Antwoorden op vragen inzake de berichten ‘Tekorten aan jeugdzorgers steeds nijpender’ en ‘Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: ‘Zo gaat het kapot’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() ![]() |
Welke rol heeft naar uw mening het Rijk bij de aanpak van knelpunten waarvoor u een gezamenlijke verantwoordelijkheid ziet van de sector, van werkgevers, werknemers, gemeenten, brancheorganisaties en vakbonden?1 Hoe kunt u de aanpak verder bespoedigen?
Ik neem in samenwerking met het veld actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Een gezamenlijke aanpak, gericht op zowel het behoud van personeel als ook het vergroten van de instroom. Het aanpakken van de knelpunten op de arbeidsmarkt jeugdzorg bereiken we alleen als betrokken partijen daarbij samenwerken en hun verantwoordelijkheid nemen. Onder andere via het programma «Zorg voor de Jeugd» nemen we in samenwerking met gemeenten, aanbieders, vakbonden en beroepsorganisaties acties om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Voorbeelden hiervan zijn het opbouwen van een samenwerkingsplatform vakmanschap jeugdprofessionals, de inrichting van een lerend netwerk van en voor professionals en het nemen van acties om de regeldruk voor professionals te verlagen in de jeugdzorg.
VWS en JenV hebben hierbij een stimulerende en faciliterende rol. Daarnaast investeert VWS in het werven en behoud van personeel, ook in de jeugdzorg, via het actieprogramma «Werken in de Zorg». Ook heeft VWS voor de uitvoering van projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp een financiële bijdrage van € 2,4 miljoen (tot eind 2022) beschikbaar gesteld.
Bent u het ermee eens dat de krappe arbeidsmarkt en de blijvende daling van het aantal medewerkers, laat zien dat de aanpak in het actieplan «Zorg voor de Jeugd» tot nu toe onvoldoende resultaat heeft? Welke concrete resultaten verwacht u van het aanvullende bedrag van 2,4 miljoen (tot eind 2022) voor de Arbeidsmarkttafel Jeugd?
De aanpak uit o.a. het programma «Zorg voor de Jeugd» laat zien dat we gezamenlijk maatregelen nemen die bijdragen aan het vakmanschap van professionals, het terugdringen van administratieve lasten bij zorgaanbieders en professionals en het bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt.
Zoals aangegeven in de beantwoording van uw Kamervragen van 6 oktober j.l. over genoemde artikelen, is het belangrijk dat mensen kiezen om in de jeugdzorg te werken en we zien dat dat nog steeds in grote aantallen gebeurt. Tegelijkertijd is het zorgelijk dat de instroom in het eerste kwartaal van 2020 lager is in vergelijking met het eerste kwartaal van 2019. Onbekend is of de COVID19-pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020.
Jeugdzorg Nederland, FNV en CNV, werken met ondersteuning van VWS en JenV, aan projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp die samen met werkgevers en professionals worden uitgevoerd. Dat doen we door goede ideeën en praktijken in de branche op te halen, te versterken en te delen met anderen. Een van de projecten is gericht op het thema inwerken en begeleiden van nieuwe medewerkers.
In dit project ligt de focus op drie manieren van inwerken en begeleiden die aantoonbaar werken in de praktijk. De werkzame inzichten worden breed gedeeld in de jeugdsector en werkgevers zullen gefaciliteerd worden om de inzichten concreet toe te passen. Ook voor de andere projecten werken we gezamenlijk toe naar het opleveren van concrete producten en resultaten. Begin 2021 volgen mogelijk nog voorstellen voor nieuwe projecten of aanpassingen van projecten. Het gesprek hierover vindt plaats aan de arbeidsmarkttafel. De partijen aan de arbeidsmarkttafel zijn van mening dat de projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp daadwerkelijk een bijdrage leveren aan het aanpakken van de knelpunten die er zijn, in de gelijktijdige erkenning dat de aanpak van personeelsproblematiek niet eenvoudig is.
Is er een onderverdeling te maken in welke specifieke branches de uitstroom het hoogst is? Is er een verband met de ontoereikende hulp aan de meest kwetsbare jongeren zoals gesignaleerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat medewerkers met specialistische kennis behouden blijven voor de sector?
Het is niet mogelijk om de gegevens die in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) worden verzameld uit te splitsen naar subbranches. Deze gegevens worden niet op het niveau van subbranches verzameld. Eind 2018 hebben mijn ambtsvoorganger en de Minister voor JenV een arbeidsmarktverkenning2 naar de Tweede Kamer gestuurd. Uit dit onderzoek volgt dat de gemiddelde uitstroom bij Veilig Thuis 14% is, bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering is de mediane uitstroom 17%3 en bij de Raad voor de Kinderbescherming is de uitstroom gemiddeld 11%. Bij grote instellingen (met een omzet van meer dan € 5 miljoen per jaar; in de jeugdhulp zijn dat er meer dan 100, die samen ongeveer 40% van het totaal aantal professionals in dienst hebben) is er sprake van een uitstroom van gemiddeld 15%.
In het rapport van de IGJ van o.a. november 2019 wordt aangegeven dat de arbeidsmarktknelpunten in de jeugdbeschermingsketen, zoals groot personeelsverloop en hoog verzuim, één van de factoren zijn die bijdragen aan het niet in alle gevallen kunnen bieden van passende hulp aan kinderen.
Het krijgen en behouden van goed gekwalificeerd personeel, onder meer met specialistische kennis, is lastig vanwege krapte op de arbeidsmarkt. Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 1, nemen we actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Dit is ook van toepassing op de specialistische kennis.
Bent u van plan om, totdat u uw voornemen hebt ingevuld om in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) kostprijselementen van een redelijk tarief vast te leggen, met gemeenten en jeugdzorgorganisaties in gesprek te gaan over het betalen van faire tarieven waardoor professionals meer tijd en ruimte krijgen om goede zorg te verlenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke insteek kiest u voor deze gesprekken? Bent u bereid daarin ook duidelijk aan te geven dat specialistische zorg nou eenmaal duurdere zorg zal zijn en dat tariefdifferentiatie logisch lijkt?
Op grond van artikel 2.12 Jeugdwet geldt momenteel al dat gemeenten en aanbieders reële tarieven moeten afspreken voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Omdat in de praktijk veel discussie is over de uitleg van dit wetsartikel gaan we in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) elementen van een reëel tarief vastleggen, zoals dat eerder voor de Wmo 2015 is gebeurd. Dit schept zowel voor gemeenten als aanbieders helderheid.
Bij de verdere uitwerking van de AMvB betrekken we ook gemeenten en aanbieders en hierin is ook aandacht voor de periode tot de AMvB is ingevoerd. Bij deze gesprekken zal ook aandacht worden besteed aan tariefdifferentiatie.
Daarnaast hebben het kabinet en de VNG vorig jaar in bestuurlijke afspraken afgesproken dat het belangrijk is dat er faire tarieven worden betaald. De gemeenten hebben dit opgepakt door in hun Norm voor opdrachtgeverschap op te nemen dat regio’s in hun contractering reële tarieven hanteren.
Nu u niet wenst te treden in het specifiek regelen van inspraak van professionals bij het beleid van hun organisaties omdat dat tussen werkgevers en werknemers geregeld moet worden, bent u bereid om in overleg te treden met jeugdzorgorganisaties en jeugdzorgbrancheorganisaties en hen te wijzen op het belang dat u hecht aan inspraak van de professionals? Zo nee, waarom niet?
Ik heb aangegeven dat ik vind dat inspraak van professionals wenselijk en helpend is. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Er zijn mij geen signalen bekend van professionals, werkgevers of branchepartijen dat inspraak van professionals een knelpunt is. Ik neem dit punt graag mee in mijn gesprekken die ik heb met partijen. Het Ministerie van VWS subsidieert een project van beroepsvereniging Verzorgenden en Verpleegkundigen (V&VN) en CNV waarbij onder andere vernieuwende medezeggenschap gestimuleerd wordt. In dit kader wordt een «menukaart» van bewezen effectieve interventies gemaakt om medewerkers op een goede manier te betrekken bij het beleid en de aanpak van knelpunten binnen de organisatie. De resultaten zullen ook voor de jeugdzorg beschikbaar komen.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de concrete opvolgacties zoals afgesproken in het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg», zoals het beschrijven van voorbeelden van gemeenten/regio’s die erin geslaagd zijn zonder vermijdbaar tijdschrijven jeugdzorg te bekostigen?
In het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg» hebben de convenantpartijen (Jeugdzorg Nederland, FNV, CNV, de VNG en VWS) afgesproken om samen twee concrete acties op te pakken: het delen van goede voorbeelden en het vereenvoudigen van het aantal productcodes.
Beide acties zijn inmiddels gestart. Wat betreft het project goede voorbeelden van het stoppen met tijdschrijven hebben de convenantspartijen een oproep verspreid voor de werving van goede voorbeelden.
Inmiddels zijn de eerste gesprekken met gemeenten en instellingen die werken zonder tijdschrijven gevoerd. Rond 15 december wordt het eerste goede voorbeeld gedeeld. Vanaf 2021 zal dit doorlopend gebeuren. In het hiernavolgende antwoord op vraag 7 ga ik nader in op het programma productcodes.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van het project van uw Ministerie van en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te komen tot een vereenvoudiging van productcodes? Wat is hierbij uw inzet bijvoorbeeld met betrekking tot een maximaal wenselijk aantal codes? Hoe gaat u er verder op inzetten dat het door professionals gevoelde wantrouwen wordt verminderd?
Het programma productcodes, waarin de administratieve overlast van de wirwar aan productcodes sterk wordt teruggebracht, bestaat uit een viertal projectgroepen, te weten productcodes jeugd- en opvoedhulp, productcodes jeugdbescherming/jeugdreclassering, productcodes niet cliëntgebonden tijd en productcodes reistijd. De kaders van het programma zijn geformuleerd. Nu wordt gewerkt aan bemensing vanuit het brede veld en vanuit alle convenantspartijen: professionals vanuit de uitvoering en vanuit de administratie, financials, inkopers en bestuurlijk verantwoordelijken.
Belangrijk is dat de gemeentelijke beleidsvrijheid aan de ene kant niet wordt ingeperkt, terwijl aan de andere kant de administratie wel drastisch wordt versimpeld. Dit kan bereikt worden door de administratie op een hoger aggregatieniveau (dus meer algemene productcodes) in te richten. Om dit proces goed in te richten moet het programma komen tot productcodes die eenvoudig zijn, maar ook herkenbaar genoeg om door de praktijk echt gebruikt te kunnen worden. Om deze reden heeft het programma geen vooraf vastgesteld maximaal wenselijk aantal codes, wel is duidelijk dat het aantal geminimaliseerd moet worden.
In het proces om tot de juiste vereenvoudiging te komen, krijgen professionals een belangrijke stem. Professionals zijn vanaf de start betrokken in de projectgroepen bij de voortgang en resultaten. Zij moeten aan het eind van het programma (31 december 2021) immers in hun praktijk de vermindering in administratie en vergroting van het vertrouwen zien en voelen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de motie Wörsdörfer c.s.2 de verantwoordingscriteria betrekken, zodat bij gemeenten ook een eenduidige verantwoording achteraf wordt gehanteerd?
De resultaten van het programma productcodes, namelijk de gerealiseerde vereenvoudiging van de productcodes, zal worden vastgelegd in een ministeriële regeling, zoals verzocht in de motie Wörsdörfer c.s. is de streefdatum voor deze ministeriele regeling 1 januari 2022.
Kunt u verklaren waarom in bovengenoemd convenant staat dat uw ministerie de uitwerking van dit convenant – waarin ook het project vereenvoudiging van productcodes is opgenomen – vóór 1 januari 2021 gaat opnemen in een ministeriële regeling, terwijl u in de beantwoording van de vragen onder nummer 2020Z15472 schrijft dat uw streefdatum voor het vastleggen van de vereenvoudiging van productcodes 1 januari 2022 is?
Naast het feit dat de COVID19-pandemie helaas ook effect heeft op het tempo van de uitwerking, is het zo dat de convenantpartijen hebben afgesproken dat het niet alleen van belang is om deze vereenvoudiging zo snel mogelijk te realiseren, maar dat draagvlak voor het resultaat essentieel is. Gezien de huidige omstandigheden hebben de partijen daarom gekozen voor een einddatum van 1 januari 2022. Dit zou betekenen dat de regeling niet op tijd is voor het inkoopproces 2021. Ik hoop de productcodelijst zo snel mogelijk met draagvlak van eenieder te kunnen vaststellen, zodat zij wellicht nog wel een rol kan spelen bij het inkoopproces 2021. Dit vereist wel optimale samenwerking van alle betrokken convenantpartijen en het programma Informatievoorziening Sociaal Domein, dat de productcodes zal moeten verwerken in I-standaarden.
Mocht uw streefdatum daadwerkelijk 1 januari 2022 zijn, wat gaat u dan tot die tijd doen om ervoor te zorgen dat de administratieve lasten, en daarmee een flink deel van de coördinatiekosten die nu niet aan zorg wordt gespendeerd, ook vóór genoemde datum al omlaaggaan?
Vooruitlopend op de ministeriële regeling worden diverse inspanningen verricht om de administratieve lasten omlaag te laten gaan. Zoals door het project goede voorbeelden, waarin goede voorbeelden van werken zonder tijdschrijven worden geïnventariseerd. Deze worden uitgewerkt door VWS en actief gedeeld door alle convenantpartijen met als doel aan te tonen dat bekostigen zonder tijdschrijven kan. Deze voorbeelden dienen tevens als inspiratie om anderen aan te zetten tot actie en verandering.
Daarnaast zijn alle convenantpartijen uit het programma «stoppen met tijdschrijven» van Rita Verdonk vanuit hun verantwoordelijkheid voor de beide programma’s optimaal gemotiveerd en betrokken om met elkaar de administratieve wirwar en bijbehorende last aan te pakken, bijvoorbeeld door al vooruitlopend op de ministeriële regeling, de vereenvoudigde set aan productcodes in de geest van de ministeriële regeling (de jure) te gebruiken voor het inkoopproces 2021.
Deelt u de mening dat u met het concreet en praktisch zo veel als mogelijk beperken van de lokale en regionale verantwoordingseisen niet moet wachten totdat het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» effectief behandeld, aangenomen en geïmplementeerd kan worden, als dit voorstel al een oplossing voor deze problematiek zou kunnen zijn? Zo ja, wat gaat u tot die tijd doen?
Om deze reden heeft mijn ambtsvoorganger Rita Verdonk als speciaal adviseur administratieve lasten aangesteld, met onder meer het convenant «Stoppen met Tijdschrijven» als uitkomst. In de AMvB «Verbetering uitvoering jeugdwet, WMO2015 en zorgverzekeringswet» is al vastgelegd dat gemeenten eenduidig moeten verantwoorden conform de gekozen uitvoeringsvariant. Dit houdt in dat zij in hun hele proces – van contract tot controle – volgens dezelfde systematiek moeten werken.
Hiermee worden verantwoordingseisen naar instellingen toe gestroomlijnd en (gedeeltelijk) geüniformeerd.
Bent u bereid na te gaan in hoeverre branchepartijen, bijvoorbeeld door interne richtlijnen en keurmerken, zélf bijdragen aan de overvloed aan administratieve lasten, om er vervolgens met deze partijen het gesprek over aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
Branchepartijen en instellingen kunnen zelf een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de overvloed aan administratieve lasten. Het is zeker niet zo dat deze lasten alleen door gemeenten veroorzaakt wordt. Uit georganiseerde schrapsessies is regelmatig gebleken dat administratieve lasten veroorzaakt worden door de interne administratie van de instelling zelf, vaak vanuit een (onjuiste) veronderstelling dat gemeenten deze informatie nodig hebben. Of doordat vereisten versoepeld zijn, maar dat dit nog niet verwerkt is in de administratie. Het komt ook voor dat instellingen zelf bewust kiezen voor een grotere administratieve last voor hun eigen sturings- of verantwoordingsvraagstukken. Of dat instellingen elkaar onderling (bijvoorbeeld bij hoofd- en onderaannemerschap) administratieve verplichtingen opdragen, die vanuit de gemeente nooit gevraagd zijn.
Branchepartijen en instellingen zouden interne richtlijnen kunnen opstellen. Dit vereist een gesprek over de nut en noodzaak van detailsturing- en verantwoording binnen instellingen en branches. Ik neem dit punt graag mee in mijn gesprekken met de branche. Immers, administratieve lasten zijn een van de redenen voor professionals om de sector te verlaten.
Kostenoverschrijdingen in de jeugdzorg door wagenwijd openstaande deuren bij gemeenten |
|
René Peters (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «jeugdzorg diep in het rood door wagenwijd openstaande deuren?1
Ja
Deelt u de conclusie van Follow the Money (FTM) en het Brabants Dagblad (BN de Stem) dat steeds meer kinderen jeugdzorg krijgen en hulp per kind ook steeds duurder wordt?
Ja. Uit de CBS-cijfers blijkt dat het aantal jeugdigen in jeugdzorg sinds 2015 gemiddeld met 3,3% per jaar is toegenomen, waarbij de grootste groei plaatsvindt bij ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder. Hiernaast blijven jongeren steeds langer in jeugdhulp. Dat de hulp per kind duurder wordt is ook geconstateerd in het Benchmarkonderzoek van Significant uit 2019 en het onderzoek van KPMG «inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen» van begin 2020. Het onderzoek van KPMG bij 9 gemeenten liet zien dat er bij deze gemeenten een toename was in de gemiddelde prijs per cliënt (8,9%) in de periode 2016–2018. Als verklaring is gegeven dat de gemiddelde prijs per cliënt is gestegen door onder meer cao-loonstijgingen, extra kosten aan personeel niet in loondienst en kosten die te maken hebben met meer of duurdere inzet van personeel in loondienst (door zowel toenemende complexiteit, langere duur van trajecten, als duurder personeel).
Deelt u de verwachting dat de regio midden Brabant niet wezenlijk verschilt van andere regio’s in Nederland en dat daar met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vergelijkbare patronen zichtbaar zullen zijn?
Wat betreft de toename van het aantal jeugdigen in zorg en dat de gemiddelde prijs per cliënt is gestegen verwacht ik dat er vergelijkbare patronen zichtbaar zijn in andere regio’s in Nederland.
Deelt u de mening van professor Groot dat gemeenten de deuren wagenwijd open hebben gezet voor hele lichte zorg en dat dit gaat om zorg die tot voor kort door niemand werd vergoed?
Met de nu beschikbare informatie kan deze conclusie niet getrokken worden.
Om meer inzicht te krijgen in de inzet van lichte zorg door gemeenten heeft de Minister van VWS in zijn brief van 29 juni jl. onder andere een onderzoek toegezegd ter verdieping op eerder onderzoek van KPMG, specifiek gericht op de invulling van de ambulante zorg bij 2 gemeenten. Ik hoop met dit onderzoek meer inzicht te krijgen op dit punt. De resultaten hiervan zijn eerste helft van volgend jaar bekend.
Deelt u de mening van professor Vlaardingerbroek dat de extreme toename van kleine aanbieders door gemeentelijk beleid, ruimte heeft geboden voor veel zorgcowboys?
