De chanterende Commissaris van de Koning in Flevoland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «burgemeester herkent signalen van chantage door CvdK Verbeek»1 ?
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Bant er met powerplay doorgedrukt wordt? Zo ja, wat vindt u van het feit dat burgemeester Roger de Groot van Noordoostpolder zegt signalen te hebben gekregen dat raadsleden zich gechanteerd hebben gevoeld door de commissaris van de Koning (CvdK)? Graag een gedetailleerd antwoord.
Met de gemeente Noordoostpolder worden zoals gebruikelijk op bestuurlijk niveau constructieve gesprekken gevoerd over de mogelijkheden van een nieuw additioneel aanmeldcentrum binnen deze gemeente. Kennelijk is de wijze waarop een dergelijk overleg is gevoerd door betrokkenen op verschillende wijzen beleefd. Van het doordrukken van een besluit is echter geen sprake; de commissaris van de Koning heeft hier gehandeld als rijksorgaan, in welke hoedanigheid hij ter zake niet beslissingsbevoegd is. Zijn rol is hier gericht op het bevorderen van een goede samenwerking tussen het Rijk (COA) en decentrale overheden, op grond van artikel 182 lid 1 onder a Provinciewet jo. artikel 1 Ambtsinstructie. In antwoord op uw vraag daaromtrent acht ik het overigens, gelet op de positie van de burgemeester als voorzitter van de gemeenteraad, passend dat hij signalen heeft gekregen van raadsleden over hun gevoelen en ervaringen naar aanleiding van een dergelijk bestuurlijk overleg. Het is echter niet aan mij om te oordelen over het gevoelen en de ervaringen van individuele raadsleden, aangezien de beleving hiervan kan verschillen.
Als u het onacceptabel vindt dat gekozen raadsleden met dwang en drang gedwongen worden akkoord te gaan met een aanmeldcentrum voor asielzoekers waar hè-le-maal niemand op zit te wachten, wilt u dan een onderzoek in stellen naar de kwestie, zeker ook omdat de raadsleden zou zijn voorgehouden dat de lobby voor de Lelylijn in gevaar komt als ze niet meewerken aan de plannen voor een aanmeldcentrum in Bant? Graag een gedetailleerd antwoord over hoe u dit onderzoek naar chantage vorm gaat geven.
Gelet op mijn antwoord op vraag 2, zie ik geen aanleiding om een dergelijk onderzoek in te stellen. Terzijde merk ik op dat zolang de problematische situatie bij het aanmeldcentrum in Ter Apel aanhoudt, er wel degelijk behoefte is aan extra ruimte. Vanzelfsprekend houdt de besluitvorming daarover geen verband met andere dossiers die de gemeente Noordoostpolder zouden kunnen raken.
Wat vindt u van het feit dat meerdere bronnen aan Omroep Flevoland bevestigd hebben dat de manier waarop de gemeenteraad op 25 april 2022 werd toegesproken door de CvdK als zeer sturend en dwingend werd ervaren? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zoals ik hiervoor bij het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, heb ik geen oordeel over het gevoelen en de ervaringen van verschillende betrokkenen, nu de beleving hiervan uiteen kan lopen. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan kan de raad zich desgewenst richten tot de commissaris van de Koning en met hem van gedachten wisselen over hoe het gevoerde overleg van beide kanten is beleefd; naar ik heb begrepen, is er inmiddels ook contact geweest tussen de commissaris en de raad.
Heeft u de bereidheid om de CvdK uit zijn functie te zetten als uit onderzoek blijkt dat chantage alsmede drang en dwang zijn toegepast? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zoals ik hiervoor bij het antwoord op vraag 2 en 3 heb aangegeven, zie ik geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek.
Paspoortwalhalla voor topcriminelen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving dat ambtenaren criminelen hielpen aan een valse identiteit?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat zijn uw acties richting de gemeente Den Haag geweest waar een ambtenaar naar hartelust paspoorten aan het vervalsen was voor criminelen? Kunt u deze vraag een gedetailleerd antwoord geven?
De Rijksdienst voor de Identiteitsgegevens (RvIG) heeft verschillende malen contact gehad met de gemeente Den Haag. De gemeente Den Haag erkent de urgentie van het probleem en de noodzaak tot verbetering van de processen aan de balie. RvIG heeft de gemeente Den Haag bezocht om de werkprocessen samen met de gemeentelijke auditdienst door te lopen en te bespreken hoe deze beter kunnen worden nageleefd. Het gaat hier om werkprocessen, inclusief de beschrijving ervan, die nodig zijn om fraude te beperken. De nadruk lag op de besprekingen op controles, autorisaties en functiescheiding.
Wat vindt u van het feit dat in het artikel van Het Parool naar voren komt dat de Haagse ambtenaar nog vier jaar werkzaam is geweest voor deze gemeente? Wat is uw actie daarop richting de gemeente Den Haag?
Ik wil voorop stellen dat de gemeente Den Haag over haar eigen persoonsbeleid gaat. De gemeente Den Haag heeft mij laten weten dat in 2016 de betrokken ambtenaar gedurende een integriteitsonderzoek op non-actief gesteld is conform het eigen personeelsbeleid. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is aan betrokken ambtenaar een arbeidsrechtelijke sanctie opgelegd, namelijk voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van 2 jaar en overplaatsing naar een andere functie. De gemeente Den Haag heeft aangegeven in 2016 ook aangifte te hebben gedaan tegen de ambtenaar. Na ontvangst van een aantal vorderingen van het Openbaar Ministerie in 2020, heeft de gemeente contact gezocht met RvIG. RvIG heeft op 19 oktober 2020 de gemeente Den Haag formeel aangeboden om expertise te leveren om herhaling zoveel mogelijk te voorkomen.
Wat gaat u doen tegen het feit dat de afgelopen tien jaar structureel fouten zijn gemaakt in de uitgifte van paspoorten? Kunt u hier een gedetailleerd antwoord op geven?
In mijn brief van 8 juli «Aankondiging van maatregelen ter voorkoming van identiteitsfraude» geef ik aan welke maatregelen ik nu al heb ingezet en op korte, middellange en lange termijn ga nemen.2 Het gaat dan kort gezegd over maatregelen op communicatief vlak (gesprekken en voorlichting), aanpassingen in werkwijze en techniek (bijvoorbeeld live enrolment, programma Verbeteren Reisdocumentenstelsel) en op personeelsvlak het certificeren van baliemedewerkers en het vragen van een VOG. Voor verdere details met betrekking tot de door mij genomen en te nemen maatregelen verwijs ik naar deze brief.
Wat gaat u doen tegen het feit dat uit een steekproef onder zeventien gemeenten is gebleken dat in een kwart van de gevallen de paspoortprocedures niet werden gevolgd? Kunt u hier een gedetailleerd antwoord op geven?
In de brief van 8 juli, in vraag 4 genoemd, is toegezegd dat ik RvIG nader onderzoek naar de procedure-afwijkingen laat doen. Ik verwacht u einde dit jaar, in de brief over de voortgang van de maatregelen nader te kunnen informeren over de uitkomsten van dit onderzoek.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat een niet functionerende overheid een paspoortwalhalla creëert voor zware criminelen? Zo ja, wat wordt uw actieplan om dit te bestrijden?
Ik hecht veel waarde aan de integriteit van het Nederlandse paspoort in nationaal en internationaal verband. Het leveren van paspoorten op bestelling door corrupte ambtenaren moet krachtig worden bestreden.
In de brief van 8 juli presenteer ik een groot aantal maatregelen waardoor de procedure van de aanvraag en afgifte van paspoorten minder kwetsbaar moet worden voor corruptie en misbruik door criminelen. Daarnaast heb ik aangegeven dat er een analyse zal worden uitgevoerd naar incorrecte gegevens en dat mogelijke fraudegevallen met het Openbaar Ministerie zullen worden gedeeld.
De brief ‘Aankondiging van maatregelen ter voorkoming identiteitsfraude’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Hoeveel gevallen zijn bekend waarbij onrechtmatige identiteitsbewijzen zijn uitgegeven?1
In mijn brief van 8 juli «Aankondiging van maatregelen ter voorkoming van identiteitsfraude» geef ik aan dat er tientallen gevallen van onrechtmatig verkregen identiteitsbewijzen zijn onderkend en het vermoeden is dat dit aantal waarschijnlijk nog zal oplopen.3
Van hoeveel ambtenaren is bekend c.q. bestaat het vermoeden dat ze onrechtmatige identiteitsbewijzen hebben uitgegeven? Loopt er een strafrechtelijk onderzoek naar al deze ambtenaren?
Op dit moment lopen er strafrechtelijke onderzoeken naar het valselijk opmaken en uitgeven van paspoorten. Over deze onderzoeken kan ik geen nadere informatie verstrekken.
Is bekend wat de beweegredenen zijn van ambtenaren die onrechtmatige identiteitsbewijzen hebben uitgegeven? Zo ja, wat zijn de beweegredenen?
Het Openbaar Ministerie geeft aan dat een mogelijke beweegreden geldbejag is. Gebleken is dat criminelen bereid zijn te betalen voor een valselijk opgemaakt paspoort op naam van een ander persoon. Hiermee kunnen zij reizen en transacties uitvoeren terwijl zij onder de radar blijven.
Welk strafbaar feit wordt ten laste gelegd aan de ambtenaren die onrechtmatige identiteitsbewijzen hebben uitgegeven? Is dit (medeplichtigheid aan) deelname aan een criminele organisatie? Zo nee, waarom niet?
Aan welk(e) feit(en) een ambtenaar die onrechtmatige identiteitsbewijzen uitgeeft zich schuldig heeft gemaakt, kan van geval tot geval verschillen en dient uit nader strafrechtelijk onderzoek te blijken. Zo is voorstelbaar dat een ambtenaar «het valselijk opmaken van een reisdocument of identiteitsbewijs» (artikel 231 Wetboek van Strafrecht) en/of «ambtelijke corruptie» (artikel 363, Wetboek van Strafrecht) ten laste wordt gelegd.
In welke gemeenten zijn deze onrechtmatige identiteitsbewijzen uitgegeven?
Deze vorm van corruptie beperkt zich in beginsel niet tot een enkele gemeente. Daar waar kwetsbaarheden bestaan in de aanvraag- en afgifteprocedures van paspoorten of zorgvuldigheidsprotocollen aan de balie niet goed worden gevolgd, kan hiervan misbruik worden gemaakt door kwaadwillenden.
In hoeverre is bij de aanvraag en uitgifte van paspoorten, waarbij is afgeweken van de standaardprocedure, sprake van crimineel handelen, onwenselijk handelen of dienstverlenend handelen? Hoe wordt dit bepaald?
In het merendeel van de gevallen waarbij bij de afgifte van paspoorten is afgeweken van de standaardprocedures, gaat het om fouten/vergissingen/nalatigheden van het baliepersoneel. De achtergrond is soms onoplettendheid, snel moeten/willen zijn, maar kan ook gelegen zijn in het de burger snel en goed ten dienste willen zijn.
Het feit dat voorgeschreven procedures niet altijd juist worden gevolgd binnen een gemeente, maakt het voor corrupte ambtenaren mogelijk gebruik te maken van kwetsbaarheden in deze procedures zonder dat dit direct opvalt. Of sprake is van crimineel handelen door een gemeenteambtenaar zal moeten blijken uit alle feiten en omstandigheden van het strafrechtelijk onderzoek.
In de brief van 8 juli, heb ik toegezegd dat ik de RvIG nader onderzoek naar de procedure-afwijkingen laat doen. Ik verwacht u einde dit jaar, in de brief over de voortgang van de maatregelen nader te kunnen informeren over de uitkomsten van dit onderzoek.
Is bekend wat de echte identiteit is van diegene die een onrechtmatig identiteitsbewijs hebben verkregen? Zo ja, is ook bekend of deze personen het land zijn ontvlucht door middel van de uitgegeven onrechtmatige identiteitsbewijzen? Gaat het hier om criminelen die actief zijn binnen de georganiseerde misdaad? Zo nee, kunt u hier een toelichting op geven?
Het Openbaar Ministerie geeft aan dat in een aantal gevallen dergelijke valselijk opgemaakte paspoorten in het bezit van zware criminelen zijn aangetroffen terwijl zij – soms in het buitenland – werden aangehouden door de opsporingsautoriteiten. In die gevallen stond het paspoort op naam van een derde (al dan niet een katvanger), maar droeg wel de pasfoto van de crimineel zelf.
Zijn de Nederlanders wier foto’s zijn gebruikt geïnformeerd over de gepleegde activiteiten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn verder gezet om getroffen Nederlanders te ondersteunen?
Het Openbaar Ministerie geeft aan dat het niet op voorhand duidelijk is of er sprake is van katvangers of van burgers die onwetend zijn ten aanzien van het feit dat hun identiteit is misbruikt. Veelal vormt dit niet de primaire focus van het strafrechtelijk onderzoek dat zich eerder richt op de corrupte ambtenaar of de (criminele) ontvanger van het paspoort.
Is het kabinet het ermee eens dat Nederlanders wier foto’s zijn gebruikt, bijgestaan moeten worden bij eventuele fraudegevallen? Zo ja, hoe wordt dit vormgegeven? Zo nee, waarom niet?
Als mensen vermoeden dat iemand anders gebruik maakt van een identiteitsbewijs op hun naam dan kunnen ze bij het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude terecht voor advies en hulp. Er zijn het afgelopen half jaar geen meldingen gemaakt die wijzen op gebruik van identiteitsbewijzen door criminelen waar het hier over gaat.
Is het kabinet het ermee eens dat ambtenaren die zich hier schuldig aan hebben gemaakt onder geen enkele omstandigheid aan de slag mogen gaan bij andere gemeentes? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor om dit te voorkomen? Kunt u ook ingaan op het beroepsverbod? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten hebben zelfstandige bevoegdheden op het gebied van personeelsbeleid. Ik wil gemeenten ondersteunen om hun taken goed uit te kunnen oefenen. In de brief van 8 juli heb ik al maatregelen aanbevolen om aandacht aan de integriteit van personeel te geven. Via voorlichting zal ik de gemeenten wijzen op het belang voor hun baliemedewerkers een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan te vragen en referenties bij vorige werkgevers op te vragen. Verder wil ik, zoals in de brief van 8 juli aangekondigd, onderzoeken of en zo ja hoe het invoeren van verplichte certificering en een bijbehorend beroepsregister mogelijk is. Ook dat kan gemeenten helpen in de selectie van hun personeel.
Is het kabinet het ermee eens dat de «korte termijn» maatregelen die worden voorgesteld in de brief, zoals het vierogen principe, per direct moeten worden ingevoerd? Zo ja, wanneer zijn de werkprocessen aangepast? Zo nee, waarom niet?
Het vierogenprincipe houdt in dat in het aanvraag- en uitgifteproces per fase andere medewerkers worden ingezet, bijvoorbeeld voor het nemen van een besluit tot het verstrekken van een paspoort, en voor het uitreiken van het paspoort. RvIG zal, zoals in de brief is aangegeven, extra inzetten op voorlichting gericht op de adequate naleving van werkvoorschriften voor het proces van aanvraag en uitgifte van documenten en personeelsbeleid. Onderzocht wordt hoe functiescheiding, ook technisch, het beste kan worden ingezet. Niet in alle gevallen (kleine gemeenten bijvoorbeeld) is een strikte functiescheiding haalbaar.
Het bericht ‘Bouwbranche trekt aan de bel: Gemeenten grootste horde bij aanpak wooncrisis’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bouwbranche trekt aan de bel: Gemeenten grootste horde bij aanpak wooncrisis»?1
Ja.
Wat zijn, op dit moment, de grootste knelpunten bij gemeenten om de bouwambitie van 100.000 woningen per jaar te behalen?
Gemeenten ervaren verschillende knelpunten in de realisatie van woningen. Gemeenten ondervinden knelpunten die betrekking hebben op (ambtelijke) capaciteit. En lijken er, onder andere door aanhoudende prijsstijgingen, financiële knelpunten te ontstaan om goede woningbouwprojecten met voldoende betaalbare woningen te realiseren. Tevens ervaren gemeenten knelpunten in het voldoen aan randvoorwaarden voor woningbouw als gevolg van regelgeving over geluid en stikstof.
Welke maatregelen kan het Ministerie van BZK nemen om een oplossing te bieden voor deze knelpunten?
Voor het oplossen van de knelpunten werk ik verschillende trajecten uit. Voor stikstof en (nest)geluid bekijk ik met andere departementen en medeoverheden welke mogelijkheden er zijn om woningbouw mogelijk te maken. Bijvoorbeeld via een gebiedsaanpak zoeken we naar oplossingen voor conflicterende ruimtelijke opgaves in bepaalde gebieden. Daarnaast zullen we duidelijker maken hoe randvoorwaarden al aan de voorkant goed kunnen worden meegenomen, bijvoorbeeld bij klimaatbestendig bouwen. Daar waar regelgeving onnodig belemmerend is, kan worden bezien waar aanpassing van regelgeving nodig is.
Om de financiële knelpunten aan te pakken zet ik financiële instrumenten in zoals de Woningbouwimpuls (Wbi) en de transformatiefaciliteit om transformatieprojecten voor te financieren. Voor het versnellen van transformatie- en flexwoningen heb ik de Taskforce versnellen tijdelijke huisvesting ingesteld die gemeenten kunnen ondersteunen. Hiervoor is circa 300 miljoen euro beschikbaar gesteld2. Met de afschaffing van de verhuurdersheffing (jaarlijks 1.7 miljard) wordt de investeringscapaciteit van corporaties versterkt.
Om het tekort aan capaciteit te verminderen continueer ik de flexpoolregeling (2x 40 miljoen euro) waarbij ik ook samenwerking in regio-verband zal stimuleren. Gemeenten kunnen ook het expertteam woningbouw inschakelen voor advies om projecten vlot te trekken. Voor locatie-overstijgende knelpunten richt ik een landelijke versnellingstafel in.
Hoe verklaart u dat gemeenten zeggen dat zij niet binnen de gestelde termijn op ingediende bouwplannen kunnen reageren, terwijl dit slechts in uitzonderlijke gevallen plaats zou moeten vinden?
Er zijn verschillende oorzaken waarom gemeenten niet altijd binnen de gestelde termijn op ingediende bouwplannen kunnen reageren. Hierbij speelt het gebrek aan voldoende capaciteit een rol. Vanuit het Rijk wordt daarom de Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (flexpoolregeling) ingezet om gemeenten en provincies te ondersteunen in het aantrekken van flexibele capaciteit en expertise. In de beantwoording van vraag 6 en vraag 8 ga ik verder in op de flexpoolregeling.
Naast het vergroten van de capaciteit zijn er ook andere maatregelen denkbaar waarmee het niet halen van de termijnen voorkomen kan worden. Er worden verschillende onderzoeken uitgevoerd naar belemmeringen en oplossingen om het versnellen van processen en procedures in het realiseren van woningbouw mogelijk te maken. Ik verwacht uw Kamer hier in het najaar nader over te kunnen informeren.
Welke factoren hebben een positieve invloed op het snel realiseren van woningen? Hoe kunnen gemeenten hieraan bijdragen?
Zoals aangegeven bij mijn antwoord op vraag 4 verwacht ik uw Kamer in het najaar nader te informeren over uitkomsten van de onderzoeken naar het versnellen van processen en procedures en mijn aanpak hiervoor.
Speelt de bovengemeentelijke flexibele pool een positieve rol in het ondersteunen van gemeenten?
In 2020 is er ruim 34 mln. euro beschikbaar gesteld voor de flexpoolregeling. Recentelijk is een tussenevaluatie afgerond naar de meerwaarde van de flexpoolregeling, waarbij tevens adviezen zijn gegeven voor voorwaarden in een nieuwe regeling. Dit is op 24 juni 2022 naar uw Kamer gestuurd. Over het algemeen voorziet de regeling in een behoefte aan extra expertise en capaciteit en biedt de regeling voldoende ruimte voor medeoverheden.
Hoe kan de uitvoeringskracht bij gemeenten worden versterkt? Zijn hier ook andere verklaringen voor dan financiële problemen?
Het versterken van de uitvoeringskracht bij gemeenten is een belangrijk onderdeel van het programma Woningbouw. De eerdergenoemde flexpoolregeling wordt ingezet om provincies en gemeenten financieel te ondersteunen in het aantrekken van flexibele capaciteit en expertise. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik maken van het Expertteam Woningbouw voor ondersteuning bij vastgelopen woningbouwprojecten. Medeoverheden kunnen zelf ook verschillende stappen nemen om de uitvoeringskracht te vergroten. Hier kom ik in een brief over het versnellen van processen en procedures in het najaar op terug.
Welke mogelijkheden heeft u om gemeenten tegemoet te komen en/of te stimuleren om extra ambtenaren op te leiden, zodat er versnelling kan komen in het beoordelen en uitvoeren van bouwplannen?
