Bent u bekend met het bericht op de website van de Belastingdienst waarin wordt gesteld dat alle feiten en omstandigheden van de arbeidsrelatie van belang zijn bij de beoordeling van de 3 kenmerken van loondienst, maar dat het niet mogelijk is om ze allemaal te noemen?1
Ja
Waarom is het niet mogelijk om alle feiten en omstandigheden van de arbeidsrelatie die van belang zijn bij de beoordeling van een arbeidsrelatie op de website noemen?
Op basis van het arbeidsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad vindt de beoordeling van een arbeidsrelatie op basis van «alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien» plaats. Daarmee schrijft de Hoge Raad een holistische toets voor. Vanwege deze open norm en daarmee het ontbreken van een limitatieve lijst met relevante feiten en omstandigheden en het gegeven dat in de praktijk zich heel veel verschillende situaties kunnen voordoen, is het niet mogelijk om alle feiten en omstandigheden weer te geven. Het door de Belastingdienst gepubliceerde afwegingskader is gebaseerd op deze wet- en regelgeving.
Kan niet in ieder geval een deel van de relevante feiten en omstandigheden worden genoemd in aanvulling op de al wel opgenomen feiten en omstandigheden?
Met het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad voor het eerst een overzicht gegeven van feiten en omstandigheden die in ieder geval een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. Dit is zowel voor de Belastingdienst als de markt behulpzaam bij het beoordelen van de arbeidsrelatie. Dit is de reden dat deze feiten en omstandigheden op de website zijn opgenomen. Als in de jurisprudentie of door de wetgever andere feiten en omstandigheden worden benoemd die ook in ieder geval een rol spelen bij de beoordeling van de arbeidsrelatie, neemt de Belastingdienst deze over. Daarnaast kunnen in specifieke gevallen ook andere feiten en omstandigheden een rol spelen vanwege de holistische toets (zie het antwoord bij vraag 2). Betrokken partijen kunnen deze aanvullende feiten en omstandigheden meewegen bij hun beoordeling of al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. In het handboek loonheffingen is een uitgebreidere toelichting opgenomen van elementen die een rol spelen bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Ook de webmodule vraagt relevante elementen uit om een indicatie te kunnen geven over een specifieke arbeidsrelatie.
Gesteld wordt dat de rechter de genoemden feiten en omstandigheden belangrijk vindt bij het beoordelen van een arbeidsrelatie; waarom is gekozen voor deze formulering? Vindt de Belastingdienst deze feiten en omstandigheden ook belangrijk? Acht de Belastingdienst ook andere feiten en omstandigheden belangrijk?
De Belastingdienst baseert zich als uitvoeringsorganisatie op de huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. De Belastingdienst betrekt in ieder geval deze feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de arbeidsrelatie, omdat dit volgt uit de jurisprudentie.
Kunt u een overzicht geven van alle casusposities waarin de rechter op basis van genoemde feiten en omstandigheden tot een beoordeling van de aard van een arbeidsrelatie is gekomen? Kunt u per casuspositie aangeven of u zich kan vinden in deze beoordeling?
Het Ministerie van SZW zal in het eerste kwartaal 2025 een overzicht van relevante jurisprudentie inzake de beoordeling van arbeidsrelaties aan uw Kamer doen toekomen. Daarbij zal geen uitlating worden gedaan over het oordeel van de rechter. Wij zijn niet in de positie om hierover een oordeel te vellen.
Bent u bereid om deze voorbeelden toe te voegen aan de brochure «zzp – ja of nee»?2
De brochure met voorbeelden per sector is bedoeld om een aantal duidelijke situaties weer te geven en zo belanghebbenden op een eenvoudige manier een idee te geven wanneer sprake is van werken als zelfstandige of van een arbeidsovereenkomst. De doelgroep van de brochure betreft mensen die weinig of geen kennis van het onderwerp hebben. De voorbeelden zijn onder andere gebaseerd op jurisprudentie over dit onderwerp. Het aantal voorbeelden op de website worden in de toekomst aangevuld, bijvoorbeeld op basis van de ervaringen uit de uitvoeringspraktijk, signalen uit de samenleving en jurisprudentie. Nieuwe voorbeelden moeten wel bijdragen aan het dichterbij brengen van het doel dat de brochure beoogt. Het draagt alleen bij als mensen op een laagdrempelige manier kennis kunnen nemen van de informatie in de voorbeelden, de voorbeelden relevant zijn voor een (grote) groep mensen en de voorbeelden helder genoeg zijn om een duidelijke conclusie te trekken.
Gegeven het bovenstaande vinden we het niet wenselijk om per definitie voorbeelden op te nemen op basis van alle uitspraken waarin de rechter een arbeidsverhouding heeft gekwalificeerd.
Dit zal leiden tot een forse toename van het aantal voorbeelden die niet altijd even relevant hoeven te zijn voor de praktijk, met als risico dat het voor mensen minder laagdrempelig wordt om kennis te nemen van (de informatie in) de voorbeelden.
We vinden het dus wenselijk om de brochure met voorbeelden bij te werken op basis van ervaringen in de uitvoeringspraktijk, signalen uit de samenleving en jurisprudentie. Het opnemen van voorbeelden op basis van alle jurisprudentie over dit onderwerp draagt echter niet bij aan het bereiken van het doel van de brochure met voorbeelden.
Bent u bekend met de website van de Rijksoverheid waarin een scan wordt aangeboden die werkverschaffers en werkenden beoogt in staat te stellen om de juiste contractvorm te kiezen teneinde schijnzelfstandigheid te voorkomen, middels een opsomming van een tiental ja/nee stellingen?3
Ja
Waarom wijkt deze opsomming van feiten en omstandigheden af van de opsomming van de feiten en omstandigheden op de website van de Belastingdienst?
De opsomming op de website van de Belastingdienst is een juiste, volledige weergave van de jurisprudentie, zoals de Deliveroo-criteria. Op www.hetjuistecontract.nl kunnen gebruikers op een eenvoudige manier kennisnemen van informatie over het kwalificeren van arbeidsverhoudingen. Deze website en de keuzehulp die daarop staat, zijn mede bedoeld voor mensen die weinig of geen kennis hebben van het kwalificeren van arbeidsverhoudingen. Het taalgebruik is daarom zo laagdrempelig mogelijk gehouden, hoewel ook de keuzehulp volledig gebaseerd is op de jurisprudentie over dit onderwerp. Beoogd is het relevante juridische kader op een zo eenvoudig mogelijke wijze te publiceren en samen te vatten in een tiental ja/nee-vragen op basis van de jurisprudentie. Er is niet beoogd de indruk te wekken dat door het invullen van de scan altijd een arbeidsverhouding kan worden gekwalificeerd. De antwoorden op deze vragen geven wel een indicatie over welke kenmerken van een bepaalde arbeidsverhouding behoren bij loondienst en welke bij zelfstandigheid. Werkenden en opdrachtgevers wordt vervolgens opgeroepen om samen in gesprek te gaan om tot de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie te komen.
Waarom worden de aard van de werkzaamheden, de manier waarop afspraken tot stand zijn gekomen en de mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen wel genoemd op de site van de Belastingdienst en niet op de site van de Rijksoverheid?
Zoals in het antwoord op vraag 8 geschreven, is de scan op www.hetjuistecontract.nleen vereenvoudigde weergave van het juridische kader om een zo breed mogelijke doelgroep te bereiken. De keuzehulp (en bijbehorende informatie) raakt wel degelijk aan de aard van de werkzaamheden, de manier waarop de afspraken zijn gemaakt en de mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt. Zo ziet vraag 3 in de scan op de vraag of de werkende werkzaamheden uitvoert die ook door werknemers worden verricht bij dezelfde organisatie, vraag 6 ziet op hoe de beloning tot stand is gekomen, en vraag 9 op de verscheidenheid aan opdrachten van de werkende (hetgeen van invloed kan zijn op het ondernemerschap van de werkende) Ook in het overzicht met kenmerken worden deze onderdelen genoemd. Dat betekent echter niet dat de keuzehulp allesomvattend is of pretendeert te zijn. De keuzehulp is een laagdrempelige manier om kennis op te doen over de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Waarom wordt het feit dat de werkende steeds verschillende opdrachten en opdrachtgevers heeft en dat werkende een inspanningsverplichting heeft niet genoemd op de site van de Belastingdienst en wel op de site van de Rijksoverheid?
De inspanningsverplichting valt onder de aard van de werkzaamheden en is daarmee wel opgenomen op de website van de Belastingdienst. In de Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties is de uitleg van de invulling van de aard van de werkzaamheden, waaronder de inspanningsverplichting, terug te vinden. De toelichting is op de website van de Belastingdienst gepubliceerd.
Op de website staat verder bij de opsomming van de feiten en omstandigheden die belangrijk zijn bij het beoordelen van een arbeidsrelatie, het aantal opdrachtgevers en de verschillende opdrachten vermeld. Hier staat: «de mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld: wat doet de opdrachtnemer om opdrachten en een goede naam te krijgen, hoe behandelt de Belastingdienst de opdrachtnemer, wat is het aantal opdrachtgevers en hoelang werkt de opdrachtnemer meestal voor een opdrachtgever?»
In de Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties is ook voor dit onderdeel een nadere uitleg te vinden.
Wordt onder «langere tijd» op de site van de Rijksoverheid verstaan een opdracht met een duur van langer dan drie maanden en 20 uur per maand en is het dan de bedoeling dat deze stelling in dat geval met «ja» te worden beantwoord?
De tijdsduur van drie maanden en 20 uren per maand die in de keuzehulp wordt genoemd, is gebaseerd op het civielrechtelijke rechtsvermoeden van werknemerschap (artikel 7:610a van het burgerlijk wetboek). In de meeste gevallen kan de stelling dus met «ja» beantwoord worden als de opdracht langer is dan deze duur. Dat betekent echter niet dat een opdracht van langer dan drie maanden per definitie niet door een zelfstandige kan worden uitgevoerd. En ook niet dat er bij een opdracht van korter dan drie maanden nooit sprake van loondienst kan zijn. Het is immers slechts een rechtsvermoeden en bovendien maar één van de kenmerken die van belang zijn bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Of een bepaalde opdracht als lang of kort wordt beschouwd hangt ook af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de werkzaamheden en de vraag of de werkende in de organisatie is ingebed. Het is aan de opdrachtgever en werkende om de arbeidsverhouding juist te kwalificeren. Zoals hierboven al toegelicht, is de scan een vereenvoudigde weergave van het juridisch kader bedoeld om gebruikers met weinig of geen kennis van de materie laagdrempelig kennis te laten nemen van relevante kenmerken voor het kwalificeren van de arbeidsverhouding.
Kunt u een overzicht geven van opdrachten met andere looptijden en andere aantallen uren per maand?
Nee. De mogelijkheden om te variëren met de duur en mate van tijdsinvestering per opdracht zijn oneindig en de opdrachtgever en werkende zijn daarin vrij. Belangrijk is dat de scan een laagdrempelig hulpmiddel is voor geïnteresseerden met weinig of geen kennis van het kwalificeren van arbeidsverhoudingen. Er is niet beoogd – en het is bovendien onmogelijk – om elke mogelijke situatie in één vraag te vatten.
Kan hierbij de tabel omvang/duur opgenomen in de «Weging standaard vragenlijst»4 behorende bij vraag 2.7, 2.8 en 2.9 van de Webmodule beoordeling arbeidsrelatie gebruikt worden en kan er daarbij vanuit worden gegaan dat bij opdrachten die volgens deze tabel 5 punten of minder opleveren sprake is van opdrachten die niet voor «langere tijd» worden aangegaan?
Zoals bij het antwoord op vraag 11 en 12 is toegelicht, is de keuzehulp ontwikkeld om gebruikers die mogelijk geen achtergrondkennis hebben, op een zo laagdrempelig mogelijke wijze kennis te laten nemen van de wijze waarop arbeidsrelaties gekwalificeerd moeten worden. De webmodule is ontwikkeld voor opdrachtgevers om een concrete indicatie te krijgen van de kwalificatie van een specifieke arbeidsrelatie. De invulduur daarvan is ook veel langer dan de keuzehulp (ca. 15 minuten). Na het invullen van de keuzehulp wordt ook verwezen naar de webmodule voor een concretere indicatie. Het opnemen van specifiekere en meer gedetailleerde aspecten uit de webmodule in de keuzehulp, zou dan ook niet bijdragen aan het doel van de keuzehulp.
Mag bij een opdracht met een duur van korter dan drie maanden en minder dan 20 uur per maand worden aangenomen dat dit niet duidt op een loondienstverband?
Nee. Wel is het zo, zoals ook bij de kenmerken in de keuzehulp staat toegelicht, dat een opdracht van kortere duur of een beperkt aantal uren per week één van de kenmerken is van een opdracht die kan wijzen op het werken voor eigen rekening en risico. Zoals bij vraag 11 is toegelicht, geldt nog steeds dat er een holistische weging moet plaatsvinden van alle relevante feiten en omstandigheden om tot een juiste kwalificatie te komen. Of een werkende kort of juist lang voor een opdrachtgever arbeid heeft verricht is daarbij slechts een van de omstandigheden die meegewogen moet worden.
Hoe verhoudt het voorgaande zich met het «Afwegingskader DBA» van de Belastingdienst5?
In het afwegingskader dat op de website van de Belastingdienst is gepubliceerd staat aangegeven dat de duur van de arbeidsrelatie een gezichtspunt kan zijn dat wijst op het bestaan van een arbeidsovereenkomst waarbij over het algemeen geldt dat hoe langer de arbeidsrelatie met een opdrachtgever duurt, de kans groter is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Maar alle feiten en omstandigheden moeten daarin worden meegewogen. Zoals in het antwoord op vragen 9 en 11 aangegeven, dient de scan op www.hetjuistecontract.nl een specifiek doel en wordt beoogd een brede doelgroep met weinig of geen kennis van het kwalificeren van arbeidsverhoudingen te informeren. Het resultaat van de scan is altijd indicatief en er wordt ook altijd aangegeven dat het belangrijk is om met elkaar in gesprek te gaan over de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Hoe verhoudt zich dit afwegingskader zich met de opmerking in de scan dat als het werk voor meer dan drie maanden en 20 uur per maand bij dezelfde opdrachtgever wordt gedaan, dat kan betekenen dat het in loondienst is?
We verwijzen hiervoor naar de antwoorden op vragen 11, 14 en 15.
Bent u bereid om in de scan op te nemen dat de duur van een opdracht van een jaar of langer, niet duidt op een loondienstverband indien een concrete resultaatsverplichting met een duidelijke kop en staart is overeengekomen en daaruit volgt dat langer nodig is dan een jaar om dit resultaat te realiseren?
Nee. Zoals in het antwoord op vragen 9 en 11 aangegeven, is de duur van een opdracht één van de kenmerken die kunnen wijzen op een dienstverband of werk als zelfstandige. In het algemeen geldt dat hoe langer de arbeidsrelatie met een opdrachtgever duurt, hoe groter de kans dat sprake is van een dienstverband. Maar het is slechts één van de kenmerken. Daarom wordt bijvoorbeeld het al dan niet bestaan van een resultaatsverplichting apart uitgevraagd. Zoals gezegd dient de scan op www.hetjuistecontract.nl een specifiek doel en wordt beoogd een brede doelgroep met weinig of geen kennis van het kwalificeren van arbeidsverhoudingen te informeren. Het resultaat van de scan is altijd indicatief en er wordt ook altijd aangegeven dat het belangrijk is om met elkaar in gesprek te gaan over de juiste kwalificatie van de arbeidsverhouding. Het opnemen van aanvullende gedetailleerde informatie of specifieke situaties en uitzonderingen per kenmerk gaat ten koste van de laagdrempeligheid van de scan en brengt het doel dat met de scan wordt nagestreefd niet dichterbij. Er wordt wel naar de webmodule verwezen voor een meer concrete indicatie.
Hoe dient stelling 6 van de scan van de Rijksoverheid te worden beantwoord wanneer de vergoeding/het salaris voor het werk wel van tevoren per uur (of per maand) wordt afgesproken, maar niet op een vast moment overgemaakt?
Het is aan degene die de scan invult om op basis van diens eigen situatie de vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Als een antwoord op één van de vragen beide kanten op kan wijzen, kan de vraag ook worden overgeslagen. Het is daarom belangrijk om alle elementen van de arbeidsrelatie in onderlinge samenhang te beoordelen. Op de webpagina waarop de scan is gepubliceerd staat aanvullende informatie met betrekking tot de richting waarin de antwoorden wijzen. Ook staan er een aantal voorbeelden per beroepsgroep op de pagina die richting kunnen geven.
Waarom duidt bij stelling 6 een vooraf afgesproken vergoeding per uur op een arbeidsovereenkomst, nu het bijvoorbeeld in de zakelijke dienstlening zeer gebruikelijk dat er een uurvergoeding wordt afgesproken6, terwijl het buiten discussie is dat een zakelijk dienstverlener buiten dienstbetrekking kan werken?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 18 aangegeven, geldt dat er een holistische weging moet plaatsvinden van alle relevante feiten en omstandigheden om te komen tot een conclusie over de kwalificatie van een arbeidsverhouding. In het algemeen geldt dat het uitbetalen van een vooraf afgesproken bedrag per uur dat op een vast moment wordt overgemaakt (los van het verloop van de opdracht) eerder op een arbeidsovereenkomst kan wijzen. Het kan echter best zo zijn dat bepaalde elementen in deze weging op zichzelf eerder wijzen naar – bijvoorbeeld – een arbeidsovereenkomst, terwijl het resultaat van de holistische weging toch is dat sprake is van zelfstandigheid.
De scan op www.hetjuistecontract.nl dient een specifiek doel en beoogt een brede doelgroep met weinig of geen kennis van het kwalificeren van arbeidsverhoudingen te informeren aan de hand van tien ja-of-nee-vragen. De scan beoogt niet zekerheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Met betrekking tot de hoogte van vergoeding wordt in stelling 7 gesproken over «vergoedingen die vergelijkbaar zijn met het salaris»; wat wordt verstaan onder «vergelijkbaar»? Wat is de afwijkmarge?
Het is niet mogelijk om op voorhand te duiden wat vergelijkbaar is in een specifieke context. Dat is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Een standaard-afwijkmarge kan daarom niet worden gegeven. Het is aan degene die de scan invult om in redelijkheid te beoordelen of sprake is van een vergelijkbare vergoeding.
Kunnen bij stelling 8 meer voorbeelden worden gegeven van andere commerciële risico’s, nu er meer commerciële risico’s aan een opdracht verbonden kunnen zijn dan alleen het risico dat de werkende door het werk misschien kosten moet maken die niet zijn voorzien?
Onder de kopjes «kenmerken ZZP» en «kenmerken loondienst» staan al nadere voorbeelden genoemd, namelijk respectievelijk «omdat hij/zij zelf de materialen of apparaten voor het werk moet kopen» en «Bijvoorbeeld omdat de opdrachtgever de kosten draagt als het werk niet goed wordt uitgevoerd». Belangrijk is dat de scan een laagdrempelig hulpmiddel is voor gebruikers met weinig of geen kennis van het kwalificeren van arbeidsverhoudingen. Er is niet beoogd een volledige beoordeling van de arbeidsrelatie te geven. Het opnemen van aanvullende gedetailleerde informatie in de keuzehulp gaat ten koste van de laagdrempeligheid van de scan en brengt het doel dat met de scan wordt nagestreefd niet dichterbij.
Hoe wordt bij stelling 8 het «commercieel risico» gewogen? Is dit een «ja/nee»-vraag? Is het mogelijk dat dit in percentages wordt gewogen? Is het krijgen van een slechte beoordeling bijvoorbeeld ook een commercieel risico? Is commercieel risico alleen uit te drukken in het risico niet te worden betaald?
Vraag 8 is inderdaad ook een ja-of-nee-vraag. Er vindt dus geen weging plaats van de mate waarin een werkende commercieel risico loopt. Zoals bij vraag 21 is toegelicht, worden er al meer voorbeelden gegeven ten aanzien van commercieel risico. Commercieel risico wordt in deze scan aangeduid als het risico dat de werkende door het werk misschien kosten moet maken die niet voorzien zijn. Of het ontvangen van negatieve beoordelingen als commercieel risico moet worden gezien hangt af van de situatie. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de werkende op eigen kosten herstelwerkzaamheden moet verrichten bij een slechte beoordeling.
Kan het woord «steeds» in stelling 9 nader geduid worden?
Met steeds wordt bedoeld dat de werkende gedurende een bepaalde periode meerdere opdrachten en opdrachtgevers heeft. Het woord «steeds» is toegevoegd om situaties waarbij de werkende toevallig op het moment van invullen twee opdrachtgevers heeft maar verder nooit, hierin niet mee te nemen.
Stelling 10 suggereert dat een inspanningsverplichting op een dienstbetrekking duidt; klopt dat en zo ja, hoe verhoudt zich dat met het feit dat de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest het bestaan van een inspanningsverbintenis niet heeft aangemerkt als een criterium bij het beoordelen van de aard van een arbeidsrelatie en in de literatuur het onderscheid tussen een inspannings- en resultaatsverbintenis als «een ontoelaatbare simplificatie» wordt beschouwd7?
Het klopt dat een inspanningsverplichting eerder op een dienstbetrekking duidt dan op een arbeidsovereenkomst. Dat komt omdat er in dat geval voor de werkende geen (directe) gevolgen zijn als een bepaald resultaat niet bereikt wordt. Dat hangt samen met het gezichtspunt «aard van de werkzaamheden» en in sommige gevallen ook «mate van commercieel risico» uit het Deliveroo-arrest.
Hoe komt de score van de scan tot stand? Tellen alle stellingen in de scan even zwaar?
Op basis van de beantwoording van de vragen en de kenmerken die staan genoemd op de website, geeft de scan aan hoeveel kenmerken van loondienst en van een zzp’er de desbetreffende persoon/arbeidsverhouding heeft. Daarbij staat altijd de oproep aan werkende en opdrachtgever om het gesprek aan te gaan en te kiezen voor het juiste contract. De publiekscommunicatie beoogt de markt bewust te maken van hun verantwoordelijkheid om arbeidsrelaties juist te kwalificeren. Tevens staat er op de website: Om te weten wat het juiste contract is, moeten de kenmerken tegen elkaar worden afgewogen. Hoe zwaar de kenmerken wegen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo zal de vraag of het werk persoonlijk moet worden uitgevoerd weinig of geen rol spelen bij de situatie waarbij de werkende een uniek artistiek product aflevert, omdat in dat geval vervangbaarheid evident niet aan de orde is.
De scan geeft zelf geen weging van het belang van de verschillende kenmerken. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Voor een concretere indicatie kan de opdrachtgever gebruik maken van de webmodule.
Wanneer de uitkomst van de scan is dat er vijf kenmerken duiden op zzp-schap en vijf kenmerken op loondienst duiden, wat is hiervan het gevolg? Wat is de juridische waarde van de uitkomst van de scan?
Het resultaat van de scan is altijd indicatief en er wordt ook altijd aangegeven dat het belangrijk is om met elkaar in gesprek te gaan over de juiste kwalificatie van de arbeidsverhouding. De scan is bedoeld als informatief hulpmiddel en aan de uitkomst van de scan kunnen geen rechten worden ontleend.
Welke partijen hebben invloed gehad op de gepubliceerde versie van de scan en de handhavingsstrategie? Zijn belangenorganisaties geraadpleegd en zo ja, welke? Wordt hiermee de hele breedte van de zzp-groep vertegenwoordigd?
De scan is bedoeld als informatief hulpmiddel en aan de uitkomst van de scan kunnen geen rechten worden ontleend. De scan wordt niet gebruikt in de handhavingsstrategie. De scan is ontwikkeld door het Ministerie van SZW in samenspraak met de Belastingdienst, het UWV en het Ministerie van Economische Zaken. De werking van de scan is tussentijds onderzocht in een zogenoemde «focusgroep». Een onafhankelijk onderzoeksbureau heeft steekproefsgewijs zowel zzp’ers als opdrachtgevers gevraagd een oordeel te geven over de communicatiestrategie. Op een aantal onderdelen is de communicatiestrategie daarop aangepast. Bijvoorbeeld als bepaald woordgebruik niet begrepen werd of als er onbedoelde conclusies werden getrokken.
Hoe wordt op dit moment voor de aangekondigde afstemming met marktpartijen gezorgd? Wordt daadwerkelijk ingegaan op verzoeken tot overleg en/of het sluiten van een convenant?
Het Ministerie van SZW en de Belastingdienst informeren betrokken partijen, zoals brancheorganisaties of andere partijen die een specifieke groep van stakeholders vertegenwoordigen, over de kwalificatie van een arbeidsrelatie en de handhaving hierop. Het Ministerie van SZW en de Belastingdienst verzorgen ook bijdragen aan voorlichtingsbijeenkomsten en webinars van brancheorganisaties of andere partijen die een specifieke groep van stakeholders vertegenwoordigen. Naast informeren, zijn de Belastingdienst en het Ministerie van SZW ook in gesprek met brancheorganisaties die opvolgend hun leden weer kunnen informeren en adviseren. Dit maakt onderdeel uit van de zachte landing die door het kabinet wordt beoogd. Zo hebben het Ministerie van SZW en de Belastingdienst onlangs duizenden ondernemers via twee webinars geïnformeerd over de wet- en regelgeving inzake het arbeidsrecht en de gevolgen van het opheffen van het handhavingsmoratorium. Het webinar is via de website www.hetjuistecontract.nl terug te kijken.
De Belastingdienst organiseert ook Intermediairdagen waarop het onderwerp specifieke aandacht krijgt. De Intermediairdagen zijn het jaarlijkse kennisevenement van de Belastingdienst voor fiscaal dienstverleners. Individuele opdrachtgevers en opdrachtnemers kunnen bij de Belastingdienst een verzoek tot vooroverleg doen. Zoals opgenomen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie maakt de Belastingdienst bij de grootste bedrijven gebruik van een individuele klantbehandeling. Hierbij zijn vooroverleg en horizontaal toezicht met individuele convenanten belangrijke handhavingsinstrumenten.
Hoe moeten grote organisaties die honderden freelancers inschakelen, de scan invullen? Gaat de Belastingdienst per individu controleren? Of wordt er een soort gemiddeld persona gehanteerd?
Grote organisaties hebben veelal een Control Framework. Dit is een samenstel van processen en interne beheersingsmaatregelen dat ervoor moet zorgen dat de risico's van een bedrijf bekend zijn en beheerst worden. Wanneer grote organisaties honderden freelancers inhuren, zal dit inhuurproces worden beschreven. In principe dient elke arbeidsrelatie individueel te worden gekwalificeerd. Dit dient te worden gedaan aan de hand van alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien. Het integraal kwalificeren van de arbeidsrelaties is met het oog op de omvang van de populatie niet altijd wenselijk. Er kan wel gekeken worden of arbeidsrelaties binnen een (homogene)groep vergelijkbaar zijn. In die groep wordt dan gewerkt op basis van dezelfde overeenkomst, bestaan dezelfde mogelijkheden voor het geven van aanwijzingen en instructies, gelden gelijke afspraken omtrent werktijden, is het gebruik van materialen en hulpmiddelen gelijk, et cetera. Indien de feiten en omstandigheden waaronder gewerkt wordt binnen een groep gelijk zijn, kan verwacht worden dat de verschillende arbeidsrelaties binnen deze groep gelijk kwalificeren.
Afhankelijk van de omstandigheden heeft de Belastingdienst de mogelijkheid om te controleren d.m.v. een deelonderzoek dat zich richt op de kwalificatie van één of enkele arbeidsrelaties. Ook kan de Belastingdienst een deelonderzoek doen dat zich richt op de kwalificatie van een groep vergelijkbare arbeidsrelaties. Dat kan uiteraard alleen als de arbeidsrelaties binnen een (homogene) groep vergelijkbaar zijn, zoals hiervoor toegelicht.
De invulling van de scan is zeer gevoelig voor interpretatie en uitleg; hoe gaat de Belastingdienst waarborgen dat er één lijn wordt gehanteerd door inspecteurs zodat werkenden en werkverschaffers niet te maken krijgen met willekeur en verschillende interpretaties?
Zoals in vraag 8 aangegeven, is de scan bedoeld om werkenden en werkverschaffers op een eenvoudige manier te informeren over het kwalificeren van arbeidsrelaties. De scan is niet bedoeld voor de Belastingdienst en de Belastingdienst baseert zich dus ook niet op de scan. De Belastingdienst handhaaft op basis van wet- en regelgeving en jurisprudentie. Binnen de Belastingdienst is een vaktechnische lijn ingericht om te waarborgen dat er eenheid van beleid en uitvoering is.
Kunt u bevestigen dat het standpunt uit het antwoord op vragen van het lid Omtzigt ongewijzigd is?8 Zo ja, kunt u nader aanduiden wat deze «andere afspraken en voorwaarden» en «andere omstandigheden» zoal kunnen inhouden?
Ja en zie het antwoord op vraag 2. Dit is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien. Als met de zzp’er andere afspraken gemaakt zijn en de feiten en omstandigheden zijn anders, vindt op basis van een ander feitencomplex een holistische toetsing plaats, wat tot een andere uitkomst kan leiden. Als enkel sprake is van een hogere beloning en een tijdelijke opdracht is een andere uitkomst niet goed denkbaar. Als sprake is van andere afspraken op het gebied van de verantwoordelijkheid (resultaatverplichting), werktijden en bijvoorbeeld aansprakelijkheid kan dit mogelijk wel tot een andere uitkomst leiden. Bij het veranderen van één of enkele feiten gaat het niet uitsluitend daarom, maar om het totaalplaatje dat vervolgens ontstaat. Geen van de indicaties zijn op zichzelf van doorslaggevend belang.
Kunt u bevestigen dat het standpunt, in antwoord op vragen van het voormalige lid Van Weyenberg (D66), ongewijzigd is?9 Zo ja, kunt u nader aanduiden wat deze «voorwaarden en omstandigheden» zoal kunnen inhouden?
Zie het antwoord op vraag 31.
Bent u bekend met de publicatie «Handreiking over flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» van de VNG?10
Ja.
Kunt u bevestigen dat gemeentes wettelijk gehouden is om het nageheven bedrag aan loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen) te verhalen op een zzp-werknemer? Kunt u uiteenzetten hoe de «bruteringsregels» luiden?
Nee, of gemeentes wettelijk gehouden zijn het nageheven bedrag aan loonheffing te verhalen op een zzp’er is afhankelijk van de afspraken die gemaakt zijn. Ingeval sprake is van een nettoloonafspraak kunnen de loonbelasting en premie volksverzekeringen niet verhaald worden op basis van deze onderlinge afspraken. Als sprake is van een nettoloonafspraak, moet de opdrachtgever berekenen welk brutoloon uitbetaald moet worden om, na inhouding van loonbelasting, premie volksverzekeringen, en als dit van toepassing is de bijdrage zorgverzekeringswet, uit te komen op het overeengekomen nettoloon. Dit wordt ook wel bruteren genoemd. In het handboek Loonheffingen van de Belastingdienst hoofdstuk 9.4 wordt uitgelegd hoe dit kan worden berekend. Op grond van de wetssystematiek en jurisprudentie kan de Belastingdienst de loonheffing11 niet naheffen bij de gemeente (en andere inhoudingsplichtigen) als de werkende de inkomsten al in de aangifte inkomstenbelasting heeft aangegeven en deze een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft ontvangen. Dan is van verhaal van loonheffing in het geheel geen sprake.
Kunt u een overzicht geven welke omstandigheden de Belastingdienst beschouwt als «bijzondere omstandigheden» zoals door de Hoge Raad bedoeld?11
Er kunnen zich bijzondere omstandigheden (dat zijn buiten de dienstbetrekking gelegen omstandigheden) voordoen op grond waarvan het achterwege blijven van verhaal van de loonheffing niet als voordeel in aanmerking wordt genomen. Dit doet zich voor als het niet kunnen verhalen van de nageheven loonheffing een gevolg is van een omstandigheid die niet is toe te rekenen aan de werkgever en ook buiten zijn risicosfeer ligt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het overlijden van de werknemer.
Kunt u in algemene termen aangeven in hoeverre u zich kan vinden is de publicatie «Handreiking over flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» van de VNG voor zover deze betrekking heeft op de inhuur van zzp’ers door gemeentelijke overheden vanaf 1 januari 2025?
In zijn algemeenheid geldt dat opdrachtgevers en opdrachtnemers zelf verantwoordelijk zijn voor de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie. Daarbij kan het helpen dat brancheorganisaties, (fiscaal) dienstverleners en partijen die een specifieke groep van stakeholders vertegenwoordigen zoals de VNG, daarvoor zelf handreikingen aanbieden.
Het Ministerie van SZW en de Belastingdienst zijn niet betrokken bij de totstandkoming van de «Handreiking over flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» en zullen er ook geen juridisch verbindende uitspraken over doen. Het wettelijk kader blijft namelijk het uitgangspunt voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie en daarin is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van het individuele geval in onderling verband bezien, worden beoordeeld.
Bent u bekend met het «Fiscaal Kompas ZZP Zorg» zoals opgesteld door ActiZ, de Nederlandse ggz, NFU, NVZ, VGN en Zorgthuisnl (De BoZ+ partijen)? Kunt u in algemene termen aangeven in hoeverre u zich kan vinden is deze publicatie voor zover deze betrekking heeft op de inhuur van zzp’ers door leden van de BoZ+ partijen vanaf 1 januari 2025?
Het Ministerie van SZW, Financiën, VWS en de Belastingdienst hebben kennis genomen van de berichtgeving over het «Fiscaal Kompas ZZP Zorg». De ministeries en de Belastingdienst zijn echter niet betrokken bij de totstandkoming daarvan. Eerder zijn het Ministerie van SZW, Financiën, VWS en de Belastingdienst wel betrokken geweest overleggen over een vorming van een Fiscaal kader zorg. Dit kader is niet geaccordeerd door de Belastingdienst. Daarbij is aangegeven dat het kader zoals dat voorlag naar de mening van het Ministerie van SZW en de Belastingdienst niet voldoet aan het arbeids- en fiscaal recht. Hoewel het kader kan bijdragen aan het tegengaan van bepaalde situaties van schijnzelfstandigheid, «legitimeert» het evenwel ook vormen van schijnzelfstandigheid. Het wettelijk kader blijft het uitgangspunt voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Bent u bekend met de door u gegeven toelichting op het intrekken van het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Hof te ’s-Hertogenbosch van 19 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2002, waarin wordt beslist over de aard van een arbeidsrelatie?12? Zo ja, kunt u aangeven wat u beoogd heeft te zeggen met de opmerking dat u het zich goed kan voorstellen dat op basis van uitgebreidere keuze van de feiten en omstandigheden het Hof tot een andere afweging had kunnen komen met betrekking tot het bestaan van een gezagsverhouding? Hoe zou de uitgebreidere keuze eruit kunnen zien? Kunt u voorts aangeven wat hij beoogd heeft te zeggen met uw opmerking dat u zich ten aanzien van het oordeel dat geen fictieve dienstbetrekking aanwezig is, een andere keuze en waardering van de feiten en omstandigheden kan voorstellen? Hoe zou die andere keuze en waardering eruit kunnen zien?
Ja. Vanwege de geheimhoudingsplicht kan niet op individuele zaken van belastingplichtigen ingegaan worden, waardoor het niet mogelijk is om de andere feiten en omstandigheden concreet te benoemen.
In zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat zowel voor de vraag inzake de arbeidsrelatie als inzake de fictieve dienstbetrekking van belang is dat alle relevante feiten omstandigheden worden meegewogen, zowel feiten en omstandigheden die kunnen wijzen op het werken buiten dienstbetrekking, als feiten en omstandigheden die meer wijzen op de aanwezigheid van een dienstbetrekking. De keuze en waardering van de bewijsmiddelen is echter voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In zoverre werd het doorzetten van het cassatieberoep niet opportuun geacht.
