Onterecht betaalde belasting door zwangere zzp’ers |
|
Linda Voortman (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving dat zwangere zzp’ers onterecht belasting hebben betaald over hun zwangerschapsuitkering?1
Ja.
Klopt het dat zzp’ers die onterecht inkomstenbelasting hebben betaald een verzoek in kunnen dienen bij de Belastingdienst om de ten onrechte betaalde inkomstenbelasting terug te krijgen?
Klopt het dat zij dit alleen voor de ten onrechte betaalde inkomstenbelasting over 2012 kunnen doen?
Kunnen zzp’ers die in 2011 of eerder een zwangerschapsuitkering hebben gehad en daarover ten onrechte inkomstenbelasting hebben betaald deze ook terug krijgen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat elke zzp’er die onterecht belasting heeft betaald over de zwangerschapsuitkering de teveel betaalde inkomstenbelasting terug dient te krijgen? Welke maatregelen neemt u om dit te bewerkstelligen?
Neemt u maatregelen om te voorkomen dat zzp’ers die in de toekomst een zwangerschapsuitkering aanvragen hierover ten onrechte inkomstenbelasting moeten betalen?
Het gaat in de gestelde vragen om zwangerschapsuitkeringen die een inkomensverzekeraar uitkeert op grond van een door de zzp’er afgesloten verzekering. Deze uitkeringen zijn op grond van de bestaande regelgeving niet belast voor de loon- en inkomstenbelasting. Voor zover relevant zijn alleen belast periodieke uitkeringen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001). De onderhavige uitkeringen worden gedurende een beperkte periode uitgekeerd wegens zwangerschap en niet wegens invaliditeit, ziekte of ongeval. De uitkerende verzekeraars hebben dergelijke uitkeringen voor zover mij bekend ook niet als belast inkomen geduid. Het bevreemdt mij daarom als adviseurs deze uitkeringen in aangiften van hun klanten als inkomen hebben opgegeven.
Ook de Belastingdienst heeft het standpunt over deze onbelastbaarheid altijd meegedeeld aan belanghebbenden, onder andere tijdens een congres op 22 maart 2010 van het Verbond van Verzekeraars. Bovendien heeft de Belastingdienst in overleg met het Verbond van Verzekeraars in april 2010 een Handboek loonheffingen voor inkomensverzekeraars opgesteld, waarin is vastgelegd dat bij deze uitkeringen geen loonbelastingheffing aan de orde is, omdat de uitkeringen niet belast zijn voor de inkomstenbelasting.
Gelet op de afstemming die al heeft plaatsgevonden acht ik het niet noodzakelijk om specifieke voorlichting te geven aan zzp’ers die een dergelijke zwangerschapsuitkering aanvragen. Wel zal ik in de algemene voorlichting van de Belastingdienst en in de toelichting op de aangifte inkomstenbelasting een tekst opnemen over de onbelastbaarheid van deze uitkeringen.
Worden zzp’ers die gebruik maken van de regeling voorgelicht over de wijze waarop die uitkering bij de inkomstenbelasting moet worden doorgegeven? Zo nee, bent u bereid dit alsnog in de voorlichting over de zwangerschapsuitkering voor zzp’ers mee te nemen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Investitionsprogramm für Griechenland’ |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Investitionsprogramm für Griechenland»?1
Ja.
Klopt het dat wordt gewerkt aan een apart investeringsfonds voor Griekenland van 500 miljoen euro? Kunt u hier nader op ingaan?
Ja, het klopt dat er gewerkt wordt aan de oprichting van een investeringsfonds voor Griekenland (Institution for Growth in Greece). De Taskforce Griekenland is betrokken bij de oprichting van dit investeringsfonds. Het fonds wordt opgericht, omdat het midden- en kleinbedrijf in Griekenland moeilijk aan kredieten kan komen om projecten te financieren of investeringen te doen. Het fonds zal via de banken kredieten aan het midden- en kleinbedrijf gaan verstrekken.
Klopt het dat de Duitse minister van Financiën 100 miljoen euro aan Duits belastinggeld in dit fonds wil storten?
De Duitse minister van Financiën heeft toegezegd om 100 miljoen euro, via het Kreditanstalt für Wiederaufbau (KfW), in dit investeringsfonds te willen storten.
Wordt er voor de vulling van dit fonds ook nog een beroep gedaan op andere eurolanden? Heeft Nederland zo'n verzoek gekregen? Zo ja, deelt u de lijn dat het onwenselijk is om Nederlands belastinggeld rechtstreeks, of via de noodfondsen EFSF/ESM, in dit fonds te storten?
Vooralsnog zullen naast Duitsland, via het KfW, ook de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Unie via de structuurfondsen financieel bijdragen aan het Investeringsfonds. De EIB draagt 50 miljoen euro bij en uit de structuurfondsen wordt 350 miljoen euro gebruikt voor het investeringsfonds. Mogelijk dat andere landen ook een verzoek ontvangen om financieel bij te dragen. Nederland heeft tot op heden geen officieel verzoek ontvangen.
Het is aan lidstaten zelf om te bepalen of zij – naast de financiële steun die Griekenland ontvangt vanuit de reguliere hulpprogramma’s – nog op een andere manier steun verlenen. Duitsland kiest ervoor om, naast de bijdrage via de noodfondsen, ook financieel via het KfW steun te verlenen aan lidstaten van de Eurozone. Het KfW heeft eerder met Spanje een soortgelijke afspraak gemaakt om via een investeringsfonds kredieten te verlenen aan het midden- en kleinbedrijf. Nederland is één van de lidstaten die naast de bijdrage via de noodfondsen, veel technische assistentie verleent aan Griekenland, bijvoorbeeld op het gebied van het bestrijden van witwassen en het opzetten van een Kadaster.
Bent u het er mee eens dat hulp aan probleemlanden dient te lopen via de reguliere noodfondsen EFSF/ESM met bijhorende strenge voorwaarden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de financiële steun aan Griekenland binnen de reguliere hulpprogramma’s wel voldoende is?
Zie antwoord vraag 4.
De heffing van vennootschapsbelasting bij waarborgfondsen |
|
Paulus Jansen |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Kunt u een overzicht geven van de waarborgfondsen die in het verleden vrijgesteld waren van vennootschapsbelasting (Vpb), waarvoor de inspecteur der belastingen nu het standpunt inneemt dat zij belastingplichtig zijn?1 En met ingang van welke data?
Artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) staat mij niet toe informatie te verstrekken over de belastingposities van individuele waarborgfondsen. Wel kan ik in zijn algemeenheid over de belastingplicht van waarborgfondsen het volgende opmerken. Waarborgfondsen hebben veelal de rechtsvorm van een stichting. Volgens de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet VPB 1969) is een stichting belastingplichtig indien en voor zover zij een onderneming drijft. Daarvan is sprake bij een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarbij door deelname aan het economische verkeer voordeel wordt behaald dan wel redelijkerwijs een voordeel te verwachten is. Een winststreven wordt ook verondersteld aanwezig te zijn als er doorlopend overschotten worden behaald. Dat wordt beoordeeld door de inspecteur aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden voor de bij de Belastingdienst bekende waarborgfondsen. Dergelijke beoordelingen vinden initieel en periodiek plaats. Dit kan ertoe leiden dat de datum van aanvang van de belastingplicht – mede op grond van het vertrouwensbeginsel – voor het ene waarborgfonds anders kan luiden dan voor het andere fonds. Omdat bij de beoordeling van de belastingplicht de eventuele financiële risico's voortvloeiend uit de vangnetfunctie van het Rijk niet relevant zijn, zijn de effecten daarvan niet onderzocht. In de Wet VPB 1969 is evenmin een specifieke vrijstelling voor waarborgfondsen opgenomen.
Van een gewijzigde opstelling van de Belastingdienst is geen sprake. Wel is er de afgelopen periode meer aandacht voor de belastingplicht van verenigingen en stichtingen in zijn algemeenheid en daarmee ook voor waarborgfondsen.
Heeft er over de onder (1) genoemde gewijzigde opstelling van de inspecteur der belastingen vooraf overleg plaatsgevonden met enige bewindspersoon? Welke? Zo nee, is enige bewindspersoon vooraf over de gewijzigde opstelling geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is de financiële achtervang positie van het Rijk jegens de waarborgfondsen die een aanslag Vpb is opgelegd? Is onderzocht wat de effecten van een Vpb-plicht zouden zijn op de financiële risico's voortvloeiend uit de vangnetfunctie van het Rijk?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er waarborgfondsen die nog steeds vrijgesteld zijn van vennootschapsbelasting? Zo ja, welke en op grond van welke argumentatie?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er al definitieve aanslagen opgelegd of zijn aanslagen nog onder de rechter?
Er zijn aanslagen vennootschapsbelasting vastgesteld. Als belastingplichtige het daar niet mee eens is, staat de weg van bezwaar en beroep open. Artikel 67 van de AWR staat mij niet toe informatie te verstrekken over de belastingposities van individuele waarborgfondsen.
Hoeveel is de totale geclaimde opbrengst voor de fiscus?
Zie antwoord vraag 5.
Wat betekent de heffing van Vpb bij de waarborgfondsen voor de belastingopbrengst over het resultaat van de betrokken semi-publieke instellingen? Is er sprake van communicerende vaten, waarbij het enige voordeel voor de fiscus is dat opbrengst naar voren wordt gehaald?
Als een waarborgfonds belastingplichtig is, is over de winst vennootschapsbelasting verschuldigd. Dit betekent dat de aan de algemene reserve toe te voegen winst (na VPB) lager zal zijn. Waarborgfondsen staan borg voor leningen die door financiële instellingen worden verstrekt aan de aangesloten deelnemers. Daardoor kunnen de deelnemers een lagere rente bedingen. De deelnemers betalen daarvoor een vergoeding aan het waarborgfonds dan wel houden op hun balans een obligopost (passiefpost) aan voor een eventuele aanspraak door het fonds. Gelet op de «vangnetfunctie» die het Rijk (veelal) heeft, zal de heffing van vennootschapsbelasting bij het waarborgfonds naar aangenomen mag worden geen dan wel een zeer marginale invloed hebben op het rentepercentage dat de financiële instelling in rekening brengt. De investeringsruimte van de deelnemers wordt derhalve door de heffing van vennootschapsbelasting bij het waarborgfonds niet noemenswaardig aangetast. Van een btw-derving zal derhalve geen sprake zijn. Bedoeld onderzoek is niet verricht. Omdat als gevolg van de heffing van vennootschapsbelasting over de winst het vermogen van het waarborgfonds minder toeneemt, zal in theorie eerder een beroep kunnen worden gedaan op de vangnetfunctie van het Rijk.
Heeft u onderzocht wat het effect van Vpb-heffing bij de waarborgfondsen is op de investeringsruimte voor de betrokken semi-publieke instellingen, zoals woningcorporaties?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedraagt de geschatte btw-derving door het nog verder terugvallen van investeringen door de betrokken instellingen?
Zie antwoord vraag 7.
Indien de onder vraag 3 en 9 bedoelde gegevens niet beschikbaar zijn, bent u bereid om dat alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren?
Zoals hiervoor is aangegeven, zullen dergelijke onderzoeken niets toevoegen. Daarom ligt het niet voor de hand om zulke onderzoeken – die de nodige menskracht vergen en kosten met zich brengen – te laten uitvoeren.
Miljoenen belastinggeld voor Afrika |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Miljoenen voor hulp Afrika»?1
Kunt u aangeven waar u uw naïeve visie op baseert dat, na decennia van mislukte ontwikkelingshulp, Nederland gewoon verder moet gaan met het pompen van miljoenen in Afrika?
Deelt u de mening dat de tientallen miljoenen aan Nederlands belastinggeld beter besteed kunnen worden in eigen land? Zo neen, waarom niet?
Kunt u van de landen die deze miljoenen gaan ontvangen individueel aangeven of zij lid zijn van de verwerpelijke Organisation of Islamic Cooperation (OIC), hoe corrupt ze zijn en waar er sprake is van een democratie en een betrouwbare overheid?
Bent u bereid dit onzinnige plan in te trekken? Zo neen, waarom niet?
De kosten van het softdrugsbeleid en de financiële effecten van het reguleren van softdrugs |
|
Wouter Koolmees (D66), Magda Berndsen (D66) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat waren de (geschatte) kosten (uitgesplitst naar categorie) van de handhaving van het softdrugsbeleid de afgelopen vijf jaren (inclusief de in de begrotingen van politie en justitie opgenomen budgetten voor gemeentelijke controles en opsporing, vervolging en ruimen van wietplantages, het doen van onderzoek, et cetera)?
Handhavingscapaciteit wordt niet specifiek geoormerkt. Ook wordt geen uitsplitsing gemaakt naar kosten voor de bestrijding van bepaalde vormen van criminaliteit. Criminaliteit wordt bestreden en capaciteit wordt daar ingezet waar dit nodig is. Daarbij is het lokale gezag verantwoordelijk voor de inzet van politie.
Hoe hoog was de (geschatte) maatschappelijke schade (gestolen energie, verzekeringsschade, kosten huiseigenaren, woninguitzettingen door corporaties et cetera) de afgelopen vijf jaren als gevolg van illegale hennepteelt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van de Kamervragen van Lid Kooiman (SP) (d.d. 5 maart 2013 nr. 1499)
Wat is de doelstelling van de Taskforce B5? In hoeverre is de doelstelling behaald? Wat zijn de kosten van de Taskforce B5?
De Taskforce B5 is gericht op een structureel veiliger Brabant door een substantiële vermindering van de (georganiseerde) criminaliteit in de regio en daarmee een substantiële vermindering van de negatieve effecten van deze criminaliteit op de veiligheid in de vijf betrokken steden.