In het programma Woningbouw is aangekondigd dat de flexpools zullen continueren. De komende vier jaar is er totaal 80 miljoen euro beschikbaar. Door middelen op een langere termijn beschikbaar te stellen voor medeoverheden, kan ook geanticipeerd worden op een langere inzet van extra capaciteit. Dit geeft bijvoorbeeld ook ruimte om meer ambtenaren op te leiden.
Daarnaast, ga ik samen met kennisinstellingen en medeoverheden de mogelijkheden voor het versterken van capaciteit en expertise onderzoeken. Het gaat daarbij over het opleiden van, het samenwerken met en het aantrekken van professionals.
Kunt u toelichten of een deel van de woningbouwimpuls is uitgegeven aan het versnellen van procedures door de inzet van extra ambtelijke capaciteit?
Er zijn geen middelen vanuit de Woningbouwimpuls uitgegeven aan het versnellen van procedures door de inzet van extra ambtelijke capaciteit.
Gaat u bij het sluiten van de woondeals in het najaar rekening houden met de ambtelijke capaciteit? Zo ja, op welke wijze gaat u dat aanpakken?
Onderdeel van de regionale woondeals wordt ook het bieden van ondersteuning aan gemeenten en provincies bij het realiseren van nieuwbouw. Er is komend najaar programmageld voorzien voor provincies voor het opstellen en uitvoeren van de woondeals. Ook wil ik wijzen op ondersteuningsmogelijkheden om lokale knelpunten aan te pakken. Zo kan het Expertteam Woningbouw ingeschakeld worden om projecten vlot te trekken en kan er gebruik gemaakt worden van de flexpoolregeling voor extra capaciteit. Voor locatie-overstijgende knelpunten richt ik een landelijke versnellingstafel op. Een eerste tafel zal in het najaar worden georganiseerd.
Wat zijn de grootste verschillen in het verlenen van vergunningen bij binnenstedelijke en buitenstedelijke locaties voor woningbouw? Is er voordeel te behalen in vergunningverlening door meer te kijken naar buitenstedelijke locaties voor woningbouw?
Er zijn geen verschillen in de duur van een procedure voor verlening van een vergunning voor nieuwbouw van woningen op een binnenstedelijke of buitenstedelijke locatie. Als bouwplannen in overeenstemming zijn met een bestemmingsplan, is vergunningverlening relatief eenvoudig. De reguliere procedure is in dat geval van toepassing, welke standaard maximaal 8 weken in beslag neemt. Bij bouwplannen die strijdig zijn met het bestemmingsplan ontstaan er complicaties. In dat geval moet ook de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bouwplan beoordeeld worden. Bij buitenstedelijke ontwikkelingen is dat in de regel een meer complexe opgave dan bij binnenstedelijke ontwikkelingen. Ook omdat daar een sterke betrokkenheid van provincies nodig is, in verband met de samenhang van ruimtelijke opgaven op provinciaal niveau. Daarnaast zijn er vaak grote investeringen nodig in infrastructuur.
Bij nieuwbouw van woningen in strijd met een bestemmingsplan geldt, zowel binnen- als buitenstedelijk, de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Deze procedure neemt standaard maximaal zes maanden in beslag. Op het verbouwen van bestaande gebouwen tot woningen (bijvoorbeeld bij kantoortransities) is in binnenstedelijk gebied, ook bij strijd met het bestemmingsplan, de reguliere procedure van toepassing.
In algemene zin kan dus niet gesteld worden dat besluitvorming over nieuwbouw van woningen op buitenstedelijke locaties eenvoudiger is. Dat neemt niet weg dat inzet op alle locaties belangrijk is. Met binnenstedelijke ontwikkelingen alleen, kan de woningbouwopgave niet worden gerealiseerd. Bouwen «in het weiland» is dus zeker geen taboe: 35 à 40% van de huidige woningbouwplannen ligt al buiten bebouwd gebied. Versnelling vereist vooral spoedige realisatie van huidige woningbouwplannen.
Deelt u de mening dat er mogelijkheden liggen in een standaard bouwvergunning bij uniforme woningen?
Ja, het gaat daarbij om de bouwtechnische beoordeling van de bouwvergunning.
Zo ja, welke concrete stappen kunt u nemen met betrekking tot standaardisatie via wetgeving? Kan dit met de aanstaande Wet Kwaliteitswaarborging?
De invoering van de Wet kwaliteitswaarborging (Wkb) maakt het landelijk goedkeuren van fabriekswoningen mogelijk. Het wordt daarbij mogelijk om fabriekswoningen en andere vormen van conceptuele woningbouw vooraf, eenmalig te beoordelen op het kwalitatief goed en veilig zijn. Per project kan dan volstaan worden met de noodzakelijke beoordeling van specifieke lokale omstandigheden, zoals de fundering, en een toets op de juiste uitvoering van het bouwproject. Binnen het stelsel kan gewerkt worden met bijvoorbeeld certificatieregelingen. Op dit moment lopen hier al gesprekken over en zijn er proefprojecten gestart.
Na inwerkingtreding van de Wkb zijn het niet langer de gemeenten die bouwplannen bouwtechnisch goedkeuren. Kwaliteitsborgers zullen na inwerkingtreding van de Wkb deze plannen beoordelen en toezien op de uitvoering volgens de bouwtechnische regels (toetsing aan BBL). Dit geldt dus ook voor een landelijke type-goedkeuring.
Het streven is de Wkb tegelijk met de Omgevingswet op 1 januari 2023 in te voeren.
Zo nee, waarom ziet u standaardisatie niet als mogelijkheid?
Zoals bij antwoord 12 aangegeven zie ik zeker mogelijkheden in standaardisatie.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord.
Ruimtelijke ordening in de gemeente Katwijk |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelenreeks van RTV Katwijk over ruimtelijke ordening in de gemeente Katwijk?1
Ja.
Klopt het dat het Rijksvastgoedbedrijf keer op keer de bouw van betaalbare woningen in de gemeente Katwijk belemmerde?
Ik herken me niet in het beeld dat het Rijksvastgoedbedrijf de bouw van betaalbare woningen keer op keer heeft belemmerd.
De aanleiding voor deze gebiedsontwikkeling lag in de kans voor woningbouw die door het vertrek van Defensie op vliegkamp Valkenburg openlag. Dit in een regio waar al decennialang een grote vraag naar woningen is. Het Rijksvastgoedbedrijf (destijds GOB en later RVOB) heeft in 2006 een dubbele Rijksdoelstelling meegekregen. Enerzijds op gebied van woningbouw en natuur en anderzijds een zakelijke doelstelling van opbrengstmaximalisatie, rekening houdend met de vooraanstaande Rijksdoelen. Deze opstelling paste bij de toenmalige gedachte dat overheden zich richting de markt zakelijk dienden op te stellen. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft in de gebiedsontwikkeling altijd naar een passend evenwicht gezocht binnen deze doelstellingen. Vanaf de eerste plannen wordt gewerkt met een programma en ontwerp dat tot stand komt op aangeven van de gemeente (zie verderop in dit antwoord).
Voormalig vliegkamp Valkenburg (thans woongebied Valkenhorst) maakte tevens deel uit van een MIRT project voor de integrale verstedelijkingsopgave in Holland Rijnland (30.000 woningen), inclusief het realiseren van de ontsluiting van de Duin- en Bollenstreek via weg en OV (thans de Rijnlandroute en de HOV). Hiervoor is uiteindelijk door het Rijk circa 770 mln. euro toegezegd met een bijdrage vanuit het project Valkenburg van 22 mln. euro voor de infrastructuur, mede omdat de gebiedsontwikkeling doorslaggevend was voor het besluit om de Rijnlandroute te realiseren.
De basis voor de huidige opdracht ligt in de bestuurlijke afspraken over Unmanned Valley van 2018. Oorspronkelijk lag er een doelstelling voor financieel rendement en opbrengstmaximalisatie in de grondexploitatie. Deze financiële doelstelling is komen te vervallen met de bestuurlijke afspraken van 2018, voortkomend uit de bijsturing door de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met andere woorden: er ligt geen winstdoelstelling meer op de gebiedsontwikkeling maar het is tevens niet de bedoeling dat er extra financiering vanuit het Rijk nodig is via de grondexploitatie. Er zijn reeds forse bijdragen vanuit het Rijk gedaan om het project mogelijk te maken, waaronder investeringen in infrastructuur in de omgeving, in Unmanned Valley, klimaatadaptatie en een subsidie vanuit de Woningbouwimpuls. Onderdeel van het project zijn ook nog de toekomstige investeringen in groen en recreatie in de omgeving en energieneutraliteit van het woongebied.
Het kader dat het Rijksvastgoedbedrijf voor de gebiedsontwikkeling heeft meegekregen (vanuit het Rijk, de regio en de gemeente) is de realisatie van een divers en evenwichtig woningbouwprogramma. Ook wordt met het huidige programma uitvoering gegeven aan het «Masterplan Valkenburg» dat door de gemeenteraad van Katwijk is vastgesteld in 2014. De afgelopen jaren is het programma geregeld besproken in een Coördinatieoverleg van de gemeente Katwijk waar ook Holland Rijnland en omliggende gemeenten zijn vertegenwoordigd. Het programma voldoet aan de stedenbouwkundige planuitwerking en het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» dat op 30 juni jl. is vastgesteld door de gemeenteraad van Katwijk.
Aanvullend hierop is in de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf uit 2020 het volgende afgesproken: als er financiële ruimte binnen de gebiedsontwikkeling ontstaat dan kan deze ruimte worden ingezet voor het vergroten van het aandeel betaalbare woningen en voor aanvullende maatregelen op het gebied van energieneutraliteit. Dit sluit aan bij mijn insteek om het aandeel betaalbare woningen te vergroten. Daarnaast zal na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de markt worden uitgedaagd op hedendaagse en toekomstbestendige plannen. Aanvullend hebben de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf een regulering van betaalbare woningen vastgelegd waarmee betaalbare woningen ook op termijn beschikbaar blijven voor de doelgroep.
Klopt het dat daarmee de verstening in de nieuwe wijk toenam en de kwaliteit achteruit kachelde en dat ten opzichte van de oorspronkelijke planning veel groen in de wijk is opgeofferd?
Gemeenten (zo ook Katwijk) stellen de ruimtelijke, kwalitatieve en economische kaders voor een gebiedsontwikkeling. De betreffende gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf werken dit daarna uit in (stedenbouwkundige) plannen. De omvang van wegen, groen en dergelijke in de nieuwe wijk worden bepaald door de gemeente. De gemeente stelt de plannen vast in de gemeenteraad.
De afgelopen jaren is op verzoek van de gemeente Katwijk een aantal wijzigingen doorgevoerd in de kaders, waaronder inpassing van een bedrijventerrein voor «unmanned» technologie (Unmanned Valley), verandering van het watersysteem met kreken, aanpassing van het waterpeil in het plangebied, meer 50 km-wegen en archeologie. Daarnaast is door de toevoeging van 600 betaalbare woningen in de bestuurlijke afspraken van 2020 het totaalaantal woningen toegenomen naar 5.600. Deze wijzigingen hebben invloed op de opzet en woningdichtheid van de wijk. Maar ook na deze wijzigingen zijn de kwaliteitsambities voor de woonlocatie «Valkenhorst» onveranderd gebleven. Valkenhorst wordt ontwikkeld als een nieuwe dorpse kern met een eigen en groen karakter binnen de gemeente Katwijk. De kernwaarden van Valkenhorst zijn: de mens centraal, water en kreken als (historisch) DNA, veel beleef- en bruikbaar openbaar groen, en een dorps karakter. Deze kernwaarden zijn leidend geweest voor de stedenbouwkundige planuitwerking en het bestemmingsplan en zullen dat ook zijn voor de verdere uitwerking.
Voor de omliggende gebieden, die op de woonlocatie aansluiten, liggen er concrete plannen voor groen- en recreatieve versterking. Het Rijksvastgoedbedrijf draagt daar ook aan bij.
Hoe kan het dat de verhoudingen tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf zo zijn verhard? Stelde het Rijksvastgoedbedrijf als machtige partij zich naar uw oordeel daarin fatsoenlijk op?
Gemeenten (en provincies) stellen de ruimtelijke kaders en bepalen de bestemmingswijziging. De gemeente Katwijk is voor Valkenhorst het bevoegd gezag en beschikt over het planologisch instrumentarium om de herontwikkeling mogelijk te maken of tegen te houden. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft op haar beurt het leeuwendeel (ca. 90%) van de te ontwikkelen gronden in eigendom en is de belangrijkste initiatiefnemer om tot realisatie van woningen te komen.
De gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf zijn dus wederzijds afhankelijk van elkaar om de ontwikkeling tot stand te brengen, zoals dat ook voor andere gebiedsontwikkelingen in het land het geval is. Beide partijen zijn op hun beurt weer afhankelijk van de medewerking van en samenwerking met de provincie Zuid-Holland en de gemeente Wassenaar.
Genoemde wederzijdse afhankelijkheden, scopewijzigingen en de vertragingen die zijn opgetreden hebben hun weerslag gehad op de onderlinge verhoudingen. Uiteraard spelen externe ontwikkelingen als de financiële crisis (periode 2009 – 2015) of wijzigingen in wet- en regelgeving (bijvoorbeeld op gebied van stikstof vanaf 2019) ook een belangrijke rol. Dit kan in het geval van Valkenburg het beste worden geïllustreerd aan de hand van de volgende tijdsbeschrijving op hoofdlijnen:
In periodes van langdurige bestuurlijke onderhandelingen komt het regelmatig voor dat er druk komt op de onderlinge relaties. De belangrijke mijlpaal van een door de gemeenteraad van Katwijk vastgesteld bestemmingsplan is inmiddels bereikt. Ik ga ervanuit dat we zo snel mogelijk met de bouw van de woningen kunnen starten om daarmee een bijdrage te leveren aan de grote woningbouwopgave in deze regio.
Met welk doel is het Rijksvastgoedbedrijf op pad gestuurd; met het genereren van maximale opbrengst of met het bezit bijdragen aan maximale welvaart?
Zie de beantwoording van vraag 2.
Heeft het Rijksvastgoedbedrijf wel opvolging gegeven aan aangenomen Kamermoties om voldoende betaalbare woningen te realiseren? Waaruit blijkt dat dan?
De gebiedsontwikkeling loopt sinds 2006 en het Rijksvastgoedbedrijf heeft te voldoen aan de kaders die daarvoor vastgesteld zijn. Het woningbouwprogramma is destijds op aangeven van lokale en regionale wensen en beleidskaders tot stand gekomen en kent de volgende uitgangspunten: een programma van oorspronkelijk 5.000 woningen, waarbij 70% van het programma voor de regio is bestemd en 30% voor de Katwijkse bevolking. Het programma bevat 500 woningen in een topwoonmilieu, dit is een beleidsopdracht vanuit de toenmalige Ministeries van VROM en EZ en is tevens onderdeel van het provinciaal beleid. Het resterende programma van 4.500 woningen bestaat voor 25% uit sociale huurwoningen, een percentage dat in regioverband is bepaald (Holland Rijnland).
Begin 2020 heeft de gemeente Katwijk de wens uitgesproken om in Valkenhorst meer betaalbare woningen te realiseren. Dit heeft geleid tot een aanvullende afspraak tussen de provincie Zuid-Holland, de gemeenten Katwijk en Wassenaar en het Rijksvastgoedbedrijf om het bestaande woningbouwprogramma met 600 betaalbare woningen uit te breiden (bestuurlijke afspraak 2020). Deze extra 600 betaalbare woningen worden in deelgebied 1 gerealiseerd. Deelgebied 1 heeft 3.500 woningen waarvan circa 50% in het betaalbare segment (inclusief sociaal). De totale ontwikkeling van 5.600 woningen bestaat voor 36% uit betaalbare woningen en bevat 500 woningen in het topwoonmilieu. Medio 2020 zijn de contracten en financiële afspraken hierover afgerond en vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst. Recent heb ik tijdens mijn werkbezoek aan voormalig vliegkamp Valkenburg aangegeven een onderzoek te steunen naar hoe het aandeel betaalbare woningen in de volgende deelgebieden kan worden vergroot. Het is de bevoegdheid van provincie om met gemeenten programmatische afspraken te maken. Het is aan gemeenten om beleidsmatige wijzigingen in het programma door te voeren.
Het Rijksvastgoedbedrijf is een agentschap en zal daarom moeten voldoen aan het kader dat een gebiedsontwikkeling ten minste financieel neutraal moet zijn (het schrijven van zwarte cijfers). Bij het afwijken van lopende contracten en bij uitvoering van moties (vergroten aandeel betaalbare woningen op Rijksgrond) is dit kader ook van toepassing. Gezien de fase waarin het project zich bevindt zullen aanvullende middelen nodig zijn om woningen in de vrije sector om te zetten naar betaalbare woningen.
Als reactie op de aangenomen motie Grinwis is mijn ministerie een onderzoek gestart naar de mogelijkheden om op rijksgronden meer betaalbare woningbouw te realiseren. De uitkomst van dit (nog lopende) onderzoek wordt op afzienbare termijn verwacht en met uw Kamer gedeeld.
Daarnaast heb ik de woningbouwimpuls (WBI) om projecten met minimaal 50% betaalbare woningen financieel te ondersteunen. De gemeente Katwijk heeft hieruit reeds middelen toegekend gekregen voor de ontwikkeling van het eerste deelgebied van locatie Valkenburg.
Komt het vaker voor dat het Rijksvastgoedbedrijf de bouw van betaalbare woningen belemmert en bemoeilijkt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom is dit dan in Katwijk wel zo gegaan?
Zie de beantwoording van vragen 2, 4 en 6.
Bent u bereid het Rijksvastgoedbedrijf expliciet opdracht te geven om bij te dragen aan maatschappelijke doelen zoals leefbare wijken en betaalbare woningbouw in plaats van alleen te sturen op financiële criteria?
Zie beantwoording van vraag 2 en 6.
Woonwagenbewoners die op zwarte lijsten staan bij gemeenten. |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Woonwagenbewoners op zwarte lijst bij gemeenten: nationale waakhond doet onderzoek»?1
Ja.
Klopt het dat woonwagenbewoners bij veel gemeenten op een zwarte lijst staan en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid deze lijsten heeft opgesteld? Zo ja, wat wordt er in dit kader onder woonwagenbewoners verstaan en deelt u de mening dat dit moet stoppen?
De checklist is niet door het Ministerie van Justitie en Veiligheid opgesteld. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is opgesteld door de landsadvocaat in opdracht van het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO) en besproken in een klankbordgroep waarin gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid hebben deelgenomen. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is op 20 februari 2020 door de Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer verzonden.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid houdt niet bij, en heeft ook geen weet van anderen die bijhouden, welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft mij laten weten dat de checklist onderdeel uitmaakt van het Model Privacy Protocol Binnengemeentelijke gegevensdeling bij de aanpak van ondermijning (hierna: modelinformatieprotocol). Dit modelinformatieprotocol is bedoeld als handleiding en maakt inzichtelijk op welke wijze op dit terrein binnen een gemeente rechtmatig de informatiedeling kan worden ingericht. Aan de hand van de checklist kunnen signalen (op grond van een aantal kenmerken en indicatoren) worden beoordeeld. Het modelinformatieprotocol is opgesteld naar het voorbeeld van het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. De checklist is ook overgenomen uit het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. Ten tijde van het opstellen van het modelinformatieprotocol golden woonwagencentra in Rotterdam als een handhavingsknelpunt.2 Dit betekende dat het in Rotterdam van belang was om alert te zijn ten aanzien van signalen die hierop betrekking hadden. Doordat de checklist van Rotterdam is overgenomen, zijn bewoners van woonwagencentra, naast eigenaren en huurders, ook opgenomen in de checklist van het modelinformatieprotocol. Overigens met de uitdrukkelijke kanttekening dat de checklist «vanzelfsprekend» kan worden aangepast al naar gelang de eigen gemeentelijke praktijk en ervaringen. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van gemeenten – om desgewenst met behulp van het modelinformatieprotocol en de checklist – binnen de bestaande wettelijke kaders gegevens uit te wisselen.
Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is onjuist. De Minister van Justitie en Veiligheid zal verzoeken de checklist op dit punt aan te laten passen.
Deelt u de mening dat het zijn van een woonwagenbewoner een fundamentele uiting is van iemands identiteit en dat daarmee het bijhouden van lijsten van woonwagenbewoners waarin zij in verband worden gebracht met veiligheidsdreigingen een vorm is van etnisch profileren? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 14 december 20213 bent u geïnformeerd over het mensenrechtelijk toetsingskader dat het College voor de Rechten van de Mens (het College) heeft opgesteld. Daarin staan de juridische maatstaven om te bepalen wanneer risicoprofielen leiden tot (directe of indirecte) discriminatie op grond van de ras (waaronder etniciteit valt) of nationaliteit.
Het College hanteert volgens dit toetsingskader een ruime definitie van het begrip «ras». Zo vallen woonwagenbewoners die zich «van generatie op generatie als zodanig manifesteren en die zich beschouwen als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur» volgens het College ook onder het begrip «ras».
