Het bericht dat de afgelopen maanden 60 kindbruiden Nederland zijn binnengekomen |
|
Sadet Karabulut , Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat afgelopen maanden 60 kindbruiden Nederland zijn binnengekomen? Klopt dit aantal?1
Zelf beslissen met wie je trouwt is een fundamentele waarde in ons land. Dit is dus een onwenselijke ontwikkeling. Ik heb de betrokken organisaties om extra oplettendheid gevraagd in deze zaken. Over de periode 1 september 2015 tot peildatum 18 januari 2016 zijn circa 60 gehuwde minderjarige meisjes Nederland zelfstandig ingereisd, al dan niet in gezelschap van hun echtgenoot2.
Wat is uw reactie op het onderzoek «Zicht op kwetsbaarheid» van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen? Klopt het dat in de periode tussen 24 juli 2014 en 18 februari 2016 210 Syrische kindbruiden Nederland binnenkwamen? Klopt het dat in deze periode de jongste kindbruid 14 jaar was?2
Voor de reactie op het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer van 25 april 2016.
Het in het rapport genoemde aantal 2104 heeft betrekking op meldingen van kindbruiden in het kader van vreemdelingrechtelijke procedures. Dit aantal ziet derhalve niet alleen op Syrische gehuwde minderjarige meisjes die Nederland zijn ingereisd, maar heeft ook betrekking op hoofdpersonen die kenbaar maken in het buitenland een minderjarige (huwelijks)partner te hebben waar (nog) geen procedure voor is gestart.
Het bericht over een gehuwde minderjarige met de leeftijd van 14 jaar, die Nederland zelfstandig is ingereisd, klopt. Vanwege privacyaspecten kan ik niet ingaan op de individuele omstandigheden. Wel kan ik u melden dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) onder voogdij van Nidos worden geplaatst en het uitgangspunt is dat gehuwde minderjarige meisjes onder de 16 jaar apart van een eventuele partner worden opgevangen.
Klopt het dat na inwerkingtreding van de Wet tegengaan huwelijksdwang op 5 december 2015, nog steeds kindbruiden Nederland zijn binnengekomen?
Met ingang van 5 december 2015 worden alle MVV-aanvragen in het kader van nareis en reguliere gezinshereniging afgewezen door de IND als ten minste een van de (huwelijks)partners jonger is dan 18 jaar.5 Het is echter nog steeds mogelijk dat een minderjarig gehuwd meisje Nederland zelfstandig inreist en asiel aanvraagt.
Er is mij helaas één geval bekend waarin na 5 december 2015 een minderjarige toch is ingereisd op basis van een abusievelijk afgegeven machtiging tot voorlopig verblijf (MVV). Dit was twee werkdagen na inwerkingtreding van de nieuwe Wet Huwelijksdwang. Het ging hier om een 17-jarige die overigens deze maand 18 jaar wordt. De leeftijd van haar man was ten tijde van haar inreis 25 jaar. De IND heeft na onderkenning van de fout de in het kader van de nareis verleende asielvergunning ingetrokken en op grond van bestaand beleid een zelfstandige asielvergunning verleend aan de minderjarige. Zie ook mijn antwoorden op de Kamervragen van de PvdA leden Kuiken, Yücel en Volp over het bericht dat Syrische kindbruiden in Nederland uit beeld dreigen te raken d.d. 20 april 2016.
Hoe gaat u voorkomen dat kindhuwelijken in de informele sfeer gewoon van kracht zullen blijven en dat getrouwde meisjes geheel uit beeld verdwijnen?
Stichting Nidos vraagt de voogdij aan voor alle alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). De voogd is de wettelijke vertegenwoordiger en heeft dezelfde bevoegdheden als de ouder. Ook een in het buitenland gehuwd minderjarig meisje dat zonder haar ouders inreist, wordt als amv aangemerkt, omdat het huwelijk naar Nederlands recht niet wordt erkend. Indien er sprake is van een partner zal Nidos naast het gesprek met de amv ook een gesprek aan gaan met familieleden en/of de partner. Tijdens de gesprekken zullen de minderjarige, familieleden en/of de partner geïnformeerd worden over de huidige wetgeving in Nederland waarin huwelijken met en/of tussen minderjarigen niet worden erkend en zullen gesprekken plaatsvinden over de opvang. Nidos en het COA zijn in gesprekken met minderjarigen zeer alert op signalen van mogelijke huwelijken, huwelijksdwang en vormen van misbruik. Nidos heeft aangegeven dat in het belang van het kind Nidos in al deze zaken maatwerk verricht. Voor wat betreft de opvang is het uitgangspunt dat bij jongeren onder de 16 jaar apart van de partner wordt opgevangen. Is de minderjarige 16 jaar of ouder, dan is het mogelijk om samen met de partner opgevangen te worden, tenzij er signalen zijn van dwang. Bij signalen dat de minderjarige niet met de partner wil samenleven wordt er samen met de minderjarige en daar waar mogelijk met familie, gezocht naar een oplossing. De Raad voor de kinderbescherming, het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) en het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating kunnen hierbij worden ingeschakeld. Zo nodig wordt de minderjarige opgevangen in een beschermde opvangvorm van het COA of Fier.
Uiteraard hebben de gehuwde minderjarige meisjes in de dagelijkse begeleiding bijzondere aandacht. Specifiek wordt er steeds bekeken hoe het met het meisje gaat en of er geen signalen zijn van dwang en/of uitbuiting.
Om te voorkomen dat meisjes uit beeld raken is het van belang dat organisaties alert zijn en blijven op signalen van dwang en weten hoe te handelen.
Daarom wordt door SZW in het kader van het «Actieplan zelfbeschikking 2015–2017» de problematiek van kindhuwelijken meegenomen in de aanpak van gedwongen huwelijken. In alle bestaande voorlichting, projecten en interventies gericht op preventie, over aanpalende onderwerpen zoals huwelijksdwang, worden de onderwerpen kindhuwelijken, religieuze huwelijken en de regelgeving daarover meegenomen.
Het COA, de aanbieders van inburgeringscursussen, professionals, geestelijk bedienaren, docenten en gemeenten, krijgen informatie over kindhuwelijken aangeboden. De informatie wordt tevens uitgereikt aan maatschappelijke organisaties (waaronder vrouwen en jongeren) die zich bezighouden met deze onderwerpen en aan sleutelfiguren en voorlichters die actief zijn met het bespreekbaar maken van taboeonderwerpen in hun eigen gemeenschappen.
Bent u bereid om kwetsbare meisjes in beeld te brengen en zo nodig aparte opvang te regelen? Zo ja, op welke manier gaat u dit regelen? Bent u bereid om het knooppunt huwelijksdwang hierbij te betrekken?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat nareizende minderjarige meisjes zich alsnog bij hun meerderjarige partner voegen? Hoe gaat u er voor zorgen dat deze meisjes in een veilige omgeving worden opgevangen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kindhuwelijken voortaan apart te laten registreren, zodat kindhuwelijken effectiever kunnen worden bestreden? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ik ben me sterk bewust van de kwetsbaarheid van minderjarig gehuwden. Ik heb de IND gevraagd om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Daarbij heb ik de IND ook gevraagd om extra oplettendheid in aanvragen voor gezinshereniging. De IND is alert op mogelijke signalen van mensenhandel bij deze groep, zoals ook bij andere – minderjarige – vreemdelingen. De IND heeft met de betrokken organisaties werkafspraken gemaakt over de veiligheid en opvang van deze minderjarigen (zie ook antwoord vragen 5 en 6). Binnen het huidige proces zijn voldoende waarborgen.
Het bericht dat Syrische kindbruiden in Nederland uit beeld dreigen te raken |
|
Marith Volp (PvdA), Attje Kuiken (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Syrische kindbruiden in Nederland mogen niet uit beeld raken»?1
Ja.
Was u op de hoogte van het feit dat er tussen september 2015 en januari 2016 rond de zestig kindbruiden uit Syrië naar Nederland zijn gekomen, zoals blijkt uit het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en seksueel Geweld tegen Kinderen?
Ja, dit was mij bekend. De IND, COA en Nidos houden deze groep in de gaten.
In mijn beantwoording van verschillende sets Kamervragen heb ik uw Kamer geïnformeerd over Syrische kindbruiden2. Met ingang van 5 december 2015 worden alle MVV-aanvragen in het kader van nareis en reguliere gezinshereniging afgewezen door de IND als ten minste een van de (huwelijks)partners jonger is dan 18 jaar. Er is mij helaas één geval bekend waarin na 5 december 2015 een minderjarige toch is ingereisd op basis van een abusievelijk afgegeven machtiging tot voorlopig verblijf (MVV). Dit was twee werkdagen na inwerkingtreding van de nieuwe Wet Huwelijksdwang. Het ging hier om een 17-jarige die overigens deze maand 18 jaar wordt. De leeftijd van haar man was ten tijde van haar inreis 25 jaar. De IND heeft na onderkenning van de fout de in het kader van de nareis verleende asielvergunning ingetrokken en op grond van bestaand beleid een zelfstandige asielvergunning verleend aan de minderjarige.
De minderjarige is in Nederland aangemeld bij Nidos. De rechtbank heeft in deze zaak Nidos de voogdij toegekend. Ik heb naar aanleiding van deze zaak bij de IND benadrukt dat er geen sprake meer kan zijn van gezinshereniging waarbij ten minste een van de huwelijkspartners jonger is dan 18 jaar.
De wet is duidelijk: Minderjarig gehuwden mogen niet via het nareisbeleid rechtmatig Nederland in reizen. Wel blijft de kans bestaan dat minderjarigen die in het buitenland zijn gehuwd, zelfstandig Nederland inreizen. Zij komen niet in aanmerking voor een nareisvergunning, maar kunnen wel zelfstandig een asielvergunning aanvragen.
Overigens zijn er tot op heden geen indicaties van mensenhandel rond deze doelgroep geconstateerd, zo concludeert ook de Nationaal Rapporteur in haar rapport.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat deze groep meisjes uit de opvang verdwijnt? Hoe verklaart u deze verdwijningen, gezien de verantwoordelijkheid van het Centraal Opvang Asielzoekers (COA) om deze groep te registreren en te monitoren terwijl zij in de opvang en in een asielprocedure zitten?
Het beeld dat gehuwde minderjarige meisjes uit de opvang verdwijnen klopt niet. In meerdere brieven heb ik uw Kamer geïnformeerd dat in 2015 vertrek zonder toezicht uit de beschermde opvang voor een groot deel een specifieke groep betrof. Ongeveer 20 amv’s kwamen uit Vietnam. Het ging hier niet om gehuwde minderjarige meisjes, maar om een andere kwetsbare groep. Het Landelijk Parket van het OM is dan ook naar aanleiding van de signalen van het COA en Nidos een onderzoek gestart naar deze jongeren. Het is op dit moment nog te vroeg om nadere informatie te geven op het onderzoek.
Op welke manier draagt het COA nu zorg voor het voorkomen van een sociaal isolement van deze kindbruiden? Welke instanties zijn betrokken bij de opvang en begeleiding van deze kwetsbare groep en hoe verloopt dit?
Het COA personeel heeft instructies gekregen over de gevolgen van de wetswijziging voor de opvang. Ik heb geen signalen ontvangen van het COA met betrekking tot misbruik, langdurige uitbuiting, en verdwijningen van gehuwde minderjarige meisjes. De NRM geeft in haar rapport ook aan dat er geen expliciete signalen zijn die duiden op mensenhandel. De NRM heeft mogelijke kwetsbare factoren voor mensenhandel geïdentificeerd ten aanzien van de groep Syrische gehuwde minderjarige meisjes.
Alle betrokken organisaties, waaronder dus ook het COA, zijn alert op situaties van gehuwde minderjarige meisjes. Over de veiligheid, bescherming en opvang zijn werkafspraken gemaakt. Als er een gehuwd minderjarig meisje in Nederland arriveert zonder ouders gaat Nidos met haar een gesprek aan over het aanvragen van de voogdij door Nidos. Indien er sprake is van een partner zal Nidos naast het gesprek met het meisje ook een gesprek aan gaan met familieleden en of de partner. Tijdens de gesprekken zullen de minderjarige, eventuele familieleden en de partner geïnformeerd worden over de huidige wetgeving in Nederland waarin huwelijken met en/of tussen minderjarigen niet worden erkend en zullen gesprekken plaatsvinden over de opvang. Tijdens de gesprekken met de minderjarige, familieleden en partner zijn Nidos en het COA zeer alert op signalen van huwelijksdwang en/ of andere mogelijke vormen van misbruik. Bij signalen hiervan wordt er samen met de minderjarige en daar waar mogelijk met familie gezocht naar een oplossing. De Raad voor de kinderbescherming, het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) en het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en achterlating kunnen hierbij worden ingeschakeld. Zo nodig wordt de minderjarige in een beschermde opvangvorm van het COA of Fier geplaatst. Het uitgangspunt is dat gehuwde minderjarige meisjes onder de 16 jaar apart worden opgevangen van hun partner. Is de minderjarige 16 jaar of ouder, dan is het mogelijk om samen met de partner opgevangen te worden, tenzij er signalen zijn van dwang. Ook hebben de gehuwde minderjarige meisjes in de dagelijkse begeleiding bijzondere aandacht. Specifiek wordt er steeds bekeken hoe het met het meisje gaat om te controleren hoe haar situatie is en hoe ze er voor staat.
Ik wil hierbij nog opmerken dat in samenwerking met de NRM in juni een groot deel van de COA medewerkers tijdens een themadag Veiligheid geïnformeerd wordt over het werken met gehuwde minderjarige meisjes.
Welke signalen heeft u ontvangen van het COA met betrekking tot misbruik, langdurige uitbuiting en verdwijningen van deze kindbruiden?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u de noodzaak van een gerichte aanpak ten aanzien van deze groep kwetsbare kinderen? Zo ja, hoe en op welke termijn bent u van plan deze gerichte aanpak vorm te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u, naar aanleiding van de doorgevoerde wetswijziging aangaande de verhoogde leeftijdsgrens voor huwelijken in het buitenland, aangeven wat het effect hiervan is of lijkt te zijn ten aanzien van de situatie van kindbruiden in Nederland?
Sinds de doorgevoerde wetswijziging is in ons land een huwelijk met een minderjarige onder alle omstandigheden verboden. Het is voor gehuwde minderjarigen dus niet meer mogelijk om via het nareisbeleid Nederland in te reizen. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven is er sinds de wetswijziging één minderjarige ingereisd op basis van een abusievelijk afgegeven MVV. Zoals aangegeven heb ik hiervoor bij de IND aandacht gevraagd, om dit voortaan te voorkomen.
Worden de kindbruiden sinds de doorgevoerde wetswijziging nu ondergebracht bij voogden van het Nidos, zoals eerder in de Kamer is besproken?
Ja, Nidos vraagt de voogdij aan voor alle alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ook een in het buitenland gehuwd minderjarig meisje dat zonder haar ouders inreist, wordt als alleenstaande minderjarige vreemdeling aangemerkt, omdat het huwelijk naar Nederlands recht niet wordt erkend.
Het tegen de wil van de bevolking in doordrukken van een Asielzoekerscentrum (AZC) in Witmarsum |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Waarom drukt u in Witmarsum de komst van een AZC voor 200 asielzoekers door terwijl de inwoners van dit dorp dit niet willen?1
Ik vind het essentieel dat er maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak is voor de opvang van asielzoekers en het huisvesten van vergunninghouders. Het COA vestigt alleen een asielzoekerscentrum in overleg en in overeenstemming met de gemeente. Het gemeentebestuur besluit over de komst van een asielzoekerscentrum. Het is aan dit bestuur om te bepalen op welke wijze het daarbij de burgers betrekt. In de praktijk zie ik dat veel gemeenten een inspraak- of informatieavond organiseren voorafgaand aan de besluitvorming. Ook zie ik dat gemeenten zich inspannen om omwonenden goed voor te lichten.
