De NAM BTW-constructie |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Btw-constructie van de NAM mogelijk strafbaar» op RTV Noord?1
Ja
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de belastingbetaler opdraait voor de kosten van schadeherstel als gevolg van mijnbouwschade?
Ja, ik deel die mening. Van een dergelijke situatie kan echter in geen enkele situatie sprake zijn. De schadeherstellende ondernemer voldoet btw over de schadehersteldienst. Als de btw over die schadehersteldienst aftrekbaar is voor de btw bij de afnemer van die dienst, dan is het btw-saldo van die transactie voor de schatkist nihil.
Deelt u de mening dat er dus in principe btw betaald moet worden?
Ik beantwoord deze vraag bevestigend wanneer bedoeld wordt te vragen of btw moet worden voldaan over hersteldiensten van (bouw)bedrijven die tegen betaling herstelwerkzaamheden aan gebouwen uitvoeren.
Is het gebruikelijk dat de btw over uitgekeerde schadeclaims wordt teruggevorderd door de uitkerende partij? Zo ja, in welke sectoren komt dit nog meer voor?
Ik beschik niet over informatie waaruit blijkt of het gebruikelijk is dat de schade uitkerende partij een aftrekgerechtigde ondernemer is die beschikt over een aan hem gerichte en juiste factuur voor een prestatie die aan hem is verricht.
Is er bij het toestaan van terugvordering van btw nog verschil tussen schadevergoeding vanwege onrechtmatige daad en een vergoeding in een andere situatie?
Voor de btw-aftrek over schadeherstel is niet bepalend of de afnemende partij een onrechtmatige daad heeft begaan. Voor de btw-aftrek is bepalend of de prestatie die door de ondernemer wordt afgenomen door deze wordt gebruikt voor belaste prestaties.
Deelt u de mening dat btw enkel kan worden teruggevorderd indien prestaties daadwerkelijk zijn verricht in opdracht van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en niet slechts in naam van NAM?
Voor de btw-aftrek over schadeherstel is bepalend of de prestatie is verricht aan een ondernemer, die deze gebruikt voor belaste prestaties. Terzake van prestaties waarover dienstverleners btw in rekening brengen aan andere ondernemers (bijv. ingeval van schadeherstel), moet de ondernemer die de aftrek effectueert beschikken over een juiste factuur waarop deze ondernemer is vermeld als de afnemer van de prestatie. De ondernemer is afnemer van de prestatie als zij de rechtsbetrekking met de schadehersteller is aangegaan om de schade te herstellen.
Kunt u aangeven hoe de btw-constructie zich verhoudt tot het besluit aftrek van btw van 7 december 2011?
Nee, gelet op art. 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan ik hierop geen antwoord geven. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 2 van de leden Smaling en Bashir die ik gelijktijdig met deze vragen beantwoord.
Kunt u aangeven wat de juridische gevolgen zijn voor de opdrachtgever van het op naam van NAM stellen van de facturen met betrekking tot aansprakelijkheden en garanties van de werkzaamheden?
Het past mij als bewindspersoon niet om uitlatingen te doen over de contractsverhoudingen tussen partijen.
Zijn er afspraken gemaakt tussen de NAM en de Belastingdienst of enige andere overheidsinstantie over verrekening van de btw door de NAM over schadevergoeding uitgekeerd aan gedupeerden van mijnbouwschade?
De vraag of sprake is van een btw-afspraak met een landelijke werking kan ik negatief beantwoorden. De vraag of er een individuele regeling met de NAM bestaat, kan ik vanwege de fiscale geheimhoudingplicht van art. 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet beantwoorden.
Bent u bereid een belasting ruling te vragen over deze praktijk?
Nee, het verlenen van een ruling behoort tot de uitsluitende competentie van de inspecteur.
Gebeurt dit in andere EU-landen bij gevallen van mijnbouwschade?
Ik beschik niet over informatie over btw en gevallen van mijnbouwschade in andere lidstaten.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat gedupeerden in Groningen door de NAM gedwongen worden mee te werken aan het doen van een mogelijk onjuiste btw-aangifte door de NAM?
Ingeval de NAM gedupeerden en/of bedrijven dwingt om mee te werken aan een onjuiste aangifte door de NAM acht ik dat uiteraard zeer onwenselijk. Of dit het geval is kan ik echter niet bevestigen of ontkennen. Gelet op de fiscale geheimhoudingplicht van art. 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan ik niet concreet ingaan op deze kwestie.
Kunt u gedupeerden van mijnbouwschade in Groningen verzekeren dat zij gevrijwaard zijn van juridische en strafrechtelijke consequenties indien op enig moment blijkt dat zij medeplichtigheid zijn aan het doen van een onjuiste btw-aangifte door de NAM?
Nee, het behoort niet tot mijn bevoegdheid en mogelijkheden om gedupeerden van mijnbouwschade in Groningen te verzekeren dat zij gevrijwaard zijn van juridische en strafrechtelijke consequenties indien op enig moment blijkt dat zij medeplichtig zijn aan het doen van een onjuiste btw-aangifte door de NAM. Ik kan wel aangeven dat er geen sprake is van een fiscaal delict dat bestaat uit het verlenen van medewerking aan een onjuiste factuur of een onjuiste aangifte. In het strafrecht bestaat echter wel de mogelijkheid naast de pleger ook anderen te bestraffen, bijvoorbeeld de medepleger en de medeplichtige. Een medepleger is, kort gezegd, degene die bewust heeft samengewerkt met de feitelijke pleger van het delict. Bij medeplichtigheid gaat het om het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen voor het plegen van het strafbare feit. De beoordeling of hiervan sprake is en of er tegen wordt opgetreden ligt in de handen van het OM.
Heeft deze werkwijze gevolgen voor de balans, winst en verliesrekening en het financieel jaarverslag van de NAM?
In algemene zin heeft iedere werkwijze gevolgen voor de balans, winst en verliesrekening en het financieel jaarverslag van een belastingplichtige. Dat is niet anders voor de NAM.
In een eerder debat heeft de u de Kamer verteld dat dit slechts om een enkel geval ging; is dit nog steeds uw mening?
Mij is één situatie uit de media bekend.
Zo ja, kunt u uw mening onderbouwen met cijfers over het totaal aantal gedupeerden, waarvan de NAM de schade vergoed op basis van facturen, en het aantal gedupeerden dat de facturen op naam van de NAM heeft laten zetten?
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u nagaan op wiens advies deze constructie met btw terugvorderen bij de NAM opgesteld is?
Nee, ik heb als bewindspersoon geen bevoegdheid om de NAM vragen te stellen in het kader van de belastingheffing.
Otapan |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Eigenaren gifschip Otapan lieten geld via Nederland stromen»?1
Ja.
Is het u bekend dat tijdens een Algemeen overleg op 2 februari 2012 uw ambtsvoorganger is verzocht de kosten van de sanering te verhalen op de eigenaren van de Otapan?2
Ja.
Deelt u de mening dat, nu de eigenaren bekend zijn, de kosten voor sanering van de Otapan op hen verhaald moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Vanwege hun samenhang worden de vragen 3, 4 en 5 gezamenlijk beantwoord.
Bij brief van 12 september 20123 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer bericht over het beëindigen van het kostenverhaal inzake de Otapan. Dit besluit was gebaseerd op het feit dat het Nederlandse verstekvonnis, waarbij de vennootschap Basilisk als voormalige eigenaresse van de Otapan was veroordeeld tot het betalen van de door de Staat gemaakte kosten, in Mexico niet wordt erkend en derhalve in Mexico niet ten uitvoer kon worden gelegd. De reden hiervoor was dat de dagvaarding aan Basilisk wegens onbekendheid van haar adres niet in persoon kon worden betekend. Een zoektocht naar deze rechtspersoon heeft destijds niets opgeleverd. Daarmee voldoet de dagvaarding niet aan de vereisten van het Mexicaanse procesrecht.
Het door u aangehaalde bericht is voor mij aanleiding te onderzoeken in hoeverre kostenverhaal op de in het bericht genoemde bestuurder van de vennootschap Basilisk en de eigenaren van die vennootschap thans mogelijk en opportuun is.
Ik streef ernaar u de resultaten van dit onderzoek en mijn conclusie voor het zomerreces te doen toekomen.
Welke stappen gaat u ondernemen om de kosten voor de sanering van de Otapan, inclusief wettelijke rente, te verhalen op de eigenaren van de Otapan of op de toenmalige bestuurders?
Zie antwoord vraag 3.
Overweegt u juridische stappen tegen bij de Otapan betrokken partijen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Een BTW- constructie bij de schadeafwikkeling van aardbevingsschade in Groningen |
|
Eric Smaling , Farshad Bashir |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Kent u het bericht: «NAM trekt BTW af bij aankoop panden»?1
Ja
Is er bij de afwikkeling van de Groningse bevingsschade sprake van een vorm van btw-integratielevering? Of is er sprake van een andere vorm van een btw-deal bij de afwikkeling van de bevingsschade in Groningen? Zo ja, hoe is deze tot stand gekomen en hoe ziet deze afspraak eruit?
Nee, de integratielevering is afgeschaft per 1 januari 2014.
De vraag of sprake is van een andere vorm van een afspraak met de inspecteur over de afwikkeling van de bevingsschade in Groningen kan ik vanwege de fiscale geheimhoudingplicht van art. 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet beantwoorden.
Wat is de reden dat bij de te vergoeden schade voor bijvoorbeeld de nieuwbouw van een woning, bedongen wordt dat dit niet wordt gestort op de rekening van de gedupeerde, maar op rekening van een door de Nederlandse Aardolie Maatschappij BV (NAM) gekozen notaris?2
Het past mij als bewindspersoon niet om uitlatingen te doen over de bedoelingen van partijen in bepaalde overeenkomsten die in de praktijk worden gesloten.
Bent u bereid de eerdere vragen te voorzien van een antwoord, uitgaande van gebruikmaking van de ontheffing van de geheimhoudingsplicht door lid 3 artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarbij u zich beroept op het maatschappelijk belang van een correcte afwikkeling van bevingsschade in Groningen?3 Bent u tevens bereid genoemde vragen alsnog apart te beantwoorden en daarbij bij beantwoording niet te verwijzen en te bundelen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht is het niet mogelijk aan u informatie over een specifieke belastingplichtige te geven. In dit kader hecht ik groot belang aan het feit dat een belastingplichtige er op moeten kunnen vertrouwen dat de Belastingdienst niet meewerkt aan het openbaar maken van zijn gegevens. Ik ben dan ook niet bereid om in dit geval gebruik te maken van de mogelijkheid om deze vragen te beantwoorden met een ontheffing van de geheimhouding.
Kunt u bevestigen dat de door de NAM betaalde schadevergoeding niet tegenover een aan de NAM verrichte dienst staat? Mag de NAM dan de btw terugvragen indien de dienst niet verricht is aan de NAM?
Gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht is het niet mogelijk om antwoord te geven op deze vraag.
Kunt u in zijn algemeenheid toelichten hoe wettelijk rekening gehouden moet worden met btw bij schikkingsbedragen en schadevergoedingen?
Ja, in zijn algemeenheid is geen btw verschuldigd over schikkingsbedragen en schadevergoedingen, die een derde betaalt aan particulieren vanwege schade die deze derde veroorzaakt aan de eigendommen van die particulier.
Op wie drukken in het algemeen de – wettelijk gezien – herinrichtingskosten, tuinkosten, leges en de huur van vervangende woonruimte? Is dit de partij die schade heeft geleden of de partij die de schade heeft veroorzaakt? Hieraan gekoppeld, op wie moet de btw drukken die ondernemers in rekening brengen over een met btw belaste prestatie? Vindt u in het algemeen dat de veroorzakende partij van schade via een constructie de btw terug mag vragen?
Op basis van het Burgerlijk Wetboek is de NAM als exploitant van het Groningen-gasveld aansprakelijk voor schade door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dit veld. Schade is er in allerlei soorten en maten. De NAM is wettelijk verplicht die kosten voor schade te dragen die in een rechtstreeks verband staat met aardbevingen die veroorzaakt wordt door gaswinning. Dat zijn niet alleen de kosten voor fysieke schade, maar dit kunnen ook kosten zijn voor andere soorten schade. Uiteraard moeten deze kosten dan wel een rechtstreeks verband houden met de bodembeweging.
