De aanbesteding jeugdzorg in Noord Holland Noord |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het kort geding dat Jeugdzorginstelling Transferium heeft aangespannen tegen een aantal gemeenten?1 Zo ja, wat vindt u van deze situatie?
Ja. Het staat partijen te allen tijde vrij om juridische stappen te zetten indien zij dit nodig achten. Ik volg de situatie nauwlettend.
Gebeurt het vaker dat jeugdhulpinstellingen naar de rechter stappen in het proces of na een aanbesteding? Zo ja, hoe vaak en waar?
Dit gebeurt vaker. Mij is niet precies bekend hoe vaak en waar dat gebeurt.
Hoe vaak leidt een aanbesteding tot een verandering van zorginstelling? Kunt u een inschatting maken van de tijd die jeugdhulpinstellingen besteden aan het aanbestedingsproces?
Het is mij niet precies bekend hoe vaak een publieke aanbesteding van gemeenten leidt tot een verandering van zorginstelling. Enerzijds kan een dergelijke verandering bijdragen aan goede en betaalbare ondersteuning en kansen bieden voor nieuwe toetreders en innovatieve vormen van ondersteuning. Anderzijds kan de ratio van het aanbestedingsrecht, gericht op brede toegang, transparantie en concurrentie, in de praktijk op een aantal fronten botsen met de ratio van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning in het sociaal domein, gericht op lokaal maatwerk waarin continuïteit, samenwerking en lange termijn-partnerschap tussen gemeenten en aanbieders van belang zijn.
Samen met gemeenten en aanbieders wil ik een aanpak hanteren die gericht is op de meest voorkomende knelpunten. Hoewel mij niet bekend is hoeveel tijd een specifieke aanbieder in een specifiek aanbestedingsproces besteedt aan het aanbestedingsproces, wil ik met gemeenten en aanbieders stimuleren dat zoveel mogelijk tijd ten goede komt aan de cliënt. De exacte inhoud van de aanpak wordt op dit moment in gezamenlijkheid bepaald. Daarin krijgen het praktisch ondersteunen van gemeenten en aanbieders, het ontwikkelen van standaarden en het stimuleren van innovatieve vormen van inkoop een plaats. Daarnaast zal ik in Europa de ruimte zoeken om aanbesteden in het sociaal domein op passende wijze vorm te kunnen geven.2
Wat vindt u ervan dat jongeren die vaak meerdere malen zijn weggelopen, zichzelf beschadigen of zelfs suïcidaal zijn door een aanbesteding worden blootgesteld aan een nieuwe omgeving?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van tijdige en passende hulp.
Uitgangspunt is dat gemeenten vrij zijn in hun keuze bij wie zij (gesloten) jeugdhulp inkopen. Gemeenten moeten daarbij een zorgvuldig proces van aanbesteding doorlopen. Wanneer de uitkomst van een aanbesteding is dat de gemeente jeugdhulp gaat inkopen bij een andere aanbieder, dient de gemeente ervoor te zorgen dat er continuïteit van zorg is. Ik ben het eens met de lector residentiële jeugdzorg dat continuïteit en stabiliteit onder jongeren met ernstige gedragsproblemen zeer belangrijk is. Zeker bij jongeren die al meerdere plaatsingen achter de rug hebben moeten onnodig verplaatsingen voorkomen worden. Dat is ook een belangrijke doelstelling uit het gezamenlijke actieprogramma Zorg voor de Jeugd van branches, gemeenten, cliëntenorganisaties en Rijk.
Bent u het eens met de lector residentiële jeugdzorg, dat continuïteit en stabiliteit onder jongeren met ernstige gedragsproblemen zeer belangrijk is?2
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u ervan dat deze jongeren die zorg van Transferium krijgen geen inspraak hebben over de door hun gewenste zorgaanbieder?
Het is belangrijk dat de stem van jongeren zoveel mogelijk gehoord wordt en echt met ze wordt gesproken en in plaats van over ze. Dit kan bijdragen aan betere zorg aan de jongeren door de zorginstelling waar ze verblijven.
Hoe wilt u waarborgen dat er over de lange termijn niet gesleept wordt met jongeren? Kunt u garanderen dat er over een korte termijn niet weer een nieuwe zorgaanbieder wordt aanbesteed?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, is het voorkomen van onnodige overplaatsingen een gemeenschappelijk doel van branches, gemeenten en Rijk. Daarnaast verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Hoe wilt u waarborgen dat zeer specialistische zorg beschikbaar blijft voor jongeren in de buurt? Wat zijn de gevolgen voor de regiogemeenten die ook zorg inkopen bij Transferium?
De huidige situatie is dat de 18 Noord Hollandse gemeenten de gesloten jeugdhulp voorlopig gegund hebben aan Horizon.
De colleges van burgemeester en wethouders van deze gemeenten zijn conform de Jeugdwet verantwoordelijk voor de inkoop en uitvoering van gesloten jeugdhulp. Zij dienen ervoor te zorgen dat te allen tijde gesloten jeugdhulp in hun gemeente beschikbaar is. De gemeenteraden zijn primair verantwoordelijk om de colleges hierop te controleren. De ambassadeur van het programma Zorglandschap Jeugd van VNG/Rijk ondersteunt de betreffende regio´s bij het komen tot een oplossing.
Ik volg als stelselverantwoordelijke deze ontwikkelingen en houd een stevige «vinger aan de pols». Met de betreffende gemeenten heb ik inmiddels afgesproken dat zij mij uiterlijk 26 november een plan sturen waarin zij op drie punten duidelijkheid zullen verschaffen:
Op 26 november heb ik een brief ontvangen van de gemeenten waarin zij ingaan op de bovengenoemde punten. Tegelijk melden zij dat zij nog niet alle vragen volledig kunnen beantwoorden omdat de aanbesteding nog onder de rechter ligt. Wel geven ze aan in gesprek te zijn met Parlan en Horizon om tot concrete afspraken te komen. De gemeenten hebben mij toegezegd mij tussentijds te informeren over het verloop en de inhoud van dit proces.
In het geval dat de gemeenten en de instellingen er toch gezamenlijk niet uitkomen, waardoor de beschikbaarheid van gesloten jeugdhulp in het gedrang komt, zal ik die stappen zetten die nodig zijn om alsnog de beschikbaarheid te borgen.
Wat betekent deze nieuwe aanbesteding in Heerhugowaard concreet voor de reisafstand voor de jongeren en hun familie, aangezien de nieuwe aanbieder alleen gesloten jeugdzorginstellingen buiten de regio kent? Hoe wilt u zorgen dat de zorg in de regio wordt aangeboden, óók voor de meest kwetsbare jongeren? Bent u het met ons eens dat het juist voor hen belangrijk is dat familie en vrienden hen kunnen bezoeken?
Ik ben het eens met het uitgangpunt dat het belangrijk is dat jongeren die langdurig in een (gesloten) jeugdhulpinstelling verblijven bezoek krijgen van hun familie en vrienden. In hun brief van 26 november hebben gemeenten mij verzekerd dat de gesloten jeugdhulp moet worden geleverd in de regio Noord-Holland Noord. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Wordt met aanbestedingen in specialistische zorg de continuïteit van het zorgaanbod niet ernstig in gevaar gebracht? Maakt u afspraken met gemeenten over de inkoop van zeer specialistische zorg?
Gemeenten hebben de plicht tijdig zorg te dragen voor passende jeugdhulp. Dat impliceert ook dat zij gehouden zijn continuïteit van zorg te bieden als sprake is van een situatie dat de gemeente afspraken maakt met een andere jeugdhulpaanbieder. Mede daarom heeft de VNG – conform het Actieprogramma «Zorg voor de Jeugd» – op haar website verduidelijkt welke zorg landelijk is ingekocht en beschikbaar is._ Dit op basis van de landelijke raamovereenkomsten voor specialistische jeugdhulp en Wmo (zintuiglijk gehandicapten) van de VNG.
Deelt u de mening dat jongeren die met psychische problemen in een instelling opgenomen zijn belangrijker zijn dan marktwerking? Deelt u de mening dat jongeren die het moeilijk hebben nooit ondergeschikt mogen worden aan financiële belangen?
Gemeenten hebben de jeugdhulpplicht. Bestuurlijke vraagstukken en financiën mogen in acute gevallen nooit een reden zijn om een kind niet tijdig te behandelen. Van gemeenten en zorgaanbieders verwacht ik dat zij – in lijn met de zorgplicht in de wet – in acute gevallen direct overgaan tot het bieden van passende zorg en daarna eventueel nadere afspraken maken over de financiering.
Bent u bereid om per direct de constructie van aanbesteding binnen de jeugdzorg ondergeschikt te maken aan de kwaliteit en continuïteit van de zorg om een stabiele zorgomgeving voor jongeren met zeer complexe problematiek te creëren? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
De verkoop van alcohol aan minderjarigen |
|
Henk van Gerven |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht van De Ochtend Show to go dat bol.com via internet alcohol verkoopt aan minderjarigen?1
Ik vind het bericht verontrustend. Alcohol is een risicovol product dat schade aan de gezondheid van minderjarigen kan toebrengen. Daarom is het verboden om alcohol te verkopen aan jongeren onder de 18 jaar. Dat is vastgelegd in de Drank en Horecawet (DHW).
Kunt u aangeven op welke wijze een deugdelijke controle op leeftijd bij verkoop via internet kan worden gerealiseerd?
Toezicht op verkoop aan minderjarigen tijdens de aflevering, zoals dat nu in de wet is vormgegeven, is voor gemeenten bij alcoholverkooppunten op afstand complex. Het is voor een toezichthouder vrijwel onmogelijk om op het moment van verstrekking (vaak een voordeur) aanwezig te zijn. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid om testaankopen te doen, maar dit is een relatief ingewikkeld en arbeidsintensief proces. Ook uit de evaluatie van de DHW kwam naar voren dat online verkoop van alcohol op decentraal niveau niet eenvoudig te handhaven is. Ik verken daarom de mogelijkheden om de naleving van de leeftijdsgrens bij online verkoop te verbeteren. Ook het mogelijk centraliseren van het toezicht op online verkoop betrek ik daarbij. Als de mogelijkheden tot verbeteren van de naleving concreter zijn, zullen deze aan uw Kamer worden voorgelegd.
Wie is verantwoordelijk dat de Drank- en Horecawet wordt nageleefd? Ligt de verantwoordelijkheid bij bol.com of de feitelijke leveranciers Albert Heijn en Gall&Gall of bij beide?
Het toezicht en de handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar bij de verkoop van alcohol is sinds 1 januari 2013 belegd bij gemeenten. Dat geldt ook voor de verkoop via internet. Het is daarom aan gemeenten om verstrekkers hierop aan te spreken en handhavend op te treden.
Artikel 20 van de DHW eist dat een verstrekker zich vergewist van de leeftijd voordat alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Dat geldt zowel bij fysieke als bij online verkoop. Bij online verkoop ligt de verantwoordelijkheid dan bij de feitelijke leveranciers, zoals Albert Heijn en Gall & Gall. Bij overtreding van dit artikel kan de burgemeester een bestuurlijke boete opleggen. Deze boete bedraagt € 1.360,– voor bedrijven met minder dan 50 werknemers en € 2.720,– voor bedrijven met meer dan 50 werknemers. Indien binnen een jaar nogmaals dezelfde overtreding wordt geconstateerd, wordt de boete bij beide categorieën bedrijven met 50% verhoogd en met 100% bij een derde overtreding.
De handhaving vindt, zoals aangegeven, door praktische belemmeringen nauwelijks plaats. Daarom ben ik bezig met het verkennen van een wetswijziging van de DHW om de naleving van de leeftijdsgrens bij verkoop via thuisbezorgkanalen te verbeteren en effectief toezicht hierop mogelijk te maken.
Welke straffen kunnen bol.com en/of Albert Heijn/Gall&Gall worden opgelegd wanneer ze alcohol aan minderjarigen verkopen?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze houdt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toezicht op de verkoop van alcohol via internet? Hoeveel mensen houden zich daarmee bezig? Is dat voldoende, aangezien het effect van de Drank- en Horecawet staat of valt met effectief toezicht?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat de NVWA doen met het nieuws dat de leeftijdscontrole door bol.com kennelijk zo lek is als een mandje?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw oordeel over de verkoop van alcohol via internet in relatie tot het voorkomen van problematisch alcoholgebruik en uw streven om problematisch alcoholverbruik terug te dringen?
In november beoog ik een nationaal preventieakkoord te ondertekenen met diverse partijen. Ik wil graag samen met partijen komen tot een ambitieuze aanpak om het problematisch alcoholgebruik te verminderen. Daarbij richt ik me ook op het verbeteren van de naleving van de leeftijdsgrens bij alle verkoopkanalen, waaronder ook het thuisbezorgkanaal. Ook zal ik mij komende jaren blijven inzetten voor de sociale norm dat «niet drinken tot je 18e» normaal is door te investeren in de NIX18 campagne.
Het artikel ‘Veldhovense wethouder: Budgetplafonds Eindhoven gaan in tegen de wet’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Eindhovens Dagblad «Veldhovense wethouder: Budgetplafonds Eindhoven gaan in tegen de wet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hanteren van een budgetplafond zich niet verhoudt met de op de gemeente rustende zorgplicht in het kader van bijvoorbeeld de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015)? Zo nee, waarom niet?
Het hanteren van budgetplafonds door gemeenten in het kader van het contracteren van aanbieders en het voldoen aan de Jeugdwet en de Wmo 2015 botsen niet per definitie. Het hanteren van budgetplafonds per aanbieder is een aspect van inkoop waarmee gemeenten hun sturing kunnen vormgeven.
Het enkele feit dat een aanbieder op enig moment aan zijn budgetplafond zit, hoeft dan ook niet te betekenen dat een gemeente zijn wettelijke verantwoordelijkheden niet nakomt. Als voldoende andere aanbieders die vergelijkbare jeugdhulp en/of Wmo-ondersteuning bieden nog voldoende ruimte hebben onder hun budgetplafond, kunnen cliënten hier naartoe worden verwezen.
Indien alle aanbieders aan hun budgetplafond zitten, dan zal de gemeente actie moeten ondernemen door alsnog elders extra jeugdhulp en/of Wmo-ondersteuning te contracteren. Een goed overleg tussen gemeente en zorgaanbieder over de stand van zaken van de uitvoering van de overeenkomst is daarbij randvoorwaardelijk.
Mocht het college nalaten om aan de wettelijke verantwoordelijkheden, in dit geval het voldoende gecontracteerd hebben van aanbieders om aan de vraag om ondersteuning te kunnen voldoen, dan is in eerste instantie de gemeenteraad aan zet om het college hierop te controleren en bij te sturen. Mochten mij vervolgens signalen bereiken dat de gemeente nalaat hierop te acteren, dan bestaat altijd de mogelijkheid om via het interbestuurlijk toezicht (de zogenaamde escalatieladder) vanuit het Rijk te interveniëren. In het geval van de gemeente Eindhoven zie ik hier op dit moment geen aanleiding toe.
Indien u de vorige vraag met ja beantwoordt, bent u dan bereid in dit geval de gemeente Eindhoven en andere gemeentes die overgaan tot het instellen van budgetplafonds als hier aan de orde, daarop aan te spreken en ze zo nodig een aanwijzing te geven dat niet te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het, indien u van mening bent dat het instellen van budgetplafonds en dus het mogelijk niet verlenen van noodzakelijke zorg niet toegestaan is, aanvaardbaar dat gemeenten dan op andere delen van het sociaal domein gaan bezuinigen waardoor mensen met een laag inkomen de dupe worden? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u dan (alles tegen elkaar afwegende) alsnog bereid om per direct te voorkómen dat kwetsbare mensen (waaronder mensen met een laag inkomen) gedupeerd worden door bezuinigingen elders in het sociaal domein als hiervoor bedoeld?
