Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Gemiste inkomsten door personeelstekorten bij de Belastingdienst |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Buitenhof van afgelopen zondag 11 oktober 2026 gezien?
Kunt u de bedragen op de website van de Belastingdienst over openstaande belastingschulden nader toelichten? Hoeveel van de openstaande 46 miljard euro verwacht u dat de Belastingdienst alsnog binnenkrijgt?
Klopt het dat er onvoldoende personeelscapaciteit is om de 16,5 miljard euro, waarvoor invorderingsmaatregelen zijn getroffen daadwerkelijk in te vorderen, en dat de kans groter wordt dat dit geld niet meer ingevorderd kan worden naarmate de Belastingdienst langer wacht met actie ondernemen? Klopt het dat dit bedrag jaarlijks toeneemt? Hoe duidt u de uitspraken van de heer Graaff hierover?
Klopt het dat de Belastingdienst 1.000 fte tekort komt voor alleen de invordering bij burgers en kleine bedrijven? Hoeveel fte zouden er nodig zijn om de invordering over de hele linie op orde te krijgen?
Klopt het aantal boekenonderzoeken bij bedrijven is gedaald van 26.000 in 2016 naar 8.000 nu? Wat is op dit moment de kans dat een bedrijf daadwerkelijk gecontroleerd wordt?
Hoeveel inkomsten loopt de overheid naar schatting op dit moment mis door fraude en fouten bij bedrijven en onvoldoende controle? Wat vindt u daarvan?
Klopt het dat een extra invorderaar of controleur zichzelf makkelijk terugverdient voor de Belastingdienst? Hoe komt het dan dat de Belastingdienst niet meer mensen aanneemt om dit werk te doen?
Kunt u helderheid bieden over de bezuinigingsopgave voor de Belastingdienst? Waarom is eerder aangegeven dat dit 277 miljoen euro was, en klopt het dat het nu 438 miljoen euro blijkt te zijn?
Vindt u het verstandig om zoveel te bezuinigen op de Belastingdienst, terwijl er al een tekort is aan invorderaars en controleurs, en terwijl de Belastingdienst nog steeds voor een grote moderniseringsopgave staat? Op welk onderdeel van de Belastingdienst is het wat u betreft wel geoorloofd om te bezuinigen?
Bent u bereid de voorgenomen bezuinigingen op de Belastingdienst te schrappen?
Het bericht dat het UWV de stekker trekt uit een mislukt ICT-project dat de afgelopen vijf jaar maar liefst 55 miljoen euro aan belastinggeld heeft gekost |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van onder meer de NOS over het feit dat het UWV na vijf jaar en 55 miljoen euro stopt met de ontwikkeling en implementatie van De Bemiddelingsservice (BMS) omdat er onvoldoende vertrouwen is in het systeem en wat is uw reactie daarop?1
Vindt u het aanvaardbaar dat 55 miljoen euro aan belastinggeld gewoon is weggegooid door het UWV? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt uiteenzetten waaraan de 55 miljoen euro de afgelopen jaren is besteed? Kunt u daarbij een gespecificeerd overzicht verstrekken, uitgesplitst naar jaar en kostenpost?
Hoe legt u het uit dat het kabinet de bestuurlijke dwangsom bij het UWV tijdelijk wil afschaffen om onder meer geld te besparen, terwijl datzelfde UWV kennelijk wel 55 miljoen euro aan belastinggeld kan verspillen aan een mislukt ICT-project? Deelt u daarbij de opvatting dat dit niet uit te leggen valt aan de burgers die door het UWV worden gedupeerd?
Kunt u uitleggen waarom het project niet al in februari 2026 is stopgezet, toen het Adviescollege ICT-toetsing een vernietigend rapport uitbracht? Kunt u bovendien uitleggen waarom niet al eerder is besloten om het project stop te zetten, nu blijkt dat ook de softwareleverancier fundamentele kritieken ten aanzien van de datatoevoer heeft geuit bij het UWV?
Hoeveel geld is er aan het project uitgegeven nadat het Adviescollege ICT-toetsing in februari 2026 zijn kritieken ten aanzien van het project kenbaar maakte?
Deelt u de mening dat het verkwanselen van 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld niet uit te leggen valt en dat, in samenhang met de totale chaos en het wanbeleid dat bij het UWV de dienst uitmaakt, dit niet zonder consequenties ten aanzien van de Raad van Bestuur van het UWV kan blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wie heeft binnen het UWV de verantwoordelijkheid gehad om de afgelopen jaren te beslissen dat, ondanks de aanhoudende problemen, door te gaan met het project en zodoende belastinggeld te blijven investeren in deze bodemloze put?
Deelt u de opvatting dat wanneer het UWV 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld investeert in een project waarover herhaaldelijk ernstige kritiek is geuit, er moeilijk anders geconcludeerd kan worden dan dat er sprake is van verwijtbare bestuurlijke fouten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat een derde partij (mede)verantwoordelijk is voor het mislukken van dit project en zo ja kunt u een deel van het verloren gemeenschapsgeld verhalen op die partij(en)? Zo ja, om welke partijen gaat dit, waarom zijn zij volgens u medeverantwoordelijk en hoeveel geld verwacht u te kunnen terug halen?