Uit het toetsingskader komt duidelijk naar voren dat etniciteit nooit als enige of doorslaggevende criterium gebruikt mag worden en dat een onderscheid dat mede gebaseerd is op etniciteit slechts in uitzonderlijke situaties objectief gerechtvaardigd kan zijn. Daar moeten volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zeer zwaarwegende redenen voor zijn. Onomstotelijk moet worden aangetoond dat het onderscheid niet alleen geschikt is om een legitiem doel te bereiken, maar tevens noodzakelijk is.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in dit toetsingskader. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en discriminatie is verboden. Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is onjuist. De Minister van Justitie en Veiligheid zal verzoeken de checklist op dit punt aan te laten passen.
Deelt u de mening dat het stigmatiserend en discriminerend is dat woonwagenbewoners bij veel gemeenten op een zwarte lijst staan? Zo ja, kunt u uw antwoord nader toelichten en daarin meenemen hoe u hiertegen zult optreden? Zo nee, waarom niet?
Dat woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren van woonwagens, als groep worden genoemd op de checklist ten behoeve van signaalanalyse is verkeerd en draagt bij aan stigmatisering.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in het toetsingskader van het College. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en daarom kunnen afkomstgerelateerde criteria niet of alleen in uitzonderlijke gevallen en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden toegepast.
De Minister van Justitie en Veiligheid zal het SBO (als opdrachtgever van het modelprotocol) verzoeken de checklist aan te laten passen, waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College.
Worden er nog meer lijsten gebruikt in Nederland die discriminerend en/of stigmatiserend zijn voor woonwagenbewoners?
Een uitputtend overzicht waar risicoprofilering wordt gebruikt binnen de overheid is er op dit moment niet. De Staatssecretaris van BZK coördineert nu de uitvoering van het onderzoek naar discriminerende risicomodellen op basis van moties Marijnissen c.s. en Klaver c.s.4 (hierna Motie#21). Onderdeel van dit onderzoek is het stopzetten van het gebruik ervan en het opruimen van vervuilde data binnen de overheid. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd door middel van de tweede voortgangsrapportage. Op 25 mei is over dit onderwerp een technische briefing geweest. In oktober van dit jaar volgt de volgende voortgangsrapportage over de uitvoering van deze motie.
Kunt u uitsluiten dat woonwagenbewoners vanwege deze lijst onterecht of onevenredig hard in verband zijn gebracht met zware criminaliteit ten opzichte van andere inwoners en dat ze hierdoor ook benadeeld zijn geweest?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid houdt niet bij, en heeft ook geen weet van anderen die bijhouden, welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn geen signalen bekend dat het gebruik van de checklist heeft geleid tot een werkwijze van gemeenten waarbij individuele burgers zijn opgenomen in een registratie. Noch dat het modelinformatieprotocol in bredere zin daaraan heeft bijgedragen of dat hiervan voorheen sprake was.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de woordvoerder van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) Michel de Vroege «op woonwagenkampen spelen veel zaken die het daglicht niet kunnen verdragen» stigmatiserend is? Zo ja, bent u bereid om ervoor te zorgen dat hij deze woorden inslikt en excuses maakt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie (CCV) is geen onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het is een onafhankelijke stichting die ten doel heeft veiligheidsproblemen in kaart te brengen en op te lossen. Verantwoordelijkheid voor eventuele uitspraken ligt bij het CCV.
Het Ministerie van JenV heeft mij laten weten te erkennen dat het benoemen als groep van woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren van woonwagens, op de checklist ten behoeve van signaalanalyse verkeerd is en draagt bij aan stigmatisering. Zoals aangegeven is de Minister van Justitie en Veiligheid voornemens de checklist aan te laten passen waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College.
Is het u bekend dat woonwagenbewoners zich in meer gevallen onrechtvaardig behandeld voelen door de overheid, bijvoorbeeld in het geval van Bibob-beleid van gemeenten, doorzoekingen of beleid dat zonder medeweten van betrokkenen wordt opgesteld? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Het is mij bekend dat woonwagenbewoners zich in meer gevallen onrechtvaardig behandeld voelen. Het mensenrechtelijke toetsingskader van het College waarover uw Kamer is geïnformeerd bij brief van 14 december 20215 biedt hier een belangrijk instrument waaraan overheidsorganisaties zorgvuldig moeten toetsen. Met de toepassing van dit instrument voorkomt de overheid discriminatoir handelen.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat voor institutioneel racisme geen plek is in onze samenleving en dat overheidsorganisaties hierbij het goede voorbeeld moeten geven. Discriminatie kan en mag niet. Het non-discriminatiebeginsel uit het eerste artikel van onze Grondwet is daar heel helder over. De overheid heeft daarbij een belangrijke voorbeeldrol. Een eerlijke en onbevooroordeelde behandeling staat aan de basis van het vertrouwen in de overheid.
Het kabinet heeft hiervoor reeds maatregelen getroffen. Zo is bijvoorbeeld de ondersteunende capaciteit van het College versterkt om trainingen te bieden aan medewerkers van uitvoeringsinstanties om hun eigen vooroordelen te herkennen, wordt momenteel uitvoering gegeven aan het onderzoek naar discriminerende risicomodellen op basis van Motie#21 en is het kabinet bezig de positie van de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) te versterken. Rond de zomer wordt het Nationaal Programma van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) verwacht. Daarin is een integraal beeld van alle beleidsplannen en nieuwe voornemens opgenomen.
Het bericht ‘Grote woorden winnen in politiek Maastricht van sympathie’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Hilde Palland (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Grote woorden winnen in politiek Maastricht van sympathie»1 en het feit dat er in de gemeenteraad Maastricht discussie is ontstaan over de uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 25/4/2022 inzake de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo-)regeling voor grensondernemers, welke regeling de gemeente Maastricht uitvoert/heeft uitgevoerd voor de groep grensondernemers?
Ja, ik ben bekend met het krantenbericht. Van hetgeen precies speelt binnen de gemeenteraad ben ik niet op de hoogte. Dat is voor de gemeente Maastricht.
Wat is uw reactie op de ontstane discussie in de gemeenteraad?
Als Minister laat ik mij niet uit over hetgeen in een gemeenteraad speelt. Dat is aan de gemeente zelf.
Klopt het dat er inmiddels hoger beroep is ingesteld? Kunt u aangeven wat de redenen daarvoor zijn? Heeft het ministerie zich daarbij gevoegd?
Ja, ik verwijs verder naar de brief die ik op 16 juni 2022 aan de Kamer hierover heb gestuurd. Ik breng nog onder de aandacht dat in twee rechtszaken hoger beroep is ingesteld. In één van de twee zaken is het niet de gemeente Maastricht maar de grensondernemer die het hoger beroep heeft ingesteld. Deze grensondernemer is door de rechtbank in het ongelijk gesteld. Het ministerie wil als belanghebbende partij deelnemen aan beide beroepszaken.
Acht u het proportioneel dat, om eventueel verduidelijking te krijgen omtrent het hybride karakter van de Tozo-regeling, de getroffen ondernemers (nog langer) moeten wachten?
Het is belangrijk voor iedereen, dat de CRvB duidelijkheid geeft over de kwestie die speelt in de twee rechtszaken. De CRvB zal zich in deze procedures uitspreken over de vraag of de vrijheid van vestiging eraan in de weg staat, dat bijstand voor levensonderhoud niet wordt verstrekt aan (bepaalde) personen die niet in Nederland wonen. Uit het in Nederland afgesproken systeem volgt in deze zaken, dat het hoger beroep de uitvoering van de gevolgen van de uitspraak van de Rechtbank opschort, omdat de Tozo is gebaseerd op de Participatiewet.
Zijn er andere mogelijkheden om verduidelijking te krijgen omtrent de duiding en eventuele gevolgen van het «hybride karakter» van de Tozo-regeling anders dan via een hoger beroep? Wordt die weg (ook) bewandeld?
Het is altijd mogelijk om (juridische) experts te raadplegen om verduidelijking proberen te verkrijgen over de duiding en eventuele gevolgen van het «hybride karakter» van de Tozo-regeling. Elke geraadpleegde expert kan daarbij vanuit een bepaalde (juridische en/of feitelijke) invalshoek een advies geven. Zo’n advies is niet altijd eenduidig omdat zaken verschillend kunnen worden gewogen. Daarom is het goed dat nu de hogere (bestuurs)rechter deze zaak op een onafhankelijke en onpartijdige wijze gaat beoordelen.
Klopt het dat de Europese Commissie eerder vragen heeft gesteld aan Nederland over de Tozo-regeling in relatie tot het principe van vrije vestiging en Nederland daar nog geen reactie op heeft gegeven? Zo ja, wanneer verwacht Nederland de vragen van de Europese Commissie te beantwoorden? Kunt u de reactie alsdan ook ter informatie met de Tweede Kamer delen?
Zoals Uw Kamer bekend is heeft de EK bij brief van 2 december 2020 gevraagd naar de reactie van de Europese Commissie op de beantwoording van de vraag of het niet-exporteren van de Tozo een belemmering is voor de vrijheid van vestiging. Mijn ambtsvoorganger heeft hier bij brief van 28 januari 2021 antwoord op gegeven. Uw Kamer heeft daar gelijktijdig een afschrift van ontvangen.
Bent u van plan om in de toekomst de grenswerkers mee te nemen in alle nieuwe (tijdelijke) regelingen en de regelingen te toetsen aan de grensregio toetsing?
In brede zin heeft het kabinet aandacht voor knelpunten in de grensregio’s. Recent heeft de Minister van BZK hier namens het kabinet een brief over geschreven aan uw Kamer2. Daaruit blijkt dat een gerichte aanpak van knelpunten van waarde kan zijn, bewustwording en toetsing van beleid aan de voorkant negatieve grenseffecten mogelijk kan voorkomen, en dat de aanpak van (grens)belemmeringen in grensregio’s verder ter hand zal worden genomen.
Nederland hanteert, net als andere EU-lidstaten, het territorialiteitsbeginsel. Dat betekent dat alleen mensen die rechtmatig in een bepaalde lidstaat woonachtig zijn aanspraak kunnen maken op sociale bijstand in die bepaalde lidstaat.
Het bericht 'Woonwagenbewoners op de zwarte lijsten bij gemeenten: nationale waakhond doet onderzoek' |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Woonwagenbewoners op zwarte lijst bij gemeenten: nationale waakhond doet onderzoek»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle gemeenten die met deze checklist werken en hebben gewerkt?
Er wordt – voor zover ik weet – niet bijgehouden welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt. De checklist maakt onderdeel uit van het Model Privacy Protocol Binnengemeentelijke gegevensdeling bij de aanpak van ondermijning (hierna: modelinformatieprotocol). Dit modelinformatieprotocol is bedoeld als handleiding en maakt inzichtelijk op welke wijze op dit terrein binnen een gemeente rechtmatig de informatiedeling kan worden ingericht. Aan de hand van de checklist kunnen signalen (op grond van een aantal kenmerken en indicatoren) worden beoordeeld. De checklist kan worden aangepast aan de eigen gemeentelijke praktijk. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van gemeenten – om desgewenst met behulp van het modelinformatieprotocol en de checklist – binnen de bestaande wettelijke kaders gegevens uit te wisselen.
Klopt het dat de «checklist ten behoeve van de signaalanalyse» is opgesteld door uw ministerie? Zo niet, was u wel op de hoogte van het bestaan van deze checklist?
In het kader van de aanpak van ondermijning heeft uw Kamer gevraagd naar de mogelijkheden van binnengemeentelijke informatiedeling. Mijn voorganger heeft uw Kamer in het plenair debat Drugs (11 september 2019, Handelingen II 2019/20, nr. 107, items 6 en 9) toegezegd die mogelijkheden in kaart te brengen en het daaruit voortvloeiende modelinformatieprotocol aan uw Kamer te zenden. Het modelinformatieprotocol, inclusief checklist, is op 20 februari 2020 met uw Kamer gedeeld.2
De checklist is niet door mijn ministerie opgesteld. Wel was uiteraard mijn departement op de hoogte van het bestaan. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is opgesteld door de landsadvocaat in opdracht van het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO)3 en besproken in een klankbordgroep waarin gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en mijn eigen departement hebben deelgenomen. Aan de basis van het modelinformatieprotocol staat het privacy protocol dat eerder door de gemeente Rotterdam is vastgesteld. De checklist is overgenomen uit het privacy protocol van de gemeente Rotterdam.
Wanneer is deze werkwijze en registratie begonnen? Was er voor de ingebruikname van deze checklist een voorloper van deze registratie?
Er zijn mij geen signalen bekend dat het gebruik van de checklist heeft geleid tot een werkwijze van gemeenten waarbij individuele burgers zijn opgenomen in een registratie. Noch dat het modelinformatieprotocol in bredere zin daaraan heeft bijgedragen of dat hiervan voorheen sprake was. Het is uitdrukkelijk ook niet de bedoeling dat op basis van het modelinformatieprotocol individuele burgers worden geregistreerd, de checklist geeft daartoe aanleiding noch grondslag. Het modelinformatieprotocol is juist bedoeld als handleiding voor gemeenten en maakt de wettelijke mogelijkheden tot gegevensdeling binnen een gemeente bij de aanpak van ondermijning inzichtelijk.
Hoe staat u tegenover het feit dat woonwagenbewoners, bestaande uit Sinti, Roma, Yenishe en Reizigers, als specifieke groep genoemd worden als indicator voor ondermijnende criminaliteit?
Aan de hand van de checklist kan worden stapsgewijs worden beoordeeld of een signaal mogelijk betrekking heeft op ondermijning. In stap 1 wordt een aantal categorieën personen benoemd die onderdeel zouden kunnen zijn van een signaal. De categorieën personen zijn neutraal geformuleerd in begrippen als «huurder», «geldschieter», «tussenpersoon». Woonwagencentra worden onder het kopje «overig» genoemd als een voorbeeld van een regionaal thema of handhavingsknelpunt. Hierbij wordt tussen haakjes een korte opsomming van voorbeelden genoemd, namelijk: eigenaren woonwagens, huurders en bewoners. Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is verkeerd, want dit kan stigmatiserend werken. De checklist dient wat betreft dit punt dan ook aangepast te worden.
Kunt u uitleggen waarom u woonwagenbewoners als specifieke groep heeft uitgezonderd en toegevoegd aan deze checklist als een indicator voor ondermijnende criminaliteit?
Het modelinformatieprotocol is opgesteld naar het voorbeeld van het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. De checklist, inclusief de verwijzing naar woonwagenbewoners (en eigenaren en huurders van woonwagens), is ook overgenomen uit het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. De reden waarom de gemeente Rotterdam deze specifieke groep heeft opgenomen in hun checklist, is omdat destijds woonwagencentra in Rotterdam golden als een handhavingsknelpunt.4 Dit betekende dat het in Rotterdam van belang was om alert te zijn ten aanzien van signalen die hierop betrekking hadden. De Rotterdamse checklist is vervolgens overgenomen in het modelinformatieprotocol. Overigens met de uitdrukkelijke kanttekening dat de checklist «vanzelfsprekend» kan worden aangepast al naar gelang de eigen gemeentelijke praktijk en ervaringen.
Kunt u precies uitleggen hoe en waarom het bewonen van een woonwagen indicatief is van ondermijnende criminaliteit? Zo ja, kunt u dit uitgebreid uiteenzetten? Zo nee, waarom worden woonwagenbewoners dan specifiek genoemd als indicator voor ondermijnende criminaliteit?
Het bewonen van een woonwagencentrum is op zichzelf niet «indicatief» van ondermijnende criminaliteit. Aan de hand van de checklist wordt stapsgewijs beoordeeld of een signaal betrekking heeft op ondermijning. Voor de beoordeling van een signaal is van belang wat het signaal inhoudt en of het betrekking heeft op ondermijning. Dat betreft de eerste weging. Een signaal wordt bij de intake beoordeeld op grond van een aantal kenmerken en indicatoren. Personen betrokken bij een regionaal thema of een handhavingsknelpunt (zie antwoord op vraag5 kunnen een relevant onderdeel zijn van een signaal. Een deel van ondermijnende criminele activiteiten kan gebiedsgebonden zijn. Dat betekent dat bepaalde gebieden of knooppunten kwetsbaar zijn voor criminaliteit, zogenoemde «vrijplaatsen». Daarbij kan gedacht worden aan (jacht)havens, bepaalde winkelgebieden, bedrijventerreinen, vakantieparken en – als daar lokaal een handhavingsknelpunt ligt – woonwagencentra. Daarna zijn er volgens de checklist nog twee stappen om de beoordeling van het signaal te voltooien. Daarbij wordt eerst gekeken naar bepaalde verdere kenmerken van het signaal en ten slotte naar concrete indicatoren («red flags»). Pas daarna kan eventueel gesproken worden van een signaal (indicatief) van ondermijnende criminaliteit. Het mag duidelijk zijn dat het verkeerd is dat de focus op een specifieke groep personen wordt gelegd. Het is onjuist en draagt bij aan stigmatisering. Ik ben dan ook voornemens om het modelinformatieprotocol aan te laten passen.
Hoe duidt u het uitzonderen van een specifieke groep mensen, op basis van etniciteit, als indicator voor ondermijnende criminaliteit?2 Bent u van mening dat dergelijke uitzondering voldoet aan het artikel 1 van de Nederlandse Grondwet? Waarom wel, of waarom niet?
Bij brief van 14 december 20217 bent u geïnformeerd over het mensenrechtelijk toetsingskader dat het College voor de Rechten van de Mens (het College) heeft opgesteld. Daarin staan de juridische maatstaven om te bepalen wanneer risicoprofielen leiden tot (directe of indirecte) discriminatie op grond van de ras (waaronder etniciteit valt) of nationaliteit.
Het College hanteert volgens dit toetsingskader een ruime definitie van het begrip «ras». Zo vallen woonwagenbewoners die zich «van generatie op generatie als zodanig manifesteren en die zich beschouwen als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur» volgens het College ook onder het begrip «ras».
Uit het toetsingskader komt duidelijk naar voren dat etniciteit nooit als enige of doorslaggevende criterium gebruikt mag worden en dat een onderscheid dat mede gebaseerd is op etniciteit slechts in uitzonderlijke situaties objectief gerechtvaardigd kan zijn. Daar moeten volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zeer zwaarwegende redenen voor zijn. Onomstotelijk moet worden aangetoond dat het onderscheid niet alleen geschikt is om een legitiem doel te bereiken, maar tevens noodzakelijk is.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht, zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in dit toetsingskader. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en daarom kunnen afkomstgerelateerde criteria niet of alleen in uitzonderlijke gevallen en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden toegepast. Overheidsorganisaties die gebruik maken van risicoprofielen moeten zich ervan bewust zijn dat dit onderscheid het risico van discriminatie met zich mee brengt. En discriminatie is verboden. Het non-discriminatiebeginsel uit het eerste artikel van onze Grondwet is daar heel helder over.
Bent u van mening dat dergelijke uitzondering bijdraagt aan de jarenlange stigmatisering en discriminatie van woonwagenbewoners, en dus Sinti, Roma, Yenishe en Reizigers, in Nederland, en zelfs versterkt? Waarom wel, of waarom niet?
Dat woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren, als groep worden genoemd op de checklist ten behoeve van signaalanalyse is verkeerd. Het is onjuist en draagt bij aan stigmatisering. Ik ben dan ook voornemens om het modelinformatieprotocol aan te laten passen, waarbij ook het mensenrechtelijke toetsingskader van het College zal worden betrokken.
Klopt het dat woordvoerders van het ministerie deze werkwijze blijven onderschrijven en er geen probleem in zien? Hoe verhoudt die houding zich tot de verplichting van de overheid om alle burgers gelijk te behandelen?
Nee, dit klopt niet.
Bent u voornemens om de checklist te veranderen en verdere stigmatisering en verdachtmaking van woonwagenbewoners een halt toe te roepen? Zo ja, wanneer kunnen we verwachten dat woonwagenbewoners als groep van de checklist zijn afgehaald? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik zal de checklist aan laten passen in samenspraak met het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO) – de opdrachtgever van het modelinformatieprotocol – en gemeenten. Hierbij zal de focus gelegd worden op gebieden die kwetsbaar zijn voor criminaliteit (de «vrijplaatsen») en waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College. Ik verwacht dat dit tijdens de eerstvolgende bijeenkomst van het SBO in september 2022 afgerond kan worden.
Bent u bereid de vergaarde gegevens te wissen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven zijn mij geen signalen bekend dat er gemeenten zijn die een werkwijze hebben (gehanteerd) waarbij individuele burgers zijn opgenomen in een registratie. Voor de zekerheid zal ik in samenspraak met de VNG en gemeenten erop wijzen dat dit uitdrukkelijk niet bedoeling is.