Voor de aftrek van btw op kosten die een ondernemer maakt is in ieder geval noodzakelijk dat de ondernemer de rechtsbetrekking met de leverancier of dienstverrichter is aangegaan op basis waarvan de prestatie wordt verricht. De Hoge Raad heeft dit vereiste in zijn arrest van 1 mei 2015, nr. 13/06113, zo uitgelegd dat uitsluitend deze rechtsbetrekking meebrengt dat een dienst aan de ondernemer is verricht met wie deze rechtsbetrekking is aangegaan. Daaraan doet niet af dat een of meer anderen dan de ondernemer belang (kunnen) hebben of gebaat zijn bij de desbetreffende levering of dienst. Dit algemene rechtskader brengt mee dat niet kan worden gezegd dat de veroorzakende partij of de schadelijdende partij de btw terug mag vragen. Het recht op teruggaaf hangt af van de vraag wie de rechtsbetrekking met de schadehersteller is aangegaan om de schade te herstellen of andere werkzaamheden te verrichten. Voor de volledigheid merk ik op dat ik in mijn besluit van 25 november 2011, nr. BLKB2011/641M (Stcrt. 2011, nr. 21834) een goedkeuring heb getroffen voor de situatie dat de schadelijdende partij de btw in aftrek kan brengen, maar niet beschikt over een factuur, omdat deze is uitgereikt aan de schadeveroorzaker. Het Hoge Raad arrest van 1 mei 2015 heeft het aan dit goedkeurende beleid ten grondslag liggende uitgangspunt achterhaald, dat degene die schade lijdt de afnemer van de hersteldienst is.
Ik zal deze goedkeuring dan ook bij een eerstvolgende actualisering van het genoemde besluit intrekken. De goedkeuring is niet meer nodig omdat degene die voor het herstellen van de schade de rechtsbetrekking is aangegaan met de schadehersteller kwalificeert als afnemer van de prestatie. In een voorkomend geval kan dit dus ook de schadeveroorzaker zijn.
Aan wiens naam moeten in het algemeen de facturen gericht zijn van (onder)aannemer(s), adviseurs en andere leveranciers? Moeten dit de namen zijn van de partij die de schade geleden heeft en opdrachten heeft gegeven aan (onder)aannemer(s), adviseurs en andere leveranciers om de schade te herstellen of mag dit ook de naam van de partij zijn die de schade heeft veroorzaakt en die de btw terug kan vragen, ook al is de veroorzakende partij zelf geen opdrachtgever voor herstel van de schade? Hoe is dit wettelijk geregeld?
In algemene zin geldt de factureringsplicht in de btw alleen voor prestaties van ondernemers aan ondernemers of rechtspersonen (art. 34c van de Wet op de omzetbelasting 1968). Voor prestaties aan particulieren geldt op enkele uitzonderingen na geen factureringsplicht in de btw. Ingeval de factureringsplicht van toepassing is, moet de afnemer op de factuur worden vermeld (art. 35, lid 1, onder e, van de Wet op de omzetbelasting 1968). De afnemer is de partij met wie de ondernemer de overeenkomst tot het verrichten van zijn prestatie heeft gesloten.
Mag in het algemeen iemand aan de (onder)aannemer(s), adviseurs en andere leveranciers eisen om een andere naam op de factuur te laten vermelden dan de naam van de werkelijke opdrachtgever? Indien dit toch gebeurt, is hier dan sprake van valsheid in geschrifte of (belasting-)fraude? Hoe is de verantwoordelijkheid van anderen hierin geregeld? Wanneer is wie medeplichtig?
In het algemeen mag iemand aan de (onder)aannemer(s), adviseurs en andere leveranciers, die voor een bepaalde prestatie een factureringsplicht hebben, niet eisen om een andere naam op de verplicht uit te reiken factuur te laten vermelden dan de naam van de werkelijke afnemer. Het is wel mogelijk dat een factuur naar het adres van een andere persoon wordt gestuurd.
Er geldt fiscaal geen vereiste voor de adressering van de factuur. Vereist is en blijft wel dat de afnemer en diens adres op een factuur moet zijn vermeld waarvoor de factureringsverplichting geldt (art. 35a, lid1, onder e, van de Wet op de omzetbelasting 1968). Voor prestaties aan particulieren geldt op enkele uitzonderingen na geen factureringsplicht in de btw. De ondernemer die een fout maakt in de oorspronkelijk uitgereikte factuur kan deze herstellen. Ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in, en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, geldt als factuur (art. 34f van de Wet op de omzetbelasting 1968). In de praktijk komt het ook regelmatig voor dat facturen volledig worden gecrediteerd/teruggenomen, en dat daarna een nieuwe factuur wordt uitgereikt. Wanneer een factuur in de zin van de btw-regelgeving uiteindelijk onjuist wordt uitgereikt is dat een fiscaal strafbaar feit (art. 68, lid 1, onder g,van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
De bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht over deelnemingsvormen zijn ook van toepassing op fiscale delicten. Of er in een specifieke casus sprake is van medeplichtigheid, wordt door het Openbaar Ministerie (en uiteindelijk de rechter) beoordeeld op grond van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden waarbij u bij vragen 6 t/m 9 de beantwoording in het algemeen doet zonder in te gaan op welke specifieke casus dan ook?
Ja.
Het bericht 'Aardbevingsschade maakt Groningers machteloos' |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Aardbevingsschade maakt Groningers machteloos»1 en het rapport van de Onafhankelijke Raadsman?2
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport en de toename van het aantal klachten over schadeafhandeling en communicatie door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en het Centrum Veilig Wonen (CVW)? Op welke manier wilt u de constateringen en aanbevelingen uit het rapport opvolgen?
Ik zal uw Kamer op korte termijn het rapport aanbieden, vergezeld van mijn reactie op de constateringen en aanbevelingen.
Wat is uw reactie op de vele klachten over de feitelijke hantering van de theoretische schadecontour door de NAM en het niet nakomen van de belofte om schade overal gelijk te behandelen? Hoe wilt u ervoor zorgen dat iedere schademelding gelijk wordt behandeld, ongeacht de contourenkaart?
NAM is wettelijk verplicht alle schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning te vergoeden, ongeacht de locatie van de schade. Uit onderzoek door Arcadis in opdracht van NAM3 komt naar voren dat de waarschijnlijkheid van schade door aardbevingen buiten de schadecontourverwaarloosbaar is. Onder regie van de NCG onderzoekt een onafhankelijk deskundige momenteel of de gehanteerde onderzoeksmethode en getrokken conclusies correct zijn. De resultaten van deze validatie worden rond de zomer verwacht. NAM heeft aangekondigd dat iedereen die een melding doet zal worden bezocht, maar wil eerst de resultaten van het validatieonderzoek afwachten, zodat deze kunnen worden betrokken bij het bezoek van de schade-expert. Een oordeel op grond van de nu beschikbare kennis zou op dit moment vrijwel zeker resulteren in afwijzing van de claim.
Deelt u de grote zorgen over de constatering dat de sociaal-maatschappelijke gevolgen van de gaswinning groter worden en dat frustratie, boosheid en machteloosheid groeien? Op welke manier wilt u aandacht besteden aan het wegnemen van de sociaal-maatschappelijke onrust?
Ik zal uw Kamer op korte termijn het rapport aanbieden, vergezeld van mijn reactie op de constateringen en aanbevelingen.
Deelt u de mening dat snelle, adequate en ruimhartige schadevergoeding belangrijk is om negatieve gevoelens bij bewoners weg te nemen? Zo ja, hoe wilt u dit op korte termijn aanpakken?
Zie antwoord vraag 4.
Passagiers die grote vertraging hebben opgelopen op Schiphol door een overboekt vliegtuig |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Passagiers Air Arabia urenlang opgesloten op vlucht Amsterdam-Nador» d.d. 20 maart 2016?1
Ja.
Hoeveel vluchten per jaar kennen dergelijke vertragingen? Hoe vaak worden burgers hiervoor gecompenseerd?
Navraag bij Air Arabia heeft geleerd dat de vertraging in dit geval werd veroorzaakt doordat een van de bemanningsleden plotseling ziek was geworden. Vanwege veiligheidseisen moet het aantal passagiers afgestemd zijn op de hoeveelheid cabinepersoneel. Dat is de reden dat er 21 passagiers van boord moesten. Dit gebeurde overigens op vrijwillige basis.
Hoeveel vluchten jaarlijks zijn vertraagd in verband met het ziek worden van cabinepersoneel is niet te achterhalen. Het is echter een situatie die voor zover bekend bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) slechts zelden voorkomt.
Deelt u de mening dat passagiers nooit de dupe mogen worden van het feit dat een vliegtuig overboekt is?
Ja. Overboeking van een vlucht is op zichzelf niet verboden, maar luchtvaartpassagiers zijn via een Europese Verordening4 (verder: de Verordening) wel beschermd ten aanzien van instapweigering, onder meer als dit het gevolg is van overboeking. Zij hebben dan recht op bijstand en compensatie.
Overigens was op deze betreffende vlucht geen sprake van overboeking. Door het late uitvallen van één van de leden van het cabinepersoneel was onverwacht het aantal passagiers te hoog. Het verlagen van het aantal passagiers is in een dergelijk geval verplicht op grond van veiligheidseisen.
Hoe worden passagiers over mogelijke compensatie geïnformeerd? Deelt u de mening dat het initiatief voor een dergelijke compensatie bij de luchtvaartmaatschappijen zelf gelegd moet worden?
In algemene zin stelt de Verordening eisen aan luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van de informatievoorziening richting passagiers. Zo moeten passagiers zowel bij het inchecken, als in geval van een instapweigering en bij vertraging of annulering van de vlucht geïnformeerd worden. Bij een instapweigering moet de luchtvaartmaatschappij passagiers «onmiddellijk» compenseren en bijstand verlenen. In geval van vertraging ligt het initiatief hiervoor bij de passagier zelf.
Welke mogelijkheden zijn er om op te treden tegen maatschappijen waarbij dit soort vertragingen zich vaker voordoen?
Het gaat hier om een specifieke situatie die zich, voor zover ik kan nagaan, niet vaak voordoet. Op basis van de nu beschikbare informatie heeft de ILT geen overtreding geconstateerd, daarom is optreden niet aan de orde.
Wat betreft vluchtvertragingen in het algemeen is de ILT de aangewezen toezichthouder op de naleving van de Verordening door luchtvaartmaatschappijen. Dat doet de ILT onder andere in de vorm van het behandelen van klachten van passagiers over de naleving en door systeemtoezicht. In dat kader controleert de ILT bij luchtvaartmaatschappijen of zij de uitvoering van de Verordening adequaat geregeld hebben. Ook voert de ILT jaarlijks een aantal inspecties uit op de Nederlandse luchthavens naar de naleving van deze Verordening. Als bij inspecties of uit de behandeling van passagiersklachten blijkt dat maatschappijen de Verordening niet of niet voldoende naleven, zal de ILT handhavend optreden.
Waarom is het niet mogelijk om in dergelijke gevallen gebruik te maken van noodzakelijke voorzieningen, zoals in dit geval het innemen van drinkwater?
De passagiers bevonden zich al aan boord. De vluchtoperatie en ook het welzijn aan boord van de passagiers vallen onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder en het is aan de bemanning ter plekke om te bepalen welke voorzieningen nodig zijn om aan te bieden. De situatie aan boord valt buiten de werkingsfeer van de Verordening.
Kunt u aangeven waarom er in dit specifieke geval niet is ingegrepen door bijvoorbeeld extra personeel of middelen te sturen naar dit vliegtuig?
Dat soort zaken is vaak niet zo maar even te regelen, hoe vervelend een en ander ook is voor de passagiers. Extra personeel is niet zomaar voorhanden op andere luchthavens dan de thuisbasis van een luchtvaartmaatschappij en zou dan moeten worden ingevlogen. In dit geval betrof het een avondvlucht, vertrekkend van een voor Air Arabia buitenstation. Daarbij komt dat cabinepersoneel is gecertificeerd voor bepaalde typen toestellen en dus niet zo maar op elk toestel mag werken.
De positie van leveranciers bij het faillissement van V&D |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Veel draagvlak onder leveranciers voor zaak tegen Sun Capital en top V&D» en «Modint noemt voorwaarden laatste uitverkoop bizar»?1 2
Ja.
Op welke wijze is er bij de onderhandelingen over een doorstart en de afwikkeling van het faillissement van V&D oog geweest voor de belangen van leveranciers?
De curator in een faillissement handelt primair in het belang van de boedel, dat wil zeggen in het belang van het collectief dat álle crediteuren omvat. Dit belang is gediend bij het maximaliseren van de boedelopbrengst. Dit op zijn beurt wordt doorgaans het beste bereikt door een doorstart van (een zo groot mogelijk deel van) de failliete onderneming. De bedrijfsmiddelen brengen namelijk het meeste op wanneer zij als samenhangend geheel en zoveel mogelijk «going concern» worden overgedragen aan een nieuwe uitbater. Overigens zullen door de uitdelingsregels, die voortvloeien uit de wet, niet alle crediteuren een even groot deel uit de boedel krijgen.
Om een doorstart te bevorderen zal de curator veelal trachten de bedrijfsmiddelen van onderneming zo compleet mogelijk bij elkaar te houden. Hij zal de boedel fysiek afschermen door de sleutels van bedrijfslocaties in beheer te nemen, partijen zijn dan voor toegang tot boedelbestanddelen afhankelijk van medewerking van de curator.