De commissie (Model)overeenkomsten Wet DBA heeft in haar rapport13 de aanbevelingen gedaan, zie (Hoofdstuk VI, aanbeveling 3), waaronder die van de «kruimel-aanspraken» en de Kamer heeft in de (met ruime meerderheid aangenomen) motie- Mei Li Vos14 de regering verzocht om onder meer deze aanbeveling te betrekken bij een nieuw beoordelingskader en criteria van de commissie Boot te gebruiken bij de handhaving om te bepalen of sprake is van ondernemerschap of werknemerschap; bent u bereid de motie Mei Li Vos uit te voeren en kunt u dit getalsmatig nader uitwerken, nu het de uitvoerbaarheid van de handhaving op schijnzelfstandigheid ten goede zou komen wanneer niet gehandhaafd zou worden op «kruimel-arbeidsrelaties»?15
Aan de motie Mei Li Vos is met de brief van 22 mei 2017 uitvoering gegeven. In de tweede voortgangsrapportage over de handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) heeft het kabinet toegezegd te onderzoeken hoe aan de criteria «vrije vervanging» en «gezagsverhouding» een concretere of andere invulling kan worden gegeven om deze beter te laten aansluiten bij het huidige maatschappelijk beeld van een arbeidsrelatie. Naar aanleiding daarvan is een ambtelijk rapport met varianten voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie gedeeld met de Tweede Kamer.17 In de varianten zijn de suggesties van de Commissie Boot opgenomen waarmee de kruimel-aanspraken destijds betrokken zijn. In de brief van 22 mei 2017 heeft de Minister SZW aangegeven dat de verdere invulling aan een nieuw kabinet is. Het huidige beoordelingskader kent geen kruimel-arbeidsrelaties. In de handhaving op schijnzelfstandigheid is een nadere uitwerking van kruimel-arbeidsrelaties daarom niet aan de orde.
Kunt u aangeven op welke wijze de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest in de webmodule zijn verwerkt en daarbij aangeven op welke onderdelen de huidige webmodule afwijkt van de webmodule in zijn oorspronkelijke vorm?16
De webmodule vraagt de elementen uit die belangrijk zijn om een arbeidsrelatie te kwalificeren. Daaronder vallen ook de elementen uit het Deliveroo arrest. Hieronder wordt voor de standaard vragenlijst aangegeven welke vragen betrekking hebben op de elementen uit het Deliveroo-arrest.
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de webmodule alle elementen uit het Deliveroo-arrest uitvraagt. Echter, doordat de vragen worden gesteld aan de opdrachtgever, worden slechts beperkt vragen gesteld over het ondernemerschap van de werkende buiten de specifieke arbeidsrelatie om. Er zijn prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld in een zaak tussen Uber en FNV. Daarin wordt specifiek gevraagd hoe zwaar het ondernemerschap van de werkende moet meewegen bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Naar aanleiding van die uitspraak wordt bezien in hoeverre hier meer aandacht voor moet zijn in de webmodule. Tegelijkertijd nemen we feedback op de webmodule altijd ter harte en bekijken we of we de webmodule kunnen verbeteren.
De webmodule stelt een grote diversiteit aan vragen. In de voortgangsbrieven «werken als zelfstandige» van 22 november 2019, 15 juni 2020 en 20 september 202119 is uw Kamer geïnformeerd over de totstandkoming van de webmodule, de testfase, de foutenmarge en de uitkomsten van de pilot. Met de webmodule wordt de holistische weging zo goed mogelijk benaderd. Er wordt echter ook onderkend dat de praktijk dusdanig complex en divers is dat een standaard instrument zoals de webmodule nooit met alle feiten en omstandigheden van het individuele geval rekening kan houden. Aan de webmodule kan daarom ook geen zekerheid worden ontleend. De webmodule geeft een indicatie of bepaalde werkzaamheden zich ervoor lenen door een zelfstandige te worden gedaan, of dat er gezien de feiten en omstandigheden sprake lijkt van een dienstbetrekking.
Acht u het voorstelbaar dat enerzijds uit de Toelichting Beoordeling Arbeidsrelaties volgt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat anderzijds partijen met elkaar een overeenkomst hebben afgesloten conform een goedgekeurde modelovereenkomst en in de praktijk met elkaar werken in overeenstemming met de tussen hen geldende overeenkomst? Zo ja, kan dan, ondanks het bestaan van een arbeidsovereenkomst, aan het werken conform een modelovereenkomst het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat inhouding en afdracht van loonheffingen en premies werknemersverzekeringen niet geboden is zolang de modelovereenkomst is goedgekeurd?
De Toelichting Beoordeling Arbeidsrelaties is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. In de modelovereenkomsten kunnen niet alle feiten en omstandigheden worden opgenomen, waardoor een weging van alle feiten en omstandigheden tot een andere uitkomst kan leiden. In bijvoorbeeld de zaak van Deliveroo werd gewerkt met een goedgekeurde modelovereenkomst, maar was vanwege de feiten en omstandigheden in de praktijk toch sprake van een arbeidsovereenkomst. Mede hierom is ook besloten om geen nieuwe goedkeuring meer af te geven op ingediende modelovereenkomsten. De feitelijke uitvoering van de werkzaamheden is doorslaggevend, ongeacht wat op papier is overeengekomen.
Bent u bereid om er zorg voor te dragen dat alle informatie die werkenden en werkverschaffers beoogt in staat te stellen om de aard van hun arbeidsrelatie vast te stellen, op één plek en op een overzichtelijke wijze samen te brengen en een einde te maken aan de huidige versnipperde manier van informatieverstrekking?
Onze inzet is de informatieverstrekking zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de gebruikers, zowel ten aanzien van het kennisniveau van de gebruiker als ten aanzien van de vragen die de gebruiker heeft.
Op de website hetjuistecontract.nl is informatie over de kwalificatie van de arbeidsrelatie zo veel mogelijk samengebracht. Zoals hiervoor beschreven kunnen mensen op deze website op een laagdrempelige manier kennisnemen van de relevante informatie. Voor meer informatie wordt doorverwezen naar onder andere de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel. Deze websites bevatten meer gedetailleerde informatie. De website hetjuistecontract.nl wordt waar nodig aangevuld en aangepast. Daarbij wordt ook bezien hoe informatie over de kwalificatie van de arbeidsrelatie op verschillende webpagina’s van Rijksoverheid.nl kan worden samengevoegd. Ook na de opheffing van het handhavingsmoratorium wordt de communicatie-inzet voortgezet en waar nodig geïntensiveerd. Bijvoorbeeld door meer sectorgerichte communicatie om verduidelijking en bewustwording over het belang van de juiste arbeidskwalificatie te bevorderen per doelgroep. Dat kan zowel door gebruik van bestaande kanalen als waar nodig door media-inkoop. Overigens publiceert de Belastingdienst deze week het handhavingsplan arbeidsrelaties.
Om alle informatie op een overzichtelijke wijze samen te brengen, zijn alle pagina’s verspreid over de verschillende overheidswebsites in kaart gebracht en zullen deze samen met de betrokken departementen beoordeeld worden op actualiteit en relevantie.
Samen zullen we de informatie waar mogelijk stroomlijnen. Ook worden verouderde pagina’s verwijderd van Rijksoverheid.nl.
Kunt u alle vragen afzonderlijk en binnen acht weken beantwoorden?
Ja
De evaluatie van de ATAD-richtlijn per 31 juli 2024 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB), Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Hoe kijkt u aan tegen de stelling dat de implementatie van de Anti-Tax Avoidance Directive (hierna: ATAD) in artikel 15b Wet Vpb niet zo zeer belastingplichtigen met een ongezonde solvabiliteit raakt, maar juist belastingplichtigen met een lage rentabiliteit?
De earningsstrippingmaatregel is afkomstig uit de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD1)1en is per 1 januari 2019 in de vennootschapsbelasting geïmplementeerd. De earningsstrippingmaatregel is er – kort gezegd – op gericht om winstverschuiving en grondslaguitholling door middel van rentebetalingen te voorkomen. De maatregel beperkt de aftrekbaarheid van het saldo aan renten voor zover dat meer bedraagt dan 24,5% van de gecorrigeerde winst2, tenzij het saldo aan renten niet meer bedraagt dan de drempel van € 1 miljoen. Hieruit volgt dat rente in aftrek wordt beperkt als de gecorrigeerde winst relatief laag is ten opzichte van dit saldo (en overigens de drempel niet van toepassing is). Het niet-aftrekbare saldo aan renten kan onbeperkt worden voortgewenteld tot de belastingplichtige voldoende aftrekruimte heeft.
Daarnaast heeft Nederland gekozen voor een robuuste implementatie die op onderdelen verder gaat dan de in ATAD1 opgenomen minimumstandaard. Als gevolg van de keuze voor een robuuste implementatie wordt niet alleen opgetreden tegen grondslaguitholling, maar wordt vooral een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen nagestreefd bij alle vennootschapsbelastingplichtigen. Door de earningsstrippingmaatregel kunnen financieringskosten hoger worden, waardoor de rentabiliteit lager kan worden. Tegelijkertijd komt het beperken van de fiscale stimulans om ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen te financieren de solvabiliteit van ondernemingen en daarmee de schokbestendigheid van de Nederlandse economie ten goede.
Deelt u de mening dat door deze systematiek vooral maatschappelijke organisaties geraakt worden die niet op het behalen van rendementen gericht zijn?
De earningsstrippingmaatregel betreft een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Zoals in het antwoord op vraag 1 wordt toegelicht, beperkt de earningsstrippingmaatregel de aftrekbaarheid van het saldo aan renten voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst of € 1 miljoen. Hieruit volgt dat rente in aftrek wordt beperkt als de gecorrigeerde winst relatief laag is ten opzichte van dit saldo (en overigens de drempel niet van toepassing is). Afhankelijk hiervan kan de earningsstrippingsmaatregel gevolgen hebben voor maatschappelijke organisaties.
Dit kabinet wenst het ondernemingsklimaat voor alle ondernemers te versterken. Daarom is in het Belastingplan 2025 onder meer een maatregel voorgesteld waarmee de renteaftrek per 1 januari 2025 versoepeld zou worden door het percentage te verhogen van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst. Dit percentage is bij amendement, dat door de Tweede Kamer is aangenomen tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan 2025, verlaagd van 25% naar 24,5%.3 Met de inmiddels ingetreden verhoging van het percentage is een fiscale lastenverlichting van € 383 miljoen voor belastingplichtigen gemoeid. Dit slaat ook voor een deel neer bij maatschappelijke organisaties zoals woningcorporaties, die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd. Specifiek voor woningcorporaties leidt deze maatregel tot een fiscale lastenverlichting van € 69 miljoen.
Kunt u aangeven waarom het gewenst is om geen onderscheid te maken tussen verschillende groepen belastingplichtigen terwijl het voor maatschappelijke organisaties evident voor een verzwaring zorgt?
De earningsstrippingmaatregel is een generieke renteaftrekbeperking die volgt uit ATAD1. De richtlijn maakt geen onderscheid tussen verschillende belastingplichtigen. ATAD1 biedt lidstaten wel een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de renteaftrekbeperking. Zo kent de richtlijn onder meer een uitzondering voor leningen aan langlopende openbare-infrastructuurprojecten4, een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten5 en een uitzondering voor lichamen die deel uitmaken van een groep6. De richtlijn voorziet echter niet in het expliciet uitzonderen van enkel een bepaalde groep belastingplichtigen voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Dit betekent dat het uitzonderen van een bepaalde groep belastingplichtigen voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel niet mogelijk is, omdat Nederland in dat geval niet zou voldoen aan de implementatieverplichting ten aanzien van (de minimumnorm die volgt uit) de richtlijn.
Daarnaast is bij het introduceren van een van de in ATAD1 genoemde uitzonderingen voor toepassing van de earningsstrippingmaatregel van belang dat de staatssteunregels in acht worden genomen. Het verlenen van staatssteun is in beginsel verboden en alleen onder bepaalde voorwaarden toegestaan, bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) kan worden uitgevoerd of als er een vrijstellingsmogelijkheid van toepassing is dan wel als er een goedkeuringsgrond is. Door alleen een uitzondering voor een specifieke groep te creëren, ontstaat er mogelijk een ongelijk speelveld met andere marktpartijen.
Kunt u aangeven waarom in uw ogen een verlichting niet mogelijk is terwijl een verzwaring wel mogelijk is?
De earningsstrippingmaatregel vloeit voort uit ATAD1. Deze richtlijn betreft een minimumnorm voor antimisbruikmaatregelen die ten doel hebben om belastingontwijking tegen te gaan. Een verlichting is – in tegenstelling tot wat de vraag suggereert – wel mogelijk, voor zover de earningsstrippingmaatregel in ieder geval in overeenstemming is met de minimumnorm uit ATAD1, zodat aan de implementatieverplichting van de richtlijn wordt voldaan. Voorts biedt ATAD1 lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid om verdergaande (dus verzwarende) maatregelen te nemen die aansluiten bij het betreffende nationale vennootschapsbelastingstelsel en de daarbij geconstateerde wijze van belastingontwijking. Dit kabinet heeft een verlichting van de earningsstrippingmaatregel voorgesteld om het ondernemingsklimaat van Nederland te versterken. Zo heeft het kabinet in het Belastingplan 2025 voorgesteld om het percentage te verhogen van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst. Dit percentage is bij amendement verlaagd van 25% naar 24,5%. Met de verhoging van het percentage is een fiscale lastenverlichting van € 383 miljoen voor belastingplichtigen gemoeid. Dit slaat ook voor een deel neer bij maatschappelijke organisaties, die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd.
Wat is uw mening over de uitzondering die gemaakt is voor zogenoemde projecten van Publiek Private Samenwerking (hierna: PPS)?
Via Publiek Private Samenwerkingsverbanden (PPS) is het Rijk (of een lagere overheid) bij het ontwerp, de bouw, de financiering, het onderhoud en (eventueel) de exploitatie van afzonderlijke openbare-infrastructuurprojecten partner van private partijen. Het gaat hierbij om projecten die verband houden met algemene openbare infrastructuur zoals wegen, tunnels, bruggen en sluizen. Binnen de ruimte van de uitzonderingsmogelijkheid die ATAD1 biedt voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten, is na een zorgvuldig afwegingsproces door het eerdere kabinet besloten om op 25 oktober 2018 bestaande langlopende PPS-projecten uit te zonderen van de earningsstrippingmaatregel. Bij de bestaande langlopende PPS-projecten ten tijde van de invoering van de earningsstrippingmaatregel, kon er bij de reeds overeengekomen vergoeding met het Rijk (of een lagere overheid) niet of niet voldoende rekening worden gehouden met de gevolgen van de earningsstrippingmaatregel. Daarnaast zijn, zoals in de brieven van 9 mei 20187 en 25 mei 20188en de memorie van toelichting9 is aangegeven, tijdens het besluitvormingsproces ook de mogelijke staatssteunrisico’s, budgettaire aspecten en de uitvoerbaarheid van deze uitzondering in de beoordeling betrokken.
De genoemde maatregel regelt dat op 25 oktober 2018 bestaande langlopende PPS-projecten met betrekking tot openbare infrastructuur, waarbij gebruik wordt gemaakt van geïntegreerde contracten voor de ontwerp en bouwwerkzaamheden, de exploitatie (onder andere beheer, onderhoud, facilitaire dienstverlening) en de financiering, worden uitgezonderd van de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Het gaat hierbij – kort gezegd – om PPS-projecten waarbij de overheid als opdrachtgever een doorlopende prestatie overeenkomt die voorziet in de beschikbaarheid van een specifieke openbare infrastructurele voorziening voor de aanbestedende overheid. Het huidige kabinet kan zich nog steeds vinden in de afwegingen die destijds zijn gemaakt om de op 25 oktober 2018 bestaande langlopende PPS-projecten met betrekking tot openbare infrastructuur uit te zonderen. Bij langlopende PPS-projecten met betrekking tot openbare infrastructuur die na 25 oktober 2018 tot stand zijn gekomen, kon en kan rekening worden gehouden met de earningsstrippingmaatregel. Daarom zijn deze langlopende PPS-projecten dus niet uitgezonderd van de toepassing van deze maatregel.
Kunt u aan de hand van een tijdpad aangeven waarom de uitzondering voor PPS-constructies pas zo laat in de wet terecht is gekomen en waarom er toen gekozen is voor het uitzonderen van leningen die zien op PPS-constructies welke zijn afgesloten vóór 25 oktober 2018?
Zoals in het antwoord op vraag 5 wordt toegelicht, ligt er een zorgvuldig afwegingsproces ten grondslag aan het besluit om alleen op 25 oktober 2018 bestaande langlopende PPS-projecten met betrekking tot openbare infrastructuur uit te zonderen van de earningsstrippingmaatregel. Het kabinetsbesluit dat in het kader van de augustusbesluitvorming in 2018 is genomen om te voorzien in een tegemoetkoming voor bestaande langlopende PPS-projecten met betrekking tot openbare infrastructuur was in het oorspronkelijke wetsvoorstel dat voorziet in de implementatie van ATAD1 nog niet verwerkt.10 Dat is alsnog gedaan met de eerste nota van wijziging bij dat wetsvoorstel.11 Deze nota van wijziging op het implementatiewetsvoorstel ATAD1 was al aangekondigd in de memorie van toelichting bij het op Prinsjesdag ingediende wetsvoorstel in 2018.12
Kunt u aangeven waarom de argumenten voor de uitzondering van ATAD-regels op PPS-projecten niet gebruikt konden worden voor de bestaande leningen gezien deze belastingplichtige ook geen rekening heeft kunnen houden met de renteaftrekbeperking?
De earningsstrippingmaatregel is van toepassing op zowel bestaande als nieuwe leningen. Zoals in de memorie van toelichting bij het op Prinsjesdag ingediende wetsvoorstel in 201813 is toegelicht, is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid in ATAD1 om te voorzien in eerbiedigende werking voor leningen die zijn aangegaan vóór 17 juni 2016 en naderhand niet meer (materieel) zijn gewijzigd. Een dergelijke eerbiedigende werking werd vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid als onwenselijk beoordeeld. Eerbiedigende werking zou namelijk betekenen dat voor de bepaling van het van toepassing zijnde regime jaarlijks bij iedere lening afzonderlijk moet worden vastgesteld wanneer de lening is aangegaan en of zich naderhand (materiële) wijzigingen met betrekking tot die lening hebben voorgedaan. Op sommige leningen van de belastingplichtige zou dan het oude regime van toepassing kunnen zijn en op andere het nieuwe regime, waarbij tevens de vraag opkomt hoe met de samenloop van het oude en nieuwe regime moet worden omgegaan. Eerbiedigende werking leidt bovendien in relatie tot de voorgenomen afschaffing van bepaalde bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen tot een (ingewikkelde) samenloop, omdat het in geval van eerbiedigende werking voor de hand ligt om voor bestaande leningen waarop de earningsstrippingmaatregel geen toepassing vindt de geldende specifieke renteaftrekbeperkingen te handhaven. Dit terwijl bepaalde complexe specifieke renteaftrekbeperkingen juist zijn afgeschaft. Daarnaast leidt het voorzien in eerbiedigende werking tot een fors lagere budgettaire opbrengst in de eerste jaren, terwijl het eerdere kabinet met die opbrengst destijds de verlaging van het vennootschapsbelastingtarief deels heeft gefinancierd, om het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven met reële activiteiten aantrekkelijk te houden.
Kunt u aangeven wat in de periode 2019–2022 de (verwachte) niet aftrekbare rente van alle belastingplichtigen gezamenlijk betrof?
In de jaren 2019, 2020 en 2021 is respectievelijk € 12,7 miljard, € 12,1 miljard en € 11,8 miljard aan rente in aftrek beperkt op basis van de earningsstripping-maatregel. Over 2022 zijn nog geen gegevens beschikbaar, maar de verwachting is dat het bedrag in dezelfde ordegrootte zal liggen.
Kunt u aangeven wat in diezelfde periode de totale last van de vennootschapsbelasting (hierna: vpb) van alle belastingplichtigen was?
In totaal werd op kasbasis in 2019 € 25,9 miljard aan vennootschapsbelasting ontvangen van alle belastingplichtigen. In 2020 was dat € 21,7 miljard, terwijl in 2021 en 2022 respectievelijk € 30,7 miljard en € 38,3 miljard werd ontvangen.
Kunt u aangeven hoe de renteaftrekbeperking voor de verschillende sectoren uitpakte en tot welke vpb-last dit leidde?
Uit aangiftecijfers van woningcorporaties komt naar voren dat de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in de periode 2019 tot en met 2022 bij woningcorporaties heeft gezorgd voor een beperking in de aftrek van de rente van € 1,3 miljard in 2019, € 1,2 miljard in 2020 en € 1,8 miljard in 2021. Dit komt ongeveer neer op 10% tot 15% van de totale rente die niet-aftrekbaar is. Voor 2022 is het bedrag nog onzeker, maar op basis van voorlopige aangiftegegevens is de verwachting dat dit bedrag in 2022 € 1,3 miljard zal zijn. Per saldo leidt de renteaftrekbeperking tot ongeveer een extra heffing van respectievelijk € 313 miljoen, € 297 miljoen, € 446 miljoen en € 322 miljoen voor de verschillende jaren. Hierbij is aangenomen dat bij woningcorporaties het effect van de earningsstrippingmaatregel volledig in de winst valt.
Voor andere sectoren is het complexer een dergelijke inschatting te maken, omdat in deze sectoren een aanmerkelijk groter deel van de aftrekbeperking bij bedrijven valt die zich in een verliessituatie bevinden. Bij deze groep zorgt de aftrekbeperking voor een verlaging van de verliesvoorraad, en daarmee is het niet duidelijk of dit bedrag daadwerkelijk tot een extra heffing zal leiden. Daarnaast is het ook mogelijk dat een deel van de renteaftrekbeperking wordt teruggenomen omdat bedrijven op termijn een hogere gecorrigeerde winst kunnen hebben. Het is daarom voor deze groep nog niet mogelijk om een goede inschatting te maken van de feitelijke vennootschapsbelastinglast als gevolg van de earningsstrippingmaatregel.
Corporaties dragen voor ca 3% bij aan de opbrengsten van de vpb. Naar verwachting is de bijdrage in de ATAD-last in verhouding veel groter (onderzoek van het Ministerie van Financiën wijst op ongeveer 12%). Kunt u bevestigen dat woningcorporaties, die voor de uitvoering van hun wettelijke taak per definitie gefinancierd worden door vreemd vermogen, hiermee disproportioneel geraakt worden en uw antwoord verklaren?
Sinds 2019 hebben woningcorporaties, net als andere vennootschapsbelastingplichtigen, te maken met de earningsstrippingmaatregel die voortvloeit uit de implementatie van ATAD1. Zoals in de voorgaande antwoorden wordt toegelicht zijn deze richtlijn en de daaruit volgende earningsstrippingmaatregel bedoeld om belastinggrondslaguitholling binnen internationaal opererende concerns tegen te gaan. Dit wordt voor wat betreft de earningsstrippingmaatregel bereikt door een beperking op te leggen aan de fiscale aftrekbaarheid van de rente op leningen. Het kabinet beoogt met deze maatregel echter ook een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen te bereiken. Een ongelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen doet zich voor doordat de aftrekbaarheid van rente de kosten van financiering met vreemd vermogen verlaagt en de vergoeding voor eigen vermogen fiscaal niet aftrekbaar is. Hierdoor bestaat er voor bedrijven een fiscale stimulans om ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen te financieren.
Woningcorporaties worden net als andere kapitaalintensieve belastingplichtigen – relatief zwaar geraakt door de earningsstrippingmaatregel. Op basis van artikel 19 van de Woningwet dienen woningcorporaties hun onderneming drijven in de vorm van een stichting of een vereniging. Woningcorporaties hebben geen aandeelhouders en kunnen in tegenstelling tot andere ondernemingsvormen zoals een BV of een NV geen aandelen uitgeven of kapitaalstortingen van aandeelhouders ontvangen om hun eigen vermogen te versterken. Woningcorporaties moeten hun investeringen daardoor voornamelijk financieren door het aantrekken van vreemd vermogen Daar staat wel tegenover dat woningcorporaties voor hun wettelijke DAEB taak financiering kunnen aantrekken met borging van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Door deze borging kunnen woningcorporaties tegen lagere rentelasten financiering aantrekken.
Een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel is niet mogelijk, omdat ATAD1 niet in een specifieke uitzonderingsmogelijkheid hiervoor voorziet, zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht. Dit betekent dat het uitzonderen van woningcorporaties voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel niet mogelijk is, omdat Nederland in dat geval niet voldoet aan de implementatieverplichting ten aanzien van (de minimumnorm die volgt uit) de richtlijn. ATAD1 kent een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Zo kent de richtlijn onder meer een uitzondering voor leningen aan langlopende openbare-infrastructuurprojecten, een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten en een uitzondering voor lichamen die deel uitmaken van een groep. Het introduceren van een dergelijke uitzondering dient in overeenstemming te zijn met de staatssteunregels. Zoals ook toegelicht in de eerdere antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Welzijn14, biedt de richtlijn volgens het kabinet geen ruimte om woningcorporaties onder de uitzondering van openbare infrastructuurprojecten te brengen.15 Een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten of een generieke (groeps)uitzondering doet verder in brede zin afbreuk aan het doel om te komen tot een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, aangezien alle belastingplichtigen en niet alleen de woningcorporaties zullen profiteren van deze maatregel. Daarnaast zal een dergelijke uitzondering een aanzienlijk budgettair effect hebben op de rijksbegroting.
Bij de invoering van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in 2019 was reeds bekend dat de renteaftrekbeperking onder meer bij woningcorporaties zou leiden tot een hogere vennootschapsbelastingdruk.16Er zijn door het kabinet destijds verschillende maatregelen getroffen om verhuurders, waaronder woningcorporaties, tegemoet te komen ten aanzien van het nadelige effect van de earningsstrippingmaatregel. Daarbij is destijds voor circa € 100 miljoen per jaar aan lastenverlichting gegeven via de verhuurderheffing. Inmiddels is de verhuurdersheffing in het geheel afgeschaft (derving van € 1,4 miljard) in het kader van het realiseren van de Nationale Prestatieafspraken (NPA).
Voorts is door het huidige kabinet een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage wordt verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst. Dit is uitgewerkt in het Belastingplan 2025 en leidt tot een lagere renteaftrekbeperking. Daarmee is een fiscale lastenverlichting voor belastingplichtigen, waaronder woningcorporaties, gemoeid die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd. Specifiek voor woningcorporaties leidt dit tot een fiscale lastenverlichting van € 69 miljoen.
Hoe doelmatig vindt u deze nationale kop op Europese regelgeving?
Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel gekozen voor een robuuste vormgeving om, naast het tegengaan van belastingontwijking, ook de fiscale prikkel voor de financiering met vreemd vermogen te beperken. Recentelijk is een effectmeting gedaan waarmee het effect van de earningsstrippingmaatregel op rente en vreemd vermogen is onderzocht.17 Hierbij is gebleken dat belastingplichtigen sinds de invoering van de maatregel jaarlijks een aanzienlijk groter bedrag aan rente in aftrek beperkt zien worden. Bovendien zijn belastingplichtigen – met name in concernverhoudingen – minder rente gaan betalen. Dit leidt tot de conclusie dat de earningsstrippingmaatregel belastingontwijking door bovenmatige renteaftrek effectief tegengaat. Daarnaast heeft de earningsstrippingmaatregel geleid tot een beperkte daling van het vreemd vermogen. Het totaal vreemd vermogen bij bedrijven die geraakt worden door de maatregel is naar schatting met 8% gedaald als gevolg van de maatregel. Het is daarbij ook relevant dat een aanzienlijk deel van de afname lijkt te zien op vreemd vermogen dat wordt verstrekt vanuit andere concernonderdelen. De kapitaalstructuren van de Nederlandse bedrijfsonderdelen zijn daarmee wel verbeterd. Omdat de genoemde effectmeting echter laat zien dat de effecten van de maatregel vooral betrekking hebben op aanpassingen van interne leningen, kan uit de effectmeting niet geconcludeerd worden dat ook de kapitaalstructuren van de Nederlandse concerns als geheel verbeterd zijn.
Kunt u in uw reactie ingaan op het feit dat 12% van de ATAD gedragen wordt door een sector die geen eigen vermogen kan aantrekken en aan wie het beleidsdoel om vreemd en eigen vermogen met elkaar in balans te brengen dus volledig verloren gaat?
Zie antwoord bij vraag 11.
Welke EU-landen hebben op dit moment via de vrijstelling voor infrastructuurprojecten de sociale huursector vrijgesteld van de effecten van de earnings stripping maatregel?
In 2020 heeft de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een voorlopig verslag uitgebracht over de uitvoering van ATAD1 en de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)18 in de lidstaten.19 Uit dit verslag volgt onder meer dat 16 EU-lidstaten ervoor hebben gekozen om leningen voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten uit te sluiten van het toepassingsbereik van de earningsstrippingmaatregel. Elf EU-lidstaten hebben er niet voor gekozen om deze leningen uit te sluiten. Een officieel overzicht van welke landen het betreft en hoe zij invulling hebben gegeven aan de uitzondering voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten is niet voorhanden. Derhalve blijft onduidelijk op welke wijze andere EU-lidstaten omgaan met de uitzondering voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten.
Binnen de volkshuisvesting is regelmatig informeel ambtelijk contact met andere EU-lidstaten. Uit deze contacten wordt begrepen dat de uitzondering voor leningen voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten ook in een beperkt aantal lidstaten voor de volkshuisvesting wordt toegepast. Hierbij blijft onduidelijk welke concrete voorwaarden deze EU-lidstaten hebben gesteld aan het gebruik van deze uitzondering. Daarnaast is het niet mogelijk om deze situaties één-op-één met de Nederlandse situatie te vergelijken. Naast wat andere landen in de winstbelasting doen, is zeker zo bepalend het gehele samenstel van wet- en regelgeving (fiscaal en niet fiscaal).
In vervolg op het voornoemde voorlopig verslag wordt door de Europese Commissie – in het kader van de evaluatie van ATAD – een uitgebreider verslag opgesteld over de maatregelen uit ATAD. Volgens de meest recente planning van de Europese Commissie wordt dit verslag in het derde kwartaal van 2025 gepubliceerd. Zodra dit beschikbaar is, wordt dit met uw Kamer gedeeld.
Schat u in dat de Europese Commissie er bezwaar tegen zou hebben als Nederland via de vrijstelling voor infrastructuurprojecten de sociale huursector zou vrijstellen van de effecten van de earnings stripping maatregel?
De mogelijkheid om woningcorporaties uit te zonderen van de renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting als gevolg van de ATAD1-richtlijn, zou een zeer onzeker traject zijn, waarbij naast de vraag of dit binnen de ATAD-regels zou kunnen ook staatssteun een rol speelt. Om gebruik te kunnen maken van de uitzondering in de ATAD1-richtlijn voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten moet aan vier voorwaarden voldaan worden; het moet gaan om 1) een project, dat 2) infrastructuur betreft, een 3) openbaar karakter heeft en 4) voor de lange termijn wordt gerealiseerd. Het lijkt moeilijk te beargumenteren dat sociale woningbouw aan deze voorwaarden voldoet. Bij langlopende openbare-infrastructuurprojecten moet in het bijzonder gedacht worden aan wegen, bruggen en tunnels. Bovendien is in de nationale implementatie van de ATAD1-richtlijn altijd het uitgangspunt gehanteerd dat gebouwen niet als (klassieke) infrastructuur gelden. Daarbij geldt bovendien dat zelfs wanneer geaccepteerd zou worden dat sociale woningbouw onder deze uitzondering zou mogen worden vrijgesteld, op dat moment alsnog een staatssteunbeoordeling in het kader van het DAEB-besluit moet plaatsvinden zoals ook bij andere maatregelen in de vennootschapsbelasting zou gelden en hierboven is beschreven. Om die reden liggen andere mogelijkheden om woningcorporaties financieel tegemoet te komen veel meer voor de hand.
Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat meer beleidsvrijheid voor lidstaten om gericht sectoren uit te zonderen wordt meegenomen in het uitgebreide verslag van de Europese Commissie?
Voor het bepalen van onze specifieke inzet wachten wij eerst de uitkomsten van de evaluatie van ATAD af die momenteel wordt uitgevoerd door de Europese Commissie. Op dit moment is nog onbekend hoe het vervolgproces er precies uit zal zien na de openbare consultatie over ATAD, die deel uitmaakt van de evaluatie. De verwachting is dat een uitgebreid verslag zal worden opgesteld over de maatregelen uit ATAD.20 Volgens de meest recente planning van de Europese Commissie wordt dit verslag in het derde kwartaal van 2025 gepubliceerd.21 Zodra dit verslag beschikbaar is, wordt dit met uw Kamer gedeeld.
Bent u bereid om in de huidige richtlijn te kijken naar mogelijke oplossingen of zo nodig zich in Europees verband in te spannen voor een aanpassing van de richtlijn; zodat de primaire werkzaamheden -het verhuren van sociale huurwoningen- van corporaties uitgezonderd kunnen worden?
Op 11 december 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de herijking van de Nationale prestatieafspraken22 die ik met Aedes en VNG heb afgesproken. Daarin heb ik onder andere afgesproken om verder te werken aan een gezamenlijk beeld van het investeringsklimaat voor investeringen in huurwoningen en daarbij ook specifiek te kijken naar de beleidsmatige opties voor het verbeteren van de investeringspositie van woningcorporaties.
Het doel daarvan is inzicht te krijgen in de mogelijkheden om tijdig te kunnen anticiperen op het treffen van passende maatregelen, in het geval de woningcorporatiesector in de toekomst tegen zijn financiële grenzen loopt. Een goed inzicht in de mogelijkheden voor lastenverlichting of subsidiëring is van belang om te voorkomen dat woningcorporaties genoodzaakt worden hun investeringen voortijdig te beperken. Dit onderzoek staat los van de dekking die gevonden dient te worden voor de budgettaire effecten die een eventuele maatregel met zich meebrengt. Daarnaast dient een dergelijke maatregel ook in overeenstemming te zijn met de staatssteunregels en uitvoerbaar te zijn.
Wat vindt u ervan dat met de methode «indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties» (IBW) gesteld kan worden dat bij een gemiddelde ATAD-last die oploopt naar 530 miljoen (bron: Aedes VPB onderzoek 2023) op termijn de bouw van zeker 70.000 woningen niet tot stand kan komen?
In de herijkte Nationale prestatieafspraken die ik met Aedes en VNG heb gemaakt23 is afgesproken dat woningcorporaties hun nieuwbouwproductie zo snel mogelijk, uiterlijk in 2029, moeten opvoeren naar 30.000 per jaar en in de jaren erna dit niveau moeten vasthouden. Dit moeten woningcorporaties doen naast het realiseren van grote opgaven rond leefbaarheid, betaalbaarheid en verduurzaming. Uit de financiële analyse van de Nationale prestatieafspraken komt naar voren dat de woningcorporatiesector de komende jaren financiële ruimte heeft om volop te investeren in de afgesproken volkshuisvestelijke opgaven. De berekeningen laten zien dat er op landelijk niveau voldoende investeringsruimte beschikbaar is om de opgaven, inclusief de nieuwbouwopgave, te kunnen realiseren. Bij deze financiële analyse is rekening gehouden met de earningsstrippingmaatregel en de vennootschapsbelasting. Ik herken het beeld dan ook niet dat de bouw van 70.000 woningen niet tot stand kan komen door de earningsstrippingmaatregel.
Kunt u aangeven hoeveel meer onrendabel de bouw van een sociale huurwoning wordt voor corporaties als zij de rente niet meer kunnen aftrekken?
De earningsstrippingmaatregel heeft geen invloed op de hoogte van het onrendabele deel van de bouw van een (sociale) huurwoning door een woningcorporatie. Dit komt omdat waarderingsregels voorschrijven dat bij de waardebepaling van een (sociale) huurwoning de vennootschapsbelasting en rente niet worden meegenomen. Dit zijn namelijk kosten die niet direct aan het vastgoed zijn toe te rekenen. De earningsstrippingmaatregel heeft zodoende geen effect op de waarde van een (sociale) huurwoning(en) en daarmee tevens ook geen effect op het onrendabele deel bij de bouw ervan.