Er zijn sinds eind 2.010 grote sprongen gemaakt bij de aanpak van georganiseerde misdaad in Brabant. Het OM, de politie, de Belastingdienst, de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en de gemeenten werken intensief samen waardoor de slagkracht groot is. Het Informatieplein bij het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) en de twee Integrale Stuurploegen draaien op volle toeren waardoor gezamenlijke interventiestrategieën worden voorbereid en uitgevoerd. We zien dan ook een stijging van het aantal criminele samenwerkingsverbanden dat wordt aangepakt en van het crimineel vermogen dat wordt opgespoord en waar beslag op wordt gelegd. Daarnaast ontstaat door de samenwerking beter zicht op de criminele structuren in Brabant waardoor een gerichte aanpak mogelijk wordt. Omdat we nu goed op stoom zijn gekomen ben ik, net als de betrokken driehoeken, voorstander van een doorstart van de Taskforce B5 in 2014. Hoe deze doorstart exact vorm moet krijgen wordt momenteel verder uitgewerkt.
Voor wat betreft de kosten kan ik u melden dat het ministerie van Veiligheid en Justitie vanaf de start van de Taskforce eind 2010 tot en met eind van 2013 een totaalbedrag van € 1.990.000 investeert in de samenwerking.
Is het waar dat de omzetgegevens van coffeeshops in Nederland bekend zijn bij de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet?
De ondernemers die actief zijn als coffeeshophouder worden geacht jaarlijks de gerealiseerde omzet te verantwoorden in de jaarstukken van de betreffende onderneming. Deze jaarstukken maken onderdeel uit van de aangifte inkomstenbelasting en/of vennootschapsbelasting die men jaarlijks dient in te zenden vóór 1 april van het jaar volgend op het betreffende belastingjaar.
Wat is de (geschatte) totale omzet van de Nederlandse shops in de laatste vijf jaren (2008, 2009, 2010, 2011, 2012)? Welke theoretische brutowinstmarge hierbij wordt gehanteerd?
In Nederland zijn momenteel ruim 600 coffeeshops actief. De Belastingdienst houdt de opbrengsten niet per branche bij en daarnaast kennen de coffeeshops ook geen aparte branchecode. Hierdoor is het niet mogelijk om op geautomatiseerde wijze gegevens over de totale omzet of inkoop te genereren. Daarnaast geldt dat de brutowinstmarge in principe per ondernemer verschillend is, en dat de inkoop die in de jaarstukken staat vermeld «vervuild» kan zijn door andere inkopen, zoals horecagoederen.
Tot slot zijn ondernemers die als coffeeshophouder actief zijn, niet verplicht dagstaten te voeren. Indien men deze wel voert, dient men deze ook te bewaren overeenkomstig geldende fiscale wetgeving. Deze dagstaten zijn in voorkomende gevallen alleen voor de Belastingdienst beschikbaar tijdens een fysieke controle. Hierdoor is er dus geen totaalbeeld te bepalen van de hoeveelheden softdrugs die door coffeeshops wordt verkocht.
Kunt u op basis van de verplichte dagstaten aangeven welke hoeveelheden softdrugs er op jaarbasis door coffeeshops worden verkocht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de inkoop die door de gedoogde coffeeshops de afgelopen vijf jaren is aangegeven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de gemiddelde verkoopprijs van een gram hasjiesj en een gram wiet in coffeeshops de afgelopen vijf jaren? En de gemiddelde inkoopprijs?
De gemiddelde verkoopprijs van een gram hasj en een gram wiet heeft zich tussen 2008 en 2011 als volgt ontwikkeld1:
Cannabisproduct
2008
2009
2010
2011
Nederwiet
7,67
8,12
8,13
8,30
Geïmporteerde wiet
5,16
4,88
4,57
4,24
Geïmporteerde hasj
8,09
8,70
9,07
7,79
Over de verkoopprijs in 2012 zijn nog geen gegevens beschikbaar. Over de inkoopprijs tussen 2008–2012 zijn geen gegevens bekend.
Welk bedrag heeft de belasting (vennootschapsbelasting, belasting op arbeid, enzovoorts) op coffeeshopondernemers de afgelopen vijf jaar aan de schatkist opgeleverd? Kunt u dit in een overzicht opsplitsen naar de verschillende vormen van belasting?
Zoals hiervoor al opgemerkt is er voor coffeeshops geen aparte branchecode, waardoor het inzichtelijk maken van genoemde belastinggegevens alleen mogelijk zou zijn via een zeer bewerkelijk, arbeidsintensief en daardoor kostbaar handmatig proces.
Het is uit hoofde van Europees recht niet toegestaan invoerrechten en BTW te heffen op cannabis.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in de zaak Horvath-Hauptzollamt Hamburg-Jonas (5 februari 1981, 50/80) beslist dat goederen die verboden zijn, zoals verdovende middelen, niet mogen worden belast met invoerrechten. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Happy Family (5 juli 1988, 289/86) beslist dat geen omzetbelastingschuld ontstaat bij de illegale levering van verdovende middelen. Naar analogie van de in de jurisprudentie voor de omzetbelasting en invoerrechten neergelegde lijn, kan ook van een accijnsheffing op dergelijke producten geen sprake zijn.
In puur technische zin zouden overige belastingen, net als bij iedere andere vorm van economische activiteit, ook geheven kunnen worden bij de teelt van cannabis. Bij cannabisteelt wordt echter artikel 3 van de Opiumwet overtreden en is er per definitie sprake van een criminele activiteit, met als logisch gevolg dat geen enkele betrokkene vrijwillig belastingaangifte zal doen.
Kunnen deze belastingen ook voor de teelt van cannabis worden toegepast?
Zie antwoord vraag 9.
Welk juridisch kader maakt het mogelijk dat er belasting wordt betaald voor de omzet van softdrugs? Wordt in dit kader een onderscheid gemaakt tussen teelt en verkoop? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 9.
Kan er op basis van de huidige wetgeving een gesloten en belastingplichtige (coffeeshop)keten voor de teelt en verkoop van cannabis worden geregeld? Zo niet, waarom niet? Welke juridische aanpassingen zijn nodig om dit mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn de financiële effecten van het reguleren van softdrugs?
Voorop staat dat de internationale verdragen geen ruimte bieden voor het reguleren van softdrugs, laat staan voor het decriminaliseren daarvan.
Met betrekking tot het reguleren van softdrugs is het een onjuiste veronderstelling dat dit zal leiden tot lagere handhavingslasten. Nog altijd zal moeten worden opgetreden tegen softdrugs-gerelateerde criminaliteit, die immers zal blijven plaatsvinden. Ook impliceert het reguleren van softdrugs een gesloten circuit waarbinnen productie, distributie en handel sluitend kunnen worden gecontroleerd. Een systeem waarin elke schakel van de keten moet worden gecontroleerd en beveiligd, zal nog grotere handhavingsinspanningen vragen dan nu reeds het geval is.
Voor het decriminaliseren van softdrugs geldt dat een situatie waarbij in ons land softdrugs legaal zijn en over de grens verboden, in de praktijk volstrekt ondenkbaar is. Hoewel het niet mogelijk is om exact aan te geven hoeveel er bespaard zou kunnen worden op de inzet van politie en justitie, zijn in de brede heroverweging Veiligheid en Terrorisme grove schattingen gemaakt op basis van dit fictieve scenario.2 Hier staat echter tegenover dat het vergroten van de aantrekkingskracht van Nederland op criminelen naar verwachting leidt tot minstens evenzoveel nieuwe handhavingslasten. Dit terwijl het huidige kabinet er juist alles aan doet om het tij te keren en criminaliteit, overlast en drugstoerisme hard aan te pakken.
Voor de vraag over het voeren van accijns verwijs ik u naar het antwoord op vraag 11.
Hoeveel geld bespaart het decriminaliseren van softdrugs qua inzet van politie en justitie? Hoeveel geld levert het voeren van accijns op softdrugs op?
Zie antwoord vraag 13.
Het controleren van box 3-aangiften door de Belastingdienst |
|
Farshad Bashir |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Kunt u aangeven bij hoeveel mensen de Belastingdienst de box 3-aangifte grondig heeft gecontroleerd in de afgelopen vijf jaren, uitgesplitst per jaar?
Het toezicht op de box 3 inkomsten kent een breed toepassingsgebied. Startpunt van de massale handhaving is de voorinvulling van de vermogensgegevens in de aangifte op basis van gegevens van derden zoals financiële instellingen en gemeenten. Hiermee worden de belangrijkste handhavingsrisico’s reeds aan de voorkant van het aangifteproces afgevangen. Een opsomming van de bronnen waar de Belastingdienst bij de voorinvulling van gebruik maakt is opgenomen in het antwoord op vraag 8. Op het niveau van de individuele belastingplichtige levert de inkeerregeling gedurende een reeks van jaren een belangrijke bijdrage aan het boven tafel krijgen van verzwegen vermogens. De feitelijke beoordeling van de box 3 aangiften kent verschillende verschijningsvormen. Zo worden controles uitgevoerd specifiek gericht op het box 3 vermogen. Daarnaast lopen er controles mee bij de beoordeling van aangiften die om andere redenen voor controle zijn geselecteerd. Een derde verschijningsvorm doet zich voor bij de IB-ondernemer, waarbij de controle onderdeel kan uitmaken van een boekenonderzoek. Door de veelheid aan verschijningsvormen is een totaalbeeld van het aantal box 3-controles en de daarmee gemoeide capaciteitsinzet niet voorhanden.
Wat zijn de selectiecriteria voor een box 3-controle?
De selectiecriteria zijn onderdeel van de controlestrategie van de Belastingdienst. Om toekomstig misbruik te voorkomen kan ik geen mededelingen doen over de werkwijze bij controle.
Waarop is er gecontroleerd en hoe vindt de controle plaats?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u inzichtelijk maken wat de gemiddelde doorlooptijd geweest is die nodig was om een aangifte te controleren bij een box 3-controle?
De doorlooptijd bij een box 3-controle is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de potentiële correctie, of en de mate waarin contact met de belastingplichtige noodzakelijk is, de reactietermijn die de belastingplichtige op vragen in acht neemt, etc. Door de grote verscheidenheid hierin is geen algemene uitspraak mogelijk over de doorlooptijd van dergelijke controles.
Bij hoeveel van deze controles is gebleken dat een aangifte foutief of onvolledig is ingevuld?
Bij controle van de gehele aangifte geldt dat 2/3e deel van de gecontroleerde posten geen aanleiding geeft tot correctie, bij 1/3<sup>e</sup> deel wordt wel een correctie toegepast.
Kunt u aangeven hoeveel mensen in fte’s uitgedrukt er bij de Belastingdienst beschikbaar zijn voor de box 3-controles?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de Belastingdienst voldoende mensen inzet om de controle bij box 3-aangiften adequaat te kunnen vervullen?
De inzet van medewerkers wordt in belangrijke mate bepaald door de weging van het fiscale belang versus het fiscale risico van aangiften. De box 3-aangiften maken onderdeel uit van deze weging. De daarvoor noodzakelijke capaciteitsinzet is een afgeleide van deze weging. Een belangrijke ontwikkeling rond het toezicht bij de Belastingdienst betreft de intensivering die ik heb aangekondigd in mijn brief van 10 december 2012 (Kamerstuk 31066, nummer 149). Bedoeling van de intensivering is om via de inzet van extra medewerkers in het toezicht, extra belastingopbrengsten te genereren. Dit wordt onder meer bereikt doordat meer aangiften inkomstenbelasting feitelijk zullen worden beoordeeld. Het niveau van toezicht in de inkomstenbelasting breed zal hierdoor toenemen.
Van welke bronnen maakt de Belastingdienst gebruik bij een box 3-controle? Welke bronnen ontbreken er nog en wanneer kunnen deze ook geraadpleegd worden?
Voor het belastingjaar 2012 heeft de Belastingdienst met name gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
Het streven is om het vooraf invullen van aangiften verder uit te breiden. Voor box 3 geldt dit voor de kapitaalverzekeringen. De koers voor deze uitbreiding is realisatie per belastingjaar 2014.
Heeft de Belastingdienst toegang tot de gegevens van het Kadaster? Zo niet, wanneer gaat dit wel gebeuren? Zo ja, worden deze gegevens automatisch uitgewisseld en met de aangiftes vergeleken?
Ja, de Belastingdienst kan de gegevens van het Kadaster opvragen. De opgevraagde gegevens worden door de Belastingdienst met de gegevens in de aangifte vergeleken. Er vindt geen automatische gegevensuitwisseling met het Kadaster plaats.
Welke mogelijkheden heeft u om ook gegevens van vastgoed in het buitenland te raadplegen en te vergelijken met de aangiftes, bijvoorbeeld gegevens van vastgoed van Nederlandse belastingplichtigen in Turkije en Marokko?
De wederzijdse administratieve bijstand biedt de mogelijkheid voor fiscale aangelegenheden aan andere landen voor individuele belastingplichtigen inlichtingen te vragen over onroerend goed. Dit zijn de zogenoemde inlichtingen op verzoek.
Daarnaast zijn met belastingdiensten van een aantal landen Memoranda of Understanding (MoU’s) gesloten. Op basis van deze MoU’s kan Nederland met deze belastingdiensten periodiek automatisch inlichtingen uitwisselen. In de meeste MoU's is onroerend goed als uit te wisselen categorie opgenomen.
Vanaf 1 januari 2015 gaan de lidstaten van de Europese Unie (EU) onderling jaarlijks automatisch bepaalde categorieën van inlichtingen uitwisselen. De eerste uitwisseling zal betrekking hebben op het jaar 2014. Eén van de categorieën is onroerend goed.
Op basis van bilaterale belastingverdragen met Turkije en Marokko is het mogelijk om inlichtingen te vragen over vastgoed. Met beide landen zijn contacten om de mogelijkheden te onderzoeken voor het sluiten van een MoU inzake automatische inlichtingenuitwisseling.