Partijen die een recht kunnen uitoefenen met betrekking tot specifieke goederen die deel uitmaken van de boedel, hebben een onderhandelingspositie bij de curator. Zij hebben hun eigen afweging te maken over het terughalen en zelf te gelde maken of door de curator te gelde laten maken van de goederen waarop zij een recht kunnen uitoefenen. In deze afweging spelen veel factoren een rol waarbij over bijna alles onderhandeld kan worden, zodat daarvoor geen algemene richtlijn te geven is.
Naast het belang van boedelmaximalisatie moet de curator ook andere maatschappelijke belangen in het oog houden, met name werkgelegenheid. Ook dit gaat meestal het beste via een doorstart van (zoveel mogelijk onderdelen van) de onderneming.
Bent u het er mee eens dat curatoren bij de afwikkeling van een faillissement de belangen van álle crediteuren dienen te behartigen, dus ook die van de leveranciers?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden hebben leveranciers om bij een faillissement een claim in te dienen wanneer zij eerder garanties hebben gekregen over de financiële positie van een onderneming, zoals bij V&D het geval was?
In beginsel is een faillissement een situatie waarin sprake is van een tekort aan middelen om alle aangegane verplichtingen te honoreren. Dit is niet de eenvoudigste situatie om claims geldend te maken. In theorie is denkbaar dat het handelen van een bestuurder van een onderneming zodanig laakbaar is dat dit aanleiding geeft tot een aansprakelijkstelling van de bestuurder. Dat geeft toegang tot de privé middelen van die bestuurder. Maar daarvoor is vereist dat de bestuurder heeft voorzien of had moeten voorzien dat zijn plan niet haalbaar was. De beoordeling van de feiten is hoe dan ook aan de rechter, in het geval dat crediteuren deze zaak aanhangig willen maken.
Wat vindt u van de werkwijze van curatoren die leveranciers hebben opgeroepen om hun spullen in de winkel te laten staan om zo een eventuele doorstart eenvoudiger te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op het aantal leveranciers dat een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen en de curatoren heeft verboden hun producten door te verkopen? Heeft u zicht op het aantal leveranciers dat heeft getracht een recht van reclame geldend te maken waarmee zij de curatoren hebben verboden de producten door te verkopen?
De bevindingen van de curatoren worden openbaar in de faillissementsverslagen. Daarin kunnen dergelijke gegevens vindbaar zijn. Het eerste verslag van de curatoren van V&D is op 9 maart 2016 openbaar gemaakt. Daarin staat op pagina 20 vermeld dat ongeveer 285 schuldeisers hebben zich gemeld met een beroep op een eigendomsvoorbehoud en/of een recht van reclame.
Wat vindt u van de werkwijze van de curatoren om ondernemers die hun spullen uit de vestigingen van het failliete V&D hebben willen halen te laten betalen voor toegang tot deze filialen? Heeft u inzicht of de curatoren hiermee de eventuele werkelijke kosten voor deze tijdelijke toegangsverlening hebben overschreden ten nadele van deze leveranciers?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de werkwijze zoals beschreven in een brief aan de leveranciers van 18 maart 20163 waarin wordt gemeld dat de winkels van V&D mogelijk 23, 24 en 25 maart open gaan voor een periode van drie tot vier weken en dat leveranciers ten aanzien van de zaken die aan hen toebehoren en die zij nog niet hebben opgehaald maar dat wel wensen, in onderhandeling kunnen treden met Gordon Brothers Europe? Wat vindt u van de werkwijze dat leveranciers moeten betalen en/of onderhandelen om hun eigen spullen terug te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat leveranciers, mede gezien het feit dat zij al voor vrijdagmiddag 18 maart 16.00 uur moeten beslissen of zij op het aanbod in gaan, voldoende duidelijkheid kunnen verkrijgen of zij er al dan niet beter op kunnen worden indien zij wel of niet beslissen mee te doen met deze verkoop?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de werkwijze van de curatoren die met deze brief leveranciers wier goederen nog steeds in de filialen staan in een zeer lastige positie brengen, waarbij hen geen duidelijkheid wordt verschaft of zij iets van de eventuele verkoop terugzien en welke keuze voor hen als schuldeiser nog het meest gunstige zou zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op het aantal leveranciers dat gedupeerd is door het faillissement van V&D en de omvang van de schade die zij hierdoor lijden?
Nee, ik heb daar geen zicht op. Een faillissement van een afnemer is vrijwel altijd een strop voor een leverancier van goederen of diensten. Hoe groot de schade per leverancier is, hangt van heel veel factoren af. Het is in ieder geval raadzaam om niet te zeer van één afnemer afhankelijk te zijn, juist om deze kwetsbaarheid te minimaliseren.
Bent u zich ervan bewust dat leveranciers geen geld meer hebben om nieuwe voorraden aan te kopen, omdat ze niet uitbetaald worden door V&D en ze geen krediet van de banken krijgen?
Zie antwoord vraag 11.
Hebben zich leveranciers van V&D gemeld bij uw ministerie met het verzoek om ondersteuning? Zo ja, hoeveel?
Nee.
Ziet u mogelijkheden om de regeling Borgstelling MKB Kredieten (BKMB) te gebruiken om gedupeerde leveranciers van V&D tijdelijk te ondersteunen, zodat zij nieuwe voorraden kunnen kopen?
Voor leveranciers van V&D bestaan dezelfde mogelijkheden als voor alle andere bedrijven. Kredietverstrekkers kunnen de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) inzetten voor in de kern gezonde ondernemingen, die onvoldoende zekerheden hebben om voor krediet in aanmerking te komen. Dit kan van toepassing zijn op leveranciers van V&D, maar er moet dus een bank of andere geaccrediteerde kredietverstrekker bereid zijn om het borgstellingskrediet te verstrekken. Ook voor de andere garantieregelingen voor het bedrijfsleven, de Garantie Ondernemingsfinanciering en de Groeifaciliteit, geldt dat de business case voldoende moet zijn voor een financier met gebruik van de overheidsgarantie financiering zal verstrekken.
Welke andere mogelijkheden ziet u om gedupeerde leveranciers van V&D uit de brand te helpen?
Zie antwoord vraag 14.
Het niet meer in behandeling nemen van schades door het Centrum Veilig Wonen (CVW) buiten de contour |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het niet meer in behandeling nemen van schades door het Centrum Veilig Wonen (CVW) buiten de contour?1
Ja.
Waarom worden eerst de resultaten van een onderzoek in opdracht van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) afgewacht?
Uit onderzoek door Arcadis in opdracht van NAM komt naar voren dat de waarschijnlijkheid van schade door aardbevingen buiten het schadeafhandelingsgebied verwaarloosbaar is2. Onder regie van de NCG onderzoekt een onafhankelijk deskundige momenteel of de gehanteerde onderzoeksmethode en getrokken conclusies correct zijn.
Wanneer gaat dit onderzoek afgerond worden?
De resultaten worden rond de zomer verwacht. Ik zal uw Kamer op dat moment informeren.
Waarom worden niet toch alvast de schadeclaims in behandeling genomen? Niet iedere claim is toch afhankelijk van dat onderzoek? Registratie en inventarisatie kunnen nu toch ook al plaatsvinden, evenals het uitkeren van voorlopige schadevergoedingen?
NAM is wettelijk verplicht alle schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning te vergoeden, ongeacht de locatie van de schade. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 komt uit onderzoek door Arcadis in opdracht van NAM naar voren dat de waarschijnlijkheid van schade door aardbevingen buiten de schadecontour verwaarloosbaar is. Onder regie van de NCG onderzoekt een onafhankelijk deskundige momenteel of de gehanteerde onderzoeksmethode en getrokken conclusies correct zijn. De resultaten van deze validatie worden rond de zomer verwacht. NAM heeft aangekondigd dat iedereen die een melding doet zal worden bezocht, maar wil eerst de resultaten van het validatieonderzoek afwachten, zodat deze kunnen worden betrokken bij het bezoek van de schade-expert. Een oordeel op grond van de nu beschikbare kennis zou op dit moment vrijwel zeker resulteren in afwijzing van de claim.
Hoe kunnen u en de NCG dit bevorderen? Kunt u hiertoe in overleg treden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat dit onderwerp zich niet leent voor verder uitstel, ook niet als er nog een onderzoek loopt?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht de Bond van Landpachters en Eigen Grondgebruikers (BLHB) wil prijstoetsing bij geliberaliseerde pacht |
|
Henk van Gerven |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het voorstel van de Bond van Landpachters en Eigen Grondgebruikers (BLHB) om prijstoetsing in te voeren bij geliberaliseerde pacht?1
Zoals mijn voorganger in reactie op de schriftelijke vragen van 31 maart 2015 heeft aangegeven, heeft een herziening van het stelsel alleen kans van slagen indien deze tegemoet komt aan de diverse wensen uit de praktijk, uitvoerbaar is en voldoende door pachters en verpachters wordt gedragen (Kamerstuk 27 924, nr. 63).
De initiatiefnemers van het Spelderholt-deelakkoord hebben in het voorjaar van 2015 aangegeven mogelijkheden te zien om samen met alle partijen tot een verbeterd voorstel te komen. Op 2 november jl. heeft mijn voorganger gesproken met de verschillende belangenpartijen van verpachters en pachters, waaronder de BLHB, en de initiatiefnemers van het deelakkoord over herziening van het pachtstelsel. De aanwezige partijen hebben aangegeven dat zij met elkaar zullen doorpraten over de voorstellen uit het Spelderholtoverleg. Ik wil de partijen de gelegenheid geven dit overleg af te ronden voordat ik voorstellen in overweging neem. Gezien het belang van een gedragen voorstel vind ik het van belang dat BLHB nu eerst met de andere belangenpartijen het gesprek voert over hun alternatieve voorstel.
Bent u bereid het voorstel te laten doorrekenen door het onderzoeksinstituut LEI Wageningen UR?
Ja, ik heb het LEI gevraagd het voorstel van de BLHB te bestuderen en de cijfers door te rekenen, net als dit met andere voorstellen ook wordt gedaan.
Vindt u de prijsontwikkeling die geliberaliseerde pacht de laatste jaren heeft doorgemaakt een wenselijke ontwikkeling of erkent u dat de grote stijgingen van geliberaliseerde pachtprijzen nopen tot ingrijpen?
Voor de gemiddelde prijzen van geliberaliseerde pachtovereenkomsten in de afgelopen jaren verwijs ik u naar de tabel onder antwoord 11. De variëteit aan overeenkomsten afgesloten onder de geliberaliseerde pachtvorm is groot. Zo worden natuurgronden (met een relatief lage pachtprijs) en grond voor eenmalige teelten zoals bloembollen (met relatief hoge pachtprijs) tegenwoordig ook vaak onder de noemer «geliberaliseerde pacht» verpacht. De prijzen hebben dan ook een grote bandbreedte rondom het genoemde gemiddelde. Ik zie op dit moment geen reden om in te grijpen in de prijsvorming van geliberaliseerde pacht.
Hoe wilt u borgen dat de bodemvruchtbaarheid niet lijdt door kortdurende pachtcontracten?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden in de brief van 9 maart 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr.1834).
Onderschrijft u dat situaties met drastische prijsverhogingen en inschrijvingen voor pachters niet wenselijk zijn?
Zoals ik in antwoord 3 heb aangegeven, is er bij de prijsvorming van geliberaliseerde pacht sprake van uitschieters naar beneden en naar boven. De gemiddelde prijs geeft een genuanceerder beeld (zie antwoord op vraag 11). Inschrijvingen voor pacht leiden wat mij betreft niet op voorhand tot onredelijke prijzen, maar veeleer tot een transparanter beeld van wat boeren voor de pacht van landbouwgrond over hebben.
Verder verwijs ik u naar de antwoorden in de brief van 9 maart 2016 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr.1834).
Erkent u dat de overheid en overheidsgerelateerde organisaties een voorbeeldfunctie hebben wat betreft «goed verpachterschap»?
Zie antwoord vraag 5.
Wat doet u om bij de overheid en overheidsgerelateerde organisaties goed verpachterschap te bewerkstelligen en om onverantwoorde prijsstijgingen te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Onderschrijft u het belang van langlopende pachtovereenkomsten voor de bodemvruchtbaarheid, bedrijfscontinuïteit en financieringsmogelijkheden?
Ik ben voorstander van een pachtsysteem dat langdurige pachtrelaties tussen verpachters en pachters stimuleert, bijdraagt aan een duurzaam gebruik van grond en een zekere mate van flexibiliteit biedt. Ik zal voorstellen voor een nieuw pachtbeleid toetsen aan deze criteria.
Erkent u dat langlopende pachtovereenkomsten noodzakelijk zijn in een beleid om grondgebonden landbouw en duurzaam grondgebruik te stimuleren?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wilt u bewerkstelligen dat de pachtregelgeving duurzaam grondgebruik bevordert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u inzicht geven in de mate van prijsstijging bij geliberaliseerde pacht versus reguliere pacht in de afgelopen jaren?