De mate waarin rente in de vennootschapsbelasting mag worden afgetrokken heeft echter wel effect op de investeringscapaciteit van woningcorporaties. Zoals in mijn antwoord op vraag 18 aangegeven, is die investeringscapaciteit van woningcorporaties voldoende om de nieuwbouwopgave in de vernieuwde Nationale prestatieafspraken te realiseren, naast de opgaven rond leefbaarheid, betaalbaarheid en verduurzaming.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één, onderbouwd en binnen drie weken beantwoorden?
Voor de beantwoording van de vragen was meer tijd nodig.
Het bericht dat de staatssecretaris belangen in bedrijven geheim houdt |
|
Senna Maatoug (GL), Jimmy Dijk |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat in het eindverslag van formateur Van Zwol staat dat u onder andere «participaties in Nederlandse vastgoedfondsen», leningen aan MKB-bedrijven, obligaties en certificaten heeft en aandelen in beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde bedrijven bezit?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat u in de functie van Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst gevoelige informatie tot uw beschikking hebt die de waardering en beurskoersen van bedrijven – en daarmee de waarde van uw financiële vermogen – kan beïnvloeden? Welke geschreven en ongeschreven regels bestaan hieromtrent in Nederland? Kunt u uitgebreid toelichten in welke mate u vindt dat u zich houdt aan deze geschreven en ongeschreven regels?
Zoals aangegeven in het eindverslag van de formateur heb ik mijn zakelijke belangen op afstand gezet. Dit betekent concreet dat ik er gedurende mijn ambtstermijn niet over kan beschikken, geen enkele zeggenschap over heb en dat – waar relevant – anderen er een volmacht en stemrecht over hebben. Deze zakelijke afstand is bij mijn toetreden tot het kabinet uitvoerig beoordeeld door de Landsadvocaat. Hierbij is door de Landsadvocaat aangegeven dat mijn zakelijke belangen op de juiste afstand staan. Ik ben hier transparant over geweest, wat ook geresulteerd heeft in de uitgebreide passage bij het eindverslag van de formateur.
Deelt u de mening dat bewindspersonen zowel belangenverstrengeling als de schijn van belangenverstrengeling moeten voorkomen, zoals ook de OESO aanbeveelt?2 Kunt u uitgebreid toelichten in welke mate u vindt dat u voldoet aan deze OESO aanbevelingen, met expliciet aandacht voor de mogelijkheid voor en schijn van belangenverstrengeling?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van verzoeken om uw belangen in beursgenoteerde bedrijven openbaar te maken? Wat is uw reactie op deze verzoeken?
In de Kamerbrief in reactie op de motie Sneller is aangegeven dat het aan de aangezochte bewindspersoon zelf is om zijn zakelijke en financiële belangen te melden aan de formateur en een afweging te maken over wat een aanvaardbare voorziening is. Het is eveneens aan de aangezochte bewindspersoon om te wegen, gelet op de zakelijke en financiële belangen en de te treffen voorziening, of de namen van de betrokken vennootschappen gemeld kunnen worden. De formateur heeft vervolgens kennisgenomen van deze weging en deze is aan de orde geweest in het gesprek. Dit heeft geleid tot deze passage inzake de belangen in het eindverslag.
Bent u bereid informatie over uw zakelijke belangen, ook als die «op afstand staan», met de Kamer te delen? Zo nee, is openbaarheid ten aanzien van belangen in bedrijven wat u betreft niet belangrijk, en wat is hiervoor uw onderbouwing?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke manier kan beleid dat onder uw verantwoordelijkheid wordt gemaakt direct van invloed zijn op de winstgevendheid van bedrijven?
Beleid dat onder mijn verantwoordelijkheid gemaakt wordt heeft invloed op burgers en bedrijven. Datzelfde geldt voor al het overige kabinetsbeleid. Het huidige systeem is er daarom op gericht dat niet-objectieve besluitvorming voorkomen wordt. In de Kamerbrief over de uitvoering van motie Sneller is beschreven dat aantredende bewindslieden een aanvaardbare voorziening dienen te treffen om financiële belangen in aandelen of risicodragende participaties/investeringen in individuele beursgenoteerde én niet-beursgenoteerde ondernemingen boven een bedrag van 25.000 euro om het risico op belangenverstrengeling weg te nemen.
Tot een aanvaardbare voorziening behoort bijvoorbeeld het vervreemden van het belang. In dat geval is er geen sprake meer van een financieel belang dat het risico in zich draagt van niet-objectieve besluitvorming. Daarnaast kunnen aantredend bewindspersonen het belang op afstand plaatsen, zodanig dat er geen sprake is van zeggenschap, aandelen in individuele ondernemingen omzetten in aandelen in openbare beleggingsfondsen, of verklaren dat aandelen of participaties niet zullen worden verhandeld tijdens de ambtsperiode. Uitgangspunt van de te treffen voorziening is dat betrokkene niet langer zelf invloed op zijn zakelijke belangen uit kan oefenen, waardoor het risico op schijn van belangenverstrengeling wordt gemitigeerd. De Tweede Kamer wordt op hoofdlijnen over de financiële en zakelijke belangen, en over de door betrokkene getroffen voorziening geïnformeerd. Zo is dat voor alle leden van het kabinet gebeurd.
Is het daarmee ook mogelijk dat uw beleid invloed heeft op uw eigen aandelenbelangen? Kunt u aangeven hoe uw beleid invloed zou kunnen uitoefenen op uw op afstand geplaatste aandelenbelangen? Kan dit potentiële voordeel ook genoten worden wanneer zakelijke belangen in de toekomst niet meer op afstand zijn geplaatst, bijvoorbeeld omdat u op dat moment geen bewindspersoon meer bent?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u volledig uitsluiten dat uw beleid invloed heeft op uw eigen aandelenbelangen? Kunt u een uitgesplitst overzicht aan de Kamer zenden waarin u per belang uitsluit dat uw beleid hier invloed op heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u volledig uitsluiten dat beleid gemaakt door het kabinet waar u deel van uit maakt invloed heeft op uw zakelijke belangen? Heeft u invloed op het kabinetsbeleid?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier kunt u uitsluiten dat uw zakelijke belangen geen invloed hebben op uw eigen besluiten als bewindspersoon of uw bijdrage aan kabinetsbesluiten?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u dat dit een gegeven is dat controleerbaar moet zijn in een democratie of bent u van mening dat bewindspersonen zakelijke belangen geheim mogen houden?
Zoals uiteengezet in de reactie van het kabinet op de motie Sneller is het is aan de aangezochte bewindspersoon om te wegen, gelet op de zakelijke en financiële belangen en de te treffen voorziening, of de namen van de betrokken vennootschappen openbaar gemeld kunnen worden.
In het gesprek met de formateur wordt hier zorgvuldig naar gekeken. De weerslag hiervan legt de formateur vast in zijn eind verslag.
In dit geval is – conform de regels in het handboek bewindspersonen – ervoor gekozen om mijn financiële belangen op afstand te plaatsen. Dat betekent dat ik er gedurende mijn ambtstermijn niet over kan beschikken, geen enkele zeggenschap over heb en dat – waar relevant – anderen er een volmacht en stemrecht over hebben. Deze zakelijke afstand is bij mijn toetreden tot het kabinet uitvoerig beoordeeld door de Landsadvocaat. Hierbij is door de Landsadvocaat aangegeven dat mijn zakelijke belangen op de juiste afstand staan. Ik ben hier transparant over geweest, wat ook geresulteerd heeft in de uitgebreide passage bij het eindverslag van de formateur.
Deelt u de mening dat het openbaar maken van zakelijke belangen in bedrijven bijdraagt aan de transparantie van het publieke bestuur? Acht u transparantie een onderdeel van goed bestuur?
Zie antwoord vraag 11.
Kent u de gedragscode integriteit uit 20223 die de integriteit van bewindslieden beschrijft? Zo ja, wat vindt u van deze voorschriften? Vindt u dat deze code nageleefd moet worden? Vindt u dat u een uitzonderingspositie heeft ten opzichte van andere bewindspersonen wat betreft de naleving van deze gedragscode?
In de gedragscode is opgenomen dat ten aanzien van zeggenschapsrechten inzake relevante financiële of zakelijke belangen een kandidaat-bewindspersoon ofwel volledig afstand doet of een geaccepteerde oplossing treft en deze meldt aan de formateur. Voor bewindspersonen van Financiën geldt in het bijzonder dat het zelf beleggen in aandelen van beursgenoteerde beleggingsfondsen niet is toegestaan, vanwege de bijzondere bevoegdheden van deze bewindspersonen voor de financiële markten en de informatie waarover zij uitdien hoofde kunnen beschikken. Aan beide uitgangspunten is voldaan door het op afstand plaatsen. Daarmee heb ik voldaan aan de gedragscode.
Bent u van mening dat het primaire doel van financieel vermogen en zakelijke belangen is om winst te maken? Welke andere doelen worden gediend door het aanhouden van zulke belangen?
Er kunnen diverse overwegingen zijn om een belang in bedrijven te hebben, zowel financieel als ideëel.
Kent u de motie-Sneller aangaande deze kwestie?4 Kunt u hierop reflecteren? Op welke manier voldoet u aan letter en geest van deze motie?
Zoals uiteengezet in de reactie van het kabinet op de hiervoor genoemde motie is het is aan de aangezochte bewindspersoon om te wegen, gelet op de zakelijke en financiële belangen en de te treffen voorziening, of de namen van de betrokken vennootschappen openbaar gemeld kunnen worden. De formateur kan in zijn gesprek met de aangezochte bewindspersoon kennis nemen van deze weging en deze zo nodig aan de orde stellen in het gesprek.
In dit geval is – conform de regels in het handboek bewindspersonen – ervoor gekozen om mijn financiële belangen op afstand te plaatsen. Dat betekent dat ik er gedurende mijn ambtstermijn niet over kan beschikken, geen enkele zeggenschap over heb en dat – waar relevant – anderen er een volmacht en stemrecht over hebben. Deze zakelijke afstand is bij mijn toetreden tot het kabinet uitvoerig beoordeeld door de Landsadvocaat. Hierbij is door de Landsadvocaat aangegeven dat mijn zakelijke belangen op de juiste afstand staan. Ik ben hier transparant over geweest, wat ook geresulteerd heeft in de uitgebreide passage bij het eindverslag van de formateur.
Heeft u de brief gelezen van toenmalig premier Rutte aangaande deze motie?5 Kunt u aangeven wat u van deze brief vindt en aangeven waarin u uw publieke rol kunt aanpassen? Kunt u erkennen dat het op afstand stellen van uw aandelenbelangen niet voldoende is en dat openheid van zaken vereist is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 15.
Kent u deze passage uit het handboek voor bewindspersonen: «Voor bewindspersonen van Financiën geldt in het bijzonder dat het zelf beleggen in aandelen van beursgenoteerde beleggingsfondsen niet is toegestaan, vanwege de bijzondere bevoegdheden van deze bewindspersonen voor de financiële markten en de informatie waarover zij uit dien hoofde kunnen beschikken»?6 Hoe interpreteert u deze passage en wat gaat u hiermee doen?
Ja. In het handboek voor bewindspersonen worden de kaders voor bewindslieden geschetst in de omgang met financiële belangen. Het voorkomen van niet-objectieve besluitvorming is daar een belangrijk element van. Onderdeel van het handboek voor bewindspersonen is de Kamerbrief over de motie Sneller. Zoals in die Kamerbrief beschreven, dienen aantredende bewindslieden een aanvaardbare voorziening te treffen om financiële belangen in aandelen of risicodragende participaties/investeringen in individuele beursgenoteerde én niet-beursgenoteerde ondernemingen boven een bedrag van 25.000 euro om het risico op belangenverstrengeling weg te nemen.
In dit geval is – conform de regels in het handboek bewindspersonen – ervoor gekozen om mijn financiële belangen op afstand te plaatsen. Dat betekent dat ik er gedurende mijn ambtstermijn niet over kan beschikken, geen enkele zeggenschap over heb en dat – waar relevant – anderen er een volmacht en stemrecht over hebben. Deze zakelijke afstand is bij mijn toetreden tot het kabinet uitvoerig beoordeeld door de Landsadvocaat. Hierbij is door de Landsadvocaat aangegeven dat mijn zakelijke belangen op de juiste afstand staan. Ik ben hier transparant over geweest, wat ook geresulteerd heeft in de uitgebreide passage bij het eindverslag van de formateur.
Waarom heeft u, mede gezien de bovenstaande codes, regels, afspraken en normen, niet uit eigen beweging volledige openheid en transparantie over uw aandelenbelangen in beursgenoteerde bedrijven gegeven? Vindt u niet dat dit een onderdeel is van goed bestuur?
Zie antwoord op vraag 2.
Het (niet) openbaar maken van zakelijke belangen. |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Schoof , Folkert Idsinga (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beschikt over aandelenbelangen in beursgenoteerde bedrijven en dat tijdens de kabinetsformatie de formateur en beoogd Minister-President toestemming hebben gegeven voor het besluit om deze niet openbaar te maken?1
In de bijlage bij zijn eindverslag van 1 juli jl. heeft de formateur de Kamer geïnformeerd over de gesprekken die hij voerde met de beoogde bewindslieden van het kabinet. De openbare weerslag van die gesprekken – ook ten aanzien van de regelingen die zijn getroffen ten aanzien van zakelijke en andere belangen van Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst- is weergegeven in diezelfde bijlage. Over de inhoud van de gesprekken zijn en worden overigens geen mededelingen naar buiten gedaan.
Voorde goede orde zij vermeld dat alle bewindspersonen van dit kabinet bij hun aantreden conform de vaststaande regels hun financiële en zakelijke belangen hebben gemeld en waar nodig op afstand gezet. Deze regels zijn helder en vooraf vastgesteld, juist om eventuele belangenverstrengeling te voorkomen maar ook om de privacy van individuele bewindspersonen te waarborgen. De Minister-President ondersteunt deze lijn volledig en daarmee ook de positie van de Staatssecretaris. (Zie Kamerstukken II 2002/03 28 754, nr. 1 evenals Gedragscode integriteit bewindspersonen).
Bent u van mening dat bewindspersonen hun zakelijke of financiële belangen openbaar moeten maken, zeker waar de schijn van belangenverstrengeling kan ontstaan en zoals door de Kamer is uitgesproken in de motie-Sneller?2
Zoals uiteengezet in de reactie van het kabinet op de hiervoor genoemde motie (Kamerstukken II 2020/21, 35 925 III, nr. 12) is het aan de aangezochte bewindspersoon om te wegen, gelet op de zakelijke en financiële belangen en de te treffen voorziening, of de namen van de betrokken vennootschappen openbaar gemeld kunnen worden. De formateur kan in zijn gesprek met de aangezochte bewindspersoon kennis nemen van deze weging en deze zo nodig aan de orde stellen in het gesprek.
Op welke wijze en door wie wordt beoordeeld of het mogelijk is om de namen van betrokken vennootschappen openbaar te maken, welke adviezen zijn hierbij ingewonnen en op welke wijze kan hier controle op plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer zijn zakelijke of financiële belangen een privéaangelegenheid en wanneer niet?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat enkel met het op afstand plaatsen het risico op belangenverstrengeling niet is weggenomen, aangezien bewindspersonen tijdens hun ambtsperiode nog altijd besluiten kunnen nemen die de waarde van hun aandelenportefeuille kunnen beïnvloeden?
In zijn algemeenheid kunnen kabinetsbesluiten ook gevolgen hebben voor leden van het kabinet. Maar in het geval dat het gaat om uitoefening van taken ten aanzien van een aangelegenheid waarbij een bewindspersoon persoonlijk en direct betrokken kan zijn, is hij of zij op grond van de Vervangingsregeling gehouden zich te laten vervangen door een in de regeling aangewezen andere bewindspersoon. Hiermee is het gesignaleerde risico ondervangen. Ook in die gevallen waarin het om belangen in specifieke vennootschappen gaat.
Deelt u de mening dat deze kwetsbaarheid extra optreedt, indien het om aandelen in specifieke vennootschappen gaat?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de bevindingen van emeritus hoogleraar Huberts: «De eigen zakelijke belangen kunnen namelijk – «bewust of onbewust, bedoeld of onbedoeld» – van invloed zijn op de besluitvorming.» en «De afweging wat er wel en wat er niet openbaar moet worden zou niet bij de bewindspersoon zelf moeten liggen»?
De toenmalige Minister van BZK heeft de Kamer op 17 oktober 2023 geïnformeerd met een kabinetsreactie op deze en andere constateringen van GRECO in zijn zogenoemde Tweede nalevingsverslag. Het kabinet vermeldde daarin onder meer van mening te zijn dat voorop staat dat het de verantwoordelijkheid van de bewindspersoon zelf is om hierin initiatief te nemen. Dit sluit aan bij het volgende. De Raad van State heeft in november 2022 op verzoek van de Minister van BZK voorlichting uitgebracht over de vraag in hoeverre het binnen de constitutionele grenzen van de ministeriële verantwoordelijkheid mogelijk is om een intern- of extern toezichts- en handhavingsmogelijkheid op te nemen voor integriteitsregels voor bewindspersonen. De Raad van State stelde in de voorlichting dat een extern sanctioneringsmechanisme indruist tegen de autonomie van het parlement om op basis van de vertrouwensregel zelfstandig een oordeel te vellen over een bewindspersoon. De Kamer is in december 2022 geïnformeerd dat het kabinet de voorlichting van de Raad van State opvolgt en geen extern sanctioneringsmechanisme instelt.
Wat is uw reactie op de conclusie van GRECO dat aanbeveling VII uit het rapport over «Voorkoming van corruptie en bevordering van integriteit binnen centrale overheden (hoogste bestuurlijke functies) en rechtshandhavingsinstanties» nog niet is opgevolgd als het aankomt op transparantie en publieke controle op financiële belangen, waar GRECO in het bijzonder wijst op het manco dat de verantwoordelijkheid voornamelijk ligt bij de bewindspersonen zelf, van wie verwacht wordt dat zij problematische belangen achterhalen?3
Zie antwoord vraag 7.
Hoe verhoudt dit zich tot de ambitie zoals geformuleerd in het regeerprogramma om de aanbevelingen van GRECO ten aanzien van transparantie en corruptie over te nemen?
Het kabinet geeft hieraan onder meer invulling met de invoering van het Wetsvoorstel vervolgfuncties bewindspersonen en met de beschikbaarstelling van middelen hiervoor.
Op welke wijze is de vertrouwenspersoon voor bewindspersonen betrokken bij de afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit om de financiële belangen niet openbaar te maken?
Een vertrouwenspersoon is geen toezichthouder maar staat op verzoek en in vertrouwen ten dienste aan individuele bewindslieden. Bij de formatie is hij niet betrokken.
Bent u van mening dat het beter zou zijn als een derde de afweging maakt of er een dragende motivering bestaat voor het niet openbaar maken van de financiële belangen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Op welke wijze is de premier voornemens het integriteitsbeleid voor (kandidaat-)bewindspersonen verder aan te scherpen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bekend met het bericht «6–0 voor toeslagenouders, maar Staat blijft doorprocederen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het beeld dat wordt geschetst in het artikel dat het doorprocederen van de Staat tegen beter weten in is?
Laat ik vooropstellen: het is zeer pijnlijk dat Dienst Toeslagen2 bij mensen in het verleden verboden indirect onderscheid gemaakt heeft. Ik herken het beeld dat in het artikel geschetst wordt echter niet. Het College heeft in alle tot nu toe gepubliceerde zaken inderdaad geconcludeerd dat er sprake was van verboden indirect onderscheid op grond van ras, maar tegelijkertijd is ook in al die zaken geconcludeerd dat er geen sprake was van directe discriminatie op grond van ras. In het artikel wordt daarnaast ook geschreven dat ouders een «vinkje» moeten halen via het College om te bewijzen dat zij gediscrimineerd zijn geweest voor de bepaling van de hoogte van hun schadevergoeding, dat is niet het geval.
Wat is de kern van de zes discriminatieklachten die gegrond zijn verklaard door het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College)?
De kern van de discriminatieklachten ziet op vermoedens van ongelijke behandeling of selectie bij de controle en terugvordering van kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen3 in het verleden.
Volgens het College is in deze zaken geen sprake geweest van verboden direct onderscheid. De gehanteerde criteria bij de controles, correcties en terugvordering van de kinderopvangtoeslag betreffen volgens het College neutrale criteria, waarbij de herkomst van verzoekers geen rol heeft gespeeld.
In het vooronderzoek heeft het College geconcludeerd dat het vermoeden bestaat dat Dienst Toeslagen bij de onderzochte onderdelen van de harde fraudeaanpak van de kinderopvangtoeslag indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Die harde fraudeaanpak zou personen met een buitenlandse afkomst in het bijzonder hebben getroffen.
Daarom wordt in de zaken waarop het Vooronderzoek van toepassing is de bewijslast omgekeerd. Zoals in het voorgaande antwoord is uiteengezet, is indirect onderscheid niet verboden als dit objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en het middel voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk is. Het is aan Dienst Toeslagen om, gelet op de omkering van de bewijslast, dit aan te tonen.
Het College oordeelde in deze zaken dat Dienst Toeslagen de noodzaak van de werkwijze van de harde fraudeaanpak niet heeft aangetoond. Daarvoor had Dienst Toeslagen moeten bewijzen dat het nagestreefde doel niet bereikt had kunnen worden met minder vergaande middelen. Daarom staat vast dat Dienst Toeslagen verboden indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van ras tegenover de verzoekers bij de harde fraudeaanpak bij de correcties en terugvordering van kinderopvangtoeslag.
Dienst Toeslagen heeft op basis hiervan in recentere zaken op de klacht van indirecte discriminatie geen verweer gevoerd.
Deelt u de mening dat na zes oordelen van discriminatie er geen reden meer is om per geval verweer te voeren tegen deze klachten? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dat het kabinet doorgaat met verweer, terwijl gedupeerden al zwaar zijn belast?
Ik deel de mening niet dat er geen reden meer is om per geval verweer te voeren tegen de klachten die bij het College voorliggen. Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) beoordeelt of sprake is van onderscheid op grond van ras. Dit onderscheid kan direct of indirect zijn en het verbod hierop is vastgelegd in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB):
Dienst Toeslagen voert verweer tegen de klacht dat sprake is van directe discriminatie. Het standpunt van Dienst Toeslagen over directe discriminatie, namelijk dat daarvan geen sprake was, is tot nu toe ook in alle zaken door het College overgenomen.
Ten aanzien van indirecte discriminatie voert Dienst Toeslagen niet meer altijd verweer. Als blijkt dat er in de betreffende casus sprake is van een vermoeden van indirect onderscheid dat niet kan worden gerechtvaardigd, neemt Dienst Toeslagen dat aan en wordt geen verweer gevoerd op dat punt. In de zaak met het meest recente gepubliceerde oordeel (oordeel 2024–80 van 23 september 2024) is bijvoorbeeld ook geen verweer gevoerd tegen de aanklacht van verboden indirect onderscheid bij de harde fraudeaanpak bij correcties en terugvordering.
Daarbij komt dat Dienst Toeslagen niet op de hoogte is wie een klacht heeft ingediend en wat de klacht behelst totdat het College een klacht bij Dienst Toeslagen kenbaar maakt. Dienst Toeslagen krijgt die zaken steeds één voor één individueel aangereikt, waarbij steeds een eigen individueel klachtenformulier is ingevuld. Het kan daarom ook niet anders dat op individueel niveau verweer wordt gevoerd en de oordelen individueel worden afgewacht. De individuele verzoekers hebben daar ook recht op.
Ik ben mij ervan bewust dat voor de ervaring van gedupeerden ouders niets uitmaakt of zij direct of indirect gediscrimineerd zijn en dat een zaak bij het College zeer belastend voor hen kan zijn. Daarom is het belangrijk dat Dienst Toeslagen elke zaak heel zorgvuldig uiteenzet, Dienst Toeslagen maakt hiervoor een reconstructie van alle gegevens en behandelingen die beschikbaar zijn in diens dossier. Vervolgens beoordeelt Dienst Toeslagen steeds of er aanleiding is verweer te voeren tegen de aanklacht van discriminatie.
Waarom is de Staat voornemens door te blijven procederen, ondanks dat in de zes al beoordeelde gevallen er sprake is van discriminatie door de Belastingdienst? Deelt u de mening dat het doorprocederen tegen toeslagenouders, ondanks de reeds bestaande oordelen van het College, het vertrouwen in de overheid verder schaadt?
Zie antwoord vraag 4.
Nu zes gevallen van discriminatie zijn bevestigd door het College, waarom wordt er nog steeds een individueel oordeel afgewacht in andere zaken? Bent u bereid om de discriminatie in toekomstige zaken direct te erkennen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Advocaten bepleiten dat schadevergoedingen sneller toegekend moeten worden omdat de discriminatie duidelijk is. Neemt het kabinet specifieke stappen om dit proces te versnellen?
Het is niet zo dat gedupeerden een «vinkje» moeten halen via het College om te bewijzen dat zij gediscrimineerd zijn geweest voor de bepaling van de hoogte van hun schadevergoeding. UHT kijkt bij elke gedupeerde ouder of er in het dossier aanwijzingen zijn voor ongelijke behandeling. De compensatieregeling voor vooringenomen handelen ziet daarmee ook op (vermeend) verboden onderscheid.
Er zijn echter ook gedupeerden die aanwijzingen of vermoedens van discriminatie hebben zonder dat dit direct blijkt uit hun dossier, om hier recht aan te doen is met het College afgesproken dat ouders bij hen terecht kunnen met een melding of vermoeden van discriminatie.
Per individuele afzonderlijke casus wordt bezien of de gedupeerden mogelijk in aanmerking komen voor een eventuele (aanvullende) financiële tegemoetkoming, aangezien de meeste verzoekers bij het College al door UHT zijn erkend als gedupeerde en al zijn gecompenseerd. Dienst Toeslagen biedt de verzoekers in ieder geval aan de proceskosten, zoals kosten rechtsbijstandverlening, reiskosten en verletkosten te vergoeden.
Volgens het kabinet heeft het College de definitie van indirecte discriminatie «opgerekt». Op basis waarvan maakt het kabinet deze analyse en hoe wordt dit juridisch onderbouwd?
Het College concludeerde in haar Vooronderzoek in 2022 dat er voldoende feiten zijn die een vermoeden doen ontstaan dat bij de harde fraudeaanpak door Dienst Toeslagen indirect onderscheid is gemaakt op grond van afkomst tegenover de gedupeerde ouders: de onderzochte werkwijzen en processen van Dienst Toeslagen in de onderzochte jaren 2014 en 2018 troffen in het bijzonder personen met een buitenlandse afkomst. Deze conclusie heeft tot gevolg dat in de individuele zaken die aan het College zijn of worden voorgelegd de bewijslast omkeert en op Dienst Toeslagen rust om aan te tonen dat zij niet in strijd met in strijd met artikel 7a van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) heeft gehandeld. Het College heeft geoordeeld dat de omgekeerde bewijslast van toepassing is bij personen met een buitenlandse nationaliteit(en), personen met de Nederlandse nationaliteit en een andere nationaliteit en personen met een recente immigratiedatum (jong BSN-leeftijd).
In latere oordelen heeft het College de doelgroep verbreed waarop de omgekeerde bewijslast van toepassing is. De omgekeerde bewijslast geldt nu ook voor personen met klachten over andere jaren dan 2014 en 2018, en voor personen met een kenmerk, dat door het College in de wordt toegeschreven aan personen met een «buitenlandse achternaam» of het hebben van een kind met niet-Nederlandse afkomst. De definitie van indirecte discriminatie wordt daarmee niet opgerekt, enkel de doelgroep op wie de omgekeerde bewijslast van toepassing is.
Volgens het kabinet zou de opgerekte definitie niet meer zijn gebruikt bij het zesde oordeel. Hoe verschilt de definitie van de eerste vijf oordelen van de definitie van het zesde oordeel? Hoe verklaart het kabinet dat óók in het zesde oordeel is geoordeeld dat er sprake was van discriminatie door de Belastingdienst?»?
Het is niet zo dat de opgerekte definitie niet meer gebruikt is in het zesde oordeel (oordeel 2024–80 van 23 september 2024). Het geval is juist dat Dienst Toeslagen in deze zaak al in het verweerschrift heeft erkend dat bij de controle en de harde fraudeaanpak bij de correcties en terugvordering van kinderopvangtoeslag sprake is geweest van verboden indirect onderscheid. Deze erkenning is hoofdzakelijk gebaseerd op de oordelen die het College eerder in vergelijkbare zaken heeft uitgebracht en de bredere toepassing van het Vooronderzoek dat uit deze oordelen is gebleken.
Wel heeft Dienst Toeslagen verweerd dat sprake is geweest van het maken van direct onderscheid op grond van ras. Het College heeft daarop in haar oordeel aangegeven geen aanwijzingen gevonden te hebben dat de verzoeker vanwege diens herkomst anders is behandeld dan anderen. Het oordeel luidde dan ook dat Dienst Toeslagen geen direct onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.
Kunt u toelichten welke gevolgen u voorziet van een veranderende definitie van indirecte discriminatie in toekomstige zaken waarover het College zal beslissen?
Het is de verwachting dat het Vooronderzoek steeds vaker van toepassing zal zijn vanwege de uitbreiding van de doelgroep (zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8), waardoor steeds vaker indirect onderscheid zal worden aangenomen. Zoals in voorgaande antwoorden toegelicht, is indirect onderscheid niet verboden als dit objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en het middel voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk is. Of het indirecte onderscheid verboden is, moet dus per zaak beoordeeld blijven worden, waarbij Dienst Toeslagen steeds de conclusies uit de eerdere oordelen in acht neemt. Net als in het meest recente oordeel zal daardoor steeds vaker voorkomen dat Dienst Toeslagen het maken van verboden indirect onderscheid bij bepaalde werkwijze in het verleden niet betwist en het College telkens zal bevestigen dat sprake was van verboden indirect onderscheid.
Bent u op de hoogte van het artikel «De afwikkeling bij de toeslagenaffaire kan veel sneller als die aan de rechter wordt overgedragen»?
Ja.
Deelt u de mening uit dit artikel? Kan op deze manier een substantiële versnelling worden aangebracht in het herstelproces, dat is vastgelopen en moet worden gereset?
In de brief die vandaag separaat aan uw Kamer is verzonden is de instelling aangekondigd van de Adviescommissie Voortgang Hersteloperatie Toeslagen onder leiding van de heer Van Dam. Deze commissie wordt onder meer gevraagd om mogelijkheden in kaart te brengen om tot een versnelde, meer mensgerichte aanpak te komen die zoveel mogelijk leidt tot integrale hulp en afronding. Ook zal de commissie kijken naar onderliggende knelpunten op onderwerpen als bezwaren en de opschaling van schaderoutes.
De auteur van het artikel4 stelt een alternatief voor de afwikkeling van massa-schade aan de orde, te weten de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). Belanghebbenden kunnen gezamenlijk een vordering indienen die door de rechter wordt beoordeeld. Met een dergelijke massaclaim kan worden vermeden dat er meerdere juridische procedures worden gestart door verschillende belanghebbenden over dezelfde gebeurtenis. De bedoeling van deze wet is om tot vergoeding van massaschade te komen wanneer partijen er niet in slagen om op een andere manier tot een oplossing te komen of om te schikken, zoals de auteur ook opmerkt.
Een alternatief voor een massa-claim van de zijde van gedupeerden, biedt de Wet Collectieve Afwikkeling massaschade, afgekort de WCAM. Hoewel de auteur deze optie niet noemt, biedt deze wijze van massa-afwikkeling de mogelijkheid om gezamenlijk (via belangenbehartiging) te werken aan een massa-schikking die partijen daarna voorleggen aan het Gerechtshof ter bekrachtiging. Op dit moment zet het kabinet in op de ontwikkeling van schaderoutes die het mogelijk maken om, naast de CWS-route met een berekening van individuele schade, met ouders een individuele schikking te beproeven via een drietal schikkingsroutes die aansluiten bij de individuele behoefte van de ouder voor eigen regie. Als het lukt om met dit integrale schadestelsel binnen een aanvaardbaar tijdpad tot individuele afwikkeling te komen, dan heeft dit vooralsnog de voorkeur van het kabinet.
Het kabinet staat in beginsel open voor het onderzoeken van alternatieven, mits dit daadwerkelijk zal leiden tot versnelling. De WAMCA/WCAM methode kennen beide de nodige tijdsinspanning en beperkingen, zoals reeds tijdens de Herijking naar voren kwam. Als partijen in het kader van een gezamenlijke WCAM-procedure spoedig tot een schikking kunnen komen en aan overige randvoorwaarden is voldaan, is de verwachting dat de WCAM een volwaardig alternatief kan zijn voor het huidige integrale schadestelsel. Als wordt gekozen voor de WCAM, behouden individuele ouders de mogelijkheid om niet mee te doen aan de WCAM (door middel van een opt-out) en voor hen blijft de wettelijke regeling bestaan voor het laten berekenen van complexe schade door de CWS.
Klopt het dat de rechter een aantal categorieën kan aanbrengen van gelijksoortige zaken en dan in deze zaken een gelijksoortige compensatie kan toekennen, zonder dat iedere zaak individueel moet worden bezien?
Ja. De rechter kan inderdaad categorieën aanbrengen in het kader van de WAMCA. Of dit in de praktijk leidt tot een redelijke vergoeding voor iedere gedupeerde, en hoe concreet een billijke afbakening kan worden bereikt, is niet in detail door de auteur onderzocht. Bij een WCAM-schikking kan eveneens gezocht worden naar het afbakenen van categorieën. Ouders die zich hier niet in kunnen vinden, behouden de mogelijkheid voor een opt-out.
Deelt u de mening dat via de Wet Wamca de rechter bindende uitspraak kan doen, wat niet alleen tijdwinst zou opleveren, maar ook bij de gedupeerde ouders een gevoel van rechtvaardigheid kan geven, omdat niet de overheid, maar de rechter hierover beslist?
Het gevoel van rechtvaardigheid zal voor een groot deel afhangen van de inhoud van de eventuele rechterlijke uitspraak of van de inhoud van een eventuele collectieve schikking. Daarover kan het kabinet niet op voorhand uitspraken doen. Er bestaat binnen de groep van gedupeerde ouders veel diversiteit. Of een gevoel van rechtvaardigheid groter is bij een massa-afwikkeling dan wanneer een individuele schikking wordt bereikt, of wanneer een individuele werkelijke schadeberekening tot stand komt via de CWS, is niet op voorhand te zeggen.
Moet u niet, gezien de situatie over de gehele keten, een crisisorganisatie overwegen?
Ik deel het gevoel van urgentie dat uit deze vraag spreekt. Echter is het zo dat de hele hersteloperatie – UHT, CWS, SGH – in feite uit crisisorganisaties bestaat die specifiek opgericht zijn om het herstel van getroffen ouders te faciliteren. Een extra organisatie zou in deze fase naar mijn inschatting niet bijdragen aan versnelling.
Is een oplossing denkbaar zoals in de Verenigde Staten met een collectieve actie, met daarbij een opt-out, en daarnaast nog verschillende opties op basis van de aangeleverde bewijzen?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat dit de ouders weer regie geeft, met name in de afweging tussen zorgvuldigheid en snelheid?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat het met name bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) ontbreekt aan de nodige snelheid, zowel in het zelf opzetten van een efficiëntere organisatiestructuur als in het afhandelen van de verzoeken om de werkelijke aanvullende schade te vergoeden?
De relatief lage behandelsnelheid van de CWS is al langer tijd een punt van aandacht. De afgelopen maanden zijn veranderingen doorgevoerd bij CWS op het gebied van beleid, proces en organisatie. Met als doel sneller en ruimhartiger te werk te gaan. Per juli is het nieuwe schadebeleid van CWS vastgesteld. Hierin werkt de commissie o.a. meer met vaste bedragen en vereenvoudigde regels. Het is nog te vroeg om de structurele effecten te zien van de nieuwe werkwijze van CWS, maar we zien dat de productiesnelheid sinds de zomer iets verbetert en dat er ruimhartiger wordt beoordeeld.
Klopt het dat de CWS tot nu toe in vier jaar 540 zaken heeft afgehandeld? Terwijl de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) toe zou kunnen werken naar 350 zaken per week?