Welke opties heeft u verkend of gaat u nog verkennen om informatie over het buitenlandse vastgoed van Nederlandse belastingplichtigen te krijgen, zodat deze vergeleken kunnen worden met box 3-aangiften?
Om automatische gegevensuitwisseling mogelijk te maken heeft de Belastingdienst de afgelopen jaren reeds MoU's gesloten met belastingdiensten van diverse landen. Op dit moment lopen nog onderhandelingen met een aantal landen over de invulling van het MoU (bepalen van de categorieën en termijnen van uitwisseling, etc.). Daarnaast worden landen actief benaderd door Nederland om de mogelijkheden voor het afsluiten van een MoU te onderzoeken.
Ondanks de inspanningen van Nederland is het niet altijd mogelijk een MoU te sluiten. Juridische aspecten kunnen in de weg staan aan automatische inlichtingenuitwisseling voor fiscale aangelegenheden. In andere gevallen zijn er automatiseringstechnische belemmeringen die massale inlichtingenuitwisseling aan Nederland in de weg staan.
Nederland blijft actief de automatische inlichtingenuitwisseling onder de aandacht van andere landen te brengen. Enerzijds door de voordelen van automatische inlichtingenuitwisseling voor het voetlicht te brengen en anderzijds hulp te bieden bij de praktische uitvoering van het proces voor de automatische inlichtingenuitwisseling.
Het bericht dat ondernemers in de problemen komen door rentederivaten |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Duizenden ondernemers bezitten «giftige derivaten» en «Verstrikt in de fuik van de swap»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de omvang is van dit probleem van rentederivaten voor het midden- en kleinbedrijf (mkb)?
Op dit moment heb ik geen aanvullende informatie over hoeveel ondernemers kampen met problematische (rente)derivaten of om welk totaalbedrag het zou gaan. Ook over het aantal (gewonnen) procedures heb ik op dit moment geen informatie.
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) doet momenteel onderzoek naar dienstverlening met betrekking tot rentederivaten aan semipublieke instellingen en het midden- en kleinbedrijf (MKB). Dit onderzoek loopt op dit moment nog, maar in september zal de AFM naar buiten komen met de eerste resultaten van het onderzoek. Daarbij kijkt de AFM ook naar toekomstige risico’s. Het is evenwel ook voor hen lastig om een totaalbedrag voor de «schade» te bepalen, omdat dit mede afhankelijk is van toekomstige waardeontwikkelingen en de individuele afspraken tussen bank en klant en dus ook zicht vereist op alle individuele posities.
In hoeverre zijn deze derivaten en hun gevolgen voor de gebruiker vergelijkbaar met de eerder ontstane situatie bij woningcorporaties?
Een mogelijke overeenkomst tussen de problemen met rentederivaten bij woningcorporaties en die bij het MKB, is dat sprake kan zijn van onvoldoende kennis en ervaring in de (interne organisatiestructuur van de) instelling of onderneming die deze rentederivaten afsluiten. Ook geldt voor het MKB – net als bij woningcorporaties – dat bij vervroegde aflossing van de onderliggende lening in de regel ook het derivaat moet worden beëindigd, wat kan leiden tot kosten (in het geval de negatieve waarde van het derivaat moet worden afgekocht). Er zijn echter ook verschillen. Zo is bij het MKB in het algemeen sprake van kredietverlening en derivaten die zijn afgesloten bij dezelfde bank en waar de bank zekerheden voor zowel het krediet als het derivaat heeft afgesproken. MKB’ers hoeven in deze gevallen dus geen extra onderpand te storten. Ook is in het MKB minder sprake van zeer langlopende rentederivaten (bij MKB is de looptijd van rentederivaten die de afgelopen jaren zijn afgesloten meestal beperkt tot 10 jaar), waardoor het effect van de gedaalde rente op de waarde minder groot is dan bij de zeer langlopende contracten (langer dan 20 jaar) die sommige corporaties hebben afgesloten.
Kunt u aangeven hoeveel ondernemers kampen met deze problematische derivaten en om welk totaalbedrag het gaat? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken en hierover in overleg te treden met MKB-Nederland en de Nederlandsche Bank (DNB)?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat de economische schade en de toekomstige risico’s zijn van deze rentederivaten in het mkb voor de Nederlandse economie in totaal? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of ondernemers voldoende zijn voorgelicht door financiële dienstverleners over de risico’s van deze producten? Kunt u daarbij specifiek ingaan op het verhogen van de opslag van de lening door financiële dienstverleners, zoals vermeld in de berichtgeving?
De AFM doet momenteel onderzoek naar dienstverlening met betrekking tot rentederivaten aan semipublieke instellingen en het MKB. Daarbij kijkt de AFM ook naar de informatieverstrekking en advies over de risico’s en voorwaarden van rentederivaten door financiële ondernemingen. De wijze waarop is gecommuniceerd over de opslag die op het krediet van toepassing is heeft daarbij ook de aandacht van de AFM.
Hoe beoordeelt u het verkopen van rentederivaten aan het mkb door financiële dienstverleners in het licht van de zorgplicht van deze financiële dienstverleners?
Voor de beantwoording van deze vragen zijn twee aspecten van belang, namelijk de classificatie van de cliënt (professioneel of niet-professioneel) door de bank op basis van regels voortvloeiend uit de richtlijn Markets in Financial Instruments Directive (MiFID), alsmede het type dienstverlening dat door de bank is aangeboden (advies, execution only of het optreden als wederpartij). Indien (beleggings)advies is gegeven over rentederivaten is het van belang dat de financiële onderneming informatie bij de cliënt inwint over zijn financiële positie, risicobereidheid, doelstelling en kennis en ervaring. Het advies moet daar op gebaseerd zijn. Daarnaast is het van belang dat de financieel onderneming de cliënt adequaat informeert over het product en de daarbij behorende risico’s. De AFM ziet hierop toe. Wanneer er execution only dienstverlening is verleend of door de bank is opgetreden als wederpartij zijn deze eisen minder zwaar. Ook zijn de eisen die worden gesteld bij dienstverlening aan professionele beleggers minder verreikend dan bij dienstverlening aan niet-professionele beleggers. De omvang van de onderneming is daarbij bepalend voor de classificatie van de cliënt. Indien een onderneming voldoet aan twee van de volgende (drie) voorwaarden, wordt zij aangemerkt als professionele belegger: (a) balanstotaal van € 20 miljoen; (b) netto-omzet van € 40 miljoen; (c) eigen vermogen van € 2 miljoen. Voldoet een onderneming niet aan deze voorwaarden, dan kwalificeert zij automatisch als niet-professionele belegger. Overigens kunnen professionele beleggers de bank zelf verzoeken om aangemerkt te worden als niet-professionele belegger (de zogenaamde opt-out). Het bovenstaande laat echter onverlet dat op grond van het civiele recht en de Wet op het financieel toezicht voor banken (en andere beleggingsondernemingen) een zorgplicht geldt, zowel ten aanzien van professionele als niet-professionele beleggers.
Een maatregel die ik onlangs heb genomen om te voorkomen dat ondoorzichtige financiële producten verkocht worden, is de invoering van toezicht op het productontwikkelingsproces van financiële ondernemingen en de daaruit voortvloeiende producten. De AFM kan vanaf 1 januari 2013 op basis van deze wettelijke bevoegdheid toezicht houden op het productontwikkelingsproces en indien nodig eisen stellen aan dit proces. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken of een product nuttig is voor de beoogde doelgroep en of een product niet onnodig ingewikkeld is. Het productontwikkelingsproces ziet echter niet op rentederivaten, omdat deze producten (als financiële instrumenten) gereguleerd worden door de MiFID, waarmee maximumharmonisatie wordt beoogd. Ik zet mij er echter voor in – onder andere bij de herziening van de MiFID – om ook voor deze producten toezicht op het productontwikkelingsproces mogelijk te maken.
Ik ben overigens van mening dat ondernemers hier ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. Voordat ik verdere stappen wil zetten, wil ik de uitkomsten van het onderzoek van de AFM naar rentederivaten afwachten.
Hoeveel juridische procedures zijn er op dit moment aangespannen door ondernemers over deze rentederivaten en hoeveel daarvan zijn er reeds gewonnen door deze ondernemers?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) onderzoek doet naar het probleem van rentederivaten in het mkb? Kunt u aangeven wat de laatste stand van zaken is?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier gaat u er aan bijdragen dat in de toekomst veel minder ondernemers de dupe worden van ondoorzichtige producten van financiële dienstverleners?
Zie antwoord vraag 7.
De kinderopvangtoeslag |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u toelichten waarom u voor het recht op kinderopvangtoeslag meent te kunnen volstaan met de koppeling aan het aantal uren van de minst werkende partner, terwijl de wet aanvullend op een dergelijk uitgangspunt en onafhankelijk van praktische overwegingen in ieder geval vereist dat kinderopvangtoeslag bedoeld moet zijn voor kinderopvang en niet voor peuterspeelzaalwerk?1 Kunt u in dit verband ingaan op de rechtsoverwegingen 6 tot en met 8 in de uitspraak van de rechtbank Middelburg, die door de koppeling van toeslag aan het gewerkte aantal uren niet aan relevantie hebben ingeboet omdat het inhoudelijke verschil tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk hierin doorslaggevend is?2
Ouders hebben recht op kinderopvangtoeslag als zij opvang afnemen bij een geregistreerd kinderdagverblijf en voldoen aan alle overige voorwaarden. Met de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan het aantal gewerkte uren door de minst werkende partner is naar mijn oordeel voldoende verzekerd dat de kinderopvangtoeslag ten goede komt aan de combinatie van arbeid en zorg door ouders die gebruik maken van geregistreerde kinderopvang, zoals door de wetgever beoogd.
Daaraan doet niet af dat het gebruik van een kinderopvangvoorziening soms maar voor een beperkt aantal uren plaatsvindt. Veel ouders maken immers gebruik van formele kinderopvang in combinatie met gebruik van informele opvang. De koppeling aan de gewerkte uren van de minstwerkende partner verzekert dat het beroep op de toeslag niet groter is dan overeenkomt met de behoefte aan opvang die voortvloeit uit betaalde arbeid.
Een aantal peuterspeelzalen is in de afgelopen jaren qua kwaliteitsaanbod toegegroeid naar de kwaliteit van kinderdagverblijven. In deze gevallen kan het voorkomen dat een peuterspeelzaal de facto aan de kwaliteitseisen van een kinderdagverblijf voldoet en in voorkomende gevallen zich daarom laat registreren als kinderdagverblijf. Zodra een instelling is geregistreerd als kinderdagverblijf, is er sprake van kinderopvang en kan daar – indien aan de overige eisen wordt voldaan – door ouders kinderopvangtoeslag voor worden aangevraagd. Voor het antwoord op uw vraag met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank Middelburg verwijs ik naar het antwoord onder vraag 2.
Wat is uw reactie op de stelling van de rechtbank Middelburg dat het feit dat opvang van peuters plaatsvindt in een geregistreerd kinderdagverblijf geen garantie betekent dat sprake is van kinderopvang? Deelt u de constatering dat opvang van 2 tot 2,5 uur gedurende twee dagdelen in de week een belangrijke indicatie is dat geen sprake is van kinderopvang en dat deswege op grond van de inhoudelijke criteria in de wet geen recht kan bestaan op kinderopvangtoeslag?
Zoals in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen reeds is aangegeven heeft de casus waar de rechtbank Middelburg een oordeel over heeft gegeven betrekking op het jaar 2010. De koppeling met de gewerkte uren bestond toen nog niet. Bij afwezigheid van deze koppeling heeft de rechtbank aanleiding gevonden om in het door de rechtbank beoordeelde casus gebruik van geregistreerd kinderopvang voor een beperkt aantal uren onvoldoende grondslag te vinden voor een beroep op de kinderopvangtoeslag, omdat dit gebruik niet ten dienste van de combinatie arbeid en zorg zou zijn.
Nu de inzet van de kinderopvangtoeslag ten behoeve van de combinatie arbeid en zorg voldoende wordt verzekerd met de koppeling aan gewerkte uren door de minst werkende partner, is het ongewenst en onnodig om de uitvoeringspraktijk te belasten met een additioneel criterium. Ouders kunnen dan ook aan het feit dat zij gebruik maken van geregistreerde kinderopvang de zekerheid ontlenen dat zij potentieel (mits aan de overige voorwaarden van de wet wordt voldaan) recht op kinderopvangtoeslag hebben.
Wat is, in het licht van uw stelling dat peuterspeelzaalwerk en kinderopvang alleen plaatsvinden in geregistreerde peuterspeelzalen respectievelijk kinderdagverblijven, uw oordeel over de handelwijze van gemeenten die ouders, die gebruik maakten van de peuterspeelzaal, verplichten hetzelfde peuterspeelzaalwerk met het oog op de beschikbaarheid van kinderopvangtoeslag voort te zetten in een kinderdagverblijf? Hoe is de rechtsgelijkheid van ouders gewaarborgd wanneer tweeverdieners die gebruik willen maken van peuterspeelzaalwerk door de gemeenten naar een geregistreerd kinderdagverblijf worden verwezen, terwijl eenverdieners voor hetzelfde peuterspeelzaalwerk op de geregistreerde peuterspeelzaal zijn aangewezen?
Het is niet mogelijk om hetzelfde peuterspeelzaalwerk aan te bieden in een peuterspeelzaal en een kinderdagverblijf. In een geregistreerd kinderdagverblijf wordt alleen kinderopvang aangeboden. De kwaliteitseisen voor kinderopvang en peuterspeelzalen zijn verschillend.