Hieronder staan de (gemiddelde) pachtprijzen in euro’s per hectare, verdeeld naar pachtvorm, over de periode 2007 tot 2014. De gemiddelde prijs van geliberaliseerde pacht voor 6 jaar en korter ligt relatief laag, omdat ook natuurgronden via (kortlopende) geliberaliseerde pacht worden verpacht. Zie ook antwoord 3 en antwoord 46 van het SO Pacht van 1 april 2015 (Kamerstuk 27 924, nr. 63).
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
Reguliere pacht
390
462
471
518
534
586
636
591
Geliberaliseerde pacht, langer dan 6 jaar
437
465
497
436
544
551
633
624
Geliberaliseerde pacht, 6 jaar en korter
422
494
453
464
473
500
515
542
Bron: Informatienet LEI Wageningen UR
Het retourneren van kleding bij Perry Sport |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het retourneren van kleding bij Perry Sport?1
Ja.
Klopt het dat consumenten geen geld meer terugkrijgen als gevolg van het faillissement?
In geval van faillissement gelden bijzondere regels ten aanzien van het afwikkelen van vorderingen. Wanneer een winkel een cadeaubon uitgeeft, is in feite sprake van een tegoed dat later door de consument naar keuze mag worden besteed. Er is daarmee sprake van een vordering. Consumenten die een cadeaubon hebben die voor de faillietverklaring is uitgegeven door de failliete onderneming, zullen net als andere schuldeisers deze vordering kunnen indienen bij de curator die verantwoordelijk is voor de afwikkeling van het faillissement. De cadeaubon kan dus niet meer op de gebruikelijke wijze verzilverd worden.
Klopt het dat giftcards en andere cadeaubonnen ook niet meer ingewisseld kunnen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat als online besteld wordt bij Perry Sport, er wel geretourneerd kan worden omdat er een wettelijk retourrecht bestaat dat 14 dagen geldt?
In beginsel hebben consumenten op grond van de wet (artikel 6:230o van het Burgerlijk Wetboek) voor onder andere online aankopen recht op een bedenktermijn van 14 dagen. De bedenktermijn geeft de consument de mogelijkheid om de koopovereenkomst binnen 14 dagen zonder opgave van redenen te ontbinden. Zolang er geen sprake is van surseance van betaling of faillissement van de verkoper, kan de consument zelf afdwingen dat de verkoper zijn uit de bedenktermijn voortvloeiende verplichtingen nakomt. Het gaat er dan vooral om dat de consument na de ontbinding van de overeenkomst zijn aankoopbedrag terugkrijgt.
Wanneer de consument gebruikmaakt van de bedenktermijn terwijl de verkoper in surseance van betaling verkeert of failliet is verklaard, verandert de situatie. De consument kan dan nog steeds de overeenkomst ontbinden, maar dient zijn vordering tot terugbetaling van het aankoopbedrag bij de bewindvoerder (in geval van surseance) of de curator (in geval van faillissement) in te dienen. Of de consument uiteindelijk een uitbetaling zal krijgen, is afhankelijk van de hoogte van de boedelopbrengst, die door de curator aan het einde van het faillissement onder de schuldeisers wordt verdeeld (de wettelijke boedelverdeling). Veelal is de boedelopbrengst ontoereikend om alle schuldeisers volledig te voldoen.
In sommige gevallen kan de curator beslissen om de ondernemingsactiviteiten (het «bedrijf») van de failliete onderneming na de faillissementsdatum nog enige tijd voort te zetten. Dit zal hij doen indien dit in het belang is van de schuldeisers, en dus als er zodoende meer geld in de boedel vloeit waarmee de vorderingen van de schuldeisers kunnen worden voldaan. Ook een webwinkel kan door de curator nog enige tijd worden voortgezet. De curator is in dat geval op gelijke voet met gewone ondernemers gebonden aan de wettelijke regeling over de bedenktermijn bij «koop op afstand». Bij het voortzetten van het bedrijf ziet de curator er dus op toe dat de rechten van de consumenten worden gerespecteerd. Dit geldt uiteraard ook voor aanspraken die verband houden met het gebruikmaken van de bedenktermijn. Vorderingen die ontstaan tijdens faillissement hebben de rang van boedelschuld en worden bij de verdeling van de boedelopbrengst met voorrang voldaan. Voor surseance van betaling geldt een vergelijkbare regeling.
Klopt het dat dit 14 dagen online retourrecht ook geldt bij surseance en faillissement? Zo nee, hoe is dit dan geregeld?
Zie antwoord vraag 4.
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, waarom geldt dit dan niet voor fysieke winkels? Waarom bestaat dan deze vreemde vorm van rechtsongelijkheid tussen online en offline aankopen?
Als consumenten in de winkel kopen, hebben ze de mogelijkheid om het product te bekijken en te beoordelen. In geval van kleding bieden de meeste winkels consumenten de mogelijkheid om het kledingstuk te passen voordat het gekocht wordt. Consumenten hebben bij aankopen in de winkel in tegenstelling tot bij aankopen op afstand geen wettelijke bedenktermijn.
In geval van koop of afstand heeft de consument de eerder genoemde bedenktermijn. De bedenktermijn strekt ter bescherming van de consument die – in tegenstelling tot een consument die in een winkel een product koopt – niet de mogelijkheid heeft gehad om het product voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst (goed) te beoordelen. Ook de op afstand kopende consument kan op deze manier de tijd nemen om het product goed te bekijken en te passen, en eventueel terug te sturen als het product (toch) niet bevalt.
Welke acties kunt u ondernemen om te waarborgen dat de consumentenbescherming intact blijft bij surseance van betaling en faillissement?
Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, gelden de regels van het consumentenrecht onverkort als de ondernemingsactiviteiten tijdens de surseance van betaling of het faillissement met instemming van de bewindvoerder of curator worden voortgezet. De bewindvoerder of curator ziet erop toe dat die regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. Wanneer de curator de ondernemingsactiviteiten niet voortzet, is alleen de wettelijke boedelverdeling aan de orde.
Het bericht dat een doodgeboren kindje niet wordt erkend |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Waarom kan een doodgeboren kind geen vermelding krijgen in de BRP?1
Er wordt voor een levenloos geboren kind een akte van de burgerlijke stand opgemaakt, die wordt opgenomen in het register van overlijdensakten, maar er vindt geen inschrijving van een nieuwe ingezetene in de basisregistratie personen plaats. Inschrijving in de BRP geschiedt op grond van de geboorteakte, aangifte van verblijf en adres of ambtshalve.
Bent u bereid andere mogelijkheden te onderzoeken zodat doodgeboren kinderen wel wettelijke erkenning kunnen krijgen, maar ouders niet geconfronteerd worden met post van instanties, of problemen ontstaan met het erfrecht?2
Ja, ik ga onderzoek doen naar de mogelijkheden van registratie zowel binnen als buiten de BRP, inclusief de financiële, technische, juridische, internationale en privacyaspecten. Ik betrek daarbij de wensen van de initiatiefneemsters van de petitie. Ik doe het onderzoek in overleg met de Minister van Veiligheid en Justitie. Over de uitkomst van dit onderzoek wordt uw Kamer voor de zomer geïnformeerd.
Er is overigens al een wijze van een wettelijke erkenning van levenloos geboren kinderen in de vorm van registratie bij de burgerlijke stand, waarbij een akte van een levenloos geboren kind wordt opgemaakt die inhoudelijk overeenkomt met een geboorteakte. Gebleken is dat de bestaande regeling van de burgerlijke stand onvoldoende bekend is. Zo is de handelwijze van de gemeente Amsterdam die beschreven wordt in het artikel in het Parool niet nieuw, maar komt overeen met de bestaande werkwijze. Om een grotere bekendheid aan de regeling te geven, zodat ouders van levenloos geboren kinderen daarvan gebruik kunnen maken en een tastbaar officieel bewijs kunnen krijgen van het bestaan van hun kind, is een informatieblad over dit onderwerp geplaatst op rijksoverheid.nl.
Bent u bereid met een voorstel te komen hoe de wettekst kan worden gewijzigd zodat de voor veel ouders pijnlijke zin, «komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan» (artikel 2 Burgerlijk Wetboek, Boek 1) wordt aangepast? Zo nee, waarom niet?3 BRP: Basisregistratie Personen
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Wolbert en Oosenbrug van 14 oktober 2015, is de formulering van artikel 2 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek er geenszins op gericht om het bestaan van een levenloos geboren kind te ontkennen. De formulering is een fictie («wordt geacht») en heeft tot doel om eventuele problemen op het terrein van het erfrecht te voorkomen door duidelijk vast te stellen dat een levenloos geboren kind geen rechten en plichten kan hebben of kan overdragen aan andere personen. De Minister van Veiligheid en Justitie zal bezien of een wijziging van de tekst uitkomst kan bieden. Daartoe is advies gevraagd aan de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
De situatie dat niet elke gemeente een overlijdensakte van een doodgeboren baby aan de ouders verstrekt |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Manon Fokke (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het verhaal van mevrouw Schlikker die van de gemeente Amsterdam een overlijdensakte van haar doodgeboren baby heeft gekregen?1
Ja.
Wat vindt u van deze werkwijze van de gemeente Amsterdam?
De werkwijze van de gemeente Amsterdam, die in casu alsnog een akte van levenloos geboren kind heeft opgemaakt, past binnen de bestaande wettelijke regeling en sluit aan op de Officiële Mededeling die in 2006 hierover werd uitgebracht aan de ambtenaren van de burgerlijke stand door de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit. De Commissie raadde aan om voor levenloos geboren kinderen ongeacht de duur van de zwangerschap een akte van een levenloos geboren kind op te maken en dus ook voor kinderen geboren uit een zwangerschap met een kortere duur dan 24 weken. De desbetreffende Officiële Mededeling is destijds onder meer gepubliceerd in de Staatscourant2 en onlangs opnieuw onder de aandacht van de beroepsgroep van ambtenaren van de burgerlijke stand gebracht.
Erkent u dat een kind een wettelijke erkenning krijgt door het wel in het bevolkingsregister op te nemen en vervolgens op de overlijdensakte de geboorte- en de overlijdensdatum te laten samenvallen?
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik kunnen ons goed voorstellen dat ouders vragen om (wettelijke) erkenning voor hun levenloos geboren kindje naast de al bestaande wettelijke erkenning in de vorm van een officiële akte van de burgerlijke stand. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bereid de mogelijkheden te onderzoeken van registratie zowel binnen als buiten de BRP, inclusief de financiële, technische, juridische, internationale en privacyaspecten. Hij betrekt daarbij de wensen van de initiatiefneemsters van de petitie. Hij doet het onderzoek in overleg met mij. Over de uitkomst van dit onderzoek wordt uw Kamer voor de zomer geïnformeerd.
Onderkent u, dat dit voor ouders van een doodgeboren kindje een belangrijke erkenning is van het feit dat het kindje heeft bestaan – en niet, zoals het BW zegt «geacht wordt nooit te hebben bestaan»?
Ik heb alle begrip voor het intense verdriet van ouders van wie een kind levenloos ter wereld is gekomen. De manier waarop mensen met een dergelijk verdriet omgaan is heel persoonlijk en zal voor iedereen verschillend zijn. Ik wil benadrukken dat de formulering in het BW er niet toe strekt om het bestaan van het kind te ontkennen, maar tot doel heeft om vast te stellen dat een levenloos geboren kind geen drager kan zijn van rechten en plichten en deze ook niet aan andere personen kan overdragen. In erkenning van het bestaan van het kind is voorzien door het opmaken van een officiële akte van de burgerlijke stand, de akte van levenloos geboren kind, waarin de voornaam of voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden opgenomen alsmede plaats en – zo mogelijk – tijdstip van geboorte.
Ik zal bezien of een wijziging van de wettekst tot de mogelijkheden behoort. Gekeken wordt naar een formulering die meer recht doet aan de gevoelens van de ouders. Hiertoe is inmiddels het advies gevraagd van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
Erkent u, dat het voor het rouwproces van ouders belangrijk is dat erkenning van het bestaan van het kind vanzelfsprekend geregeld is?
De wijze waarop mensen rouwen om een dergelijk verlies is strikt persoonlijk. Een wijze van erkenning van het bestaan van het kind, die kan bijdragen aan het rouwproces, is voorzien in de vorm van een officiële akte van de burgerlijke stand. Zoals gemeld in de antwoorden op de vragen 3 en 4 zullen de mogelijkheden voor andere wijzen van erkenning worden onderzocht.
Zouden andere gemeenten in Nederland deze werkwijze van Amsterdam zonder meer kunnen overnemen? Zo ja, wat weerhoudt ze mogelijk nog? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, geeft de werkwijze van de gemeente Amsterdam uitvoering aan de Officiële Mededeling van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit die aan alle ambtenaren van de burgerlijke stand is gericht. Alle gemeenten kunnen daarom ook overeenkomstig de werkwijze van Amsterdam handelen. De Officiële Mededeling is destijds breed bekend gemaakt. Ik heb contact opgenomen met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) om dit nogmaals onder de aandacht van de beroepsgroep te brengen.