Geld voor de zorg moet besteed worden aan zorg. Het is daarom belangrijk dat gemeenten weloverwogen de keuze maken welke aanbieders ze willen contracteren voor welke zorgvormen en welke niet. Dat ondersteunt VWS ook vanuit zowel het programma Inkoop en Aanbesteden Sociaal Domein als via het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd.
Weloverwogen contracteren betekent overigens niet dat kleine aanbieders geen rol zouden moeten spelen in het sociaal domein. Kleine aanbieders bieden de kans om innovatie te brengen en kunnen flexibel inspelen op de vraag in een gemeente.
En deelt u zijn mening dat kennis daardoor bovendien versnipperd is geraakt?
Kleine aanbieders bieden de kans om innovatie te brengen en kunnen flexibel inspelen op vraag. Dit alleen is echter niet voldoende. Er dient in samenhang gekeken te worden naar de totale zorgbehoefte en de benodigde soorten aanbieders om te zorgen voor een dekkend zorglandschap.
Het hebben van veel aanbieders maakt het voor gemeenten wel lastig om adequaat contractmanagement uit te voeren en vanuit partnerschap samen te werken. Het is daarom belangrijk dat gemeenten weloverwogen de keuze maken welke aanbieders ze willen contracteren voor welke zorgvormen en welke niet. De kwaliteit van aanbieders wordt niet bepaald door het formaat van de aanbieder, maar staat of valt uiteraard vooral met de kwaliteit van hun professionals. Goed opdrachtgeverschap door gemeenten, goed opdrachtnemerschap door aanbieders, verminderde werk- en regeldruk en een gezonde arbeidsmarkt zijn belangrijke elementen die het vakmanschap van professionals bevorderen.
Bent u, in het licht van bovenstaande, van mening dat veel gemeenten de reikwijdte van jeugdzorg wel erg ruim interpreteren?
De omschrijving van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet biedt met opzet veel ruimte aan gemeenten, zodat zij maatwerk kunnen leveren en kunnen doen wat nodig is om kwetsbare kinderen en gezinnen te ondersteunen. De onderzoeken die de Minister van VWS heeft toegezegd in zijn brief van 29 juni jl. moeten meer helderheid geven over de wijze waarop gemeenten met de jeugdhulpplicht omgaan en de keuzes die zij kunnen maken om de druk op de jeugdhulp te verminderen.
Zoals in het advies van het expertiseteam reikwijdte jeugdhulpplicht van de VNG, alsmede in het door VWS uitgezette nader onderzoek naar de jeugdhulpplicht, werd geconcludeerd, biedt de Jeugdwet gemeenten voldoende ruimte om scherpe keuzes te maken bij de inzet van jeugdhulp.
Ik onderschrijf het belang dat gemeenten die keuzes daadwerkelijk maken en deze vertalen in aansturing van de uitvoeringspraktijk om ècht te doen wat nodig is, en soms ook dingen níet te doen.
Deelt u de mening dat gemeenten gezien de kostenoverschrijdingen er verstandig aan zouden doen de jeugdhulp te begrenzen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat dit ook binnen de huidige Jeugdwet mogelijk is? En dat gemeenten zich dus niet hoeven op te stellen als een pinautomaat voor commerciële bedrijven die hele lichte zorg voor hele lichte problemen bieden?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het niet per se wenselijk is dat gemeenten iedere aanbieder van jeugdhulp ook daadwerkelijk een contract geven?
Het is de vraag vanuit welke visie de gemeente het lokale jeugdstelsel inricht. Als een gemeente bij de inrichting van een lokaal zorgstelsel keuzevrijheid voor hulpbehoevende inwoners als absoluut en leidend principe hanteert en dus iedere aanbieder van jeugdhulp een contract geeft, vult de gemeente haar rol als opdrachtgever beperkt in. Je neemt dan niet de touwtjes in de handen, maar legt ze volledig in handen van de individuele hulpvragers en aanbieders. Het is belangrijk om per zorgvorm weloverwogen de keuze te maken hoeverre de gemeente wil sturen en welke mate van selecteren van zorgaanbieders wenselijk is.
Bent u bereid gemeenten die worstelen met de reikwijdte van jeugdhulp, te helpen met een handreiking? En bent u bereid hierover met gemeenten in gesprek te gaan?
Ja. Naar aanleiding van een toezegging van de Minister van VWS heb ik onderzoek uitgezet naar de aanpak van gemeenten die aangeven (meer) grip op hun jeugdhulp te hebben. Meer inzicht in de aanpak van die gemeenten en de daarmee door hen bereikte resultaten kan helpen om in vervolg op het advies van het expertiseteam concreet handelingsperspectief voor de kortere termijn te genereren, zowel voor het Rijk als voor andere gemeenten, zorgaanbieders en partijen in het sociaal domein.
Bent u het ermee eens dat de roep van veel gemeenten om meer geld uit Den Haag gezien de enorme tekorten begrijpelijk is, maar dat meer geld alleen, de financiële problemen van gemeenten niet zal oplossen?
Het kabinet denkt zelf ook dat er verbeteringen mogelijk zijn in het jeugddomein. In 2019 heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor gemeenten voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Bij Miljoenennota 2021 is besloten om de tijdelijke extra middelen voor Jeugdzorg ad € 300 miljoen op jaarbasis te verlengen tot en met 2022. Er is in 2019 ook geconstateerd dat in de regie, sturing en samenwerking aan de kant van gemeenten veel ruimte is voor verbetering. Het kabinet heeft daarom afspraken gemaakt met de VNG om het jeugdhulpstelsel effectiever, efficiënter en beter te laten functioneren en de vernieuwing van de jeugdzorg te bespoedigen. Zoals u weet ben ik bezig met het wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen dat tot een verbetering van het jeugdhulpstelsel moet leiden.
Verder is ook afgesproken dat onderzoek wordt verricht naar of, en zo ja in welke mate, er extra structurele middelen nodig zijn bij gemeenten bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering. De planning is dat dit onderzoek eind 2020 wordt afgerond. De resultaten van het onderzoek dienen als inbreng van de komende kabinetsformatie. De uitkomsten van het onderzoek zijn zwaarwegend. Dit in het licht van de jeugdhulpplicht van gemeenten en de noodzaak van sluitende begrotingen. De uitkomsten van het onderzoek worden bestuurlijk gewogen in het licht van de door betrokken partijen verrichte inspanningen en afgesproken bestuurlijke maatregelen.
Het artikel ‘Top verdienen aan jeugdzorg in Tilburg’ |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Top verdienen aan jeugdzorg in Tilburg»?1
De algemene conclusie komt bekend voor. Er is al langer bekend dat gemeenten tekorten laten zien op jeugd en in oktober jl. heeft Jeugdzorg Nederland een eigen onderzoek gepubliceerd waarin staat dat er ook aanbieders zijn met hoge winstpercentages. Over dit onderzoek heb ik uw Kamer op 6 oktober jl. gesproken tijdens het mondelinge vragenuurtje.
Wat vindt u ervan dat één op de vijf onderzochte bedrijven meer dan 10 procent winst maakt en in de commerciële jeugdzorghoek 40 procent boven dat winstpercentage zit?
Een zorgaanbieder moet een positief resultaat kunnen behalen. Dat is nodig om als organisatie gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor de patiënten en cliënten. Geld voor zorg is niet bedoeld voor zelfverrijking. Daarom is het van belang dat er goede afspraken over tarieven en eventueel winstuitkeringen worden gemaakt door de gemeenten met hun te contracteren aanbieders. Daarnaast heeft u onlangs het rapport «Normering winstuitkering zorg» ontvangen als bijlage bij de voortgangsbrief over de Wtza en Wibz (Kamerstuk 34 767, nr. 57). In het Wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) zal de mogelijkheid worden geïntroduceerd om voorwaarden te stellen aan winstuitkering door hoofd- en onderaannemers in de extramurale zorg, en onderaannemers in de intramurale zorg bekostigd uit de Zvw, Wlz en/of Jeugdwet. De aard van de voorwaarden en het tijdstip van inwerking treden kan variëren per deelsector en wordt gekoppeld aan het zich voordoen van excessen en de noodzaak die tegen te gaan, respectievelijk te voorkomen. De resultaten uit dit rapport worden betrokken bij de uitwerking van de Wibz, ook voor de Jeugdzorg.
Wat vindt u ervan dat jeugdzorgaanbieders 100 miljoen euro overhouden, terwijl gemeenten miljoenen tekort komen?
Dat gemeenten tekorten hebben en dat er aanbieders zijn met hoge winstpercentages lijkt te laten zien dat er voor gemeenten ruimte is om geld te besparen. De vraag rijst daarnaast welk deel van de winst terechtkomt bij de zorg voor jongeren met een hulpvraag.
Het is in principe een positieve ontwikkeling dat een bedrijf laat zien dat kwalitatief goede zorg goedkoper geleverd kan worden. Het is daarentegen pijnlijk te zien dat enorme bedragen verdwijnen uit de zorg in de vorm van winstuitkeringen. Daarom werken we bij VWS aan wetgeving op grond waarvan voorwaarden kunnen worden gesteld aan winstuitkering, als zich excessen voordoen en het noodzakelijk is die tegen te gaan.
Gemeenten kunnen als inkopende partij in hun contractering en zelfs in verordeningen randvoorwaarden en harde criteria opnemen om winsten te beperken of om op z'n minst zicht te hebben op het feit dat er winsten worden gemaakt. Daar kunnen ze afspraken over maken in hun contracten. Ze kunnen bijvoorbeeld ook het betalen van marktconforme prijzen voor vastgoed, verdiensten en producten vastleggen in contracten.
Wat vindt u ervan dat inkoopmodellen van de gemeente Tilburg, resultaatgericht en via arrangementen, het mogelijk maken om veel geld te verdienen?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor hoe zij hun inkoop inrichten, waaronder de keuze voor resultaatgericht inkopen en werken via arrangementen. Inkopen op basis van resultaat kan voordelig zijn voor gemeenten en aanbieders, omdat hier in plaats van afrekenen per uur gekeken wordt naar wat nodig is om het gewenste resultaat te bereiken. Dit kan zorgen voor een efficiënte zorginzet en bijdragen aan een doelmatige besteding van zorggeld. Indien niet adequaat ingericht, kan deze wijze van inkopen echter ook nadelige effecten hebben. Als de gemeentelijke toegang bijvoorbeeld zeer veel indicaties afgeeft voor zeer veel verschillende resultaatgebieden (hoog volume) of indien een reële prijs voor een resultaat door de gemeente moeilijk in te schatten is.
Vanuit het programma Inkoop en Aanbesteden Sociaal Domein is ondersteuning beschikbaar om gemeenten en aanbieders te ondersteunen in hun inkoop. Hiervoor is het regioteam de primaire gesprekspartner voor gemeenten en zorgaanbieders. Het programma heeft allerhande handreikingen ontwikkeld ten behoeve van modelbepalingen, kwaliteitseisen en toe te passen segmentatie van zorgproducten. Ook is er bijvoorbeeld een opleiding beschikbaar vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd, waarmee een samenhangende inkoopstrategie voor een regio wordt opgesteld. De ondersteuning van gemeenten is op maat en kan ook op specifieke vragen plaatsvinden, bijvoorbeeld door middel van een review. De Minister van VWS zal u voor de kerst informeren over de voortgang van het programma inkoop en aanbesteden sociaal domein.
Wat vindt u ervan dat aanbieders hoge tarieven betaald krijgen voor diensten die lang niet altijd als nuttig worden ervaren voor de doelgroep waar zij mee werken, zoals bepaalde administratie?
Gemeenten hebben zelf de vrijheid om hun tarieven te bepalen. Als aanbieders (te) hoge tarieven betaald krijgen, dan is het aan het college en de raad van desbetreffende gemeente om hierop te reageren.
Hoe is het mogelijk dat aanbieders zelf best lagere tarieven willen krijgen, maar dit niet kan worden aangepast omdat geen uitzonderingen mogen worden gemaakt? Hoe gaat u deze weeffout in het systeem oplossen?
Gemeenten hebben zelf de vrijheid om hun tarieven te bepalen. Er wordt wettelijk niet voorgeschreven op welke manier zij hun tarieven diversifiëren. Er is geen weeffout in het systeem, gemeenten hebben de vrijheid om hier zelf aanpassingen in te doen.
Hoe verklaart u de relatief lage personeelskosten bij veel aanbieders in Brabant?
Het artikel geeft aan dat bijna een kwart van de onderzochte bedrijven en stichtingen minder dan 65 procent personeelskosten heeft. Hierbij is gekeken naar de omvang van de personeelskosten ten opzichte van de omzet en hieruit wordt door de schrijvers van het artikel geconcludeerd dat de personeelskosten verhoudingsgewijs laag zijn. Dit hoeft niet te betekenen dat er door de onderneming lage salarissen aan jeugdzorg professionals worden betaald. Professionals verdienen dat ze een passend loon krijgen voor hun belangrijke werk. Sinds 2010 zijn de cao-lonen in de jeugdzorg in totaal 15,5% gestegen. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om goede zorg te leveren en voldoende personeel hiervoor in te zetten. Het is niet aan mij om een oordeel te hebben over de hoogte van de personeelskosten die een werkgever heeft.
Hoe staat u tegenover de mening van bestuurskundige Menno Fenger, die stelt: «Het is tijd dat gemeenten serieus toezicht gaan houden. Gemeenten moeten zelf jaarrekeningen door gaan spitten. Laten zij dat na, dan hebben ze hun tekorten óók aan zichzelf te danken»?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft een wettelijke toezichtstaak in de Jeugdwet en houdt toezicht op de kwaliteit van aanbieders. In de Jeugdwet is het wettelijk kwaliteitstoezicht op centraal niveau geregeld. Het financieel toezicht ligt bij de gemeente die moet controleren of aanbieders voldoen aan de voorwaarden van de contractering en aanbesteding. Dit financiële toezicht kan niet bovenregionaal zijn omdat gemeenten vaak verschillende voorwaarden stellen aan de aanbieder.
Hoe staat u tegenover de mening van wethouder Marcelle Hendrickx die juist stelt dat dit toezicht bovenregionaal moet zijn omdat aanbieders meestal in meerdere regio’s actief zijn?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft een wettelijke toezichtstaak in de Jeugdwet en houdt toezicht op de kwaliteit van aanbieders. In de Jeugdwet is het wettelijk toezicht op centraal niveau geregeld, omdat er strenge eisen gelden voor de kwaliteit van de te leveren jeugdhulp.
In hoeverre is het volgens u mogelijk om op basis van de resultaten uit dit onderzoek in Tilburg conclusies te trekken over de kosten van de jeugdzorg elders in het land?
Het is niet mogelijk om op basis van de resultaten uit dit onderzoek conclusies te trekken over de kosten van de jeugdzorg elders in het land. Momenteel wordt onderzoek verricht naar de noodzaak van extra structurele middelen jeugdhulp. In dit onderzoek wordt ook gekeken naar wat de totale uitgaven van gemeenten zijn aan jeugdzorg.
Wat gaat u doen om de tekorten bij gemeenten op te lossen en ervoor te zorgen dat het geld daadwerkelijk terechtkomt bij de jeugdzorg en niet verdwijnt in de zakken van aanbieders?
Momenteel wordt onderzoek verricht naar of, en zo ja in welke mate, er extra structurele middelen nodig zijn bij gemeenten bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering. De planning is dat dit onderzoek eind 2020 wordt afgerond. De resultaten van het onderzoek dienen als inbreng van de komende kabinetsformatie. De uitkomsten van het onderzoek zijn zwaarwegend. Dit in het licht van de jeugdhulpplicht van gemeenten en de noodzaak van sluitende begrotingen. De uitkomsten van het onderzoek worden bestuurlijk gewogen in het licht van de door betrokken partijen verrichte inspanningen en afgesproken bestuurlijke maatregelen.
Daarnaast werken we bij VWS aan wetgeving, zodat als er zich excessen voordoen, en het noodzakelijk is die tegen te gaan, er voorwaarden kunnen worden gesteld aan winstuitkering.
De artikelen van Follow the Money en het Brabants Dagblad waaruit blijkt dat miljoenen niet naar jeugdzorg gaan |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelen «Topverdiensten voor zorgbedrijven, miljoenen niet naar zorg»1 en «Top verdienen aan jeugdzorg in Tilburg»?2
Ja
Wat vindt u van de algemene conclusie dat gemeenten rode cijfers schrijven op jeugdzorg en vooral commerciële jeugdzorgbedrijven flinke omzetten en winsten maken?
Er is al langer bekend dat gemeenten tekorten laten zien op jeugd en in oktober jl. heeft Jeugdzorg Nederland een eigen onderzoek gepubliceerd waarin staat dat er ook aanbieders zijn met hoge winstpercentages. Dit lijken met name aanbieders van ambulante zorg te zijn en niet de aanbieders die complexe zorg aanbieden. Over dit onderzoek heb ik uw Kamer op 6 oktober jl. gesproken tijdens het mondelinge vragenuurtje.
Dat gemeenten tekorten hebben en dat er aanbieders zijn met hoge winstpercentages lijkt te laten zien dat er voor gemeenten ruimte is om geld te besparen. Gemeenten kunnen als inkopende partij in hun contractering en zelfs in verordeningen randvoorwaarden en harde criteria opnemen om winsten te beperken of om op z'n minst zicht te hebben op het feit dat er winsten worden gemaakt. Ze kunnen bijvoorbeeld ook het betalen van marktconforme prijzen voor vastgoed, verdiensten en producten vastleggen in contracten.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd deze week nog alarm slaat en constateert dat de hulp aan kwetsbare jongeren is verslechterd, maar sommige aanbieders tegelijk miljoenenwinsten maken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Wat lost de aankomende herziening van de Jeugdwet op met betrekking tot specifiek deze problemen?
De conclusie van de voortgangsrapportage «kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd» van de IGJ en de IJenV – waarin o.a. wordt geconstateerd dat dat de beschikbaarheid van specialistische jeugdhulp voor kinderen met complexe problematiek onder druk staat – onderschrijft de noodzaak van de maatregelen die worden voorgesteld in het «wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen». Dit wetsvoorstel heeft als doel om de beschikbaarheid van zorg voor de meest kwetsbare jeugdigen te borgen.
Eén van de voorgestelde maatregelen is de verplichte regionale samenwerking en bovenregionale afstemming van gemeenten ten aanzien van (de inkoop van) bepaalde specialistische zorgvormen. Door regionale samenwerking komen gemeenten beter in positie om te sturen op het gecontracteerde zorgaanbod, met als doel het realiseren van een sluitend zorglandschap in de regio en het borgen van de beschikbaarheid van specialistische zorg voor jeugdigen.
Tevens wordt in het wetsvoorstel een aantal vereisten met betrekking tot intern toezicht, transparante financiële bedrijfsvoering en de openbare jaarverantwoording wettelijk verankerd, waardoor financiële problemen bij jeugdzorginstellingen vroegtijdig worden gesignaleerd. Dit draagt bij aan het verminderen van de continuïteitsproblematiek, waardoor de beschikbaarheid van zorg voor jeugdigen beter wordt geborgd.