Binnen dit door de wet gegeven kader is het een gemeentelijke verantwoordelijkheid om vorm te geven aan het peuterspeelzaalbeleid. Zij beschikken daartoe over eigen financiële middelen en maken daarbij eigen keuzes. Sommige gemeenten zetten daarbij in op integratie van voorzieningen en streven er daarbij naar om het kwaliteitsniveau tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk gelijk te trekken. Eigen aan die keuze is dat het verschil tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in deze gemeenten steeds meer vervaagd. Dit behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Binnen die verantwoordelijkheid valt ook de keuze om de eigen financiële middelen ten behoeve van peuterspeelzaalwerk alleen in te zetten voor kinderen van ouders die geen beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslag. Over het gemeentelijk beleid wordt verantwoording afgelegd aan de eigen gemeenteraad.
Wellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat in het regeerakkoord – mede gezien deze trend – ook is afgesproken dat de financiering van het peuterspeelzaalwerk onder de Wet Kinderopvang wordt gebracht om de onderlinge afstemming van onderwijs, peuterspeelzaalwerk en kinderopvang te optimaliseren. Daarbij zal bestaande gemeentelijke financiering worden betrokken. Ik zal uw Kamer hierover in het najaar informeren en hoop daarmee uw vragen in voldoende mate te beantwoorden.
Hoe wordt recht gedaan aan het specifieke karakter van de peuterspeelzaal wanneer gemeenten met het oog op de beschikbaarheid van kinderopvangtoeslag besluiten het peuterspeelzaalwerk in een kinderdagverblijf onder te brengen? Onderkent u dat door de beperktere mogelijkheden om te volstaan met de inzet van vrijwilligers – die het gevolg zijn van de overgang van peuterspeelzaalwerk naar het kinderdagverblijf – het functioneren en de maatschappelijke verworteling van de peuterspeelzaal onder druk kunnen komen te staan?
Zie antwoord vraag 3.
De Nederlandse sponsoring van een Turks festival in Turkije |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «WTF? Nederland sponsort Turks festival in Turkije»?1
Ja.
Klopt dit bericht of is het een hoax?
Nederland heeft bijgedragen aan het festival «International Bodrum Carnival» in Bodrum, Turkije.
Bent u bekend met het gezegde «Eṣek hoṣaftan ne anlar»?
Ja.
Indien dit bericht klopt, kunt u dan uitleggen waarom u Nederlands belastinggeld aan een festival in Turkije besteedt? Gaat u dit geld terugvorderen? Bent u zelf een ezel?
Nederland heeft 5.000 euro bijgedragen aan het International Bodrum Carnival in Bodrum, met als doel een Turks en internationaal publiek te laten kennismaken met Nederlandse cultuur. Want mede door de bijdrage was het mogelijk twee Nederlandse bands te laten optreden op het genoemde festival. Het ondersteunen van de Nederlandse culturele sector bij activiteiten in het buitenland is een belangrijk onderdeel van ons internationaal cultuurbeleid. Het biedt ons de kans de bekendheid van Nederland en de Nederlandse bevolking in het buitenland te vergroten. Zodat ook mensen buiten onze landsgrenzen zien dat de Nederlandse cultuur op internationaal hoog niveau staat en dat deze cultuur een goede indruk geeft van onze open, vrij diverse en tolerante samenleving.
Het imago van Nederland als land waar cultuur op een hoog niveau staat en waar mensen graag hun eigen cultuur uitdragen, maar ook zeer geïnteresseerd zijn in culturele uitingen van alle bevolkingsgroepen in onze eigen samenleving, zowel als in andere samenlevingen, is een groot goed dat wij graag koesteren. Want dit imago draagt bij aan een positief beeld van Nederland in de wereld. En dat positieve beeld is in economische termen letterlijk onbetaalbaar.
Het rentebesluit van de ECB |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het feit dat de Europese Centrale Bank (ECB) de rente nog lange tijd laag zal houden?1
Ja.
Welke invloed heeft dit besluit van de ECB op de hoogte van hypotheekrenteaftrek in Nederland? Kunt u dit toelichten?
Een lage rente van de ECB kan zich doorvertalen in een lagere rente die een aanbieder van hypotheken betaalt voor het financieren van diverse portefeuilles. Indien met deze rente de hypotheekportefeuille wordt gefinancierd, kan dit zich doorvertalen in een lagere hypotheekrente en daarmee een lagere hypotheekrenteaftrek. Aanbieders gebruiken echter ook andere, langer lopende, financiering en deposito’s om de hypotheekportefeuille mee te financieren. Het is aan aanbieders zelf om te bepalen of en zo ja in welke mate zij het eventuele voordeel van lage financieringskosten doorberekenen middels een lagere hypotheekrente. Daarnaast zijn andere variabelen van invloed op de hoogte van de hypotheekrente. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) benoemt in haar studie «Concurrentie op de hypotheekmarkt» van 18 april 2013 de financieringsopslag, hypotheekspecifieke risico-opslagen en een opslag voor operationele kosten.2 Verder kunnen de totale omvang van de hypotheekportefeuille op de balans, strategische doelstellingen en concurrentie afwegingen van invloed zijn op het prijsbeleid van aanbieders. Een gezonde en goed werkende hypotheekmarkt vergroot de kans dat middels concurrentie druk op de prijzen ontstaat. Dit onderwerp heeft dan ook mijn continue aandacht en die van mijn collega’s van Economische Zaken en voor Wonen en Rijksdienst.
De ACM heeft aangegeven dat capaciteitsrestricties en een gebrek aan toetreding de belangrijkste redenen zijn waarom de marges op Nederlandse hypotheken de afgelopen jaren zijn gestegen. Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om deze belemmeringen weg te nemen. Naast het gegeven dat de afgelopen jaren duidelijk is geworden dat banken met lage kapitaalratio’s kwetsbaar zijn en dat banken hun kapitaalpositie dienen te versterken, is de hoge Nederlandse hypotheekschuld een belangrijke oorzaak van de capaciteitsrestricties die aanbieders ervaren. Met de recente maatregelen op de hypotheekmarkt wordt de groei van de hypotheekschuld afgeremd en worden de risico’s voor de consument en de aanbieder verkleind.3 Dat kan de financierbaarheid van de Nederlandse hypotheekportefeuilles vereenvoudigen wat kan resulteren in een drukkend effect op de hoogte van de rente. Bovendien maken deze maatregelen het eenvoudiger voor buitenlandse toetreders om de Nederlandse markt te betreden wat de concurrentie op de hypotheekmarkt kan vergroten.
Daarnaast zijn met de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit Financiële Markten 2013, verschillende maatregelen van kracht geworden die de werking van de hypotheekmarkt verbeteren en de positie van de consument versterken.4
Bovendien is de ACM een studie gestart naar mogelijkheden voor verbetering van de marktwerking in de bancaire sector, waaronder de hypotheekmarkt. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de toetredingsmogelijkheden op de markt. Op korte termijn zal ik de Tweede Kamer tevens de visie op de Nederlandse bancaire sector toesturen waarbij ook zal worden stilgestaan bij de concurrentie in de bancaire sector.
Bent u bereid om met de banken in overleg te treden om te bespreken hoe zij, mede gelet op dit ECB-besluit, de hypotheekrente naar beneden kunnen en gaan brengen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
BPM, wegenbelasting en de subsidieregelingen KIA, MIA en VAMIL voor ondernemers |
|
Sander de Rouwe (CDA), Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat de Mitsubishi Outlander PHEV in aanmerking komt voor 0% BPM (belasting op personenauto's en motorrijwielen), de subsidieregelingen KIA (kleinschaligheidsinvesteringsaftrek), MIA (milieuinvesteringsaftrek) en Vamil (willekeurige afschrijving voor milieubedrijfsmiddelen), evenals 0% bijtelling als ondernemer en dat er geen wegenbelasting betaald hoeft te worden?
Ja, bij aanschaf van een Mitsubishi Outlander PHEV in 2013 zijn dit jaar de genoemde faciliteiten van toepassing. PHEV staat daarbij voor Plug-in Hybrid Electric Vehicle.
Kunt u aangeven hoeveel een ZZP’er die in het 52%-tarief van de inkomstenbelasting valt en deze auto vier jaar lang rijdt, in het totaal netto betaalt, indien hij gebruikt maakt van KIA, MIA, Vamil en complete btw-verrekening?
De netto kostprijs van een Mitsubishi Outlander PHEV voor een IB-ondernemer met toepassing van KIA, MIA en Vamil en volledige verrekening van btw bedraagt € 27.687, zie de berekening in onderstaande tabel 1.
Consumentenprijs
48 990
Btw1
-/- 8502
Aanschafprijs ondernemer
Inclusief € 0 BPM
40 488
MIA
36% bij 0–50gr/km CO2, 14% MKB winstvrijstelling, 52% IB =
36% * € 40.488 * (1–0,14) * 0,52
-/- 6518
KIA
28% (investering < 55248), 14% MKB winstvrijstelling, 52% IB = 28% * € 40.488 * (1–0,14) * 0,52
-/- 5069
Vamil
Rente- en liquiditeitsvoordeel van 3% door versneld afschrijven (75%): 3% * € 40.488
-/- 1215
Kostprijs ondernemer
27 686
Overeenkomstig de vraagstelling is hier uitgegaan van de volledige aftrek van de btw ter zake van de aanschaf van de auto. Wanneer de IB-ondernemer de auto ook privé zou gebruiken, moet hij ter zake van dat privégebruik btw afdragen. Die btw-heffing is afhankelijk van de omvang van het privégebruik en staat overigens los van de CO2-uitstoot.
Bij deze berekening is als uitgangspunt genomen dat de ondernemer maximaal kan profiteren van de genoemde faciliteiten, doordat de ondernemer is onderworpen aan een marginaal belastingtarief van 52% en doordat de ondernemer geen andere investeringen doet in het jaar van aanschaf. Verder is in de berekening rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling van 14%.
De genoemde berekening in vraag 3 wijkt af van de berekening in tabel 1. In de genoemde berekening wordt slechts het belastingvoordeel in het jaar van aanschaf van de auto berekend. Toepassing van de Vamil in het jaar van aanschaf heeft tot gevolg dat in de overige jaren dat de auto in het bezit is van de ondernemer minder kan worden afgeschreven. Hierdoor is de fiscale winst in het eerste jaar lager, maar in de jaren daarna hoger, zodat in latere jaren de hogere winst wordt belast.2 De Vamil leidt dus slechts tot een rente- en liquiditeitsvoordeel. Dit voordeel is gemiddeld ongeveer 3% van de aanschafprijs.
De belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM) bedraagt nihil voor dieselauto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 88 g/km3 en voor auto’s gedreven door andere fossiele brandstoffen tot maximaal 95 g/km CO2-uitstoot.
Voor de Mitsubishi Outlander PHEV geldt een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (MRB) tot 1 januari 2016 omdat deze auto in de categorie auto’s met 0 tot ten hoogste 50 g/km CO2-uitstoot valt en daarvoor tot 1 januari 2016 een vrijstelling MRB van toepassing is. Per 1 januari 2014 vervalt de vrijstelling van MRB voor auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 95 g/km (diesel) of maximaal 110 g/km (andere brandstoffen). Ten opzichte van een Mitsubishi Outlander PHEV kost een dieselauto (met meer dan 50 g/km CO2-uitstoot) met eenzelfde gewicht (1.810 kilogram) in Zuid-Holland ongeveer € 2.100 meer aan MRB en provinciale opcenten in het kalenderjaar 2014.
Tot slot de bijtelling. Bij het voorgaande is geen rekening gehouden met het 0%-bijtellingtarief. Het voordeel van een 0%-bijtellingstarief ten opzichte van een 14%-bijtelling bedraagt circa € 18.000 netto in 5 jaar4.
Klopt de berekening1 dat een IB-ondernemer deze auto (cataloguswaarde € 48.990) voor netto € 16.678 koopt en de vier jaren erop geen wegenbelasting betaalt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel subsidie krijgt de houder van deze auto gemiddeld ten opzichte van een auto in de 14%-bijtellingscategorie en hoeveel CO2-besparing levert dat op?
De aanschaf van milieuvriendelijke auto’s wordt fiscaal gestimuleerd doordat gebruik kan worden gemaakt van de KIA, MIA en de Vamil, zoals ook in het antwoord op vraag 2 en 3 aan de orde is gekomen.
Uitgaande van het rekenvoorbeeld in het antwoord op de vragen 2 en 3 bedraagt het voordeel van de MIA, KIA en Vamil ten hoogste 31,6% van de aanschafprijs5.
Bij aanschaf van een vergelijkbare auto in de 14%-bijtellingcategorie, bijvoorbeeld de Peugeot 3008 Hybrid 2.0 HDi, ligt dit voordeel lager, namelijk op 18,6% van de aanschafprijs, zie onderstaande tabel 2:
Consumentenprijs
37 790
Btw1
-/- 6 559
Aanschafprijs ondernemer
Inclusief € 0 BPM
31 231
MIA
13,5% bij 50–88 gr/km CO2, 14% MKB winstvrijstelling, 52% IB = 13,5% * € 31 231 * (1–0,14) * 0,52
-/- 1 885
KIA
28% (investering < 55248), 14% MKB winstvrijstelling, 52% IB = 28% * € 31 231 * (1–0,14) * 0,52
-/- 3 911
Vamil
Niet van toepassing
0
Kostprijs ondernemer
25 435
Hierbij wordt uitgegaan van de volledige aftrek van de btw ter zake van de aanschaf van de auto. Wanneer de IB-ondernemer de auto ook privé gebruikt moet ter zake van dat privégebruik btw worden afgedragen. Die btw-heffing is afhankelijk van de omvang van het privégebruik en staat overigens los van de CO2-uitstoot.