Gemeenten hebben beleidsruimte binnen de kaders van de landelijke regelgeving. De gemeenteraad stelt het lokale beleid vast op basis van de voorstellen van het college van burgemeester en wethouders. Hierbij dienen zij zoals gezegd rekening te houden met wettelijke opdrachten die zij hebben. De gemeenteraad controleert het college in de uitvoering van de wetgeving en het lokale beleid. Het debat over de aanwending van middelen in het lokale sociaal domein wordt lokaal gevoerd tussen het college en de gemeenteraad.
Het bericht dat Nederland bewust geen vluchtelingen met medische problemen selecteert voor hervestiging |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de uitzending «Kinderen met Kanker: niet welkom»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland een maximum van 30 heeft gesteld aan het aantal vluchtelingen met een medische indicatie, inclusief hun familieleden dat geselecteerd kan worden voor hervestiging naar Nederland, en dat zelfs dit quotum niet wordt gevuld? Klopt het dat de reden hiervoor is dat de zorg voor medische gevallen een grotere belasting voor de Nederlandse samenleving is?
Het klopt niet dat Nederland een maximum heeft gesteld aan het aantal vluchtelingen met een medische indicatie dat kan worden geselecteerd en hervestigd naar Nederland.
Nederland kent sinds de invoering van het jaarlijkse hervestigingsquotum in de jaren 80 een sub quotum voor bepaalde medische zaken. Dit is al geruime tijd gesteld op maximaal 30 personen op jaarbasis, inclusief gezinsleden. Het sub quotum is destijds ingesteld als onderdeel van het «Ten or More» en het latere «Twenty or More» programma van de UNHCR, speciaal gericht op gehandicapte en zorgbehoevende vluchtelingen. Het aantal werd verantwoord geacht vanuit de gedachte dat bepaalde ernstige aandoeningen een grotere en langdurige belasting van de (lokale) samenleving met zich meebrengen. Zo is het vinden van geschikte huisvestiging voor vluchtelingen met een medische aandoening een continue uitdaging.
Het sub quotum betreft geen streefaantal, maar een maximaal aantal plaatsen binnen het totale quotum dat kan worden ingevuld met medische zaken die voldoen aan bepaalde voorwaarden. In de beoordeling staat centraal dat de noodzakelijke behandeling (d.w.z. medische expertise) niet in het land van opvang beschikbaar is en dat de behandeling moet leiden tot essentiële verbetering van de gezondheidssituatie. Hoe triest de situatie ook is voor de voorbeelden die worden aangehaald in de documentaire, deze voorbeelden voldoen hier geen van allen aan. Immers, in het land van opvang is behandeling aanwezig.
Zoals vanuit mijn departement voorafgaande aan de documentaire aan de betreffende journalisten ook is gemeld is er een verschil tussen zaken die voldoen aan de criteria voor het sub quotum medische zaken en zaken waarin een medische indicatie speelt.
Enkel zaken die door UNHCR als medische zaak worden voorgedragen kunnen worden getoetst aan de criteria voor het sub quotum. Als UNHCR een zaak voordraagt als medische zaak die niet voldoet aan de voorwaarden van het sub quotum betekent dit niet automatisch dat de zaak wordt geweigerd voor hervestiging. De beoordeling van een hervestigingsvoordracht is namelijk altijd een combinatie van alle individuele omstandigheden en kwetsbaarheden. Het samenstel van die factoren leidt ertoe dat de betreffende voorgedragen medische zaak voor hervestiging wordt geaccepteerd als betrokkene in aanmerking komt voor een asielvergunning in Nederland en er geen sprake is van contra-indicaties.
Daarnaast komt regelmatig voor dat UNHCR zaken waarbij ook sprake is van medische aandoeningen voordraagt onder een andere voordrachtcategorie dan «medical needs».
Zo is door de jaren heen het sub quotum steeds minder relevant geworden en levert het als zodanig in de praktijk geen beperking op voor de hervestiging van vluchtelingen met een medische aandoening. Vanwege deze constatering is eerder dit jaar al ambtelijk een traject ingezet om te onderzoeken of het medisch sub quotum als zodanig moet worden gehandhaafd dan wel afgeschaft of aangepast. Dit traject loopt nog.
Vanwege de teneur van de uitzending vind ik het belangrijk om te melden dat zowel UNHCR als ik ons niet herkennen in het beeld dat over en weer van elkaars werk en inzet wordt geschetst. In de meest recente hervestigingsmissie naar Libanon heeft de UNHCR vier gezinnen aan Nederland voorgedragen waarin sprake is van de voordrachtcategorie «medical needs». Al deze zaken zijn door Nederland geaccepteerd, evenwel niet in het kader van het medische sub quotum. Hierbij was ook sprake van betrokkenen met de ziekte Thalassemie, die in de uitzending bij wijze van voorbeeld wordt genoemd. Naar ik begreep waren de journalisten hier door UNHCR wel op geattendeerd.
Om verder te illustreren dat in de praktijk regelmatig zaken waarin sprake is van medische aandoeningen door UNHCR voor hervestiging aan Nederland worden voorgedragen en door Nederland geaccepteerd, ben ik samen met UNHCR nagegaan om hoeveel zaken het de afgelopen jaren ging met betrekking tot Libanon. In totaal zijn in 2016, 2017 en 2018 respectievelijk 40 zaken (circa 160 personen), 57 zaken (circa 150 personen) en 55 zaken (circa 210 personen) door UNHCR voorgedragen voor hervestiging uit Libanon.2 Ten aanzien hiervan was bij respectievelijk 2 zaken (circa 10 personen), 5 zaken (circa 20 personen) en 4 zaken (circa 20 personen) sprake van voordracht op grond van «medical needs».3 Al deze personen zijn door Nederland voor hervestiging geaccepteerd. In geen van de gevallen werd voldaan aan alle voorwaarden van het medisch sub quotum.
Tot slot merk ik op dat anders dan in de reportage lijkt te worden verondersteld een medische aandoening niet automatisch leidt tot kwetsbaarheid in de zin van hervestiging. Bovendien leidt een medische aandoening niet automatisch tot de conclusie dat hervestiging voor de betreffende vluchteling de beste en een duurzame oplossing is. Het is altijd een samenstel van alle individuele omstandigheden.
Waarom stelt u de belasting van de Nederlandse samenleving boven het beschermen van de meest kwetsbare gevallen in overbevolkte vluchtelingenkampen, waar adequate zorg vaak niet of niet voldoende aanwezig is?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de rol die de Europese Unie (EU) op zich neemt in de bescherming van de vluchtelingen over de wereld niet in verhouding staat tot de rol van landen die doorgaans worden aangeduid als «de regio», zoals bijvoorbeeld Turkije, Jordanië en Libanon? Vindt u het rechtvaardig om de «belasting» van de zorg voor vluchtelingen met een medische indicatie overwegend bij deze landen neer te leggen? Zo ja, waarom?
De rol van landen in de regio bij de opvang van Syrische vluchtelingen wordt alom gewaardeerd en erkend, ook door de Europese Unie. De aanmerkelijke ondersteuning die de EU de afgelopen jaren heeft geleverd aan landen die veel vluchtelingen opvangen, zoals Turkije, Jordanië en Libanon, zijn daar een teken van. Deze financiële steun van de EU – alsmede aanzienlijke bilaterale bijdragen van EU-lidstaten afzonderlijk – draagt niet alleen bij aan de directe opvang van vluchtelingen. Er is naast steun voor vluchtelingen ook steun voor de gastgemeenschappen. De EU en EU-lidstaten geven steun voor de uitbreiding en verbetering van basisdienstverlening (waaronder gezondheidszorg) en infrastructuur in deze landen, bijvoorbeeld via het EU Trust Fundvoor de Syrië-regio en de concessionele leenfaciliteit van de Wereldbank. In het kader van de EU-compacts met Jordanië en Libanon wordt tevens gewerkt aan het verbeteren van toegang tot de Europese markt, bijvoorbeeld door de versoepeling van de «Rules of Origin». Nederland heeft sinds 2016 ruim EUR 300 miljoen bijgedragen om de perspectieven van vluchtelingen en gastgemeenschappen in de buurlanden van Syrië te verbeteren (bovenop de bijdragen voor noodhulp). Ook in de komende jaren blijven Libanon, Jordanië en Irak focuslanden voor het kabinet.
Deelt u de mening dat met hervestiging via de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) de EU juist een rol moet spelen in het opnemen van de meest kwetsbare vluchtelingen? Zo ja, waarom vallen daar vluchtelingen met een medische indicatie blijkbaar toch niet onder?
Hervestiging is bedoeld voor vluchtelingen die in het opvangland waar zij zich bevinden kwetsbaarder zijn ten opzichte van de andere vluchtelingen in dat opvangland, en niet kunnen terugkeren naar hun herkomstland of lokaal kunnen integreren. Hervestiging kan dan een duurzame oplossing zijn. Om te beoordelen of een vluchteling kwetsbaar is in de zin van hervestiging heeft de UNHCR zeven voordrachtcategorieën ontwikkeld. Al die categorieën leiden ertoe dat een vluchteling extra kwetsbaar kan zijn.
«Medical needs» is slechts een van die categorieën, naast onder andere «survivors of violence and/or torture» en «women and girls-at-risk». Als wordt voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een specifieke categorie kan een vluchteling op die grond door de UNHCR voor hervestiging worden voorgedragen. Bovendien kunnen meerdere categorieën op een individuele zaak van toepassing zijn.
Een medische aandoening leidt niet automatisch tot kwetsbaarheid in de zin van hervestiging.
Hoe beoordeelt u de stelling van de UNHCR dat er een groot tekort is aan aangeboden hervestigingsplaatsen? Vindt u dat de EU hier een grotere bijdrage aan zou moeten leveren? Zo ja, wat bent u bereid te doen om dit te bewerkstellingen?
Het is bekend dat de vraag naar hervestigingsplaatsen het aanbod ver overstijgt. Met het besluit van de VS om aanzienlijk minder hervestigingsplaatsen aan te bieden is dat gat nog een stuk groter geworden. Dit is een punt van zorg, want hervestiging is een belangrijk beschermingsinstrument voor vluchtelingen die niet terug kunnen keren naar hun herkomstland, evenmin lokaal kunnen integreren, en in het opvangland kwetsbaarder zijn dan andere vluchtelingen. Ook in de integrale migratieagenda is hervestiging een kernelement als veilige, legale route voor vluchtelingen naar de EU en als middel van burden sharing met de opvanglanden. Nederland draagt deze boodschap actief uit in Europa.
De afgelopen jaren zijn steeds meer EU lidstaten zich gaan bezighouden met hervestiging. Het huidige tweejarige EU hervestigingsprogramma ten behoeve van 50.000 hervestigingsplaatsen4 is meer dan een verdubbeling ten opzichte van het vorige programma. Ook het kabinet heeft, zoals u bekend, de hervestigingsinzet verhoogd.
Daarnaast is de EU een belangrijke donor van UNHCR. In 2017 stond de EU met een bijdrage van EUR 426 miljoen op de derde plaats van wereldwijde donoren. In 2018 telt de bijdrage van de EU aan UNHCR op het moment van schrijven EUR 444 miljoen. In Libanon is de EU momenteel de tweede grootste donor van UNHCR.
In 2018 heeft Nederland een algemene (ongeoormerkte) bijdrage aan UNHCR beschikbaar gesteld van EUR 33 miljoen en behoort daarmee tot de top-4 donoren van ongeoormerkte bijdragen aan UNHCR wereldwijd. UNHCR blijft daarnaast de komende jaren voor Nederland een belangrijke partner bij de uitvoering van programma’s voor opvang in de regio. Voor Libanon en Jordanië worden momenteel extra bijdragen aan UNHCR overwogen voor sociale protectie van kwetsbare Syrische vluchtelingen.
Het gestegen aantal zelfmoorden van jongeren die Jeugdhulp krijgen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u het item «Grote zorgen over suïcidepogingen jongeren in gesloten jeugdzorg» in Nieuwsuur, gezien?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling in het item dat veel jongeren in de jeugdhulp niet tijdig de juiste hulp krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen?
Uit de Eerste evaluatie van de Jeugdwet bleek dat de hulpverlening eerder en beter moet aansluiten bij wat kinderen en gezinnen nodig hebben. Het hoofddoel van het programma Zorg voor de jeugd is om dit te realiseren. Gezamenlijk met de gemeenten, de aanbieders en de cliëntenorganisaties werken we de komende jaren aan de uitvoering ervan. Vóór het Wetgevingsoverleg van 12 november 2018 ontvangt u de eerste voortgangsrapportage, waarin ik inga op de ondernomen acties.
Wat zijn volgens u de oorzaken dat het aantal jongeren in de jeugdhulp dat zelfmoord pleegt, is gestegen in de afgelopen jaren?
Op deze vraag kan ik nu geen antwoord geven. Op 24 september heeft de staatsecretaris van VWS u mede namens mij een eerste duiding gezonden van de suïcidecijfers van jongeren in 2017.2 Daaruit bleek dat van 81 jongeren die in 2017 suïcide hebben gepleegd er tien in een instelling verbleven. In december 2018 komt er een verdiepende rapportage waarin de onderzoekers zoveel als mogelijk de 81 casussen nader in beeld brengen, onder andere over de ontvangen jeugdhulp. Ook vindt een vergelijking met voorgaande jaren plaats.
Daarna volgt nog een verdiepend onderzoek naar de specifieke context van de 81 jongeren. De eindrapportage daarvan verschijnt september 2019.
Deelt u de mening dat ook het aantal zelfmoordpogingen beter bijgehouden moet worden? Bent u bereid hierover afspraken te maken met de jeugdhulpinstellingen en de Inspectie en hen hierin te ondersteunen?
Wanneer een jeugdige binnen een instelling een suïcidepoging doet met ernstig schadelijk gevolg, dienen de instellingen dit te registreren en te analyseren. Zij hoeven niet iedere poging aan de inspectie te melden. De inspectie beziet dan of er sprake is van een calamiteit die nader moet worden onderzocht.
Ik zie geen aanleiding om hierover andere afspraken te maken.
Bent u bereid om in het door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangekondigde onderzoek naar het gestegen aantal suïcides, ook onderzoek te doen naar de context van suïcides in de jeugdhulp?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe kan het dat een groep kwetsbare kinderen, zoals (depressieve) seksueel misbruikte en/of uitgebuite meisjes, geen adequate zorg krijgen?
De meeste jongeren die jeugdhulp nodig hebben, krijgen tijdig passende hulp. Maar als er sprake is van jongeren met ernstige meervoudige complexe problematiek is dat helaas niet altijd het geval. Dat kunnen we teruglezen in rapportages van de IGJ als sprake geweest is van een calamiteit. Ook ontvang ik signalen vanuit de gespecialiseerde jeugdhulp dat het vaak ingewikkeld is om meteen de juiste diagnose te stellen, en de beste behandelplek te vinden. Ik neem deze signalen uiterst serieus, want de gevolgen van onvoldoende en te late hulp kunnen zeer schadelijk zijn voor de ontwikkeling van deze kinderen.
De IGJ neemt passende zorg op in haar werkplan voor 2019. Zij zal onder andere de voortgang (van de uitvoering) van de afspraken in het kader van het programma Zorg voor de Jeugd volgen.