Met de herziening van de Jeugdwet wordt niet voorzien in het voorkomen van miljoenenwinsten. Echter, in het Wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) zal de mogelijkheid worden geïntroduceerd om voorwaarden te stellen aan winstuitkering door hoofd- en onderaannemers in de extramurale zorg, en onderaannemers in de intramurale zorg bekostigd uit de Zvw, Wlz en/of Jeugdwet. De aard van de voorwaarden en het tijdstip van inwerking treden kan variëren per deelsector en wordt gekoppeld aan het zich voordoen van excessen en de noodzaak die tegen te gaan, respectievelijk te voorkomen. Uw Kamer is hierover onlangs geïnformeerd (Kamerstuk 34 767, nr. 57).
Bent u het ermee eens dat het schrijnend is dat de hulp aan jongeren met de meest complexe problemen tekortschiet en zelfs verslechtert, omdat meer te verdienen is aan relatief lichtere vormen van jeugdhulp?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om er voor te zorgen dat jongeren de jeugdhulp ontvangen die zij nodig hebben. Gemeenten hebben een zorgplicht voor hun jeugdigen. Deze zorgplicht geldt voor de hele jeugdhulp breed, dus ook voor jongeren met de meest complexe problemen.
Voor een groep jongeren met meervoudige en complexe problematiek lukt het nu niet passende hulp te organiseren. Dit vraagt, aanvullend op de gemeentelijke zorgplicht, om samenwerking op bovenregionale schaal. Hiervoor worden acht bovenregionale expertisecentra opgezet.
Als het zo is dat hulp aan jongeren met de meest complexe problemen tekortschiet, omdat meer te verdienen is aan relatief lichtere vormen van jeugdhulp dan is dat schrijnend. Of hier inderdaad sprake van is, dat is nog de vraag. Begin dit jaar heeft uw Kamer ook het onderzoek «meer inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen» ontvangen van KPMG. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het aandeel in de uitgaven van jeugdhulp met verblijf en specialistische GGZ tussen 2016 en 2018 is gegroeid, terwijl voor jeugdhulp zonder verblijf het aandeel is gedaald. Dit geeft het beeld dat de beoogde transformatie in de jeugdhulp nog onvoldoende op gang is gekomen, maar geeft niet het antwoord op de hier gestelde vraag.
Aan uw Kamer is toegezegd om onderzoek te doen om meer inzicht te krijgen in ambulante jeugdhulp. Dit onderzoek wordt voor de zomer van 2021 opgeleverd. Dit inzicht moet vervolgens helpen bij een betere duiding van de stelling dat de zware zorg in de verdringing komt door extra uitgaven aan zorg die niet per se nodig is en/of door hogere overheadkosten.
In het kader van de beleidsinformatie jeugd zijn nadere onderzoeken verricht naar de langere trajectduur bij ambulante jeugdhulp geleverd door wijkteams en ambulante jeugdhulp op locatie van jeugdhulpaanbieders. Uw Kamer is hierover onlangs geïnformeerd (Kamerstuk 31 839, nr. 751).
Hoe kan het dat journalisten van onder meer Follow the Money keer op keer constateren dat (jeugd)zorggeld niet altijd goed terecht komt, maar hier tot op heden geen concreet gevolg aan wordt gegeven door het kabinet?
Geld dat bestemd is voor de zorg, moet ook besteed worden aan zorg. In de brief van 17 oktober 20193 zijn, onder andere naar aanleiding van berichtgeving van Follow the Money, verschillende maatregelen aangekondigd om beter te waarborgen dat zorggeld effectief, doelmatig en rechtmatig wordt besteed. Natuurlijk moet een zorgaanbieder een positief resultaat kunnen behalen. Dat is nodig om als organisatie gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor de patiënten en cliënten. Maar er mag in de zorg geen plaats zijn voor zelfverrijking. Hoewel de grote meerderheid van de zorgaanbieders zich dagelijks inzet voor de zorg voor patiënten en cliënten, is er ook een kleine groep die de randen opzoekt en er zelfs overheen gaat.
Alle berichtgeving rondom (jeugd)zorggeld dat niet goed terecht komt, wordt zeer serieus genomen. Het kabinet denkt zelf ook dat er verbeteringen mogelijk zijn in het jeugddomein. In 2019 heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor gemeenten voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Er is toen ook geconstateerd dat in de regie, sturing en samenwerking aan de kant van gemeenten veel ruimte is voor verbetering. Het kabinet heeft daarom afspraken gemaakt met de VNG om het jeugdhulpstelsel effectiever, efficiënter en beter te laten functioneren en de vernieuwing van de jeugdzorg te bespoedigen. Ook ben ik bezig met het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen dat tot een verbetering van het jeugdhulpstelsel moet leiden. Daarnaast dragen ook de (Aanpassings)wet Wet Toetreding zorgaanbieders ((A)Wtza)4 en het onderhanden zijnde Wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) bij aan het doel om zorggeld goed terecht te laten komen en niet te laten weglekken.
De Wtza is gericht op verbetering van het kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het bevorderen van de bewustwording van zorgaanbieders van de (kwaliteits-)eisen waaraan de zorgverlening dient te voldoen en hun verantwoordelijkheid daarvoor. De AWtza bevat de technische wijzigingen als gevolg van de Wtza en bevat ook een aantal inhoudelijke wijzigingen. Belangrijke onderdelen zijn de meldplicht, de vergunningplicht, verstevigde eisen ten aanzien van de interne toezichthouder, de uitbreiding van de jaarverantwoordingsplicht, de delegatiegrondslag voor regels over de acute zorg en de overheveling van toezichttaken van de IGJ naar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Met name de onderdelen ten aanzien van intern toezicht en jaarverantwoordingsplicht zijn onderdeel van de set aan maatregelen om ervoor te zorgen dat zorggeld naar de zorg gaat.
De Wtza en de AWtza zijn met algemene stemmen door uw Kamer aangenomen en als hamerstuk door de Eerste Kamer aangenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan de lagere regelgeving. Er moeten namelijk op basis van de Wtza als de AWtza meerdere algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) en ministeriële regelingen tot stand worden gebracht.
De Wibz wordt momenteel uitgewerkt aan de hand van hoofdlijnen zoals omschreven in de brief «Investeringsmogelijkheden voor zorgaanbieders en het bevorderen van kwaliteit en een transparante, integere en professionele bedrijfsvoering»5 van 9 juli 2019 en de brief «Regels in verband met de uitbreiding van het toezicht op nieuwe zorgaanbieders (Wet toetreding zorgaanbieders)» van 25 november 20196.
Wat is uw reactie op de conclusie dat de 121 onderzochte jeugdzorg- en wmo-aanbieders in 2018 gezamenlijk een bedrijfswinst van 99,6 miljoen euro maakten en dat in de commerciële jeugdzorg 40% van de bedrijven boven de winstmarge van 10% zit? Zouden dit soort winsten wat u betreft mogelijk moeten zijn?
Het is in principe een positieve ontwikkeling dat een bedrijf laat zien dat kwalitatieve zorg goedkoper geleverd kan worden. Het is daarentegen pijnlijk te zien dat de enorme besparingen niet altijd terugvloeien in de zorg. Daarom werken we aan voorwaarden voor winstuitkering in de Wibz (zie verder antwoord7.
Is bekend of de cijfers over gemeenten in Brabant uit het artikel van Follow the Money vergelijkbaar zijn met andere regio’s? Zo nee, waarom is dit niet bekend bij het ministerie? Zo ja, is er een inschatting te maken van de gemiddelde winsten en verliezen per type zorgaanbieder?
Het is niet bekend of de cijfers over de gemeenten in Brabant vergelijkbaar zijn met andere regio’s. Er is geen overzicht van tekorten of overschotten per gemeente. Het budget voor jeugdhulp is onderdeel van de algemene uitkering van het gemeentefonds en valt daarmee onder de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten. Gemeenten stellen hun eigen begroting op, rekening houdend met hun lokale situatie. Zij hoeven geen rekening te houden met de oorspronkelijke budgetten die voor een bepaalde taak zijn overgeheveld naar de algemene uitkering. Uiteraard geldt voor gemeenten wel de jeugdhulpplicht, evenals andere verplichtingen die uit de Jeugdwet voortvloeien.
Als gevolg van de beleids- en bestedingsvrijheid is niet te zeggen welke gemeenten een tekort hebben.
Met de eerder genoemde brief over de stand van zaken (A)Wtza en Wibz is het onderzoek «Normering winstuitkering zorg» meegestuurd. Hierin staat een overzicht van jeugdhulpaanbieders en winstpercentages. Dit is niet uitgesplitst naar type zorgaanbieder. Het onlangs verschenen onderzoek van Jeugdzorg Nederland heeft dit wel gedaan8.
Hoe verklaart u het dat de personeelskosten van veel van deze bedrijven laag zijn? Vindt u dat wenselijk gezien het landelijke beeld dat de uitstroom van medewerkers uit de jeugdzorg hoog is en de instroom van nieuwe medewerkers is gedaald? Is er een relatie tussen lage personeelskosten en het aantal tijdelijke contracten van jeugdzorgmedewerkers?
Het artikel geeft aan dat bijna een kwart van de onderzochte bedrijven en stichtingen minder dan 65 procent personeelskosten heeft. Hierbij is gekeken naar de omvang van de personeelskosten ten opzichte van de omzet en hieruit wordt door de schrijvers van het artikel geconcludeerd dat de personeelskosten verhoudingsgewijs laag zijn. Dit hoeft niet te betekenen dat er door de onderneming lage salarissen aan jeugdzorg professionals worden betaald. Professionals verdienen dat ze een passend loon krijgen voor hun belangrijke werk. Sinds 2010 zijn de cao-lonen in de jeugdzorg in totaal 15,5% gestegen.
Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om goede zorg te leveren en voldoende personeel hiervoor in te zetten. Het is niet aan mij om een oordeel te hebben over de hoogte van de personeelskosten die een werkgever heeft. Er is voor zover bekend geen relatie tussen lage personeelskosten en aantal tijdelijke contracten van jeugdzorgmedewerkers.
Hoe kan het dat van veel bedrijven geen openbare salarisgegevens te vinden zijn? Bent u het ermee eens dat transparantie over gemeenschapsgeld een groot goed is? Mogen jeugdzorgorganisaties deze bedragen verborgen houden? Zo ja, bent u bereid dit te veranderen?
Sinds de inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT in 2017 is de algemene digitale meldplicht afgeschaft. Om die reden is er op dit moment dan ook geen overzicht beschikbaar van alle bezoldigingen bij jeugdzorgaanbieders. Wel geldt dat WNT-instellingen met ingang van 1 januari 2018 verplicht zijn om de WNT-verantwoording algemeen toegankelijk op internet openbaar te maken voor een periode van tenminste zeven jaar. De gegevens moeten vrij toegankelijk en eenvoudig te vinden zijn.
Hoe kan het dat bij het opstarten van een nieuw zorgbedrijf per persoon 111.000 euro als startsalaris in rekening wordt gebracht? Deelt u de mening dat dit bedrag erg hoog is aangezien het hier over publiek betaalde diensten gaat?
Het kabinet streeft naar maatschappelijke verantwoorde bezoldiging en ontslagvergoedingen voor topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Wat daarbij aanvaardbaar is, is vastgelegd in de algemene bezoldigingsnorm van de Wet normering topinkomens (WNT). Binnen de grenzen die de wet stelt, is het aan de instellingen zelf om te bepalen wat een passende bezoldiging is. Voor de zorgsector gelden op basis van de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp naast de algemene norm ook nog verlaagde sectorale normen. De maximale bezoldiging van klasse I van de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp bedraagt in 2020 € 111.000. Een bezoldiging van € 111.000 is conform de maximale bezoldiging van klasse I.
Wat vindt u van de zorgen zoals geuit door bestuurskundige Menno Fenger die stelt dat veel zorgbedrijven meerdere bv’s hebben, met soms complexe bedrijfsstructuren en het er hierdoor op lijkt dat «.aanbieders via deze structuren informatie in de jaarrekening kunnen maskeren?»
Hoewel het onwenselijk zou zijn om complexe bedrijfsstructuren op te tuigen die er louter op gericht zijn informatie te maskeren, kunnen er valide bedrijfseconomische redenen ten grondslag liggen aan het hebben van meerdere bv’s, zoals risicospreiding. Ook ontslaat het de zorginstellingen niet van de regels rondom transparante financiële bedrijfsvoering en jaarverantwoording, die met de herziening van de Jeugdwet voor jeugdzorginstellingen waar mogelijk gelijk worden gesteld aan die van de andere zorgsectoren vallend onder de Wtza. Daarnaast hebben gemeenten ook de taak om te onderzoeken met welke zorgaanbieders zij zaken doen en vragen te stellen over onverklaarbare posten op de jaarrekening indien daar aanleiding toe is.
Deelt u de mening dat gemeenteraden hun controlerende taak goed moeten kunnen uitvoeren en daartoe meer transparantie nodig is? Hoe gaat u ervoor zorgen dat zij beter kunnen controleren of het zorggeld goed terecht komt?
Gemeenten hebben een instrumentarium in de Jeugdwet waarbij zij zowel strak kunnen sturen aan de voorkant in de vorm van contractering en aanbesteding als aan de achterkant door middel van toezicht. Gemeenten moeten zorgen dat zij goed gebruik maken van hun instrumentarium. Gemeenteraden moeten dus controleren of aan de mede door hen gestelde randvoorwaarden in de contracten en aanbesteding is voldaan.
Bent u bereid om bindende afspraken te maken met de sector over de bedrijfsstructuren en de verantwoording die plaatsvindt over de verschillende geldstromen met het doel meer transparantie te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het stringent voorschrijven van bepaalde bedrijfsstructuren in de zorg is een zware beperking van de ondernemingsrechtelijke zelforganisatie die niet past bij ons stelsel, waarbij het bovendien onduidelijk is welk probleem dat op zou lossen. Het is mijns inziens zinvoller om in te zetten op meer transparantie en eisen aan de governance bij een zorginstelling en regels op te stellen met betrekking tot dividenduitkering en een tegenstrijdigbelangregeling. Dit wordt beide gedaan in respectievelijk het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen en de Wibz.
Bent u bereid om aanbieders van zowel Wmo, pgb-bedrijven en daaraan gelieerde stichtingen en eenmanszaken te verplichten om hun jaarcijfers te publiceren en minimale eisen te verbinden aan deze publicatie in het kader van transparantie? Zo nee, waarom niet?
Aan de jaarcijfers zijn minimale eisen verbonden op grond van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of aanvullende sectorspecifieke regelgeving. De verplichting tot het publiceren van jaarcijfers is reeds aanwezig. Voor Wmo-aanbieders geldt dat openbaarmaking van de jaarcijfers gebeurt volgens de vigerende regels in het BW. Bij Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders is de verplichting om een jaarverantwoording als bedoeld in artikel 40b Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg) openbaar te maken, uitgebreid naar in beginsel alle zorgaanbieders in de zin van de Wmg, tenzij bepaalde categorieën van zorgaanbieders zijn uitgezonderd. Er is geen voornemen om pgb-bedrijven of eenmanszaken toe te voegen aan de lijst van uitzonderingen. Aanbieders die jeugdhulp verlenen volgens de Jeugdwet, zijn ook nu wettelijk verplicht zich hun jaarcijfers te verantwoorden, tenzij sprake is van een solistisch werkende jeugdhulpverlener (hulpverlener zonder personeel). Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt in financiering via zorg in natura of pgb, noch wordt hierbij onderscheid gemaakt naar rechtsvorm van de betreffende aanbieder. In het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» worden transparantievereisten wettelijk verankerd. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de AWtza.
Is er een beeld van managementvergoedingen die via gelieerde holdings worden verstrekt en daardoor niet transparant zijn? Bent u bereid om hier regels aan te verbinden? Zo nee, waarom niet?
Het feit dat er managementvergoedingen aan gelieerde holdings worden verstrekt, maakt niet automatisch dat zij daardoor niet transparant zijn. Het toezicht op deze zorginstellingen is belegd bij de gemeenten. Wanneer een gemeente constateert dat er hoge managementvergoedingen worden uitgekeerd aan een aan de zorginstelling gelieerde bv, kan zij hierover kritische vragen stellen aan de zorgaanbieder en besluiten geen contract aan te gaan met deze aanbieder. Ook kan er bij onrechtmatigheden geld worden teruggevorderd, wat getuige het artikel ook gebeurt.
Vindt u het wenselijk dat 32 bestuurders van de 121 onderzochte instellingen meer verdienen dan het maximale toegestane bedrag uit de Wet Normering Topinkomens (WNT) en dat dit is toegestaan vanwege overgangsregelingen? Hoeveel bestuurders zitten landelijk boven de WNT-norm? Is daar een overzicht van?
Binnen de kaders van de WNT is het in principe niet toegestaan een bezoldiging boven het voor de topfunctionaris geldende bezoldigingsmaximum af te spreken. Wanneer het overgangsrecht van de WNT van toepassing is op een individuele topfunctionaris is een hogere bezoldiging toegestaan. Vanwege de inbreuk die de WNT maakt op het eigendomsrecht is bij inwerkingtreding van de WNT overgangsrecht afgesproken. Dat overgangsrecht moeten we respecteren, ook al zou ik liever zien dat alle bezoldigingen nu al onder het bezoldigingsmaximum liggen.
Sinds de inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT in 2017 is de jaarlijkse WNT-jaarrapportage beperkt tot de daadwerkelijke overtredingen en getroffen handhavingsmaatregelen en is de algemene digitale meldplicht afgeschaft. Om die reden is er op dit moment dan ook geen overzicht beschikbaar van alle topfunctionarissen die een beroep doen op het overgangsrecht of van alle bezoldigingen bij jeugdzorgaanbieders.
Heeft u een overzicht van de salarissen van bestuurders en managers per jeugdzorgaanbieder? Zo ja, wilt u een overzicht delen van de salarissen per type zorgaanbieder?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bereid om wettelijk een maximum percentage in te stellen van winsten die jeugdzorgaanbieders mogen maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij antwoord 3 genoemd wordt in de Wibz de mogelijkheid geïntroduceerd om voorwaarden te stellen aan winstuitkeringen. In het onderzoek «Normering winstuitkering zorg»9 is een verkenning gedaan naar de mogelijkheden.
Is het een optie om winstuitkeringen in de jeugdzorg te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 18.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de inspanningen van het ministerie om in Europees verband de aanbestedingsrichtlijn aan te passen? Welke vorderingen zijn er sinds uw Kamerbrief van 19 maart 2019 op dit vlak?3
Ook de afgelopen periode heeft het kabinet op veel verschillende vlakken acties ondernomen om de Europese Commissie te bewegen over te gaan tot evaluatie en aanpassing van de Aanbestedingsrichtlijn. Zo is er onder meer een werkbezoek afgelegd door de Europese Commissie aan Nederland om de problematiek door te spreken en heeft Minister De Jonge een bezoek afgelegd aan het Europees parlement om de problematiek door te spreken met verschillende fracties in het Europees parlement. Over de nadere stand van zaken zal Minister De Jonge voor de kerst een brief aan uw Kamer sturen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het Wetgevingsoverleg Jeugd op 23 november aanstaande?
Ja.
Wederom een datalek in de jeugdzorg |
|
Maarten Hijink , Martin Wörsdörfer (VVD), Rens Raemakers (D66) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Groot datalek bij Jeugdriagg: medische dossiers kwetsbare kinderen gelekt»?1
Ja.