Herkent u de kritiek van de softwareleverancier, die stelt dat de slechte kwaliteit van de door het UWV aangeleverde gegevens een belangrijke oorzaak is in het mislukken van het ICT-project? Zo ja, hoe kan het dat een organisatie als het UWV miljoenen investeert in nieuwe software zonder vooraf voldoende vast te stellen of de eigen gegevens hiervoor geschikt zijn?
Welke gevolgen heeft het stoppen van dit project voor werkzoekenden en werkgevers?
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de wens om een dergelijk systeem te implementeren? Gaat het UWV zoeken naar een nieuwe methode en zo ja, hoe voorkomt u dat opnieuw jarenlang en voor tientallen miljoenen euro’s aan belastinggeld wordt verspild aan een alternatief systeem?
Wanneer werd in de afgelopen vijf jaar voor het eerst duidelijk dat het project allicht zou gaan mislukken? Kunt u daarbij een gespecificeerde lijst doen toekomen van alle relevante interne reviews, tests en adviezen?
Hoeveel andere grote ICT-projecten lopen momenteel bij het UWV en wat is de totale financiële omvang hiervan? Kunt u daarbij garanderen dat bij deze projecten niet dezelfde fouten worden gemaakt? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
Wilt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling van SZW beantwoorden?
Het bericht 'Dit maakt je helemaal kapot': gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Dit maakt je helemaal kapot»: gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over»?1
Hoe reageert u op het feit dat ondernemers nog altijd geen compensatie hebben gekregen voor de ondernemingsschade die zij hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Wat zegt het over de houding van de overheid naar haar eigen burgers, dat de Landsadvocaat in rechtszaken de ondernemingsschade toegebracht in het toeslagenschandaal bestempelt als een «ondernemingsrisico» en een «ongelukkig incident»?
Waarom is in de discussie over het toeslagenschandaal de schade voor duizenden ondernemers zo lang onderbelicht gebleven?
Hoeveel ondernemers hebben ondernemingsschade geleden als gevolg van het toeslagenschandaal en hoeveel van hen zijn door het toeslagenschandaal failliet gegaan?
Waarom is ervoor gekozen om ondernemers niet te compenseren voor de vaak dramatische financiële gevolgen voor hun onderneming van het toeslagenschandaal?
Hoe reageert u op de suggestie dat er sprake was van samenwerking in de Belastingdienst tussen de afdelingen mkb en particulieren?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst in de fraudeselectie bij ondernemers gebruik maakte van de zorg- en huurtoeslag?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst gebruik maakte van de nationaliteit van gedupeerden?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst bij minstens één kinderopvangbedrijf klanten heeft geselecteerd op hun afkomst?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Staat de link tussen de fraudelijsten en faillissementen wel gaat erkennen?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle ongelakte en verdwenen stukken met betrekking tot de gedupeerde ondernemers zo snel mogelijk boven water komen?
Wanneer verwacht u dat alle gedupeerde mkb’ers volledig zijn gecompenseerd voor de financiële schade die zij onterecht hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De handhaving van het UBO-register bij verenigingen en stichtingen. |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst handhaaft op de inschrijving van Ultimate Beneficial Owners (UBO’s) in het UBO-register?
Klopt het dat er brieven vanuit de Belastingdienst worden verstuurd waarin aangegeven wordt dat er binnen een bepaalde termijn een inschrijving gedaan moet worden, omdat er anders boetes worden uitgedeeld?
Herkent u de signalen vanuit verenigingen en stichtingen over de grote gevolgen van handhavingsbrieven?
Hoe is bij deze brieven en in verdere communicatie rekening gehouden met de positie van verenigingen en stichtingen, waarbij vaak sprake is van heel veel vrijwilligers, waarvan een deel een hoge(re) leeftijd heeft bereikt, weinig kennis heeft van dit soort verplichtingen dan wel moeite heeft om aan dit soort verplichtingen te voldoen?
Kunt u toezeggen dat er voorlopig geen boetes worden uitgedeeld en dat de handhaving gepauzeerd wordt, ook niet als verenigingen en stichtingen hun UBO’s nog niet aangeleverd hebben?
Bent u bereid om, indien er in de toekomst overgegaan wordt tot het daadwerkelijk uitdelen van boetes, onderscheid te maken tussen goedwillenden en personen die doelbewust de wet overtreden? Is het kortom mogelijk om risicogericht te handhaven?
Erkent u dat dit soort verplichtingen, en het dreigen met hoge boetes, grote druk zet op het doen van vrijwilligerswerk en enorme gevolgen heeft voor verenigingen en stichtingen?
Hoe kunt u, in overleg met bijvoorbeeld overkoepelende organisaties, bijdragen aan het ondersteunen van verenigingen en stichtingen bij het aanleveren van hun UBO’s?
