Erfpacht |
|
Jessica van Eijs (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kunt u een uitgebreid overzicht geven van de geschiedenis van de erfpachtsituatie op de Wadden, waarbij u ook ingaat op het onderzoek van de commissie-Groothuis, de commissie-Van der Werf en het onderzoek «De beoordeling van de RVB (Rijksvastgoedbedrijf) taxatiemethode op de Waddeneilanden»?
Bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 beperken wij ons tot de percelen die Staatsbosbeheer heeft uitgegeven op de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling, omdat wij vermoeden dat dit de «erfpachtsituatie op de Wadden» is waar de vragensteller op doelt.
In 2008 ontstond, naar aanleiding van een door Staatsbosbeheer aangekondigde verhoging van de erfpachtcanon, discussie over de hoogte van de erfpachtcanon van de door Staatsbosbeheer uitgegeven erfpachtpercelen en de wijze waarop deze canon (en de waarde van de percelen) werd berekend. Dit leidde onder andere tot een door de toenmalige Minister van LNV ingestelde onafhankelijke adviescommissie Groothuis/Zevenbergen. De Minister van LNV nam het advies en van deze commissie in 2010 integraal over en verzocht Staatsbosbeheer om de aanbevelingen van de commissie te implementeren (Kamerstuk 29 659, nr. 47). Een van de adviezen van de commissie betrof het te koop aanbieden aan de erfpachters van de gronden die -ook op de langere termijn- niet nodig zijn voor het realiseren van de doelstellingen van Staatsbosbeheer.
Uw Kamer heeft vervolgens diverse moties aangenomen over de implementatie van het advies van de commissie Groothuis/Zevenbergen, inclusief de inrichting van het verkoopproces (Kamerstuk 29 659, nrs. 52, 55, 57, 58, 59, 91).
Uw Kamer is vervolgens in diverse brieven geïnformeerd over de implementatie van het advies van de commissie Groothuis/Zevenbergen, de inrichting van het verkoopproces, de Ontwikkelagenda Wadden en de wijze van uitvoering van de aangenomen Kamermoties (Kamerstuk 29 659, nrs. 66, 67, 72, 74, 75, 77, 79, 81, 83, 97, 98, 123, 137, 143).
De commissie-Van der Werf was een onafhankelijke adviescommissie die is ingesteld door Staatsbosbeheer. De commissie is gevraagd te adviseren over methodes voor waardebepaling en de uitvoering bij het te koop aanbieden van bloot eigendom van de erfpachtpercelen op de Waddeneilanden. Het advies van de commissie-Van der Werf verscheen in juni 2013. Staatsbosbeheer heeft vervolgens, in overleg met en betrokkenheid van vertegenwoordigers van erfpachters van alle drie de eilanden aan een rentmeesterkantoor opdracht gegeven om met toepassing van het advies van de commissie-Van der Werf een zogenaamde «proeftaxatie» te doen van vijftien representatieve objecten op Texel, Terschelling en Vlieland.
In hun brief aan uw Kamer van 18 december 2014 (Kamerstuk 29 659, nr. 137) concludeerden de toenmalige Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Staatssecretaris van Economische Zaken dat toepassing van het advies van de commissie-Van der Werf zou leiden tot het verkopen van overheidsbezit tegen een te lage prijs. Ze kondigden aan dat alle percelen van Staatsbosbeheer die voor verkoop in aanmerking komen onafhankelijk zouden worden getaxeerd, waarna de prijzen volgens wettelijk voorschrift ter goedkeuring aan het Rijksvastgoedbedrijf zouden worden voorgelegd.
Over deze brief hebben leden van uw Kamer diverse vragen gesteld, die door de toenmalig Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Staatssecretaris van Economische Zaken zijn beantwoord (Kamerstuk 29 659, nrs. 138, 141, 142).
Inmiddels heeft Staatsbosbeheer aan alle erfpachters een koopaanbieding of een voorstel voor een voortgezette erfpachtrelatie gedaan. Vrijwel alle erfpachters hebben hun keuze reeds gemaakt en een groot deel daarvan is inmiddels notarieel vastgelegd. Het (verkoop)project van Staatsbosbeheer is hiermee vrijwel voltooid. Zie de onderstaande tabel:
Koop
Afkoop canon in 99 jaar
Voortzetting erfpacht 30 jaar
Nog geen keuze gemaakt
Totaal
Texel
16
2
17
0
35
Vlieland
9
0
240
0
249
Terschelling
37
16
29
5
87
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag welke toezeggingen in het verleden zijn gedaan door bewindspersonen aan de Kamer en/of aan erfpachters?
Voor de toezeggingen aan de Kamer verwijs ik u naar de in het antwoord op vraag 1 vermelde Kamerbrieven.
Staatsbosbeheer is als eigenaar van de gronden primair verantwoordelijk voor de communicatie met erfpachters. Staatsbosbeheer heeft hierbij altijd het in het antwoord op vraag 1 geschetste politiek/bestuurlijke kader als uitgangspunt gehanteerd.
Is het waar dat het onderzoek «De beoordeling van de RVB taxatiemethode op de Waddeneilanden» beoordeeld is door het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke integriteit? Zo ja, wat was het oordeel van deze commissie?
Het betreft een geanonimiseerd LOWI-advies aan de colleges van bestuur van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Maastricht. Na een voorlopig oordeel van beide colleges in een klachtprocedure van 2 klagers, dat hun klachten ongegrond waren verklaard, heeft een van beide klagers dit advies gevraagd. Na ontvangst van het LOWI-advies hebben de colleges van bestuur de aanvankelijke oordelen bevestigd als definitief oordeel en de klachten ongegrond verklaard.
Daarmee staat de door het RVB gebruikte taxatiemethode voor mij niet ter discussie.
Thans is sprake van een door een aantal erfpachters aangespannen gerechtelijke procedure waarin de door het RVB gebruikte taxatiemethode ter discussie wordt gesteld. Ik wacht de uitkomsten van deze procedure af en zal u er te zijner tijd over informeren.
Voor uw vraag naar informatie verwijs ik naar het antwoord op de vragen 5 en 6.
Wat betekent het oordeel van de commissie voor uw weging van de validatie? In hoeverre is het verplicht om kopers van een eigendom te informeren over de bijbehorende, al dan niet private, erfpacht, de looptijd daarvan en de mogelijke toekomstige verhogingen van de erfpacht?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier zijn binnen het huidige recht de belangen van erfpachters gewaarborgd?
Erfpacht is een zakelijk recht dat een ieder voor een bepaalde duur op zijn eigendom kan vestigen. Het gaat daarbij om een langjarig tijdelijk, voortdurend of eeuwigdurend recht op gebruik van de eigendom door degene die een erfpachtrecht koopt, meestal tegen een periodieke vergoeding (canon)1. Voor de overeengekomen duur van de erfpacht kan de erfpachter zich in beginsel gedragen als ware hij eigenaar. De erfpachter kan zijn recht om de eigendom te gebruiken dus ook verkopen.
U vraagt naar wettelijke waarborgen voor een eerlijke prijs voor erfpacht. De prijs voor erfpacht wordt bepaald door economische wetmatigheden binnen de wettelijke kaders en de inhoud van de erfpachtakte. Bij de vestiging van het erfpachtrecht is deze prijs in beginsel gelijk aan de alsdan overeengekomen grondwaarde en bijbehorende canon. Voor de bepaling van de grondwaarde is de residuele methode het meest gangbaar2. Partijen zullen bij het sluiten van een overeenkomst hierover rekening houden met eventuele beperkingen in het erfpachtrecht. Wanneer het overeengekomen erfpachtrecht dit toelaat, zoals bij tijdelijke en voortdurende erfpachtrechten, kan herwaardering plaatsvinden na verloop van de overeengekomen duur van de erfpacht. Het is afhankelijk van de inhoud van de akte en de eventueel toepasselijke algemene voorwaarden wat de prijs dan is. Veel voorkomend is dat dan herwaardering naar de actuele grondwaarde plaatsvindt3. Wanneer er geen overeenstemming is tussen erfpachter en erfverpachter is het uiteindelijk aan de rechter om een oordeel te geven. Daarbij geldt dat de belangen van erfpachters worden geborgd door de wettelijke regeling van titel 5.7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en door hetgeen partijen in de akte van vestiging en de eventueel toepasselijke algemene voorwaarden zijn overeengekomen. Daarnaast kunnen de redelijkheid en billijkheid zowel aanvullend als beperkend werken ten opzichte van wat is overeengekomen (artikel 6:248 BW). Bij de aankoop van een erfpachtrecht rust op de makelaar en notaris een informatieplicht, de koper zal daarom ook dienen te worden geïnformeerd over de inhoud van zijn erfpachtrecht. Van de erfpachter zelf mag ook verwacht worden dat hij zichzelf voldoende informeert. Wanneer de overheid erfverpachter is, geldt bovendien dat zij gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur4.
Zijn er, naast de bepalingen in het erfpachtcontract wettelijke waarborgen voor een eerlijke prijs voor erfpacht?
Zie antwoord vraag 5.
Het bel-me-niet-register |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bel-me-niet Register: waarom word je nog steeds gebeld?» en de uitzending van het programma Kassa van 23 september 2018?1
Ja.
Deelt u de mening dat uit de uitkomst van de enquête onder ruim 2.000 Kassa-kijkers blijkt dat het Bel-me-niet Register niet kan voorkomen dat mensen toch ongevraagde telefoontjes krijgen? Zo ja, hoe komt het dat die telefoontjes toch plaatsvinden? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Het klopt inderdaad dat consumenten die hun telefoonnummer in het Bel-Me-Niet Register hebben ingeschreven gebeld kunnen worden. Consumenten mogen – ook al zijn zij ingeschreven in het Bel-Me-Niet Register- gebeld worden door bedrijven als zij dat bedrijf daar toestemming voor hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest) bij dat bedrijf. Consumenten kennen of begrijpen deze regels niet altijd. Voor deze consumenten is het verwarrend dat zij worden gebeld terwijl zij hun nummer in het Bel-Me-Niet Register hebben ingeschreven.
Om deze verwarring op te lossen, heb ik in de consumentenagenda die ik op 8 oktober jl. aan uw Kamer heb gezonden, aangekondigd om het hele systeem voor telemarketing opnieuw te bezien en maatregelen te treffen. Daarin heb ik een wettelijk opt-in systeem aangekondigd, het uitgangspunt is dat consumenten niet meer gebeld mogen worden tenzij ze daarvoor toestemming hebben gegeven.
Deelt u de mening dat de regel dat bedrijven tot in het oneindige mogen blijven bellen als de consument oud-klant is, moet worden geschrapt, bijvoorbeeld door de periode waarin gebeld mag worden te beperken of het mogen bellen te koppelen aan het verlenen van expliciete toestemming van de klant? Zo ja, hoe gaat u hier middels wet- of regelgeving voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat het onwenselijk is dat consumenten nog gebeld worden door bedrijven waar zij al lang geen klant meer zijn. Ik begrijp dat dit voor irritatie zorgt bij consumenten. Ik overweeg dan ook maatregelen om dit aan te pakken maar ik vind het belangrijk om hierover eerst gesprekken te voeren met de telemarketing sector. Als de irritatie niet door middel van zelfregulering aangepakt kan worden, zal ik wettelijke maatregelen nemen.
Acht u het wenselijk om het bel-me-niet-register ook open te stellen voor (kleine) ondernemers die gevrijwaard willen blijven van ongevraagde telefonische marketing? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het Bel-Me-Niet Register is toegankelijk voor natuurlijke personen. Ook een (kleine) ondernemer die een natuurlijk persoon is, zoals een eenmanszaak, kan zich dus via het Bel-Me-Niet vrijwaren van ongevraagde telefonische marketing.
Is het u bekend dat een belangrijk deel van de consumenten niet, althans onvoldoende weet dat het recht van verzet bestaat, dan wel onvoldoende weet hoe dat recht kan worden geëffectueerd? Kan het recht van verzet ook worden ingeroepen anders dan door middel van het doorlopen van een boodschap na afloop van een ongewenst telefoongesprek? Zo ja, hoe dan?
De sector heeft via zelfregulering een systeem om de consument in ieder telemarketinggesprek actief te wijzen op het Recht van verzet en het Bel-me-niet Register en dat onmiddellijke opname in het Bel-me-niet Register faciliteert. Maar, dit is niet de enige manier waarop consumenten gebruik kunnen maken van het Recht van verzet. De consument kan zich in principe tijdens ieder telefoongesprek verzetten tegen het verdere gebruik van zijn contactgegevens voor telemarketing door eenvoudigweg aan te geven voortaan niet meer gebeld te willen worden. De consument is hiervoor niet afhankelijk van het Interactive Voice Response (de boodschap na afloop van het telefoongesprek).
Deelt u de mening dat het recht van verzet eenvoudiger aangeroepen zou moeten kunnen worden dan het doorlopen van een minutenlang bandje na afloop van een telefoongesprek? Ziet u andere of meer mogelijkheden om het recht van consumenten te versterken om gevrijwaard te blijven van ongewenste telefoontjes van bedrijven? Zo ja, welke en hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De gehanteerde leeftijdsgrens voor aspirant-adoptieouders |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het in juni 2018 verschenen onderzoek van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving over leeftijdsgrenzen?1
Ja.
Klopt het dat de huidige leeftijdsgrens voor aspirant-adoptieouders voor het aanvragen van beginseltoestemming om over te gaan tot adoptie 42 jaar is? Op basis waarvan is gekozen voor deze grens? Liggen hieraan wetenschappelijke onderzoeken ten grondslag? Zo ja, welke?
De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: Wobka) kent geen absolute leeftijdsgrenzen voor aspirant-adoptiefouders. In de Wobka zijn twee leeftijdsgrenzen opgenomen die voor aanvragers van een beginseltoestemming van belang zijn.
De eerste betreft de leeftijd van aspirant-adoptiefouders op het tijdstip van indiening van hun aanvraag voor een beginseltoestemming. In de Wobka is bepaald dat aspirant-adoptiefouders die op het tijdstip van de indiening van hun aanvraag 42 jaar of ouder zijn, niet in aanmerking komen voor een beginseltoestemming, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die naar het oordeel van de Minister voor Rechtsbescherming inwilliging van de aanvraag wenselijk maken (artikel 5, vijfde lid, onderdeel b).
De tweede houdt verband met de duur waarvoor een beginseltoestemming geldig is en geldt voor alle aspirant-adoptiefouders. De Wobka bepaalt dat een beginseltoestemming voor 4 jaar kan worden verleend of verlengd. De duur waarvoor de beginseltoestemming wordt verleend of verlengd mag echter niet het tijdstip overschrijden waarop een van de aspirant-adoptiefouders 46 jaar wordt, tenzij bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven (artikel 3, eerste lid).
De leeftijdsgrens van 42 jaar geldt sinds 1 september 1987, nadat deze eerst gesteld was op 40 jaar. Deze leeftijdsgrens was aanvankelijk opgenomen in de Vreemdelingencirculaire2 en is met de inwerkingtreding van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen op 15 juli 1989 wettelijk verankerd. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat aan deze leeftijdsgrens een advies van de werkgroep Adoptievoorbereiding Buitenlandse Pleegkinderen (werkgroep Boeke) en het College van Advies voor de Kinderbescherming ten grondslag lag.3 Beide stelden dat het belang van het kind vereist dat zijn adoptiefouders, mede met het oog op de toekomst, niet te oud zijn. Uit adviezen van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming d.d. 25 september 20064 en 1 november 20125 blijkt wat de achtergrond daarvan is. De bijzondere kwetsbaarheid van buitenlandse adoptiekinderen (als gevolg van separatie van ouders en verzorgers, slechte hechtingservaringen, ondervoeding en verwaarlozing) stelt zware eisen aan adoptiefouders. Zij moeten in staat zijn om eventuele problemen van het kind, zeker als het kind in de puberteit komt, het hoofd te bieden. Naarmate adoptiefouders ouder worden, nemen hun flexibiliteit en draagkracht af. Ook is de kans op overlijden van de adoptiefouders en daarmee een volgende verlieservaring voor het kind groter.