Hoe beoordeelt u het dat jeugdhulpinstellingen ervaren dat ze deze kinderen niet naar geschiktere plekken kunnen doorplaatsen vanwege financieringsafspraken in het stelsel? Herkent u dit? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Kinderen moeten op tijd de passende hulp krijgen. Financieringsafspraken mogen daarvoor geen belemmering vormen. Als die toch een probleem vormen, kan een instelling een beroep doen op het regionale expertteam om ervoor te zorgen dat het kind de hulp krijgt die nodig is.
Welke acties heeft u ondernomen naar aanleiding van de stelling van de Nationaal rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen dat het belangrijk is dat kwetsbare meisjes direct de juiste zorg krijgen en ze niet in gesloten inrichtingen thuishoren? Wat gaat u op korte en middellange termijn doen?
Zoals ik heb aangegeven in het programma Zorg voor de Jeugd heeft elk kind recht op een liefdevolle en stabiele omgeving om in op te groeien. Langdurig verblijf in een grote instelling is voor geen enkel kind goed. Daarom gaan we het aantal gesloten plaatsingen terugdringen en ook de duur van plaatsingen verkorten. De Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen deed onderzoek naar de slachtoffers die de verschillende vormen van jeugdhulp ontvingen met als aanleiding seksueel geweld. Als het gaat om slachtoffers van seksueel geweld waartoe ook slachtoffers van loverboys in het rapport van de Nationaal rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen speelt veiligheid een belangrijke rol. Als kinderen zich onttrekken of onttrokken worden aan de zorg, kan door tussenkomst van de rechter een kind gesloten worden geplaatst.
Bij het ontwikkelen van alternatieven spelen deze risico’s een grote rol. We hebben het hier over een grote verandering die niet van de ene op de andere dag gerealiseerd is en vraagt om inzet van alle partners in de jeugdhulp. Met aanbieders en gemeenten ben ik hierover in overleg en in de voortgangsrapportage van het programma Zorg voor de Jeugd zal ik u informeren over de laatste stand van zaken.
De wenselijkheid van initiatieven als het ‘Kindergasthuis de Boeg’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het initiatief van het Kindergasthuis De Boeg?1
Ja.
Hoeveel initiatieven zoals het Kindergasthuis De Boeg, een tijdelijk huis voor kinderen en hun ouders vlakbij het ziekenhuis voor als het ziekenhuis te ver is, het thuis te druk is of voor ouders om te leren hoe ze voor hun kind kunnen zorgen nu zij of hij ziek is, zijn er in Nederland?
Mij zijn meerdere logeer-initiatieven op dit gebied bekend. Ik heb geen overzicht van de aantallen initiatieven. De initiatieven zijn immers niet verplicht zich te registreren in het kader van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) omdat er door deze gasthuizen geen zorg wordt geleverd.
Deelt u de mening dat initiatieven zoals het Kindergasthuis De Boeg waardevol zijn aangezien sommige mensen ver van een ziekenhuis wonen en het fijn kan zijn voor ouders om in een veilige omgeving te leren hoe zij voor hun zieke kind kunnen zorgen?
Kindergasthuis De Boeg is vooral een logeeradres voor zieke kinderen en hun ouders, dicht bij het Radboud UMC, de Sint Maartenskliniek, SeysCentra (behandeling voor kinderen met eetproblemen) en het CWZ-ziekenhuis. In De Boeg is doorgaans niemand anders aanwezig dan de ouders en de kinderen. Deze kinderen hebben gedurende de periode dat ze in De Boeg logeren geen continue verpleegkundige zorg of toezicht nodig zoals in een verpleegkundig kinderzorghuis. In De Boeg zijn dan ook niet standaard kinderverpleegkundigen aanwezig die verpleegkundige zorg bieden ten behoeve van de (gevolgen van een) behandeling die vanuit een van de hiervoor genoemde instellingen poliklinisch aan de kinderen wordt geboden.
Voor kinderen en hun ouders die elke dag naar het ziekenhuis moeten voor behandeling of revalidatie, maar waarvoor (een lange afstand) heen en weer rijden naar huis te vermoeiend is, zijn dit soort logeer-initiatieven heel waardevol. Een verblijf in de bungalow van De Boeg samen met de ouders is uiteraard prettiger voor het kind en gezin dan langdurig te opgenomen te moeten worden in het ziekenhuis (al dan niet zonder ouders). Dat laat onverlet dat ziekenhuizen primair aan zet zijn als het gaat om de geneeskundige aspecten, die daarbij komen kijken.
Kunt u een overzicht geven van huidige soortgelijke initiatieven en daarbij ook de wijze van financiering (publieke en privaat) aangeven?
Er zijn vele vergelijkbare logeer-initiatieven zoals zorghotels en dergelijke. Een overzicht van soortgelijke initiatieven heb ik niet. Er is alleen sprake van publieke financiering (conform artikel 2.12 van besluit Zvw) als er sprake is van een medische noodzaak voor verblijf. Een dergelijke medische noodzaak kan al dan niet gepaard gaan met verpleging, verzorging of paramedische zorg.
Wat zijn de gemiddelde kosten voor een gemiddeld verblijf van een kind in een ziekenhuis per dag? Wat zijn de gemiddelde kosten voor een gemiddeld verblijf van een kind en ouders in een Kindergasthuis of een soortgelijk initiatief per dag? Deelt u de mening dat, ook vanuit financieel oogpunt, verblijf in een Kindergasthuis of een soortgelijk initiatief te verkiezen valt boven verblijf in een ziekenhuis?
Er is geen sprake van een algemeen overzicht van de kosten van een verblijf van een kind in het ziekenhuis. Dit is namelijk afhankelijk van de (ernst van de) aandoening waarvoor het kind in het ziekenhuis wordt behandeld. Ik ga er vanuit dat de kosten voor verblijf in een logeerhuis aanzienlijk lager zullen zijn dan de kosten voor verblijf in een ziekenhuis. In een logeerhuis zijn namelijk aanzienlijk minder voorzieningen en toezicht. Dat laat onverlet dat het aan de kinderarts is om aan te geven of een verblijf in een ziekenhuis noodzakelijk is en welk niveau van voorzieningen daarbij nodig is. En soms is dat dus een relatief duur verblijf zoals een ziekenhuisbed.
Deelt u de mening dat het Kindergasthuis of soortgelijke initiatieven bijdragen aan de doelstelling van «de juiste zorg op de juiste plaats», zoals het nemen van het kind als vertrekpunt, een snellere en betere overgang naar thuis en minder verblijf in ziekenhuizen?
Die mening deel ik niet voor zover het gaat om een logeermogelijkheid en niet om het verplaatsen van zorg.
Wat ik in dit kader wel een voorbeeld van «juiste zorg op de juiste plek» vindt, is als er sprake is van het verplaatsen van zorg. Een kind zou immers zo kort als mogelijk in een ziekenhuis moeten liggen (Handvest Kind en Zorg, Verdrag inzake Rechten van het Kind). De stap van ziekenhuis naar huis blijkt voor ernstig zieke kinderen en hun gezinnen echter vaak (te) groot. Uit dat oogpunt vind ik het van belang om de transitie te vergemakkelijken van het ziekenhuis naar huis van kinderen die afhankelijk zijn van gespecialiseerde verpleegkundige of medische zorg die vooralsnog alleen in het ziekenhuis kan worden gegeven. Een voorbeeld daarvan is het aanleren van medische handelingen en kennis in een omgeving waar de thuissituatie zoveel mogelijk nagebootst kan worden om thuis de
complexe intensieve zorg te kunnen leveren. Het is goed om te weten dat het Zorginstituut op korte termijn met een duiding van dergelijke verplaatste zorg zal komen.
Ook vanuit De Boeg wordt gekeken naar mogelijkheden op het gebied van het verplaatsen van zorg. Enkele kinderen en hun ouders hebben in het aflopen jaar in de bungalow van De Boeg behandeling gekregen van personeel van het Radboud UMC in het kader van een pilot die onderdeel is van «Betaalbaar Beter» (alliantie tussen Radboud UMC en zorgverzekeraar VGZ). Ook is het voorgekomen dat kinderen wijkverpleging ontvingen in De Boeg die geleverd werd door een kinderthuiszorgorganisatie. Daarmee is de bungalow van De Boeg dus een locatie waar de zorg geleverd wordt, die de eigen omgeving zoals thuis probeert na te bootsen. Ik volg deze ontwikkelingen met interesse.
Hoe kunt u het Kindergasthuis en soortgelijke initiatieven stimuleren? Ziet u bijvoorbeeld ruimte om dit soort initiatieven meer financiële zekerheid te bieden? Zo ja, op welke wijze? Hoeveel budget is er in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2019 voor gereserveerd?
Hoewel ik deze private logeer-initiatieven sympathiek vind, zie ik geen overheidsrol voor het bieden van meer financiële zekerheid ervoor. Ik kan me voorstellen dat zorgverzekeraars dit, binnen hun aanvullende verzekeringen, mogelijk interessant vinden. Sommige polissen van verzekeraars bieden nu al ruimte voor herstellingsoorden en zorghotels en ik vind dit initiatief daar aan verwant. Er is derhalve geen budget voor gereserveerd op de VWS begroting.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de begroting het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in oktober 2018?
Ja, dat kan.
Signalen dat het registratieproces van gediplomeerde jeugdhulpwerkers bij SKJ te traag is |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Krijgt u ook signalen dat de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) de registratie van gediplomeerde jeugdhulpwerkers, met name die van specifieke specialisaties, pas na 4 à 9 maanden voltooit?
SKJ geeft aan dat het grootste deel van de aanvragen binnen de termijn van 6 weken beoordeeld is.
Het SKJ heeft sinds de opening van de nieuwe kamer Jeugd- en gezinsprofessionals (op 1 januari 2018) duizenden aanvragen ontvangen van jeugdprofessionals voor registratie als jeugd- en gezinsprofessionals. De gemiddelde doorlooptijd van registratie tot jeugd- en gezinsprofessional, berekend op basis van beoordeelde registratieaanvragen in de periode 1 januari 2018 tot 1 oktober 2018, is 5 weken.
Volgens het registratiereglement van SKJ heeft de registratiecommissie 6 weken de tijd om een registratieaanvraag te beoordelen. Bij een niet complete registratieaanvraag heeft de professional 6 weken de tijd om een aanvulling aan te leveren. De registratiecommissie beslist vervolgens binnen 6 weken na ontvangst van de complete aanvraag. In enkele gevallen van een niet complete registratieaanvraag heeft het totale registratieproces maximaal 24 weken geduurd.
Verbaast het u ook dat deze signalen sterk afwijken van de in de jaarverslagen gerapporteerde gemiddelde doorlooptijden van het SKJ-registratieproces? Heeft u een verklaring voor deze discrepantie?
Professionals die werkzaamheden verrichten waarvoor een geregistreerde professional moet worden ingezet en die zich niet vóór 1 januari 2019 laten registreren, mogen deze werkzaamheden vanaf 1 januari 2019 niet meer verrichten. Dat de gemiddelde doorlooptijd van registratie tot jeugd- en gezinsprofessional op dit moment hoger ligt dan de gemiddelde doorlooptijden zoals opgenomen in het SKJ- jaarverslag van 2017 zie ik in het licht hiervan. De gemiddelde doorlooptijden lagen in 2017 rond de 5 à 6 dagen.
Ter bevordering van een zo soepel mogelijk registratieproces hebben professionals zich van 1 juli 2015 tot en met 31 december 2017 al kunnen vooraanmelden. Een grote groep van bijna negenduizend vooraangemelde professionals is reeds overgestapt naar de kamer Jeugd- en gezinsprofessionals en heeft de registratie als jeugd- en gezinsprofessional afgerond. Tevens heeft SKJ, om de spreiding over het jaar 2018 te stimuleren, jeugd- en gezinsprofessionals in vier groepen actief opgeroepen om zich te registreren.
Deelt u de mening dat, nu alle zorgprofessionals zich voor 1 januari 2019 geregistreerd moeten hebben, het van groot belang is dat het registratieproces eenvoudig is en snel verloopt, zodat de zorgprofessionals geregistreerd hun werk kunnen doen?
Vanaf 1 januari 2019 mogen niet-geregistreerde professionals niet meer worden ingezet voor werkzaamheden die op grond van de norm van de verantwoorde werktoedeling toebedeeld moeten worden aan een geregistreerde professional. Tot die datum mogen jeugd- en gezinsprofessionals die op 1 januari 2018 al in dienst waren nog worden ingezet zonder dat zij geregistreerd zijn. Op 1 oktober 2018 hebben bijna negentienduizend professionals de registratie als jeugd- en gezinsprofessional afgerond en er zijn op deze datum iets meer dan tweeduizend professionals die een aanvraag hebben ingediend. Ik deel met u dat het van groot belang is dat het registratieproces eenvoudig en snel verloopt. Het dient ook zorgvuldig te verlopen.
Klopt het dat jeugdhulpwerkers momenteel ongeregistreerd werken als gevolg van de trage doorlooptijd bij registraties? Zo ja, hoeveel van hen werken naar schatting ongeregistreerd? Zo nee, hoe verklaart u de signalen?
Zie antwoord vraag 3.
Welk effect heeft het traag verlopen van registratie op het realiseren van de doelstelling om iedere professional met minimaal een hbo-diploma voor 1 januari 2019 te registreren in het Kwaliteitsregister Jeugd?
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat de doorlooptijd van registratie tot jeugd- en gezinsprofessional een knelpunt is om te realiseren dat alle professionals die werkzaamheden verrichten waarvoor een geregistreerde professional moet worden ingezet, daadwerkelijk geregistreerd zijn vóór 1 januari 2019. Als de inzet van SKJ zoals beschreven bij het antwoord op vraag 2 om het registratieproces zo soepel mogelijk te laten verlopen niet voldoende is, zal ik hierover in gesprek gaan met het SKJ.
Welke risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp zijn er verbonden aan het ongeregistreerd uitvoeren van jeugdhulp? Wat gaat u doen om deze risico’s te voorkomen?
In de jeugdhulp is de inzet van geregistreerde en niet-geregistreerde professionals mogelijk. Aan de hand van cliënt gerelateerde parameters en professional gerelateerde parameters kan worden bepaald welke handeling, situatie, doelgroep, verantwoordelijkheid om de inzet van een geregistreerde of niet-geregistreerde professional vraagt. Dit staat beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd. De professionals die worden ingezet (niet-geregistreerd of geregistreerd) moeten altijd vakbekwame professionals zijn. Geregistreerde en niet-geregistreerde professionals moeten voldoende toegerust zijn voor de taak waarmee ze belast worden. Ze moeten beschikken over de
voor de werkzaamheden benodigde competenties, kennis en vaardigheden.
Is bekend of zorgprofessionals op dit moment afhaken doordat het registratieproces traag verloopt? Zo ja, deelt u de mening dat een soepele registratie essentieel is voor het behouden van voldoende zorgprofessionals in deze sector gezien de uitdagingen op de huidige arbeidsmarkt?
Nee, daar heb ik geen signalen over ontvangen.
Wat gaat u doen ter verbetering van het SKJ-registratieproces om te zorgen dat gediplomeerde jeugdhulpwerkers zonder belemmeringen geregistreerd hun werk kunnen doen?
Zie antwoord vraag 5.
Loverboypraktijken in jeugdinstellingen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Vermeende loverboypraktijken bij Hoenderloo Groep: PvdA ziet patroon»?1
Ja.