Vanzelfsprekend steun ik vanuit mijn verantwoordelijkheid elk gemeentebestuur en elke gemeenteraad die bereid zijn bij te dragen aan het realiseren van voldoende opvangplekken. We hebben in Nederland ruime ervaring met opvang van asielzoekers en in het overgrote deel van de gevallen verloopt dit goed. Dit geldt voor opvang van allerlei omvang in een grote diversiteit aan gemeenten. Het is aan de gemeente en de lokale gemeenschap om te bepalen op welke manier opvang in die gemeente het beste kan worden vormgegeven. Daarbij, om in uw woorden te blijven, druk ik niks door en houd ik niks tegen. Ook in de door u genoemde plaats zal ik geen van beide doen.
Wat is uw stelling waard dat er maatschappelijk draagvlak voor asielopvang moet zijn nu een enquête in genoemd dorp, waaraan 90% van de bewoners heeft deelgenomen, als uitkomst heeft dat men geen opvang voor 200 asielzoekers wil in het oude klooster van het dorp?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid alsnog naar de inwoners van Witmarsum te luisteren en de komst van genoemd AZC tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen voor alle asielzoekers te sluiten zodat asielzoekers niet in Nederland maar bij voorbeeld in de rijke Arabische golfstaten worden opgevangen? Zo nee, waarom niet?
Opvang in de regio is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt. Dat is ook waarom het kabinet in grote mate (financieel) bijdraagt aan de opvang van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Dat neemt niet weg dat Nederland op grond van internationale verplichtingen gehouden is om bescherming te bieden aan die asielzoekers die bescherming tegen vervolging of onmenselijk behandeling behoeven.
Het bericht ‘Natuurlijk mislukt het inburgeringsbeleid, dat hadden we kunnen weten’ |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Natuurlijk mislukt het inburgeringsbeleid, dat hadden we kunnen weten»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de conclusies van het onderzoek dat de houdbaarheid van de aannames achter de Wet inburgering 2013 al op voorhand discutabel zijn en het maar zeer de vraag is of de verplichte eigen verantwoordelijkheid bijdraagt aan een succesvolle en snelle integratie?
Ik deel de conclusie van het onderzoek niet dat de houdbaarheid van de aannames achter de Wet inburgering 2013 al op voorhand discutabel zijn en het maar zeer de vraag is of de verplichte eigen verantwoordelijkheid bijdraagt aan een succesvolle en snelle integratie. De Wet inburgering 2013 beoogt de eigen verantwoordelijkheid van vreemdelingen voor de inburgering te versterken. Hiermee is uitvoering gegeven aan het voornemen in het Regeerakkoord 2010 en aan de voorgenomen uitwerking daarvan in de integratienota «Integratie, binding en burgerschap» van 16 juni 20112. Daarnaast is met de Wet inburgering 2013 uitvoering gegeven aan een in de Rijksbegroting van 2011 opgenomen bezuiniging. Zoals ik in mijn brief van 7 september 20153 betreffende de beleidsdoorlichting van artikel 13 heb aangegeven kunnen de eerste voorzichtige uitspraken over het effect van inburgering op participatie op zijn vroegst pas eind 2017 worden gedaan. Reden hiervoor is dat, om een statistisch verantwoorde uitspraak te doen over het effect van het gewijzigde inburgeringsbeleid op participatie, gekeken moet worden naar de participatie van een grote representatieve groep geslaagde inburgeraars.
Zijn de houdbaarheid en aannames achter de Wet inburgering 2013 van tevoren getoetst? Zo ja, aan de hand van welke literatuur, theorieën of onderzoek?
De Raad van State brengt advies uit over alle concept-wetsvoorstellen. Het beoordelen van de beleidstheorie maakt onderdeel uit van het toetsingskader dat hiervoor wordt gebruikt.
Over het concept van dit wetsvoorstel zijn adviezen en commentaren ontvangen van het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal), de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ), de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG), het Landelijk Overleg Minderheden (LOM), Boaborea (de brancheorganisatie voor private reïntegratiebe-drijven), de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO), de MBO-Raad, KCE (Kwaliteitscentrum examinering), de Stichting Blik op Werk, de Raad voor de financiële verhoudingen en de Raad voor de rechtspraak. De adviezen en commentaren hebben bijgedragen aan aanvullingen en verbeteringen in het wetsvoorstel.
Heeft u eerder beleid rond inburgering geëvalueerd? Wat zijn hiervan de resultaten?
Ja, u kunt de evaluatierapporten «»Inburgering in Nederland»» van Significant (2010) en «»Inburgering en Participatie»» van Regioplan (2013) vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2010/08/12/voortgang-inburgering-2010-en-evaluatierapport-inburgering-in-nederland en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2013/09/09/inburgering-en-participatie.
Voor de samenvatting van de resultaten van beide onderzoeken verwijs ik naar de brief van de Minister van BZK van 13 december 2010 over dit onderwerp4, respectievelijk mijn brief van 9 september 20135.
Heeft u bij het vormgeven van het huidige beleid rekening gehouden met succes- en faalfactoren van eerder beleid? Zo ja, waar blijkt dit uit?
Op basis van de eerder opgedane ervaringen is bij het huidige beleid nadrukkelijk aandacht besteed aan tijdige informatievoorziening richting de inburgeringsplichtigen, is het examen aangepast zodat het ook haalbaar is voor mensen die zich met minder of geen begeleiding willen voorbereiden en is een sociaal leenstelsel opgezet voor degenen die over onvoldoende middelen beschikken om hun inburgering te bekostigen.
Voor degenen die een alfabetiseringscursus volgen, is voorzien in een verlengde inburgeringstermijn en voor degenen die redelijkerwijs niet aan de inburgeringsplicht kunnen voldoen, is de mogelijkheid van ontheffing geregeld. Asielgerechtigden krijgen extra ondersteuning in de vorm van maatschappelijke begeleiding. Ook is aandacht besteed aan het waarborgen van een voldoende aanbod van gekwalificeerde cursussen voor analfabeten, laag-, midden- en hoogopgeleiden.
In hoeverre is het huidige inburgeringsbeleid het resultaat van een bezuinigingsopdracht, zonder rekening te houden met de verwachte resultaten van beleid?
Zie antwoord vraag 2.
Geven de cijfers die afgelopen januari bekend werden, waarin nog geen 10 procent van de geschatte inburgeringsplichtigen sinds 1 januari 2013 heeft meegedaan aan een inburgeringsexamen, aanleiding het beleid te herzien? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
De cijfers waar u aan refereert zijn van 22 januari 2015. Nieuwkomers hebben 3 jaar de tijd om het inburgeringsexamen te halen. Deze periode kunnen de nieuwkomers gebruiken om de Nederlandse taal te leren en kennis op te doen over de Nederlandse samenleving. Bij nieuwkomers voor wie de periode van drie jaar nog niet is verstreken, mag logischerwijs een lager deelnamepercentage aan het inburgeringsexamen verwacht worden dan voor nieuwkomers voor wie de drie jaar wel verstreken zijn.
Van deze laatste groep (ingestroomd in het eerste kwartaal 2013) heeft per 1 mei 2016 51% het inburgeringsexamen gehaald, dan wel een ontheffing gekregen voor de inburgeringsplicht. Van de groep die nog niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, heeft 70% deelgenomen aan een cursus en 42% deelgenomen aan een examen.
De cijfers zijn overigens voorlopig, en kunnen wijzigen als blijkt dat inburgeraars een verlenging van hun termijn krijgen omdat zij niet verwijtbaar zijn voor de termijnoverschrijding. Voor maatregelen omtrent het verbeteren van de resultaten bij de huidige groep inburgeraars verwijs ik u naar mijn brief van 20 april jl.6
De grote bezwaren tegen de komst van honderden extra asielzoekers naar Maastricht |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Demonstratie tegen azc in Malberg»?1
Ja.
Klopt het dat er meer dan 500 extra asielzoekers worden opgevangen in de Maastrichtse wijken Malberg en Sint Pieter?
Dat klopt, daar ben ik de Maastrichtenaren erkentelijk voor
In hoeverre begrijpt u de zorgen van de inwoners van de Maastrichtse wijken over de sociale onrust die de enorme extra opvang met zich mee kan brengen?
Ik ben mij ervan bewust dat het vraagstuk van (extra) opvang van asielzoekers verschillende vragen oproept bij omwonenden en anderen. Evenzeer heb ik er begrip voor dat dit kan leiden tot zorgen, zeker als nog niet op alle vragen een antwoord kan worden gegeven. Het COA neemt signalen van zorgen of onvrede altijd serieus. De signalen rondom genoemde locaties zijn bekend. Er zijn inmiddels diverse gesprekken gevoerd over hetgeen lokaal aan vragen en zorgen leeft. Er is een klankbordgroep met direct betrokkenen en omwonenden. Daarnaast worden bredere bewonersbijeenkomsten georganiseerd.
Overigens geldt voor beide locaties dat zich vele tientallen vrijwilligers hebben gemeld om te helpen.
Deelt u de visie dat gemeenten altijd vooraf een referendum zouden moeten organiseren over de komst van een azc (of extra opvang) om zo maximale inspraak van de bevolking te realiseren?2 Zo nee, waarom niet?
Ik vind het essentieel dat er maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak is voor de opvang van asielzoekers en het huisvesten van vergunninghouders. Het COA vestigt alleen een asielzoekerscentrum in overleg en in overeenstemming met de gemeente. Het gemeentebestuur besluit over de komst van een asielzoekerscentrum. Het is aan dit bestuur om te bepalen op welke wijze het daarbij de burgers betrekt. In de praktijk zie ik dat veel gemeenten een inspraak- of informatieavond organiseren rondom de besluitvorming. Ook zie ik dat gemeenten zich inspannen om omwonenden goed voor te lichten. Het COA ondersteunt gemeenten bij het organiseren van een informatieavond voor omwonenden en zorgt dat omwonenden na de opening van een asielzoekerscentrum ergens terecht kunnen met vragen, suggesties en klachten.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om de gemeente haar beleid te laten afstemmen op de bezwaren van de lokale bevolking?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u inmiddels in dat enkel opvang in de regio een structurele oplossing voor de problematiek vormt?
Opvang in de regio is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt. Dat is ook waarom het kabinet in grote mate (financieel) bijdraagt aan de opvang van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Dat neemt niet weg dat Nederland op grond van internationale verplichtingen gehouden is om bescherming te bieden aan die asielzoekers die bescherming tegen vervolging of onmenselijk behandeling behoeven.
Het rapport ‘Rotterdamse aanpak statushouders, 2016 – 2020’ van het Rotterdamse college van burgemeester en wethouders |
|
Malik Azmani (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport «Rotterdamse aanpak statushouders, 2016–2020» van het Rotterdamse college van burgemeester en wethouders?1
Ja.
Hoeveel statushouders in asielzoekerscentra kunnen per direct worden gehuisvest door gemeenten?
Op peildatum 18 april 2016 verbleven 16.511 vergunninghouders in de opvang. Daarvan waren er op dat moment 12.725 gekoppeld aan een gemeente en in afwachting van passende huisvesting en 1.067 vergunninghouders hadden inmiddels het huurcontract getekend en waren bezig met verhuizing. 2.162 personen dienden nog gekoppeld te worden aan een gemeente en voor 557 personen gold een blokkade.
Dat laatste vindt bijvoorbeeld zijn oorzaak in herstel van foutief ingevoerde tenaamstelling.
Hoeveel statushouders zijn in resp. 2015 en 2016 toebedeeld aan de gemeente Rotterdam?
De taakstelling van Rotterdam bedroeg in 2015: 1.050 personen, in 2016 is de taakstelling 1.574 personen. Op peildatum 18 april 2016 stonden 504 personen gekoppeld aan de gemeente Rotterdam voor huisvesting.
Deelt u de mening, zoals die in het rapport naar voren komt, dat de Rotterdamse achterstand bij de huisvesting van statushouders is ontstaan door problemen bij de tenaamstelling van IND-pasjes, de verstrekking van BSN-nummers en de volledigheid van dossiers? Zo ja, welke instanties zijn verantwoordelijk voor deze problemen en hoe kunnen die worden opgelost?
Nee, die conclusie deel ik niet. Er wordt door de uitvoeringsorganisaties naar mijn mening maximaal gewerkt om gemeenten alle relevante informatie snel en goed ter beschikking te stellen.
De IND gaat bij de tenaamstelling van documenten uit van de informatie van de asielzoeker en diens documenten. In de meeste gevallen levert dit geen problemen op, in een klein aantal gevallen moet de tenaamstelling gewijzigd worden, meestal vanwege de toepassing van het juiste namenrecht bij inschrijving in de Basis Registratie Personen (BRP). In die gevallen dat een gemeente de aanvraag indient, heeft de IND een verkorte procedure ingericht zodat binnen 8 werkdagen een nieuw document beschikbaar is.
De Vreemdelingenketen heeft samen met de Burgerketen geïnvesteerd in het snel inschrijven van vergunninghouders in de BRP, door het inrichten van BRP-straten op inmiddels nagenoeg alle procesopvanglocaties. Daardoor worden nagenoeg alle personen die in de algemene asielprocedure een vergunning ontvangen, direct in de BRP ingeschreven. Zij die in de verlengde asielprocedure een verblijfsvergunning krijgen, worden ingeschreven in de (AZC-)gemeente waar ze verblijven. Om die gemeenten te helpen bij het wegwerken van achterstanden, zijn, via het ICTU, sinds eind vorig jaar mobiele teams actief met specialisten die gemeenten daarbij kunnen assisteren. Door de snelle inschrijving in de BRP beschikt de vergunninghouder snel over het Burgerservicenummer (BSN).
Omdat de snelle uitstroom van vergunninghouders van groot belang is, hebben COA, IND en Platform Opnieuw Thuis verschillende processen ingericht die gemeenten zowel helpen met structurele oplossingen als in individuele situaties. Zo is tussen COA en de VNG een informatieprotocol afgesproken, over de informatie die over de vergunninghouder tussen COA en gemeenten wordt uitgewisseld. Hoewel ik begrip heb voor de wens van gemeenten om zo veel mogelijk informatie te ontvangen, mag echter niet alles uitgewisseld worden en blijft de gemeente deels afhankelijk van informatie van de vergunninghouder zelf. Alle informatie die nodig is om bijvoorbeeld (zelf) een inschrijving in de BRP te kunnen doen kan de gemeente, voor zover ze niet over voldoende gegevens beschikt, opvragen bij de IND. Daar wordt dan een zogenoemd «gemeentedossier» gemaakt. Gemeenten doen hier in toenemende mate een beroep op.
De IND-ketenservicelijn doet sinds begin dit jaar dienst als «hotline» voor gemeenten die administratieve problemen ervaren in individuele gevallen. Daartoe is de backoffice van de ketenservicelijn uitgebreid met instanties als de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken, de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens, het COA, het Ministerie van SZW en het ICTU (project versnelling eerste inschrijving vergunninghouders).
Het bericht ‘Ongelijkheid op Amsterdamse scholen groeit verder’ |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Joyce Vermue (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ongelijkheid op Amsterdamse scholen groeit verder»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de dienst Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) van de gemeente Amsterdam, namelijk «het Amsterdams voortgezet onderwijs is gesegregeerd»?
Deze conclusies komen uit een onderzoek in het basis- en voortgezet onderwijs in Amsterdam naar segregatie op grond van herkomst en sociaal-economische status van de ouders van leerlingen.2 De cijfers laten zien dat bij 80 procent van de basisscholen de samenstelling van de leerlingpopulatie een afspiegeling is van de buurt. Het aantal basisscholen in Amsterdam waar vooral leerlingen van hoog- of juist laagopgeleide ouders naartoe gaan, is toegenomen. In het voortgezet onderwijs zien de onderzoekers meer segregatie dan in het basisonderwijs, maar er is geen sprake van een toename. Voor de grotere mate van segregatie in het voortgezet onderwijs geven de onderzoekers de verklaring dat leerlingen met hoogopgeleide ouders en/of ouders van autochtone afkomst vaker doorstromen naar havo/vwo. Kinderen van laagopgeleide ouders en/of ouders van niet-westerse afkomst gaan relatief vaker naar het vmbo. Ook stellen de onderzoekers dat hoogopgeleide ouders vaker kiezen voor categorale vwo-scholen dan laagopgeleide ouders. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de gemeente Amsterdam.