UHT heeft in augustus van dit jaar op 540 adviezen een beschikking afgegeven. Het aantal adviezen van CWS ligt inclusief adviezen op bezwaar iets hoger, namelijk ruim 730. In het opschalingsplan met SGH is afgesproken dat zij erop richten in mei 2025 het niveau van 350 terugkoppelgesprekken (laatste stap voor een VSO) bereikt kan worden.
Geconstateerd moet echter worden dat SGH tot nu toe niet op koers ligt om dit te halen. Inmiddels zijn daartoe binnen de kaders van de huidige DVO tussen SGH en Ministerie van Financiën nadere, tijdelijke, afspraken gemaakt waarmee beoogd wordt de productie bij SGH op gang te krijgen. Na zes weken zal moeten worden geconstateerd of deze afspraken het gewenste effect hebben gehad en wordt bezien of de opschaling haalbaar is binnen de reguliere condities van de DVO. Het is nog te vroeg om daar iets definitiefs over te melden.
Wanneer verwacht u de 350 zaken per week te bereiken?
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u toelichten waarom de CWS niet in de buurt komt van het door de SGH gestelde doel?
Hoewel het schadebeleid van CWS is aangepast, is deze route nog steeds gericht op ouders die behoefte hebben aan een meer precieze berekening van schade met de mogelijkheid tot bezwaar en beroep. De werkwijze en het tempo van CWS zal daarom nooit volledig vergelijkbaar zijn met die van SGH en is ook niet zo bedoeld.
Deelt u de conclusie dat de afhandeling van aanvullende schade door de CWS, met 540 ouders in vier jaar tijd, ook niet loopt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De afhandeling van aanvullende schade door CWS is de afgelopen jaren zeer moeizaam verlopen. De wijzigingen die onlangs zijn doorgevoerd acht ik dan ook zeer noodzakelijk. In het regeerprogramma is de ambitie opgenomen in 2027 de afwikkeling van werkelijke schade af te ronden. Om dat te halen blijf ik continu met de uitvoerders binnen de schadeketen, dus zeker ook met CWS, in gesprek om te bezien waar verdere versnelling en verbetering kan plaatsvinden.
Zijn er alternatieven denkbaar volgens u als de huidige aanvullende schaderoutes vast blijven lopen?
Alternatieven zijn altijd denkbaar, SGH is immers ook ooit ontwikkeld als alternatief voor de CWS, maar daarbij moet rekening worden gehouden met de vraag of de tijd die gaat zitten in het ontwikkelen van een nieuwe route, een dergelijke route daadwerkelijk versnelling biedt voor ouders. De ervaring leert ook dat ingrijpende aanpassingen in het proces in eerste instantie vertragen in plaats van versnellen. Tevens wijs ik erop dat een volledig digitale route nog in ontwikkeling is en naar verwachting op korte termijn live kan gaan.
In hoeverre herkent u zich in het beeld dat de samenwerking met de SGH in een impasse zit sinds de samenwerkingsovereenkomst van voor de zomer?
Het beeld van een impasse herken ik niet. SGH ligt niet op koers om de productie te halen uit het opschalingsplan. Inmiddels zijn daartoe nadere afspraken gemaakt tussen SGH en ministerie.
Kunt u voor het commissiedebat op 6 november 2024 met de SGH bespreken of u beiden nog vertrouwen hebt in een goed verloop van de huidige samenwerkingsovereenkomst?
Met SGH is de afgelopen weken – ook in aanloop naar dit debat – veelvuldig gesproken. SGH en het ministerie wensen hun samenwerking op basis van de deze zomer gesloten dienstverleningsovereenkomst voort te zetten.
Kunt u aangeven waarom er voor bijzondere, schrijnende en traumatische gebeurtenissen een maximum bedrag van 2.500 euro is afgesproken?
Indien gedoeld wordt op de schadepost «uitzonderlijke impactvolle gebeurtenissen» (met een bedrag van 2.500 euro) binnen het Herstelmodel van de SGH-route, dan betreft dit een meer algemene forfaitaire schadepost om te kunnen komen tot de vergoeding van schade die niet op andere wijze binnen het Herstelmodel van de SGH-route kan worden vergoed, en die wel veroorzaakt is door de KOT-problematiek. Deze schadepost komt drie keer voor in het Herstelmodel, namelijk onder leefgebied Financiën, Gezin en Zorg, telkens voor 2.500 euro. Dit is gedaan om ruimte te bieden voor bijzondere situaties die anders buiten het bestek van deze forfaitaire route zouden vallen. Zo kan, onder voorwaarde van causaal verband, toch binnen het Herstelmodel erkenning gegeven worden aan bijzondere gebeurtenissen als gevolg van de KOT-problematiek. Het Herstelmodel van de SGH-route is op vrijdag 25 oktober gepubliceerd.
Herinnert u zich de motie-Van Vroonhoven van april 2024 over een uniforme schadeafhandeling binnen het bestuursrecht? Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Bent u hier al mee bezig?
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft uw Kamer bij brief van 24 oktober 2024 geïnformeerd over de motie Van Vroonhoven.5 De uitvoering van deze motie wordt meegenomen bij de kabinetsreactie op het rapport Herstel bieden: een vak apart van de Nationale ombudsman.
Deelt u de mening dat een uniforme, bestuursrechtelijke herstelregeling met de bijbehorende waarborgen een snelle en zorgvuldige hersteloperatie mogelijk kan maken?
Zie antwoord vraag 27.
Deelt u de mening dat voor de schadeberekeningen de oorspronkelijke beschikkingen (met name de hogere terugbetalingen) uit de periode 2010–2020 als leidraad genomen kunnen worden?
De context van deze vraag ontbreekt waardoor het helaas niet mogelijk is om de bedoeling van deze vraag op een juiste manier in te schatten, zodat een passend antwoord gegeven kan worden. In zijn algemeenheid geldt dat tijdens de Integrale Beoordeling exact in kaart gebracht wordt met welke beschikkingen, terugvorderingen en terugbetalingen de ouder in het verleden te maken kreeg in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire en in welk jaar dit het geval was. Dit kan de periode betreffen voorafgaand aan de door u genoemde periode 2010–2020.
Kunt u deze Kamervragen afzonderlijk beantwoorden binnen een termijn van twee weken, in ieder geval ruim voor het commissiedebat van 6 november 2024?
Ja, het is gelukt deze antwoorden voor het komende commissiedebat aan uw Kamer aan te bieden. Vanwege de samenhang zijn sommige vragen/antwoorden gegroepeerd.
Het voorkomen van een volgend toeslagenschandaal |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (CDA), Schoof |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het rapport «Blind voor mens en recht' van de enquêtecommissie Fraudebestrijding en Dienstverlening waarin op 26 februari 2024 werd geconcludeerd dat een volgend toeslagenschandaal morgen weer kan gebeuren?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid, en in het bijzonder de Minister-President, er alles aan moet doen om zo snel mogelijk te voorkomen dat een volgend schandaal morgen weer kan gebeuren?
Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ik deze vraag bevestigend beantwoorden.
Waarom duurt het dan zo lang voordat dit kabinet inhoudelijk reageert op het enquêterapport over een van de grootste bestuurlijke schandalen van de afgelopen jaren?
Na publicatie van het onderzoeksrapport op 26 februari 2024 heeft bespreking van het rapport in uw Kamer op 23 en 25 april 2024 plaatsgevonden. Het demissionaire kabinet heeft na verschijnen van het hoofdlijnenakkoord op 16 mei 2024 ervoor gekozen om een inhoudelijke kabinetsreactie aan het volgende kabinet te laten. Bij schrijven van 14 juni 2024 is dat aan uw Kamer gemeld1. Als coördinerend bewindspersoon heb ik het proces gestart om tot een kabinetsreactie te komen. Ambtelijk wordt gewerkt aan de zorgvuldige voorbereiding van de kabinetsreactie die recht zal doen aan de aanbevelingen van de PEFD.
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie-Stultiens c.s.1, ingediend door 13 Kamerfracties, waarin de conclusies en aanbevelingen uit het rapport worden onderschreven, het kabinet op 25 april 2024 werd verzocht om op korte termijn met een reactie te komen en varianten aan de Kamer te sturen hoe de 19 aanbevelingen opgevolgd kunnen worden?
Ja.
Kunt u, voordat het herfstreces begint, bij alle 19 aanbevelingen, één voor één, aan de Kamer laten weten hoe het kabinet voornemens is om deze uit te gaan voeren?
Op dit moment wordt de kabinetsreactie afgestemd met betrokken departementen, uitvoeringsorganisaties en overige betrokken stakeholders. Deze stappen doorlopen kost enkele weken en ik verwacht voor het kerstreces de kabinetsreactie aan uw Kamer te sturen.
Het einde van het gunstig belastingregime voor private equity in Engeland |
|
Jimmy Dijk |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van het artikel in het FD aangaande het artikel «private equity in Londen vreest einde gunstig belastingregime»? Wat vindt u van de belastingmaatregel van de Engelse Minister van Financiën om carried interest aan te pakken?1
Ja, ik ben van dit artikel uit het FD op de hoogte. Het Verenigd Koninkrijk onderzoekt of de huidige heffing van het zogenoemde «carried interest» nog passend is, gelet op de economische kenmerken en heeft de praktijk gevraagd om reacties over hoe een eventuele aanpassing van de huidige heffing eruit zou moeten zien.2 Het is de verwachting dat tijdens de eerste begroting van de nieuwe regering van het VK meer bekend zal worden gemaakt over een mogelijke belastingmaatregel in dat kader. Ik kijk hier uiteraard met interesse naar uit.
Wat vindt u van carried interest? Vindt u de speciale regeling, waarbij beheerders van een private equity fonds bij het einde van de looptijd over een uitkering relatief weinig worden belast, rechtvaardig? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst heeft in 2017 een zeer uitgebreid rapport gepubliceerd met een beschrijving van de (fiscale uitdagingen bij) private equity-structuren.3 Hieruit blijkt dat er in de praktijk veel verschillende structuren bestaan waarin zogenoemd «carried interest» een rol speelt.
Carried interest is de vergoeding die managers van participatiemaatschappijen (private equity-fondsen en vaak ook de managers van een portfolio-onderneming) ontvangen via een in verhouding geringe investering in (bijvoorbeeld) gewone aandelen. Het grootste deel van het kapitaal in het fonds brengen de investeerders bijeen. De investeerders ontvangen een bepaald basisrendement op de (preferente) aandelen. Omdat de aandelen van de fondsmanagers achtergesteld zijn bij de vergoeding aan de overige investeerders, brengen deze pas iets op als alle investeerders die reguliere vergoeding hebben ontvangen. Maar als eenmaal een meeropbrengst wordt genoteerd, neemt de opbrengst op (bijvoorbeeld) de gewone aandelen disproportioneel toe. Er is dan sprake van een zogenoemd hefboomeffect (leverage).
Per 2009 is in Nederland de lucratiefbelangregeling ingevoerd op grond waarvan de «carried» als uitgangspunt belast wordt als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) in box 1, met als alternatief de zogenoemde «aanmerkelijkbelangvariant» (heffing over de carried in box 2).
Deze regeling is voortgekomen uit onduidelijkheden over de fiscale kwalificatie beloningen die veelal in de private equity- en managementparticipatiepraktijk voorkomen.4 Vóór invoering van de regeling in 2009 was er rechtsonzekerheid hoe carried interest(-achtige) beloningen voor in dienstbetrekking werkzame private equity-managers moesten worden gekwalificeerd in de inkomstenbelasting. De opbrengst van deze zogenoemde lucratieve vermogensbestanddelen heeft namelijk een hybride karakter: deze bevat zowel kenmerken van arbeidsinkomen (box 1) als van een beleggingsopbrengst (box 3). Mede ingegeven door het grote verschil in belastingdruk tussen box 1 en box 3 leidde deze fiscale duiding in vooroverleg tussen belastingplichtige en Belastingdienst vaak tot discussie. Daarbij nam de Belastingdienst doorgaans het standpunt in dat sprake was van loon uit dienstbetrekking of resultaat uit overige werkzaamheden, belast in box 1, en belastingplichtigen dat sprake was van specifieke aandelen of winstrechten, belast in box 3. Daarnaast kon onduidelijkheid bestaan over het genietingsmoment bij en de waardering van lucratieve belangen, die meestal ingewikkelde beloningsinstrumenten zijn die in de markt niet verhandelbaar zijn. De lucratiefbelangregeling heeft ervoor gezorgd dat de opbrengst van een lucratief belang in beginsel als inkomen in box 1 wordt belast, met de mogelijkheid om een lucratief belang indirect in box 2 te houden.5 De regeling heeft daardoor tot zowel duidelijkheid als rechtszekerheid geleid voor alle betrokkenen. In 2016 is de regeling geëvalueerd waarin dit beeld ook naar voren komt.6
Bij de totstandkoming van de lucratiefbelangregeling is een amendement van het toenmalig Kamerlid Irrgang verworpen om de aanmerkelijkbelangvariant te schrappen. De toenmalige Staatssecretaris benoemde daarbij dat de aanmerkelijkbelangvariant evenwichtig is, internationaal in de pas loopt en dat een heffing uitsluitend in box 1 niet goed is voor het vestigingsklimaat.7
De Tweede Kamer heeft eerder dit jaar een motie8 aangenomen om dergelijke voordelen uit een zogenoemd lucratief belang altijd te belasten in box 1. Daarmee zou de huidige mogelijkheid vervallen om te kiezen voor een heffing in box 2 bij onmiddellijke dooruitdeling naar privé van ten minste 95% van de voordelen tegen een lager belastingtarief door middel van de aanmerkelijkbelangvariant. Tijdens het dertigledendebat over extra belasting voor extreem rijken in april 2024 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd eerst onderzoek te doen naar de lucratiefbelangregeling. In dit onderzoek staat de vraag centraal of en zo ja, op welke wijze, al dan niet geclausuleerd, een alternatieve vormgeving van deze regeling mogelijk en wenselijk is. Dit onderzoek richt zich daarvoor op de aanmerkelijkbelangvariant. Een belangrijk aspect daarbij is de verplichting tot uitkering van gerealiseerde voordelen naar privé. Die verplichting zorgt ervoor dat de heffing in box 2 direct plaatsvindt. Dit voorkomt uitstel van belastingheffing. Hierbij worden de budgettaire gevolgen en de uitvoeringsgevolgen in de afweging betrokken. Het voornemen is de resultaten van dit onderzoek vóór het kerstreces met uw Kamer te delen.
Vindt u met de Engelse Minister van Financiën dat private equity-beheerders bij het einde van de looptijd uitkering geen eigen geld hebben ingelegd en dat er dus geen sprake is van vermogenswinst?
Zoals hiervóór is opgemerkt, hebben beloningsstructuren die veelal in de private equity-praktijk voorkomen doorgaans een hybride karakter. Deze voordelen hebben kenmerken van zowel arbeidsinkomen als van een beleggingsopbrengst op geïnvesteerd kapitaal. Ook civielrechtelijk is sprake van een investering in een aandeel met een opbrengst in de vorm van dividend of verkoopwinst van het aandeel. Deze elementen zijn niet eenduidig afzonderlijk aan te wijzen. Als gevolg van de huidige vormgeving van de lucratiefbelangregeling hoeft dit onderscheid verder niet getoetst te worden. Ingeval de belastingplichtige geen eigen middelen heeft geïnvesteerd of de inleg wordt gefinancierd door de werkgever of een daaraan gelieerde partij die het risico draagt, zal het inkomen inderdaad meer het karakter van arbeidsinkomen hebben. Hierbij merk ik op dat geregeld sprake is van een pakket aan financiële instrumenten waarbij op andere onderdelen het arbeidskarakter minder (evident) aanwezig is.
Ziet u een dergelijke uitkering als een bonus, waarover inkomstenbelasting is verschuldigd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wist u dat veel Europese landen, maar ook de VS, een dergelijke regeling kennen? Wist u dat Nederland ook een dergelijke regeling kent? Wat vindt u hiervan?2
Ja, ik ben ermee bekend dat er diverse andere landen zijn die carried interest anders belasten dan arbeidsinkomen. De lucratiefbelangregeling in Nederland heeft ervoor gezorgd dat de opbrengst van een carried interest in beginsel als arbeidsinkomen in box 1 wordt belast, met de mogelijkheid om een lucratief belang indirect in box 2 te houden. Het gebruik van een wettelijke regeling, in lijn met het doel van de regeling, wil ik niet kwalificeren als een belastingconstructie. Zie in dit kader ook het antwoord op vraag 2.
Wist u dat in Nederland beheerders hun carried interest sinds 2009 kunnen laten belasten onder box 2, waardoor ze er slechts 33% belasting over hoeven te betalen, in plaats van 49,5% in box 1? Wat vindt u hiervan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat u doen aan een dergelijke belastingconstructie? Gaat u carried interest in Nederland ook aanmerken als inkomen? Wat vindt u een redelijke belastingconstructie?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u van vrijstelling van Niet-Nederlandse fondsbeheerders, die via partiële buitenlandse belastingplicht een vrijstelling van box 2 verwerven?
Bij de zogenoemde optionele partiële buitenlandse belastingplicht vindt bij de belastingplichtige alleen een Nederlandse heffing plaats over het inkomen in box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen) voor zover Nederlands inkomen is genoten. Als sprake is van een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap zijn voordelen daaruit niet belast met inkomstenbelasting, aangezien ze op grond van de zogenoemde partiële belastingplicht (artikel 2.6 Wet inkomstenbelasting 2001) buiten beschouwing blijven. In de antwoorden op de vragen van de leden Maatoug en Stultiens (beiden GroenLinks-PvdA) van 30 mei 2024 heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat in die gevallen niet voldaan kan worden aan de aanmerkelijkbelangvariant.10 Met mijn ambtsvoorganger vind ik het ongewenst als belastingplichtigen bij de lucratiefbelangregeling kiezen voor de partiële buitenlandse belastingplicht in combinatie met een buitenlandse houdstervennootschap en daarbij voor de aanmerkelijkbelangvariant kiezen ter zake van in Nederland gerealiseerde lucratiefbelangvoordelen. Deze samenloop kan er niet toe leiden dat geen belastingheffing plaatsvindt ter zake van het lucratieve belang. Tegen de andersluidende oordelen van rechtbank Noord-Holland en Zeeland-West-Brabant heeft de Belastingdienst daarom terecht hoger beroep aangetekend.11
Als gevolg van het amendement Grinwis12, als onderdeel van het Belastingplan 2024, vervalt artikel 2.6 Wet IB 2001 per 2025. Dit leidt tot afschaffing van de keuzemogelijkheid voor de partiële buitenlandse belastingplicht en daarmee tot het vervallen van de vrijstelling van box 2 per genoemde datum voor deze belastingplichtigen. Bij de afschaffing van dit keuzerecht geldt overgangsrecht voor een periode van twee jaar. Hierdoor zal er in ieder geval vanaf 2027 geen discussie meer bestaan tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst over de constructie van de partiële buitenlandse belastingplicht in combinatie met de lucratiefbelangregeling.
Gaat u iets aan een dergelijke vrijstelling doen? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De brief van de Nederlandse Stichting Water- & Zwemveiligheid (NSWZ) betreft het verzoek tot heroverweging van de voorgenomen Btw-verhoging op zwemlessen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Karremans |
|
![]() |
Kent u de brief van de Nederlandse Stichting Water- & Zwemveiligheid (NSWZ) betreft het verzoek tot heroverweging van de voorgenomen Btw-verhoging op zwemlessen van 30 september jl.?
Ja.
Is er volgens u een significant verschil tussen zwemles van een commerciële partij en zwemles van een niet-commerciële partij? Zo ja, waar berust dit verschil op? Zo nee, hoe kijkt u dan tegen een Btw-verschil van 21 procentpunt aan?
Of er een verschil in kwaliteit of inhoud is tussen zwemles van een commerciële partij en zwemles van een niet-commerciële partij is voor de bepaling van het btw-tarief niet relevant. Voor de btw-heffing geldt dat het al dan niet beogen van winst het onderscheidende criterium is. Het is juist dat de btw-verhoging met name commerciële aanbieders raakt. Daarbij is het overigens niet zo dat door de btw-verhoging een verschil van 21 procentpunten ontstaat met niet-winst beogende ondernemers. In tegenstelling tot niet-winstbeogende ondernemers kunnen winst beogende ondernemers hun inkoop-btw namelijk in aftrek brengen waardoor het verschil kleiner is dan 21 procentpunten.
Beschouwt u zwemlessen voor het ABC-diploma als een essentiële vorm van onderwijs of als een onderdeel van sport?
Het is belangrijk dat iedereen in ons land kan leren zwemmen. Zwemles is echter geen onderdeel van het curriculum voor het funderend onderwijs. Wel is het mogelijk om via scholen elementen van het bewegingsonderwijs in een wateromgeving aan te leren. Dit is de zogenoemde natte gymles. Op dit moment laten het Ministerie van OCW en VWS op verzoek van uw Kamer enkele scenario’s onderzoeken voor de invoering van schoolzwemmen, onder andere in een variant waarbij schoolzwemmen «oude stijl» wordt heringevoerd in het primair onderwijs. Ik verwacht u de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2025 toe te kunnen sturen. Op basis daarvan en bezien in relatie tot het regeerprogramma kan een afweging gemaakt worden of zwemles weer onderdeel van onderwijs zou moeten worden of alleen onderdeel is van sport buiten het onderwijs om.
Verwacht u dat Btw-verhoging op zwemles van commerciële partijen stand houdt bij de rechter, gezien de rechterlijke uitspraak dat zwemles een onderwijsactiviteit is die essentieel is en niet gelijkgesteld kan worden aan sport?1
De verwachting is dat de btw-verhoging op zwemles standhoudt bij de rechter. Het Hof van Justitie van de EU heeft namelijk in zijn arrest van 21 oktober 2021 in de zaak C-373/19 (Dubrovin & Tröger GbR- Aquatics) bepaald dat zwemlessen van commerciële partijen niet onder de btw-vrijstelling voor onderwijsactiviteiten in de Europese btw-richtlijn (2006/112) vallen. Dit betekent dat wanneer commerciële partijen zwemlessen aanbieden, zij btw in rekening moeten brengen.
Is er gedegen onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van commerciële zwemlessen als gevolg van de Btw-verhoging? Zo nee, waarom niet?
In de ambtelijke fichebundel naar aanleiding van de evaluatie van het verlaagde btw-tarief2 is gekeken naar de verwachte impact van het afschaffen van het verlaagde tarief op, onder meer, zwemlessen. Hier is ingeschat dat de btw-verhoging bij gelijkblijvend overig beleid leidt tot een lichte afname van zwemlessen gegeven door winst-beogende instellingen. De mate hiervan is sterk afhankelijk van de mate van doorberekening van de btw-verhoging en de uiteindelijke prijsgevoeligheid voor zwemlessen. In veel gevallen bestaan er voor mensen uit lagere inkomensgroepen een gemeentelijke tegemoetkoming voor zwemlessen, wat de uiteindelijke impact verder dempt.
Wat is de prijselasticiteit van zwemles? In andere woorden, hoeveel van de Btw-verhoging wordt doorberekend aan de afnemers van de zwemles? En hoeveel duurder wordt de gemiddelde commerciële zwemles als gevolg van de Btw-verhoging?
De mate waarin de btw-verhoging wordt doorberekend aan de afnemers van de zwemles is lastig in te schatten. De reden hiervoor is dat zwemles zowel door winst-beogende als niet-winstbeogende partijen gegeven wordt en deze laatste aanbiedingswijze onder de btw-vrijstelling voor sport kan vallen en zal blijven vallen. Voor zwemlessen waar btw over geheven wordt, ligt het in de rede dat de prijs voor de afnemer zal toenemen door de btw-verhoging maar dit is ook afhankelijk van de uiteindelijke doorberekening in de prijzen voor consumenten. Zwemlessen aangeboden door gemeenten of organisaties zonder winstoogmerk in, bijvoorbeeld, gemeentelijke zwembaden kunnen onder de vrijstelling vallen waardoor de btw-verhoging hier niet zal leiden tot een prijsverhoging.
Verwacht u dat de «zorgwekkende trend» van prijsverhogingen en het afnemende aantal zwemdiploma’s onder kinderen met deze Btw-verhoging wordt doorbroken of juist versterkt? Is er zicht op het aantal kinderen dat door deze prijsstijging niet meer deel kan nemen aan de zwemles?
Het exacte aandeel kinderen dat niet of niet meer deel kan nemen aan zwemles als gevolg van de btw-verhoging is niet bekend. Wel zie ik dat in 2023 ruim 20.000 kinderen via het Jeugdfonds Sport en Cultuur voor een totaalbedrag van 7,8 miljoen euro ondersteuning hebben ontvangen om zwemles te volgen. Deze ondersteuning blijft ook in de toekomst beschikbaar.
Hoe groot is het deel van de zwemlessen voor het ABC-diploma dat door commerciële zwemaanbieders wordt aangeboden?
Door de grote diversiteit van zwemlesaanbieders in ons land is dit onbekend.
Wat zijn de effecten voor de prijs van zwemles voor mensen met een beperking? Uit cijfers van het Kenniscentrum Sport en Bewegen blijkt dat 44% van de mensen met een beperking Btw-belast sport, zijn er soortgelijke cijfers voor zwemles voor mensen met een beperking? Wat is uw oordeel over het feit dat zoveel mensen met een beperking waarschijnlijk meer moeten betalen voor hun zwemles?2
Er zijn geen cijfers beschikbaar die betrekking hebben op zwemles voor mensen met een beperking. Uit gesprekken met de sector blijkt echter wel dat veel kinderen uit het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs zwemles volgen via de onderwijsinstelling. Deze zwemlessen worden dus gegeven door organisaties zonder winstoogmerk en worden niet geraakt door de btw-verhoging.
Hoeveel zwembaden zijn nog in publieke handen? En hoeveel zijn eigendom van commerciële partijen?
Hetgeen u vraagt over de eigendomsverhouding van zwembaden in Nederland is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat voor het eind van dit jaar deze informatie wel bekend zal zijn aan de hand van nieuw onderzoek4 van het Mulier Instituut. Het Mulier Instituut rapporteerde vorig jaar5 dat in Nederland in totaal 1.838 zwembaden zijn. Zwembaden kunnen in handen zijn van de gemeente, een stichting en een NV of BV. Dit kan ook een NV of een BV zijn die volledig in eigendom is van de gemeente.
Kunt u inzichtelijk maken in welke gemeenten er enkel sprake is van commerciële zwemaanbieders, waardoor inwoners beperkte keuzevrijheid hebben?
Nee, dat is niet mogelijk omdat beperkt inzichtelijk is wat de exploitatievorm van de zwemaanbieders is (zie antwoord vraag 10). Het onderscheid tussen openbare en semi-openbare zwembaden wordt wel per VSG-regio bijgehouden. In Zuid-Limburg liggen de minste openbare zwembaden (0,3 per 25.000 inwoners) en in de regio’s IJsselland en Zeeland het meeste (1,6 per 25.000 inwoners)6.
Bent u bereid om het voorgenomen kabinetsbesluit van de Btw-verhoging op zwemles te heroverwegen gegeven de tweedeling die het creëert? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich ervan bewust dat het verhogen van het btw-tarief met zich meebrengt dat de kosten voor afnemers van zwemlessen kunnen toenemen.
Het Koninklijk Huis, de belastingvrijstelling en nevenfuncties |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
Schoof |
|
![]() |
Kunt u aangeven op welke manier de Belastingdienst invulling geeft aan het begrip «de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie» betreffende leden van het Koninklijk Huis die zijn vrijgesteld van belastingheffing op grond van artikel 40, tweede lid, van de Grondwet en in welke wet of regeling die zijn vastgelegd?
De in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, Grondwet genoemde specifieke vrijstelling voor vermogensbestanddelen die dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie heeft zijn feitelijke betekenis verloren toen de betreffende objecten in het verleden werden ondergebracht in stichtingen. Dit betreft de zogenaamde regalia zoals Kroon, scepter en het rijkszwaard die een puur ceremoniële functie hebben. Desbetreffende vermogensbestanddelen zijn geen eigendom (meer) van de leden van het Koninklijk Huis. Deze objecten zijn voor het Koninklijk Huis niet fiscaal relevant. Op de website https://www.koninklijkeverzamelingen.nl staat meer informatie over de betreffende stichtingen.
Zijn de leden van het Koninklijk Huis die vrijgesteld zijn van belastingen, belastingplichtig voor box 3 over vermogen dat niet onder de uitzondering in artikel 40, tweede lid, van de Grondwet valt?
Ja, alle uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis zijn vermogensrendementsheffing verschuldigd.
Indien er geen invulling gegeven is aan «de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie», wilt u daar dan via wet- of regelgeving invulling aan geven, uitleggen hoe u dat gaat doen en daarover binnen twee maanden aan de Kamer rapporteren? Zo nee, waarom niet?
Desbetreffende vermogensbestanddelen zijn ondergebracht in stichtingen en daarom geen eigendom (meer) van de leden van het Koninklijk Huis. Deze objecten zijn voor het Koninklijk Huis niet fiscaal relevant en niet in wet of regelgeving vastgelegd.
Heeft u kennis genomen van de uitspraken van mevrouw Spijker bij Renze dat bepaalde zaken, zoals de werkzaamheden van Koningin Máxima voor de Verenigde Naties, taboe zijn bij de uitzendingen?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Heeft de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) de afgelopen vijf jaar verzoeken gedaan aan journalisten om geen aandacht te schenken aan bepaalde zaken rondom het Koninklijk Huis die politiek relevant geacht kunnen worden en niets met bescherming van privacy van leden van het Koninklijk Huis te maken hebben? Zo ja, kunt u aangeven over welke onderwerpen het ging?
Nee, dat is niet gebeurd.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk twee werkdagen voor de begrotingsbehandeling van de Koning beantwoorden?
Ja.
Het accijnsbeleid |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de recente cijfers uit de accijnsmonitor, die aantonen dat de verkoop van tabaksproducten sinds juni fors is gedaald? Hoe verklaart u dit effect, terwijl het kabinet juist rekende op een stijging van de accijnsinkomsten?
Ik ben op de hoogte van de recente cijfers uit de Accijnsmonitor. De Accijnsmonitor is een initiatief van NSO (brancheorganisatie voor de tabaksdetailhandel) en TZN (brancheorganisatie voor de tabaks- en zoetwaren groothandel) en wordt gefinancierd door Phillip Morris Benelux en betreft dus geen door de Rijksoverheid uitgevoerde of geverifieerde analyse. Cijfers van de branche kunnen door ons niet geverifieerd worden. Op grond van het WHO-kaderverdrag is er voor de Rijksoverheid namelijk alleen ruimte voor contact met de tabakssector ten behoeve van de goede uitvoering van wet- en regelgeving. Daar is hier geen sprake van.
De daling van de verkopen van tabaksproducten in het eerste half jaar van 2024 is ook te zien in de opbrengsten van de tabaksaccijns. De accijnsopbrengsten nemen naar verwachting minder toe dan in eerste instantie was geraamd. Op basis van onder andere deze gegevens is de budgettaire raming van de tabaksaccijns in de Miljoennota 20251 aangepast ten opzichte van de budgettaire raming uit de Voorjaarsnota 20242.
Vooralsnog is nog onduidelijk welke factoren deze kleinere stijging in budgettaire opbrengst verklaren. De opbrengsten van de tabaksaccijns fluctueren namelijk sterk van jaar tot jaar. De effecten van verhogingen van de tabaksaccijns worden gemonitord. De resultaten van de onderzoeken zullen in het voorjaar van 2025 beschikbaar zijn.
Bent u op de hoogte van het fenomeen dat steeds meer Nederlanders hun sigaretten in het buitenland kopen, en acht u het wenselijk dat deze alternatieven aantrekkelijker zijn dan de aankoop van tabaksproducten in Nederland?
Ik behandel de vragen 2 en 3 gezamenlijk gezien de sterke samenhang van de beantwoording.
Ik ben op de hoogte van het fenomeen dat Nederlanders hun sigaretten in het buitenland kopen. Het staat consumenten vrij om over de grens aankopen te doen. Het doen van aankopen over de grens is op een interne markt met open grenzen, zoals de Europese Unie, heel normaal. Daarnaast is het mogelijk dat er op deze interne markt prijsverschillen ontstaan tussen de verschillende landen, wat tot gevolg heeft dat consumenten mogelijk kosten kunnen besparen door hun aankopen over de grens te doen. Dit is ook voor tabaksproducten het geval.
De verhoging van de tabaksaccijns per 1 april 2023 had als doel het bijdragen aan een rookvrije generatie per 2040.3 De verhoging van de tabaksaccijns maakt tabaksproducten minder aantrekkelijk doordat het de prijzen van daarvan laat stijgen, hetgeen een bewezen effectieve maatregel is om roken te verminderen. Afgelopen jaar heeft mijn voorganger een onderzoek uit laten voeren door de Douane en het RIVM naar de effecten van de accijnsverhoging van 1 april 2023. Uit het onderzoek van het RIVM komt naar voren dat na de verhoging van 1 april 2023 ongeveer 10% van de ondervraagde rokers is gestopt. Het onderzoek van de Douane, de Empty Pack Survey (EPS)4, laat echter ook een toename zien van het aandeel niet in Nederland veraccijnsde sigaretten van 15,3% in 2021 naar 25% in 2023. Dit percentage bestaat uit legale, in het buitenland gekochte sigaretten en illegale sigaretten. De toename van aankopen van tabaksproducten over de grens doet mogelijk af aan het hiervoor beschreven doel van de verhoging van de tabaksaccijns per 1 april 2023. Tabaksproducten die door consumenten niet meer in Nederland maar wel in andere landen worden gekocht, leveren immers geen gezondheidswinst op. De onderzoekers van het RIVM benadrukken daarom het belang van het streven naar verdere Europese harmonisatie van tabaksprijzen. Mijn ambtsvoorganger en de ambtsvoorganger van mijn collega, StasJPS, hebben per brief aangegeven zich hier in Europa verder voor in te zetten. Ik en mijn collega zetten dit beleid voort. Het blijft belangrijk dat de overheid roken zo snel en doeltreffend mogelijk terugdringt om de rookvrije generatie in 2040 te bereiken. Het is goed om bij iedere accijnsverhoging ook de grenseffecten en de gevolgen voor de aanpak van de illegale handel mee te wegen.
De tabaksaccijns is ook per 1 april 2024 verhoogd, deze verhoging had initieel eenzelfde doel als de verhoging per 1 april 2023, echter is de voorgenomen verhoging per 1 april 2024 uit het Belastingplan 2023 in het Belastingplan 2024 verder verhoogd om budgettaire redenen.5 De verhoging van 1 april 2024 is hiernaast ook per amendement verhoogd ten behoeve van een halvering van de voorgenomen verhoging van de alcoholaccijns.6 Ook de effecten van de verhoging per 1 april 2024 worden gemonitord. De resultaten hiervan verwacht ik in het voorjaar van 2025.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin rokers honderden euro’s kunnen besparen door sigaretten te kopen in Oost-Europese landen, zelfs wanneer zij kosten maken voor reis en verblijf? Vindt u dit een realistische en wenselijke uitkomst van het accijnsbeleid?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het acceptabel dat er als gevolg van de accijnsverhogingen een daling van de Nederlandse accijnsinkomsten is, terwijl rokers bijdragen aan de economieën van andere landen? Welke concrete maatregelen overweegt u om deze verliezen te beperken?
Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 1 is er sprake van een lagere opbrengst dan initieel geraamd. De specifieke oorzaak hiervan is nog onbekend en moet blijken uit nadere monitoring dit najaar. Het is denkbaar dat toenemende aankopen van tabaksproducten over de grens hierin een rol spelen. De onderzoekers van het RIVM benadrukken daarom het belang van het streven naar verdere Europese harmonisatie van tabaksprijzen. Samen met mijn collega van VWS zet ik mij hier in Europa verder voor in.
Hoe beoordeelt u het feit dat de accijnsverhogingen niet leiden tot minder roken, maar wel tot meer smokkel, illegale doorverkoop en het spekken van de economie van andere Europese landen?
Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vragen 2 en 3 laat onderzoek van het RIVM zien dat na de verhoging van 1 april 2023 ongeveer 10% van de ondervraagde rokers is gestopt. Hier tegenover staat dat uit het onderzoek van Douane een toename naar voren komt van het aandeel niet in Nederland veraccijnsde sigaretten van 15,3% in 2021 naar 25% in 2023. Het kabinet onderstreept het belang van het streven naar verdere Europese harmonisatie van tabaksprijzen en zet zich daar, net zoals voorgaande kabinetten, in Europees verband ook voor in.
Bent u bereid de accijnsverhogingen terug te draaien om de aantrekkingskracht van de aankoop van tabaksproducten in het buitenland te verminderen en de inkomsten voor de Nederlandse schatkist te beschermen, zodat Nederlanders zelf vrij kunnen kiezen om binnenlands tabaksproducten aan te schaffen?
In het hoofdlijnenakkoord is geen aanpassing van de tabaksaccijns opgenomen. Het kabinet is niet van plan om de tabaksaccijns te verhogen dan wel te verlagen.
Het bericht ‘Belastingdienst sluit nieuwe vermogenstaks in 2027 uit’ |
|
Elmar Vlottes (PVV) |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst sluit nieuwe vermogenstaks in 2027 uit»?1
Ja.
Klopt het dat invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2027 niet meer mogelijk is? Zo ja, wat zijn hier de voornaamste redenen van?
De hersteloperatie naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 legt de komende periode een groot beslag op de capaciteit van de Belastingdienst. Hierdoor heeft de Belastingdienst niet voldoende capaciteit beschikbaar om het toekomstige stelsel in de huidige vorm volledig te implementeren per 1 januari 2027.
Klopt het dat uit de beslisnota van 9 augustus 20242 blijkt dat de inwerkingtredingsdatum van de Wet werkelijk rendement Box 3 per 1 januari 2027 al niet meer mogelijk was?
De Belastingdienst heeft destijds aangegeven dat niet voldoende capaciteit beschikbaar is om het toekomstige stelsel in de huidige vorm volledig te implementeren per 1 januari 2027.
Klopt het dat u dit nieuws pas in uw brief van 20 september 20243 met de Kamer heeft gedeeld? Zo ja, waarom heeft dit zo lang geduurd?
Het gegeven dat rechtsherstel impact kan hebben op de planning van het toekomstige stelsel is niet nieuw. In de kamerbrief van 15 april jl.4 is aangegeven dat de overgang naar een systeem van heffing over het werkelijke rendement een grote impact heeft op de uitvoeringsprocessen en de ICT van de Belastingdienst. Daarbij is ook aangegeven dat mogelijk aanvullende herstelwerkzaamheden naar aanleiding van te verwachten arresten van de Hoge Raad gevolgen kunnen hebben voor de benodigde werkzaamheden en inwerkingtreding van het nieuwe stelsel. Ook is in deze brief aan uw Kamer gemeld dat de herstelwerkzaamheden noodzakelijkerwijs voorrang krijgen en ten koste zullen gaan van ICT-capaciteit voor de modernisering die benodigd is voor de invoering van het nieuwe stelsel.
Nu de arresten van de Hoge Raad op 6 juni jl. zijn gewezen, is het duidelijk dat de nieuwe hersteloperatie de komende periode een groot beslag zal leggen op de capaciteit van de Belastingdienst. De exacte gevolgen van de hersteloperatie worden in kaart gebracht door middel van de Uitvoeringstoets. Wel is duidelijk dat aanpassingen nodig zijn in de vormgeving van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 of in de planning daarvan. Daarom heb ik gevraagd te onderzoeken welke alternatieve invoeringsopties wel haalbaar zijn zodat samen met uw Kamer zorgvuldige besluitvorming over de opties kan plaatsvinden. Het onderzoek naar de alternatieven is nog niet afgerond. Daarmee is ook nog niet duidelijk welke alternatieven per wanneer uitvoerbaar zijn. Mijn voornemen is om uw Kamer te informeren zodra het onderzoek is afgerond en ik uw Kamer kan meenemen in de dilemma’s en voor- en nadelen van de verschillende opties. Met de brief van 20 september jl. heb ik uw Kamer alvast inzicht willen geven in het proces omdat hierover onduidelijkheden zijn ontstaan. Ik verwacht de uitkomsten van het onderzoek voor het einde van het jaar met uw Kamer te kunnen delen.
Kunt u aangeven wat de verwachte opbrengst en derving in 2027 zal zijn indien een nieuw box 3-stelsel niet operationeel is in 2027?
Als een stelsel op basis van werkelijk rendement pas na 2027 wordt ingevoerd, kan dit leiden tot een extra derving van circa 2 miljard euro per jaar. Dit komt door de juni-arresten van de Hoge Raad, als gevolg waarvan de huidige wetgeving, zolang deze niet gewijzigd wordt, minder opbrengt.
In uw interview van 17 september 2024 in het Financieel Dagblad stelt u dat het advies van de Raad van State mogelijk tot vertraging kan leiden4. Betekent dit dat er mogelijk nóg meer vertraging komt? Zo ja, hoeveel?
Ik heb in het interview verschillende scenario’s geschetst. Momenteel zijn we in afwachting van het advies van de Raad van State. Als het wetsvoorstel op bepaalde onderdelen gewijzigd moet worden, dan kost dat vanzelfsprekend tijd en kan dat leiden tot vertraging in het wetgevingsproces. De impact is sterk afhankelijk van het dictum en het advies van de Raad van State.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle mogelijke opties om inwerkingtreding per 1 januari 2027 te realiseren?
In het onderzoek wordt onder meer gekeken of er manieren zijn om het stelsel gefaseerd in te voeren. Bij het onderzoek is van belang dat de Belastingdienst voor de aanvullende hersteloperatie werkt aan een formulier waarmee belastingplichtigen hun werkelijke rendement kunnen opgeven, het formulier «opgaaf werkelijk rendement». Er wordt daarom onder meer bekeken of de (ICT)-investeringen in dit formulier gebruikt kunnen worden bij de implementatie van een stelsel op basis van werkelijk rendement. Bij het onderzoek is aandacht voor de juridische houdbaarheid, de gevolgen voor de burger op bijvoorbeeld het vlak van doenvermogen, de maakbaarheid en inpasbaarheid en andere uitvoeringsaspecten.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er niet nóg meer financiële tegenvallers komen en dat het nieuwe Box 3-stelsel per 1 januari 2027 kan worden ingevoerd?
Zoals gezegd worden momenteel alternatieve invoeringsopties onderzocht. Uitgangspunt van dit nog lopende onderzoek is dat per 1 januari 2027 een nieuw stelsel in box 3 wordt ingevoerd.
De echte gevolgen van de btw-verhoging op logies |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Folkert Idsinga (VVD), Beljaarts |
|
![]() |
Klopt het dat u er in de berekening over de verwachte inkomsten uit de btw-verhoging op logies van uitgaat dat de btw-verhoging neerslaat op het hele omzetbedrag bij hotels à 6,8 miljard euro?1
Nee, voor de raming wordt uitsluitend gekeken naar het gedeelte van de omzet dat ziet op de overnachtingen. Ook is er bij de raming rekening gehouden met zakelijke reizigers die hun btw in vooraftrek kunnen nemen en met het feit dat voor aanvullende diensten het btw-tarief ongewijzigd blijft. Het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op logiesverstrekking ziet op bredere dienstverlening dan uitsluitend hotels en pensions. Zo vallen naast hotels en pensions ook overnachtingen in vakantieparken en het ter beschikking stellen van kortdurend verblijf (short-stay) onder de tariefsverhoging. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld wordt verwacht dat het aandeel van hotels en pensions in de gehele opbrengst circa 33% bedraagt. De overige 67% wordt opgehaald bij andere vormen van logies.
Deelt u de analyse dat de btw-verhoging in de praktijk slechts bij 34,8% van de totale hotelomzet zal neerslaan, omdat zakenreizigers – 40% van de gasten – de btw kunnen terugvorderen en 36% van de hotelomzet bestaat uit andere diensten dan logies? Zo nee, waarom niet? Op welke exacte statistieken is de berekening van u gebaseerd?
Er is bij de raming rekening gehouden met zakelijke reizigers die hun btw in vooraftrek kunnen nemen en met het feit dat voor aanvullende diensten het btw-tarief ongewijzigd blijft. De basis voor deze ramingen zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar het bestedingsaandeel van logies in het totaal. Vervolgens is er aan de hand van aangiftegegevens gekeken welk deel van de bestedingen bij specifieke sectoren neerslaat.
Onderschrijft u de conclusie dat deze kleinere reikwijdte van de btw-verhoging resulteert in slechts 285 miljoen euro extra btw-inkomsten van hotels, in plaats van de geraamde 910 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat kan ik niet onderschrijven. Het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op logiesverstrekking ziet op een bredere productengroep dan uitsluitend hotels en pensions. Zo vallen naast hotels en pensions ook overnachtingen in vakantieparken en het ter beschikking stellen van kortdurend verblijf (short-stay) onder de tariefsverhoging. Het budgettaire belang van hotels en pensions bedraagt € 364 mln. van de totale opbrengst van de maatregel van € 1.110 mln. per jaar.
Onderschrijft u de aanname van ABN Amro dat door dalende omzet en de verhoogde btw hotels verlieslatend dreigen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk dat een btw-verhoging leidt tot een afname van de omzet waardoor de winstgevendheid van deze sector afneemt. Tegelijkertijd hangt de winst van meer factoren af dan uitsluitend de omzet en de belastingdruk en zal er binnen een sector sprake zijn van de nodige heterogeniteit. Sommige hotels zullen mogelijk hun bedrijfsvoering aanpassen, voor andere is sprake van een afname van de winst. Het is daarom niet vast te stellen wat het effect zal zijn van een btw-verhoging op de winstgevendheid op sectorniveau.
Deelt u de conclusie dat de winstbelasting die hotels betalen hierdoor af dreigt te nemen tot vrijwel nul? Zo nee, welke winstbelasting vanuit hotels verwacht het kabinet de komende jaren te ontvangen?
Zie antwoord op vraag 4.
Verwacht u per saldo een effect van nul op de vennootschapsbelastinginkomsten als gevolg van de btw-verhoging op logies?
Per saldo kan niet worden vastgesteld wat het effect van de btw-maatregel zal zijn op de vennootschapsbelasting (vpb). Zoals aangeven hangt het bedrijfsresultaat van ondernemingen in de hotelsector af van meerdere factoren waardoor er niet met zekerheid een inschatting gemaakt kan worden van de resultaten in deze sector en dus ook niet van de invloed op de vpb. Daarnaast zal een prijsverhoging waarschijnlijk leiden tot toegenomen consumptie van substituten voor hotels en van andere consumptie, wat ook een effect heeft op de vpb-inkomsten.
Welke gevolgen verwacht u van het verhogen van de btw op logies, terwijl ons omringende landen zoals België, Duitsland en Frankrijk een tarief tussen de 6% en 10% hanteren? Wat verwacht u dat de verhoogde btw doet voor de concurrentiepositie van logiesverstrekkers (anders dan hotels) in de grensprovincies?
Een hogere consumentenprijs voor overnachtingen in Nederland kan leiden tot een afname van de vraag en een toename in de vraag naar buitenlandse overnachtingen. De mate waarin de btw-verhoging leidt tot een hogere prijs is afhankelijk van de mate van doorberekening. Naast de prijs is een eventuele uitwijk naar het buitenland ook afhankelijk van een groot aantal factoren zoals eventuele verschillen in de taal, cultuur en natuur. Zo kunnen consumenten er alsnog voor kiezen om in Nederland te overnachten wegens de natuur of de cultuur van een bepaalde regio. Daarbij moet ook bedacht worden dat de Nederlandse toeristische markt nog steeds aantrekkelijk is voor toeristen waarbij die aantrekkelijkheid niet alleen aan het prijsniveau is toe te schrijven.
Bent u bereid alsnog een grenstoets uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals aangegeven is het erg complex om te bepalen welke factoren doorslaggevend zijn bij de verblijfskeuze van consumenten. De prijs speelt hierin een rol, maar of dit doorslaggevend is voor een consument die bijvoorbeeld geïnteresseerd is in het ontdekken van een bepaalde plaats in een grensregio, is niet in cijfers te vatten.
Bent u bereid met horeca-ondernemers in de grensregio’s in gesprek te gaan en te bezien op welke wijze u aan hun zorgen tegemoet kan komen?
In de aanloop naar de btw-verhoging is gesproken met vertegenwoordigers van de horecasector. In die gesprekken heeft de sector duidelijk gemaakt welke problemen zij op zich af zien komen als gevolg van de btw-verhoging.
Wat is uw reactie op onderzoek waaruit blijkt dat meer mensen naar het buitenland op vakantie overwegen te gaan als gevolg van deze btw-verhoging? Hoe verhouden deze uitkomsten zich tot de aannames waar de budgettaire en beleidsmatige inschattingen van het kabinet eerder op gebaseerd waren?2
Uit het onderzoek van Ipsos in opdracht van HISWA-RECRON blijkt dat de helft van de bevraagden aangeeft minder vaak in Nederland op vakantie te zullen gaan door een prijsstijging van 12%-punt door de btw-verhoging. Het is mogelijk dat mensen ervoor zullen kiezen om vaker in het buitenland op vakantie te gaan omdat de prijs een factor is bij de keuzes die consumenten maken en hier is ook in de raming en in de beleidsoverweging rekening mee gehouden. Overigens leidt de btw-verhoging tot een prijsstijging van 11% (121/109) als de btw-verhoging volledig wordt doorberekend in de prijzen. Daarnaast is denkbaar dat de btw-verhoging niet volledig wordt doorberekend in de consumentenprijs.
Hoe verhoudt de btw-verhoging op logies zich tot het feit dat verhuur via Airbnb (zowel particulier als commercieel) niet wordt belast? Welke effecten verwacht u van de toename van dit verschil in lastendruk? En hoe beoordeelt u die effecten vanuit maatschappelijk en economisch perspectief?
Ook logiesverstrekking via Airbnb is in beginsel btw-belast. Iedereen die op regelmatige basis een verblijfsruimte kortdurend verhuurt, kwalificeert hiervoor als ondernemer voor de btw-heffing. Als de omzet van de verhuurder op jaarbasis minder bedraagt dan € 20.000 kan de verhuurder een beroep doen op de vrijstelling van de kleineondernemersregeling. In alle andere gevallen zal ook deze vorm van verhuur onder het algemene tarief gaan vallen. De kleineondernemersregeling geldt overigens voor alle btw-ondernemers dus ook voor ondernemers die een (klein) hotel of pension exploiteren. Gebruikmakend van de kleineondernemersregeling is het niet mogelijk om btw-vooraftrek te claimen.
Deelt u de verwachting dat ook overige logiesverstrekkers (anders dan hotels) hun winst zullen zien teruglopen en dat daardoor ook inkomsten vanuit de vennootschapsbelasting zullen teruglopen? Zo ja, deelt u het beeld dat dit gaat om een afname van 111 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
Deze verwachting wordt niet gedeeld. Het is mogelijk dat een btw-verhoging leidt tot een afname van de omzet waardoor de winstgevendheid van een specifieke sector afneemt. Tegelijkertijd hangt winst van een groot aantal factoren af. Zo kan een onderneming meerdere activiteiten uitoefenen en zou een minder winstgevende activiteit gedempt kunnen worden door een hogere winstgevendheid van een andere activiteit als gevolg van een stijging van de koopkracht. Het is daarom niet vast te stellen wat het effect zal zijn van een btw-verhoging op de winstgevendheid.
Deelt u de inschatting dat het zeer waarschijnlijk is dat de verwachte inkomsten uit de btw-verhoging op logies fors zal tegenvallen en dat dit zal leiden tot een financiële tegenvaller voor het kabinet? Zo nee, waarom niet? Welke per saldo opbrengst voor de schatkist verwacht het kabinet van deze btw-verhoging?
Deze inschatting wordt niet gedeeld. De opbrengsten van de btw-verhoging op logies worden geraamd op € 1.110 mln. per jaar. In deze raming is rekening gehouden met zakelijke reizigers en aanverwante diensten. Deze raming is reeds gecertificeerd door het Centraal Planbureau dat de raming heeft beoordeeld als redelijk en neutraal.
Hoe apprecieert u de kritiek van de Raad van State en fiscalisten op de btw-verhoging op logies, waarbij wordt gesteld dat waarschijnlijk de fiscale neutraliteit wordt geschonden vanwege de ongelijke behandeling van vergelijkbare diensten, zoals kamperen en het huren van een vooraf opgezette tent?
Er zijn duidelijke verschillen tussen het verstrekken van logies en het gelegenheid geven tot kamperen die voorkomen dat deze vormen van dienstverlening in de ogen van de modale consument met elkaar in concurrentie treden. Zo is er bij verstrekking van logies sprake van verblijfsruimten die zijn toegerust om daarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris (zie bijv. Hoge Raad 26 januari 2007 nr. 41.917), terwijl bij het geven van gelegenheid tot kamperen een plek ter beschikking wordt gesteld om op te kamperen. Mede gelet op de zogenoemde fiscale neutraliteit is de verhuur van compleet ingerichte tenten en (sta)caravans te kwalificeren als het verstrekken van logies waarvoor eveneens het algemene btw-tarief gaat gelden. Ook is er bijvoorbeeld onderscheid in serviceniveau bij de twee typen diensten. De maatregelen vallen binnen de beleidsruimte en bevoegdheden die Nederland op grond van de Btw-richtlijn heeft.
Deelt u het beeld dat vooral mensen met een kleinere portemonnee worden geraakt door de btw-verhoging en de daaruit volgende prijsstijgingen, omdat juist zij vaker in eigen land op vakantie gaan?3
Uit cijfers van het CBS blijkt dat lagere inkomenskwartielen niet vaker op vakantie gaan in Nederland dan hogere inkomenskwartielen, zie ook de tabel hieronder. Over het algemeen geldt dat hogere inkomens vaker op vakantie gaan, zowel in Nederland als in het buitenland. Hierdoor slaat de btw-verhoging met name neer bij hogere inkomens.
Aantal vakanties in Nederland
Aantal vakanties in buitenland
Aantal vakanties in Totaal
Aandeel vakanties in Nederland
Kwartiel 1
2 320 000
1 308 000
3 628 000
64%
Kwartiel 2
3 940 000
1 551 000
5 491 000
72%
Kwartiel 3
5 862 000
2 396 000
8 258 000
71%
Kwartiel 4
9 318 000
4 991 000
14 309 000
65%
Welke impact voorziet u voor scholen, sportvereniging, scouting en dergelijke, die gebruik maken van groepsaccommodaties? Bent u voornemens om richting deze doelgroepen iets te ondernemen om hen te helpen deze gevolgen op te vangen? Zo nee, waarom niet?
Als gevolg van de voorgenomen btw-verhoging kan de prijs voor overnachtingen stijgen. Het kabinet voorziet niet in een tegemoetkoming voor de genoemde partijen. Het is gebruikelijk dat scholen, sportverenigingen, scouting en dergelijke zelf, binnen de voor hen beschikbare middelen, afwegingen maken over de besteding daarvan.
Erkent u dat veel ondernemers de btw-verhoging niet volledig zullen kunnen doorberekenen en daardoor nog verder op hun eigen marges zullen inleveren? Erkent u dat dit – samen met de naweeën van corona – ondernemers over het randje kan duwen? Hoeveel faillissementen verwacht u als gevolg van deze keuzes en hoeveel acht u acceptabel?
Het is niet mogelijk om het effect van de btw maatregel op faillissementen te kwantificeren. Het is mogelijk dat de btw-verhoging maar gedeeltelijk wordt doorberekend aan consumenten wat betekent dat ondernemers in dat geval een deel van de verhoging voor hun rekening nemen. Dit kan leiden tot kleinere marges. Tegelijkertijd zijn ook veel andere factoren van invloed op de winsten van de ondernemers in de logiessector, zoals de aantrekkelijkheid van Nederland als vakantieland en het weer. In welke mate dit uiteindelijk doorwerkt in faillissementen is onzeker omdat faillissementen kunnen ontstaan door veel verschillende redenen. Cijfers van het CBS laten zien dat het resultaat voor belasting van bedrijven in logiesverstrekkingen in 2022 op het niveau was van 2019.
Wat betekent het verhogen van de btw voor de financiële ruimte bij ondernemers om bij te dragen aan andere maatschappelijke belangen, zoals verduurzaming, innovatie en het bieden van een goed loon?
Iedere ondernemer maakt binnen de voor hem beschikbare middelen afwegingen over zijn bestedingen. De btw-verhoging zou de marges van ondernemers kunnen verkleinen. De financiële gevolgen en keuzes die een ondernemer daaraan verbindt, vallen binnen zijn eigen bewegingsruimte. Het is denkbaar dat een lagere marge leidt tot een verminderde bijdrage aan maatschappelijke belangen. Het is evenzeer denkbaar dat een besparing of opbrengst op een ander front de bijdrage in stand houdt.
Wat betekent de btw-verhoging op logies voor aanpalende sectoren, zoals schoonmaakbedrijven, cateringbedrijven, wasfaciliteiten en andere toeleveranciers van ondernemingen die zullen worden geraakt? Op welke wijze zijn deze effecten in het totale budgettaire effect opgenomen?
Bij de raming van de opbrengst van de maatregel wordt alleen gekeken naar eerste orde effecten. Dit betekent dat tweede en derde orde effecten zoals het effect op andere sectoren niet worden meegenomen in de berekening van het budgettaire effect dat optreedt als direct gevolg van de maatregel. In de macro economische ramingen van het CPB wordt wel rekening gehouden met het inflatoire effect van deze maatregel op de bredere economie.
Kunt u inhoudelijk toelichten waarom de btw-verhoging op logies niet is opgenomen in een afzonderlijk wetsvoorstel, zoals de Raad van State adviseert?4 Waarom is het negatieve koopkrachteffect van deze btw-verhoging dat het kabinet klaarblijkelijk wenst te realiseren precies doorslaggevend om niet een los wetsvoorstel aan de Kamer te zenden (Kamerstuk 36 602, nr. 4)?
Deze vraag heeft mij via verschillende wegen bereikt. Zo wordt in de aangenomen motie van het Lid Van Meenen (D66)5 verzocht om de voorgenomen maatregel «opheffen meerdere posten verlaagd btw-tarief» in een separaat wetsvoorstel op te nemen en aan de Kamers aan te bieden. Voor de beantwoording van deze vraag wil ik verwijzen naar de kabinetsreactie op de motie van het Lid Van Meenen6 en de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan.
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten geen mkb-toets uit te voeren voor de btw-verhoging Kamerstuk 36 202, nr. 149?5
Het kabinet heeft ervoor gekozen om geen impact-analyse uit te voeren. Het effect van de btw-maatregelen wordt wel gemonitord. Direct na invoering zal het kabinet een eerste analyse doen van de korte-termijnimpact van deze maatregelen. Vervolgens zal er in 2028 ex post evaluatie plaatsvinden.
Kan een opzet – methodiek, criteria waar op gelet zal worden, etc. – met de Kamer worden gedeeld van de onderzoeken die het kabinet voornemens is te doen, aldus de premier (Kamerstuk 2024D34222)?
Gezien de verwachte impact van de maatregel zullen vanaf 2026 de effecten worden gemonitord en zullen deze door een ex-post evaluatie in 2028 worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer. In deze evaluatie zal gekeken worden naar in hoeverre de btw-verhoging wordt doorberekend in consumentenprijzen (op moment van en kort na invoering) en wat de vraageffecten zijn over een langere periode. Daarbij zou voor het vaststellen van de effecten een vergelijking gemaakt kunnen worden tussen de getroffen en uitgezonderde sectoren (attractieparken, kampeerterreinen, bioscopen, etc.). Hiervoor zal ruim vóór invoering van de maatregel een nulmeting worden gemaakt met behulp van sectorale gegevens (van het CBS). Daarnaast zal er na invoering een eerste analyse gedaan worden van de kortetermijnimpact van deze maatregelen.
Wat is uw reactie op het nieuws dat volgens de betrokkenen zelf tijdens de formatie «op een middag» is besloten om de btw op logies te verhogen? Snapt u dat dit voor veel ondernemers nogal ontluisterend nieuws was?6
Het is aan het kabinet om voorstellen voor te bereiden en voor te leggen voor politieke besluitvorming. Het nemen van een politiek besluit is doorgaans onderdeel van een langdurig proces waarin zorgvuldige afwegingen worden gemaakt. Wetswijzigingen worden in zowel de Tweede als de Eerste Kamer besproken. Het kabinet zet met deze politieke beslissing een duidelijke lijn in van vereenvoudiging van het belastingstelsel en kiest er daarnaast voor een btw-verhoging in te zetten om zijn overige plannen te financieren.
Bent u bereid om alsnog een impactanalyse voor de btw-verhoging op logies uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, in aanloop naar het afschaffen van het verlaagde btw-tarief zal er geen additionele impact-analyse worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de evaluatie van het verlaagde btw-tarief is er een ambtelijke fichebundel opgesteld waar de eerste gevolgen van een btw-verhoging op logies is verkend.9
Het artikel 'Enorme ozb-verhoging Amsterdam: ’Middenklasse maximaal uitgekleed’' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Folkert Idsinga (VVD), Eelco Heinen (VVD), Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Enorme ozb-verhoging Amsterdam: «Middenklasse maximaal uitgekleed»»?1
Ja
Wat vindt u ervan dat het Amsterdamse college de lasten voor huizenbezitter in een jaar met ongeveer een kwart verhoogd?
Ik begrijp de zorgen die er zijn over de voorstellen van het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders om de OZB te verhogen.
Echter, het is van uit staatsrechtelijk perspectief niet gepast om als bewindspersoon te treden in een discussie over de lokale lasten in een specifieke gemeente. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen. Voor de volledigheid, het is niet het Amsterdamse college maar de gekozen gemeenteraad die de hoogte van de lokale lasten vaststelt.
Zoals gezegd, ik begrijp uw zorgen, het kabinet zal dan ook, zoals in het regeerprogramma staat aangegeven, spoedig met gemeenten in gesprek gaan en met hen onderzoeken of en hoe we de stijging van de gemeentelijke woonlasten (OZB) kunnen maximeren.
Wat vindt u ervan dat inclusief waterschapsbelasting Amsterdamse gezinnen er ongeveer € 200 per jaar op achteruit gaan in een jaar tijd?
Zoals bij vraag 2 aangegeven, ik begrijp de zorgen over het voornemen van het Amsterdams college de OZB te verhogen.
Klopt het dat ook de parkeerkosten voor veel Amsterdammers stijgen en er steeds meer gebieden worden aangewezen waar betaald parkeren wordt ingevoerd? Vindt u dat de onderbouwing daarvoor voldoet aan de voorwaarden zoals voorgeschreven in de gemeentewet?
Parkeerbelasting is voor gemeenten een belangrijk beleidsinstrument om de leefbaarheid en toegankelijkheid van gemeenten te sturen. Artikel 225 van de Gemeentewet bepaalt dat een parkeerbelasting kan worden ingevoerd in het kader van parkeerregulering. Dit artikel bepaalt tevens van welke zaken het tarief afhankelijk kan worden gesteld. Ik heb geen aanwijzingen dat de parkeerregulering van Amsterdam buiten deze wettelijke kaders treedt.
Hoe verhoudt deze forse verhoging zich tot andere gemeenten? Wat betekent dit voor de koopkracht van Amsterdamse middeninkomens, ook met oog op de unieke hoge erfpachtlasten voor veel Amsterdamse woningbezitters?
De landelijke woonlasten en die op gemeentelijk niveau voor het jaar 2025 zullen door het COELO bij de Atlas lokale lasten 2025 in kaart worden gebracht. Dit overzicht is nu dan ook nog niet bekend.
Voor het jaar 2024 geldt dat uit de Atlas lokale lasten 2024 van het COELO blijkt dat huurders (meerpersoonshuishouden) in 2024 gemiddeld € 457,– aan woonlasten betalen en eigenaar-bewoners (meerpersoonshuishouden) € 994,–.
Op basis van de Atlas lokale lasten 2024 blijkt dat in Amsterdam huurders (meerpersoonshuishouden) in 2024 gemiddeld € 469,– aan gemeentelijke woonlasten betalen en eigenaar-bewoners (meerpersoonshuishouden) € 944,–.
Erfpacht is geen gemeentelijke belasting. Het is een zakelijk recht dat de gebruiker (erfpachter) de bevoegdheid geeft om de onroerende zaak van een ander (erfverpachter) te houden en te gebruiken. Het is gebonden aan de onroerende zaak waarop het is gevestigd. Erfpacht is daarmee onlosmakelijk verbonden met het vastgoed. Een groot deel van de Amsterdamse woningen staat op grond in eigendom van de gemeente en is in erfpacht uitgegeven. De prijzen van koopwoningen, en daarmee ook woningen op erfpacht, zijn hoog in Amsterdam. De hoogte van de erfpachtlasten verschillen binnen Amsterdam aanzienlijk omdat deze afhankelijk zijn van het jaar dat de grond is uitgegeven, de algemene bepalingen die van toepassing zijn, of er een herziening heeft plaats gevonden en of de canon (de periodieke erfpachtkosten) vaststaat, geïndexeerd wordt of is afgekocht. Ik beschik niet over gegevens over de hoogte van de erfpachtlasten in Amsterdam.
Wat betekent de ontwikkeling van lokale lasten in brede zin voor de koopkracht van hardwerkende Nederlanders?
Zoals bij vraag 5 aangegeven, de landelijke woonlasten en die op gemeentelijk niveau voor het jaar 2025 zullen door het COELO bij de Atlas lokale lasten 2025 in kaart worden gebracht.
Op basis van de Atlassen lokale lasten van eerdere jaren is onderstaand de ontwikkeling over de periode 2020–2024 van de gemeentelijke woonlasten weergegeven.
Gemiddelde woonlasten
Huurders (meerpersoonshuishouden)
Eigenaar bewoner
(meerpersoonshuishouden)
2020
€ 389,–
€ 777,–
2021
€ 411,–
€ 811,–
2022
€ 424,–
€ 904,–
2023
€ 436,–
€ 944,–
2024
€ 457,–
€ 994,–
Bron: COELO Atlassen van de lokale lasten jaren 2020 t/m 2024
Kunt u een overzicht geven van de kostenstijgingen in relatie tot lokale lasten waar Amsterdamse huishoudens mee te maken krijgen?
Zoals bij vraag 5 aangegeven, de landelijke woonlasten en die op gemeentelijk niveau voor het jaar 2025 zullen door het COELO bij de Atlas lokale lasten 2025 in kaart worden gebracht. Dit overzicht is nu dan ook nog niet bekend.
Uit het artikel «Enorme ozb-verhoging Amsterdam: «Middenklasse maximaal uitgekleed»»?2 maak ik op dat de OZB in Amsterdam gemiddeld genomen per woning met € 85,– stijgt en Amsterdam de afvalstoffenheffing niet verhoogt als de gemeenteraad hier mee instemt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Amsterdamse college om uitleg te vragen over de verhouding tussen de landelijke wens om de OZB-stijging te maximeren en deze forse verhoging?
Zoals bij vraag 2 aangegeven zal het kabinet, zoals in het regeerprogramma staat aangegeven met gemeenten in gesprek gaan en met hen onderzoeken of en hoe we de stijging van de gemeentelijke woonlasten (OZB) kunnen maximeren.
Zoals bij vraag 2 ook aangegeven ga ik niet treden in een discussie die thuishoort op het niveau van de gemeentelijke politiek.
Kunt u zo spoedig mogelijk uitvoering geven aan het regeerprogramma en met gemeenten in gesprek gaan over het maximeren van de OZB-stijging?
Ja, het kabinet zal hier zo spoedig mogelijk uitvoering aan geven.
Welke stappen gaat u in de komende tijd ondernemen om de OZB-stijging te maximeren?
Zoals in het regeerprogramma staat aangegeven gaan we met gemeenten in gesprek en onderzoeken we met hen of en hoe we de stijging van de gemeentelijke woonlasten (OZB) kunnen maximeren.
Bent u bekend met het onderzoek van SOMO over de kosten van het afschaffen van de belasting op de inkoop van eigen aandelen?
Ja.
Kunt u aangeven op welke brondata de huidige raming is gebaseerd?
De afschaffing van de inkoopfaciliteit per 1 januari 2025 is geregeld door middel van het door de vorige samenstelling van uw Kamer aangenomen amendement Van der Lee c.s.1 op het Belastingplan 2024. De raming van het budgettaire effect van dit amendement is gebaseerd op openbare brondata over de totale omvang van de aandeleninkoop van aan de AEX genoteerde ondernemingen2. Deze data is in het najaar van 2023 geraadpleegd. Dit was op dat moment de best toegankelijke verifieerbare bron voor een schatting van de gemiddelde omvang van aandeleninkoop over een lange periode. Tegelijk had deze bron beperkingen omdat uit deze bron niet blijkt of werkelijk gebruik is gemaakt van de inkoopfaciliteit en wat precies de bijbehorende grondslag is. Het genoemde bedrag geeft derhalve slechts aan wat de omvang is van de aandeleninkoop maar specificeert niet welk deel door toepassing van de inkoopfaciliteit vrijgesteld is voor de dividendbelasting. Deze omvang is ook niet bekend bij de Belastingdienst omdat deze informatie niet in alle gevallen hoeft te worden opgegeven door beursfondsen.3 Een andere beperking is dat aan de AEX genoteerde ondernemingen niet volledig overeenkomen met de groep ondernemingen waarop de maatregel betrekking heeft. Er zijn namelijk enkele AEX-fondsen die niet fiscaal in Nederland zijn gevestigd en omgekeerd zijn er ook enkele ondernemingen die alleen een buitenlandse beursnotering hebben maar wel fiscaal in Nederland zijn gevestigd. Daarnaast is brondata over de dividendbelasting gebruikt om een schatting te maken welk gedeelte van de aandeelhouders is vrijgesteld van dividendbelasting en welk gedeelte van de dividendbelasting wordt verrekend.
Hoe reageert u op de vaststelling van SOMO dat de tot nu toe gehanteerde raming van bovengenoemde kosten gebaseerd is op onvolledige data, terwijl uitgebreidere data wel beschikbaar zijn?
Ten tijde van het ramen van het budgettair effect van de maatregel was er geen andere informatie voorhanden. Ik verwijs in dit kader ook naar het antwoord op vraag 2.
Waarop zijn de gedragseffecten die verondersteld worden in de eerder gedeelde raming gebaseerd?
Belastingramingen en de bijbehorende gedragseffecten zijn inherent onzeker. Voor deze raming specifiek geldt aanvullend dat de gedragsreactie van individuele fondsen een grote impact kan hebben op de daadwerkelijke uitkomst. In de raming is ervoor gekozen om een generieke afslag te hanteren. Dit betreft een afslag van 70% ten opzichte van de situatie waarin de volledige inkoop zou worden voortgezet en fondsen de kosten hiervan middels brutering voor eigen rekening zouden nemen. Een achterliggende aanname is dat een klein deel van de bedrijven (circa 20%) de inkoop zou voortzetten. Van de overige fondsen werd verondersteld dat circa de helft de inkoop zou vervangen door dividenduitkeringen of alternatieven met een vergelijkbare opbrengst. Omdat de omvang van verschillende gedragsreacties moeilijk is in te schatten, is in de onderliggende aannames aangesloten bij de vuistregelpercentages van 20% en 50%. Dividend uitkeren leidt in de regel tot een fors lagere opbrengst dan de daadwerkelijk aangegeven dividendbelasting over de uitkering doordat een deel van de buitenlandse aandeelhouders recht hebben op teruggaaf vanwege verdragsbepalingen. Uit aangiftedata volgt dat dit gemiddeld circa 30% van de totale aangegeven dividendbelasting is. Ook is op basis van aangiftegegevens bekend dat gemiddeld genomen ruim 50% van de dividendbelasting verrekend wordt in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Deze percentages verschillen per fonds, omdat de raming was gebaseerd op de totale omvang van aandeleninkoop is daarbij gerekend met de gemiddelden. Vervolgens is het totale gedragseffect afgerond op 70% om schijnprecisie te vermijden. Merk op dat andere verhoudingen tussen onderliggende gedragsreacties, bijvoorbeeld een beperktere voortzetting van inkoop eigen aandelen en een grotere vervanging van inkoop door extra dividenduitkeringen, kunnen leiden tot een vergelijkbaar totaal budgettair gedragseffect. Door uit te gaan van een afgerond totaal gedragseffect wordt tevens recht gedaan aan een kleine kans op grotere derving bij verandering van de fiscale vestigingsplaats van fondsen.