Herinnert u zich de Kamervragen aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over seksuele uitbuiting in een jeugdzorginstelling (ingezonden 22 augustus 2018, beantwoording uitgesteld)?
Ja. De antwoorden zijn op 3 oktober 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd2.
Sinds wanneer is de in het bericht genoemde persoon verdachte en waarom is de instelling waar hij werkte niet eerder van die verdenking op de hoogte gesteld?
In het voorjaar van 2018 is er aangifte gedaan tegen de verdachte. Uit contact met de instelling blijkt dat de politie juni 2018 de instelling heeft benaderd. De strafbare feiten waar de politie de verdachte van verdenkt dateren uit 2016 en 2017. Dat is twee jaar nadat de verdachte zijn werkzaamheden bij de instelling beëindigd heeft. Omdat de zaak nog onder de rechter is, kan ik over deze zaak geen verdere uitspraken over doen.
Hoe komt het dat er bij zowel de Hoenderloo Groep, de Heldringstichting in Zetten en de Lievenshove in Oosterhout blijkbaar sprake is van een onveilige situatie voor de bewoners?
De vraag of sprake is van onveilige situaties bij deze instellingen en wat hier de oorzaken van zijn, kan ik niet beantwoorden. Hiervoor is nader onderzoek nodig. In de beantwoording van de recente Kamervragen van de leden Kuiken en Van den Hul en van lid Hijink op 3 en 9 oktober 2018 over de veiligheidssituatie bij de Heldringstichting in Zetten, heb ik gemeld dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) samen met de Inspectie van het Onderwijs, de bestuurder van de Heldringstichting en de bestuurder van de school op het terrein, verzocht heeft om de signalen diepgravend te onderzoeken.3
De IGJ is in gesprek met het bestuur van Juzt over de huidige situatie bij Juzt, waaronder (de sluiting van) de locatie Lievenshove in Oosterhout. De inspectie monitort de komende periode samen met de gemeente de situatie bij Juzt om de veiligheid voor de jeugdigen te waarborgen.
Tot slot heeft de inspectie contact gezocht met Pluryn-De Hoenderloo Groep voor een reactie. Pluryn heeft aangegeven dat de betreffende persoon werkzaam bij hen is geweest. De strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, zou hij hebben gepleegd nadat hij bij Pluryn uit dienst was.
Welke instantie houdt toezicht op deze instellingen en wat waren de meest recente bevindingen ten aanzien van de problematiek van loverboys bij de genoemde en andere instellingen?
De IGJ houdt toezicht op deze instellingen. De inspectie heeft onderzoek gedaan bij de dertien jeugdhulpaanbieders waarvan bekend was dat die op dat moment gespecialiseerde hulp boden aan minderjarige meisjesslachtoffers van loverboys. Na ieder onderzoek schreef de inspectie een openbaar rapport, met daarin het oordeel op de getoetste verwachtingen. Deze afzonderlijke rapporten zijn gepubliceerd op de website van de inspectie (www.igj.nl).
De inspectie concludeerde dat de meeste van de dertien onderzochte jeugdhulpaanbieders kwalitatief goede gespecialiseerde hulp bieden aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys.
De inspectie concludeerde verder dat twee organisaties, waaronder de Hoenderloo Groep, zich verder moesten ontwikkelen om daadwerkelijk gespecialiseerde hulp te bieden en vroegen deze organisaties om een verbeterplan. De verbeterplannen zijn beoordeeld en later dit jaar worden deze twee organisaties opnieuw onderzocht om te beoordelen of de hulp voldoende is verbeterd.
Het overallrapport van de resultaten van het onderzoek naar de gespecialiseerde hulp aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys «De kwaliteit van de gespecialiseerde jeugdhulp aan slachtoffers van loverboys», is 29 maart 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd, voorzien van een beleidsreactie.4
Zijn u meer signalen bekend over loverboypraktijken met bewoners van jeugdinstellingen waarbij tot op het terrein van de instelling of zelfs met medeweten van het personeel sprake is van die praktijken? Zo ja, waar bestaan die signalen uit? Zo nee, is er elders sprake van dergelijke praktijken of kent u de signalen niet?
Er zijn mij – op de Heldringstichting en Pluryn- de Hoenderloo Groep na – geen actuele signalen bekend van loverboypraktijken bij jeugdhulpinstellingen.
Zoals ik in de hierboven vermelde antwoorden op de vragen naar aanleiding van de berichtgeving over de Heldringstichting heb aangegeven, is het bekend dat loverboys/mensenhandelaren gericht jongeren die in een instelling verblijven proberen te ronselen omdat zij veelal kwetsbaar zijn of omdat zij al slachtoffer waren van een loverboy.
Zijn de instrumenten die de commissie-Azough voor de aanpak van loverboys in jeugdzorginstellingen afdoende teneinde deze problematiek effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat gaat u doen teneinde hier verbetering in aan te brengen?
Op basis van deze incidenten kan ik niet de conclusie trekken dat de instrumenten van de Commissie Azough afdoende zijn of niet. Op basis van de stand van de wetenschap en de ervaringen vanuit de praktijk waaronder die van de gespecialiseerde landelijke instellingen (Fier en Sterk Huis) heeft Commissie Azough instrumenten opgesteld voor de jeugdhulpinstellingen. De mate van effectiviteit zal ook afhangen van in hoeverre de instellingen de instrumenten hebben ingebed in de dagelijkse werkzaamheden van medewerkers.
In november komen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de ministers van Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport met een programma voor de aanpak van mensenhandel waarin extra zal worden ingezet op het verbeteren van de veiligheid van jongeren in jeugdhulpinstellingen.
Bent u bereid naar aanleiding van de voorvallen met loverboys in jeugdinstellingen onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van deze problematiek binnen de jeugdinstellingen in Nederland? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer de resultaten daarvan verwachten? Zo nee, waarom niet?
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel geweld tegen kinderen rapporteert regulier over de aard en omvang van mensenhandel. Die rapportages gaan ook over slachtoffers die in jeugdinstellingen verblijven. Het is bekend dat de registratie van gevallen mensenhandel door zorginstellingen verbetering behoeft. In het programma aanpak mensenhandel dat in november 2018 verschijnt, zullen we hier nader op in gaan.
Het beëindigen van regionale inkoop jeugdzorg in Brabant |
|
René Peters (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 21 regiogemeenten in Brabant stoppen met het samen inkopen van ambulante jeugdhulp?1
Ja
Klopt het dat de aanleiding voor het beëindigen van de gezamenlijke inkoop gevonden moet worden in de oplopende tekorten in de jeugdzorg en het feit dat de gemeente Eindhoven budgetplafonds gaat invoeren? Zo ja, wat van vindt u hiervan?
De regio Zuidoost-Brabant bestaat uit 21 gemeenten. Sinds de invoering van de decentralisaties in 2015 is er in deze regio met vier inkooporganisaties gewerkt, waarbij voor de inkoop van jeugdbescherming/jeugdreclassering, JeugdzorgPlus, Spoedeisende zorg en Veilig Thuis regionaal wordt ingekocht. Vanaf 2017 is ook op de inkoop van bepaalde vormen van specialistische jeugdhulp door deze vier organisaties nauw samengewerkt.
In de raadsinformatiebrief van de gemeente Helmond van 5 september jl.2 – die naar alle 21 gemeenten is verzonden – en tijdens ambtelijk contact met de gemeente Eindhoven is aangeven dat het lastig is om met 21 gemeenten te komen tot eenduidige inkoopafspraken en -financiële- beheersmaatregelen. Voor de slagkracht en het sturend vermogen is geoordeeld dat het beter is om met twee inkoopregio’s verder te gaan voor taken die niet wettelijk in regionaal verband georganiseerd hoeven te worden. Jeugdbescherming, jeugdreclassering, Veilig Thuis, Spoedeisende zorg en JeugdzorgPlus blijven wel als één inkoopregio ingekocht.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat deze regiobrede inkoop versnipperd raakt? Zo nee, waarom niet?
Kinderen, gezinnen, jongeren, gemeenten en aanbieders zijn gebaat bij rust en orde rond regionale samenwerking. Om dit voor elkaar te krijgen, hebben we stabiele regio’s nodig die efficiënt samenwerken op regionaal en bovenregionaal niveau. Het ligt daarbij voor de hand dat regio’s eenzelfde samenstelling behouden.
De regio Zuidoost-Brabant heeft mij laten weten dat de continuïteit en bestaande kwaliteit van het jeugdhulpaanbod binnen de regio Zuidoost-Brabant voorop staat. Jeugdbescherming, jeugdreclassering, Veilig Thuis, Spoedeisende zorg en JeugdzorgPlus blijven als één inkoopregio ingekocht. Voor overige taken heeft deze regio besloten verder te gaan met twee inkoopregio’s, omdat in de afgelopen jaren gebleken is dat de regionale inkoop voor 21 gemeenten te groot was om zaken efficiënt op te pakken.
De ambassadeur van het programma Zorglandschap Jeugd van VNG/Rijk is betrokken geweest en heeft de betreffende gemeenten ondersteund bij het komen tot een oplossing. Ik volg als stelselverantwoordelijke deze ontwikkelingen en houd een «vinger aan de pols». In het geval de beschikbaarheid van jeugdhulp in het gedrang komt, zal ik die stappen zetten die nodig zijn om alsnog de beschikbaarheid te borgen.
Zou het wetsvoorstel in verband met het handhaven van de mogelijkheid om gemeenten tot samenwerking te verplichten (Wijziging van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Zorgverzekeringswet in verband met het handhaven van de mogelijkheid om gemeenten in uitzonderingsgevallen tot samenwerking te verplichten en in verband met het verminderen van uitvoeringslasten (34 857)) u in staat stellen om dergelijke regionale inkoop van ambulant jeugdzorg af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Het genoemde wetsvoorstelheeft als doel dat ik een stok achter de deur heb om in te grijpen als blijkt dat de continuïteit van zorg in het geding is als gevolg van gebrekkige regionale samenwerking. Op basis van de huidige informatie is dat vooralsnog niet aan de orde.
Bent u bereid om in overleg te gaan met de betrokken gemeenten om te bespreken wat nodig is om de gezamenlijke inkoop van ambulante jeugdzorg in stand te houden?
Ik heb me laten informeren over het voornemen van de regio en volg de ontwikkelingen nauwlettend. Op dit moment zie ik geen aanleiding om nader het gesprek aan te gaan. Ambtelijk is er contact geweest met de VNG en met hen is afgesproken dat het belangrijk is om goed te blijven volgen wat er gebeurt in deze regio.
De uitzending van Brandpunt+ over eenzame jongeren |
|
Attje Kuiken (PvdA), Rens Raemakers (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Brandpunt+ over eenzaamheid bij jongeren1 en het daarbij horende onderzoek «Bijna de helft van de Nederlandse jongeren zegt soms tot vaak eenzaam te zijn»?2
Ja
Klopt het dat bijna de helft van de jongeren zich soms of vaak eenzaam voelt?
Uit onderzoek blijkt dat 11–20% van de jongeren van 12–15 jaar aangeeft zich soms of regelmatig eenzaam te voelen. Van de jongeren/jongvolwassenen tussen 15–21 jaar geeft tot 70% aan zich soms of regelmatig eenzaam te voelen.
Klopt het dat 61% van de jongeren er niet altijd met leeftijdsgenoten over kunnen of durven praten? Erkent u dat eenzaamheid voor veel jongeren nog in de taboesfeer zit?
Ik heb geen reden om de peiling van Brandpunt+ op dit punt in twijfel te trekken. Ik ben mij ervan bewust dat eenzaamheid in veel gevallen nog een taboe is waar jongeren onderling maar moeilijk over praten. Dit terwijl chronische eenzaamheid de kans op fysieke en psychische gezondheidsproblemen, een ongezonde leefstijl en verminderde schoolprestaties vergroot.
In het programma «Eén tegen eenzaamheid» heb ik daarom aangegeven dat we eenzaamheid uit de taboesfeer willen halen en bespreekbaar maken.
Klopt het dat binnen het actieprogramma «Eén tegen eenzaamheid» geen specifieke acties gericht zijn op eenzaamheid onder jongeren?
Dit kabinet zet zich in voor een extra investering in het waardig ouder worden, op een wijze dat alle ouderen in Nederland het gaan merken. Het actieprogramma «Eén tegen eenzaamheid» is een van de drie actieprogramma’s binnen het pact voor de ouderenzorg. De focus op ouderen heeft een inhoudelijke reden: eenzaamheid onder ouderen vraagt om een specifieke aanpak. Ouderen hebben te maken met veel vormen van verlies: partner, familieleden, vrienden komen te overlijden. De gezondheid neemt af. Op straat komen in het verkeer wordt overweldigender. Eenzaamheid blijkt boven de 75+ snel toe te nemen. Om voor deze groep nog het verschil te maken, moeten we nu in actie komen. De publiekscampagne, de monitoring en de nationale coalitie richten zich daarom primair op ouderen.
Dat neemt niet weg dat eenzaamheid onder jongeren ook een maatschappelijk probleem is. Ik wens alle jongeren toe dat zij waardevolle contacten kunnen maken. Zoals ik hieronder aangeef in het antwoord op de vragen 8, 9 en 12 kunnen en zullen lokale initiatieven tegen eenzaamheid daarom breder zijn.
Klopt het dat jongeren in het actieprogramma «Eén tegen eenzaamheid» enkel als middel worden genoemd binnen de inzet om eenzaamheid onder ouderen aan te pakken?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom heeft u in het actieprogramma «Eén tegen eenzaamheid» geen aandacht voor eenzaamheid onder jongeren? Zit eenzaamheid onder jongeren ook voor dit kabinet nog in de taboesfeer?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken voor eenzaamheid onder jongeren? Wat ziet u als belangrijkste risico’s van eenzaamheid onder jongeren?
De oorzaken van eenzaamheid onder jongeren kunnen heel divers zijn. Volgens de heersende opvattingen kunnen er drie soorten oorzaken onderscheiden worden. Deze gelden overigens niet alleen voor jongeren, maar ook voor andere leeftijdsgroepen.
Allereerst kunnen omgevingsfactoren ervoor zorgen dat jongeren zich eenzaam voelen. Hierbij kan gedacht worden aan gebeurtenissen zoals ziekte of verhuizing, waardoor jongeren afgesloten raken van leeftijdsgenoten. Ook hun positie in de groep kan maken dat zij zich eenzaam voelen.
De tweede groep oorzaken heeft te maken met gebrek aan sociale vaardigheden en het vermogen van jongeren om aansluiting te vinden bij leeftijdsgenoten.
Ten derde zijn er jongeren die weliswaar volgens hun omgeving voldoende sociale contacten hebben, maar die zichzelf en hun omgeving negatief bekijken, en daardoor bijvoorbeeld de kwaliteit van hun vriendschappen negatief beoordelen.
Veel gevoelens van eenzaamheid zijn tijdelijk, zeker als die veroorzaakt worden door veranderingen in de sociale omgeving. Sommige jongeren, voor wie eenzaamheid gevolg is van een dieper liggend probleem, lopen risico op chronische eenzaamheid. Chronische eenzaamheid vergroot de kans op fysieke en psychische gezondheidsproblemen, een ongezonde leefstijl en verminderde schoolprestaties. Dit zie ik als belangrijke risico’s van eenzaamheid onder jongeren.
Op welke wijze zet u zich in om eenzaamheid onder jongeren uit de taboesfeer te halen? Op welke wijze zet u zich in om het probleem van eenzaamheid onder jongeren te verminderen?