Kunt en wilt u zelf een rol spelen in het bekend maken van de werkwijze van Amsterdam in de andere gemeenten?
Ik ondersteun de werkwijze van de gemeente Amsterdam. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 aangaf, heb ik de werkwijze nogmaals onder de aandacht van de NVVB gebracht. Deze heeft op haar beurt door middel van een bericht op de website alle gemeenten op deze werkwijze attent gemaakt.
Is het waar dat het niet vermelden van een doodgeboren kindje (vanaf 24 weken) in het geboorteregister in strijd is met het VN verdrag van de rechten van het kind?
In het kader van het VN verdrag voor de rechten van het kind is het van belang dat registratie van de geboorte van een kind plaatsvindt en dat het kind een naam krijgt. De regeling voor levenloos geboren kinderen sluit hierop aan. Er wordt een officiële akte in de vorm van een akte van levenloos geboren kind opgemaakt, waarin de voornaam of voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden opgenomen, die bepalend zijn voor de identiteit van het kind.
De afschaffing van de contourenregeling |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht over de uitspraak van de directeur van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), Schotman, over de afschaffing van de contourenregeling?1
Ja.
Juicht u dit ook toe? Zo nee, waarom niet?
NAM moet alle schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning vergoeden. Dit geldt ongeacht de locatie van de schade. De contourenkaart heeft daarop geen invloed. De heer Schotman gaf op 15 mei 2015 al aan dat hij de contourenkaart geen rol meer wilde laten spelen in de schadeafhandeling. Dat juich ik toe.
Hoe kunt u hieraan bijdragen? Welke acties kunt u hiertoe ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt dit zich tot het Wetsvoorstel bewijsvermoeden, waarin toch weer uitgegaan wordt van de aardbevingencontour?2
Het wetsvoorstel bewijsvermoeden gaswinning Groningen ziet op de bewijspositie van partijen. In het wetsvoorstel wordt een bewijsvermoeden geregeld voor fysieke schade aan gebouwen en werken binnen het effectgebied van het Groningenveld. Het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld zal worden vastgesteld bij ministeriële regeling. De reden dat het wetsvoorstel zich beperkt tot het effectgebied van het Groningenveld is dat het gaat om een wettelijke afwijking van de hoofdregel «wie stelt, bewijst» die doorwerkt in de procesposities van private partijen. Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in haar voorlichting heeft aangegeven mogen de lasten van een dergelijke afwijking niet onevenredig zijn voor de partij tegen wie het bewijsvermoeden wordt ingeroepen. Het wetsvoorstel beoogt de bewijspositie van benadeelden te versterken, zonder tot een onevenredige situatie te komen. In gebieden waarvoor niet geldt dat sprake is van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen, waarvan het merendeel aan één oorzaak is toe te schrijven, zou een bewijsvermoeden tot een onevenredige situatie leiden. De exploitant van een mijnbouwwerk zou dan immers steeds vermoed worden de veroorzaker van schade te zijn, zonder dat voldoende aannemelijk is dat dit ook daadwerkelijk het geval is.
De zienswijze en opstelling van de gemeente Rotterdam inzake leerplicht en kinderbescherming |
|
Roelof Bisschop (SGP), Eppo Bruins (CU) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de zienswijze en opstelling van de gemeente Rotterdam inzake leerplicht en kinderbescherming?1
Ja.
Onderkent u dat de wetgever, zonder vervangend onderwijs te verplichten, ouders bewust de mogelijkheid heeft gelaten om een beroep te doen op vrijstelling van de leerplicht op grond van artikel 5b van de Leerplichtwet 1969? Vindt u het in dit licht acceptabel dat ouders wegens het enkele feit dat zij een beroep doen op de wettelijke vrijstelling, conform de voorschriften van de Leerplichtwet, geconfronteerd kunnen worden met een gemeente die hierin bij voorbaat grond ziet voor een verzoek om onderzoek bij de Raad voor de kinderbescherming? Zo ja, hoe is dit te verenigen met internationaalrechtelijke kaders inzake rechtszekerheid en verbod van willekeur?
Ouders kunnen op grond van artikel 5b van de Leerplichtwet 1969 vrijgesteld worden van de verplichting om te zorgen dat hun kind als leerling van een school staat ingeschreven. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen gesteld aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en aan mij, is ook voor kinderen, voor wie een vrijstelling van toepassing is, goed onderwijs een noodzakelijke voorwaarde voor een gezonde ontwikkeling.2 Ieder kind heeft recht op onderwijs. Dit recht vloeit rechtstreeks voort uit de artikelen 28 en 29 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De handhaving van de Leerplichtwet is belegd bij de leerplichtambtenaren van de gemeente. Ouders die een beroep doen op vrijstelling dienen de gemeente hiervan in kennis te stellen. De leerplichtambtenaar controleert vervolgens of aan de wettelijke eisen is voldaan. Een gesprek met de ouders kan deel van het onderzoek uitmaken.3 Door het ontbreken van informatie en de weigering van ouders om informatie te verschaffen over de situatie van de kinderen, kan een gemeente niet nagaan of de kinderen zich op een gezonde manier ontwikkelen. De burgemeester kan dan – in het kader van de gemeentelijke regierol in de jeugdhulp – een Verzoek Tot Onderzoek (VTO) indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Een dergelijke situatie kan bijvoorbeeld ontstaan bij kinderen die zijn vrijgesteld van inschrijving op een school en ouders de gemeente niet informeren of er voorzien is in vervangend onderwijs. Het niet volgen van onderwijs kan een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van een kind, omdat onderwijs voorbereidt op participatie in de samenleving.
Het indienen door de gemeente van een VTO bij de Raad voor de Kinderbescherming om voornoemde reden acht ik verenigbaar met internationaalrechtelijke kaders inzake rechtszekerheid en niet strijdig met het verbod van willekeur.
Bent u ook van mening dat de sfeer van de kinderbescherming voor zover het de uitwerking van het recht op onderwijs betreft volgens de wetgever slechts na een eerdere veroordeling van ouders op grond van de Leerplichtwet aan de orde is (artikel 22, vijfde lid) en dat de onduidelijkheid die kan ontstaan als gevolg van een terecht beroep op artikel 5b ontoereikend is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover in contact te treden met de gemeente Rotterdam?
Ouders kunnen naar eigen inzicht de opvoeding van hun kinderen vormgeven, maar er zijn wel grenzen in de wet en internationale verdragen. Het IVRK bepaalt dat passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen getroffen moeten worden om het kind te beschermen tegen verwaarlozing. In dit kader kan gedacht worden aan «educational neglect» als een vorm van emotionele verwaarlozing. Hiervan is sprake indien vastgesteld kan worden dat er een tekortkoming is in het verschaffen van de zorg en toezicht die noodzakelijk zijn om onderwijs te bevorderen. Wanneer hier vermoedens van bestaan, is het legitiem dat een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming wordt gedaan. De Raad voor de Kinderbescherming maakt zijn eigen afweging om een onderzoek op te starten.4
Het is niet nodig dat ouders eerder zijn veroordeeld op grond van de Leerplichtwet om als gemeente een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming te kunnen doen bij vermoedens van «educational neglect».
Wat is, in het licht van de criteria voor een verzoek om onderzoek, uw oordeel over mededelingen van de gemeente Rotterdam dat geen kinderbeschermingsmaatregel is overwogen, dat slechts een onafhankelijk oordeel over de situatie in deze gezinnen gewenst is en dat niet is vastgesteld of sprake is van vrijwillige hulpverlening? Hoe is het ontbreken van duidelijkheid, in casu inzake het recht op onderwijs, als motivering voor een verzoek om onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming te verenigen met het vereiste dat sprake moet zijn van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling of de veiligheid van de minderjarige en dat daarom een gezagsmaatregel overwogen moet worden?2
Zoals ik in mijn reactie op vraag twee heb aangeven, is ook voor kinderen voor wie een vrijstelling van toepassing is, goed onderwijs een noodzakelijke voorwaarde voor een gezonde ontwikkeling. Dit vloeit voort uit het IVRK. Wanneer de gemeente zorgen heeft over de ontwikkeling van een kind, omdat niet geconstateerd kan worden dat het internationaal vastgestelde recht op onderwijs geborgd wordt, kan zij een VTO bij de Raad voor de Kinderbescherming indienen. De gemeente heeft binnen haar regierol in de jeugdhulp de vrijheid om zelf te beoordelen wanneer zij een bedreiging van de ontwikkeling van een kind ziet en daarnaar handelt.
Wanneer sprake is van vrijwillige hulpverlening in het gezin zal de Raad voor de Kinderbescherming dat kunnen constateren tijdens het onderzoek en mee laten wegen in haar beoordeling van die specifieke casus.
In hoeverre vindt u het acceptabel dat het criterium educatieve verwaarlozing (educational neglect) in de sfeer van de kinderbescherming wordt opgevoerd, terwijl de wetgever tot op heden kennelijk van oordeel is dat een vrijstelling van de leerplicht zonder vervangend onderwijs hoe dan ook acceptabel is? Onderkent u, op basis van internationale jurisprudentie, dat het de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de wetgever is, en niet van de gemeente, om uitwerking te geven aan het recht op onderwijs en te beoordelen wanneer sprake is van educatieve verwaarlozing?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rechtsmiddelen kunnen ouders aanwenden om te voorkomen dat een door de gemeente kenbaar gemaakt voornemen tot een verzoek om onderzoek ten onrechte tot een ingrijpend onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming leidt? In hoeverre geldt het voornemen van de gemeente als een besluit?
Ouders staan geen rechtsmiddelen ter beschikking om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming om te zien of de ontwikkeling van een kind wordt bedreigd af te wenden. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de specifieke en wettelijke taak om onderzoek te doen in dergelijke situaties, ook als ouders daar tegen zijn. Dit is de waarborgfunctie van de overheid waar het gaat om behartiging van de rechten van kinderen.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft mij laten weten dat hij de ontvangen (meldings-)informatie kritisch en zorgvuldig beoordeelt, conform zijn methodisch kader waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de mogelijke bedreiging en de (on)mogelijkheden van de vrijwillige zorg inzet. Over de kwaliteit van het onderwijs doet de Raad voor de Kinderbescherming overigens geen uitspraken.6
Het voornemen van de gemeente tot het indienen van een VTO bij de Raad voor de Kinderbescherming is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Problemen bij verrekening pensioen na echtscheiding |
|
Paul Ulenbelt |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in tienduizenden gevallen ex-partners te veel of juist te weinig pensioen krijgen van de ander?1
Het artikel in het AD haalt met name aan dat berekening van pensioenaanspraken ten behoeve van personen die voor inwerkingtreding van de Wet pensioenverevening bij scheiding (WVPS) zijn gescheiden, dus voor 1 mei 1995, onevenredig uit kan pakken. Voor deze oude scheidingssituaties gelden niet de regels van de WVPS. Wel kan voor de pensioenverrekening een beroep worden gedaan op de verdeelsleutel die in het arrest Boon/Van Loon van de Hoge Raad van 27 november 1981 (NJ 1982, 503) is aangereikt (zie antwoord vraag 2).
Bent u er mee bekend dat partners elkaar aan moeten spreken op verrekening van pensioenen, waarbij er tot mei 1995 geen wetgeving was met betrekking tot de verrekening van pensioenen bij scheiding en dat dit nog steeds de nodige problemen oplevert? Zo ja, wat is hierover uw mening?
Op grond van de op 1 mei 1995 inwerkinggetreden WVPS wordt het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap is opgebouwd, onafhankelijk van het huwelijksvermogensregime bij helfte verdeeld, tenzij de toepasselijkheid van de wet is uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant. Het nabestaandenpensioen blijft buiten de verdeling. Hiervoor geeft de Pensioenwet regels.
Wanneer binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding door een van beide ex-partners mededeling is gedaan aan de pensioenuitvoerder door middel van een daarvoor vastgesteld formulier, ontstaat een recht op uitbetaling van het tijdens de huwelijkse periode opgebouwde ouderdomspensioen jegens de pensioenuitvoerder. Bij gebreke van een tijdige mededeling blijft het recht op verevening bestaan jegens de andere ex-partner. Deze moet hier dan door de vereveningsgerechtigde op worden aangesproken.