De leeftijdsgrens van 46 jaar is met een wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen op 31 mei 1995 ingevoerd. Deze leeftijdsgrens hangt samen met het in de wet genoemde maximumleeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouders en het op te nemen kind van 40 jaar en de eis dat een buitenlands adoptiekind op het tijdstip van binnenkomst in Nederland niet de leeftijd van zes jaar mag hebben bereikt.6 Het maximumleeftijdsverschil is ook ingegeven vanuit het belang van het kind. De leeftijdsgrens van 46 jaar was tot 1 januari 2009 een absolute leeftijdsgrens. Ook gold tot dat tijdstip een absolute leeftijdsgrens van 44 jaar voor aanvragers. Deze absolute leeftijdsgrenzen voor aspirant-adoptiefouders zijn als gevolg van het amendement van de toenmalige Kamerleden Wolfsen, Pechtold en Azough (amendement Wolfsen)7 uit de wet geschrapt.
Bent u bekend met de in dit jaar verschenen onderzoeken en prognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waaruit blijkt dat vrouwen op een steeds latere leeftijd kinderen krijgen en mensen in Nederland langer leven in goede gezondheid?2 3
Ja.
Uit welk jaar stamt de huidige wet- en regelgeving omtrent de leeftijdsgrens voor aspirant-adoptieouders om in aanmerking te komen voor een adoptieprocedure? Wat was de gemiddelde leeftijd van vrouwen waarop zij kinderen kregen toen deze wet- en regelgeving werden opgesteld? Wat was de gezonde levensverwachting van mensen toen deze wet- en regelgeving werden opgesteld?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, is de leeftijdsgrens van 42 jaar op 1 september 1987 en de leeftijdsgrens van 46 jaar op 31 mei 1995 ingevoerd.
In 1987 was de gemiddelde leeftijd van vrouwen waarop zij kinderen kregen 28,7 jaar en in 1995 30,2 jaar. Ter vergelijking: in 2017 was de gemiddelde leeftijd van vrouwen waarop zij kinderen kregen 31,3 jaar.10
De gemiddelde levensverwachting van mensen die in 1987 42 jaar waren, was 79,02 jaar. De gemiddelde levensverwachting van mensen die in 1995 46 jaar waren, was 79,79 jaar. Ter vergelijking: de gemiddelde levensverwachting van mensen die in 2017 42 en 46 jaar waren, was respectievelijk 83,16 en 83,33 jaar.11
Wat betreft de gezonde levensverwachting van mensen heeft het CBS een differentiatie aangebracht in verschillende varianten van gezonde levensverwachting en leeftijdsklassen. Ik verwijs daarvoor naar de website van het CBS https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/71950ned/table?dl=ED77. De ontwikkeling van de gezonde levensverwachting laat een diffuus beeld zien. Of sprake is van een stijging of daling hangt af van de variant van gezonde levensverwachting. Zo is de levensverwachting zonder fysieke beperkingen toegenomen, maar de levensverwachting zonder chronische ziektes afgenomen.
Klopt het dat wanneer een van de aspirant-adoptieouders ouder is dan de leeftijdsgrens terwijl de andere zich hier nog onder bevindt zij niet in aanmerking komen voor adoptie? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, zijn de leeftijdsgrenzen van 42 en 46 jaar niet absoluut, maar kan daarvan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Alleen echtgenoten kunnen een gezamenlijke aanvraag voor een beginseltoestemming indienen. Voor de vraag of sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden, is bij een gezamenlijke aanvraag de leeftijd van de oudste aspirant-adoptiefouder leidend. Deze keuze is ingegeven vanuit het belang van het kind om beschermd te worden tegen een volgende verlieservaring en verlies aan flexibiliteit en draagkracht van (een van) de adoptiefouders.
Zijn er verschillen in de leeftijdsgrens van aspirant-adoptieouders bij een binnenlandse en buitenlandse adoptie procedure?
In het Burgerlijk Wetboek (artikel 228, eerste lid, onderdeel c, van boek12 is een minimumleeftijdsverschil tussen adoptiefouders en het te adopteren kind van 18 jaar opgenomen. Voor binnenlandse adopties zijn in de wet geen maximumleeftijdsgrenzen opgenomen.
De procedure en voorwaarden voor een binnenlandse adoptie als geregeld in het Burgerlijk Wetboek, hebben betrekking op verschillende vormen van adoptie, zoals stiefouderadoptie en de adoptie van een in Nederland afgestaan kind. Bij alle vormen van binnenlandse adoptie geldt dat de rechter het verzoek van adoptiefouders toetst aan het kennelijk belang van het kind. Hij laat zich over het kennelijk belang van het kind in veel gevallen adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming.
Aan de gerechtelijke procedure voor de adoptie van een in Nederland afgestaan kind gaat de procedure vooraf waarbij een ouder afstand doet van een kind. Binnen deze procedure spelen Fiom, de Raad voor de Kinderbescherming en een gecertificeerde instelling een rol. Hoe deze procedure verloopt en welke rol en verantwoordelijkheden deze organisaties hebben, is vastgelegd in het Protocol Afstand ter adoptie.13 Tijdens deze procedure selecteert de Raad voor de Kinderbescherming drie geschikte aspirant-adoptiegezinnen voor een kind waarvan afstand is gedaan. Bij deze selectie wordt een maximumleeftijdsverschil van 40 jaar aangehouden tussen de oudste aspirant-adoptiefouder en het te adopteren kind. In de praktijk betekent dit dat de oudste aspirant-adoptiefouder op het moment van plaatsing van het kind in het gezin maximaal in zijn eenenveertigste levensjaar kan zitten. In Nederland doen jaarlijks 15 á 25 vrouwen afstand van hun kind.14 Het betreft zeer jonge en meestal gezonde kinderen.
Zijn er mogelijkheden om af te wijken van deze grens? Zo ja, in welke gevallen en aan welke voorwaarden moeten aspirant-adoptieouders voldoen om voor een dergelijke uitzondering in aanmerking te komen?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, kan bij een interlandelijke adoptie worden afgeweken van de leeftijdsgrens van 42 en 46 jaar als sprake is van bijzondere omstandigheden. In de Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000 is uitgewerkt welke omstandigheden in elk geval worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden om van de leeftijdsgrens van 42 jaar af te wijken (artikel 2, tweede lid).15 Het betreft:
Deze omstandigheden zijn niet limitatief. Bij het aannemen van bijzondere omstandigheden is het belang van het kind altijd het uitgangspunt. Steeds zal uit onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming moeten blijken dat geen sprake is van risicofactoren voor de opvoeding en verzorging van het buitenlandse adoptiekind. Bij het onderzoek maakt de gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming altijd gebruik van psychologische vragenlijsten. In de praktijk worden deze bijzondere omstandigheden ook toegepast bij de beoordeling van aanvragen tot verlening of verlenging van een beginseltoestemming wanneer de aspirant-adoptiefouder de leeftijd van 46 jaar heeft bereikt.
Voor binnenlandse adoptie verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat er in België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken geen leeftijdsgrenzen gehanteerd worden voor aspirant-adoptieouders? Welke andere landen binnen Europa hanteren geen leeftijdsgrens voor aspirant-adoptieouders?
Uit navraag van de Centrale autoriteit bij de landen aangesloten bij het Intercountry Adoption Network en het Verenigd Koninkrijk blijkt het volgende.
In België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken gelden geen wettelijke maximumleeftijdsgrenzen voor aspirant-adoptiefouders. In België wordt de leeftijd van aspirant-adoptiefouders meegenomen bij de beoordeling van hun geschiktheid. Duitsland en Denemarken hanteren wel een maximumleeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouders en het te adopteren kind van respectievelijk 40 en 42 jaar. Daarnaast hanteren België, Duitsland en Denemarken een minimumleeftijd voor (aspirant-)adoptiefouders van 25 jaar. Het Verenigd Koninkrijk hanteert een minimumleeftijd van 21 jaar.
Frankrijk, Ierland, Noorwegen, Spanje, Zweden en Zwitserland hanteren ook geen maximumleeftijdsgrens voor aspirant-adoptiefouders. Wel hanteert een aantal van deze landen een maximum- en/of minimumleeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouders en het te adopteren kind, waarvan de duur verschilt per land. Ook hanteren deze landen een minimumleeftijd voor aspirant-adoptiefouders.
Klopt het dat er geen leeftijdsgrens is in Nederland om in aanmerking te komen voor pleegouderschap? Zo ja, blijkt er uit de praktijk dat er wel behoefte is aan een leeftijdsgrens?
Om in aanmerking te komen voor pleegouderschap geldt een minimumleeftijd van 21 jaar (artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet). Er is géén wettelijke maximumleeftijd voor pleegouders. Het verschilt per vorm van pleegzorg hoe belangrijk de leeftijd van een pleegouder is. Voor elk pleegkind moet gezien zijn/haar situatie bekeken worden welke pleegouders zorg zouden kunnen bieden. De leeftijd van de pleegouders is dan één van de aspecten die meegenomen wordt in de vraag of de pleegouders geschikt zijn om dit specifieke kind op te vangen. Het belang van het kind staat voorop.
Bij deeltijdpleegzorg en crisisopvang is de leeftijd van pleegouders bijvoorbeeld minder van belang dan bij langdurende pleegzorg (de zogenaamde opvoedvariant).
Bij een langdurende pleegzorgplaatsing van hele jonge kinderen (onder de 4 jaar) weegt de leeftijd voor pleegouders als een belangrijke factor mee. Pleegzorgaanbieders zijn vrij om hier nadere regels in te hanteren. De meest gehanteerde vuistregel bij de opvoedvariant sluit aan op de wettelijke regels voor adoptie; al zijn er wel uitzonderingen als de situatie daarom vraagt. Een veelvoorkomende uitzondering betreft de netwerkpleegzorg, onder andere bij een plaatsing van een kleinkind bij diens grootouders (dit betreft circa 15% van alle pleegzorgplaatsingen).
Waarom is er een verschil tussen de leeftijdgrens van aspirant pleeg- en adoptieouders?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bekend met het recent verschenen Modelreglement Embryowet van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie en Vereniging voor Klinische Embryologie waarin de leeftijdgrens voor het plaatsen van embryo’s van 49 jaar wordt gehanteerd?4
Ja. Zoals de toenmalige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport eerder in reactie op schriftelijke vragen van de Eerste Kamer heeft aangegeven (Kamerstukken I 2016/17, 30 486, I, p. 6), is er geen relatie tussen de gestelde leeftijdsgrenzen bij in-vitrofertilisatie die worden vastgesteld door de beroepsgroepen op basis van medische, medisch-psychologische en medische-ethische overwegingen, en de leeftijdsgrens bij adoptie.
Ontvangt u signalen dat de huidige leeftijdsgrens voor aspirant-adoptieouders een probleem is? Is bekend hoeveel wens adoptieouders hierdoor niet meer in aanmerking zijn gekomen voor een adoptieprocedure?
Er zijn mij geen signalen bekend dat de huidige leeftijdsgrenzen door aspirant-adoptiefouders als een probleem worden ervaren.
Zoals uit het antwoord op vraag 7 blijkt, vindt bij oudere aspirant-adoptiefouders ook altijd een onderzoek naar hun geschiktheid plaats. De Stichting Adoptievoorzieningen publiceert jaarlijks op haar website www.adoptie.nl cijfers over het aantal afwijzingen van aanvragen tot verlening van een beginseltoestemming. Hierbij wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen afwijzingen wegens het niet voldoen aan formele eisen, zoals het niet betalen van de voorlichtingskosten, en afwijzingen in verband met niet gebleken geschiktheid.
Vindt u dat, gezien alle ontwikkelingen, de leeftijdsgrens voor aspirant-adoptieouders om een adoptieprocedure te starten verhoogd dient te worden? Zo nee, waarom niet? Zo nee, wilt u dit onderzoeken aan de hand van het afwegingskader opgesteld naar aanleiding van het onderzoek van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving over leeftijdsgrenzen? Zo ja, welke stappen gaat u de komende maanden hiertoe zetten?
Ik zie geen aanleiding om de leeftijdsgrenzen voor aspirant-adoptiefouders te verhogen. Bij interlandelijke adoptie dient het belang van het kind voorop te staan. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 3 en 21 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en in het Haags Adoptieverdrag. Iedere gekozen leeftijd is altijd in zekere mate arbitrair. Echter de leeftijdsgrenzen in de Wobka zijn opgenomen om het belang van het kind te beschermen. Belangrijk daarbij is dat de huidige leeftijdsgrenzen niet absoluut zijn en ruimte laten voor een individuele toetsing. Het huidige stelsel van leeftijdsgrenzen is daarmee voldoende flexibel.
Mensenrechtenschendingen in Afrin in Noord-Syrië |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Syria: Turkey must stop serious violations by allied groups and its own forces in Afrin»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevindingen van Amnesty International dat door Turkije gesteunde gewapende groepen in Noord-Syrië zich schuldig maken aan veel en ernstige mensenrechtenschendingen?
Het rapport van Amnesty International schetst een ernstig beeld over mensenrechtenschendingen door strijdende partijen in Syrië. De mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht moeten door alle partijen in Syrië worden gerespecteerd.
Bent u het ermee eens dat Turkije, die de bezettende macht is, ervoor moet zorgen dat deze schendingen van het internationaal recht stoppen? Hoe dringt u hierop aan?
Turkije heeft de verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen om schendingen van mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht te stoppen. De Nederlandse zorgen over de situatie in Afrin zijn onder andere binnen de EU, NAVO en in VN-verband besproken. Ik heb de situatie in Noord-Syrië ook opgebracht in mijn gesprekken met Minister Çavuşoğlu op 3 en 4 oktober jl.
Deelt u de opvatting dat alle partijen bij het conflict er zorg voor moeten dragen dat ontheemde burgers terug kunnen naar hun huizen? Hoe dringt u hierop aan?
De mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht moeten door alle partijen in Syrië worden gerespecteerd. Daar hoort ook bij dat de ontheemden het recht hebben om terug te keren naar hun huizen zodra dit mogelijk is. Nederland draagt deze boodschap actief uit in bilaterale contacten, in de VN en in EU-verband.
Kunt u uitsluiten dat aan Turkije loyale gewapende groepen in het verleden zogenaamde niet-lethale steun hebben gekregen van Nederland. Zo nee, waarom niet?
Het kabinet kan niet uitsluiten dat door Nederland geleverde NLA is ingezet tijdens het offensief in Afrin. Uw kamer is middels een vertrouwelijke brief op 23 januari jl. (kenmerk: 32 623, nr. 184) over de situatie in Afrin en de Nederlandse bijdrage aan het NLA-programma geïnformeerd.
Het bericht ‘Staat aansprakelijk voor uitlatingen bewindspersoon over downloaden uit illegale bron’ |
|
Chris van Dam (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag en bijbehorend bericht van 5 september 2018 «Staat aansprakelijk voor uitlatingen bewindspersoon over downloaden uit illegale bron»?1 2
Ja.
Hoe geeft u gevolg aan de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin wordt gesteld dat Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover filmproducenten?
Over de gevolgen van het vonnis kunnen nog geen mededelingen worden gedaan. De uitspraak wordt momenteel nog bestudeerd. Daarbij hebben partijen een termijn van drie maanden om tegen de uitspraak in hoger beroep te gaan, tot die tijd heeft deze nog geen gezag van gewijsde. Een eventueel hoger beroep heeft schorsende werking. Door de filmproducenten is in de procedure alleen een verklaring voor recht gevraagd en is (nog) geen schadevergoeding gevorderd. Pas wanneer de uitspraak gezag van gewijsde heeft, komt eventuele schadevergoeding aan de orde.
Welke gevolgen heeft deze uitspraak voor de Staat? Acht u het aannemelijk dat er schadeclaims worden ingesteld jegens de Staat?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom de Nederlandse regering tien jaar lang het standpunt heeft volgehouden dat downloaden uit illegale bron niet strafbaar is? Zo nee, waarom niet?
Artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (hierna: de auteursrechtrichtlijn) bepaalt dat de lidstaten beperkingen of restricties op het reproductierecht mogen stellen ten aanzien van de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van technische beschermingsvoorzieningen op het betrokken werk.
Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijk om voor privékopiëren te voorzien in een uitzondering op het reproductierecht van de auteursrechthebbende. De voorwaarden die aan de inroepbaarheid van de uitzondering zijn verbonden, zijn uit de richtlijn overgenomen. In artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de auteursrechtrichtlijn is niet nadrukkelijk de voorwaarde opgenomen dat het werk ontleend moet zijn aan een geoorloofde bron. Bij ontstentenis van die voorwaarde ging de Nederlandse regering er vanuit dat downloaden uit illegale bron was toestaan.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 10 april 2014 in het arrest in de zaak ACI Adam B.V. e.a. tegen Stichting de Thuiskopie en Stichting Onderhandelingen Thuiskopie vergoeding geoordeeld dat downloaden uit illegale bron niet is toegestaan. De voorwaarde van de legale bron moet als het ware in de uitzondering voor privékopiëren worden gelezen. Na het voornoemde arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat de Nederlandse wettelijke regeling waarin de uitzondering voor privékopiëren is neergelegd, richtlijnconform kan en moet worden uitgelegd. De Hoge Raad had daarop bij het stellen van prejudiciële vragen al geanticipeerd.
Welke maatregelen zijn er genomen sinds 2014 om personen die downloaden uit illegale bron actief te vervolgen?
Sedert het arrest van het Hof van Justitie staat vast dat het downloaden van auteursrechtelijke beschermde werken uit ongeoorloofde bron nimmer was toegestaan. De handhaving van het auteursrecht is in beginsel een privaatrechtelijke aangelegenheid. De stichting Brein draagt sedert 1998 zorg voor de collectieve handhaving. Ik ben er niet mee bekend dat die stichting of individuele rechthebbenden procedures hebben gevoerd tegen downloaders (ook niet na 2014). De nadruk ligt nog steeds op het afsnijden van het illegale aanbod.
Bedrijven die DNA-materiaal van hun cliënten met anderen delen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Is een online DNA-test betrouwbaar?» en de bijbehorende uitzending van het tv-programma Radar?1
Ja.
Deelt u de mening dat uit DNA bijzondere persoonsgegevens kunnen worden verkregen en dat derhalve deze gegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) of de Uitvoeringswet AVG extra beschermd behoren te worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. DNA valt als genetisch gegeven onder de categorie bijzonder persoonsgegevens in de zin van de AVG. Op grond van de AVG en UAVG geldt voor deze verwerking een streng regime. Dat komt er op neer dat verwerking in beginsel verboden is tenzij de wetgeving de verwerking expliciet toestaat. Voor genetische gegevens geldt dat verwerking zonder toestemming, ook al is sprake van een zwaarwegend algemeen belang, door de wetgever slechts beperkt wordt toegestaan (art. 28 AVG). Hierdoor wordt extra bescherming geboden aan dit soort persoonsgegevens.
Mag een onderneming die ten behoeve van onderzoek naar de afkomst van cliënten DNA materiaal verkrijgt, dat materiaal delen met anderen? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, waarom niet en wat kunnen de gevolgen voor die onderneming zijn in het geval zij die gegevens toch deelt?
Om rechtmatig DNA materiaal te mogen delen met anderen moet binnen het gesloten systeem van uitzonderingen op het beginselverbod (zie vorige vraag) een uitzondering aan te wijzen zijn die dat mogelijk maakt. Als het gaat om een organisatie met commerciële doestellingen die gegevens aan derden levert, komt alleen de uitzondering «uitdrukkelijke toestemming» in aanmerking. Dit volgt uit artikel 9 van de AVG. Verwerkingen zonder toestemming is in een beperkt aantal bijzondere gevallen wel mogelijk, maar daar is in de context van een organisatie met commerciële doelstellingen geen sprake van. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens. Tegen de onderneming die dit verbod overtreedt kan de bevoegde toezichthouder, al dan niet naar aanleiding van een klacht, handhavend optreden.
Mag het genoemde bedrijf 23andMe gegevens delen met een groot farmaceutisch bedrijf zoals GlaxoSmithKline? Is het daarbij relevant of er sprake is van bijzondere persoonsgegevens of dat er sprake is van toestemming van de cliënt?
Een bedrijf mag alleen gegevens delen als is voldaan aan een van de wettelijke uitzonderingsgronden voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens waarop in het antwoord op vraag 2 wordt gedoeld, en dit op een van de rechtsgronden is gebaseerd in artikel 6 AVG.
Alleen wanneer een persoon uitdrukkelijke toestemming geeft voor het verstrekken van zijn of haar bijzondere (genetische) gegevens aan een ander bedrijf, mogen de bijzondere persoonsgegevens van deze persoon gedeeld worden. Wanneer toestemming is gegeven om onderzoek te doen naar het DNA, dan is de toestemming alleen verleend voor dit doel. Op grond van deze toestemming mogen de gegevens van de betrokken persoon niet ook nog worden gedeeld met een derde partij. Er zal voor een nieuwe verwerking opnieuw toestemming moeten worden gegeven.
In hoeverre behoren de persoonsgegevens van minderjarigen op grond van de wet- en regelgeving extra beschermd te worden? Mag een bedrijf DNA materiaal dat verkregen is van minderjarigen verwerken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het strenge algemene regime geldt vanzelfsprekend ook voor DNA-materiaal van minderjarigen. Artikel 8 AVG biedt daarbij nog extra bescherming indien de hier bedoelde test aangeboden wordt als een dienst van de informatiemaatschappij. Social media, online-games en webwinkels zijn voorbeelden van diensten van de informatiemaatschappij. Een bedrijf mag DNA-gegevens verwerken van minderjarigen. Bij minderjarigen jonger dan 16 jaar is hiervoor wel toestemming nodig van degene die het gezag over de minderjarige heeft. De onderneming moet de redelijke maatregelen nemen die nodig zijn om dit controleren.
In hoeverre is het wat betref de bescherming van persoonsgegevens van belang of een bedrijf dat van Nederlandse cliënten via een Nederlandse website DNA verkrijgt, dat buiten Nederland of de Europese Unie opslaat, verwerkt of deelt?
Met het van toepassing worden van de AVG is de territoriale reikwijdte van wetgeving op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens uitgebreid. Een bedrijf dat niet gevestigd is in Nederland of in de Europese Unie, maar wel persoonsgegevens verwerkt van Nederlanders en dit buiten Nederland of de Europese Unie doet, dient zich te houden aan de AVG. Wanneer een bedrijf dat niet in Nederland of de Europese Unie is gevestigd, Nederlandse cliënten via een Nederlandse website diensten met betrekking tot de analyse van DNA-profielen aanbiedt, is de AVG van toepassing op die verwerking.
Acht u het mogelijk dat de in het programma genoemde bedrijven zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de in Nederland geldende regels met betrekking tot bescherming van persoonsgegevens? Weet u of de Autoriteit Persoonsgegevens daar onderzoek naar doet?
De AP heeft mij laten weten dat het onderwerp verwerking van genetische gegevens de aandacht heeft van de AP, gezien het gevoelige karakter van die gegevens. Over (mogelijk) lopende onderzoeken van de AP naar verwerkingsverantwoordelijken doet de AP geen uitspraken.
Wat kunnen cliënten die menen dat genoemde bedrijven hun persoonlijke levenssfeer hebben geschonden doen om dit te laten corrigeren?
Cliënten kunnen een inzageverzoek indienen om erachter te komen welke soort persoonsgegeven voor welke doeleinden zijn gebruikt. Vervolgens kunnen cliënten bij een (vermeende) onrechtmatige verwerking verzoeken dat hun persoonsgegevens beperkter gebruikt worden. Ten slotte kunnen cliënten hun toestemming voor de verwerking intrekken en de persoonsgegevens laten wissen.
Ook kunnen cliënten een klacht indienen bij de AP.
Acht u het nodig dat burgers meer geïnformeerd worden over de risico’s die verbonden kunnen zijn aan het delen van DNA materiaal met bedrijven die genealogisch onderzoek daarmee zeggen te doen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit acht ik vooralsnog niet nodig. De AVG eist op zichzelf al dat de vereiste toestemming uitdrukkelijk is gegeven en wel voor «welbepaalde» doeleinden. Indien doorlevering van persoonsgegevens aan derden een doel is, zullen bedrijven dit dus al bij het vragen van de toestemming duidelijk hebben moeten maken aan degene die toestemming geeft. De privacytoezichthouder kan hier zo nodig op handhaven. De AP heeft verder uitgebreide informatie voor burgers op haar website staan over de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Ook de FIOM (Nederlandse stichting die gespecialiseerd is op ongewenste zwangerschap en afstammingsvragen) heeft uitgebreide informatie op haar website als het gaat om het delen van DNA materiaal met bedrijven voor afstammingsvragen. Daarmee is voldoende informatie beschikbaar voor burgers die (bijzondere) gegevens ter beschikking willen stellen.
De schadeafhandeling en versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
Klopt het dat, vandaag exact zes jaar na de aardbeving bij Huizinge, er nog steeds mensen zijn bij wie toen schade is ontstaan die wachten op afhandeling van die schade?
Het is om uiteenlopende redenen mogelijk dat enkele toen ontstane schades nog niet zijn afgehandeld. Voor sommige schadegevallen geldt dat hierover nog rechtszaken lopen. Daarnaast komt het voor dat een bewoner pas jaren na het ontstaan van een schade hiervan melding doet, bijvoorbeeld omdat deze eerder niet is opgevallen. NAM heeft in de afgelopen maanden een uiterste poging gedaan om alle oude schadegevallen – gemeld vóór 31 maart 2017 – op te lossen.
Klopt het dat er 1325 zaken zijn aangemeld bij de Arbiter Bodembeweging?1
Uit de NCG-kwartaalrapportage over de maanden april, mei en juni blijkt dat eind juni 1.325 meldingen, bij de Arbiters Bodembeweging in behandeling waren. Dit aantal is doorlopend aan verandering onderhevig. Zo geldt voor een deel van deze meldingen dat ook sprake is van een aanbod in het kader van de aanpak oude schadegevallen van NAM. Het was tot 1 september jl. mogelijk voor bewoners om hun melding aan de Arbiter voor te leggen nadat zij het aanbod van NAM niet hebben geaccepteerd. Ik zal uw Kamer binnenkort een eindrapportage van NAM aanbieden over de aanpak oude schadegevallen, met exacte cijfers over hoeveel bewoners het aanbod van NAM hebben geaccepteerd en hoeveel van hen zich bij de Arbiter hebben aangemeld.
Vindt u het wenselijk dat, met de 10 tot 12 zaken per week die de Arbiter momenteel per week behandeld, het 2,5 tot 3 jaar gaat duren voordat alle zaken behandeld zijn? Zo nee, wat gaat u eraan doen om te zorgen dat de afhandeling van oude schades versneld kan worden zodat gedupeerden niet nog langer hoeven te wachten?
Het is in mijn ogen niet aanvaardbaar als de doorlooptijd bij de Arbiters zou oplopen tot een dergelijk lange periode. De Arbiters laten weten dat zij verwachten meer zaken per week te kunnen behandelen door efficiëntieverbeteringen. Indien de Arbiters aangeven dat extra capaciteit nodig is, zal ik dat verzoek welwillend in behandeling nemen.
Bent u bereid deze gedupeerden zelf schadeloos te stellen en de kosten zelf te verhalen op de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik ben mij er van bewust dat de afhandeling van schademeldingen tijd kost en belastend voor bewoners kan zijn. Ik zet in op behandeling van deze gevallen door de arbiters.
Bent u bekend met de advertentie die de NAM gisteren in regionale kranten plaatste waarin wordt meegedeeld dat iedereen met C-schade van meer dan 25.000 euro automatisch wordt aangemeld bij de Arbiter?2 Vindt u dit correct? Waarom krijgen deze gedupeerden geen keuze?
Ja, ik ben bekend met de door NAM geplaatste advertentie. Melders van «oude schades» van vóór 31 maart 2017 hadden tot en met 1 september 2018 de gelegenheid om hun schademelding voor te leggen aan de Arbiter Bodembeweging. NAM heeft deze advertentie geplaatst om bewoners te attenderen op deze naderende deadline. Op deze manier wordt voorkomen dat de zaken, door een eventueel moment van onoplettendheid van de mensen met schade, tussen wal en schip belanden. Schademeldingen met een bedrag hoger dan € 25.000,- worden daarom automatisch aangemeld bij de Arbiter. NAM heeft in deze gevallen telefonisch contact opgenomen met de schademelder om te verifiëren of deze hiermee instemt. Alle schademelders die het betreft hebben hier mee ingestemd.
Wat vindt u ervan dat de NAM deze schade beoordeelt als C-schade?
In het kader van de afhandeling van oude schademeldingen hebben alle schademelders een aanbod van NAM ontvangen waarin óók alle C-schades worden vergoed, met uitzondering van schades die die volgens de uitspraken van de Arbiters Bodembeweging evident niet voor vergoeding in aanmerking komen. De NCG heeft recentelijk het genoemde rapport van de TU Delft aan mij aangeboden. Ik bestudeer dit en zal het rapport binnenkort met een appreciatie aan uw Kamer zenden.
Wat gaat u doen met het rapport van Technische Universiteit Delft waaruit blijkt dat ook schade in het buitengebied, nu beoordeelt als C-schade, wel degelijk veroorzaakt kan zijn door aardbevingen?3 Wat betekent dit voor de mensen van wie de NAM de schade nu beoordeelt als C-schade?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u dit inmiddels een beslissing genomen, zoals beschreven staat in de kwartaalrapportage, over het lot van 170 gezinnen die meedoen aan Eigen Initiatief? Zo nee, wanneer gaat u dit doen voor de Groningers die nog steeds in onzekerheid zitten of hun huis veilig is of versterkt moet worden? Waar hangt dit van af? Hoe snel worden deze mensen geïnformeerd? Op welke wijze worden zij geïnformeerd?
Voor een deel van de woningen in het programma Eigen Initiatief was op 24 april 2018 een versterkingsadvies opgeleverd. Voor deze huizen geldt dat de versterking op basis van dit versterkingsadvies wordt voortgezet.
De versterking van de overige woningen wordt betrokken bij de implementatie van het Mijnraadadvies (Kamerstuk 33 529, nr. 502). Over de aanpak van de versterkingsopgave vindt op basis van dit advies nadere besluitvorming plaats door Rijk en regio. Die besluitvorming ligt niet eenzijdig bij het Rijk.
Het programma Eigen Initiatief kenmerkt zich door een grote mate van betrokkenheid van bewoners in het gehele versterkingsproces. Deze bewoners zullen dan ook op passende wijze worden geïnformeerd zodra er duidelijkheid kan worden gegeven over het vervolg.
Erkent u, zoals de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) concludeert, dat mensen niet meer weten waar ze aan toe zijn? Erkent u dat dat funest is voor de mensen?
De versterkingsoperatie heeft de afgelopen jaren veel losgemaakt in Groningen en logischerwijs geleid tot verwachtingen over de toekomst. In de afgelopen jaren is het tempo van de versterkingsoperatie lager geweest dan de mensen was voorgehouden. Hierdoor hebben velen hun verwachtingen meermaals moeten bijstellen. Door de versnelde afbouw van de gaswinning neemt het aardbevingsrisico af en is minder grootschalige en ingrijpende versterking nodig dan tot nu toe voorzien. Dit is in de eerste plaats goed nieuws, maar leidt vervolgens begrijpelijkerwijs weer tot nieuwe vragen over de vooruitzichten voor individuele bewoners en gezinnen. Alle inspanningen zijn erop gericht om ook deze vragen op een zo kort mogelijke termijn kunnen te beantwoorden.
Klopt het dat, zoals valt te lezen in de kwartaalrapportage van de NCG, het inspecteren van woningen om te bepalen of zij veilig zijn is vertraagd door de onzekerheid die rondom de versterking door u is gecreëerd? Klopt de conclusie van de NCG dat hierdoor personele leegloop is ontstaan? Wat gaat u hieraan doen?
