Terugbetaling TEK |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u van mening dat de juiste verwachtingen zijn geschept, nu blijkt dat aanvragers een zeer groot deel van het voorschot terug moeten betalen (terwijl dit slechts 35% van het voorschot bedroeg)?
Ja, vanaf het begin van de TEK was bekend dat dit risico bestond. Ik ben hier bijvoorbeeld op ingegaan in de Kamerbrief van 9 februari 2023.1 Om dit risico zo klein mogelijk te houden, is daarom ook het voorschotpercentage aangepast van aanvankelijk 60% naar 35%, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 20 maart 2023.2 Daarnaast heeft RVO in de beschikking vermeld dat het definitieve subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Verder heeft RVO alle TEK-ontvangers en branches verschillende brieven gestuurd waarin is gewezen op het terugvorderingsrisico. Dit is ook aangegeven op de website van RVO.
Zijn bestuurders van sportverenigingen (vrijwilligers) voldoende gewaarschuwd over de mate waarin het bedrag naar benden bijgesteld zou worden?
Ja. Er is door EZK en RVO op verschillende manieren gecommuniceerd over het risico op terugbetalingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. Aanvullend heeft RVO eind februari 2024 een webinar georganiseerd voor ondernemers. Hierin zijn het vaststellingsproces en de ruime terugbetalingsmogelijkheden aan de orde gekomen. Voorafgaand aan de vaststelling heeft RVO contact opgenomen met ondernemers waar de vordering waarschijnlijk de meeste impact heeft. Overigens zijn er tot op heden bij mij drie gevallen bekend van sportverenigingen die financiële moeite hadden met de terugbetaling van de steun. Niettemin zijn deze door de ruime terugbetalingsmogelijkheden van RVO3 goed geholpen. Indien nodig kan in overleg met RVO ook naar maatwerkoplossingen worden gezocht.
Hoe kunt u in de toekomst subsidieregelingen aanpassen, zodat deze betrouwbaar en voldoende begrijpelijk zijn voor vrijwilligersorganisaties?
Voor alle regelingen geldt dat deze betrouwbaar worden opgesteld in de zin dat altijd zo transparant en objectief duidelijk wordt gemaakt wat de voorwaarden zijn om voor een regeling in aanmerking te komen. Daarnaast beijver ik me ook om de werking van de regeling zo eenvoudig mogelijk te maken voor ondernemers en deze ook begrijpelijk toe te lichten in de regelingstekst. Tegelijkertijd heeft de Algemene Rekenkamer onlangs onderzoek gedaan naar de TEK en ook de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat heeft in dit verband op 28 maart jl. gevraagd naar de eventuele verbeterpunten van de TEK. Ik beoordeel nu op welke wijze het beste hieraan invulling kan worden gegeven in de vorm van bijvoorbeeld een evaluatie van de TEK. De lessen die daaruit komen, kunnen van nut zijn bij de ontwikkeling van eventuele nieuwe regelingen die wellicht ook relevant kunnen zijn voor vrijwilligersorganisaties.
Wat gaat u doen om sportverenigingen te ondersteunen nu blijkt dat de energierekening ook de komende jaren hoog blijft? Is Minister bereid om samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) te kijken naar structurele oplossingen voor sportverenigingen om hun energielasten te verlagen?
Het kabinet heeft extra middelen voor verduurzaming van het mkb en de industrie vrijgemaakt. Sportverenigingen kunnen hierop een beroep doen, bijvoorbeeld om eventuele hoge energiekosten het hoofd te bieden, uiteraard zolang ze voldoen aan de betreffende voorwaarden. Om als samenleving in den brede energie te besparen heeft het kabinet de campagne Zet Ook De Knop Om gestart, waarin MKB-bedrijven via een regelhulp advies op maat kunnen aanvragen. Daarnaast kan een ondernemer via het energieloket van de KvK informatie opzoeken over de regelingen voor het mkb en advies vragen aan het adviesteam. Op dit moment zijn geen aanvullende maatregelen voorzien.
Bent u bereid om in gesprek te gaan om samen met de sportsector te zoeken naar passende oplossingen?
Op dit moment zie ik hier geen aanleiding toe, zeker ook gegeven de bestaande maatregelen zoals opgenomen onder het antwoord op vraag vier. Indien er behoefte is bij de sector voor overleg, dan ben ik uiteraard graag bereid met hen in gesprek te gaan.
De uitgelekte asielplannen van de formerende partijen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Plan op formatietafel: «Asielcrisis» uitroepen om strengere maatregelen»?1
Ja.
Onder welke voorwaarden is het mogelijk om een asielcrisis uit te roepen en voldoet Nederland er op dit moment aan?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief aan uw Kamer van 4 november 2022 (Kamerstuk 19 637, nr. 3002).
In die brief is uiteengezet dat artikel 111 Vreemdelingenwet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld die afwijken van de Vreemdelingenwet in het geval van buitengewone omstandigheden. Tegelijk is in die brief aangegeven dat dit artikel onverlet laat dat binnen de kaders van de Europese regelgeving en internationale verdragen moet worden gebleven, zoals de Kwalificatierichtlijn, de Asielprocedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat betekent dat vreemdelingen niet de toegang tot de asielprocedure en de asielopvang kan worden ontzegd.
Blijkens de wetsgeschiedenis, zo is eveneens in genoemde Kamerbrief uiteengezet, geldt verder dat voor de toepassing van dit artikel gedacht moet worden aan situaties van oorlog of andere buitengewone omstandigheden en niet aan vraagstukken met een structureler karakter, zoals een verhoogde asielinstroom.
Hoe verhoudt de asielinstroom in Nederland zich ten opzichte van het EU gemiddelde?
In 2023 zijn in alle EU-lidstaten in totaal 1.049.220 eerste asielaanvragen ingediend. Dit was een toename van 20% vergeleken met 2022. In absolute aantallen was Duitsland in 2023 de lidstaat van de EU met het hoogste aantal eerste asielaanvragen, gevolgd door Spanje en Frankrijk. Nederland nam in 2023 de zevende plaats in, maar is inmiddels in 2024 gestegen naar de 6e plaats. De totale asielinstroom in Nederland in 2023 betrof 50.720.
Is het toegestaan volgens de EU-richtlijnen en de Nederlandse vreemdelingenwet om tijdens een «asielcrisis» geen opvang te bieden aan asielzoekers?
Zie antwoord vraag 2.
Is het toegestaan voor gemeenten om tijdens een «asielcrisis» toch opvang te bieden?
Ja.
Kunnen asielzoekers die zich in Nederland melden, maar wiens verzoek niet in behandeling wordt genomen, worden uitgezet?
Nee.
Welke rechten hebben asielzoekers zolang hun verzoek niet in behandeling wordt genomen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke plichten vloeien alsnog voort uit de EU asielrichtlijnen indien de Nederlandse vreemdelingenwet wordt opgeschort?
Zie antwoord vraag 2.
Is er iets veranderd aan de regelgeving of zijn er inmiddels andere juridische inzichten sinds uw brief (Kamerstuk 19 637, nr. 3002) over dit onderwerp?
Nee, op de voor dit vraagstuk belangrijke onderdelen zijn geen bepalende wijzigingen in werking getreden.
Wat zouden de Europese consequenties kunnen zijn als een kabinet in Nederland toch besluit om een asielcrisis uit te roepen?
Het is niet goed mogelijk vooruit te lopen op deze (speculatieve) vraag.
Verwacht u dat een nieuwe juridische verkenning tot nieuwe inzichten zal leiden?
Nee.
In hoeverre vindt u het bestempelen van de huidige opvangcrisis als asielcrisis een toepasselijke en reële oplossing voor de problemen in de asielketen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voor effect zal een door het kabinet uitgeroepen «asielcrisis» hebben op de spreidingswet?
Het is niet goed mogelijk vooruit te lopen op deze (speculatieve) vraag.
Hoe groot acht u de kans dat de rechter dit plan afschiet, indien de formerende partijen dit toch opnemen in een coalitieakkoord? In hoeverre is volgens u hier sprake van symboolpolitiek?
Een juridische weging is afhankelijk van de inhoud van een coalitieakkoord. Het is niet goed mogelijk vooruit te lopen op deze (speculatieve) vraag.
Bent u bereid de vragen binnen uiterlijk een week te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Geheime afmeldcodes van duizenden alarmsystemen opvraagbaar door softwarefout' |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Geheime afmeldcodes van duizenden alarmsystemen opvraagbaar door softwarefout»?1
Ja.
Is het u bekend welke (Rijks-)overheidsorganisaties en vitale organisaties getroffen zijn door het lek in de systemen van SMC en Securitas? Zo ja, kunt u een overzicht aanleveren? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is mij niet bekend. SMC en Securitas zijn zelf verantwoordelijk voor het informeren van hun klanten over het lek. Vanwege de aard en beperkte impact van het lek heeft het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) geen reden gezien om hierover verdere navraag te doen bij Rijksoverheidsorganisaties en vitale aanbieders.
Zijn alle (Rijks-)overheidsorganisaties en vitale organisaties die getroffen zijn door het lek in de systemen van SMC en Securitas inmiddels op de hoogte van het lek? Is het u bekend of zij allemaal inmiddels maatregelen hebben getroffen?
Zowel SMC als Securitas heeft te kennen gegeven dat na eigen onderzoek geen indicatie van actief misbruik van het lek is waargenomen bij bedrijven en andere organisaties die gebruik maken van de systemen van SMC en Securitas. Daarnaast hebben zij aangegeven aanvullende maatregelen te hebben genomen zoals het offline halen van kwetsbare systemen, het resetten en verwijderen van de oude afmeldcodes en het inrichten van een nieuw verificatieproces. (Rijks-)overheidsorganisaties en vitale organisaties zijn daarmee voldoende beschermd.
Het NCSC heeft besloten geen algemeen advies op te stellen vanwege de maatregelen die door SMC en Securitas zijn getroffen, de aard van de kwetsbaarheid en de daardoor geringe impact op haar doelgroep.
Heeft u contact gehad met SMC en Securitas over dit incident? Zo ja, welke stappen gaat u de komende periode zetten om dit probleem af te wikkelen? Zo nee, waarom niet?
Het NCSC en het Digital Trust Center (DTC) hebben meerdere malen contact gehad met SMC en Securitas over de kwetsbaarheid. Met name gelet op de toelichting van de zijde van SMC en Securitas in die gesprekken over de aard en beperkte impact van dit lek op bedrijven en andere organisaties is door het NCSC besloten hierover geen verdere actie te ondernemen ten behoeve van de eigen doelgroep. Zie ook antwoord op vraag 3.
Gaat u getroffen bedrijven helpen om de risico's van dit lek zo goed en snel mogelijk te mitigeren? Welke middelen zijn hiervoor beschikbaar? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3 en vraag 4.
Het product waarin de kwetsbaarheid is gevonden, was een zogenaamd end-of-life product. Dit betekent dat dit product niet meer werd onderhouden of ondersteund door de leverancier. Het gebruik van dit soort producten brengt een risico met zich mee. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft diverse adviesproducten op de website over risicomanagement in het algemeen en het omgaan met producten waarvan het onderhoud en ondersteuning door de leverancier afloopt in het bijzonder. In de toekomst moeten nieuwe digitale producten die op de Europese markt worden gebracht voldoen aan cybersecurityeisen conform de Cyber Resilience Act. Dit betreft onder meer het verplicht en gratis leveren van veiligheidsupdates, zolang je mag verwachten dat een product kan worden gebruikt.
Hebben gevoelige gegevens en locaties gevaar gelopen door dit lek? Zo nee, waar blijkt dat uit?
SMC en Securitas hebben aangegeven dat er na onderzoek geen indicatie van misbruik is waargenomen. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft zelf ook geen indicaties hiervoor waargenomen.
Van de zijde van SMC en Securitas is aangegeven dat het initieel leek alsof met de kwetsbaarheid onrechtmatig toegang verkregen kon worden tot fysieke locaties. Echter, na onderzoek van deze twee partijen bleek de kwetsbaarheid alleen zogenaamde telefonische afmeldcodes te betreffen richting de centrale. Om een alarm daadwerkelijk uit te schakelen moet lokaal een code fysiek worden ingevoerd. Deze code is alleen bekend bij de klant en was ook niet onderdeel van de kwetsbaarheid. Zonder het invoeren van deze lokale code kan het alarm niet worden uitgeschakeld.
Kunt u aangeven of dit lek meer alarmcentrales heeft getroffen dan enkel Securitas en SMC?
Van andere alarmcentrales is niet bekend of deze zijn getroffen.
Kunt u aangeven of de aantallen, van minstens 26.000 getroffen organsaties en personen, kloppen? Hoeveel organisaties en personen zijn er volgens u getroffen?
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kan dit aantal niet bevestigen, met name ook omdat het zelf geen meldingen hierover van organisaties heeft ontvangen. Zie beantwoording vraag 6.
Kunt u aangeven of het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) of een andere overheidsorganisatie betrokken is bij het onderzoek dat SMC zelf uitvoert naar de scope van het lek? Worden de uitkomsten daarvan gedeeld met de Minister en andere relevante partijen, zoals de Autoriteit Persoonsgegevens?
Het SMC is primair verantwoordelijk voor het onderzoek naar de scope van het lek en het delen van de uitkomsten daarvan. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) en het Digital Trust Center (DTC) hebben meerdere malen contact gehad met SMC en Securitas over de kwetsbaarheid. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 is het onderzoek inmiddels afgerond en zijn de uitkomsten gedeeld met het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Op grond van de AVG is elke organisatie die te maken heeft met een datalek zelf verantwoordelijk om daar melding van te doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. SMC en Securitas hebben aangegeven melding van het onderhavige lek te hebben gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u aangeven of de softwareontwikkelaar die het lek heeft aangetroffen zich had kunnen melden bij het NCSC om een Coordinated Vulnerability Disclosure te doen?
Deze persoon heeft een Coordinated Vulnerability Disclosure, ook wel CVD-melding genoemd, bij het NCSC gedaan.
Wat kunt u doen om het doen van Coordinated Vulnerability Disclosures bij NCSC breder bekend te maken bij mensen die werkzaam zijn in de IT-sector?
Op de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is veel informatie te vinden over Coordinated Vulnerability Disclosures (CVD). Dit betreft onder meer informatie over hoe personen een CVD-melding kunnen doen om technische kwetsbaarheden te melden bij het Nationaal Cyber Security Centrum(NCSC). Binnen de community van onderzoekers en ethische hackers is het CVD-beleid van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) over het algemeen goed bekend.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Alarmpistolen die door jongeren worden omgebouwd tot dodelijke vuurwapens |
|
Songül Mutluer (PvdA), Michiel van Nispen |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de aflevering «Wapenhandelaar laat wapen zien» van Undercover Sven van 21 april 2024?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Hoe vaak vonden in 2023 veroordelingen plaats voor het verkopen of bezitten van een alarmpistool en in hoeveel van die gevallen ging het om minderjarigen?
In de registratiesystemen van de Rechtspraak kan niet specifiek gezocht worden op veroordelingen voor het verkopen of bezitten van een alarmpistool. Daarom is in overleg met het ministerie gezocht op het aantal zaken in 2023 waarin de rechtbank artikel WWM 26 en/of artikel WWM 31 bewezen heeft verklaard. Hierbij gaat het in de onderstaande genoemde zaken niet alleen om het verkopen of bezitten van een alarmpistool, maar over alle soorten wapens van categorie II en III zoals beschreven in de WWM2. Het ging in 2023 om 1.721 zaken, waarbij het in 265 zaken ging om een veroordeelde die ten tijde van het plegen van het strafbare feit minderjarig was3.
Deelt u de zorgen over jongeren die via social media als Telegram makkelijk en goedkoop (omgebouwde) wapens kopen en verkopen? Wat doet u eraan om dit te voorkomen of aan te pakken?
VIk deel de zorgen als het gaat om de verkoop van illegale goederen, zoals drugs en wapens, via social media platformen als Telegram. Er wordt door de politie dan ook speciale aandacht besteed hieraan. Zo heeft de politie in 2023 onderzoek laten verrichten naar de aard en omvang van illegale wapenhandel via Telegram en heeft de politieregio Den Haag geïntensiveerd op het doen van onderzoeken naar aanleiding van pseudo-verkoop op Telegram. Daarnaast wordt momenteel door het ministerie onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de aanpak van illegale handel in bijvoorbeeld drugs en wapens via online platformen te versterken.