Tegengaan van eenzaamheid onder jongeren begint bij het zorgen voor een veilige en stimulerende omgeving waarin zij kunnen opgroeien en zich ontwikkelen en zijzelf, hun ouders en andere betrokkenen problemen daarbij bespreekbaar kunnen maken.
In het kader van de Jeugdwet hebben gemeenten onder andere de opdracht om beleid te ontwikkelen inzake preventie en jeugdhulp, onder andere gericht op het voorkomen en de vroege signalering van en vroege interventie bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, en het versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang. Ook in de Jeugdgezondheidszorg is er aandacht voor mogelijke eenzaamheid onder kinderen en jongeren.
Het Veghelse project Join us uit de documentaire is een mooi voorbeeld van een gemeentelijk programma specifiek gericht op het tegengaan van eenzaamheid onder jongeren.
Ook andere aanpakken die gemeenten inzetten, op scholen en in de buurt, kunnen bijdragen aan het tegengaan van eenzaamheid bij kinderen en jongeren. Bijvoorbeeld via het themavignet Welbevinden uit de Gezonde School dat zich richt op sociaal-emotioneel welbevinden van leerlingen, of via programma’s en interventies voor specifieke doelgroepen zoals kinderen van ouders die gaan scheiden of kinderen van ouders met psychische problematiek, verslaving of een verstandelijke beperking. Ook laagdrempelige voorzieningen zoals het jongerenwerk kunnen jongeren ondersteunen en helpen hun leven op een positieve manier in te richten.
Ik ondersteun dit soort preventieve aanpakken door actief voorbeelden beschikbaar te stellen, samen met de VNG en/of de verschillende kennisinstituten (zoals NJi, NCJ, Trimbos) en door budget beschikbaar te stellen voor onderzoek naar de effectiviteit en overdraagbaarheid van interventies.
Op welke manier zet u zich in om jongeren meer handvaten te bieden om te leren omgaan met eenzaamheid?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u voornemens om ook voor eenzaamheid onder jongeren een actieprogramma op te stellen? Bent u voornemens om in het kader van de Week tegen eenzaamheid aandacht te vragen voor eenzaamheid onder jongeren?
Ik ben niet voornemens om ook voor eenzaamheid onder jongeren een actieprogramma op te stellen.
Tijdens de week tegen eenzaamheid zijn er activiteiten voor verschillende doelgroepen. Er is zeker ook aandacht voor eenzaamheid onder jongeren. Bijvoorbeeld in Venlo, waar jong volwassenen kunnen komen op om een laagdrempelige manier contact met elkaar te maken. Of in Amsterdam, waar jongeren met elkaar kunnen lunchen.
Welke rol spelen sociale media bij eenzaamheid onder jongeren? Ziet u sociale media vooral als onderdeel van het probleem of als onderdeel van de oplossing bij eenzaamheid onder jongeren?
Er zijn geen aanwijzingen dat sociale media eenzaamheid bij jongeren veroorzaken. Wel kunnen sociale media op individueel niveau invloed hebben op de door jongeren ervaren eenzaamheid. Zo blijkt uit onderzoek dat passief gebruik van sociale media gevoelens van eenzaamheid kan vergroten, terwijl actief posten op sociale media die gevoelens van eenzaamheid juist kan verminderen. Sociale media kunnen dus zowel het probleem van eenzaamheid versterken als een deel van een oplossing bieden.
Hoe vult u uw rol van stelselverantwoordelijke voor de jeugdzorg in ten aanzien van het probleem van eenzaamheid onder jongeren? Hoe kunt u de gemeentelijke inzet op eenzaamheid onder jongeren ondersteunen? Welke voorbeelden van gemeentelijke initiatieven om eenzaamheid onder jongeren beter bespreekbaar te maken en te adresseren ziet u als goede voorbeelden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kan een betere toegang tot jeugdzorg bijdragen aan het verminderen van eenzaamheid onder jongeren? Hoe kan een betere toegang tot de jeugdzorg jongeren helpen in het leren omgaan met eenzaamheid?
Het is het mooiste als jongeren thuis, op school en in de buurt actief vaardigheden verwerven om sociale relaties aan te gaan en zichzelf en de wereld positief te bekijken. Dat gun ik iedere jongere. Jeugdhulp is dan nog niet aan de orde. Wanneer de problemen groter zijn kan inzet van jeugdhulp een oplossing zijn, door de achterliggende problemen aan te pakken die ten grondslag liggen aan de eenzaamheid.
Ik vind het belangrijk dat die kinderen en jongeren die dat nodig hebben snel de hulp krijgen die ze nodig hebben. Een goed werkende toegang tot Jeugdhulp is daarvoor van groot belang. Daarom zijn in het programma Zorg voor de Jeugd acties opgenomen om de kwaliteit van de toegang tot de jeugdhulp voor kinderen en gezinnen te verbeteren. De jeugdigen moeten weten waar ze voor jeugdhulp terecht kunnen en tijdig passende hulp ontvangen.
In welke mate hebben jongeren die net 18 zijn geworden last van eenzaamheid? Op welke wijze kan verlengde jeugdzorg bijdragen aan het verminderen van eenzaamheid onder jongeren of jongeren helpen in het leren omgaan met eenzaamheid?
Er zijn mij geen cijfers bekend over de mate van eenzaamheid onder jongeren die net 18 jaar geworden zijn. In het algemeen is het wel zo dat eenzaamheid, weliswaar vaak tijdelijk, toeneemt op transitiemomenten zoals de transitie van basisschool naar middelbare school en de transitie van middelbare school naar vervolgopleiding. Daarom is het belangrijk dat eventuele veranderingen in de jeugdzorg in verband met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zorgvuldig begeleid worden. Daarbij hoort ook de afweging of het zinvol is om verlengde jeugdzorg in te zetten.
Verlengde jeugdhulp komt voor bij jongeren die voor hun 18e jaar al enige tijd in jeugdzorg zitten en bij wie het nodig is dat de hulp wordt voortgezet. Bij een deel van deze jongeren speelt dat zij niet altijd kunnen terugvallen op een sociaal vangnet en/of dat de band met de ouders niet goed is. Tegelijkertijd wordt van deze kwetsbare jongeren verwacht dat zij als meerderjarige heel veel dingen zelf gaan regelen (bv. keuze van een zorgverzekering, toeslagen aanvragen, op zoek naar een woning). Ik kan mij goed voorstellen dat jongeren dan weinig steun voelen. Hier ligt een belangrijke taak voor gemeenten en hulpverleners. Voor jongeren is het vooral van belang dat zij ondersteuning krijgen bij de praktische zaken op weg naar volwassenheid. Een oplossing hiervoor zit niet zozeer in toepassen van verlengde jeugdhulp maar in het opdoen van sociale contacten in dagbesteding of de praktische steun die jongeren vinden bij een coach of een mentor.
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk en in ieder geval voor het wetgevingsoverleg over het Begrotingsonderdeel Onderdeel Jeugd en aanverwante zaken van de begrotingen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid op 12 november 2018 informeren over de duiding van de forse toename van het aantal suïcides onder jongeren?
Ik verwijs u voor de beantwoording van deze vraag naar de Kamerbrief en de bijlage bij deze brief, over «Eerste duiding toename suïcides onder jongeren» (Kamerstuk 32 793, nr. 328), die de Staatssecretaris mede namens mij op 24 september jl. heeft aangeboden aan uw Kamer.
Klopt het dat minstens 3 procent en misschien wel 10 procent van de jongeren in de leeftijd van 12 tot 25 jaar zich langdurig eenzaam voelt?3 Ziet u een verband tussen eenzaamheid onder jongeren en de sterke stijging van zelfdodingen onder jongeren?
Suicide(-preventie) is een complex proces waarin tal van factoren een rol kunnen spelen. Jongeren die kampen met suïcidaliteit isoleren zich in dit proces vaak bewust of onbewust van hun naaste omgeving. Zij denken dat ze er niet meer bij horen of denken ten onrechte dat ze hun naasten tot last zijn. Het is van belang dit proces te herkennen en het isolement te doorbreken door de suïcidaliteit, liefst in de context van het gezin, bespreekbaar te maken.
Eind 2018 zal een breder, verdiepend onderzoek (oa. diepte-interviews) starten naar de specifieke context van de 81 jongeren die in 2017 suïcide gepleegd hebben. Dit kwalitatieve onderzoek zal zich zowel richten op het verkrijgen van inzicht in de individuele factoren als de organisatorische factoren. Ook zal er aandacht zijn voor belangrijke aspecten van wet- en regelgeving. In september 2019 zal de eerste beleidsrapportage met aanbevelingen worden aangeboden. De eindrapportage van het verdiepende onderzoek zal eind 2019 beschikbaar zijn, conform de toelichting in de eerste duiding die is opgeleverd door 113Zelfmoordpreventie.
Op welke wijze is bij het meerjarig project van Movisie, LHBTI-organisaties en 113 Zelfmoordpreventie aandacht voor uitsluiting van, en eenzaamheid, onder jongeren?4
Ik heb begrepen van experts dat LHBTI-jongeren kwetsbaarder zijn dan andere jongeren en dat dit met name zijn grondslag vindt in zogenaamde «minderheidstress». Het gaat om stress onder meer vanwege ervaringen met uitsluiting en discriminatie, de angst voor deze ervaringen, het verbergen van het LHBT-zijn en geïnternaliseerde homofobie, bi-fobie of transfobie. Die stress kan grote impact hebben op het welzijn en de gezondheid van jongeren. LHBTI-jongeren hebben daarom een kleinere kans om probleemloos op te groeien dan andere jongeren omdat ze tot een minderheidsgroep behoren die nog niet volledig geaccepteerd wordt.
Specifiek voor suïcidaal gedrag is bekend dat negatieve reacties van leeftijdsgenoten op school, in vergelijking met negatieve reacties van gezinsleden en vreemden, een belangrijke voorspeller zijn van suïcidaal gedrag onder LHBTI-jongeren. Ook de rol van ouders blijkt van belang: veel jongeren zijn bang voor de afwijzing door hun ouders vanwege hun LHBTI-zijn.
Het project steekt daarom in op het verspreiden van kennis ten behoeve van LHBTI-jongeren om suïcidaal gedrag te herkennen en te voorkomen. Daarnaast zal ingezet worden op het verspreiden van kennis en ervaringen van LHBTI-jongeren (filmportretten) onder ouders (met verschillend achtergronden) en de verbetering van kennis onder zorgprofessionals en leerkrachten over bejegening en herkennen van signalen.
Het bericht dat een school een blaastest invoert voor dronken leerlingen |
|
Peter Kwint , Henk van Gerven |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat vindt u ervan dat er steeds vaker dronken leerlingen in de klas zitten op een school in Asten-Someren en de school daarom een blaastest invoert voor dronken leerlingen?1
Ik vind het bericht verontrustend. Het spreekt me aan dat de school actief optreedt. Het inzetten van een vrijwillige blaastest kan daar onderdeel van uitmaken. Het gebruiken van een vrijwillige blaastest is de keuze van het schoolbestuur.
Zijn er bij u meer signalen bekend van scholen in het land waar leerlingen met een te hoog alcoholpromillage in de klas zitten? Zo ja, op hoeveel scholen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Mij hebben niet eerder signalen bereikt van leerlingen die onder invloed van alcohol in de klas zitten. Het alcoholgebruik onder jongeren wordt periodiek gemonitord. Nader onderzoek naar leerlingen onder invloed van alcohol op scholen heeft daarom weinig toegevoegde waarde en acht ik niet zinvol.
Op welke wijze(n) wordt vanuit de rijksoverheid voorlichting gegeven aan jongeren en hun ouders over alcoholgebruik en -misbruik en de gevolgen daarvan? Bent u van mening dat deze voorlichting voldoende is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De overheid wil jongeren tegen alcoholgebruik en -misbruik beschermen. Dit gebeurt via wetgeving en voorlichting. Als het om wetgeving gaat zijn jongeren onder de 18 jaar strafbaar bij het bezit van alcohol in het openbaar. Ook mag aan minderjarigen geen alcohol worden verkocht. Dit is niet anders in of rond een school. Daarnaast worden jongeren en hun ouders voorgelicht over de risico’s van alcohol met campagnes en voorlichting. De afgelopen jaren is via de NIX18 campagne van het Ministerie van VWS ingezet om bij jongeren en hun ouders een nieuwe norm rond alcohol te realiseren. Deze norm laat zien dat niet drinken en roken tot je 18e normaal is. De alom bekende Bob-campagne2, is er op gericht dat alcohol en verkeer niet samengaan. Het Trimbos-instituut verzorgt in opdracht van de overheid het schoolpreventieprogramma «De Gezonde School en Genotmiddelen» over roken, alcohol en drugs. Dit lesprogramma is gericht op voorlichting aan leerlingen in het basisonderwijs, voortgezet (speciaal) onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Naast voorlichting aan leerlingen is er aandacht voor een goed schoolbeleid, de rol van de ouders, signalering van problematisch alcoholgebruik en worden er preventielessen aangeboden door verschillende (verslavingszorg)instellingen. Deze aanpak op school maakt jongeren weerbaar op het gebied van alcohol, roken en drugs. Deze voorlichting en preventie werpen hun vruchten af. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat niet drinken voor 18 jaar de norm is.
Zijn de organisatoren van de genoemde bierfeesten en horecaondernemers in de betreffende gemeente al aangesproken op het feit dat ze blijkbaar ook alcohol schenken aan minderjarigen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het toezicht en de handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar bij de verkoop van alcohol is belegd bij gemeenten.Het is daarom aan gemeenten om organisatoren van bierfeesten en horecaondernemers hierop aan te spreken en handhavend op te treden op basis van signalen die zij krijgen.
Op welke wijze(n) gaat u ervoor zorgen dat er strenger toezicht gehouden gaat worden op feesten waar minderjarigen aanwezig zijn en waar alcohol geschonken wordt, aangezien dit blijkbaar nogal eens mis gaat?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie(s) gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat dit probleem wordt aangepakt en er niet meer gevallen van scholen met leerlingen in de klas met te veel alcohol op ontstaan?
Zoals aangegeven zijn er voor gemeenten en schoolbesturen middelen om dit aan te pakken. Ik ben daarbij uiteraard altijd bereid om met hen mee te denken als ik daar vanuit mijn verantwoordelijkheid iets kan betekenen.
Eind oktober beoog ik een nationaal preventieakkoord te ondertekenen met diverse partijen. Ik wil graag samen met partijen komen tot een ambitieuze aanpak om het problematisch alcoholgebruik te verminderen. Daarbij richt ik me ook op het tegengaan en verminderen van alcoholgebruik binnen school en studie. Dit moet onder andere voorkomen dat leerlingen onder schooltijd met alcohol op in de klas zitten. Ook ouders hebben een belangrijke rol bij het stellen van de sociale norm dat «niet drinken tot je 18e» normaal is, het weerbaarder maken van hun kinderen en het vroeg signaleren van problemen. De komende jaren zal ik mij blijven inzetten voor deze sociale norm door te investeren in de NIX18 campagne.
Het bericht ‘Drugshandel en pooiers: jongere niet veilig in jeugdzorg-instelling Heldring’ |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Kent u het bericht «Drugshandel en pooiers: jongere niet veilig in jeugdzorginstelling Heldring»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. Jongeren die gesloten geplaatst worden om te voorkomen dat zij zich aan de zorg onttrekken of onttrokken worden, verdienen een veilige woon- en leefomgeving. De berichten in de Gelderlander2 en in het AD3 zijn ernstig. Dergelijke signalen van oud-bewoners neem ik serieus en vragen om een nadere analyse.