De kwartaalrapportage geeft een overzicht van de activiteiten van de NCG in het tweede kwartaal van 2018, in het kader van de uitvoering van diens Meerjarenprogramma (Kamerstuk 33 529, nr. 403). De vertraging in de inspecties waarvan in deze rapportage melding wordt gemaakt heeft dan ook alleen betrekking op de voortgang ten opzichte van de planning van de gebiedsgerichte aanpak van de versterkingsopgave, welke was gebaseerd op een langduriger en structureel hogere gaswinning dan het afbouwpad waartoe het kabinet op 29 maart jl. heeft besloten. In de brief aan uw Kamer waarin dit besluit wordt toegelicht (Kamerstuk 33 529, nr. 457) is bericht dat onomkeerbare stappen in het inspectie- en engineeringprogramma worden opgeschort in afwachting van duidelijkheid over de gevolgen van dit besluit voor de veiligheid. De inspecties zijn toen tijdelijk stopgezet en na enige tijd hervat, waarbij de beoordelingsmethode (NPR) niet wordt «vastgeklikt» zoals tot dan toe gebruikelijk was.De leegloop waar de NCG in de rapportage over spreekt, betreft specifiek de inspectieteams bij het Centrum Veilig Wonen (CVW) die minder werk kregen door deze tijdelijke stopzetting.
De Mijnraad heeft op 2 juli 2018 advies uitgebracht over de gevolgen van het besluit tot afbouw van de gaswinning voor de veiligheid in het gebied en daarmee voor de versterkingsoperatie (Kamerstuk 33 529, nr. 498). Hieruit komt naar voren dat een heroverweging van de huidige versterkingsoperatie noodzakelijk is. Met mijn brief van 3 juli 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 502) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de afspraken op hoofdlijnen die ik en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de regiobestuurders hebben gemaakt op basis van het advies van de Mijnraad. Deze afspraken werken wij momenteel in onderling overleg verder uit. De capaciteit die nodig is voor de uitvoering van het versterkingsproces is onderdeel van dit overleg.
Hoeveel van de 1,9 miljard euro (waarvan de helft naar de schadeloosstelling naar gedupeerden ging) die nu is uitgegeven in het aardbevingsgebied is er exact door de rijksoverheid uitgegeven?
In tabel 28 op blz. 47 van de kwartaalrapportage zijn de uitgaven van NAM weergegeven die zij heeft gedaan onder haar juridische aansprakelijkheid en als onderdeel van de gesloten bestuursakkoorden. Tot en met het tweede kwartaal van 2018 heeft NAM € 1.861,3 miljoen uitgeven. Van dit bedrag is € 766,5 miljoen uitgeven aan veiligheid en preventieve versterking en € 700,4 miljoen aan schadeafhandeling. Het oude versterkingsprogramma kenmerkte zich door zeer uitvoerige inspecties, zeer uitvoerige engineering en een stelsel waarin huizen soms worden versterkt op basis van een inmiddels achterhaald winningsniveau en achterhaalde technische inzichten. Dit leverde een hoog kostenniveau op, zonder dat de bewoners daarvan profijt ondervonden. Dit leidde overigens ook tot een zeer laag tempo en dus een veel te beperkte verbetering van de veiligheid.
Uit deze tabel blijkt verder dat provincie en gemeenten € 57,5 miljoen hebben uitgeven aan leefbaarheid en economisch perspectief. Het in deze tabel genoemde totaalbedrag van € 1,9 miljard (€ 1.918,8 miljoen) heeft geen betrekking op Rijksmiddelen. De uitputting van de Rijksmiddelen is weergeven in tabel 26 op blz. 43 van de kwartaalrapportage: € 170,46 miljoen tot en met het tweede kwartaal van 2018.
Hoe is de schadekostenratio nu (in 2017 was de schadekostenratio 63% proceskosten en slechts 36% kwam terecht bij gedupeerden)?4? Hoeveel rijksmiddelen gingen er naar proceskosten en hoeveel naar de gedupeerden zelf?
De schadeafhandeling door de NAM heeft stilgelegen vanaf 31 maart 2017 waardoor de schadekostenratio in een onwerkelijke verhouding terecht is gekomen: de schade-uitkeringen aan gedupeerden lagen stil terwijl proceskosten volgens opgave van de NAM wel doorliepen. De proceskosten bij de NAM bestaan uit onderzoekskosten van de arbiter, calculatie & kwaliteitscontrole, contra-expertise, CVW-organisatie, eerstelijnsschade-experts en interne kosten NAM. Vanaf 19 maart 2018 heeft de TCMG de schadeafhandeling overgenomen en moet de schadekostenratio herijkt worden.
Hoeveel schat u dat de proceskosten zullen bedragen voor de oude schadegevallen die nu naar de rechter of de Arbiter moeten?
Deze proceskosten zijn voor rekening van de NAM. Op dit moment kan NAM nog niet aangeven hoeveel deze kosten bedragen.
De verklaring (nr. 2) van het bestuur van de Stichting Vliegramp MH17 inzake meldingen en publiciteit over lichamelijke resten op MH17-crashsite |
|
Chris van Dam (CDA), Jan de Graaf (CDA), Foort van Oosten (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Hebt u kennisgenomen van de verklaring (nr. 2) van het bestuur van de Stichting Vliegramp MH17 van 19 juli 2018, alsmede van twee op 18 en 19 juli 2018 geplaatste berichten op het YouTube-kanaal van de heer Patrick Lancaster?1 2
Ja, er is vanuit het Ministerie van JenV naar aanleiding van de verklaring van het bestuur van de Stichting Vliegramp MH17 een bericht op de IVC-site geplaats. De IVC-site is een besloten website die wordt gebruikt om met nabestaanden te communiceren.
Hieronder vindt u nog het bericht dat vrijdag 20 juli zowel in het Nederlands als in het Engels op de IVC-site is geplaatst:
«Deze week is wederom een filmpje op YouTube geplaatst door een journalist met beelden van mogelijke botfragmenten van slachtoffers van vlucht MH17. Het gaat om een journalist die al twee keer eerder een filmpje online heeft geplaatst met mogelijke botresten. Ook dit filmpje toont beelden die voor nabestaanden schokkend kunnen zijn. Wij betreuren dit. Mocht u het filmpje desondanks willen bekijken, dan kan dat via de link onderaan dit bericht.
Eerder heeft de journalist de mogelijke botfragmenten waarvan hij zegt deze op de crashsite te hebben gevonden, overgedragen aan de lokale autoriteiten. De vondst kon vervolgens dankzij een faciliterende rol van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) naar Nederland worden overgebracht voor nader onderzoek en identificatie door het NFI. In het nieuwe filmpje laat de journalist de botfragmenten echter liggen.
Conform resolutie 2166 van de VN Veiligheidsraad dient een ieder die stoffelijke resten heeft gevonden en/of in bezit heeft op een waardige wijze over te dragen aan de Nederlandse autoriteiten. Er zal contact met de journalist worden opgenomen met het dringende verzoek alle botfragmenten aan de autoriteiten over te dragen. De overheid zal vervolgens de botfragmenten naar Nederland halen voor forensisch onderzoek. Dit proces zal evenals voorgaande keren de nodige tijd in beslag nemen omdat het gebied gevaarlijk is en daardoor niet vrij toegankelijk is.»
Klopt het dat de crashsite van vlucht MH17 door het recovery team (destijds) minutieus is onderzocht? Is het voorstelbaar dat nu nog in substantiële mate stoffelijke resten van slachtoffers van deze vliegramp kunnen worden aangetroffen? Welke verklaring kunt u geven voor het (nu nog) daar vinden van stoffelijke resten van mogelijke slachtoffers?
Er is altijd erkend dat niet valt uit te sluiten dat in de toekomst nog stoffelijke resten of persoonlijke eigendommen kunnen worden gevonden. Het gebied waarin het toestel, de inzittenden en hun persoonlijke eigendommen terecht zijn gekomen is ongeveer 50 vierkante kilometer groot. Er is alles aan gedaan om de stoffelijke resten en persoonlijke eigendommen van de slachtoffers zo zorgvuldig mogelijk te bergen, onder vaak moeilijke omstandigheden.
Met meerdere missies zijn stoffelijke resten en persoonlijke eigendommen zoveel mogelijk geborgen, met behulp van lokale autoriteiten, bewoners en hulpdiensten. Bij de repatriëringsmissie van april 2015 is daartoe een deel van de grond afgegraven en gezeefd. Voor zover te beoordelen aan de hand van de YouTube filmpjes, wordt beweerd dat de botfragmenten in het gebied zijn gevonden dat juist is afgegraven en gezeefd.
Het valt niet uit te sluiten dat er nog stoffelijke resten aanwezig kunnen zijn in het hele crashgebied, maar de mate waarin deze journalist zegt botfragmenten te kunnen vinden op deze specifieke locatie, wordt niet waarschijnlijk geacht.
De procedure om stoffelijke resten van MH17-slachtoffers naar Nederland te halen en te onderzoeken is lastig en tijdrovend. Om een beter beeld te krijgen van wat hierbij komt kijken, zal ik uw Kamer in een separate brief nader toelichting geven op het proces rondom de repatriëring.
Hebben zich het afgelopen jaar, in het bijzonder de afgelopen dagen, mensen gemeld bij de Nederlandse dan wel de Oekraïense autoriteiten of bij enige andere autoriteit waarmee de Nederlandse overheid in verbinding staat, die melding maakten van het aantreffen van stoffelijke resten op de crashsite? Is het u bekend of de heer Lancaster contact heeft gezocht?
Om zorg te dragen voor de repatriëring van nieuwe vondsten zijn in 2015 afspraken met contactpersonen in de regio rondom de crashsite gemaakt. Bij hen kunnen vondsten worden ingeleverd. Deze worden vervolgens, via de Nederlandse ambassade in Kiev, naar Nederland overgebracht voor onderzoek.
Er is nog regelmatig contact met personen in de regio, zij hebben geen melding gemaakt van andere gevonden stoffelijke resten. Er zijn wel recent enkele persoonlijke eigendommen door bewoners bij een contactpersoon ingeleverd. Daaruit blijkt dat bewoners nog alert zijn op vondsten die gerelateerd kunnen worden aan de crash met vlucht MH17.
Zijn er aanwijzingen dat op de crashsite stoffelijke resten zijn neergelegd met de kennelijke bedoeling het onderzoek van het Joint Investigation Team (JIT) in diskrediet te brengen? Zo ja, is bekend wie hiervoor verantwoordelijk moet(en) worden gehouden? Hoe waardeert u in dit verband berichtgeving via het twitter-account @GlasnostGone waar gesteld wordt dat er stoffelijke resten zijn geplaatst na het officieel vrijgeven van de crashsite?
Het JIT is bekend met de berichten en video’s van zowel Patrick Lancaster als de berichten en video’s van @GlasnostGone. Het JIT heeft altijd gecommuniceerd dat het voorstelbaar is dat ondanks de grondige zoektochten tijdens eerdere missies nog stoffelijke resten gevonden zouden kunnen worden. Het JIT onderstreept dat mensen die mogelijke stoffelijke resten vinden, daar uiterst respectvol mee om zouden moeten gaan en deze zouden moeten inleveren bij de lokaal aangewezen contactpersonen.
Indien daadwerkelijk reeds in 2014 of 2015 veilig gestelde botresten op de crashsite zouden zijn neergelegd, zou dat bijzonder respectloos en uiterst pijnlijk zijn voor de nabestaanden. Het JIT is niet bekend met concrete aanwijzingen dat hiervan sprake zou zijn, maar kan ook niet uitsluiten dat dit wel gebeurt.
Welke acties heeft u ondernomen of gaat u ondernemen om de feitelijke autoriteiten rond de crashsite in Oekraïne (zelfverklaarde Volksrepubliek Donetsk) zorg te laten dragen dat conform resolutie 2166 van de VN Veiligheidsraad stoffelijke resten, waar deze zich ook bevinden in het gebied, verzameld worden en op een waardige wijze worden overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten?
Nederland heeft na de publicatie op YouTube direct contact gezocht met de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en gevraagd de de-facto autoriteiten te wijzen op het feit dat een ieder is gebonden aan resolutie 2166 van de VN Veiligheidsraad, waarin wordt gesteld dat iedereen die stoffelijke resten heeft gevonden en/of in bezit heeft deze op een waardige wijze dient over te dragen aan de Nederlandse autoriteiten.
Daarnaast is de Engelstalige verklaring van het bestuur van de stichting onder de aandacht gebracht van alle Grieving Nations met het verzoek in relevante gremia aandacht voor dit punt te vragen.
Kent u het bericht in de krant Novaya Gazeta d.d. 17 juli 2018 waarin gesteld wordt dat het officiële onderzoek naar de ramp dit najaar zal worden afgerond? Klopt dit bericht?3
Ja dit bericht is bekend en nee, de inhoud van het bericht klopt niet.
Het bericht ‘Wetgeving rond internationale faillissementen is verouderd’ |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wetgeving internationale faillissementen is verouderd»?1
Ja, ik ken het bericht. Ik heb geen beschikking over de precieze hoeveelheid faillissementen buiten de Europese Unie die een relatie hebben met Nederland, maar vereniging INSOLAD heeft desgevraagd geschat dat het waarschijnlijk om enkele tientallen gevallen per jaar gaat. Zij tekent hierbij aan dat het daarbij vaak gaat om omvangrijke zaken, met grote belangen. Ook in de literatuur is gepleit om tot een aanpassing van de wetgeving te komen om de afwikkeling van internationale faillissementen te faciliteren, in het bijzonder waar het gaat om afwikkeling van faillissementen van bedrijven die gedeeltelijk buiten de Europese Unie zijn gevestigd.2
Op dit moment wordt het aan de rechter gelaten om te beoordelen of een faillissement van een onderneming dat buiten de EU is uitgesproken gevolgen heeft voor in Nederland gelegen bezittingen van die onderneming. Deze beoordeling is bijvoorbeeld van belang als een curator van een dergelijk faillissement de in Nederland gelegen goederen van het failliete bedrijf wil verkopen.
Een buiten de EU uitgesproken faillissement heeft in beginsel beperkt effect op in Nederland gelegen bezittingen, maar de rechter kan anders beslissen.3
Met de klankbordgroep faillissementsrecht wil ik op korte termijn bespreken of en in hoeverre het wenselijk is om tot modernisering van het regels inzake afwikkeling van internationale, niet-EU, faillissementen over te gaan.4 Ik zal uw Kamer spoedig daarna informeren over de uitkomsten en eventuele opvolging.
Onderschrijft u de probleemstelling uit dit artikel?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe vaak faillissementen buiten de Europese Unie een relatie hebben met de Nederlandse rechtsorde?
Zie antwoord vraag 1.
Is aanpassing van de faillissementswet, met betrekking tot erkenning van de niet-Europese faillissementen, wenselijk?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'Openbaar Ministerie luistert journalist af in moordzaak broer kroongetuige' |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Openbaar Ministerie luistert journalist af in moordzaak broer kroongetuige»?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ik heb kennisgenomen van dit bericht en ik neem deze schendingen van bronbescherming van journalisten hoog op.
Klopt het dat het openbaar ministerie (OM) een journalist heeft afgeluisterd in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op de broer van kroongetuige Nabil B.?
In de zaak van de moord op de broer van de kroongetuige op 29 maart 2018 in Amsterdam is inderdaad, nadat daartoe een vordering was gedaan bij de rechter-commissaris en deze een machtiging had verleend, een bevel gegeven om in een openbare ruimte een gesprek op te nemen tussen een journalist en een andere persoon.
Aan het bevel is weliswaar uitvoering gegeven, maar de betreffende opname is nog diezelfde dag, toen de handelwijze bekend werd bij de parketleiding, in een kluis gelegd. De betreffende opname is, ondanks de opdracht van de rechter-commissaris daartoe, nooit uitgeluisterd en uiteindelijk na overleg met het College van procureurs-generaal in opdracht van de hoofdofficier van justitie in Amsterdam vernietigd. Voorafgaand aan het bevel ten aanzien van dit middel heeft niet de vereiste interne toetsing plaatsgevonden en het OM was van oordeel dat in dit specifieke geval de opname een ontoelaatbare inbreuk was op de bronbescherming van journalisten.
Deelt u de overtuiging dat de vrijheid van pers een van de grondslagen is van de democratische rechtsstaat en dat het afluisteren van journalisten een inbreuk maakt op deze vrijheid?