De gemeente kan op lokaal niveau afspraken maken met schoolbesturen over het tegengaan van segregatie. Ik vind het belangrijk dat op iedere school onderwijs van goede kwaliteit wordt gegeven, zodat alle leerlingen zich optimaal kunnen ontplooien. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) wees recent op toegenomen verschillen tussen leerlingen van hoger en lager opgeleide ouders bij de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Ik vind het onacceptabel als leerlingen vanwege hun afkomst minder kansen krijgen op school dan andere leerlingen. Onderwijskansen moeten zijn gebaseerd op capaciteit, niet op afkomst. In de beleidsreactie hierop hebben de Minister en ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die we zullen nemen naar aanleiding van deze conclusies.3
Deelt u de mening dat het onderwijs integratie en leren samenleven (mede) tot doel heeft, dat brede scholengemeenschappen hieraan bijdragen, dat daarom segregatie moet worden bestreden en het instellen van categoraal onderwijs dient te worden ontmoedigd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik grotendeels. Scholen hebben de wettelijke opdracht actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen. Dat geldt voor iedere school: categoraal of een brede scholengemeenschap. Als kinderen deel uitmaken van een brede scholengemeenschap, kan dat bijdragen aan burgerschap en integratie. Op een brede scholengemeenschap komen leerlingen immers eerder in aanraking met leerlingen die onderwijs op een ander opleidingsniveau volgen dan op een categorale school.
De breedte van een school alleen garandeert echter niet dat het onderwijs bijdraagt aan leren samenleven. Het kan zijn dat een schoolbestuur het onderwijsaanbod in vestigingen organiseert. Binnen een school is het goed mogelijk dat leerlingen van verschillende schoolsoorten of klassen weinig met elkaar in contact komen. Anderzijds kunnen categorale scholen eveneens zeer waardevolle initiatieven ontwikkelen die bijdragen aan integratie en leren samenleven, bijvoorbeeld door uitwisseling met andere scholen of projecten met de buurt waarin de school staat.
Wat van belang is, is dat iedere school – ongeacht de samenstelling van de leerlingpopulatie – van goede kwaliteit is en dat iedere school daadwerkelijk bijdraagt aan actief burgerschap en sociale integratie. Het is de taak van de rijksoverheid om te waarborgen dat het onderwijssysteem kansen biedt voor alle leerlingen, ongeacht hun afkomst. In reactie op de Staat van het Onderwijs heb ik u samen met de Minister geïnformeerd over de wijze waarop we een goed toegankelijk systeem willen blijven waarborgen voor alle leerlingen.4
Wat zijn de mogelijkheden van gemeenten om segregatie in het onderwijs te bestrijden? Op welke manier kunt u gemeenten daarbij ondersteunen en welke maatregelen kunt u zelf nemen om de toenemende segregatie in het (Amsterdamse) onderwijs de kop in te drukken?
Segregatie is een weerbarstig maatschappelijk verschijnsel, dat niet met een eenvoudige ingreep te verhelpen is en dat niet alleen in het onderwijs voorkomt. Segregatie in het onderwijs is grotendeels een gevolg van maatschappelijke segregatie.
De wet schrijft voor dat gemeentes ten minste eenmaal per jaar met elkaar overleggen over het voorkomen van segregatie in het onderwijs. Dat biedt de mogelijkheid om, waar nodig en gewenst, afspraken te maken over maatregelen, toegespitst op de lokale situatie. De Minister en ik zetten ons in om het onderwijsbestel toegankelijk te houden voor ieder kind. Ook scholen en gemeenten hebben hierin een belangrijke rol. Het is belangrijk om goed in beeld te hebben welke factoren van invloed zijn op de kansen van kinderen met verschillende achtergronden en op welke factoren de school invloed kan uitoefenen.
Binnenkort organiseren de Minister en ik daarom een congres over onderwijskansen en de gevolgen van sociale herkomst van leerlingen en studenten. Hierin spreken we met wetenschappers en onderwijsprofessionals over de problematiek, mogelijke oplossingen en de rol die scholen, sectorraden, gemeente en Rijk kunnen spelen. Ook hebben we naar aanleiding van de motie Van Meenen c.s. de Onderwijsraad gevraagd om nog dit jaar een advies uit te brengen over gelijke kansen, opstroom, doorstroom en maatwerk in ons onderwijsbestel.
Deelt u de mening dat categoraal onderwijs de ambities die u in de flexibilisering van het voortgezet onderwijs uitspreekt in de weg staat en leidt tot verdergaande kansenongelijkheid? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u in dit kader het voorstel om scholen voor voortgezet onderwijs tenminste op twee niveaus onderwijs te laten aanbieden?
Die mening deel ik niet geheel. Wel zie ik dat het voor categorale scholen moeilijker kan zijn om flexibilisering en maatwerk te organiseren, bijvoorbeeld als het gaat om vakken volgen op een hoger niveau. Scholen kunnen daarover echter afspraken maken met andere scholen in de regio. Ik zie dit als een aandachtspunt bij de uitwerking van de aangekondigde maatregel «recht op maatwerk», waarmee ik elke leerling in het voortgezet onderwijs het recht wil geven om een vak op een hoger niveau te volgen.
Voor leerlingen voor wie aan het begin van de middelbare school nog niet helder is op welk niveau zij het beste op hun plek zijn, biedt een brede scholengemeenschap de kans om binnen hun eigen school van niveau te veranderen. Er zijn echter ook leerlingen die het beste op hun plaats zijn op een categoraal georganiseerde school. Als scholen een keuze maken over de inrichting van hun school, dan moet dat gebeuren op basis van onderwijskundige afwegingen. Alle leerlingen en ouders moeten de keuze kunnen maken voor een school die goed aansluit bij wat een leerling nodig heeft. Op lokaal of regionaal niveau moet deze keuzemogelijkheid behouden blijven. Via de website van DUO is voor iedereen inzichtelijk welk aanbod er in de regio is van categorale scholen dan wel brede(re) scholengemeenschappen.5 Uit deze informatie blijkt dat in elke regio (RPA-gebied) een dekkend aanbod is van brede(re) scholengemeenschappen. Ook bieden verreweg de meeste scholen ten minste twee onderwijsniveaus aan.
Is de situatie in het Amsterdams voortgezet onderwijs exemplarisch voor het voortgezet onderwijs in de rest van het land? Bent u bereid om op korte termijn zelf onderzoek te laten uitvoeren naar (de mate van) segregatie in het primair- en voortgezet onderwijs in Nederland?
Het SCP en de WRR hebben vorig jaar beiden gewezen op scherpere maatschappelijke scheidslijnen in heel Nederland. Eén van die scheidslijnen ligt in gescheiden sociale netwerken van hoog- en laagopgeleiden: hoger en lager opgeleiden komen elkaar minder vaak tegen.
WRR en SCP noemen toenemende segregatie in het onderwijs als één van de oorzaken daarvan.6 Het beeld over de situatie in het Amsterdamse onderwijs past daarin. Of de situatie in Amsterdam exemplarisch is voor heel Nederland, kan ik niet zeggen. De samenstelling van de bevolking is in grotere steden vaak anders dan in kleine gemeentes; ook zijn verschillen tussen steden groot.
Op basis van de in het antwoord op vraag 5 genoemde informatie van DUO kan wel geconcludeerd worden dat Amsterdam en Rotterdam met 14 respectievelijk 12 categorale scholen het grootste aanbod hebben van categorale scholen voor mavo, havo of vwo (hierna volgen Leeuwarden, Leiden en Den Haag met elk 5 categorale scholen). Opvallend daarbij is dat 10 van de 12 Rotterdamse categorale scholen een mavo-opleiding bieden (de andere twee zijn vwo’s), terwijl 7 van de 14 Amsterdamse categorale scholen een vwo-opleiding bieden, één een havo-opleiding en zes een mavo-opleiding.
Ik zie geen meerwaarde in verder onderzoek naar segregatie in het onderwijs als een op zichzelf staand verschijnsel. Wel heb ik, samen met de Minister, de Onderwijsraad gevraagd te onderzoeken hoe we ons onderwijs zo inrichten dat het gelijke kansen, maatwerk, op- en doorstroom bevordert.7 Een goed toegankelijk, kwalitatief sterk onderwijssysteem voor alle leerlingen is cruciaal in onze samenleving als geheel en voor de leerlingen.
Het bericht dat er een voedseltekort is in het vluchtelingenkamp op Lesbos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Voedseltekort in vluchtelingenkamp Lesbos»?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er, zoals blijkt uit notulen van de UNHCR, niet genoeg eten is voor vluchtelingen die vastzitten op Lesbos en dat het niet aan maatschappelijke organisaties is de tekorten die er zijn ontstaan op te vullen?
Bent u bereid zo snel als mogelijk de Europese Commissie hier op aan te spreken en op te roepen tot humane implementatie van het EU-Turkije akkoord?
Welke maatregelen gaat de Europese Commissie op korte termijn treffen om kamp Moria, berekend op 2.000 mensen, leefbaar te houden voor de 3.100 mensen die er nu verblijven?
In hoeverre wordt er extra aandacht besteed aan kwetsbaren en kinderen in het kamp Moria, met betrekking tot opvang, veiligheid en voorzieningen?
De situatie van Bhutanese vluchtelingen in Nederland |
|
Harry van Bommel , Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Is het waar dat Nederland aanvankelijk heeft toegezegd om 500 Bhutanese vluchtelingen uit de vluchtelingenkampen in Nepal te hervestigen?1 Zo ja, is dit aantal mensen intussen gehervestigd in ons land? Zo nee, hoeveel mensen komen dan nog voor hervestiging in aanmerking uitgaande van een aantal van 500?
Er zijn door mijn voorgangers geen toezeggingen gedaan wat betreft aantallen hervestiging van Bhutanese vluchtelingen uit Nepal. Wel is de Tweede Kamer in verschillende brieven geïnformeerd over het voornemen en/of de uitvoering van hervestigingsmissies naar Nepal.
Vanaf 2008 tot en met 2011 heeft Nederland verschillende hervestigingsmissies naar Nepal uitgevoerd in welk kader Bhutanese vluchtelingen zijn geselecteerd en naar Nederland gereisd. Deze hervestiging maakte deel uit van een internationale integrale aanpak van de situatie van Bhutanese vluchtelingen (zgn. strategische inzet van hervestiging). Deze integrale aanpak omvatte verder inzet op integratie door Nepal evenals inzet op repatriëring door Bhutan. Onder meer de Verenigde Staten en Canada hebben in die periode in datzelfde kader eveneens Bhutanese vluchtelingen hervestigd uit Nepal. In verband met het uitblijven van inspanningen van de zijde van Nepal en Bhutan heeft Nederland, destijds in navolging van Canada, na enkele jaren besloten af te zien van verdere hervestiging uit Nepal.
Is het waar dat er momenteel geen missies meer bestaan om Bhutanese vluchtelingen uit Nepal te selecteren voor hervestiging? Zo ja, waarom is dat het geval? Bent u bereid om alsnog missies plaats te laten vinden indien het toegezegde aantal van 500 nog niet is gerealiseerd?
De Syrië vluchtelingencrisis en de ontwikkelingen rondom de Europese aanpak hiervan beheerst in grote mate ook de inzet op het gebied van hervestiging. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 30 november 2015 inzake het meerjarig beleidskader hervestiging 2016–20192 heb ik uw Kamer reeds bericht dat de komende paar jaar hervestiging in het teken staat van de uitvoering van de toezegging van Nederland in de JBZ Raad van 20 juli 2015. Hiermee ligt de focus op de regio’s Noord Afrika en het Midden-Oosten (incl. Turkije).
Welke mogelijkheden zijn er voor ongeletterde Bhutanese vluchtelingen die wel in Nederland zijn gehervestigd maar moeite hebben om de inburgering te volbrengen om alsnog volwaardig Nederlands burger te worden? Is er voor hen een traject te volgen dat hen op hun eigen niveau en in hun eigen tempo de kans biedt om in te burgeren? Is het waar dat voor een aantal van deze vluchtelingen geldt dat zij gezien hun leeftijd grote moeite hebben met het succesvol afleggen van de inburgering? Zo ja, welke mogelijkheden zijn er voor hen om voor de Nederlandse nationaliteit in aanmerking te komen?
Anderstaligen zijn inburgeringsplichtig tot de pensioengerechtigde leeftijd. Het is belangrijk dat iedereen die in Nederland woont de Nederlandse taal spreekt en kennis van de Nederlandse samenleving heeft. Dat geldt ook voor analfabeten en laagopgeleiden. De lesmethoden zijn afgestemd op vooropleiding en taalniveau zodat het voor iedereen mogelijk is om de taal te leren
Nieuwkomers die op latere leeftijd moeten inburgeren, ervaren inderdaad gemiddeld meer moeilijkheden hierbij, evenals analfabeten. In bijzondere omstandigheden, zoals lang verblijf in een AZC, niet slagen bij voldoende inspanningen, of indien een alfabetiseringscursus nodig is, kunnen inburgeraars een verlenging van de inburgeringstermijn krijgen van maximaal 2 jaar. Dit geeft hen de mogelijkheid om in hun eigen tempo in te burgeren.
Kunt u bevestigen dat het vluchtelingen uit Bhutan met een Nederlands paspoort onmogelijk wordt gemaakt om naar Bhutan te reizen? Zo ja, welk beleid geldt hier precies?
Ik heb geen aanwijzingen dat vluchtelingen die zijn genaturaliseerd tot Nederlander problemen hebben met het reizen naar Bhutan. Wel geldt dat niet genaturaliseerde vluchtelingen uit Bhutan, net als andere vluchtelingen, op grond van de Paspoort Uitvoeringsregeling Nederland in aanmerking kunnen komen voor een Nederlands vluchtelingenpaspoort dat geldig is voor alle landen met uitzondering van het land van herkomst.3
De reden van de uitzondering is dat de verstrekking van een reisdocument aan niet-onderdanen een inbreuk is op het soevereine recht van een andere Staat om te bepalen wie zijn onderdanen zijn en wie van die onderdanen voor verstrekking van een reisdocument in aanmerking komt. Daarnaast kan de Nederlandse overheid de vreemdeling die met een Nederlands vluchtelingenpaspoort naar zijn eigen land zou reizen bij problemen geen ondersteuning bieden. Het verlenen van consulaire bijstand door een buitenlandse vertegenwoordiging aan personen die zich in hun eigen land bevinden wordt namelijk ook gezien als een inbreuk op de soevereiniteit van de betrokken Staat.
Wat is uw beeld van het aantal politieke gevangenen in Bhutan? Is hier vanuit Nederland dan wel de Europese Unie aandacht voor?
Er is geen eenduidige, betrouwbare informatie over de aanwezigheid van politieke gevangenen in Bhutan.
Het bericht ‘Lastpak naar aso-azc’ |
|
Mona Keijzer (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u in de voorbereiding op uw brief over de aangescherpte aanpak van overlastgevende asielzoekers -conform uw toezegging- ook de mogelijkheid onderzocht de Penitentiaire Inrichting(PI) Tilburg in te richten als detentieplaats voor 1F-ers en asielzoekers die in opvanglocaties of daarbuiten strafbare feiten hebben gepleegd dan wel voor overlast hebben gezorgd?1 Zo ja:, wat zijn uw bevindingen daaromtrent en waarom heeft u hier vooralsnog niet voor gekozen?