Op welke manier heeft u tot dusver uitvoering gegeven aan de aanbeveling uit de WODC-evaluatie naar aanleiding van het «Actieplan Wapens en Jongeren» om extra aandacht te besteden aan het achterhalen van de motieven voor jongeren om een wapen te dragen?
De uitkomsten van het WODC-rapport bevestigen dat we meer moeten doen om het wapenbezit onder jongeren terug te dringen. Hierbij moeten we inzetten op meer en ook andere middelen. In het najaar van 2023 heeft onder andere een rondetafelgesprek met experts en (ervarings)deskundigen plaatsgevonden en is met jongeren zelf gesproken over hun motieven en ervaringen. Met inachtneming van de aanbevelingen uit het evaluatierapport zetten de deelnemers aan het Actieplan zich gezamenlijk in op het tegengaan van wapenbezit en wapengebruik onder jongeren, onder meer door: 1) Verdiepend onderzoek te doen naar de doelgroep en de achterliggende oorzaken voor het dragen wapens; 2) In te zetten op contact met de doelgroep. Dit bijvoorbeeld door de inzet van jongerenwerkers en rolmodellen; 3) Aandacht te besteden aan scherpte in de uitvoering. Denk hierbij aan acties die erop gericht zijn om de doelgroep beter te bereiken, zoals specifieke wijken en jongeren, en; 4) het ontstane netwerk van ambtenaren, bestuurders en professionals in de komende tijd te behouden en te verstevigen.
De kamer zal in het derde kwartaal dit jaar nader geïnformeerd worden over de uitkomsten en voortgang van dit actieplan.
Naast het Actieplan Wapens en Jongeren wordt ook ingezet op programma’s zoals Preventie met Gezag. Hierin worden 27 gemeenten ondersteund in het vormgeven van de aanpak voor jongeren in een kwetsbare positie en hun gezin. De aanpak draait om perspectief bieden én grenzen stellen: dit om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met criminaliteit, daarin doorgroeien en/of recidiveren maar ook door de justitiële functie in de wijk te versterken.
Hoe beoordeelt u de bevindingen van onderzoekers aan de Erasmus Universiteit dat vrijwel alle redenen die jongeren aanvoeren om een wapen op zak te hebben voortkomen uit onveiligheidsgevoelens? Wat gaat u doen om de oorzaak van deze onveiligheidsgevoelens aan te pakken en niet alleen te focussen op het innemen van wapens?2
Het onderzoek uit Rotterdam is uitgevoerd in Rotterdam. Hieruit volgt dat het grootste deel van de groep jongeren die in Rotterdam zijn ondervraagd een wapen dragen vanuit algemene of concrete onveiligheidsgevoelens. Daarnaast blijkt onder een deel van de onderzoekdeelnemers ook een motivatie te liggen in het hebben van een interesse in wapens.
Dat angstgevoelens een motief zijn voor jongeren voor het dragen van een wapen is verontrustend. Momenteel wordt verder onderzoek gedaan naar de achterliggende oorzaken en werkzame interventies bij wapengeweld door jongeren. Op basis van de uitkomsten daarvan zullen we samen met onder andere gemeenten de komende tijd werken aan een herijking van het actieplan Wapens en Jongeren (2024–2025). Daarbij zal ook aandacht zijn voor motieven voor wapenbezit bij jongeren zoals onveiligheidsgevoelens.
In hoeverre heeft u inzicht in de subculturen onder jongeren waar de onveiligheidsgevoelens en het wapenbezit het grootst zijn?
Vanuit het onderzoek in Rotterdam blijkt dat jongeren die wapens gebruiken vaker waarden en opvattingen onderschrijven die passen bij een straatidentiteit.
Daarnaast geeft dit onderzoek aanleiding om de onveiligheidsgevoelens als motief voor wapenbezit verder te onderzoeken. In het verdiepend onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd is de inzet dan ook om meer zicht te krijgen op de verschillende doelgroepen en motieven, om zo tot gerichtere, effectieve interventies te komen, zoals het gericht kunnen wegnemen van onveiligheidsgevoelens. In het onderzoek wordt onder andere ook gekeken naar de online- en offline leefomgeving van jongeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een bewustwordingscampagne voor jongeren over de consequenties van het ombouwen, verkopen of bezitten van wapens het probleem kan verkleinen?
Zowel in de evaluatie van het Actieplan Wapens en Jongeren als het Onderzoek «Voorkomen is beter dan genezen» (Kruisbergen & De Jonge, 2022) wordt hierop in gegaan. Bewustwordingscampagnes ten aanzien van wapens en jongeren kunnen worden ingezet, maar vooral als ze goed zijn afgestemd op de doelgroep en worden ondersteund door bredere gemeenschapsinitiatieven. De combinatie van educatie, positieve rolmodellen, en actieve betrokkenheid van de gemeenschap blijkt cruciaal voor het succes van dergelijke campagnes. Het is echter belangrijk te erkennen dat de impact op gedrag variabel kan zijn en dat een multidisciplinaire aanpak vaak het beste werkt.
Hoe beoordeelt u het feit dat gasalarmpistolen in Nederland wel, maar in België en Duitsland niet verboden zijn? Deelt u de mening dat we in Nederland dweilen met de kraan open zolang deze geweren over de grens overal te verkrijgen zijn?
Na 2015 heeft de harmonisatie van de Europese wetgeving de lidstaten dichterbij elkaar gebracht. Er bestaan echter nog steeds aanzienlijke verschillen die grote risico’s met zich meebrengen. De aanpak van deze omgebouwde gas- en alarmpistolen wordt hierdoor bemoeilijkt. Dit neemt echter niet weg dat wij in Nederland ons kunnen focussen op de nationale aanpak en handel van wapens kunnen en moeten versterken.
Bent u bereid in gesprek te gaan met nabijgelegen landen waar de regelgeving omtrent gasalarmpistolen verschilt van die in Nederland en afspraken met deze landen te maken over hoe hier samen in kan worden opgetrokken?
De ombouw van gas- en alarmpistolen is regelmatig onderwerp van gesprek op verschillende internationale overleggen, zoals de VN en de EU. In deze gesprekken heeft Nederland en ook landen zoals Zweden de problematiek aangekaart. Daarnaast hebben verschillende landen, waaronder Nederland, binnen de Europese Commissie benadrukt dat de volledige naleving van Europese wetgeving essentieel is. Ook is Nederland, als co-driver van het programma Firearms trafficking, actief betrokken bij het European Multidiciplinary Platform Against Criminal Treats (EMPACT)5, dat door middel van EU brede acties en kennisdeling criminele netwerken en individuele criminelen, die betrokken zijn bij illegale handel, distributie en gebruik van vuurwapens, aanpakken.
Klopt het dat momenteel niet wordt bijgehouden welk percentage van in beslag genomen handvuurwapens is omgebouwd? Kunt u zich vinden in schattingen van de politie Zeeland-West-Brabant dat inmiddels bijna de helft van de in beslag genomen vuurwapens een omgebouwd alarmpistool is?3
Het klopt dat de laatste onderzoeken van de Nederlandse politie aangeven dat ongeveer 40% van de inbeslaggenomen wapens omgebouwde gas- en alarmpistolen betreffen. Echter, het inzicht in en de aanpak van wapenhandel kan beter. De oprichting van het National Firearms Focal Point, het NFFP, waarvoor de eerste mensen op dit moment worden aangenomen, zal hieraan gaan bijdragen. Door deze extra analyse capaciteit, specifiek gericht op wapens en wapenhandel in Nederland, kan beter inzicht verkregen worden in de aard en omvang en kan de aanwezige (politie) capaciteit effectiever worden ingezet.
Kan de Digital Services Act een rol spelen in het voorkomen van illegale verkoop van (omgebouwde) wapens via online platforms? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat hierop gehandhaafd wordt?
Op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Ook zijn er mogelijkheden om personen die strafbare feiten plegen via online-platformen te herleiden. Het identificeren van mensen die materiaal delen, deelnemers van groepen en beheerders is dan ook prioriteit van politie en openbaar ministerie. Op die manier wordt er door opsporing in geïnvesteerd om besloten groepen zoveel mogelijk vrij te maken van illegale content. Door gebruik van technische maatregelen is medewerking van online platforms, zoals bijvoorbeeld Telegram, hier niet altijd voor nodig. Zelfs zonder hun hulp lukt het politie om dergelijke groepen te infiltreren en mensen te identificeren.
Hoe zorgt u ervoor dat een platform als Telegram, dat niet onder de Digital Services Act valt, mee gaat werken aan het voorkomen van illegale activiteiten zoals de verkoop van omgebouwde wapens? Wat doet u eraan om het contact met Telegram te verbeteren?4
De positie van Telegram onder de Digital Services Act is inderdaad nog niet geheel duidelijk. Het bedrijf hoeft niet aan de strengste regels te voldoen: daarvoor is het simpelweg niet groot genoeg. Die regels gelden alleen voor platforms met meer dan 45 miljoen Europese gebruikers; Telegram claimt er 39,5 miljoen te hebben. Het is waarschijnlijk wel zo dat de openbare chatgroepen op Telegram voldoen aan de definitie van online platform onder de Digital Services Act, terwijl besloten groepsgesprekken erbuiten vallen. Jurisprudentie en toezichthouders zullen hier uiteindelijk duidelijkheid over moeten bieden.
Voor hun openbaar toegankelijke groepen biedt de Digital Services Act handvaten. Ik wijs in dit verband met name op de verplichtingen neergelegd in artikel 16: dat voorziet in kennisgevings- en actiemechanismen voor illegale inhoud; artikel 18: op grond waarvan vermoedens van strafbare feiten waarbij het leven of de veiligheid van een persoon of personen worden bedreigd moeten worden gemeld bij de bevoegde instanties; artikel 23: op grond waarvan gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen geschorst moeten worden en op artikel 28 wat de verplichting voor online platforms inhoudt om minderjarigen te beschermen.
Telegram heeft via haar website een wettelijke vertegenwoordiger in België aangewezen. Dit zal betekenen dat de Belgische toezichthouder op de Digital Services Act handhavend zal kunnen gaan optreden jegens Telegram wanneer zij niet aan verplichtingen voldoen. Mocht Telegram zich niet aan de eisen van de Digital Services Act houden, dan kan de Autoriteit Consument en Markt als Nederlandse toezichthouder gebruik maken van de mogelijkheden die de Digital Services Act biedt om de Belgische toezichthouder te verzoeken om onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen (artikel 58 DSA).
Het bericht 'Tandarts en andere mkb’ers wacht nog een berg bureaucratie' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Tandarts en andere mkb’ers wacht nog een berg bureaucratie»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen alle regeldruk waarmee ondernemers te maken hebben?
Met regelgeving komt regeldruk. In een complexe maatschappij zijn spelregels nodig om met elkaar samen te leven en gedeelde doelstellingen te realiseren. De afweging of de regeldruk die met een nieuwe regeling gepaard gaat, opweegt tegen de inhoudelijke beleidswens, is een politieke, of het nu gaat over bijvoorbeeld de gezondheidszorg, de bescherming van werknemers of het klimaat.
Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat de ondernemers uit de voeten kunnen met de verplichtingen die we ze opleggen. Zijn die werkbaar? Ook is relevant of de kosten die ermee gepaard gaan niet te hoog worden. Voor kleine bedrijven kan generieke regelgeving een te grote last zijn. Daarmee heeft de overheid rekening te houden. Het is de kunst om de balans te vinden tussen regels die werken en de lasten die met die regels gemoeid zijn.
Om de verplichtingen waar ondernemers in de praktijk mee te maken hebben in kaart te brengen, heb ik recent in zes sectoren het MKB-indicatorbedrijvenonderzoek laten uitvoeren. Daarbij is onderzocht welke verplichtingen zij als meest belastend ervaren. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek bekijk ik welke maatregelen mogelijk zijn om knelpunten op te lossen of regeldrukkosten te verminderen. In het najaar wordt u hier nader over geïnformeerd via de jaarlijkse voortgangsrapportage van het Programma vermindering regeldruk ondernemers.
Wat zijn de gevolgen van de toenemende regeldruk voor ondernemers voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
De geluiden hierover wisselen. Enerzijds zijn er bronnen die de noodklok luiden over de gevolgen van regeldruk voor het Nederlandse vestigingsklimaat, terwijl anderzijds de concurrentiepositie van het Nederlandse vestigingsklimaat op het internationale toneel sterk lijkt.
Zo is aan de ene kant naar buiten gekomen dat naast de fiscale druk en de betrouwbaarheid van de overheid, de toenemende regeldruk een belangrijke oorzaak is voor het vertrek van ondernemers uit Nederland2. Aan de andere kant blijkt uit de Burden of Government Regulation indicator van het World Economic Forum3 (WEF) dat regeldruk als gevolg van overheidsverplichtingen in Nederland vooralsnog geen negatieve invloed heeft op het vestigingsklimaat. Deze indicator is onderdeel van de Global Competitiveness Index en komt tot stand door een enquête onder zowel grote als kleine ondernemingen waarbij respondenten wordt gevraagd in welke mate het belastend is om aan overheidsverplichtingen te voldoen. Nederland staat op plaats 16 van 141 landen in de ranking van de Burden of Government Regulation indicator.
Hoewel de berichten dus tweezijdig zijn, deel ik de zorgen die in de media komen. Daarom zet ik mij voortdurend in om de effecten van regeldruk te verminderen en te mitigeren. Ik ben hierover doorlopend in gesprek met brancheorganisaties en mijn collega bewindspersonen.
Hoe kijkt u aan tegen de stijgende kosten die gemoeid zijn bij het implementeren van nieuwe regels voor ondernemers?
Uit het eerder genoemde onderzoek naar MKB-indicatorbedrijven is naar voren gekomen dat ondernemers te maken hebben met veel verplichtingen en dat de regeldrukkosten die zij ervaren direct van invloed kunnen zijn op de winstgevendheid. De verplichtingen die de meeste regeldrukkosten voor bedrijven veroorzaken hangen samen met generieke werkgeversverplichtingen. Niet alle regeldrukkosten kunnen echter voorkomen worden. Wel moet een ondernemer er zo min mogelijk last van hebben. Het onderzoek biedt voor diverse verplichtingen die tot hoge kosten leiden suggesties om de regeldrukkosten te reduceren. De wijze waarop deze regeldrukkosten kunnen worden aangepakt in een nieuw programma, is aan een volgend kabinet.
De regeldrukmonitor (www.regeldrukmonitor.nl) laat zien dat een goot deel van de regeldrukkosten die ondernemers ervaren, wordt veroorzaakt door Europese regelgeving. De Europese Commissie werkt momenteel aan een reductieprogramma om de regeldrukkosten als gevolg van Europese rapportageverplichtingen met 25% te verminderen.
Het gegeven dat we wel enige invloed op de totstandkoming van Europese regelgeving hebben, maar deze invloed beperkt is, is een aanleiding om kritischer te kijken naar de voorstellen die uit Brussel komen. Vandaar dat ik in de concept-Instellingswet van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heb opgenomen dat ATR ook een rol heeft bij de beoordeling of de regeldruk van EU-voorstellen goed in beeld is gebracht.
Zijn er mogelijkheden voor ondernemers om nieuwe wet- en regelgeving voor ondernemers kostenneutraal te implementeren? Zo ja, bent u bereid hier handvaten voor aan te leveren?
Alle wetgeving gaat gepaard met regeldrukkosten. Daarom is het van belang dat departementen bij het vormgeven van nieuwe wet- en regelgeving goed nadenken over de mogelijke gevolgen voor bedrijven. De mogelijkheid om nieuwe regelgeving kostenneutraal te implementeren of in ieder geval tegen zo gering mogelijke kosten, wordt per voorstel door de betrokken bewindspersoon getoetst en toegelicht. Vervolgens toetst het Adviescollege toetsing regeldruk de voorgenomen regeling op nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, werkbaarheid en inzichtelijkheid van de regeldrukkosten. Verder worden vanuit mijn ministerie de nodige instrumenten geboden die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals de Bedrijfseffectentoets (BET) en de MKB-toets. Mijn ambtenaren zijn in samenspraak met de beleidsambtenaren op andere departementen voortdurend op zoek naar mogelijkheden om regeldruk aan te pakken.
Wat vindt u van het bericht dat wantrouwen vanuit de overheid de reden is dat bedrijven over van alles en nog wat moeten rapporteren? Deelt u de mening dat ondernemers meer vertrouwen verdienen?
