich actief in voor de problemen van Tent of Nations. Recentelijk heeft de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah contact gehad met COGAT en werden ook zaken als bescherming van Palestijnen, toegang tot hulp en het doen van aangifte geadresseerd.
Nederland richt zich tegelijkertijd op het onderliggende probleem en neemt in bilateraal en in EU-verband altijd duidelijk stelling tegen landonteigening en het nederzettingenbeleid in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit zal Nederland blijven doen. Daarnaast zet Nederland zich eveneens in EU-verband in voor het tegengaan van het toenemende kolonistengeweld, onder andere door het aannemen van sancties tegen gewelddadige kolonisten. Hier gaat een belangrijke signaalwerking vanuit dat nederzettingen een obstakel vormen voor een toekomstige tweestatenoplossing, dat kolonistengeweld voor Nederland onacceptabel is en dat dit dient te worden beëindigd.
Het artikel 'Defensie stuurt special forces voor hun gezondheid op cursus sjamanistisch ademhalen' |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Defensie stuurt special forces voor hun gezondheid op cursus sjamanistisch ademhalen»?1
Ja.
Welke behoefte vulde het programma BaseQamp in voor medewerkers en veteranen van het Ministerie van Defensie?
De insteek van de pilot BaseQamp was om de deelnemers handvatten te bieden op het gebied van persoonlijke effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid, middels diverse methoden zoals ademhalingstechnieken, cold exposure, meditatie et cetera. Het betrof een aanbodgerichte pilot waarvoor actief-dienende militairen zich vrijwillig konden aanmelden.
Kunt u de doelstellingen formuleren om BaseQamp te faciliteren en van subsidie te voorzien met de bijbehorende (beleids)documenten, waaronder de subsidieaanvraag en afhandeling?
BaseQamp werd door Defensie gedefinieerd als een sociaal-innovatief project op het gebied van persoonlijke effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid en is als dusdanig gefaciliteerd. Het Transitieteam was destijds het platform binnen Defensie waar deze initiatieven konden ontstaan.
Voor de pilot is een subsidie aangevraagd en verkregen bij de stichting Arbeidsmarkt en Scholingsfonds Defensie (ASD). Deze stichting heeft tot doel het verstrekken van subsidies voor projecten die bijdragen aan duurzaam en gezond werken. De subsidie is uiteindelijk niet gebruikt omdat de pilot toen al was gepauzeerd en later is stopgezet.
Welke overwegingen liggen er achter het besluit om BaseQamp tot nader order te pauzeren?
De Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) heeft in de loop van 2023 uit verschillende hoeken signalen ontvangen met zorgen over BaseQamp. Deze signalen betroffen onder meer het gebrek aan begeleiding en nazorg van de militair, de inbedding van de pilot binnen Defensie en de ontbrekende relatie met de militaire gezondheidszorg. De IMG is op basis daarvan in juli 2023 een inventariserend onderzoek gestart. De tussenrapportage van dit inventariserend onderzoek is op 26 oktober 2023 voorgelegd aan de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten (pCDS). De pCDS heeft naar aanleiding daarvan op diezelfde dag besloten de pilot BaseQamp te pauzeren totdat nadere onderzoeken zouden zijn afgerond.
De IMG heeft vervolgens nader onderzoek gedaan met als centrale vraag «Is de zorg voor gezondheid van defensiepersoneel voldoende geborgd binnen BaseQamp?». Het onderzoeksrapport is op 14 mei 2024 aangeboden aan de pCDS.
Ook de Inspectie Veiligheid Defensie (IVD) heeft onderzoek verricht naar BaseQamp. De centrale vraag luidde «Welke lessen kunnen op basis van de casus BaseQamp voor Defensie als werkgever worden geïdentificeerd om de veiligheid van soortgelijke processen van sociale innovatie te versterken?». Die rapportage is eveneens op 14 mei 2024 aangeboden aan de pCDS.
De pCDS heeft op 5 juni 2024 besloten de pilot BaseQamp definitief te stoppen. Hiervoor had hij de volgende argumenten: de pilot zou eigenlijk al eind 2023 stoppen; de adviezen van zowel de IMG als IVD waren niet snel te implementeren in de pilot; de naam «BaseQamp» is aangetast door de berichtgeving.
Zijn er vergelijkbare programma’s zoals BaseQamp op dit moment in gebruik, gepauzeerd of in opstart? Zo ja, wilt u die benoemen met een korte beschrijving?