In hoeverre acht u deze gedragseffecten realistisch? Bent u bereid deze gedragseffecten beter te laten onderzoeken?
Ik stel voorop dat er verschillende partijen zijn die uiteenlopende ramingen hebben opgesteld. De vragen refereren aan het SOMO onderzoek. Ook Stichting Economisch Onderzoek (SEO) heeft, in opdracht van VNO-NCW, een schatting gemaakt4. SOMO gaat uit van een hoger geraamde opbrengst, terwijl SEO uitgaat van een lagere opbrengst. Deze uiteenlopende ramingen benadrukken dat ramingen over belastinginkomsten inherent onzeker zijn. Dit komt met name door de gedragseffecten waarmee rekening wordt gehouden. Dat blijkt ook uit de onderzoeken van SOMO en SEO, waarbij het ene onderzoek met grotere gedragseffecten rekent en het andere juist met kleinere gedragseffecten. De raming voor het amendement Van der Lee c.s. gehanteerde aannames zijn de beste inschatting die op basis van de toen aanwezige data op dat moment gemaakt kon worden. Ook het CPB kwam tot deze conclusie. Omdat het kabinet heeft besloten de inkoopfaciliteit te behouden voordat afschaffing heeft plaatsgevonden en de eerder geraamde budgettaire opbrengst is uitgeboekt, is er geen directe aanleiding om gedragseffecten van deze maatregel nader te onderzoeken. Dat andere partijen tot andere schattingen zijn gekomen, betekent derhalve niet dat er een lagere of hogere opbrengst is waarmee budgettair rekening zou moeten worden gehouden. Met de afschaffing van de inkoopfaciliteit was een bedrag van € 800 miljoen geraamd. Ditzelfde bedrag is ook het bedrag dat samenhangt met het behouden van de inkoopfaciliteit.
Bent u het ermee eens dat een nieuwe raming mét gebruik van een meer volledige dataset en nieuw onderzoek naar de veronderstelde gedragseffecten noodzakelijk is? Kunt u het Centraal Planbureau (CPB) verzoeken deze nieuwe raming te maken en deze vóór de behandeling van het Belastingplan 2025 naar de Kamer te sturen?
Zoals hiervoor opgemerkt, is er vanwege het behouden van de inkoopfaciliteit geen aanleiding om een nieuw onderzoek te doen naar gedragseffecten of een nieuwe raming te maken. Dat neemt niet weg dat ik het verstandig acht om met het oog op eventuele toekomstige beleidsmaatregelen te bezien in hoeverre de onderzoeken van SOMO en SEO nieuwe inzichten hebben opgeleverd die relevant kunnen zijn voor de budgettaire raming. Ik zal hiervoor met zowel SOMO als SEO in gesprek treden.
Het bericht ‘Rechter vreest nieuw toeslagenschandaal’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Achahbar |
|
![]() |
Wat vindt u van de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, dat de opstelling van de Belastingdienst en Raad van State inzake de notariële-akte-eis bij informele schulden een herhaling lijkt te zijn van hoe het toeslagenschandaal begon: de Belastingdienst die zich rigide opstelt en daarin uiteindelijk gelijk krijgt van de Raad van State, waarbij naar oordeel van deze rechtbank wederom te weinig oog voor de praktijk van de alledaagse werkelijkheid is?1
Door de opname van de hardheidsclausule in artikel 9.1 Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) heeft de wetgever bewust ruimte geboden aan bestuursorganen om af te wijken van bepaalde onderdelen in de Wht als toepassing daarvan tot een zeer onbillijke uitkomst leidt2. De hardheidsclausule kan ook worden toegepast als het niet overnemen van een informele schuld zou leiden tot een schrijnende situatie met een zeer onbillijke uitkomst.
Wat vindt u van de kritiek van de rechter die luidt dat: «de mogelijkheden voor erkende gedupeerden om gecompenseerd en/of geholpen te worden zijn een wirwar geworden van zeer langdurige procedures»?
Ik ben me ervan bewust dat veel gedupeerde ouders de hersteloperatie als een langdurige procedure ervaren. Er zijn inmiddels meerdere compensatieregelingen voor verschillende groepen die te maken hebben gehad met de problemen met de kinderopvangtoeslag (ouders, ex-toeslagpartners, kinderen, nabestaanden). Deze regelingen zijn er allemaal op gericht om ruimhartig te compenseren voor gemaakte fouten en geleden schade te vergoeden.
Het is de ambitie van dit kabinet dat uiterlijk eind volgend jaar alle ouders hun integrale beoordeling hebben gekregen. Op dit moment geldt dat al voor ruim 50.000 van ruim 69.000 aangemelde ouders de integrale beoordeling is afgerond. Uiterlijk eind 2027 hebben ook de laatste ouders die recht op aanvullende compensatie van de werkelijke schade zijn gecompenseerd.3
Ook hebben alle gedupeerde ouders en ex-toeslagpartners recht op de schuldenaanpak. Inmiddels is 96% van de publieke schulden van gedupeerde ouders en (ex)toeslagpartners kwijtgescholden en 94% van de opeisbare betalingsachterstanden op private schulden overgenomen. Naast het financieel herstel en de brede ondersteuning door gemeenten staat het herstel op emotioneel vlak en mentaal welzijn de komende jaren in de hersteloperatie centraal. Ook hier gaat het kabinet nadrukkelijk op inzetten.
Hoe wilt u gehoor geven aan de oproep van de Amsterdamse rechter om het niet zo ver te laten komen dat we over een paar jaar een tweede parlementaire enquête hebben over de toeslagenaffaire, maar nu over de afhandeling ervan?
Zie antwoord vraag 2.
Wat ziet u voor oplossingen om de patronen te doorbreken van een te rigide opstelling van de overheid in alle onderdelen van de hersteloperatie van het toeslagenschandaal, zodat gedupeerden eindelijk het gevoel krijgen hersteld te worden?
Zie antwoord vraag 2.
Belastingverdragen |
|
Senna Maatoug (GL), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
![]() ![]() |
Deelt u de mening dat de belastingverdragen die Nederland heeft met de laagbelastende jurisdicties (LBJ’s) Bahrein, Barbados en Panama afdoen aan de effectiviteit van de Wet bronbelasting 2021 vanwege de daarin opgenomen uitzondering voor verdragslanden?
De Wet bronbelasting 2021 kan in beginsel worden toegepast als er sprake is van rente-, royalty- en dividendbetalingen aan gelieerde lichamen in geval sprake is van misbruik en wanneer gelieerde lichamen gevestigd zijn in staten die zijn opgenomen in de regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (de lijst). Deze lijst bestaat uit staten zonder winstbelasting of met een statutair tarief van minder dan 9% (laagbelastende jurisdicties) en staten die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.1
Bij de introductie van de Wet bronbelasting 2021 is ervoor gekozen de bronbelasting gedurende een periode van drie jaren niet te heffen ten aanzien van laagbelastende jurisdicties (LBJ’s) en niet-coöperatieve jurisdicties waar Nederland een belastingverdrag mee heeft gesloten en die zijn opgenomen op de lijst. Deze termijn bood Nederland en zijn verdragspartners de kans om heronderhandelingen te starten over het desbetreffende belastingverdrag. Bij het sluiten van die bestaande belastingverdragen is destijds immers geen rekening gehouden met de Wet bronbelasting 2021. Inmiddels is deze periode afgelopen. Daarom vindt de Wet bronbelasting 2021 nu ook toepassing ten aanzien van verdragslanden die op de lijst staan.
Belastingverdragen hebben tot doel economische relaties tussen landen te bevorderen door het wegnemen van dubbele belasting en misbruik te bestrijden. Een belastingverdrag regelt daarom welk land belasting mag heffen en verdeelt het heffingsrecht over bepaald inkomen. Belastingverdragen hebben vanuit een juridisch oogpunt een hogere rechtsorde dan de nationale wetgeving. Als sprake is van een verdragsland (zoals Bahrein, Barbados en Panama), dan zijn Nederland en de verdragspartner gebonden aan de brontarieven zoals die zijn afgesproken in het toepasselijke belastingverdrag. Dit betekent dat Nederland de bronbelasting die volgt uit de Wet bronbelasting 2021 niet volledig kan effectueren. Dit is anders als sprake is van misbruik van het verdrag. De belastingverdragen met Bahrein, Barbados en Panama bevatten alle drie een principal purposes test (PPT). Dit is een antimisbruikbepaling op basis waarvan verdragsvoordelen niet worden toegekend indien een structuur is opgezet of een transactie is aangegaan met als voornaamste of een van de voornaamste doelen om toegang tot de voordelen van het belastingverdrag te krijgen. In misbruiksituaties kan daarom de bronbelasting worden geëffectueerd via de PPT.
Bent u ervan op de hoogte dat de er bij de implementatie van de Wet bronbelasting 2021 is ingezet op volledige effectuering van de bronbelasting door heronderhandelingen van belastingverdragen met LBJ’s binnen een termijn van drie jaar op te starten en dat deze termijn sinds 1 januari 2024 is verstreken?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Bahrein en Barbados, zoals aangegeven in het jaarlijkse overzicht van onderhandelingen van belastingverdragen 2024, van plan zijn een winstbelasting van negen procent in te voeren? Kunt u aangeven of deze winstbelasting in beide landen algemeen zal gelden of dat er, voor zover u weet, sprake zal zijn van uitzonderingen en omzet- of winstdrempels?
In de jaarlijkse Kamerbrief over de onderhandeling van belastingverdragen 20242 is aangegeven dat zowel Bahrein als Barbados bezig zijn met belastinghervormingen die mogelijk relevant zijn voor de positie van deze landen op de Nederlandse lijst van laagbelastende landen. Als deze hervormingen ertoe leiden dat deze landen niet langer kwalificeren als LBJ’s dan is heronderhandeling van het belastingverdrag niet langer nodig.
Bahrein heeft aangegeven mogelijk te werken aan een algemene winstbelasting met een tarief van minimaal 9%. Tot op heden is deze winstbelasting nog niet ingevoerd. Als blijkt dat Bahrein niet voornemens is een algemene winstbelasting met een statutair tarief van ten minste 9% in te voeren, dan zal Nederland de onderhandelingen met Bahrein over de herziening van het belastingverdrag opnieuw opstarten. Nederland is hierover met Bahrein in contact.
Recent heeft Bahrein aangekondigd in het kader van het internationale akkoord op de minimumbelasting (zogenoemd Pijler 2) een binnenlandse bijheffing van 15% te implementeren. Deze maatregel geldt alleen voor bedrijven met een omzet van ten minste € 750 miljoen. Voor de volledigheid merk ik op dat dit niet kwalificeert als een algemene winstbelasting ondanks het feit dat sprake is van een tarief van 15%. Dit komt omdat de winstbelasting niet op ieder lichaam van toepassing is als gevolg van de omzetdrempel.
In mei 2024 heeft Barbados een nieuwe winstbelasting met een statutair tarief van 9% ingevoerd die met ingang van 1 januari 2024 in werking is getreden. Ik begrijp dat deze belasting een opstaptarief bevat van 5,5% voor bedrijven met een omzet van twee miljoen Barbadiaanse dollar of minder als een bedrijf kwalificeert als «small business». Voor de aanwijzing van laagbelastende landen wordt gekeken naar het algemeen geldende tarief waarbij tariefopstapjes (of tariefafstapjes) buiten beschouwing worden gelaten, mits die vanwege de hoogte van het tarief of de lengte van de schijf geen betekenisvolle invloed hebben. Ook afzonderlijke tarieven voor midden- en kleinbedrijf blijven buiten beschouwing. Echter, voor het algemene karakter is van belang dat de winstbelasting materieel op ieder lichaam van toepassing is. Ik begrijp dat de nieuwe winstbelasting een uitzondering bevat waardoor het statutaire tarief van 9% mogelijk niet op ieder lichaam van toepassing is. Hoewel deze uitzondering tijdelijk van aard lijkt te zijn, kan ik nog niet concluderen dat sprake is van een algemeen geldende winstbelasting van 9%. Nederland heeft Barbados gevraagd om meer toelichting over de nieuwe winstbelasting.
Bij de vormgeving van de Wet bronbelasting 2021 is bewust gekozen om aan te sluiten bij het statutaire tarief in plaats van het effectieve tarief in afwachting van internationale ontwikkelingen. Idealiter zou de bronbelasting van toepassing zijn op rente-, royaltybetalingen en dividenden die niet of tegen een laag effectief tarief worden belast. Echter voor de uitvoerbaarheid is dit uitermate complex. Bovendien is het effectieve tarief afhankelijk van de feiten en omstandigheden van een individuele belastingplichtige. Daarom is destijds gekozen om het statutair tarief als uitgangspunt te nemen voor de heffing van de bronbelasting.
Als gevolg van de Pijler 2-regels zullen staten naar verwachting de Pijler 2-regels invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve tarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het kabinet onderzoekt of de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden daarom moet worden aangepast voor multinationale groepen en binnenlandse groepen met een jaaromzet van ten minste € 750 miljoen, indien een dergelijke staat een kwalificerende minimumbelasting heeft ingevoerd.
Deelt u de opvatting dat heronderhandeling van de belastingverdragen met Bahrein en Barbados alsnog op korte termijn noodzakelijk is als de aangekondigde winstbelastingen niet algemeen blijken te gaan gelden? Hoe lang mag dit wat u betreft maximaal nog duren (gelet op het feit dat de genoemde driejaarstermijn al is verstreken)?
Ja, deze opvatting deel ik. Als een land niet voornemens is een algemene winstbelasting in te voeren met een statutair tarief van 9%, dan wil Nederland de heronderhandeling over het belastingverdrag opnieuw opstarten.
Zoals hierboven genoemd, is de driejaarstermijn een redelijke termijn om verdragshandelingen op te starten. Voor het opstarten en de voortzetting van verdragsonderhandelingen is Nederland uiteraard wel afhankelijk van de bereidheid en inzet van het andere verdragsland. Diverse factoren zoals nationale ontwikkelingen, beschikbare middelen en politieke omstandigheden spelen hierin een rol. Bij zowel Bahrein als Barbados speelt mede een rol dat beide landen de afgelopen jaren bezig zijn geweest met belastinghervormingen die mogelijk relevant zijn voor hun positie op de Nederlandse lijst. Gelet op deze omstandigheden was het niet passend om hier vooraf een maximale termijn aan te verbinden. Immers, als de belastinghervormingen leiden tot aanpassingen in de nationale wet- en regelgeving dan kwalificeren deze landen mogelijk niet langer als LBJ’s. Heronderhandeling van het belastingverdrag is dan niet meer nodig.
Als een land uiteindelijk niet voornemens is een algemene winstbelasting in te voeren met een statutair tarief van 9% dan blijft het voor Nederland wenselijk om te streven naar afronding binnen drie jaar. Hoewel Nederland daarbij afhankelijk is van de bereidheid en inzet van de andere verdragspartner, voorkomt dit dat onderhandelingen te vrijblijvend verlopen.
Bent u ervan op de hoogte dat Panama sinds 2017 (met een korte onderbreking) op de zwarte lijst voor belastingparadijzen van de Europese Unie staat en geen ambitie toont om daaraan iets te doen?
Panama staat sinds februari 2019 op de EU lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hoewel gedurende de coronajaren verzachtende omstandigheden golden, is het inderdaad waar dat Panama al enige jaren op deze lijst staat. Er zijn positieve signalen waaruit blijkt dat Panama hun grondhouding heeft aangepast tegenover de dringende internationale oproep om hun tekortkoming in hun nationale wetgeving te herzien. Zo is Panama op 23 oktober 2023 van de grijze lijst van de FATF3 gehaald, omdat Panama sinds dat moment voldoet aan de wereldwijde standaard op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Panama is nu, na het behalen van deze mijlpaal, ook bezig met het verbeteren van de nationale belastingwetgeving. Op dit punt vindt er constructief overleg plaats met Panama over de benodigde aanpassingen van de nationale fiscale wetgeving en er is goede hoop dat dit op korte termijn zal leiden tot aanpassingen van de nationale wet- en regelgeving.
Klopt het dat het belastingverdrag met Panama niet wordt heroverwogen vanwege «constructief contact» met Panama, zoals aangegeven in het jaarlijkse overzicht van onderhandelingen van belastingverdragen 2024? Kunt u toelichten waaruit dit «constructief contact» heeft bestaan en hoe dit zich verhoudt tot de niet-coöperatieve houding van Panama in Europees verband?
De afgelopen jaren heeft op verschillende ambtelijke niveaus overleg plaatsgevonden met Panama waarbij Panama zich coöperatief heeft opgesteld. Panama heeft aangegeven zich in te spannen om van de EU lijst te raken. Dit sluit ook aan bij bovengenoemde signalen. Gelet op deze inspanningen en de coöperatieve houding van Panama past het daarom niet om op dit moment het belastingverdrag met Panama te heroverwegen. Een signaal van heroverweging kan dan juist contraproductief werken.
Bent u zich ervan bewust dat de Wet bronbelasting 2021 is ingevoerd als «defensieve» maatregel richting landen op de hierboven genoemde zwarte lijst van de Europese Unie? Bent u van mening dat de Wet bronbelasting 2021 voldoende defensief uitwerkt ten aanzien van Panama, gegeven het feit dat er een uitzondering voor verdragslanden bestaat, dat Nederland nog steeds een verdrag met Panama heeft, dat Panama nog steeds op de zwarte lijst staat en dat de eerder genoemde driejaarstermijn is verstreken?
Verdragen (waaronder belastingverdragen) die gesloten zijn tussen landen hebben, vanuit een juridisch oogpunt, een hogere rechtsorde dan de nationale wetgeving. Dit betekent dat een lijst, die is opgenomen is in de nationale wetgeving, geen verandering kan aanbrengen aan de gemaakte afspraken in een verdrag. In lijn met de motie Schouten/Groot4 zal Nederland het belastingverdrag heroverwegen als een verdragspartner op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden komt te staan. Hierbij is het van belang dat het opzeggen van een belastingverdrag een eenmalig onherroepelijk proces is, met mogelijk grote negatieve gevolgen op het diplomatieke en economische vlak. Verder kan afgevraagd worden of de opzegging van een verdrag de benodigde prikkel zal zijn voor een land om hun wetgeving aan te passen. Daartegenover staat dat het risico van opzegging van het verdrag gecombineerd met een doorlopende dialoog een adequaat instrument kan zijn om een land te stimuleren om de wetgeving aan te passen. Daarbij ben ik van mening dat het niet zo kan zijn dat een land gedurende lange tijd en zonder uitzicht op verbetering op de EU-lijst staat en Nederland toch de Wet bronbelasting 2021 niet kan toepassen. Ik blijf de situatie met betrekking tot Panama daarom nauwlettend in de gaten houden.
Kunt u voor de jaren 2021, 2022 en 2023 de geldstromen uit Nederland naar Panama in kaart brengen, uitgesplitst naar rente, royalty’s en dividenden?
Ik beschik niet over de gevraagde gegevens. De Nederlandse Bank (DNB) stelt jaarlijks een tabel op met inkomensstromen naar landen die zijn opgenomen in de regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (zowel LBJ’s als niet-coöperatieve rechtsgebieden). Deze tabel wordt ook in de jaarlijkse monitoringbrief5 opgenomen. Momenteel vindt er overleg plaats met DNB om te kijken of deze tabel kan worden aangevuld met een uitsplitsing naar de verdragslanden, waaronder dus ook Panama. Of dit mogelijk is hangt mede af van de vraag of er daardoor geen herleidbaarheid naar individuele bedrijven ontstaat.
Bent u bereid een harde deadline te stellen aan Panama’s inspanningen om van de zwarte lijst van de Europese Unie te worden verwijderd, inclusief een resultaatsverplichting voor de verdragsonderhandelingen, met als uiterste consequentie het opzeggen van het belastingverdrag met Panama? Zo ja, welke termijn vindt u hiervoor passend?
Panama werkt aan het verbeteren van haar nationale belastingwetgeving. Net als in Nederland is Panama hiervoor mede afhankelijk van het parlementaire proces. Hierbij is relevant dat in Panama het afgelopen jaar verkiezingen hebben plaatsgevonden en dat de nieuwe regering zojuist is aangetreden. Gelet op deze ontwikkelingen vind ik het daarom niet passend om nu een harde deadline op te leggen. Wel blijf ik de ontwikkelingen nauwlettend monitoren. Als blijkt dat Panama geen verdere stappen onderneemt om verbeteringen door te voeren, zal ik passende maatregelen nemen. Heroverweging van het belastingverdrag is dan een mogelijke optie, maar dit is een ingrijpende stap die met de nodige zorgvuldigheid moet worden benaderd.
Hoe heeft het kabinet de effectiviteit van de Wet bronbelasting 2021 de afgelopen jaren gemonitord? Hoe is bijgehouden in hoeverre de bronbelasting inderdaad wordt geheven over stromen richting laagbelastende jurisdicties en wanneer actie moest worden ondernomen?
De effectiviteit van de Wet bronbelasting 2021 wordt gevolgd door met name de ontwikkeling van de financiële stromen te monitoren en jaarlijks te rapporteren. Uit de laatste monitoringbrief6 blijkt dat sinds de invoering van de bronbelasting op renten en royalty’s, de inkomensstromen naar de LBJ’s fors zijn afgenomen. Het grootste deel van de overgebleven stroom betreft dividenden (inclusief ingehouden winst). Dividenden vallen vanaf 2024 ook onder de reikwijdte van de bronbelasting. Het effect hiervan zal naar verwachting volgend jaar gerapporteerd kunnen worden. De volgende monitoringbrief met de meest recente cijfers over 2023 zal naar verwachting in oktober naar uw Kamer worden verzonden.
Hoe komt het dat er niet eerder actie ondernomen is richting Bahrein, Barbados en Panama, ondanks het feit dat de gestelde driejaarstermijn inmiddels is verstreken? Bent u het ermee eens dat dit niet in lijn is met de doelstellingen en de voornemens die ten grondslag lagen aan de Wet bronbelasting 2021?
De afgelopen jaren is meermaals contact geweest met Bahrein, Barbados en Panama. Nederland heeft dus niet stilgezeten. Deze landen hebben aangegeven dat zij bezig zijn hun belastingsystemen te hervormen, waardoor zij mogelijk niet meer worden opgenomen in de regeling laagbelastende landen en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Een verzoek tot voortzetting van de heronderhandeling van het belastingverdrag binnen de driejaarstermijn was daarom niet langer passend. Indien deze landen geen verdere inspanningen verrichten om hun belastingsysteem aan te passen, zal worden bezien hoe Nederland daar per geval op kan reageren.
Is het kabinet van plan de komende jaren een voortrekkersrol te vervullen bij het bestrijden van internationale belastingontwijking?
Belastingontwijking is onwenselijk. Bij belastingontwijking gaat het doorgaans om structuren of transacties die legaal zijn, maar die (mede) gericht zijn op het verkrijgen van een belastingvoordeel, terwijl dit belastingvoordeel niet beoogd is door de wetgever. De afgelopen jaren heeft Nederland nationaal en internationaal veel maatregelen genomen om belastingontwijking aan te pakken. Die maatregelen hebben het stelsel aanzienlijk robuuster gemaakt tegen de mogelijkheden om belastingen te ontwijken. Het kabinet wil de mogelijkheden tot belastingontwijking blijven aanpakken. Daarbij waakt het kabinet ertegen dat dergelijke maatregelen negatieve effecten hebben op reële bedrijvigheid.
In de aanpak van zowel nationale als internationale vormen van ontwijking wil het kabinet prioriteit geven aan een aantal zaken. Ten eerste doet het kabinet naar aanleiding van een aangenomen motie7 onderzoek naar de lucratiefbelangregeling. In dit onderzoek wordt met name ingegaan op de zogenoemde doorstootregeling op basis waarvan de voordelen uit hoofde van een lucratief belang onder voorwaarden in box 2 belast worden (in plaats van box 1). In het onderzoek wordt bezien of en zo ja, op welke wijze, al dan niet geclausuleerd, een alternatieve vormgeving (belastingheffing in box 1) mogelijk is, waarbij de budgettaire gevolgen en de uitvoeringsgevolgen zullen worden afgewogen.
Ten tweede werkt het kabinet aan het verkennen of internationaal afspraken kunnen worden gemaakt over het belasten van zeer vermogende personen, in navolging van internationale afspraken over het belasten van multinationale ondernemingen. Internationale belastingstelsels op het gebied van de inkomstenbelasting, vermogensbelasting en schenk- en erfbelasting zijn niet goed op elkaar afgestemd, waardoor met name vermogende personen – vergelijkbaar met multinationale ondernemingen – in staat zijn om hun belastingdruk wereldwijd te optimaliseren. Mondiale en Europese samenwerking die inzet op een gelijk speelveld op het gebied van de belastingheffing van zeer vermogende personen kan fiscale concurrentie en wereldwijde erosie van de belastinggrondslag en verlies van belastingopbrengsten tegengaan.
Tot slot zet het kabinet de aanpak van dividendstripping voort. Per 1 januari 2024 is al een aantal maatregelen tegen dividendstripping in werking getreden. Het vorige kabinet is een onderzoek gestart naar nadere maatregelen tegen dividendstripping. Het kabinet zal dit onderzoek voortzetten. Het onderzoek richt zich op de vraag welke nadere (materiële) maatregelen kunnen worden genomen om de aanpak van dividendstripping verder te versterken. Hierbij wordt een breed scala aan maatregelen onderzocht en wordt er gekeken naar maatregelen tegen dividendstripping in andere landen. Naar verwachting zal over het onderzoek in het voorjaar van 2025 aan uw Kamer worden gerapporteerd.
Klopt het dat Nederland tegen de ontwikkeling van een VN-belastingverdrag heeft gestemd? Kunt u toelichten waarom? In hoeverre is een tegenstem wat u betreft te rijmen met een voortrekkersrol bij het bestrijden van internationale belastingontwijking?
Dit kabinet ondersteunt de oproep die is gedaan om te onderzoeken of in VN-verband werk verricht kan worden om internationale samenwerking op belastinggebied inclusiever te maken. Nederland heeft zich bij de stemming over de Terms of Reference voor een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking wel samen met de andere 26 EU-lidstaten en net als 16 andere VN-lidstaten in het Ad Hoc Comité onthouden.8 Ik zal dat hieronder toelichten.
Het VN-raamwerkverdrag moet volgens de opgestelde Terms of Reference gaan over verschillende onderwerpen. Daarbij wordt in het midden gelaten wat de precieze onderwerpen zijn met uitzondering van één duidelijke instructie. Er moet volgens de Terms of Reference in ieder geval een protocol worden ontwikkeld over de verdeling van heffingsrechten over inkomen uit het verlenen van grensoverschrijdende diensten in een digitaliserende en globaliserende economie en een protocol over de belastingheffing van de digitale economie.9 Op dit punt is Nederland gecommitteerd aan het werk van het Inclusive Framework aangaande de heroverweging van de beginselen op basis waarvan het heffingsrecht over winsten van internationaal opererende bedrijven aan landen wordt toebedeeld (Pijler 1). Het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag dat op precies dezelfde problematiek ziet kan leiden tot dubbel werk en tot fragmentatie in de internationale samenwerking op belastinggebied. Dubbel werk met verschillende uitkomsten kan ertoe leiden dat elk mogelijk akkoord een breed draagvlak mist en aan effectiviteit inboet. Nederland wil dergelijke fragmentatie voorkomen en heeft in de onderhandelingen over de Terms of Reference daarom suggesties gedaan om onderwerpen te mijden waar in VN-verband geen breed draagvlak te verwachten is, bijvoorbeeld omdat een belangrijk deel van de VN lidstaten zich (ook) aan de uitkomsten op deze onderwerpen in een ander forum heeft gecommitteerd.10 Deze suggesties zijn niet overgenomen. Nederland heeft zich onthouden van stemming en niet tegen de Terms of Reference gestemd, omdat Nederland wel de toegevoegde waarde van een VN-raamwerkverdrag ziet waar zo’n verdrag aanvullend is aan het werk dat in andere internationale fora wordt verzet.11
Tenslotte, aangezien naast de genoemde onderwerpen niet duidelijk is waar het raamwerkverdrag over zal gaan, is het ook onduidelijk of het VN-raamwerkverdrag (ook) zal gaan over het bestrijden van internationale belastingontwijking. Het onthouden van stemming doet dan ook niets af aan de rol die Nederland vervult in het bestrijden van internationale belastingontwijking.
Bent u het ermee eens dat een VN-belastingverdrag kan bijdragen aan het bestrijden van internationale belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de precieze inhoud van het VN-raamwerkverdrag nog in het midden wordt gelaten, is het nog onduidelijk of het verdrag (ook) zal gaan over het bestrijden van internationale belastingontwijking. In internationaal verband zijn de laatste jaren grote stappen gezet in het bestrijden van belastingontwijking. Waar het VN-raamwerkverdrag een aanvulling kan zijn op de afspraken die zijn gemaakt en op werk dat wordt verricht in internationale fora ter bestrijding van internationale belastingontwijking ben ik daar uiteraard voorstander van. Door inspanningen van landen wereldwijd bij onder andere het Inclusive Framework/OESO, het Global Forum voor transparantie en uitwisseling van informatie voor belastingdoeleinden, en de samenwerking van deze samenwerkingsverbanden met organisaties zoals de VN12 is afgelopen jaren veel bereikt en zal naar verwachting nog veel bereikt worden om belastingontwijking tegen te gaan. Specifiek ook op het gebied van transparantie en uitwisseling van informatie. Ook wordt er sinds 2016 binnen het Inclusive Framework van de OESO met inmiddels 147 landen gewerkt aan de implementatie van een uitgebreid pakket maatregelen ontwikkeld ter bestrijding van belastingontwijking, onder de noemer van Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) en wordt via twee zogenoemde Pijlers gewerkt aan de uitwerking van een akkoord over de heroverweging van de beginselen waarop het heffingsrecht over winsten van internationaal opererende bedrijven aan landen wordt toebedeeld (Pijler 1) en aan afspraken over een minimumniveau van belasting voor deze bedrijven (Pijler 2).13 Nederland is voorloper in de implementatie van Pijler 2 en blijft gecommitteerd aan het bereiken van een akkoord over Pijler 1.
Bent u het ermee eens dat het van belang is dat lage-inkomenslanden ook mee kunnen praten en mee kunnen beslissen over de aanpak van internationale belastingontwijking, aangezien zij daar vaak nog meer nadeel van ondervinden dan andere landen?
Het kabinet vindt het van belang dat lage-inkomenslanden met andere landen mee kunnen praten en beslissen over de aanpak van internationale belastingontwijking. Nederland zet zich daarom in voor een evenwichtige vertegenwoordiging van ontwikkelingslanden in het Inclusive Framework en ondersteunt daar de bredere inspanningen om internationale samenwerking op belastinggebied nog inclusiever te maken. Nederland erkent dat er nog verbeteringen mogelijk zijn. Onder meer spant het kabinet zich in om ontwikkelingslanden te laten participeren in de internationale samenwerking op belastinggebied, door technische assistentie te verlenen aan deze landen en organisaties die deze landen (mede) vertegenwoordigen in internationale fora. Een voorbeeld is de steun van Nederland aan het African Tax Administration Forum (hierna: ATAF), de overkoepelende organisatie van Afrikaanse belastingdiensten.14 ATAF heeft met kracht de belangen van veel Afrikaanse landen naar voren gebracht in het internationale overleg.
Indien er een VN-belastingverdrag komt, hoe staat u dan tegenover het eerlijk belasten van rijke individuen en multinationals als uitgangspunt?
Het kabinet vindt het hoe dan ook belangrijk dat zeer vermogende personen en multinationals evenwichtig belast worden. Dit staat los van een mogelijk VN-raamwerkverdrag op het gebied van internationale belastingsamenwerking. Ik span mij daarom ook nationaal in voor de evenwichtige belastingheffing van zeer vermogende personen en multinationals, bijvoorbeeld door de invoering van de Wet minimumbelasting 2024, en ben gezien het internationale karakter actief betrokken bij de inspanningen op deze gebieden in meerdere internationale fora. Naast dat er in het kader van de OESO al veel is bereikt op het gebied van transparantie en uitwisseling van informatie, wordt ook de belastingheffing van «High Net Worth Individuals» in diverse fora geagendeerd. Zo heeft de G20 na afloop van een bijeenkomst afgelopen juli het Inclusive Framework van de OESO uitgenodigd om zich – naast belastingontwijking door multinationals – over onder andere de belastingheffing van zeer vermogende personen te buigen.15 Het VN-raamwerkverdrag dient volgens de Terms of Reference verscheidene onderwerpen te beslaan, zoals een eerlijke verdeling van heffingsrechten, eerlijke belastingheffing van multinationale ondernemingen, bestrijding van belastingontduiking en ontwijking door HNWIs, internationale belastingsamenwerking die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, effectieve bijstand in belastingzaken en uitwisseling van informatie, het adresseren van illegale geldstromen en effectieve geschilbeslechtingsprocedures.16 Voor een bredere invloed van het VN-raamwerkverdrag is het van belang dat de uitgangspunten niet beperkt zijn tot het evenwichtig belasten van zeer vermogende personen en multinationals en dat het op die punten bestaand werk in aanmerking neemt.
Wat is de positie van het Nederlandse kabinet ten aanzien van een eventueel VN-belastingverdrag? Wat is volgens u voor Nederland van belang bij de totstandkoming van een dergelijk verdrag?
Nederland steunt alle inspanningen die inclusieve, effectieve en duurzame internationale belastingsamenwerking ondersteunen.17 Nederland is derhalve bereid bij te dragen aan het werk dat wordt verricht voor het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 13, acht Nederland het daarbij van belang dat dit werk resulteert in uitkomsten die effectief zijn en breed worden gedragen. Daarom dient er bij de totstandkoming van een VN-raamwerkverdrag oog te zijn voor bestaand werk dat in andere internationale fora is gedaan ten aanzien van de onderwerpen die in het VN-raamwerverdrag worden geadresseerd. Consistentie met het werk in andere fora (zoals het Inclusive Framework binnen de OESO en het Global Forum voor transparantie en uitwisseling van informatie voor belastingdoeleinden) is van belang voor een effectieve aanpak van globale belastinguitdagingen. Het raamwerkverdrag dient duplicatie en fragmentatie van het fiscale landschap te voorkomen. Door dit als uitgangspunt te nemen kan worden gewerkt aan een breed gedragen resultaat.
Het bericht dat zorg-zzp’ers de belastingdienst vrezen |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in Trouw dat zorg-zzp’ers de Belastingdienst vrezen en daardoor de zorg verlaten?1 Wat vindt u van het gegeven dat de zorg-zzp’er door deze ontwikkeling de zorg zou verlaten?
Ja, ik ken het bericht.
Het aantal zzp’ers in de zorg stijgt al enkele jaren. Er lijkt een vicieuze cirkel te zijn ontstaan; de toename van het aantal zzp’ers vergroot de bestaande onvrede onder werknemers in loondienst en daarmee de trekkende kracht naar het zzp-schap. Zorgorganisaties pleiten al langer voor het doorbreken van deze vicieuze cirkel. Handhaving door de Belastingdienst zal de schijnzelfstandigheid in de zorg verminderen, en daarmee een positieve invloed hebben op continuïteit en kwaliteit van zorg. Ik heb daarbij geen aanleiding te veronderstellen dat zorg-zzp’ers door handhaving van de Belastingdienst op grote schaal de zorg zullen verlaten. Bij eerdere enquêtes2 geeft een (beperkt) deel van de respondenten aan niet bereid te zijn terug in loondienst te gaan en de zorg te verlaten als ze geen zzp'er kunnen blijven. Het is daarbij de vraag in hoeverre ze daadwerkelijk deze keuze zullen maken. Immers, het stoppen met je baan en het verlaten van de zorg is een rigoureuze stap.
