Samenwerking met de Palestijnse autoriteit |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Nederland en Palestijnse Autoriteit versterken hun veiligheidssamenwerking»1 en «Hamas signals post-war ambition in talks with Palestinian rival Fatah – analysis»2?
Ja.
Is deze tekst van tevoren aan de Kamer voorgelegd, desnoods vertrouwelijk? Zo nee, waarom niet?
Internationale (beleids)afspraken worden, met het oog op de internationale en diplomatieke belangen, niet openbaar gemaakt.
Bent u bereid de tekst van de samenwerkingsovereenkomst te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel geld is er met de unilaterale Nederlandse samenwerking en deze overeenkomst gemoeid?
In het MOU spreken Nederland en de Palestijnse Autoriteit (PA) de brede intentie uit om de samenwerking op veiligheidsgebied te continueren en waar opportuun te versterken. Hier is geen specifiek budget aan gekoppeld.
Is de samenwerking met de Palestijnse Autoriteit (PA) in deze nog aan voorwaarden verbonden over het eigen democratisch gehalte of directe danwel indirecte steun aan terreur?
De samenwerking tussen Nederland en de Palestijnse Autoriteit (PA) is aan dezelfde voorwaarden verbonden als die met andere overheden. Eventuele samenwerkingsactiviteiten zullen afzonderlijk van elkaar gewogen worden in het licht van de huidige situatie. Om te voorkomen dat steun in verkeerde handen valt, zijn zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10 mitigerende maatregelen getroffen. Separaat van de genoemde samenwerkingsovereenkomst, steunt Nederland de PA uiteraard in de aangekondigde hervormingen die van groot belang zijn voor een toekomstige levensvatbare Palestijnse staat, waar een democratisch verkozen PA een essentieel onderdeel van is.
Heeft u ook het «Palestinian Authority Martyrs Fund» besproken tijdens de recente ontmoeting? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is niet besproken tijdens de recente ontmoeting van de Nederlandse Minister van Defensie met de Palestijnse Minister van Binnenlandse Zaken.
Beschouwt u dit fonds als aanmoedigend of ontmoedigend voor terreur en kunt u dat toelichten?
Het kabinet is van mening dat er met de betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan families van Palestijnse gevangenen een onwenselijke prikkel uitgaat. Nederland spreekt zich, mede op verzoek van uw Kamer, hier al jaren over uit, ook bilateraal richting de Palestijnse Autoriteit. Mede op uw verzoek is daarom onze begrotingssteun aan de Palestijnse Autoriteit via het Europese PEGASE stop gezet.
Hoe ziet u dat een sterke Palestijnse veiligheidssector kan bijdragen aan duurzame vrede? Wordt deze veiligheidssector niet ook ingezet voor interne repressie?
De veiligheid en stabiliteit van Israël en de Palestijnse Gebieden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een sterk Palestijns veiligheidsapparaat is essentieel om de publieke orde en veiligheid te borgen. Daarbij is het voor het kabinet belangrijk dat deze veiligheidssector bijvoorbeeld conform mensenrechtenverplichtingen opereert en dat er ruimte blijft bestaan voor een vrij en open maatschappelijk debat. Daartoe investeert het kabinet dan ook verschillende middelen, bijvoorbeeld via financiering van maatschappelijke organisaties in de Palestijnse Gebieden en door middel van het uitzenden van mensenrechtenspecialisten naar veiligheidsmissies in de Palestijnse Gebieden.
Heeft de Palestijnse Autoriteit de acties van Hamas op 7 oktober reeds bestempeld als terroristisch en/of veroordeeld?
Nederland heeft meermaals teleurstelling bij de Palestijnse Autoriteit overgebracht dat niet direct publiekelijk afstand is genomen van de terroristische aanval door Hamas.
Hoe voorkomt u dat Nederlandse en Europese steun voor de Palestijnse Autoriteit terechtkomt bij gewapende groepen en terreurgroepen die gelieerd zijn aan de PA, zoals onder andere de Al Aqsa martelarenbrigade?
Nederland verstrekt geen bilaterale begrotingssteun aan de Palestijnse Autoriteit.
Hoe voorkomt u dat deze groepen indirect bevoordeeld worden door het delen van gevoelige kennis en informatie?
Nederland acht het delen van kennis en informatie met terroristische entiteiten onacceptabel. Per activiteit zal bekeken worden welke risico’s zich kunnen voordoen en hoe die gemitigeerd kunnen worden. Daarbij zal ook voortgebouwd worden op ervaringen van bestaande missies, zoals de United States Security Coordinator for Israel and the Palestinian Authority (USSC), waar Nederland aan bijdraagt, die met de Palestijnse Autoriteit samenwerken op het gebied van veiligheid.
Hoe voorkomt u dat trainingen in vaardigheden ten behoeve van veiligheidsdiensten in handen komen van terreurgroepen? Kunt u dit uitsluiten?
Zie antwoord vraag 11.
Is er een firewall mogelijk die contact tussen onze samenwerkingspartners in Palestijnse gebieden en terreurgroepen uitsluit en ons geruststelt dat wij niet bijdragen aan terrorisme?
Na 7 oktober heeft er een herziening van Nederlandse en EU ontwikkelingssteun plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. De coördinatie van Nederlandse steun via USSC draagt ook bij aan het mitigeren van het risico dat steun en/of informatie bij ongewenste partijen terecht komen vanwege de goede informatiepositie van de missie. Zo onderwerpt USSC onderdelen van de Palestijnse veiligheidsdiensten waarmee het zaken doet aan een vettingprocedure, volgens de zogeheten Leahy-protocollen.
Hoe kijkt u naar de aankomende gesprekken tussen Fatah en Hamas als in het Jerusalem Post-artikel genoemd?
Het kabinet kan niet bevestigen dat deze gesprekken daadwerkelijk plaats gaan vinden. Zoals aangegeven in het Jerusalem Post-artikel zijn Fatah en Hamas in een diepgaand conflict verwikkeld en staan zij op een aantal punten lijnrecht tegenover elkaar. Zo heeft Fatah de staat Israël erkend en streeft het naar een toekomst waarin Israëliërs en Palestijnen vreedzaam samenleven, terwijl dit voor Hamas als terroristische organisatie onbespreekbaar is.
Welke rol voorziet u voor beide partijen in het regeren van Gaza na het huidige conflict?
Nederland onderschrijft de G7 principes voor de toekomst van Gaza. Onderdeel van deze principes is dat er geen rol zal zijn voor Hamas in het toekomstige bestuur van Gaza. Uiteindelijk zal de Palestijnse Autoriteit het bestuur in Gaza op zich moeten nemen. Dit vraagt echter ook om de noodzakelijke hervormingen van de Palestijnse Autoriteit.
Is verdere samenwerking met de Palestijnse Autoriteit nog gebonden aan eisen over de deelname van Hamas of Fatah of hun banden met terreur?
De Palestijnse Autoriteit ontvangt geen bilaterale begrotingssteun van de Nederlandse overheid. Wel zet Nederland zich, met het oog op de tweestatenoplossing, via de VN en partnerorganisaties in om de Palestijnse rechtsorde te versterken, toegang tot water en land te vergroten en voor de economische ontwikkeling van de Palestijnse Gebieden. Om dit effectief te doen werkt de Nederlandse overheid ook samen met de Palestijnse Autoriteit. Per activiteit zal bekeken worden welke risico’s zich kunnen voordoen en hoe die gemitigeerd kunnen worden.
Welke significantie heeft het volgens u dat nu niet de Verenigde Staten (VS) of Europa, maar Rusland en China bemiddelend optreden?
Het kabinet gaat niet over de contacten van derde landen met Hamas en maakt geen onderdeel uit van deze eventuele onderhandelingen. In de onderhandelingen tot nu toe hebben bijvoorbeeld Qatar en Egypte, naast de VS, een cruciale bemiddelingsrol gespeeld. Het contact dat deze landen hebben met Hamas, maakt het mogelijk dat ze een belangrijke bemiddelingsrol kunnen spelen. Nederland steunt bemiddelingspogingen die kunnen bijdragen aan het toewerken naar een duurzame oplossing voor het conflict.
De Europese Unie (EU) is de grootste donateur aan de Palestijnse autoriteit, bestaan er evaluaties over de effectiviteit, doelmatigheid en eventueel misbruik van steun aan de Palestijnse Autoriteit?
De EU is inderdaad de grootste donateur van de Palestijnse Autoriteit en geeft onder andere begrotingssteun aan de Palestijnse Autoriteit als deel van de bredere ontwikkelingssamenwerking. De EU-ontwikkelingssamenwerking is onder meer van groot belang om stabiliteit op de Westelijke Jordaanoever te bevorderen. Na 7 oktober heeft er een herziening van de EU-steun plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de controles van de Commissie en de bestaande waarborgen goed werken en dat er tot op heden geen aanwijzingen zijn dat geld voor onbedoelde doeleinden is gebruikt. Evaluaties over de effectiviteit en doelmatigheid van de EU-projecten worden door de EU zelf uitgevoerd.
Bestaat er een evaluatie van de VS en EU inzetten van de United States Security Coordinator (USSC) en EU Coordinating Office for Palestinian Police Support (EUPOL COPPS)? Zo ja, kunnen die gedeeld worden met de Kamer?
Voor een rapportage over de voortgang van de Nederlandse bijdrage verwijs ik u naar de Jaarlijkse Voortgangsrapportage Overige Missiebijdragen.
De kernwapentaak van de F-35 |
|
Sarah Dobbe |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
Kunt u aangeven, nu de F-35 de kernwapentaak van de F-16 heeft overgenomen, of er kernwapens in Nederland liggen?1
Zoals uw Kamer bekend, kunnen op grond van bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. Hieraan liggen veiligheidsoverwegingen ten grondslag.
Heeft de F-35 de kernwapentaak volledig van de F-16 overgenomen?
Ja, de F-35 heeft de Nederlandse kernwapentaak volledig overgenomen van de F-16.
Klopt het dat de F-35 enkel gecertificeerd is de nieuwe Amerikaanse B61–12 kernbom te dragen, en dus niet de oudere types die in Europa liggen of lagen?2
Ik kan geen mededelingen doen over de operationele details omtrent de certificering van de F-35 voor de kernwapentaak. Hieraan liggen veiligheidsoverwegingen ten grondslag.
Is de B61–12 inmiddels aanwezig in Nederland? Wanneer is of wordt deze overgebracht?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Waarom is de Kamer hier (nog) niet over geïnformeerd? Wanneer en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich de aangenomen motie Van Dijk over de komst van nieuwe Amerikaanse kernwapens naar Nederland, die uitspreekt dat over een dergelijk ingrijpend besluit zo veel mogelijk transparantie moet bestaan, en de regering verzoekt de Kamer te informeren over de stand van zaken over de modernisering van kernwapens in Nederland (Kamerstuk 36 200 V, nr. 30)? Deelt u de mening dat deze motie niet voldoende is uitgevoerd? Bent u alsnog bereid transparant te zijn?
Ja, de motie Van Dijk over nucleaire ontwapening en de modernisering van kernwapens van 25 november 2022 is bekend. We delen de mening dat deze motie niet voldoende is uitgevoerd, niet. De motie is uitgevoerd met de Kamerbrief3 die op 22 december 2022 is verstuurd in reactie op de motie. Zoals in de Kamerbrief is vermeld, voeren de Verenigde Staten een levensduurverlengingsprogramma (Life Extension Program) uit met als doel de veiligheid en effectiviteit van onder meer het type B61 kernwapen blijvend te garanderen. Uw Kamer is afgelopen jaren herhaaldelijk geïnformeerd over de modernisering van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens, meest recent nog in antwoord op vragen van de leden Dobbe en Van Kent4.
Deelt u de zorgen van vredesorganisatie PAX dat de komst van de B61–12 ten minste op gespannen voet staat met het Non-proliferatieverdrag (NPV), onder andere vanwege de nieuwe capaciteiten van deze bom? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord bij vraag 1 aangegeven, kunnen op grond van bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. In algemene zin deelt het kabinet de zorgen van PAX niet, omdat de B61-12 geen nieuw kernwapen is. De Verenigde Staten hebben reeds in 2010 in de Nuclear Posture Review benadrukt dat het levensduurverlengingsprogramma gericht is op de modernisering van Amerikaanse kernwapens en geen nieuwe militaire capaciteiten oplevert.
Kunt u aangeven hoe de bij het NPV aangesloten landen op dit moment denken over het zogeheten nuclear sharing beleid van de NAVO? Steunt een meerderheid dergelijk beleid waarbij kernwapenstaten hun kernwapens in niet-kernwapenstaten plaatsen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals meermaals is gecommuniceerd aan de Kamer, meest recent nog in antwoord op Kamervragen van het lid Futselaar5, zijn tijdens de onderhandelingen over het Non-proliferatieverdrag (NPV) de zogeheten nuclear sharing arrangements van de NAVO expliciet aan de orde geweest. Geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna. De afspraken zijn niet in strijd met het NPV. Tijdens de bijeenkomsten van het NPV staat het onderwerp nuclear sharing niet op de agenda.
Kunt u toelichten waarom op de website van het Ministerie van Defensie staat: «Met de transitie [van de kernwapentaak naar de F-35] herbevestigt Nederland het langdurig commitment aan de bondgenootschappelijke nucleaire afschrikking»?3 Hoe is dit «langdurig commitment» te rijmen met de verplichting tot ontwapening in het NPV, artikel 6?4
Zoals aangegeven in de Kamerbrief in reactie op de motie Van Dijk over nucleaire ontwapening en de modernisering van kernwapens8, bemoeilijkt het huidige internationale veiligheidsklimaat de inzet op wapenbeheersing en ontwapening aanzienlijk. Desalniettemin blijft het kabinet gecommitteerd aan een wereld zonder kernwapens. Omdat dit doel van veel spelers afhankelijk is en gekoppeld is aan de mondiale veiligheidssituatie, is het per definitie een langdurig en complex proces, met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms onvermijdelijke achteruitgang. In dit proces maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de geopolitieke realiteit van het moment.
Een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, is voor Nederland geen veiligere wereld. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens. Nederland is en blijft voor deze nucleaire afschrikking volledig gecommitteerd aan de NAVO, en geeft hier invulling aan met de kernwapentaak. Het fundamentele doel van de bondgenootschappelijke nucleaire afschrikking is om vrede te bewaren, dwang te voorkomen en agressie af te schrikken.
Het aanhoudende geweld tegen christenen in Nigeria |
|
Don Ceder (CU) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat afgelopen week acht mensen vermoord en 160 mensen, voornamelijk christenen, ontvoerd zijn door Islamitische militanten in het dorp Kuchi in de Nigeriaanse deelstaat Niger?1 Zo ja, hoe duidt u deze recente geweldsuitbarsting?
Ja, ik ben bekend met het genoemde bericht van 29 mei. Het geweld en het hoge aantal ontvoeringen in het dorp Kuchi past in een bredere trend van ontvoeringen, met name in het noordwesten van het land. In de afgelopen maanden werden bij verschillende incidenten meer dan 500 mensen ontvoerd. Deze ontwikkeling kan worden gezien als het gevolg van een uitbreiding en intensivering van bendegeweld en extremisme in Noord-Nigeria. Het leger heeft recent (in week 26) bekendgemaakt een aankoop van 50 helikopters te hebben gedaan om de strijd tegen terrorisme in het noordwesten te intensifiëren.
Bent u van mening dat deze moorden en ontvoeringen onderdeel zijn van een langlopende strijd over schaarse middelen als grond en water? Speelt de religieuze achtergrond van de slachtoffers volgens u geen rol bij dit geweld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het geweld dat in het gehele land plaatsvindt en waarbij burgerslachtoffers vallen en mensen met verschillende etniciteiten en religies worden ontvoerd, wordt veroorzaakt door een mengeling van factoren die in de verschillende gebieden een meer of minder belangrijke rol spelen. Religie wordt onder andere aangevoerd als reden voor geweld en ontvoeringen, maar het is niet vast te stellen dat dit de grondoorzaak daarvan is. Zo zijn bijvoorbeeld de schaarse grond in noordelijke gebieden, zwakke sociaaleconomische ontwikkeling, geringe mogelijkheid tot effectieve politieke participatie en het landbeheerstelsel de grondoorzaken van het geweld. Factoren als klimaatverandering, de vermeende marginalisering van bevolkingsgroepen en de verslechterende economische situatie verergeren de strijd om schaarse middelen.
Deelt u de conclusie van het rapport van de International Society for Civil Liberties and Rule of Law dat stelt dat er sinds de opkomst van Boko Haram in 2009, 150 duizend mensen om religieuze redenen gedood zijn waarvan 100 duizend christenen waren?2 Zo nee, waarom niet?
In de laatste jaren is er in geheel Nigeria sprake van een verslechterende veiligheidssituatie, met name sinds de opkomst van Boko Haram en soortgelijke extremistische groeperingen. Daarbij vallen slachtoffers uit verschillende religieuze groepen. De toename van geweld gericht op christelijke gemeenschappen in Nigeria met name in het centrum van het land (Middle Belt) maakt deel uit van een grotere toename van geweld gericht op burgers. De conclusie van het genoemde rapport over specifieke aantallen christelijke slachtoffers is verontrustend, maar kan op dit moment nog niet op basis van eigen informatie worden bevestigd. We zullen dit goed blijven monitoren.
Bent u van mening dat de langlopende strijd over schaarse middelen als grond en water de onderliggende oorzaak van het geweld is? Zo ja, hoe verklaart u het dat vooral christenen en gematigde moslims het slachtoffer hiervan worden?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3. Aan de rol van religieuze overwegingen en extremisme bij het geweld zullen departement en betrokken post(en) nadere aandacht besteden.
Bent u bereid het geweld tegen christenen aan de orde te stellen in de Verenigde Naties (VN) Mensenrechtenraad waar Nederland vanaf dit jaar weer deel van uitmaakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, zeker. Nederland spant zich in om de vrijheid van religie en geloofsovertuiging wereldwijd te versterken en benut daartoe een veelheid aan kanalen. Tijdens de 43e Universal Periodic Review (UPR, 23 januari 2024) heeft Nederland naar aanleiding van geweld tegen gelovigen Nigeria specifiek aanbevolen om ten behoeve van de uitoefening van de vrijheid van religie en geloofsovertuiging de veiligheid in alle regio’s van Nigeria te vergroten. Nederland heeft ook de aanbeveling gedaan om de accountabilityvoor schendingen van dit mensenrecht te versterken.
Nederland is, als lid van de Mensenrechtenraad, voornemens om later dit jaar belemmeringen van de vrijheid van religie en geloofsovertuiging, waaronder geweld tegen gelovigen in Nigeria, aan de orde te stellen in de Mensenrechtenraad. Het kabinet geeft op deze wijze uitvoering aan de gewijzigde motie van de leden Ceder en Stoffer, 32 735, Nr. 397 (25 juni 2024).
Het bericht dat de nieuwe partij NL Plan steunt op organisaties verbonden aan de Chinese Communistische Partij |
|
Silvio Erkens (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Bente Becker (VVD), Mpanzu Bamenga (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht van RTL «Nieuwe partij NL Plan steunt op organisaties verbonden aan de Chinese Communistische Partij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer afkeurenswaardig is dat buitenlandse mogendheden ongewenste invloed kunnen uitoefenen op politieke partijen in Nederland?
Ja.
Herkent u de signalen over NL Plan en Chinese inmenging in die partij via intensieve betrokkenheid en steun van het Verenigd Front?