Het onderzoek 'De staat van privacy bij gemeenten' van Bits of Freedom. |
|
Bouchallikh |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Bent u bekend met het onderzoek van Bits of Freedom, waarin zij concludeerden dat negen van de tien grootste gemeenten zich onvoldoende aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) houden, onder meer omdat gemeenten onvoldoende overzicht hebben over de gegevens die ze verwerken en beveiligen, en hoe er met verzoeken van burgers wordt omgegaan om hun gegevens in te zien?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit onderzoek.
Hoe verklaart u dat deze gemeenten onvoldoende en onzorgvuldig omgaan met gegevens van hun inwoners, terwijl de AVG al vier jaar van kracht is, en de gemeente Utrecht, als enige, zich wel houdt aan deze verordening?
De praktijk van digitalisering blijkt weerbarstig. Gemeenten hebben te maken met veel informatiesystemen die hen helpen om hun taken uit te voeren. Wanneer daarbij persoonsgegevens worden verwerkt, moeten deze processen in overeenstemming met de AVG worden uitgevoerd. Dit blijkt helaas niet altijd het geval te zijn. Het onderzoek van BoF noemt mogelijke oorzaken, zoals capaciteitsproblemen waardoor er onvoldoende middelen worden vrijgemaakt voor gegevensbescherming. Desalniettemin mag de samenleving van de overheid verwachten dat zij de huishouding op orde heeft en dat de overheid zelf voldoet aan de standaarden van het gegevensbeschermingsrecht. Ook bij deze gelegenheid wil het kabinet nogmaals tot uitdrukking brengen dat wanneer de overheid het in haar gestelde vertrouwen beschaamt, het kabinet zich dat aan trekt. Daarom zal ik in gesprek treden met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en gemeenten om te kijken op welke wijze het kabinet kan ondersteunen bij het op orde krijgen van hun informatiehuishouding, tegelijkertijd verwacht ik van hen een concreet plan hoe de naleving van de AVG op orde gebracht kan worden.
In zijn algemeenheid heeft de naleving van de AVG door overheden, waaronder gemeenten, al langer de zorg van zowel het vorige als het huidige kabinet. Graag verwijs ik in dit verband naar de Kamerbrief d.d. 29 april jl.2, waarin ik met de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het belang heb onderstreept dat juist overheden de AVG naleven. Om te onderzoeken waarom dit nog lang niet altijd goed gaat, is – zoals in voornoemde brief gemeld – het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) momenteel doende met onderzoek hiernaar. De resultaten worden na de zomer verwacht. We verwachten dat dit onderzoek mede inzicht geeft in de door BoF geconstateerde lacunes in de naleving.
Wat voor beeld vindt u dat het geeft aan andere organisaties dat een voorbeeldorganisatie als de gemeente zich niet houdt aan de AVG?
Wij staan achter de zienswijze van het vorige kabinet3 dat de overheid zelf voorop moet lopen bij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens. De overheid heeft immers een voorbeeldfunctie bij de naleving van wettelijke en verdragsrechtelijke normen. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens goed zijn beschermd wanneer deze worden verwerkt door de overheid. Duidelijk mag dan ook zijn dat wij vinden dat alle gemeenten, net als een ieder die persoonsgegevens verwerkt, zich moeten houden aan de AVG.
Erkent u dat dit niet een alleenstaand incident is, maar dat het niet naleven van de AVG een probleem is in meerdere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst?2 Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat doet u nu concreet na dit soort incidenten en hoe voorkomt u dat wij hoppen van digitaal schandaal naar digitaal schandaal?
De samenleving mag van de overheid verwachten dat zij de huishouding op orde heeft en dat de overheid voldoet aan de standaarden van het gegevensbeschermingsrecht. Naast het onder antwoord 2. genoemde WODC-onderzoek, waaruit vervolgacties zullen voortkomen, spant het kabinet zich op verschillende manieren ervoor in om de informatiehuishouding van de rijksoverheid op orde te brengen.
Zo wordt gewerkt aan versteviging van privacy binnen overheidsorganisaties.5 Tevens wordt door de Minister voor Rechtsbescherming gekeken naar de huidige rol van de Functionaris Gegevensbescherming (FG) als toezichthouder binnen een organisatie. Onderzocht wordt of deze functie verder kan worden versterkt.
Op het gebied van transparantie bij algoritmische systemen, is het kabinet bezig algoritmeregisters op te zetten, wat uiteindelijk voor overheidsorganisaties wettelijk verplicht zal zijn.6 Doordat de overheid open en transparant moet functioneren, maakt dit de toepassing van algoritmes door de overheid inzichtelijk en toetsbaar. Tevens ontwikkelt het kabinet een implementatiekader (inclusief verplichtingen) voor toepassing van algoritmes door de overheid met daarin (deels verplichte) waarborgen die in acht moeten worden genomen bij de inzet van algoritmen, zoals de mensenrechtentoets en extra maatregelen om discriminatie te voorkomen.
Verder ontwikkelt de VNG een «raadacademie» die beoogt de digitale geletterdheid van raadsleden te verbeteren zodat zij beter in staat zijn om een controlerende functie uit te oefenen. Tot slot worden er plannen gemaakt voor een «aanjaagteam digitale grondrechten en ethiek» en denkt de VNG mee bij de doorontwikkeling en implementatie van Code Goed Digitaal Openbaar Bestuur (CODIO).7
Hoe gaat u deze gemeenten op de korte termijn helpen om wel te voldoen aan de regels van de AVG, die inmiddels al vier jaar verplicht zijn?
Zie voorgaande vraag. Ik ga de instrumenten genoemd in het vorige antwoord beter onder de aandacht brengen van gemeenten, samen met de VNG. Gemeenten blijven natuurlijk altijd zelf verantwoordelijk voor hun informatiehuishouding en het naleven van de AVG.
Deelt u de constatering dat er onvoldoende budget is voor elke Functionaris Gegevensbescherming (FG) van elke gemeente om intern onderzoek te doen en dat deze problematiek samenhangt met het tekort aan budget voor de Autoriteit Persoonsgegevens om al hun taken een waardevolle invulling te geven? Ziet u ook in dat ondanks de recente verhoging van het budget van de Autoriteit Persoonsgegevens, dit onvoldoende is voor alle wettelijke verantwoordelijkheden die zij nu hebben en gaan krijgen, als «Algoritme Waakhond»?
Eind 2020 deed KPMG-onderzoek naar de capaciteit die de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) nodig heeft. Dat leverde een bandbreedte op van 19 tot 45 miljoen euro. Ten tijde van het KPMG-onderzoek bedroeg het budget van de Autoriteit Persoonsgegevens € 19 miljoen euro. Met het coalitieakkoord is dit uitgebreid tot (afgerond) € 28,7 miljoen in 2022. In de komende jaren stijgt dit door tot € 35 miljoen in 2027. Dit is nog zonder de algoritmetoezichthouder, waarvan de invulling momenteel wordt uitgewerkt. Het budget beweegt zich dus binnen de bandbreedtes die KPMG had bepaald. Het kabinet is niet van mening dat er te weinig geld is voor de AP en ziet om die reden niet de door de vraagsteller gesuggereerde samenhang.
Hoe beoordeelt u het feit dat uit dit onderzoekt blijkt dat er veel verschil bestaat tussen gemeenten rondom de frequentie van verslagen van de interne toezichthouders (FG’s) en dat dit soms per kwartaal gebeurt, soms jaarlijks en soms nooit? Deelt u de mening dat er meer sturing nodig is op verslaggeving door de FG’s binnen gemeenten, bijvoorbeeld in de vorm van richtlijnen die opgezet worden door de VNG?
De FG is van groot belang. Zoals ik in antwoord op vraag 5 reeds aangaf, dient de FG als toezichthouder binnen de organisatie. Deze kan ook aan de bel trekken als er iets niet in de haak is en moet de organisatie doorlopend monitoren. De FG moet daarom serieus worden gesteund door de organisatie en voldoende toegang en middelen krijgen. Daarom organiseert de Informatiebeveiligingsdienst (IBD) via verschillende FG-collectieven kennisdeling en kennisvermeerdering.8 Ook biedt de AP op diverse manieren ondersteuning aan FG’s, zoals door een speciale FG-contactkanalen.
Hoe gaat u gemeenteraden ondersteunen met het uitoefenen van de democratische controle over de inzet van data- en gegevensverwerking, om de verplichting van de AVG dat gemeenten verantwoording dienen af te leggen aan de gemeenteraad te vervullen?
Het uitgangspunt is dat de overheid zich bij al haar handelen houdt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het legitimiteitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot de inachtneming daarvan behoort ook naleving van de AVG. Waar mogelijk wil ik, samen met de VNG, gemeenten daarmee helpen door bijvoorbeeld de uitwisseling van best practices te stimuleren. De VNG is momenteel al bezig met de ontwikkeling van een raadsacademie om de digitale geletterdheid van raadsleden te verbeteren. Daarnaast is de VNG voornemens dit jaar nog onderzoek te doen naar de mogelijke rol van lokale rekenkamers in het versterken van het controlerend vermogen van gemeenteraden. Tot slot komt het onderwerp terug op verschillende bijeenkomsten, zoals De Raad op Zaterdag.9
Wat vindt u van de conclusie dat «gemeenten willen rennen voordat ze kunnen lopen», omdat zij toch aan de slag willen met nieuwe technologieën en algoritmen terwijl zij hun basisverplichtingen niet op orde hebben?
Wij zijn het ermee eens dat elke inzet van technologie op een verantwoorde wijze moet gebeuren, vooral wanneer daarbij data worden verwerkt die persoonsgegevens omvatten. Men kan hierbij gebruik maken van de verschillende instrumenten die hiervoor zijn benoemd. Ook digitaleoverheid.nl geeft hiervoor tips. Pas wanneer deze randvoorwaarden zijn vervuld, kunnen gemeenten aan de slag met de wens om met behulp van technologieën maatschappelijke opgaven het hoofd te bieden.
Deelt u de mening dat gemeenten eerst aan de basisvoorwaarden van de AVG moeten voldoen voordat zij kunnen experimenteren met data projecten en algoritmen?
Ook bij experimenten met nieuwe technologieën achten wij het van belang dat de geldende regelgeving wordt gehanteerd en, indien er persoonsgegevens worden verwerkt, conform de AVG gehandeld wordt.
Signalen dat gemeenten slecht voldoen aan de verplichtingen uit de privacywet |
|
Renske Leijten |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Herkent u de signalen dat gemeenten hun informatiehuishouding slecht op orde hebben? Kunt u dit toelichten?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport van Bits of Freedom (BoF) en daaruit blijkt dat de informatiehuishouding bij 10 grote gemeenten niet goed op orde is. Er zijn de afgelopen tijd diverse voorbeelden geweest van overheidsorganisaties waar de naleving van de AVG beter moet. Het achterblijven van de naleving van de AVG vind ik een kwalijke zaak. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens op rechtmatige wijze worden verwerkt, zeker bij de overheid. Om die reden is het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) op ons verzoek momenteel bezig met een onderzoek naar de naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) door overheden.
Naar aanleiding van het rapport van BoF ga ik in gesprek met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en gemeenten om te kijken op welke wijze het kabinet kan ondersteunen bij het op orde krijgen van hun informatiehuishouding. Gemeenten zullen daarmee dan zelf aan de slag moeten; de verantwoordelijkheid voor de naleving van de AVG ligt uiteindelijk bij de gemeente zelf als verwerkingsverantwoordelijke. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 van het lid Bouchallikh (GroenLinks) aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het onderzoek «De staat van privacy bij gemeenten» van Bits of Freedom (ingezonden 9 juni 2022).
Bent u het met de onderzoeker eens dat, voordat gemeenten aan de slag gaan met nieuwe technologieën en data-gedreven werken, eerst de basis op orde moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, ook bij experimenten met nieuwe technologieën achten wij het van belang dat de geldende regelgeving wordt gehanteerd en, indien er persoonsgegevens worden verwerkt, conform de AVG gehandeld wordt.
Hoe verklaart u dat gemeenten te weinig middelen vrijmaken voor gegevensbescherming? Ziet u een verband met de bezuinigingen vanuit het Rijk op gemeenten de afgelopen jaren en het nijpende personeelstekort bij vele gemeenten?2 3 4 5 6 7 8
Het rapport beschrijft dat in de onderzochte gemeenten er onvoldoende middelen worden ingezet, waardoor privacy-teams onderbezet blijken met als gevolg dat er onvoldoende geadviseerd kan worden over gegevensbescherming en -beveiliging. Het kabinet signaleert dat personeelstekorten bij gemeenten ertoe leiden dat bepaalde gemeentelijke taken minder goed kunnen worden uitgevoerd. Veel gemeenten kampen met een groot aantal vacatures. Met betrekking tot het bevorderen van gegevensbescherming bij gemeenten heeft het kabinet naar aanleiding van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) extra geïnvesteerd in informatiehuishouding en dienstverlening bij uitvoeringsorganisaties en gemeenten. Er wordt 150 miljoen structureel geïnvesteerd in gemeenten, die bestemd is als impuls voor onder andere digitale dienstverlening en informatiepunten, robuuste rechtsbescherming, systeemleren, versterking van de uitvoeringscapaciteit en integraal werken. Echter, niet alles is een kwestie van budget. Bewustwording en normbesef zijn begrippen die voor de hele maatschappij gelden: voor iedere burger, ieder bedrijf en iedere organisatie die persoonsgegevens verwerkt. De overheid vormt daarop geen uitzondering. En hoe meer AVG-bewustzijn er is op besluitvormend niveau, hoe meer we voorkomen dat er een werkwijze ontstaat die indruist tegen de AVG.
Ziet u het gevaar van gemeenten die wel gebruik maken van algoritmes en data om fraude op te sporen, maar tegelijkertijd de gegevensbescherming niet op orde hebben?
Dit risico zie ik ook. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
In hoeverre houdt u toezicht op de mate van kwaliteit van gegevensbescherming bij gemeenten? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet houdt geen toezicht op de naleving van de AVG bij gemeenten. Dat is primair de taak van de Functionaris Gegevensbescherming (FG), de interne toezichthouder van de gemeente. Deze rol vindt het kabinet belangrijk en heeft voor de naleving van de AVG een sleutelpositie. De rol van de FG als verlengstuk van de toezichthouder binnen een organisatie is dan ook van groot belang. Daarom onderzoekt de Minister voor Rechtsbescherming of er een nationaal register voor FG’s kan worden opgericht, waarmee we deze functie verder professionaliseren. Daarmee kunnen we een belangrijke stap zetten in het toezicht, ook op overheidsorganisaties. Het toezicht op de toepassing van de AVG in brede zin is belegd bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Kunt u toelichten wat de mogelijkheden zijn tot handhaving zodat gemeenten de gegevensbescherming van mensen op orde krijgen?
Handhaving en toezicht van de AVG zijn taken van de AP. De taken en bevoegdheden van de AP staan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en zijn verder uitgewerkt in de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Alhoewel toezicht vaak wordt benoemd als belangrijkste taak, is voorlichting dat ook. Voorlichting heeft een preventieve werking op de toezichthoudende taak van de AP. Op de website van de AP is voldoende informatie te vinden voor eenieder die persoonsgegevens verwerkt.
Bent u bereid om gemeenten te verbieden gebruik te maken van voorspellende algoritmes zo lang deze niet getoetst zijn en de rechtsbescherming van mensen niet gewaarborgd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Om de rechten van burgers te beschermen, moeten overheden zich aan wet- en regelgeving houden en daarbij wordt nieuwe wet- en regelgeving voorbereid die ook op algoritmische voorspellende besluitvormingssystemen van toepassing is.
Er is al een kader dat voorspellende algoritmen reguleert: de Grondwet en de fundamentele mensenrechten vereisen dat waar een inbreuk op een recht is toegelaten, deze inbreuk wettelijk moet worden geregeld en noodzakelijk en proportioneel moet zijn. Domein-specifieke wetgeving reguleert de bevoegdheid waaruit besluitvorming volgt. Het bestuursprocesrecht stelt regels aan besluitvorming, zoals de motivering ervan en hoor en wederhoor. Het non-discriminatierecht verbiedt het maken van een (ongerechtvaardigd) onderscheid tussen mensen. De privacy- en gegevensbeschermingswetgeving – waaronder de AVG – stelt regels aan het gebruik van persoonsgegevens. De AVG verplicht onder meer tot het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) als een gegevensverwerking een hoog privacy-risico oplevert voor de mensen waarvan de gegevens worden verwerkt. Dat geldt ook als daarvoor een (voorspellend) algoritme waarin persoonsgegevens worden verwerkt wordt ingezet.
Specifiek voor AI-systemen met een hoog risico voor mensenrechten, de gezondheid en veiligheid is er in EU-wetgeving (AI-verordening) in voorbereiding die met name de ontwikkelingsfase van deze systemen verder reguleert.
De AI-verordening, is in belangrijke mate van toepassing op voorspellende algoritmen of algoritmische besluitvormingssystemen bij de overheid. Voor AI-systemen met een hoog risico is voorzien in een set eisen aan de ontwikkeling en ingebruikname van deze systemen waaraan aantoonbaar moet zijn voldaan. Zo moet een risico analyse worden gedaan en worden onder andere eisen gesteld aan de datakwaliteit; de accuraatheid van het systeem; moet het systeem voldoende transparant zijn voor degene die het toepast en moet er adequaat menselijk toezicht op mogelijk zijn. Dit wordt verder uitgewerkt in de werkagenda Digitalisering.
Is er onderzoek gedaan naar de vraag in welke mate lokale volksvertegenwoordigers in staat zijn om hun controlerende taak op dit gebied uit te voeren? Zo nee, bent u daartoe bereid?
In het Adviesrapport «Sturen of gestuurd worden» wijst de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) volksvertegenwoordigers en bestuurders, maar ook de ambtenaren die hen ondersteunen, op de dringende noodzaak om de legitimiteit van sturen met data te waarborgen.9 In het rapport stelt de ROB onder andere dat het noodzakelijk is dat (interbestuurlijke) samenwerking bij digitaliseringsprocessen gebeurt op een manier dat deze rekening houden met publieke waarden, waaronder transparantie en verantwoording. Ik ga graag met de VNG en de Vereniging van Raadsleden in gesprek hoe we de adviezen uit het rapport verder kunnen uitwerken.
Het toepassen van de Wet voorkeursrecht gemeenten op een woonwijk in Arnhem, en de bewoners die daartegen in opstand komen |
|
Sandra Beckerman |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Bent u bekend met het besluit in Arnhem om onder de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), voorkeursrecht te vestigen op een hele woonbuurt (Schaapsdrift en omgeving) en dat bewoners hiertegen in opstand komen?1 2 3
Ja.
Erkent u dat het opleggen van het voorkeursrecht verstrekkende gevolgen heeft voor de bewoners die het betreft, zoals de bewoners hebben aangegeven in de media en in raadsvergaderingen over het voorkeursrecht?
Uit de artikelen blijkt dat bewoners vrezen voor een grootschalige sloop. Of en in hoeverre van sloop sprake zal zijn is onder de huidige Wet voorkeursrecht gemeenten afhankelijk van de vormgeving van het ruimtelijk plan (de structuurvisie en het bestemmingsplan). Een dergelijk plan is er nu niet. In beginsel is er geen rechtstreeks verband tussen het vestigen van een voorkeursrecht en sloop. Niettemin snap ik dat bewoners ongerust zijn door het besluit van de gemeente. Het voorkeursrecht geeft de gemeente, op het moment dat eigenaren vrijwillig tot verkoop willen overgaan, een eerste recht van koop. Gaat de gemeente niet in op een te koop aanbieding, dan staat het de eigenaren gedurende drie jaren vrij aan een ander te verkopen. Gaat de gemeente wel in op de te koop aanbieding, dan kan uiteindelijk de rechter de prijs vaststellen. De koop vindt te allen tijde plaats tegen de marktwaarde van de woning.
Hoe vaak wordt gemiddeld per jaar gebruik gemaakt van de Wvg?
Het Kadaster geeft aan dat vanwege een wijziging in het registratiesysteem van het aantal geregistreerde publiekrechtelijke beperkingen op basis van de Wvg in 2020 het helaas niet (meer) mogelijk is een gemiddelde per jaar op te leveren. Cijfers over de jaren 2020 en ouder kunnen onvolledig zijn, waardoor een eerlijk vergelijking niet langer mogelijk is. Over het jaar 2021 zijn er 191 nieuwe inschrijvingen geweest met betrekking tot de Wvg. Voor het jaar 2022 is dat aantal 47 t/m de maand mei.
Kunt u overzichtelijk maken wat de gevolgen van het aanwijzen van gronden op grond van de Wvg (kunnen) zijn?