Tijdens het AO Vreemdelingen- en asielbeleid van 3 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2181) heb ik toegezegd na te gaan in hoeverre het mogelijk is om vreemdelingen aan wie artikel 1F van het VN Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen in vreemdelingenbewaring te stellen als er zicht is op strafrechtelijke berechting. Ik heb tevens toegezegd te verkennen of een gesprek met het Internationaal Strafhof hieraan kan bijdragen en aangegeven dat deze verkenning enige tijd kan kosten. Momenteel is deze verkenning gaande waarover ik uw Kamer op een later moment zalinformeren. Ik zie hierbij geen directe relatie met de aangescherpte aanpak van asielzoekers die in de COA-opvanglocaties onaanvaardbaar gedrag vertonen, zoals beschreven in mijn brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2179). Deze aanpak richt zich, ook vanuit juridisch oogpunt, op een andere groep dan vreemdelingen aan wie artikel 1F van het VN Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen,
Voorts zijn mij geen toezeggingen bekend over het onderzoeken van de geschiktheid van één specifieke locatie, zoals de vraag veronderstelt.
Kunt u bevestigen dat de mogelijkheden thans worden onderzocht het detentiecentrum Zeist in te richten als «Amok-Asielzoekerscentrum (AZC)» waar overlastgevende asielzoekers apart en in een strenger regime worden opgevangen? Onderzoekt u hierbij tevens de mogelijkheden het geldende regime binnen dit AZC vorm te geven volgens het bestuursrechtelijke kader van de vreemdelingendetentie?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2179) werkt het COA aan de mogelijkheid om een aparte opvangvoorziening voor overlastgevende asielzoekers te creëren. Een belangrijk aspect hiervan is het in kaart brengen van mogelijk geschikte locaties, waartoe onder meer overleg met DJI wordt gevoerd. Alvorens een mogelijk geschikte locatie ook daadwerkelijk hiervoor ingezet kan worden is vervolgens de instemming van het betreffendelokale bestuur een vereiste.
Een ander belangrijk aspect van de uitwerking is de invulling van het regime in de aparte opvangvoorziening. Zoals in de brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 19 637, 2179) aangegeven is het uitgangspunt dat het regime strenger wordt dan in de reguliere opvangvoorzieningen. Dit wordt momenteel nader uitgewerkt binnen de juridische kaders die hierbij gelden. Vooruitlopend hierop kan ik wel aangeven dat het regime van vreemdelingenbewaring niet zal gelden, omdat dit ziet op vrijheidsontneming waar in de opvangvoorziening voor overlastgevende asielzoekers geen sprake van zal zijn.
Wat is de planning omtrent de mogelijkheid om het Detentie Centrum Zeist op genoemde wijze in te richten, ook gelet op de naderende sluitingsdatum van de PI Tilburg?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn volgens u de voor en- nadelen van het inrichten van een AZC voor overlastgevend asielzoekers boven het idee van plaatsing in een (voormalige) PI? Deelt u de mening dat een nadeel in elk geval is dat overlastgevers in het AZC de mogelijkheid wordt geboden zich buiten het AZC te begeven (dit ondanks de voorgenomen dagelijkse meldplicht) – gelet ook op uw eerdere voornemen harder op te treden ten aanzien van asielzoekers die zich schuldig maken aan misdrijven?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze de strafrechtelijke opsporing en vervolging van asielzoekers die zich hebben schuldig gemaakt aan strafbare feiten wordt vergemakkelijkt bijvoorbeeld door de instelling van een separate opvanglocatie?
Als een asielzoeker een strafbaar feit begaat volgt in beginsel een opsporingsonderzoek. Ik zie daarbij geen verband met de komst van een aparte opvangvoorziening voor overlastgevende asielzoekers.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende Algemeen overleg over vreemdelingen- en asielbeleid, (vermoedelijk) op 28 april aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘Veel meer asielaanvragen uit de Balkan, IND 'verrast' |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat zijn volgens u de oorzaken van een toename van het aantal asielaanvragen van mensen uit zogeheten veilige landen in 2015 ten opzichte van 2014?1
Er is geen separaat onderzoek naar de oorzaken hiervan. Kijkend naar de asielinstroom over de afgelopen maanden, is wel gebleken dat veel asielzoekers afkomstig uit veilige landen op grond van de Dublin Verordening zijn/worden geclaimd op Duitsland. Ik merk overigens op dat de instroom uit veilige landen de laatste twee weken wat is gedaald. Het is nog te vroeg om daar nu conclusies uit te trekken, maar ik zie dit als een positieve ontwikkeling.
In welke mate nodigt de huidige wet- en regelgeving in Nederland er volgens u toe uit dat mensen uit veilige derden landen (tevergeefs) een asielaanvraag indienen?
Het Nederlandse asielbeleid is erop gericht om conform de internationale waarborgen bescherming te bieden aan die mensen die dat nodig hebben, maar Nederland voert hier geen uitnodigend beleid op. Indien blijkt dat de Nederlandse wet- en regelgeving mensen ertoe uitnodigt om ten onrechte een asielaanvraag in te dienen, dan zal ik bekijken hoe ik dit kan tegengaan. Een voorbeeld hiervan is mijn brief van 22 maart jl. over de wijzigen van terugkeerondersteuning voor Oekraïners.
Kunt u aangeven of bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) prioriteit wordt gegeven aan de behandeling en afwijzing van asielaanvragen uit veilige landen? Kunt u dit proces beschrijven, zowel ten aanzien van de verwachte duur als wijze waarop opvang in Nederland en uitzetting naar het land van herkomst wordt vormgegeven?
Ja, de IND geeft sinds begin dit jaar prioriteit aan de behandeling van asielaanvragen van vreemdelingen uit veilige landen. Tot 1 maart jl. werden deze zaken in de normale asielprocedure behandeld.
Sinds de invoering van het sporenbeleid per 1 maart jl. worden aanvragen van vreemdelingen uit veilige landen van herkomst behandeld in een efficiëntere procedure («spoor 2»). Deze procedure houdt in dat deze vreemdelingen in een tijdsbestek van 1 à 2 weken na indiening van hun asielaanvraag een (negatieve) beslissing ontvangen.
Gedurende de behandeling van hun asielaanvraag verblijven deze vreemdelingen in de centrale opvanglocatie (COL) in Ter Apel. Na afwijzing van hun asielaanvraag krijgen deze vreemdelingen een vertrektermijn van nul dagen opgelegd, waaraan tevens een inreisverbod is gekoppeld. Aansluitend worden zij overgeplaatst naar een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) waar – onder begeleiding van de DT&V – wordt gewerkt aan terugkeer naar het land van herkomst. Wanneer daar in het individuele geval aanleiding toe bestaat, wordt de vreemdeling na afwijzing van de asielaanvraag in vreemdelingenbewaring gesteld, ter fine van gedwongen terugkeer.
Vreemdelingen uit een veilig land van herkomst die voor 1 maart 2016 een asielaanvraag hebben ingediend en die nog in afwachting zijn van de inhoudelijk behandeling van hun asielaanvraag, worden eveneens in het efficiënte spoor 2 behandeld. Deze voorraadzaken worden de komende drie maanden projectmatig behandeld.
Op welke wijze trekt u lering uit de wijze waarop men in Beieren, Duitsland, omgaat met asielaanvragen uit veilige landen, waaronder de Balkan-landen, in het bijzonder de zeer vlotte procedurele afwikkeling middels de wijze waarop uitzetting via speciale centra aan de grens daar is ingericht? Deelt u de mening dat dit een effectieve werkwijze is gelet op de zeer hoge vertrekcijfers van Albanezen die asiel hebben aangevraagd in Duitsland?
De wijze waarop Duitsland vreemdelingen uit veilige landen van herkomst zoveel mogelijk op één locatie plaatst en houdt gedurende de afhandeling van de asielaanvraag en het voorbereiden van de terugkeer oogt inderdaad effectief. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt in Nederland, als onderdeel van het sporenbeleid, ook ingezet op de versnelde afhandeling van asielaanvragen van vreemdelingen uit veilige landen van herkomst, inclusief de landen van de Westelijke Balkan. Ook in Nederland worden de vreemdelingen daarbij zoveel mogelijk op één locatie worden geplaatst.
Hoe verklaart u de daling van de tweede en volgende asielaanvragen in 2015 ten opzichte van 2014?2
Naar dit aspect is geen separaat onderzoek gedaan. De verklaring moet waarschijnlijk gezocht worden in het feit dat de asielinstroom in 2015 voornamelijk bestond uit Syriërs, staatlozen afkomstig uit Syrië en Eritreeërs, dat wil zeggen asielzoekers van wie het asielverzoek in de regel is/wordt ingewilligd. Dit maakt dat er in 2015 relatief minder asielzoekers zijn afgewezen die op een later moment mogelijk een tweede of volgend asielverzoek indienen.
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten verwachten van de toezegging die u heeft gedaan om de mogelijkheid te onderzoeken om de Penitentiaire Inrichting (PI) Tilburg in te richten ten behoeven van vreemdelingendetentie? Kunt u aangeven of hiertoe al in overleg bent getreden met onder andere de PI zelf over de ervaring die zij hiermee hebben?
Op 29 januari jl.3 heb ik de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie in antwoord op vragen over de beëindiging van het gebruik van de PI Tilburg door België gemeld, dat zowel het gevangeniswezen als de huidige detentiecentra voor vreemdelingenbewaring thans over voldoende capaciteit beschikken voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen. Dit vormt dan ook geen reden om het besluit, om de PI Tilburg te sluiten, te heroverwegen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg over Vreemdelingen- en asielbeleid voorzien op 31 maart aanstaande?
De vragen bestrijken het beleidsterrein van meerdere diensten, hetgeen een brede afstemming van de beantwoording vergt. Daardoor is het niet mogelijk gebleken de vragen voor 31 maart 2016 te beantwoorden.
Het bericht dat er veel meer daklozen in Nederland zijn |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er veel meer daklozen in Nederland zijn?1
Ik ben bekend met de cijfers die het CBS op 3 maart publiceerde over het aantal daklozen in Nederland. Deze cijfers zijn gebaseerd op 3 registraties, waaronder het briefadres bij een locatie voor nachtopvang en daklozenuitkering. Deze cijfers hebben dus betrekking op het aantal personen dat een beroep doet op opvang en een daklozenuitkering en niet perse het aantal mensen dat op straat verblijft. Uit deze cijfers blijkt dat dakloze mensen de weg naar de voorzieningen van dakloosheid goed weten te vinden en gebruik maken van de ondersteuningsmogelijkheden die voor hen bestaan.
Zowel daklozen als statushouders moeten na eerste opvang kunnen doorstromen naar betaalbare woonruimte. Het kabinet heeft maatregelen genomen om de druk die de verhoogde instroom van vergunninghouders op de beschikbaarheid van sociale huurwoningen voor regulier woningzoekenden geeft, tegen te gaan. Zo kunnen verhuurders sinds 1 februari jl. aanspraak maken op subsidie van het Rijk indien zij een huisvestingsvoorziening voor vergunninghouders realiseren, bovenop de bestaande woningvoorraad. Daarnaast heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst een wetswijziging in voorbereiding waarmee de voorrang van statushouders uit de Huisvestingswet wordt geschrapt.
Waarom laat het kabinet zoveel asielzoekers toe maar worden de daklozen niet geholpen?
Inburgeringsplicht |
|
Sjoerd Potters (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Is bekend hoeveel inburgeringsplichtigen niet binnen de termijn van drie jaar aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan? Zo ja, hoeveel zijn dit er? Zo nee, hoe worden deze zaken zo snel mogelijk in beeld gebracht?
Voor de nieuwkomers die vanaf 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden en die nog niet voldaan hebben aan de inburgeringsplicht is de initiële inburgeringstermijn van drie jaar net verstreken. Voor de aantallen verwijs ik naar mijn brief over de voortgang inburgering d.d. 20 april 2016.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat mensen die na drie jaar niet voldaan hebben aan hun inburgeringsplicht direct na het verstrijken van de termijn in beeld komen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Verwijtbaar niet inburgeren heeft in principe altijd consequenties voor het verblijfsrecht: tenzij internationale en nationale wet- en regelgeving in de weg staat, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken bij verwijtbare termijnoverschrijding. In overige gevallen worden andere sancties opgelegd. Sterkere verblijfsstatussen, zoals vergunning voortgezet verblijf en de vergunning voor onbepaalde tijd, worden niet verleend, verzoeken tot het Nederlanderschap worden afgewezen en boetes worden opgelegd.
Bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor voortgezet verblijf of een vergunning voor onbepaalde tijd betrekt de IND altijd de informatie van DUO. Een vreemdeling (asiel en regulier) komt immers niet in aanmerking voor een sterker verblijfsrecht of het Nederlanderschap als niet is voldaan aan de inburgeringsvereisten.
Indien DUO tot de afweging komt dat de termijnoverschrijding niet aan de inburgeringsplichtige te wijten is, wordt een verlenging van de inburgeringstermijn toegekend.
Wordt in al deze zaken direct na het verstrijken van de termijn beoordeeld of de verblijfsvergunning ingetrokken kan worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat mensen met een verblijfsvergunning asiel die na drie jaar niet voldaan hebben aan hun inburgeringsplicht direct na het verstrijken van de termijn in beeld komen bij de betreffende gemeente?
Sinds 1 januari 2013 hebben gemeenten geen wettelijke taak meer op het terrein van inburgering. Inburgeringsplichtigen zijn om deze reden in beeld bij DUO en niet bij de gemeenten.
Indien betrokkene een bijstandsuitkering ontvangt, is hij uiteraard wel in beeld bij de gemeente. Het niet behalen van het inburgeringsexamen is geen uitsluitingsgrond voor de bijstand. Wel geldt voor elke bijstandsgerechtigde de Taaleis in de Participatiewet. Dit houdt in dat hij de plicht heeft om aan te tonen dat hij de Nederlandse taal voldoende machtig is. Een behaald inburgeringsexamen kan als bewijs gelden. Zolang de inburgeringsplichtige nog geen inburgeringsexamen heeft behaald kan het zijn, en zal het vaak zo zijn, dat deze nog niet voldoet aan de taaleis. De gemeente zal dan verplicht een taaltoets afnemen. Als hij dit niet haalt, maar wel binnen een maand aangeeft mee te zullen werken aan het verwerven van taal, dan zal de gemeente de bijstand niet korten. Als de bijstandsgerechtigde niet meewerkt dan kan de gemeente in eerste instantie een korting van 20% opleggen. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om periodiek te controleren hoe het gaat met de taalverwerving.
De taaleis in de Participatiewet is voor nieuwe bijstandsgerechtigden per 1 januari dit jaar ingegaan en voor bestaande bijstandsgerechtigden gaat de eis in per 1 juli dit jaar.
Wordt in al deze zaken direct na het verstrijken van de termijn beoordeeld of de bijstandsuitkering stopgezet moet worden?
Zie antwoord vraag 4.
Onduidelijkheden rond het door de regering gevoerde asielbeleid |
|
Sybrand van Haersma Buma (CDA), Jesse Klaver (GL), Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is de doelstelling van de regering met betrekking tot het terugbrengen van de komst van het aantal vluchtelingen naar de EU? Kan de regering de door haar gewenste daling precies kwantificeren? Zo nee, waarom niet?
Wanneer moet de in vraag 1 benoemde doelstelling van de regering uiterlijk zijn verwezenlijkt? Houdt de regering vast aan de uitspraak van de premier in zijn toespraak in het Europees parlement dat dit «binnen zes tot acht weken» moet gebeuren, wat uiterlijk 16 maart betekent? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties zal de regering verbinden aan het niet tijdig bereiken van de door haar gewenste daling van de instroom van vluchtelingen in de Europese Unie (EU)?
Kunt u uw uitspraak in Buitenhof van 10 januari 2016, dat de vluchtelingencrisis vóór het voorjaar getackeld moet zijn, nader toelichten? Wat verstaat u in dezen onder getackeld»? Hoe bent u voornemens dit te bereiken? Welk resultaat moet zijn bereikt alvorens u het probleem «getackeld» acht?