In algemene zin stelt het kabinet dat sommige landen al dan niet heimelijk de westerse democratische rechtsorde, publieke opinie of politieke besluitvorming proberen te beïnvloeden, zoals beschreven is in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2 en de jaarverslagen van de inlichtingen en veiligheidsdiensten.
Welke instrumenten kunnen worden ingezet om de banden van NL Plan met de Chinese overheid en Communistische Partij nader in kaart te brengen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) houdt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toezicht op de financiering van politieke partijen. De wet is van toepassing op politieke partijen en aan de politieke partij geallieerde neveninstellingen met een zetel in de Staten-Generaal, en politieke partijen, neveninstellingen en kandidaten die deelnemen aan de Tweede Kamerverkiezingen.
De politieke partij «Nederland met een PLAN (S.V.P.)» heeft in september 2023 haar aanduiding geregistreerd bij de Kiesraad.2 Op grond van artikel 29 van de Wfpp moest de partij, omdat zij deelnam aan de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2023 een overzicht van bijdragen en schulden verstrekken aan de Minister van BZK. Het ging daarbij om bijdragen van in totaal € 4.500,– of meer in de periode van 1 januari 2022 tot en met de eenentwintigste dag vóór de dag van de stemming. Ook het verbod op bijdragen van niet-Nederlanders was in deze periode van toepassing op de partij.
NL Plan heeft in november 2023 aangegeven geen bijdragen boven de € 4.500,– te hebben ontvangen. Ook heeft de partij verklaard de regels die volgens de Wfpp van toepassing waren, te hebben nageleefd.
In hoeverre is er zicht op de activiteiten van het Verenigd Front in Nederland? Op welke manier kan buitenlandse inmenging van deze organisatie tegengegaan worden?
In algemene zin geldt dat beïnvloedings- en inmengingsactiviteiten verschillende openlijke en heimelijke vormen kunnen aannemen, van beïnvloeding via (des)informatiecampagnes, tot intimidatie of bedreiging en zelfs tot het toepassen van geweld en liquidatie. Nederland is helaas evenals vele andere landen een doelwit van (heimelijke) beïnvloedingsactiviteiten van statelijke actoren.
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat het andere landen vrij staat om banden te onderhouden met personen die in Nederland wonen, mits dat gebeurt op basis van vrijwilligheid en zolang dit past binnen de grenzen van onze rechtsstaat en het de participatie van Nederlandse burgers niet belemmert. Om ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) tegen te gaan, heeft het kabinet reeds in 2018 een nationale drie sporenaanpak ontwikkeld, bestaande uit het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor. Deze aanpak is in april 2023 geïntensiveerd, waarover uw Kamer per brief van 6 april 2023 is geïnformeerd.
Personen in Nederland die te maken krijgen met OBI, kunnen hiervan melding doen bij onderdelen van de rijksoverheid, zowel binnen het sociale, als het veiligheidsdomein. In het geval van mogelijke strafbare feiten, kunnen mensen aangifte of melding doen bij de politie. OBI-signalen die via de zogenoemde centrale meldfunctie binnenkomen worden allereerst geanonimiseerd vastgelegd. Vervolgens worden deze geanonimiseerde signalen op een centraal punt bijeengebracht, waar de betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties de ontvangen signalen analytisch kunnen duiden. Dit draagt bij aan een integraal beeld van de mogelijke dreiging. Indien van toepassing worden passende beleidsmaatregelen getroffen. Daarnaast zorgen de betrokken uitvoeringsorganisaties voor opvolging, waar dit noodzakelijk is in het kader van de bestaande taken en bevoegdheden. Uw Kamer wordt binnenkort nader schriftelijk geïnformeerd over de voortgang van deze aanpak en nadere verkenningen.
Heeft het Verenigd Front, al dan niet via haar mantelorganisaties zoals de CCPPNR, eerder donaties gedaan aan Nederlandse politici of politieke partijen, zoals in veel andere landen reeds is gerapporteerd?
De Wfpp schrijft voor welke bijdragen politieke partijen moeten melden aan de Minister van BZK. Sinds 1 januari 2024 is de drempel verlaagd van in totaal € 4.500,– of meer naar in totaal € 1.000,– of meer per gever per jaar. Bij Tweede Kamerverkiezingen zijn politieke partijen verplicht aanvullende overzichten van bijdragen bij de Minister van BZK aan te leveren. Deze overzichten worden ook openbaar gemaakt.
Het Australian Strategic Policy Institute(ASPI) beschrijft in haar rapport «the party speaks for you» het Verenigd Front als een systeem en een netwerk.3 Het Verenigd Front is dan ook geen formele organisatie met rechtspersoonlijkheid en/of inschrijving in de Kamer van Koophandel. Omdat onbekend is welke (rechts)personen tot dit netwerk behoren, is geen definitief uitsluitsel te geven over de hoogte van mogelijke bijdragen van rechtspersonen uit dit netwerk aan politieke partijen en politici in Nederland. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat Nederlandse politieke partijen wel bijdragen van individuen of organisaties die gelieerd zijn aan het Verenigd Front hebben ontvangen, maar dat deze bijdragen tot op heden onder de grens van de meldplicht (€ 4.500) zijn gebleven.
Hoe kijkt u naar de wereldwijde activiteiten van het Verenigd Front, zoals omkoping van politici, bedreigingen van journalisten en spionage? Welke maatregelen hebben andere Europese en westerse landen genomen om dit tegen te gaan, die als voorbeeld of inspiratie voor Nederland kunnen dienen?
Het kabinet hanteert, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 5, als uitgangspunt dat het andere landen vrij staat om banden te onderhouden met personen die in Nederland wonen, mits dat gebeurt op basis van vrijwilligheid en zolang dit past binnen de grenzen van onze rechtsstaat en het de participatie van Nederlandse burgers niet belemmert. Om ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) tegen te gaan, heeft het kabinet reeds in 2018 een nationale drie sporenaanpak ontwikkeld, bestaande uit het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor. Deze aanpak is in april 2023 geïntensiveerd, waarover uw Kamer per brief van 6 april 2023 is geïnformeerd. Nederland onderhoudt geregeld contact met gelijkgezinde landen over ongewenste buitenlandse inmenging. In deze contacten vindt uitwisseling plaats over de verschillende verschijningsvormen en worden best practices gedeeld over het verhogen van de weerbaarheid en responsmogelijkheden
Is de financiële steun aan NL Plan vanuit het Verenigd Front c.q. de CCPPNR in strijd met artikel 23a van de Wet financiering politieke partijen, die stelt dat partijen geen gelden of bijdragen in natura mogen ontvangen van niet-Nederlandse gevers? Beschikt u over voldoende informatie om vast te kunnen stellen of artikel 23a is overtreden?
Zie het antwoord op vraag 4. De politieke partij «Nederland met een PLAN (S.V.P.)» valt alleen in de periode van 1 januari 2022 tot en met 22 november 2023 onder de reikwijdte van de Wet financiering politieke partijen. Verder doe ik als toezichthouder geen uitspraken over een individuele casus. Indien ik als toezichthouder een concrete aanwijzing heb dat in de Wfpp neergelegde verplichtingen niet zijn nagekomen, dan kan dat aanleiding zijn tot het doen van nader onderzoek (art. 36 Wfpp). Dit onderzoek kan ertoe leiden dat er een bestuurlijke boete wordt opgelegd (art. 37 Wfpp). Voorafgaand aan het besluit tot een boete dient de Commissie toezicht financiering politieke partijen (Ctfpp) om advies gevraagd te worden.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het toezicht op de naleving van artikel 23a?
Vooralsnog kan ik geen algemene uitspraken doen over de effectiviteit van het toezicht op de naleving van artikel 23a van de Wfpp. Bijdragen van niet-Nederlandse gevers zijn sinds 1 januari 2023 verboden. Bij de financiële verantwoording over 2023, die politieke partijen voor 1 juli 2024 moeten indienen, is het verbod dus voor het eerst van kracht. Of het verbod is nageleefd of niet, wordt gecontroleerd door de accountant, die door middel van een accountantsverklaring moet verklaren of een politieke partij heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften. De Auditdienst Rijk (ADR) voert daarnaast jaarlijks nog een review uit over het werk van de accountants van drie tot vier politieke partijen.
Kan er gesteld worden dat bij de partij NL Plan het verbod op het ontvangen van giften uit het buitenland, zoals vastgelegd binnen de Wet Financiering Politieke Partijen, voor politieke partijen en/of politici omzeild wordt?
Zie het antwoord op vraag 9. Verder doe ik, zoals aangegeven in antwoord op vraag 8, als toezichthouder op de Wfpp geen uitspraken over de individuele casus.
Indien blijkt dat de Wet Financiering Politieke Partijen is overtreden, bent u dan bereid om een bestuurlijke boete op te leggen?
Laat ik vooropstellen dat ik ervan uit ga dat politieke partijen handelen op integere wijze en conform de wettelijke voorschriften. Als blijkt dat de regels uit de Wfpp zijn overtreden, ben ik bereid om een bestuurlijke boete op te leggen. Voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete dient de Commissie toezicht financiering politieke partijen (Ctfpp) daarover om advies gevraagd te worden.
In het licht van de giften aan NL Plan, hoe beoordeelt u de effectiviteit en doelmatigheid van het huidige verbod op giften vanuit het buitenland aan politieke partijen?
Het giftenverbod voor niet-Nederlanders is een duidelijke wettelijke norm die geldt in de Wfpp vanaf 1 januari 2023. Als toezichthouder op de Wfpp verwacht ik van politieke partijen dat zij handelen naar deze norm. Hierbij houdt het Ministerie van Binnenlandse Zaken continue aandacht voor mogelijke omzeilingsroutes en nieuwe manieren waarop financieel invloed uitgeoefend zou kunnen worden op politieke partijen. Indien hier aanleiding toe is zal het wettelijk kader worden aangepast.
Bent u bereid om te bezien, eventueel na overleg met de commissie toezicht financiering politieke partijen, welke extra maatregelen kunnen worden getroffen binnen het huidige wettelijk kader om het verbod op buitenlandse giften beter te handhaven?
Aangezien artikel 23a met ingang van 1 januari 2023 van toepassing is, zal ik de Commissie toezicht financiën politieke partijen vragen om bij haar advisering over de verantwoording van het jaar 2023 extra aandacht te besteden aan de effectiviteit van het toezicht en de handhaving op het verbod op bijdragen uit het buitenland.
Bent u het ermee eens dat de casus de noodzaak onderstreept van de nieuwe Wet Politieke Partijen? Wanneer verwacht u dat het advies van de Raad van State beschikbaar is en wanneer kan deze wet bij de Kamer worden ingediend?
De Wet op de politieke partijen (Wpp) is een volgende stap in het robuuster maken van het Nederlandse partijstelsel. Zodra de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies heeft uitgebracht over het ontwerp wetsvoorstel zal ik een nader rapport opstellen en het wetsvoorstel indienen bij de Tweede Kamer. De planning hiervan is afhankelijk van zowel het moment waarop het advies wordt ontvangen als de inhoud daarvan.
Welke nog niet-bestaande instrumenten heeft de nieuwe Nederlandse autoriteit politieke partijen straks om ongewenste buitenlandse beïnvloeding via steun aan politieke partijen tegen te gaan?
De Wpp voorziet in de oprichting van de Nederlandse autoriteit politieke partijen (Napp). Als aangewezen toezichthouder heeft de Napp alle toezichtsbevoegdheden tot zijn beschikking die zijn vastgelegd in titel 5.2 van de algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van artikelen 5:18 en 5:19. Daarbij is van belang dat de Napp alleen toezicht houdt op het naleven van de regels zoals gesteld in de Wpp.
Heeft u signalen dat er sprake is geweest van Chinese inmenging bij politieke partijen in andere landen van de Europese Unie (EU), in aanloop naar de verkiezingen van het Europees Parlement? Zo ja, bent u bereid om in overleg te treden met andere EU-lidstaten om ervaringen en ideeën uit te wisselen om onze weerbaarheid tegen Chinese inmenging te vergroten?
Ik verwijs hier graag naar de uitgebreide berichtgeving in de media over de recent gearresteerde medewerker van de Duitse AfD-lijsttrekker Maximilian Krah die gespioneerd zou hebben voor China en over de Belgische politicus Filip de Winter die jarenlang in opdracht van de Chinese Communistische Partij gewerkt zou hebben. Het kabinet staat zowel bilateraal als in multilateraal verband in nauw contact met bevriende landen over de problematiek van buitenlandse inmenging en Foreign Information Manipulation and Interference (FIMI), ook rond de verkiezingen. Dit betreft o.a. uitwisseling van informatie in EU-verband, in de G7, binnen de NAVO en via het Hybrid Centre of Excellence. Via deze wegen worden campagnes gesignaleerd, vindt uitwisseling plaats over de verschillende verschijningsvormen en worden best practices gedeeld over het verhogen van de weerbaarheid en responsmogelijkheden. In de aanloop naar de verkiezingen zijn deze trajecten geïntensiveerd, waarin ook een evaluatie van het verloop van de verkiezingen zal worden meegenomen.
Bent u bereid om onderzoek te (laten) doen naar de omvang en impact van de activiteiten van het Verenigd Front in Nederland en Europa, zoals eerder voor Australië en Canada gedaan door hetAustralian Strategic Policy Institute (ASPI)?
Ja.
Het kabinet heeft eerder een onderzoek laten uitvoeren door ASPI naar de aard, structuur en internationale inzet van het Verenigd Front.4 Momenteel wordt gewerkt aan een onderzoek naar Chinese inmenging in Nederlandse media, conform motie Brekelmans.5 Publicatie is verwacht eind deze zomer. Het rapport zal (deels) publiek worden en met uw Kamer worden gedeeld.
Bent u bereid om in gesprek te treden met uw Chinese ambtgenoten om uw ongenoegen over deze inmenging kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke boodschap zult u overbrengen?
Het kabinet kan stappen ondernemen indien er sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging. Het onderwerp is o.a. opgebracht tijdens het bezoek aan Beijing vorig jaar van toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Hoekstra. Het kabinet zal de Chinese autoriteiten hierop aan blijven spreken.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat in Gambia genitale verminking weer legaal dreigt te worden |
|
Sarah Dobbe |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat in Gambia genitale verminking weer legaal dreigt te worden?1
Ja. Op 15 juli heeft het parlement echter tegen de wetswijziging gestemd. Vrouwelijke genitale verminking blijft dus illegaal in Gambia.
Deelt u de mening dat Nederland zich tegen dit soort ontwikkelingen uit dient te spreken? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik. De wijze waarop Nederland zich uitspreekt dient bij te dragen aan de doelstelling om het verbod op vrouwelijke genitale verminking te behouden. De behoeften van het lokale maatschappelijk middenveld zijn hierbij leidend. Publieke verklaringen tegen vrouwelijke genitale verminking zijn minder geschikt vanwege de binnenlandse perceptie dat verzet tegen het verbod op vrouwelijke genitale besnijdenis ongewenste westerse beïnvloeding betreft. Nederland spreekt zich daarom middels stille diplomatie uit tegen het intrekken van het verbod op vrouwelijke genitale verminking.
Welke diplomatieke middelen acht u geschikt om in te zetten tegen deze ontwikkeling? Welke heeft u al ingezet? Welke diplomatieke middelen sluit u uit en waarom? Kunt u een uitgebreide reactie sturen?
Onze ambassadeur in Dakar heeft de Nederlandse positie met betrekking tot het wetsvoorstel betreffende legalisering van vrouwelijke genitale verminking meermaals met vertegenwoordigers van de Gambiaanse regering besproken, waaronder op 3 juni met de Gambiaanse Minister van Justitie. Ook heeft de ambassade in Dakar recentelijk een bijeenkomst georganiseerd met Gambiaanse organisaties, gelijkgezinde landen en VN-organisaties om informatie uit te wisselen en handelingsopties te bespreken. De EU-delegatie in Gambia is samen met gelijkgestemde ambassades en VN-agentschappen actief in gesprek met vertegenwoordigers van de regering en andere belangrijke belanghebbenden (leden van de National Assembly en politieke partijen) en steunt een brede coalitie van organisaties in het maatschappelijk middenveld.
Het kabinet maakt voortdurend de afweging of ontwikkelingshulp effectief wordt besteed of moet worden stopgezet, met als doel te voorkomen dat het stoppen van die hulp juist de kwetsbare gemeenschappen het zwaarst treft. Nederland biedt geen directe steun aan de Gambiaanse overheid.
Het tegengaan van genitale verminking wordt door een in het artikel opgevoerde activist geduid als een «Westers complot», deelt u de beoordeling dat basale universele mensenrechten steeds vaker worden neergezet als «het opleggen van Westerse waarden»?
Wereldwijd is inderdaad een trend zichtbaar waarbij mensenrechten als westerse waarden worden geportretteerd die aan andere landen zouden worden of zijn opgelegd. Dit betreft een incorrecte weergave van feiten; het gaat immers om universele rechten waar landen zich zelf aan hebben gecommitteerd (bv. via de VN-mensenrechtenverklaring).
Heeft u in beeld of er in andere landen soortgelijke politieke ontwikkelingen zijn waarbij mensen- en vooral vrouwenrechten onder druk komen te staan? Zo ja, kunt u uw bevindingen en het beleid dat u hier op voert met de Kamer delen?
Ook in andere landen is toenemende repressieve druk zichtbaar op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), mensen- en vrouwenrechten.
Het kabinet monitort de situatie wereldwijd nauwkeurig. Het kabinet heeft zeker aandacht voor mensen- en vrouwenrechten, waaronder toegang tot gezondheid, inclusief SRGR, gelijkheid en het uitbannen van schadelijke praktijken. Dit gebeurt zowel door financiering van programma’s en organisaties als via stille en publieke diplomatie. Bij de te kiezen aanpak wordt gekeken naar de behoefte van de gemarginaliseerde groepen in het desbetreffende land.
Ontwikkelingen in Jemen |
|
Don Ceder (CU), Sarah Dobbe |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de recente oproep van 190 humanitaire organisaties die actief zijn in Jemen die vragen om duurzame steun om de grote noden in het land tegen te gaan?1
Ja.
Hoe reageren Nederland en de Europese Unie (EU) op deze oproep? Is er bereidheid om meer humanitaire hulp te bieden?
Nederland is zich bewust van de hoge noden in Jemen en is sinds jaren een substantiële humanitaire donor. De afgelopen jaren was Nederland een grote donor van het humanitaire fonds voor Jemen van de VN (Country Based Pooled Fund). Met ingang van vorig jaar is besloten tot een meerjarige bijdrage aan het fonds van 10 miljoen euro per jaar. Daarnaast steunt Nederland de Dutch Relief Alliance (DRA). De bijdrage aan de Joint Response van de DRA voor Jemen bedraagt 24 miljoen euro in de periode 2024 t/m 2026. In de Kamerbrief over humanitaire hulp en diplomatie van april 2024 maakte het kabinet de verdeling van het humanitaire budget voor 2024 bekend. Naast deze bijdragen is de financiële ruimte beperkt en wordt momenteel geen additionele financiële bijdrage voor Jemen overwogen. De bijdrage van ECHO, het humanitaire programma van de EU, voor Jemen wordt jaarlijks vastgesteld. In 2024 is die bijdrage 125 miljoen euro.
Bent u bekend met de grote zorgen die de speciale gezant van de Verenigde Naties (VN) voor Jemen heeft over de vredesonderhandelingen in het land?2
Ja.