Maakt u zich zorgen over de veiligheid van de in jeugdzorginstelling Heldring verblijvende jongeren nu deze zorgwekkende verhalen naar buiten komen? Zo ja, bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) opdracht te geven om onderzoek te laten doen naar de veiligheid van jongeren in jeugdzorginstelling Heldring? Zo ja, wanneer gaat dit onderzoek starten? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
Zoals ik bij het antwoord van vraag 1 heb aangegeven, neem ik de signalen serieus. Onderzoek zal moeten uitwijzen hoe het staat met de veiligheidsituatie van de jongeren die verblijven bij de OG Heldringstichting. In de antwoorden op de vragen van Kamerleden Kuiken en van den Hul4 heb ik aangegeven dat ik naar aanleiding van de berichten over de Heldringstichting contact heb gehad met de IGJ. De inspectie en de Heldringstichting hebben gezamenlijk afgesproken dat de Heldringstichting een diepgravende analyse van de veiligheidssituatie laat uitvoeren. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en de onafhankelijkheid van dit onderzoek. Op basis van dit onderzoek bepaalt de IGJ of en welke verdere vervolgstappen nodig zijn.
Deelt u de mening dat het essentieel is dat de werknemers van jeugdzorginstellingen voldoende tijd hebben voor contact met de jongeren en het uitvoeren van controles om zo onder andere de drugs buiten de deur van de jeugdzorginstelling te kunnen houden? Bent u van mening dat de werknemers daar momenteel voldoende mogelijkheden toe hebben, gezien de hoge werkdruk en de personeelstekorten in de jeugdzorg?
Ik onderschrijf uw stelling: ook ik vind het essentieel dat professionals in de jeugdhulp voldoende tijd hebben voor contact met de jongeren voor wie zij de dagelijkse zorg hebben. Het is primair de verantwoordelijkheid van de werkgevers in de jeugdhulp om ervoor te zorgen dat hun werknemers voldoende ruimte hebben om die zorg kwalitatief goed te kunnen verlenen. Professionals in de jeugdhulp geven echter aan dat zij een hoge werkdruk ervaren. Daarom hebben werkgevers en werknemers in de jeugdzorg in de cao 2017–2018 opgenomen dat werkgevers en ondernemingsraden in elke organisatie beleid en normen ontwikkelen en afspraken maken om de werkdruk aan te pakken. Als de oorzaken van een hoge werkdruk kunnen worden weggenomen door bijvoorbeeld onnodige regels te schrappen of regels te vereenvoudigen, zal dit ook bijdragen aan meer tijd voor de professionals voor het eigenlijke werk. Samen met onder andere gemeenten werk ik aan het verlagen van administratieve lasten. Voldoende personeel is een andere belangrijke voorwaarde. Op veel terreinen is momenteel sprake van krapte op de arbeidsmarkt. Om te beoordelen of dit ook geldt voor de jeugdhulp moet er eerst inzicht komen in de totale arbeidsmarktsituatie in de sector jeugdhulp in relatie tot de vraag. De arbeidsmarkt in het jeugddomein wordt momenteel door middel van een verkennend onderzoek in kaart gebracht.
Hoe kan het dat bij een (jeugdzorg)instelling als deze het niet lukt om de veiligheid van de daar verblijvende jongeren te waarborgen, dat moet toch de eerste prioriteit zijn? Hoe kan het bijvoorbeeld dat loverboys zo makkelijk het terrein op kunnen komen?
Het onafhankelijke onderzoek dat nu wordt uitgevoerd, zal inzicht moeten geven in de veiligheidssituatie van jongeren die verblijven bij de Heldringstichting en of en zo ja, hoe het kan dat loverboys het terrein op kunnen komen.
Zoals ik eerder aangaf in mijn antwoorden op de vragen van de leden Kuiken en van den Hul, weten we uit ervaringen met de werkwijzen van mensenhandelaren/loverboys dat het signaleren van deze problematiek heel moeilijk is. Mensenhandelaren zijn veelal gericht op zoek naar de meest kwetsbare jongeren en ronselen op plekken waar kwetsbare jongeren zijn, zoals op jeugdhulpinstellingen, maar ook op scholen en op het internet. De werkwijzen van de loverboys/mensenhandelaren zijn zo geraffineerd dat niet altijd direct duidelijk is of het gaat om een uitbuitingssituatie. Loverboys/mensenhandelaren doen er alles aan om contact op te nemen of te onderhouden met (potentiële) slachtoffers en om niet opgemerkt te worden. Professionals in instellingen moeten dus heel alert zijn.
Hoe kan het dat de IGJ tot op heden geen signalen over Heldring heeft opgepakt?
De inspectie heeft op verzoek van de voormalige Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 2017 onderzoek gedaan bij 13 jeugdhulpaanbieders die gespecialiseerde hulp bieden aan minderjarige (vermoedelijke) meisjesslachtoffers van loverboys. De IGJ oordeelde toen dat Heldringstichting in staat was om gespecialiseerde jeugdhulp te bieden aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys/ mensenhandel. In haar rapport benoemde de inspectie dat Heldringstichting alert moet blijven dat meisjes met vermoedens van loverboyproblematiek, die bij de Heldringstichting geplaatst worden, niet in aanraking kunnen komen met andere jeugdigen bij wie (mogelijk) sprake is van seksueel daderschap.
Verder zijn jeugdhulpaanbieders zoals de Heldringstichting wettelijk verplicht calamiteiten en geweld te melden. De inspectie of de jeugdhulpaanbieder zelf onderzoekt een dergelijke melding. De inspectie heeft in het afgelopen jaar enkele meldingen van de Heldringstichting ontvangen, die naar het weten van de inspectie niet te maken hebben met de strafzaak genoemd in het bericht in het AD. De instelling heeft na deze meldingen de benodigde verbetermaatregelen getroffen. Via het Landelijk Meldpunt Zorg is de afgelopen tijd één signaal binnengekomen over de Heldringstichting, dat niet direct gerelateerd was aan de kwaliteit van de hulp aan slachtoffers van loverboys, zo geeft de Inspectie aan.
Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om de veiligheid van de in Heldring verblijvende jongeren te garanderen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, laat de Heldringstichting de veiligheidssituatie in de instelling onafhankelijk onderzoeken, onder toezicht van de inspectie.
Een aanbesteding jeugdbescherming en de jeugdreclassering in Noord-Holland |
|
Attje Kuiken (PvdA), René Peters (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Jeugdbeschermers weigeren nieuwe contracten met 25 gemeenten in Noord-Holland»?1
Ja
Deelt ook u de zorgen over het feit dat er onvoldoende inschrijvingen zijn geweest om de jeugdbescherming en jeugdreclassering in de genoemde regio’s volledig te kunnen aanbesteden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In de 25 gemeenten in Noord-Holland is geen sprake van inkoop van jeugdbescherming via aanbesteding maar van het sluiten van raamovereenkomsten via een zogenaamde «open house» procedure. Een van de kenmerken van een openhouseprocedure is dat aanbieders in beginsel gedurende de hele looptijd van de raamovereenkomst toetreden en hun diensten aanbieden.
Er is dan ook geen sprake van een afgeronde procedure of een niet omkeerbare situatie. Het is dan ook niet juist om nu al conclusies te verbinden aan het feit dat bestaande instellingen nu nog niet zijn ingegaan op het aanbod van de betreffende gemeenten. Instellingen kunnen de komende periode op elk moment nog «instromen».
Wat betekent het feit dat er onvoldoende reacties zijn binnengekomen op de genoemde aanbesteding voor het aanbod van jeugdbescherming en jeugdreclassering in de genoemde regio’s vanaf 2019?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat ten gevolge van het feit dat gecertificeerde instellingen niet kunnen voldoen aan de eisen van een aanbesteding, de toekomst van die instellingen op het spel kan komen te staan en (gespecialiseerd) aanbod van jeugdbescherming definitief kan verdwijnen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat moet er gebeuren om te waarborgen dat er vanaf 2019 alsnog voldoende aanbod is van jeugdbescherming en jeugdreclassering in deze regio’s? Wat gaat u doen om de continuïteit te waarborgen?
De colleges van burgemeester en wethouders zijn conform de Jeugdwet verantwoordelijk voor de inkoop en uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Zij dienen ervoor te zorgen dat te allen tijde jeugdbescherming en jeugdreclassering in hun gemeente beschikbaar is. We hebben het vertrouwen dat gemeenten en instellingen gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen om de beschikbaarheid van jeugdbescherming en jeugdreclassering te waarborgen. De gemeenteraden zijn primair verantwoordelijk om de colleges hierop te controleren. De ambassadeur van het programma Zorglandschap Jeugd van VNG/Rijk ondersteunt de betreffende regio´s bij het komen tot een oplossing.
Wij volgen als stelselverantwoordelijke deze ontwikkelingen en houden «vinger aan de pols». In het geval dat de gemeenten en de instellingen er toch gezamenlijk niet uitkomen, waardoor de beschikbaarheid van jeugdbescherming en jeugdreclassering in het gedrang komt, zullen we die stappen zetten die nodig zijn om alsnog de beschikbaarheid te borgen.
We hebben begrepen dat de coördinerend wethouders in de week van 1 oktober overleg voeren met de bestuurders van de betrokken instellingen om tot een oplossing voor de beschikbaarheid van jeugdbescherming en – reclassering per 1 januari 2019 te komen.
Zijn u meer regio’s bekend waar de aanbesteding van jeugdbescherming en jeugdreclassering mislukt is? Zo ja, wat is de aard en de omvang van deze problematiek? En welke gevolgen heeft dat voor het aanbod van jeugdbescherming en jeugdreclassering per 2019? Zo nee, beschikt u dan wel over signalen die het noodzakelijk maken dit te onderzoeken?
Op dit moment zijn ons geen signalen bekend dat in regio’s sprake is van een mislukte aanbesteding. Wij hebben begrepen dat in de regio Limburg één van de bestaande gecertificeerde instellingen onder voorwaarden heeft ingeschreven in de aanbesteding. Ook hier is sprake van een nog lopende procedure. Uiteraard volgen we ook hier de ontwikkelingen en houden we «vinger aan de pols».
Waarom verkiest een deel van de gemeenten de aanbesteding van de jeugdbescherming en jeugdreclassering boven subsidiëring daarvan? In hoeverre levert subsidiëring meer waarborgen voor de continuïteit op?
Conform de Jeugdwet zijn gemeenten vrij te kiezen op welke wijze zij jeugdhulp en de uitvoering van de jeugdbescherming en de jeugdreclassering inkopen. In het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» is opgenomen dat het voor gemeenten mogelijk moet zijn om voor de inkoop van gecertificeerde jeugdinstellingen te kunnen kiezen voor een subsidierelatie. In het onderzoek dat is uitgevoerd door de RebelGroup, is expliciet geconcludeerd dat dit mogelijk is.2
Gemeenten kunnen diverse overwegingen hebben om al dan niet voor subsidiering te kiezen. De VNG heeft haar leden geadviseerd om bij de financiering van jeugdbescherming en jeugdreclassering te kiezen voor subsidiering omdat subsidiering al met al de beste waarborgen biedt voor continuïteit. 3 In dit advies wordt aangegeven dat bij subsidie meer ruimte is voor de vormgeving van de procedure en voor het opstellen van selectiecriteria en de weging van de selectiecriteria, dat bekostiging op basis van de kostprijs plaatsvindt en dat de transitielasten minder groot zijn voor partijen (omdat er al ervaring is met de mogelijkheid van subsidie). Om de stabiliteit van de beschikbaarheid van jeugdbescherming en jeugdreclassering te versterken heeft de VNG daarnaast geadviseerd om als regio’s af te stemmen over de te kiezen inkoopstrategie zodat de ene regio een andere regio niet negatief kan beïnvloeden. Tot slot dringt een uniforme wijze van financieren de administratieve lasten terug. De VNG heeft een ondersteuningsprogramma uitgevoerd, waaronder het opstellen van een model subsidieverordening.
Uit een monitor van de VNG blijkt dat nog niet alle gemeenten gebruikmaken van de subsidie mogelijkheid. Dit was bijvoorbeeld ook nog niet altijd mogelijk omdat gemeenten in een aantal gevallen meerjarige contracten hadden afgesloten. Sommige gemeenten kiezen echter – om hen moverende redenen – toch voor aanbesteding of voor raamovereenkomsten via een openhouseprocedure. De openhouseprocedure is bijvoorbeeld geschikt in het geval cliënten veel keuzevrijheid wordt en kan worden gegund. De VNG zal de komende periode bij de coördinerend wethouders en betrokken gemeenteambtenaren de voordelen van subsidie onder de aandacht brengen. In het najaar start de VNG een traject om gemeenten hierbij te faciliteren. Onderdeel hiervan is ook het stimuleren van meerjarige inkooprelaties en het vormgeven van een goede opdrachtgever-opdrachtnemer-relatie.4 Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ondersteunt dit traject financieel.
Deelt u de mening dat de bij de aanbesteding gestelde eis van tijdschrijven en op basis daarvan bekostigen, tegenstrijdig is aan het doel van het terugbrengen van de administratieve lasten? Zo ja, wat gaat u doen om er bij gemeenten op aan te dringen dat zij deze eisen niet langer gaan stellen? Zo nee, waarom niet?
Eén van de doelstellingen van de Jeugdwet is om ruimte te geven aan de professional. Een andere belangrijke doelstelling is om de administratieve lasten te verminderen. De gestelde eis van urenregistratie lijkt niet te passen bij deze doelstellingen. Wij zullen dit in onze gesprekken met de gemeenten onder de aandacht brengen. Overigens vinden we een zekere mate van verantwoording niet ongebruikelijk maar daarbij kunnen andere minder belastende methoden gebruikt worden dan tijdschrijven door gezinsvoogden.
Met het wetsvoorstel «Wijziging van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Zorgverzekeringswet in verband met het handhaven van de mogelijkheid om gemeenten in uitzonderingsgevallen tot samenwerking te verplichten en in verband met het verminderen van uitvoeringslasten» wordt verder een delegatiebepaling ingevoerd om uitvoeringslasten te verminderen. Bij ministeriële regeling worden nu regels gesteld om administratieve processen te standaardiseren. Met de VNG is de afspraak gemaakt dat alle gemeenten gebruikmaken van dezelfde sjablonen voor gegevensuitwisseling of verantwoording. Het betreffende wetsvoorstel is inmiddels aangemeld voor plenaire behandeling door de Tweede Kamer. Om de administratieve lasten verder terug te dringen, loopt er op dit moment een «schrapsessie» rond interne regels bij een grote jeugdhulpaanbieder.
Het Health Behaviour in School-aged Children-onderzoek; het rapport over het welzijn en de gezondheid van Nederlandse jongeren (11-16 jaar) |
|
Wim-Jan Renkema (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Deelt u onze zorgen over de (sterke) daling van het condoomgebruik onder jongeren, die zich daarmee kwetsbaar maken voor soa’s/hiv en ongewenste zwangerschap?1 Zo nee, waarom niet?
Jongeren blijken in toenemende mate goed in staat te zijn zich te beschermen tegen ongewenste zwangerschappen en gebruiken hiervoor diverse anticonceptiemethoden. Een belangrijke bron voor het HBSC-rapport is het nationale onderzoeksrapport Seks onder je 25ste. Uit dat onderzoek blijkt dat het condoomgebruik bij de eerste geslachtsgemeenschap niet is gedaald ten opzichte van 2012 en nog steeds relatief hoog is. Ook blijkt dat 7 op de 10 jongeren condooms gebruiken. Wel is het zorgelijk dat het gebruik van een condoom bij latere en losse seksuele contacten afneemt, waardoor overdracht van soa en hiv, en onbedoelde zwangerschappen mogelijk zijn.