Voor scheidingen voor 1 mei 1995 geldt op grond van de hierboven genoemde rechtspraak dat bij een huwelijk in gemeenschap van goederen het zowel voor als tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen wordt verdeeld, evenals het nabestaandenpensioen. Deze pensioenrechten vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. Er dient een verrekening van de contante waarde van het voor het huwelijk tot het moment van scheiding opgebouwde ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen plaats te vinden. Op welke wijze en tot welke bedragen waardeverrekening dient plaats te vinden wordt volgens de Hoge Raad beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wanneer ten tijde van de scheiding geen waardeverrekening van pensioenrechten heeft plaatsgevonden en een ex-partner meent nog wel aanspraak te hebben op een deel van het pensioen, dan zal deze de andere ex-partner moeten aanspreken (evenals dit het geval is bij het niet tijdig insturen van het formulier op grond van de WVPS). Wanneer verrekening aan de orde is, zal dit aan de hand van de door de rechtspraak geformuleerde regels dienen te geschieden.
In de praktijk is gebleken dat waardeverrekening op basis van deze regels niet eenvoudig is. Het Boon/Van Loon-arrest maakte het wenselijk het onderwerp pensioendelen bij scheiding wettelijk te regelen. Met de bovengenoemde WVPS is beoogd de pensioenverdeling overeenkomstig het Boon/Van Loon-arrest te verwezenlijken, de uitvoerbaarheid daarvan te vergroten en de rechtspraktijk te ontlasten.
Klopt het dat zeker vanaf 2009 pensioenfondsen en verzekeraars de aanspraken «verkeerd» berekenen, omdat ze conform de wet- en regelgeving met de kostprijs rekenen die gold toen de scheiding plaats had? Zo ja, wat is hierop uw reactie?
Voor scheidingen die voor inwerkingtreding van de WVPS hebben plaatsgevonden, waarbij pas vele jaren later een verzoek wordt gedaan voor het vaststellen van de waarde van het pensioen, is geen eenduidig antwoord te geven op de vraag op welke grondslagen een berekening moet worden vastgesteld (op datum scheiding of op datum van verzoek berekening). Hiervoor gelden geen wettelijke voorschriften. Dit pensioen zal conform het arrest van de Hoge Raad moeten worden verdeeld naar redelijkheid en billijkheid.
Klopt het dat als gevolg van die verrekening mensen soms zelfs meer dan 100% van hun pensioen moeten afdragen aan de ex-partner? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?
Dergelijke verrekeningsbedragen zijn mij niet bekend. De verrekening van het pensioen (ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen) bij scheidingen voor 1 mei 1995 maakt deel uit van de boedelscheiding. Dit pensioen zal, zoals hiervoor aangegeven, volgens rechtspraak worden verdeeld naar redelijkheid en billijkheid. Als ex-partners er onderling niet uitkomen, kan een beroep op de rechter worden gedaan.
Bent u bereid om deze problemen op te lossen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor in antwoord op vraag 2 is aangegeven, is de WVPS in het leven geroepen om de verdeling van pensioen beter uitvoerbaar te maken. Deze wet heeft geen terugwerkende kracht en ziet niet op scheidingen die voor de inwerkingtreding op 1 mei 1995 hebben plaatsgevonden. Deze scheidingen worden beheerst door de jurisprudentiële regeling van redelijkheid en billijkheid (zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, blz. 33). Daarmee is het kader voor pensioenverrekening gegeven. Door het alsnog treffen van aanvullende maatregelen zou bovendien rechtsongelijkheid kunnen ontstaan tussen ex-partners die deze verdeling reeds hebben gemaakt en ex-partners die deze nog willen maken. Zoals hiervoor bij het antwoord op vraag 4 is vermeld, zal, in de situatie dat ex-partners zelf niet tot verrekening kunnen komen, de rechter een oordeel kunnen worden gevraagd.
Massale schade door gaswinning bij Delfzijl |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de massale schade door gaswinning in de dorpen bij Delfzijl?1
Ja.
Is het waar dat de gemeente Delfzijl bij de Nationaal Coördinator heeft aangedrongen op een snel onderzoek naar de omvangrijke schade aan huizen en gebouwen in dorpen ten zuiden van Delfzijl?
Ja, als gevolg van het hoge aantal schadegevallen in de omgeving van Delfzijl heeft de burgemeester van Delfzijl er bij de Nationaal Coördinator Groningen inderdaad op aangedrongen om extra onderzoek te doen naar de oorzaak daarvan.
Is het waar dat het gaat om onder meer Woldendorp, Termunterzijl, Termunten, Borgsweer en Wagenborg?
Ja, maar bijvoorbeeld ook om schadegevallen in de gemeente Oldambt, Veendam, Bellingwedde en Pekela.
Is het waar dat bij storm levensgevaarlijke situaties kunnen ontstaan? Welke conclusies verbindt u daaraan?
Bij storm bestaat het risico op omvangrijke schade. Deze situaties kunnen worden beïnvloed door verschillende tijd- en plaats afhankelijke factoren, die kunnen verschillen per gebouw. Daarom kan ik daar geen algemene conclusies aan verbinden.
Kunt u er bij de Nationaal Coördinator op aandringen dat er een snel onderzoek komt naar de situatie in en rond Delfzijl?
De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) start in het eerste kwartaal van dit jaar met een onderzoek naar de oorzaken van de hoge percentages schadegevallen die gelokaliseerd zijn aan de randen van het aardbevingsgebied.
Kunt u er bij de Nationaal Coördinator, de NAM en het CVW op aandringen dat de schades zo spoedig mogelijk worden afgewikkeld?
Ja, een spoedige en zorgvuldige afwikkeling van schademeldingen heeft mijn aandacht en is ook onder de aandacht van alle betrokken organisaties.
De gelijke behandeling van aardbevingsschade in alle gemeenten |
|
Henk Nijboer (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de uitspraken van burgemeester Smit van Oldambt over het in te stellen onderzoek van de Nationaal Coördinator Groningen naar de situatie in Delfzijl?1
Ja.
Is het waar dat in de dorpen van de gemeente Oldambt een vergelijkbare situatie is als die in de dorpen in de gemeente Delfzijl, een paar kilometer verderop?
De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) start in het eerste kwartaal van dit jaar met een onderzoek naar de oorzaken van de hoge percentages schadegevallen die gelokaliseerd zijn aan de randen van het aardbevingsgebied. Hieronder vallen ook de gemeenten die in de vragen worden genoemd. De NCG heeft de burgemeester van Oldambt hierover geïnformeerd.
Is het waar dat in dorpen als Nieuwolda, ’t Waar en Nieuw-Scheemda dezelfde schade voorkomt als in de dorpen van de gemeente Delfzijl?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de omstandigheden, zoals de ondergrond, daar hetzelfde zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de afwikkeling van de schade daar even gebrekkig verloopt als in de gemeente Delfzijl? Kunt u met de Nationaal Coördinator Groningen in overleg treden, en hem verzoeken om zijn onderzoek uit te breiden naar het hele gebied?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat gebruikers van Popcorn Time schadeclaims kunnen verwachten |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u een reactie geven op de artikelen «Popcorn Time-paniek: krijg je een schadeclaim op de mat?»1 en «Brein: snel boetes voor Popcorn Time-gebruikers»?2
In de voornoemde artikelen wordt terecht opgemerkt dat voor zowel het uploaden als het downloaden van auteursrechtelijk beschermde prestaties voorafgaande toestemming van rechthebbenden is vereist. Zonder die toestemming is sprake van een auteursrechtinbreuk. De handhaving van het auteursrecht is in beginsel een privaatrechtelijke aangelegenheid. De collectieve handhaving geschiedt door Stichting BREIN namens daarbij aangeslotenen, groepen recht – en belanghebbenden uit de audio, film, video en interactieve software industrie. Die stichting heeft meermaals aangegeven zich te richten op aanbieders van illegaal materiaal (waaronder eerste/grote uploaders). Het staat rechthebbenden uiteraard vrij om het auteursrecht individueel te handhaven. Stichting Brein heeft de verwachting uitgesproken dat die individuele handhaving vaker zal gaan gebeuren en dat de pijlen daarbij ook op inbreukmakende eindgebruikers zullen worden gericht. Dutch Filmworks, een individuele rechthebbende, heeft dat bevestigd. Tot op heden heeft dit er evenwel nog niet toe geleid dat een zo’n eindgebruiker ook daadwerkelijk in rechte is gedaagd.
Wat is uw mening over de verwachting van Stichting Brein dat rechthebbenden vaker schadeclaims zullen indienen tegen individuele gebruikers van download- en streamingdiensten?
Het is technisch mogelijk voor rechthebbenden om IP-adressen van Popcorn Time-gebruikers die inbreuk op het auteursrecht maken, te verzamelen. Om aan de daarmee corresponderende NAW-gegevens te komen is de hulp van de betrokken internet-providers nodig. Wanneer internet-providers deze gegevens niet willen verschaffen dan kunnen zij daartoe door de rechter worden verplicht op vordering van rechthebbenden. De rechter zal alle betrokken belangen (waaronder de privacy van de eindgebruiker en de handhaving van het intellectuele eigendomsrecht van de rechthebbende) zorgvuldig tegen elkaar afwegen alvorens daartoe te besluiten. Ook het eventuele eigenstandige belang van de internet-provider kan in die afweging worden betrokken.
Individuele rechthebbenden die na deze tussenkomst van de rechter over de benodigde NAW-gegevens beschikken, spelen blijkbaar met de gedachte inbreukmakende eindgebruikers schikkingsvoorstellen te sturen. Natuurlijk zijn de eindgebruikers niet gehouden daarmee in te stemmen. Partijen kunnen hun eventuele geschil bij de rechter laten voorkomen. Het is dan aan de rechter om te bepalen of sprake is van een inbreuk, of daardoor schade is geleden en in hoeverre die alsdan voor vergoeding in aanmerking komt.
In welke mate is de hoeveelheid illegaal verkregen auteursrechtelijk beschermd werk toegenomen sinds torrentstreamingdiensten als Popcorn Time, Streamio en Kodi in populariteit zijn gegroeid?
Ten eerste zij opgemerkt dat Kodi (voorheen XBMC) op zichzelf beschouwd geen onrechtmatig open source mediacenter betreft. Popcorn Time en het daaraan verwante Stremio zijn diensten die het uitwisselen van auteursrechtelijk beschermd materiaal faciliteren zonder de daarvoor benodigde toestemming van rechthebbenden. De films en series worden gestreamd via de bittorrent technologie, waarbij gebruikers zowel up- als downloaden terwijl toestemming van rechthebbenden daarvoor in de regel ontbreekt. Die diensten zijn vanwege hun gebruiksgemak naar verluidt zeer populair. Ik beschik niet over informatie aan de hand waarvan kan worden gekwantificeerd in hoeverre dit tot een toename van illegaal uitgewisselde films en series heeft geleid. Vast staat dat rechthebbenden door die diensten schade lijden en dat individuele rechthebbenden, zoals Dutch Filmworks, dientengevolge met de gedachte spelen ook gebruikers ervan ter verantwoording te roepen. Streamingdienst Popcorn Time kreeg in 2014 veel media aandacht. Zij meldde 1.3 miljoen gebruikers te hebben en is daarmee een belangrijke illegale concurrent voor legale digitale filmdiensten. Dat heeft een negatieve invloed op de omzet in home entertainment. Bij de financiering van films investeren filmdistributeurs (DVD en online) vooraf veelal door middel van minimum garanties die later door de illegale concurrentie niet kunnen worden terugverdiend. Leden van de brancheorganisatie NVPI zien dat terug in stagnerende digitale omzetten. De illegaliteit kan dus een negatief effect hebben op de financiering en totstandkoming van nieuwe films. Ik beschik niet over informatie die de omvang van de schade aangeeft die door illegale streaming van films wordt veroorzaakt. Volgens Considerati die in opdracht van de filmindustrie onderzoek heeft gedaan, zou de schade door downloaden uit illegale bron 78 miljoen per jaar bedragen.
Hoe groot is het aantal schadeclaims dat in de afgelopen vijf jaar is ingediend tegen individuele gebruikers van illegaal verkregen auteursrechtelijk beschermd werk?
Voor zover mij bekend, zijn de afgelopen vijf jaar geen schadeclaims ingediend tegen inbreukmakende eindgebruikers.
Verwacht u dat de in de artikelen vermelde toename van het aantal schadeclaims van filmdistributeurs en producenten tegen gebruikers van Popcorn Time zal leiden tot een toename van het aantal schadeclaims van andere soorten rechthebbenden?
Er zijn mij geen aanwijzingen bekend die de verwachting staven dat ook andere rechthebbenden dan filmdistributeurs en producenten schadevergoeding van eindgebruikers gaan vorderen voor het uitwisselen van auteurs- en nabuurrechtelijk beschermd materiaal zonder de daarvoor in principe benodigde toestemming. Dat filmproducenten en -distributeurs daartoe wellicht wel aanleiding zien heeft te maken met het specifieke bij vraag 3 geduide financieringsmodel.
Bent u nog steeds van mening dat illegaal downloaden of streamen niet vervolgd moet worden, maar dat het uploaden zelf bestraft dient te worden?