Gemeente, provincie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen een voorkeursrecht vestigen op een onroerende zaak, bijvoorbeeld een woning. Als een eigenaar van de onroerende zaak waarop het voorkeursrecht is gevestigd de zaak wil verkopen, moet de eigenaar de onroerende zaak eerst aanbieden aan de overheid die het voorkeursrecht gevestigd heeft. Een voorkeursrecht dwingt de eigenaar of rechthebbende niet tot verkoop. Deze kan zelf beslissen of hij de onroerende zaak of het beperkte recht wil verkopen. Een voorkeursrecht beperkt dus alleen de overdraagbaarheid van de onroerende zaak (de grond en de bouwwerken daarop) en van enkele beperkte rechten op de onroerende zaak. Het vestigen van een voorkeursrecht heeft dus geen rechtstreekse gevolgen voor bewoners van een wijk
Welke voorwaarden ziet u voor gemeenten om de Wet Voorkeursrecht Gemeenten toe te passen op wijken waar al mensen wonen?
De Wvg is op 1 januari 1985 in werking getreden. Het voorkeursrecht mocht destijds alleen worden toegepast in stads- en dorpsvernieuwingsgebieden, juist in wijken waar al mensen wonen. Nadien zijn de toepassingsmogelijkheden uitgebreid en kunnen alle gemeenten (en provincies en het Rijk) een voorkeursrecht vestigen. De wettelijke regeling kent voldoende voorwaarden en rechtswaarborgen voor de eigenaren in deze wijken.
Bent u het met mij eens dat het opleggen van het voorkeursrecht op huizen waar mensen wonen een instrument is met grote gevolgen voor de mensen die er wonen en dat dit instrument terughoudend moet worden ingezet?
Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven beperkt het voorkeursrecht de mogelijkheid om vastgoed te vervreemden. Het is geen inbreuk op het gebruiksrecht noch wordt waarde aan de eigenaar ontnomen. Het is verder een van de instrumenten die de overheid kan inzetten om ruimtelijke doelen te verwezenlijken waaronder ook wijkvernieuwing.
Wat vindt u ervan dat de Wvg is toegepast op de woonwijk Schaapsdrift en omgeving in Arnhem, terwijl er nog geen plan ligt voor het gebied en de betreffende wethouder niet kan aangeven welke alternatieven zijn afgewogen die minder verstrekkende gevolgen voor bestaande bewoners hebben?
Het voorkeursrecht wordt meestal gevestigd met het oog op gebiedsontwikkeling. Het voorkeursrecht gaat logische wijs voor op het ontwikkelen van verschillende planalternatieven om speculatie te voorkomen. Hoewel ik snap dat bewoners schrikken beperkt het voorkeursrecht niet het gebruiksrecht behalve dat vervreemding alleen mogelijk is nadat de onroerende zaak aan de gemeente is aangeboden.
Welke gevolgen denkt u dat dit besluit in Arnhem heeft voor het toepassen van het voorkeursrecht op andere wijken in Arnhem en de rest van het land, en welk voorbeeld geeft de gemeente Arnhem met dit besluit af?
De gemeente zet met het voorkeursrecht een reeds langer bestaand breed door gemeenten ingezet instrument in, ik verwacht van deze casus geen bijzonder effect dat ten voorbeeld strekt aan andere gemeenten.
Deelt u de zorgen dat gemeenten dit voorbeeld uit Arnhem zien als voorbeeld om te volgen, en dat de Wvg te makkelijk door gemeenten wordt toegepast in plaats van alternatieven of draagvlak van bewoners te zoeken?
Ik deel deze zorg niet. De Wvg is ingevoerd om speculatie te voorkomen. Het past daarbij niet eerst de plannen openbaar te maken en dan pas een Wvg te vestigen. De kans dat speculatie met woningen of gronden dan al heeft plaats gehad is groot en de Wvg verliest dan zijn waarde. Ik heb er alle vertrouwen in dat het gemeentebestuur de dialoog met de bewoners aangaat.
Bent u het met mij eens dat gemeenten bij de woningbouwopgaven moeten kijken naar alle wijken in de stad, om zich ervan verzekeren dat bepaalde wijken niet zwaarder worden belast dan andere wijken?
Ik heb er alle vertrouwen in dat het gemeentebesturen voortdurend op zoek zijn naar een juiste balans tussen de wijken bij de woningbouwopgave.
Bent u van mening dat in Arnhem de woningbouwopgave gelijk over wijken is verdeeld, en hoe beoordeelt u dit huidige plan van de gemeente Arnhem in dat licht?
Een oordeel over de verdeling van de woningbouwopgave over de wijken is niet aan mij, maar aan het democratisch gekozen bestuur van de gemeente.
Bent u het eens dat de voorkeur uitgaat naar een aanpak met zeggenschap voor bewoners van een gebied, in plaats van het voorkeursrecht van bovenaf opleggen met verstrekkende gevolgen voor bewoners?
Ik heb er alle vertrouwen in dat het gemeentebestuur van Arnhem de dialoog met de bewoners zal aangaan.
Bent u, gezien de onrust, de protesten en de gevolgen voor de bewoners, bereid om de gemeente Arnhem op te roepen om het voorkeursrecht van de woningen af te halen, en alleen te vestigen op de bedrijventerreinen in de betreffende buurt?
Tot zo een oproep ben ik niet bereid. Ik heb er vertrouwen in dat het gemeentebestuur tot de beslissing is gekomen een Wvg te vestigen met de bedoeling uiteindelijk de wijk te verbeteren. Dat is in het belang van bewoners. Het is nu aan de gemeente in dialoog met de bewoners te komen tot een gedragen plan.
Het bericht dat gemeenten die Oekraïners particulier opvangen niet worden gesteund |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Drie vragen aan... Anton Stapelkamp, burgemeester van Aalten»?1
Ja.
Klopt het dat u bij de opdracht het aantal vluchtelingen in particuliere opvang niet meetelt? Zo ja, wat is daarvan dan de reden?
Het onderdak bieden aan een ontheemde uit Oekraïne in een particuliere woning is een vrijwillige keuze van een gasthuishouden. Zoals op 26 april jl. aangegeven in mijn brief aan uw Kamer2, is het kabinet alle particulieren die ontheemden opvangen en ondersteunen zeer erkentelijk. Vanwege deze vrijwilligheid kunnen gemeenten vanzelfsprekend niet sturen op het aantal opvangplekken bij gasthuishoudens. Om die reden heeft het kabinet alleen afspraken gemaakt met gemeenten en veiligheidsregio’s over opvangplekken die worden georganiseerd door gemeenten zelf (de gemeentelijke opvang (GOO)). Inmiddels hebben gemeenten ruim 50.000 plekken ingericht. Op 29 april jl. heb ik gemeenten nogmaals gevraagd om een aanvullende 25.000 opvangplekken te realiseren met streefdatum 23 juni 2022.
Begrijpt u dat burgemeester Stapelkamp het niet meetellen van vluchtelingen in particuliere opvang ervaart als een gebrek aan waardering?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten, waarin de lokale gemeenschap zich voluit inzet door particuliere opvang te regelen, juist gesteund moeten worden? Zo ja, op welke wijze wilt u de waardering voor deze gemeenten kenbaar maken?
Het kabinet waardeert en ondersteunt gemeenten waar ontheemden door de gemeente zelf en/of door particulieren worden opgevangen. Gemeenten hebben op basis van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (ROOO) een taak om ontheemden die in de particuliere opvang (POO) verblijven o.a. een financiële toelage te verstrekken voor voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven. Op basis van de op 4 juni jl. gepubliceerde Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne3 worden de uitvoeringskosten van de verstrekkingen aan ontheemden die verblijven in opvangvoorzieningen van particulieren (artikel 12 van de ROOO) vergoed. Het betreft hier de uitvoeringskosten die met het verstrekken van de financiële toelage gemoeid zijn, waaronder de gemeentelijke monitoring op de correcte uitgaven van de gemeente. De hoogte van het normbedrag voor de eventuele uitvoeringskosten die gemeenten maken ten aanzien van de verstrekkingen aan ontheemden uit Oekraïne in de POO worden achteraf vastgesteld op basis van het monitoronderzoek teneinde de werkelijke kosten per verstrekking te vergoeden. Daarnaast heeft het kabinet op 25 mei jl. besloten om gemeenten te compenseren voor de extra kosten in het jaar 2022 die zij voor zorg/ondersteuning aan ontheemden maken. Dit geldt voor kosten voor ontheemden in de GOO en in de POO. Het gaat om kosten die gerelateerd zijn aan zorg/ondersteuning op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Jeugdhulp of Publieke Gezondheid (basistaken JGZ, vaccinaties, prenataal huisbezoek). De compensatie wordt vastgesteld op basis van daadwerkelijke aantallen opgevangen Oekraïense ontheemden. Het ging in eerste instantie om een bedrag van 20,5 miljoen euro in het scenario van 50.000 opgevangen ontheemden. Dit aantal is reeds overschreden en het beschikbare bedrag zal worden bijgesteld voor 2022.
Verder financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid het consortium RefugeeHomeNL, bestaande uit het Rode Kruis, Vluchtelingenwerk, Leger des Heils en TakeCareBNB. RefugeeHomeNL coördineert en faciliteert particuliere opvang. RefugeeHomeNL informeert, screent, koppelt en ondersteunt gasthuishoudens en ontheemden. De (Whatsapp)hulplijnen van het Rode Kruis en het inloopspreekuur van Vluchtelingenwerk zijn ook beschikbaar voor particulieren en ontheemden die buiten het consortium om zijn gehuisvest.
'KPN en gemeente komen er niet uit: mobiel bereik in Termunten blijft slecht' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «KPN en gemeente komen er niet uit: mobiel bereik in Termunten blijft slecht»?1
Ja.
Kunt u zich de schriftelijke vragen van de leden Van den Berg en Kuik (beiden CDA) van 15 oktober 2020 herinneren naar aanleiding van het bericht «Termunten is slecht bereik zat: «We moeten op de dijk staan om te kunnen bellen»» van RTV Noord?2
Ja.
Kunt u aangeven welke acties er tussen 2020 en heden zijn ondernomen om het mobiel bereik in Termunten en Termunterzijl te verbeteren? Wilt u hierbij ook stilstaan bij uw eigen rol? Hoe heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat bijgedragen aan het oplossen van de bereikbaarheidsproblemen?
Ik heb hierover gesproken met de gemeente Eemsdelta en de drie mobiele netwerkaanbieders KPN, T-Mobile en VodafoneZiggo. Daaruit blijkt dat er de afgelopen anderhalf jaar in onderling overleg is gezocht naar mogelijke locaties voor het plaatsen van één of meerdere opstelpunten in de omgeving van Termunten. In dat kader hebben mobiele netwerkaanbieders gezocht naar locaties die de dekking zo veel als mogelijk zouden verbeteren. Voor de verschillende netwerkaanbieders was dat overigens niet telkens dezelfde locatie. Dat heeft te maken met het feit dat het nieuwe opstelpunt moet passen bij de reeds bestaande opstelpunten in de omgeving van Termunten. Wanneer opstelpunten van een netwerkaanbieder te dicht op elkaar staan kan dat bijvoorbeeld leiden tot onderlinge verstoring.
De gemeente Eemsdelta voert beleid om de ruimtelijke impact van opstelpunten te minimaliseren. Dit betekent dat ze er op stuurt om mobiele netwerkaanbieders en andere aanbieders van draadloze communicatiesystemen zo veel als mogelijk gebruik te laten maken van dezelfde opstelpunten. In dit kader heeft zij er op gestuurd om de drie mobiele netwerkaanbieders gebruik te laten maken van een opstelpunt vlakbij Baamsum3. Zowel T-Mobile als VodafoneZiggo hebben besloten om daar gebruik van te maken, hoewel zij bij voorkeur een andere locatie hadden gebruikt. KPN heeft niet voor dit opstelpunt gekozen. Over een ander opstelpunt dat KPN een grotere verbetering van de dekking moet opleveren vinden nog gesprekken plaats tussen KPN en de gemeente.
Het opstelpunt bij Baamsum was naar ik begrijp voor geen van de drie mobiele netwerkaanbieders ideaal. Zowel T-Mobile als VodafoneZiggo verwachten wel dat hun netwerkdekking in Termunten zal verbeteren zodra zij dit opstelpunt in gebruik nemen.4 Wel houden zij er rekening mee dat er desondanks plekken in Termunten blijven waar de dekking matig blijft. Voor zover zich dat voordoet, zal dat voornamelijk binnenshuis zijn.
U heeft verder gevraagd om stil te staan bij mijn rol in dit soort situaties. Op grond van het coalitieakkoord is het mijn rol om ervoor te zorgen dat er snel internet in alle delen van Nederland is. Dit past ook bij het bestaande beleid om te streven naar kwalitatief hoogwaardige connectiviteit voor iedereen in Nederland.5 Dit vergt een mix van mobiele en vaste connectiviteit. Er zijn immers inherente beperkingen aan de dekking die mobiele netwerken kunnen bieden.6 Daardoor kan het voorkomen dat er plekken in Nederland zijn, en blijven, waar de mobiele netwerkdekking niet optimaal is en mobiel bellen en/of internet niet goed werkt.
Op sommige plekken, zoals in Natura2000-gebieden, accepteer ik dat.7 Maar thuis moeten mensen uiteraard de mogelijkheid hebben om te bellen en te internetten. Indien mobiele netwerkdekking daar om verklaarbare redenen ontbreekt of tekort schiet, is het belangrijk dat mensen toegang hebben tot hoogwaardige connectiviteit via vaste netwerken. Dan kunnen ze bijvoorbeeld via WiFi internetten en bellen. Daarbij merk ik wel op dat bellen via WiFi helaas nog onvoldoende voorspelbaar werkt. Zoals ik in mijn brief over de motie Inge van Dijk-Rajkowski heb aangegeven, zet ik er op in om dat de komende jaren te verbeteren.
Ik hecht er verder aan om te benadrukken dat het afgeven van een (omgevings)vergunning voor het bouwen van een opstelpunt een bevoegdheid is van gemeenten. Bij het bouwen van een opstelpunt spelen vaak diverse belangen een rol. Waaronder het belang van goede connectiviteit, maar ook de belangen van omwonenden, andere inwoners van een gemeente, en de kwaliteit van de leefomgeving.
Het maken van die belangenafweging kan het beste worden gedaan door de gemeente. Het is uiteraard wel belangrijk dat wethouders, raadsleden, de gemeente, en de inwoners, begrijpen hoe mobiele netwerkdekking wordt gerealiseerd. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat het verbeteren van de mobiele netwerkdekking een zekere mate van horizonvervuiling noodzakelijk maakt omdat er een antennemast moet worden geplaatst.
Daarom moedig ik gemeenten aan om lokaal antennebeleid te maken, waarin dergelijke belangenafwegingen worden opgenomen. Hiertoe heeft het Antennebureau in nauwe afstemming met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), gemeenten en Monet de voorbeeldnota gemeentelijk antennebeleid vervaardigd.8 Deze voorbeeldnota helpt gemeenten door middel van voorbeeldteksten om eigen lokaal antennebeleid op te stellen. Dat gaat primair over de invulling van gemeentelijke uitgangspunten bij de plaatsing van (omgevings)vergunningplichtige antennes. Deze voorbeeldnota wordt door het Antennebureau onder de aandacht gebracht van gemeenten via voorlichtingsbijeenkomsten, cursussen en kenniscafés.
Verder deel ik samen met het Antennebureau kennis en informatie met gemeenten over de plaatsing van antennes en de rol van gemeenten. Dit gaat via websites en nieuwsbrieven.9 Agentschap Telecom heeft verder een handreiking voor gemeenten die hen kan helpen om de mobiele bereikbaarheid in hun gemeente te verbeteren.10 De mobiele netwerkaanbieders brengen dit soort kennis ook over aan lokale politici, gemeenten, en inwoners in de contacten met hun. Ten slotte organiseer ik ieder kwartaal met de VNG, gemeenten en mobiele operators een antennebeleidsoverleg, waarin de kansen en uitdagingen rond de uitvoeringspraktijk van de aanleg van mobiele netwerken wordt besproken.
Wat kunnen u en/of het Agentschap Telecom doen om de patstelling tussen de gemeente Eemsdelta en KPN te doorbreken, zodat inwoners van alle kernen verzekerd zijn van goed mobiel bereik, van voldoende niveau om in elk geval alarmnummer 112 te kunnen bellen? Bent u in ieder geval bereid op korte termijn in overleg te treden met de gemeente en met Monet, de branchevereniging van mobiele netwerkoperators?
Voor zover ik begrijp is er geen sprake van een patstelling tussen de gemeente Eemsdelta en KPN. Beide zijn nog met elkaar in gesprek. Ik heb met de gemeente Eemsdelta besproken dat het voor een optimale mobiele netwerkdekking nodig kan zijn om de plaatsing van een opstelpunt dichter bij Termunten te faciliteren. De gemeente realiseert zich dat. Hierover lopen nog gesprekken.
De bereikbaarheid van 112 is naar mijn weten niet in gevaar. Het kan echter voorkomen dat sommige inwoners van Termunten binnenshuis een matige mobiele netwerkdekking ervaren. Maar dit betekent niet dat zij 112 niet kunnen bereiken. De bereikbaarheid van 112 is niet afhankelijk van de dekking van je eigen mobiele netwerkaanbieder. Als je eigen provider geen dekking biedt, dan wordt de oproep naar 112 door een ander mobiel netwerk opgepakt.11 En voor zover er inwoners van Termunten zijn die – zelfs na de ingebruikname van het opstelpunt bij Baamsum door T-Mobile en VodafoneZiggo – thuis toch geen enkele mobiele netwerkdekking hebben, blijft het advies om een vaste telefoonlijn aan te houden.12
Welke signalen hebt u in het afgelopen jaar ontvangen over of uit gemeenten waar zich vergelijkbare dekkings-/bereikbaarheidsproblemen voordoen? Deelt u de mening dat goed mobiel bereik en snel internet een basisvoorziening zijn, waar elke Nederlander, ongeacht woonplaats, op zou moeten kunnen rekenen?
Ik heb het afgelopen jaar – via Kamervragen – enkele meldingen gehad van mensen die dekkingsproblemen ervaren. Ook via Postbus 51 zijn er vragen binnengekomen.
Ik ben van mening dat iedereen in Nederland toegang moet hebben tot kwalitatief hoogwaardige connectiviteit. Zoals in antwoord 3 is toegelicht, is het daarvoor noodzakelijk om in te zetten op een mix van vaste en mobiele connectiviteit. De dekkingseis die ik in de 700 MHz-vergunningen heb gesteld is bijvoorbeeld expliciet bedoeld om een verbetering te brengen in de mobiele netwerkdekking op onrendabele locaties.
Waarom hebt u de motie van de leden Inge van Dijk (CDA) en Rajkowski (VVD), die de regering verzoekt voor 1 januari 2022 met voorstellen te komen om de «witte gebieden» in Nederland te ontsluiten, zodat voldaan kan worden aan de ondergrens van mobiele bereikbaarheid, namelijk 112 te kunnen bellen, nog steeds niet uitgevoerd?3 Bent u bereid hier prioriteit aan te geven en ervoor te zorgen dat de motie voor Prinsjesdag 2022 is uitgevoerd en de Kamer is geïnformeerd?
Ik heb uw Kamer hier recent over geïnformeerd in mijn brief over de moties Inge van Dijk c.s. en Inge van Dijk-Rajkowski.
De Circulaire Samenloop vergoedingen raadsleden met een uitkering en het borgen van inclusiviteit in de lokale democratie. |
|
Inge van Dijk (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de Circulaire Samenloop vergoedingen raadsleden met een uitkering?1
Ja, ik ben bekend met deze circulaire.
Bent u ook van mening dat het waardevol is en een verplichting om, ook in de lokale democratie, inclusiviteit in de volksvertegenwoordiging aan te moedigen en te faciliteren?
De lokale democratie, zoals gemeenteraden, provinciale staten en waterschappen, worden gekozen uit een vertegenwoordiging uit de samenleving. Het is daarom belangrijk dat de leden in deze organen een representatieve vertegenwoordiging zijn van die samenleving. Inclusiviteit in de volksvertegenwoordiging wordt daarom aangemoedigd. Bijvoorbeeld via de website www.politiekeambtsdragers.nl wordt informatie verstrekt over onder andere de functie van volksvertegenwoordiger en samenloop met diverse situaties, zoals het ontvangen van uitkeringen.
Klopt het dat wanneer gemeenteraadsleden een Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)-uitkering hebben, zij 75% van hun raadsvergoeding moeten inleveren t.b.v. hun recht op uitkering?
Als iemand die al een WIA-uitkering ontvangt, als raadslid wordt verkozen en een raadsvergoeding wordt toegekend, heeft dat gevolgen voor de hoogte van de WIA-uitkering. De raadsvergoeding wordt beschouwd als inkomen en daarmee verrekend met de WIA-uitkering. Deze verrekening vindt plaats conform de bestaande inkomstenverrekeningsregels van de WIA. Afhankelijk van de fase van de WIA-uitkering (loongerelateerde fase of vervolgfase), kent de inkomstenverrekening andere regels.
Gedurende de loongerelateerde fase wordt 70% van het inkomen gekort op de WIA-uitkering (de eerste twee maanden na toekenning 75%).