Er zijn bij Defensie geen met BaseQamp vergelijkbare pilots bekend die zijn opgestart, gepauzeerd, of beëindigd.
Op welke wijze is BaseQamp door Defensie gefinancierd en kunt u daarbij ingaan op de rol die het «transitieteam» daarin heeft gespeeld?
Het Transitieteam Defensie heeft de pilot BaseQamp gefinancierd.
Hoe past BaseQamp in de grotere HR-transitie van Defensie?
De HR-transitie (thans: programma HR-vernieuwing) omvat de groei naar een nieuw personeelsmodel voor in-, door- en uitstroom, opleiding en ontwikkeling van militair en burgerpersoneel van Defensie en een nieuw beloningsmodel dat hierbij past. Formeel maakt BaseQamp geen deel uit van het programma HR-vernieuwing. Echter, het aanbieden van meerdere mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling past wel binnen het gedachtegoed van de HR-vernieuwing.
In het artikel komt naar voren dat BaseQamp wel degelijk een behoefte invult voor actief dienende militairen en veteranen naast de staande therapieën, behandelingen en initiatieven; onderschrijft u die behoefte en hoe denkt u daar als werkgever een rol in te kunnen spelen?
BaseQamp is geen therapie of behandeling maar een project op het gebied van persoonlijke effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid. Als dusdanig is het geen alternatieve vorm van zorg.
Defensie onderkent de behoefte aan alternatieve vormen van zorg, naast de reguliere curatieve. Defensie stelt zich daarbij op het standpunt dat te allen tijde aan alle veiligheids- en kwaliteitseisen moet worden voldaan. Defensie biedt geen alternatieve vormen van zorg aan.
De militaire ziektekostenverzekeraar SZVK vergoedt wel alternatieve zorg aan zijn deelnemers. Alternatieve zorg wordt door de SZVK gedefinieerd als «behandelingen en (telefonische) consulten die vallen onder de volgende stromingen: acupunctuur en andere oosterse geneeswijzen, homeopathie, antroposofische alternatieve geneeswijzen, natuurgeneeswijzen, alternatieve bewegingstherapieën en psychosociale zorg». Voor alternatieve zorg is geen verwijskaart nodig van de Militair Geneeskundige Dienst (MGD); wel dient de alternatieve zorg te worden verleend door een door de SZVK aangewezen zorgaanbieder.
In hoeverre heeft de lange wachtlijst voor veteranenzorg en psychische zorg voor trauma’s te maken met de populariteit en de behoefte van militairen en postactieven om aan psychisch herstel en weerbaarheid te werken?
De wachttijden in de militaire geestelijke gezondheidszorg (MGGZ) komen inmiddels meer dan voorheen overeen met de (lange) civiele wachttijden voor de geestelijke gezondheidszorg. Er is echter geen waarneming dat deze lange(-re) wachttijden aanleiding zijn voor het zoeken naar alternatieve vormen van zorg.
Waarom geeft Defensie geregeld ruimte en podium aan coaches en trainers uit het alternatieve circuit, wat goed zichtbaar is op de activiteitenkalender op de intranetpagina van Defensie?
Defensie vindt dat voor militair optreden een gezonde geest in een gezond lichaam essentieel is. Op beide aspecten (fysieke en mentale gezondheid) wordt door Defensie ingezet. Dit kan binnen het kader van de militaire gezondheidszorg, maar ook via gezondheidshulpinitiatieven en welzijnsactiviteiten.
Kunt u de evaluatieresultaten toelichten met betrekking tot programma’s, trainingen en workshops uit het alternatieve circuit die Defensie faciliteert?
Gezondheidshulpinitiatieven en welzijnsactiviteiten vanuit het programma Duurzaam Gezond Inzetbaar (DGI) worden geëvalueerd. Zie verder het antwoord op vraag 13.
Kunt u aangeven op welke wijze Duurzaam Gezond Inzetbaar (DGI) betrokken is bij BaseQamp?
Duurzaam Gezond Inzetbaar (DGI) is niet inhoudelijk betrokken bij de pilot BaseQamp, maar is wel betrokken geweest bij de evaluatie ervan.
Welke resultaten boekt het team Duurzaam Gezond Inzetbaar, dat de militair en burger helpt om op een duurzame en gezonde manier inzetbaar te blijven, en op welke wijze evalueert u dit programma?