Welke maximale instroom van asielzoekers in Nederland per week acht de regering in het voorjaar acceptabel? Kunt u aangeven op welke concrete getallen u doelt met de uitdrukkingen «richting nul» en «de nul moet in zicht komen»?1 Zo nee, waarom niet?
Boven welke maximale instroom van asielzoekers zal «ons systeem worden opgeblazen», zoals de Minister van Financiën aankondigde?2 Kunt u nader motiveren op basis van welke berekeningen de Minister van Financiën op deze prognose is uitgekomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de «filters» waar u over sprak in de Kamer nader toelichten?3 Kunt u per filter in een tabel uiteenzetten welk beoogd en kwantificeerbaar effect elk van deze filters op de instroom van vluchtelingen in Europa zal hebben, en welk tijdpad u voor de implementatie van elk van deze filters voorziet? Zo nee, waarom niet?
Zoals tijdens het debat 11 februari jl. met uw Kamer besproken, vergt het aanpakken van de vluchtelingenstroom naar Europa verschillende typen maatregelen die onderdeel zijn van een brede Europese aanpak. Zij staan niet op zichzelf, maar hebben een onderlinge relatie. Doordat de oorzaken van migratie sterk beïnvloed worden door externe factoren is het niet mogelijk om effecten van deze maatregelen vooraf te kwantificeren.
Zoals verwoord in de visie van het kabinet op de Europese migratiecrisis6, zet Nederland in de eerste plaats in op het bevorderen van perspectiefvolle opvang in de regio, zoals Jordanië, Libanon en Turkije. Tegelijkertijd zijn maatregelen nodig om te voorkomen dat migranten hun reis naar Europa vervolgen door zich te laten smokkelen vanuit landen aangrenzend aan de Europese Unie. Op dit moment gaat het in het bijzonder om Turkije. Daarnaast zijn maatregelen nodig om onze EU-buitengrenzen te versterken. Vanuit de hotspots in Griekenland en Italië zullen migranten een asielaanvraag moeten indienen, in aanmerking komen voor herplaatsing of moet er worden gewerkt aan terugkeer. Voorkomen moet worden dat irreguliere migranten op eigen initiatief en gelegenheid door Europa reizen, en dienen migranten zonder geldige verblijfsreden te worden teruggestuurd naar hun land van herkomst of een veilig derde land. Daarvoor zijn maatregelen nodig met betrekking tot de binnengrenzen, zoals de intensivering van het Mobiel Toezicht Veiligheid.
Terecht wijzen de vraagstellers op het risico dat de inzet op de beschreven maatregelen als risico heeft dat er een waterbedeffect ontstaat. Het kabinet houdt dit samen met de Europese partners nauwlettend in de gaten om tijdig adequate maatregelen te kunnen treffen.
Kunt u bij uw antwoord op vraag zeven in een aparte kolom ingaan op de waarschijnlijkheid van een optredend waterbedeffect per filter, waarbij de instroom zich zal verplaatsen naar andere grenslanden, en welke consequenties dit heeft voor het netto effect op de instroom van vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke nationale maatregelen overweegt de regering te nemen als de door de regering gewenste daling van de instroom van asielzoekers naar een maximale instroom van 58.000 in 2016 niet plaatsvindt?4
Op welk moment zal de regering een afweging maken of de door haar gewenste prognose voor de asielinstroom in 2016 in Nederland werkelijkheid wordt, of bijstelling noodzakelijk is?
Het kabinet monitort de ontwikkelingen rond de asielinstroom voortdurend. Deze ontwikkelingen neemt het kabinet mee bij het vaststellen en eventueel bijstellen van de begroting én het beleid door het kabinet.
Welke wijziging in de rijksuitgaven zal moeten plaatsvinden als de door de regering beoogde daling van het aantal asielzoekers niet plaatsvindt, en in plaats daarvan de instroom van asielzoekers zich ontwikkelt naar de ambtelijke prognose van 93.600 asielzoekers voor 2016?
Welke netto wijziging in de rijksuitgaven zal moeten plaatsvinden als de instroom van asielzoekers in Nederland in maart 2016 per week gemiddeld 100 asielzoekers meer bedraagt dan het in vraag 5 en 6 gevraagde maximum in de ogen van de regering?
Welke netto wijziging in de rijksuitgaven zal moeten plaatsvinden als de instroom van asielzoekers in Nederland in maart 2016 per week gemiddeld 100 asielzoekers minder bedraagt dan het in vraag 5 en 6 gevraagde maximum in de ogen van de regering?
Kunt u in een tabel uiteenzetten welke financiële consequenties het zal hebben indien diverse alternatieve instroomprognoses voor 2016, waaronder ten minste een instroom van 20.000, 40.000, 80.000, 100.000 en 120.000, werkelijkheid worden en bij deze diverse scenario’s de specifieke noodzakelijke mutaties in de budgeten van alle organisaties in de vreemdelingenketen en het totaal van deze kosten vermelden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bij uw antwoord op vraag 14 tevens in een aparte kolom aangeven op welke momenten de per scenario beschreven budgetmutaties zullen plaatsvinden indien het scenario zich voordoet? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bij uw antwoord op vraag 14 tevens in aparte kolommen aangeven welke budgetmutaties in de specifieke scenario’s noodzakelijk zijn voor de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kader van onderwijs voor asielkinderen, voor de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het kader van de inzet van politiecapaciteit en voor de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het kader van zorguitgaven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van het aantal incidenten dat heeft plaatsgevonden in asielcentra of de noodopvang in het afgelopen jaar en in hoeveel gevallen daarbij sprake is geweest van aangifte, een strafmaatregel, vervolging of uitzetting?
Bij brief van 30 januari jl.7 heb ik u het overzicht gestuurd van het aantal geregistreerde incidenten met betrekking tot vreemdelingen op- en rondom opvanglocaties van het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers).
In het overzicht staat dat bij het COA in 2015 ruim 8.000 meldingen zijn geregistreerd. Bij ruim 5.000 ging het om overtredingen van de huisregels van het COA, zoals het niet schoonmaken van de eigen kamer, de brandmelder afplakken, of geluidsoverlast veroorzaken. Bij ruim 1.300 meldingen van het COA ging het om fysieke agressie zoals schoppen of slaan. De meldingen zijn naar aard en omvang dus zeer divers. In totaal heeft de politie 4.460 meldingen op COA-locaties geregistreerd. De meldingen zijn ook hier zeer uiteenlopend. Het soort incidenten dat de politie heeft genoteerd, varieert van verloren ID-papieren, diefstal en overlast tot bijvoorbeeld drugs, grote vechtpartijen of mensenhandel. Ook kunnen er valse meldingen bij zitten. In die gevallen is de politie wel opgeroepen, maar bleek assistentie door de politie niet (meer) nodig.
Bij de publicatie is toegezegd dat een dergelijk overzicht vanaf heden halfjaarlijks wordt uitgebracht. Het eerstvolgende overzicht ontvangt u naar verwachting in september 2016.
In het geval dat de asielinstroom hoger uitvalt dan de door de regering gehanteerde prognose van 58.000 asielzoekers, uit welke begrotingsposten is de regering dan voornemens de meerkosten te dekken? En in het geval de regering kiest om deze eventuele meerkosten te dekken uit de programmalijnen voor ontwikkelingssamenwerking (OS) zoals bij eerdere mutaties, op welke OS-programmalijnen en begrotingsartikelen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bent u dan voornemens te korten en hoeveel?
Is het organiseren van een kerende veerboot van Griekenland naar Turkije, zoals beschreven in het plan-Samsom, onderdeel van de inzet van het kabinet in haar internationale overleggen? Zo ja, op welke termijn dient dit gerealiseerd te worden?
Turkije heeft tijdens de EU-Turkije Top van 7 maart jl. voorgesteld alle irreguliere migranten die vanuit Turkije aankomen op de Griekse eilanden terug te nemen.
Het kabinet verwelkomt dit voorstel van Turkije. Een daadwerkelijke terugname van alle irreguliere migranten die aankomen op de Griekse eilanden door Turkije zou betekenen dat het businessmodel van de smokkelaars wordt ontmanteld en de gevaarlijke overtocht in gammele bootjes wordt ontmoedigd.
Tijdens het debat op 15 maart jl. ter voorbereiding op de Europese Raad van 17 en 18 maart is besproken hoe het voorstel in de praktijk zou moeten worden toegepast. Daarnaast heeft de Commissie op 16 maart jl. een mededeling gepresenteerd waarin wordt uitgewerkt hoe dit vorm moet worden gegeven. Dit zal ook onderdeel zijn van de besprekingen tijdens de Europese Raad van 17 en 18 maart. Over de uitkomsten van de Europese Raad zult u via de gebruikelijke weg worden geïnformeerd, waarbij ook een appreciatie zal worden gegeven van de desbetreffende mededeling van de Commissie.
Op welke termijn verwacht de regering Turkije te kunnen aanmerken als veilig land? In hoeverre is het refoulementbeginsel daarbij bepalend?
Bij de term «veilig land» moet een onderscheid worden gemaakt naar «veilig land van herkomst» en «veilig derde land». Het eerste principe betreft landen die in het algemeen als veilig kunnen worden aangemerkt voor onderdanen of voormalig ingezetenen. Een «veilig derde land» is een land, anders dan het land van herkomst, dat over het algemeen veilig is en waar de aanvrager redelijkerwijs bescherming kan vragen, op grond van een voldoende band die hij met dat land heeft.
Voor beide principes is in de Procedurerichtlijn vastgelegd aan welke voorwaarden moet zijn voldaan.
Voor de beoordeling of een land kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst moet onder meer rekening worden gehouden met de wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast, de naleving van de mensenrechtenverdragen, de naleving van het beginsel van non-refoulement en het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in voornoemde mensenrechtenverdragen.
Een «veilig derde land» is een land waarin een vreemdeling niet wordt onderworpen aan vluchtelingrechtelijke vervolging, geen risico op een behandeling strijdig aan de rechten zoals verwoord in artikel 3 EVRM bestaat, het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd en waarin de mogelijkheid bestaat om een vluchtelingenstatus te verzoeken en, in geval van erkenning als vluchteling, bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag te ontvangen.
In mijn brief van van 9 februari 2016 over de uitbreiding van de lijst veilige landen van herkomst8 is aangegeven dat in tranches beoordelingen zullen worden gegeven over landen die uw Kamer eerder heeft genoemd. Turkije, Tunesië en Algerije zullen worden meegenomen in de volgende tranche, die is voorzien voor de tweede helft van maart.
Voor wat betreft de vraag of Turkije kan worden gezien als veilig derde land is van belang dat Turkije formeel een regionale beperking kent op de toepassing van het VN Vluchtelingenverdrag. Op grond van nationale wetgeving is het non-refoulementbeginsel evenwel ook van toepassing op vluchtelingen van buiten Europa. Zij kunnen in Turkije de »status van «conditional refugee» krijgen. Bovendien is Turkije als verdragspartij bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM) gebonden aan de verdragsverplichtingen die voortvloeien uit onder meer artikel 3 EVRM.
Als gevolg van de verplichtingen die voortvloeien uit de Visa Roadmap, zal Turkije zijn nationale asielwet- en regelgeving verder in lijn brengen met internationale en Europese standaarden. Op deze gronden heeft Griekenland aangegeven Turkije als veilig derde land aan te merken.
Het kabinet verwelkomt en deelt de uitleg van de Commissie dat het voor de toepassing van het concept van «veilig derde land» niet noodzakelijk is dat het desbetreffende derde land het VN Vluchtelingenverdrag al dan niet met geografische beperking heeft geratificeerd. Er dient wel toegang tot internationale bescherming te zijn en deze moet in lijn zijn met de vereisten zoals verwoord in het VN Vluchtelingenverdrag. De appreciatie van de Europese Commissie is natuurlijk ook relevant in deze, en uit de Mededeling van de Commissie van 10 februari zijn ook stappen in deze richting af te leiden. Mede in dit licht wordt geïnvesteerd in de relaties met Turkije en in de opvangfaciliteiten en andere omstandigheden van vluchtelingen daar.
Heeft de verslechterde mensenrechtensituatie in Turkije invloed op de beslissing om Turkije als veilig land aan te merken?
Zie antwoord vraag 20.
Komen er binnenkort nog meer landen, zoals bijvoorbeeld Tunesië en Algerije, op de lijst van veilige landen te staan?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u een overzicht geven van de concrete maatregelen die het kabinet neemt om de terugkeer naar landen op de veilige herkomstlijst te effectueren?
Met de meeste van deze landen bestaan goede afspraken die kunnen worden uitgevoerd. Er is echter ook een aantal landen waarmee de terugkeersamenwerking moeizaam verloopt. Dat geldt overigens niet alleen voor Nederland, maar voor veel lidstaten van de Europese Unie. Voor deze landen (Ghana, Marokko, Senegal) wordt in EU verband gewerkt aan maatwerkpakketten met positieve – en indien nodig – negatieve prikkels om die samenwerking te verbeteren. Met India wordt in EU-verband onderhandeld over een Gemeenschappelijke Agenda voor Migratie en Mobiliteit waarvan terugkeer deel uitmaakt.
Sinds 1 maart 2016 wordt de asielaanvraag van vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land dat is aangemerkt als veilig land van herkomst behandeld in een versnelde procedure (spoor 2 in het zogeheten sporenbeleid). De asielzoeker krijgt in deze procedure één gehoor, waarin hij tevens kan aangeven waarom zijn herkomstland voor hem niet veilig is. Als de aanvraag op deze grond wordt afgewezen, krijgt de asielzoeker de aanzegging om Nederland onmiddellijk te verlaten. Door het onthouden van een vertrektermijn kan eerder aan het daadwerkelijke vertrek worden gewerkt, waarbij zelfstandig vertrek voorop staat maar gedwongen vertrek indien mogelijk niet uitgesloten is.
Kunt u bevestigen dat het kabinet misbruik van terugkeerrelingen die het IOM aanbiedt, niet tolereert? Hoe wordt misbruik voorkomen, in het bijzonder wanneer het landen betreft die tevens geplaatst zijn op de nationale lijst met veilige landen?
Terugkeer is een van de beleidsprioriteiten van dit kabinet. Mensen die geen recht op verblijf (meer) hebben moeten Nederland verlaten. De ondersteuning van zelfstandig vertrek uit Nederland is een essentieel onderdeel van het terugkeerbeleid en draagt bij aan het bieden van een nieuwe en bestendige toekomst voor de vreemdeling in zijn eigen land. De meeste vreemdelingen vertrekken zelfstandig, nu ze op deze manier met opgeheven hoofd kunnen terugkeren met ondersteuning (financieel en in natura); bij gedwongen vertrek is er een grotere afhankelijkheid van het land van herkomst.
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat deze ondersteuning leidt tot een aanzuigende werking. Het gebruik van de regelingen wordt nauwlettend in de gaten gehouden. Zodra er signalen zijn van oneigenlijk gebruik, wordt dat nader onderzocht en indien van toepassing worden onderdanen uit die landen uitgesloten van ondersteuning. Alle veilige Europese landen zijn reeds uitgesloten van terugkeerondersteuning, omdat zij vrijgesteld zijn van de visumplicht. Overigens blijft de asielinstroom uit deze visumvrije landen in sommige gevallen toch hoog, terwijl de vreemdelingen uit die landen niet meer in aanmerking komen voor terugkeerondersteuning. Er kunnen dus ook andere redenen ten grondslag liggen aan de keuze voor Nederland. Voor alle overige landen wordt zoals aangegeven constant bekeken of aanpassing van beleid nodig is.
Wat zijn de actuele cijfers van instroom van vluchtelingen in Europa per week, uitgesplitst in land van aankomst en nationaliteiten van vluchtelingen?
De vreemdelingenketen beschikt niet over de door u gevraagde informatie op weekbasis, en – voor zover bekend – wordt deze informatie niet op een eenduidige wijze bijgehouden door andere instanties zoals de UNHCR.