Had dit specifieke datalek volgens u voorkomen kunnen worden, kijkend naar een eerder datalek in april 2019 en het recent uitgebrachte rapport van de IGJ «Extra aandacht nodig voor ICT in de jeugdzorg»?2 3
Het datalek bij Kenter is op een vergelijkbare wijze ontstaan als een eerder datalek in april 2019. Dat het weer mogelijk was om op vergelijkbare wijze toegang tot persoonsgegevens te krijgen is zorgelijk. Naar aanleiding van het datalek in 2019 bij SAVE Utrecht heeft Z-CERT een domein naam check gedaan en JZNL heeft jeugdhulpaanbieders opgeroepen zelf een check te doen op oude domeinnamen. De oude domeinnamen van Kenter waren in 2015 voor 5 jaar afgekocht en verliepen op 1 januari 2020 en ontliepen daarmee onder andere de Z-CERT check in 2019. Het niet afsluiten van een oude domein naam kan eenvoudig worden voorkomen.
Hoe is de aangenomen motie van de leden Raemakers en Hijink van 2 juli 2020 uitgevoerd waarin de regering verzocht wordt om met branches in gesprek te gaan over ICT-problemen in de jeugdzorg om jeugdzorgorganisaties uiterlijk 1 oktober te helpen met het beveiligen van de aan hen toevertrouwde data van jongeren en hun ouders?4
Naar aanleiding van de motie Raemakers en Hijink uit 2019 en 2020 zijn gesprekken gevoerd met Jeugdzorg Nederland en Z-CERT. In samenwerking met Jeugdzorg Nederland is Deloitte in staat gesteld penetratietesten uit te voeren. Daarnaast heeft Jeugdzorg Nederland zijn achterban geïnformeerd over het risico van niet goed afgesloten domeinnamen. De in de BGZJ verzamelde branches hebben dit in een breder kader gedaan. Naar aanleiding van de pentesten uit 2019 hebben de zes gepenteste aanbieders hun beleid aangepast. Op basis van de genomen maatregelen wordt een handreiking geschreven, met aandacht voor de implementatie van de wettelijk verplichte NEN 7510 norm, die in december 2020 wordt verwacht, waarna deze nog beter kan worden geïmplementeerd.
Wanneer wordt jeugdzorgaanbieders eindelijk de mogelijkheid geboden om zich aan te sluiten bij Z-CERT conform de aangenomen motie-Raemakers en Hijink van 25 juni 2019, aangezien Z-CERT in het genoemde artikel meldt dat de meeste incidenten nog steeds plaatsvinden omdat de basis niet op orde is?5
Datalekken hebben vaak een systeem- en een menselijke component. Voor de systeem component kan Z-CERT, als de ICT brandweer, ondersteuning bieden bij een crisis en informatie delen en ter voorkoming van cyber incidenten informatie delen over relevante dreigingen en kwetsbaarheden van gebruikte systemen inzake dataveiligheid. Z-CERT is dan ook binnen deze context in gesprek met Jeugdzorg Nederland over wat zij voor elkaar kunnen betekenen. Door de risico gestuurde aanpak van Z-CERT gaan we opnieuw de mogelijkheden voor aansluiting onderzoeken. De aansluiting van Jeugdhulpaanbieders op Z-Cert kan dan op zijn vroegst in Q1 van 2021 starten.
Kijkt u nu anders naar de rol van het Ministerie van VWS als het gaat om het beter beveiligen van gegevens in de jeugdzorg?
Het Ministerie van VWS draagt ketenverantwoordelijkheid voor de dataveiligheid in het jeugddomein. Jeugdhulpaanbieders dragen echter zelf de verantwoordelijkheid voor het op orde houden van hun eigen dataveiligheid, ook indien er sprake is van een fusie en/of naamswijziging. Zodoende vragen wij de branches Jeugdzorg Nederland, VGN en GGZ-Nederland een voortrekkersrol te spelen op het gebied van informatiebeveiliging. Voor dataveiligheid zijn door het Rijk als ketenverantwoordelijke regels gesteld, zoals de wettelijk verplichte NEN 7510 norm. Bovendien zijn er toezichthouders, zoals de AP en de IGJ. Alle jeugdhulporganisaties dienen aan deze wettelijke vereisten te voldoen.
Hoeveel pentesten zijn er afgelopen half jaar gedaan door het Ministerie van VWS en hoeveel worden er de komende periode uitgevoerd?
In 2019 zijn er bij zes jeugdhulpaanbieders en Gecertificeerde Instellingen pentesten uitgevoerd en voor 2021 worden deze pentesten bij zes andere jeugdhulporganisaties uitgevoerd. De testen hebben plaatsgevonden bij grote jeugdhulporganisaties, omdat een datalek daar een impact zou kunnen hebben op een groot aantal cliënten.
Welke regels zijn er ten aanzien van ethisch hacken door derden, zoals journalisten, omdat hierbij inzage is in privacygevoelige gegevens?
Met het oog op het verminderen van kwetsbaarheden in ICT-systemen heeft het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) een Leidraad Coordinated Vulnerability Disclosure (CVD) opgesteld.6 Veel grotere Nederlandse organisaties hebben een eigen CVD gedragscode opgesteld en gepubliceerd op hun website. De organisatie geeft hiermee aan dat het is toegestaan – onder bepaalde randvoorwaarden – om de beveiliging van de ICT systemen van de organisatie ongevraagd te onderzoeken op mogelijke beveiligingsissues zonder dat er aangifte wordt gedaan. Als een ethische hacker zich houdt aan de gedragscode, zoals het niet publiceren van ingeziene data, zal de organisatie geen aangifte doen van computervredebreuk. Het vinden van kwetsbaarheden kan niettemin gepaard gaan met het overtreden van de wet. Als er aangifte wordt gedaan, is in Nederland het bestaan en naleven van CVD-beleid een relevante omstandigheid die de officier van justitie zal meenemen in zijn beslissing om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te laten stellen en/of te vervolgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het wetgevingsoverleg Jeugd van 23 november 2020 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Broertjes en zusjes blijven bij uithuisplaatsing niet altijd samen’. |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Broertjes en zusjes blijven bij uithuisplaatsing niet altijd samen»?1
Ja.
Kunt u de Kamer informeren over het onderzoek hoe nog beter dan nu het uitgangspunt gehanteerd kan worden dat broertjes en zusjes na een gedwongen uithuisplaatsing waar mogelijk samen geplaats kunnen worden (motie-Van Nispen/Hijink)?2
Het WODC gaat dit najaar onderzoek doen naar gescheiden plaatsingen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing. Hiermee wordt in kaart gebracht welk aandeel broers en zussen in de periode 2015–2020 bij een uithuisplaatsing niet bij elkaar geplaatst werd en wat daarvan de oorzaak was. De onderzoekers dienen daarbij een onderscheid te maken naar belemmeringen, bijv. er is geen pleeggezin beschikbaar dat meerdere kinderen tegelijk kan opvangen en contra-indicaties, bijv. een van de kinderen heeft gedragsproblemen, waardoor hij een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van zijn broer(s)/ zus(sen). Ook wordt gekeken in hoeverre het lukt om broers en zussen alsnog samen te plaatsen als instellingen hier bij de initiële uithuisplaatsing niet in geslaagd zijn. Tot slot gaan de onderzoekers na wat er nodig is om het aantal gescheiden plaatsingen terug te dringen. Het onderzoek moet in het najaar van 2021 afgerond zijn. Daarna wordt u geïnformeerd over de uitkomsten.
Zijn er in de praktijk formele belemmeringen bekend (bijvoorbeeld het in het artikel genoemde aantal slaapkamers) die wellicht nopen tot het hanteren van minder strikte voorschriften of creëren van mogelijkheden om van voorschriften af te wijken? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom worden broers en zussen in de praktijk dan toch nog gescheiden op andere gronden dan medische noodzaak?
Zie ook het antwoord op vraag twee. De onderzoekers gaan onder meer na welke oorzaken ten grondslag liggen aan het gescheiden plaatsen van broers en zussen en wat er nodig is om het aantal gescheiden plaatsingen terug te dringen.
Op welke wijze gaat u invulling geven aan de toezegging om effecten van maatregelen als ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in kaart te brengen?
De Erasmus Universiteit Rotterdam doet op dit moment een grootschalig onderzoek naar de effectiviteit van kinderbeschermingsmaatregelen, als onderdeel van het onderzoeksprogramma naar de intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen. De resultaten worden in 2022/2023 verwacht.
Bent u bereid daarbij ook te betrekken de effecten van het in voorkomende gevallen van het niet samen plaatsen van broertjes en zusjes?
Dit aspect maakt deel uit van het WODC-onderzoek.
Op welke wijze gaat u invulling geven aan de motie-Westerveld/Wörsdörfer die verzoekt om een plan van aanpak over hoe het aantal uithuisplaatsingen verminderd kan worden en meer gezinsgerichte hulp ingezet kan worden?3
In het VAO op 2 juli 2020 heeft de Minister van VWS u laten weten dat hij de motie niet heeft opgevat als een oproep om een heel nieuw plan te maken. Het streven is namelijk al om het aantal uithuisplaatsingen te verminderen en meer gezinsgerichte hulp in te zetten. Dat gebeurt binnen het programma Zorg voor de Jeugd. De cijfers laten het ook zien: het aantal uithuisplaatsingen daalt. Het aandeel kinderen dat naast een ondertoezichtstelling ook jeugdhulp met verblijf ontvangt neemt in de laatste jaren af; van 40 procent in 2016 naar 34 procent in 2019. We zijn dus al op de goede weg, maar het kan natuurlijk altijd beter. Hierover is de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overleg met de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ).
Bent u van mening dat de Jeugdwet aangepast zal moeten worden om te verzekeren dat uithuisplaatsingen waarbij broers en zussen gescheiden worden niet langer voorkomen, als dit niet in hun (medische) belang is?
Op dit moment geldt al het uitgangspunt dat broers en zussen bij een uithuisplaatsing bij voorkeur samen worden geplaatst, tenzij er redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. Dit is opgenomen in de Richtlijn uithuisplaatsing. Zoals beschreven wordt onderzoek gedaan naar de redenen waarom samen plaatsen niet mogelijk is en wat er nodig om het aantal gescheiden plaatsingen terug te dringen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek wordt nagaan hoe we het samen plaatsen van broers en zussen beter kunnen borgen.
Het bericht dat broertjes en zusjes vaak niet samenblijven bij een uithuisplaatsing. |
|
Maarten Hijink , Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Broertjes en zusjes blijven bij uithuisplaatsing niet altijd samen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Defence for Children en SOS Kinderdorpen zich genoodzaakt zien om opnieuw aandacht vragen voor de problematiek van gescheiden broers en zussen?
Het is goed dat Defence for Children en SOS Kinderdorpen aandacht blijven vragen voor de problematiek van gescheiden plaatsingen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing. Dit is voor mij ook een belangrijk thema. Een uithuisplaatsing is ontzettend ingrijpend voor alle betrokkenen, niet in de laatste plaats voor de kinderen/ broers en zussen die het betreft. Te meer wanneer samen plaatsen niet mogelijk is, terwijl dit in gegeven situaties wel de voorkeur heeft. Het WODC start dit najaar onderzoek naar de aard en omvang van de problematiek. Ook moet dit onderzoek inzicht geven in wat er nodig is om het aantal gescheiden plaatsingen terug te dringen.
Hoe staat het met het toegezegde onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) naar het aantal overplaatsingen van kinderen en het aantal gescheiden plaatsingen waar al in de motie over het samen plaatsen van broertjes en zusjes als uitgangspunt uit maart 2018 om wordt gevraagd? Wordt ook onderzocht en/of bijgehouden of broertjes en zusjes ook weer met elkaar worden herenigd na een bepaalde tijd?2 en 3
Het WODC gaat dit najaar onderzoek doen naar gescheiden plaatsingen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing. Hiermee wordt in kaart gebracht welk aandeel broers en zussen in de periode 2015–2020 bij een uithuisplaatsing niet bij elkaar geplaatst werd en wat daarvan de oorzaak was. De onderzoekers dienen daarbij een onderscheid te maken naar belemmeringen, bijv. er is geen pleeggezin beschikbaar dat meerdere kinderen tegelijk kan opvangen en contra-indicaties, bijv. een van de kinderen heeft gedragsproblemen, waardoor hij een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van zijn broer(s)/ zus(sen). Ook wordt gekeken in hoeverre het lukt om broers en zussen alsnog samen te plaatsen als instellingen hier bij de initiële uithuisplaatsing niet in geslaagd zijn. Tot slot gaan de onderzoekers na wat er nodig is om het aantal gescheiden plaatsingen terug te dringen. Het onderzoek moet in het najaar van 2021 afgerond zijn. Daarna wordt u geïnformeerd over de uitkomsten.
Houdt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) inmiddels bij hoe vaak kinderen worden overgeplaatst en hoe vaak broertjes en zusjes worden gescheiden? Is er een beeld van de ontwikkeling in de laatste jaren?
Nee, deze gegevens zijn bij het CBS niet beschikbaar.
In het voorjaar van 2019 heeft het Ministerie van VWS het CBS gevraagd in kaart te brengen hoe vaak jeugdigen die jeugdhulp met verblijf ontvangen wisselen van jeugdhulpvorm en van jeugdhulpaanbieder. Op basis van de beschikbare data van de Beleidsinformatie Jeugd kon dit niet achterhaald worden. Het CBS adviseerde om doorplaatsingen op lokaal niveau in kaart te brengen. De mogelijkheden hiervoor worden momenteel onderzocht en indien nodig kan het Ministerie van VWS hierin ondersteunen.
In het voorjaar van 2019 heeft het Ministerie van JenV het CBS tevens gevraagd in kaart te brengen of op basis van de Beleidsinformatie Jeugd, gecombineerd met de Basisregistratie Personen (BRP), achterhaald kan worden in welke mate broers en zussen gescheiden worden geplaatst bij een uithuisplaatsing. In het onderzoek bleek echter dat bij het overgrote deel van de uithuisplaatsingen in de BRP geen verhuizing was vastgelegd, waardoor niet kon worden vastgesteld in welke mate broers en zussen gescheiden worden geplaatst. Het CBS adviseerde de betrokken jeugdhulpinstellingen en Gecertificeerde Instellingen direct te bevragen om inzicht te krijgen in het aantal gescheiden plaatsingen van broers en zussen. Dit onderzoek besteedt het WODC zoals beschreven dit najaar uit.
Is bekend of kinderrechters en jeugdbeschermers vaker dan voorheen rekening bij het plaatsen van kinderen als voorwaarde stellen dat broertjes en zusjes samengeplaatst kunnen worden?
Bij een uithuisplaatsing hanteren jeugdbeschermers zoveel mogelijk het uitgangspunt dat broers en zussen gezamenlijk geplaatst worden, tenzij dit niet in het belang is van de broer(s)/zus(sen). Dit belang wordt ook door kinderrechters dikwijls onderstreept bij het afgeven van de machtiging uithuisplaatsing, welke overigens alleen maar kan worden afgegeven als dit in het belang van de verzorging en opvoeding van een kind noodzakelijk is. Het is mij bekend dat samen plaatsen niet altijd mogelijk is door bijvoorbeeld een tekort aan pleeggezinnen die meerdere kinderen tegelijk kunnen opvangen. Naar de aard en omvang van deze problematiek, alsmede hoe deze zich heeft ontwikkeld in de loop der jaren, wordt in mijn opdracht onderzoek gedaan.
Ontvangt u ook signalen over te hoge reiskosten van ouders waardoor zij hun kinderen nauwelijks kunnen bezoeken? Deelt u de mening dat reiskosten nooit een belemmering zou moeten zijn?
Bij een uithuisplaatsing heeft het kind recht op contact met zijn beide ouders, mits dit in het belang is van het kind. Reiskosten mogen nooit een belemmering zijn voor het contact tussen ouders en hun kind(eren). In de praktijk komt het voor dat ouders niet over voldoende middelen beschikken om te reizen naar de omgangslocatie. Gemeenten en Gecertificeerde Instellingen hebben over de vergoeding van deze bijzondere kosten afspraken gemaakt. Op grond van deze afspraken kunnen reiskosten van ouders voor bezoeken aan hun elders geplaatste (kind)eren, behoudens enkele voorwaarden zoals het inkomensniveau van ouders en de maximale hoogte van de vergoeding, worden vergoed door gemeenten.
Is er een mogelijkheid voor broertjes en zusjes die van elkaar zijn gescheiden om elkaar op te zoeken en hier een (onkosten-)vergoeding voor te regelen?
Ook hiervoor kan een beroep worden gedaan op de bijzondere kosten regeling, mits hierover in de regeling afspraken zijn gemaakt tussen gemeente en de Gecertificeerde Instelling. Naast onkosten spelen bij het contact tussen broers en zussen vooral ook praktische zaken. Denk hierbij aan (jonge) kinderen die niet zelfstandig kunnen reizen. Met het WODC-onderzoek moet er beter zicht komen op dit vraagstuk. Geïnventariseerd wordt ook wat de consequenties zijn voor het contact tussen broers en zussen bij gescheiden plaatsingen, hoe dit contact wordt gefaciliteerd en wat hierin beter zou kunnen.
Bent u voornemens om de positie van broertjes en zusjes steviger te verankeren in wetgeving, zoals de aangekondigde wet over de rechtspositie van jongeren? Zo nee, waarom niet?
Dit is vooralsnog niet het voornemen. Op dit moment geldt al het uitgangspunt dat broers en zussen bij een uithuisplaatsing bij voorkeur samen worden geplaatst, tenzij er redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. Dit is opgenomen in de Richtlijn uithuisplaatsing. Zoals beschreven wordt onderzoek gedaan naar de redenen waarom samen plaatsen niet mogelijk is en wat nodig om het aantal gescheiden plaatsingen terug te dringen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek wordt nagaan hoe we het samen plaatsen van broers en zussen beter kunnen borgen.
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling in het aantal pleeggezinnen en gastouders in de afgelopen tien jaar? Hoeveel nieuwe pleegouders komen er jaarlijks bij en hoeveel stoppen ermee? Heeft de coronacrisis effect op het aantal pleeggezinnen en gastouders?
Jeugdzorg Nederland verzamelt elk jaar, sinds 2010, kerncijfers over pleegzorg en publiceert deze in een factsheet.4 In de factsheet worden o.a. cijfers gepresenteerd over de in- en uitstroom van pleeggezinnen. Jaarlijks worden grofweg tussen de 2.500 en 3.000 nieuwe pleegouders geaccepteerd en stoppen zeer grofweg tussen de 2300 en 2800 pleegouders met het pleegouderschap. De laatste jaren is meestal sprake geweest van een (licht) positief saldo waarbij de instroom van nieuwe pleegouders hoger was dan de uitstroom. Uitzonderingen zijn 2016 (2.471 nieuwe pleegouders en 2.875 gestopt) en 2011 (2.853 nieuwe pleegouders en 3.088 gestopt).
De (mogelijke) invloed van de coronacrisis op het aantal pleegouders is nog niet bekend. De cijfers van 2020 zullen rond de zomer van 2021 worden gepubliceerd.
Kunt u aangeven wat er is gebeurd met de motie over financiële belemmeringen voor het pleegouderschap, die verzoekt om financiële belemmeringen weg te nemen voor pleegouders?4
Naar aanleiding van de motie wordt de handreiking pleegvergoeding6 en de inkoophandreiking pleegzorg7 van de VNG aangepast om zodoende de financiële situatie rondom het pleegouderschap te verduidelijken en de financiële belemmeringen voor pleegouders zoveel mogelijk weg te nemen.