Het verhogen van het btw-tarief op sierteelt |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen een btw-verhoging op specifiek bomen en planten heeft voor de betaalbaarheid en vraag naar deze producten en daarmee indirect voor de vergroeningsopdracht van particuliere tuinen, openbare ruimte en stedelijk gebied?
Zo ja, kan het kabinet deze effecten kwantificeren?
Hoe zijn de positieve maatschappelijke baten van bomen en planten en de inspanningsvraag hierbij van de burgers, op biodiversiteit, verkoeling, wateropvang en leefomgeving meegewogen in de keuze voor een btw-tarief van 21 procent?
Hoe weegt het kabinet de economische effecten, zoals een verwachte omzetdaling van 674 tot 830 miljoen euro en het verlies van een kleine 3.000 banen, af ten opzichte van de verwachte extra belastingopbrengst?
De opnieuw opgelopen vertraging bij de hersteloperatie toeslagen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Trouw van 18 september 2026, «Herstel toeslagenaffaire opnieuw vertraagd: Stichting SGH van Laurentien loopt vast»?1
Hoe beoordeelt u het dat gedupeerde ouders bij de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) inmiddels 180 dagen moeten wachten voordat hun claim in behandeling wordt genomen, terwijl de wachttijd bij de overheidsroute MijnHerstel volgens het bericht 45 dagen bedraagt?
Kunt u toelichten waarom SGH onvoldoende in staat is gebleken haar capaciteit op te schalen om de toestroom van gedupeerde ouders aan te kunnen en hoe realistisch acht u de eis dat SGH binnen een halfjaar van 300 naar 675 dossiers per maand opschaalt?
Welke concrete gevolgen heeft de opnieuw opgelopen vertraging voor de beoogde afronding van de hersteloperatie eind 2027, nu uit het bericht blijkt dat deze deadline op deze manier niet wordt gehaald?
Hoe gaat u voorkomen dat de hersteloperatie verder wordt vertraagd door de lange doorlooptijden bij zowel SGH als advocatenkantoren met grote aantallen dossiers en welke resultaten verwacht u van het actief monitoren van de doorlooptijden per advocatenkantoor en het aanbieden van extra ondersteuning?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
De toekomstbestendigheid van de Belastingdienst |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Van «juweel» van de overheid tot «beerput van ellende»» over de ontwikkeling van de Belastingdienst?1
Denkt u dat de Belastingdienst weer in staat is de voorlopersrol te kunnen gaan pakken?
Welke lessen uit eerdere reorganisaties worden aantoonbaar toegepast bij de huidige veranderopgaven van de Belastingdienst?
In hoeverre zijn volgens u bij de verschillende reorganisaties bij de Belastingdienst concrete en meetbare doelen gesteld, zodat tussentijds kon worden getoetst of bijgestuurd?
In hoeverre is dat volgens u bij de huidige opgave het geval?
Wat zeggen de huidige tegenvallers in de ICT-modernisering, zoals beschreven in de recente voortgangsbrief, volgens u over de kwaliteit en voorspelbaarheid van de totale ICT-planning?
In hoeverre gaat het om incidentele tegenvallers binnen afzonderlijke projecten en in hoeverre is sprake van een structurele onderschatting van de totale moderniseringsopgave?
In hoeverre worden de tegenvallers volgens u veroorzaakt door technische vertragingen en/of inschattingsfouten, en in welke mate door politieke wensen en/of hersteloperaties?
Deelt u de mening dat een toekomstbestendige Belastingdienst niet alleen vraagt om keuzes binnen de Belastingdienst, maar ook om meer voorspelbaarheid vanuit kabinet en Kamer?
Hoe kunnen politiek en uitvoering eerder en structureler met elkaar in gesprek over wat uitvoerbaar is, welke veranderingen prioriteit moeten krijgen en welke beleidsrust daarvoor nodig is?
Wanneer is volgens u de moderniseringsopgave (grotendeels) afgerond, zodat er weer meer ruimte en flexibiliteit ontstaat voor ad hoc aanpassingen anders dan parameters en nieuwe grotere wetgevingstrajecten?
Zou het volgens u meerwaarde hebben om gezamenlijk tot een meerjarige agenda te besluiten op basis van beschikbare verandercapaciteit met een beperkt aantal prioriteiten, waaronder enerzijds noodzakelijke modernisering en anderzijds noodzakelijke maar ook gewenste nieuwe wetgeving, zoals hervormingen in de fiscaliteit?
Welke afspraken zouden kabinet en Kamer volgens u met elkaar moeten maken om te voorkomen dat we over enkele jaren opnieuw constateren dat achterstallig onderhoud, ICT-problematiek en een stapeling van politieke wensen noodzakelijke verbeteringen in de weg staan?
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
De rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is1?
Ja
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,– euro?
Ja
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke – achteraf – onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66), Robin van Leijen (D66) |
|
Bertram , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.