Hoe kunnen de EU en Nederland eraan bijdragen dat de vredesonderhandelingen in Jemen een nieuwe impuls krijgen? Wordt hier op ingezet?
In Jemen heeft het jarenlange conflict tussen verschillende rivaliserende partijen geleid tot een van de ergste humanitaire rampen ter wereld. Een stabiel en vreedzaam Jemen is in Nederlands en Europees belang. Nederland zet zich daarom in voor een rechtvaardig en inclusief vredesproces onder leiding van de VN. Eind vorig jaar kondigde de VN speciale gezant voor Jemen Hans Grundberg aan dat alle strijdende partijen overeenstemming hadden bereikt over de te zetten stappen voor de beëindiging van de burgeroorlog. De verslechterde veiligheidssituatie in Jemen en de ontwikkelingen in de Rode Zee dragen er echter aan bij dat een formeel vredesakkoord vooralsnog uitblijft. Nederland blijft het mandaat van de VN gezant ondersteunen en in multilateraal verband voortdurend aandacht vragen voor dit vergeten conflict.
Herinnert u zich de twee jaar geleden aangenomen motie die de Nederlandse regering verzoekt zich in te spannen voor hervatting van VN-onderzoek naar oorlogsmisdaden in Jemen?3
Ja.
Kunt u aangeven wat is gedaan om deze motie uit te voeren?
Aan deze motie is op verschillende momenten uitvoering gegeven. Zo heeft Nederland op ministerieel niveau in VN-verband aandacht gevraagd voor het tegengaan van straffeloosheid voor oorlogsmisdaden in Jemen, onder meer tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Ook heeft Nederland zich de afgelopen twee jaar in de VN-Mensenrechtenraad ingezet voor onafhankelijk onderzoek naar en het tegengaan van straffeloosheid voor gepleegde oorlogsmisdrijven in Jemen.
Kunt u, nu Nederland weer in de Mensenrechtenraad van de VN zit, daar een nieuwe poging doen om te komen tot onderzoek naar oorlogsmisdaden in Jemen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich de afgelopen jaren in de VN-Mensenrechtenraad ingezet voor onafhankelijk onderzoek naar oorlogsmisdrijven in Jemen. Helaas bleek in de Mensenrechtenraad onvoldoende draagvlak om dit te concretiseren in resolutieteksten. Wel is een verlenging van technische ondersteuning aan de nationale onderzoekscommissie in Jemen (NCOI) gerealiseerd. Nederland blijft zich – ook als lid van de Mensenrechtenraad – samen met gelijkgezinden inzetten om het tegengaan van straffeloosheid in Jemen op de internationale agenda te houden.
Kunt u nader toelichten waarom het aanvullend nationaal wapenexportcontrolebeleid in de vorm van een zogeheten presumption of denial, dat onder andere gold voor Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, is afgeschaft?4
Graag verwijs ik u naar de Kamerbrief van 14 juli 20235 waarin uitgebreid wordt toegelicht waarom het aanvullend nationaal beleid, dat van toepassing was op onder andere Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, is afgeschaft.
Deelt u de zorgen dat wapenexport naar deze landen, die mogelijk verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdaden in Jemen, uitermate zorgelijk blijft en kan bijdragen aan nieuwe schendingen, zeker nu vredesonderhandelingen lijken te stagneren? Bent u het ermee eens dat er geen aanleiding is wapenexportcontrole naar deze landen minder strikt toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich ervan bewust dat de situatie in Jemen instabiel is en dat de vredesonderhandelingen nog lopen. Het afschaffen van het nationaal beleid doet er niet aan af dat Nederland scherp blijft toezien op het belang dat Nederlandse goederen niet worden gebruikt in conflicten zoals in Jemen. Zoals wordt toegelicht in de Kamerbrief van 14 juli 2023 volstaat een strikte toets aan de bestaande kaders van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole.
Het bericht ‘Serieus toezicht op webwinkels als Temu ontbreekt: 'Oneerlijke concurrentie'’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Serieus toezicht op webwinkels als Temu ontbreekt: «Oneerlijke concurrentie»»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de Consumentenbond en toezichthouders zoals de Autoriteit Consument en Markt (ACM) over oneerlijke handelspraktijken door met name Chinese webshops als Temu, Shein en AliExpress?
De razendsnelle opkomst van deze online marktplaatsen is voor een belangrijk deel het gevolg van het grote productaanbod, de lage prijzen die zij hanteren en hun grootschalige marketingcampagnes. Zo besteedt Temu naar schatting meer dan 450 miljoen euro per kwartaal aan marketing.1 De berichten van consumentenorganisaties2 dat Temu onveilige producten zou aanbieden, cruciale informatie achterhoudt voor consumenten en manipulatieve online technieken (dark patterns) toepast, vind ik zorgelijk. Deze opkomst van niet-Europese online marktplaatsen beïnvloedt de concurrentiepositie van Nederlandse en andere Europese online marktplaatsen. Ik vind het van belang dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat ze veilig en op basis van betrouwbare informatie hun aankopen kunnen doen. Op Europees niveau zijn er maatregelen genomen om dit te waarborgen. Deze maatregelen licht ik in de antwoorden op uw overige vragen toe.
Deelt u de zorgen dat de razendsnelle opkomst van deze webshops, aangejaagd door het gebruik van oneerlijke handelspraktijken, negatieve gevolgen heeft voor de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse webshops?
Zie antwoord vraag 2.
Vallen verleidingstechnieken op de website en app van Temu, zoals «flitsaanbiedingen» met aftelklokken en het gebruik van spelletjes gericht op kinderen onder verboden dark patterns? Kunt u hier per voorbeeld op ingaan?
Op grond van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (OHP) is het bedrijven niet toegestaan om commerciële dark patterns te gebruiken wanneer deze oneerlijke handelspraktijken zijn, zoals bedoeld in de Richtlijn OHP. Dark patterns zijn manipulatieve of misleidende technieken die consumenten ertoe aan kunnen zetten om keuzes te maken die niet in hun belang zijn. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) geeft in haar Leidraad Bescherming van de Online Consument aan wat volgens haar de normen zijn als het gaat om verschillende dark patterns.
Het gebruik van flitsaanbiedingen met aftelklokken mag consumenten niet misleiden. Het bedrieglijk beweren dat een product slechts voor een zeer beperkte tijd beschikbaar is, met als doel om de consument onder druk te zetten tot het nemen van een aankoopbeslissing, is op grond van de Richtlijn OHP onder geen enkele omstandigheid toegestaan. Het aanbieden van spelletjes gericht op kinderen is op grond van de Richtlijn OHP ook niet toegestaan als deze spelletjes worden ingezet als reclamemiddel met als doel om kinderen geadverteerde producten te laten kopen.
Bij een overtreding van de Richtlijn OHP kan de ACM handhavend optreden. Zo heeft de ACM in juni 2023 tientallen webshops bevolen te stoppen met het gebruikmaken van misleidende countdowntimers.3
Als de genoemde verleidingstechnieken op dit moment niet onder verboden handelspraktijken vallen, bent u bereid om de Europese lijst met verboden handelspraktijken te herzien en aan te vullen met misleidende technieken die door Temu worden gebruikt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kunnen dark patterns op grond van de Richtlijn OHP nu al worden aangepakt. Sommige van de genoemde verleidingstechnieken staan al op de zogenaamde «zwarte lijst» van verboden handelspraktijken.
Verder onderzoekt de Europese Commissie momenteel of de huidige regels consumenten ook online voldoende beschermen (fitness check).4 Mogelijk wordt de Richtlijn OHP herzien op basis van de uitkomsten van de fitness check. De resultaten van de fitness check worden in het najaar van 2024 verwacht.
Wat vindt u van de oproep van de ACM om met nieuwe wetgeving te komen tegen oneerlijke handelspraktijken door webshops? Welke stappen neemt u hierin?
De ACM heeft in het kader van de fitness check van de Europese Commissie op 21 november 2022 een non-paper uitgebracht met haar inzet. 5 De ACM is van mening dat de Europese consumentenregels aangescherpt moeten worden om consumenten online voldoende te beschermen. Zo pleit de ACM voor het expliciet verbieden van bepaalde schadelijke en oneerlijke online handelspraktijken.
Dit standpunt is in lijn met de eerdere oproep van mijn ministerie aan de Europese Commissie.6 Daarbij is benadrukt dat de ontwikkelingen in de digitale economie snel gaan en dat het niveau van consumentenbescherming hierdoor onder druk kan komen te staan, bijvoorbeeld als gevolg van het ontwerp van websites en apps. Het verdient dan ook aanbeveling om consumentenwetgeving te flexibiliseren om hier sneller op te kunnen reageren. Ik wacht de uitkomsten van de fitness check van de Europese Commissie hierover met interesse af.
Klopt het dat Temu, Shein en AliExpress onder de Digital Services Act (DSA) zijn aangewezen als Very Large Online Platforms and Search Engines (VLOPS), waardoor extra regels voor toezicht gelden?
Ja. De Europese Commissie houdt op haar website een openbare lijst bij van de diensten die zijn aangewezen als Very Large Online Platforms en Search Engines.7
Kunt u aangeven of u verwacht dat deze webshops binnen de gestelde termijnen zullen voldoen aan de verplichtingen uit de DSA?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze webshops niet van plan zijn om aan hun verplichtingen uit de DSA te voldoen. Het toezicht op de naleving van de DSA door zeer grote online platforms ligt overigens primair bij de Europese Commissie, en daarnaast (mede) bij de bevoegde autoriteiten uit de lidstaten waar die diensten gevestigd zijn, of waar zij hun wettelijk vertegenwoordiger hebben gekozen. Voor Shein en Temu is dat de digitaledienstencoördinator van Ierland. Voor AliExpress is dat de ACM als digitaledienstencoördinator in Nederland.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie, die uit hoofde van de DSA toezicht houdt op VLOPS, te pleiten voor het openen van onderzoek naar oneerlijke handelspraktijken door Temu en Shein, in lijn met het onderzoek dat naar AliExpress is geopend?
Oneerlijke handelspraktijken zijn gereguleerd door middel van de Richtlijn OHP. Daar wordt toezicht op gehouden door onafhankelijke nationale markttoezichthouders, zoals in Nederland de ACM. Het onderzoek naar eventuele overtredingen van de DSA door AliExpress ziet niet op eventuele oneerlijke handelspraktijken, maar onder meer op de inrichting van het mechanisme voor het melden van illegale inhoud, de interne klachtenprocedure, en de verrichte systeemrisicoanalyse van AliExpress.
Ook het toezicht op de DSA is belegd bij onafhankelijke markttoezichthouders. Het is aan deze markttoezichthouders om al dan niet een onderzoek te starten. Overigens heeft de Europese Commissie recentelijk een informatieverzoek over de verplichtingen uit de DSA verzonden aan Temu en Shein. De ACM is de beoogde Digitale Diensten Coördinator (DDC) in Nederland. Zodra de uitvoeringswet DSA in werking is getreden, kan de ACM, wanneer zij van mening is dat Temu of Shein de DSA overtreedt, de Digitale Diensten Coördinator van de lidstaat van vestiging of de Europese Commissie een onderbouwd handhavingsverzoek sturen.
Bent u bereid om de ACM te verzoeken om hun bevoegdheden als nationale toezichthouder in te zetten om onderzoek te doen naar oneerlijke handelspraktijken door Temu, AliExpress en Shein in Nederland?
De ACM is een onafhankelijke markttoezichthouder. Het besluit om al dan niet een onderzoek te starten naar een bedrijf ligt dan ook bij de ACM.
Wat is uw beeld van de arbeidsomstandigheden in fabrieken waar producten voor Temu worden gemaakt, gezien de lage prijzen van veel producten? Is hier volgens u voldoende zicht op en zo nee, wat wilt u hieraan doen?
Het kabinet houdt geen toezicht op arbeidsomstandigheden in de waardeketens van buitenlandse bedrijven en kan daarom geen uitspraken doen over individuele casussen. Uiteraard kan er in het algemeen een verband zijn tussen lage prijzen van producten enerzijds en gebrekkige arbeidsomstandigheden of niet-leefbare lonen in de keten anderzijds. Het kabinet neemt dit thema serieus en bevordert daarom internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). Het IMVO-beleid heeft als doel dat bedrijven gepaste zorgvuldigheid toepassen om negatieve gevolgen van hun activiteiten, producten of diensten op mens en milieu te identificeren en aan te pakken in hun waardeketens, ongeacht het land waarin die impact zich voordoet.
Op 24 mei jl. is de brede Europese IMVO-wet Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDD) aangenomen. Voor nationale implementatie van de CSDDD zullen de gebruikelijke procedures doorlopen worden. Het vormgeven van onafhankelijk toezicht zal daar ook een belangrijk onderdeel van zijn. De richtlijn gaat gelden voor in de EU gevestigde bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers en een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen, en voor niet in de EU gevestigde bedrijven met een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen in de EU. Dit bevordert een gelijk speelveld met andere bedrijven in de EU en leidt tot een grotere impact bij het Europees en mondiaal bevorderen van arbeids- en mensenrechten. Na publicatie in het EU Publicatieblad en inwerkingtreding hebben lidstaten twee jaar de tijd om de CSDDD om te zetten in nationale wetgeving.
Wat is uw reactie op onderzoeken die laten zien dat producten zoals speelgoed in webshops als Temu vrijwel nooit voldoen aan de Europese eisen voor productveiligheid?
De uitkomsten van de onderzoeken naar productveiligheid op online marktplaatsen zijn zorgwekkend.8 Het is van belang dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Ten aanzien van speelgoed gelden strenge veiligheidseisen in de EU waar bedrijven die ontwerpen, produceren of verhandelen zich aan moeten houden.9 Deze regels gelden ook voor partijen die buiten de Unie zijn gevestigd en hun product op de interne markt aanbieden. De NVWA houdt toezicht op de Speelgoed Veiligheidsrichtlijn. De inwerkingtreding van de Algemene Productveiligheidsverordening per december van dit jaar vormt een belangrijke ontwikkeling op het gebied van productveiligheidsregelgeving. Onder deze verordening worden Europese marktdeelnemers en niet-Europese online marktplaatsen en fabrikanten meer verantwoordelijk voor de veiligheid van producten die niet onder productspecifieke wetgeving vallen, zogeheten niet-geharmoniseerde producten. Voor dergelijke producten moet zo dadelijk een verantwoordelijke partij in de EU gevestigd zijn. Dit kan de fabrikant óf een juridische vertegenwoordiger van de fabrikant zijn. Anders mag een product niet worden aangeboden op de interne markt. Indien de online marktplaats niet in de EU is gevestigd, dan kunnen markttoezichthouders deze via de gemachtigde vertegenwoordiger verplichten om de inhoud (productpagina) van de online-interface te verwijderen of een expliciete waarschuwing bij producten te tonen.
Hebben toezichthouders op dit moment voldoende handvatten om voorraden en/of producten van internationale webshops te inspecteren? Zo nee, wat is daarvoor nodig?
Om goed toezicht te houden is het van belang dat markttoezichthouders met de juiste bevoegdheden kunnen optreden tegen partijen die onveilige producten aanbieden. De realiteit is echter ook dat vorig jaar bijna twee miljoen e-commerce zendingen per dag via Nederland de EU binnen kwamen.10Deze enorme instroom aan goederen maakt het onmogelijk voor markttoezichthouders om alle producten te controleren. Door middel van steekproeven en risico gebaseerd toezicht werken markttoezichthouders – ondanks de hoge volumes – hard aan het weren van onveilige producten. De afgelopen jaren zette mijn ministerie zich in Europa in voor het verbreden van de bevoegdheden van markttoezichthouders om beter toezicht te kunnen houden op online marktplaatsen, zoals bij de totstandkoming van de Algemene Productveiligheidsverordening en de DSA (zie het antwoord op vraag 12). Ook is het beheersbaar maken van de grote stroom van e-commerce zendingen een belangrijke prioriteit van Nederland in de onderhandelingen over het nieuwe Douane Wetboek van de Unie.
Daarom heb ik de Europese Commissie voorgesteld dat de verplichting tot het aanwijzen van een verantwoordelijke persoon, zoals onder de algemene productveiligheidsverordening, ook moet gaan gelden voor producten die reeds onder sectorspecifieke regelgeving vallen maar waarvoor deze (nieuwe) verplichting nog niet geldt. Producten waarvoor al sectorspecifieke regelgeving bestaat zijn te herkennen aan hun CE-markering. Bovendien zijn handvatten voor risico-gebaseerd toezicht hierbij essentieel. Mijn inzet is daarom dat het Digitale Product Paspoort (DPP) voor alle producten verplicht wordt. Het DPP maakt het makkelijker voor autoriteiten om de meest actuele informatie van producten snel in te zien. Daarnaast zet ik in Nederland een uniforme meldwijzer op waar consumenten en ondernemers onveilige producten kunnen melden. Dit draagt bij aan betere data voor markttoezichthouders voor hun risico-gebaseerd toezicht. Deze meldwijzer komt in het najaar online.
Deelt u de mening dat wat niet in Europa geproduceerd mag worden, ook niet in Europa verkocht zou mogen worden? Zo ja, hoe weert u onveilige producten die via Temu verkocht worden van de Europese markt?
Het is belangrijk dat producten die zowel in de winkel als online verkocht worden veilig zijn, of deze nu uit Europa komen of daarbuiten. In de vorige antwoorden licht ik toe welke mogelijkheden de toezichthouder heeft en krijgt om dit te waarborgen.
Wat is uw reactie op de zorgen over de inbreuk op privacy door met name de app van Temu, zoals bijvoorbeeld blijkt uit onderzoek door de Belgische VRT? Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen hier onderzoek naar te doen?
Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is geen taak van het kabinet, maar van de Autoriteit Persoonsgegevens. Deze toezichthouder is onafhankelijk en heeft een ruim mandaat en uitgebreide bevoegdheden om te onderzoeken of partijen voldoen aan hun verplichtingen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Deelt u de mening dat de app van Temu mogelijk een nog grotere «datastofzuiger» is dan TikTok?
De toezichthouder Autoriteit Persoonsgegevens ziet via het stelsel van de AVG toe op het verzamelen en gebruik van persoonsgegevens. Als bewindspersoon beschik ik niet over informatie omtrent dataverzameling door specifieke bedrijven.
Wilt u ervoor zorgen dat de app van Temu net als TikTok niet meer gebruikt kan worden op werktelefoons van Rijksambtenaren?
De Kamer is op 24 november 2023 vertrouwelijk geïnformeerd over technische risicobeperkende maatregelen die genomen zijn in het kader van het appbeleid rijksoverheid. Door deze vertrouwelijkheid kan ik dan ook niet verder ingaan op deze maatregelen. Ik kan u wel melden dat deze maatregelen met enige regelmaat worden geëvalueerd, waarin ook Temu onder de loep is genomen.
Wat is uw reactie op berichten over de banden van Temu met de Chinese overheid? Ziet u risico’s in de opkomst van webshops als Temu voor onze strategische autonomie? Bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Onze strategische autonomie ziet op het borgen en het versterken van de weerbaarheid en de publieke belangen Nederland en de EU. In de berichtgeving over online marktplaatsen als Temu zien deze publieke belangen op privacy-, data- en consumentenbescherming. Ter bescherming van deze factoren kent de EU wetgeving waaraan bedrijven moeten voldoen die actief zijn of willen zijn op de Europese interne markt. Dit geldt ook voor bedrijven die mogelijkerwijs banden hebben met de overheid in hun land van herkomst of voor webshops en e-commerce ondernemingen van buiten de EU die op de interne markt hun producten aanbieden. Bedrijven dienen zich hierbij ook te houden aan het Europese consumentenrecht. Het tegengaan van schendingen hiervan is belangrijk. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in de eerste plaats bij de aangewezen toezichthouder(s), waaronder de ACM.