Het testprotocol COVID-19 bij kinderen onder de 13 jaar |
|
Peter Kwint , Maarten Hijink |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Klopt het dat kinderen in de basisschoolleeftijd tot 13 jaar enkel op corona getest kunnen worden als zij daadwerkelijk klachten vertonen? Geldt dit ook voor klassen waar corona is vastgesteld?1 2
Worden jonge kinderen niet meer getest vanwege een gebrek aan testcapaciteit of is er een medische reden voor? Kunt u uw antwoord toelichten?
Klopt het dat in een week tijd vijftig procent meer coronagevallen werden geconstateerd in het onderwijs volgens het Scholenmeldpunt? Welke conclusies trekt u hieruit?3
Wat vindt u van de uitspraak van het Scholenmeldpunt dat de cijfers erop wijzen dat de coronarisico’s op scholen groter zijn dan het kabinet doet lijken?
Wat is uw reactie op de vrees van schoolleiders dat de achterstanden van leerlingen «rampzalig» kunnen worden, aangezien middelbare scholieren en docenten nog steeds moeten thuisblijven bij een loopneus, hoesten of andere verkoudheidsklachten?4
Ik heb begrip voor de zorgen van deze schoolleiders. Ik roep scholen op om, ook wanneer geen fysiek onderwijs plaats kan vinden, zich in te spannen om achterstanden bij leerlingen te voorkomen en de doorlopende leerlijn te volgen. Tegelijkertijd kunnen en zullen scholen niet aan het onmogelijke worden gehouden. Wanneer een leerling of docent vanwege COVID-19 symptomen thuis moet blijven, maar niet ziek is, wordt scholen gevraagd om zich in te spannen om een onderwijsaanbod te verzorgen dat een alternatief biedt voor fysiek onderwijs, binnen de grenzen van de redelijkheid. We doen ons best om scholen hierbij te ondersteunen, onder andere via lesopafstand.nl en met de tegemoetkoming in de kosten die scholen moeten maken voor bijvoorbeeld vervanging van docenten. Daarnaast is het sinds 21 september mogelijk voor leraren om zich met prioriteit te laten testen. Zo weten zij sneller of ze corona hebben en dus ook of ze weer fysiek onderwijs mogen geven. Met verschillende lopende onderzoeken brengen we de leerachterstanden in kaart. Dit beeld is nu nog niet compleet. Het is goed om in dit kader op te merken dat uw Kamer op 17 februari 2021 door de Minister van OCW en de Minister voor BVOM is geïnformeerd over het Nationaal Programma Onderwijs.6 Het kabinet heeft besloten om de komende twee en een half jaar in totaal € 8,5 miljard te investeren in het onderwijs om leerlingen en studenten te helpen zich optimaal te ontwikkelen, ondanks de coronacrisis en de gevolgen daarvan voor het onderwijs. Monitoring en evaluatie zijn belangrijke onderdelen van het programma, om ervoor te zorgen dat de achterstanden goed in beeld komen en de interventies effectief zijn.
Hoe gaan scholen op dit moment om met het geld dat is vrijgemaakt om onderwijsachterstanden tegen te gaan vanwege de sluiting van de scholen eerder dit jaar? Is dit nog voldoende, aangezien er nieuwe achterstanden ontstaat doordat groepen leerlingen opnieuw thuis komen te zitten? Zo nee, bent u bereid extra maatregelen te treffen om achterstanden bij leerlingen tegen te gaan?
De subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 biedt scholen extra financiële armslag om, in aanvulling op het reguliere onderwijsprogramma, extra onderwijs en ondersteuning aan te bieden aan leerlingen om leervertraging als gevolg van de scholensluiting vanwege de COVID-19-maatregelen weg te werken. Dat kan op verschillende manieren, scholen kunnen hierbij hun eigen afwegingen maken. Zo zijn er speciale zomer- of herfstschoolprogramma’s georganiseerd en wordt extra onderwijs en ondersteuning geboden na de reguliere lessen of in het weekend. Eind 2020 heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld om er voor te zorgen dat alle aanvragen voor deze subsidieregeling konden worden gehonoreerd. Er is echter meer nodig. Zoals in het antwoord op vraag 5 toegelicht hebben de Minister van OCW en de Minister voor BVOM op 17 februari 2021 het Nationaal Programma Onderwijs gepresenteerd. Dit programma gaat gepaard met een investering van € 8,5 miljard voor de komende twee en een half jaar.
Waarom zijn de GGD-cijfers over het aantal besmettingen op scholen niet openbaar?
Op regionaal niveau hebben GGD’en in beeld op welke scholen besmettingen zijn gemeld. Het RIVM heeft inzicht in alle besmettingsgevallen in Nederland, echter dit betreft andere type informatie dan de GGD lokaal gebruikt. Signalen over een ongewoon aantal zieken op scholen worden gemeld door scholen aan de GGD en door de GGD’en aan het RIVM. De informatie die gerapporteerd wordt aan het RIVM is echter niet op het detailniveau van een school, laat staan met naam en toenaam. Er is echter wel informatie op geaggregeerd niveau, die nodig is om uitspraken te doen over het landelijk beeld. Deze informatie gebruikt het OMT weer voor zijn adviezen.
Deelt u de mening dat het zeer belangrijk is centraal te registreren – uitgesplitst naar regio – wat de gevolgen zijn van het coronavirus en het ingestelde testbeleid voor het onderwijs en dit openbaar te maken, zodat er een betrouwbaar overzicht ontstaat en er tijdig maatregelen genomen kunnen worden indien noodzakelijk? Zo ja, op welke wijze gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is de gegevens centraal te registeren; dat doet het RIVM in Nederland. Daarin maken ze heel veel verschillende uitsplitsingen, onder andere per regio, maar ook per leeftijdsklasse. Uiteraard kijkt het RIVM daarbij naar veranderingen in het beleid en de effecten daarvan in de cijfers. Op deze manier kunnen er maatregelen genomen worden op het moment dat dit nodig is en kan het testbeleid worden bijgesteld, zoals beschreven in het antwoord op vragen 1, 2 en 3.
Wanneer wordt het onderzoek naar de overdraagbaarheid van het virus door kinderen en jongeren door het RIVM afgerond en kan de Kamer de resultaten hiervan tegemoet zien?5
Het onderzoek zoals uitgevoerd in het voorjaar van 2020 is afgerond. Het RIVM heeft de eerste resultaten na collegiale toetsing (peer review) gepubliceerd in het NTVG8, zoals ook vermeld staat op de website van het RIVM.9 Belangrijke conclusies van het onderzoek waren dat kinderen vaker geen of milde klachten hebben ten opzichte van volwassen bij het coronavirus en dat zij het virus minder vaak aan elkaar of aan volwassenen doorgeven dan bij het griepvirus (influenza) het geval is.
Het OMT heeft in haar advies van 5 februari 202110 ook aandacht besteed aan de verspreiding van de VK-variant van het virus onder kinderen. Daarbij geeft het OMT aan dat kinderen, net als alle andere leeftijdscohorten, door de VK-variant van het virus vaker besmet worden en waarschijnlijk ook besmettelijker zijn dan bij het klassieke, wildtypevirus het geval is. Daarom is het test- en thuisblijfadvies ook aangescherpt naar aanleiding van dit het 99ste OMT advies. Wel heeft OMT ook in het 98ste OMT-advies van 30 januari11 aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat kinderen wat betreft de VK-variant of het wildtypevirus de motor van de uitbraak zijn, zoals dat bij het griepvirus (influenza) wel het geval is.
Daarnaast doet het RIVM op verschillende manieren onderzoek naar de rol van kinderen in verspreiding van het virus, zoals de analyse van de meldingen van uitbraken. Er start binnenkort een onderzoek naar COVID-19 besmettingen op basisscholen. Uitgebreide beschrijvingen van de lopende en afgeronde onderzoeken zijn te vinden op de website van het RIVM.12
Het bericht ‘Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender»?1
Ja.
Klopt het dat de instroom in de jeugdzorg in het eerste kwartaal van 2020 is afgenomen met 30 procent? Zo ja, welke verklaringen heeft u voor deze afname?
CBS heeft onlangs een kwartaalupdate met gegevens over het eerste kwartaal 2020 met betrekking tot de arbeidsmarkt zorg en welzijn op AZW StatLine gepubliceerd en hierbij een nieuwsbericht uitgebracht waarin deze afname van 30% wordt gemeld. Echter, de in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche.
Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgwekkend. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 medewerkers in Q1 2020).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020.
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Deelt u de mening, ook van de FNV, dat het verminderen van de administratieve lasten in de jeugdzorg een deel van de oplossing zou kunnen zijn om personeelsverloop- en ziekteverzuim tegen te gaan?
Ja.
Wanneer en op welke wijze voert u de unaniem door de Kamer aangenomen motie-Wörsdörfer c.s. uit waarin u opdracht krijgt bij ministeriële regeling regels te stellen met als doel het aanzienlijk verminderen van de uitvoeringskosten en het stroomlijnen van de verantwoordingseisen en administratieve processen binnen de jeugdhulpsector?2
De afspraak uit het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg» is «dat VNG en VWS een project zullen starten om te komen tot een vereenvoudiging van productcodes met normen voor cliëntgebonden tijd, niet-cliëntgebonden tijd en reistijd.» Indien deze normen worden afgesproken zal dit als gevolg hebben dat bijvoorbeeld het bijhouden van een (digitale) agenda voor professionals voldoende is. Ik ben voornemens om de vereenvoudiging van de productcodes vast te leggen in een ministeriele regeling, streefdatum is 1 januari 2022.
Wat is de uitkomst van de gesprekken tussen de regering en gemeenten om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen met als doel een minimale uniformiteit tussen en binnen de 42 zorgregio’s zoals verzocht in de motie van 18 november 2019?3
De uitwerking om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen zit op meerdere vlakken. Zo richt de Norm van Opdrachtgeverschap van de VNG zich op zorgvuldigheidseisen bij inkoop, de verplichting tot het beperken van administratieve lasten en het gebruik van de i-standaarden. In het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» worden eisen gesteld aan de regionale samenwerking. Mijn wens om verantwoordingseisen voor de jeugdhulp op regionaal niveau te stroomlijnen, is verwerkt in dat wetsvoorstel.
Heeft u gesprekken gevoerd met branchepartijen over het verminderen van administratieve lasten van hun kant, zoals door de VVD-fractie gevraagd tijdens het wetgevingsoverleg Onderdeel Jeugd en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en J&V 2020 van 18 november 2019?4 Wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? In hoeverre monitort u de daadwerkelijke resultaten van deze gesprekken in de praktijk voor jeugdzorgmedewerkers? In hoeverre zullen nog meer van dit soort gesprekken plaatsvinden?
VWS heeft vanuit het programma Ontregel de Zorg en onder leiding van Rita Verdonk als speciaal adviseur voor de jeugdzorg, diverse gesprekken gevoerd met betrokken partijen over het verminderen van administratieve lasten en regeldruk, waaronder het stoppen met tijdschrijven. Dit heeft o.a. geresulteerd in de ondertekening van het convenant «Stoppen met tijdschrijven» door VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) op 11 juni 2020. Zo gaan werknemers en werkgevers in de CAO vastleggen dat er geen vermijdbaar tijdschrijven meer plaatsvindt. Gemeenten en jeugdhulpaanbieders hebben afgesproken geen vermijdbaar tijdschrijven meer op te nemen in de contracten inspannings- en output gericht. VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) hebben regelmatig overleg over de voortgang en monitoring van de afspraken uit het convenant.
Heeft u signalen ontvangen dat jeugdzorgmedewerkers graag meer inspraak in hun werkzaamheden willen hebben? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om de inspraak van jeugdzorgpersoneel te vergroten?
VWS is bekend met de wens van professionals om meer inspraak te hebben. Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
Het bericht ‘Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: 'Zo gaat het kapot’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: «Zo gaat het kapot?»1
Ja.
Wat is uw reactie op de nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat in de eerste drie maanden van dit jaar zich maar 3700 nieuwe werknemers hebben gemeld, ten opzichte van 5300 in het eerste kwartaal van 2019? Bent u het ermee eens dat deze daling van 30% zeer zorgwekkend is en oproept tot acute actie?
De in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche. Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgelijk. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 in Q1 2020 medewerkers).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020. Zie ook het antwoord op vraag 5, waarin de instroom in- en exclusief administratieve mobiliteit is weergegeven. Het is belangrijk dat mensen kiezen om in de jeugdzorg te werken en dat dat nog steeds met flinke aantallen gebeurt. Tegelijkertijd is het zorgelijk dat de instroom dit jaar lager is dan vorig jaar. Ik heb hier samen met het veld actie op ingezet, een gezamenlijke aanpak gericht op zowel het behoud van personeel als ook het vergroten van de instroom. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat gaat u op korte termijn doen om deze dalende instroom aan te pakken, wetende dat er al een groot tekort is aan jeugdzorgmedewerkers en dat de wachtlijsten oplopen?
Er is sprake van een krappe arbeidsmarkt Zorg en Welzijn- breed, een complex vraagstuk dat niet op korte termijn is opgelost. Meer personeel is zeker niet de enige oplossing, we zetten alles op alles om de mensen die in de jeugdzorg werken te behouden. Langs diverse sporen wordt ingezet op de aantrekkelijkheid van de jeugdzorg voor potentiële jeugdzorgwerkers.
In samenwerking met gemeenten, aanbieders, vakbonden en beroepsorganisaties nemen we actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Met het actieprogramma Zorg voor de Jeugd nemen we maatregelen die bijdragen aan het vakmanschap van professionals en het bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt. Met het actieprogramma Werken in de Zorg wordt gewerkt aan een aanpak voor de gehele sector zorg en welzijn. Met de brief van 15 september jl. hebben de Minister van VWS, de Minister voor Medische Zorg en Sport en ik uw Kamer geïnformeerd over de voorzetting en intensivering van deze brede aanpak3. In alle regio’s werken partijen samen aan instroom en behoud van medewerkers voor de sector. Daarnaast werkt VWS samen met de sector aan het terugdringen van administratieve lasten bij zorgaanbieders en professionals in de jeugdzorg. Rita Verdonk is hiervoor als speciaal adviseur van het programma Ontregel de Zorg aangesteld.
Aanvullend hierop werken Jeugdzorg Nederland, FNV en CNV, met ondersteuning van VWS en JenV, aan projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp. Tot eind 2022 heb ik hier een financiële bijdrage van € 2,4 miljoen voor beschikbaar gesteld. Vanuit de Arbeidsmarkttafel Jeugd lopen concrete projecten met werkgevers en professionals. Dat gaan we doen door goede ideeën en praktijken in de branche te benutten door ze op te halen, te versterken en te delen met anderen. Een van de projecten is gericht op het thema inwerken en begeleiden van nieuwe medewerkers. In dit specifieke project ligt de focus op drie manieren van inwerken en begeleiden die aantoonbaar werken in de praktijk. De werkzame inzichten worden breed gedeeld in de jeugdsector en werkgevers zullen gefaciliteerd worden om de inzichten concreet toe te passen. Andere projecten vanuit de arbeidsmarkttafel zijn gericht op modern werkgeverschap, een landelijke voorziening met loopbaanpaden en vacatures, het verminderen van agressie en arbeidsmarkteffecten van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)-registratie.
Heeft u in beeld waarom zo weinig mensen zich aanmelden als jeugdzorgmedewerker? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Kunt u een overzicht geven van het aantal mensen dat in de jeugdzorg werkt, de instroom en de uitstroom vanaf 2010? Wat zijn de gevolgen van de decentralisatie voor het personeelsbestand?
Wat is de loonkloof tussen de mediane werknemer en de bestuurders in de jeugdzorg?
VWS beschikt niet over deze gegevens.
Wat is de salarisontwikkeling van mensen die in de jeugdzorg werken over deze hele periode? Hoe verhouden de salarissen zich tot die van mensen met een vergelijkbare opleiding in andere sectoren?
Sinds 2010 zijn de cao-lonen in de jeugdzorg in totaal 15,5% gestegen.
1,25% per 1-11-2010
2% per 1-5-2012
2% per 1-10-2014
0,4% per 1-1-2015
1,85% per 1-1-2016
1,65% per 1-7-2017
2% per 1-7-2018
4% per 1-1-2020
Bron: CAO’s Jeugdzorg.
Het startsalaris van een jeugdzorgwerker D of activiteitenbegeleider (schaal 7) met een mbo-opleiding ligt tussen de € 2.299 en € 2.375. Dit is iets meer dan een hoofdagent (mbo 4) wiens startsalaris ongeveer tussen de € 2.060 en € 2.131 ligt7. Op hbo-niveau ligt het salaris van een startende jeugdzorgwerker C (schaal 8) tussen de € 2.403 en € 2.484. Een jeugdzorgwerker met hbo-opleiding kan doorgroeien naar de functie jeugdzorgwerker A (schaal 10); in die schaal ligt het startsalaris tussen € 2.833 en € 2.931. Het startsalaris van een jeugdzorgwerker C ligt iets lager dan dat van een startende leraar; die verdient tussen de € 2.678 en € 2.7478.
Volgens vakbond FNV worden jeugdzorgmedewerkers onderbetaald, is de werkdruk te hoog, zijn zij teveel tijd kwijt aan onnodige administratieve klussen en hebben zij te weinig inspraak in het te voeren beleid, bent u bereid om aan deze oorzaken iets te doen? Kunt u per oorzaak een antwoord sturen?
We hebben te maken met een grote arbeidsmarktopgave en hoog personeelsverloop voor de jeugdsector. Ik neem de zorgen van professionals als het gaat om salaris, werkdruk, regeldruk en administratieve lasten en inspraak bij hun organisaties – dan ook uiterst serieus. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de sector, van werkgevers, werknemers, gemeenten, brancheorganisaties en vakbonden om deze knelpunten aan te pakken.
Professionals verdienen dat ze goed worden toegerust voor hun belangrijke werk. En hier hoort ook een passende beloning bij. Hier hoort ook bij dat gemeenten faire tarieven betalen aan jeugdzorgorganisaties waardoor professionals meer tijd en ruimte krijgen om goede zorg te verlenen. Omdat er in de praktijk veel discussie is bij gemeenten en aanbieders hierover, ben ik voornemens om in een AMvB kostprijselementen van een redelijk tarief vast te leggen. Dit schept zowel voor gemeenten als aanbieders houvast.
De werkdruk binnen organisaties in de jeugdzorg is vaak hoog. Werkplezier en veerkracht zijn enorm belangrijk om het werk te kunnen en willen blijven doen. Kenmerken van goede werkgevers die medewerkers aan zich weten te binden zijn onder meer de inzet van voldoende personeel, aandacht voor de inzetbaarheid van medewerkers en aandacht voor de ontwikkeling van medewerkers. Vanuit de Arbeidsmarkttafel brengen we de werkzame elementen van goed werkgeverschap in beeld en delen we de kennis over wat werkt binnen de sector.
Met landelijke en regionale schrapdagen werken we aan het terugdringen van regeldruk en administratieve lasten. Voor de zomer zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met gemeenten, werkgevers en vakbonden over het stoppen van vermijdbaar tijdschrijven in de jeugdzorg. Afgesproken is dat gemeenten voortaan bij nieuwe contracten geen verplichting meer zullen opnemen tot vermijdbaar tijdschrijven. Werknemers en werkgevers gaan hier ook afspraken over maken in de CAO.
Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
Vanuit het actieprogramma Werken in de Zorg wordt zorg breed gewerkt aan het terugdringen van de personeelstekorten in de zorg, zoals die in de jeugdbranche. Met de brief van 15 september jl. hebben de Minister van VWS, de Minister voor Medische Zorg en Sport en ik uw Kamer geïnformeerd over de voortzetting en intensivering van de brede aanpak van de arbeidsmarktknelpunten. Deze aanpak richt zich onder meer op de waardering en zeggenschap van professionals, het verminderen van werkdruk en administratieve lasten.
Kunt u aan jeugdzorginstellingen uitleggen hoe zij hun roosters nog rond moeten krijgen, aangezien ook de uitstroomcijfers van jeugdzorgmedewerkers zeer hoog zijn, met een lage instroom en hoge uitstroom?
Ik kan me goed voorstellen dat het ingewikkeld is om in tijden van groot verloop van personeel de roosters rond te krijgen. Ik heb veel waardering en respect voor de wijze waarop zorgaanbieders continuïteit van zorg bieden.
Komen op het ministerie signalen binnen van jeugdzorginstellingen die acute personeelstekorten hebben? Zo ja, wat doet u hiermee?
VWS spreekt regelmatig jeugdzorginstellingen, gemeenten, professionals en brancheorganisaties over de arbeidsmarktsituatie van de jeugdzorg. Jeugdzorginstellingen zien in toenemende mate dat het krijgen en behouden van goed gekwalificeerd personeel lastig is vanwege krapte op de arbeidsmarkt. Er zijn bij VWS geen signalen bekend van jeugdzorginstellingen die acute personeelstekorten hebben. Ook uit navraag bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Jeugdautoriteit is dit niet gebleken.
Hoe zorgt u ervoor dat kinderen in de jeugdzorg niet de dupe worden van dit tekort aan medewerkers? Kunt u garanderen dat hierdoor geen gevaarlijke situaties ontstaan?
Als je zorg nodig hebt zijn een vertrouwd gezicht en continuïteit van professionals belangrijk. Werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor het leveren van goede zorg en de inzet van voldoende personeel. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van de jeugdzorg. De IGJ informeert mij indien zij handhavend optreedt wanneer de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid bij een specifieke jeugdzorgaanbieder in het geding is.
Rookvrije ruimte om op te groeien |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Gezondheidsfondsen voor Rookvrij waaruit blijkt dat steeds meer Nederlanders pleiten voor rookvrije speeltuinen, kinderboerderijen en sportterreinen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het onderzoek.
Loopt de situatie in de praktijk achter op het draagvlak dat er al is? Deelt u de mening dat dit een momentum is om een grote stap richting een rookvrije omgeving voor kinderen te zetten?
In het Nationaal Preventieakkoord zijn afspraken gemaakt met diverse partijen om te komen tot een Rookvrije Generatie in 2040. De betrokken partijen hebben zich ook gecommitteerd aan acties om stappen te zetten richting rookvrije omgevingen voor kinderen. Ik deel de mening dat dit een momentum is om een grote stap te zetten. De kracht van de Rookvrije Generatie is de positieve insteek en het daarmee verbonden brede maatschappelijke draagvlak. Ik zie dat maatschappelijke organisaties erin slagen om samen met de steun van lokale vrijwilligers speel-, sport- en recreatieterreinen rookvrij te maken. Dit jaar werd de hele samenleving geraakt door de gevolgen van COVID-19. De maatregelen die zijn genomen om COVID-19 te bestrijden, hebben grote impact gehad op heel veel partijen die betrokken zijn bij het Nationaal Preventieakkoord. Ook op de voortgang van de doelstellingen met betrekking tot de rookvrije kindomgevingen. Kinderboerderijen, speeltuinen en sportverenigingen sloten de deuren en werden gedwongen na te denken over het herinrichten van de terreinen. Desondanks zijn de betrokken veldpartijen volop gemotiveerd om alsnog de nodige stappen te zetten richting een rookvrije omgeving voor kinderen. De draagvlakcijfers gepubliceerd door de Gezondheidsfondsen voor Rookvrij (GvRV) zullen deze beweging versterken.
Klopt het dat elke week honderden kinderen verslaafd raken aan roken?
In 2017 startten 75 kinderen per dag met roken. Uit het onderzoek Jeugd en Riskant Gedrag 2019 van het Trimbos-instituut blijkt dat 1,8% van de leerlingen van 12 tot en met 16 jaar dagelijks rookt en verslaafd is. Ook blijkt uit het onderzoek dat de prevalentie van roken onder jongeren niet is veranderd vergeleken met 2017. Ik vind het zeer jammer dat de daling van de prevalentie in 2019 lijkt te stagneren. In het Nationaal Preventieakkoord hebben we ons voor 2020 tot doel gesteld dat het aantal jongeren dat start met roken is gehalveerd (van 75 per dag naar minder dan 40). Om daar te komen zetten we in op een rookvrije omgeving voor kinderen. Het kabinet heeft hiervoor samen met diverse partijen een pakket aan maatregelen en acties afgesproken. Een belangrijk onderdeel van het pakket aan maatregelen focust op het ontmoedigen van roken onder jongeren. Dit is in 2019 ingezet en moet leiden tot het verder terugdringen van prevalentie onder jongeren. De gevolgen van Covid-19 hebben echter ook impact op bovengenoemde doelstelling en kunnen leiden tot een vertraging van de voortgang.
Kunt u aangeven of de doelstelling in het Nationaal Preventieakkoord dat in 2020 alle kinderboerderijen rookvrij zijn behaald is?2
Het aantal rookvrije kinderboerderijen op dit moment is 213. In totaal zijn er 400 kinderboerderijen in Nederland. De gevolgen van COVID-19 hebben impact gehad op de ingezette koers om alle kinderboerderijen in 2020 rookvrij te maken. Voor de komende maanden heeft KinderboerderijenActief, aanjager voor rookvrije kinderboerderijen en ondertekenaar van het Nationaal Preventieakkoord, nog diverse acties gepland om de kinderboerderijen te ondersteunen om rookvrij te worden. De verwachting is dat alle kinderboerderijen in het eerste kwartaal van 2021 rookvrij zijn.
Is de doelstelling in het Nationaal Preventieakkoord dat 75% van de speeltuinen in 2020 rookvrij zijn gehaald? Waarom is het geheel rookvrij maken nog niet gelukt voor plekken die expliciet bedoeld zijn voor kinderen om zorgeloos te spelen?3
Meer dan 50% van de speeltuinen is op dit moment rookvrij. De NUSO, branchevereniging voor speeltuinen en ondertekenaar van het Nationaal Preventieakkoord, zet zich in om de doelstelling dat 100% van de speeltuinen in 2020 rookvrij te behalen. COVID-19 heeft ook voor de speeltuinen de nodige gevolgen gehad. De verwachting is dat alle speeltuinen in 2021 rookvrij zijn.
Deelt u de mening dat – nu het draagvlak voor het rookvrij maken van speeltuinen zelfs op 91% ligt – er doorgepakt moet worden om alle speeltuinen rookvrij te maken voor het einde van 2020?
De draagvlakcijfers zijn een stimulans voor speeltuinen. De NUSO zet zich de komende maanden in om speeltuinen te ondersteunen bij het rookvrij worden. Zo zal er contact worden opgenomen met speeltuinen die nog niet rookvrij zijn om te achterhalen wat zij nodig hebben. Er wordt ondersteuning aangeboden in de vorm van materialen zoals bordjes en flyers, persoonlijk advies en begeleiding. In samenwerking met KinderboerderijenActief worden ook twee digitale bijeenkomsten georganiseerd voor speeltuinen en kinderboerderijen. Zie verder antwoorden 2 en 5.
Is de doelstelling van 2.500 rookvrije sportverenigingen in 2020 (in 2025 moeten nagenoeg alle sportverenigingen rookvrij zijn) gehaald? Kunt u aangeven wat de knelpunten zijn waarom nu al niet nagenoeg alle sportverenigingen rookvrij zijn?
Uit onderzoek van het Mulier instituut blijkt dat 17% van sportverenigingen met een eigen kantine rookvrij zijn. Dat zijn ongeveer 2300 sportverengingen.4 De sportbonden zijn medeondertekenaar van het Nationaal Preventieakkoord en zetten zich in om bovengenoemde doelstelling te behalen. Eind dit jaar zal er een enquête worden uitgezet door de sportbonden bij de sportverenigingen inzake rookvrij beleid. De resultaten van de enquête zullen meer inzicht bieden in de huidige stand van zaken en eventuele knelpunten.
De tijdens de persconferentie de dato 6 augustus 2020 aangekondigde aanvullende maatregelen voor studenten- en studieverenigingen. |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
Kunt u uitleggen waarom er wezenlijk verschillende maatregelen worden getroffen ten opzichte van introductieactiviteiten van algemene studentenverenigingen (de zogeheten «gezelligheidsverenigingen») enerzijds en introductieactiviteiten van studieverenigingen en studentensportverenigingen anderzijds?
Het kabinet wilde maatregelen nemen om het toenemende aantal besmettingen onder jongeren te beperken en voorzag daarbij een specifiek risico met de organisatie van alle introductieactiviteiten voor nieuwe studenten van mbo, hbo en wo aan het begin van het nieuwe studiejaar. Het kabinet heeft daarom besloten die bijeenkomsten zoveel mogelijk te verbieden en alleen onder strikte voorwaarden fysieke bijeenkomsten mogelijk te maken als die bijeenkomsten gericht waren op studie of sport.
Na overleg met het Veiligheidsberaad op 17 augustus jl. is besloten om ook studentenverenigingen de gelegenheid te geven om kleinschalige fysieke introductiebijeenkomsten te organiseren (mits deze gericht zijn op kennismaking, sport, studie, er geen alcohol wordt gedronken en activiteiten niet plaatsvinden tussen 22:00 en 6:00). Voor activiteiten bij studentenverenigingen geldt dat deze eerst goedgekeurd dienen te worden door de onderwijsinstelling of de veiligheidsregio.
Kunt u uitleggen waarom er tijdens activiteiten van studieverenigingen en studentensportverenigingen kennelijk minder kans bestaat op verspreiding van COVID-19 dan tijdens activiteiten van algemene studentenverenigingen?
Tijdens alle bijeenkomsten is er een risico op besmetting. Het kabinet heeft ervoor gekozen een beperkt risico te accepteren voor kleinschalige bijeenkomsten gericht op kennismaking, studie en sport, omdat het kabinet dit belangrijke activiteiten vindt voor aankomende studenten.
Kunt u uitleggen waarom het verspreidingsrisico onder eerstejaarsstudenten met de leeftijd van achttien jaar kennelijk groter is dan het verspreidingsrisico onder middelbare scholieren met diezelfde leeftijd, welke in groepsverband les krijgen en activiteiten verrichten in vaak slecht geventileerde lokalen en waarbij de afstand van anderhalve meter dikwijls niet haalbaar is?
Het is niet zo dat het risico om besmet te raken ineens sterk toeneemt als iemand van 18 jaar van het voortgezet onderwijs doorstroomt naar vervolgonderwijs. Bij de infectieziektebestrijding kijken we echter ook naar groepsgerichte maatregelen, waarmee we niet elk risico op besmetting uitsluiten, maar de grootste risico’s. De start van het nieuwe studiejaar met veel introductiebijeenkomsten acht het kabinet zo’n groot risico.
Ziet u in dat de aanvullende maatregelen voor onduidelijkheid en onbegrip bij studenten kunnen zorgen, daar er wezenlijk geen onderscheid valt te maken tussen activiteiten van algemene studentenverenigingen enerzijds en activiteiten van studie- en studentensportverenigingen anderzijds?
Ja. Het kabinet heeft inmiddels besloten algemene studentenverenigingen meer mogelijkheden te bieden.
Bent u bereid de introductieactiviteiten van algemene studentenverenigingen wel doorgang te laten vinden, indien betreffende verenigingen vooraf een uitgebreid veiligheidsprotocol kunnen overleggen? Indien nee, waarom niet?
Inmiddels heb ik na overleg met de voorzitters van de veiligheidsregio’s besloten om kleinschalige bijeenkomsten van studentenverenigingen mogelijk te maken, mits zij aan dezelfde strikte voorwaarden voldoen als de andere introductiebijeenkomsten voor nieuwe studenten.
Deelt u de mening dat het beter is om introductieactiviteiten volgens een gecontroleerd protocol te laten plaatsvinden dan ongecontroleerd? Indien ja, heeft u het risico meegewogen dat jongeren mogelijk toch zelf iets gaan organiseren, maar dan buiten het zicht van de overheid?
Ja, dat heeft het kabinet meegewogen. In geval van excessen, zouden de veiligheidsregio’s op basis van de huidige noodverordeningen ook mogelijkheden hebben om op te treden tegen andere bijeenkomsten waar onvoldoende wordt gelet op de veilige afstand en de hygiënemaatregelen.
Heeft u overwogen om de introductieactiviteiten van algemene studentenverenigingen toch doorgang te laten vinden, met diezelfde restricties als bij de introductieactiviteiten van studie- en studentensportverenigingen? Indien nee, waarom niet? Indien ja, waarom heeft u dan toch besloten de introductieactiviteiten van algemene studentenverenigingen in het geheel te verbieden?
Naar aanleiding van het overleg met de voorzitters veiligheidsregio’s op 17 augustus jl. heb ik besloten om ook studentenverenigingen de mogelijkheid te bieden om kleinschalige bijeenkomsten te organiseren gericht op kennismaking, studie en sport, mits de bijeenkomsten zijn geaccordeerd door een onderwijsinstelling of veiligheidsregio, er geen alcohol genuttigd wordt bij de bijeenkomsten en de bijeenkomsten niet plaatshebben tussen 22.00 en 06.00u. De studentenverenigingen kunnen daarvoor een ontheffing aanvragen bij de veiligheidsregio.
Loodvergiftiging van kinderen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat een op de drie kinderen in de wereld loodvergiftiging heeft?1
Ja.
Is het waar dat in Nederland 60 duizend kinderen loodvergiftiging hebben opgelopen? Wat zijn daarvan de oorzaken? Welke rol spelen loden leidingen hierin?
Het aantal van 60 duizend kinderen wordt gerapporteerd in het UNICEF/Pure Earth rapport dat is verschenen op 30 juli 20202 (exacte aantal 58.886 zoals opgegeven in de Annex bij dat rapport). Bij deze kinderen zou het loodgehalte in het bloed ≥50 μg/liter zijn. In het rapport is niet gemeld dat 7.600 kinderen meer dan 10 microgram lood in het bloed hebben, maar 10 μg/deciliter ofwel 100 μg/liter.
De herkomst van deze getallen is onduidelijk. De in het rapport genoemde website ghdx.healthdata.org levert een verwijzing op naar een internationaal onderzoek uit 1967.3 Het is bekend dat in die periode de concentraties lood in bloed veel hoger waren dan tegenwoordig omdat destijds lood veel meer werd toegepast (onder andere in loden waterleidingen en als antiklopmiddel in benzine).
De meest recente Nederlandse metingen van lood in het bloed van kinderen komen volgens de informatie van het RIVM uit het jaar 2005.4 Dit onderzoek werd uitgevoerd in de binnenstad van Rotterdam en liet een gemiddelde concentratie zien van 18,1 μg/liter (range 5–103 μg/liter). In eerder onderzoek uit de jaren negentig van de vorige eeuw in de binnensteden van Amsterdam en Rotterdam was het gemiddelde 64 μg/liter.5 Dit illustreert de dalende trend in loodconcentraties in bloed sinds de introductie van beperkende maatregelen in de toepassing van lood. De grootste winst is behaald door de stopzetting van het gebruik van lood in benzine. Ook het verbod op het gebruik van loden drinkwaterleidingen in 1960 heeft een belangrijke bijdrage geleverd. Naast blootstelling via nog steeds aanwezige loden drinkwaterleidingen vindt blootstelling plaats via onder andere voedsel en bodem.
Klopt het dat 7.600 kinderen meer dan 10 microgram lood in het bloed hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Beseft u dat kinderen ernstig ziek kunnen worden van lood in het bloed, dat IQ’s kunnen dalen, schoolprestaties kunnen afnemen en ernstige fysieke klachten kunnen ontstaan?
De schadelijke effecten van lood zijn beschreven in tal van wetenschappelijke publicaties en rapporten. Internationale organisaties zoals de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en EFSA (European Food Safety Authority) hebben de gezondheidseffecten geëvalueerd en hebben gezondheidskundige normen voor de inname van lood afgeleid. Het RIVM heeft adviezen uitgebracht over de gevolgen voor de gezondheid van het voorkomen van lood in voedsel, drinkwater, bodem en consumentenproducten. Zoals al sinds lang duidelijk is, is het gevoeligste effect door lood neurologisch van aard en zijn daarvoor kinderen een speciaal gevoelige groep omdat hun zenuwstelsel nog in ontwikkeling is. In het signaleringsadvies van de Gezondheidsraad «Loodinname via kraanwater» is dit eveneens samengevat.6
Waarom duurt het zo lang voordat u eindelijk ingrijpt en de loden leidingen verbiedt?
Op 2 juli 2020 heb ik samen met mijn collega’s van Infrastructuur en Waterstaat en voor Medische Zorg en Sport uw Kamer een brief gestuurd over de acties ten aanzien van lood in drinkwater.7 In deze brief is aangegeven dat voor een verbod op loden leidingen in het Bouwbesluit om een aantal redenen niet is gekozen. In de jaarlijkse rapportage over de ontwikkelingen en de voortgang van saneringen zal de voortgang van de maatregelen worden gevolgd. In de brief heb ik aangegeven dat mocht uit die rapportage blijken dat men onvoldoende uit de voeten kan met het bestaande en nog te ontwikkelen instrumentarium, ik zal bezien of het zinvol is om alsnog een verbod op loden leidingen voor alle woningeigenaren in te stellen.
Bent u bereid te komen met een wettelijke verplichting om op korte termijn alle loden leidingen in Nederland te verbieden?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kunnen ouders en kinderen ervan uitgaan dat water uit de kraan weer voor iedereen veilig te drinken is?
Woningen die zijn gebouwd voor 1960 kunnen loden leidingen bevatten. Het wordt aangeraden om alle loden waterleidingen te (laten) vervangen. Zolang de leidingen niet zijn vervangen adviseert de Gezondheidsraad aan bewoners om voor zwangeren, flesgevoede kinderen en jonge kinderen tot een jaar of zeven flessenwater te gebruiken. Bij nieuwbouwwoningen adviseert de Gezondheidsraad dat jonge gezinnen gedurende de eerste maanden na installatie de kraan steeds na enkele uren stilstand doorspoelen voorafgaand aan consumptie. Bij twijfel over de aanwezigheid van lood in het drinkwater raadt zij aan om metingen te doen.
De consultatie van de Wet houdende wijziging van de Jeugdwet en enige andere wetten |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Rens Raemakers (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich het laatste algemeen overleg Jeugd van 23 juni 2020?