DGI biedt bewezen effectieve informatie en interventies aan. De interventies van DGI worden wetenschappelijk geëvalueerd en de resultaten ervan worden gerapporteerd, waar mogelijk in wetenschappelijke peer-reviewed journals.
De workshops die DGI aanbiedt, worden continu geëvalueerd en verbeterd op basis van ervaringen van deelnemers en voortschrijdend inzicht van trainers en het kernteam DGI.
De resultaten worden onder meer bijgehouden in jaaroverzichten die DGI sinds 2021 publiceert.
Vindt u het bezwaarlijk dat BaseQamp en vergelijkbare programma’s gebruikmaken van ervaringsdeskundigen, veelal zonder accreditaties en wetenschappelijke onderbouwing?
Nee. Het gebruik van ervaringsdeskundigen wordt door Defensie zeer gewaardeerd. Het spreekt echter voor zich dat altijd aan wettelijke eisen betreffende veiligheid en kwaliteit moet worden voldaan.
Welke rol moeten ervaringsdeskundigen in de militaire wereld volgens u binnen Defensie vervullen om te voldoen aan een prettige en effectieve werksfeer?
Op deze vraag kan ik geen eenduidig antwoord geven. Defensie neemt de ervaringen van haar personeel zeer serieus; de ervaringen worden om die reden meegenomen op velerlei terreinen binnen de organisatie.
Bent u niet bang dat vernieuwing en innovatie vanaf de werkvloer een knauw heeft gekregen aangezien BaseQamp nu op non-actief staat, gezien het feit dat BaseQamp staat voor vernieuwing en innovatie vanaf de werkvloer en een daadwerkelijke behoefte invult, gezien de populariteit en de rol die het vervulde in de HR-transitie?
Nee.
Welke ervaringen met soortgelijke initiatieven als BaseQamp ziet u bij andere krijgsmachten binnen bijvoorbeeld de NAVO?
Defensie beschikt momenteel niet over een inventarisatie op soortgelijke initiatieven bij andere krijgsmachten.
Waarom heeft u gekozen voor de financiering van BaseQamp binnen de HR-transitie en het transitieteam en niet via de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg?
BaseQamp is gefinancierd door het Transitieteam. Voor de pilot is een subsidie aangevraagd en verkregen bij de stichting Arbeidsmarkt en Scholingsfonds Defensie (ASD), maar deze is uiteindelijk niet meer gebruikt omdat de pilot BaseQamp toen al was gepauzeerd (en inmiddels is gestopt). BaseQamp is niet gefinancierd vanuit de HR-Transitie of vanuit de Militair Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ), omdat BaseQamp geen behandeling of therapie is.
Kunt u uitleggen op welke wijze BaseQamp en aanverwante initiatieven passen in de zorgplicht voor veteranen, voortkomend uit de Nederlandse Veteranenwet?
BaseQamp is geen behandelmethode en past niet binnen de vormen van zorg die Defensie inzet in het kader van zorgplicht voor veteranen. Per aanverwant initiatief wordt hier apart een besluit over genomen.
Doet de Inspectie Militaire Gezondheidszorg onderzoek naar BaseQamp of de inzet van ervaringsdeskundigen bij revalidatie, psychische- of traumagerelateerde zorg of initiatieven voor actief dienende militairen, postactieven en veteranen? Zo ja, wat zijn de signalen die ze onderzoeken?
Voor het antwoord op de vraag of de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) onderzoek heeft gedaan naar de pilot BaseQamp, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
De IMG doet geen onderzoek naar zorg voor post-actieve militairen (inclusief post-actieve veteranen) omdat die buiten de militaire gezondheidszorg valt.
In het toezichtdomein gezondheidsbescherming houdt de IMG naast toezicht op de militaire gezondheidszorg ook toezicht op gezondheidshulpinitiatieven die niet zijn ingebed binnen de Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO). De IMG hecht er grote waarde aan dat deelnemende defensiemedewerkers erop kunnen vertrouwen dat de initiatieven voldoen aan de kwaliteitscriteria die Defensie stelt en dat Defensie voldoet aan haar werkgeversverantwoordelijkheid: het borgen van een gezonde omgeving voor haar medewerkers.
Kan de Kamer voor het notaoverleg Veteranen inzage krijgen in deze uitkomsten?
Zie vraag 4.
Kunt u de vragen een voor een beantwoorden en de week voor het notaoverleg Veteranen op 24 juni 2024 naar de Kamer sturen?
Ja.