Wantrouwen is geen goede drijfveer voor beleid. Het is goed om scherp op elkaar te zijn en spelregels te stellen. Rapportageverplichtingen zijn er om zicht te krijgen en te houden op beleidseffecten en bedrijfshandelen in het kader van het realiseren van beleidsdoelen. Vertrouwen staat in deze niet gelijk aan onbeperkte handelingsvrijheid of het ontbreken van controle- en handhavingsinstrumenten.
In het artikel worden een paar voorbeelden van regelingen genoemd die direct of indirect voor onnodig veel regeldruk gaan zorgen, de Regeling openbare jaarverantwoording WMG, de Carbon Border Adjustment Mechanism, Rapportageplicht werkgebonden mobiliteit en de Corporate Sustainability Reporting Directive. Wat kunt u concreet doen om de regeldruk die voortkomt uit deze regels voor ondernemers zo minimaal mogelijk te houden?
Met de implementatie en naleving van nieuwe regels zijn kosten gemoeid. Bij de totstandkoming van nieuwe regelgeving is het de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon de incidentele en structurele regeldrukkosten inzichtelijk te maken. Ook is de betrokken bewindspersoon verantwoordelijk voor een toelichting op de subsidiariteit en proportionaliteit van de berekende regeldrukkosten in relatie tot de te realiseren beleidsdoelen. Dit geldt voor de totstandkoming van alle regelgeving, dus ook voor de voorbeelden die in het artikel en de vraag hierboven worden genoemd.
Ik neem mijn verantwoordelijkheid hierin door met mijn collega bewindspersonen het gesprek te blijven voeren over de regeldrukeffecten van voorgenomen regelgeving. Via de website Regeldrukmonitor geeft de overheid inzicht in de ontwikkeling van de regeldrukkosten in voorgenomen regelgeving, en wat zij doet om deze zoveel mogelijk te beperken.
Als dit speelt bij andere departementen, bent u dan bereidt om in gesprek te gaan met collega-ministers om de regeldruk voor ondernemers minimaal te houden?
Vanuit mijn ministerie wordt er, middels het periodieke interdepartementale regeldrukcoördinatoren overleg, regeldruk gerelateerde ontwikkelingen gedeeld. Bovendien zijn er binnen EZK accounthouders die voor ieder departement fungeren als aanspreekpunt.
Gesprekken over regeldruk met betrekking tot individuele voorstellen voor regelgeving worden gevoerd met dossierhouders en in de ambtelijke voorportalen die leiden naar de ministerraad. Ook waar het gaat over Europese voorstellen zijn de verschillende betrokken departementen met elkaar in overleg, mede over regeldruk, in de procedure Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Binnen het kabinet draag ik de coördinerende verantwoordelijkheid voor onze inzet om regeldruk voor ondernemers zoveel mogelijk te verminderen. Uiteraard spreek ik over dit onderwerp waar nodig met andere Ministers. Zo spreek ik eind mei en begin juni met de collega bewindslieden van Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dus de bereidheid is er en die blijft er.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk krijgt een prominentere plaats in het tegengaan van regeldruk voor ondernemers. Denkt u dat dit voldoende is om de continue komende stroom aan regels voor onze ondernemers te doorbreken of is daar meer voor nodig?
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) adviseert Staten-Generaal en kabinet en ziet toe op een juiste, transparante informatievoorziening zodat het kabinet en Staten-Generaal onderbouwd kunnen beslissen over regelgeving. ATR kijkt onder andere naar de vraag of nut en noodzaak van een nieuwe regeling voldoende is onderbouwd. Als dat onvoldoende kan worden aangetoond dan adviseert ATR doorgaans om de regeling niet in te dienen. Als een departement er toch toe overgaat om de regeling in te dienen, dan is het aan de Kamer om te bepalen of de regeling alsnog moet worden gehandhaafd. Ik zie hier dus ook een duidelijke verantwoordelijkheid van de Kamer zelf.
Door de extra versterking zoals beoogd in de concept-Instellingswet kan ATR nog beter toe zien op transparantie in regelgeving ten aanzien van regeldruk en de werkbaarheid. De beslissing is echter aan de Staten-Generaal en kabinet bij regelgeving. Derhalve zal de ontwikkeling in regeldruk ook afhangen van de wijze waarop de Staten-Generaal en kabinet om gaan met de adviezen van ATR.
Het bericht dat honderd oudere Surinamers een verblijfsstatus aanvragen |
|
Kati Piri (PvdA), Raoul White (GroenLinks-PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Honderd oudere Surinamers vragen verblijfsstatus aan op grond van «oud-Nederlanderschap». «Je gunt ze een menswaardige oude dag»»?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe het plan om deze groep een legale status te geven er concreet uitzag? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in de beantwoording van vragen van het lid Bontenbal, verzonden op 30 april jl., heb opgemerkt is de mogelijkheid onderzocht om tot een afgebakende en eenmalige regeling voor deze groep te komen, waarmee aan de hand van vastgestelde criteria getoetst zou kunnen worden of in de betreffende gevallen alsnog rechtmatig verblijf verleend kon worden.
In hoeverre was de «juweel van een regeling» om deze groep een legale status te geven, uitgewerkt en welke concrete belemmeringen heeft u gesignaleerd bij de uitwerking van dit plan?
Ik volsta met het verwijzen naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er schrijnende situaties zijn ontstaan omdat mensen die ooit wel een Nederlandse nationaliteit hadden, vaak reeds vele tientallen jaren in Nederland wonen en veel naaste familieleden hebben die wel de Nederlandse nationaliteit hebben, nu een onzeker bestaan lijden als ongedocumenteerden? Zo nee, waarom niet?
Ik sluit niet uit dat het leiden van een onzeker bestaan als ongedocumenteerde vreemdeling in individuele gevallen tot een schrijnende situatie leidt. Het is echter wel de keuze van de vreemdeling zelf geweest om zonder verblijfsvergunning in Nederland te verblijven en geen gehoor te geven aan de vertrekplicht, waardoor het langdurige, onzekere bestaan is veroorzaakt.
Op welke andere wijze kan de regering deze groep ongedocumenteerden bijstaan bijvoorbeeld in de vraag naar zorg zolang zij geen zicht hebben op een legale status? Bent u hierover in gesprek met (vertegenwoordigers) van de deze groep ongedocumenteerden? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de demissionaire status van het Kabinet worden er geen voorstellen hieromtrent voorbereid of gesprekken gevoerd. Inmiddels is voor een deel van de betreffende groep ongedocumenteerden een aanvraag tot verblijf ingediend bij de IND. Zoals gebruikelijk zal ik niet ingaan op individuele zaken.
Wat is uw appreciatie van de stelling van advocaat Eva Bezem dat het feit dat deze groep geen beroep kan doen op de wedertoelatingsregerling «onrechtvaardig» en «discriminatoir» is?
Zoals uw Kamer bekend is kan ik niet ingaan op lopende aanvragen en verblijfsrechtelijke procedures. Ik kan niet vooruitlopen op de beslissingen op die aanvragen.
Klopt het dat deze groep wordt gewezen op «de mogelijkheden die er al zijn»? Zo ja, wat zijn die mogelijkheden en vindt u die passend gezien de bijzondere situatie van deze groep?
Inmiddels zijn er zo’n honderd aanvragen tot verblijf ingediend bij de IND van personen die behoren tot de categorie ongedocumenteerde Surinamers die ooit het Nederlanderschap bezaten. In deze aanvragen wordt een beroep gedaan op het staande beleid. Zie verder mijn beantwoording van vragen 5 en 6.
In hoeverre gaat het hier om een «controversieel onderwerp» dat niet door het huidige kabinet kan worden afgehandeld, gezien de beperkte omvang van de groep en het feit dat de Nederlandse regering namens de Staat excuses heeft aangeboden voor het slavernijverleden, waarbij deze regeling gezien kan worden als een uitvoering van de excuses?
Gelet op de demissionaire status van het huidige Kabinet ben ik van oordeel dat het niet meer aan mij is beleid te ontwikkelen. Ik laat dit aan het volgende Kabinet.
Deelt u de mening dat het demissionaire kabinet de uitvoering van de excuses voor het slavernijverleden dient voor te zetten, aangezien de excuses namens de Nederlandse Staat zijn gemaakt en niet afhankelijk zijn van het kabinet en daarmee van de val van het kabinet?
De voortzetting van de uitvoering van de excuses voor het slavernijverleden staat los van de vraag of het huidige Kabinet nog beleid zou moeten ontwikkelen voor de bedoelde groep ongedocumenteerden.
Welk zwaarwegend belang verzet zich volgens het kabinet tegen het op korte termijn treffen van een fatsoenlijke regeling voor deze – in omvang beperkte – groep mensen, voor wie het ontzettend veel uitmaakt in het dagelijks leven of zij wel of geen legale status hebben?
Het treffen van een regeling betekent afwijken van de staande beleidslijn ten aanzien van terugkeer van ongedocumenteerde vreemdelingen. Gelet op de demissionaire status van het huidige Kabinet is het niet aan mij nog beleid te ontwikkelen. Ik laat dit aan een nieuw Kabinet.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Minstens 172 mensen overleden door het innemen van zelfdodingspoeder middel X’ |
|
Judith Tielen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel en onderliggend onderzoek «Minstens 172 mensen overleden door het innemen van zelfdodingspoeder middel X?»1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderliggende onderzoek.
Wat is uw eerste reactie op de uitkomsten van het onderzoek? Ziet u, net als 113, deze onderzoeksresultaten als het begin van uitvoeriger onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het is goed dat er nu inzicht is in het aantal mensen dat in Nederland is overleden ten gevolge van het gebruik van zelfdodingspoeders (Middel X) en de demografische en klinische kenmerken van deze mensen. Het onderzoek – dat zich uitstrekt over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2022 – laat zien dat het gebruik van Middel X vooral sinds 2019 flink is toegenomen. Daarnaast blijkt de groep mensen die overlijdt na inname van Middel X heel divers te zijn en te bestaan uit mensen van alle leeftijden. Zo vonden in de leeftijdsgroep van 70-plussers weliswaar de meeste suïcides met Middel X plaats, een kwart van de overledenen was echter jonger dan 50 jaar. Ook is opvallend dat in 70% van de suïcides met Middel X sprake was van mensen met een psychiatrische voorgeschiedenis. Verder was in 19% van de gevallen sprake van een euthanasieaanvraag, waarvan meer dan de helft was afgewezen. Eén en ander wijst erop dat niet alle mensen die Middel X innemen mensen betreft die hun leven als «voltooid» beschouwen, zonder dat daar een medische reden aan ten grondslag ligt.
Omdat de onderzoeksresultaten nieuwe vragen oproepen, vind ik het goed dat 113 Zelfmoordpreventie overweegt om vervolgonderzoek te doen om beter zicht te krijgen op het gebruik van Middel X en op de achtergronden van mensen die zijn overleden na het gebruik van Middel X. De inzet van psychosociale autopsie (nabestaandenonderzoek), waarbij op basis van informatie van nabestaanden een reconstructie gemaakt wordt van de laatste periode voor het overlijden, kan hieraan bijdragen. Momenteel wordt de gestandaardiseerde psychosociale autopsie binnen de Derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie uitgevoerd middels een landelijke aanpak.
Hoe verhoudt de diversiteit van de mensen zich tot het door Coöperatie Laatste Wil in de media geclaimde mantra dat middel X voor «oude mensen met een voltooid leven» beschikbaar moet kunnen zijn? Deelt u de mening dat middel X voor niemand beschikbaar en toegankelijk zou moeten zijn? Zo ja, bent u voornemens het drempelverhogend beleid dat op dit moment gevoerd wordt aan te scherpen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 blijkt uit het onderzoek dat niet alleen mensen die hun leven als «voltooid» beschouwen Middel X gebruiken.
Het is de taak van de overheid om mensen in een kwetsbare situatie te beschermen. Het beperken van de toegang tot dodelijke middelen is een zeer effectieve manier om impulsieve, eenzame en radeloze zelfdodingen te voorkomen. Via afspraken met de chemiebranche en de detailhandel in de code «Signalering van risico’s op suïcide met behulp van chemische stoffen» zorgt de overheid daarom dat de toegang tot zelfdodingspoeders voor particulieren wordt tegen gegaan. In deze code hebben partijen afspraken gemaakt om geen stoffen aan particulieren te leveren die gebruikt kunnen worden voor suïcide. Deelnemers aan de code informeren elkaar ook als een toename van de vraag naar dergelijke stoffen door particulieren wordt gesignaleerd. De praktijk laat zien dat de afspraken in de code voorkomen dat dergelijke stoffen worden geleverd aan particulieren. Middel X kan echter niet alleen verkregen worden via de reguliere kanalen die zich gecommitteerd hebben aan de code. Daarnaast was Middel X al in omloop voor inwerkingtreding van de code. Het middel lijkt ook te worden verhandeld tussen particulieren onderling.
Er is eerder wel gekeken naar aanvullende maatregelen om het drempelverhogend beleid aan te scherpen. Eventuele juridische maatregelen om de beschikbaarheid van Middel X verder te beperken zijn echter ingewikkeld en beperkt effectief. Zo zou nieuwe wetgeving contraproductief kunnen zijn voor het voorkomen van suïcides, aangezien juridische maatregelen bekendheid geven aan stoffen. Verder is het niet mogelijk een uitputtende lijst te maken van stoffen die gebruikt kunnen worden voor suïcide. Gelet hierop ben ik niet voornemens om het drempelverhogend beleid verder aan te scherpen.
Op www.rijksoverheid.nl staat feitelijke en neutrale informatie over Middel X, bijvoorbeeld over het verloop na inname en wat te doen bij een vermoeden dat iemand Middel X in huis heeft.2
Wanneer kan de Kamer de kabinetsreactie op de vierde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging (Wtl) en de evaluatie van de in 2019 opgestelde code «Signalering van risico’s op suïcide met behulp van chemische stoffen», tegemoet zien? Wat is er uit de evaluatie van de code «Signalering van risico’s op suïcide met behulp van chemische stoffen» gekomen?
Het is mijn streven om de kabinetsreactie op de vierde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) in juni 2024 naar de Kamer te sturen.
De Code «Signalering van risico’s op suïcide met behulp van chemische stoffen» is niet geëvalueerd op effectiviteit, onder meer omdat er te weinig gevallen waren waarbij consumenten Middel X probeerden te verkrijgen via de handel in chemische stoffen. Eind 2021 is wel een evaluatie geweest van het doel en de werkwijze van de code. Deze evaluatie liet zien dat de partners de code als zeer nuttig ervaren voor onder andere bewustwording, informatie-uitwisseling en het bespreken van praktijksituaties. Ook werd aangegeven dat moeilijk meetbaar is of concrete resultaten geboekt zijn en blijft een behoefte aan meer data over incidenten. Begin 2024 is door een aantal particulieren geprobeerd Middel X te verkrijgen via de aangesloten leveranciers, maar toen is het middel niet geleverd.
Kunt u toezeggen dat ook psychiaters mee worden genomen in de volgende wetsevaluatie?
Ja, zoals ik heb aangegeven in het verslag van het schriftelijk overleg over de vierde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, is het de bedoeling om psychiaters mee te nemen in de volgende wetsevaluatie.3
Wat is de reden dat twee GGD-regio’s geen gegevens hebben aangeleverd? Bent u bereid ervoor te zorgen dat bij een volgend onderzoek deze gegevens wel kunnen worden meegenomen voor een compleet beeld?
Ik heb hier navraag naar gedaan. Iedere GGD-regio is eigenaar van haar eigen data, en beslist zelf voor welke onderzoeken zij data beschikbaar stelt. De GGD-regio’s Gelderland-Midden en Gelderland-Zuid hebben in dit geval voor gekozen hun data niet te delen. De reden hiervoor is onbekend. Een mogelijke reden is de toegenomen druk op forensisch artsen, waardoor primaire processen worden geprioriteerd en wetenschappelijk onderzoek minder haalbaar is. Op dit moment wordt met subsidie van ZonMw onderzocht hoe middels een centraal georganiseerde onderzoeksdata-infrastructuur processen kunnen worden versneld en individuele GGD-en kunnen worden ontlast. De resultaten hiervan worden in 2024 verwacht.
Hoe kijkt u naar het opnemen van een verplicht veld voor registratie van aanwijzingen voor het gebruik van zelfdodingspoeders, psychiatrische voorgeschiedenis en euthanasieaanvraag in het standaard lijkschouwverslag? Welke gevolgen zou dit hebben voor de administratieve lasten en hoe verhoudt dit zich tot het medisch beroepsgeheim en omgang met medische gegevens?