Vast staat dat het up- en downloaden van auteursrechtelijk beschermde prestaties zonder voorafgaande toestemming van rechthebbenden een inbreuk behelst. De handhaving van het auteursrecht is in beginsel een privaatrechtelijke aangelegenheid of dat nu collectief of individueel geschiedt. De handhaving is aan de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Auteurswet neergelegde regels gebonden. De rechter kan worden verzocht om te oordelen of die regels juist zijn toegepast.
Wat is uw mening over de huidige status van legaal digitaal aanbod van auteursrechtelijk beschermd werk?
Voor de positie van de auteursrechthebbende makers is een breed online aanbod van muziek en films dat legaal, gebruiksvriendelijk en betaalbaar is, van wezenlijk belang. Het is verheugend dat op www.thecontentmap.nl een alomvattende verzameling met legaal aanbod wordt aangeboden. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een financiële bijdrage geleverd aan een auteursrechtbewustmakingscampagne die tot doel heeft het belang daarvan te benadrukken bij de aanbieders van content, evenals het belang van goede voorlichting voor consumenten (met name jongeren). Consumenten moeten beseffen dat muziek en films niet gratis zijn. Een relatief klein bedrag per maand levert hun legale muziek met goede kwaliteit, service en gemak op waarvoor rechthebbenden worden beloond.
Het overdragen van de melkveefosfaatreferentie aan opvolgers in de eerste, tweede of derde graad en wijzigen van de rechtsvorm van de onderneming |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat de melkveefosfaatreferentie overdraagbaar dient te zijn aan opvolgers in de eerste, tweede of de derde graad, zoals met het amendement Geurts (Kamerstuk 33 979, nr. 59) is vastgelegd in de melkveewet?
Ja. In artikel 21a, vijfde lid, van de Meststoffenwet is inderdaad bepaald dat de melkveefosfaatreferentie kan worden overgedragen aan een landbouwer waarmee bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad bestaat voor het bedrijf waarvoor de melkveefosfaatreferentie is afgegeven.
Deelt u de mening dat de melkveefosfaatreferentie niet verloren moet gaan bij het wijzigen van de rechtsvorm van een bedrijf dat wordt voortgezet op dezelfde locatie door een familielid in de eerste, tweede of derde graad? Zo nee, waarom niet?
Nee. De wet bepaalt dat de melkveefosfaatreferentie kan worden overgedragen aan een landbouwer waarmee bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad bestaat. Bij overdracht van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon is geen sprake van bloed- of aanverwantschap. Overdracht aan een persoon waarmee deze verwantschap bestaat is wel mogelijk, evenals inbreng in bijvoorbeeld een maatschap, een in de landbouw veel gebruikte samenwerkingsvorm, met een persoon waarmee deze verwantschap bestaat.
Deelt u de mening dat de verandering van rechtsvorm niks verandert aan de fysieke werkelijkheid van het bedrijf op een bepaalde locatie?
Ja. De keuze voor het gebruik van een rechtspersoon en de keuze voor een specifieke rechtsvorm heeft echter wel juridische consequenties.
Kunt u toelichten waarom de rechtsvorm van een bedrijf niet gewijzigd kan worden met behoud van de melkveefosfaatreferentie? Welk doel dient deze beperking?
De melkveefosfaatreferentie is geïntroduceerd om relatief intensieve bedrijven te beschermen tegen de noodzaak om met ingang van 1 januari 2015 een reeds bestaand fosfaatoverschot volledig te verwerken. Zonder melkveefosfaatreferentie hadden bedrijven dit wel moeten doen. Nieuwe bedrijven die na 2013 starten dienen het melkveefosfaatoverschot volledig te verwerken.
Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Verantwoorde groei melkveehouderij (Kamerstuk 33 979, nr. 3) was een van de overwegingen voor het beperken van de overdraagbaarheid tot in eerste instantie bloed- en aanverwanten in eerste graad, bij amendement Geurts gewijzigd in bloed- een aanverwanten in eerste, tweede of derde graad, dat het in de loop van de tijd afnemen van het totaal aan melkveefosfaatreferenties bijdraagt aan het vergroten van de grondgebondenheid van de melkveehouderij en een meer verantwoorde afzet van mest. Verruimen van de mogelijkheid om de melkveefosfaatreferentie over te dragen naar derden zou hier haaks op staan.
Overdraagbaar maken van de melkveefosfaatreferentie zou ook betekenen dat relatief intensieve bedrijven zouden worden beloond met (waardevolle) verhandelbare rechten. Dit zou ook in staatssteun hebben geresulteerd, waarvan onduidelijk is of deze geoorloofd zou zijn.
Bent u bereid om te kijken hoe bij overdracht binnen de eerste, tweede en derde graad er ook voor de jonge opvolgers gekozen kan worden voor een voor de familie passende rechtsvorm? Zo nee, waarom niet?
De wet regelt dat bestaande bedrijven die een melkveefosfaatreferentie hebben ontvangen kunnen worden voortgezet door bloed- en aanverwanten. De melkveefosfaatreferentie kan dus direct worden overgedragen aan een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad of via inbreng in bijvoorbeeld een maatschap of een vennootschap onder firma (vof) met een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad. Indien het bedrijf overgaat naar een andere persoon of rechtspersoon, kan de melkveefosfaatreferentie niet worden overgedragen.
Het staat jonge opvolgers uiteraard vrij om te zoeken naar een passende rechtsvorm; zij dienen er wel rekening mee te houden dat de melkveefosfaatreferentie niet in alle gevallen behouden zal blijven.
Valt het wijzigen van de rechtsvorm bij familieovername aan te merken als bijzondere situatie waarvoor een oplossing gevonden dient te worden, zoals u aangaf tijdens het debat op 13 november 2014?
De wet biedt voldoende ruimte om bij overdracht van het bedrijf aan een familielid deze overdracht zodanig vorm te geven dat de melkveefosfaatreferentie behouden kan blijven. Zoals in antwoord op voorgaande vragen is aangegeven is dat het geval bij de vorming van bijvoorbeeld een maatschap of vennootschap onder firma, met een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad.
Kunt u aangeven, gezien het voornemen van het kabinet om fosfaatrechten in te voeren, hoe dit zich verhoudt tot het verbod op staatssteun met het oog op de eerdere discussie over staatssteun en het invoeren van de melkveefosfaatreferentie?
Staatssteun is ook bij de introductie van fosfaatrechten een aandachtspunt. Bij de introductie van de fosfaatrechten zal worden geborgd dat van staatssteun geen sprake is of dat het zal gaan om geoorloofde steun. Dit is ook geantwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de CDA-fractie (Kamerstuk II 2015/16, 33 979, nr. 100).
Is het kabinet bereid om te kijken hoe de overdracht van de melkveefosfaatreferentie naar derden verruimd zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, vanwege de redenen zoals deze in de antwoorden op de voorgaande vragen en dan met name in het antwoord op vraag 4 zijn gegeven.
Het artikel ‘Groepsaansprakelijkheid bij onrechtmatige daad: Het blijft een bijzonder leerstuk’ |
|
Pieter Duisenberg (VVD), Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het artikel Groepsaansprakelijkheid bij onrechtmatige daad: Het blijft een bijzonder leerstuk?1
Ik heb kennis genomen van het artikel.
Deelt u de zienswijze dat de auteur van het artikel tot de conclusie komt dat in het geval van de Maagdenhuisbezetting, de schade verhaalbaar is? Kunt u een toelichting geven?
De auteur van het door u genoemde artikel suggereert inderdaad dat de schade aan het Maagdenhuis met toepassing van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek op de Maagdenhuisbezetters zou kunnen worden verhaald. Ik deel die conclusie echter niet.
Vertrouwt u het juridisch oordeel van deze auteur? Kunt u een toelichting geven?
In zijn artikel suggereert de auteur dat met toepassing van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek de schade aan het Maagdenhuis gemakkelijk verhaalbaar is op de verantwoordelijke betrokkenen. Ik deel die mening niet. Inderdaad hoeft bij toepassing van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek niet te worden bewezen welk lid van een bepaalde groep precies welke schade heeft veroorzaakt. Dit gegeven maakt het verhalen van de schade aan het Maagdenhuis echter niet veel gemakkelijker.
Bij de bezetting van het Maagdenhuis kan immers nauwelijks worden gesproken van één bepaalde groep. Naast de schadeveroorzakers zijn er tijdens de bezetting ook veel vreedzame demonstranten – studenten, docenten, maar ook belangstellenden zoals Kamerleden – in het Maagdenhuis geweest. Zelfs als van een enkele groep zou kunnen worden gesproken zou een groepslid alleen aansprakelijk kunnen worden gesteld als die persoon wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden tot schade zou leiden (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914). Nu een groot deel van de Maagdenhuisbezetting een vreedzaam karakter had is dat niet zo gemakkelijk aan te tonen.
Kunt u aangeven hoeveel de totale schade bedraagt als gevolg van de bezetting van het Maagdenhuis en van het Bungehuis?
Ik heb van de UvA begrepen dat de directe en indirecte kosten die zijn veroorzaakt door de bezettingen van het Bungehuis en het Maagdenhuis (en de kortstondige bezetting van Binnengasthuisterrein2 in totaal € 668.000,– bedragen. De kosten zitten met name in de beveiliging van het Maagdenhuis en het herstellen van fysieke schade aan het pand en andere zaken zoals meubilair en apparatuur. Daarnaast zijn er kosten voor opruimen en schoonmaak en extra interne dienstverlening voor het verhuizen van personeel.
Kunt u aangeven welk bedrag de Universiteit van Amsterdam (UvA) aan extra kosten heeft gemaakt door het geruime tijd niet kunnen gebruiken van de bezette panden?
Zie vraag 4. De kosten voor extra interne dienstverlening voor het verhuizen van personeel zitten bij de totale schade inbegrepen.
Op 30 september 2015 heeft u in antwoord op eerdere vragen aangegeven dat de UvA van de verzekeraar alle schade vergoed heeft gekregen; heeft de verzekeraar ook de hiervoor genoemde extra kosten vergoed?2
Ja, de verzekeraar heeft het volledige bedrag uitgekeerd, onder aftrek van het eigen risico. Kosten voor extra interne dienstverlening voor het verhuizen van personeel zitten daarbij inbegrepen.
Kunt u bevestigen dat, zoals uit informatie3 blijkt, het eigen risico van de verzekering € 25.000 per gebeurtenis bedraagt? Zo ja, wat is uw mening over het feit dat € 50.000 – wellicht verhoogd met extra kosten, aan publiek geld is gebruikt om de schade te betalen? Zo nee, welk bedrag is er dan wel voor rekening van de UvA gekomen?
Ik beschik niet over deze informatie. Het is ook niet aan mij om vertrouwelijke bedrijfsgegevens van de verzekeraar openbaar te maken.
Op 30 september 20154 heeft u in uw antwoorden op eerdere vragen aangegeven van mening te zijn dat u de motie Duisenberg c.s.5 heeft uitgevoerd, door met de UvA in gesprek te gaan maar met de conclusie dat er niet voor is gekozen, zoals was gevraagd, om «binnen de juridische mogelijkheden, de geleden schade, nu betaald uit publieke middelen, maximaal te verhalen op de bezetters»; kunt u een uitgebreide toelichting geven over de manier waarop u deze motie uitgevoerd heeft?
In de motie heeft u mij opgeroepen om met de UvA in gesprek te gaan om te bezien of de geleden schade verhaald kan worden op de bezetters zodat de schade van deze bezetting niet op het onderwijsbudget van de UvA, de overheid en daarmee de belastingbetaler wordt afgewenteld. Tijdens het debat op 21 mei jl. hebben de indieners van de motie aangegeven dat de Minister wordt opgeroepen om als stelselverantwoordelijke het gesprek aan te gaan. Dat heb ik gedaan. Zoals ik reeds in mijn brief van 28 augustus alsook in de beantwoording van eerdere Kamervragen op 30 september heb aangegeven, heb ik conform de motie met het college van bestuur van de UvA gesproken over de directe en indirecte kosten die zijn veroorzaakt door de bezettingen van het Bungehuis en het Maagdenhuis. Ik heb hen gevraagd of zij de schade op de bezetters kunnen verhalen zodat dat de kosten van de bezetting van het Maagdenhuis en het Bungehuis niet ten laste komen van publieke middelen. De UvA heeft aangegeven dat zij, maar ook de verzekeraar, naar de mogelijkheden heeft gekeken om de schade te verhalen en tot de conclusie is gekomen dat het zoeken naar de daders en vervolgens de kans op het verhalen van de schade weinig kans van slagen heeft. De verzekeraar heeft dan ook het volledige bedrag uitgekeerd, onder aftrek van het eigen risico. Op die manier komt de schade niet ten laste van het onderwijsbudget, de overheid en daarmee de belastingbetaler. Conform de motie heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd.
Met de motie van 2 december 2015 (Kamerstuknummer 34 326 nr. 4) heeft u mij verzocht om binnen de aanwezige juridische mogelijkheden alles in het werk te stellen om de geleden schade maximaal te verhalen op de bezetters. Omdat het niet aan mij is om zo’n vordering tegen de schadeveroorzakers in te stellen, maar aan de UvA of de verzekeraar, heb ik de zorgen van uw Kamer opnieuw overgebracht aan de UvA.