Wat vindt u ervan dat juist bij de genoemde webshops het gebruik van Buy Now Pay Later wordt gepromoot, bijvoorbeeld via een paginabrede button van Klarna op de website van Temu, terwijl steeds meer duidelijk wordt wat daarvan de schadelijke gevolgen zijn met name voor kinderen en jongeren?
In antwoorden op Kamervragen over Buy Now Pay Later (BNPL)-diensten hebben de Ministers voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, voor Rechtsbescherming en van Financiën hun zorg uitgesproken over het gebruik van BNPL-diensten door jongeren.11 Die zorg deel ik. Ik sta dan ook achter de aangekondigde maatregelen die het gebruik van BNPL-diensten door jongeren tegen moeten gaan. Zo hebben aanbieders van Nederlandse BNPL-diensten, waaronder de Nederlandse tak van Klarna, hun gedragscode op dit punt aangescherpt. Daarnaast gaan vanaf november 2026 voor BNPL-diensten in heel Europa dezelfde strenge regels gelden als voor aanbieders van consumptief krediet op grond van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCD2). Ook onderzoekt het kabinet de mogelijkheden om leeftijdscontrole verplicht te stellen bij BNPL.
De dood van een Pakistaanse christen na een aanval door een gewelddadige menigte |
|
Don Ceder (CU) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de dood van de 72-jarige Nazir Masih, die is overleden als gevolg van mishandeling door een gewelddadige menigte nadat hij beschuldigd werd van het verbranden van Koran-pagina’s?1
Ja.
Klopt het dat Nazir Masih, terwijl hij in het ziekenhuis vocht voor zijn leven, ook nog officieel is aangeklaagd voor godslastering?
In de ochtend van 25 mei jl. is er aangifte gedaan tegen Nazir Masih voor godslastering door een inwoner van de gemeenschap. Deze inwoner beweert getuige te zijn geweest van een Koranverbranding door Nazir Masih. Voor zover bekend heeft dit niet geleid tot een officiële aanklacht.
Bent u bereid er bij de Pakistaanse autoriteiten op aan te dringen dat de daders van de moord op Nazir Masih vervolgd zullen worden?
Ja. De Nederlandse ambassadeur in Islamabad heeft recentelijk bij de Pakistaanse autoriteiten haar zorgen uitgesproken over deze gebeurtenissen en zal ook deze tragische afloop met de Pakistaanse autoriteiten bespreken.
Kunt u aangeven hoe vaak het in de afgelopen tien jaar is voorgekomen dat leden van de kleine christelijke minderheid in Pakistan aangevallen worden door boze moslims op grond van vermeende godslastering?
Volgens maatschappelijke organisaties zijn er de afgelopen tien jaar honderden gevallen van christenvervolging gedocumenteerd in Pakistan. Het gebrek aan berichtgeving in de Pakistaanse media maakt het moeilijk om een exact aantal te identificeren.
Kunt u aangeven hoe vaak Nederland de Pakistaanse regering heeft aangesproken op het gebrek aan bescherming voor religieuze minderheden in Pakistan en wat de reactie daarop is geweest?
Nederland spreekt regelmatig met de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging. Dit gebeurt zowel bilateraal, in Den Haag als ook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, als via diverse multilaterale fora. Ook de EU ambassadeur in Islamabad brengt het onderwerp regelmatig op in gesprekken die zij voert met de Pakistaanse autoriteiten.
Daarnaast heeft Nederland, tijdens de Universal Periodic Review (UPR) in 2023 – het peer review mechanisme over mensenrechten waar alle VN-landen aan kunnen deelnemen – Pakistan opgeroepen om juridische en praktische maatregelen te nemen om te waarborgen dat misbruik van blasfemiewetten wordt voorkomen en religieuze intolerantie wordt geadresseerd.
Bent u bereid er in Europees verband op aan te dringen dat Pakistan aangesproken wordt op het voortdurende misbruik van de blasfemiewet en het hierdoor uitgelokte geweld tegen onschuldige slachtoffers? Zo nee, waarom niet?
De EU ambassadeur in Islamabad brengt de vrijheid van religie en levensovertuiging regelmatig op in gesprekken die zij voert met de Pakistaanse autoriteiten. De EU heeft daarnaast met Pakistan een regulier overleg onder andere in de Sub-Group on Democracy, Governance, Rule of Law and Human Rights. Vrijheid van religie en levensovertuiging en de rechten van minderheden zijn hiervan belangrijke onderdelen.
Nederland zal zich er sterk voor maken dat misbruik van blasfemiewetten en hiermee samenhangend geweld wordt besproken tijdens het volgende overleg van deze Sub-Group. Een datum voor dit overleg is nog niet vastgesteld maar zal waarschijnlijk in oktober plaatsvinden.
Hoe kan het dat Pakistan nog steeds de Generalised Scheme of Preferences Plus (GPS+)-status heeft ondanks deze voortdurende schendingen van de rechten van religieuze minderheden en bent u bereid deze status ter discussie te stellen? Zo nee, waarom niet?
Pakistan is sinds 2014 een begunstigd land onder het APS+ schema van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Als voorwaarde voor het verkrijgen van APS+ status, heeft Pakistan 27 internationale verdragen2 op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu en goed bestuur geratificeerd. De effectieve implementatie van die verdragen door APS+ begunstigde landen wordt door de Europese Commissie gemonitord. Dit betreft een streng monitoringsregime dat de Europese Commissie en EU-lidstaten een instrument biedt om onvoldoende naleving van die verdragen aan de orde te stellen in dialoog met begunstigde landen. Voor wat betreft Pakistan, zijn vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden daarbij een aandachtspunt. De Europese Commissie roept de Pakistaanse regering, onder andere in haar laatste APS+ monitoringsrapport van november 2023, op maatregelen te nemen ter verbetering van vrijheid van religie en levensovertuiging, evenals de rechten van minderheden in het land. Indien sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen, is de Europese Commissie bevoegd een voorstel te doen om tariefpreferenties tijdelijk op te schorten. Op dit moment is dat voor Pakistan niet aan de orde. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Het bericht dat een Iraniër in Duitsland veroordeeld is voor brandstichting in opdracht van de Iraanse staat. |
|
Don Ceder (CU), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van het Oberlandesgericht in Düsseldorf waarin een Duitse Iraniër is veroordeeld wegens poging tot brandstichting op een synagoge in opdracht van de Iraanse staat?1
Ja.
Klopt het bericht in de Duitse media2 dat deze uitspraak volgens de juridische dienst van de Europese Raad de basis zou kunnen vormen voor de beslissing de Iraanse Revolutionaire Garde op de Europese Unie (EU)-terrorismelijst te plaatsen?
Het advies van de Juridische Dienst van de Raad van de Europese Unie is vertrouwelijk. Daar kan ik niet in het openbaar over communiceren.
Bent u het eens met de conclusie dat deze uitspraak van een Duitse rechter kan dienen als basis voor een beslissing de Iraanse Revolutionaire Garde op de terreurlijst te plaatsen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u de verhoudingen in de Raad schetsen ten aanzien van een besluit de Iraanse Republikeinse Garde op de terreurlijst te zetten?
Inmiddels hebben, naast Nederland, meerdere landen aangegeven er voorstander van te zijn van dat de Iraanse Revolutionaire Garde op de EU-terrorismelijst wordt gezet. Er is op dit moment echter geen consensus binnen de Raad.
Bent u van plan de uitspraak van deze Duitse rechter als argument aan te voeren bij uw blijvende pogingen de Iraanse Revolutionaire Garde op deze lijst te krijgen conform de motie Ceder c.s.?3
Ik ben sterk voorstander van de plaatsing van de Iraanse Revolutionaire Garde op de EU-terrorismelijst. Bij de inspanningen om de Revolutionaire Garde op de EU-terrorismelijst te plaatsen benut Nederland alle mogelijkheden die zich aandienen. Daarbij trekt Nederland nauw op met Duitsland en andere gelijkgestemde lidstaten.
Het bericht 'Rwandese ambassade in Den Haag intimideert en bedreigt critici van regime-Kagame in Nederland' |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Bente Becker (VVD), Jan Paternotte (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de bevindingen van het onderzoek door NRC en Forbidden Stories waarin wordt gesteld dat de Rwandese ambassade in Den Haag betrokken zou zijn bij het intimideren en bedreigen van Rwandese critici van het regime-Kagame die in Nederland wonen?1
Ja, de bevindingen van het onderzoek door NRC en Forbidden Stories uit het genoemde artikel zijn bekend.
Bent u bekend met het onderzoek van de Belgische justitie naar de betrokkenheid van de Rwandese ambassadeur in Nederland bij laster, smaad en intimidatie via een anoniem X-account? Welke stappen heeft u gezet of bent u van plan te zetten om ondersteuning te bieden voor dit onderzoek?
Het is het kabinet bekend dat er een justitieel onderzoek loopt in België tegen de Rwandese ambassadeur in Nederland. In zijn algemeenheid is het zo dat staten elkaar om assistentie kunnen vragen bij opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarbij moet worden opgemerkt dat de ambassadeur in Nederland onschendbaarheid en immuniteit geniet hetgeen (het ondersteunen van) een onderzoek in de weg staat.
Bent u daarnaast bekend met de beschuldiging dat de Rwandese ambassade in Den Haag betrokken zou zijn geweest bij het beramen van moordaanslagen op vijf critici van het Rwandese bewind in 2009? Heeft er onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van deze beschuldiging? Is de ambassade aangesproken op deze beschuldiging? En welke acties zijn sindsdien ondernomen om ervoor te zorgen dat Rwandese opposanten in Nederland niet hoeven te vrezen voor intimidatie of erger? Hoe houdt u toezicht op deze activiteiten?
De bevindingen van het onderzoek door NRC en Forbidden Stories uit het genoemde artikel zijn bekend. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft kort na het uitkomen van het genoemde artikel de Rwandese ambassadeur in Nederland uitgenodigd voor een gesprek en om opheldering gevraagd. Het kabinet keurt elke vorm van geweld af, vindt ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) volstrekt onwenselijk en zet zich ervoor in dat iedereen in Nederland vrij en ongehinderd van ongewenste buitenlandse inmenging kan leven. Het Openbaar Ministerie (OM) en de Nationale Politie zijn verantwoordelijk voor opsporing en vervolging van mogelijk strafbare zaken, waarbij het van belang is op te merken dat de onschendbaarheid en immuniteit van de ambassadeur onderzoek en vervolging in Nederland in de weg staan, tenzij Rwanda daar afstand van doet.
Bent u ook bekend met de intimidatie die mensen die in Nederland tegen de Rwandese overheid demonstreren ervaren? Deelt u de mening dat we niet mogen tolereren dat buitenlandse overheden Nederlandse demonstranten schaduwen?
Buitenlandse overheden hebben zich te houden aan de Nederlandse wet- en regelgeving en kunnen zonder medeweten en instemming van de Nederlandse overheid geen overheidstaken uitvoeren op Nederlands grondgebied. Het schaduwen van mensen in Nederland valt niet binnen de kaders van diplomatieke of consulaire taken van een ambassade die zij uit mogen oefenen op Nederlands grondgebied.
Bent u op de hoogte van intimidatie en bedreigingen die de Nederlandse freelance journaliste Anneke Verbraeken en de Belgische journalist Peter Verlinden zeggen te hebben ondervonden? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen om hun veiligheid te waarborgen? Zo nee, bent u bereid om aanvullende maatregelen te treffen om journalisten in Nederland veilig te houden? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met wortels in het buitenland moeten vrezen voor bemoeienis vanuit hun herkomstland?
De bevindingen van het onderzoek door NRC en Forbidden Stories uit het genoemde artikel zijn bekend. De Nederlandse overheid treft aanvullende beveiligingsmaatregelen op basis van dreiging en risico’s. Het kabinet kan niet ingaan op individuele beveiligingssituaties. Wel kan worden aangegeven dat het kabinet elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) volstrekt onwenselijk vindt en zich ervoor inzet dat iedereen in Nederland zijn leven vrij en ongehinderd van ongewenste buitenlandse inmenging kan leiden. Intimidatie en bedreigingen zijn verwerpelijk en in voorkomende gevallen strafbaar. Opsporing en vervolging van strafbare feiten ligt bij het OM en de Nationale Politie.
Hoe kunnen mensen die zich bedreigd voelen door een buitenlandse mogendheid hier melding van maken? Welke rol speelt de Taskforce Problematisch Gedrag hierin? Deelt u de noodzaak van een toegankelijk meldpunt om problematisch gedrag te melden? Welke middelen heeft de overheid om in te grijpen bij een vermoeden van een dergelijke bedreiging?
Binnen de rijksoverheid is een zogenoemde centrale meldfunctie rond Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI) ingericht. Hierbij worden de OBI-signalen die binnenkomen bij verschillende onderdelen van de rijksoverheid allereerst geanonimiseerd vastgelegd. Vervolgens worden deze geanonimiseerde signalen op een centraal punt bijeengebracht, waar de betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties de ontvangen signalen analytisch kunnen duiden. Dit draagt bij aan een integraal beeld van de mogelijke dreiging. Indien van toepassing worden passende beleidsmaatregelen getroffen. Daarnaast zorgen de betrokken uitvoeringsorganisaties voor opvolging, waar dit noodzakelijk is in het kader van de bestaande taken en bevoegdheden. Uw Kamer wordt binnenkort nader schriftelijk geïnformeerd over de voortgang van deze aanpak.
Uw Kamer is mede namens de deelnemende departementen eerder geïnformeerd over het feit dat er geen werkzaamheden meer plaats vinden binnen het kader van de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering.2 Alle departementen werken nog steeds goed samen binnen hun eigen wettelijke grondslag, maar niet onder de noemer van de Taskforce.3
Deelt u de mening dat de acties van de Rwandese overheid op Nederlands grondgebied een zeer zorgwekkende ontwikkeling zijn? Bent u het daarom eens dat het des te meer van belang is om kritisch te wegen hoe we vanuit de Nederlandse overheid steun geven aan Rwanda? Heeft u er een beeld van hoe de 144 miljoen euro in de opbouw van onafhankelijke rechtspraak in Rwanda is besteed? Wat is uw beeld van het effect van de Nederlandse investeringen in de Rwandese rechtspraak? Bent u bereid deze te evalueren?
Het kabinet neemt de in het genoemde artikel geuite beschuldigen zeer serieus en heeft dat ook richting de Rwandese ambassadeur uitgedragen.
Nederland onderkende direct na de genocide tegen de Tutsi in 1994 dat wederopbouw hand in hand diende te gaan met verzoening, gerechtigheid voor de slachtoffers en adequate berechting van de daders. Als enige ontwikkelingspartner van Rwanda heeft Nederland vanaf het vroege begin en consistent, over een periode van zo’n dertig jaar, de door de genocide weggevaagde justitiële sector ondersteund.
De Nederlandse financiële ondersteuning aan de Rwandese rechtsstaat bedroeg sinds 1995 tot heden afgerond EUR 144 miljoen. Het genoemde bedrag betreft projecten die in brede zin de rechtsstaatopbouw van Rwanda ten goede kwamen en gaat dus verder dan ondersteuning van de Rwandese rechtspraak alleen. De steun ging onder meer naar de training van rechters en advocaten, herstel van kritieke infrastructuur zoals rechtbanken en gevangenissen, wetgevingsadvies en steun aan de gacaca (lokale genociderechtspleging). Steun aan het maatschappelijk middenveld maakte een groot deel uit van de inzet. Daarnaast betrof het ook de bevordering van mensenrechten, zoals vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en steun aan maatschappelijke organisaties die werkten aan traumaverwerking en sociale cohesie.
In 2018 heeft toenmalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag besloten om de ontwikkelingssamenwerking met Rwanda geleidelijk af te bouwen. Dit past binnen de wens van Rwanda om op den duur onafhankelijk van buitenlandse donoren te worden. Daarom is tussen 2018 en 2022 deze steun geleidelijk afgerond, m.u.v. vertraagde projecten die eind 2023 ten einde zijn gekomen.
De uitkomsten van de Nederlandse steun aan de juridische sector in Rwanda waren in 2021 onderwerp van een conferentie, waaraan naast Rwandese ook Nederlandse deskundigen deelnamen. Over het algemeen werden de resultaten van de door Nederland gesteunde interventies, die zich uitstrekten over een groot aantal onderdelen van deze sector, positief beoordeeld. Ook zijn in de loop van de jaren een aantal individuele projecten geëvalueerd.
Daarnaast is in augustus 2023 de Nederlandse bijdrage aan stabiliteit, veiligheid en rechtsorde in fragiele contexten en conflictgebieden door IOB geëvalueerdvoor de periode 2015–2022. De wederopbouw van het justitieapparaat in Rwanda maakte ook onderdeel uit van deze evaluatie, die focust op algemene beleidsontwikkelingen, aan de hand van een aantal case studies.
Wat is uw reactie op de kritiek dat Nederland onvoldoende actie onderneemt tegen de lange arm van het Rwandese regime, die zich uitstrekt tot in Nederland en Europa? Op welke manier kunt u de bescherming van Rwandezen in Nederland intensiveren?
Het kabinet vindt ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) volstrekt onwenselijk en zet zich er voor in dat iedereen in Nederland zijn leven vrij en ongehinderd van ongewenste buitenlandse inmenging kan leiden. Sinds 2023 heeft het kabinet die aanpak geïntensiveerd, waarbij op drie sporen wordt ingezet, te weten het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijk/strafrechtelijke spoor.4 Uw Kamer wordt binnenkort nader schriftelijk geïnformeerd over de voortgang van deze aanpak.
Hoe beoordeelt u de paragraaf «1F-procedure» in het NRC-artikel? Vindt u dat het onderzoek naar Rwandese verdachten van oorlogsmisdrijven of genocide zorgvuldig verloopt? Hoe wordt gewaarborgd dat de 1F-procedure nooit door Rwanda en andere staten misbruikt wordt om wegens politieke redenen af te rekenen met mensen?
Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vlv) beoogt te voorkomen dat landen van toevlucht een veilige haven worden voor overtreders van het internationale recht. De gedachte daarachter is dat slachtoffers van ernstige misdrijven en mensenrechtenschendingen bescherming verdienen, niet de daders.
Het Vluchtelingenverdrag beschrijft de voorwaarden om een persoon als vluchteling te erkennen. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan internationale misdrijven, wordt deze persoon op grond van artikel 1F uitgesloten van de bescherming die het Vluchtelingenverdrag biedt. Het gaat hier altijd om de meest ernstige misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven, moord, verkrachting en genocide. Bij vaststelling van 1F-gedraging door de IND kan zij een besluit nemen het Nederlanderschap in te trekken. Voor meer informatie over deze procedure van de IND verwijs ik naar de kabinetsreactie op het NRC/Forbidden Stories-artikel dat tijdens de Procedurevergadering van de Tweede Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid is verzocht door het Lid Koekkoek (Volt).