Informatie over de instroom op weekbasis staat op de website van UNHCR (http://data.unhcr.org/mediterranean/country.php?id=83), echter deze informatie ziet uitsluitend op de instroom via Griekenland. De site vermeldt de instroom via Italië uitsluitend op maandbasis. Daarnaast gaan de gegevens niet terug tot 2012.
De door u gevraagde informatie is wel beschikbaar op maandbasis, op de website van Eurostat (http://ec.europa.eu/eurostat/data/database). Gezien de zeer grote hoeveelheid data waar u om vraagt, is het niet goed mogelijk deze informatie op een handzame wijze weer te geven in een kamerbrief. Daarom verwijs ik u naar de voornoemde websites.
Om u een beeld te geven van de verhouding van de migratiestromen over de jaren 2012–2016, geef ik hieronder de immigratie in deze jaren over de maanden december en januari.
Hoe verhouden de in vraag 25 gevraagde cijfers zich met de cijfers van dezelfde periode in het voorgaande jaar, en de dezelfde periode in 2014, 2013 en 2012?
Zie antwoord vraag 25.
Welk niveau van daling van de komst van vluchtelingen naar Griekenland vanuit Turkije moet zijn bereikt voordat resettlement vanuit Turkije naar de EU zal plaatsvinden?
Tijdens EU-Turkije Top van 7 maart jl. heeft Turkije het voorstel gedaan dat in ruil voor het overnemen door Turkije van alle irreguliere migranten die aankomen op de Griekse eilanden, de EU onder andere zich zal inspannen om een gelijk aantal Syrische vluchtelingen vanuit Turkije te hervestigen. In eerste instantie zal dit gerelateerd zijn aan het aantal Syrische vluchtelingen dat door Turkije vanuit Griekenland wordt overgenomen na irreguliere aankomst in Griekenland. Op termijn zal dit worden vervangen door een duurzaam humanitaire toelatingsprogramma van vluchtelingen vanuit Turkije zoals in een aanbeveling van de Commissie gepresenteerd, met als belangrijkste voorwaarde dat eerst een significante en duurzame daling van de irreguliere instroom naar de EU moet zijn gerealiseerd.
Welke maatregelen is de regering voornemens te implementeren om uit te komen op de gewenste instroom van 58.000 asielzoekers of minder in Nederland over 2016? Kunt u per maatregel een tijdpad aangeven voor de implementatie en uitvoering ervan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u per maatregel in uw antwoord op vraag 28 in een tabel aangeven wat het effect van de maatregel op de instroom van asielzoekers precies zal zijn en wanneer dit effect bereikt zal zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bij de in vraag 14 gevraagde tabel over de instroomscenario’s in een aparte kolom aangeven welke consequentie de scenario’s zouden hebben op het aantal benodigde (crisis)noodopvang plekken? Zo nee, waarom niet?
Op 27 november 20159 hebben gemeenten, provincies en Rijk een bestuursakkoord gesloten in het kader van de verhoogde asielinstroom. In het Bestuursakkoord zijn, kort gezegd, de volgende afspraken gemaakt over (nood-)opvangplekken:
Daarnaast spant het COA zich in additionele opvangplekken te realiseren.
Bij de totstandkoming van het bestuursakkoord is rekening gehouden met een mogelijke asielinstroom van 93.600, op basis van de prognose van de asielinstroom uit de Meerjaren Productie Prognose (MPP). Weliswaar neemt het kabinet maatregelen om de instroom te beperken, maar de vreemdelingenketen heeft de gelegenheid gekregen om zich voor te bereiden op een situatie dat de maatregelen onverhoopt niet het gewenste effect hebben. Ook bij de afspraken in het bestuursakkoord over extra opvangplekken is met een hogere instroom rekening omdat het organiseren van opvangplekken immers tijd kost en er moet worden voorkomen dat er direct tekorten ontstaan.
Het is niet goed doenlijk voor alle genoemde scenario’s met zekerheid de consequenties voor het aantal (nood-)opvangplekken te berekenen. Er is immers sprake van vele onzekere factoren. Denk hierbij niet alleen aan de omvang van de totale instroom, maar ook bijvoorbeeld aan de verdeling over het jaar (seizoenspatroon), de samenstelling van de instroom (sommige nationaliteiten, bijvoorbeeld asielzoekers uit veilige landen, kunnen snel uitstromen uit de opvang), de timing van beschikbaar komen van de benodigde opvangcapaciteit, en het tempo van de uitstroom (naar huisvesting dan wel terugkeer). Bovendien is de MPP een prognose, en geen exacte wetenschap. Weliswaar staat in het het Asieldashboard (zie het antwoord op vraag10 een tabel over het aantal benodigde (nood-)opvangplekken, maar deze tabel is indicatief van aard.
Kunt u een becijfering geven van de reeds opgelopen economische schade door de verscherpte grenscontroles die Nederland heeft ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 8 februari 201611 heb ik u geïnformeerd over de intensievere MTV-controles (Mobiel Toezicht Veiligheid) die de Koninklijke Marechaussee uitvoert aan de binnengrenzen. Deze controles vinden plaats op basis van risicoanalyses. De transportsector heeft aandacht gevraagd voor de economische gevolgen van deze verscherpte controles. We zijn daarover met hen in gesprek om de controles zo in te richten dat de economische gevolgen beperkt blijven. De Europese Commissie heeft een berekening gemaakt van de mogelijke schade bij herinvoering van grenscontroles. Daarvoor verwijs ik u graag naar mijn brief van 8 maart 2016 over de Commissiemededelingen van 4 maart 2016 onder andere over het functioneren van het Schengensysteem.
Is het voor het kabinet bespreekbaar dat één of meerdere landen uit de Schengenzone worden gezet als onderdeel van een aanpak van de vluchtelingencrisis? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar de brief van 17 februari 201612. Daarin is uitvoerig weergegeven welke procedure er geldt wanneer lidstaten in gebreke blijven ten aanzien van de bewaking van de gezamenlijke buitengrens.
Kunt u de verschillende mogelijkheden die Nederland heeft om de nationale grensbewaking te verscherpen uiteenzetten in een tabel, en bij elke mogelijke maatregel becijferen wat de economische schade voor Nederland zal zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft er vooralsnog voor gekozen om het reeds bestaande MTV te intensiveren binnen de mogelijkheden die die vreemdelingenwet biedt. Het alternatief is het herinvoeren van de binnengrenscontroles op basis van de Schengen Grenscode. Deze maatregelen dienen evenredig te zijn met de bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. Daarmee is het op dit moment niet mogelijk een eenduidige inschatting te geven van de potentiële economische schade voor Nederland bij het herinvoeren van de binnengrenscontroles. Dit zal immers afhangen van de actuele situatie en te nemen maatregelen.
Op welk moment verwacht u dat de hotspots in Griekenland volledig operationeel zullen zijn? Welke maatregelen neemt de regering om dit verder te bespoedigen?
Op 4 maart 2016 heeft de Commissie een nieuw voortgangsrapport uitgebracht over de implementatie van de hotspotaanpak in Griekenland. De bijlage van het rapport bevat een update van de stand van zaken hotspots in Griekenland van 10 februari 201613.
Er zijn volgens de Commissie nu in totaal vier hotspots operationeel in Griekenland, hoewel er nog wel extra inspanningen moeten worden geleverd opdat deze hotspots op volle kracht kunnen gaan werken. Tevens is de vijfde (en laatste hotspot) gedeeltelijk operationeel geworden op 4 maart 2016. Het kabinet is blij dat de geplande hotspots in Griekenland nu allemaal ingericht zijn, maar vindt het belangrijk dat de hotspots op korte termijn volledig op sterkte zijn. Hoewel uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op meerdere fronten vooruitgang is geboekt, gaat dit langzamer dan eerder is gemeld. Het kabinet vindt het daarom van belang dat Griekenland, met de hulp van de Europese agentschappen en de lidstaten, de aanbevelingen van de Commissie snel opvolgt. Nederland heeft hier zelf al een aanzienlijke bijdrage aan geleverd met het Border Security Team op Chios waarover ik uw Kamer al eerder heb geïnformeerd14.
Hoeveel asielzoekers zijn momenteel in Nederland geregistreerd, wier aanvraag nog niet in behandeling is genomen?
Op dit moment (stand van zaken begin week15 hebben bij benadering 15.400 personen een asielaanvraag ingediend waarvan de asielinhoudelijke behandeling nog niet is gestart.
Hoeveel extra budget zou de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nodig hebben om, uitgaande van een instroom van 58.000 asielzoekers in Nederland over 2016, nog dit jaar de gemiddelde wachttijd voor het in behandeling nemen van een asielverzoek terug te brengen naar 6 maanden of minder?
Hoeveel extra budget zou de IND nodig hebben om, uitgaande van een instroom van 93.600 asielzoekers in Nederland over 2016, nog dit jaar de gemiddelde wachttijd voor het in behandeling nemen van een asielverzoek terug te brengen naar 6 maanden of minder?
Indien extra budget zou worden beschikbaar gesteld voor de IND om de gemiddelde wachttijd voor het in behandeling nemen van een asielverzoek terug te brengen naar 6 maanden of minder, uiterlijk wanneer zou de IND voldoende capaciteit kunnen hebben om dit te realiseren?
Er zijn afgelopen jaar al zo’n 300 fte extra aangetrokken. Daarnaast is de IND op sommige locaties gaan horen en verder wordt er nu ook in het weekend gewerkt. Ook het snel beslissen in kansloze aanvragen zal effect hebben. De ruimte om de IND-capaciteit te laten groeien is ook in kwalitatieve zin niet onbeperkt. Dit is er in gelegen dat, om de vereiste kwaliteit te kunnen waarborgen, er een redelijke balans moet zijn tussen het aantal nieuwe medewerkers en het aantal ervaren medewerkers. Financiële middelen vormen dan ook niet de beperking om tot verdere besliscapaciteit te komen. Steeds wordt bezien welke besliscapaciteit nodig is en of er mogelijkheden zijn deze aan te passen.
Kunt u verklaren waarom volgens berichtgeving van het NRC en Reporter Radio het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en het Ministerie van Veiligheid en Justitie uitgaan van een instroomprognose van 93.600 in 2016?5 Hoe verhoudt zich dit tot de door het kabinet gehanteerde prognose van 58.000 asielzoekers?
Zoals eerder in deze beantwoording is aangegeven is in het najaar een MPP vastgesteld die uitging van een instroom van 93.600 asielzoekers. De kabinetsinzet is erop gericht de instroom te beperken, ten minste tot een niveau vergelijkbaar met 2015, te weten 58.000. Het kabinet gaat bij de begroting dan ook uit van een instroom van 58.000.
Zekerheidshalve krijgt de vreemdelingenketen echter de gelegenheid om zich voor te bereiden op een situatie dat de maatregelen onverhoopt niet het gewenste effect hebben. Hierbij wordt gewerkt met de prognose van de MPP. Bij de afspraken over extra opvangplekken in het bestuursakkoord is om diezelfde reden met de prognose van de MPP rekening gehouden. Het organiseren van opvangplekken kost immers tijd en er moet worden voorkomen dat er direct tekorten ontstaan als de instroom onverhoopt hoger uitvalt.
Acht u het wenselijk voor het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen onder de bevolking dat de overheid een andere instroomprognose hanteert dan door de regering naar buiten wordt gecommuniceerd? Zo ja, waarom?
De lijn van het kabinet is op dit punt steeds helder geweest, zoals ook uiteengezet is in de brief van 21 januari 2016 aan uw Kamer17 Het bestaan van de MPP als instrument voor de vreemdelingenketen laat onverlet dat het kabinet gehouden is om waar nodig maatregelen te nemen om zo de asielinstroom te beïnvloeden. Vervolgens ligt het voor de hand om bij het communiceren van een asielprognose daarmee ook rekening te houden. Het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen zou juist niet gediend zijn bij het neerzetten van het beeld dat het kabinet op dat onderdeel geen ambitie of invloed heeft.
Bent u bereid de notulen van de Landelijke Regietafel Verhoogde Asielinstroom van 11 februari 2016 openbaar te maken, nu de NRC hierover beschikt? Zo nee, waarom niet?
De landelijke regiegroep is nog niet bijeengekomen in dezelfde samenstelling als op 11 februari 2016, d.w.z. met burgemeesters en bewindslieden. Hierdoor is het verslag van de vergadering van 11 februari nog een concept. Het is nadrukkelijk met dat voorbehoud dat ik uw Kamer hieronder vermeld wat er over de prognose van de asielinstroom in het conceptverslag staat vermeld:
«DGVZ geeft aan dat...:
Er zijn verschillende instroomprognoses. Ook de vreemdelingenketen heeft een
prognose gemaakt, te weten 93.600 (de Meerjaren Productie Prognose, of MPP). Het kabinet vindt deze instroom echter ongewenst vanwege de zware belasting voor de samenleving, en neemt daarom maatregelen om de instroom te beperken tot een niveau vergelijkbaar met 2015, te weten 58.000; hier gaat het kabinet bij de begroting dus ook vanuit. Zekerheidshalve krijgt de vreemdelingenketen echter de gelegenheid om zich voor te bereiden op een situatie dat de maatregelen onverhoopt niet het gewenste effect hebben en de instroom hoger uitvalt. Hierbij wordt gewerkt met tranches van ongeveer 20.000 bovenop 58.000. Dit betekent dat de operationele diensten (IND, COA etc.) uitgaan van de eerder genoemde MPP-prognose van 93.600, onder meer bij de planning van opvangplekken. Ook bij de afspraken over extra opvangplekken in het bestuursakkoord is dus met hogere instroom rekening gehouden. Begin april komt er een nieuwe instroomprognose.»
Overigens wil ik uw Kamer laten weten dat – anders dan bij bovenbedoelde bijeenkomst gemeld werd – er in april geen nieuwe instroomprognose komt. Een nu op te stellen prognose zou met te veel onzekerheden zijn omgeven
Bent u bereid het interne stuk van het Ministerie van Veiligheid en Justitie uit januari, waarin wordt gecommuniceerd dat het ministerie uitgaat van een prognose van 93.000 asielzoekers in 2016, te openbaren? Zo nee, waarom niet?
Ik neem aan dat het NRC Handelsblad doelt op het «Asieldashboard» van 19 januari 2016. Bijgaand treft u het stuk aan.18
Waarom wordt in het bestuursakkoord met gemeenten en provincies uitgegaan van 93.600 asielzoekers in 2016, terwijl de regering uitgaat van 58.000 asielzoekers? Hoe verklaart u deze discrepantie en acht u deze wenselijk?
Zie antwoord vraag 39.
Kunt u, gelet op de omvang van dit informatieverzoek, uiterlijk 15 maart 2016 de antwoorden op deze vragen aan de Kamer zenden?
Ik heb uw Kamer deze antwoorden zo snel als mogelijk doen toekomen.
De opvang van statushouders |
|
Mona Keijzer (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Kent u het bericht op Omroep Brabant dat 45 van de 66 Brabantse gemeenten niet genoeg huizen voor vluchtelingen hebben?1
Ja.
Hoe zijn de wachttijden voor sociale huurwoningen in dit gedeelte van Nederland? Nemen de wachttijden door de verhoogde asielinstroom toe? Zo ja, in welke mate?
Ik heb uw Kamer op 26 november 2015 toegezegd een onderzoek te laten uitvoeren naar de wachttijden voor sociale huurwoningen. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd en ik verwacht de resultaten voor de zomer aan u te kunnen aanbieden. De uitkomsten van dit onderzoek geven inzicht in de wacht- en zoektijden op de woningmarkt. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 1 februari jl. is het, gelet op de verschillen in urgentie- en toelatingseisen bij inschrijving van woningzoekenden en de mogelijkheid om je als woningzoekende in te schrijven in meerdere regio’s en gemeenten, niet mogelijk voor heel Nederland een betrouwbaar overzicht te maken van het aantal ingeschreven (urgente) woningzoekenden per regio of gemeente. Wel zijn er in een aantal regio’s woonruimteverdelingsystemen waaruit de wachttijd- en zoekperiode van ingeschreven woningzoekenden kan worden bepaald.