Een suïcide is een niet-natuurlijk overlijden en dient in Nederland altijd geschouwd te worden door een forensisch arts. Bij het vermoeden van een niet-natuurlijk overlijden onderzoekt de forensisch arts, vaak samen met de forensische recherche en de tactische recherche, het lichaam en de directe omgeving. Bij een niet-natuurlijk overlijden dient de forensisch arts de officier van justitie te informeren. Deze beslist over mogelijke vervolgstappen, zoals een gerechtelijke sectie of nader politieonderzoek. Bij (een vermoeden van) suïcide wordt gezocht naar aanwijzingen daarvoor. De forensisch arts probeert gegevens van de medische en psychiatrische voorgeschiedenis van de overledene te verkrijgen via de huisarts of andere behandelaars. Bevindingen worden vastgelegd in een lijkschouwverslag.
In een vrij tekstveld van het lijkschouwverslag kan informatie worden vermeld over bijvoorbeeld het ingenomen middel, de psychiatrische voorgeschiedenis, eerdere suïcidepoging(en), aanwezigen bij het overlijden, en of sprake is (geweest) van een (afgewezen) euthanasieverzoek.
Het is aan de beroepsvereniging van forensisch artsen om in haar eigen richtlijnen invulling te geven aan wat in het standaard lijkschouwverslag moet staan, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met administratieve lasten. Hoe het vermelden van extra informatie zich verhoudt tot het medisch beroepsgeheim en de omgang met medische gegevens is afhankelijk van de vraag met wie de gegevens worden gedeeld. Een forensisch arts heeft een beperkt beroepsgeheim waar het zijn rol als gemeentelijk lijkschouwer betreft en hij informatie deelt met de officier van justitie.
Met betrekking tot het vermelden van informatie over het gebruik van zelfdodingspoeders is het relevant om te benoemen dat momenteel wordt gewerkt aan een wijziging van de Wet op de lijkbezorging (Wlb), waarbij de forensisch arts meer bevoegdheden krijgt om nader onderzoek te doen als hij niet van overtuigd is dat sprake is van een natuurlijk overlijden. Hij kan dan toxicologisch en/of radiologisch onderzoek (laten) verrichten om de aard van het overlijden en de doodsoorzaak te achterhalen. Dit aanvullende onderzoek is nu slechts mogelijk in het kader van strafrechtelijk onderzoek. Als de forensisch arts deze aanvullende bevoegdheden krijgt, zal meer zicht kunnen worden verkregen op het gebruik van zelfdodingspoeders.
Deelt u de opvatting dat onderregistratie ook kan ontstaan door onbekendheid van forensisch artsen met zelfdodingspoeders? Welke stappen worden gezet om de bekendheid bij forensisch artsen te vergroten?
Ik kan niet beoordelen of onbekendheid bij forensisch artsen met zelfdodingspoeders een reden is voor onderregistratie. Wel ben ik van mening dat de aanvullende bevoegdheden voor de forensisch arts om nader (toxicologisch) onderzoek te doen (zie mijn antwoord op vraag4 meer mogelijkheden gaan bieden om zicht te krijgen op het gebruik van zelfdodingspoeders voor suïcide. De desbetreffende wijziging van de Wlb gaat binnenkort in consultatie en ik zal de consultatieperiode benutten om in gesprek gaan met de beroepsvereniging van forensisch artsen over de praktische uitwerking van deze nieuwe bevoegdheden en wat eventueel gedaan kan worden om de bekendheid met zelfdodingspoeders bij forensisch artsen te vergroten.
Zijn er uit de gesprekken met veldpartijen, naast informatie op www.rijksoverheid.nl, nog andere aanvullende mogelijkheden om het gebruik van stoffen voor suïcide te voorkomen naar voren gekomen? Zo ja, welke? Welke mogelijkheden overweegt u om dergelijke stoffen te verbieden?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3, is eerder al wel gekeken naar aanvullende maatregelen om het drempelverhogend beleid aan te scherpen, maar zijn eventuele juridische maatregelen om de beschikbaarheid van Middel X verder te beperken ingewikkeld en beperkt effectief.
Recente berichtgeving rond haatimams in Nederland. |
|
Ingrid Michon (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Islamcentrum Veenendaal: Nederlandse moslims zijn verplicht om niet-moslims te haten»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de uitspraken die zijn gedaan door de betreffende islamleraar in een podcast ontoelaatbaar zijn in de vrije Nederlandse samenleving en zeer slecht zijn voor veiligheid en integratie? Vindt u dat de opmerkingen aanzetten tot haat, en mogelijk tot geweld?
Het kabinet keurt uitspraken die aanzetten tot haat en discriminatie sterk af. In onze open samenleving kan geen ruimte zijn voor extremistische uitingen. Uitingen, zoals aanzetten tot haat, geweld en opruiing zijn strafbaar en ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid, en verbinding in de samenleving tegengaan.
Daar waar de juridische grenzen in ons land worden overschreden, neemt het Openbaar Ministerie (OM) de beslissing of het opportuun is om over te gaan tot vervolging. Als blijkt dat er uitspraken zijn gedaan die een strafrechtelijk feit opleveren, kan hiervan aangifte worden gedaan. Het is vervolgens aan de politie en het OM deze aangifte te onderzoeken en eventuele vervolgstappen te ondernemen.
Als het gaat het om niet-strafbare gedragingen worden deze in beginsel beschermd door onder andere de vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Men is vrij te geloven wat men wil en hiernaar te leven zolang dit valt binnen de grenzen die de wet hieraan stelt. Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil daarbij het belang van inclusief samenleven benadrukken.
In algemene zin is het aan de rechter om te beoordelen of een opmerking aanzet tot haat en mogelijk tot geweld. Daarom past het ons als Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid niet om in te gaan op onderzoeken naar individuele gevallen. Om diezelfde reden kunnen wij u ook niet antwoorden of de genoemde uitspraken onderzocht worden door het OM.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) deze zaak onderzoekt, bijvoorbeeld wegens haatzaaien en/of opruiing?
Zie antwoord vraag 2.
Is er sinds het uitkomen van het nieuwsbericht afgelopen vrijdag contact geweest met de moskeeorganisatie waar de islamleraar aan is gelieerd? Zo ja, waaruit bestond dit contact? Zo nee, waarom niet? Was er voor dit nieuwsbericht al contact met de organisatie? Zo ja, waaruit bestond dit contact?
Er is geen contact geweest tussen het islamitisch centrum en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Wel heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid contact opgenomen met de burgemeester van Veenendaal en hem ondersteuning aangeboden. De burgemeester heeft aangegeven dat dit op dat moment geen toevoeging zou zijn op wat op lokaal niveau al plaatsvindt.
De burgemeester van Veenendaal heeft de voorzitter van het islamitisch centrum zelf herhaaldelijk uitgenodigd voor een gesprek. Daarop is het centrum niet ingegaan. Het is aan het lokale gezag zelf om te bepalen of het nodig is om hier verder op te handelen. De Expertise-Unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan waar nodig en gewenst advies op maat leveren bij het omgaan met lokale spanningen, het leggen van verbindingen en het voeren van gesprekken tussen gemeenten, organisaties en gemeenschappen.
Welk contact heeft er plaatsgevonden met de burgemeester van Veenendaal en u en tussen de burgemeester en de moskee-organisatie en welke acties zijn door de burgemeester in gang gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol speelt de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Beïnvloeding in deze casus? Heeft de gemeente Veenendaal contact gehad met de Taskforce? Neemt de Taskforce proactief contact op met gemeenten in een casus als deze?
Er vinden geen werkzaamheden meer plaats binnen het kader van de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce). Op 3 oktober 2023 is uw Kamer geïnformeerd over de beperkingen in de aanpak en het veranderde dreigingsbeeld.2 In voornoemde brief is aangegeven dat alle voormalige leden van de Taskforce nog steeds goed samenwerken in de aanpak van problematisch gedrag en buitenlandse financiering, allen in lijn met de eigen (beleids)verantwoordelijkheden en binnen hun eigen wettelijke grondslagen.
Welke rol speelt de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) in deze casus?
Zie antwoord vraag 4.
Welke gevolgen zijn in algemene zin mogelijk voor het intrekken dan wel niet-permanent maken van een verblijfsstatus als een imam is veroordeeld voor opruiing of haatzaaien? Hoe wordt een eventuele veroordeling gesignaleerd bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Welke vreemdelingrechtelijke maatregelen getroffen kunnen worden in het geval een niet-Nederlandse imam is veroordeeld voor opruiing of aanzetten tot haat, hangt af van de vreemdelingrechtelijke status. Indien een vreemdeling in Nederland is veroordeeld voor een misdrijf, zoals opruiing of aanzetten tot haat, ontvangt de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) hiervan een bericht. De IND zal dan beoordelen of een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning geweigerd kan worden, of dat zijn reeds verleende reguliere verblijfsvergunning ingetrokken kan worden volgens geldende wet- en regelgeving.
Voor het weigeren van een verblijfsvergunning is artikel 3.77 Vreemdelingenbesluit (Vb) van toepassing. In een dergelijk geval zal een veroordeling voor het misdrijf opruiing of aanzetten tot haat mogelijk voldoende zijn voor het weigeren van verblijf. Dit blijft echter een individuele beoordeling waarbij in de evenredigheidsbeoordeling alle feiten en omstandigheden van het geval worden betrokken.
Bij het intrekken van een reguliere verblijfsvergunning is «de glijdende schaal» (art. 3.86 Vb) van toepassing. Volgens het principe van de glijdende schaal wordt er een verband gelegd tussen de duur van de opgelegde onherroepelijke straf en de duur van het rechtmatige verblijf in Nederland. Hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, hoe zwaarder de straf moet zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te kunnen gaan. Dit besluit betreft altijd een beoordeling van alle omstandigheden van het individuele geval, waarin wordt getoetst aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het recht op privé en familieleven) en de evenredigheid. Indien de vreemdeling pas kortere tijd rechtmatig verblijf heeft, zou een onherroepelijke veroordeling voor opruiing of aanzetten tot haat mogelijk voldoende kunnen zijn om tot intrekking van het verblijfsrecht over te gaan.
Dat zal in de regel niet het geval zijn bij langdurig rechtmatig verblijf. Uit artikel 3.86, lid 10, Vb volgt namelijk dat indien een vreemdeling al meer dan 10 jaar rechtmatig in Nederland verblijft, intrekking of weigering enkel mogelijk is als er sprake is van een misdrijf uit de Opiumwet met een strafbepaling van meer dan zes jaar gevangenisstraf of het misdrijf de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast. In een dergelijk geval zal met toepassing van artikel 3.86 lid 10 Vb een onherroepelijke veroordeling voor opruiing of aanzetten tot haat onvoldoende zijn voor het intrekken of weigeren van het verblijfsrecht.
Wanneer het een EU-burger betreft, dient er sprake te zijn van een persoonlijke gedraging die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het is mogelijk dat een veroordeling voor opruiing of aanzetten tot haat hier onder zou kunnen vallen, maar het zal van de omstandigheden van de strafzaak en de overige individuele omstandigheden van een zaak afhangen of er sprake is van een dergelijke gedraging.
Bovendien moet ook de lat van artikel 3.77 Vb bij een aanvraag of artikel 3.86 bij een intrekking gehaald worden om over te gaan tot verblijfsontzegging of -beëindiging. Tevens zal getoetst worden aan de evenredigheid.
Tot slot, bij een afwijzing of intrekking op grond van de openbare orde wordt, indien mogelijk, een inreisverbod opgelegd. Bij EU-burgers wordt, indien mogelijk, een ongewenstverklaring opgelegd.
Is er bekend of Ar-Rahmah donaties ontvangt vanuit het buitenland? Zo ja, op welke manier is de organisatie transparant geweest? Zo niet, hoe gaat u ervoor zorgen dat de organisatie transparant is over hun jaarrekening en donaties?
Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn vooralsnog geen notes verbales bekend over financieringsaanvragen door Ar-Rahmah vanuit derde landen. Over alle financieringsaanvragen wordt uw Kamer geïnformeerd conform de motie Karabulut-Segers.3
Momenteel ligt het wetsvoorstel Transparantie maatschappelijke organisaties voor in uw Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel is tweeledig. Enerzijds biedt het aanvullende mogelijkheden om – indien er aantoonbare en gegronde redenen zijn – onderzoek te doen naar geldstromen en hier zo nodig op te handhaven. Zo worden aan de burgemeester, het OM en andere specifiek aangewezen overheidsinstanties bevoegdheid gegeven om een informatieverzoek te doen aan een maatschappelijke organisatie over een of meer donaties. Als de donaties substantieel blijken, kan verder navraag gedaan worden naar de persoon van de donateur. De burgemeester kan een informatieverzoek doen wanneer er sprake is van een (dreigende) verstoring van de openbare orde. Het OM kan een informatieverzoek doen bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd dan wel of het bestuur naar behoren wordt gevoerd. Anderzijds worden stichtingen – die nu al verplicht zijn om een balans en staat van baten en lasten op stellen – verplicht om een balans en staat van baten en lasten te deponeren bij het handelsregister. Enkele daartoe bevoegde toezichts- en handhavingsinstanties van de overheid krijgen toegang tot deze stukken
Is er de afgelopen vijf jaar enige vorm van contact of actie geweest ten aanzien van de weekendschool van Ar Rahmah vanuit de landelijke of de lokale overheid? Zo ja, welke en wat zijn de constateringen geweest op deze school? Zo niet, waarom niet?
Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is geen contact geweest met Ar Rahmah. Weekendscholen – zoals Ar Rahmah – vallen niet onder de verantwoordelijkheid van dit ministerie. Het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap is bezig met de voorbereiding van wettelijk toezicht op informeel onderwijs aan kinderen, waaronder ook weekendonderwijs kan vallen. Over de contouren hiervan heeft uw Kamer op 24 mei 2023 een brief ontvangen.4 Zoals de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs eerder heeft toegezegd aan uw Kamer, zal dit voorstel voor Prinsjesdag in internetconsultatie worden gebracht.
De gemeente Veenendaal heeft in 2018 en 2019 gesprekken gevoerd met Ar Rahmah over onder andere het aanbod van lezingen en informele scholing. Sinds begin 2020 wordt het contact door de organisatie afgehouden. De lokale overheid heeft anders dan het gesprek aangaan met de organisatie, geen formele mogelijkheden om toe te zien op de kwaliteit en/of inhoud van informele scholing.
Heeft het Ministerie van SZW ooit met de betreffende moskee-organisatie overleg gepleegd en zo ja, waarover? Hoe staat het met de aangenomen motie Becker2 om een overzicht met de Kamer te delen met welke organisaties het ministerie in het kader van integratie aan tafel zit?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft, zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 7, sinds het uitkomen van het nieuwsbericht en in de periode daarvoor geen contact gehad met deze organisatie.
De motie Becker (Kamerstuk 35 228, nr. 45) wordt onderzocht.
Bent u bekend met het bericht «Afschuw om misselijkmakende oproep gastimam van moskee Amsterdam: «Moslims moeten Joden haten.»»?3
Ja.
Bent u het ermee eens dat ook dit geplaatste statement van deze gastimam van de Blauwe Moskee, dat moslims Joden moeten haten en ook alle andere niet-moslims moeten haten, ontoelaatbaar is in de vrije Nederlandse samenleving, temeer nu de veiligheid van de Joodse gemeenschap al zwaar onder druk staat?
Als Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid vinden wij de boodschap om afkeer te hebben naar andere groepen verwerpelijk. Nederland is een open samenleving waarin iedereen zich veilig moet kunnen voelen, ongeacht herkomst, huidskleur of geloof. Binnen deze open samenleving is geen enkele plek voor Jodenhaat, of welke andere vorm van haat dan ook. In onze samenleving moeten we juist met elkaar werken aan verbinding. Zodat ondermijnende boodschappen geen vat krijgen en we met elkaar zorgen voor een inclusieve samenleving, waarin iedereen zich veilig en thuis voelt.
Kunt u aangeven of het OM deze zaak onderzoekt, bijvoorbeeld wegens haatzaaien en/of opruiing?
Zie de beantwoording van vraag 3 over individuele casuïstiek.
Is er contact geweest met de moskeeorganisatie waar de imam gastspreker is? Zo ja, waaruit bestond dit contact? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Amsterdam heeft per brief – in reactie op de commissie voor Algemene Zaken van 18 april 2024 – laten weten dat zij het onacceptabele, antisemitische uitspraken vindt, waarvoor absoluut geen plek is in Amsterdam.7 De gemeente heeft contact gezocht met het bestuur van de moskeeorganisatie. Het bestuur van de moskeeorganisatie heeft in dit contact aangegeven geschrokken te zijn van de uitspraken die zijn gedaan door de betreffende gastspreker. Het bestuur geeft aan dat de uitspraken zijn gedaan op persoonlijke titel en op een persoonlijk sociale media-account van de gastspreker.