Daarnaast heeft de bestuurder van een (semi-)elektrische auto van de zaak waarvan het kenteken dit jaar voor het eerst op naam is gesteld (0%-bijtelling) een voordeel van 14% bruto ten opzichte van de bestuurder van een zeer zuinige auto van de zaak (14%-bijtelling). Bij een auto met een waarde van € 30.000 is het verschil gemiddeld netto € 2.184 op jaarbasis (€ 30.000 * 14% * 52%). Dit bijtellingsvoordeel geldt op grond van het overgangsrecht gedurende een periode van 60 maanden rekenend vanaf de eerste tenaamstelling.
Voor een Peugeot 3008 Hybrid 2.0 Hdi (88 g/km CO2-uitstoot, 1.635 kilogram) dient in Zuid-Holland in het kalenderjaar 2014 circa € 1.800 aan MRB en provinciale opcenten te worden betaald. Zoals eerder beantwoord, geldt voor bijvoorbeeld de Mitsubishi Outlander PHEV een vrijstelling van MRB tot 1 januari 2016.
Er zijn verschillende methoden om de CO2-besparing te berekenen die (semi-)elektrische auto’s opleveren. De meest voor de hand liggende is de CO2-uitstoot uitgaande van de typegoedkeuring te vergelijken. Deze waarde vormt namelijk ook de grondslag voor de stimulering. Conform de typegoedkeuring bedraagt de CO2-uitstoot van de Mitsubishi Outlander PHEV 44 g/km CO2-uitstoot. Wanneer deze auto met bijvoorbeeld de eerdergenoemde Peugeot wordt vergeleken en er wordt uitgegaan van 300.000 km gedurende de levensduur van de auto, levert dit een besparing op van ongeveer 13 ton CO2. Het werkelijke verschil in CO2-uitstoot kan hiervan afwijken, omdat rijgedrag, oplaadgedrag en weersomstandigheden in werkelijkheid afwijken van de omstandigheden bij de typekeuring.
Hoe verhoudt de CO2-besparing bij deze auto per ton zich met de huidige prijs van emissierechten? Acht u die verhouding terecht?
De huidige prijs van CO2-emissierechten (per 1 juli 2013 ca € 4 per ton) bevindt zich door een aantal factoren op een uitzonderlijk laag niveau, dat niet representatief is voor een vergelijking met de kosten van CO2-besparing per auto of door middel van duurzaam opgewekte energie. Daarnaast is een kwantitatieve vergelijking op CO2niet goed mogelijk omdat de huidige fiscale behandeling van elektrische mobiliteit juist gericht is op het stimuleren van de marktontwikkeling voor deze innovatieve technologie. In de huidige marktfase ligt de prijs van (semi-)elektrische voertuigen hoger dan van vergelijkbare conventionele benzine- en dieselauto’s. Daarnaast ervaart de gebruiker van (semi-)elektrische auto’s de beperkte actieradius, de oplaadduur en de oplaadmogelijkheden als gebruiksbeperkingen en is er onzekerheid over de inruilwaarde. Om te komen tot een min of meer gelijk speelveld tussen (semi-)elektrische auto’s en conventionele benzine- en dieselauto’s, worden de (semi-) elektrische auto’s langs fiscale weg gestimuleerd. Tijdelijke stimulering is voor deze categorie voertuigen gewenst om een zodanig volume te realiseren dat de prijs van het product kan dalen en daardoor de doorbraak van het product een kans krijgt. Hiermee wordt grootschalige uitrol bevorderd, zodat de kosten op langere termijn verlaagd worden. Door de grootschalige uitrol zal ook de CO2-besparing sterk toenemen.
Kunt u dezelfde sommen eens uitvoeren voor een Tesla?
Het voorbeeld in de aangehaalde berekening gaat uit van een btw-tarief van 19% en een prijs van € 94.010. Medio augustus 2013 wordt er in Nederland geen model van de Tesla S aangeboden voor die prijs en geldt een btw-tarief van 21%.
Het model Tesla waarvan de prijs het dichtst bij de kostprijs van de auto in de vraag ligt is de Tesla S Performance, waarvan de cataloguswaarde € 97.550 inclusief btw bedraagt. De netto kostprijs hiervan voor een IB-ondernemer met toepassing van KIA, MIA en Vamil en volledige verrekening van btw bedraagt € 58.302, zoals de onderstaande tabel toont.
Consumentenprijs
97 550
Btw1
-/- 16 931
Aanschafprijs ondernemer
Inclusief € 0 BPM
80 619
MIA
36% bij 0–50gr/km CO2, 14% MKB winstvrijstelling, 52% IB =
36% * € 80 619 * (1–0,14) * 0,52
-/- 12979
KIA
€ 15.470 (totaal investeringen tussen 55248 en 102311), 14% MKB winstvrijstelling, 52% IB = € 15.470 * (1–0,14) * 0,52
-/- 6919
Vamil
Rente- en liquiditeitsvoordeel van 3% door versneld afschrijven (75%): 3% * € 80 619
-/- 2419
Kostprijs ondernemer
58 302
Hierbij wordt uitgegaan van de volledige aftrek van de btw ter zake van de aanschaf van de auto. Wanneer de IB-ondernemer de auto ook privé gebruikt moet ter zake van dat privégebruik btw worden afgedragen. Die btw-heffing is afhankelijk van de omvang van het privégebruik en staat overigens los van de CO2-uitstoot.
Bij deze berekening is als uitgangspunt genomen dat de ondernemer maximaal kan profiteren van de genoemde faciliteiten, doordat de ondernemer is onderworpen aan een marginaal belastingtarief van 52% en doordat de ondernemer geen andere investeringen doet in het jaar van aanschaf. Verder is in de berekening rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling van 14%.
De berekeningswijze waarnaar de vraag verwijst, veronderstelt, net als in de berekening bij vraag 2, dat de willekeurige afschrijving ineens ten laste van de aanschafprijs gebracht. Dit schetst echter een vertekend beeld, omdat er slechts sprake is van versneld afschrijven en er derhalve in latere jaren een hogere winst wordt belast, dan wanneer er regulier zou worden afgeschreven. Verder is in de betreffende berekening geen rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. Deze verschillen verklaren dat de netto kostprijs voor de ondernemer lager uitkomt in de in vraag 7 aangehaalde berekening.
Voor de Tesla S geldt een vrijstelling van MRB tot 1 januari 2016 aangezien deze auto valt in de categorie met 0 tot ten hoogste 50 g/km CO2-uitstoot. De vrijstelling van MRB vervalt per 1 januari 2014 voor auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 95 g/km (diesel) en maximaal 110 g/km voor andere brandstoffen. Ten opzichte van deze auto’s geldt de vrijstelling van MRB dus 2 jaar langer voor de Tesla S. Uitgaande van een dieselauto met eenzelfde gewicht (2.108 kilo) scheelt dit in Zuid-Holland € 2.540 aan MRB en provinciale opcenten per jaar.
Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is de meest voor de hand liggende methode om de CO2-uitstoot uitgaande van de typegoedkeuring te vergelijken. Conform de typegoedkeuring bedraagt de CO2-uitstoot van de volledige elektrische Tesla S 0 g/km. Wanneer de Tesla wordt vergeleken met een BMW 740i High Executive (CO2-uitstoot op basis van de typegoedkeuring van 184 gr/km) geldt bij een levensduur van 300.000 km een besparing van circa 55 ton CO2. Echter hiervoor geldt dat het werkelijke verschil in CO2-uitstoot kan afwijken, omdat rijgedrag en weersomstandigheden in werkelijkheid afwijken van de omstandigheden bij de typekeuring.
Uitgaande van het rekenvoorbeeld in tabel 3 bedraagt het voordeel van de MIA, KIA en Vamil ten hoogste 27,3% van de aanschafprijs.
Voor een vergelijkbare auto, zoals de BMW 740i High Executive, geldt dit voordeel niet, maar het volgende:
Consumentenprijs
109 995
Btw1
-/- 19 090
Aanschafprijs ondernemer
Inclusief € 12.137 BPM
90 905
MIA
Niet van toepassing
0
KIA
Niet van toepassing
0
Vamil
Niet van toepassing
0
Kostprijs ondernemer
90 905
Hierbij wordt uitgegaan van de volledige aftrek van de btw ter zake van de aanschaf van de auto. Wanneer de IB-ondernemer de auto ook privé gebruikt moet ter zake van dat privégebruik btw worden afgedragen. Die btw-heffing is afhankelijk van de omvang van het privégebruik en staat overigens los van de CO2-uitstoot.
Daarnaast heeft de berijder van een (semi-)elektrische auto van de zaak waarvan het kenteken dit jaar voor het eerst op naam is gesteld (0%-bijtelling) een voordeel van 25% bruto ten opzichte van de berijder van de in tabel 4 aangehaalde auto (25%-bijtelling). Dit betekent een verschil van gemiddeld € 14.300 op jaarbasis (€ 109.995 * 25% * 52%). Dit bijtellingsvoordeel geldt op grond van het overgangsrecht gedurende een periode van 60 maanden rekenend vanaf de eerste tenaamstelling. Het verschil met een berijder van een auto die in de 14%-bijtelling categorie valt, bedraagt, bij een gelijke aanschafprijs van de auto’s, gemiddeld € 8.007 op jaarbasis (€ 109.995 * 14% * 52%).
In het kader van het bovenstaande deel ik u mede dat ik omstreeks Prinsjesdag een brief aan uw Kamer zal doen toekomen, waarin ik een aantal maatregelen aan u zal presenteren om te komen tot een meer evenwichtige vorm van stimulering van (semi) elektrische auto’s.
Klopt het dat je de sportauto Tesla (aanschaf € 94.010) als ZPP’er voor netto € 25.059 kunt rijden en dan verder geen wegenbelasting meer betaalt?2
Zie antwoord vraag 6.
Is bij deze auto’s de milieusubsidie nog in verhouding tot de milieuwinst of niet?
Zie antwoord vraag 5.
De problemen waar de Bond van Belastingbetalers tegenaan is gelopen |
|
Agnes Mulder (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de problemen waar de Bond van Belastingbetalers tegenaan is gelopen?1
Ja.
Deelt u de mening dat de subsidieregeling Veiligheid Kleine Bedrijven transparant moet zijn, oftewel dat duidelijk moet worden gemaakt aan wie het is gegeven en waarvoor het is gebruikt?
Ja, deze mening deel ik.
Bent u ook van mening dat draagvlak voor subsidiëring van maatschappelijke gewenste doelen, zoals de veiligheid van kleine bedrijven, versterkt kan worden wanneer het publiek kan zien wie van deze gelden profiteren?
Ik ben van mening dat het draagvlak voor subsidiering van maatschappelijk gewenste doelen versterkt kan worden wanneer het publiek ziet dat subsidies goed worden besteed. Dit kan de overheid in algemene zin laten zien door een evaluatie te publiceren, zoals de evaluatie van de subsidieregeling Veiligheid Kleine Bedrijven bijvoorbeeld laat zien dat de subsidie meer investeringen in preventie van criminaliteit heeft uitgelokt bij bedrijven dan er subsidie is verstrekt.
Daarnaast kan het draagvlak in bepaalde gevallen worden versterkt door te laten zien wie van deze gelden profiteren. Zo wordt via de website www.volginnovatie.nl op een overzichtelijke manier informatie gegeven over innovatieprojecten die een financiële bijdrage hebben gekregen van Agentschap NL in 2010, 2011 en 2012.
Is het in het kader van transparantie dan ook niet merkwaardig dat de Bond van Belastingbetalers geen inzicht krijgt welke ondernemingen subsidie krijgen, ook als men gebruik maakt van de Wet Openbaar Bestuur?
De minister van Financiën heeft het Wob-verzoek van de Bond van Belastingbetalers opgevat als een verzoek om de totaalbedragen die per subsidie zijn besteed te verstrekken. De verzoeker is door de minister van Financiën gewezen op de vindplek hiervan.
Gaat u zich er voor inzetten dat het voor het publiek toegankelijker wordt, om te weten welke ondernemingen profiteren van verschillende subsidie instrumenten om daarmee het draagvlak voor deze regelingen te vergroten?
Het is op dit moment primair aan het bestuurorgaan dat de subsidie uitkeert om actief mededelingen te doen over de ontvangers en bij verschillende regelingen gebeurt dit al. Voor andere regelingen kan de informatie met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur worden verkregen, tenzij bijvoorbeeld sprake is van privacyschendingen of veiligheidsrisico’s. In het kader van het actieprogramma Open Overheid zal mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnenkort in algemene zin nader ingaan op de (on)mogelijkheden van het openbaar bekend maken van de namen van subsidieontvangers.
Bent u voornemens om met onmiddellijke ingang te publiceren welke organisaties en bedrijven in 2011 hebben geprofiteerd van de subsidieregeling Veiligheid Kleine Bedrijven en waaraan deze middelen zijn besteed?
Ik ben zeker bereid bekend te maken welke bedrijven in 2011 subsidie hebben ontvangen in het kader van Veiligheid Kleine Bedrijven en welke bedragen deze bedrijven hebben ontvangen (met uitzondering van namen van bedrijven waaruit informatie afgeleid kan worden die de persoonlijke levenssfeer van personen betreffen, zoals bijvoorbeeld eenmanszaken). Agentschap NL zal dit via de website publiceren.
De Bond voor Belastingbetalers geeft aan dat niemand kan zeggen wat er precies met deze subsidie is gedaan. De regeling was echter zo opgezet dat herleid kon worden dat deze subsidies daadwerkelijk zijn besteed aan de beveiliging van de bedrijven. Met de subsidie Veiligheid Kleine Bedrijven is een beveiligingsadvies op maat gegeven waarin stond welke maatregelen de beveiliging van de zaak het meest zouden versterken. Subsidie werd alleen gegeven op maatregelen uit dit advies. Voor de subsidie moesten ondernemers een kopie van dit advies en facturen van het advies en de genomen maatregelen overleggen.