Vindt u dat de kwaliteit van de zorg wordt aangetast door de controle van de Belastingdienst? Zo ja, kunt u aangeven hoe de kwaliteit wordt aangetast? Zo nee, hoe gaat u het tekort aan personeel opvullen?
Nee, er is al enkele jaren sprake van een toename van het aantal zzp’ers in de zorg, ook daar waar dit eigenlijk niet passend is gezien de bestaande wet- en regelgeving over zelfstandigheid. Er zijn signalen dat de toename van het aantal zzp’ers gevolgen heeft voor kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van de zorg. De toename van het aantal zzp’ers vergroot zo de bestaande onvrede onder werknemers in loondienst en daarmee de trekkende kracht naar het zzp-schap. Zorgwerkgevers pleiten al langer voor het doorbreken van deze vicieuze cirkel. De Belastingdienst controleert, zoals bijvoorbeeld in het Integraal Zorgakkoord verwoord, ook nadrukkelijk op verzoek van de zorgsector zelf op schijnzelfstandigheid. Het verbeteren van de balans tussen medewerkers in loondienst en flexwerkers zal naar verwachting leiden tot een hogere (ervaren) kwaliteit van zorg. Als specifiek voorbeeld geldt dat voor een deel van de zorg dat patiënten/cliënten de kwaliteit van zorg als beter ervaren bij «vaste gezichten».
Over de vraag wat mijn beleid is ten aanzien van personeelstekorten, verwijs ik graag naar het regeerprogramma. Ik wil de personeelstekorten aanpakken via drie lijnen. Bij lijn 1 is het streven de administratietijd in 2030 te halveren, onder andere door in te zetten op AI, digitaal werken en standaardisatie. We ondersteunen de uitvoering van de werkagenda van de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Ook zal het kabinet wetgeving doorlichten en verbetervoorstellen doen ten aanzien van het beëindigen van het systeem van herindicaties voor mensen die in een verpleeghuis wonen. De indicatiestelling blijft gebruikt worden voor de urgentie op de wachtlijst. Lijn 2 «de juiste inzet van medewerkers» is erop gericht om de beschikbare medewerkers, in samenwerking met mantelzorgers en vrijwilligers, zo efficiënt mogelijk in te zetten. Het gaat hierbij onder andere om arbitrage tussen zorgwetten en over verschillende vormen van innovatieve zorg. Lijn 3 ziet op het «vergroten vakmanschap en werkplezier». Voor het einde van het jaar werken we een leidraad vakmanschap en werkplezier uit. Doel is dat mensen graag blijven werken in zorg en welzijn. Het gaat hierbij o.a. om het belang van adequaat opleiden, autonomie en vertrouwen in de medewerker, de balans tussen vast / flexibel personeel en het tegengaan van agressie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Belastingdienst strenger gaat controleren of de zzp’er wel werkelijk ondernemer is? Gelooft u dat dit sneller zal leiden tot een aanstelling in vaste dienst? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen rond het opheffen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025. Het kabinet wil door het herstellen van de balans op de arbeidsmarkt het werken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger maken. Lijn 3 van dit beleid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën / Fiscaliteit en Belastingdienst ziet op verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid. Dit impliceert dat het handhavingsmoratorium op de wet DBA, zoals al aan u gemeld, per 1 januari 2025 komt te vervallen. Op 6 september jl. is hierover aanvullend door beide genoemde bewindspersonen gecommuniceerd dat bedrijven en organisaties die mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren, dan weer een boete en naheffingen kunnen krijgen. Daarbij geldt een overgangsperiode van 1 jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid.3
Het aantal zzp’ers in de zorg stijgt al enkele jaren. Handhaving door de Belastingdienst draagt bij aan het bewustzijn bij werkgevers en werkenden wanneer een relatie als zzp’er mogelijk is en wanneer een aanstelling in vaste dienst passend is. Gezien het aantal schijnzelfstandigen in de zorg zal handhaving in ieder geval bijdragen aan het doorbreken van de stijgende trend in zzp-schap en daarmee het doorbreken van de vicieuze cirkel. De verwachting is dat dit eerder zal leiden tot de wederzijdse wens tot aanstellingen in dienstverband.
Als Minister van VWS lever ik hieraan onder meer een bijdrage via een bewustwordingscampagne waarmee in Q4 van 2024 wordt gestart. Deze campagne heeft tot doel het bewustzijn te verhogen over de verschillende (financiële) risico’s en verplichtingen in relatie tot het werken met en als zelfstandige(n), zodat een bewuste keuze kan worden gemaakt om al dan niet als zzp’er te gaan werken.
Kent u de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat het aantal medewerkers met een vast dienstverband is gegroeid? Bent u ook op de hoogte van het feit dat die groei niet ten koste ging van het aantal zelfstandigen? Wat vindt u van deze cijfers? Vindt u een flexibele schil wenselijk bij de zorgwerkgever? Hoe groot moet die zijn?
Uit cijfers van het CBS volgt dat het totaal aantal werkenden in de zorg is gestegen van 1.476.000 in het 4e kwartaal 2022 naar 1.560.000 in het 4e kwartaal van 2023. Het aantal zzp’ers in de sector zorg en welzijn steeg van 123.000 naar 140.000, resp. 8,3% en 9,0% van het aantal werkenden. Het aantal zzp’ers is daarmee verder gestegen. In het regeerprogramma staat beschreven dat ik zal inzetten op de verhouding tussen flexibel en vast personeel om de vicieuze cirkel van steeds meer zzp’ers te doorbreken.
Iedere zorgwerkgever heeft behoefte aan een (interne of externe) flexibele schil voor het opvangen van piek, ziek en uniek. Een dergelijke schil kan op verschillende manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld ook als zorgwerkgevers een gezamenlijke flexibele schil in loondienst ontwikkelen. In het regeerprogramma staat beschreven dat ik de mogelijkheden hiertoe verder ga uitwerken. Een flexibele schil kan daarnaast ook vorm krijgen via bijvoorbeeld uitzendkrachten of zzp’ers. Er is geen «redelijk percentage» van een interne, dan wel externe flexibele schil te noemen. Dit is van diverse factoren afhankelijk, waaronder bijvoorbeeld de aard van werken in een betreffende deelbranche van de sector zorg en welzijn.
Deelt u de mening dat er een norm in de zorg moet komen waarin gepleit wordt voor een maximumpercentage flexwerkers voor zorgwerkgevers? Kunt u dit uitwerken?
Nee, er is geen «redelijk percentage» van een externe flexibele schil te noemen. Dit is van diverse factoren afhankelijk. Primair is van belang dat zorgwerkgevers inzetten op een goede balans tussen medewerkers in (vaste) loondienst en flexwerkers met aandacht voor een aantrekkelijke vorm van loondienst en de juiste inzet van flexwerkers. Het mogelijke en gewenste percentage flexwerkers zal dan per situatie verschillen, waarbij bijvoorbeeld het type te leveren zorg en de bijbehorende aard van werken in een betreffende deelbranche van de sector zorg en welzijn van invloed zijn.
Er werken zo’n 180.000 zelfstandigen in de zorg, driekwart daarvan is zzp’er. Klopt het dat indien de Belastingdienst bepaalt dat er sprake is van een verkapt dienstverband zowel de zzp’er als de opdrachtgever een boete kan krijgen? Kunt u overzien wat hier de gevolgen van zijn?
Het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid komt per 1 januari 2025 te vervallen. Dit betekent dat bedrijven en organisaties die mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren, dan weer een boete en naheffingen kunnen krijgen. Op 6 september jl. is hierover door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën / Fiscaliteit aanvullend gecommuniceerd dat daarbij een overgangsperiode van 1 jaar geldt waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Om de arbeidsmarkt voor te bereiden op de opheffing van het handhavingsmoratorium blijft de Belastingdienst in aanloop naar 1 januari 2025 opdrachtgevers en zzp’ers voorzien van informatie en praktische hulp. Zo zoekt de Belastingdienst actief de samenwerking op met veldpartijen om zoveel mogelijk onrust weg te nemen. Dit wordt de komende maanden via informatiesessies, webinars en bedrijfsgesprekken voortgezet. Ook blijft de Belastingdienst in gesprek gaan met onder andere koepels, brancheorganisaties en fiscaal dienstverleners.
Is u bekend dat werkgevers al langer het aandeel flexibele krachten willen terugdringen omdat uitzendkrachten duurder zijn dan vast personeel en omdat de kwaliteit van de zorg beter wordt met vaste gezichten? Gaat u werkgevers in de zorg daarbij helpen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, hoe onderbouwt u dit dan?
Ja, dat is mij bekend. Het verbeteren van de balans tussen medewerkers in loondienst en flexwerkers zal naar verwachting leiden tot een hogere (ervaren) kwaliteit van zorg. Als specifiek voorbeeld geldt dat voor een deel van de zorg dat patiënten / cliënten de kwaliteit van zorg als beter ervaren bij «vaste gezichten».
Mijn voorganger en ik zijn al reeds gedurende langere tijd in gesprek met diverse brancheorganisaties over de vraag hoe in gezamenlijkheid de schijnzelfstandigheid in de zorg beperkt kan worden. Recent ben ik een traject gestart met de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV), Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT), Federatie Medisch Specialisten (FMS) en Vereniging van Artsen Automobilisten (VvAA); doel hiervan is meer duidelijkheid te geven in welke situaties het werken met en als zelfstandige(n) in de zorg mogelijk zou kunnen zijn.
Wist u dat vaste zorgmedewerkers vooral overstappen naar ondernemerschap of flexwerker omdat ze weinig zeggenschap hebben over hun rooster zoals blijkt uit CBS cijfers? Hoe gaat u regelen dat vaste medewerkers meer invloed krijgen op hun eigen werktijden?
Uit het uitstroomonderzoek van Regioplus4 volgt dat het ontbreken van invloed op een rooster reden kan zijn een overstap te maken naar het ZZP-schap. 46% van de respondenten van het zzp-panel5 geeft als (een van de) reden(en) om zzp’er te worden als antwoord: «Ik wilde zelf bepalen hoeveel en wanneer ik werk».
Het bestrijden van het arbeidsmarkttekort in de zorg is een belangrijke prioriteit. In het regeerprogramma staat dat ik hierop inzet langs drie lijnen. Het vergroten van vakmanschap en werkplezier is daarvan een onderdeel. In de leidraad hierover kan ik ingaan op de invloed van medewerkers op roosters. Ik ga mede hierom regionaal werkgeverschap verder stimuleren. Regionaal werkgeverschap biedt de mogelijkheid aan werknemers om bij meerdere organisaties en op meerdere plekken in de regio te kunnen werken. Op deze wijze kunnen de betrokken werkgevers beter tegemoet komen aan de bestaande onvrede bij hun werknemers en zo de trekkende kracht naar het zzp-schap verminderen. Verder biedt het de mogelijkheid om met de roostering beter in te spelen op de wensen en behoeften van medewerkers in loondienst.
Hoe komt het dat zorgwerkgevers in de zorg er niet alles aan doen om vast personeel te behouden? Wat gaat u doen om de zorgcao’s als het gaat om vaste medewerkers de eerste keuze te geven bij het verdelen van diensten ten uitvoer te brengen?
Veel zorgwerkgevers doen hun uiterste best om vast personeel te behouden. Om die reden zijn zij zelf ook actief om de schijnzelfstandigheid te verminderen. Handhaving door de Belastingdienst helpt daarbij. In de leidraad vakmanschap en werkplezier zal ik ingaan op de balans tussen vast personeel en zzp’ers, als ook de invloed van roostering hierop.
In verschillende cao’s is inmiddels geregeld dat vaste medewerkers een dergelijke eerste keuze dienen te hebben. Overigens heb ik geen betrokkenheid bij de totstandkoming van cao’s. Dit is geheel aan sociale partners.
De evaluatie van de ATAD-richtlijn per 31 juli 2024 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie op 31 juli 2024 een evaluatie heeft aangekondigd van de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD)?1
Ja.
Wat is uw visie op het instrument ATAD dat toeziet op het voorkomen van het wegsluizen van winsten naar het buitenland, daar waar woningcorporaties uitsluitend toegelaten zijn in Nederland en dus ook geen winsten naar het buitenland kunnen wegsluizen?
De eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking2 (ATAD1) is een goed instrument om te voorkomen dat ondernemingen winsten verschuiven naar het buitenland (naar een land met een lager belastingtarief) en voor het voorkomen van belastinggrondslaguitholling binnen internationaal opererende concerns. Daarnaast zorgt ATAD1 via de generieke renteaftrekbeperking, de zogenoemde earningsstrippingmaatregel, voor een meer gelijke fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen. Een ongelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen doet zich voor doordat de aftrekbaarheid van rente de kosten van financiering met vreemd vermogen verlaagt en de vergoeding voor eigen vermogen fiscaal niet aftrekbaar is. Hierdoor bestaat er voor bedrijven een stimulans om ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen te financieren. Dit heeft negatieve gevolgen voor de schokbestendigheid van de Nederlandse economie. Een meer gelijke fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen moet stabielere bedrijven en gezondere economische verhoudingen opleveren.
De earningsstrippingmaatregel is gericht op alle vennootschapsbelastingplichtigen, waaronder woningcorporaties, en maakt geen onderscheid tussen binnenlandse of internationaal opererende ondernemingen. ATAD1 biedt EU-lidstaten een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de renteaftrekbeperking, mits deze in overeenstemming zijn met de staatssteunregels. De richtlijn voorziet niet in het uitzonderen van enkel woningcorporaties. Wel hebben eerdere kabinetten tegemoetkomingen voor woningcorporaties geboden om de effecten van ATAD te mitigeren.
Kunt u concreet en puntsgewijs aangeven op welke punten de Nederlandse invulling van de ATAD-richtlijn verschilt van de Europese beschrijving van de richtlijn?
ATAD1 bevat verschillende maatregelen om belastinggrondslaguitholling tegen te gaan, waaronder de earningsstrippingmaatregel. Wij gaan ervanuit dat er in de vraagstelling specifiek wordt gerefereerd aan earningsstrippingmaatregel, omdat deze woningcorporaties het duidelijkst raakt. De earningsstrippingmaatregel is geïmplementeerd in artikel 15b Wet op de vennootschapsbelasting 1969.3
Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel bewust gekozen voor een robuuste vormgeving, hetgeen inhoudt dat de vormgeving op onderdelen aanzienlijk verdergaat dan de in ATAD1 opgenomen minimumstandaard. De zogenoemde groepsuitzondering is bijvoorbeeld niet opgenomen in de earningsstrippingmaatregel, terwijl ATAD1 die wel toestaat. Ook van de in ATAD1 opgenomen uitzondering voor op zichzelf staande entiteiten is geen gebruik gemaakt. De renteaftrekbeperking is verder strenger ingevuld dan de minimumnorm uit ATAD1 door de verlaging van de drempel tot welk bedrag de per saldo verschuldigde niet geraakt wordt door de earningsstrippingmaatregel. Nederland hanteert namelijk een drempel van € 1 miljoen, terwijl ATAD1 voorschrijft dat die drempel maximaal € 3 miljoen mag bedragen. Ten aanzien van de drempel is in de Voorjaarsnota 20234 bekend gemaakt dat het voorgaande kabinet heeft besloten om de drempel van 1 miljoen euro voor vastgoedlichamen met (aan derden) verhuurd vastgoed buiten toepassing te laten met ingang van 1 januari 2025. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025. Daarnaast wordt in ATAD1 voorgeschreven dat rentelasten (boven de drempel) aftrekbaar zijn tot maximaal 30% van de gecorrigeerde winst. De richtlijn staat toe aan de lidstaten om een lager aftrekpercentage te kiezen en Nederland heeft bij de introductie in 2019 gekozen voor een aftrekpercentage van 30%, maar dat is in 2022 verlaagd naar 20% naar aanleiding van de motie Hermans c.s.5 Dit kabinet heeft er in het Hoofdlijnenakkoord voor gekozen om het aftrekpercentage weer te verruimen naar 25% vanaf 2025. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025. Ten slotte is er in het kader van de earningsstrippingmaatregel geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen opgenomen.
Als gevolg van de keuze voor deze robuuste vormgeving wordt niet alleen opgetreden tegen grondslaguitholling, maar wordt vooral een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd. Doordat de renteaftrekbeperking van toepassing is op alle rente die per saldo is verschuldigd en de aftrekbaarheid hiervan direct afhankelijk wordt gesteld van de belastbare grondslag in Nederland worden de mogelijkheden tot belastingontwijking door renteaftrek beperkt.
Wat is de reden dat er sprake is van een verschil op de genoemde punten?
ATAD1 biedt de expliciete mogelijkheid om keuzes te maken, waarmee de EU-lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden om tevens (verdergaande) maatregelen te nemen die aansluiten bij het betreffende nationale vennootschapsbelastingstelsel en de daarbij geconstateerde wijze van belastingontwijking. Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD1, naast het tegengaan van belastingontwijking, ook een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen willen bereiken. Om die reden is er gekozen voor een robuuste implementatie van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting en is de maatregel strenger vormgegeven dan ATAD1 als minimumstandaard voorschrijft.
Kunt u aangeven of, en zo ja waarom de Nederlandse invulling per punt strenger of minder streng is?
In de antwoorden op de vraag 3 en vraag 4 is uiteengezet of en waarom het kabinet op de verschillende punten heeft gekozen voor een strengere invulling dan de minimumvereisten van ATAD1. Om een gelijker speelveld binnen de EU te bewerkstelligen heeft dit kabinet in het Hoofdlijnenakkoord ervoor gekozen om de earningsstrippingmaatregel te verruimen door het aftrekpercentage te verhogen van 20% naar 25%. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025.
Waarom vindt u dat de ATAD op woningcorporaties van toepassing zou moeten zijn?
De vennootschapsbelasting, waarvan de earningsstrippingmaatregel onderdeel uitmaakt, maakt in beginsel geen onderscheid tussen belastingplichtigen. De Nederlandse wijze van implementatie van de earningsstrippingmaatregel heeft, zoals in de antwoorden op de voorgaande vragen is aangegeven, naast het tegengaan van belastingontwijking eveneens als doel een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen te bereiken. De earningsstrippingmaatregel is vormgegeven als een generieke aftrekbeperking en dus gericht op alle vennootschapsbelastingplichtigen, waaronder dus ook de woningcorporaties.
Woningcorporaties worden net als andere kapitaalintensieve belastingplichtigen – relatief zwaar geraakt door de earningsstrippingmaatregel. Een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel is niet mogelijk, omdat ATAD1 niet in een specifieke uitzonderingsmogelijkheid hiervoor voorziet. Dit betekent dat het specifiek uitzonderen van woningcorporaties voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel niet mogelijk is, omdat Nederland in dat geval niet voldoet aan de implementatieverplichting ten aanzien van de minimumstandaard uit de richtlijn.
ATAD1 kent een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Zo kent de richtlijn onder meer een uitzondering voor leningen aan langlopende openbare-infrastructuurprojecten, een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten en een uitzondering voor lichamen die deel uitmaken van een groep. Het introduceren van een dergelijke uitzondering dient in overeenstemming te zijn met de staatssteunregels.
Om gebruik te kunnen maken van de uitzondering in ATAD1 voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten moet aan vier voorwaarden voldaan worden; het moet gaan om 1) een project, dat 2) infrastructuur betreft, een 3) openbaar karakter heeft en 4) voor de lange termijn wordt gerealiseerd. Bij openbare-infrastructuurprojecten moet in het bijzonder gedacht worden aan wegen, bruggen en tunnels. Volgens het kabinet biedt de richtlijn geen ruimte om woningcorporaties onder de uitzondering van openbare infrastructuurprojecten te brengen.6
Een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten of een generieke (groeps)uitzondering doet verder in brede zin afbreuk aan het doel om te komen tot een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, aangezien alle belastingplichtigen en niet alleen de woningcorporaties zullen profiteren van deze maatregel. Daarnaast zal een dergelijke uitzondering een aanzienlijk budgettair effect hebben op de rijksbegroting.
Wat is sinds de invoering het effect in geld van de ATAD op de bouw van woningen door woningcorporaties?
Uit aangiftecijfers van woningcorporaties komt naar voren dat de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in de periode 2019 t/m 2022 bij woningcorporaties heeft gezorgd voor een beperking in de aftrek van de rente van € 1,3 miljard in 2019, € 1,2 miljard en 2020, € 1,8 miljard in 2021. Voor 2022 is het bedrag nog onzeker, maar op basis van voorlopige aangiftegegevens is het de verwachting dat dit bedrag in 2022 € 1,3 miljard zal zijn. Per saldo leidt dit tot een heffing van respectievelijk € 313 miljoen, € 297 miljoen, € 446 miljoen en € 322 miljoen voor de verschillende jaren in vergelijking met de situatie dat deze renteaftrekbeperking niet van toepassing zou zijn.
Bij de invoering van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in 2019 was reeds bekend dat de renteaftrekbeperking onder meer bij woningcorporaties zou leiden tot een hogere vennootschapsbelastingdruk.7 Er zijn door het kabinet destijds verschillende maatregelen getroffen om verhuurders, waaronder woningcorporaties, tegemoet te komen ten aanzien van het nadelige effect van de earningsstrippingmaatregel. Daarbij is destijds voor circa € 100 miljoen per jaar aan lastenverlichting gegeven via de verhuurderheffing. Inmiddels is de verhuurdersheffing in het geheel afgeschaft (derving van € 1,4 miljard) in het kader van het realiseren van de Nationale Prestatieafspraken (NPA).
Voorts is in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigd dat het maximale renteaftrekpercentage in de vennootschapsbelasting wordt verhoogd van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025 en leidt tot een lagere renteaftrekbeperking. Daarmee is een fiscale lastenverlichting voor belastingplichtigen en dus verhuurders, waaronder woningcorporaties, gemoeid die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd.
In hoeverre deze hogere vennootschapsbelastingdruk effect heeft gehad op de bouw van woningen valt niet te zeggen. Woningcorporaties investeren ook in betaalbaarheid, leefbaarheid, onderhoud, woningverbetering en verduurzaming van bestaand bezit. Het is aan woningcorporaties zelf om te bepalen hoe zij gegeven hun inkomstenbronnen en mogelijkheden tot het aantrekken van nieuwe leningen hun investeringen prioriteren en financieren. Uit de geactualiseerde doorrekening van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) van juni 2023 blijkt in elk geval dat woningcorporaties op korte tot middellange termijn over een goede financiële uitgangspositie beschikken om volop te investeren in hun volkshuisvestelijk opgaven, waaronder de bouw van woningen.
Hoeveel woningen zijn er sinds de invoering van de ATAD minder gebouwd door woningcorporaties?
Het is niet te zeggen of de invoering van ATAD1 tot nu toe geleid heeft tot de bouw van minder woningen voor woningcorporaties. Uit de geactualiseerde doorrekening van de NPA van juni 20238 blijkt dat woningcorporaties op korte tot middellange termijn over een goede financiële uitgangspositie beschikken om volop te investeren in hun volkshuisvestelijk opgaven. Dat betekent dat op korte tot middellange termijn de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting niet van invloed is geweest op de volkshuisvestelijke opgaven van woningcorporaties.
Hierbij wordt opgemerkt dat er op korte tot middellange termijn voldoende middelen zijn om de opgaven te realiseren. Uit de doorrekening blijkt ook dat de financiële grenzen voor woningcorporaties bij volledige realisatie van de opgaven op langere termijn in zicht komen, met name in enkele regio’s. Daarnaast gaat de uitvoering van de NPA uit van een investeringsprogramma dat niet past bij een duurzaam prestatiemodel. Dat wil zeggen dat de aanpak zoals die nu wordt ingezet niet haalbaar is voor de lange termijn, omdat daarmee de financiële continuïteit van corporaties in gevaar komt. De financiële herijking die in de NPA is afgesproken die dit jaar wordt uitgevoerd zal daarom ook worden benut om het duurzame prestatiemodel beter in beeld te brengen.
Wat vindt u van deze constatering?
Wanneer woningcorporaties tegen hun financiële grenzen aanlopen wordt verwacht dat zij elkaar ondersteunen bij de opgaven in hun regio. Om deze onderlinge solidariteit verder te verkennen is de regio Haaglanden door mij aangewezen als pilotregio in het kader van onderlinge solidariteit en investeringscapaciteit. De komende maanden zal mijn ministerie, samen met gemeenten, corporaties en belangenorganisaties onderzoeken hoe de opgaven in de regio Haaglanden toch gerealiseerd kunnen worden, ondanks financiële zorgen op langere termijn.
Voor de meer lange termijn financiële knelpunten voor woningcorporaties werk ik daarnaast met de corporatiesector aan een duurzaam prestatiemodel. Dit model moet ervoor zorgen dat woningcorporaties voldoende financiële middelen hebben om niet alleen de doelstellingen uit de NPA te behalen, maar ook daarna hun volkshuisvestelijke taken te kunnen blijven uitvoeren zonder in financiële problemen te komen. Beleidsopties die hierop inspelen, worden momenteel in beeld gebracht en zijn nodig om de continuïteit en de noodzakelijke investeringsruimte voor woningcorporaties te waarborgen. In de herijking van de NPA, die dit najaar wordt uitgevoerd, zal opnieuw naar de opgaven van de corporaties gekeken worden en naar de mogelijkheden om die in balans te brengen met de financiële middelen, ook voor de lange termijn.
Heeft de ATAD wel of niet bijgedragen aan de huidige wooncrisis omdat er sinds de invoering minder sociale en betaalbare huurhuizen konden worden gebouwd door woningcorporaties?
Zoals in de antwoorden bij vraag 7 en vraag 8 is aangegeven valt niet te zeggen of woningcorporaties minder betaalbare woningen hebben gebouwd als gevolg van de invoering van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in 2019. Woningcorporaties beschikken momenteel door de afschaffing van de verhuurderheffing over een goede financiële uitgangspositie om volop te investeren in hun volkshuisvestelijk taken, waaronder de bouw van betaalbare huurwoningen. Daarnaast is in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigd dat de maximale renteaftrek in de vennootschapsbelasting wordt verhoogd van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst, wat een fiscale lastenverlichting voor verhuurders die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd tot gevolg heeft. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025.
Gaat u samen met de Staatssecretaris aandringen op een herziening van de ATAD-wetgeving?
Voor het bepalen van onze specifieke inzet wachten wij eerst de uitkomsten van de evaluatie van ATAD1 af die momenteel wordt uitgevoerd. Op dit moment is nog onbekend hoe het vervolgproces er precies uit zal zien na de openbare consultatie over ATAD1. De verwachting is dat een uitgebreid verslag zal worden opgesteld over de maatregelen uit ATAD1.9 Volgens de meest recente planning van de Europese Commissie wordt dit verslag in het derde kwartaal van 2025 gepubliceerd.10 Zodra dit beschikbaar is, wordt dit met uw Kamer gedeeld.
Welke herziening of herzieningen heeft u daarbij in gedachten?
Zoals in de antwoorden bij vraag 6 is aangegeven, voorziet ATAD1 niet in een specifieke uitzondering voor woningcorporaties. Daarnaast is het de vraag of het introduceren van een generieke vrijstelling in ATAD1 doeltreffend en doelmatig is ten aanzien van woningcorporaties. In dat licht zou meer beleidsvrijheid voor individuele EU-lidstaten om gerichter bepaalde sectoren te kunnen uitzonderen onder ATAD1 in beginsel worden verwelkomd. Hierbij dienen de staatssteunregels in acht te worden genomen in de zin van artikel 107, eerste lid, Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Het verlenen van staatssteun is in beginsel verboden en alleen onder bepaalde voorwaarden toegestaan, bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) kan worden uitgevoerd of als er een vrijstellingsmogelijkheid van toepassing is. Door alleen een uitzondering voor woningcorporaties te creëren ontstaat er mogelijk een ongelijk speelveld tussen woningcorporaties en marktpartijen. Verder zal ook dekking gevonden moeten worden voor de budgettaire effecten om een eventuele nieuwe uitzondering voor woningcorporaties in ATAD1 in de nationale wet te kunnen implementeren en moet een dergelijke uitzondering uitvoerbaar zijn.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Beantwoording van de vragen binnen drie weken is helaas niet gelukt.
De Belastingdruk op middenhuurwoningen |
|
Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA), Pieter Omtzigt (NSC) |
|
Schoof , Mona Keijzer (BBB), Folkert Idsinga (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kunt u voor de volgende situatie uitrekenen wat de kosten (box 3, onderhoud, belastingen, rente op schulden) en opbrengsten van een huurwoning zijn voor een particuliere belegger en hoe dat is opgebouwd in het jaar 2023: een woning met een WOZ-waarde van 300.000 euro, waarop een hypotheek rust van 150.000 euro (tegen vier procent rente)? Deze woning heeft 145 punten onder het woningwaarderingsstelsel en wordt voor 1.000 euro per maand verhuurd, middels een huurcontract voor onbepaalde tijd.
Allereerst is het in zijn algemeenheid goed om op te merken dat het voorbeeld een heel specifiek scenario schetst. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van dit voorbeeld generieke uitspraken te doen over de gehele markt en hier kunnen dus ook geen algemene conclusies uit worden getrokken.
De volgende aannames zijn gemaakt bij de berekeningen in de vragen 1, 2 en 3:
2023
Huur
€ 12.000
Gemiddelde waardeontwikkeling
€ 4.830
Onderhoud/exploitatie
€ 2.850
Rente
€ 6.000
Belasting box 3
€ 2.247
De Hoge Raad heeft in de arresten van 6 juni 2024 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2024:704) geoordeeld dat onder het rendement zowel het directe als het indirecte rendement valt.
Op basis van deze aannames is sprake van het volgende belastbaar rendement.
€ 270.000
6,17%
€ 16.659
€ 270.000
€ 16.659
– € 146.600
2,46%
– € 3.607
€ 123.400
€ 13.052
Na toepassing van de leegwaarderatiotabel.
In dit voorbeeld mag een leegwaarderatio van 90% worden toegepast. Dit betekent een forfaitair rendement uit onroerend goed van € 16.659 (€ 300.000 * 0.9 * 0.0617).
De aftrekbare schuld bedraagt € 146.600 (hypotheekschuld min schuldendrempel). Het belastbaar rendement van de schuld bedraagt –3.607 (146.600*0.0246).
Het totale belastbaar rendement komt dan uit op € 13.052 (16.659–3.607).
Om het bedrag te kunnen berekenen dat aan box 3-belasting wordt betaald, moet het voordeel uit sparen en beleggen worden berekend. Dit wordt berekend door het totale belastbaar rendement te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het aandeel in de grondslag sparen en beleggen en de rendementsgrondslag.
De grondslag sparen en beleggen bedraagt na aftrek van het heffingvrij vermogen € 66.400 (€ 123.400 (bezittingen minus schulden) – € 57.000 (heffingvrij vermogen)). De verhouding tussen het aandeel in de grondslag sparen en beleggen en de rendementsgrondslag (€ 66.400/ € 123.400 = 53.8%) wordt vervolgens gebruikt om het voordeel uit sparen en beleggen te berekenen.
Het voordeel uit sparen en beleggen komt dan uit op € 7.021 (€ 13.052 * 0.538). Hierover moet 32% belasting betaald worden, wat neerkomt op € 2.247.2
Kunt u voor deze situatie uitrekenen wat de kosten en opbrengsten zijn voor een particuliere belegger in het jaar 2024, ervan uit gaande dat de huur op 1 juli 2024 wordt verlaagd naar de maximum huur onder het woningwaarderingsstelsel (WWS)?
2024
Huur
€ 11.392
Gemiddelde waardeontwikkeling
€ 20.400
Onderhoud/exploitatie
€ 2.850
Rente
€ 6.000
Belasting box 3
€ 2.464
In deze berekening is ervan uitgegaan dat de WOZ-waarde van de woning in 2024 ook € 300.000 is.
De maximale huur onder het woningwaarderingsstelsel voor de gevraagde 145 punten is € 898,62. Dit betekent dat de huuropbrengst in 2024 € 11.392 is, aangezien de huur halverwege het jaar verlaagd wordt3. De verwachting in de markt is dat de huizenprijzen in 2024 stijgen met gemiddeld 6,8%4, wat leidt tot een indirect rendement van € 20.400. De verschuldigde belasting in 2024 is € 2.464 (voor de wijze van berekening zie Antwoord 1). Deze stijging van de belasting ten opzichte van 2023 komt voornamelijk door de tariefsverhoging van 32% naar 36%. Deze verhoging vloeit deels voort uit het aangenomen amendement Van der Lee c.s.5
Kunt u voor deze situatie berekenen wat de opbrengsten en kosten (cashflow, want de woning blijft in bezit van de belegger) zijn in elk jaar vanaf 2016 tot en met 2025? Kunt u hierbij de bedragen (WOZ waarde, huur, etcetera) constant houden, zodat precies het effect van alle belasting-en huurregelingsmaatregelen zichtbaar wordt? Wilt u tot slot geen rekening houden met box-3 arresten en dus van de fictie uitgaan dat de belegger geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen?
Allereerst dient opgemerkt te worden dat een dergelijke berekening een vertekend beeld geeft, omdat allereerst de WOZ-waarde jaarlijks wijzigt en – met uitzondering van het jaar 2022 – jaarlijks een stijging heeft doorgemaakt. De WOZ-waardeontwikkeling in de periode 2016–2025 bedraagt 104%.6 Ook de huurprijzen hebben zich in deze periode ontwikkeld. Het CBS gaat uit van een huurprijsontwikkeling tussen 2015 en 2023 van 18%.
De verschuldigde belasting kan voor de jaren 2023–2025 op dezelfde manier berekend worden als in antwoord 1 (zie onderstaande tabel).
Normaliter zal de WOZ-waarde jaarlijks stijgen en zal een verhuurder jaarlijks zijn huren verhogen. Dit leidt tot een hoger rendement waardoor logischerwijs ook de belasting in box 3 toeneemt. Het forfait in box 3 is gebaseerd op de langjarige waardeontwikkeling. Bij verkoop zal een investeerder van deze waardeontwikkeling profiteren.
Kunt u voor elke beleidsmaatregel aangeven welke gevolgen die gehad heeft voor de opbrengsten? Dus kunt u aangeven wat de verhoging van de het fictieve rendement voor vastgoed, de verhoging van de het bijtellingspercentage in box 3, de versobering van de leegwaarderatio, de afschaffing van de leegwaarderatio, de invoering van de fictieve rente op schulden, de regulering van de huur en eventuele andere maatregelen per maatregel in de afgelopen tien jaar voor een gevolgen gehad heeft voor deze particuliere belegger?
Het forfaitaire rendement op overige bezittingen (waaronder vastgoed) wordt ieder jaar geactualiseerd en volgt het lange termijn rendement. De verhoging van dit forfait volgt uit de actualisatie en is dus op zichzelf geen beleidsmaatregel die genomen is met de doelstelling om hogere opbrengsten te verkrijgen. Het tarief in box 3 is per 1 januari 2024 verhoogd naar 36%. Deze verhoging vloeit – zoals eerder aangegeven- voort uit het aangenomen amendement Van der Lee c.s. Dit betreft wel een beleidsmatige wijziging die effect heeft gehad op de opbrengsten van box 3-beleggers. Het effect van de tariefsverhoging voor de belegger uit Vraag 2 bedraagt € 274 (€ 2.464 bij een tarief van 36% en € 2.190 bij een tarief van 32%).
Per 1 januari 2023 is de tabel van de leegwaarderatio geactualiseerd (en niet afgeschaft), overeenkomstig een extern onafhankelijk onderzoeksrapport van SEO. SEO heeft in haar evaluatie van de leegwaarderatio aangetoond dat er een waarde drukkend effect uitgaat van het tegen een lage huur verhuren van woningen. Dit is volgens het onderzoek van SEO het geval wanneer de verhouding van de jaarlijkse huurprijs ten opzichte van de WOZ-waarde onder de 5% uitkomt. Bij de actualisatie van de leegwaarderatio is ervan uitgaan dat circa 60% van de verhuurde woningen een huur kent van meer dan 5% van de WOZ-waarde. Bezitters van woningen hebben vóór de actualisatie van de leegwaarderatio een belastingvoordeel genoten omdat de oude percentages van de leegwaarderatio niet meer aansloten op de werkelijke waarde. SEO heeft zich bij de actualisatie gebaseerd op de verhouding tussen verkoopprijs en WOZ-waarde van woningen die tussen 2015 en 2020 in verhuurde toestand zijn verkocht.