Ja, ik herinner me het algemeen overleg van 23 juni en ik herinner me de uitspraak. Het streven is altijd geweest om het wetsvoorstel deze zomer in consultatie te laten gaan, zoals ook is toegezegd in de Kamerbrief over Perspectief voor de jeugd van 20 maart1 en 17 juni2 en ook is besproken in alle overleggen en bijeenkomsten met partijen in het afgelopen half jaar. Op 23 juni was nog niet helemaal duidelijk of dat ook echt zou lukken, vandaar de slag om de arm.
Herkent u het citaat: «Ik hoop de wet in consultatie te kunnen laten gaan na de zomer. Dat was de eerste vraag van de heer Wörsdörfer. Ik hoop die wet in consultatie te laten gaan na de zomer.»?
Zie antwoord vraag 1.
Was het u op 23 juni 2020 nog onbekend dat de consultatie zou starten op 10 juli 2020? Zo nee, waarom heeft u, nota bene desgevraagd, niet verteld dat de consultatie niet na de zomer maar al op 10 juli 2020 zou starten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het feit dat de consultatieperiode vrijwel geheel samenvalt met de vakantieperiodes in regio’s noord, zuid en midden?
Ja, dat is mij bekend. Daarom is de consultatieperiode ruim 8 weken (dus tot en met 6 september).
Vindt u dat gemeenten en anderen zo voldoende tijd, kans en ruimte hebben om op de wetsvoorstellen te reageren?
In het afgelopen jaar zijn de contouren van dit concept wetsvoorstel gedeeld en besproken met vele partijen. Hierbij is aangegeven dat het streven was om het wetsvoorstel in de zomer van 2020 in consultatie te laten gaan, zodat daarmee rekening kon worden gehouden. Daarnaast is gekozen om de consultatie voor 8 weken open te stellen zodat alle partijen gelegenheid hebben om op de voorstellen te reageren.
Bent u van plan, nu de consultatie in de vakantieperiode is gestart, om extra aandacht te genereren voor de mogelijkheid te reageren op het betreffende wetsvoorstel?
Alle personen en partijen die in het afgelopen jaar op één of andere wijze zijn betrokken bij de totstandkoming van het concept wetsvoorstel zijn persoonlijk geïnformeerd over de consultatie. Daarnaast is er op meerdere communicatiekanalen aandacht gevraagd voor de consultatieperiode van het concept wetsvoorstel. Ik zal de oproep om te reageren in de komende weken herhalen.
Bent u bereid de consultatieperiode eventueel te verlengen, als blijkt dat gemeenten of andere betrokkenen in tijdnood komen om een gedegen reactie te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik wil graag dit najaar nog met uw Kamer bespreken hoe ik met de opbrengst uit de consultatie wil omgaan en ben daarom niet van plan om de consultatieperiode in zijn algemeenheid te verlengen.
De uitzending van het televisieprogramma Op1 over ouders die hun meervoudig gehandicapte kind verzorgen en verplegen en worden gekort op hun pgb-budget |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de uitzending van Op1 over ouders die hun meervoudig gehandicapte kind thuis verzorgen en worden gekort op hun pgb-budget?1
De uitzending van Op1 toonde de enorme inzet van ouders om de zorg voor hun kind geregeld te krijgen. Ik heb daar veel bewondering voor. En het spreekt voor zich dat het het mooiste is als een kind goede zorg in zijn eigen veilige thuisomgeving kan ontvangen.
Welke van de concreet door deze ouders genoemde voorbehouden handelingen vindt u dat onder gebruikelijke zorg vallen? Welke niet? Gaarne een volledige opsomming van de in de uitzending genoemde voorbeelden.
Een oordeel vellen over welke verpleegkundige handelingen kunnen vallen onder ouderlijke zorg (voorheen gebruikelijke zorg) is aan de beroepsgroep. Dat is namelijk onderdeel van de beroepsnorm. Zoals bij alle Zvw-zorg gaan de beroepsgroepen zélf over de beroepsnormen. Ik vind de zelfstandigheid van de beroepsgroepen een groot goed en respecteer die. Bovendien heb ik niet de verpleegkundige kennis en expertise om te oordelen over verpleegkundige handelingen.
Meer in zijn algemeenheid kan ik wel herhalen wat ik hier al eerder over heb gezegd2, namelijk dat bij het indiceren het onderscheid an sich tussen enerzijds risicovolle of voorbehouden handelingen (die in de wet BIG genoemd staan) en anderzijds niet-voorbehouden handelingen niet relevant is. Als een kind zorg nodig heeft in de eigen omgeving (voorbehouden handelingen of niet-voorbehouden handelingen), dan kan een verpleegkundige die zorg leveren en dat kan dan ook onder de Zvw vallen. Vervolgens kan de verpleegkundige de ouders en/of het kind instrueren/begeleiden om de handeling zelf uit te voeren, bijvoorbeeld via de leeromgeving van Ouder-Kind-Educatie (OKE). Ook dat kan onder de Zvw vallen. Als ouders en/of kind bekwaam zijn geworden om de handeling zelf te doen, hoeft deze in principe niet meer onder de Zvw te vallen. Maar, let wel, dit is afhankelijk van de context. Er zal afgewogen worden in hoeverre ouders en/of kind zijn geëquipeerd om de zorg te verlenen, ze in de praktische omstandigheid zijn om dat geregeld te doen etc. Voor de leveringsvorm van het pgb geldt uiteraard dat een budgethouder ervoor kan kiezen om informele zorgverleners in te zetten om de geïndiceerde zorg te leveren. Bij een pgb is de inzet van de zorg de verantwoordelijkheid van de budgethouder, daar gaat de indicerend verpleegkundige niet over.
Wat «normale» ouderlijke zorg is, is dus voor elke situatie en gezin anders. Dit wordt door de indicerend verpleegkundige bekeken bij de indicatiestelling, vanuit de eigen professionaliteit en autonomie, volgens het verpleegkundig proces. Het betreft altijd maatwerk en kan waar noodzakelijk elk moment worden bijgesteld.
Hoe kan het dat we verpleegkundigen opleiden voor voorbehouden handelingen en hen opnemen in het BIG-register, terwijl u van ouders van meervoudig gehandicapte kinderen verwacht dat zij deze verpleegkundige handelingen zelf voor hun rekening nemen? Als dit niet uw bedoeling is, hoe zet u dit recht?
Zie hiervoor ook mijn antwoord bij vraag 2. Het is afhankelijk van de context. Er zal afgewogen worden in hoeverre ouders en/of kind zijn geëquipeerd om de zorg te verlenen, ze in de praktische omstandigheid zijn om dat geregeld te doen etc. Voor de leveringsvorm van het pgb geldt uiteraard dat een budgethouder ervoor kan kiezen om informele zorgverleners in te zetten om de geïndiceerde zorg te leveren.
Als blijkt dat ouders deze zorg niet willen of kunnen leveren, dan blijft er een aanspraak op de Zvw bestaan, en wordt deze zorg dus geleverd en vergoed vanuit de Zvw. Het betreft altijd maatwerk en kan waar noodzakelijk elk moment worden bijgesteld.
Denkt u dat ouders deze intensieve zorg thuis kunnen combineren met een (full-time) baan? Zo nee, waarom worden zij dan zo in de problemen gebracht? Zo ja, hoe dan?
Dat is afhankelijk van de situatie, en aan de kinderverpleegkundige om bij de indicatiestelling te beoordelen. Als ouders in staat zijn de zorg zelfstandig te bieden en als de draagkracht/draaglast in balans is, dan is de inzet van een kinderverpleegkundige niet nodig, en wordt er dus geen zorg geïndiceerd. Maar als blijkt dat ouders deze zorg niet willen of kunnen leveren bijvoorbeeld door het hebben van een (full-time) baan, dan wordt deze zorg dus geleverd en vergoed vanuit de Zvw (via zorg in natura of via pgb). Het betreft altijd maatwerk en kan waar noodzakelijk elk moment worden bijgesteld. Als er gekozen wordt voor een pgb kan de budgethouder ervoor kiezen om informele zorgverleners in te zetten voor de geïndiceerde zorg.
Waarom voorkomt u niet dat deze ouders, die thuis de klok rond intensieve zorg verlenen aan hun kind, gekort worden op hun financiële ondersteuning?
Ik kan, zoals ik al meermalen aangegeven heb, niet oordelen over de inhoud van individuele casussen, omdat ik daar de (verpleegkundige) kennis en expertise niet voor heb. Bovendien past het niet in de rol- en bevoegdheidsverdeling om als Ministerie van VWS een standpunt in te nemen in individuele casuïstiek. De geschilleninstantie Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) is de instantie die duidelijkheid kan geven en kan oordelen over de inhoud van een casus. Mochten ouders geen duidelijkheid kunnen krijgen van hun zorgverzekeraar en/of het oneens blijven met het besluit van een zorgverzekeraar, dan kunnen ouders dus hun geschil laten beoordelen door de SKGZ. Het advies van de SKGZ is bindend. Het SKGZ is de instantie die het Zorginstituut om een advies kan vragen. Het Zorginstituut geeft dan advies over de casus aan het SKGZ.
Er is de afgelopen maanden al veel gezegd en geschreven over dit onderwerp. Ik heb gezien dat partijen proberen te werken aan oplossingen, en ik zal dit proces blijven volgen, faciliteren en aanjagen waar nodig, waarbij ik de verdeling van verantwoordelijkheden goed in het oog zal houden. Het is immers niet wenselijk dat ik als Minister op de stoel van de kinderverpleegkundige ga zitten. Het is wel wenselijk dat er op korte termijn duidelijkheid komt voor alle betrokken partijen.
Om hoeveel ouders gaat het? Hoeveel ouders zijn recentelijk of worden binnenkort gekort?
We weten dat in 2019 1.953 kinderen een Zvw-pgb krijgen. Dit zijn zowel kinderen met een hele intensieve zorgvraag, met grote indicaties als ook kinderen met een kleinere zorgvraag, en dus kleinere indicaties. Bij verreweg het grootste gedeelte van deze groep zijn er geen problemen.
Er is een groep kinderen waar het niet goed loopt. Van belangenorganisaties krijgen we signalen dat het niet goed gaat bij een beperkt aantal gezinnen. Ik heb naar aanleiding van het AO wijkverpleging van 4 maart gevraagd om mij die casussen toe te sturen zodat wij de rode draad van deze casussen konden analyseren. Er zijn tot dusver slechts 4 casussen ingestuurd die we hebben geanalyseerd en daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 8 juni jl.3
Daarnaast heb ik aan zorgverzekeraars gevraagd, hoe vaak zij zijn benaderd om maatwerk te leveren in het kader van de afspraken die wij in februari hebben gemaakt met ZN, V&VN en Per Saldo4. Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat er niet veel gebruik hoeft te worden gemaakt van deze afspraak, omdat zorgverzekeraars bij onduidelijkheden in een indicatie contact opnemen met de wijkverpleegkundige en/of de verzekerde en er vervolgens vaak een oplossing wordt gevonden.
Deelt u de mening van de zorgverzekeraars dat medicatie toedienen bij deze ernstig zieke kinderen vergeleken kan worden met het toedienen van een paracetamolletje aan een kind van 6/7 jaar? Zo ja, waarom denkt u dat? Zo nee, hoe maakt u de verzekeraars duidelijk dat dit niet de bedoeling is?
Bij mijn weten is er geen enkele zorgverzekeraar die daar op die manier naar kijkt. Deze situaties kunnen alleen door een verpleegkundige worden beoordeeld, in samenhang met de context. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 2. Als een kind zorg nodig heeft in de eigen omgeving (voorbehouden handelingen of niet-voorbehouden handelingen), dan kan een verpleegkundige die zorg leveren en dat kan dan ook onder de Zvw vallen.
De vraag van het kunnen voorzien in levensonderhoud door ouders, speelt geen rol bij het vaststellen van de zorgbehoefte van het kind. Voor de leveringsvorm van het pgb geldt uiteraard dat een budgethouder ervoor kan kiezen om informele zorgverleners (ouders) in te zetten om de geïndiceerde zorg te leveren. Bij een pgb is de organisatie van de zorg de verantwoordelijkheid van de budgethouder, daar gaat de indicerend verpleegkundige niet over
Kunt u aangeven hoe ouders in hun levensbehoefte moeten voorzien als zij geen (of minder) vergoeding krijgen voor de dagelijkse zorg (vaak voorbehouden handelingen) aan hun meervoudig gehandicapte kind thuis? Vindt u het redelijk om deze zorgspecifieke handelingen te vergelijken met gebruikelijke zorg? Zo nee, wat doet u eraan dit tij te keren?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om het gesprek met de zorgverzekeraars aan te gaan op dit punt? Bent u bereid de Kamer te informeren over de verdere uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben en blijf met onder meer zorgverzekeraars in gesprek over de indicatiestellingen voor de kindzorg. Daarnaast heeft de Kamer aan mij gevraagd om met zorgverzekeraars in gesprek te gaan over de handreiking kindzorg en daarover de Kamer te informeren5. Dat zal ik dan ook doen.
Hoe kan het dat u feestelijk tweet over het 25-jarig bestaan van het pgb en tegelijkertijd deze ouders zo vreselijk in de kou zet? Wat komt er terecht van uw oneliners zoals: «Zo thuis mogelijk»?
In samenwerking met alle ketenpartners werk ik aan een toekomstbestendig pgb middels de agenda PGB. Het 25-jarig bestaan van het pgb grijp ik daarnaast aan om samen met budgethouders, zorgverleners en uitvoerders terug te blikken op de ervaringen met het pgb: op de successen maar ook op leerpunten die er ook na 25 jaar nog steeds zijn. Voorop staat de erkenning van de waarde van het instrument pgb die deze mijlpaal van een kwart eeuw rechtvaardigt. Met het gesprek hierover en de gezamenlijke verbeteracties uit de agenda pgb zorgen we dat het pgb ook in de toekomst zijn waarde houdt voor de mensen die het nodig hebben.
Het bericht dat dak- en thuisloze LHBTI-jongeren driedubbel kwetsbaar zijn |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Wat doet u met de oproep van het COC1 om nog dit jaar te zorgen voor veilige crisisopvang opvang voor de naar schatting 900 tot 2000 dak- en thuisloze LHBTI-jongeren, nu onderzoek van kenniscentrum Movisie aantoont dat deze groep driedubbel kwetsbaar is?2 3
In de brede aanpak dak- en thuisloosheid (Kamerbrief: Een (t)huis, een toekomst De aanpak van dak- en thuisloosheid, 3 juni 2020, kenmerk 1696244-205742-DMO) geldt als uitgangspunt dat mensen zoveel mogelijk direct een eigen woonplek (al dan niet met begeleiding) krijgen en als dat niet mogelijk is, opvang krijgen in één of tweepersoonskamers die maximaal drie maanden duurt. 21 centrumgemeenten (waar naar schatting 80% van de dak- en thuisloze mensen verblijven) gaan nog dit jaar aan de slag met de implementatie van hun plannen. De verwachting is dat de overige 22 centrumgemeenten in 2021 van start gaan. Deze aanpak sluit aan bij de vraag van het COC om veilige, kleinschalige units voor LHBTI-jongeren.
Erkent u dat de huidige ondersteuning en opvang voor deze groep niet altijd veilig is en onvoldoende sensitief is, als het gaat om seksuele en genderdiversiteit? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Hulpverleners geven aan dat de huidige opvang niet altijd voldoende veilig en niet voldoende sensitief is, als het gaat om seksuele en genderdiversiteit. De grote slaapzalen dragen hieraan bij volgens professionals. De hierboven geschetste beweging naar kleinschalige opvang en woonunits zal deze veiligheid sterk moeten verbeteren. Daarnaast zal geïnvesteerd moeten worden in het trainen van medewerkers in sensitiviteit, o.a. ten aanzien van seksuele en genderdiversiteit. Een aantal aanbieders doet dit al, andere aanbieders geven aan hier positief tegenover te staan. VNG, het Ministerie van VWS en Valente gaan hier op korte termijn het gesprek over aan om te bezien hoe dergelijke trainingen gestimuleerd kunnen worden.
Welke andere maatregelen wilt u nemen om de situatie van deze groep te verbeteren? Welke concrete stappen gaat u dit najaar zetten?
Een belangrijk punt dat genoemd wordt in het onderzoek van Movisie naar dak- en thuisloze LHBTI-jongeren is de handelingsverlegenheid van de hulpverleners. Nog steeds hebben zij moeite met het signaleren en bespreken van LHBTI gevoelens. Ook zijn zij vaak onvoldoende op de hoogte van het specialistisch hulpaanbod. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, ben ik met betrokken organisaties in gesprek over deskundigheidsbevordering en training van professionals. Genoemd wordt het meer bekendheid geven aan het aanbod van deskundigheidsbevordering, dan wel een landelijk punt waar informatie gebundeld is.
In juni 2020 heb ik het landelijke platform www.iedereenondereendak.nl gelanceerd. Dit landelijke platform is een geschikt middel om meer specifieke informatie over LHBTI te delen, in ieder geval voor professionals. Naast landelijke informatie is het van belang om op regionaal niveau te zorgen dat jongeren bij professionals terecht kunnen met specifieke vragen. Ik ben met Valente, VNG en belangenorganisaties nader in gesprek om te bepalen wat hiervoor op regionaal niveau georganiseerd dient te worden en of en zo ja, hoe dit landelijk kan worden ondersteund.
Daarnaast spreek ik met betrokken partijen over het versterken van lotgenotencontact. Ook zal ik de alliantie Gezondheidzorg op maat betrekken. Deze alliantie van WomenInc, Rutgers en COC werkt, met steun van OCW, aan een gendersensitieve en LHBTI-sensitieve zorg.
Het gaat daarbij om wat nodig is om nog meer bekendheid te geven aan belangenorganisaties voor jongeren en hoe (sociale) professionals en belangenorganisaties nog beter kennis met elkaar kunnen maken om elkaars kracht en expertise als organisaties optimaal in te zetten.
De open brief van de medewerkers van het Hoenderloo College over de misstanden bij De Hoenderloo Groep en het Hoenderloo College |
|
Maarten Hijink , Peter Kwint |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Wat is uw reactie op de brief van de medewerkers van het Hoenderloo College over de misstanden bij Pluryn? Kunt u daarbij specifiek ingaan op:
Wij hebben kennis genomen van de open brief van de medewerkers aan alle Kamerleden. De verantwoordelijkheid voor de sluiting van de school en wat dat betekent voor leerlingen en personeel ligt primair bij Pluryn. Vanuit vooral de onderwijsinspectie wordt dit nauwlettend en kritisch gevolgd. Dit neemt niet weg dat de frustratie over de besluiten en het verdwijnen van het Hoenderloo College begrijpelijk is. Dit is geen gemakkelijk traject en vraagt om veel begrip en geduld van de verschillende partijen. Hieronder gaan wij in op uw specifieke vragen:
Omgang van het bestuur van Pluryn met de MR, ouders en jongeren: Op 3 december 2019 heeft Pluryn aangekondigd voornemens te zijn de Hoenderloo groep te sluiten in augustus 2020. De voorgenomen sluitingsdatum van het Hoenderloo College is de afgelopen periode voor betrokkenen onduidelijk geweest. Dit heeft tot onrust bij medewerkers, ouders en jongeren geleid. Het staat voorop dat Pluryn tot de laatste jongere verantwoordelijk blijft voor passende zorg en passend onderwijs. Pluryn neemt deze verantwoordelijkheid serieus en heeft aan het Ministerie van OCW en de onderwijsinspectie laten weten dat het, zo nodig, het Hoenderloo College na augustus open zal houden.