Indien vergunninghouders in de sociale huursector instromen heeft dit tot gevolg dat het aantal beschikbare huurwoningen voor andere woningzoekenden afneemt. De duur van wachttijden wordt bepaald door vele factoren die onderling samenhangen. Het is daarom niet zondermeer mogelijk om vast te stellen in welke mate specifieke elementen de duur van wacht- en zoektijden beïnvloeden.
Wat wel vaststaat is dat het realiseren van extra (tijdelijke) huisvesting buiten de reguliere sociale woningvoorraad bijdraagt aan het voorkomen van het oplopen van de wachttijden voor een sociale huurwoning, bijvoorbeeld door de inzet van getransformeerd leegstaand vastgoed. Verschillende maatregelen uit het Bestuursakkoord 2015 vormen een stimulans voor dergelijke oplossingen en ik zie dat gemeenten hiervan gebruik maken. Zo worden in het Actieplan Statushouders 2016 -2017 van het Stedelijk Gebied Eindhoven maatregelen gepresenteerd met als doel ervoor te zorgen dat er geen verdringing op de reguliere huurwoningmarkt plaatsvindt.
Heeft u de overtuiging dat gemeenten hun taakstelling zullen en kunnen halen, nu zij voor het eerste half jaar van 2016 een taakstelling van 20.000 statushouders hebben, plus een achterstand van 3.400 van 2015? Zo ja, waar is die overtuiging op gebaseerd en wat betekent dit voor het eventuele oplopen van de wachttijden?
Ik ga er van uit dat gemeenten in 2016 aan hun wettelijke taakstelling kunnen voldoen. Dit is gebaseerd op de inzet van gemeenten, de realisatiecijfers van de afgelopen maanden en op de uitvoering van de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het in november 2015 gesloten Bestuursakkoord.
Acht u het scenario denkbaar dat de achterstand toeneemt nu, na de piek van 3.900 in de maand december, het aantal vergunninghouders dat in januari jl. is gehuisvest een stuk lager is uitgekomen, namelijk 2.838 plaatsingen?
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 3, ga ik er van uit dat gemeenten aan hun wettelijke taakstelling kunnen voldoen. Omdat de taakstelling halfjaarlijks is en dus een periode van 6 maanden beslaat, kan het zo zijn dat gemeenten de ene maand meer vergunninghouders plaatsen dan de andere maand. Ik acht het niet wenselijk om algemene conclusies te trekken uit de vergelijking tussen de eerste maand van een taakstellingsperiode, januari 2016, en de laatste maand van een taakstellingsperiode, december 2015. Pas indien gemeenten in juni niet aan hun taakstelling hebben voldaan is er sprake van een achterstand op de taakstelling van de eerste helft van 2016.
Kunt u nader duiden hoe die verlaging in januari verklaard kan worden en wat is uw verwachting voor de komende maanden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de indruk dat gemeenten bijzonder hun best doen, maar zich geplaatst zien voor een zware opgave waarvan het einde nog niet in zicht is? Zo nee, waarom niet?
Het aantal vergunninghouders dat momenteel door gemeenten gehuisvest dient te worden is relatief groot. Hierdoor staan gemeenten onder druk om slimme oplossingen te zoeken en in sommige gevallen alternatieve vormen van huisvesting – buiten de huidige reguliere sociale woningvoorraad – te realiseren. De eerste informatie over de ingediende aanvragen voor de subsidie voor de huisvestingsvoorziening (zie vraag 9) laat zien dat gemeenten hiertoe in staat zijn.
Deelt u de visie van Opnieuw Thuis2 dat als gevolg van de grote instroom in de tweede helft van 2015, voor de tweede helft van 2016 een hogere taakstelling verwacht mag worden? Zo ja, welke aantallen verwacht u dan en hoe verhouden die zich met de prognose van de verhoogde toestroom van asielzoekers en statushouders?
De prognose voor de taakstelling voor de tweede helft van 2016 is geraamd op 23.000 vergunninghouders. Ieder jaar stelt de Minister voor Veiligheid en Justitie de taakstelling voor de tweede helft van het jaar vast voor 1 april van dat zelfde jaar, op basis van de meeste recente gegevens over het aantal vergunninghouders dat dient te worden gehuisvest. Deze taakstelling wordt niet alleen bepaald door de hoogte van de instroom van asielzoekers, maar bijvoorbeeld ook door de doorlooptijd van de asielprocedure.
Deelt u de verwachting van Opnieuw Thuis dat de asielinstroom weer zal stijgen na de winterperiode3? Zo ja, waar is die verwachting op gebaseerd? Zo nee, waar is die verwachting op gebaseerd?
De verwachting van Opnieuw Thuis is gebaseerd op de dynamiek van de asielinstroom van voorgaande jaren, waarbij in de winterperiode minder asielzoekers naar Nederland kwamen. De asielinstroom is echter afhankelijk van verschillende factoren en daarmee moeilijk voorspelbaar. Voor wat betreft de verwachte instroomcijfers voor 2016 ga ik daarom uit van de verwachting van Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, namelijk dat er dit jaar 58.000 asielzoekers naar Nederland komen.
Hoe staat het met de realisatie van alternatieve huisvesting zoals afgesproken in het bestuurlijk akkoord met VNG en IPO? Kunt u bij beantwoording van deze vraag inzicht verschaffen in de hoeveelheden die gepland zijn en de realisatie op dit moment en over 3 maanden?
Sinds 1 februari jl. kunnen verhuurders een voorgenomen investering in de realisatie van een huisvestingsvoorziening voor vergunninghouders aanmelden. Bij de uitvoerder van de subsidieregeling, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijn in de maand februari 335 aanvragen ingediend, hetgeen 2563 plekken voor vergunninghouders betreft. RVO heeft deze aanvragen momenteel in behandeling. Uit een eerste analyse van deze gegevens blijkt dat een aantal vragen dubbel is ingediend, naar verwachting zullen 325 aanvragen inhoudelijk behandeld worden. Deze aanvragen tellen op tot een voorgenomen realisatie van 1647 plekken voor vergunninghouders. Als deze plannen daadwerkelijk gerealiseerd worden gaat het om een subsidiebedrag van € 10.3 mln, op het in totaal beschikbare subsidiebedrag van € 87 mln (ongeveer 12%). Uiteraard geldt ook voor de actuele cijfers dat het voorgenomen investeringen betreft en dat het aantal aanvragen dat uiteindelijk beschikt gaat worden hiervan kan afwijken.
Wanneer deze projecten precies opgeleverd gaan worden is onbekend. Na goedkeuring van een aanvraag geeft RVO een budgetreserveringsverklaring af, waarna de huisvestingsvoorziening binnen 24 maanden opgeleverd en bewoond dient te zijn.
Het rapport ‘Wachten op je toekomst’ over asielkinderen in de noodopvang |
|
Attje Kuiken (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht over het rapport van de Kinderombudsman waarin hij stelt dat asielkinderen in de noodopvang een verloren generatie zijn?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de leefomstandigheden van deze kinderen zodanig ondermaats zijn dat een normaal gezinsleven, involge artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden, niet mogelijk is?
Als de leefomstandigheden in de noodopvang dusdanig ondermaats zouden zijn zoals de vraag veronderstelt, dan zou ik dat onacceptabel vinden. Maar dit is niet het geval. De voorzieningen in de noodopvanglocaties zijn wellicht niet op alle fronten vergelijkbaar met die in reguliere AZC’s maar bieden wel een verantwoorde opvangsituatie. Zeker in een tijd waarin de druk op de opvang heel hoog is. Daarbij merk ik op dat het COA, samen met vele vrijwilligers en lokaal betrokken partijen, afgelopen periode hard heeft gewerkt aan verdere verbeteringen op de noodopvanglocaties, zoals het aanbieden van dagbesteding en sport- en spelactiviteiten.
Wordt er alles aan gedaan om te voorkomen dat asielkinderen binnen enkele maanden zeven tot acht keer moeten verhuizen? Zo ja, op wat voor manier en hoe wordt dit in de toekomst beter vormgegeven?
Ik vind dat het aantal verhuisbewegingen van gezinnen met kinderen en alleenstaande kinderen zo beperkt mogelijk zou moeten zijn. Gelet op de voortdurende hoge instroom en de druk op de opvangcapaciteit, zijn verplaatsingen echter niet te voorkomen.
Hoe kan het dat kinderen waarbij angst, suïcidale gevoelens, gedragsproblemen en andere emotionele klachten wordt vastgesteld veelal niet wordt doorverwezen naar professionele hulp? Hoe ziet het protocol er momenteel uit en bent u bereid dit te evalueren, nu blijkt dat niet de zorg geboden wordt die nodig is?
Ik vind het van belang dat de medische zorg voor alle asielzoekers, zowel volwassenen als minderjarigen, laagdrempelig en toegankelijk is. Om de toegang tot de medische zorg ook op alle noodopvanglocaties te borgen is hier, net zoals op de AZC’s, een Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA). Op het GCA is huisartsenzorg en in veel gevallen ook geestelijke gezondheidszorg aanwezig. Als geestelijke gezondheidszorg niet aanwezig is op de locatie kan, indien noodzakelijk, doorgeleiding plaatsvinden.
De verantwoordelijkheid voor de inhoud van de medische zorg en de doorverwijzing naar een specialist ligt bij de eerstelijns zorgverlener. Ik ga er vanuit dat de medische dienstverlener handelt binnen die verantwoordelijkheid en binnen de bestaande protocollen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ziet daar op toe. De IGZ heeft recentelijk onderzoek gedaan naar de medische zorg voor vreemdelingen. Het rapport hierover komt binnenkort uit. Mochten uit het onderzoek verbetermaatregelen naar voren komen dan zullen deze door de IGZ aan de medische dienstverleners worden opgelegd. De IGZ ziet toe op de naleving daarvan. Het rapport van de IGZ en mijn reactie daarop zal ik aan uw Kamer aanbieden.
Hoe kan worden voorkomen dat alleenreizende minderjarige asielzoekers, die tijdens hun procedure in Nederland meerderjarig worden, meteen op zichzelf aangewezen zijn met alle risico’s van dien?
Ik herken dit beeld niet en constateer dat het ook niet wordt onderbouwd door de Kinderombudsman in zijn rapport. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) die een verblijfsstatus hebben ontvangen en 18 jaar worden, dienen door gemeenten gehuisvest te worden. Amv’s die (nog) geen verblijfsstatus hebben en 18 jaar worden stromen vanuit de amv-opvangvoorziening door naar een reguliere opvangvoorziening.
Hoe is het mogelijk dat er bij de verplichte verhuizingen nauwelijks informatieoverdracht plaatsvindt tussen scholen?
Scholen dragen zoveel mogelijk informatie over in geval van verhuizingen van leerlingen. Vaak is het bij scholen pas laat bekend dat een leerling gaat verhuizen. Soms weten zij dit pas als de leerling niet meer in de klas verschijnt. Het is dan niet altijd mogelijk te achterhalen naar welke school de leerling is gegaan. Om deze reden moedigt het Ministerie van OCW scholen aan om ervoor te zorgen dat het onderwijsnummer, het nummer waarmee de leerling wordt geregistreerd in het Basisregister Onderwijs (BRON), in bezit is van de leerling. Wanneer een leerling naar een volgende school gaat, neemt de leerling het nummer mee en wordt het gebruikt bij de inschrijving op deze school. Op deze manier is in het BRON terug te vinden waar de leerling is ingeschreven en kan de informatie worden overgedragen aan de volgende school.
Daarnaast ontwikkelen de Landelijke Onderwijs Werkgroep voor Asielzoekers en Nieuwkomers (LOWAN) en het Kennisinstituut voor Taalontwikkeling (ITTA) op dit moment leerlijnen voor een betere doorstroom van nieuwkomers in het voortgezet onderwijs. Hierbij zal ook een overdrachtsdocument worden ontwikkeld, om de overdracht tussen scholen te bevorderen.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de koppeling van registratiegegevens van asielkinderen en de registratiegegevens van kinderen in het onderwijs? Van hoeveel kinderen in de leerplichtige leeftijd is inmiddels bekend of zij al dan niet naar school gaan? Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat asielkinderen, waarvan inmiddels duidelijk is dat zij niet naar school gaan, dat zo snel mogelijk wél doen?
De Staatssecretaris van OCW zal conform toezegging aan uw Kamer hier binnenkort meer inzicht in geven.
Op welke manier worden scholen en schoolbesturen op dit moment ondersteund om het onderwijs aan asielkinderen te organiseren en uit te voeren? Welke aanvullende ondersteuning kan scholen geboden worden vanaf het schooljaar 2016–2017 dit onderwijs voor 100% van de asielkinderen in de leerplichtige leeftijd te garanderen? Bent u bereid de voortgangsrapportage asielzoekersonderwijs uiterlijk op 1 april 2016 aan de Kamer toe te sturen zodat zij dit nog voor het nieuwe schooljaar kan bespreken?
Om scholen te ondersteunen in het onderwijs aan nieuwkomers, worden door het Ministerie van OC&W sinds 1 februari negen ervaren accountmanagers ingezet. De accountmanagers informeren samen met LOWAN en de sectororganisaties scholen en gemeenten over maatwerkfinanciering, geven voorlichting en verspreiden kennis. Daarnaast hebben onderwijswethouders van de G37 onlangs een informatiedocument over asielzoekersonderwijs ontvangen. Dit document door middel van nieuwsbrieven en websites nu breed verspreid. Tot slot heeft de PO-Raad, de sectororganisatie voor het primair onderwijs, een helpdesk ingericht. Samen met de sectororganisaties, het LOWAN en de VNG beziet de Staatssecretaris van OC&W of deze maatregelen afdoende zijn of dat aanvullende activiteiten noodzakelijk zijn.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de moties Ypma c.s?2 Acht u het mogelijk en wenselijk het aantal peilmomenten in het basisonderwijs te verhogen van drie naar vier en de financiering te verstrekken vanaf één kind? Zo ja, waarom wel, zo nee waarom niet? Kunt u hierover voor 1 april 2016 duidelijkheid geven?
De Staatssecretaris van OCW informeert u hier binnenkort nader over.
Het bericht "Asielzoekers randden 18-jarige aan tijdens stapnacht |
|
Ockje Tellegen (VVD), Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Kent u het bericht «Asielzoekers randden 18-jarige aan tijdens stapnacht»?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van de vader van een van de aangerande meisjes dat «het bestuur nergens op reageert»?
Alle bestuurslagen delen dat aanranding in alle gevallen onacceptabel is en bestreden dient te worden, dit heb ik onderstreept in mijn brief van 29 februari 20162. Het tegengaan van normoverschrijdend gedrag, waaronder zedenmisdrijven, is op meerdere bestuurlijke tafels onderwerp van overleg. De gevolgen voor slachtoffers kunnen indringend, ingrijpend en langdurig zijn. Zedenmisdrijven hebben niet alleen impact op het slachtoffer, maar ook op de omgeving en de samenleving als geheel. Wat ik tevens in mijn brief van 29 februari jl. heb aangegeven is dat tegen zedenmisdrijven krachtig wordt opgetreden. Op het plegen van zedenmisdrijven staan forse gevangenisstraffen. Daarnaast is het belangrijk om bewustwording in de samenleving te bevorderen over het feit dat vrouwen onevenredig vaak slachtoffer zijn van zedenmisdrijven.
Deelt u de mening dat aanranding altijd ernstig is en dat slachtoffers die hier aangifte van doen, recht hebben op volledige aandacht tijdens de aangifte en op voldoende nazorg tijdens de afhandeling van de aangifte? Zo ja, hoe ziet die aandacht en nazorg er in de praktijk uit? Zo nee, waarom niet?