In uw eerder genoemde antwoorden stelt u dat een onderzoek zowel studenten als ook docenten zou betreffen die nu in een constructieve dialoog zijn met het college van bestuur, en dat de kans op succes bij een dergelijke onderzoek buitengewoon klein is, zeer veel lasten met zich meebrengt en dat studenten en docenten die niets met de vernieling te maken hadden betrokken worden in het onderzoek; deelt u de mening dat het, gezien het artikel in Assurantie Magazine, wel degelijk mogelijk is om de verantwoordelijken aan te spreken en hen de schade te laten vergoeden?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb uiteengezet is het niet zo eenvoudig een concrete betrokkene aan te spreken voor de schade aan het Maagdenhuis. In ieder geval is het enkele feit dat die betrokkene tijdens de bezetting in het Maagdenhuis is geweest daarvoor niet voldoende. Om de schade te kunnen verhalen zou moeten worden achterhaald welke (groepen van) personen de schade hebben aangericht. Dit vereist onderzoek onder de studenten en docenten, hetgeen noodzakelijkerwijs betekent dat ook personen die niets met de vernielingen te maken hebben gehad bij het onderzoek worden betrokken. Het opsporen van de verantwoordelijken wordt nog verder gecompliceerd door de mogelijkheid dat ook mensen van buiten de universiteit vernielingen hebben aangericht. Zoals ik in mijn brief van 29 september jl. (in antwoord op uw brief zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 158) heb aangegeven, zou een onderzoek dan ook aanzienlijke kosten met zich brengen en lijkt de kans op succes nagenoeg nihil. Daarbij is het bovendien maar zeer de vraag of de kosten van zo’n onderzoek opwegen tegen de baten.
Bent u het eens met de vaststelling dat, naast de vernielers en de louter kritische studenten en docenten, een derde categorie onderscheiden kan worden, zijnde de organisatoren van de bezetting?
Ik ben het eens met de stelling dat er ook personen in het Maagdenhuis aanwezig waren die een organisatorische rol vervulden, maar ik ben het oneens met de stelling dat die personen eenvoudig als categorie onderscheiden kunnen worden.
Deelt u de opvatting dat onvoldoende onderzocht is wat de verhaalsmogelijkheden zijn op de organisatoren van de bezetting van wie de identiteit bekend is? Zo ja, wat weerhoudt u van een dergelijk onderzoek? Zo nee, wat was de uitkomst van dit onderzoek?
Nee, ik deel die opvatting niet. De UvA heeft naar de mogelijkheden gekeken en ook de verzekeraar is tot de conclusie gekomen dat het zoeken naar de daders en vervolgens de kans op het verhalen van de schade weinig kans van slagen heeft. Ik vertrouw op hun oordeel, zeker aangezien de verzekeraar er alle belang bij heeft om de schade te verhalen als hij daartoe een mogelijkheid zou zien.
Deelt u de mening dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de aangerichte schade, ongeacht de constructieve dialoog met het college van bestuur van de UvA, gezien de bestaande juridische mogelijkheden, aangesproken dienen te worden voor vergoeding van de schade?
Ik deel de mening dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de aangerichte schade aangesproken dienen te worden. Al eerder heb ik aangegeven dat ik de vernielingen afkeur. Ik zie echter geen mogelijkheden om hen aansprakelijk te stellen zonder dat ook studenten en docenten die uit oprechte zorg mee wilden praten over de universiteit hiervoor gestraft zouden worden.
Deelt u de mening dat de UvA de verantwoordelijke personen wel kan, maar niet wenst aan te spreken voor schadevergoeding en dat dit een verkeerd signaal is naar de samenleving?
Nee, ik deel die mening niet. De UvA heeft naar de mogelijkheden gekeken en ook de verzekeraar is tot de conclusie gekomen dat het zoeken naar de daders en vervolgens de kans op het verhalen van de schade weinig kans van slagen heeft. Hoewel ik het zeer betreur dat er schade is veroorzaakt aan een monumentaal pand, gaat het wat mij betreft niet alleen om het signaal richting de veroorzakers van die schade. Het gaat ook om studenten en docenten die uitsluitend kritiek hebben geuit en die kunnen niet voor de schade verantwoordelijk worden gehouden.
Kunt u aangeven waarom bij de recente Maagdenhuisbezetting geen gebruik wordt gemaakt van verhaalsmogelijkheden, terwijl in andere gevallen, zoals de bezetting van de Informatiseringsbank (1991)6, bij voetbalvandalisme (2006)7 en de ontruiming van de Ubica panden in Utrecht (2015)8, de overheid deze mogelijkheden wel heeft benut?
Uit het voorgaande blijkt is het zeer moeilijk te achterhalen welke personen verantwoordelijk zijn voor de schade aan het Maagdenhuis. Tijdens de langdurende bezetting zijn er naast vandalen ook veel vreedzame demonstranten in het Maagdenhuis geweest die niet aansprakelijk zouden moeten worden gesteld voor de aangerichte vernielingen. Deze omstandigheid maakt dat de Maagdenhuisbezetting naar mijn mening wezenlijk verschilt van de door u aangehaalde incidenten.
Een kostbaar onderzoek met een geringe kans op succes zou de constructieve dialoog tussen de Universiteit van Amsterdam en de bezetters verstoren. Ik heb er dan ook begrip voor dat de UvA ervoor heeft gekozen van een dergelijk onderzoek af te zien.
Is het waar dat bij het aanvragen van een autoverzekering verzekeraars de eerste acht jaar na afloop van iemands detentieperiode een melding te zien krijgen dat de aanvrager gedetineerd is geweest en dientengevolge de aanvrager doorverwijzen naar Rialto Verzekeringen?
Nee, verzekeraars beschikken niet over een databank waarin deze informatie voor hun is opgeslagen en die een dergelijke melding verstrekt (zie hierover ook het antwoord op vraag 2). Verzekeraars kunnen wel zelf op het aanvraagformulier voor een verzekering vragen naar het strafrechtelijke verleden van een potentiële verzekeringnemer. De verzekeringnemer is slechts verplicht om feiten omtrent een strafrechtelijk verleden aan de verzekeraar mede te delen, indien die feiten minder dan acht jaar voor het afsluiten van de verzekering hebben plaatsgevonden (zie ook mijn brief van 19 mei jl. aan uw Kamer, kenmerk 640764). De verzekeraar moet hier bovendien expliciet naar hebben gevraagd, in niet voor misverstand vatbare termen. Deze twee eisen volgen uit het vijfde lid van artikel 928 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Net als andere vragen op een aanvraagformulier voor een verzekering wordt de vraag naar het strafrechtelijke verleden gesteld om een risico-inschatting te maken. Een verzekeraar moet namelijk in staat zijn om het hem aangeboden risico op verzekerbaarheid te beoordelen. Navraag bij het Verbond van Verzekeraars leert dat detentie op zichzelf geen doorslaggevende factor is. Een strafbaar feit speelt bij een risico-inschatting alleen een rol, wanneer het een verzekering betreft die te relateren is aan het feit dat is begaan.
Kunt u de oorsprong, duur en relevante juridische grond van deze bewaarplicht van een beëindigde detentie voor verzekeraars toelichten? Kunt u tevens aangeven welke andere organisaties/financiële instellingen langdurig inzicht verkrijgen bij (andersoortige) verzekeringsaanvragen van ex-gedetineerden en wat de termijn van inzage hierbij is?
De in de vraag genoemde bewaarplicht bestaat niet. Zoals uit het antwoord op vraag 1 volgt, mogen verzekeraars wel vragen naar strafbare feiten die minder dan acht jaar voor het afsluiten van de verzekering hebben plaatsgevonden.
Daarnaast is nog van belang dat verzekeraars de Stichting Centraal Informatie Systeem hebben opgericht (Stichting CIS). Navraag bij deze stichting wijst uit dat de stichting geen gegevens registreert over een eventuele detentie van een verzekeringnemer. Uit de databank van deze stichting kunnen verzekeraars wel informatie opvragen over bijvoorbeeld rij-ontzeggingen en het claimen van schades door de verzekeringnemer.
Kunt u aangeven hoeveel hoger de premie is voor ex-gedetineerden als het gaat om een autoverzekering, in vergelijking met «normale» verzekeraars? Bent u er bekend mee dat de aangesloten verzekeraars via Rialto Verzekeringen behalve een hogere maandpremie veelal ook andere financiële eisen stellen, zoals drie maanden vooruitbetalen, een extra bedrag van circa 175 euro voor de eerste maand en een polis uitgaande van nul schadevrije jaren?
Hoeveel hoger de premie is voor ex-gedetineerden is in algemene zin niet aan te geven. De hoogte van de premie is afhankelijk van verschillende factoren. Het feit dat een potentiële verzekeringnemer gedetineerd is geweest, is op zichzelf niet bepalend bij de beoordeling van een risico en het bepalen van de premie. Een strafbaar feit speelt alleen een rol, wanneer het een verzekering betreft die te relateren is aan het feit dat is begaan. Een rij-ontzegging is bijvoorbeeld slechts voor een autoverzekering relevant, en brandstichting voor een brandverzekering.
Andere factoren die bij het bepalen van de premie voor een autoverzekering van belang zijn, betreffen bijvoorbeeld het diefstalrisico, de reparatiekosten en het aantal schadevrije jaren.
Rialto heeft gemeld dat de premie die wordt gehanteerd is gebaseerd op het schaderisico, vermeerderd met maatschappijkosten en provisievergoeding voor de tussenpersoon, net als bij reguliere verzekeraars. Rialto bevestigt dat de premie hoger is dan bij andere verzekeraars, dat de premie bij een nieuwe autoverzekering ten minste de eerste drie maanden vooruit dient te worden betaald en een waarborgsom van 175 euro is vereist. Dit is volgens Rialto noodzakelijk om een groter dan gemiddeld wanbetalingsrisico te ondervangen. Indien de verzekeringnemer bewijs van schadevrije jaren levert, houdt Rialto hiermee rekening. Polissen afgesloten bij Rialto zijn dagelijks opzegbaar. Verzekeringnemers worden op deze manier niet langer dan nodig gebonden aan Rialto en de hogere premie, wanneer zij bij een andere verzekeraar een verzekering tegen een lagere premie kunnen afsluiten.
Deelt u de mening dat het niet onlogisch is dat een dergelijke polis duurder kan uitvallen gelet op het risico dat een verzekeraar kan lopen, maar dat deze niet zó hoog kan zijn dat ex-gedetineerden besluiten geen autoverzekering af te sluiten, onverzekerd rondrijden en/of gebruikmaken van andermans papieren? Hoe beoordeelt u deze laatstgenoemde gevolgen die in de praktijk plaatsvinden?
Dat de risico-inschatting bij de aanvraag van een autoverzekering door een verzekeringnemer wiens rijbevoegdheid ontnomen is geweest, leidt tot een hogere premie, komt mij niet onlogisch voor. De verzekeringsbranche kent geen premieplafond. Met uitzondering van de ziektekostenverzekering, is er ook geen acceptatieplicht voor verzekeraars. Het is vanzelfsprekend van belang dat ook ex-gedetineerden een verzekering kunnen afsluiten. Zoals ik in mijn brief van 19 mei jl. opmerkte, mag geen sprake zijn van categorisch weren van ex-gedetineerden. Evenmin zouden aan hen onredelijke eisen gesteld mogen worden. Mij hebben geen signalen bereikt, dat hiervan sprake is, en evenmin dat hierdoor misstanden zouden ontstaan.
Kunt u via Rialto Verzekeringen inventariseren hoeveel offertes gemiddeld jaarlijks worden aangevraagd door ex-gedetineerden en in hoeveel (procent) van de gevallen ook daadwerkelijk een verzekering wordt afgesloten?
Rialto kan niet aangeven hoeveel offertes door ex-gedetineerden worden aangevraagd en hoeveel verzekeringen daadwerkelijk aan hen worden verstrekt. Navraag bij Rialto wijst uit dat Rialto in haar systeem niet registreert of een persoon een strafrechtelijk verleden heeft. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat ex-gedetineerden ook verzekerd zijn bij andere verzekeraars dan Rialto.
Bent u bereid in overleg met de branche te treden en/of zelf initiatief te nemen om te analyseren of geen onredelijke eisen gesteld worden bij het afsluiten van een (auto)verzekering aan ex-gedetineerden, ook in het licht van de wenselijkheid om een verzekering voor alle burgers tot de mogelijkheden te laten behoren?
Vooralsnog hebben mij geen signalen bereikt die wijzen op mogelijke misstanden. Voor het doen van onderzoek zie ik daarom op dit moment geen aanleiding. Mochten dergelijke signalen mij in de toekomst wel bereiken, dan zal ik vanzelfsprekend bezien of onderzoek is aangewezen.