In antwoord op uw Kamervragen van 17 februari 20202 hebben wij aangegeven dat Pluryn de wet- en regelgeving omtrent kwaliteitszorg van het onderwijs en de informatievoorziening aan de medezeggenschapsraad onvoldoende heeft nageleefd. Daarvoor zijn er herstelopdrachten gegeven waarbij de onderwijsinspectie toeziet op uitvoering daarvan. Deze herstelopdrachten lopen nog.
Onze rol en die van de Inspectie van het Onderwijs: wij herkennen ons niet in wat er in de brief van de onderwijsmedewerkers is opgenomen over de rol van de onderwijsinspectie en de ministers. De onderwijsinspectie ziet toe op de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs. De onderwijsinspectie houdt voortdurend contact met Pluryn om toe te zien op een goede borging van het onderwijs. De onderwijsinspectie ontvangt wekelijks een geïntegreerd (onderwijs/zorg) overzicht van de overdracht van leerlingen naar een vervolgplek en de onderwijsinspectie voert periodiek voortgangsgesprekken. Ook voert de onderwijsinspectie intensief overleg met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over de groep jongeren die nog geen duidelijk zicht hebben op een vervolgplek.
Misstanden van de afgelopen jaren en mijn oordeel hierover: voor een overzicht van alle signalen op de kwaliteit van het onderwijs van het Hoenderloo College verwijs ik u graag naar de openbare rapporten van de onderwijsinspectie. Wij vertrouwen op het oordeel van de inspectie en dat zij indien nodig gepaste maatregelen nemen.
Hoe verhoudt uw uitspraak – dat alle jongeren een jeugdhulpaanbod hebben gekregen – zich tot de open brief, waarin de medewerkers aangeven dat de toezegging dat in februari iedere jongere zou moeten weten waar hij naar toe zou gaan nog steeds niet gestand is gedaan?
In januari heeft de Minister van VWS gezegd dat duidelijkheid van groot belang is en dat in februari met alle jongeren en hun ouders of voogden een gesprek zou zijn gevoerd over de vervolgplek. Pluryn heeft iedereen hiervoor uitgenodigd en in februari en in maart zijn de gesprekken gevoerd. Op dat moment bestond er al duidelijkheid voor 180 van de 220 jongeren, omdat zij hun behandeling afronden en uitstromen voor 1 augustus 2020. Voor de 40 jongeren die een vervolgplek nodig hebben, zijn oriënterende gesprekken gevoerd. Op basis hiervan heeft Pluryn op 7 april 2020 aan de ouders of voogden van alle jongeren een aanbod gedaan met een, volgens Pluryn, passende vervolgplek.
Wat vindt u ervan dat de kinderen van DHG op dit moment met spoed worden overgeplaatst naar andere instellingen, ongeacht of deze plek geschikt is voor het betreffende kind?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het wenselijk dat het Hoenderloo College al per 1 augustus 2020 sluit, terwijl eerder werd besloten het Hoenderloo College tot 1 augustus 2021 open te laten? Is dit volgens u in het belang van de leerlingen? Mag het bestuur van Pluryn dit eenzijdig besluiten? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Wij achten het wenselijk dat Pluryn er zorg voor draagt dat voor elke jongere een geschikte vervolgplek is gevonden waar onderwijs onderdeel van is. Pluryn heeft de plicht om daarvoor te zorgen en blijft hiervoor verantwoordelijk tot de laatste jongere. Pluryn heeft afgesproken met het Ministerie van OCW en de onderwijsinspectie dat het, zo nodig, het Hoenderloo College na augustus open zal houden. Zoals aangegeven, is er nog geen formele sluitingsdatum vastgesteld voor het Hoenderloo College.
Voor hoeveel kinderen is nog geen passende onderwijsplek gevonden en/of hoeveel kinderen zijn nog niet ingeschreven op een nieuwe school?
Pluryn heeft zorgplicht voor ieder kind en is derhalve verantwoordelijk voor het vinden van een vervolgplek in het onderwijs. Pluryn werkt op dit moment hard aan een oplossing voor ieder kind. Pas als ouders/verzorgers akkoord zijn gegaan met de vervolgplek, mag contact worden gelegd met de bij de betreffende locatie behorende onderwijsplek en kan het onderwijs, dat voor veel van deze jongeren maatwerk is, verder worden vormgegeven en administratief worden geregeld. Het aantal kinderen waarvoor het onderwijs bij de vervolgplek is vormgegeven neemt per dag toe. In de Kamerbrief over de stand van zaken betreft het Hoenderloo College die wij u gezamenlijk toesturen staan de meest recente aantallen.
Voldoet Pluryn op dit moment aan de zorgplicht in het kader van passend onderwijs? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat alle kinderen van DHG een passende plek in het onderwijs krijgen? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Zolang het Hoenderloo College nog open is, en Pluryn actief op zoek is naar een passende onderwijsplek op een nieuwe school, voldoet Pluryn aan de zorgplicht. De Minister van BVOM houdt dit samen met de onderwijsinspectie nauwlettend in de gaten.
Hoe heeft de Inspectie van het Onderwijs gereageerd op de brief van de medezeggenschapsraad, die het vertrouwen in het bestuur heeft opgezegd, dat de onderwijskwaliteit niet geborgd is? Welke actie(s) heeft zij vervolgens genomen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, herkent de onderwijsinspectie het geschetste beeld niet. In vraag 10 gaan wij verder in op de ontvangen signalen en de daaropvolgende acties van de inspectie.
Bent u het eens dat Pluryn wegens financiële redenen de kinderen en jongeren van DHG en het Hoenderloo College zo snel mogelijk wil lozen en daarbij het belang van goede zorg en onderwijs als ondergeschikt beschouwt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Naast financieel slechte resultaten had Pluryn nog twee redenen om De Hoenderloo Groep te sluiten: achterblijvende kwaliteit van zorg en de wens om gespecialiseerde zorg meer in de regio en zo thuis mogelijk te organiseren. Voor een toelichting op het vinden van geschikte vervolgplekken met goede zorg en onderwijs, zie antwoord vraag 2 en vraag 4.
Begrijpt u de boosheid van de medewerkers van het Hoenderloo College, aangezien er al zestien keer is onderhandeld over een fatsoenlijk sociaal plan, maar het bod van Pluryn minimaal blijft? Is dit de manier waarop volgens u werkgevers met hun werknemers mogen omgaan? Kunt u uw antwoorden toelichten?2
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1, begrijpen wij de frustratie over het verloop van de zaken bij het Hoenderloo College. Dit is geen gemakkelijk traject en vraagt om veel begrip en geduld van de verschillende partijen. Wel is het zo dat de betrokken partijen sinds de start van de onderhandelingen voortgang hebben geboekt. Op 23 juni 2020 hebben Pluryn en de onderwijsvakbonden in een gezamenlijk communiqué bekend gemaakt dat zij de basis hebben gelegd voor een gezamenlijk gedragen sociaal plan. Op 26 juni 2020 hebben Pluryn en onderwijsvakbonden een overeenstemming bereikt over het sociaal plan. Voor zorgmedewerkers is Pluryn eerder samen met alle vakbonden gekomen tot een gedragen sociaal plan.
Welke actie(s) gaat u ondernemen voor het personeel en de leerlingen van DHG en het Hoenderloo College om ervoor te zorgen dat het personeel een fatsoenlijk sociaal plan en begeleiding naar nieuw werk krijgt en alle kinderen op een plek terecht komen waar zij passende zorg en onderwijs zullen krijgen?
Betreft het personeel en het sociaal plan en het sluitingsplan van het Hoenderloo College, zie antwoord vraag 9.
Voor het begeleiden van leerlingen naar een nieuwe onderwijslocatie én het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs houdt de onderwijsinspectie voortdurend contact met Pluryn. Daarnaast heeft de inspectie recent een aantal aanvullende acties in gang gezet, omdat zij haar toezicht verder heeft aangescherpt.
Wilt u deze vragen apart beantwoorden en niet clusteren?
Ja.
Wilt u deze vragen voor 1 juli aanstaande beantwoorden?
Ja.
De lopende band aan seksadvertenties die worden geplaatst op platforms waarop veel kinderen actief zijn. |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Seksspambots-plaag op Instagram en YouTube, merkt niet alleen NOS Jeugdjournaal»?1
Ja.
Bent u het eens dat het een belangrijke prioriteit zou moeten zijn om kinderen te beschermen tegen het feit dat er lopende band seksadvertenties worden geplaatst op een platform waarop veel kinderen actief zijn?
Ik ben het met u eens dat het belangrijk is om kinderen te beschermen tegen schadelijke advertenties in het reactiegedeelte onder content die wel geschikt is voor kinderen. Helaas kan het niet geheel voorkomen worden dat een kind wordt geconfronteerd met zulke schadelijke advertenties, kinderen moeten dan weten hoe ze er het beste mee om kunnen gaan. Een goed niveau van mediawijsheid helpt daarbij. Het Netwerk Mediawijsheid biedt op de website handzame uitleg voor jongeren (via hoezomediawijs.nl) en voor ouders en leraren (via mediawijsheid.nl).
Hoe kan het dat computergestuurde nepaccounts die automatisch reclame maken voor pornosites steevast opduiken in de reacties bij een post op Instagram en YouTube, bijvoorbeeld bij het NOS Jeugdjournaal?
Veel platforms hebben te maken met nepaccounts of schadelijke berichten met of zonder links. De makers van media-aanbod ondernemen al veel stappen door het modereren en eventueel verwijderen van schadelijke reacties (zoals het NOS Jeugdjournaal doet) en ook platforms halen profielen offline. Ondanks de maatregelen die platformen nemen, op basis van eigen regels of regelgeving, blijven nepaccounts en schadelijke berichten opkomen. Beleid en technologie zullen dit gedrag niet geheel kunnen stoppen. Onbekend is hoeveel accounts hier last van hebben. Uit de transparantierapporten van beide bedrijven2 blijkt de omvang van automatisch verwijderde content wereldwijd. De meeste schadelijke content wordt actief verwijderd door de platforms op basis van kunstmatige intelligentie (AI). Daarnaast kunnen gebruikers het doorgeven als zij schadelijke of illegale content tegenkomen. Bedrijven of mensen die deze content plaatsen zitten intussen ook niet stil en bedenken telkens nieuwe manieren om de (automatische) controle van de platforms te omzeilen.
Kunt u aangeven hoeveel accounts met veel volgers hier last van hebben? Klopt het dat er naar schatting 150 miljoen nepaccounts op Instagram waren in 2019?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of het klopt dat het blokkeren niet veel nut heeft omdat ze toch weer een nieuw account aanmaken? Welke oplossing heeft wel nut?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven wie in Nederland verantwoordelijk is dat dit soort zaken niet in de praktijk voorkomen, zeker niet op grote schaal? Zijn dat de platforms zelf en/of anderen?
Juridisch gezien zijn beide genoemde platforms in Ierland gevestigd en is Ierse regelgeving van toepassing. Dit is echter eerder een wereldwijd probleem, breder dan alleen social media platforms. De platforms zelf zijn maatschappelijk verantwoordelijk, in samenwerking met organisaties die zich hiervoor inzetten en actief misstanden melden. Ik ga er vanuit dat de platforms deze verantwoordelijkheid nemen.
Klopt het dat platforms baat hebben bij al het extra online verkeer dat het genereert, waardoor de prikkel kan bestaan om alleen iets offline te halen als er zo veel klachten zijn dat het niet anders kan? Bent u bereid degene die zich hier schuldig aan maakt op aan te spreken?
Ongepaste spam reacties zijn niet in het belang van de platforms, hun belangrijkste inkomstenbron is legale reclame. Authenticiteit en integriteit zijn belangrijk voor platforms om zowel gebruikers als adverteerders te trekken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met experts en platforms om te bezien waar het probleem precies zit en waar mogelijke oplossingen kunnen liggen?
Binnen de rijksoverheid is online veiligheid en de rol van platforms daarbij al langer een belangrijk thema. Vanzelfsprekend vindt er regelmatig overleg plaats met zowel experts als platforms. Mijn Ierse ambtsgenoot is net als ik bezig met de implementatie van de herzieningsrichtlijn Audiovisuele mediadiensten. In Ierland is momenteel een wetsvoorstel in behandeling, de Online Safety and Media Regulation (OSMR) Bill, dat voorstel ziet op regulering van schadelijke content online en dient onder meer ter implementatie van de herzieningsrichtlijn. Ik zal mijn Ierse ambtsgenoot uw en mijn zorgen over ongepaste spamreacties overbrengen met het verzoek hier bij de regelgeving voor in Ierland gevestigde techbedrijven rekening mee te houden. Verder hebben de toezichthouders voor audiovisuele mediadiensten regelmatig contact over de implementatie van de herzieningsrichtlijn in Europees verband, in de European Regulators Group for Audiovisual Media Services.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met uw Ierse ambtsgenoot, omdat daar veel grote platforms gevestigd zijn, om te bezien of Ierland bereid is om mogelijk wetgeving aan te passen om dit probleem te kunnen aanpakken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid uw Ierse ambtsgenoot te adviseren indien dit nog mogelijk is om de oplossing van dit probleem mee te nemen bij de implementatie in Ierland van de richtlijn audiovisuele mediadiensten?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Ouders kwaad over weigeren snotterende kinderen bij kinderdagverblijf' |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Ouders kwaad over weigeren snotterende kinderen bij kinderdagverblijf»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het signaal dat veel jonge kinderen met kortdurende verkoudheidsklachten worden geweigerd door de kinderopvang?
Het signaal dat kinderen regelmatig worden geweigerd wegens een snotneus heeft mij ook bereikt. Ik begrijp dat dit voor lastige situaties tussen ouders en pedagogisch medewerkers kan zorgen.
De richtlijn van het RIVM is in juni aangepast:
Via rijksoverheid.nl streef ik er voortdurend naar ouders, houders van kinderopvangorganisaties, gastouders en andere belanghebbende te informeren over (wijzigingen van) richtlijnen en adviezen van het RIVM op het terrein van Kinderopvang. Ook is er nauw contact met de sector over dergelijke signalen en vragen. De richtlijnen en adviezen van het RIVM zijn daarbij leidend. Wel worden signalen en eventuele onduidelijkheden besproken met het RIVM, zodat we betrokkenen goed kunnen informeren en we van elkaar weten wat er speelt.
Deelt u de mening dat er een lastige situatie is ontstaan voor ouders, de kinderopvang en de zorg, omdat jonge kinderen elkaar en de medewerkers doorlopend aansteken waardoor eventueel de opvang geheel dicht moet, of ieder kind getest moet worden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u duidelijkheid geven over de richtlijn voor jonge kinderen met kortdurende en langdurige verkoudheidsklachten, aangezien dit veelvoorkomend is in deze groep?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid met de kinderopvangsector, de oudervertegenwoordiging en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in gesprek te gaan over mogelijke aanpassingen in het protocol, zodat er zo snel mogelijk duidelijkheid ontstaat en een werkbare situatie voor kinderopvang, ouders en de zorg?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Roemenië schrapt seksuele voorlichting’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Roemenië schrapt seksuele voorlichting»?1 2
Ja.
Hoe vindt u het dat onder druk van de orthodoxe kerk het Roemeense parlement zwichtte om seksuele voorlichting geen verplicht schoolvak te laten zijn in Roemenië?
In 2018 werd een wetsinitiatief ingediend, dat beoogde seksuele voorlichting als een standaard onderdeel van het Roemeense onderwijs curriculum in te voeren. Dit voorstel werd begin dit jaar aangenomen met steun vanuit parlementariërs van nagenoeg alle partijen. Deze nieuwe wet vormt een grote vooruitgang voor de toegankelijkheid van seksuele voorlichting in Roemenië, gezien deze tot op heden geen vast onderdeel van het onderwijsaanbod vormde.
Het amendement waarover in juni gestemd werd, voegt ouderlijke toestemming als voorwaarde voor deelname aan de voorlichting toe. Dit amendement treedt pas in werking wanneer de Roemeense president zijn goedkeuring heeft verleend. De president heeft het wetsvoorstel ter beoordeling voorgelegd aan het Constitutioneel Hof. Zij zullen een uitspraak doen over de verenigbaarheid met de Grondwet. Tot die tijd zal het wetsvoorstel niet in werking treden.
Maakt u zich net als wij zorgen over de toenemende invloed die conservatieve krachten uitoefenen op vrouwen en lhbti’ers in Roemenië en de omliggende regio? Bent u het eens dat dit niet past binnen de waarden van de Europese Unie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet beschouwt invloeden die een bedreiging kunnen vormen voor de realisatie van vrouwenrechten, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en gelijke rechten voor LHBTI’s als zorgelijk, en volgt de ontwikkelingen daarover wereldwijd, ook binnen de EU, met aandacht. In het Verdrag inzake de Europese Unie is in artikel 2 neergelegd dat onder meer eerbied voor de menselijke waardigheid en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust. Dat geldt evenzeer en onverkort voor vrouwen en LHBTI’s.
Dergelijke initiatieven vinden in Roemenië overigens niet vanzelfsprekend weerklank bij de meerderheid van de bevolking. Zo werd in 2018 bij het referendum over de grondwettelijke definitie van het huwelijk – waarbij voorgesteld werd de gender-neutrale tekst te wijzigen naar «een huwelijk tussen man en vrouw» – de kiesdrempel niet behaald.
Deelt u daarnaast de mening dat seksuele voorlichting van groot belang is in het tegengaan van tienerzwangerschappen en seksuele overdraagbare aandoeningen, juist in een land met het op een na hoogste aantal tienerzwangerschappen van Europa? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De International Technical Guidance on Sexuality Education3 van de Verenigde Naties concludeert dat seksuele voorlichting onder meer bijdraagt aan verminderd risicovol seksueel gedrag, en frequenter gebruik van condooms en andere anticonceptiemiddelen. Dit heeft weer effect op het verminderen van tienerzwangerschappen en verspreiding van seksueel overdraagbare aandoeningen. Nederland bepleit dan ook toegang tot seksuele voorlichting als onderdeel van haar inzet op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Hebt u uw zorgen over de invloed van conservatieve krachten uitgesproken tegen uw Roemeense ambtsgenoot? Hebt u zich hierover uitgesproken in EU-verband? Bent u van plan dit op korte termijn te doen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven volgt het kabinet de ontwikkelingen op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, vrouwenrechten en gelijke rechten van LHBTI’s nauwlettend.
De onderhavige wetswijzing ligt op dit moment ter beoordeling bij het Roemeense Constitutionele Hof. Ook is de wetswijziging onderwerp van het debat tussen de Roemeense regering en het maatschappelijk middenveld. Het kabinet waardeert de betrokkenheid van de diverse Roemeense spelers hierin en acht het in dit stadium aan hen om de koers voor Roemenië te bepalen.
In bredere zin zet de Ambassade in Boekarest zich in samenwerking met het maatschappelijk middenveld actief in voor vrouwenrechten en gelijke rechten voor LHBTI’s. Meest recentelijk door een bijdrage aan een publiek statement met like-minded landen ter gelegenheid van de Internationale dag tegen homofobie, bifobie en transfobie (IDAHOT).