Ja, die overtuiging deel ik. De voorzitter van het College van procureurs-generaal heeft eveneens eerder aangegeven bronbescherming van journalisten uiterst belangrijk te vinden.
Zoals is weergegeven in de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen bij journalisten (hierna: de Aanwijzing), vormt de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet, een belangrijke pijler in een democratische rechtsstaat. Een journalist heeft op grond van artikel 10 EVRM het recht om zijn bronnen te beschermen en het is overheden in beginsel niet toegestaan daarop een inbreuk te maken. Journalisten zijn afhankelijk van hun bronnen om hun werk goed te kunnen doen, en daarom is bronbescherming een zwaarwegend recht.
Het recht op bronbescherming is echter niet absoluut. Uitgangspunt is dat in verband met de bronbescherming in strafzaken in de praktijk slechts sprake kan zijn van toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen, als dit het enige denkbare effectieve middel is om een zeer ernstig delict op te sporen en te voorkomen. Het moet gaan om die misdrijven waarbij het leven, de veiligheid of de gezondheid van mensen ernstig kan worden geschaad of in gevaar kan worden gebracht.
Het kán derhalve gerechtvaardigd zijn om onder bijzondere omstandigheden, zoals neergelegd in de Aanwijzing en zoals hiervoor beschreven, strafvorderlijke dwangmiddelen, waaronder begrepen het opnemen van communicatie door middel van een technisch hulpmiddel, toe te passen tegen journalisten.
Herinnert u zich uw belofte aan de Tweede Kamer, naar aanleiding van een eerder geval waarbij een journalist door het OM werd afgeluisterd, dat dit nooit meer zou gebeuren? Welke acties heeft u sindsdien ondernomen? Wat zijn hiervan de effecten?
Ja, dat herinner ik me. De Aanwijzing wordt op dit moment aangepast en in lijn gebracht met het aangenomen Wetsvoorstel bronbescherming in strafzaken.2
Daarnaast wordt binnen de opleidingstrajecten van het OM, zowel in de leergang voor nieuwe officieren van justitie als in de permanente educatie (nog) meer ruimte ingeruimd voor het onderwerp «journalistieke bronbescherming».
Hoe gaat het OM om met situaties waarin, al dan niet opzettelijk, journalisten worden afgeluisterd? Worden de afgeluisterde gesprekken direct vernietigd? In welke situaties is het gerechtvaardigd een journalist af te luisteren? In hoeverre verandert dit na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot vastlegging van het recht op bronbescherming bij vrije nieuwsgaring (Kamerstuk 34 032)?
De Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot vastlegging van het recht op bronbescherming codificeert in de eerste plaats dat journalisten en publicisten zich op een recht op bronbescherming kunnen beroepen. Het recht op bronbescherming is echter niet absoluut. Deze wet regelt dat bij de toepassing van bepaalde strafvorderlijke dwangmiddelen tegen journalisten en publicisten altijd vooraf een machtiging moet worden gevraagd aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris zal deze machtiging alleen kunnen verlenen als het algemeen maatschappelijk belang bij het verkrijgen van de informatie evident zwaarder weegt dan het belang van de vrije nieuwsgaring en het belang van de bronbescherming. Het kán derhalve gerechtvaardigd zijn om onder bijzondere omstandigheden strafvorderlijke dwangmiddelen, waaronder begrepen het opnemen van communicatie door middel van een technisch hulpmiddel, toe te passen tegen journalisten. In die uitzonderlijke gevallen waarin de rechter-commissaris een machtiging heeft afgegeven, zal het OM dan ook gebruik (kunnen) maken van het materiaal dat verkregen is door de inzet van het dwangmiddel. Indien het OM vaststelt dat door de inzet van dwangmiddelen toch een ongeoorloofde inbreuk op het recht op bronbescherming van de journalist is gemaakt en er daarbij gegevens zijn verkregen, zullen deze gegevens terstond worden vernietigd.
Een andere wijziging in de wet is dat voor het opvragen van verkeersgegevens van journalisten en publicisten is bepaald dat dergelijke vorderingen alleen kunnen worden gedaan op vordering van de officier van justitie met machtiging, te verlenen door de rechter-commissaris. Dit is een toevoeging aan de artikelen 126n, tweede lid en 126u, tweede lid Wetboek van Strafvordering, die bepalen dat de officier van justitie opdracht kan geven aan aanbieders van communicatiediensten om gegevens te verstrekken over het communicatieverkeer van een gebruiker van die dienst.
De wet zal met ingang van 1 oktober 2018 in werking treden.
De inning van auteursrechten door collectieve beheersorganisaties |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Ondernemers: scherp toezicht inning auteursrechten aan»?1
Ja.
Klopt het dat ondernemers te maken krijgen met een toenemend aantal collectieve beheersorganisaties (cbo's) aan wie zij vergoedingen moeten betalen voor het gebruik van bijvoorbeeld muziek in hun winkel of bedrijfspand?
Er is mij één voorbeeld bekend waarin ondernemers te maken kunnen krijgen met een toename van het aantal collectieve beheersorganisaties (cbo’s) dat vergoedingen int. Op 1 juli 2015 trad de Wet auteurscontractenrecht in werking. Door deze wet hebben de belangrijkste filmmakers voor iedere mededeling aan het publiek van hun filmwerk (m.u.v. on demand exploitatie) recht op een billijke vergoeding van degenen die hun werk exploiteren. Deze vergoeding kan worden geïnd door de cbo’s van deze filmmakers. Dit betekent dat ondernemers die bijvoorbeeld een televisie aan hebben staan in hun winkel of bedrijfspand, sinds 1 juli 2015 een vergoeding moeten afdragen aan Norma (een cbo voor acteurs), Lira (een cbo voor scenarioschrijvers) en Vevam (een cbo voor regisseurs). Daardoor kunnen ondernemers in de praktijk met meer cbo’s te maken krijgen dan voorheen. Voorheen hadden ondernemers voor deze rechten alleen te maken met Videma (een cbo voor filmproducenten) die een vrijwaring verleende voor aanspraken van andere auteursrechthebbenden.
Hoe beoordeelt u in dit verband het ondernemersgemak voor met name kleine ondernemers?
Bij brief van 29 juni jl. heb ik uw Kamer bericht over de eerste bevindingen van de praktijk met de werking van de Wet auteurscontractenrecht.2 Hieruit blijkt dat het partijen nog niet is gelukt om over een gezamenlijke inning van de vergoeding voor de mededeling van films aan het publiek afspraken te maken. Dit komt het ondernemersgemak, met name voor kleinere ondernemers, niet ten goede. In genoemde brief roep ik de betrokken cbo’s dan ook op alsnog op korte termijn in één gezamenlijke factuur te voorzien. Op grond van artikel 21 van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (hierna: Wet toezicht) heb ik de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur cbo’s zo nodig tot deze samenwerking te bewegen. Ik heb begrepen dat het overleg over een gezamenlijke factuur inmiddels op gang is gekomen. Ik vind het belangrijk dat op korte termijn stappen worden gezet. Om de voortgang te bewaken onderhoudt mijn ministerie hierover de komende periode nauw contact met de branchevereniging voor cbo’s – de Vereniging van Organisaties die Intellectueel eigendom Collectief Exploiteren (hierna: Voice) – en VNO-NCW en MKB-Nederland.
Acht u, los van het ondernemersgemak, de voorlichting rondom deze vergoedingen, bijvoorbeeld bij inschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel(KvK), voldoende met name voor de kleine ondernemers? Zo ja, kunt u die verschillende voorlichtingsmomenten benoemen?
Naar mijn mening worden ondernemers via verschillende kanalen voldoende geïnformeerd over het regelen van de rechten inzake het gebruik van beschermde prestaties. Via ondernemersplein.nl, een initiatief van onder meer de Kamer van Koophandel, worden ondernemers geïnformeerd over de vergoedingen voor het gebruik van beschermde prestaties. Op deze webpagina wordt ook gewezen op de online «Wegwijzer voor ondernemers voor het regelen van auteursrecht» van de branchevereniging Voice. De wegwijzer bevat een brochure waarin wordt uitgelegd hoe het gebruik van bijvoorbeeld muziek en beeld kan worden geregeld. De brochure is opgesteld door Voice en de sector winkelambacht onder auspiciën van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. In de brochure wordt ook verwezen naar muziekwerkt.nl, waar ondernemers informatie kunnen vinden over de toepassing van muziek in hun onderneming. Verder wijst de brochure op mijnlicentie.nl, waar ondernemers hun muziekgebruik kunnen regelen, en de websites van cbo’s.
Klopt het, dat de KvK ondernemers nu niet actief informeert over de mogelijkheid een licentie met bijvoorbeeld Buma/Stemra af te sluiten en dat er allerlei kortingen op het licentietarief mogelijk zijn? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, acht u dat wenselijk en waarom?
De Kamer van Koophandel informeert ondernemers inderdaad niet actief over de mogelijkheid om licenties af te sluiten bij Buma Stemra en over eventuele mogelijke kortingen. De Kamer van Koophandel weet immers niet of, en zo ja op welke wijze, ondernemers beschermde prestaties gebruiken. De Kamer van Koophandel biedt ondernemers die gebruikmaken van beschermde prestaties informatie via de genoemde website ondernemersplein.nl (zie het antwoord op vraag 4). Van de Kamer van Koophandel begrijp ik dat zij jaarlijks naar schatting honderd vragen over auteursrecht ontvangen. Deze vragen worden direct telefonisch beantwoord of er wordt gewezen op de informatie die beschikbaar is via voornoemde website.
Welke mogelijkheden ziet u teneinde ondernemers beter te informeren over de vergoedingen die zij moeten betalen, aan wie zij die moeten betalen en welke kortingsmogelijkheden er zijn?
De Wet toezicht verplicht cbo’s betrokken gebruikers te informeren over de criteria voor het bepalen van tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding (art. 2l, tweede lid). Verder zijn cbo’s verplicht om normaal toepasselijke tarieven, inclusief kortingen, openbaar te maken (art. 2p, eerste lid, onderdeel c). Het College van Toezicht Auteursrechten (hierna: het College) ziet erop toe dat cbo’s deze wettelijke verplichtingen naleven.
VNO-NCW, MKB-Nederland en sommige van de daarbij aangesloten brancheorganisaties verwijzen op hun websites en in publicaties naar de informatie die beschikbaar is via websites als ondernemersplein.nl en muziekwerkt.nl. Sommige cbo’s sluiten overeenkomsten met brancheorganisaties, die groepen gebruikers vertegenwoordigen uit dezelfde branche. Als in deze zogenoemde brancheovereenkomsten kortingen zijn afgesproken, is het aan de brancheorganisaties om de bij die organisaties aangesloten gebruikers hierover te informeren. Langs deze wegen wordt ondernemers online via onder meer de Kamer van Koophandel en Voice, en door VNO-NCW, MKB-Nederland en brancheorganisaties voldoende informatie geboden en de mogelijkheid gegeven vragen te stellen over het regelen van de vergoeding voor het gebruik van beschermde werken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat MKB-Nederland een grote hoeveelheid klachten krijgt van ondernemers over het gebrek aan een goede onderbouwing van het aangenomen gebruik van bijvoorbeeld muziek in hun winkel of bedrijfspand?
Uit het bericht van MKB-Nederland en VNO-NCW begrijp ik dat veel van de door hen ontvangen klachten gaan over de vergoeding die ondernemers aan cbo’s betalen. Zij zouden voor meer moeten betalen dan zij daadwerkelijk gebruiken. Voice bericht mij hierover dat weinig klachten worden ingediend bij de cbo’s zelf en bij het klachtenmeldpunt van Voice, en dat VNO-NCW en MKB-Nederland bij Voice nog geen melding hebben gemaakt van deze klachten.
Ik vind het belangrijk dat er een loket is waar partijen met hun klachten terecht kunnen. De Geschillencommissie Auteursrechten is aangewezen om klachten te behandelen over de tarieven van cbo’s die bij ondernemers in rekening worden gebracht. Dit kan gaan over de hoogte of vaststelling van tarieven. Bovendien kan een klacht worden ingediend bij het College als er signalen zijn dat een cbo in strijd handelt met de Wet toezicht.
Welke mogelijkheden ziet u cbo’s er toe aan te zetten de berekening van de te betalen vergoeding voor ondernemers inzichtelijker te maken en die berekening voldoende te onderbouwen?
Op grond van de Wet toezicht zijn cbo’s verplicht betrokken gebruikers te informeren over de criteria voor het bepalen van tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding (art. 2l, tweede lid). Verder dienen cbo’s aan te geven aan gebruikers welke informatie de cbo nodig heeft om een licentie te kunnen aanbieden (art. 2l, derde lid). Het College ziet erop toe dat cbo’s deze wettelijke verplichtingen naleven.
Ik vind het in de eerste plaats aan ondernemers(organisaties) en cbo’s zelf om te bepalen op basis van welke informatie zij afspraken met elkaar maken over het gebruik van beschermde prestaties. Zij kunnen het best bepalen waar de balans ligt tussen het registreren van daadwerkelijk gebruik en het hanteren van vaste tarieven met het oog op het ondernemersgemak. Als zij er onderling niet uitkomen, kunnen zij hun geschil over de hoogte of vaststelling van een tarief voorleggen aan de Geschillencommissie Auteursrechten.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de vragen hiervoor, de machtsverhouding tussen de verschillende cbo’s en de gebruikers van auteursrechtelijk beschermde werken? Vormt uw oordeel aanleiding vaker in contact te treden met de cbo’s? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Cbo’s hebben een machtspositie ten opzichte van rechthebbenden en gebruikers.
Daarom, en vanwege de grote sociaal-culturele en financieel-economische belangen die met collectief beheer zijn gemoeid, hecht ik veel belang aan extern toezicht op cbo’s. Ik vind het daarom aan de overheid om het wettelijk kader te geven voor het toezicht op en geschillenbeslechting bij collectief beheer. De Wet toezicht bevat normen over onder meer transparantie, verdeling van geïnde gelden, informatieverplichtingen en geschillenbeslechting. Het toezicht op de naleving van deze normen door cbo’s is belegd bij het College. Dat ziet er onder meer op toe dat cbo’s rekening houden met zowel de belangen van rechthebbenden als de belangen van betalingsplichtigen. Als partijen een geschil hebben over de hoogte en de vaststelling van vergoedingen voor het gebruik van beschermde prestaties, kunnen zij dit op grond van de Wet toezicht voorleggen aan de Geschillencommissie Auteursrechten. De problematiek die in de vragen wordt geschetst wordt besproken in het reguliere contact tussen mijn ministerie en de branchevereniging voor cbo’s, Voice. Ook heeft mijn ministerie contact met VNO-NCW en MKB-Nederland over de relatie tussen gebruikers en cbo’s.
Vormt het feit dat het betalen van auteurs- en naburige rechten stijgt, de onderbouwing voor de te betalen vergoeding onduidelijk is en er steeds meer verschillende cbo’s komen, aanleiding het wettelijk toezicht op deze cbo’s aan te scherpen. Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet streeft naar slagvaardig en doelmatig toezicht op cbo’s. Op dit moment heb ik een wetsvoorstel in voorbereiding dat het College mogelijkheden biedt om verscherpt toezicht te houden op cbo’s en sneller in te grijpen als de situatie daar om vraagt. Het voorontwerp is dit voorjaar geconsulteerd. Onder meer VNO-NCW, MKB-Nederland en Voice hebben een reactie ingestuurd. De consultatiereacties worden op dit moment verwerkt. Bovendien is advies gevraagd aan de commissie auteursrecht, die tot taak heeft mij te adviseren op het gebied van auteursrecht. Aanleiding voor het voorstel is de evaluatie van het wettelijke kader voor het toezicht op cbo’s in 2016. In lijn met de uitkomsten van de evaluatie vergroot het voorstel de slagvaardigheid en doelmatigheid van het toezicht. Hiermee geeft het uitvoering aan de toezeggingen die aan uw Kamer zijn gedaan naar aanleiding van de evaluatie.3 Naar verwachting kan het voorstel na de zomer aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden aangeboden en begin 2019 bij uw Kamer worden ingediend.