Het vorige kabinet heeft op Kamervragen geantwoord dat het kabinet voornemens is de tabel van de leegwaarderatio in de toekomst regelmatig te actualiseren als dat noodzakelijk is. Verwacht werd dat dat eens per vijf jaar het geval is. Een verlaging van de leegwaarderatio is daarom alleen beleidsmatig wenselijk als daar nieuwe actuele data aan ten grondslag liggen.
Het is niet eenvoudig om de toegenomen belastingdruk door de actualisatie van de leegwaarderatio tabel afzonderlijk te bepalen omdat er in 2023 meerdere wijzigingen hebben plaats gevonden die van invloed zijn geweest op de belastingdruk. Zo is in 2023 de Wet inkomstenbelasting 2001 voor box 3 aangepast waardoor niet langer wordt uitgegaan van een fictieve vermogensverdeling. Ter compensatie hiervan is het heffingvrij vermogen in 2023 beleidsmatig verhoogd van € 50.650(2022) naar € 57.000 in 2023.
Uitgaande van het stelsel zoals dit van kracht was in 2023, inclusief de actualisatie van de leegwaarderatiotabel, betekent dit voor bovenstaande fictieve belegger dat hij belasting verschuldigd is over 2023, omdat de bezittingen minus schulden hoger zijn dan het heffingvrij vermogen (zie tabel 1). Door de actualisatie van de leegwaarderatio tabel wordt een percentage van 90% toegepast in plaats van 62%. Dit betekent dat de woningwaarde gewaardeerd wordt op € 270.000 in plaats van € 186.000. Als de leegwaarderatiotabel niet zou zijn geactualiseerd in 2023 zou deze belastingplichtige vanwege de lagere woningwaarde een rendementsgrondslag hebben gehad onder het heffingvrij vermogen van € 57.000.
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad op 24 december 2021 is per 2023 de Wet inkomstenbelasting 2001 voor box 3 aangepast. Daardoor wordt niet langer uitgegaan van een fictieve vermogensverdeling. Het forfaitaire rendement wordt nu per vermogenscategorie bepaald. Dit betekent onder andere dat schulden niet meer aftrekbaar zijn, maar dat het forfaitaire inkomen verminderd kan worden met de forfaitaire rente op schulden. Met name voor spaarders sluit dit nieuwe stelsel beter aan bij hun werkelijke rendement. Voor beleggers met schulden heeft dit tot een lastenverzwaring geleid, omdat het forfait op overige bezittingen de afgelopen jaren hoger was dan het forfait op schulden. Als de aanpassing van de wet IB in 2023 niet had plaatsgevonden had de belastingplichtige uit bovenstaande voorbeeld € 712 belasting moeten betalen in 2023.
Opgemerkt wordt dat naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 6 en 14 juni 20247 de huidige bepalingen voor box 3 worden aangepast. Op basis van deze jurisprudentie wordt het mogelijk gemaakt om voor de box 3-heffing het werkelijke rendement over het gehele vermogen bij de Belastingdienst aannemelijk te maken, wanneer dat lager is dan het forfaitair berekende rendement. Er komt dus een tegenbewijsregeling in box 3. Als vastgoedbeleggers een hoger rendement realiseren dan dit forfaitair berekende rendement, betalen zij geen belasting over het volledige werkelijke rendement. Zij betalen dan belasting over het forfaitair berekende rendement. Vastgoedbeleggers die een lager werkelijk rendement behalen dan het forfaitair berekende rendement kunnen wel een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Met de tegenbewijsregeling kunnen belastingplichtigen aantonen dat hun werkelijke rendement over het gehele vermogen lager is dan het forfaitair berekende rendement (6,04% in 2024). Daarbij kan rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de werkelijke rente op schulden hoger is dan de forfaitair in aanmerking te nemen rente op schulden. In het forfaitaire stelsel geldt voor alle schulden een forfaitaire aftrek (2,47% in 2024). (Zie ook het antwoord op vraag 8.). De belastingplichtige uit bovenstaand voorbeeld zal hoogstwaarschijnlijk geen tegenbewijs indienen, omdat de belasting onder het forfaitaire systeem lager is en in casu dus beter uitwerkt. Het werkelijke rendement volgens het rendementsbegrip van de Hoge Raad van deze belastingplichtige zijn de opbrengsten uit huur en waardeontwikkeling (€ 31.792) min de rente op hypotheek (€ 6.000). Tegen een tarief van 36% betekent dit een belasting van € 9.285. De belasting onder het forfaitaire systeem is voor deze belastingplichtige € 2.464.
Per 1 juli 2024 is de Wet betaalbare huur in werking getreden. Door de Wet betaalbare huur wordt het woningwaarderingsstelsel (WWS) dwingend en gaat dit stelsel ook gelden voor middenhuurwoningen. In hoeverre een verhuurder de huur moet verlagen verschilt per geval. Door het dwingend maken van het WWS mag de huurprijs van woningen in het gereguleerde segment niet hoger zijn dat het maximum dat volgt uit het WWS. Het dwingend maken van het WWS gaat voor woningen met een puntenaantal tot en met 143 afhankelijk van de aanvangshuurprijs ofwel direct ofwel per 1 juli 2025 in8. Het middenhuursegment wordt gereguleerd door het WWS ook van toepassing te laten zijn voor woningen met puntenaantal vanaf 144 tot en met 186. De regulering van de middenhuur gaat in bij nieuwe huurcontracten. Bij een nieuw huurcontract mag de huur bij deze middenhuurwoningen niet hoger zijn dan het maximum dat volgt uit het WWS.
Het dwingend maken van het WWS moet op termijn door handhaving leiden tot een huurverlaging bij circa 163.000 woningen met een gemiddeld bedrag van 145 euro per maand per woning. Door de regulering van de middenhuur gaan bij een bewonerswissel circa 157.000 woningen in prijs naar beneden, met een gemiddelde huurverlaging van ongeveer 240 euro per maand9. De huur in bovengenoemde casus daalt van € 1.000 per maand naar € 898,62 (zie antwoord 2). Dit heeft enkel effect op de opbrengsten en niet op de verschuldigde belasting.
Op 1 mei 2021 is de Wet maximering huurprijsverhogingen in werking getreden. Dit wetsvoorstel heeft als doel om huurders te beschermen tegen hoge huurstijgingen. Die bescherming krijgt gestalte middels een maximering van de jaarlijkse toegestane huurverhoging voor huurders. Voor verhuurders kan de wet invloed hebben op hun opbrengsten als ze de huur meer zouden willen verhogen dan wettelijk toegestaan. Uit de evaluatie van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten (Kamerstukken II 2022/23, 35 488, nr. 19) komt naar voren dat de wet een hoge zekerheidswaarde voor huurders biedt, tegenover een beperkt effect op het rendement van verhuurders. In de casus wordt de huur tot 2024 op 1.000 euro gehouden en per 1 januari 2024 verlaagt. Het effect van bovenstaande maatregel is daarom niet goed niet zichtbaar in het voorbeeld.
De opkoopbescherming zorgt ervoor dat in gewilde gebieden huizen niet zomaar kunnen worden opgekocht voor de verhuur. Op die manier blijven meer koopwoningen beschikbaar voor mensen die er zelf in gaan wonen. De opkoopbescherming is per 1 januari 2022 in werking gegaan. Een gemeente kan ervoor kiezen een opkoopbescherming in te voeren. Dit kan in buurten waar schaarste is aan goedkope en middeldure koopwoningen of wanneer de leefbaarheid van een buurt onder druk staat door het opkopen van woningen voor de verhuur. De gemeente moet vooraf bepalen welke woningen in het goedkope en middeldure segment vallen. Door deze maatregel kunnen investeerders in bepaalde wijken geen goedkope en middeldure woningen kopen. Het betreft hier een kwalitatieve maatregel waardoor het niet mogelijk is het kwantitatieve effect op de casus te berekenen. Wel kan verondersteld worden dat de waarde van bestaand huurwoningen in wijken waarvoor opkoopbescherming geldt toeneemt gelet op het feit dat de markt voor nieuwe beleggers in huurwoningen wordt ingeperkt.
Is het in 2025 nog aantrekkelijk en mogelijk voor een particuliere vastgoedbelegger in box 3, bijvoorbeeld een gepensioneerde ondernemer die beoogt om het rendement van zijn vastgoed te gebruiken als aanvulling op zijn pensioen, een netto cash flow te realiseren op verhuurde woningen die onder het WWS vallen?
Het voorbeeld in vraag 1 laat zien dat het mogelijk is om als vastgoedbelegger een positief saldo te realiseren. In theorie kan het zijn dat een particuliere vastgoedbelegger een negatief rendement ervaart als gevolg van een sterke waardeontwikkeling. Zoals eerder geschetst is de heffing in box 3 een heffing op direct en indirect rendement. Op basis van de in het antwoord op vraag 4 al aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 6 en 14 juni 2024 over box 3 wordt het mogelijk gemaakt om voor de box 3-heffing het werkelijke rendement over het gehele vermogen bij de Belastingdienst aannemelijk te maken, wanneer dat lager is dan het forfaitair berekende rendement. Er komt dus een tegenbewijsregeling in box 3. Als het totale werkelijke rendement (inclusief het indirecte rendement uit de waardeverandering) lager is dan het totale forfaitair berekende rendement, dan wordt uitgegaan van dat lagere werkelijke rendement.
Heeft Nederland een tekort of een overschot aan betaalbare huurwoningen in het middenhuursegment?
Op dit moment is er een tekort aan betaalbare huurwoningen in het middensegment. De vraag naar middenhuurwoningen schommelt tussen de 400.000 en 540.000 woningen. Op dit moment zijn er een kleine 400.000 middenhuurwoningen10.
Indien u de mening deelt dat er een schreeuwend tekort is aan middenhuurwoningen, wie moet er dan middenhuurwoningen gaan bouwen/kopen en dan verhuren de komende jaren?
Er wordt vol ingezet op de bouw van meer woningen, waaronder ook meer middenhuurwoningen. In het Hoofdlijnenakkoord is een forse impuls voor de bouw van meer woningen aangekondigd. Op korte termijn zal uw Kamer via het Regeerprogramma nader geïnformeerd worden over de invulling hiervan. Corporaties en marktpartijen hebben aangegeven van 2022 tot en met 2030 in totaal 100.000 nieuwe middenhuurwoningen te willen bouwen. Het kabinet verwacht dan ook dat er voldoende middenhuurwoningen bijkomen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er voor particuliere verhuurders een redelijke belastingdruk is zodat het verhuren van woningen een redelijke cashflow oplevert en er meer in plaats van minder huurwoningen beschikbaar komen?
Met de in het antwoord op vraag 4 al aangehaalde arresten van 6 en 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad de huidige bepalingen voor box 3 als onverenigbaar met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verklaard. Dit is het geval wanneer het werkelijke rendement van een belastingplichtige lager is dan het forfaitair berekende rendement. Naar aanleiding van deze arresten wordt nu gewerkt aan aanvullend rechtsherstel en zullen de bepalingen in de Wet inkomstenbelasting 2001 voor box 3 zo spoedig mogelijk worden aangepast om deze in lijn met de genoemde arresten van de Hoge Raad te brengen. Zoals voor het laatst in de Kamerbrief van 18 juli 202411 aan uw Kamer toegelicht, ontwikkelt de Belastingdienst het formulier opgaaf werkelijk rendement (OWR) waarmee belastingplichtigen hun werkelijke rendement tegenover de Belastingdienst kenbaar en aannemelijk kunnen maken als dat over hun gehele vermogen lager is dan het forfaitair berekende rendement. Dat zal voor beleggers in verhuurd onroerend goed bij wie het werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement tot een redelijke belastingdruk leiden. Alleen het werkelijke rendement wordt dan namelijk belast. Beleggers in verhuurd onroerend goed wiens werkelijke rendement hoger is dan het forfaitair berekende rendement hoeven naar aanleiding van de genoemde arresten van de Hoge Raad hun werkelijke rendement niet op te geven bij de Belastingdienst maar mogen volstaan met belastingbetaling over het lagere forfaitaire rendement. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een vermogenswinstbelasting voorgesteld. Hiermee wordt de indirecte waardeontwikkeling belast bij verkoop en hoeft er niet tussentijds belasting te worden betaald over de nog niet gerealiseerde waardeontwikkeling.
Houdt u cijfers bij van het aantal woningen dat in box 3 wordt verhuurd? Zo ja, kunt u die aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, wilt u dat dan gaan doen, zodat de effecten van de maatregelen duidelijk worden?
Er worden geen cijfers bijgehouden van het aantal woningen dat in box 3 wordt verhuurd. Wel is eerder met uw Kamer gedeeld dat er naar schatting 150.000 woningen in box 3 duurzaam worden verhuurd. Tijdelijk verhuurde woningen zijn daarbij niet meegeteld. Het gaat hier om een schatting, afgeleid uit aangiftegegevens, omdat er geen volledige cijfers beschikbaar zijn.
Welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat woningbouwcorporaties van de Europese Commissie snel toestemming krijgen om middenhuurwoningen te verhuren als diensten van algemeen economisch belang (DAEB)?
Vanaf het voorjaar 2023 is Nederland met de Europese Commissie (EC) in gesprek over een aanvullende vrijstellingscategorie voor betaalbare huisvesting in het DAEB-Vrijstellingsbesluit, waardoor het ook mogelijk wordt om steun te geven aan aanbieders van betaalbare huurwoningen voor huishoudens met een middeninkomen. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over de gesprekken die de afgelopen 1,5 jaar zijn gevoerd. De op 18 juli herkozen voorzitter van de EC, mevr. Von der Leyen heeft in haar «Political Guidelines 2024–2029» aangegeven ook een wijziging in de staatssteunregels voor wonen te wensen12.
Het is nu eerst aan de EC om op basis van de op 26 juni 2024 gehouden bijeenkomst in Brussel en de «Policital Guidelines» een volgende stap te nemen. Ik zal echter tot die tijd in contact blijven met de EC om aan te blijven sturen op prioritering van de aanpassing van de staatssteunregels.
Kunt u in een aparte kamerbrief de komende tijd aangeven wat de belastingeffecten zijn voor commerciële verhuurders, zoals (Duitse) vastgoedfondsen?
De onder vraag 1 geschetste uitgangspunten en onder vraag 4 genoemde beleidsmaatregelen zien in het bijzonder op particuliere beleggers. Ten aanzien van commerciële verhuurders, zoals (Duitse) vastgoedfondsen, geldt dat in de geschetste periode vanaf 2023 en verder naar verwachting met name de belastingeffecten van andere beleidsmaatregelen van belang zijn, te weten: de aangekondigde antifragmentatiemaatregel in de generieke renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel), de vastgoedmaatregel in het regime voor de fiscale beleggingsinstelling (fbi) en de tariefdifferentiatie in de overdrachtsbelasting.
De earningsstrippingmaatregel beperkt de aftrekbaarheid van de per saldo verschuldigde rentelasten voor zover deze meer bedragen dan het hoogste van 20% van de gecorrigeerde winst of 1 miljoen euro (drempel). Naar aanleiding van het signaal dat met name ten aanzien van verhuurd vastgoed wordt ingespeeld op een optimaal gebruik van de drempel door rentesaldi van belastingplichtigen te verdelen over verschillende vennootschappen, heeft het voorgaande kabinet besloten om per 1 januari 2025 voor vastgoedlichamen met aan derden verhuurd vastgoed een antifragmentatiemaatregel op te nemen in de earningsstrippingmaatregel. Deze maatregel houdt in dat de door de drempel van € 1 miljoen geboden aftrekruimte buiten toepassing blijft ten aanzien van vastgoedlichamen met aan derden verhuurd vastgoed. Deze maatregel zal met Prinsjesdag aan de Kamer worden aangeboden. Daarbij is het huidige kabinet voornemens om het percentage, dat wordt gehanteerd voor het bepalen van de aftrekruimte in de earningsstrippingmaatregel, te verhogen van 20% naar 25%. Hierdoor kunnen meer rentelasten in aftrek worden gebracht.
Voor vennootschapsbelastingplichtige commerciële verhuurders van vastgoed is verder relevant dat het een fbi met ingang van 1 januari 2025 is verboden om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Het voorgaande kabinet heeft deze maatregel genomen om twee heffingslekken te dichten en zo een evenwichtige heffing over inkomsten uit Nederlands vastgoed te bewerkstelligen.
Verder is door de invoering van de wet differentiatie overdrachtsbelasting op de verkrijging van woningen door niet-natuurlijk personen (zoals vastgoedfondsen) het algemene tarief van toepassing. Het algemene tarief gold al voor de verkrijging van andere onroerende zaken (niet-woningen). Dit algemene tarief is bij genoemde wet, die op 1 januari 2021 in werking trad, op 8% gesteld. Op dit moment bedraagt het algemene tarief 10,4%, Het algemene tarief is namelijk met ingang van 1 januari 2023 verhoogd.
De bovengenoemde beleidsmaatregelen zullen naar verwachting belastingeffecten op commerciële vastgoedfondsen. De precieze effecten op de opbrengsten en kosten van deze beleidsmaatregelen op individuele vastgoedfondsen zijn daarbij afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Een aparte brief is gelet op bovenstaand antwoord niet meer noodzakelijk.
Gaat u op redelijk korte temijn maatregelen nemen om het beleggen in huurwoningen in box 3 minder onaantrekkelijk te maken? Zo ja welke? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord op vraag 8.
Is de huidige belastingdruk in box 3 voor particuliere verhuurders zoals in dit voorbeeld, zodanig hoog, dat er sprake is van een inbreuk op het eerste protocol van het EVRM?
Over de huidige bepalingen van box 3 heeft de Hoge Raad in juni jl. geoordeeld dat deze in strijd zijn met het EVRM, zie ook het antwoord op vraag 8. De wettelijke bepalingen voor box 3 zijn niet specifiek gericht op particuliere verhuurders die over het rendement uit hun vermogen in box 3 belasting moeten betalen, maar met de genoemde arresten van de Hoge Raad is impliciet ook voor particuliere verhuurders aangegeven dat de huidige bepalingen een inbreuk vormen op het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad heeft bepaald dat deze inbreuk moet worden hersteld door voor de belastingheffing uit te gaan van het werkelijke rendement, als dat lager is dan het forfaitair berekende rendement. De wetgeving zal worden gewijzigd, zodat deze wel in lijn is met het Eerste Protocol bij het EVRM, zoals in het antwoord op vraag 8 toegelicht.
Kunt u deze vragen een voor een en voor 15 augustus beantwoorden?
Er is op ingezet de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden. Beantwoording voor 15 augustus is helaas niet mogelijk gebleken.
Kunt u aangeven wat het kabinet wil bereiken met het verhogen van de btw op kranten, lectuur, kinderboeken, studieboeken, musea, podiumkunsten, musicals, logies, sportwedstrijden en sportabonnementen?
Om het begrotingstekort niet verder te laten oplopen en maatregelen van dekking te voorzien is onder andere besloten tot het verhogen van het btw-tarief op bepaalde goederen en diensten. De tariefswijziging levert een structurele opbrengst van € 2.331 miljoen op.
De tariefswijziging draagt daarnaast bij aan een vereenvoudiging van het belastingstelsel.1 Het kabinet geeft daarmee ook vervolg aan de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic innovatie & interactie en Significant Public.2 Hieruit volgde dat het verlaagd btw-tarief deels doeltreffend, maar in het algemeen geen doelmatig instrument is om de beoogde doelen te bereiken. Voor de culturele goederen en diensten kon de doelmatigheid niet worden vastgesteld. Dit kabinet heeft onder meer om die reden ervoor gekozen om een aantal fiscale regelingen af te schaffen en het algemene btw-tarief toe te passen in plaats van het verlaagd btw-tarief.
Is er een impactanalyse gedaan om de gevolgen van de btw-verhogingen op cultuur, sport en logies, zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord, voor mensen en ondernemers in kaart te brengen? Zo ja, kunt u deze impactanalyse met de Kamer delen?
Voor de voorgenomen btw-verhoging is geen specifieke impactanalyse verricht.
Zo nee, kunt u toezeggen om – met het oog op zorgvuldig beleid en de bestaanszekerheid van Nederlanders – een dergelijke impactanalyse alsnog uit te voeren? Kunt u toezeggen deze vóór de behandeling van het belastingplan 2025 met de Kamer te delen?
Bij het vaststellen van het hoofdlijnenakkoord is een afweging gemaakt over het voortzetten van de verlaagde btw-tarieven en is besloten deze fiscale subsidie in een aantal gevallen te beëindigen. Het kabinet is zich ervan bewust dat het afschaffen van het verlaagde btw-tarief met zich meebrengt dat de kosten voor bepaalde ondernemers en/of consumenten kunnen toenemen. Het voorstel van het kabinet voorziet voor de betreffende sectoren in een jaar voorbereidingstijd om te kunnen anticiperen op de maatregel. Ook geldt dat het kabinet een aantal andere maatregelen zal uitwerken op het gebied van bestaanszekerheid en ten behoeve van de koopkracht van huishoudens, zoals een voorgenomen verhoging van toeslagen en generieke lastenverlichting voor werkenden en maatregelen ten gunste van ondernemers. Over de exacte invulling van de maatregelen wordt richting Prinsjesdag besloten. Ik ben niet voornemens om een nadere impactanalyse uit te voeren, wel zal het effect van de tariefsverhoging worden gemonitord.
Heeft u financiële onderbouwing die rechtvaardigt dat voor bioscopen en dagrecreatie een ander btw-tarief zou gaan gelden dan voor andere vormen van cultuur en vermaak, zoals sport? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, kunt u, met het oog op goed bestuur en om willekeur te voorkomen, beargumenteren waarom gekozen is voor deze uitzondering?
In het hoofdlijnenakkoord is ervoor gekozen om het verlaagd btw-tarief voor het geven van gelegenheid tot kamperen te laten bestaan. Ook blijft het verlaagd btw-tarief behouden voor het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen en andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen. Voor circussen, dierentuinen en bioscopen blijft het verlaagd btw-tarief eveneens gelden. Deze afweging is gemaakt omdat het kabinet het wenselijk vindt om voor deze activiteiten de fiscale subsidiëring te behouden. Naar de mening van het kabinet is geen sprake van willekeur.
Heeft u een onderbouwing geredeneerd vanuit het streven naar brede welvaart dat voor dagrecreatie, bioscopen en kampeerterreinen een btw-verhoging niet goed zou zijn, maar voor cultuur, sport en logies wel? Dragen dagrecreatie, bioscopen en kampeerterreinen meer bij aan de brede welvaart in Nederland dan cultuur, sport en logies?
Zoals toegelicht bij vraag 4, laat het kabinet bij de heroverweging van het verlaagd btw-tarief voor een aantal gevallen het verlaagd btw-tarief in stand. Dit onderscheid is op basis van bredere overwegingen binnen het hoofdlijnenakkoord, onder meer ten behoeve van de mogelijkheid om diverse andere maatregelen te financieren.
Kunt u een inschatting maken van de uitvoerbaarheid van de btw-verhogingen en in hoeverre de uitzonderingen impact hebben op de uitvoering? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de grensgevallen, zoals het Eftelingtheater, waarvan niet duidelijk is of het onder culturele instellingen of dagrecreatie valt? Gelden filmconcerten, waarbij een filmvertoning begeleid wordt door een orkest, voor de btw als een bioscoop of als klassieke muziek?
Discussies over grensgevallen zijn onvermijdelijk en doen zich ook onder de huidige regels al regelmatig voor. Naar verwachting zullen deze niet noodzakelijkerwijs toenemen omdat (en mits) binnen de posten die vervallen geen uitzonderingen zijn gemaakt. Aangezien de Belastingdienst ook nu al in de uitvoering van de verlaagde btw-tarieven ervaart dat over allerlei grensgevallen gediscussieerd kan worden, zullen door het afschaffen van een aantal verlaagde btw-tarieven ook bepaalde discussies verdwijnen. Wel valt te verwachten dat door het handhaven van het verlaagd btw-tarief op het gelegenheid geven tot kamperen nieuwe afbakeningsgeschillen zullen ontstaan in relatie tot de tariefverhoging voor het verstrekken van logies. In de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025 zal hierop worden ingegaan.
De afbakeningsproblematiek waar met de genoemde grensgevallen op wordt gedoeld, betreft oordelen van feitelijke aard. Die oordelen zijn van geval tot geval voorbehouden aan de bevoegde belastinginspecteur en daarna – eventueel – de rechter.
Wat is uw inschatting van de juridische haalbaarheid van de uitzonderingen op de btw-verhogingen? Verwacht u hierover rechtszaken vanuit de desbetreffende sectoren?
De ervaring leert dat zowel nieuwe als bestaande afbakeningen in de btw aanleiding geven tot discussies. Tegelijkertijd wil ik ook benadrukken dat het kabinet geen nieuwe definities introduceert, maar een aantal reeds bestaande (sub)categorieën binnen het verlaagd btw-tarief in stand houdt. Het kabinet zal in de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025 nader ingaan op de juridische aspecten van het afschaffen van de verlaagde btw-tarieven.
Kunt u aangeven wat het effect van de btw-verhoging op boeken, kranten, cultuur, sport en logies is op de portemonnee van Nederlanders? Kunt u voor deze maatregelen per inkomensgroepen, conform de definitie van het CPB, aangeven wat het effect op de koopkracht is voor het jaar 2025 en voor latere jaren?
Uit de bij vraag 1 genoemde evaluatie van het verlaagd btw-tarief blijkt dat het verlaagd btw-tarief een ondoelmatig instrument is voor inkomensondersteuning. Uit de evaluatie blijkt dat huishoudens in de lagere inkomensdecielen in absolute termen minder uitgeven aan boeken, kranten, cultuur, sport en logies waardoor zij minder van het verlaagd btw-tarief profiteren dan andere inkomensgroepen. Echter, het is niet mogelijk om de exacte koopkrachteffecten te berekenen, omdat daarvoor in de dataset gegevens beschikbaar zouden moeten zijn over wie er wel en niet culturele goederen en diensten/logies consumeren en welk deel van hun bestedingen hiernaartoe gaat. In de dataset die gebruikt wordt in de koopkrachtberekeningen is dit niet bekend en zijn hier geen gegevens over beschikbaar.
Door het verlaagd btw-tarief op de eerdergenoemde posten af te schaffen kunnen de vrijgekomen middelen elders ingezet worden. Daarnaast heeft dit kabinet middelen beschikbaar gesteld voor de verbetering van de koopkracht voor met name werkende middeninkomens. Deze invulling wordt bij Prinsjesdag bekend gemaakt.
Kunt u aangeven wat de effecten van de btw-verhogingen zullen zijn op ondernemers en werknemers in de desbetreffende sectoren? Kunt u per sector aangeven welke businessmodellen door deze btw-verhoging onder druk zullen komen staan? Welke inkomstenderving verwacht u voor ondernemers?
In de ambtelijke fichebundel naar aanleiding van de evaluatie van het verlaagd btw-tarief zijn in brede zin uitspraken gedaan over het mogelijke omzetverlies.3 Het is niet mogelijk om uitspraken te doen over individuele businessmodellen en het is aannemelijk dat er binnen een sector verschillen zullen zijn. In hoeverre een btw-verhoging tot inkomstenderving voor individuele ondernemers leidt, is in grote mate afhankelijk van het antwoord op de vraag of de ondernemer deze stijging kan doorberekenen aan zijn afnemer en, daarmee, van de prijselasticiteit van de vraag.
Kunt u aangeven wat de financiële effecten zullen zijn in het onderwijs? Hoeveel kost deze maatregel voor afzonderlijk basisscholen, middelbare scholen, mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten jaarlijks extra? Wat betekent dat effect op de begroting voor de instellingen in de verschillende sectoren?
Onderwijsinstellingen zijn doorgaans niet btw-plichtig. Dit betekent dat zij de door hen betaalde btw niet in aftrek kunnen nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval voor schoolboeken en digitale educatieve informatie. Onderwijsinstellingen in het primair en voortgezet onderwijs zijn verplicht om de schoolboeken en digitale leermiddelen te verstrekken aan leerlingen. De btw-verhoging hiervoor leidt daardoor in het primair en voortgezet onderwijs tot een lastenverhoging van circa € 50 miljoen per jaar.4
Naast noodzakelijke uitgaven voor leermiddelen kunnen onderwijsinstellingen er ook voor kiezen om extra-curriculaire activiteiten te organiseren, bijvoorbeeld een bezoek brengen aan een culturele instelling zoals een museum. Bij MBO-, HBO- en WO-instellingen kan de tariefsverhoging ook leiden tot extra lasten bij extra-curriculaire activiteiten, maar de mate waarin deze instellingen hier gebruik van maken varieert sterk, waardoor er geen eenduidig beeld geschetst kan worden. De lastenverhoging met betrekking tot de kostenstijging van boeken zal voor een deel landen bij studenten.
Kunt u aangeven hoeveel deze maatregel studenten jaarlijks extra kost? In hoeverre verschilt dat per studierichting en of onderwijsrichting?
Het effect van de tariefsverhoging op de lasten van studenten is afhankelijk van het consumptiepatroon van individuele studenten. Het is daarom niet mogelijk om dit in kaart te brengen. Afschaffing van het verlaagd btw-tarief op (zowel fysieke als digitale) boeken/educatieve leermiddelen zal wel leiden tot een kostenstijging voor studenten in het vervolgonderwijs.
Kunt u aangeven wat de effecten van de btw-verhoging op cultuur en sport zullen zijn voor het aanbod en de toegankelijkheid van deze twee sectoren?
De sportvrijstelling in de btw blijft bestaan. Dit betekent dat bijvoorbeeld diensten van sportorganisaties en sportclubs die geen winstoogmerk hebben, vrijgesteld blijven van btw op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Voor ondernemers met een winstoogmerk zal het verlaagd btw-tarief worden afgeschaft. De verwachting is dat de afschaffing effect zal hebben op de toegankelijkheid. De mate waarin het afschaffen van het verlaagd btw-tarief effect heeft op de toegankelijkheid van sport en cultuur is afhankelijk van de mate van doorberekening, welke kan leiden tot hogere consumentenprijzen en een lagere afzet.
Kunt u de regionale effecten van de btw-verhoging op cultuur en sport in kaart brengen? Heeft de btw-verhoging een disproportioneel effect op cultuur- en sportinstellingen buiten de randstad?
Doorgaans wordt er bij aanpassingen in de btw niet gekeken naar regionale effecten. Het kabinet verwacht overigens dat er geen grote verschillen tussen regio’s zullen optreden naar aanleiding van deze tariefsverhoging. Het kabinet heeft in het bijzonder oog voor de positie van de regio. In het hoofdlijnenakkoord zijn daarom meerdere maatregelen opgenomen om de positie van de regio te versterken op terreinen zoals de arbeidsmarkt en openbaar vervoer.
Kunt u aangeven wat de btw-verhogingen op cultuur en sport betekenen voor gemeentelijke en provinciale financiën? Zullen zij moeten opdraaien voor de verhoogde kosten om cultuur- en sportinstellingen toegankelijk te houden?
Gemeenten en provincies voeren hun eigen beleid op cultuur en sport en bepalen daarin hun eigen prioriteiten. De voorgenomen maatregel kan mogelijk effect hebben op het beleid van gemeenten en provincies. De reikwijdte en omvang van de huidige ondersteuning verschilt echter sterk.
Kunt u in beeld brengen wat de gevolgen van de btw-verhogingen zijn voor de toekomstige kansen van Nederlandse topsporters?
De gevolgen van deze btw-verhoging voor Nederlandse topsport zijn niet op voorhand in kaart te brengen maar lijken klein. Bij de btw-verhoging op sport gaat het om de verhoging van btw op diensten van commerciële sportaanbieders (dit raakt aan de basis van topsport) en het bijwonen van sportevenementen en wedstrijden (dit raakt aan de manier waarop topsport gefinancierd is).
Nederland heeft een uitstekend topsportklimaat. De basis van de Nederlandse topsport ligt in de breedtesport. In de verenigingsstructuur worden talenten ontdekt en krijgen zij de mogelijkheid om door te groeien. In het antwoord op vraag 12 is reeds toegelicht dat de zogenoemde sportvrijstelling als zodanig ongewijzigd blijft bestaan, alleen sporten die commercieel zijn georganiseerd ondervinden hinder van de afschaffing van het verlaagde btw-tarief. Dat zou effect kunnen hebben op de instroom van sporters in die takken van sport.
Mogelijk kan er een effect zijn op het aantal topsportevenementen dat in Nederland wordt georganiseerd en de hoeveelheid publiek dat evenementen en wedstrijden bezoekt. Mocht dit effect optreden, dan zou dit zowel financieel (minder inkomsten) als sportief consequenties kunnen hebben op de Nederlandse topsport. Het aantal evenementen en het aantal bezoekers bij topsportevenementen hangt echter van meer factoren af dan enkel de hoogte van het btw-tarief. Denk aan de aanwezigheid van sponsoren, de populariteit van een bepaalde sport en de verwachte economische impact van het evenement. Voor eventuele doorwerking op de kansen van Nederlandse topsporters van de btw-verhoging op sportbeoefening bij commerciële aanbieders en sportevenementen is nog geen enkel empirisch bewijs.
Kunt u een analyse delen van effecten van deze maatregelen voor (horeca-)ondernemers en Nederlanders in de grensregio’s?
Btw-verhogingen hebben doorgaans een prijsopdrijvend effect. Dit effect is echter moeilijk vast te stellen omdat veel factoren bijdragen aan de totstandkoming van een prijs. Als gevolg van eventuele prijsverhogingen zijn eventuele grenseffecten niet uit te sluiten. De omvang en impact hiervan zijn echter niet te kwantificeren vanwege de veelheid aan factoren die dergelijke beslissingen van consumenten beïnvloeden.
Kunt u de gestapelde effecten van de btw-verhogingen voor sommige bedrijven inzichtelijk maken, bijvoorbeeld voor ondernemers die zowel cultuur of sport als logies aanbieden?
Ondernemers die zowel activiteiten ontplooien op het terrein van cultuur, sport en logies zullen op al deze activiteiten een tariefverhoging ervaren. Het effect op de bedrijfsvoering voor een dergelijk bedrijf is niet anders dan voor ondernemers die uitsluitend één van deze activiteiten aanbieden.
Kunt u reageren op de oproep en de aangehaalde cijfers van de bijna veertig organisaties uit de sport-, horeca- en cultuurwereld die op 3 juli 2024 het kabinet verzochten om de btw-verhoging te heroverwegen?1
Het is evident dat deze maatregelen, met een budgettaire opbrengst van (structureel vanaf 2026): € 1.221 miljoen (cultuur/sport) en € 1.110 miljoen (logies), effect zullen hebben op de betreffende sectoren. Zoals opgemerkt bij het antwoord op vraag 1 is het verlaagd btw-tarief vorig jaar geëvalueerd door Dialogic innovatie & interactie en Significant Public. Uit die evaluatie blijkt dat het in het algemeen het verlaagd btw-tarief deels doeltreffend is, maar in het algemeen geen doelmatig instrument is om de beoogde doelen te bereiken. Dat betekent dat de financiële middelen die met deze fiscale regelingen zijn genoemd, deels niet efficiënt worden besteed. Het kabinet kiest er met deze maatregel voor deze middelen op andere wijze in te zetten. Deze keuze sluit ook aan bij de wens voor een simpeler en meer doeltreffend en doelmatig belastingstelsel. Daar staat tegenover dat deze maatregel, zoals opgemerkt, evident impact zal hebben op de betreffende sectoren. De omvang van dat effect is afhankelijk van veel factoren waaronder economische ontwikkelingen, de prijselasticiteit van de vraag naar de betreffende producten en diensten en de andere maatregelen die het kabinet nu en in de toekomst treft (ook ten gunste van het ondernemingsklimaat).