De moskeeorganisatie heeft inmiddels publiekelijk en nadrukkelijk afstand van de uitspraken gedaan en aangegeven dat de gastspreker niet meer welkom is in de moskee. De gemeente acht het gezien de opstelling van het moskeebestuur niet nodig om verder advies te vragen bij de ESS.
Er is verder geen contact geweest tussen de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie en Veiligheid met de moskeeorganisatie (waar de imam gastspreker was) en de burgemeester van Amsterdam.
Welk contact heeft er plaatsgevonden vanuit u met de burgemeester van Amsterdam en vanuit de burgemeester met de moskee-organisatie en welke acties zijn door de burgemeester in gang gezet?
Zie antwoord vraag 15.
Welke rol speelt de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Beïnvloeding in deze casus? Kan de gemeente Amsterdam een beroep doen op de Taskforce? Is er al contact geweest tussen de Taskforce en de burgemeester?
De Taskforce heeft als samenwerkingsverband geen contact gehad met de gemeente Amsterdam over deze casus. Zie het antwoord bij vraag 6 over de huidige status van de Taskforce.
Welke rol speelt de ESS in deze casus? Is er al contact geweest tussen de ESS en de burgemeester?
Zie antwoord vraag 15.
Is het juist dat niet alleen deze imam, maar ook de imam Ibn Khalifa haatteksten op zijn account plaatst, onder andere met een gedicht dat zelfmoordaanslagen op Joden verheerlijkt en dat deze imam ook lezingen geeft in de al-Oumma moskee en spreekt in moskeeën in Uithoorn, Rotterdam en Bussum?
Gelet op het ontbreken van een juridische grondslag om organisatie- en persoonsgericht onderzoek te doen is er zowel bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen beeld over eventuele uitlatingen van deze imam.
De politie kan onderzoek doen naar strafbare feiten. Dit kan gebeuren naar aanleiding van een aangifte, een (anonieme) tip of op eigen initiatief van de politie. Wanneer er sprake is van strafbare feiten, is het aan het OM om een beslissing te nemen of het opportuun is over te gaan tot vervolging. Hierbij geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid, gezien de vertrouwelijkheid, geen uitspraken doet over eventuele informatiebeelden en onderzoeken. Ook kan de Minister van Justitie en Veiligheid niet op individuele zaken ingaan.
Wat zijn de acties vanuit de landelijke en lokale overheid ten aanzien van deze imam? Is er sprake van vervolging door het OM? Is er contact met de moskeeorganisaties waar deze imam regelmatig spreekt om hen te wijzen op de uitspraken van deze imam?
Zie het antwoord bij vraag 2 en 3 over individuele casuïstiek en over eventuele vervolging van strafbare gedragingen door het OM. Er is vanuit de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie en Veiligheid geen contact geweest met de moskeeorganisaties over deze uitspraken.
Het is aan het lokale gezag zelf om te bepalen of het nodig is om hierop te handelen en op welke wijze dat wordt gedaan. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan indien gewenst wel ondersteuning bieden aan gemeenten bij het omgaan met lokale spanningen. Zie de eerdere beantwoording van vraag 7 over de lokale casus in Veenendaal.
Wat zijn de mogelijkheden voor de overheid als moskee-organisaties toch een podium blijven bieden aan imams met haatboodschappen? Biedt artikel 2:20 van het Burgelijk Wetboek een grond om in het uiterste geval een moskee te kunnen sluiten en zo ja, is hier al eens een beroep op gedaan? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 2:20 BW kan de rechtbank op verzoek van het OM een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde verboden verklaren en ontbinden. Het is aan het OM, en niet aan het kabinet, om te bezien of er aanleiding is een dergelijk verzoek in te dienen bij de rechtbank. Er zijn het kabinet geen voorbeelden bekend, waarbij een beroep is gedaan op artikel 2:20 BW om de organisatie achter een moskee te verbieden en ontbinden.
Indien de gemeente op de hoogte is van een bijeenkomst en in het kader van de openbare orde zorgen heeft over sprekers of deelnemers, kan zij haar zorgen uitspreken richting de beheerder van de locatie. Daarnaast zal de lokale driehoek altijd alert zijn op eventuele wanordelijkheden.
Primair is artikel 2:20 BW gericht op het verbieden en ontbinden van organisaties. Het gevolg van een dergelijk verbod bij een moskee-stichting kan ertoe leiden dat een moskee ook daadwerkelijk wordt gesloten. Het is dan een praktisch gevolg van het artikel dan een specifiek onderdeel van het verzoek of specifieke bevoegdheid tot het fysiek sluiten van de moskee.
Zijn er voor gemeenten voldoende mogelijkheden om in te grijpen als een imam met een reputatie van haatboodschappen van plan is te spreken in bijvoorbeeld een moskee?
Gemeenten kunnen na een oordeel over de openbare orde door de politie en/of de lokale driehoek een melding doen bij de IND. Het weren van een spreker kan dan op basis van de beoordeling of de gastspreker een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is. Op 23 oktober 2023 is uw Kamer per brief geïnformeerd over het voornemen de maatregel, om in het belang van de openbare orde en nationale veiligheid extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren, te versterken.8 Dit draagt eraan bij dat wordt voorkomen dat vreemdelingen die aanzetten tot haat, desinformatie verspreiden, wet- en regelgeving verwerpen en onze democratische rechtsorde ondermijnen en zo onze nationale veiligheid aantasten, de kans krijgen om in Nederland hun radicale gedachtegoed uit te dragen.
Gemeenten kunnen voor advies over hun eigen handelingsperspectief ook terecht bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hier kunnen zij bijvoorbeeld ondersteuning krijgen bij het voeren van een verbindend en/of confronterend gesprek met lokale organisaties.
Tot slot is het aan het OM te beslissen of het opportuun is om over te gaan tot vervolging, wanneer juridische grenzen in ons land worden overschreden. Als blijkt dat tijdens een bepaald evenement uitspraken zijn gedaan die een strafrechtelijk feit opleveren, kan hiervan aangifte worden gedaan. Het is vervolgens aan de politie en het OM de aangifte te onderzoeken en eventuele vervolgstappen te ondernemen.
Bent u bereid de Kamer binnen zes weken een brief te sturen ten aanzien van de huidige staat van het salafisme, salafistische aanjagers en haatimams in Nederland en de actuele aanpak daartegen?
Vanwege interdepartementale afstemming is het niet gelukt deze brief binnen de gestelde tijd aan uw Kamer te doen toekomen. Op korte termijn wordt u door de nieuwe bewindspersonen over dit onderwerp geïnformeerd.
Bent u bereid daarin mee te nemen hoe het staat met de Schengeninformatiesysteem (SIS-)signalering, zwarte lijsten, visumbeleid, de Nederlandse imamopleiding en de uitvoering van de motie Becker4 om in samenwerking met hostingproviders en internetplatforms het onvrije gedachtengoed van salafistische aanjagers tegen te gaan en daar indien nodig bestuurlijk instrumentarium voor in te zetten en tevens onderzoek te doen naar het onderbrengen van toezicht hierop bij een online autoriteit?
Op dit moment is er geen sprake van het specifiek onderbrengen van toezicht op antidemocratische en salafistische content bij een online autoriteit. Wat betreft de samenwerking met hostingproviders en internetplatforms om het onvrije gedachtengoed van salafistische aanjagers tegen te gaan verwijs ik u naar de antwoorden van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid op schriftelijke vragen van de leden Becker en Rajkowski (beiden VVD) over «de uitvoering van de gewijzigde motie Becker c.s. Over het structureel tegengaan van extremistische uitingen online» en de contourenbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content, waar de uitvoering van de motie Becker c.s. wordt besproken.
In het kader van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content voert de Minister van Justitie en Veiligheid gesprekken met de internetsector om de zorgen van het kabinet over de verspreiding van extremistisch en terroristisch gedachtengoed, waar antidemocratische en salafistische content onder kan vallen, over te brengen. Indien deze content terroristisch van aard is, heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) op basis van bestuursrechtelijke bevoegdheden de mogelijkheid deze content ontoegankelijk te maken of te laten verwijderen.
Tot slot verwijzen wij uw Kamer naar de brief van 29 april 2024 voor de laatste stand van zaken omtrent de imamopleiding.10
Het bericht dat geïnstalleerde trapliften vaak nog steeds niet voldoen aan het Bouwbesluit en dit tegenstrijdig is met valpreventie beleid. |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Gemeenten negeren regels voor het veilig plaatsen van trapliften»?1 Bent u bekend met signalen dat in meerdere gemeenten trapliften die via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) worden aangeschaft nog steeds niet voldoen aan de minimumeisen voor een veilige trap volgens het Bouwbesluit, zoals voldoende ruimte om de voet neer te zetten, het hebben van een goede leuning en tenminste vijftig cm loopdoorgang?
Ja, ik ben bekend met de uitzending van Max Meldpunt van 19 april 2024.
Ik heb geen signalen ontvangen dat in meerdere gemeenten trapliften, die via de Wmo 2015 worden aangeschaft, niet voldoen aan de minimumeisen voor een veilige trap volgens het Bouwbesluit. Uit navraag bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten blijkt dat daar ook geen signalen bekend zijn.
Kunt u een reflectie geven op de situatie dat ook na het verschijnen van de handleiding voor het veilig plaatsen van trapliften, enkele gemeenten nog steeds voor een lift aan de muurzijde kiezen, waardoor niet aan het bouwbesluit wordt voldaan? In hoeverre is deze suboptimale keuze financieel ingegeven?
Het infoblad Trapliften op bestaande trappen2 geeft de mogelijkheid om een traplift aan de muurzijde te plaatsen, zolang de trap na plaatsing nog steeds voldoende veilig beloopbaar is uitgaande van de minimumeisen van het Bouwbesluit.3 Het infoblad geeft informatie over de toepassing van deze minimumeisen bij het plaatsen van een traplift. Als er trapliften worden geplaatst in afwijking van deze informatie, vind ik dit een slechte zaak.
Zoals ik eerder aan uw Kamer schreef, stellen gemeenten in hun inkoop een programma van eisen op waarin ook eisen zijn opgenomen met betrekking tot het moeten voldoen aan het Bouwbesluit.4 Kostenoverwegingen spelen wel een rol bij het plaatsen van een traplift in het kader van doelmatigheid, maar de trap(lift) moet altijd voldoen aan de wettelijke (veiligheids)eisen. Of voor de gemeente een traplift goedkoper is aan de muur- of de spilzijde, is afhankelijk van de contractuele afspraken die gemeenten met hun leverancier(s) maken.5
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten actief werken met de door uw ministerie gepubliceerde handleiding voor de juiste toepassing van de wetgeving bij het plaatsen van trapliften? In hoeverre hebben alle gemeenten toegezegd proactief met deze handleiding aan de slag te gaan? Op welke wijze gaat u gemeenten die de handleiding niet gebruiken stimuleren om dit wel te doen?
Ik heb geen zicht op hoeveel gemeenten het infoblad Trapliften op bestaande trappen – dat is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)- gebruiken. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een bericht over het informatieblad op hun website geplaatst en vermeld in hun wekelijkse nieuwsbrief naar alle gemeenten. De VNG zal het informatieblad nogmaals onder de aandacht te brengen. Daarnaast heeft de VNG aangegeven ook geen informatie te hebben over hoeveel gemeenten dit infoblad gebruiken.
Op grond van de Wmo 2015 moet de gemeente (zijnde opdrachtgever en eigenaar) zich verzekeren dat de traplift voldoet aan alle regelgeving waaronder het Bouwbesluit. Het is aan iedere gemeente zelf te besluiten hierbij gebruik te maken van het infoblad.
De Wmo 2015 is een gedecentraliseerde wet. Het is aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat het college op een passende manier invulling geeft aan de verplichtingen die gemeenten hebben in het kader van de Wmo 2015. Daarbij hebben gemeenten de vrijheid en verantwoordelijkheid om de Wmo uit te voeren op een manier die aansluit bij de specifieke, lokale context. Dat betekent dat als er knelpunten worden ervaren bij de toegang tot of verstrekking van hulpmiddelen en/of woningaanpassingen primair overleg plaats dient te vinden tussen gebruiker, gemeente en aanbieder (op casusniveau) of tussen aanbieder(koepel) en gemeente(koepel) bij vraagstukken van algemene aard.
Deelt u de mening dat het proactief inzetten op het toepassen van de handleiding preventief kan zijn voor valincidenten bij mantelzorgers, familieleden en hulpverleners die ook graag veilig van een trap gebruik willen maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, daarom heeft het Ministerie van BZK, in afstemming met VWS en de VNG, een infoblad gemaakt over trapliften en het Bouwbesluit.
Deelt u de mening dat het negeren van regels voor het veilig plaatsen van trapliften, in grote tegenstrijdigheid is met de doelen van valpreventie? Zo nee, waarom niet? Het voorkomen van val-incidenten bij mantelzorgers, familieleden en hulpverleners door het veilig plaatsen van trapliften behoort toch ook tot de maatregelen ter voorkoming van de meest optimale continue zorg?
Het plaatsen van een traplift is vaak nodig om een oudere thuis te kunnen laten blijven wonen. Veilig geplaatste trapliften kunnen helpen om valincidenten te voorkomen. Een ergotherapeut kan vanuit de doelen van valpreventie advies geven over het veilig gebruik van trapliften en/of traplopen.
Deelt u de mening dat foutief geplaatste trapliften vervangen moeten worden door trapliften die wel aan de eisen van het bouwbesluit voldoen? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, als er niet voldaan wordt aan het vereiste minimumveiligheidsniveau is dat een overtreding. De gemeente dient als bevoegd gezag volgens de Woningwet te handhaven.
Kan het proactief naleven van de handleiding voor de plaatsing van trapliften als voorwaarde worden gesteld voor het gebruikmaken van valpreventie-Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA)-gelden? Zo nee, waarom niet?
De SPUK (specifieke uitkering) voor valpreventie Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) is al gepubliceerd, inclusief voorwaarden, en focust op de ketenaanpak valpreventie.6 Het proactief naleven van het infoblad valt niet onder die voorwaarden.
Kunt u aangeven welke rol trapliften spelen binnen het Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO)? Deelt u de mening dat trapliften een noodzakelijk hulpmiddel zijn om de veranderende demografische samenstelling en het groeiende aantal ouderen dat thuis woont op te vangen? Zo nee, waarom niet? En hoe gaat u er dan voor zorgen dat trapliften wel veilig worden geplaatst?
Ja, trapliften kunnen eraan bijdragen dat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen, ook bijvoorbeeld als er geen gelijkvloerse woningen beschikbaar zijn. Binnen WOZO wordt er daarnaast aan gewerkt dat er 290.000 (nultreden)woningen komen voor ouderen.
De gemeente is verantwoordelijk voor het veilig plaatsen van trapliften, zie mijn antwoord op vraag 3 en 6.
Hoe kijkt u naar de duurzaamheidsaspecten van trapliften? Deelt u de mening dat het direct correct plaatsen van een traplift duurzamer is dan eerst foutief plaatsen en later corrigeren? Is er al nationaal beleid gemaakt voor hergebruik van trapliften? En in hoeverre wordt er gestimuleerd om trapliften optimaal te hergebruiken?
Ja, ik ben het ermee eens dat het direct correct plaatsen van een traplift de duurzaamste en vanzelfsprekend de meest ideale manier van plaatsen is. Er is geen nationaal beleid voor het hergebruik van trapliften, er wordt daarom ook niet landelijk gestimuleerd om trapliften her te gebruiken. Navraag leert dat gemeenten aandacht aan hergebruik besteden en dat dit terugkomt in de criteria bij de inkoop van trapliften. Een van de veel gestelde eisen is een hoge mate van duurzaamheid of circulariteit.
Het onder druk zetten van de minister van LNV om glyfosaat niet te verbieden. |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u de berichtgeving van Zembla bevestigen waaruit blijkt dat u zich tijdens een ministerraad heeft verzet tegen het voornemen van Minister Adema om tegen de verlenging van de toelating van glyfosaat te stemmen?1
Ik kan bevestigen dat in de ministerraad is gesproken over de hernieuwing van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat en dat daar verschillende invalshoeken zijn uitgewisseld.