Bent u bereid om in overleg te treden met Europese collega’s met Rwandese diasporagemeenschappen die met vergelijkbare inmenging te maken kunnen hebben en om met hen samen te werken in het tegengaan hiervan? Zo ja, hoe?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat veelvuldig in contact met Europese en andere gelijkgestemde collega’s, onder wie ook vertegenwoordigers van landen met Rwandese gemeenschappen. Uit deze internationale contacten blijkt dat veel landen OBI niet of anders hebben gedefinieerd en de aanpak op verschillende wijzen vormgeven. Nederland blijft inzetten op het agenderen van dit thema, het uitwisselen van kennis en ervaring en het verkennen van mogelijkheden tot gezamenlijk optreden in EU-verband.
Hoe beoordeelt u de stelling dat Nederland het intrekken van paspoorten van Rwandese oppositieleden zou hebben gedaan op basis van twijfelachtige betrouwbaarheid van getuigenverklaringen?
Het kabinet herkent zich niet in deze stellingname. De Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hebben u daarover geïnformeerd in de kabinetsreactie op het NRC/Forbidden Stories-artikel dat tijdens de Procedurevergadering van de Tweede Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid is verzocht door het Lid Koekkoek (Volt).
Het bericht ‘Buitenlandse Zaken waarschuwde voor humanitaire gevolgen stop steun UNRWA’ |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse Zaken waarschuwde voor humanitaire gevolgen stop steun UNRWA» van het NRC van 29 mei?1
Ja.
Klopt het dat de Minister van Buitenlandse Zaken het eens was met de in een memo van 2 februari gedane constateringen dat het opschorten van steun aan UNRWA zou leiden tot «regionale destabilisatie», risico’s «voor de veiligheid van Israël», en «aanzienlijk menselijk leed»? Zo nee, wat klopt er niet?
In het memo wordt verwezen naar het risico van te lang aanhouden of opschorten van reeds gecommitteerde steun. Dat zou kunnen leiden tot ernstige verstoringen in de operationele capaciteiten van UNRWA met groot menselijk leed tot gevolg. Daarnaast zouden de hoge humanitaire noden tot maatschappelijke ontwrichting en regionale escalatie kunnen leiden, wat ook een risico voor veiligheid van Israël zou vormen. Nederland had op dat moment al de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt en additionele financiering aan UNRWA was niet voorzien.
Hoe is het kabinet desondanks tot de beslissing gekomen enkele dagen daarvoor, op 27 januari, om de steun aan UNRWA op te schorten, terwijl ten minste één lid van het kabinet vond dat dit grote humanitaire en geopolitieke gevolgen zou hebben? Welke belangen wogen zwaarder dan «regionale destabilisatie» en «aanzienlijk menselijk leed»?
Graag stel ik voorop dat Nederland op dat moment de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA al had overgemaakt en additionele financiering aan UNRWA niet was voorzien. Besluitvorming over eventuele additionele financiering werd tijdelijk opgeschort.
Gezien de ernst van de aantijgingen was het van belang om een politiek signaal af te geven om de beschuldigingen serieus te onderzoeken. Zoals met uw Kamer gedeeld, weegt Nederland het onderzoek van het Office of Internal Oversight Services van de VN (OIOS) mee, dat beschuldigingen onderzocht naar betrokkenheid van UNRWA-medewerkers bij de aanslag van 7 oktober jl. Omdat dit onderzoek individuen betrof, werden de uitkomsten alleen op hoofdlijnen openbaar. Toch heeft Nederland bij OIOS aangedrongen op maximale openheid richting donoren. Zoals gesteld in de beantwoording van vraag 2, ging het over het te lang aanhouden of opschorten van reeds gecommitteerde steun. Daarnaast ging het memo in op benchmarks om financiering te heroverwegen, in gezamenlijkheid met andere donoren.
Tussen welke bewindspersonen vond overleg plaats over de beslissing van 27 januari? Is er overleg geweest tussen de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking alvorens dit besluit te nemen? Was er een verschil in mening tussen de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Het besluit over financiering aan UNRWA ligt binnen de verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Zoals gebruikelijk adviseren ambtenaren een bewindspersoon, die mede op basis daarvan besluiten neemt. Een politiek besluit is leidend en kan worden gecontroleerd door de Tweede Kamer.
Is het mogelijk om deze vragen afzonderlijk te beantwoorden en dit te doen vóór het debat over humanitaire hulp op 19 juni 2024?
Dat is helaas niet gelukt.
Nog steeds geen terugkeer ontvoerde dochter Madeline |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Erik (56) vecht al jaren voor terugkeer ontvoerde dochter Madeline (10): «Ze loopt gevaar en we missen haar vreselijk»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Welke stappen heeft u ondernomen om dit meisje weer te herenigen met haar vader? Hoe vaak heeft u contact gehad met de Filipijnse autoriteiten?
Vooropgesteld is de situatie voor dochter Madeline en haar vader Erik schrijnend. Desondanks heb ik als Minister voor Rechtsbescherming geen instrumenten tot mijn beschikking om stappen te ondernemen. Aangezien vader, moeder en kind allen op de Filippijnen verblijven, betreft het hier een binnenlandse aangelegenheid van de Filipijnse autoriteiten en kan dit niet worden beschouwd als een zaak van internationale kinderontvoering.
Zoals in het artikel gemeld, wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wel consulaire bijstand verleend. Vanuit privacyoverwegingen en in lijn met de algemene kaders voor consulaire bijstand, kan het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet ingaan op de inhoudelijke aspecten van deze zaak.
Hoe verloopt de samenwerking met de Centrale Autoriteit in de Filipijnen?
De Nederlandse Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden neemt doorgaans contact op met de Centrale Autoriteit in een derde land indien er sprake is van een internationale kindontvoering. Aangezien er in dit geval geen sprake is van een internationale kinderontvoering, is er geen contact tussen de Nederlandse en Filipijnse Centrale Autoriteit over deze casus.
Hoe is het mogelijk dat er nog steeds geen zicht is op hereniging ondanks een arrestatiebevel en een rechterlijk bevel tot terugplaatsing?
Zoals in vraag 2 gesteld is de zaak een binnenlandse aangelegenheid van de Filipijnse autoriteiten. Hierdoor heb ik als Minister voor Rechtsbescherming geen zicht op de stappen die gezet zijn. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan niet verder in gaan op de inhoud van de zaak vanwege privacyoverwegingen.
Deelt u de mening dat er alles aan gedaan moet worden om dit meisje uit de kennelijk onveilige omgeving waar zij verblijft, te halen? Zo ja, wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen?
In elke zaak waarbij sprake is van internationale kinderontvoering doe ik het maximale om hereniging tussen ouder en kind mogelijk te maken. Zoals ik in vraag 2, 3 en 4 heb toegelicht, heb ik als Minister voor Rechtsbescherming geen instrumenten tot mijn beschikking om mij hiervoor in te zetten.
Het bericht ‘Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year ‘war’ on the ICC exposed’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year «war» on the ICC exposed»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Israël niet alleen alle bevelen van de Verenigde Naties (VN)-Veiligheidsraad, het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof (ICC) weigert uit te voeren, maar ook de legale routes actief ondermijnt die de Palestijnen zouden kunnen gebruiken om voor hun rechten op te komen? Welke opties blijven er volgens u op deze manier voor de Palestijnen over om voor hun rechten op te komen en wat zegt dat over Nederlands relatie met een land dat deze houding aanneemt ten opzichte van de internationale rechtsorde waar Nederland een vaandeldrager van is?
Universele rechtsprincipes gelden altijd en overal. Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationale Strafhof (ISH), zijn ambtsdragers en zijn personeel en als zodanig door het Strafhof aangewezen getuigen. Het is van belang dat, wereldwijd, gedegen en onafhankelijk onderzoek wordt gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht.
Was u bekend met het feit dat er diplomatieke missies door Israël naar Den Haag werden ondernomen met juristen vanuit Israëls Ministerie van Buitenlandse Zaken, Israëls Ministerie van Justitie en Israëls hoogste juridische militaire autoriteit? Zo ja, wat vindt u van het feit dat Israël op deze manier druk uitoefende op de hoofdaanklager van het ICC en haar in vertwijfeling probeerde te brengen, zoals toegegeven door Roy Schondorf, terwijl Nederland de primair aangewezen staat is om te waken dat de hoofdaanklager haar werk onafhankelijk en zonder druk kan uitoefenen? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u niet bekend was met jaren van offensieve diplomatieke missies vanuit Israël op Nederlands grondgebied?
Nederland is zich als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) terdege bewust van de gevaren van externe beïnvloeding en inmenging waar zowel het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers, als de door het Hof als zodanig aangewezen getuigen mee kunnen worden geconfronteerd. Dergelijke gevaren zijn ook geenszins een uniek kenmerk van het onderzoek naar de situatie in de bezette Palestijnse Gebieden.
Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Deze verplichting geldt op basis van het Statuut van Rome voor iedere verdragspartij, maar daarnaast heeft Nederland als gastland inderdaad ook een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. Nederland onderhoudt doorlopend contact met het ISH waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen
Zijn er acties ondernomen tegen Israël nadat bleek dat het hoofd van de Mossad hoogstpersoonlijk betrokken was bij een operatie tegen de hoofdaanklager van het ICC, die wordt omschreven als stalken en manipulatief, inclusief dreigingen tegen haarzelf, haar familie en haar carrière? Zo nee, waarom niet?
Om veiligheidsoverwegingen kunnen er geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. Wel kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen. Het kabinet ziet dergelijke activiteiten als een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging en vindt dit volstrekt onwenselijk. Er zijn doorlopende contacten met het ISH waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Uit veiligheidsoverwegingen kan er niet in detail worden getreden over de aard van deze besprekingen of de specifieke zaken die daar aan de orde komen.
Doet dit gedrag u ook denken aan maffiapraktijken? Zo ja, wat zegt dat over de zeer nauwe banden die Nederland met een regering onderhoudt die op het allerhoogste politieke niveau, gezien het feit dat het hoofd van de Mossad directe instructies van Netanyahu ontving, opdracht geeft om maffiamethodes te hanteren? Zo nee, beschouwt u dit als gedrag waar afgezien van oproepjes verder geen consequenties aan verbonden hoeven te worden?
Zoals ook bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven, acht het kabinet elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onwenselijk. Als Verdragspartij bij het Statuut van Rome en gastland van het Internationaal Strafhof zet Nederland zich in om het Strafhof te steunen en zich uit te spreken tegen elke vorm van intimidatie. Indien er op basis van actuele dreigingsinformatie aanleiding toe is, treft Nederland de nodige beveiligingsmaatregelen.
Wat vindt u ervan dat er weinig zorgen bij Israëls inlichtingendiensten bestonden over het bespioneren van de voormalige hoofdaanklager van het ICC, mevrouw Fatou Bensouda, omdat «she’s black and African, so who cares?»? Deelt u de mening dat dit een walgelijke vorm van racisme blootlegt?
Zonder nadere informatie reageert het kabinet niet op een enkele aan een anonieme bron toegeschreven uitspraak.
Wat vindt u ook van de uitspraak van premier Netanyahu dat het ICC zich schuldig maakt aan «het nieuwe antisemitisme»? Bent u het ook maar een beetje eens met Netanyahu’s aantijging? Indien u het er totaal niet mee eens bent, wat vindt u er dan van dat antisemitisme op deze manier als grondeloze laster wordt ingezet om het ICC te besmeuren? Indien u het er wel mee eens bent, kunt u dan uitleggen waarom?
Het Strafhof houdt zich als onafhankelijke juridische instantie bezig met opsporing en vervolging van internationale misdrijven. Nederland steunt het Internationaal Strafhof en respecteert de onafhankelijkheid van het Strafhof. De uitspraak van premier Netanyahu dat het ISH zich schuldig maakt aan «het nieuwe antisemitisme» laat het kabinet aan hem.
Wat vindt u ervan dat Israël zowel de Shin Bet, de Mossad, als de militaire inlichtingendienst onder de coördinatie van de Israëlische Nationale Veiligheidsraad heeft geactiveerd tegen het op Nederlands grondgebied gevestigde ICC? Wat vindt u ervan dat de operatie tegen een instituut in Nederland nota bene militair werd geclassificeerd door Israël «as a war that had to be waged, and one that Israel needed to be defended against. It was described in military terms»?
Zoals bij de beantwoording van vragen 4 en 5 is aangegeven, acht het kabinet elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onwenselijk. Om veiligheidsoverwegingen kunnen er geen uitspraken worden gedaan over specifieke aantijgingen. Er is goed en doorlopend contact tussen het ISH en Nederland over gastlandzaken, inclusief veiligheidsaangelegenheden. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze activiteiten te onderkennen en te duiden, en om waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen.
Bent u bekend dat uit het stuk van The Guardian blijkt dat het ICC de Nederlandse autoriteiten reeds in 2015 al op de hoogte heeft gebracht van de illegale druk die Israël op het onafhankelijk werk van het Strafhof uitoefent? Waarom hebben we in de afgelopen negen jaar geen enkel rapport gezien van uw departement of van de veiligheidsdiensten waarin werd gesproken over Israëls ondermijnende activiteiten die ieder jaar in intensiteit zijn toegenomen? Hoe komt het dat andere landen met naam en toenaam worden benoemd in veiligheidsrapporten en -verslagen, maar dat Israël een hand boven het hoofd wordt gehouden ondanks deze serieus ondermijnde activiteiten die al jaren escaleren?
Zie antwoord vraag 8.
Is de Nederlandse dreigingsanalyse met betrekking tot statelijke actoren al aangepast voor Israël? Zo nee, wanneer gaat dat gebeuren?
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren kent vooralsnog geen vaste ritmiek. Bij het uitbrengen van een eventueel nieuw Dreigingsbeeld Statelijke Actoren zullen relevante ontwikkelingen ten aanzien van statelijke dreigingen op de nationale veiligheidsbelangen worden meegenomen in de afwegingen.
Wat vindt u van het feit dat een substantieel deel van Israëls spionage van het ICC kan plaatsvinden omdat Israël de controle heeft over het elektromagnetisch spectrum in de bezette Westelijke Jordaanoever en Gaza? Wat zegt dat over de risico’s voor dit strafrechtelijk onderzoek van het ICC en het gevaar voor ondermijning ervan? Wat kan Nederland, afgezien van oproepjes aan Israël, hiertegen doen?
Het is primair aan het ISH zelf om bij de beperking van de risico’s voor het strafrechtelijke onderzoek met dit feit rekening te houden.
Bent u bereid om vanuit het voorzorgsprincipe te handelen en aparte, niet-Israëlische systemen te gebruiken voor alles wat met de beveiliging van het ICC te maken heeft om het risico uit te sluiten dat Israël middels de systemen en software het werk en de veiligheid van het ICC kan compromitteren?
Het Internationaal Strafhof is zelf verantwoordelijk voor hun interne infrastructuur, waaronder ICT systemen en software. Nederland spant zich daarbij in om het Strafhof veilig en ongehinderd haar werk te laten doen. Cyberveiligheid krijgt daarbij aandacht, zeker ook na de cyberaanval op het Hof in september 2023.
Bent u ermee bekend dat Israël heeft geprobeerd om een strafrechtelijke vervolging te vermijden door eerst het ICC te bespioneren, om vervolgens onderzoek te veinzen naar exact die gevallen die het ICC onderzocht, zodat het ICC gebonden zou blijven aan het complementariteitsbeginsel? Wat vindt u daarvan in het licht van het feit dat de hoofdaanklager van het ICC thans zegt dat Israël niet voldoet aan de voorwaardes van het complementariteitsbeginsel en verdachten afschermt («shield suspects») en louter de schijn van onafhankelijke en onpartijdige juridische processen ophoudt («sham»)?
Het ISH is een «court of last resort» dat slechts mag optreden als de bevoegde nationale autoriteiten de vermeende internationale misdrijven niet kunnen of niet willen onderzoeken en vervolgen. Deze complementariteit moet ambtshalve worden getoetst door de Aanklager en de rechters van het ISH en kan worden betwist door staten met rechtsmacht over de relevante internationale misdrijven die zelf ook onderzoek verrichten. In zijn persbericht van 20 mei heeft Aanklager Khan slechts in algemene zin gesteld dat het bij deze nationale onderzoeken wel moet gaan om onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke procedures en niet om schijnvertoningen die slechts tot doel hebben om verdachten af te schermen. Het is aan de organen van het Strafhof om te toetsen of daar sprake van is. De Nederlandse regering respecteert de onafhankelijkheid van de organen van het Strafhof en bemoeit zich daarom niet met deze inhoudelijke toetsing door het Hof.
Wat vindt u, in het licht van de voorgaande vraag, van Israëls staande beleid om alle onderzoeken naar internationale misdrijven nog steeds zelf uit te willen voeren? Heeft Nederland vertrouwen in de onafhankelijkheid van dergelijke officiële Israëlische onderzoeken? Zo ja, waarom?
Zoals in het antwoord op vraag 13 is aangegeven is het in eerste instantie aan de bevoegde nationale autoriteiten zelf, zoals Israël, om onderzoek te doen naar vermeende internationale misdrijven. Het kabinet gaat er in principe van uit dat de rechtsstaat Israël zo is ingericht dat onafhankelijk onderzoek wordt gefaciliteerd. Zoals hierboven aangegeven is het aan de Aanklager en rechters van het Strafhof – en niet aan de verdragspartijen bij het Statuut van Rome – om een oordeel te vellen over de vraag of aan het beginsel van complementariteit is voldaan.
Heeft u al contact gehad met de Verenigde Staten (VS) over het feit dat er zowel vanuit de republikeinse als de democratische partij, openlijk is gedreigd en druk uit is geoefend op het ICC? Zo ja, wat was de reactie van de VS? Zo nee, waarom heeft u daar nog geen contact over gehad?
Ja, hierover zijn contacten geweest. Een woordvoerder van het Witte Huis heeft eind mei aangegeven sancties tegen het ISH niet de juiste aanpak te vinden op de verzoeken om arrestatiebevelen.
Kan iemand in Nederland zonder consequenties een dreigement als «val Israël aan en wij zullen jou aanvallen» uiten richting het ICC? Zo nee, waarom niet en hoe zou Nederland hiertegen optreden vanuit de rol van het land dat primair belast is met de operationele bescherming van het ICC?
Dreigementen richting het Strafhof worden serieus genomen, zowel in strafrechtelijke zin als in het treffen van benodigde beveiligingsmaatregelen.
Zijn er ook diplomatieke gevolgen wanneer een dreigement van dien aard op internationaal niveau wordt geuit, zoals door prominente Amerikaanse senatoren die zeiden: «target Israel and we will target you»? Hoe staan de diplomatieke gevolgen volgens u in verhouding tot de nationale strafrechtelijke maatregelen die we zouden nemen? Treedt Nederland daar evenwichtig in op? Zo ja, waar blijkt dat evenwicht uit wanneer Amerikaanse senatoren dergelijke dreigingen doen, maar er vanuit Nederland alleen algemene oproepjes volgen dat het ICC zijn werk zonder druk moet kunnen doen? Of is er meer geweest dan dat? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom is het alleen bij oproepjes gebleven en worden de VS en deze senatoren nooit bij naam genoemd en veroordeeld? Waarom doet Nederland dat wel in andere gevallen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Strafhof, zijn ambtsdragers en zijn personeel. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Nederland heeft daarbij als gastland ook een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het zetelverdrag. Over concrete maatregelen worden om veiligheidsoverwegingen geen uitspraken gedaan.