Het publiceren van de specifieke veiligheidsmaatregelen waaraan de subsidie is besteed, zou betekenen dat ook criminelen toegang krijgen tot de informatie over de beveiliging van de bedrijven die subsidie hebben ontvangen. Dat zou de veiligheid van de ondernemer en zijn personeel kunnen schaden. De beveiligingsadviseurs die ondernemers een beveiligingsadvies op maat hebben gegeven, hebben om deze reden een verklaring moeten ondertekenen dat zij de gegevens vertrouwelijk behandelen en de adviezen op een beveiligde plek opbergen. Gezien de risico’s voor de bedrijven en het personeel, zal ik de gegevens over de specifieke maatregelen niet publiceren.
Op welke termijn kan de evaluatie, zoals gevraagd tijdens het algemeen overleg over bedrijfslevenbeid op 27 juni 2013, tegemoet worden gezien?
De evaluatie van de subsidieregeling Veiligheid Kleine Bedrijven van Economische Zaken en Veiligheid en Justitie is op 10 mei 2012 door de minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Economische Zaken, aan uw Kamer aangeboden (KST 28 684, nr. 354).
Sinds begin 2012 heeft de minister van Veiligheid en Justitie de verantwoordelijkheid voor de subsidieregeling overgenomen. In 2013 heeft de minister van Veiligheid en Justitie de ondersteuning voor kleine bedrijven geïntegreerd in zijn beleid voor de veiligheid van bedrijven. Over een evaluatie van deze nieuwe aanpak Veiligheid Kleine Bedrijven zal mijn collega van Veiligheid en Justitie u informeren.
De verkoop van vakantiedagen |
|
Ed Groot (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Overheid moet verkoop vakantiedagen pushen»?1
Ja.
Klopt het dat Nederlandse ondernemingen in totaal ongeveer 16 miljard euro aan niet opgenomen vakantieverlof op hun balans hebben staan?
Het totaal van 16 miljard euro als waarde van de niet opgenomen vakantiedagen is berekend op basis van de uitkomsten van een ledenenquête van de AWVN. De resultaten zijn doorgerekend naar het totaal aantal arbeidsjaren zoals het CBS dat heeft berekend en vermenigvuldigd met het gemiddelde loon per uur, eveneens afkomstig van het CBS. Hieruit blijkt dat werknemers aan het einde van 2012 gemiddeld over 16 niet opgenomen vakantiedagen beschikten.
De enquête is door 103 werkgevers ingevuld. Het onderzoek is derhalve gebaseerd op een smalle basis. Onzeker is voorts in welke mate deze 103 werkgevers die lid zijn van de AWVN en de werknemers die zij in dienst hebben een juiste afspiegeling zijn van de werkgevers en werknemers in ons land. In het verlengde daarvan is de waarde van 16 miljard euro onzeker.
Wat is uw reactie op het voorstel om voor de verkoop van verlofdagen tijdelijk een lager belastingtarief te hanteren?
Allereerst is de notie van belang dat het afkopen van vakantiedagen alleen mogelijk is voor zover het om de bovenwettelijke vakantiedagen gaat. De wettelijke vakantiedagen, bij een voltijds werkweek zijn dat er 20 per jaar, mogen niet worden afgekocht, tenzij sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit is vastgelegd in artikel 7:640 van het BW. Om deze reden is het aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de openstaande vakantiedagen niet kan worden afgekocht. Het verbod tot afkoop van wettelijke vakantiedagen heeft tot doel dat werknemers daadwerkelijk verlof nemen om rust te genieten als doeltreffende bescherming van hun veiligheid en gezondheid. Het staat werkgevers en werknemers wel vrij om afspraken te maken over het afkopen van bovenwettelijke vakantiedagen. Dat is nu al mogelijk.
Fiscaal wordt de afkoop van vakantiedagen beschouwd als loon dat belast wordt naar het tarief zoals dat geldt voor de werknemer die afkoopt. Afkoop tegen een tijdelijk lager tarief zou in de eerste plaats leiden tot een ongelijke behandeling tussen werknemers die wèl de beschikking hebben over een aantal af te kopen dagen en werknemers die dat niet hebben. Voorts leidt een dergelijke maatregel tot budgettaire derving voor de Staat, omdat de dagen die een werknemer ook zonder fiscale stimulans zou hebben afgekocht tegen een lager tarief worden belast. Daar tegenover staat dat afkoop leidt tot verhoogde inkomsten voor de Staat ten opzichte van dagen die zonder fiscale stimulans niet worden afgekocht. Onduidelijk is hoe deze effecten zich tot elkaar verhouden.
Echter, een fiscale constructie zoals nu wordt voorgesteld zet de deur open naar tariefsarbitrage. Een werknemer kan immers afstand doen van een deel van het salaris inruil voor een hoger aantal vakantiedagen om vervolgens deze vakantiedagen tegen een veel lager belastingtarief af te kopen.
Gezien het voorgaande acht het kabinet het fiscaal stimuleren van afkoop van bovenwettelijke vakantiedagen onwenselijk.
Wat voor boost zou dit plan kunnen geven aan de economie wanneer een derde van het niet opgenomen vakantieverlof zou worden verzilverd tegen een lager belastingtarief?
Het fiscaal aantrekkelijk maken van het afkopen van vakantiedagen zou kunnen leiden tot extra financiële middelen voor de werknemer. Afhankelijk van de mate waarin financiële middelden worden ingezet voor (extra) bestedingen kan dit leiden tot een stimulering van de economie. Financiële middelen kunnen namelijk in plaats van extra bestedingen ook worden ingezet om extra te sparen of om schulden af te lossen.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven kunnen alleen de bovenwettelijke dagen worden afgekocht. Het aantal bovenwettelijke vakantiedagen is in verhouding tot de 20 wettelijke vakantievakantiedagen die men in een jaar tijd opbouwt zeer beperkt. Op grond van dit gegeven is allereerst de notie van belang dat vermoedelijk slechts een minderheid van de niet-opgenomen vakantiedagen daadwerkelijk in aanmerking komt voor verzilvering. Daarnaast is het onzeker of de werkgevers in de huidige omstandigheden middelen beschikbaar willen of kunnen stellen om vakantiedagen in geld uit te keren. De vele onzekerheden rond het inschatten van de effecten van het fiscaal aantrekkelijk maken van het afkopen van vrije dagen maakt een indicatie over een eventuele economische stimulans eveneens heel onzeker.
De Verklaring van Geen Bezwaar (VvGB) |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u er van op de hoogte dat een vermogensbeheerder die in het kader van een fusie een aandeel wil verwerven van meer dan 10% bij een andere vermogensbeheerder, dient te beschikken over een verklaring van geen bezwaar (vvgb), ook indien de betreffende onderneming reeds zelf over zo’n verklaring beschikt voor dezelfde activiteit?1
Ja. De vvgb wordt aangevraagd door degene die een gekwalificeerde deelneming wil houden, verwerven, of vergroten boven de geldende bovengrens van artikel 3:102, eerste lid, van de Wft (als bovengrens geldt 20, 33, 50 of 100 procent). Daarbij is het niet van belang of de beleggingsonderneming waarin de deelneming wordt verworven over een vvgb beschikt.
Deelt u de opvatting dat het aanvragen van een extra vvgb in deze situatie een kostbare, langdurige en administratief belastende en onnodige procedure voor de betreffende ondernemers is?
Indien een beleggingsonderneming een gekwalificeerde deelneming wil verwerven in een andere beleggingsonderneming, dient hij op grond van artikel 3:95 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) over een vvgb te beschikken. In artikel 3:100, eerste lid, van de Wft zijn de criteria vastgelegd waarop de aanvraag voor een vvgb getoetst wordt. Zoals blijkt uit die criteria is bij de beoordeling van belang of door de beoogde deelneming de financiële soliditeit van de betrokken beleggingsonderneming is gewaarborgd. Indien de vermogensbeheerder derhalve een gekwalificeerde deelneming wenst te verwerven in een andere vermogensbeheerder zal dus getoetst moeten worden of door de gekwalificeerde deelneming de financiële soliditeit van de andere vermogensbeheerder is gewaarborgd. Omdat het gaat om een andere onderneming (vermogensbeheerder) is dus een nieuwe toets, en derhalve vvgb, vereist.
Vindt u de eis van een extra vvgb proportioneel, gelet op de doelstelling uit het regeerakkoord om ondernemers de ruimte te geven om te kunnen groeien, en het streven naar vermindering van regeldruk en nalevingskosten (Bruggen slaan, blz. 10)?
Gelet op het antwoord op vraag 2 is de wettelijke regeling voor het aanvragen van een vvgb niet disproportioneel. Los daarvan geldt dat de beoordelingscriteria en de behandelprocedure van vvgb-aanvragen op Europees niveau geharmoniseerd zijn.2 Het gaat hier om maximum harmonisatie zodat afwijking door lidstaten niet mogelijk is.
Bent u bereid om voor situaties zoals geschetst in vraag 1 in overleg met DNB en AFM te komen tot een verkorte procedure die rekening houdt met een al eerder verkregen vvgb?
Zie antwoord vraag 3.
Het opschorten van toeslagen en hypotheekrenteaftrek |
|
Paulus Jansen , Farshad Bashir |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Hoeveel personen hebben deze maand vanwege onderzoek naar de rechtmatigheid daarvan geen toeslagen of hypotheekrenteaftrek ontvangen? Kan dit worden uitgesplitst naar het soort uitkering?1
De Belastingdienst heeft actie ondernomen om toeslaggerechtigden geen financieel nadeel te laten ondervinden van het faillissement van achttien kinderopvanginstellingen in mei en juni 2013. Dit nadeel zou ontstaan als kinderopvangtoeslag in een failliete boedel terecht zou komen. Het ging hier om toeslaggerechtigden die opdracht hadden gegeven hun toeslag rechtstreeks uit te betalen aan de kinderopvanginstellingen. De uitbetaling van deze kinderopvangtoeslagen is geblokkeerd.
In dergelijke gevallen worden direct alle betalingen die betrekking hebben op de desbetreffende bsn’s gestaakt, waarna uitbetaling op het bankrekeningnummer van de rechthebbende wordt geregeld. Dit laatste is abusievelijk verzuimd waardoor de blokkade op de uitbetalingen bleef voortbestaan en, naast 1411 toeslagbedragen, ook 518 voorlopige teruggaven inkomstenbelasting niet werden uitbetaald.
Direct nadat de fout is ontdekt zijn de toeslagen en de terugbetalingen inkomstenbelasting alsnog uitbetaald (uiterlijk in de eerste week van juli).
Bij deze uitbetaling heeft zich echter opnieuw een procesverstoring voorgedaan waardoor in naar schatting 750 gevallen er toeslag en teruggave inkomstenbelasting dubbel is uitbetaald. Deze groep ontvangt een excuusbrief met het verzoek om terugbetaling.
Hoe lang loopt deze zeer drastische methode van controle al?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is gekozen voor het zonder bericht vooraf, niet uitkeren van de toeslagen? Waarom is niet gevraagd om op korte termijn bewijslast aan te leveren, met als dreiging het inhouden van toeslagen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom zijn ontvangers van toeslagen niet voor de gebruikelijke betaaldatum geïnformeerd over het feit dat hun toeslag niet wordt uitgekeerd?
Zie antwoord vraag 1.
Realiseert u zich dat u op deze manier gezinnen die mogelijk terecht toeslagen ontvangen in directe financiële problemen brengt? Op welke wijze is hiermee rekening gehouden bij de keuze van deze werkwijze?
Zie antwoord vraag 1.
Op grond van welke criteria wordt vastgesteld dat er een redelijk vermoeden bestaat voor een onrechtmatige uitkering van toeslagen?
Het uitgangspunt is dat de Belastingdienst burgers informeert over alle stappen in het toezichtsproces. Dat betekent dat burgers schriftelijk worden geïnformeerd over het besluit om een toeslag toe te kennen of een ingediende mutatie te verwerken. Dit informeren gebeurt via een brief waarin men wordt gevraagd telefonisch een afspraak te maken om aan de balie om bewijsstukken te komen tonen of via een zgn. vraagbrief waarin de Belastingdienst aangeeft welke (aanvullende) informatie nog nodig is om de aanvraag/mutatie te kunnen beoordelen.
Een aanvraag voor een toeslag wordt getoetst aan de wettelijke grondslagen. Dit geldt eveneens voor wijzigingen op lopende toeslagen die worden doorgegeven. Indien er onvoldoende zekerheid bestaat over de rechtmatigheid van de aanvraag of de wijziging kan er aanvullende informatie worden opgevraagd. Als bewijsstukken gelden (afhankelijk van de toeslag) onder andere de volgende documenten: een ondertekend huurcontract, contract(en) van een kindercentrum of gastouder waaruit het aantal uren opvang en het uurtarief blijkt of recente facturen waaruit het werkelijke aantal uren afgenomen kinderopvang blijkt.
Als een aanvrager geen afspraak maakt of zonder opgave van reden niet komt opdagen, dan wel niet reageert op de vraagbrief, wordt de toeslag niet toegekend. Als er sprake is van een lopende toeslag wordt die gestopt en teruggevorderd.
In de periode maart t/m juni zijn ongeveer 1200 mensen uitgenodigd aan de balie en hebben ongeveer 1500 mensen een vraagbrief ontvangen.
Na beoordeling van de bewijsstukken en het vaststellen van de hoogte van het recht op het eerstvolgende moment van formeel beschikken wordt de bijbehorende betaling in gang gezet, indien van toepassing met terugwerkende kracht. Het formeel beschikken vindt elke maand plaats.
Op welke manier moeten ontvangers aangeven dat zij recht hebben op de toeslagen?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke termijn kan de rechthebbende de toeslagen met terugwerkende kracht tegemoet zien, wanneer deze kan aantonen dat hij of zij inderdaad recht heeft op de toeslagen?
Zie antwoord vraag 6.