Na de loongerelateerde fase (maximumduur 24 maanden), ontvangt de uitkeringsgerechtigde een loonaanvullingsuitkering of vervolguitkering, dit is afhankelijk van het benutten van de restverdiencapaciteit. Bedraagt de raadsvergoeding 100% of meer van de restverdiencapaciteit, dan wordt 70% van het inkomen gekort. Indien de raadsvergoeding ten minste 50%, maar minder dan 100% van de vastgestelde restverdiencapaciteit van de betrokkene bedraagt, wordt een bedrag ter hoogte van de restverdiencapaciteit van het inkomen gekort. Bedraagt de raadsvergoeding minder dan 50% van de restverdiencapaciteit, dan bedraagt de uitkering een percentage van het minimumloon dat is gekoppeld aan de mate van arbeidsongeschiktheid. Inkomsten worden hier niet mee verrekend.
Voor IVA-gerechtigden geldt dat de WIA-uitkering 75% van het laatstverdiende loon (dagloon) bedraagt. Mocht een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte een raadsvergoeding ontvangen, dan wordt 70% daarvan verrekend met de uitkering.
Raadsleden ontvangen ook onkostenvergoedingen. Deze onkostenvergoedingen worden voor de WIA-uitkering buiten beschouwing gelaten, voor zover zij onbelast zijn.
Overigens kan de vergoeding van raadsleden op grond van artikel 3.1.11 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers geheel of gedeeltelijk verlaagd worden. Deze korting van de raadsvergoeding leidt ertoe dat het totaal van uitkering en vergoeding voor de werkzaamheden als raadslid op hetzelfde niveau blijft. Zie ook antwoord vraag 8 en 9.
Welke gevolgen heeft het hebben van een Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)-uitkering op het ontvangen van raadsvergoeding?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat het raadslidmaatschap voor de Participatiewet wordt gezien als een nevenfunctie, waarbij uitkeringen vanuit de Participatiewet niet worden ingehouden op de raadsvergoeding, maar bij een WIA-uitkering dit wel het geval is? Zo ja, waarom dit verschil?
De wijze waarop wordt omgegaan met de verrekening van de raadsvergoeding in de Participatiewet en in de WIA-uitkering bevat grote overeenkomsten. Raadsvergoedingen worden als inkomen aangemerkt en in die zin op de bijstandsuitkering in mindering gebracht. Naast de raadsvergoeding worden ook onkostenvergoedingen toegekend. Deze onkostenvergoedingen worden bij bijstandsverlening buiten beschouwing gelaten indien zij niet in belangrijke mate groter zijn dan de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen die in voor het overige overeenkomstige omstandigheden in de regel worden aangewezen (artikel 31, tweede lid, onder g, Pw).
Maakt het voor het inhouden van de raadsvergoeding uit of de uitkering vanuit de WIA al voor de aanvang van het raadslidmaatschap is toegekend?
Het moment van aanvang van het raadslidmaatschap speelt voor de WIA-uitkering geen rol ten aanzien van het verrekenen van het inkomen met de uitkering. Wanneer het raadslidmaatschap tijdens een al lopende WIA-uitkering wordt aangegaan, vindt verrekening plaats zoals bij antwoord 3 en 4 beschreven. Wanneer de WIA-uitkering wordt toegekend tijdens het raadslidmaatschap, vindt, vanaf toekenning van de WIA-uitkering eveneens op die manier inkomstenverrekening plaats.
De gevolgen van het ontvangen van een raadsvergoeding op andere uitkeringen staat eveneens beschreven in de Circulaire Samenloop vergoedingen raadsleden met een uitkering.
Voor IVA-gerechtigden is in het besluit «Uitzondering toepassingstermijn anticumulatie (ex artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet)» bepaald dat het ontvangen van een raadsvergoeding geen reden kan zijn om een herbeoordeling uit te voeren.
Voor mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn of volledig arbeidsongeschikt, maar waarvan op korte termijn verbetering te verwachten is (beiden WGA-gerechtigden), geldt dat als de raadsvergoeding wordt ontvangen vóór aanvang van de WIA-uitkering dit aanleiding zou kunnen zijn voor het uitvoeren van een praktische schatting bij de claimbeoordeling. Voorwaarden voor het uitvoeren van een praktische schatting, waarbij de restverdiencapaciteit wordt vastgesteld op basis van het inkomen, zijn onder andere dat moet worden vastgesteld dat de werkzaamheden passen bij de bekwaamheden en belastbaarheid van deze persoon. Ook moeten de werkzaamheden structureel door de betreffende persoon kunnen worden uitgevoerd. De werkzaamheden moeten duurzaam passen bij de belastbaarheid. Ook zal naast de praktische schatting een theoretische schatting moeten worden uitgevoerd.
Indien er tijdens de WIA-uitkering inkomsten zijn, en deze een jaar lang hoger zijn dan 65% van het maatmanloon zijn, kan de uitkering beëindigd worden. Ook wanneer de inkomsten, in dit geval de raadsvergoeding, minder dan 65% van het maatmanloon bedraagt, maar meerdere jaren ononderbroken ontvangen worden, kán dit voor UWV aanleiding zijn om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid uit te voeren. Hierbij kan, zoals hierboven beschreven, gekeken worden naar zowel een praktische als theoretische schatting.
Het is niet mogelijk op voorhand in individuele gevallen aan te geven of het aangaan van een raadslidmaatschap kan leiden tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid of het recht op WIA-uitkering. Ook kan daarom niet op voorhand worden gesteld of een praktische schatting of beëindiging van het recht op WIA-uitkering aan de orde zou zijn. Dit hangt af van de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde (eventuele andere inkomsten uit arbeid, hoogte loon voor ziekte/beperking en hoogte vergoeding).
Mocht de WIA-uitkering op grond van de hoogte van de inkomsten worden beëindigd, dan zijn de normale herlevingsvoorwaarden (artikel 57 WIA) van toepassing.
Heeft het inhouden van een raadsvergoeding invloed op (toekomstige) rechten op een uitkering? Zo ja, welke invloed?
Zie antwoord vraag 6.
Kunnen gemeenteraadsleden afzien van hun raadsvergoeding, bijvoorbeeld om zo niet in de knel te komen met een WIA-uitkering? Of om bijvoorbeeld bij het (over)sluiten van een hypotheek een vast inkomen te kunnen overleggen in plaats van de tijdelijke raadsvergoeding?
In het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is een voorziening getroffen die de mogelijkheid biedt aan het raadslid om de raadsvergoeding te verlagen. Wanneer een raadslid een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, kan op grond van artikel 3.1.11 een verzoek tot verlaging van de raadsvergoeding worden gedaan. De verlaging van de vergoeding voor de werkzaamheden leidt ertoe dat het totaal van uitkering en vergoeding voor de werkzaamheden op hetzelfde niveau blijft. Voor statenleden en leden van het algemeen bestuur van een waterschap is eenzelfde regeling getroffen.
De vrijwillige verlaging van de vergoeding op grond van artikel 3.1.11 van genoemd rechtspositiebesluit heeft geen invloed op de hoogte van de WIA-uitkering of toekomstige rechten op een uitkering.
Wel zou verlaging voor mensen die nog in de WAO zitten, kunnen betekenen dat voorkomen wordt dat hij of zij naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage wordt uitbetaald.
Bij het andere genoemde voorbeeld zie ik niet hoe door het afzien van de raadsvergoeding een vast inkomen in aanmerking kan worden genomen voor een hypotheekaanvraag. De vergoeding voor de werkzaamheden is een vergoeding voor het vervullen van de nevenfunctie van raadslid en is bovendien uit de aard der zaak een tijdelijke. In hoeverre dit inkomen wordt meegenomen in het kader van een hypotheek is een zaak tussen hypotheekverstrekker en hypotheeknemer.
Heeft het wel of niet afzien van een raadsvergoeding invloed op de WIA-uitkering of toekomstige rechten op een uitkering?
Zie antwoord vraag 8.
Ziet u het als een mogelijke belemmering voor mensen met een (WIA-)uitkering – vanwege de angst om gekort te worden op hun uitkering – zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraad? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze belemmering te verhelpen?
Dit is inderdaad onderkend. Ik verwijs hiervoor ook naar het Actieplan politieke ambtsdragers met een beperking dat op 9 december 2020 aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstuk 24 170, nr. 240). Het doel van dit Actieplan is om meer mensen met een beperking in politieke en bestuursfuncties te krijgen door ze zoveel mogelijk dezelfde uitgangspositie te bieden als mensen zonder een beperking. Voor deze terechte vragen van (kandidaat) politieke ambtsdragers met een beperking wordt gewerkt aan een betere informatievoorziening aan deze doelgroep. Dat vergt gezamenlijke inspanningen vanuit de ministeries van ondergetekenden en partijen als UWV, de koepels (VNG, IPO en Unie van Waterschappen), beroepsverenigingen van decentrale politieke ambtsdragers, en belangenverenigingen. Binnenkort wordt de website www.politiekeambtsdragers.nl uitgebreid met antwoorden op veel gestelde vragen van mensen met een beperking die politiek actief zijn of willen worden. De vraag over de consequenties van een raadsvergoeding op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zit daarbij, maar ook bijvoorbeeld vragen over het weinig bekende feit dat het afschatten van het invaliditeitspercentage niet geldt voor degene met een IVA-arbeidsongeschiktheidsuitkering die inkomen geniet als raadslid (zie de eerdergenoemde regeling «Uitzondering toepassingstermijn anticumulatie» (https://wetten.overheid.nl/BWBR0006486/2015-01-01)).
Geeft Nederland met de wijze waarop wordt omgegaan met de samenloop van raadsvergoeding en uitkering voldoende invulling aan het Verenigde Naties (VN)-verdrag Handicap?
Het VN-Verdrag Handicap heeft tot doel dat mensen met een beperking gelijkwaardig en volwaardig meedoen in de samenleving. De regeling waarmee inkomsten uit raadswerk niet worden meegenomen bij het uitvoeren van een herbeoordeling moet de angst wegnemen om het recht op een IVA-uitkering te verliezen vanwege raadswerk. Dit is één van de instrumenten waarmee het kabinet tracht te stimuleren dat ook mensen met een beperking zich beschikbaar stellen als kandidaat. Voor gedeeltelijk of volledig arbeidsongeschikten gelden dezelfde regels voor het verrekenen van de inkomsten met uitkering als voor arbeidsongeschikten die andere werkzaamheden verrichten.
Daarnaast is het kabinet van mening dat met genoemde Actieplan een goede invulling wordt gegeven aan het VN-verdrag Handicap. Maar zoals in het Actieplan ook is geschreven, is het niet alleen de taak van het Rijk. Ook voor de doelgroep zelf, de politieke partijen en de belangenverenigingen is een belangrijke rol weggelegd. In het Actieplan, maar vooral ook het als bijlage 1 bij de aanbieding van het Actieplan gevoegde Eindrapport bevindingen Politieke ambtsdragers met een beperking, worden daarvoor veel suggesties gedaan.
Is de Circulaire Samenloop vergoedingen raadsleden met een uitkering uit 2015 nog wel actueel, c.q. dient deze niet te worden herzien en geactualiseerd?
Inhoudelijk is de circulaire nog juist. Zij moet echter inderdaad geactualiseerd worden omdat bijvoorbeeld het rechtspositiebesluit raads- en commissieleden per 2019 is vervangen door het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Een actualisatie past eveneens goed in de context van genoemd Actieplan en genoemd Kennis- en Informatiepunt en kan in dat kader worden opgepakt.
Bent u bereid naar een actualisatie van de Circulaire Samenloop vergoedingen te kijken in samenspraak met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Nederlandse Vereniging van Raadsleden en daarbij tevens te betrekken mogelijkheden om inclusiviteit in de volksvertegenwoordiging op lokaal niveau te versterken en drempels te slechten?
Zie antwoord vraag 12.
Demonstraties bij abortusklinieken |
|
Songül Mutluer (PvdA), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Kuipers |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de rondgang van de Nederlandse Vereniging van abortusartsen onder abortusartsen over de demonstraties bij klinieken, waaruit blijkt dat abortusartsen voorstander zijn van een landelijk demonstratieverbod? Zo ja, wat vindt u van deze sterke en gedeelde wens van abortusartsen voor een landelijk demonstratieverbod?1
Ik heb begrepen dat abortusartsen voorstander zijn van dergelijke maatregelen. Laat ik vooropstellen dat ik sta voor de keuzevrijheid van vrouwen. Ik acht daarnaast het grondrecht op demonstratie een groot goed. Ik ga graag in gesprek met abortusklinieken en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over de ervaren problemen en mogelijke oplossingsrichtingen. Zie verder de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4.
Bent u zich ervan bewust dat de intimidatie en emotionele schade die vrouwen ondergaan door de demonstraties bij abortusklinieken al lange tijd speelt, en dat de lokale maatregelen, voor zover die getroffen zijn, het probleem nog niet hebben opgelost?
Demonstraties voor en tegen abortus zijn van alle tijden. Demonstraties van groeperingen die tegen abortus zijn, vinden ook plaats in de nabije omgeving van een abortuskliniek. Als een ongewenst zwangere vrouw een abortuskliniek bezoekt en zij aangesproken wordt door demonstranten, kan dit zeker intimiderend overkomen.
Vanuit de Tweede Kamer zijn over dit onderwerp meermaals vragen gesteld aan mijn ambtsvoorganger. In eerdere commissiebrieven en de beantwoording van Kamervragen is aangegeven dat het op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) aan de burgemeester is om demonstraties bij abortusklinieken in goede banen te leiden.2, 3, 4, 5, 6, 7 Omdat de vrijheid van demonstreren en de vrijheid van meningsuiting fundamentele grondrechten zijn, is het uitgangspunt dat de burgemeester zich zoveel mogelijk moet inspannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen. Het uitgangspunt daarbij is ook dat de lokale overheid haar best moet doen een protest toe te staan daar waar de doelgroep dat protest kan horen en zien.
Uit mijn recente uitvraag (mei 2022) bij gemeenten blijkt niet dat er een toename is van demonstraties bij abortusklinieken. In veel gemeenten worden voorschriften opgelegd aan demonstranten. Het gaat dan meestal om het aanwijzen van een specifieke plek waar demonstranten mogen staan, op enige afstand van de kliniek. Onlangs is in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een onderzoek naar demonstratie en vergaderingsrechtelijke vraagstukken uitgevoerd.8 In dit onderzoek worden ook voorbeelden van lokale maatregelen bij abortusklinieken besproken. Uit het onderzoek blijkt dat de situaties rond demonstraties bij abortusklinieken erg complex zijn, met sterk verdeelde meningen en tegenovergestelde belangen en rechten.
Wat vindt u van het feit dat deze demonstraties nu al jarenlang plaatsvinden en dat lokale maatregelen de negatieve gevolgen voor vrouwen nog niet of onvoldoende hebben weggenomen?
Demonstreren mag, maar het intimideren van mensen die bij een abortuskliniek komen met een belangrijke hulpvraag, is niet toegestaan. Ik keur dat ten zeerste af. Als een vrouw een abortuskliniek bezoekt, staat zij voor een besluit dat een grote impact kan hebben. Ik kan mij goed voorstellen dat deze vrouwen en hun partners of naasten graag in rust de kliniek binnengaan. Zij zullen daarbij geen behoefte hebben aan ongevraagd advies, laat staan aan misleidende boodschappen van individuele demonstranten.
De inhoud van een demonstratie mag voor de overheid echter nooit een reden zijn om beperkingen op te leggen of een verbod af te kondigen. Ook meningsuitingen die choqueren of als storend worden ervaren verdienen bescherming. Volgens de Grondwet heeft in Nederland niemand voorafgaand toestemming nodig om gedachten en gevoelens te openbaren, dat zou neerkomen op censuur. De burgemeester kan daarom geen beperkingen opleggen op basis van de inhoud van een demonstratie of een meningsuiting. Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) kan de burgemeester wel op een aantal andere niet-inhoudelijke gronden beperkingen stellen, aanwijzingen geven of in het uiterste geval een demonstratie verbieden of beëindigen. In 2021 is een expertmeeting door de VNG georganiseerd, waarna er een factsheet9 gepubliceerd is met enkele adviezen die gemeenten in de praktijk kunnen toepassen.
Ik heb van gemeenten en abortusklinieken niet gehoord dat zich nieuwe ontwikkelingen of problemen voordoen. Indien getroffen maatregelen binnen een gemeente niet zouden voldoen, is het aan de gemeenteraad om de burgemeester om verantwoording te vragen. Het treffen van maatregelen is dus een lokale aangelegenheid, en het is aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om te handhaven. Eerder hebben gemeenten laten weten binnen de mogelijkheden van de Wom voldoende ruimte te hebben om demonstraties in goede banen te leiden. Ik blijf uiteraard in contact met gemeenten. Ook ga ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, graag in gesprek met abortusklinieken en het NGvA, onder andere om te horen of er gevallen zijn waarin (nog) geen passende oplossingen zijn gevonden. Als daar aanleiding toe is, zal ik in overleg treden met mijn collega’s van het Ministerie van BZK en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).
Deelt u de mening dat iedere dag dat vrouwen door demonstranten misleid worden door feitelijk onjuiste informatie, en emotioneel belast worden door meningen en kwalificaties waar zij niet op zitten te wachten, een dag te veel is?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat elke gemeente zijn eigen regels erop nahoudt, omdat daardoor de ene gemeente wel een bufferzone hanteert en de andere gemeente niet?
Nee. Demonstraties, waaronder dus ook anti-abortus demonstraties, kunnen niet allemaal op één lijn worden gesteld. Het is aan de burgemeester om te beoordelen of maatregelen of voorschriften bij een demonstratie noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn. De burgemeester maakt die beoordeling op basis van de relevante feiten en plaatselijke omstandigheden. Dat betekent dat er verschillen kunnen zijn tussen gemeenten en tussen de voorschriften die gemeenten stellen aan demonstraties. Uit mijn uitvraag bij gemeenten blijkt bijvoorbeeld dat de lokale ruimtelijke ordening implicaties heeft voor de voorschriften. Onder meer de beperkte ruimte rondom een kliniek kan voor de burgemeester meespelen bij de overweging om demonstranten bijvoorbeeld een demonstratievak toe te wijzen aan de overkant van de straat. Daarbij geldt dat het kader voor eventuele voorschriften, de Wom, in iedere gemeente gelijk is.
Wat vindt u ervan dat in die gemeentes die een bufferzone kennen, onvoldoende wordt gehandhaafd zodat vrouwen alsnog lastig worden gevallen? Welke acties gaat u daarop ondernemen?
Zoals mijn voorganger eerder aan uw Kamer heeft laten weten10, is het strafbaar om een niet vooraf aangemelde of een door de burgemeester verboden demonstratie te houden en om te handelen in strijd met een door de burgemeester voor een demonstratie gesteld(e) voorschrift, beperking, aanwijzing of opdracht (artikel 11 Wom). Ook stellen diverse algemene plaatselijke verordeningen (APV’s) het strafbaar om zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen of zich onnodig op te dringen. Iedereen die kennis heeft van een (vermeend) strafbaar feit kan aangifte doen bij de politie. De politie, het OM en uiteindelijk de strafrechter zullen van geval tot geval moeten beoordelen of een concrete gedraging strafbaar is. Ik zal in mijn gesprek met abortusklinieken en het NGvA vragen naar de ervaringen met (vermeende) strafbare feiten en lokale handhaving. Het demonstratierecht is geen vrijbrief voor wetsovertredingen. Bij het uitoefenen van het demonstratierecht dient het demonstratiekarakter en daarmee de collectieve meningsuiting voorop te staan. De wijze van handhaving in concrete situaties en de daarbij in te zetten middelen is maatwerk en wordt lokaal bepaald. Het lokale gezag heeft beoordelingsruimte bij handhaving.
Wat vindt u van het landelijk demonstratieverbod bij abortusklinieken dat Spanje kent? Welke voordelen en nadelen ziet u daarin voor Nederland?
Het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting zijn niet alleen op nationaal niveau, maar ook internationaal stevig verankerd, zoals in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Andere (ons omringende) landen, waaronder Spanje, zijn daarmee ook internationaalrechtelijk gebonden aan de vergaande bescherming die het demonstratierecht en het recht op vrije meningsuiting genieten. Daaruit vloeit onder meer voort dat de overheid haar best moet doen een protest toe te staan daar waar de doelgroep dit kan horen en zien. Deze bescherming geldt ook voor protesten of betogingen waarbij beledigende, verwerpelijke of zelfs choquerende uitingen worden gedaan. Voor het overige geldt dat andere landen binnen de bandbreedte van het internationale recht de vrijheid hebben om eigen keuzes te maken die aansluiten bij hun eigen rechtscultuur. Die keuzes zijn soms (sterk) historisch bepaald en niet zomaar te vergelijken met of te kopiëren naar een ander land.