Het Voorzitterschap van de Vergadering van verdragspartijen (Assembly of States Parties, ASP) heeft op 17 mei een verklaring gepubliceerd waarin wordt gereageerd op de recente gebeurtenissen en waarin wordt opgeroepen om de onafhankelijkheid van het Strafhof te respecteren. Op 14 juni is een verklaring uitgebracht door 93 verdragspartijen, waaronder Nederland, waarin zij hun steun voor het Strafhof herbevestigen en onderstrepen dat het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers hun werk zonder intimidatie moeten kunnen verrichten. Nederland onderzoekt op dit moment samen met gelijkgezinde verdragspartijen of in aanvulling op deze verklaring nog verdere gezamenlijke stappen wenselijk en gepast zijn.
Wat is de laatste keer dat u de Hague Invasion Act met de Amerikanen hebt besproken? Wat was de uitkomst van dat gesprek? Is het alleen bij oproepjes gebleven?
Nederland heeft in 2002 kritiek geuit op de aanname van de American Service-Members» Protection Act, beter bekend als de «The Hague Invasion Act». De regering heeft begin 2023 met de VS gesproken over de amendementen op deze wet die een bredere samenwerking tussen de VS en het Strafhof mogelijk maken ten behoeve van het onderzoek naar de situatie in Oekraïne.
Is Nederland voorbereid om het ICC te beschermen indien de Hague Invasion Act geactiveerd zou worden? Zo nee, waarom niet?
Voor het moment zijn nog slechts verzoeken om arrestatiebevelen ingediend en is een activering van de The Hague Invasion Act totaal niet aan de orde.
Is de penitentiaire inrichting in Scheveningen nog wel geschikt om verdachten van internationale misdrijven op te sluiten gezien de dreigingen die niet alleen van Rusland, maar ook vanuit Israël en de VS komen? Bent u bereid om daar samen met het ICC onderzoek naar te doen in het licht van deze nieuwe dreigingen?
Over de invulling van veiligheidsaspecten van de Penitentiaire Inrichting (PI) in Scheveningen in zijn algemeenheid worden in de openbaarheid nooit uitspraken gedaan. Indien de veiligheidssituatie in de PI veranderd, zijn wij bereid om met het Strafhof nader onderzoek te doen.
Heeft u de Israëlische en/of de Amerikaanse ambassadeur ter verantwoording op het matje geroepen? Zo nee, vond u deze feiten daar niet ernstig genoeg voor?
De Israëlische ambassadeur is verzocht zich te melden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de aantijgingen in de artikelen in The Guardian en +972 Magazine. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden, waarbij de Nederlandse zorgen over de berichtgeving zijn overgebracht.
Israëlische spionage- en intimidatiecampagne tegen het Internationaal Strafhof |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Revealed: Israeli spy chief «threatened» ICC prosecutor over war crimes inquiry» en «Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year «war» on the ICC exposed» van The Guardian i.s.m. de Israëlische media +972 Magazine en Local Call, d.d. 28 mei 2024?1 2
Herkent u het beeld, op basis van informatie bekend bij uw ministeries en de Nederlandse inlichtingendiensten, dat Israël al jaren een spionage- en intimidatiecampagne voert tegen het Internationaal Strafhof en getuigen bij onderzoek naar oorlogsmisdaden begaan op Palestijns grondgebied? Zo nee, wat herkent u niet?
Hoe gaat Nederland als gastheer van het Internationaal Strafhof (ICC) bevorderen en waarborgen dat aanklager Khan en de rechters van het Hof, die zich momenteel buigen over de arrestatiebevelen tegen drie Hamas-kopstukken en de Israëlische premier Netanyahu en Minister van Defensie Gallant, onafhankelijk hun werk kunnen (blijven) doen, nu er bericht wordt dat Israël de afgelopen maanden ook volop bezig is geweest met het belemmeren van het ICC en intimidatie van aanklager Khan?
Gezien de nieuwsberichten waarin wordt gerefereerd aan een melding bij de Nederlandse autoriteiten door aanklager Bensouda nadat zij bij haar huis in Den Haag is opgezocht door twee mannen die vermoedelijk voor de Israëlische inlichtingendienst werken, hoeveel meldingen van pogingen tot intimidatie, omkoping, chantage en/of spionage door Israël of andere landen hebben de Nederlandse inlichtingendiensten dan wel politie ontvangen van het ICC, haar medewerkers, of (Palestijnse) ngo's en individuen die informatie aanleveren aan het ICC sinds 2015?
Is er op enig moment door Nederland een onderzoek ingesteld naar (vermeende) spionage- en intimidatieactiviteiten tegen het ICC? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Nederland als gastheer van het ICC een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de bescherming van de medewerkers van het ICC en personen die (willen) getuigen over oorlogsmisdaden? Zo ja, op welke manier draagt Nederland concreet bij aan deze bescherming?
Deelt u de mening dat de praktijken zoals beschreven in The Guardian onacceptabel zijn en een ernstige inbreuk vormen van art. 70 van het Statuut van Rome, waarin de onafhankelijke werking van het Hof gegarandeerd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u naar de observatie dat Israël, op basis van via spionage verkregen getuigenissen bij het ICC, retroactief juridische onderzoeken start naar vermeende oorlogsmisdaden, zodat het ICC niet langer jurisdictie heeft om deze incidenten te betrekken bij haar onderzoek? Deelt u de mening dat dergelijke door Israël gestarte onderzoeken beogen om de onafhankelijke waarheidsvinding door het ICC en juridische aansprakelijkheid voor begane misdaden te ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u naar de beschuldigen van het hacken en aftappen van de aanklager en de medewerkers van het ICC door Israël in het licht van de eerder geuite waarschuwingen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid over de «afhankelijkheid van buitenlandse apparatuur», vanwege het risico op zogenaamde «backdoors» in de Nederlandse infrastructuur? Kunt u garanderen dat deze risico’s zijn afgedekt? Zo ja, op welke manier?
Beschikt u over informatie dat mensen bang zijn om bij het ICC te getuigen ten aanzien van Israëlische oorlogsmisdaden? Wat kan en gaat Nederland als gastheer van het ICC doen om getuigen in de uitoefening van hun recht om te getuigen te beschermen?
Hoe kijkt u nu terug op het besluit van de Israëlische regering Netanyahu om in oktober 2021 zes Palestijnse mensenrechten ngo's, waaronder Al-Haq, die zich bezighouden met de monitoring en rapportage van Israëlische misdaden in bezet Palestijns gebied, als «terreurorganisaties» te bestempelen?
Hoe kijkt u in het licht van de alarmerende bevindingen van The Guardian naar de aantijgingen van Israël tegen UNRWA, die Israël ook heeft geuit zonder tot op heden serieus en betrouwbaar bewijs te presenteren?
Gaat u naar aanleiding van de bevindingen van The Guardian in overleg met het Internationaal Strafhof om als gastland de onafhankelijkheid en het functioneren van het Hof en de veiligheid van zijn medewerkers te waarborgen en bevorderen?
Gaat u de Israëlische ambassadeur ontbieden, om opheldering vragen en signaleren dat spionage- en intimidatiecampagnes op Nederlands grondgebied volkomen onacceptabel zijn?
Heeft u aanwijzingen dat medewerkers van de Israëlische ambassade betrokken zijn bij spionage- en intimidatiecampagnes tegen het ICC? Zo ja, bent u bereid hen het land uit te zetten? Zo nee, kunt u uitleggen hoe de intimidatie van het ICC in ernst verschilt van de poging in 2018 van Rusland om het kantoor van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) in Den Haag te hacken?
Welke andere vervolgacties bent u op basis van de alarmerende bevindingen van The Guardian bereid te nemen en op welke termijn?
Kunt u de vragen elk afzonderlijk beantwoorden binnen twee weken?
Het bericht ‘In Gambia dreigt genitale verminking weer legaal te worden’ |
|
Bente Becker (VVD), Roelien Kamminga (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «In Gambia dreigt genitale verminking weer legaal te worden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat vrouwelijke genitale verminking nooit zou mogen voorkomen en dat er alles aan gedaan moet worden om te voorkomen dat vrouwen tegen hun wil worden besneden en zo ja, wat doet de Nederlandse overheid om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, vrouwelijke genitale verminking, ook wel meisjesbesnijdenis genoemd, is een ernstige inbreuk op het individuele zelfbeschikkingsrecht. Vrouwelijke genitale verminking heeft schadelijke gevolgen voor de gezondheid van vrouwen en meisjes. Dit kan lichamelijk, psychisch en seksueel leed betreffen, met zowel korte als lange termijn klachten voor vrouwen en meisjes. Direct na de ingreep kan het gaan om onder meer klachten aan urinewegen of infecties. Op lange termijn kan er worden gedacht aan menstruatieklachten, chronische pijn in de onderbuik, angst of een posttraumatische stressstoornis. Wij vinden deze schrijnende praktijken triest en onacceptabel. Elk slachtoffer is er één te veel. In Nederland zijn alle typen van vrouwelijke genitale verminking strafbaar. Nederland investeert wereldwijd in het bevorderen van keuzevrijheid met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), inclusief het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking. Dit doet het kabinet zowel middels financiering van programma’s en organisaties die werken op dit terrein en via stille en publiekelijk diplomatie.
Kunt u aangeven op welke schaal er ook nu al vrouwelijke genitale verminking plaatsvindt in Gambia?
De schatting vanuit UNICEF is dat circa 46% van de Gambiaanse meisjes onder de 14 vrouwelijke genitale verminkingen heeft ondergaan. Van 15 tot 49 jaar is dit 73%.
Deelt u de mening dat dit een zeer zorgwekkende ontwikkeling is en het des te meer van belang is om kritisch te wegen of en welke steun we vanuit het ontwikkelingssamenwerkingsbudget geven aan Gambia en in het bijzonder aan de Gambiaanse overheid?
Wij delen de mening dat het een zeer zorgwekkende ontwikkeling is. In zijn afwegingen betrekt het kabinet dat we willen voorkomen dat het stoppen van ontwikkelingssamenwerking de gemeenschappen die we willen beschermen het hardste raakt. Er gaan geen directe Nederlandse middelen uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking naar de Gambiaanse overheid.
Heeft u op enige wijze contact met de Gambiaanse overheid en Gambiaanse organisaties over de wet die vrouwenbesnijdenis nu nog verbiedt, maar dreigt te worden teruggedraaid? Zo ja, waar bestaat dit contact uit? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Onze ambassadeur in Dakar heeft de Nederlandse positie met betrekking tot het wetsvoorstel betreffende legalisering van vrouwelijke genitale verminking meermaals met vertegenwoordigers van de Gambiaanse regering besproken, waaronder op 3 juni jl. met de Gambiaanse Minister van justitie. Ook heeft de ambassade in Dakar recentelijk een bijeenkomst georganiseerd met Gambiaanse organisaties, gelijkgezinde landen en VN-organisaties om informatie uit te wisselen en handelingsopties te bespreken. De EU-delegatie in Gambia is samen met gelijkgestemde ambassades en VN-agentschappen actief in gesprek met vertegenwoordigers van de regering en andere belangrijke belanghebbenden (leden van de National Assembly en politieke partijen) en steunt een brede coalitie van organisaties in het maatschappelijk middenveld.
Heeft Nederland in het kader van de ontwikkelingen met betrekking tot vrouwelijke genitale verminking in Gambia eventuele lopende projecten stopgezet? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Nederland heeft momenteel geen directe programma’s die zich richten op het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking in Gambia. Via de EU wordt het EU CODE project gefinancierd dat onder meer gericht is om het verbod op vrouwelijke genitale verminking in Gambia te handhaven.
Kunt u aangeven of de Nederlandse overheid in contact staat met «Safe Hands for Girls», een Gambiaanse organisatie die zich inzet voor het stoppen van vrouwelijke genitale verminking, of enige andere organisatie op dit gebied in het kader van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten? Zo ja, waar bestaat dit contact uit? Draagt de Nederlandse overheid financieel bij aan deze organisatie(s)? Ziet u mogelijkheden om dit verder te intensiveren gelet op deze nieuwe ontwikkeling?
Nederland heeft contact met Gambiaanse organisaties die zich inzetten tegen vrouwelijke genitale verminking. Nederland heeft geen contact met de organisatie «Safe hands for Girls», en de huidige OS-budgetten en prioriteiten laten geen ruimte om nieuwe verplichtingen aan te gaan.
Bent u net als de VN-rapporteur voor geweld tegen vrouwen bang voor een wereldwijd precedent van landen die wetgeving over meisjesbesnijdenis naar het voorbeeld van Gambia kunnen terugdraaien? Zijn er al die het voorbeeld van Gambia dreigen te volgen?
Wereldwijd zien we een toenemende regressieve druk op het terrein van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Het kabinet maakt zich daar zorgen over. Op dit moment is er geen directe aanwijzing dat landen het voorbeeld van Gambia volgen.
Bent u voornemens om op VN-niveau en EU-niveau aandacht te vragen voor vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, op welke termijn en op welke manier bent u van plan dit aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich wereldwijd, waaronder in de VN, in voor versterkte toegang tot SRGR, waaronder het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Tijdens de eerstvolgende Mensenrechtenraad staat dit thema op de agenda. Nederland zal daar pleiten voor SRGR, keuzevrijheid en zelfbeschikking, en zich uitspreken tegen deze schadelijke praktijk.
Vrouwelijke genitale verminking maakt onderdeel uit van het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Nederland stelt zich actief op om andere landen aan te sporen zich te committeren aan dit Verdrag. Momenteel heeft Nederland het voorzitterschap van het Comité van Partijen en zet zich vanuit deze rol in voor uitwisseling en zichtbaarheid van het Verdrag richting lidstaten van de Raad van Europa. Ook zoekt Nederland namens het Comité van Partijen naar samenwerking met landen buiten de EU.
Kunt u aangeven in welke landen vrouwelijke genitale verminking nog steeds is toegestaan en op welke wijze dit wordt betrokken bij de Nederlandse inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en financiering van overheidsprojecten?
Volgens de Wereldbank hebben 84 landen in de wereld, waaronder ook Nederland, wetgeving die de praktijk van vrouwelijke genitale verminking verbiedt of toestaat2 dat deze via andere wetten wordt vervolgd, zoals het wetboek van strafrecht, wetten ter bescherming van kinderen, wetten tegen geweld tegen vrouwen, of wetten tegen huiselijk geweld. Echter, in de praktijk komt, ondanks deze wetgeving, in sommige van deze landen vrouwelijke genitale verminking nog wel voor. Wereldwijd komt, volgens UNFPA (VN Bevolkingsfonds) de praktijk nog voor in 92 landen voornamelijk in Afrika, Azië en het Midden-Oosten3. Nederland zet zich in een aantal focuslanden in voor het verbeteren van toegang tot SRGR, inclusief het tegengaan van schadelijke praktijken als meisjesbesnijdenis en de grondoorzaken hiervan. Gambia behoort niet tot deze focuslanden.
Ziet u het als risico dat in Nederland wonende vrouwen en meisjes in Gambia genitaal verminkt worden? Zo ja, wat doet u om dit te voorkomen?
Er bestaat helaas nog steeds een kans dat in Nederland wonende vrouwen en meisjes in Gambia genitaal verminkt worden. Om die kans te verkleinen, worden in Nederland verschillende acties ondernomen ter voorkoming van vrouwelijke genitale verminking. Een belangrijk instrument hiervoor is de «Verklaring tegen meisjesbesnijdenis». Dit is een document dat mensen mee kunnen nemen op reis om aan de familie in het buitenland te laten zien dat vrouwelijke genitale verminking in Nederland strafbaar is, en zeer schadelijk voor de gezondheid. Ouders kunnen zo hun dochters beter beschermen tegen vrouwelijke genitale verminking. De verklaring wordt verspreid onder diverse gemeenschappen en onder professionals die in aanraking komen met mensen uit risicolanden zoals Gambia. Deze verklaring is beschikbaar in diverse talen en krijgt binnenkort een update ter vergroting van de effectiviteit.
Om verdere bewustwording in Nederland te vergroten, vindt er ook voorlichting plaats in gemeenschappen waar schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking voorkomen. Daarnaast loopt er een voorlichtingscampagne waarmee wordt ingezet op bewustwording bij (potentiële) slachtoffers van schadelijke praktijken en het bieden van handelingsperspectief. Deze «Recht op nee» campagne bevat zowel online als offline materiaal en is speciaal gericht op jongeren. Aanvullend wordt er vanuit het Meerjarenplan Zelfbeschikking ingezet op het bevorderen van het recht op zelfbeschikking in gesloten gemeenschappen. Via dit plan worden onder meer initiatieven ondersteund die gericht zijn op mentaliteitsverandering om schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking te voorkomen. Met deze maatregelen blijven wij ons inzetten om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen.
Tot slot, heeft de Koninklijke Marechaussee – in afstemming met Veilig Thuis – signalen opgesteld voor het grenspersoneel op de Nederlandse luchthavens om mogelijke slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking tijdig in het vizier te krijgen en slachtofferschap te voorkomen. Bij vermoedens van schadelijke praktijken wordt door het grenspersoneel Veilig Thuis ingeschakeld en indien nodig het potentieel slachtoffer in veiligheid gebracht.
Het bericht ‘Nederlands bedrijf negeert ernstige schendingen in Saudi-Arabië’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Daniëlle Hirsch (GL), Mpanzu Bamenga (D66), Don Ceder (CU), Sarah Dobbe |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de briefing van Amnesty International getiteld «Nederlands bedrijf negeert ernstige schendingen in Saudi-Arabië»?1
Ja
Kunt u reageren op de conclusie dat een Nederlands bedrijf, met behulp van de overheid, heeft bijgedragen aan het schenden van mensenrechten?
Het kabinet neemt bevindingen van maatschappelijke organisatie waaronder Amnesty International serieus. De onderwerpen die de briefing van Amnesty International worden genoemd zijn onderdeel van de structurele mensenrechtendialoog die Nederland als enige land, naast de Europese Unie, met Saoedi-Arabië onderhoudt. Met deze dialoog richten we ons op het bespreken van bredere mensenrechtenaspecten in Saoedi-Arabië die buiten de invloedssfeer van de ketenverantwoordelijkheid van bedrijven kunnen liggen.
Bent u het ermee eens dat volgens de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het Nederlandse beleid inzake Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) bedrijven niet enkel verantwoordelijkheid dragen voor de rechten van degenen die zij zelf in dienst hebben, maar ook voor de rechten van andere mensen die worden geraakt door hun bedrijvigheid? En deelt u de opvatting dat die verantwoordelijkheid dus ook geldt als mensen van hun land worden verdreven en worden vervolgd als zij hiertegen protesteren?
De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights vormen de basis van het IMVO-beleid. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij gepaste zorgvuldigheid in lijn met deze normen toepassen om negatieve gevolgen voor mens en milieu in hun bedrijfsvoering en waardeketens te identificeren en aan te pakken. De OESO-richtlijnen bevelen ondernemingen daarbij aan om maatregelen te nemen om een veilige ruimte te creëren waarin zorgen over negatieve gevolgen zonder represailles kunnen worden geuit. Gepaste zorgvuldigheid is de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf. De Nederlandse overheid informeert bedrijven over het belang van IMVO en het toepassen van gepaste zorgvuldigheid en biedt dienstverlening om bedrijven hierin te ondersteunen.
Zijn er andere Nederlandse bedrijven betrokken bij het project «The Line» en, zo ja, kunt u toezeggen in gesprek met deze bedrijven te gaan over hun verantwoordelijkheid met betrekking tot het waarborgen van mensenrechten?
Ja, er zijn meerdere Nederlandse bedrijven betrokken bij het project «The Line». De verantwoordelijkheid met betrekking tot het waarborgen van mensenrechten (en in breder verband IMVO) ligt bij de bedrijven en het onderstrepen van de OESO-richtlijnen maakt onderdeel uit van de reguliere contacten die RVO en de ambassade in Saoedi-Arabië onderhouden met deze bedrijven.