Het bericht ‘The summon of Feminist and Woman Human Right Defender Mozn Hassan to investigation within the Context of the NGO Foreign Funding Case’ dd 18 juni 2018 |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «The summon of Feminist and Woman Human Right Defender Mozn Hassan to investigation within the Context of the NGO Foreign Funding Case»?1
Ja.
Heeft u contact opgenomen of gaat u contact opnemen met uw Egyptische ambtsgenoot om uw zorgen over de arrestatie van Mozn Hassan over te brengen? Zo nee, waarom niet?
Mozn Hassan is een van de verdachten in de zaak 173, ook bekend als de «Foreign Funding Case». Deze zaak speelt al sinds 2011 en richt zich tegen NGO’s die er van worden verdacht zonder de benodigde toestemming buitenlandse financiering te ontvangen. In 2016 werd de strafzaak heropend en werd een aantal mensenrechtenactivisten geconfronteerd met reisverboden (w.o. Mozn Hassan) en werden tegoeden van een aantal organisaties bevroren (w.o. Nazra for Feminist Studies). De zaak bevindt zich nog altijd in de onderzoeksfase en zal nog moeten worden doorverwezen naar de rechter. In dat kader is Mozn Hassan op 18 juni jl. ontboden en op 20 juni jl. verhoord. Hassan is na het verhoor op borgtocht vrijgelaten.
De «Foreign Funding Case» is een belangrijk onderwerp van gesprek met de Egyptische autoriteiten. Zorgen over de «Foreign Funding Case» zijn zowel bilateraal als in EU-verband herhaaldelijk bij de Egyptische autoriteiten aangekaart. De specifieke zaak van Mozn Hassan is nog onder de rechter, waardoor directe politieke interventie niet opportuun is. De Nederlandse ambassade in Caïro heeft de zaak nauwlettend gevolgd en zal dit ook blijven doen.
Heeft u contact opgenomen of gaat u contact opnemen met uw Europese collega’s en Hoge Vertegenwoordiger Mogherini om in EU-verband de zorgen over de situatie in Egypte over te brengen aan de Egyptische regering? Zo nee, waarom niet?
Minister Blok heeft tijdens zijn bezoek aan Egypte op 10 mei jl. zijn zorgen overgebracht bij Minister Shoukry over de mensenrechtensituatie in Egypte, in het bijzonder de steeds beperktere ruimte voor maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om in vrijheid te opereren. Daarnaast heeft de woordvoerder van Hoge Vertegenwoordiger Mogherini op 30 mei jl. een verklaring uitgedaan waarin zorgen worden geuit over de recente toename in arrestaties van mensenrechtenverdedigers, bloggers en politieke activisten in Egypte.
Is de arrestatie van Mozn Hassen exemplarisch voor de druk waaronder in veel landen maatschappelijke organisaties en niet-gouvernementele organisaties werken?
Zaken zoals de «Foreign Funding Case», maar ook wetgeving zoals de NGO-wet in Egypte, bemoeilijken het werk van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Dat is zorgwekkend. Het kabinet is ervan overtuigd dat een gezonde civil society een essentiële rol zou moeten spelen bij de ontwikkeling van een land. Het respecteren van mensenrechten, waaronder het recht op vereniging en vergadering, zorgt juist voor duurzame veiligheid en stabiliteit. Deze boodschap wordt dan ook regelmatig overgebracht in contacten met de Egyptische autoriteiten.
Wat gaat u doen om organisaties te ondersteunen die in Egypte actief zijn, zoals Nazra, op het terrein van het naleven van mensenrechten, bescherming van vrouwen tegen (seksueel) geweld en het bevorderen van de participatie van vrouwen in het openbaar bestuur?
Mensenrechten zijn en blijven een hoeksteen van het Nederlandse buitenlandbeleid. Ruimte voor het maatschappelijk middenveld is een algemene voorwaarde voor het kunnen uitoefenen en bevorderen van rechten en voor de uitvoering van het mensenrechtenbeleid wereldwijd. Nederland probeert daarom die ruimte wereldwijd open te houden en daar waar mogelijk te vergroten.
De Nederlandse ambassade in Caïro staat in goed contact met een aantal organisaties die dit soort doelen nastreeft en zal deze ook blijven ondersteunen.
Bent u bereid dit onderwerp tijdens de Raad Buitenlandse Zaken, eventueel aan marge van de Raad, met uw collega’s te bespreken? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering in Egypte zijn zorgpunten van de EU. De EU spreekt deze zorgen ook uit, zoals bijvoorbeeld tijdens het Subcomité voor Democratie en Mensenrechten in december 2017 en in de EU-verklaringen tijdens de Mensenrechtenraad. De «Foreign Funding Case» is op EU-ambassadeursniveau in Caïro een belangrijk onderwerp van gesprek met de Egyptische autoriteiten.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de Raad Buitenlandse Zaken op 25 juni 2018?
De beantwoording komt u zo snel mogelijk tegemoet.
Is het u bekend dat de voormalig inspecteur-generaal van het Staatstoezicht op de Mijnen, de heer Jan de Jong, het onbegrijpelijk vindt dat de versterking van 1.588 woningen momenteel door u is opgeschort?1
Ja.
Wat is uw oordeel over dit onbegrip en zijn kritiek?
Alle noodzakelijke versterking moet worden uitgevoerd. Dit is ook het standpunt van het kabinet. In mijn brieven aan uw Kamer van 24 april 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 466) en 22 mei 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 468) heb ik toegelicht dat de versterking van woningen van bewoners die reeds een versterkingsadvies hebben ontvangen onverkort wordt uitgevoerd. In afwachting van het advies dat de Mijnraad omstreeks 1 juli 2018 zal opleveren worden kortstondig geen nieuwe versterkingsadviezen verzonden. Conform de motie Mulder c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 491) heb ik de Mijnraad verzocht specifieke aandacht te besteden aan de batch van 1.588 woningen.
Bent u het met de heer De Jong eens dat hij zich niet kan voorstellen dat de Mijnraad begin juli met een advies aan u komt, waaruit blijkt dat de versterking niet langer nodig of minder nodig zal zijn? Zo nee, waarom niet?
Het advies van de Mijnraad verschijnt rond 1 juli 2018. Ik loop niet vooruit op aanbevelingen die daar mogelijk in komen te staan.
Hebt u kennisgenomen van de stelling van de heer De Jong dat er in de Groningse situatie nog niets veranderd is («we hebben dit jaar al een beving boven de 3.0 en net onder de 3.0 gehad. (...) Met een aantal van deze bevingen, kan een beving van 4.0 ook voorkomen. Daarom is die versterking zo belangrijk») Deelt u dit oordeel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet doet er met het zo snel mogelijk volledig beëindigen van de gaswinning alles aan om de oorzaak van de aardbevingen weg te nemen. De Mijnraad zal mij rond 1 juli adviseren over de ontwikkeling van de risico’s en wat dit voor de versterkingsopgave betekent. Op basis dit advies ga ik direct na het verschijnen daarvan in overleg met de regio om besluiten te nemen over het vervolg van de versterkingsopgave.
Deelt u ook de verwachting van de heer De Jong dat het risico aanzienlijk minder wordt als de gaswinning is teruggebracht tot 12 miljard kuub gas per jaar of minder?
Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) adviseert in zijn advies van 1 februari 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 424) om de gaswinning in Groningen omwille van de veiligheid zo snel mogelijk terug te brengen naar 12 mld kuub per jaar. Hierop heeft het kabinet besloten tot een volledige afbouw van de gaswinning (Zie Kamerstuk 33 529, nr. 457). Deze maatregel neemt het kabinet dan ook voor de veiligheid van de Groningers. Hoeveel veiliger het wordt moet het advies van de Mijnraad uitwijzen.
Heeft u al spijt van u besluit om de versterking van 1588 woningen op te schorten? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven wat er dan wel nodig is om u van gedachten te doen veranderen?
Het kabinet acht het nog steeds verstandig om besluitvorming over bouwkundige versterking van deze woningen – wat veelal sloop en nieuwbouw zou betekenen – aan te houden totdat de Mijnraad, op basis van wetenschappelijke rapporten, een advies heeft uitgebracht over de ontwikkeling van de veiligheidsrisico’s en wat dit voor de versterkingsopgave betekent.
Ik ben mij er zeer van bewust dat voor bewoners die een traject van inspectie en risicobeoordeling achter de rug hebben iedere pas op de plaats onwelkom is, hoe kortstondig ook. Tegelijkertijd is een besluit tot de sloop van huizen die op basis van de meest recente veiligheidsinzichten mogelijk niet nodig is ook onwenselijk.
Kinderrechten in Caribisch Nederland |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Antje Diertens (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «1 miljard voor kinderen, maar alleen in Europees Nederland»?1 Is het waar dat er geen geld beschikbaar wordt gesteld om gezinnen met kinderen in Caribisch Nederland te ondersteunen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Ik teken hierbij aan dat de in het bericht opgenomen conclusie dat er geen geld voor gezinnen met kinderen in Caribisch Nederland beschikbaar wordt gesteld, voorbarig is. De besluitvorming voor Caribisch Nederland, dat een geheel eigen context kent, wordt nog apart bekend gemaakt.
Deelt u de mening dat armoede onder kinderen moet worden bestreden, ook in Caribisch Nederland? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om armoede onder kinderen in Caribisch Nederland op korte termijn te bestrijden?
Aan de beide Kamers der Staten-Generaal is een onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid in Caribisch Nederland toegezegd. Bij brief van 1 mei 2018 (Kamerstukken II, 2017/2018, 34 775 IV, nr. 39) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de ophanden zijn afronding van het hiertoe strekkende rapport en de nog op te stellen kabinetsreactie, waarin alsdan inzicht wordt gegeven in de te nemen maatregelen. In mijn nadere brief van 11 juni 2018 aan de Eerste Kamer, die ik bij brief van 12 juni 2018 (Kamerstukken II, 2017/2018, 34 775 IV, nr. 42) aan de Tweede Kamer in afschrift heb doen toekomen, heb ik gerefereerd aan de datum van 1 juli 2018 die is genoemd als datum waarop het rapport bij het parlement zou moeten liggen. Ik herhaal het in die brief uitgesproken streven om deze datum te halen, maar dat mag niet ten koste gaan van een zorgvuldig proces.
Deelt u de mening dat, mede naar aanleiding van de rapporten van de Commissie Spies en van het Nibud, waaruit blijkt dat het voor een grote groep inwoners in Caribisch Nederland moeilijk is om rond te komen, er zo spoedig mogelijk een sociaal minimum moet worden vastgesteld, zodat besluiten kunnen worden genomen over de hoogte van de uitkeringen in Caribisch Nederland? Deelt u de mening dat het van belang is dat hierover zo snel mogelijk de benodigde duidelijkheid moet komen, en er alles aan gedaan moet worden om verdere vertraging te voorkomen en de nieuwe streefdatum van 1 juli 2018 niet te overschrijden?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier wordt bij de planvorming en budgettering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) met betrekking tot Caribisch Nederland het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)betrokken, zodat er sprake is van meer integrale aanpak, in lijn met de motie Diertens c.s. over een regierol voor het Ministerie van BZK?2
De betrokkenheid van het Ministerie van BZK bij het opstellen van de kabinetsreactie op het rapport over het ijkpunt bestaanszekerheid vindt plaats vanuit de coördinerende rol van de Staatssecretaris van BZK.
De spanning tussen oude en nieuwe schades |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het hypothetische verhaal van «een Groningse scheur met twee levens»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van de woordvoerder van de Commissie Mijnbouwschade Groningen, die stelt dat het een realistisch scenario is dat één scheur door twee instanties beoordeeld moet worden?
Schademeldingen die voor 31 maart 2017 zijn gedaan worden afgehandeld door NAM. Schademeldingen na 31 maart 2017 worden beoordeeld door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna: TCMG). Denkbaar is dat een eigenaar met beide organisaties te maken krijgt. Dat zal aan de orde zijn wanneer de eigenaar over een oude schademelding beschikt en na 31 maart 2017 nieuwe schade heeft gemeld. Bij de nieuwe schade kan het om additionele schade gaan, maar ook om schade die is verergerd. Als deze situatie zich daadwerkelijk voordoet spannen TCMG en NAM zich in om hiermee pragmatisch om te gaan en de bewoner zo min mogelijk lastig te vallen.
Zijn er gevallen bekend dat er inderdaad gedupeerden zijn die op deze wijze van het kastje naar de muur worden gestuurd?
Mij zijn geen gevallen bekend waarbij gedupeerden van het kastje naar de muur worden gestuurd. Wel kan het zo zijn dat een bewoner merkt dat een instantie niet alle schade behandelt, maar alleen die schade waar de melding betrekking op had.
Kunt u aangeven wat er gebeurt met de oude dossiers? Blijven deze beschikbaar voor de gedupeerden?
De dossiers van reeds afgehandelde meldingen worden gedeeltelijk bewaard. Conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vernietigen NAM en CVW «bovenmatig» geworden data. Ten aanzien van de beschikbaarheid voor bewoners geldt dat de dossiers in ieder geval nog tot het einde van het jaar online via MijnCVW opvraagbaar zijn. Bewoners kunnen met een beroep op de AVG altijd bij NAM om inzage in hun persoonsgegevens vragen.
Is er sprake van het delen van dossiers tussen instanties? Zo ja, op welke wijze wordt de privacy geborgd? Wordt er vooraf aan het delen toestemming gevraagd aan de gedupeerde?
Openstaande meldingen die na 31 maart 2017 bij NAM of CVW zijn gedaan, zijn naar de TCMG overgeheveld. Eigenaren zijn hierover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om desgewenst deze overdracht te stoppen.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat het behandelen van schades die vóór 31 maart 2017 zijn ontstaan, maar daarna zijn verergerd door nieuwe bevingen, eindeloos door of de ene of de andere instantie wordt afgehouden? Hoe gaat u er zorg voor dragen dat deze zaken als één volledig dossier worden gezien en als zodanig worden behandeld?
Er is een duidelijke verdeling van schademeldingen tussen NAM en de TCMG. Schademeldingen die tot 31 maart 2017, 12.00 uur zijn gedaan, worden afgehandeld door NAM; schademeldingen die daarna zijn gedaan door de TCMG. Er mag sowieso geen sprake van zijn dat bewoners eindeloos van de ene naar de andere instantie worden gestuurd. Indien een schade niet wordt betrokken in het aanbod van NAM omdat deze geen onderdeel is van de «oude» schademelding, kan voor deze schade een beroep worden gedaan op de TCMG. Als deze situatie zich daadwerkelijk voordoet spannen TCMG en NAM zich in om hiermee pragmatisch om te gaan en de bewoner zo min mogelijk lastig te vallen.
Voor de eventuele overdracht van dossiers om dit mogelijk te maken zal echter eerst toestemming van de bewoner moeten worden verkregen. Het gaat sowieso om een tijdelijke overgangssituatie. Zodra de oude schademeldingen door NAM zijn afgehandeld, worden schademeldingen alleen nog door de TCMG behandeld.
Het bericht ‘#MeToo: artsen gaan niet vrijuit’ |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «#MeToo: artsen gaan niet vrijuit»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het uiterst onwenselijk is dat een derde van de artsen of artsen in opleiding te maken heeft gehad met seksueel grensoverschrijdend gedrag?
Ja.
Wat vindt u van de volgende uitspraak van één van de respondenten: «[j]e kunt – ook voor jezelf – veel kapotmaken door het wél aan de grote klok te hangen.» Deelt u de mening dat door een dergelijke zwijgcultuur seksueel grensoverschrijdend gedrag onopgemerkt en ongestraft blijft? Zo ja, hoe denkt u dat deze zwijgcultuur kan worden doorbroken?
Een dergelijke uitspraak geeft aan dat werknemers zich onvoldoende veilig voelen om ongewenst gedrag aan te kaarten. Dat vind ik kwalijk. Het voorkómen en effectief aanpakken van ongewenst gedrag staat en valt immers bij het aangeven van, en in gesprek gaan over, grenzen in de omgang. Het doorbreken van een dergelijke cultuur is echter niet eenvoudig. Dit vergt voortdurende inspanningen van werkgevers, terwijl ook werknemers en andere partijen hier een bijdrage aan kunnen leveren. Dit doen ziekenhuizen onder andere met vertrouwenspersonen, medezeggenschap, klachtenregelingen en klachtencommissies. Het onderzoek van Medisch Contact laat zien dat organisaties nog meer moeten investeren in een veilige werkcultuur, waarin ongewenst gedrag bespreekbaar is en gemeld kan worden. Dit gaat verder dan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit gaat ook over hoe om te gaan met werkdruk of agressie van patiënten. Goed werkgeverschap is cruciaal.