De gevolgen van de voorgenomen accijnsverhoging |
|
Roland van Vliet (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de rapporten van Ernst & Young en Regioplan uit 2011 en 2013 inzake accijnsverhogingen?1
Ja
Deelt u de mening dat het verhogen van de bieraccijnzen in 2013 en de voorgenomen verhoging in 2014 niet daadwerkelijk zullen leiden tot extra inkomsten voor de schatkist maar slechts tot een toename van het zogenoemde «accijnstoerisme»? Zo nee, waarom niet?
De gerealiseerde bieraccijnsontvangsten over 2013 lopen tot dusverre volgens de verwachting van het kabinet daarover bij de Startnota en geven daarom geen aanleiding te veronderstellen dat de recente accijnsverhoging van bier niet zal leiden tot extra inkomsten in 2013.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit reeds genoemde rapporten dat de gemiste bieraccijns en BTW inkomsten over de eerste drie maanden van 2013 ongeveer € 18 miljoen bedragen? Deelt u de conclusie dat de «extra» schatkistopbrengsten van de accijnsverhoging geheel teniet gedaan worden door naar België en Duitsland weglekkende BTW- en accijnsopbrengsten, hogere maatschappelijke kosten, derving van sociale premies en inkomstenbelasting?
Zie beantwoording bij vraag 5 en 6.
Bent u op de hoogte dat vanaf 2014 een bierbrouwer met een omzet van € 15 miljoen ruim € 3,7 miljoen aan accijns zal moeten afdragen, terwijl een vergelijkbaar bedrijf in Duitsland minder dan € 1 miljoen afdraagt? Deelt u de mening dat er hierdoor sprake is van regionale ongelijkheid en oneerlijke concurrentie? Zo nee, waarom niet?
Wanneer een buitenlandse brouwer bier op de Nederlandse markt wil verkopen, is Nederlandse accijns verschuldigd. Indien anderzijds een Nederlandse brouwer producten in het buitenland aanbiedt, is het accijnsregime van toepassing van het land waarin de verkoop plaatsvindt.
De accijnzen op bier liggen in Duitsland inderdaad lager dan in Nederland. Per krat is het verschil ongeveer 2 euro. Het kabinet is zich ervan bewust dat de prijsverschillen tussen lidstaten ertoe kunnen leiden dat particulieren en bedrijven bier in andere lidstaten aanschaffen. Particulieren die in een andere lidstaat bier hebben gekocht voor eigen gebruik en dat bier zelf naar Nederland vervoeren zijn geen Nederlandse accijns verschuldigd. Wanneer bier voor commerciële doeleinden wordt overgebracht naar Nederland, moet wel Nederlandse accijns worden afgedragen. Het niet afdragen van accijns wordt in deze situatie als illegale handel aangemerkt. Dit is schadelijk voor zowel de Nederlandse brouwers als de Nederlandse overheid. De Belastingdienst/Douane spant zich, samen met de Vereniging Nederlandse Brouwers, in om illegale handel tegen te gaan. Deze samenwerking is vastgelegd in een Memorandum of Understanding.
Overweegt u, nu België, Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk vanwege het economisch belang van hun biersector de recente accijnsverhogingen laag gehouden hebben of zelfs terugdraaien, af te zien van de voorgenomen verhoging per 1 januari 2014? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het Algemeen Overleg van 27 maart j.l. heb ik naar aanleiding van vragen van de TK-leden Omtzigt en Schouten over de effecten van de accijnsverhogingen per 1 januari 2013 een grenseffectenrapportage toegezegd. Inmiddels zijn van diverse organisaties uit de tabak- en alcoholsector onderzoeksgegevens ontvangen. Deze worden op dit moment geanalyseerd. Na het zomerreces zal ik de door mij toegezegde grenseffectenrapportage aan de Tweede Kamer sturen. In deze rapportage zal onder andere worden ingegaan op de gevolgen van de accijnsverhoging voor ondernemers in de grensstreken. Op basis van deze rapportage zal het kabinet een beslissing nemen over de in het Regeerakkoord opgenomen verhogingen van de tabaks- en alcoholaccijnzen per 1 januari 2014.
Wat zijn de gevolgen voor de kleine en middelgrote bierbrouwerijen inclusief de sociaaleconomische gevolgen in de grensstreken door de accijnsverhogingen van 2013 en 2014?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u kennisgenomen van het arrest van het hof in Luxemburg C-‘219/12 (Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr tegen Unabhängiger Finanzsenat Außenstelle Linz), waarin het hof beslist dat (paragraaf 37 van de uitspraak): «de exploitatie van een fotovoltaïsche installatie op of nabij een woning, die zodanig is ontworpen dat de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit altijd minder bedraagt dan de door de exploitant in totaliteit voor privédoeleinden verbruikte hoeveelheid elektriciteit en aan het elektriciteitsnet wordt geleverd in ruil voor een duurzame opbrengst, onder het begrip «economische activiteiten» in de zin van dat artikel valt.»?
Ja ik heb zeker kennis genomen van het arrest van het Hof van Justitie EU in zaak C-219/12, ook wel «zaak Fuchs» genoemd. Nederland heeft in deze zaak niet geïntervenieerd omdat het volledig onderbouwde Oostenrijkse standpunt in overeenstemming was met het Nederlandse standpunt, namelijk dat geen sprake is van btw relevante economische activiteiten. Duitsland heeft in deze zaak juist wel geïntervenieerd omdat in Duitsland het standpunt wordt toegepast dat de exploitatie van een fotovoltaïsche installatie op of nabij een woning wel leidt tot economische activiteiten voor de btw.
Waarom heeft de Duitse regering zich wel gevoegd in de zaak en de Nederlandse regering niet, terwijl er voor Nederland toch een groot belang op spel stond?
Zie antwoord vraag 1.
Onder welke omstandigheden en met hoeveel jaar terugwerkende kracht kunnen mensen de btw, die zij betaald hebben over zonnepanelen, de installatie van zonnepanelen en een deel van de constructie waarop ze hem geplaatst hebben, via de vooraftrek terugontvangen? Hoeveel btw moet de Nederlandse staat terugbetalen?
Aftrek van btw op de aanschaf van zonnepanelen is alleen mogelijk als de eigenaar ondernemer is voor de btw-heffing. Er ontstaat geen recht op aftrek of btw-plicht met terugwerkende kracht. Arresten van het Hof van Justitie hebben geen terugwerkende kracht in gevallen waarin de belastingheffing onherroepelijk vaststaat en de termijnen voor het tijdig verzoeken om btw-teruggaaf al zijn verstreken. Dit is conform mijn vaste beleidslijn zoals meest recentelijk verwoord in het beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M, Stcrt.2010/20999. De enige uitzondering die hierop gemaakt wordt betreft de zogenoemde Kühne & Heitz-uitzondering (arrest Hof van Justitie EU van 13 januari 2004, zaak C-453/00), die in dit geval niet speelt. De btw-plicht van zonnepaneleneigenaren moet worden beoordeeld op grond van alle feiten en omstandigheden van het geval. Deze beoordeling is voorbehouden aan de inspecteur. In algemene zin is sprake van btw-plicht als de particuliere eigenaar van zonnepanelen de opgewekte elektriciteit geheel of gedeeltelijk duurzaam en tegen vergoeding levert aan zijn energieleverancier. De zonnepaneleneigenaar zal dit wel aannemelijk moeten maken. Particulieren die niet aan deze voorwaarden voldoen hoeven zich niet te melden bij de Belastingdienst voor een eventuele btw-plicht ter zake van de exploitatie van zonnepanelen. Voor de budgettaire gevolgen verwijs ik naar vraag 6.
Heeft elke persoon die zonnepanelen heeft en energie terug levert een verplichting tot btw-aangifte en de mogelijkheid om een beroep te doen op de kleine ondernemersregeling?
Elke persoon die voor de exploitatie van zonnepanelen btw-ondernemer is heeft een verplichting tot het doen van btw-aangifte. Als aannemelijk is dat na toepassing van de btw-vermindering voor kleine ondernemers geen btw op aangifte hoeft te worden voldaan (namelijk bij een bedrag kleiner of gelijk aan € 1.345 per jaar na aftrek voorbelasting), dan kan om volledige ontheffing van btw-plicht voor de exploitatie van zonnepanelen en de daarbij behorende administratieve verplichtingen worden gevraagd. In dat geval vervalt ook de factureringsverplichting, maar mag aan de afnemer van de elektriciteit geen btw in rekening worden gebracht en bestaat geen recht op aftrek van btw meer. Alle natuurlijke personen en combinaties van natuurlijke personen, zoals een maatschap, kunnen een dergelijk beroep doen op de btw-ontheffing als kleine ondernemer. Na een daartoe gedaan verzoek kan die ontheffing onmiddellijk ingaan. De ontheffing gaat gepaard met een jaarlijks vragenformulier, dat ook nodig is om juiste btw-afdracht aan Brussel te bepalen. Ik bezie de mogelijkheid om dit formulier te vereenvoudigen of helemaal af te schaffen. Ik beschik niet over ervaringscijfers welk percentage van de eigenaren wel of geen beroep zal doen op de ontheffing. Ik kan daarom niet bevestigen dat (bijna) iedere zonnepaneeleigenaar een ontheffing zal vragen. Daarbij speelt uiteraard ook een belangrijke rol dat deze ontheffing meebrengt dat geen recht bestaat op teruggaaf van btw en er zonnepaneleneigenaren zullen zijn die zeker een beroep willen doen op dit teruggaafrecht.
Gaan deze mensen (bijna) allemaal een ontheffing vragen en krijgen (misschien op naam van partner of kind wanneer zij zelf al ondernemer zijn) en moet die ontheffing dan gepaard gaan met een jaarlijks vragenformulier?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel btw levert deze maatregel op en hoeveel administratieve lasten voor de burgers en voor de Belastingdienst?
Het antwoord op deze vraag hangt onder meer af van het aantal personen dat als gevolg van de exploitatie van zonnepanelen btw-plichtig wordt. Gelet op de onzekerheid over het aantal btw-plichtige zonnepaneleneigenaren en het aantal dat een beroep zal doen op de administratieve ontheffing, is het voor mij niet mogelijk de effecten voor de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst en de administratieve lasten voor bedrijven exact te becijferen. Het is echter onmiskenbaar dat de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst toe zullen nemen en dat hetzelfde geldt voor de administratieve lasten voor ondernemers. Met de energieleveranciers zal nog overleg gevoerd worden over de praktische gevolgen van de btw-plicht voor de exploitatie tegen vergoeding van zonnepanelen. De btw-plicht voor de levering van elektriciteit en het recht op teruggave van btw bij aankoop van zonnepanelen levert budgettair niets op maar betekent een budgettaire derving. Deze derving ontstaat door de aan het ondernemerschap gekoppelde recht op aftrek van voorbelasting. In samenhang met de werking van de kleine ondernemersregeling ontvangen particulieren die investeren in zonnepanelen en voor de levering van de elektriciteit ondernemer zijn, in het jaar van aanschaf van de zonnepanelen (na datum arrest Hof van Justitie) alleen maar btw terug van de Belastingdienst. Deze derving zal conform de begrotingsregels gedekt worden.
Bent u bereid om samen met Oostenrijk, Duitsland en andere gelijkgestemde landen, te pleiten voor een aanpassing van de btw-richtlijn, waardoor het begrip «economische activiteiten» een beperktere uitleg krijgt en goederen die in en om het huis geproduceerd worden en voornamelijk gebruikt worden voor eigen consumptie (direct of uitgesteld) ervan worden uitgezonderd?
Ja. Ik acht de uitkomst van het arrest ongewenst, maar zie in het arrest geen juridische ruimte om het ondernemerschap te ontkennen wanneer is voldaan aan de in het antwoord op vraag 3 aangegeven voorwaarden. Daarom zal ik in Europees verband pleiten voor een aanpassing van de btw-richtlijn en daarbij de steun zoeken van gelijkgestemde landen. Daarbij valt te denken aan een mogelijkheid voor lidstaten om zeer kleine ondernemers met geringe omzetten of particuliere zonnepaneleneigenaren verplicht vrij te stellen van btw. Met het oog op eventuele aanpassing van de btw-richtlijn heeft Nederland dit onderwerp aanhangig gemaakt bij de Europese Commissie, die hiervoor nadrukkelijk de aandacht heeft. Wat Duitsland betreft mag overigens duidelijk zijn dat het in het arrest geen reden zal zien tot aanpassing van de regelgeving. In Duitsland wordt juist uitgegaan van btw-plicht voor de exploitatie van zonnepanelen.
Het afschaffen van het 500 eurobiljet en de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het verkennend advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) «CRIMINALITEIT, CORRUPTIE en INSTABILITEIT»?1
Ja.
Hoe staat de regering tegenover het advies van de AIV om het 500-eurobiljet af te schaffen? Deelt u de zorgen over het malafide gebruik van het 500-eurobiljet? Deelt u de mening dat, als het zo is dat het biljet voornamelijk criminaliteit faciliteert, het uit het betalingsverkeer moet worden genomen?
Het advies van de AIV geeft geen nieuwe inzichten die aanleiding geven om de positie zoals verwoord in de beantwoording van eerdere vragen over het 500-eurobiljet te heroverwegen.2 In die eerdere antwoorden is aangegeven dat de zorgen over het door criminele motieven gedreven gebruik van contant geld worden gedeeld. Specifiek betreffende het gebruik van het 500-eurobiljet is toen gemeld dat onderzoeken uitwijzen dat het niet zo is dat het gebruik van dit biljet voornamelijk in het criminele circuit plaatsvindt. Daarbij is tevens aangegeven dat de minister van Financiën, alles overwegende, niet voornemens is om bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Centrale Bank (ECB) te pleiten voor het uit het betalingsverkeer halen van het 500-eurobiljet. Een beslissing over het al dan niet afschaffen van het 500-eurobiljet zou overigens alleen kunnen worden genomen door ECB, omdat de uitgifte van bankbiljetten na de overgang op de euro de exclusieve verantwoordelijkheid van de ECB is.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de toezegging van de minister van Financiën naar aanleiding van eerdere vragen om de Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Centrale Bank (ECB) te verzoeken speciale aandacht te geven aan de rol van specifiek het 500-eurobiljet in toekomstige onderzoeken naar het gebruik van eurobiljetten, in het bijzonder met betrekking tot de (internationale) criminaliteit?2 Wat is er te zeggen over mogelijke uitkomsten van dit onderzoek en eventuele gevolgtrekkingen?