Bent u ermee bekend dat de Tweede Kamer een motie heeft aangenomen die de regering verzocht om tegen deze toelating te stemmen?2
Ja, uw Kamer heeft een motie aangenomen om tegen de nieuwe Europese goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat te stemmen.
Kunt u bevestigen dat de Minister van LNV er in het kabinet voor heeft gepleit om glyfosaat te verbieden, in lijn met de wens van de Tweede Kamer?
Voor mijn reactie verwijs ik naar antwoord 1.
Kunt u bevestigen dat de onderbouwde wens van de Tweede Kamer en de onderbouwde wens van de verantwoordelijke Minister zeer zwaar wegen?
Ja, de wens van de Kamer weegt altijd zwaar, evenals de opvattingen van de betrokken bewindspersonen.
Wat vindt u ervan dat, door uw verzet, de zorgen van de Minister van LNV, onder meer door gesprekken met het RIVM en andere wetenschappers, en de wens van de Kamer zijn genegeerd?
Verordening (EG) 1107/2009 gaat uit van de wetenschappelijke beoordeling van de risico’s van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen voor mens, dier en milieu. Het is dan ook een vaste lijn van de lidstaat Nederland om zich te baseren op de onafhankelijke, wetenschappelijk onderbouwde adviezen van de daartoe aangestelde wetenschappelijke instituten. Dit betrof in dit geval de Assessment Group on Glyphosate (het consortium van vier bevoegde toelatingsautoriteiten, waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA. EFSA concludeert dat er geen kritische zorgpunten zijn geconstateerd ten aanzien van de werkzame stof glyfosaat. Het besluit van de EC om glyfosaat opnieuw 10 jaar goed te keuren is hiermee voldoende onderbouwd.
Ik wil benadrukken dat een beoordeling op basis van wetenschappelijk onderbouwde adviezen van daartoe ingestelde wetenschappelijke instituten uitgangspunt is van de geharmoniseerde Europese regelgeving op het gebied van stoffen, niet alleen voor gewasbeschermingsmiddelen maar ook voor biociden, medicijnen, voedselcontactmaterialen en het generieke stoffenbeleid.
Met de Minister van LNV en de Minister van VWS neem ik de wetenschappelijke en maatschappelijke zorgen over glyfosaat en de wens van uw Kamer zeer serieus. In de brief van 29 januari 2024 (Kamerstuk 27 858, nr. 646) worden acties door de Minister van LNV benoemd en heeft de Ministers van LNV en VWS aangekondigd specifiek wetenschappelijk onderzoek te starten naar de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen (waaronder glyfosaat) en het ontstaan van de ziekte van Parkinson.
Hoe bent u erop gekomen om u te verzetten tegen de keuze van de Minister van LNV?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5.
Welke gesprekken heeft u tussen de stemming over de betreffende motie in de Tweede Kamer (op 7 september 2023) en de betreffende ministerraad in oktober 2023 gevoerd over dit onderwerp?
Ik heb in deze periode geen gesprekken over dit onderwerp gevoerd met externe bedrijven, instellingen of organisaties. Ik heb over dit onderwerp uitsluitend gesproken met collega-bewindspersonen, in onderraden en ministerraden en intern daarop voorbereidende overleggen (zie antwoord vraag 10).
Welke mails of andere communicatievormen heeft u gedurende deze periode ontvangen of verstuurd over dit onderwerp?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u een lijst van bedrijven, instellingen en organisaties sturen waarmee gedurende deze periode is gesproken of waarvan input is verkregen over dit onderwerp?
Zie het antwoord op vraag 7.
Is er gedurende deze periode contact geweest tussen u (of uw ambtenaren) en de Staatssecretaris van IenW (of haar ambtenaren) over dit onderwerp? Zo ja, op wiens initiatief vond dit contact plaats en wat is er hierbij besproken?
Dit onderwerp raakt verschillende onderdelen van het Ministerie van IenW, met inbegrip van onderdelen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris, dus vanzelfsprekend is daar contact mee geweest.
Heeft u gedurende deze periode over dit onderwerp gesproken met (Kamerleden van) de VVD-fractie? Zo ja, op wiens initiatief vond dit contact plaats en wat is er hierbij besproken?
Nee.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden, in ieder geval vóór het commissiedebat over landbouwgif (het zogeheten «commissiedebat Gewasbeschermingsmiddelen»)?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Wachtlijst stroomnet explodeert door energietransitie, jaren wachten op stroom geen uitzondering»1 en het artikel «Huishoudens, scholen en kleinbedrijf van stroomnet af bij overbelasting»?2
Ja.
Kunt u zo concreet mogelijk aangeven hoeveel woningbouwprojecten, bedrijven, zorginstellingen, ziekenhuizen, wind-en zonneparken, scholen, huishoudens, dorpshuizen, batterij-exploitanten, sportclubs en boerenbedrijven op dit moment niet of niet volledig aangesloten kunnen worden op het stroomnet?
Ik zet mij met diverse partners in om netcongestie zoveel mogelijk tegen te gaan. Hierover heb ik uw Kamer per brieven van 18 oktober 2023 en 25 april 2024 uitgebreid geïnformeerd3. Binnenkort stuur ik uw Kamer een rapportage over de voortgang van deze aanpak, conform het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat.
Voor kleinverbruik op het laagspanningsnet zijn er geen wachtrijen; wel komt het voor dat ingebruikname van nieuwe woonwijken wordt vertraagd doordat de wijk als geheel op het middenspanningsnet moet worden aangesloten, waar wel congestie kan voorkomen. Voor grootverbruik geldt dat netbeheerders niet weten welke functie een gebouw – achter een bestaande of aangevraagde aansluiting – heeft, of zal krijgen. Eind februari 2024 stonden in totaal 9.400 aanvragen op de grootverbruik-wachtlijst voor afname van elektriciteit, en nog eens 10.000 op de grootverbruik-wachtlijst voor teruglevering van elektriciteit. Deze cijfers worden in de eerste helft van juni geactualiseerd. De wachtrijen bij de netbeheerders geven op dit moment slechts een beperkt beeld van de daadwerkelijke actuele vraag naar transportcapaciteit, omdat inzicht in mogelijke dubbele aanvragen en de slagingskans van beoogde projecten ontbreekt. Ik ben met de netbeheerders en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een traject gestart om, in overleg met het bedrijfsleven, dit inzicht te verbeteren en de wachtrijen op te schonen.
De wachtrijen en wachttijden verschillen sterk per regio. Een gemiddelde wachttijd is daarom moeilijk te definiëren. De wachttijd is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de gevraagde capaciteit, wanneer een netuitbreiding gereed is zodat weer nieuwe partijen kunnen worden aangesloten, het aantal wachtenden in de lokale wachtrij, en of bijvoorbeeld in een congestieonderzoek flexibiliteit wordt gevonden zodat er weer ruimte vrijkomt voor partijen in de wachtrij. Begin juni wordt de capaciteitskaart van de netbeheerders vernieuwd, zodat er lokaal (per voedingsgebied) inzicht komt in de wachtrij (in aantallen en capaciteit). Later dit jaar wordt aan de kaart toegevoegd wanneer netuitbreidingen naar verwachting gereed zullen zijn, zodat partijen meer inzicht krijgen in de verwachtte wachttijd.
Kunt u per provincie en per netwerkbeheerder (Enexis, Stedin, Liander, Coteq, Rendo, Westland Infra) aangeven hoeveel de gemiddelde wachttijd voor aansluiting op het stroomnet bedraagt?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe vaak het al is voorgekomen dat de wachttijd op het verstopte stroomnet is opgelopen tot 52 weken (of meer), uitgesplitst in kleinverbruikers (< 3x80 ampère), grootverbruikers (≥ 3x80 ampère) en directe aansluitingen op het hoogspanningsnetwerk? Kunt u tevens aangeven wat de gemiddelde wachttijd op dit moment bedraagt voor een kleinverbruiker, grootverbruiker en direct aangesloten bedrijven?
Kleinverbruikers hebben op dit moment niet te maken met wachtlijsten, of wachttijden. Wel gelden hier de aansluittermijnen van 12 weken (eenvoudige aansluiting) tot 18 weken (aansluiting waarbij graafwerk vereist is). Voor grootverbruikers en aansluitingen op het hoogspanningsnet geldt in veel regio’s wel congestie. In het geval van congestie is er een wachtrij. Het is op voorhand niet te zeggen hoelang de wachttijden zijn. Dat is van meerdere factoren afhankelijk, zoals het aantal wachtenden, hoeveel vermogen er is aangevraagd, en wat er op korte termijn bijgebouwd kan worden. Ook is hier de hoeveelheid flexibel vermogen die mogelijk beschikbaar komt van belang. Als er wel transportvermogen beschikbaar is, komt een partij niet in de wachtrij, maar geldt wel een aansluittermijn. Hiervoor stelt de ACM een redelijke termijn vast op basis van het codebesluit aansluittermijnen grote aansluitingen elektriciteit.
Kunt u aangeven hoeveel huishoudens, bedrijven, windturbines, batterij- en opslag-exploitanten en zonneparken en overige instellingen wachten om stroom terug te leveren aan het net?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wanneer de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een besluit neemt over de redelijkheid van de termijn waarop bedrijven en instellingen moeten wachten op een stroomaansluiting?
De ACM heeft op 18 april 2024 het codebesluit aansluittermijnen grote aansluitingen elektriciteit vastgesteld4.
Kunt u aangeven hoeveel storingen er afgelopen jaar en tot dusverre in dit jaar zijn geweest vanwege een te grote vraag en/of aanbod van elektriciteit? Wat was de impact hiervan op de onbalans in het net, en wat zijn de kosten van deze onbalans voor het elektriciteitssysteem?
Het Nederlandse elektriciteitsnet is één van de betrouwbaarste in Europa. In 2023 had een huishouden over het hele jaar gemiddeld slechts 21,8 minuten geen elektriciteit. Bij stroomonderbrekingen worden twee categorieën onderscheiden: enerzijds niet-geplande onderbrekingen als gevolg van een storing, en anderzijds geplande tijdelijke afsluitingen vanwege werkzaamheden. Het aantal niet-geplande onderbrekingen in de elektriciteitsnetten was in 2023 met 26.763 hoger dan het gemiddelde van de jaren ervoor (22.552 onderbrekingen). Per onderbreking zijn daarbij wel minder klantaansluitingen getroffen. Bij 839.871 klanten is in 2023 tijdelijk de stroomvoorziening gepland afgesloten geweest. Dat is bijna het dubbele van de jaren ervoor. Netbeheerders zijn bezig met de grootste verbouwing van onze elektriciteitsnetten ooit. Dat maakt dat het aantal geplande onderbrekingen de komende jaren waarschijnlijk verder toe zal nemen. Om veiligheidsrisico’s te verminderen, wordt er daarnaast meer gekozen voor het spanningsloos uitvoeren van werkzaamheden aan elektriciteitsnetten. Dit leidt tot een toename van het aantal geplande onderbrekingen. Bijkomend voordeel is dat er meer technici beschikbaar zijn die spanningsloos kunnen werken ten opzichte van de meer gespecialiseerde vaklieden die opgeleid zijn om onder spanning te mogen werken.
Zoals aangegeven, span ik mij in om netcongestie zoveel mogelijk te voorkomen. Waar deze maatregelen onvoldoende blijken te zijn, zorgt het instellen van een wachtrij door de netbeheerder juist dat zich geen grote storingen voordoen. Als de capaciteit van het net daadwerkelijk wordt overschreden, dan ontstaat schade aan het elektriciteitsnetwerk met uitval tot gevolg. Daarnaast kan het in de laagspanningsnetten voorkomen dat de spanning te hoog wordt door veel gelijktijdige invoeding van elektriciteit door zonnepanelen. De omvormers schakelen automatisch uit om schade aan de installatie te voorkomen.
Deelt u de mening dat het overvolle stroomnet belast wordt vanwege de te strikte klimaatafspraken? Deelt u tevens de mening dat deze klimaatafspraken een onevenredige negatieve bijdrage leveren aan de Nederlandse energiezekerheid en economie?
Behalve aan de strijd tegen klimaatverandering, draagt de energietransitie vooral ook bij aan de betaalbaarheid en leveringszekerheid van energie. Elektrificatie van bedrijven en huishoudens is een belangrijk onderdeel van de energietransitie en levert huishoudens en bedrijven ook financiële voordelen op. De energietransitie is in een stroomversnelling gekomen door de hoge gasprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de wens om afhankelijkheid van buitenlandse fossiele brandstoffen af te bouwen. De uitbreiding van de elektriciteitsnetten kan dit tempo niet bijhouden, waardoor de druk op het elektriciteitsnetwerk toeneemt. Het kabinet zet zich in om het sneller realiseren van elektriciteitsinfrastructuur mogelijk te maken en het net beter te benutten.
Zou u kunnen kwantificeren wat de economische schade bedraagt die vanwege netcongestie is veroorzaakt, voortvloeiend uit het feit dat bijvoorbeeld bedrijven en woningbouwprojecten niet (volledig) aangesloten konden/kunnen worden, en het daarmee samenhangende misgelopen economisch potentieel?
Netcongestie kan de groei van (nieuwe) economische activiteiten belemmeren, processen stil leggen en ervoor zorgen dat projecten vertraging oplopen. Dit leidt mogelijk tot gederfde baten bij gebruikers van het elektriciteitsnet en heeft gevolgen voor het vestigingsklimaat en woningbouw. Deze economische en maatschappelijke effecten zijn onmiskenbaar maar moeilijk te kwantificeren. Voor de zomer ontvangt uw Kamer de studie «de maatschappelijke kostprijs van netcongestie» waarin een eerste voorzichtige poging wordt gedaan.
Gezondheidsrisico’s door het nog tien jaar toelaten van glyfosaat. |
|
Ines Kostić (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de uitzending van Zembla «Glyfosaat, de goedkeuring van gif», van 11 april 2024?1
Ik ken de uitzending van Zembla en inhoudelijk zijn in de uitzending geen nieuwe feiten aan het licht gekomen.
Kunt u bevestigen dat u samen met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aanwezig was bij een gesprek met het RIVM over glyfosaat?2
De toenmalige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport was aanwezig bij dit gesprek.
Kunt u bevestigen dat het RIVM bij dat gesprek heeft benadrukt dat er binnen de toelatingsprocedure van glyfosaat geen studies worden uitgevoerd naar de mogelijke risico’s op «neurodegeneratieve ziekten zoals Parkinson»?
De Minister van LNV heeft uw Kamer geïnformeerd dat in bepaalde studies associaties tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson zijn aangetroffen (Kamerstuk 27 858, nr. 636). Dit betekent dat er een verband zou kunnen zijn. Er is echter geen bewijs van een causaal verband tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. Het RIVM onderschrijft dit. Daarom is het belangrijk dat snel aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van de ziekte van Parkinson. Daarom zet ik samen met de Minister van LNV in op aanvullend onderzoek door het RIVM naar een mogelijk verband tussen de ziekte van Parkinson en gewasbeschermingsmiddelen.
Kunt u bevestigen dat het RIVM heeft aangegeven dat de conclusie van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) dat er geen verband met Parkinson zou zijn, «niet logisch» is?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de uitspraak van de Minister van LNV dat het beter zou zijn geweest als het Ctgb zou hebben gesteld dat we niet weten of er een relatie is tussen glyfosaat en Parkinson?
Op basis van alle beschikbare wetenschappelijke informatie wordt geconcludeerd dat een veilig gebruik van glyfosaat mogelijk is. Hierbij zijn alle beschikbare studies en wetenschappelijke informatie over (acute en chronische) neurotoxische en neurodegeneratieve effecten van glyfosaat beoordeeld. Ondanks dat deze effecten uitgebreid zijn beoordeeld, bestaat er echter nog geen specifiek toetsingskader voor de beoordeling van neurodegeneratieve effecten. De Minister van LNV heeft de Europese Commissie opgeroepen om een dergelijk toetsingskader te ontwikkelen. Daarnaast zet ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 samen met de Minister van LNV in op onderzoek door het RIVM naar een mogelijk verband tussen de ziekte van Parkinson en gewasbeschermingsmiddelen.
Kunt u bevestigen dat we op basis van de toelatingsprocedure niet kunnen uitsluiten dat glyfosaat mogelijk leidt tot gezondheidsrisico’s, zoals Parkinson?