Vanuit het Rijk ondersteunen we dit. Het Ministerie van SZW heeft de afgelopen jaren verschillende instrumenten ontwikkeld om organisaties te helpen hierover het gesprek te voeren, zoals een koerskaart rondom ongewenst gedrag en de wegwijzer «Voorkomen en aanpakken seksuele intimidatie op het werk»2. Daarnaast begeleidt een actieteam 20 organisaties die aan de slag willen met ongewenst gedrag met maatregelen die tot merkbaar resultaat op het werk leiden. De ervaring en kennis die met deze interventies wordt opgedaan, zal breed worden gedeeld.
Met het actieprogramma Werken in de zorg hebben werkgevers, onderwijs, zorginkopers en anderen afspraken gemaakt in regionale actieplannen. Deze afspraken gaan deels over de vraag hoe de zorg gekwalificeerd personeel kan aantrekken, maar ook over hoe goede werknemers te behouden. Een gezonde werkcultuur en een veilige werkomgeving zijn hiervoor belangrijke randvoorwaarden.
Deelt u de mening dat het percentage slachtoffers dat zich meldt bij een leidinggevende (10%), zich meldt bij de vertrouwenspersoon (3%) of aangifte doet bij de politie (slechts twee respondenten) zeer laag is? Zo ja, hoe kan dat? Zo nee, waarom niet?
Bij seksuele intimidatie en andere vormen van ongewenst gedrag gaat het om een breed scala aan gedragingen, die niet allemaal even ernstig zijn. Een seksueel getinte opmerking – hoe onwenselijk ook – hoeft niet tot een melding bij de leidinggevende of de vertrouwenspersoon te leiden. Sterker nog, in veel gevallen zal het effectiever zijn het ongewenste gedrag direct te benoemen. Het aangeven van grenzen kan immers helpen om verdergaand grensoverschrijdend gedrag te voorkómen.
Als overheid zorgen we voor de juiste randvoorwaarden. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht om een beleid te voeren dat erop gericht is om psychosociale arbeidsbelasting van de werknemer te voorkomen of te beperken. Factoren die tot psychosociale arbeidsbelasting kunnen leiden, zijn ongewenste omgangsvormen (discriminatie, seksuele intimidatie, agressie en geweld, en pesten) en werkdruk. De werkgever moet een risico-inventarisatie en -evaluatie maken en maatregelen treffen om de werknemers te beschermen. Maatregelen die een werkgever kan treffen zijn bijvoorbeeld het aanstellen van een vertrouwenspersoon en het vaststellen van een klachtenprocedure, maar ook op informele wijze kan de werkgever steeds benadrukken te hechten aan een veilige werkomgeving. De Inspectie SZW handhaaft op de verplichtingen van de arbeidsomstandighedenwet en draagt ook bij aan de bewustwording van werkgevers, onder meer via de zelfinspectietool «werkdruk en ongewenst gedrag»3. Wanneer er sprake is van strafbare feiten, kan een slachtoffer hiervan altijd melding doen. Slachtoffers kunnen daarvoor terecht bij de politie of één van de zestien gespecialiseerde Centra Seksueel Geweld (CSG’s). De CSG’s bieden multidisciplinaire hulpverlening (forensisch-medische en psychosociale) aan slachtoffers en verlagen de drempel om seksueel geweld bij de politie te melden.
Ziekenhuizen hebben in de regel vertrouwenspersonen, klachtenregelingen en klachtencommissies. Dat artsen seksueel grensoverschrijdend gedrag zo weinig aankaarten, laat zien dat organisaties nog meer moeten investeren in een veilige werkcultuur, waarin ongewenst gedrag bespreekbaar is en gemeld kan worden. Goed werkgeverschap is daarom ook integraal onderdeel van het actieprogramma Werken in de zorg. In dit kader hebben werkgevers, onderwijs, zorginkopers en anderen afspraken gemaakt in regionale actieplannen. Deze gaan voor een deel over de vraag hoe we zoveel mogelijk mensen kunnen aantrekken voor de zorg. Maar minstens zo belangrijk is de vraag hoe je mensen kunt behouden in de zorg. Werkcultuur is hiervan een belangrijk onderdeel.
De Staatssecretaris van SZW heeft in haar brief van 14 juni 2018 aangegeven de rol en positie van de vertrouwenspersonen te willen versterken4. Onderdeel daarvan zal ook zijn om het bestaan van de vertrouwenspersoon binnen organisaties voor het voetlicht te brengen. Dat is een taak voor organisaties zelf, maar de overheid wil hier met een inzet op voorlichting wel een impuls aan geven. De inzet op de versterking van de rol van vertrouwenspersonen richt zich ook op de randvoorwaarden die nodig zijn om het voor werknemers mogelijk en wenselijk te maken om in vertrouwen melding te doen van ongewenst gedrag.
Welke stappen zouden moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat slachtoffers zich kunnen en zullen melden op een veilige manier? Ziet u hier een rol voor uzelf? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er een hiërarchische en dus ongelijke, relatie bestaat tussen artsen en coassistenten? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat per definitie een hiërarchische relatie tussen artsen en coassistenten. Artsen dragen volgens de Wet BIG de verantwoordelijkheid voor een behandeling, terwijl coassistenten het vak nog moeten leren. Zeker in een dergelijke relatie is een veilige leeromgeving op de werkvloer van groot belang. Daar waar dit niet het geval is, moet de coassistent dit ook kunnen aankaarten. Voor de rol van de overheid verwijs ik naar de beantwoording op de vragen 4 en 5.
Bent u tevens van mening dat in de geneeskundeopleiding een onveilige leeromgeving is ontstaan? Zo ja, ziet u hier een rol voor u weggelegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat er sinds 2006, toen zelfde gegevens naar buiten kwamen, er nauwelijks iets is veranderd? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat er nu wel effectieve maatregelen worden genomen?
Ik deel de zorgen van uw Kamer over het schijnbare gebrek aan verbeteringen op dit vlak.
Het aanpakken van ongewenst gedrag en het realiseren en behouden van een veilige werkcultuur binnen organisaties vergt continue inspanning van werkgevers en werknemers. Dit met behulp van onder andere vertrouwenspersonen, ondernemingsraden en arboprofessionals. Ik draag er, net als de Staatssecretaris van SZW, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 4 en 5, aan bij dat werkgevers in de zorg hier oog voor hebben en werk van maken.
Om te bevorderen dat binnen de sector gewerkt blijft worden aan een veilige werkomgeving, ga ik met de sector in gesprek over aanvullende om ongewenst gedrag tegen te gaan en te voorkomen.
Het vertrek van de NCG |
|
Rob Jetten (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Agnes Mulder (CDA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Wat was de opgave van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en hoeveel woningen zijn concreet aangepakt?
De NCG is belast met het bevorderen van de totstandkoming en uitvoering van het Programma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen (MJP) en doet hiervoor jaarlijks een voorstel, dat door de Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt vastgesteld. In het Meerjarenprogramma 2017–2021 (bijlage bij Kamerstuk 33 529, nr. 321) is de ambitie bepaald om in vijf jaar 22.000 woningen en 1.500 overige gebouwen te inspecteren – en waar nodig vervolgens binnen 5 jaar te versterken – wat neerkomt op 5.000 woningen en 300 overige gebouwen per jaar. In de meest recente kwartaalrapportage van de NCG (Kamerstuk 33 529, nr. 467) is aangegeven dat er sinds 2016 tot en met het eerste kwartaal van 2018 7.989 adressen zijn geïnspecteerd en 3.055 versterkingsadviezen zijn opgesteld. Uit de versterkingsadviezen blijkt dat in alle gevallen vergaande versterking nodig is om aan de norm 10-5 conform de NPR 2015 te voldoen. Zoals weergegeven in de kwartaalrapportage zijn er tot en met het eerste kwartaal van 2018 in totaal (zowel binnen als buiten de gebiedsgerichte aanpak van de NCG) 672 adressen versterkt, waarvan 86 in 2017 en 30 in het eerste kwartaal van 2018.
Ik wil hier graag nogmaals benadrukken dat het Rijk, de provincie Groningen en de betrokken gemeenten, steeds samen bestuurlijk verantwoordelijk zijn geweest voor dit programma. Dat de implementatie van het versterkingsprogramma moeizamer bleek dan vooraf werd ingeschat – dat er successen, maar zeker ook tegenvallers moesten worden gemeld – is niet terug te voeren op de NCG, maar valt allereerst onder de verantwoordelijkheid van de betrokken bestuursorganen.
In hoeverre heeft de NCG nog een rol bij schadeafhandeling en complexe schades met de inwerkingtreding van het nieuwe schadeprotocol?
Met het Besluit Mijnbouwschade Groningen van 31 januari 2018 en het instellen van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) per 19 maart 2018 is de afhandeling van schademeldingen als gevolg van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg in het publieke domein belegd. Alle schademeldingen die na 31 maart 2017 zijn geregistreerd worden nu door de TCMG afgehandeld. De TCMG oormerkt schademeldingen daarbij niet als complex of niet-complex. Met een wetsvoorstel dat ik nu voorbereid wordt de tijdelijke constructie van een definitieve grondslag voorzien. Vanwege deze ontwikkelingen heeft de NCG geen rol meer in de schadeafhandeling. Het instellingsbesluit van de NCG is hierop aangepast en op 4 mei jl. in de Staatscourant geplaatst (Jaargang 2018, nr. 25 938).
In hoeverre heeft de NCG nog een rol bij versterking wanneer dat onafhankelijk wordt belegd?
Zoals inmiddels de schadeafhandeling onafhankelijk van de NAM is ingericht, wil ik dit ook regelen voor de versterkingsoperatie. Voor de schadeafhandeling is een manier gevonden waarbij de beoordeling van schademeldingen onafhankelijk plaatsvindt van alle partijen die daar bij betrokken zijn: besluiten over individuele schadeverzoeken van bewoners worden nu genomen door een speciaal daarvoor ingerichte tijdelijke commissie met onafhankelijk benoemde leden. NAM heeft hier geen invloed op. Een vergelijkbare onafhankelijkheid wil ik organiseren voor besluiten over versterken. Voor de precieze organisatie daarvan wil ik het advies van de Mijnraad afwachten, omdat daarmee duidelijk zal worden wat de omvang en het karakter van de versterkingsoperatie zal zijn. Met de bestuurders in de regio heb ik afgesproken dat we snel na 1 juli a.s. verder in gesprek zullen gaan over de vorm van aansturing die hierbij past. Intussen worden alle lopende versterkingswerkzaamheden uitgevoerd, onder regie van de NCG.
Hoe zorgt u ervoor dat de versterkingsopgave onafhankelijk wordt van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoeveel middelen zijn besteed aan de NCG, zijn organisatie en het uitvoeren van zijn taken? Hoeveel van de middelen zijn direct terecht gekomen bij inwoners voor compensatie en versterking?
In het overzicht in de bijlage1 zijn de bestedingen tot eind 2017 weergeven van de Rijksmiddelen die beschikbaar zijn gesteld voor de uitvoering van het Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen, beleidsartikel 5. In de tabel zijn de kosten voor het apparaat NCG, werkbudget en subsidiemaatregelen opgenomen. Van de € 432,4 miljoen beschikbaar gestelde middelen is tot en met het laatste kwartaal van 2017 € 160,6 miljoen uitgegeven.
Het begrotingsartikel voor het meerjarenprogramma NCG kent voor het grootste deel een 100% eindejaarsmarge. Dit houdt in dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt benut, kan worden meegenomen naar volgende jaren en zo beschikbaar blijft voor de uitvoering van het Meerjarenprogramma. De kosten van zowel de schadeafhandeling als de noodzakelijke versterking zijn voor rekening van NAM. Deze staan los van de hier genoemde middelen.
Op welke termijn verwacht u dat de 2500 woningen met een versterkingsadvies thuis versterkt zijn? Welke capaciteit is daarvoor beschikbaar? Hoe gaat de u ervoor zorgen dat er geen ellenlange wachtlijst ontstaat van de nog te versterken woningen?
Het uitgangspunt is, in lijn met het advies van de Commissie Meijdam, dat een woning binnen vijf jaar nadat is geconstateerd dat deze niet voldoet aan de norm versterkt moet zijn. Niet alle woningen zijn gelijktijdig beoordeeld, maar van het merendeel hiervan is in december 2016 of eerder vastgesteld dat deze op basis van de NPR 2015 niet voldoen aan de norm. Dat betekent dat deze woningen voor december 2021 moeten zijn versterkt. De NCG heeft met een marktconsultatie in december 2017 de beschikbare capaciteit voor inspectie, engineering en de uitvoering van versterkingswerkzaamheden verkend. Daaruit kwam naar voren dat marktpartijen geen onoverkomelijke belemmeringen zien om de versterking van deze woningen binnen de termijn te realiseren.
Tegelijkertijd blijkt uit recente kwartaalrapportages van de NCG dat de realisatie van het inspectie- en engineering-programma en de versterking van woningen achterblijft ten opzichte van de doelstellingen verwoord in het MJP (bijlage bij Kamerstuk 33 529, nrs. 321, 389, 454, 467). Hier komt bij dat op basis van de NPR 2015, in vrijwel alle gevallen ingrijpende versterking of zelfs sloop wordt geadviseerd, wat leidt tot een zeer omvangrijke opgave. Om te voorkomen dat de pijplijn verstopt raakt met woningen die wachten op versterking, of mogelijk onnodige sloop, worden nieuwe versterkingsadviezen eerst getoetst aan het advies van de Mijnraad.
Zijn er voldoende middelen beschikbaar voor de versterking van woningen en wie stelt die middelen ter beschikking?
NAM is als exploitant aansprakelijk voor de kosten voor schade en versterken als gevolg van aardbevingen. Over hoe wordt gegarandeerd dat alle kosten voor schade en de noodzakelijke versterking worden betaald, ben ik in gesprek met aandeelhouders Shell en Exxon.
Kunt u ten aanzien van de knip tussen huizen met een advies thuis en mensen die nog een advies moesten ontvangen toelichten hoe het onderscheid is gemaakt en hoe hierover is gecommuniceerd? Hoever waren die adviezen die in de pijplijn zitten en kunt u ons schetsen hoe die procedure eruitzag op het moment dat u met uw voorgenomen besluit kwam?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 29 maart jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 457), wil het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in de huidige versterkingsoperatie in afwachting van meer duidelijkheid over de veiligheid. Daar waar bewoners per brief al een voorstel voor maatregelen hebben ontvangen in de vorm van versterkingsadvies zijn er, ook als er nog geen bindende afspraken zijn gemaakt over de uitvoering daarvan, mijns inziens dusdanig concrete verwachtingen geschapen dat deze mensen moeten kunnen rekenen op de uitvoering van de versterking volgens dat advies.
Ten aanzien van de overige woningen in de huidige werkvoorraad geldt dat het merendeel is geïnspecteerd en deels geëngineerd op basis van de NPR 2015, waarbij werd uitgegaan van een voortdurende gaswinning op een niveau hoger dan dat van vandaag. De uitkomsten van de berekeningen leiden tot zeer ingrijpende versterkingsadviezen. Bij definitieve besluiten over de versterking van deze woningen wil ik dan ook het advies van de Mijnraad kunnen betrekken. Voor een deel van deze woningen (1.588) zijn versterkingsadviezen opgesteld. Aan deze bewoners is op basis van de eerste sterkteberekeningen in januari gecommuniceerd dat hun woning niet voldoet aan de NPR en daarom bouwkundig versterkt moet worden, maar dat nog onderzocht wordt welke maatregelen nodig zijn. Daarbij is toegezegd dat zij in april 2018 opnieuw informatie zouden ontvangen. Naar aanleiding van bestuurlijk overleg dat plaatsvond op 23 april jl., zijn op 26 april alle bewoners geïnformeerd over de stand van zaken en de betekenis daarvan voor hun situatie.