Ja. Niet alle slachtoffers zetten de stap om aangifte te doen. Wanneer zij dat wel doen, is het belangrijk dat we hen op adequate wijze opvangen en begeleiden. Slachtoffers van zedendelicten zijn vaak extra kwetsbaar voor secundair of herhaald slachtofferschap. Daar moet dan ook tijdens het strafproces rekening mee worden gehouden. Dat gebeurt ook, bijvoorbeeld tijdens het informatief gesprek. Het informatief gesprek is een gesprek tussen een melder van een zedenmisdrijf en de politie, waarin de melder informatie over het delict verschaft en de politie de melder informeert over de opsporingsmogelijkheden, teneinde beide partijen in staat te stellen een beslissing over het vervolg te nemen. In het informatief gesprek wordt nu meer uitgegaan van de behoeften van slachtoffers, in plaats van het doorlopen van een standaard vragenlijst. Om de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer te beschermen kan het slachtoffer worden aangeboden om bij diens aangifte domicilie te kiezen op het politiebureau, zodat de adresgegevens niet bekend worden bij de verdachte. Door Slachtofferhulp Nederland (SHN) wordt daarnaast juridische en psychosociale hulp aangeboden. Is sprake van een vergrote kwetsbaarheid dan krijgt het slachtoffer hulp van een professionele casemanager die het slachtoffer op meerdere gebieden ondersteunt. Een slachtoffer van een zedendelict heeft daarnaast recht op gratis rechtsbijstand van een slachtofferadvocaat. Slachtoffers van zedendelicten worden door SHN standaard gewezen op dit recht. Naar verwachting zal volgend jaar ook een landelijk dekkend netwerk van Centra voor seksueel geweld (CSG) actief zijn. Slachtoffers kunnen bij deze centra kort na een aanranding of verkrachting terecht voor (forensisch-) medische en psychologische hulpverlening.
In hoeverre is het gebruikelijk dat vrouwen die aangifte doen van aanranding c.q. verkrachting standaard gespecialiseerde slachtofferhulp wordt aangeboden? Deelt u de mening dat dit altijd zou moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Slachtoffers van zedendelicten krijgen standaard slachtofferhulp aangeboden, slachtoffers kunnen zelf bepalen of zij behoefte hebben aan deze hulp. Slachtofferhulp Nederland ondersteunt deze slachtoffers, maar verwijst hen ook door naar tweedelijns-slachtofferzorg zoals de GGD als de problematiek daarom vraagt. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven is vanaf volgend jaar een landelijk dekkend netwerk van CSG actief waarbij slachtoffers terecht kunnen voor gespecialiseerde en gecoördineerde hulpverlening na acuut seksueel geweld.
Krijgt iedereen die aangifte doet bij de politie een kopie van zijn of haar aangifte mee? Zo nee, waarom niet?
Vorig jaar is er een wetsvoorstel aan uw Kamer aangeboden ter implementatie van richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten3. In dit wetsvoorstel is opgenomen dat de aangever een kopie ontvangt. Echter, indien het belang van het onderzoek dit vergt, ontvangt de aangever alleen een schriftelijke bevestiging van zijn of haar aangifte. Dit kan onder meer bij zedenzaken het geval zijn. De bewijsvoering van dit type delicten is vaak moeilijk, omdat er geen getuigen zijn. Omdat de bewezenverklaring, en daarmee een succesvolle vervolging van de dader, staat of valt met de toetsbaarheid van de verklaringen van zowel de verdachte als de aangever, vindt de rechter(-commissaris) het in die zaken belangrijk dat betrokkenen zo veel mogelijk uit hun herinnering putten. Om die reden kan het zo zijn dat aangiften en eerder afgelegde verklaringen pas in een later stadium van het onderzoek worden verstrekt.
In hoeverre is er, zeker sinds de gebeurtenissen in Keulen, aandacht bij rechtshandhavers voor het signaleren, registreren en vervolgen van aanrandingen?
In alle gevallen van (meldingen van) aanrandingen wordt door politie en OM opgetreden en geregistreerd. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar afkomst van daders en/of doelgroepen. Ik zie geen aanleiding deze werkwijze als gevolg van de gebeurtenissen in Keulen aan te passen. Er is al aandacht voor het signaleren, registreren en vervolgen van aanrandingen en deze blijft onverminderd van toepassing.
Deelt u de mening dat aanranding onacceptabel is, bij slachtoffers (meestal vrouwen) tot langdurige en grote psychische schade kan leiden en dat iedereen in Nederland, maar vooral rechtshandhavers en verantwoordelijke bestuurders, dit krachtig moeten uitdragen? Zo ja, bent u bereid dit punt op niet mis te verstane wijze onder de aandacht te brengen van rechtshandhavers en bestuurders? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 2.
De oproep van burgemeesters om kleinschalige opvang van asielzoekers zelf te regelen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht over de oproep van twee burgemeesters om de opvang van asielzoekers aan hen over te laten?1
Ja.
Deelt u de mening dat kleinschalige opvang integratie van en draagvlak voor vluchtelingen kan bevorderen? Zo nee, kunt u uitleggen waarom dit volgens u niet het geval is?
Ik wil het beeld wegnemen dat alleen grootschalige locaties gewenst zijn. Kleinschaligere locaties zijn bij uitstek geschikt om vergunninghouders te huisvesten, waarvan er nu circa 15.500 in de opvang verblijven. Dat betreft dus die groep waarvan het asielverzoek is ingewilligd. Ik ben van mening dat het de integratie van deze vergunninghouders positief kan beïnvloeden wanneer zij worden gehuisvest op een wijze die ruimte geeft voor meer betrokkenheid door en bij lokale en Nederlandse samenleving. Kleinschaligheid kan daarvan een aspect zijn. Dit kan ook positief zijn voor het draagvlak.
Kunt u uitleggen waarom opvanglocaties voor minder dan driehonderd asielzoekers niet haalbaar is? Hoe verhoudt deze opvatting zich tot een eerdere uitspraak van u, waarin u stelt dat u niet in de luxepositie zit om kleinschalige opvang te weigeren?
Gelet op de asielinstroom en de dringende behoefte aan opvangcapaciteit bevind ik mij niet in de luxepositie om locaties te kunnen weigeren. Of het nu gaat om grootschalige of kleinschalige locaties. Hierbij zijn kleinschaligere locaties bij uitstek geschikt voor vergunninghouders.
In het bestuursakkoord is in lijn hiermee afgesproken dat voor de opvang van asielzoekers wordt gezocht naar een goede mix tussen groot- en kleinschalige opvang, al naar gelang draagkracht en draagvlak. De gewenste omvang van locaties is circa 300 tot 1.500 bedden, waarbij locaties van 200 bedden – in een «satellietconstructie» met een grotere locatie – ook tot de mogelijkheden behoren. En ook daarbij is er in de praktijk enige rek mogelijk. In enkele gevallen maakt het COA gebruik van locaties voor asielzoekers met 200 of minder plaatsen, zoals in Brunssum en Geeuwenbrug. Aanbod vanuit gemeenten wordt door het COA, in afstemming met de regionale regietafels, beoordeeld. Wanneer dit leidt tot het oordeel dat een aangeboden locatie, mede gezien de omvang daarvan, meer geschikt is voor de huisvesting van vergunninghouders, dan zal COA daarover het gesprek met de betreffende gemeente voeren. Juist voor deze groep is de gevraagde duurzame integratie van evident belang. Wanneer gemeenten in aanvulling op het bestaande instrumentarium komen met nieuwe initiatieven is daarvoor zeker ruimte. Het COA en het OndersteuningsTeam Asielzoekers en Vergunninghouders (OTAV) zijn bereid om gemeenten hierbij te ondersteunen. Ik zal dit onderwerp ook onder de aandacht brengen van de diverse regionale regietafels die zijn opgericht om gezamenlijk met betrokken partijen een stabiele opvangsituatie te creëren.
Bent u bereid een aantal kleine gemeenten, zoals Boxtel en Heusden, ruimte te bieden, in samenwerking met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), te experimenteren met duurzame integratie voor kleine groepen? Zo ja, hoe kan dit dan geregeld worden en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het tekort aan huurwoningen voor statushouders en andere woningzoekenden |
|
Farshad Bashir |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel in het Algemeen Dagblad dat gemeenten worstelen met de huisvesting van vluchtelingen met een verblijfsvergunning (statushouders)?1
Op basis van de realisatiecijfers van de afgelopen maanden, de maatregelen uit het Bestuursakkoord 2015 en de inzet van gemeenten vertrouw ik er op dat gemeenten in 2016 aan hun wettelijke taakstelling kunnen voldoen.
Hoe kan het dat in een maand tijd voor 1.100 statushouders minder (3.900 in december en 2.800 in januari 2016) een geschikte woning is gevonden, ondanks een afname van de bezetting in de opvang en een verminderde instroom van vluchtelingen?2 3
De taakstelling voor gemeenten is halfjaarlijks en beslaat dus een periode van 6 maanden. Daarom is het niet mogelijk om algemene conclusies te trekken uit de vergelijking tussen de eerste maand van een taakstellingsperiode, januari 2016, en de laatste maand van een taakstellingsperiode, december 2015.
Is het waar dat op dit moment 23.400 statushouders wachten op een huurwoning, en hoeveel van deze mensen zitten in een (crisis)opvang van het Centrum opvang asielzoekers (COA)?
Deze weergave van de cijfers is niet juist. Op dit moment (peildatum 15 februari 2016) verblijven er 15.693 vergunninghouders in een COA-locatie. Het getal van 23.400 vergunninghouders betreft de taakstelling voor het eerste half jaar van 2016, oftewel het aantal vergunninghouders dat gemeenten dienen te huisvesten (20.000 vergunninghouders), inclusief de achterstand van 2015 (3400 vergunninghouders).
Hoeveel concrete plannen van gemeenten zijn tot nu toe tot uitvoering gekomen naar aanleiding van het door u gesloten Bestuursakkoord met gemeenten om snel te komen tot (tijdelijke) huisvesting?4
Sinds 1 februari jl. kunnen verhuurders een voorgenomen investering in de realisatie van een huisvestingsvoorziening voor vergunninghouders aanmelden. Bij de uitvoerder van de subsidieregeling, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijn in de maand februari 335 aanvragen ingediend, hetgeen 2563 plekken voor vergunninghouders betreft. RVO heeft deze aanvragen momenteel in behandeling. Uit een eerste analyse van deze gegevens blijkt dat een aantal vragen dubbel is ingediend, naar verwachting zullen 325 aanvragen inhoudelijk behandeld worden. Deze aanvragen tellen op tot een voorgenomen realisatie van 1647 plekken voor vergunninghouders. Als deze plannen daadwerkelijk gerealiseerd worden gaat het om een subsidiebedrag van € 10.3 mln, op het in totaal beschikbare subsidiebedrag van € 87 mln (ongeveer 12%). Uiteraard geldt ook voor de actuele cijfers dat het voorgenomen investeringen betreft en dat het aantal aanvragen dat uiteindelijk beschikt gaat worden hiervan kan afwijken.
Hoeveel van de 14.000 statushouders zijn tot nu toe snel en sober gehuisvest zoals u stelde eind november 2015, en hoeveel subsidie is daar tot nu toe voor uitgegeven?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel gemeenten hebben tot nu toe het Gemeentelijk Versnellingsarrangement ingezet voor tijdelijke woningen voor statushouders?
Op dit moment wordt het Gemeentelijk Versnellingsarrangement in twee gemeenten ingezet.
Wat is de stand van zaken wat betreft het door u toegezegde onderzoek naar wacht- en zoektijden verspreid over Nederland? Wie voert dit onderzoek uit en wanneer ontvangt de Tweede Kamer de resultaten?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door RIGO Research en Advies BV te Amsterdam en is momenteel in volle gang. Naar verwachting kan ik voor de zomer de resultaten aan de Tweede Kamer aanbieden.
Wat is tot nu toe het effect van het Bestuursakkoord op de huurwoningvoorraad en op het aantal regulier woningzoekenden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om de voorraad sociale huurwoningen niet te laten verkleinen door verkoop, sloop en liberalisatie, maar te vergroten door het stimuleren van de bouw van betaalbare huurwoningen, zodat alle mensen die een betaalbare huurwoningen nodig hebben deze zo snel mogelijk kunnen vinden? Zo ja, hoe gaat u dit doen en wat is uw doelstelling?
De maatregelen uit het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom hebben, wat betreft het huisvesten van vergunninghouders, tot doel de uitstroom van vergunninghouders uit asielzoekerscentra te bevorderen, zodat het COA zich kan richten op zijn kerntaak, de opvang van asielzoekers. Een snelle uitstroom van vergunninghouders bevordert bovendien dat vergunninghouders snel actief kunnen deelnemen aan de Nederlandse samenleving. In het Bestuursakkoord zijn hiervoor verruimende maatregelen afgesproken. Deze maatregelen betreffen het volgende: een subsidieregeling voor huisvestingsvoorzieningen voor de huisvesting van 14.000 vergunninghouders, inzet van het Rijksvastgoed, het faciliteren van de inzet van woningcorporaties, het instellen van de GVA-regeling, en het instellen van regionale regietafels die regionale verevening stimuleren. Op deze punten is de stand van zaken als volgt:
Resumerend meen ik dat de uitvoering van het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom voortvarend ter hand is genomen en goed op schema ligt. Derhalve zie ik op dit moment geen reden om aanvullende maatregelen te treffen, zoals die in vraag 9 worden voorgesteld. Meer in het algemeen ben ik van oordeel dat het bevorderen van doorstroming van huishoudens met een te hoog inkomen voor een sociale huurwoning de beschikbaarheid van betaalbare huurwoningen voor mensen die het nodig hebben bevordert. De sociale huurwoningvoorraad is namelijk niet te klein gezien het aantal huishoudens dat er qua inkomen recht op heeft.
Het bericht ‘Gesjoemel met islamitisch fonds’ |
|
Sjoerd Potters (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Gesjoemel met islamitisch fonds»?1
Ja.
Wat weet u van het gesjoemel in Nederland rondom deze dubieuze financieringsstromen aangaande het islamitisch fonds Europe Trust Nederland?
Het Algemeen Dagblad (AD) heeft op 3 maart jongstleden een rectificatie geplaatst naar aanleiding van het in de vraag genoemde artikel «Gesjoemel met islamitisch fonds». In deze rectificatie geeft het AD aan dat de krant het betreurt dat de indruk is gewekt dat de beschuldiging de uitkomst is van eigen onderzoek. Het AD benadrukt dat haar niets is gebleken van privéuitgaven of «gesjoemel».
Heeft u contact gehad met de autoriteiten in Koeweit over deze schimmige financieringsstromen die bedoeld zouden zijn om de islam in Nederland te promoten?
De autoriteiten in Koeweit zijn recent gevraagd naar de aard en uitkomsten van het desbetreffende onderzoek naar financieringsstromen. De uitkomst van dit onderzoek was dat de procedures voor buitenlandse financiering destijds correct zijn doorlopen en dat er geen sprake is geweest van onrechtmatigheden, corruptie of geld dat naar familie verdwijnt.
Is de bewuste financieringsstroom uit Koeweit ingezet om salafistische stromingen in Nederland te ondersteunen?
De bewuste geldstromen zijn gebruikt voor de bouw van de Blauwe Moskee in Amsterdam. Het is voor religieuze instellingen in Nederland toegestaan om gebruik te maken van financiering uit het buitenland, zolang de activiteiten die worden gefinancierd geen ondermijning van de democratische rechtsorde of van de nationale veiligheid betekenen. Om verdenkingen in deze richting weg te nemen is het van groot belang dat er op transparante wijze inzicht wordt geboden in de herkomst en toepassing van de financieringsstromen.
Deelt u de mening dat het integratie belemmerend werkt als buitenlandse mogendheden via een islamitisch fonds de islam promoten in Nederland? Wat gaat de regering hier tegen doen?
Financiering vanuit andere landen an sich is niet problematisch. Ook garandeert de Nederlandse rechtstaat voor iedereen de vrijheid om te geloven. Financiering mag niet gepaard gaan met het overbrengen van boodschappen die in strijd zijn met de rechtstaat, vrijheden van anderen belemmeren of de integratie beperken.