Hoe duidt u het dat de kennis over seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) en condooms onder jongeren in Nederland een dalende trend laten zien?
Het is zorgelijk dat er onder jongeren een dalend besef is op het gelopen risico op een soa en dat het onderzoeksrapport Seks onder je 25ste aangeeft dat kennis over seksualiteit en voortplanting afneemt. Ik vind het daarom ook belangrijk hier wat aan te doen.
Kinderen en (jong) volwassenen dienen goed geïnformeerd te worden op het gebied van seksualiteit/seksuele vorming. Voor (jonge) kinderen is het daarbij nodig de aandacht ook te richten op thema’s als weerbaarheid, veiligheid en het respectvol leren omgaan met elkaar, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit in de samenleving en de leeftijd van de doelgroep. Het onderwijs speelt, naast uiteraard de ouders, een belangrijke rol bij de bevordering van seksueel gezond gedrag. Van belang is dat er zowel in het primair-, voortgezet-, speciaal- als middelbaar beroepsonderwijs blijvende aandacht is voor het onderwerp seksualiteit en seksuele vorming.
In het kader van de preventie en ondersteuning van onbedoelde (tiener) zwangerschappen heb ik u op 11 september jongstleden2 een zevenpuntenplan gestuurd. Daarin geef ik aan dat scholen op het gebied van seksuele gezondheid de beschikking hebben over een breed palet aan keuzemogelijkheden, onder andere via de Stichting School en Veiligheid (SSV), Rutgers, het Netwerk burgerschap MBO, Siriz en de Gezonde School. De afgelopen jaren is geïnvesteerd in de ontwikkeling van effectieve en goed onderbouwde interventies op het gebied van seksuele gezondheid (inclusief preventie onbedoelde zwangerschap), die te vinden zijn in het Loket Gezond Leven van het RIVM.
Voor een goede borging in het onderwijs zal een extra impuls behulpzaam zijn. Daarom wordt ten behoeve van structurele uitvoering van collectieve preventie een meerjarig stimuleringsbudget beschikbaar gesteld. Op basis van de bestaande infrastructuur zoals de stichting School en Veiligheid (SSV) en Gezonde School en op basis van de vraag van scholen, wordt ingezet op stappen, voortbouwend op bestaande initiatieven en activiteiten, die in het onderwijs nog gezet kunnen worden. Van belang is tevens om dit in de context van de curriculumherziening voor het funderend onderwijs te plaatsen. Hiervoor doen de Gezonde School en SSV gezamenlijk met de eerdergenoemde veldpartijen een voorstel in december 2018. Daarnaast wil ik door middel van een campagne diverse doelgroepen gaan informeren over bewust anticonceptiegebruik.
Wat vindt u ervan dat onderzoek ook aantoont dat het aantal soa-infecties onder jongeren niet afneemt, en onder bepaalde doelgroepen zelfs toeneemt?
Dat vind ik een zorgelijke ontwikkeling. Het illustreert de noodzaak om in het onderwijs op verschillende momenten kennis over seksualiteit en seksuele vorming te borgen. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 reeds aangaf wil ik een extra impuls geven in het onderwijs aan de bevordering van seksueel gezond gedrag. Dit punt zal hierin ook aandacht krijgen.
Deelt u de mening dat er maatregelen genomen moeten worden om het bewustzijn over veilig vrijen en het condoomgebruik omhoog te brengen? Bet u het ermee eens dat binnen de middelen die vrij worden gemaakt voor preventie van ongewenste zwangerschap het condoomgebruik onder jongeren een onderdeel en punt van aandacht moet worden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Op welke termijn kunnen we deze verwachten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat onderzoekers aangeven dat het verdwijnen van de Vrij Veilig Campagnes sinds 2011 een van de oorzaken is van het afnemende condoomgebruik?
Het is moeilijk om de effecten van de campagnes meetbaar te maken en daarom onduidelijk of hier een directe relatie bestaat, aannemelijk is dat herhaald attenderen op de noodzaak van condoomgebruik helpt om aan de inzet van condooms te denken. Zoals ik bij vraag 2 reeds heb aangegeven wil ik het in kader van de preventie en ondersteuning van onbedoelde zwangerschappen ook starten met een campagne. Echter, een dergelijke campagne is niet de enige interventie die hierbij een rol speelt. Ik zet ook in op bredere inzet van interventies die weerbaarheid vergroten en zoals ik reeds in antwoord 2 aangaf, wil ik daar in het onderwijs aandacht voor vragen.
Vindt u de terugkeer van een Vrij Veilig Campagne wenselijk, gezien de onderzoeksresultaten en de positieve resultaten van de campagne in het verleden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de campagne weer van start?
Zie antwoord vraag 6.
De negatieve gevolgen van uitzetting naar Armenië voor de PTSS-klachten van Howick en Lili |
|
Bram van Ojik (GL), Attje Kuiken (PvdA), Jasper van Dijk |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u van mening dat de PTSS-klachten van de kinderen Howick en Lili Hambartsjumian, en de invloed van hun uitzetting naar Armenië hierop, voldoende door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn onderzocht? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid de IND op te dragen dit alsnog (beter) te laten onderzoeken alvorens wordt overgegaan tot uitzetting van de kinderen?
Bovenstaande vragen zien uitdrukkelijk op individuele (medische) omstandigheden van beide kinderen. Zoals uw Kamer bekend is ga ik in openbare beantwoording van Kamervragen niet in op individuele en persoonlijke aspecten. Dit geldt temeer wanneer het bijzondere persoonsgegevens betreft, zoals medische gegevens.
Hoe beoordeelt u de conclusies van prof. dr. Erik J.A. Scherder dat het gescheiden uitzetten van de moeder van de kinderen heeft bijgedragen aan het verergeren van de PTSS-klachten van de kinderen, en dat deze PTSS-klachten hun vermogen zich aan te passen aan een nieuwe omgeving in negatieve zin beïnvloedt? Hoe reflecteert u op uw rol hierin?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van prof. dr. Erik J.A. Scherder dat Lili en Howick lijden aan een chronische PTSS, wat maakt dat het besluit om hen terug te sturen naar het land van herkomst, naar huidige wetenschappelijk inzichten, zonder verdere schade aan hun hersenen en daarmee aan hun functioneren nu en in de toekomst, op dit moment volstrekt onverantwoord is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe weegt u dit?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid tot het moment dat u deze vragen heeft beantwoord geen onomkeerbare stappen te zetten in de zaak van Howick en Lili? Zo nee, waarom niet?
Tot het moment van deze beantwoording zijn geen onomkeerbare stappen gezet.
Studenten met een hiv-besmetting die niet worden behandeld |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zorgen om tientallen onbehandelde hiv-patiënten onder internationale studenten»?1
Ja.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van het aantal internationale studenten met een hiv-besmetting dat niet wordt behandeld? Wat heeft u tot nu toe in dit kader ondernomen?
Ik ben niet op de hoogte van het aantal internationale studenten met een hiv-infectie dat niet wordt behandeld, omdat er geen registratie plaatsvindt. Uit het artikel van de NOS maak ik op dat het gaat om enkele tientallen per jaar en dat hiv-behandelaren de indruk hebben dat het aantal de laatste maanden toeneemt.
De Vereniging van hiv-behandelaren heeft op 25 april jl. tijdens een overleg over het HIV-plan 2017–2022 een aantal problemen en uitdagingen bij de behandeling van mensen met hiv aan de orde gesteld. Een van die problemen ging over het behandelen van mensen met hiv die niet verzekeringsplichtig zijn voor de Zorgverzekeringswet, waaronder de internationale studenten. Navraag bij het RIVM leerde dat er geen zicht is op hoe groot deze groepen zijn. Ik zal daarom onderzoek laten doen naar de omvang en aard van de problematiek om zicht te krijgen op het risico voor de volksgezondheid.
Wat vindt u ervan dat de in het bericht aangehaalde particuliere verzekeringen, hiv-behandelingen niet verzekeren als het virus buiten Nederland is opgelopen?
Het is niet ongebruikelijk dat verzekeringsmaatschappijen de vergoeding van bepaalde behandelingen uitsluiten. Het is de verantwoordelijkheid van de verzekeraars en de universiteiten om de internationale studenten goed voor te lichten over de reikwijdte van de aangeboden verzekeringen.
Hoe schat u het risico voor de volksgezondheid in?
Omdat er weinig zicht is op de omvang van het aantal mensen met hiv dat niet verzekeringsplichtig is voor de Zorgverzekeringswet, is het moeilijk het risico voor de volksgezondheid te schatten. Daarom zal ik onderzoek laten doen naar de omvang en aard van de problematiek. Op basis van een dergelijk onderzoek kan een inschatting gemaakt worden van de risico’s voor de volksgezondheid. Tevens kan dan bepaald worden of er aanvullende maatregelen nodig zijn.
Bent u betrokken bij de in het bericht aangehaalde gesprekken die momenteel lopen tussen verzekeraars, de Hiv Vereniging Nederland en universiteiten om tot een oplossing te komen? Zo ja, wat is uw standpunt in deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet bij deze gesprekken betrokken. Ik waardeer het dat de betrokken partijen gezamenlijk tot een oplossing proberen te komen.
Deelt u de mening dat u in het belang van de studenten en de volksgezondheid moet meewerken aan een oplossing voor studenten met een hiv-besmetting die niet worden behandeld? Zo ja, op welke wijze bent u betrokken? Zo nee, waarom niet?
Als deelname van het Ministerie van VWS aan de gesprekken tussen verzekeraars, de Hiv Vereniging Nederland en universiteiten een oplossing voor studenten met hiv dichterbij brengt, ben ik zeker bereid mee te werken. Om vanuit het oogpunt van de publieke gezondheid maatregelen te overwegen om de behandeling van mensen met hiv die niet verzekeringsplichtig zijn voor de Zorgverzekeringswet vanuit publieke middelen te vergoeden, is meer inzicht in aard en omvang van de problematiek noodzakelijk.
Seksuele uitbuiting in een jeugdzorginstelling |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Meisjes gesloten jeugdzorginstelling Zetten bleken niet veilig voor loverboys»?1
Ja.
In welke fase van het strafproces bevindt de in het bericht genoemde zaak zich?
De eerstvolgende pro-forma zitting in deze zaak staat gepland voor 8 oktober. Naar verwachting zal de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvinden in het voorjaar van 2019. De twee hoofdverdachten zitten in voorlopige hechtenis.
Deelt u de mening dat zeker meisjes in jeugdzorginstellingen vanwege hun kwetsbare positie beschermd zouden moeten worden tegen seksuele uitbuiting door loverboys? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Het is bekend dat de ronselmethoden van loverboys/mensenhandelaren vaak gerelateerd zijn aan misbruik van een kwetsbare psychische, economische dan wel sociale positie van het slachtoffer. Dat vraagt extra alertheid op de risico’s op (seksuele) uitbuiting.
In sommige gevallen betekent dit ook dat beschermende maatregelen nodig zijn en worden meisjes in een gesloten instelling geplaatst.
Zijn u meer signalen bekend over meisjes in jeugdzorginstellingen die slachtoffer zijn of dreigden te worden van seksuele uitbuiting? Zo ja, waar bestaan die signalen uit en wat heeft u daar mee gedaan?
Jongeren die in een instelling verblijven zijn veelal kwetsbaar en lopen het risico om slachtoffer te worden van seksuele uitbuiting. Daarom heeft de Commissie Azough in opdracht van Jeugdzorg Nederland en met ondersteuning van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), in 2015 en 2016 instrumenten ontwikkeld op basis van een actieplan om te komen tot betere signalering van situaties waarin sprake is van een risico op seksuele uitbuiting en tot betere behandeling van slachtoffers.
Voor jeugdhulpinstellingen zijn verschillende instrumenten ontwikkeld en deze zijn in 2017 door het landelijk kennisnetwerk LVB en GGZ-Nederland met financiële steun van het Ministerie van VWS tevens toepasbaar gemaakt voor de instellingen die jeugdigen opvangen met LVB problematiek en/of psychische problemen.
Eind van dit jaar komen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de ministers van Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport met een plan van aanpak mensenhandel waarin extra zal worden ingezet op het nog beter signaleren van en handelen bij deze problematiek.
Deelt u de mening dat, aangezien dergelijke meisjes aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, op die overheid een zware verantwoordelijkheid rust om deze meisjes te beschermen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bescherming wordt verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Meisjes die gesloten geplaatst worden om te voorkomen dat zij zich aan de zorg onttrekken of onttrokken worden, verdienen een veilige woon- en leefomgeving. De instellingen waar deze meisjes verblijven zijn daarvoor verantwoordelijk en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet vervolgens toe op de kwaliteit van de instellingen voor gesloten jeugdhulp inclusief of sprake is van een veilig woon en leefklimaat.
Naar aanleiding van de door u aangehaalde berichtgeving heeft de Minister van VWS contact gehad met de IGJ over de veiligheidssituatie bij de jeugdhulpinstelling in Zetten, de Heldringstichting. De inspectie heeft samen met de Inspectie van het Onderwijs, de bestuurder van de Heldringstichting en de bestuurder van de school op het terrein, verzocht om de signalen diepgravend te onderzoeken. De inspecties willen geïnformeerd worden over de feiten en eventuele tekortkomingen in de hulp aan zowel de betreffende jeugdigen genoemd in bovengenoemde berichtgeving, als de andere jeugdigen die verblijven binnen de instelling.
De Heldringstichting heeft vervolgens het initiatief genomen voor een onafhankelijk onderzoek. De inspectie ziet toe op de onafhankelijkheid van de onderzoekscommissie en stelt eisen aan het onderzoek zoals een volledig feitenrelaas en diepgaande analyse. Op basis van dit onderzoek zullen de inspecties beoordelen of en welke verdere vervolgstappen nodig zijn.
De Commissie Azough heeft daarnaast een specifieke handreiking ontwikkeld voor het contact tussen jeugdhulpinstellingen en de politie. We zien dat er in regio’s overlegtafels zijn waar politie en zorg casuïstiek bespreken. Dit moet op grotere schaal van de grond komen. Hieraan zal in het plan van aanpak mensenhandel aandacht worden besteed.
Wat is de waarde van de rapportage van de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd over loverboy-problematiek als een instelling daarin vrijwel perfect scoort ten aanzien van preventie en hulpaanbod en er toch sprake is van seksuele uitbuiting? Acht u het mogelijk dat het beoordelingskader dat de Inspectie toepast tekortschiet? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om dat te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op basis van de berichtgeving op dit moment geen reden om te twijfelen aan het toetsingskader of de wijze waarop de inspectie het toezicht heeft uitgevoerd.
Het onderzoek dat de Heldringstichting op verzoek van de inspecties uitvoert, zal moeten uitwijzen wat er gebeurd is. De inspectie zal op basis van het onderzoek kritisch reflecteren op het toetsingskader en het gebruik daarvan bij haar onderzoek onder instellingen met gespecialiseerde hulp aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys van december 2017.
De inspectie voerde het toezicht bij de jeugdhulpaanbieders uit aan de hand van haar toetsingskader Verantwoorde Hulp voor Jeugd. 2 Bij de beoordeling van de kwaliteit van de geboden hulp maakte de inspectie tevens gebruik van de kernelementen uit het Kwaliteitskader van de commissie Azough 3, waarin specifieke kwaliteitseisen voor de gespecialiseerde jeugdhulp aan slachtoffers van loverboys zijn uitgewerkt, zoals de samenwerking met de politie.