De Minister van Financiën heeft DNB verzocht in toekomstige onderzoeken naar het gebruik van eurobiljetten speciale aandacht te geven aan het 500-eurobiljet. DNB heeft daarop bevestigd dat dit bij een volgend onderzoek wordt meegenomen. Voorts kan dit onderwerp uiteraard bij gelegenheid aan de orde komen in het kader van het normale toezicht van DNB op financiële instellingen in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. DNB heeft verder toegezegd om de Nederlandse belangstelling voor de rol van deze coupure onder de aandacht van de ECB te brengen, wanneer de ECB nieuw onderzoek naar het gebruik van eurobiljetten overweegt. Over eventuele uitkomsten en gevolgtrekkingen is thans niets te zeggen.
Hoe staat de regering tegenover het advies van de AIV dat Nederland moet aandringen op de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie? Herkent u het beeld van de AIV dat lidstaten elkaar onvoldoende aanspreken op tekortkomingen in de rechtspraak, politie en corruptiebestrijding? Bent u het er mee eens dat een effectievere Europese aanpak van financiële misdrijven essentieel is? Zo ja, hoe wilt u betere Europese samenwerking bevorderen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer van 8 november 2011 over de strafrechtelijke samenwerking in de EU4 en tijdens het algemeen overleg van 16 november 2011 over onder meer deze brief 5 ben ik ingegaan op de mogelijke oprichting van een Europees OM. Zoals daaruit blijkt is Nederland hier kritisch over en bestaan er ook bij andere lidstaten twijfels over de noodzaak en wenselijkheid hiervan. Naar verwachting komt de Europese Commissie deze zomer met een voorstel voor een verordening inzake de oprichting van een Europees OM, dat zich overigens uitsluitend zal richten op fraude met Europese gelden.
Voor de grensoverschrijdende aanpak van financiële misdrijven en corruptie in het algemeen werken landen samen en spreken elkaar aan op tekortkomingen in verschillende andere kaders en samenwerkingsverbanden, zoals de Raad van Europa, de FATF (zie hierover vraag 6), de OESO en de VN. Deze samenwerkingsverbanden kunnen op diverse punten nog verder worden uitgebouwd en Nederland stelt zich actief op om dit te bewerkstelligen. Dat geldt ook voor het door lidstaten elkaar aanspreken op rechtstatelijke tekortkomingen. Ik verwijs u in dat kader bijvoorbeeld naar het initiatief dat Nederland onlangs met enkele andere lidstaten heeft genomen om binnen de Europese Unie een mechanisme te ontwikkelen dat het mogelijk maakt elkaar onderling aan te spreken op ontwikkelingen in elkaars rechtsstaat.6
Herkent u het beeld van de AIV dat de opsporingsinstanties en het Openbaar Ministerie nog altijd niet goed uit de voeten kunnen met de financiële benadering van financieel-economische criminaliteit, omdat kennis nodig is die buiten het strafrecht ligt? Hoe wilt u dit probleem aanpakken?
Nee, dat beeld herken ik niet. De afgelopen periode is geïnvesteerd in zowel de kwaliteit als de kwantiteit ten aanzien van financieel rechercheren. Zo wordt het aantal fte's voor het specialisme «financieel-economische expertise» binnen de Nationale Politie verhoogd naar 1156 fte. Dit is 585 fte meer dan op dit moment het geval is. Het gaat hierbij voor een deel over HBO(+) opgeleid personeel. Dit zal ertoe leiden dat het voor het Openbaar Ministerie mogelijk wordt om met de politie meer zaken op te pakken waarbij financiële expertise noodzakelijk is. Daarnaast is in het regeerakkoord besloten de FIOD voor de bestrijding van witwassen met 100 fte uit te breiden. Deze 100 fte zal zich specifiek gaan bezighouden met witwasonderzoeken. Verder wordt ook kennis en expertise van de verschillende opsporingsdiensten bijeengebracht in bijvoorbeeld de combiteams, waarin de Nationale Recherche en de FIOD gezamenlijk onderzoek doen.
Bent u bekend met het onderzoek van de Wereldbank: «The Puppet Masters, How the Corrupt Use Legal Structures to Hide Stolen Assets and What to Do About It»?3 Klopt het dat geen enkel land van de 159 onderzochte landen de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) – onder andere dat financiële instellingen worden verplicht de identiteit van klanten te verifiëren en deze informatie op te slaan – volledig heeft uitgevoerd? Bent u het er mee eens dat Nederland, als een van de 36 leden van de FATF, internationaal moet pleiten voor volledige implementatie van de FATF-aanbevelingen? Zo ja, welke stappen worden, ook in het kader van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, genomen om de FATF-aanbevelingen volledig in te voeren?
Wij zijn bekend met het onderzoek van de Wereldbank. Het is waar dat in de afgelopen jaren geen enkel land op het moment van evaluatie door de FATF een 10 (oftewel, een «compliant rating») heeft gescoord op alle individuele FATF-aanbevelingen. In alle gevallen waren er verbeteringen en/of aanscherpingen mogelijk of noodzakelijk. Tegelijkertijd hebben de FATF-aanbevelingen er de afgelopen jaren wel voor gezorgd dat in bijna alle landen ter wereld inmiddels voor aangewezen, witwasgevoelige sectoren uniforme regels zijn ingevoerd inzake identificatie en verificatie van de cliënt en de uiteindelijke belanghebbende, evenals een meldplicht voor verdachte transacties en een financiële inlichtingeneenheid waar die meldingen worden geanalyseerd. Nog niet overal ter wereld werken die systemen effectief, en de FATF heeft zich dan ook tot doel gesteld om in de volgende ronde van landenevaluaties naast de inrichting van wet- en regelgeving ook de effectiviteit van de anti-witwassystemen in ogenschouw te nemen.
Volledige en effectieve implementatie van de FATF-aanbevelingen wereldwijd is een belangrijke stap in de aanpak van de grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Nederland zet zich er in Europa voor in om de FATF-aanbevelingen volledig om te zetten in de vierde Europese anti-witwasrichtlijn.8
Het bericht ‘Dijsselbloem wil af van rol IMF bij reddingsoperaties’ |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Dijsselbloem wil af van rol IMF bij reddingsoperaties»?1
Ja.
Klopt het dat u de rol van het IMF nader wilt bezien bij toekomstige reddingsoperaties voor eurolanden?
Ik wil benadrukken dat het kabinet de rol van elk van de drie partijen – IMF, Europese Commissie en ECB – in de Trojka bij leningenprogramma’s steunt. Het kabinet zal zich blijven inzetten dat alle drie de partijen betrokken blijven bij de vormgeving en monitoring van de leningenprogramma’s. Op deze manier wordt gebruik gemaakt van de specifieke kennis die iedere institutie bezit.
Nederland heeft vanaf 2010 altijd ingezet op betrokkenheid van het IMF bij leningenprogramma’s van lidstaten in de eurozone vanwege de financiële bijdrage die het IMF kan leveren en de expertise en ervaring met programma’s.
Ik ben nog steeds van mening dat betrokkenheid van het IMF om bovenstaande redenen een meerwaarde biedt bij de vormgeving en monitoring van de leningenprogramma’s. Het Nederlandse standpunt over IMF-betrokkenheid in de huidige crisis in Europa is derhalve ongewijzigd. Tegelijkertijd stel ik vast dat er een discussie ontstaat over de rol van het IMF. Ik acht deze discussie prematuur. Ik heb dan ook aangegeven dat wanneer de eurozone uit de economische crisis is, de rol van het IMF in toekomstige leningenprogramma’s aan lidstaten van de eurozone bezien kan worden.
Zo ja, waarom wilt u de rol van het IMF nader bezien bij toekomstige reddingsoperaties voor eurolanden? Deelt u de mening dat – aangezien Nederland altijd voorop heeft gelopen om deelname van het IMF als voorwaarde voor reddingsoperaties te stellen – er in dit geval sprake is van een «radicale breuk met het standpunt dat Nederland tot nu toe steeds heeft ingenomen»?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, kunt u bevestigen dat het IMF wel degelijk betrokken moet blijven bij toekomstige reddingsoperaties voor eurolanden, zoals Nederland sinds 2010 altijd als harde eis heeft gesteld bij de redding van eurolanden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke meerwaarde ziet u bij de huidige rol van het IMF bij reddingsoperaties voor eurolanden? Kunt u hierbij ingaan op de financiële capaciteit van het IMF, de expertise met betrekking tot reddingsoperaties en de onafhankelijke rol die het IMF inneemt?
Zie antwoord vraag 2.
25% meer betalingsachterstanden op de hypotheken |
|
Teun van Dijck (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Betaalachterstanden hypotheken nemen weer toe»?1
Ja.
Hoeveel huiseigenaren met een betalingsachterstand verwacht u dat er dit jaar nog bijkomen, voornamelijk als gevolg van de toegenomen werkloosheid?
Het is lastig om een voorspelling te doen over de toekomstige ontwikkeling van het aantal betalingsachterstanden. Deze ontwikkeling is sterk gerelateerd aan de ontwikkeling van de economie in het algemeen en daarmee samenhangende variabelen als de koopkrachtontwikkeling en de werkloosheid. Een deel van de betalingsachterstanden ontstaat bij echtscheidingen, deze zijn eveneens lastig in te schatten. Desalniettemin geven de onderliggende trends en de brede conjuncturele ontwikkeling geen aanleiding om te veronderstellen dat het aantal betalingsachterstanden op korte termijn zal afnemen. Overigens kan worden opgemerkt dat het aantal huiseigenaren met een betalingsachterstand op hun hypotheek weliswaar oploopt maar internationaal bezien nog steeds laag is met 1,6% van het totaal aantal hypotheken.
Begrijpt u dat het vertrouwen van de consument tot een nulpunt daalt en de woningmarkt alleen maar verslechtert als de overheid tussentijds de spelregels voor hypotheken verandert, lastenverzwaring op lastenverzwaring stapelt en beleid voert dat zorgt voor meer werklozen? Zo neen, waarom niet?
Ik kan mij vinden in het standpunt dat rust op de woningmarkt noodzakelijk is. Tussentijdse wijzigingen van de regelgeving met betrekking tot hypotheken kunnen vanuit dat oogpunt bezien verwarrend werken. Het pakket aan maatregelen uit het regeer- en woonakkoord biedt consumenten duidelijkheid en zekerheid. Tegelijkertijd draagt dit pakket bij aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.
In hoeverre bent u van mening dat het gegeven dat meer dan een miljoen huizen onder water staan, er meer dan 65 miljard aan onderwaarde is en er inmiddels 25% meer betalingsachterstanden op hypotheken zijn, de economie schaadt en toont dat het gevoerde beleid averechts werkt?
Ik wijs erop dat te ruime kredietverlening in het verleden heeft bijgedragen aan de door u genoemde problemen. Het kabinet heeft een aantal maatregelen genomen die de problemen aanpakken en daarnaast duidelijkheid en perspectief bieden. Hierbij valt onder meer te noemen de verlaging van de maximale Loan to Value (LTV) ratio, de permanente verlaging van het overdrachtsbelastingstarief voor woningen, de ondersteuning van startersleningen en de introductie van de aflossingseis waardoor nieuwe gevallen enkel recht op hypotheekrenteaftrek verkrijgen indien de lening in maximaal 360 maanden volgens een (tenminste) annuïtair schema volledig wordt afgelost.
Specifiek ten aanzien van restschulden heeft het kabinet enkele aanvullende maatregelen genomen om de financiering van restschulden bij een verhuizing te vereenvoudigen. Bij restschulden mag het bedrag van die schuld worden meegefinancierd in een nieuw hypothecair krediet en buiten beschouwing worden gelaten bij het berekenen van de LTV ratio. Daarnaast kunnen de rente en kosten van een lening voor een restschuld die zijn ontstaan bij de verkoop van een woning vanaf 29 oktober 2012 voor maximaal 10 jaar van de belasting worden afgetrokken.
Tot slot kan ik melden dat het beheer van betalingsachterstanden op hypotheken (het zogenaamde bijzonder beheer) de nadrukkelijke aandacht heeft van zowel de sector, de Autoriteit Financiële Markten en het Waarborgfonds Eigen Woningen (dat verantwoordelijk is voor uitvoering van NHG). Hierbij kan worden opgemerkt dat in Nederland betalingsachterstanden niet vaak leiden tot gedwongen verkoop van de woning. Het aantal gedwongen verkopen is in Nederland laag in vergelijking met andere landen.
Bent u op de hoogte van de doorrekening van het verkiezingsprogramma van de PVV, waaruit blijkt dat wanneer de hypotheekrenteaftrek in tact was gelaten de waarde van huizen was toegenomen en ook de verkoop fors zou stijgen? Zo neen, wilt u dit dan zo snel mogelijk doen om de misère op de woningmarkt te stoppen?
Ja, ik ben op de hoogte van deze doorrekening. Daarbij merk ik wel op dat het CPB in de doorrekening ook stelt dat de plannen van de PVV leiden tot een jaarlijks welvaartsverlies op de woningmarkt van bijna 1% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 3 ben ik niet voornemens wijzigingen aan te brengen op de huidige regelgeving.