Op welke manier zijn ondernemers die deelnamen aan de economische missie naar Saudi-Arabië in 2022, getoetst op IMVO en hoe zijn zij geïnformeerd over de risico’s? Zijn er deelnemende bedrijven die na afloop van de economische missie nog ondersteund zijn bij economische activiteiten in Saudi-Arabië?
Deelnemende bedrijven aan de economische missies naar Saoedi-Arabië in 2022 en 2024 hebben voldaan aan het IMVO kader voor economische missies.2 Zij hebben de IMVO-zelfscan ingevuld welke vragen stelt over de toepassing van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid. Zoals eerder medegedeeld aan Amnesty International, gaven de uitkomsten van deze zelfscans geen aanleiding tot nader onderzoek. Enkele bedrijven die deelnamen aan de economische missie in 2022, maakten ook in 2024 onderdeel uit van een economische missie op het gebied van tuinbouw en water naar Saoedi-Arabië. Voorafgaand en tijdens deze recente economische missie is een presentatie gegeven over IMVO, waarin de verwachtingen van de Nederlandse overheid op het gebied van IMVO zijn gedeeld met betrokken Nederlandse bedrijven. Hierin was tevens een rol weggelegd voor de regionale IMVO-expert in de Golfregio (zie tevens het antwoord op vraag 8).
Geven de conclusies uit deze briefing aanleiding om de voorwaarden met betrekking tot IMVO voor deelname aan economische missies aan te scherpen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De conclusies in de briefing geven geen aanleiding om de voorwaarden met betrekking tot IMVO voor deelname aan economische missies aan te scherpen. Toepassing van de OESO-richtlijnen wordt als voorwaarde gesteld aan alle bedrijven om deel te kunnen nemen aan een economische missie. In combinatie met de voorlichting die in het kader van economische missies aan bedrijven wordt gegeven over IMVO-risico's, vormt dit coherent beleid waarmee bedrijven worden geïnformeerd over de verwachting die het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor het opvolgen van de OESO-richtlijnen. Het toepassen van gepaste zorgvuldigheid is en blijft de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf.
Zouden de acties en uitspraken zoals beschreven in de briefing nog houdbaar zijn onder de onlangs aangenomen Europese richtlijn voor een gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor ondernemingen? Kunt u aangeven op welke termijn u verwacht deze richtlijn in Nederland te implementeren?
De Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) verplicht grote bedrijven gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. De richtlijn draagt daarmee bij aan het Europees en mondiaal bevorderen van mensenrechten en milieubescherming. Het kabinet kan zich niet uitspreken over individuele bedrijven en of zij wel of niet voldoen aan de verplichtingen van de richtlijn. Het is straks aan een onafhankelijk toezichthouder om dit te beoordelen.
Voor nationale implementatie van de CSDDD zullen de gebruikelijke procedures doorlopen worden. Na publicatie in het EU Publicatieblad en inwerkingtreding hebben lidstaten twee jaar de tijd om de CSDDD om te zetten in nationale wetgeving. Om tijdige implementatie mogelijk te maken zijn de voorbereidingen al gestart.
Kunt u reageren op elk van de aan de overheid gerichte aanbevelingen in de briefing?
In de briefing worden 7 aanbevelingen richting de overheid gedaan. Deze gaan over het Nederlands handelsbeleid en prioriteitsmarkten, voorwaarden m.b.t. gepaste zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten voor overheidssteun en de informatieverstrekking hierover. Hier zal ik kort op ingaan. Ten eerste het Nederlandse handelsbeleid, dat is gericht op de versterking van ons internationale verdienvermogen. Mensenrechten en handel sluiten elkaar niet uit en kunnen elkaar aanvullen. Keuzes voor prioriteitsmarkten en economische relaties die hieruit voortvloeien bieden mogelijkheden om binnen deze brede bilaterale relatie het gesprek te voeren over gevoelige onderwerpen.
Ten tweede, wat betreft de voorwaarden met betrekking tot mensenrechten due diligence; deze zijn al ontwikkeld en onderdeel van staand beleid. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen toepassen om in aanmerking te komen voor het bedrijfsleven instrumentarium. In de toetsing is sprake van proportionaliteit en deze is gericht op het verbeteren van de verankering van IMVO en niet op uitsluiting van het instrumentarium. Echter, als blijkt dat een bedrijf zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, dan kan dit beëindiging (en terugvordering) van de steun of uitsluiting van een missie tot gevolg hebben.
Tot slot, zet de Nederlandse ambassade in Saoedi-Arabië zich ook actief in om te communiceren over IMVO risico’s in de lokale context, inclusief mensenrechtenschendingen. Er zijn leermodules beschikbaar en bedrijven kunnen voor vragen over het toepassen van gepaste zorgvuldigheid terecht bij het IMVO-steunpunt. Op de landenpagina van Saoedi-Arabië op de website van de RVO is daarnaast informatie opgenomen over vaak voorkomende lokale IMVO-risico’s. Bovendien is een regionale IMVO-expert aangesteld in de Golfregio waar bedrijven terecht kunnen voor vragen en ondersteuning. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken organiseert daarnaast twee keer per jaar een Breed Mensenrechten Overleg met Nederlandse mensenrechtenorganisaties.
Het bericht 'Surveillance and interference: Israel’s covert war on the ICC exposed' |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Surveillance and interference: Israel’s covert war on the ICC exposed»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie van het onderzoek dat de Israëlische overheid en Israëlische veiligheidsfunctionarissen al bijna tien jaar betrokken zouden zijn bij een surveillanceoperatie gericht op het Internationaal Strafhof en Palestijnse mensenrechtenorganisaties, met als doel het dwarsbomen van onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden door Israël?
Nederland is zich als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) terdege bewust van de gevaren van externe beïnvloeding en inmenging waar zowel het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers, als de door het Hof als zodanig aangewezen getuigen mee worden geconfronteerd. Dergelijke gevaren zijn ook geenszins een uniek kenmerk van het onderzoek naar de situatie in de bezette Palestijnse Gebieden.
In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen. Het kabinet ziet dergelijke activiteiten als een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging en vindt dit volstrekt onwenselijk. Er is doorlopend contact met het ISH waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Uit veiligheidsoverwegingen kan er niet in detail worden getreden over de aard van deze besprekingen of de specifieke zaken die daar aan de orde komen.
Hoe is het mogelijk dat vertrouwelijke gesprekken tussen de aanklager van het Strafhof en Palestijnse functionarissen zijn gemonitord en gedeeld met Israëlische inlichtingendiensten, zoals bevestigd door diplomatieke diensten die de aanklager hiervan op de hoogte hebben gesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het beeld dat de Mossad zou hebben geprobeerd voormalig aanklager Bensouda onder druk te zetten met informatie over haarzelf en haar familie zodat zij zou voldoen aan de wensen van de Israëlische regering? En herkent u het beeld dat onder andere e-mail en sms-berichten van de huidige aanklager Khan en zijn medewerkers zouden zijn onderschept?
Uit veiligheidsoverwegingen kunnen er geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. Wel kan worden aangegeven dat er doorlopend contact met het ISH is waarbij ook de verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Daar waar het de fysieke veiligheid betreft en het nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie, kunnen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Dit is in aanvulling op de eigen verantwoordelijkheid van de personen en de organisatie.
Heeft u meerdere signalen van voormalig of huidig medewerkers van het Internationaal Strafhof of het Internationaal Gerechtshof dat zij vrezen voor hun persoonlijke veiligheid vanwege hun werk met betrekking tot Israël of Israëlische functionarissen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens dat Nederland als gastland een speciale verantwoordelijkheid heeft in het beschermen van hoven en tribunalen en hun medewerkers tegen dreigingen van buitenaf?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Strafhof, zijn ambtsdragers en zijn personeel en als zodanig door het Strafhof aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Deze verplichting geldt op basis van het Statuut van Rome voor iedere verdragspartij, maar daarnaast heeft Nederland als gastland inderdaad ook een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 125).
Daar waar het de fysieke veiligheid betreft en het nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie, kunnen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen in Nederland voor de medewerkers van het Internationaal Strafhof en de personen die getuigen over de oorlogsmisdaden bij het Strafhof, in aanvulling op de eigen verantwoordelijkheid van de personen en de organisatie. Over de precieze invulling van de maatregelen worden om veiligheidsoverwegingen nooit in het openbaar uitspraken gedaan.
Ben u daarnaast van mening dat Nederland ook een verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van individuen of maatschappelijke organisaties, zoals Palestijnse mensenrechtenorganisaties, die meewerken aan onderzoeken van het Strafhof?
Nederland draagt op basis van het Zetelverdrag ook een verantwoordelijkheid voor de veiligheid van individuen of maatschappelijke organisaties in Nederland, zoals Palestijnse mensenrechtenorganisaties, die meewerken aan onderzoeken van het Strafhof.
Welke stappen heeft u ondernomen of gaat u ondernemen om deze veiligheid beter te borgen?
Het uitgangspunt is dat de veiligheidszorg voor alle personen, objecten en diensten in beginsel onder de verantwoordelijkheid van het decentrale gezag plaatsvindt. Indien dreigingsinformatie daartoe aanleiding geeft, kunnen maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid een eigen, onafhankelijk onderzoek te laten doen naar deze beschuldigingen? Welke acties gaat u ondernemen als de beschuldigingen juist blijken te zijn?
De aantijgingen zien op de onafhankelijkheid en veiligheid van het ISH, waarover Nederland in doorlopend contact staat met het Hof en waarbij verschillende overheidsinstanties eveneens doorlopend betrokken zijn. De Israëlische ambassadeur is verzocht zich te melden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de aantijgingen in de artikelen in The Guardian en +972 Magazine. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden, waarbij de Nederlandse zorgen over de berichtgeving zijn overgebracht.
Deelt u de mening dat dergelijke inmenging in lopende zaken een grove aanslag zou zijn op de internationale rechtsorde? Bent u bereid dit te bespreken met de Israëlische ambassadeur in Nederland en hem duidelijk te maken dat Nederland zulke inmenging niet accepteert?
Het kabinet ziet inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren als een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging en vindt dit volstrekt onwenselijk. Er kunnen verder geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. De Israëlische ambassadeur is verzocht zich te melden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de aantijgingen in de artikelen in The Guardian en +972 Magazine. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Welke stappen heeft u al gezet of gaat u zetten om ondermijning in de toekomst te voorkomen?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
De zorgelijke mensenrechtensituatie in Tunesië |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Advocaten staken in Tunesië na arrestatie van collega live op tv», «In Tunisia, repression intensifies against sub-Saharan migrants and the associations that support them», alsmede het recente statement van de Europese Dienst voor Extern Optreden over de situatie in Tunesië?1, 2, 3
Ja.
Wat is uw reactie op de recente golf van invallen, arrestaties en detenties van NGO medewerkers, journalisten en politici, waaronder advocaat Sonia Dahmani?
Het kabinet acht een functionerend maatschappelijk middenveld van belang voor een stabiele staat. Als maatschappelijke organisaties vrij hun werk kunnen doen, zal dit ten goede komen aan de bevolking van Tunesië en dus aan Tunesië zelf. De toename van huiszoekingen en arrestaties is hiermee niet te verenigen. Het kabinet zet zich onverminderd in voor de bescherming van journalisten en mensenrechtenverdedigers.
Heeft u de Tunesische ambassadeur ontboden naar aanleiding van de recente gebeurtenissen, of is er op alternatieve wijze door u opheldering gevraagd bij de Tunesische autoriteiten?
Op hoog ambtelijk niveau zijn de zorgen over de recente gebeurtenissen aan de Tunesische ambassadeur overgebracht. Verder wordt de mensenrechtensituatie regelmatig met Tunesië besproken. Zo heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de situatie besproken met zijn Tunesische evenknie. Ook is op 26 juni jl. op hoog ambtelijk niveau gesproken over de bredere relatie tussen Nederland en Tunesië, waarbinnen ook de mensenrechtensituatie voor migranten ter sprake is gekomen. Tunesië en Nederland hebben een langdurig partnerschap, en respect voor mensenrechten is altijd onderdeel van de brede dialoog met Tunesië. Hierbij wordt zorgvuldig afgewogen wanneer publieke uitingen gedaan worden en wanneer er gekozen wordt voor stille diplomatie.
Welke rechterlijke processen zijn er gedurende het afgelopen jaar bijgewoond door vertegenwoordigers van de Nederlandse ambassade in Tunis?
Het besluit om gerechtelijke processen waar te nemen wordt genomen in lijn met de EU richtlijnen voor mensenrechten.4 Processen worden slechts bijgewoond indien de aangeklaagden, hun advocaten en/of hun families dit wenselijk achten. In het afgelopen jaar heeft de ambassade één proces waargenomen, op verzoek van de aangeklaagde.
Op wat voor wijze tracht u zich in te zetten voor de vrijlating van alle politiek gevangenen en het staken van politiek gemotiveerde processen?
In gesprekken met de Tunesische autoriteiten wordt het belang van een eerlijke rechtsgang benadrukt. In EU-verband zet Nederland zich in voor het houden van een Associatieraad met Tunesië. De dialoog die plaatsvindt binnen dit kader biedt ook de mogelijkheid zorgen over democratie en mensenrechten aan de orde te stellen. In EU verband sprak ook de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni over de mensenrechtensituatie in Tunesië en het Tunesisch buitenlandbeleid. Hoge Vertegenwoordiger Borrell uitte zijn zorgen over de arrestaties van, en huiszoekingen bij, activisten, journalisten en advocaten afgelopen maand. Voorts steunt Nederland juridische hulpverlening aan kwetsbare groepen.
Op wat voor wijze draagt u en de ambassade in Tunis bij aan de verbetering van de bescherming van NGO’s, journalisten, politici, advocaten, rechters en andere critici in Tunesië?
Via verschillende programma’s wordt bijgedragen aan het verbeteren van de (digitale) veiligheid van organisaties in het maatschappelijk middenveld, journalisten en mensenrechtenverdedigers. Ook wordt samengewerkt met hulpverleners die juridische bijstand kunnen leveren. In verband met het vertrouwelijke karakter van deze activiteiten kan het kabinet hier niet verder op in gaan.
Bent u van mening dat de huidige golf van rechtsstatelijke repressie gevolgen zou moeten hebben voor de budgettaire steun die de Europese Unie (EU) aan Tunesië verleent? Zo nee, waarom niet?
De Europese begrotingssteun is bedoeld om het partnerschap met Tunesië als nabuurschapsland te bestendigen en bij te dragen aan armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Begrotingssteun dient plaats te vinden binnen de daartoe vastgelegde kaders.5 De Europese Commissie is verantwoordelijk voor het toetsen van deze kaders en de adequate monitoring van de implementatie van de begrotingssteun in Tunesië. Het kabinet steunt de inzet van de EU om door middel van dialoog constructief bij te dragen aan verbetering in de rechtstatelijke situatie in Tunesië. Zo is tijdens besprekingen over Tunesië in Brussel, bijvoorbeeld tijdens updates over de implementatie van het EU/Tunesië Memorandum of Understanding (MoU) door de Europese Commissie, gevraagd naar mensenrechtenmonitoring, specifiek op samenwerking met de kustwacht.
Middels welke mechanismen ziet u erop toe dat bilaterale en EU-financiering in Tunesië wordt besteed in lijn met wettelijke verplichtingen en principes op het gebied van democratie, mensenrechten en rechtsstaat?
Bilaterale steun vindt grotendeels plaats via ontwikkelingshulp, bijvoorbeeld op het gebied van het bevorderen van werkgelegenheid en van rechtsstaatbevordering en wordt getoetst op de daarmee samenhangende doelstellingen.
De EU steun aan Tunesië vindt plaats binnen de daartoe vastgelegde kaders van de Commissie, waarbij respect voor de internationaalrechtelijke verdragen het uitgangspunt is. Nederland spant zich er in Europees verband voor in om de toetsing en monitoring van de mensenrechtensituatie te versterken en eventuele zorgen op dit vlak onder andere onderdeel te maken van de dialoog met partnerlanden.
Kunt u volledig uitsluiten dat Nederlandse of EU-financiering (in)direct betrokken is bij de recente golf van arrestaties en repressie, bijvoorbeeld doordat veiligheidsinstanties die bij de acties betrokken waren gedurende de afgelopen periode financiering hebben ontvangen? Zo nee, welke acties onderneemt u om dit wel uit te kunnen sluiten?
Nederland geeft geen directe of operationele steun aan de veiligheidsdiensten in Tunesië. Indirecte steun aan de veiligheidsdiensten in den brede loopt hoofdzakelijk via (ontwikkelings-)programma’s met UNDP, IOM, ICMPD en DCAF en zijn gericht op het bevorderen van de dialoog tussen de veiligheidsdiensten en de bevolking, het bevorderen van geïntegreerd migratie- en grensmanagement en het bevorderen van het toezicht op en inspectie van het gedrag van de veiligheidsdiensten. EU-steun aan de Tunesische veiligheidsdiensten vindt plaats binnen de daartoe vastgelegde kaders van de Commissie. Nederland benadrukt bij de Europese Commissie het belang van het toetsen van steun aan de veiligheidsdiensten aan mensenrechtenkaders.
Kunt u een overzicht geven van alle financiering, bilateraal of in EU-verband, waarvan de Tunesische overheid (in)direct begunstigde was?
De bilaterale steun aan Tunesië verloopt via partnerorganisaties, bijvoorbeeld via het UNDP en de Wereldbank, als ook via steun aan het maatschappelijk middenveld. Nederland geeft geen rechtstreekse steun aan de Tunesische overheid.
De EU heeft in het kader van het MoU in 2.023 EUR 150 miljoen euro begrotingssteun aan de Tunesische overheid beschikbaar gesteld met als doel de economie te versterken en publiek financieel management en het investeringsklimaat te verbeteren. Daarnaast voert de EU ook andere programma’s uit waarvan de autoriteiten begunstigde zijn, zoals op het gebied van onderwijs Erasmus+ en Horizon Europe dat mogelijkheden biedt voor studentenuitwisselingen en onderzoekssamenwerkingen. Op energie bestaan er projecten gericht op hernieuwbare energie en duurzaamheid (ELMED). Op migratie zijn er in dit kader programma’s voor het verbeteren van de opvang en bescherming van migranten, het bestrijden van mensenhandel, en het versterken van de grensbewaking.6 Ook andere EU-organisaties, zoals de Europese Investeringsbank7, zijn actief in Tunesië. Een uitgebreider overzicht van de EU-programmering is te vinden in de voetnoot van deze brief.
Wat is uw reactie op het onderzoek dat de EU-ombudsman in februari 2024 opende naar het EU-Tunesië Memorandum, vanwege vraagtekens bij de overeenstemming van het Memorandum met EU-mensenrechtelijke principes en wetgeving en onvoldoende geruststelling na beantwoording van de gestelde vragen aan de Europese Commissie?
De EU-Ombudsman fungeert als belangrijk aanspreekpunt voor burgers die klachten hebben over de Europese instellingen en kan waardevolle aanbevelingen doen om het optreden van de Unie te verbeteren en het vertrouwen van de burger in de Unie te vergroten. Het staat de EU Ombudsman vrij om eigenstandig en onafhankelijk onderzoeken te doen. Het genoemde onderzoek loopt nog; het kabinet wil niet vooruitlopen op de bevindingen.