Het beleid van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bij inspecties bij thuiszorginstellingen |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat mensen die afhankelijk zijn van ondersteuning thuis, altijd moeten kunnen rekenen op goede en veilige ondersteuning?
Ja.
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in het licht van de bevindingen van de Consumentenbond voldoende interventiemogelijkheden met het huidige handhavingsinstrumentarium? Klopt het dat de IGJ na het vaststellen van tekortkomingen, sommige thuiszorgorganisaties heeft overgedragen aan een andere afdeling? Wat is daarvan de reden? Hebben deze afdelingen dezelfde tekortkomingen geconstateerd? Wat is daarna gebeurd?1
De werkwijze van de IGJ is als volgt: De IGJ heeft een team van experts dat het toezicht op de nieuwe en op de relatief onbekende zorgaanbieders uitvoert. Dit team toetst de zorgaanbieder op vijftien randvoorwaarden voor veilige en goede zorg. De inspecteurs stellen vervolgens een bezoekrapport op. Hierin staat in welke mate de zorgaanbieder voldoet aan de vijftien onderwerpen. Als blijkt dat hij niet (volledig) aan alle randvoorwaarden voldoet, moet hij binnen zes weken verbetermaatregelen treffen en deze beschrijven. De inspecteurs beoordelen deze en stellen op basis hiervan een hertoetsrapport op. Voldoet de zorgaanbieder daarna nog niet aan de vijftien onderwerpen, dan volgt overdracht aan het reguliere risico gestuurde toezicht. Deze afdeling voert vervolgtoezicht uit bij de organisaties die nog niet aan de normen voldoen. Als er ernstige risico’s zijn, pakt de IGJ deze met spoed op. Bij een zorgaanbieder die niet in staat is of niet bereid is om de zorg te verbeteren, kan de IGJ een zwaardere maatregel nemen. De IGJ heeft voldoende mogelijkheden om in te grijpen wanneer zij tekortkomingen constateert. Zoals ik in mijn brief van 26 juni 2018 toelichtte3, maakt de IGJ altijd een afweging met welk instrument zij de benodigde verandering het best kan realiseren.
Dat de IGJ meer op de thuiszorg focust in haar toezicht wordt onderbouwd doordat deze sector in afgelopen jaren een grote ontwikkeling doormaakte, met veel nieuwe toetreders en organisatievormen. Zulke ingrijpende veranderingen gaan vaak gepaard met risico’s voor de kwaliteit van zorg. Het is goed dat de IGJ inspeelt op deze ontwikkelingen. Dit is een al langer bestaande wens en het artikel heeft de IGJ in deze wens bevestigd.
Is de ambitie die de IGJ heeft aangegeven, namelijk om een aparte risico-afdeling voor thuiszorg in te willen stellen, naar aanleiding van dit nieuwsbericht ontstaan of is deze ambitie al langer een wens en een concreet voornemen? Is voor het oprichten en bemensen van deze aparte risico-afdeling voldoende budget en mankracht beschikbaar?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welk criterium door de IGJ wordt gehanteerd om vast te stellen of sprake is van ernstige risico’s voor de cliënten en wanneer wordt besloten om al dan niet in te grijpen? Worden alle 15 voorwaarden door de IGJ op dezelfde manier meegenomen in het toezicht?
De mate waarin de 15 voorwaarden direct risico’s opleveren voor de geleverde patiëntenzorg is context afhankelijk. Zaken die directe patiëntenzorg betreffen wegen zwaarder dan bijvoorbeeld het in orde hebben van de medezeggenschap. Maar de zorgaanbieders moeten aan alle voorwaarden voldoen en pas wanneer de IGJ voldoende vertrouwen heeft dat de zorgaanbieder voldoet sluit de inspectie het toezichttraject af.
Waarom hoeven niet alle zorginstellingen aan de 15 voorwaarden te voldoen?
Alle zorgaanbieders moeten aan de wettelijke vereisten en veldnormen voldoen, zo ook deze aanbieders. De 15 voorwaarden zijn daaruit afgeleid. Alleen wanneer een bepaalde voorwaarde niet van toepassing is, wordt die niet getoetst. Bijvoorbeeld wanneer een zorgaanbieder geen voorbehouden handelingen uitvoert.
Hoe past het beoordelen van zorgaanbieders op 15 criteria bij de nieuwe manier van toezicht en handhaving door de IGJ?
De IGJ gaat uit van «gezond vertrouwen»: de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg ligt bij zorgaanbieder zelf. De IGJ stimuleert het lerend vermogen van de zorgaanbieder. Niet voldoen aan de randvoorwaarden voor veilige en goede zorg is een risico, maar aanbieders krijgen van de IGJ ook de kans te verbeteren. Als de IGJ geen vertrouwen (meer) heeft dat de zorgaanbieder zelf kan verbeteren dan krijgt die zorgaanbieder prioriteit in het risicotoezicht en volgen zo nodig handhavingsmaatregelen.
Hoe controleert de IGJ op welke wijze de thuiszorginstelling zelf geleerd heeft van de tekortkomingen? Wordt deze voortgang door de IGJ gerapporteerd? Zo ja, kunt u dit inzichtelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Na het initiële bezoek aan de nieuwe of onbekende zorgaanbieder rapporteert de zorgaanbieder aan de IGJ over haar verbeteractiviteiten. Deze informatie leidt tot een nieuwe beoordeling van de normen. Die beoordeling wordt in het hertoetsrapport opgenomen en op de IGJ website gepubliceerd. Het hertoetsrapport en de door de zorgaanbieder aangeleverde informatie gebruikt de IGJ wanneer zij haar risicogestuurde toezicht bij de zorgaanbieder vormgeeft. De bezoeken vanuit het risicogestuurde toezicht zijn diepgaander en bevatten meer zorginhoudelijke normen. De rapporten met de resultaten van deze bezoeken staan op de website van de IGJ. Het betreft hier nog lopende toezichttrajecten, waarvan doorlopend nieuwe rapportages op de IGJ-website verschijnen.
De IGJ start eind dit jaar met een uitgebreider toezichtstraject bij nieuwe zorginstellingen om in detail duidelijk te krijgen «hoe de zorg er echt uitziet» en waar het mis gaat; vindt de uitbreiding van dit toezichtstraject alleen bij de thuiszorg plaats of breder in de ouderenzorg? Wat is de aanleiding om eind dit jaar te starten met een uitgebreider toezichtstraject?
De IGJ gaat dit jaar en komende jaren meer toezicht houden op de thuiszorg omdat deze sector de afgelopen jaren een grote ontwikkeling doormaakte met veel nieuwe toetreders en organisatievormen. Zulke ingrijpende veranderingen gaan vaak gepaard met risico’s voor de kwaliteit van zorg, vandaar dat de IGJ hier meer aandacht aan gaat besteden.
Uit de tabel van de Consumentenbond blijkt dat de in het onderzoek betrokken zorgaanbieders onderling erg variëren in het aantal cliënten waarvoor zij (zouden moeten) zorgen: kunt u aangeven hoeveel van deze zorgaanbieders gecontracteerde zorg leveren en hoeveel aanbieders ongecontracteerde zorg leveren?
Van de 50 zorgaanbieders uit het onderzoek waren in 2017 drie zorgaanbieders gecontracteerd door één zorgverzekeraar en twee zorgaanbieders gecontracteerd door meerdere zorgverzekeraars, zo blijkt uit een analyse die ik Vektis heb laten uitvoeren. Voor de vijf zorgaanbieders met een contract in 2017 geldt dat vier daarvan bij de herbeoordeling door de inspectie een voldoende oordeel kregen. Over 2018 kan Vektis geen uitspraak doen omdat daarover geen gegevens in de databank beschikbaar zijn.
Kunt u aangeven hoeveel van deze 50 zorgaanbieders cliënten hebben die hun zorg zelf inkopen middels het persoonsgebonden budget? Om hoeveel cliënten gaat het? Op welke wijze zijn deze cliënten door de IGJ gewezen op de geconstateerde tekortkomingen?
Van deze 50 hebben 28 zorgaanbieders cliënten die zorg inkopen via het persoonsgebonden budget. Het is mij niet bekend om hoeveel cliënten het in totaal gaat.
De IGJ publiceert haar bevindingen in een rapport dat via haar website voor een ieder en daarmee ook cliënten inzichtelijk is. Cliënten van zorgorganisaties waar tekortkomingen worden gesignaleerd worden niet actief door de IGJ geïnformeerd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat signalen over het achterblijven van verbetering bij thuiszorgorganisaties ook opgepakt worden als de Consumentenbond of een andere organisatie niet aan de bel trekt?
Het is belangrijk dat, wanneer mensen signalen hebben over risico’s bij een zorgaanbieder, zij deze signalen doorgeven aan het Landelijk Meldpunt Zorg zodat de IGJ die signalen kan meewegen voor welke vorm van (vervolg) toezicht nodig is. Dat geldt in algemene zin en ook voor signalen over de thuiszorg.
Het bericht dat tabaksfabrikanten festivaljongeren voor zich blijven winnen |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat ondanks kritiek, tabaksfabrikanten festivaljongeren voor zich blijven winnen?1
Ja.
Is het waar dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de hoogte is van de genoemde schending van de sponsoringsregels, maar niet ingrijpt wegens andere prioriteiten? Zo ja, wat maakt die andere prioriteiten van groter belang dan de gezondheid van jongeren?
De Tabaks- en rookwarenwet verbiedt reclame en sponsoring voor tabaksproducten en aanverwante producten. Vorig jaar heeft de NVWA onderzoek gedaan naar reclame en sponsoring bij studentenverenigingen. De NVWA stuitte daarbij op verboden contracten en deelde 9 boetes uit. Op dit moment doet de NVWA onderzoek naar reclame en sponsoring op festivals. De NVWA beoordeelt per geval of er sprake is van verboden sponsoring of reclame en neemt maatregelen als blijkt dat het verbod op reclame en sponsoring wordt overtreden.
Handhaving van het verbod op reclame en sponsoring bij studentenverenigingen, op festivals of in andere risicovolle settings past al binnen de prioriteiten van de NVWA. In het jaarplan voor 2018 is namelijk opgenomen dat de NVWA prioriteit zal geven aan het toezicht op verboden reclame en sponsoring voor tabak2. Ik zal op deze handhavingsactiviteiten terugkomen in mijn jaarlijkse brief met handhavingscijfers.
Bent u bereid een verkoopverbod voor sigaretten te overwegen tijdens festivals die met name door jongeren bezocht worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De NVWA constateert dat naleving van het rookverbod bij evenementen aandacht behoeft. Steeds meer evenementen besluiten zelf om geen sigaretten meer te verkopen. Het staken van de verkoop van tabaksproducten kan voor evenementen één van de maatregelen zijn waarmee zij zelf de naleving kunnen verbeteren. Ik wil verkennen met de sector of zij bereid zijn om vrijwillig af te zien van de
verkoop van sigaretten, met name als het om festivals gaat waar kinderen onder de 18 jaar komen. Een verkoopverbod voor tabaksproducten of aanverwante producten bij evenementen is op dit moment niet aan de orde.
Bent u bereid de NVWA op te dragen alsnog handhavend op te treden op grond van de geconstateerde overtredingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de geconstateerde sponsoring zich tot het EU-reclameverbod op tabak tijdens grote evenementen?
In de Tabaks- en rookwarenwet is een reclame- en sponsoringverbod opgenomen, deels gebaseerd op de Europese richtlijn 2003/33/EG. Reclame en sponsoring van tabaksproducten is in Nederland sinds 7 november 2002 grotendeels verboden. Reclame is onder voorwaarden bijvoorbeeld toegestaan in tabaksspeciaalzaken. Op grote evenementen is noch reclame noch sponsoring toegestaan.
Het bericht ‘Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid komt opnieuw miljoenen tekort’ |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid komt opnieuw miljoenen tekort?1
Ik heb kennis genomen van het nieuwsbericht. Ik heb regelmatig overleg met de VNG en gemeenten over de jeugdhulp. Hieruit voortvloeiend is, parallel aan de ondertekening van het IBP, onder meer de afspraak gemaakt om te komen tot een voorziening voor tekortgemeenten, in het nieuwsbericht aangeduid met de term stroppenpot. Ik heb uw Kamer hier over geïnformeerd in de brief «financiën sociaal domein» (Kamerstuk 34 477, nr. 37).
Kunt u een overzicht geven van de criteria die worden gehanteerd bij het besluit of een gemeente al dan niet in aanmerking komt voor de extra beschikbare middelen (de «stroppenpot»)?
De criteria voor de verdeling van de voorziening voor tekortgemeenten (door de VNG omgedoopt tot Fonds Tekortgemeenten) zijn door de VNG, in samenspraak met gemeenten, opgesteld. In de Algemene Ledenvergadering (ALV) van 27 juni 2018 is door gemeenten ingestemd met zowel de criteria, het instellen van een onafhankelijke commissie ter beoordeling van de aanvragen als met een bijdrage van € 100 miljoen vanuit het gemeentefonds ter vulling van de voorziening.
Vanuit het Rijk was eerder al € 100 miljoen beschikbaar gesteld.
In de bijlage2 treft u de criteria voor het Fonds Tekortgemeenten aan. Belangrijkste criteria zijn:
Waarom komt Zuid-Holland Zuid ondanks de (opnieuw) fikse tekorten op de jeugdzorg niet in aanmerking voor de extra beschikbare budgetten voor gemeenten die in de problemen zitten?
Het indienen van een aanvraag voor het Fonds Tekortgemeenten kan nog tot en met 15 september 2018. De VNG streeft er naar om gemeenten (informeel) in november uitsluitsel te geven of zij al dan niet in aanmerking komen voor compensatie.
De gemeenten in de regio Zuid-Holland Zuid kunnen dan ook nog steeds een aanvraag indienen voor het Fonds Tekortgemeenten. Ik maak uit het artikel op dat de gemeenten in Zuid-Holland Zuid al een analyse hebben gemaakt en geen aanvraag zullen gaan indienen, omdat zij niet voldoen aan de criteria.
Hoeveel gemeenten met tekorten op de jeugdzorg hebben reeds gebruik gemaakt van de extra beschikbare middelen?
Er zijn nog geen gemeenten die compensatie hebben ontvangen vanuit het Fonds Tekortgemeenten. Tot 15 september kunnen aanvragen worden ingediend. Bij decembercirculaire 2018 is pas definitief bekend welke gemeenten compensatie ontvangen.
Bij hoeveel gemeenten die een aanvraag hebben gedaan voor de extra beschikbare middelen, is de aanvraag afgewezen? Kunt u een overzicht geven van de redenen die er waren voor het afwijzen van die aanvragen?
Zie ook het antwoord op vraag 4. Sinds kort kunnen gemeenten een aanvraag voor het Fonds Tekortgemeenten indienen. Sluitingsdatum is 15 september.
In deze fase zijn er dus nog geen aanvragen goedgekeurd of afgewezen.
Deelt u de mening van wethouder De Witte dat «de criteria voor de verdeling van die pot niet kloppen»? Zo ja, wat gaat u daar aan doen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De criteria voor het Fonds Tekortgemeenten zijn door gemeenten opgesteld. In de ALV van 27 juni 2018 heeft 82,15% van de gemeenten voor de inrichting (incl. criteria) van het Fonds Tekortgemeenten gestemd.