Op basis van het gehele beoordelingsdossier, waaronder ruim 2.400 wetenschappelijke studies, concludeert EFSA dat er geen kritische zorgpunten zijn geconstateerd ten aanzien van de werkzame stof glyfosaat. Het besluit van de EC om glyfosaat opnieuw voor 10 jaar goed te keuren is hiermee voldoende onderbouwd. Mocht nieuwe wetenschappelijke informatie daar aanleiding toe geven, dan kan deze conclusie worden bijgesteld. De Europese Commissie heeft expliciet bevestigd dat wanneer uit nieuwe wetenschappelijke informatie blijkt dat het gebruik van glyfosaat onmiddellijk of na verloop van tijd schadelijke effecten op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu met zich meebrengt, de Europese Commissie direct zal ingrijpen op de Europese goedkeuring van glyfosaat. Dit betekent tevens dat in een dergelijke situatie ook het Ctgb direct kan ingrijpen op de toelatingen van glyfosaat houdende middelen.
Deelt u de mening dat het op basis van het voorzorgsbeginsel logisch zou zijn om glyfosaat niet toe te staan, in ieder geval totdat we kunnen uitsluiten dat het schadelijke gevolgen heeft voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Op basis van alle beschikbare wetenschappelijke gegevens, waaronder meer dan 2400 wetenschappelijke publicaties, heeft EFSA geconcludeerd dat een veilig gebruik van glyfosaat mogelijk is. Tegelijkertijd neem ik de zorgen vanuit de samenleving over de veiligheid van glyfosaat zeer serieus. Daarom sta ik nog steeds achter het Nederlandse standpunt om te onthouden van stemming op het Europese voorstel over de hernieuwing van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat.
Wat vindt u ervan dat de toelating van glyfosaat, ondanks deze mogelijke gezondheidsrisico’s, met tien jaar is verlengd?
Zie antwoord op vraag 6.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden, in ieder geval vóór het commissiedebat over landbouwgif (het zogeheten «commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen»)?
Ik heb de vragen zo goed en snel als mogelijk trachten te beantwoorden.
Het bericht dat Adema achter de schermen pleitte voor een glyfosaatverbod. |
|
Ines Kostić (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de uitzending van Zembla «Glyfosaat, de goedkeuring van gif» van 11 april 2024?1
Ik heb zo goed als mogelijk meegewerkt aan deze uitzending door middel van een interview en het aanleveren van documenten. Inhoudelijk zijn in de uitzending geen nieuwe feiten aan het licht gekomen.
Kunt u bevestigen dat de Kamer een motie heeft aangenomen die de regering verzocht om tegen de nieuwe Europese toelating van glyfosaat te stemmen?2
Ja, uw Kamer heeft een motie aangenomen om tegen de nieuwe Europese goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat te stemmen.
Kunt u bevestigen dat u in het kabinet heeft gepleit om glyfosaat te verbieden, in lijn met de wens van de Kamer?
De hernieuwde goedkeuring van werkzame stof glyfosaat is een complex wetenschappelijk-inhoudelijk onderwerp dat uitvoerig is besproken in het kabinet. Hierbij zijn alle mogelijke opties besproken, ook de optie om tegen het voorstel van de Europese Commissie te stemmen.
Kunt u bevestigen dat u op dit standpunt bent gekomen naar aanleiding van gesprekken met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en andere wetenschappers?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus en heb daarom onder andere met wetenschappers van het RIVM en professor dr. Bloem gesproken. Zij hebben hun zorgen aan mij kenbaar gemaakt. Deze zorgen heb ik vervolgens ook besproken in het kabinet. Over de precieze inhoud van de gesprekken binnen het kabinet kan ik geen uitspraken doen. Met het Nederlandse standpunt om zich te onthouden van stemming wordt uiteindelijk recht gedaan aan enerzijds de positieve wetenschappelijke adviezen van de hiervoor aangewezen instanties als het Ctgb en EFSA, waarbij geen kritische zorgpunten waren geïdentificeerd en anderzijds de zorgen die leven over de mogelijke gevolgen van het gebruik van glyfosaat.
Kunt u bevestigen dat u uiteindelijk, naar aanleiding van weerstand van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W), heeft besloten om toch niet voor een verbod op glyfosaat te stemmen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de weerstand van de Minister van I&W was gestoeld op het moeten vertrouwen van het advies van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)?
Over de precieze inhoud van de gesprekken binnen het kabinet kan ik geen uitspraken doen. De wetenschappelijke adviezen van de hiervoor aangewezen instanties, zoals het Ctgb, wegen uiteraard zeer zwaar bij de standpuntbepaling voor het goedkeuren van werkzame stoffen
Wat is uw reactie op de kritiek van meerdere wetenschappers op het advies van het Ctgb, waaronder dat de aanwijzingen dat glyfosaat bij mensen kanker kan veroorzaken systematisch zijn weggeredeneerd, dat het Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)-protocol wordt geschonden en dat er geen studies zijn gedaan naar de risico’s op neurodegeneratieve ziekten, zoals Parkinson?
De beoordeling van de werkzame stof glyfosaat is een Europese aangelegenheid, waarbij zowel de Assessment Group of Glyphosate (hierna: AGG) (het consortium van vier bevoegde toelatingsautoriteiten, waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA zich ten volle hebben ingezet. De beoordeling van het zeer omvangrijke dossier van de werkzame stof glyfosaat is met grote deskundigheid en volledige transparantie uitgevoerd en is voor publieke consultatie voorgelegd in Europa. De AGG en EFSA hebben geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een causaal verband tussen blootstelling aan glyfosaat en de ziekte van Parkinson. ECHA, verantwoordelijk voor de classificatie, heeft geconcludeerd dat glyfosaat niet kankerverwekkend is. Er zijn geen aanwijzingen dat protocollen zijn geschonden (zie ook het antwoord op vraag 33).
Klopt het dat het RIVM u heeft gezegd dat de conclusie van het Ctgb, dat er geen verband tussen glyfosaat en Parkinson zou zijn, «niet logisch» is?
Ik heb uw Kamer bij mijn standpuntbepaling geïnformeerd dat er in bepaalde studies associaties tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson zijn aangetroffen (Kamerstuk 27 858, nr. 636). Dit betekent dat er een verband zou kunnen zijn. Er is echter geen bewijs dat er een causaal verband is tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. Het RIVM onderschrijft dit. Daarom is het belangrijk dat er snel aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van de ziekte van Parkinson. Daartoe is opdracht gegeven (zie ook antwoord op vraag 9).
Kunt u bevestigen dat u, zoals verwoord in Zembla, vindt dat het Ctgb zou moeten hebben gezegd dat we nog niet weten of glyfosaat een risico op Parkinson geeft?
Op basis van alle beschikbare wetenschappelijke informatie wordt geconcludeerd dat een veilig gebruik van glyfosaat mogelijk is. Hierbij zijn alle beschikbare studies en wetenschappelijke informatie over (acute en chronische) neurotoxische en neurodegeneratieve effecten van glyfosaat beoordeeld. Ondanks het feit dat deze effecten uitgebreid zijn beoordeeld, bestaat er nog geen specifiek toetsingskader voor de beoordeling van neurodegeneratieve effecten. Ik heb de Europese Commissie opgeroepen om een dergelijk toetsingskader te ontwikkelen en heb, samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, opdracht gegeven aan het RIVM om specifiek wetenschappelijk onderzoek te starten naar de mogelijke relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van de ziekte van Parkinson. Dit onderzoek levert over ongeveer 5 jaar gegevens op, waarmee een causaal verband tussen stof en ziekte aangetoond, dan wel uitgesloten kan worden. Binnen dit project wordt een teststrategie ontwikkeld om de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen, waaronder glyfosaat, en de ziekte van Parkinson te onderzoeken. Het Ctgb ondersteunt deze zienswijze.
Kunt u bevestigen dat het belangrijk is dat de overheid vanuit het voorzorgsbeginsel handelt?
Ja, hieraan wordt invulling gegeven door werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen te beoordelen op risico’s voor mens, dier en milieu voordat deze op de markt mogen komen en alleen toe te laten wanneer is aangetoond dat ze veilig kunnen worden toegepast volgens de hiervoor vastgestelde kaders en voorschriften.
Deelt u de mening dat er gegronde redenen waren om, op basis van het voorzorgsbeginsel, niet in te stemmen met de verlenging van glyfosaat? Zo nee, waarom niet?
Op basis van alle beschikbare wetenschappelijke gegevens, waaronder meer dan 2400 wetenschappelijke publicaties, heeft EFSA geconcludeerd dat een veilig gebruik van glyfosaat mogelijk is. Tegelijkertijd neem ik de zorgen vanuit de samenleving over de veiligheid van glyfosaat zeer serieus. Daarom sta ik nog steeds achter het Nederlandse standpunt om zich te onthouden van stemming op het Europese voorstel over de hernieuwing van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat.
Deelt u de zorgen van hoogleraar prof. dr. Ragas dat het Ctgb onvoldoende in beeld heeft wat de risico’s zijn die kinderen lopen bij hand-mondcontact met verwaaide bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Voor het beoordelen van de mogelijke risico’s op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden wordt gebruik gemaakt van het geharmoniseerde Europese EFSA-OPEX-model. Dit model is gebaseerd op meetgegevens en blootstellingsdata, waarbij gebruik is gemaakt van conservatieve aannames om onzekerheden af te dekken. Het model neemt voor de blootstelling van omwonenden diverse blootstellingsroutes mee, waaronder blootstelling aan verontreinigde oppervlakken na het neerslaan van (verwaaide) gewasbeschermingsmiddelen via de huid en, specifiek voor kinderen, via hand-mond contact.
Kunt u gevolgen van glyfosaat voor de gezondheid van kinderen uitsluiten?
Naast de bovengenoemde blootstelling via de huid en hand-mond contact worden ook de routes van directe blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel, namelijk verdamping (via inademing) en betreding van behandeld gewas (via huid en specifiek voor kinderen ook via de mond) meegenomen. De blootstelling van omwonenden, zowel volwassenen als kinderen, wordt berekend door het optellen van al deze blootstellingsroutes. Hierbij wordt uitgegaan van een «worst case» situatie met dagelijkse blootstelling gedurende langere tijd via de hierboven genoemde routes. Het EFSA-OPEX-model houdt rekening met het verschil in bijvoorbeeld lichaamsoppervlak en ademhalingsfrequentie tussen kinderen en volwassenen. Alleen als de berekende blootstelling onder de vastgestelde norm voor volwassen en kinderen blijft, wordt geconcludeerd dat gebruik van het middel veilig is voor omwonenden. Voor middelen op basis van glyfosaat is een veilig gebruik vastgesteld conform de vastgestelde kaders.
Bent u bekend met het feit dat er wetenschappelijke onderzoeken zijn die verbanden laten zien tussen blootstelling aan glyfosaat en het risico op Parkinson, die laten zien dat glyfosaat neurotoxisch is (dus hersencellen aantast), die laten zien dat boeren en omwonenden van landbouwpercelen een sterk verhoogd risico hebben op Parkinson, en die laten zien dat glyfosaat leidt tot oxidatieve stress en angststoornissen?3, 4
In het dossier van glyfosaat is de beschikbare informatie voor neurotoxiciteit en neurodegeneratie beoordeeld, waaronder ook de studies waaraan in de vraag gerefereerd wordt. De neurotoxiciteitstudies met de werkzame stof glyfosaat en uitgevoerd volgens OECD-testprotocollen lieten geen neurotoxiciteit zien. Specifiek voor de ziekte van Parkinson zijn epidemiologische studies, case reports en mechanistische studies meegenomen in de beoordeling. De AGG en EFSA hebben geconcludeerd dat de bestaande informatie onvoldoende aanwijzingen geeft voor een causaal verband tussen blootstelling aan glyfosaat en de ziekte van Parkinson.
Momenteel is onderzoek naar de ziekte van Parkinson geen onderdeel van de datavereisten voor gewasbeschermingsmiddelen. Ik zet daarom in op aanvullend onderzoek dat door het RIVM uitgevoerd gaat worden naar een mogelijk verband tussen de ziekte van Parkinson en glyfosaat. Hiervoor heeft het RIVM inmiddels een concept projectplan aangeleverd dat nu ter beoordeling voorligt. Binnen dit project wordt een teststrategie ontwikkeld om de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen, waaronder glyfosaat, en de ziekte van Parkinson te onderzoeken. EFSA en ECHA worden betrokken bij dit onderzoek zodat de uitkomsten bruikbaar zijn voor het verbeteren van het toetsingskader van gewasbeschermingsmiddelen.
Bent u op de hoogte van het feit dat hoogleraar neurologie prof. dr. Bloem en «case reports» laten zien dat mensen na blootstelling aan grote hoeveelheden glyfosaat Parkinson-achtige symptomen ontwikkelen?
Zoals in antwoord op vraag 14 is aangegeven zijn case studies meegenomen in de beoordeling van glyfosaat samen met epidemiologische en mechanistische studies. In een «weight of evidence» aanpak zijn alle data gewogen en is geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een causaal verband tussen blootstelling aan glyfosaat en de ziekte van Parkinson.
Prof. dr. Bloem heeft overigens eerder aangegeven dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat de huidige pesticiden waaronder glyfosaat de oorzaak zijn van Parkinson en dat dit beter onderzocht moet worden5.
Bent u ervan op de hoogte dat International Agency for Research on Cancer (IARC) in 2015 onderzoek heeft gedaan naar glyfosaat en er volgens IARC «voldoende bewijs» is dat glyfosaat bij dieren kanker veroorzaakt en er dus genoeg bewijs is voor een glyfosaatverbod, zoals bevestigd door de hoogleraar risicobeoordeling prof dr. Ragas?5
De IARC-evaluatie stamt uit 2015. Bij de beoordeling van de werkzame stof glyfosaat zijn er meer en nieuwere studies meegenomen. Daarnaast is er een verschil in evaluatie van deze studies met de manier van het IARC. De verschillen in de evaluatie zijn toegelicht door EFSA7 en ECHA8.
Klopt het dat het Ctgb, samen met de andere nationale pesticideautoriteiten in een Europees beoordelingsrapport stelde dat er geen bewijs is voor kanker bij dieren door glyfosaat, omdat er een limietdosering zoals voorgeschreven door OESO zou zijn overschreden?
Klopt het dat de OESO-handleiding de limietdosering van 1.000 milligram noemt, maar dat uit dat document blijkt dat dit limiet helemaal niet geldt van kankeronderzoek, maar alleen voor onderzoek naar «chronische toxiciteit»? Hoe rijmt dit met de stelling en conclusies van het Ctgb?
Bent u bekend met het feit dat toxicoloog Paul Scheepers na inzage van de stukken van het beoordelingsrapport, het Ctgb en de OESO stelt dat «deze limietdosering hier onterecht wordt opgevoerd», dat «vroegtijdige sterfte moet worden voorkomen, maar tumoren gevonden bij hoge doseringen niet kunnen worden genegeerd» en dat «het een onjuiste interpretatie is van de protocollen» door het Ctgb en het beoordelingsrapport? Wat is uw reactie hierop?
Wat is uw reactie op het feit dat ook hoogleraar prof. dr. Ragas stelt dat het argument van limietdosering «alleen geldt voor chronische toxiciteitsstudies, maar niet voor kankerstudies»? Klopt dit en welk implicaties heeft dit voor de conclusies en adviezen van het Ctgb en het beoordelingsrapport?
Wat is uw reactie op de stelling van de Duitse toxicoloog Peter Clausing dat de OESO-handleidingen juist aangeven dat een hoge dosis bij onderzoek naar kanker wenselijk is, omdat «we zeker moeten weten dat een stof geen kanker veroorzaakt»?
Klopt het dat de limietdosering van 1.000 milligram door het Ctgb onterecht is toegepast in het geval van glyfosaat en de relatie tot kanker?
Wat is uw reactie op het feit dat toxicoloog Paul Scheepers stelt dat «historische controledata niet gebruikt mogen worden om tumoren weg te redeneren», dat historische controledata juist extra onzekerheid met zich meebrengen over de uitkomst van de test, en dat dit indruist tegen OESO-protocollen, waarin juist staat dat waargenomen tumoren binnen dezelfde studie de voorkeur hebben? Wat betekent dit voor de conclusies van het genoemde beoordelingsrapport en het Ctgb?