Op wat voor wijze heeft het Memorandum uit juli 2023 volgens u een positieve bijdrage gehad aan het bevorderen van fundamentele rechten van migranten en vluchtelingen in Tunesië, gelet op de systematisch aanhoudende praktijk van illegale uitzettingen (pushbacks) van migranten over de grens met Libië door de Tunesische autoriteiten?
Het MoU is de herbestendiging van het bestaande strategisch partnerschap met Tunesië in het kader van het Zuidelijk Nabuurschap. Het MoU bevordert de samenwerking en dialoog met de Tunesische autoriteiten in brede zin en op verschillende terreinen, waaronder migratie, maar ook bijvoorbeeld handel en energie.
Op het gebied van migratie hebben de Tunesische autoriteiten – mede met steun van de EU – hun Search and Rescue capaciteiten ontwikkeld. Daarnaast werken de autoriteiten aan het aanpakken van mensenhandel en smokkel. De uitstroom van migranten naar Europa is significant afgenomen. Tegelijkertijd neemt de instroom van migranten, asielzoekers en vluchtelingen vanuit andere landen naar Tunesië nog steeds toe. De bescherming van migranten, asielzoekers en vluchtelingen in Tunesië blijft een grote uitdaging.
De beleidsdialoog in het kader van het MoU wordt ook aangegrepen om met de Tunesische autoriteiten te spreken over het belang van het voeren van een geïntegreerd migratiebeleid, waarvan ook bescherming en opvang een essentieel onderdeel is. Daarvoor zet Nederland zich in Europees en bilateraal verband in. Zo organiseert Nederland in samenwerking met het Europees Asielagentschap en Egypte een internationale conferentie op het gebied van asiel en bescherming met Europese Lidstaten en landen in Noord-Afrika om bescherming, opvang en asiel te bevorderen in deze regio als onderdeel van de Europese partnerschapsinzet. In de meest recente Migratiebrief van Commissie voorzitter Von Der Leyen geeft zij aan dat de bescherming van vluchtelingen en migranten een kernprioriteit is in de samenwerking met Tunesië en dat, hoewel de omstandigheden in Tunesië een uitdaging blijven, de EU duidelijk is over de noodzaak van respect voor mensenrechten.
Het kabinet ziet eveneens dat de situatie op het gebied van bescherming op dit moment te wensen overlaat. Nederland is samen met de EU één van de grootste donoren op het gebied van bescherming van migranten, asielzoekers en vluchtelingen in Tunesië, via programma’s met UNHCR, IOM, UNICEF en Médecins du Monde. Met deze partners en andere donoren wordt gewerkt aan het bevorderen van de beschermingssituatie.
Kunt u garanderen dat de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) haar mandaat zonder belemmeringen van de Tunesische autoriteiten kan uitvoeren, en dat het hiertoe met voldoende financiële middelen tot beschikking wordt gesteld door de EU en lidstaten?
UNHCR is afhankelijk van de Tunesische autoriteiten om de werkzaamheden uit te voeren. Nederland brengt, zowel bilateraal als in EU-verband, het belang van het werk van UNHCR en andere beschermingsorganisaties op in gesprekken met de autoriteiten, en neemt deel aan gesprekken met UNHCR en de Tunesische autoriteiten om de samenwerking te bevorderen.
UNHCR Tunesië geeft aan op dit moment een financieringstekort te hebben. Nederland is samen met de EU reeds de grootste donor van UNHCR in Tunesië en is als covoorzitter van een informele beschermingswerkgroep betrokken bij het faciliteren van de discussie met andere betrokken landen over het werk van UNHCR en de andere organisaties actief op gebied van bescherming. In deze context worden ook de werkzaamheden en de financiële situatie van UNHCR besproken.
Mogelijkheden om bevroren Russische tegoeden te gebruiken voor hulp aan Oekraïne |
|
Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA), Ruben Brekelmans (VVD), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u ermee bekend dat het parlement van Estland een wet aangenomen heeft waarmee het mogelijk wordt gemaakt om bevroren Russische tegoeden te gebruiken voor hulp aan Oekraïne?1
Ja, deze wet gaat specifiek over het nationaal mogelijk maken om private tegoeden van Russische gesanctioneerde entiteiten voor Oekraïne in te zetten.
In het artikel wordt erop gewezen dat er de afgelopen zes maanden, in aanloop naar deze wetgeving, door meerdere internationale bondgenoten en organisaties is gewerkt aan het wegwerken van mogelijke juridische knelpunten, kunt u aangeven welke landen en internationale organisaties hierbij betrokken waren?
Estland heeft bilateraal contact gehad met verschillende landen van de G7 en de EU die een dergelijke wet overwegen. Ook de Europese Commissie was betrokken bij het proces.
De wet is voorbereid in samenwerking tussen het Estse Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie. Ook het Estse parlement heeft verschillende juristen, academici en voormalige Kanseliers van Justitie gehoord in zowel open als gesloten sessies.
Inmiddels heeft de Estse President de wet ondertekend en zal deze in werking treden 10 dagen na publicatie in de State Gazette. De Kanselier van Justitie heeft de mogelijkheid om een grondwettelijke toets uit te voeren.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek in internationaal verband naar de mogelijkheden voor het inzetten van het onderliggende vermogen van geïmmobiliseerde tegoeden ten behoeve van Oekraïne?2
Er lopen verschillende initiatieven, met name in EU- en G7-verband. Vooralsnog is er geen internationale overeenstemming over of er een internationaalrechtelijke basis bestaat voor het gebruik van het onderliggende vermogen. Daarnaast zijn er zorgen omtrent de financieel-economische risico’s van het gebruik van onderliggend vermogen. Ondertussen wordt er gekeken wat er op korte termijn al wel mogelijk is. Het kabinet is positief over de stappen die de EU nu al zet en blijft ambitieus in het verkennen van verdergaande stappen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Brekelmans c.s. waarin verzocht wordt een voortrekkersrol te nemen in de EU voor een plan om bevroren Russische tegoeden in te zetten als onderpand voor financiële steun aan Oekraïne?3
Nederland is ambitieus als het gaat om het verkennen van verregaander mogelijkheden voor gebruik en probeert aan te sluiten bij initiatieven in G7-verband. Daarnaast zet het kabinet actief in om het ambitieniveau in de EU te verhogen, zoals ook aan uw Kamer is gecommuniceerd in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken op 27 mei 2024.
Vindt u dat we moeten streven naar het invoeren van een zogenoemde «Navalny Act» zoals voorgesteld door Bill Browder, die eerder voor de «Magnitsky Act» lobbyde?4
Linksom of rechtsom, voor het kabinet staat vast dat Rusland moet betalen voor de schade die het aanricht in Oekraïne. Daarvoor worden verschillende paden en middelen verkend. Momenteel vindt er geen discussie plaats over de naamgeving van eventuele maatregelen.
Kunt u aangeven in hoeverre de wet die door het parlement van Estland is aangenomen, een basis zou kunnen vormen voor soortgelijke wetgeving in Nederland en/of in de Europese Unie (EU)?
De wet die nu is aangenomen in Estland is alleen toepasbaar binnen de Estse nationale wetgeving en context. Voor Nederland geldt dat het Nederlandse sanctie-instrumentarium, gericht op buitenlandpolitieke doelstellingen en als bestuursrechtelijke, tijdelijke maatregel, zich niet leent voor gebruik van private tegoeden van gesanctioneerde entiteiten.
Op dit moment voorziet Nederlandse wetgeving niet in mogelijkheden voor confiscatie op basis van ingestelde sancties, zoals de wet die nu is aangenomen in Estland voorziet. Confiscatie van private tegoeden is in Nederland enkel mogelijk als een uitkomst van een strafrechtelijk proces. Zonder dit strafrechtelijk kader roept het overgaan tot confiscatie op basis van sancties serieuze vragen op omtrent de waarborg van individuele rechten zoals het eigendomsrecht. Bovendien zouden nationale sanctiemaatregelen de werking van de interne markt kunnen aantasten, het vrije verkeer beperken en een concurrentieverstorend effect hebben. Wel geeft Nederland – via Nederlandse wetgeving – uitvoering aan alle VN- en EU-sancties.
Om Rusland te laten betalen voor de schade die het aanricht, is het kabinet ambitieus in het verkennen van alle opties samen met internationale partners. Nederland pleit voor een actieve verkenning van verdergaande mogelijkheden ten aanzien van de geïmmobiliseerde tegoeden van de Russische Centrale Bank, hetgeen niet gaat over confiscatie van private tegoeden buiten de strafrechtketen om. Op dit moment is er echter internationaal gezien geen overeenstemming over een dergelijke stap. Mocht dat er wel komen dan zal Nederland daar uitvoering aan geven.
Bent u bereid om een voorstel te ontwikkelen om soortgelijke wetgeving in Nederland in te voeren? Zo nee, waarom niet?
De situatie in Republika Srpska |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «A UN resolution on the Srebrenica genocide ignites old tensions»?1
Ja.
Welke analyse verbindt u aan de oplopende spanningen in Bosnië en Herzegovina met betrekking tot de veiligheid in Bosnië en Herzegovina, de veiligheid van de EU, en stabiliteit van de regio?
Het kabinet signaleert in algemene zin de onwenselijke effecten van de etnische scheidslijnen in het politieke systeem in Bosnië en Herzegovina (BiH). De president van de Republika Srpska entiteit (RS), Milorad Dodik, ondermijnt het Bosnische overheidsgezag, de Bosnische overheidsstructuren en de internationale aanwezigheid, inclusief het kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger. Hij spreekt met regelmaat openlijk over afscheiding van de RS van BiH en ontkent de genocide die in 1995 in Srebrenica heeft plaatsgevonden. Dit draagt bij aan de reeds bestaande spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen in BiH en de bredere regio.
Rusland probeert zijn greep op de RS te handhaven en te verstevigen door zich op te werpen als verdediger van Bosnisch-Servische belangen, onder meer in multilaterale fora. De politieke en diplomatieke banden tussen Rusland en de RS zijn innig. President Dodik onderhoudt al langere tijd nauwe banden met president Poetin. Sinds de start van de Russische invasie in Oekraïne is Dodik meermaals op bezoek geweest bij Poetin.
In het geval van escalatie kunnen de spanningen in BiH overvloeien naar de regio en op die wijze ook de veiligheid van de Europese Unie raken. Om deze reden is het belangrijk dat de EU-missie in BiH, EUFOR Althea actief is in het land. NL draagt sinds oktober 2023 met 150 militairen een infanteriecompagnie, een Human Intelligence (HUMINT)-team en maximaal zeven stafofficieren bij aan deze missie. EUFOR Althea speelt een belangrijke rol in het ondersteunen van de autoriteiten van BiH bij het behoud van een stabiele en veilige omgeving. Hiermee levert de EU en Nederland een belangrijke bijdrage aan de stabiliteit in de regio. Gezien de huidige politieke context acht het kabinet het voorstelbaar dat EUFOR Althea voor langere tijd een noodzakelijke bijdrage aan de veiligheid in BiH blijft leveren. In de Voortgangsrapportage over de Nederlandse bijdrage aan EUFOR Althea is uw Kamer geïnformeerd dat het kabinet de mogelijkheden onderzoekt voor verlenging van de Nederlandse militaire bijdrage aan EUFOR Althea.
Op dit moment zijn er geen signalen die wijzen op groot draagvlak onder de Bosnisch-Servische bevolking voor afscheiding van de RS of op een breder gevoel in de Bosnische samenleving geweld toe te moeten passen om een eigen etniciteit te beschermen. Evenmin zijn er op dit moment tekenen van een op handen zijnde gewapende escalatie. EUFOR Althea geeft aan over voldoende militairen te beschikken voor uitvoering van haar mandaat; het garanderen van een safe and secure environment.
Hoe verhouden de uitdrukkingen van Milorad Dodik zich tot de Dayton Peace Agreement?
De Dayton Vredesakkoorden van 1995 leidden tot het einde van de oorlog in BiH. De uitspraken, acties en beslissingen van president Dodik en andere RS autoriteiten (uitvoerende en wetgevende macht) zijn met regelmaat in strijd met de letter en geest van deze akkoorden.
Ziet u reden tot zorg voor de veiligheid van minderheden in Republika Srpska?
De OVSE heeft veldkantoren om o.a. de positie van minderheden in de gaten te houden en meldt dat de opruiende retoriek van de RS autoriteiten een negatief effect heeft op de positie van minderheden, inclusief hun veiligheid in zowel de RS als in de andere entiteit, de Federatie van Bosnië en Herzegovina. De situatie en positie van minderheden wordt eveneens nauwlettend gevolgd door EUFOR Althea, dat continu de veiligheidssituatie in het land monitort middels een inlichtingen- en waarschuwingssysteem.
In de RS entiteit hebben minderheden regelmatig moeite toegang te krijgen tot publieke voorzieningen, zoals bijvoorbeeld infrastructuur en gezondheidszorg. Dit geldt ook voor minderheden in veel andere plaatsen in BiH. In de RS entiteit zijn de etnische scheidslijnen versterkt in de samenleving door het etnisch verdeelde politieke systeem. Bovendien zijn er de afgelopen jaren incidenten geweest waarbij etnische minderheden het slachtoffer werden van geweld. Dit geldt ook voor zgn. terugkeerders: vrijwel altijd een numerieke minderheid bestaande uit personen die na de oorlog van 1992–1995 naar BiH zijn teruggekeerd.
Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat deze incidenten verband houden met elkaar of dat er sprake is van gecoördineerde acties die de veiligheid van minderheden op grote schaal in het geding brengt.
Zijn er op Nederlands, dan wel Europees niveau, scenario’s uitgewerkt voor het mogelijk escaleren van de spanningen in Bosnië en Herzegovina, en zo ja, bent u bereid deze – al dan niet vertrouwelijk – met de Kamer te delen?
In BiH is de operatie EUFOR Althea aanwezig. De primaire taak van EUFOR Althea, waar Nederland een omvangrijke bijdrage aan levert (circa 15% van het totaal), is om toe te zien op het behoud van een safe and secure environment. EUFOR Althea kan optreden in geval van escalatie. De veiligheidssituatie wordt voortdurend en nauwlettend gemonitord door de operatie. Op dit moment wordt de veiligheidssituatie ingeschat als stabiel, maar fragiel. Er liggen plannen klaar in geval van escalatie. Zo kan de missie snel opschalen in geval van escalatie door een beroep te doen op reserve-eenheden. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de artikel 100 brief over de Nederlandse bijdrage aan EUFOR Althea (d.d. 6 april 2023).
Welke maatregelen treffen Nederland en de Europese Unie om Russische inmenging in kandidaat-lidstaten tot een minimum te beperken?
De inzet van de EU, EU partners en Nederland in de Westelijke Balkan is erop gericht de ruimte waarin Russische inmenging kan plaatsvinden zo veel mogelijk te beperken. Dit gebeurt veelal in nauwe samenwerking met lokale autoriteiten. De Russische Federatie is vooral effectief in het media-domein en op sociale platforms. Daarom financiert het kabinet een groot regionaal project gericht op het onthullen en bestrijden van desinformatie. Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat de uitdagingen in Europees verband geadresseerd dienen te worden. Nederland is één van de initiatiefnemers van de EU Hybrid Toolbox en zet zich in voor effectief gebruik van dit instrument. Deze Toolbox biedt handvatten waarmee de EU effectiever kan reageren op hybride dreigingen van kwaadwillende actoren. Binnen EUFOR Althea levert Nederland capaciteit om Strategic Communication van de missie te versterken.
Bent u ervan op de hoogte dat in het centrum van Srebrenica een foto van Poetin geplaatst is door Istocna Alternativa, wiens voorman momenteel voor de rechter moet verschijnen voor genocide-ontkenning en verdacht wordt van het verheerlijken van oorlogsmisdadigers?
Ja. Zowel in Srebrenica als in andere plaatsen in de RS entiteit zijn afbeeldingen van Poetin publiekelijk zichtbaar op openbare gebouwen of in de publieke ruimte.
Hoe duidt u deze provocatie?
Het is een illustratie van de openlijke steun van Dodik en de RS autoriteiten aan Moskou. Outreach en positief engagement vanuit de EU met de bevolking van de RS blijft nodig om tegendruk te bieden aan het beeld dat Rusland als enige de belangen van de Bosnisch-Servische bevolking behartigt.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het instellen van sancties tegen individuen en rechtspersonen in Republika Srpska in navolging van de Verenigde Staten en de oproep hiertoe van het Europees Parlement?2
Naar mening van het kabinet moet de EU duidelijk stelling blijven nemen tegen revisionistische en polariserende retoriek en tegen acties die de soevereiniteit en territoriale integriteit van BiH ondermijnen. De EU heeft daarbij verschillende instrumenten tot haar beschikking. Zo zijn bijvoorbeeld de projecten van het Western Balkans Investment Framework (WBIF) in de RS bevroren. Voor het kabinet liggen, rekening houdend met de haalbaarheid en het krachtenveld binnen de EU, verschillende opties op tafel om de druk op de RS entiteit te verhogen. Sancties maken onderdeel uit van het instrumentarium dat de EU hiervoor tot haar beschikking heeft. Binnen de EU ontbreekt echter de noodzakelijke consensus om sancties in stellen.
Heeft u op niet mis te verstane wijze aan Viktor Orbán te kennen gegeven dat de steun die hij op 15 mei heeft uitgesproken voor Milorad Dodik onacceptabel is en zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet spreekt zich in EU-verband voortdurend uit voor EU-eenheid ten aanzien van BiH en tegen acties die niet in lijn zijn met de geest van het EU-beleid, waaronder het verlenen van steun aan Dodik.
Hoe verwacht u dat het Hongaarse EU-voorzitterschap van invloed gaat zijn op de verhouding van de EU met Republika Srpska?
Het kabinet verwacht dat Hongarije zich als EU-voorzitter onpartijdig en neutraal zal opstellen en dat de reguliere EU-agenda leidend zal zijn tijdens het voorzitterschap.
Welke stappen gaat u nemen om te zorgen dat onder het Hongaarse voorzitterschap de EU op geen enkele wijze bijdraagt aan steun – in welke vorm van ook – van Dodik’s agenda?
Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat de EU de afscheidingsagenda van Dodik op geen enkele wijze zal steunen, ook niet onder het Hongaars voorzitterschap.
Kunt u toezeggen dat Nederland onder geen enkele omstandigheid op nationaal en Europees niveau instemt met het verlenen van financiering aan Milorad Dodik en de overheidsinstanties van Republika Srpska, zolang de Dayton Peace Agreement geschonden wordt en de rechtsstaat in Bosnië en Herzegovina onder druk staat als gevolg van de stappen van Dodik’s beleid?
De inzet van het kabinet is erop gericht dat Milorad Dodik en de overheidsinstanties van de RS entiteit geen EU-steun ontvangen, zolang zij de territoriale integriteit van BiH blijven ondermijnen en de rechtsstaat in BiH niet respecteren. Zo zijn bijvoorbeeld de projecten van het WBIF in de RS bevroren. De Hervormings- en Groeifaciliteit voor de Westelijke Balkan voorziet naast investeringen via het WBIF ook in directe budgetsteun aan de landen in de Westelijke Balkan. Mede dankzij de Nederlandse inzet kent dit instrument een sterk performance-based karakter, met voorwaarden op het gebied van GBVB-aansluiting en de rechtsstaat. Het kabinet zal haar steun voor eventuele financiële steun aan BiH via dit instrument aan deze voorwaarden toetsen.