Hoe wilt u de problemen die de demonstranten veroorzaken voor vrouwen oplossen? Waarom denkt u dat het voortzetten van het beleid van uw voorganger, dat op veel plekken niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, nu wél tot het gewenste resultaat zal leiden?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Kunt u deze vragen uiterlijk op uiterlijk 1 juni 2022 beantwoorden, zodat de Kamer de antwoorden kan betrekken bij het commissiedebat Medische ethiek?
Ja.
Het artikel ‘Het Woud gymt alleen nog buiten, óók als het regent’. |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Het Woud gymt alleen nog buiten, óók als het regent»1?
Ja, dat ben ik.
Deelt u de mening dat incidenteel buiten sporten een goede toevoeging kan zijn op de gymles, maar geen vervanging is voor gymles in een daarvoor ingericht gymlokaal?
Het is wettelijk gezien toegestaan om buiten bewegingsonderwijs te geven, wanneer de kerndoelen van bewegingsonderwijs aangeboden kunnen worden.2, 3 In de wet staat op dit moment niet vastgelegd dat bewegingsonderwijs binnen moet worden gegeven, die keuze ligt bij scholen zelf. De kerndoelen bewegingsonderwijs zijn algemeen en er is ruimte voor eigen invulling.
Kan een school voldoen aan de kerndoelen als er alleen maar buiten bewegingsonderwijs wordt gegeven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat er scholen zijn die niet beschikken over toereikende voorzieningen om te voldoen aan de twee lesuren bewegingsonderwijs? Heeft u zicht op hoeveel scholen in Nederland hiermee te maken hebben? Heeft u contact met gemeenten waar de faciliteiten (nog) niet op orde zijn?
Het is bekend dat niet alle basisscholen in het schooljaar 2020–2021 zijn toegekomen aan voldoende bewegingsonderwijs. Dit vind ik niet goed: voldoende bewegingsonderwijs is namelijk belangrijk voor kinderen. In het schooljaar 2020–2021 werd gemiddeld 91 minuten (groep 3–8) en 119 minuten (groep 1–2) bewegingsonderwijs gegeven op basisscholen.4 53 procent van de basisscholen gaf in het schooljaar 2020–2021 minder dan tweemaal 45 minuten bewegingsonderwijs per week.5 Het is mogelijk dat de periode van (gedeeltelijke) schoolsluiting en maatregelen vanwege COVID-19 hieraan hebben bijdragen. Bij 58 procent van de scholen waarbij het niet lukte om tweemaal 45 minuten bewegingsonderwijs te geven, zien schoolleiders te weinig gymaccommodaties als belemmering.6 De Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) heeft contact met gemeenten over sportfaciliteiten. Gemeenten zijn immers de verantwoordelijke partij voor voldoende sportaccommodaties. Op dit moment inventariseert de VSG de tekorten aan gymaccommodaties. Het rapport deel ik voor de zomer met uw Kamer.
Hoe verklaart u dat, ondanks de financiële ondersteuning die gemeenten ontvangen om ervoor te zorgen dat scholen aan de twee lesuren bewegingsonderwijs kunnen voldoen, er toch scholen zijn met ontoereikende faciliteiten?
De behoefte van scholen voor extra gymaccommodatie is niet altijd duidelijk bij gemeenten. De meeste gemeenten bouwen volgens de VSG gymaccommodaties op basis van behoefte, om daarmee leegstand te voorkomen. Volgens de VSG vragen scholen echter niet in alle gevallen om extra gymaccommodaties. Bijvoorbeeld wanneer zij geen tweemaal 45 minuten bewegingsonderwijs geven vanwege een tekort aan bevoegde leerkrachten of een te vol lesrooster.
Scholen die knelpunten als een tekort aan bevoegde leerkrachten of een te vol lesrooster ervaren kunnen een aanvraag indienen voor de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs. Scholen kunnen met deze subsidie een procesbegeleider aanstellen om hen te helpen bij het oplossen van deze knelpunten.
Kunt u een lijst van gemeenten die nog onvoldoende gymzalen beschikbaar kunnen stellen voor het kunnen voldoen aan de twee uur bewegingsonderwijs aan de Kamer toesturen?
Een lijst hiervan delen is niet mogelijk, omdat OCW niet zelf het onderzoek heeft uitgevoerd, maar een onderzoeksbureau. Het betreffende onderzoeksbureau heeft aan deelnemers van het onderzoek toegezegd deze gegevens anoniem te verwerken. Evenwel begrijp ik de behoefte aan zicht op de situatie op lokaal niveau, en ik wil mij er dan ook voor inspannen dat hier meer informatie over beschikbaar komt, onder meer als onderdeel van het IBO onderwijshuisvesting. Daarnaast jaag ik, samen met onder meer de PO-Raad, de VSG en de KVLO, het gesprek aan tussen scholen en gemeenten om tot praktische oplossingen te komen voor acute tekorten aan geschikte gymlocaties.
Is de verwachting dat alle scholen, wanneer de verplichting tot twee lesuren bewegingsonderwijs in 2023 in werking treedt, beschikken over toereikende faciliteiten hiervoor? Zo nee, wat hebben de gemeenten die hier drie jaar de tijd voor hebben gekregen dan verzuimd en waarom hebben ze onvoldoende actie ondernomen?
Het is nog niet duidelijk of alle scholen bij het in werking treden van de wettelijke verplichting beschikken over toereikende faciliteiten. De VNG verwacht dat gemeenten die, wanneer de verplichting tot twee lesuren bewegingsonderwijs in 2023 in werking treedt, niet beschikken over toereikende faciliteiten in gesprek gaan of zijn met het lokale onderwijs voor een passende oplossing. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle scholen in staat zijn om te voldoen aan de twee lesuren bewegingsonderwijs?
Met de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs komt het kabinet scholen tegemoet die nog niet voldoen aan twee lesuren bewegingsonderwijs. Met deze subsidie worden scholen met een procesbegeleider geholpen om knelpunten in kaart te brengen en een plak van aanpak uit te voeren. Daarnaast inventariseert de VSG op dit moment de tekorten van gymaccommodaties. Ik verwacht hiermee meer inzicht te krijgen in de tekorten die er (nog) zijn en welke oplossingen er mogelijk zijn. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek.
Het vervallen recht op toeslagen vanwege gegevens in de basisregistratie personen (BRP) |
|
Jasper van Dijk |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Pointer «Nederlanders in de knel door het rigide vreemdelingenbeleid»?1
Het kabinet streeft ernaar dat iedere toeslaggerechtigde de toeslag krijgt waar deze recht op heeft. Of een vreemdeling recht heeft op deze collectieve overheidsvoorzieningen en verstrekkingen is afhankelijk van de aard van het verblijf.2 Dit is een uitwerking van de Koppelingswet uit 1998, waarin het koppelingsbeginsel is geïntroduceerd.3 Doel hiervan is te voorkomen dat vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven, door de ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun onrechtmatige verblijf of het verwerven van een schijn van een volkomen rechtmatig verblijf. Voor het recht op toeslagen is het vereist dat naast de aanvrager ook alle meerderjarige medebewoners (huurtoeslag) of de toeslagpartner een rechtmatig verblijf hebben. In de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is namelijk voor het recht op toeslagen de aanvullende voorwaarde opgenomen, dat de leden van het huishouden van de aanvrager van de toeslag (de toeslagpartner en de medebewoners van achttien jaar en ouder) rechtmatig in Nederland verblijven. Dit heeft ermee te maken dat een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft anders indirect wel profijt heeft van de toeslag die aan de aanvrager wordt verstrekt. Indien een burger niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft, wordt dit geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP) door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) met code 98. Wanneer iemand bijvoorbeeld samenwoont met een meerderjarig persoon of getrouwd is met iemand die niet over verblijfsrecht beschikt, heeft de aanvrager van de toeslag daarom geen recht op toeslagen.
In hoeveel gevallen is dit uitzettingsbeleid via sociale zekerheid effectief geweest en waarom weegt dit volgens het kabinet op tegen de problemen waarin gezinnen worden gestort?
Er is geen sprake van een uitzettingsbeleid via sociale zekerheid, hiermee dus ook niet via toeslagen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, verbindt het koppelingsbeginsel het recht op collectieve overheidsvoorzieningen en verstrekkingen aan rechtmatig verblijf van een vreemdeling. De IND levert de verblijfstitels via de BRP, onder andere code 98. Overheidsorganen bepalen vervolgens op basis van die vaststelling door IND en de voor hen relevante wet- en regelgeving welke voorzieningen en verstrekkingen afhankelijk zijn van deze verblijfstitel. Bij de uitkering van toeslagen betekent dit dat deze niet (meer) worden verstrekt aan vreemdelingen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven of – voor zover relevant – als iemand in het huishouden van de aanvrager van de toeslag niet rechtmatig in Nederland verblijft.
Kunt u aangeven in welke situaties code 98 afgegeven kan worden? Erkent u dat code 98 niet automatisch betekent dat iemand is uitgeprocedeerd?
De IND bepaalt de verblijfs- en verwijderbaarheidstitels. De titelbepaling vindt plaats in het geautomatiseerde systeem van de IND aan de hand van een groot aantal factoren, zoals de aanwezigheid van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, een besluit over die aanvraag en wettelijke termijnen. Deze factoren zijn gebaseerd op artikel 8 van de Vw 2000 waarin de gronden voor rechtmatig verblijf zijn opgenomen. Is er geen verblijfsrecht in de zin van artikel 8 Vw 2000, dan wordt de titel 98 (geen rechtmatig verblijf) bepaald. Bij een samenloop van verschillende factoren die het verblijfsrecht betreffen, geldt dat de sterkste factor van verblijfsrecht bepaalt welke titel wordt vastgesteld. Ook de ingangsdatum en einddatum van de titels worden in de titelbepaling meegenomen. Het vaststellen van deze titels gebeurt twee keer per dag. Naast de automatische titelbepaling worden steekproefsgewijs handmatige controles uitgevoerd.
De titelbepaling betreft altijd een weergave van de situatie op het moment van vaststelling. Code 98 betekent dat een burger op het moment van vaststelling niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft, dit betekent niet dat iemand uitgeprocedeerd is. De juridische situatie kan wijzigen door het indienen van rechtsmiddelen, nieuwe aanvragen of door het verkrijgen van een ander verblijfsrecht. Dat betekent dat een titelcode, en dus ook code 98, geldig blijft tot er een wijziging in de juridische situatie ontstaat. Dat kan – gelet op het feit dat de titels tweemaal per dag worden bepaald – op dagbasis wijzigen.
Erkent u dat er sprake van kan zijn dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) per abuis code 98 afgeeft of te laat wijzigt, bijvoorbeeld wanneer mensen tussen procedures zitten of in hoger beroep zijn met een tijdige voorlopige voorziening?
Indien iemand zich tussen procedures of in hoger beroep met een tijdige voorlopige voorziening bevindt, is er geen sprake van een onjuiste code 98. Er is op dat moment namelijk geen sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vreemdelingenwet 2000. In het antwoord op vraag 3 is aangegeven dat de titel kan wijzigen als de juridische situatie verandert.
Vanwege het grote belang van titels controleert (steekproefsgewijs) en monitort de IND de titellevering. Desondanks kunnen er fouten optreden. Er wordt door de IND niet bijgehouden hoe vaak een foute titelbepaling voorkomt. De burger kan (telefonisch) bij de IND aangeven dat de verblijfstitel volgens haar/hem niet juist is. Een ketenpartner kan hierover ook een signaal afgeven. Dit wordt dan gecontroleerd en indien blijkt dat de titel inderdaad onjuist is wordt deze zo snel mogelijk hersteld. Als er nader onderzoek nodig is duurt het maximaal enkele dagen. De herstelde code wordt daarna zichtbaar voor alle ketenpartijen, waaronder Toeslagen. Zolang de controle loopt blijft code 98 geregistreerd in de BRP.
Klopt het dat de Belastingdienst overgaat tot inhouden en invorderen van toeslagen voordat is vastgesteld waarom code 98 is afgegeven?
Toeslagen stelt het recht op toeslagen vast op basis van de beschikbare informatie in de BRP. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, stelt de IND op basis van een groot aantal factoren de verblijfstitel vast en registreert deze in de BRP. Op dat moment is dus al door de IND bepaald waarom de code is afgegeven. Indien er een code 98 is geregistreerd met betrekking tot de aanvrager van de toeslag, diens partner of meerderjarige medebewoners, oordeelt Toeslagen dat er geen recht bestaat op toeslagen voor deze personen. Eerder uitbetaalde toeslagen worden dan teruggevorderd. In 2021 werd in 5.465 gevallen het recht op toeslagen ingetrokken voor 4.300 huishoudens. Bij het ontstaan van de terugvordering kan de burger een betalingsregeling (op maat) aanvragen. Ook worden de reguliere waarborgen, in het bijzonder matiging van de terugvordering ingezet voor individuele gevallen, bezien.
Bij geringe twijfel over de juistheid van de code zal Toeslagen contact opnemen met de IND om de juiste status te kunnen bepalen. Twijfel kan ontstaan als de burger aangeeft dat de code onjuist is. Toeslagen neemt meermaals per week contact op met de IND om vast te stellen of een code juist is. Tijdens deze uitvraag blijft de invordering openstaan. Indien de code onjuist blijkt en moet worden aangepast, wat in gevallen zo is, wordt het recht op toeslagen bij het eerst volgende maandelijkse beschikkingsmoment opnieuw vastgesteld. Als de code door de IND juist wordt bevonden wordt de toeslag stopgezet en eventueel teruggevorderd.
Is het juist dat mensen niet eens de gelegenheid krijgen om aan te tonen dat zij helemaal niet uitgeprocedeerd zijn voordat de Belastingdienst overgaat tot inhouding en invordering?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 3 en 4 betekent code 98 niet per definitie dat mensen uitgeprocedeerd zijn, maar dat zij niet meer rechtmatig in Nederland verblijven. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 5 oordeelt Toeslagen op basis van de beschikbare gegevens dat er geen recht is op toeslagen indien een burger met code 98 geregistreerd staat. Bij geringe twijfel neemt Toeslagen contact met de IND. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 kan een burger indien zij/hij het oneens is met de beslissing van de IND over een besluit over een aanvraag in beroep gaan bij de IND.
Waarom is het uitvaardigen van code 98 eigenlijk geen besluit zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en/of beroep mogelijk is? Kunt u dit toelichten?
De titelbepaling is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het geen zelfstandige beslissing betreft, maar een gevolg van de inhoudelijke beslissing die de IND heeft genomen (bijv. besluit over aan aanvraag voor een verblijfsvergunning). De burger kan tegen dit besluit in bezwaar en beroep gaan.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, bepaalt artikel 8 Vw 2000 in welke gevallen er sprake is van rechtmatig verblijf. De titel geeft aan of er sprake is van rechtmatig verblijf, maar omvat zelf geen rechtsgevolgen. Als gevolg van de Koppelingswet uit 1998, waarin het koppelingsbeginsel is geïntroduceerd, nemen andere bestuursorganen, zoals Toeslagen, wel besluiten naar aanleiding van de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is. Die besluiten zijn wel besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Is het juist dat het na een melding van een gedupeerde het maanden of zelfs jaren kan duren voordat een foutieve vordering door de Belastingdienst word rechtgezet? Zo nee, hoe zit het dan wel? Kunt u dit toelichten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het mogelijk dat code 98 onjuist is. Bij twijfel over de juistheid van de code zal Toeslagen contact opnemen met de IND om de juiste status te kunnen bepalen. Vaststelling kan dan, afhankelijk van de complexiteit, tot enkele dagen duren. Indien de code wordt bijgesteld, wordt het recht op toeslagen bij het eerst volgende maandelijkse beschikkingsmoment opnieuw vastgesteld
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, kan de burger eventueel door het indienen van een nieuwe/andere verblijfsaanvraag proberen opnieuw rechtmatig verblijf te krijgen. Deze procedure kan een lange tijd in beslag nemen. Indien de burger (weer) over verblijfsrecht beschikt, worden de toeslagen opnieuw vastgesteld. Eventueel gemiste toeslagen worden dan nabetaald.
Deelt u de mening dat juist ten tijde van de opvangcrisis het gestimuleerd zou moeten worden dat migranten verblijven bij familie of bekenden? Hoe verhoudt dat zich tot deze praktijk waarbij gastgezinnen financieel gedupeerd raken door het verlies van rechtmatig verblijf van migranten? Kunt u dit toelichten?
Burgers die vreemdelingen met een rechtmatige status (waaronder ook ontheemde Oekraïners) opvangen verliezen niet hun toeslagen als gevolg van de werking van het koppelingsbeginsel. Daarbij gelden wel de regels die ook voor toeslagontvangers van Nederlandse afkomst gelden. Zo kunnen deze migranten, afhankelijk van de situatie, aangemerkt worden als medebewoner of als toeslagpartner en meetellen voor het recht op toeslagen. U bent eerder geïnformeerd over het voornemen van het kabinet dat een ontheemde Oekraïner die opgevangen wordt bij een gastgezin tijdelijk niet als medebewoner of als toeslagpartner wordt aangemerkt.
Erkent u dat het vanuit het vreemdelingenrecht logisch is om het verblijfsrecht met terugwerkende kracht in te trekken, maar dat het met terugwerkende kracht intrekken van toeslagen tot een bijzonder hardvochtig beleid leidt? Bent u bereid dit beleid te wijzigen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vorig jaar heeft er een inventarisatie plaatsgevonden naar knelpunten in het toeslagenstelsel naar aanleiding van de motie Lodders/Van Weyenberg4. Hieruit zijn knelpunten naar voren gekomen, waaronder ook de situatie dat met terugwerkende kracht toeslagen worden ingetrokken bij geen verblijfsrecht. Voor mogelijke oplossingen zijn onder meer de uitvoerbaarheid en de budgettaire gevolgen van belang. Zoals eerder toegezegd wordt u hierover in de zomer geïnformeerd.
Er zijn door het vorige kabinet twee knelpunten met betrekking tot het koppelingsbeginsel gesignaleerd en opgelost bij de huurtoeslag en het kindgebonden budget (WKB). Bij de huurtoeslag gold eerder voor het recht op toeslagen dat ook naar de verblijfsstatus van minderjarige medebewoners werd gekeken. Op dit moment geldt dat Toeslagen niet meer naar de verblijfsstatus van minderjarige medebewoners kijkt. Er blijft dus recht bestaan op huurtoeslag als een minderjarige medebewoner (veelal het kind van de aanvrager van de toeslag) geen rechtmatig verblijft houdt in Nederland. Bij het WKB is er inmiddels ook recht als de partner geen verblijfsrecht heeft, maar aanvrager en kind wel. Beide maatregelen zijn per 1 januari 2022 ingegaan.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de Belastingdienst in het geval van code 98 voortaan eerst onderzoek doet naar de exacte status en pas tot inhouding en invordering overgaat als onderzoek uitwijst dat er inderdaad sprake is van onrechtmatig verblijf?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 5 en 6, oordeelt Toeslagen op basis van de beschikbare gegevens in beginsel dat er geen recht is op toeslagen voor een huishouden indien iemand in het huishouden geregistreerd staat met code 98. Toeslagen gaat er in beginsel vanuit dat de code correct is. Bij geringe twijfel over de juistheid van de code zal Toeslagen contact opnemen met de IND om de juiste status te kunnen bepalen. Het is voor Toeslagen niet mogelijk om bij elke registratie handmatig na te gaan of deze code juist is, gelet op het grote aantal mutaties. Daarnaast kan Toeslagen de code niet wijzigen in de BRP.
In de gevallen waarin de Belastingdienst heeft moeten concluderen dat inhouding en invordering op basis van code 98 niet terecht was, is dit inmiddels rechtgezet?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Indien de burger (weer) over verblijfsrecht beschikt, worden de toeslagen opnieuw vastgesteld. Eventueel gemiste toeslagen worden dan nabetaald.
De situatie rondom de Regeling huisvesting aandachtsgroepen |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u een uitgebreide update geven over de huidige situatie wat betreft de voortgang van de Regeling huisvesting aandachtsgroepen en hoe gemeenten hierin een rol spelen om passende woon- en verblijfsruimten te bouwen? In hoeverre bereikt de Regeling zijn doel, namelijk het (zo snel mogelijk) realiseren van (zo veel mogelijk) huisvesting voor verschillende aandachtsgroepen?
Eind juni zal ik per brief de uitkomsten van een tussenevaluatie op deze regeling met u delen. In deze evaluatie wordt uitgebreid verslag gedaan over de aanvragen voor de twee tranche van de regeling. Deze tranche is benut door 83 verschillende gemeenten en vrijwel alle aanvragen zijn gehonoreerd. Met deze tranche worden 6.335 woonruimten voor aandachtsgroepen en 1.751 verblijfsruimten voor arbeidsmigranten gerealiseerd.
Deze tussenevaluatie biedt het meest recente inzicht in de voortgang. Gemeenten geven inzicht in de voortgang via hun jaarlijkse verantwoording voor de regeling. In het zomerreces van 2022 verwacht ik de (financiële) verantwoording over 2021.