Hoe zorgt u dat de inwoners van Groningen net zo veilig zijn als in de rest van Nederland, dus uitgaande van een risico van 10–5?
Ik vind het van groot belang dat de veiligheidsnorm voor gebouwen in het aardbevingsgebied zo snel als mogelijk wordt bereikt. Met het besluit de gaswinning versneld af te bouwen heeft het kabinet expliciet beoogd om de veiligheid daadwerkelijk te kunnen borgen door de oorzaak van de problematiek weg te nemen en daarmee de versterkingsnoodzaak tot haalbaarder proporties terug te brengen. Op basis van het advies van de Mijnraad worden de gevolgen van dit besluit voor de versterkingsoperatie bepaald.
Alle voor de veiligheid noodzakelijke versterking moet hoe dan ook worden uitgevoerd. Dit is nu een wettelijke verplichting van de NAM op basis van de Mijnbouwwet. Met het recent bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel (Kamerstukken 34 957) zal ik alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van mij gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad.
In hoeverre is de versterkingsopgave een aansprakelijkheidsvraagstuk zoals gesteld door de heer Alders?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre is de verdere uitvoering van het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen geborgd?
Het vertrek van de heer Alders mag onder geen beding leiden tot nieuwe onzekerheid over de lopende versterkingswerkzaamheden. Bewoners moeten erop kunnen rekenen dat uitvoering van de lopende versterking doorgaat en daarin speelt de overheidsdienst NCG een belangrijke rol.
Het feit dat de heer Alders zijn functie als NCG beschikbaar heeft gesteld heeft tot veel reacties en aandacht in de media geleid. Ik wil benadrukken dat dit op geen enkele manier negatief mag neerslaan op de inzet van de medewerkers van de overheidsdienst NCG. Zij voeren met veel zorg en aandacht belangrijk werk uit, in een ingewikkelde context en onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bestuurders van Rijk en regio. Ook voor de medewerkers van de overheidsdienst NCG is het daarom van belang dat er snel duidelijkheid komt.
De heer Alders heeft aangegeven voor een goede afronding te zorgen en beschikbaar te zijn voor een zorgvuldige overdracht. Vanzelfsprekend streef ik ernaar op een zo kort mogelijke termijn en in overleg met de regio duidelijkheid te kunnen geven over het vervolg.
Bent u bereid met de regio om met een gedragen opvolging te komen om de vaart er bij de versterking in te krijgen?
Zie antwoord vraag 11.
De uitspraak van de rechtbank Limburg waarin staat dat ook ‘geslacht is niet kunnen worden vastgesteld’ in de geboorteakte mag komen te staan? |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Kent u de uitspraak van de rechtbank Limburg waarin staat dat ook «geslacht is niet kunnen worden vastgesteld» in de geboorteakte mag komen te staan?1
Ja.
Deelt u de mening dat het, gelet op de maatschappelijke en juridische ontwikkelingen, ook mogelijk moet zijn om je als genderneutraal te laten registeren? Zo nee, waarom niet?
Ik kan me voorstellen dat men een dergelijke mogelijkheid als een steun in de rug zou beschouwen.
De uitspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht over de registratie van «inter/divers» in het geboorteregister naast «man» en «vrouw» is, evenals de uitspraak van de rechtbank Limburg, geagendeerd door de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
De bevindingen van de Commissie zullen worden betrokken bij het bezien, samen met mijn collega bewindspersonen, van mogelijke nader te zetten stappen. Daarbij moet ook bekeken worden wat de juridische en financiële gevolgen zijn, alsmede wat de eventuele ict-implicaties zouden zijn. Het Kabinet hecht er verder aan om ook de zienswijze van de belangenorganisaties te vernemen, alvorens tot een beslissing te komen.
Wat betreft de registratie van het geslacht in de basisregistratie personen (BRP) volgt uit de Wet BRP dat de akten die zijn opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand de belangrijkste brondocumenten zijn waaraan de gegevens in de BRP worden ontleend. Dat geldt ook voor het gegeven «geslacht». In de Nederlandse geboorteakte kan, naast de vermelding van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, ook vermeld zijn dat het geslacht van het kind bij geboorte niet is kunnen worden vastgesteld.
Deelt u de mening dat het niet kunnen laten registreren als genderneutraal kan worden opgevat als een inbreuk op het privéleven, het zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijke autonomie? Zo nee, waarom niet?
Alvorens u te informeren over mogelijke nader te zetten stappen hecht ik er – zoals gezegd – aan, de bevindingen van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit af te wachten alsmede de inventarisatie van de juridische en financiële gevolgen en eventuele ict-implicaties. Zie verder antwoord op vraag 2.
Bent u van plan om, mede naar aanleiding van deze gerechtelijke uitspraak, te komen met een wetswijziging zodat mensen zich in de toekomst als genderneutraal kunnen laten registreren? Zo ja, wanneer verwacht u met dit voorstel te komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Rechtsbescherming belastingbetalers verdient verbetering' |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Rechtsbescherming belastingbetalers verdient verbetering» uit het Financieel Dagblad van 23 mei 2018?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van de in het artikel beschreven rechten voor belastingbetalers?
In het artikel wordt specifiek aandacht gevraagd voor rechten van belastingplichtigen op het terrein van de invordering en bij inlichtingenuitwisseling. Beschreven is dat uit het rapport «Observatory on the Protection of Taxpayers’ Rights» van het International Bureau of Fiscal Documentation (IBFD) naar voren komt dat de fiscale autoriteiten in sommige landen koste wat kost de verschuldigde belasting innen en dat internationale uitwisseling van belastinggegevens vaak gebeurt zonder medeweten van burgers en bedrijven. Daarnaast wordt in het artikel vermeld dat een groeiend aantal landen een handvest heeft met de rechten van belastingplichtigen.
Nederland behoort niet tot de door het IBFD onderzochte landen. Conclusies die in het rapport worden getrokken en in het artikel zijn vermeld, zien dan ook niet op Nederland.
Gevraagd naar mijn appreciatie van de rechten voor belastingbetalers, merk ik op dat de rechten van belastingbetalers in Nederland goed zijn geborgd. In Nederland is veel aandacht besteed aan een zorgvuldige vormgeving van de juridische relatie tussen belastinginspecteur en ontvanger aan de ene kant en belastingplichtigen aan de andere kant. Veel rechten van belastingplichtigen zijn verankerd in nationale en internationale wetgeving. Zo is in artikel 104 van de Grondwet bepaald dat voor het heffen van belasting een wettelijke grondslag is vereist. Verder zijn waarborgen opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarnaast geldt dat de rechten van belastingplichtigen in het verlengde liggen van de mensenrechten. Zoals ook in het artikel wordt vermeld is Nederland aangesloten bij belangrijke mensenrechtenverdragen en kan een Nederlandse belastingplichtige zich ook op deze rechten beroepen. In het gesloten stelsel van rechtsbescherming dat Nederland binnen de fiscaliteit kent, geeft de inspecteur en ook de ontvanger, expliciet beslissingen die voor bezwaar en beroep vatbaar zijn. Tegen zo’n beschikking kan de belastingplichtige bezwaar aantekenen en indien nodig nog in beroep, hoger beroep en cassatie gaan. Verder kan de belastingplichtige met zijn klachten ook nog terecht bij onder meer de Nationale ombudsman en de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven van de Tweede Kamer en de commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste Kamer.
Overigens wordt in het artikel ten onrechte gesteld dat Nederland een misstap zou hebben begaan gerelateerd aan het rechtsbeginsel van nemo tenetur. Dit beginsel houdt in dat iemand in het strafrecht niet gehouden is mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Gelet op het arrest «Van Weerelt v The Netherlands» en hetgeen over dit arrest is opgenomen in het rapport, is deze aantijging niet correct. In het hiervoor aangehaalde arrest heeft het EHRM juist de klachten van de belastingplichtige ongegrond verklaard. Van belang daarbij was dat de Hoge Raad in Nederland al grenzen heeft gesteld aan het gebruik in strafprocedures van informatie die voor de belastingheffing is verkregen.
Hoe is het gesteld met de rechten van belastingbetalers in Nederland? Welke rechtsbescherming kennen zij tegen onrechtmatige of disproportionele inbreuken door de Belastingdienst of een andere overheidsinstantie gericht op fiscale zaken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen zet het kabinet, of is het kabinet voornemens te zetten, om de bescherming van de rechten van de belastingbetaler te borgen en welke stappen hebben voorgaande kabinetten gezet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe scoort Nederland als men de rechten van Nederlandse belastingbetalers toetst aan de rechten, zoals beschreven in het in het artikel genoemde «General Report on the Protection of Taxpayers» Rights»?
Het IBFD heeft geen rapport over Nederland opgesteld en ik kan daarom ook niet berichten hoe Nederland volgens het IBFD scoort. Ik heb er echter vertrouwen in, zoals hiervoor ook aangegeven, dat de rechten van de Nederlandse belastingplichtigen worden gewaarborgd door het nationale en internationale juridische kader en de toegang tot de rechter.
Zijn er bepaalde expliciete of impliciete rechten die belastingbetalers in het buitenland wel hebben en Nederlandse belastingbetalers niet? Zijn er bepaalde expliciete of impliciete rechten die Nederlandse belastingbetalers wel kennen en belastingbetalers in andere landen niet?
Veel relevante rechten en verplichtingen vloeien voort uit internationale regelgeving en verdragen en zijn van toepassing in alle bij die regelgeving aangesloten landen. Ik beschik niet over een overzicht van additionele rechten die andere landen in hun nationale recht hebben opgenomen.
Waarom kent Nederland geen handvest van de rechten van belastingbetalers? Ziet u de toegevoegde waarde hiervan, ook voor de rechtszekerheid van de belastingbetalers? Bent u bereid een dergelijk handvest alsnog te laten opstellen?
In Nederland zijn veel rechten van belastingplichtigen al verankerd in nationale en internationale wetgeving, zoals hiervoor ook toegelicht. Daar waar er een rechtstekort zou bestaan, is het in mijn optiek meer zinvol om een oplossing hiervoor te regelen bij of krachtens wet, dan om hiervoor een handvest op te stellen dat slechts richtsnoeren bevat.
Het bericht ‘Twintigers en dertigers trouwen minder’ |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Twintigers en dertigers trouwen minder»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat het doel is van de registers en akten van geboorte, geregistreerd partnerschap, huwelijk, echtscheiding en overlijden van de burgerlijke stand en waar deze concreet voor worden gebruikt? Welke organisaties (publiek, semipubliek of privaat) hebben toegang tot welke registers en akten? Waarvoor gebruiken deze organisaties deze registers en akten?
De akten van de burgerlijke stand hebben tot doel om de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van mensen -life events- vast te leggen en als bewijs daarvan te dienen. De vastlegging is van belang vanwege de juridische consequenties die aan de verschillende vormen van burgerlijke staat zijn verbonden. Dat geldt zowel in de relatie tussen burgers als in de relatie tussen burgers en overheid. Behalve uiteraard de ambtenaar van de burgerlijke stand, heeft alleen het openbaar ministerie toegang tot de registers. Wel is het zo dat gegevens van de burgerlijke stand worden overgenomen door de gemeente in de basisregistratie personen (BRP). Vanuit de BRP vindt verstrekking van gegevens plaats aan geautoriseerde bestuursorganen en derden, voor zover deze organisaties de gegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken (bijv. de Sociale Verzekeringsbank en de Belastingdienst).
Wanneer komt een persoon in aanraking met de registers en de akten van de burgerlijke stand?
Het eerste contact is over het algemeen bij de geboorte. Daarvan wordt aangifte gedaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de geboorteplaats, die een geboorteakte opmaakt. In aanvulling daarop is er contact met de burgerlijke stand op belangrijke momenten in het leven, zoals het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
Kunt u toelichten waarom er een register voor zowel het huwelijk als echtscheidingen bestaat binnen de burgerlijke stand? Wanneer kan iemand geconfronteerd worden met het feit dat hij ingeschreven staat in het register van echtscheidingen?
De veronderstelling dat er zowel een register van huwelijken als een register van echtscheidingen zou bestaan berust op een misverstand. Er bestaat één register, namelijk het huwelijksregister waarin de huwelijksakten worden opgenomen. Als een huwelijk vervolgens wordt ontbonden door echtscheiding, wordt daarvan een aantekening gemaakt op de huwelijksakte. Het feit dat iemand is gescheiden wordt doorgegeven aan de BRP. Geautoriseerde bestuursorganen en derden ontvangen daarvan een bericht.
Deelt u de mening dat een echtscheiding voor iemand een nare ervaring kan zijn en dat deze persoon hier zo min mogelijk mee geconfronteerd wil worden? Waar en wanneer is het zichtbaar als iemand gescheiden is? Kan iemand kiezen voor een andere categorie, zoals bijvoorbeeld alleenstaand, om niet geconfronteerd te worden met de scheiding? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uiteraard de mening dat een echtscheiding een nare ervaring voor mensen kan zijn. Zoals opgemerkt, wordt het gegeven «gescheiden» aangetekend op de huwelijksakte. Een persoon kan niet kiezen voor een andere burgerlijke staat, zoals ongehuwd, omdat aan elke burgerlijke staat rechten en plichten zijn verbonden. Deze raken niet alleen de betrokkene, maar ook andere personen, zoals de ex-partner of eventuele kinderen. Het vrijelijk kunnen kiezen zou met zich mee kunnen brengen dat iemand de mogelijkheid krijgt om zich te onttrekken aan verplichtingen jegens anderen, waardoor er onduidelijkheid ontstaat over het al dan niet bestaan van rechten en verplichtingen (bijv. het voortduren van de verplichting tot het betalen van partneralimentatie).
Klopt het dat de enige manier om van de burgerlijke staat «gescheiden» af te komen is, door te hertrouwen of door het aangaan van een geregistreerd partnerschap?
Het is inderdaad zo dat een burgerlijke staat verandert als er een andere burgerlijke staat voor in de plaats komt.
Bent u ook van mening dat de burgerlijke staten «ongehuwd» en «gescheiden» uiteenlopende leefvormsituaties kunnen beslaan en dat deze niet altijd recht doen zoals deze door mensen wordt ervaren?
De burgerlijke staten «ongehuwd» en «gescheiden» hebben verschillende juridische consequenties. Daarom is het van belang om onderscheid te (blijven) maken. Dat staat los van de (feitelijke) leefvorm van betrokkenen. Zij zijn vrij in hun keuze daarin en beleving daarvan.
Deelt u de mening dat de registers en akten van de burgerlijke stand het huwelijk als uitgangspunt nemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Een ieder kan bepalen of men een relatie wil aangaan met een andere persoon en samen kiezen welke vorm die relatie zal hebben. Het aangaan van een huwelijk is daarbij een van de mogelijkheden.
Wanneer is het functioneren van de registers en de akten van de burgerlijke stand voor het laatst geëvalueerd? Bent u ook van mening dat aangezien het familie- en personenrecht verandert door een veranderende maatschappij, de burgerlijke stand ook zou moeten veranderen? Zo nee, waarom niet?
De burgerlijke stand is nog in 2016 en in 2017 aangepast2. Een aantal procedures voor de burger is eenvoudiger gemaakt, zoals de procedure voor het aangaan van een huwelijk en van een geregistreerd partnerschap.
Wijzigingen in het personen- en familierecht die de burgerlijke stand raken (bijv. het geregistreerd partnerschap) werken daarin door. In die situatie is er sprake van verwevenheid tussen het personen- en familierecht en de burgerlijke stand.
Bent u, mede gezien de lopende onderzoeken met als doel het familierecht te moderniseren aan de hand van de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap, bereid te onderzoeken of aanpassingen aan de burgerlijke stand, waarbij gekeken wordt naar een betere aansluiting bij de brede diversiteit aan leefvormen, ook wenselijk zijn? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van de onderzoeken in het kader van de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap worden begin 2019 verwacht. Daarna volgt besluitvorming over het vervolg dat aan de aanbevelingen van de Staatscommissie zal worden gegeven. Bij aanpassingen in het personen- en familierecht worden uiteraard de gevolgen voor de burgerlijke stand nadrukkelijk in het oog gehouden.