De regeling is zo vormgegeven dat het gehele subsidiebedrag aan gemeenten wordt uitgekeerd na controle van de aanvraag. Gemeenten kunnen hiermee een bijdrage leveren aan de ontwikkelende partij voor dit project, met inachtneming van de regels omtrent staatssteun.
De mate waarin de regeling zijn doel bereikt wordt pas zichtbaar rondom de geijkte mijlpalen. Binnen twee jaar moeten onomkeerbare stappen in het project zijn gezet en binnen vijf jaar moet het project volledig zijn gerealiseerd. Ik stuur op het behalen van deze mijlpalen.
Kunt u specifiek aangeven hoeveel van het aan gemeenten toegekende geld voor de Regeling huisvesting aandachtsgroepen in 2021 nog niet is uitgegeven door de verschillende gemeenten?
Zoals uit het antwoord op vraag 1 blijkt, zijn vrijwel alle aanvragen door gemeenten gehonoreerd. De subsidieregeling is daarbij geheel uitgeput in overeenstemming met het subsidieplafond. Het is momenteel nog niet zichtbaar of gemeenten op dit moment aan alle voorwaarden hebben voldaan en de uitgekeerde subsidiebedragen conform de tweede tranche van de regeling hebben benut. Jaarlijks leggen gemeenten hierop verantwoording af. Daaruit zal blijken of gemeenten aan de termijnen en andere voorwaarden van de regeling hebben voldaan. Als dat niet het geval is, dan kunnen de verstrekte bedragen in het uiterste geval teruggevorderd worden. De (financiële) verantwoording van gemeenten over 2021 verwacht ik in het zomerreces van 2022.
Kunt u afzonderlijk aangeven om welke bedragen bij welke gemeenten dit gaat?
Deze informatie is openbaar beschikbaar via de website Regeling huisvesting aandachtsgroepen (RHA) (rvo.nl)1. Op de hoofdpagina staat het overzicht weergegeven in een pdf-format.
Kunt u aangeven hoeveel plaatsen voor welke aandachtsgroepen zijn gerealiseerd onder deze Regeling? In het geval van (grote) verschillen; waardoor zijn deze te verklaren?
Zoals eerder aangegeven zal ik u per Kamerbrief informeren hoeveel woon- en verblijfsruimtes er per aandachtsgroep zijn aanvraagt. Er is nog geen informatie beschikbaar over de realisatie van deze plaatsen. De (financiële) verantwoording van gemeenten over 2021 verwacht ik in het zomerreces van 2022. Op dit moment beschik ik dus nog niet over gerealiseerde woningaantallen van de gehonoreerde aanvragen.
Wat zijn de achterliggende redenen waarom dit geld nog niet is uitgegeven? Speelt hierin bijvoorbeeld het feit dat er geen sprake is van een wettelijke verplichting op de startdatum van de projecten een rol?
De bedragen uit de regeling zijn eind 2021 uitgekeerd aan gemeenten. Gemeenten hebben tot eind 2023 de tijd om met ontwikkelende partijen in het project tot onomkeerbare stappen richting realisatie te komen. Hoogstwaarschijnlijk wordt het uitgekeerde geld aan gemeenten pas uitgegeven tussen het zetten van onomkeerbare stappen en realisatie.
In hoeverre spelen wettelijke verplichtingen als het feit dat de gemeenten binnen twee jaar na de toekenning van de uitkering onomkeerbare stappen moet zetten en deze binnen vijf jaar na toekenning gerealiseerd moeten zijn, een negatieve rol in dit proces?
De verplichtingen om binnen twee jaar onomkeerbare stappen te zetten en binnen vijf jaar de projecten te realiseren zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat projecten tijdig worden opgeleverd. Mocht dit niet lukken dan kan ik besluiten om geld terug te vorderen.
Deelt u de constatering dat deze termijnen bijgesteld zouden moeten worden om de huisvesting van aandachtsgroepen sneller te realiseren?
In de tussenevaluatie, die u eind juni ontvangt, is onderzocht of de huidige termijnen passend zijn.
Deelt u de constatering dat er juist wel een wettelijke verplichting zou moeten zijn voor een startdatum bij de uitkering van deze Regeling?
Met deze regeling wordt door gemeenten een bijdrage geleverd aan bouwprojecten die (ten dele) huisvesting realiseren voor aandachtsgroepen. Met de gestelde voorwaarden wordt de startdatum beoogd tussen de twee en vijf jaar, om tot realisatie van het project te komen binnen de termijn van vijf jaar. Ik houd een vinger aan de pols op de voortgang van de gehonoreerde aanvragen en stuur op tijdige realisatie binnen de termijn van vijf jaar.
Welke redenen worden er door de verschillende gemeenten zelf aangegeven voor mogelijke problemen bij het uitgeven van dit geld?
Tot op heden zijn hierover geen formele signalen bij mij binnengekomen.
In hoeverre speelt regelgeving (zowel lokaal als vanuit het Rijk) een belemmerende rol als het gaat om het achterblijven van deze uitgaven? Zijn er voorbeelden van regelgeving (lokaal of vanuit het Rijk) die (tijdelijk) kunnen worden losgelaten om realisatie eenvoudiger te maken?
Ik heb geen nog formele signalen ontvangen over het achterblijven van uitgaven. Het valt daarom nu niet te zeggen of regelgeving hierin een belemmerende rol speelt. Het versnellen van het proces van initiatief naar realisatie is onderdeel van de uitwerking van het programma Woningbouw. Ik informeer u periodiek over de voortgang op dit programma.
In hoeverre spelen andere elementen als kennis- en capaciteitsproblemen binnen gemeenten een rol in dit proces?
In het interbestuurlijke Programma «Een thuis voor Iedereen» staat beschreven dat gemeenten, provincies, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties behoefte hebben aan meer kennis, expertise en capaciteit om de gestelde doelen ten aanzien van huisvesting voor aandachtsgroepen te realiseren. In welke mate deze problematiek zich per gemeente voordoet, is afhankelijk van de lokale context. Samen met de betrokken partijen werk ik een brede ondersteuningsstructuur uit rondom aandachtsgroepen. Daaronder valt ook de inzet van middelen vanuit een nieuwe regeling flexpools en het inschakelen van experts bij specifieke expertisevraagstukken.
Kunt u aangeven welke maatregelen er worden ondernomen op rijksniveau om dit geld alsnog versneld uit te kunnen geven en de gemeenten hierin te stimuleren?
Zoals uit het antwoord op vraag 1 blijkt zijn vrijwel alle aanvragen door gemeenten gehonoreerd en is de subsidieregeling daarbij (in overeenstemming met het subsidieplafond) geheel uitgeput. Het is aan gemeenten en ontwikkelende partijen om tijdig tot realisatie van projecten te komen, conform de gestelde voorwaarden.
Kunt u aangeven in hoeverre de oorlog in Oekraïne en de daarbij horende veranderde situatie in Nederland impact heeft gehad op het huisvesten van aandachtsgroepen?
Op dit moment worden ontheemden uit Oekraïne voor het grootste deel ondergebracht in nieuw daarvoor ingerichte opvanglocaties. Vooralsnog lijkt een eventuele impact op de huisvesting van aandachtsgroepen beperkt, ondanks de druk die het vraagstuk legt op de personele capaciteit bij gemeenten. Het kabinet bereidt zich echter voor op de mogelijkheid dat grote aantallen ontheemden langdurig in Nederland moeten verblijven. Het is ontegenzeggelijk dat de opgave om ontheemden opvang van betere kwaliteit en uiteindelijke semipermanente huisvesting te bieden, bovenop alle bestaande uitdagingen in de volkshuisvesting komt. Er zijn immers ook nog veel passende woningen nodig voor diverse aandachtsgroepen, spoedzoekers en andere woningzoekenden. Daarom zet ik in op het versneld realiseren van extra woonruimte door transformatie en flexibele bouw, onder leiding van de Taskforce Versnelling Tijdelijke Huisvesting2. Denk daarbij aan het matchen van vraag en aanbod van locaties en bouwcapaciteit, het uitwerken van haalbaarheidsstudies en business cases, hulp bij vergunningverleningstrajecten en ondersteuning van gemeenten bij besluitvorming en uitvoering. Dit kan ook benut worden voor de huisvesting van diverse aandachtsgroepen en spoedzoekers.
In hoeverre heeft deze veranderde situatie geleid tot financiële belemmeringen onder de verschillende gemeenten wat betreft het huisvesten van aandachtsgroepen in 2022?
Het kabinet heeft in de brief van 17 maart (Kamerstukken 2021–2022, 19 637, nr. 2834) als uitgangspunt benoemd dat de opvang van ontheemden uit Oekraïne niet tot gevolg mag hebben dat gemeenten er financieel slechter voor komen te staan dan daarvoor. Dit uitgangspunt is in samenwerking met onder meer gemeenten en veiligheidsregio’s uitgewerkt in diverse regelingen en blijft aandachtspunt en onderwerp van gesprek.
Kunt u aangeven, indien er sprake is van dergelijke financiële belemmeringen, hoe u er alsnog voor zorgt dat gemeenten het doel van de Regeling huisvesting aandachtsgroepen goed kunnen uitvoeren?
Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen dat dit problemen gaat opleveren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Bij (financiële) belemmeringen ga ik in gesprek met gemeenten. Ik monitor of de beloofde prestaties binnen de daarvoor gestelde termijn wordt behaald.
Het bericht ‘Datalek gemeente Buren’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Datalek gemeente Buren»?1
Ja
Klopt het bericht dat er 130 Gigabyte (GB) aan gegevens van de gemeente Buren en gemeente Neder-Betuwe is aangeboden op het darkweb? Zo ja, om wat voor gegevens gaat het? Gaat het hier ook om persoonsgegevens?
Ja, het gaat (ook) om persoonsgegevens en vertrouwelijke informatie. Zie ook: https://www.buren.nl/datalek. Ik vind het belangrijk om hierbij aan te geven dat er sprake is van datadiefstal bij de gemeente Buren en niet bij de gemeente Neder-Betuwe. Aangezien de gemeente Buren voor de gemeente Neder-Betuwe taken uitvoert in het kader van de Participatiewet zijn er mogelijk ook persoonsgegevens van een beperkt deel van de inwoners van de gemeente Neder-Betuwe gestolen.
Kunt u delen welke criminelen deze ransomware-aanval hebben uitgevoerd? Zo ja, gaat het hier om een crimineel netwerk? Zo nee, is de politie op de hoogte gesteld van de cyberaanval?
Er is aangifte gedaan bij de Politie. Het is bekend om welke Ransomware-soort dit gaat. Het is duidelijk dat het hier gaat om een groepering die internationaal veel slachtoffers maakt. In overleg met Politie/OM en de Informatiebeveiligingsdienst van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG/IBD) deel ik de naam van de groepering niet.
Is bekend op welke manier ransomware criminelen zijn binnengedrongen in de systemen van de gemeente Buren? Zo ja, op welke manier is de aanval verlopen? Worden andere gemeentes over deze modus operandi geïnformeerd, al dan niet via de Informatiebeveiligingsdienst (IBD)?
De gemeente Buren heeft direct na ontdekking van de Ransomware-aanval forensisch onderzoek laten opstarten door gespecialiseerde cybersecuritybedrijven. Deze bedrijven staan in nauw contact met de IBD en het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het onderzoek is in volle gang en de resultaten zullen, zo meldt de gemeente Buren mij, in een publiek rapport beschikbaar worden gesteld.
De IBD heeft de beveiligingsfunctionarissen van Nederlandse gemeenten geïnformeerd over de Ransomware-aanval en de maatregelen die mogelijk zijn om dergelijke situaties te voorkomen. Via de IBD is ook het NCSC betrokken die, waar nodig, andere sectoren zal informeren.
Welke stappen zijn genomen voor de personen waarvan de persoonsgegevens op het darkweb staan? Bent u het ermee eens dat personen ingelicht moeten worden voor potentiele identiteitsfraude? Zo ja, is dat ook gebeurd? Zo nee, waarom niet en beoogt de gemeente dit nog te doen?
Inwoners en ondernemers en ook de medewerkers en raadsleden worden doorlopend door de gemeente Buren geïnformeerd. Waar het gaat om het beperkte deel van de inwoners in Neder-Betuwe die gebruik maken of hebben gemaakt van de Participatiewet, stemt de gemeente Buren met de gemeente Neder-Betuwe af over de wijze van inlichten.
Daar waar individuele inwoners, medewerkers of raadsleden het risico lopen op fraude als gevolg van deze datadiefstal worden zij geïnformeerd door de gemeente. Een gespecialiseerd bedrijf brengt in kaart om welke personen dit gaat.
Zijn er soortgelijke aanvallen bekend die recent bij andere gemeentes hebben plaatsgevonden? Zo ja, om welke gemeentes gaat het hier?
Eerder werden de gemeenten Lochem (2019)2 en Hof van Twente (2020)3 getroffen door een Ransomware-aanval. Daarbij was geen sprake van datadiefstal. Deze gemeenten hebben hier transparant over gecommuniceerd en lessen gedeeld.
Hoe groot acht u de kans dat soortgelijke aanvallen bij andere gemeentes plaatsvinden? Welke stappen worden vanuit de rijksoverheid genomen om gemeentes cyberweerbaar te maken tegen ransomwareaanvallen en andere digitale aanvallen?
Het is niet te voorspellen of en wanneer soortgelijke aanvallen plaatsvinden. Ik kan in elk geval niet uitsluiten dat een dergelijke aanval opnieuw zal plaatsvinden, noch bij een gemeente, noch bij een andere organisatie in een geheel andere sector.
Er is nauw contact met de VNG/IBD om te zien of en welke extra ondersteuning vanuit de rijksoverheid nodig is. Ik verwijs in dat verband naar de beantwoording op schriftelijke vragen van de leden Rajkowski en Strolenberg4, waar mijn ambtsvoorganger Knops een aantal acties heeft uitgelicht, zoals de overheidsbrede cyberoefening en het beschikbaar stellen van lessons learned van incidenten. Ik merk verder op dat de VNG en de IBD ook zelfstandig stappen neemt. Zoals in de beantwoording destijds is aangegeven is informatiebeveiliging een gezamenlijke verantwoordelijkheid die om een gezamenlijke aanpak vraagt.
Zijn er lessen te trekken uit de aanpak van de gemeente Buren nadat bekend werd dat een ransomware-aanval is uitgevoerd? Zo ja, welke lessen kunnen hieruit getrokken worden?
De gemeente Buren meldt mij dat voor dit doel een publieke onderzoeksrapportage en een evaluatie beschikbaar zullen komen. Beide zijn er nog niet. Het is daarom nu nog te vroeg om aan te geven welke concrete lessen uit de aanpak van de gemeente Buren kunnen worden getrokken.
In de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen van de leden Rajkowski en Strolenberg (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2021–2022, nr. 887) is te lezen dat gemeentes geholpen worden met een ondersteuningspakket van de IBD voor de processen en maatregelen uit de Baseline informatiebeveiliging Overheid (BIO) met de hoogste prioriteit, in welke mate zijn de kaders en richtlijnen van dit ondersteuningspakket geïmplementeerd bij de gemeente Buren? Wordt bovengenoemd ondersteuningspakket nu als voldoende geacht voor het verhogen van de digitale weerbarheid van gemeentes? Zo nee, waarom niet? Bent u het ermee eens dat het hebben van een cyberverdedigingsprotocol handelingsperspectief biedt voor gemeentes en daarmee een goede aanvulling kan zijn voor het instrumentarium van gemeentes om zo goed mogelijk om te gaan met cyberaanvallen en de schade zo beperkt mogelijk te houden? Zo ja, hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie Yesilgöz-Zegerius (Kamerstuk 26 643, nr. 753)? Maken gemeentes hier al gebruik van? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
In de reactiebrief5 van mijn ambtsvoorganger op de motie Yesilgöz-Zegerius6 en de eerdergenoemde beantwoording op Kamervragen van de leden Rajkowski en Strolenberg is aangegeven hoe mijn ambtsvoorganger uitvoering heeft gegeven aan de motie.
Ik herhaal hier kort wat mijn ambtsvoorganger in zijn reactiebrief heeft gesteld en waar ik mij bij aansluit. In het beleid wordt niet ingezet op één cyberverdedigingsprotocol voor alle gemeenten, omdat de ene situatie niet de andere is. Hoe er daadwerkelijk moet worden gehandeld is weliswaar context-afhankelijk, maar wel onderworpen aan eisen. Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van genoemde Kamervragen, stelt de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) eisen aan het afhandelen van informatiebeveiligingsincidenten met inbegrip met vastgestelde procedures.
De gemeente Buren houdt zich aan de BIO en laat onderzoek doen hoe dit incident heeft kunnen gebeuren; ik gaf dit al aan in mijn antwoord op de vorige vraag. Ik hecht eraan te vermelden dat de gemeente nu midden in een grote crisis verwikkeld is en dat het belangrijk is de uitkomsten van het lopend onderzoek en evaluatie af te wachten. Ook merk ik op dat het college van burgemeester en Wethouders hierover primair verantwoording zal afleggen aan de gemeenteraad.
Uit het onderzoek en de evaluatie moet blijken hoe een dergelijk incident in de toekomst kan worden voorkomen. Dan zal ik ook bezien of het nodig is dat ik aanvullende maatregelen tref.
Het buitensluiten van de partij Richard de Mos |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Haagse informateurs: geen coalitie te vinden met partij Richard de Mos»1?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat volgens de informateurs «het na meer dan twee en een half jaar nog altijd lopende strafrechtelijke onderzoek» de hoofdreden is?
Die conclusie is aan de informateurs, op basis van de in Den Haag gevoerde gesprekken. Het is niet aan de leden van het kabinet om een reactie te geven bij de redenen waarom politieke partijen op gemeentelijk niveau wel of niet met elkaar willen samenwerken.
Deelt u de mening dat de «zaak» jegens De Mos & Co door het getreuzel van het openbaar ministerie (OM) is verworden tot een politiek proces, zeker gezien het feit dat partijen als D66, PvdA en GroenLinks de beschuldigingen van het OM misbruiken als vehikel om de partij van De Mos uit te sluiten?
Onder een politiek proces versta ik een proces waarin beslissingen over opsporing, vervolging of berechting niet door juridische maar door politieke motieven zijn ingegeven. In ons land heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een eigenstandige bevoegdheid als het gaat om beslissingen in strafrechtelijke onderzoeken. Het OM neemt deze beslissingen zonder politieke inmenging, zoals dat hoort in een rechtsstaat. Van een politiek proces is dan ook geen sprake.
Bent u bereid het OM tot spoed te manen inzake de afronding dan wel het seponeren van de «zaak»? Kunt u dit gedetailleerd beantwoorden?
Als ik mij zou bemoeien met een onderzoek door tot spoed of seponering te manen zou ik mij direct bemoeien met een individuele zaak. Dit staat op gespannen voet met de eigenstandige bevoegdheid van het OM in individuele zaken, waarin het OM onafhankelijk van politieke inmenging moet handelen.
Verstaat u het stelselmatig uitsluiten van partijen als onderdeel van de nieuwe bestuurscultuur? Zo nee, kunt u beantwoorden hoe u die nieuwe bestuurscultuur voor ogen heeft en hoe we de nu uitgesloten partijen wel omarmen?
De bestuurscultuur gaat – zonder hier uitputtend te zijn – over de verhouding tussen overheid en burgers en tussen bestuur en volksvertegenwoordiging.
Het is verder in alle gevallen aan de desbetreffende politieke partijen om naar eigen inzicht aan te geven met wie zij willen samenwerken en met wie niet en op grond waarvan, waarbij opvattingen in de loop van de tijd kunnen veranderen.
Deelt u de mening dat het stelselmatig uitsluiten van partijen niet bijdraagt aan het herstellen van vertrouwen in de politiek? Zo ja, hoe gaat u één van de redenen van de lage opkomst bij verkiezingen oplossen? Kunt u dit gedetailleerd beantwoorden?
Het is op zichzelf voorstelbaar dat het in de beleving van sommige kiezers afbreuk zou doen aan het vertrouwen in de politiek indien bepaalde partijen naar hun mening al dan niet stelselmatig zouden worden uitgesloten. Het is echter niet aangetoond dat dit – zo hier al sprake van is – een reden zou zijn voor een lage opkomst bij verkiezingen. De Minister van BZK heeft onlangs een onderzoek aangekondigd naar de oorzaken van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart jl. De resultaten van dat onderzoek worden na het zomerreces naar de Kamer gestuurd.2
Deelt u de mening dat het begrip onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt in de zaak De Mos & Co met voeten getreden wordt? Zo ja, wat gaat u doen de heer de Mos en zijn partij de helpende hand te reiken?
In Nederland geldt het principe dat eenieder onschuldig is, tot het tegendeel wordt bewezen. Dat geldt ook in de door u genoemde zaak. Om welke redenen partijen wel of niet met elkaar willen samenwerken is een zaak van die partijen. Het kabinet kan zich niet bemoeien met de collegevorming in de gemeente Den Haag.