Het is inderdaad zo dat de controlegroep die binnen een studie wordt meegenomen belangrijker is dan de historische controledata. Historische controledata kunnen echter wel informatie geven over de achtergrond incidentie van tumoren per specifieke strain van proefdieren. Zowel het OECD guidance document voor het uitvoeren van carcinogeniteitstudies (OECD 116) als de CLP guidance voor het vaststellen van classificaties geven aan dat historische controle data gebruikt kunnen worden om de studiedata te kunnen interpreteren/duiden. Bij de beoordeling van tumoren in studies uitgevoerd met glyfosaat zijn verschillende factoren meegenomen, waaronder statistische significantie, biologische relevantie en ook een vergelijking met de historische controledata. Al deze factoren zijn binnen een «weight of evidence» aanpak gewogen om tot een conclusie te komen.
Klopt het dat volgens de OESO-handleidingen zowel de statistische methode «pairwise comparison», als de «trend test» methode kan worden gebruikt om met zekerheid vast te stellen dat de tumoren door de blootstelling (van glyfosaat in dit geval) komen?
Bij de afweging of een stof geclassificeerd moet worden, wordt een «weight of evidence approach» gehanteerd. Hierbij is niet alleen statistiek van belang, maar worden diverse andere factoren meegenomen die van belang zijn voor de biologische plausibiliteit. Bij carcinogeniteit gaat het hierbij bijvoorbeeld om type tumoren, dosering, geslacht, werkingsmechanisme. In de beoordeling van de AGG is per tumortype een «weight of evidence approach» gehanteerd, waarbij statistische significatie een van de onderdelen is. Hierbij zijn de resultaten van zowel de trendtest als de paarsgewijze vergelijking gepresenteerd. Bovendien zijn ook de resultaten van eenzijdig testen getoond voor elk tumortype. Bij trendtesten moet er rekening mee gehouden worden dat er een zogenaamd «wip-wap effect» kan optreden bij de studies, waarbij er grote intervallen tussen de getoetste doseringen zaten. Dit is de reden waarom er zowel gekeken is naar de paarsgewijze vergelijking als naar de uitkomsten van de trendtesten.
Klopt het daarnaast dat in het genoemde beoordelingsrapport de lat onnodig hoger wordt gelegd, door de waargenomen tumoren minder zwaar mee te wegen als niet beide testen een zogeheten «statistisch significant» resultaat opleveren? Zo niet, hoe zit het dan precies?
Zie antwoord vraag 24.
Klopt het dat het Ctgb bij het beoordelingsrapport de «tweezijdige» toets voor de resultaten heeft gebruikt, waarmee de statistische significantie afgezwakt wordt, terwijl de OESO-handleidingen aangeven dat als het gaat om onderzoek naar kanker, de «enkelzijdige» toets als «meer gepast» kan worden gezien?
Tweezijdig toetsen is goed wetenschappelijk gebruik bij de beoordeling van (onder andere) werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. Het klopt dat bij tweezijdig toetsen twee keer zo veel tumoren nodig zijn om statistische significatie te bereiken. Er is echter een goede reden om tweezijdig te toetsen. De tumorincidentie kan stijgen als gevolg van blootstelling aan een stof, maar kan ook dalen. Om van dat laatste een voorbeeld te geven: bij sommige stoffen met effect op de hormoonhuishouding kan het een aanwijzing zijn dat borsttumoren minder vaak voorkomen. Ook dit is belangrijke informatie binnen een studie. Eenzijdig toetsen kijkt alleen naar een stijging van tumorincidentie. Hierdoor ontbreken de effecten van een daling van tumorincidentie. Aangezien het erom gaat de hypothese te toetsen dat er géén wijziging in incidentie plaatsvindt, wordt met een tweezijdige toets voorkomen dat een stijging of daling op voorhand niet wordt meegenomen. Dit staat ook duidelijk uitgelegd in het beoordelingsrapport van de AGG.
Klopt het dat door deze keuze van het Ctgb twee keer zoveel tumoren nodig zijn om statistische significantie te bereiken?
Zie antwoord vraag 26.
Bent u ermee bekend dat een woordvoerder van het OESO stelt: «in relatie tot tumorincidentie in een toxicologisch onderzoek, is het logisch om de eenzijdige toets te gebruiken»? Welke invloed heeft dit op de adviezen en beoordelingen van het Ctgb als het gaat om glyfosaat?6
De tumoren, die gevonden zijn in eenzijdige toetsen, zijn door de AGG meegenomen in een «overall weight of evidence approach». Dit is een aanvulling op de eerdere beoordeling van glyfosaat in 2016.
De keuze voor tweezijdig toetsen is uitgebreid toegelicht in het beoordelingsrapport van de AGG. De AGG heeft vervolgens bij ECHA aangegeven om hier bij de classificatie van de stof goed naar te kijken. ECHA heeft vervolgens besloten om geen eigen statistische analyse te doen, maar wel een «weight of evidence approach» te hanteren waarbij statistische significatie een van de onderdelen is. ECHA heeft vervolgens geconcludeerd dat glyfosaat niet carcinogeen is.
Kunt u bevestigen dat hoogleraar prof. dr. Ragas stelt dat de tweezijdige toets vaak bij medicijnonderzoek wordt gebruikt, waar de goede effecten van een stof afgewogen worden tegen de slechte effecten, terwijl men in het geval van glyfosaat alleen geïnteresseerd is in de slechte effecten, en dus een enkelzijdige toets juist voor de hand ligt? Hoe rijmt dit met de keuzes van het Ctgb?
Ik verwijs uw Kamer naar het antwoord op de vragen 26–27 en 28.
Naar welke exacte «Europese afspraken» verwijst het Ctgb als ze tegenover Zembla stellen dat de protocollen weliswaar geen tweezijdige toetsen voorschrijven, maar dat de tweezijdige toets zou zijn gekozen omdat dit in lijn is met «Europese afspraken»? Kunt u de documenten waarin de gemaakte afspraken staan meesturen?
Tweezijdig testen is al decennia lang goed wetenschappelijk gebruik bij de beoordeling van (onder andere) werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. Om deze reden zijn er ook – voor zover bekend – geen Europese richtsnoeren die dit beschrijven.
Wat is uw reactie op de constatering van emeritus-hoogleraar toxicologie prof. dr. Van den Berg dat het Ctgb met collega’s «vooral bezig zijn met het wegschoffelen van bewijs», en dat «ze zoeken naar argumenten om het niet te hoeven classificeren als een kankerverwekkende stof»?
Ik denk dat het goed is om in dit verband als eerste op te merken dat ECHA het mandaat heeft voor de classificatie van stoffen. In 2022 heeft ECHA geconcludeerd dat glyfosaat niet kankerverwekkend, niet mutageen of reprotoxisch is.
Ten tweede wil ik opmerken dat ik het volste vertrouwen heb in de deskundigheid van de AGG (bestaande uit het Ctgb en toelatingsautoriteiten van Hongarije, Frankrijk en Zweden), EFSA en ECHA. Ik heb daarom geen reden om aan te nemen dat de uitspraken van de heren Van den Berg en Ragas van toepassing zijn op deze organisaties. Ik zou het op prijs stellen als beide wetenschappers in gesprek gaan met het ministerie over de onderbouwing van hun uitspraken.
Wat is uw reactie op de constatering van hoogleraar prof. dr. Ragas over het Ctgb dat «ze wetenschappelijke aanwijzingen dat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend is, systematisch wegredeneren»?
Zie antwoord vraag 31.
Wat is uw reactie op de constatering van hoogleraar prof. dr. Ragas dat «in ieder geval de protocollen, die moeten garanderen dat je één voor één netjes alle stappen zet, worden geschonden»?
In het algemeen geldt dat studies uitgevoerd moeten worden volgens OECD-testprotocollen en onder GLP. Bij de beoordeling worden studies vergeleken met de OECD-testprotocollen, worden afwijkingen van het OECD-protocol benoemd en wordt bepaald of de afwijkingen een invloed hebben op de betrouwbaarheid/bruikbaarheid van de studie. In het specifieke geval van glyfosaat is dit alles zeer transparant meegenomen in het dossier van de AGG en is dus ook onderdeel geweest van de consultatie van het glyfosaat dossier.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van MSc Gerritse van de Wageningen University & Research (WUR) blijkt dat glyfosaat het microbioom van mensen beïnvloedt en dat wetenschappers zich hierover zorgen maken, terwijl de effecten op het microbioom niet zijn meegenomen in de beoordeling van toelating van glyfosaat?
Effecten van voeding of van chemische stoffen op het stelsel van micro-organismen in de darmen van mensen en dieren, het zogenoemde microbioom, is een recent onderzoeksterrein. EFSA heeft de beschikbare informatie over effecten van glyfosaat op het microbioom beoordeeld. Voor mensen en dieren concludeert EFSA dat de beschikbare dataset aan toxicologische studies een voldoende beschermende beoordeling mogelijk maakt van elke mogelijke impact op de gezondheid als gevolg van veranderingen in het microbioom van mens en dier. De AGG heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de bevinding van EFSA.
Deelt u de mening dat op basis van bovenstaande feiten niet kan worden uitgesloten dat glyfosaat een risico vormt voor de gezondheid?
Op basis van het gehele beoordelingsdossier, waaronder ruim 2.400 wetenschappelijke studies, concludeert EFSA dat er geen kritische zorgpunten zijn geconstateerd ten aanzien van de werkzame stof glyfosaat. Het besluit van de EC om glyfosaat opnieuw 10 jaar goed te keuren is hiermee voldoende onderbouwd. Tegelijkertijd constateer ik dat er zorgen leven in de samenleving. Daarom heb ik de Europese Commissie opgeroepen om specifiek toetsingskader te ontwikkelen voor de beoordeling van neurodegeneratieve effecten en heb, samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, opdracht gegeven aan het RIVM om specifiek wetenschappelijk onderzoek te starten naar de mogelijke relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van de ziekte van Parkinson (zie ook antwoord op vraag 9).
Mocht nieuwe wetenschappelijke informatie daar aanleiding toe geven, dan kan deze conclusie worden bijgesteld. De EC heeft expliciet bevestigd dat wanneer uit nieuwe wetenschappelijke informatie blijkt dat het gebruik van glyfosaat onmiddellijk of na verloop van tijd schadelijke effecten op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu met zich meebrengt, de EC direct zal ingrijpen op de Europese goedkeuring van glyfosaat. Dit betekent tevens dat in een dergelijke situatie ook het Ctgb direct kan en zal ingrijpen op de toelatingen van glyfosaathoudende middelen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om glyfosaat opnieuw tien jaar toe te staan, als op basis van de toelatingsprocedure niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat glyfosaat kan leiden tot ernstige gezondheidsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 35.
Bent u bereid u alsnog in te zetten voor een Europees verbod op glyfosaat? Zo nee, waarom niet?
De Europese goedkeuring van glyfosaat is op 28 november 2023 met 10 jaar verlengd (Kamerstuk 27 858, nr. 641). Als uit nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat glyfosaat niet meer veilig kan worden toegepast dan grijpt de Europese Commissie op Europees niveau in op de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat en grijpt het Ctgb nationaal in op de toelatingen van glyfosaathoudende middelen. Als deze situatie zich voordoet, zal ik het Ctgb vragen om onmiddellijk in te grijpen op de Nederlandse toelatingen van glyfosaathoudende middelen.
Bent u bereid om alle nationale toelatingen van glyfosaat in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Ctgb, als bevoegde toelatingsautoriteit, om de nationale toelatingen van glyfosaathoudende middelen te herbeoordelen aan de hand van de hernieuwde Europese goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat en het vastgestelde toetsingskader. Mocht uit deze herbeoordelingen blijken dat de middelen niet meer veilig kunnen worden toegepast, dan zullen deze toelatingen niet worden hernieuwd.
Als uit nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat glyfosaat niet meer veilig kan worden toegepast, zal ik het Ctgb vragen om onmiddellijk in te grijpen in de toelatingen van glyfosaathoudende middelen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden, in ieder geval vóór het commissiedebat van 14 mei 2024 over landbouwgif (het zogeheten «commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen»)?
Ik heb de vragen zo goed en snel als mogelijk trachten te beantwoorden. Met het oog daarop heb ik de beantwoording van enkele vragen gebundeld.
De aanpak van zorgfraude in Tilburg |
|
Sarah Dobbe |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat is uw reactie op de berichtgeving van Follow the Money over de aanpak van zorgfraude door de gemeente Tilburg?1
Het in het artikel geschetste beeld onderstreept in algemene zin het belang van onder andere de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen beginselen van behoorlijk bestuur en van een goede invulling van de randvoorwaarden door gemeenten, zoals de inrichting van de organisatie en uitwerking van regelgeving in verordeningen.
Bent u het ermee eens dat zorgorganisaties die worden beschuldigd van fraude de mogelijkheid moeten hebben om zich te verweren tegen de aantijgingen?
Ja, de borging van de rechtsbescherming van personen en organisaties binnen en buiten het zorgdomein is belangrijk.
Waar kunnen zorgorganisaties terecht op het moment dat zij menen onrechtmatig te zijn behandeld bij de fraudebestrijdingsaanpak van een gemeente?
Indien sprake is van een besluit als bedoeld in de Awb, dan staan er binnen de bestuursrechtelijke kaders rechtsmiddelen open zoals bezwaar en (hoger) beroep. Op grond van de Awb heeft een ieder ook het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan of de ombudsman schriftelijk te verzoeken daar een onderzoek naar in te stellen. Ook het civielrecht biedt mogelijkheden. Te denken valt aan een vordering op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Afhankelijk van het rechtsmiddel en de fase waarin een procedure zich bevindt, kan men zich tot de betreffende gemeente of de daartoe bevoegde rechter wenden.
Erkent u dat zorgfraude ernstig is, omdat dit de zorg voor kwetsbare mensen raakt? Hoe borgt u dat zorgfraude wél op een goede en zorgvuldige manier wordt aangepakt?
Zorgfraude is ernstig, mede omdat zorgbehoevenden mogelijk niet de zorg krijgen die nodig is en zij daarbij in hun vertrouwen worden geschaad. De Minister van VWS werkt samen met het veld aan diverse maatregelen om de instanties in het zorgdomein beter in staat te stellen zorgfraude aan te pakken. Het gaat bijvoorbeeld om de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg, die de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling verbetert, en de uitbreiding van de vergunningplicht als bedoeld in de Wet toetreding zorgaanbieders. Ook wordt gewerkt aan de verbetering van de mogelijkheden tot het screenen en weren van (nieuwe) zorgaanbieders. Er worden in samenwerking met onder andere de Inspectie gezondheidszorg en jeugd (IGJ) mogelijke interventies uitgewerkt. In het gemeentelijke domein vinden, ondersteund door het Ministerie van VWS, de proeftuinen «Aanpak zorgfraude» plaats. De opgedane kennis en informatie uit de proeftuinen wordt via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) met alle gemeenten gedeeld.
Tot slot zijn samen met gemeenten en zorgaanbieders landelijke contractstandaarden ontwikkeld voor jeugdzorg. Voor maatschappelijke ondersteuning worden deze contractstandaarden op dit moment ontwikkeld. Daarin worden ook afspraken opgenomen met betrekking tot fraude, integriteit, toezicht en handhaving. In het kader van het verbetertraject kwaliteitstoezicht Wmo 2015 bereidt de Staatssecretaris van VWS momenteel een wetswijziging voor om het toezicht op de kwaliteit van de Wmo 2015 steviger te verankeren. Daarnaast wordt in samenwerking met de VNG en GGD-GHOR gewerkt aan het inrichten van een stimuleringsprogramma om het toezicht op de Wmo 2015 te verstevigen en verder te professionaliseren. In dit traject zal ook oog zijn voor de samenhang met rechtmatigheidstoezicht.
Deelt u de analyse dat dit artikel laat zien dat het voor gemeenten lastig is om effectief, consistent en rechtmatig toezicht te houden op zorgorganisaties?
Wij herkennen dat het voor gemeenten uitdagend kan zijn het toezicht effectief in te richten. Daarom zetten wij met het eerdergenoemde verbetertraject kwaliteitstoezicht Wmo 2015 in op een stevigere verankering van het toezicht op de Wmo 2015, met aandacht voor regionale samenwerking. Het regionaal optrekken en samenwerken, is wat ons betreft onverminderd van toepassing op het toezicht op rechtmatigheid. Daarnaast wordt in de proeftuinen «Aanpak zorgfraude» ook gewerkt aan handvatten voor de praktijk.
In dit kader willen we verder wijzen op de verantwoordelijkheid die gemeenten nu al hebben voor het toezicht op de naleving van de Wmo 2015. Zij zijn daarbij ook verantwoordelijk voor de inrichting van dat toezicht en de plaats daarvan in de organisatie. Het is belangrijk dat gemeenten investeren in goed toezicht op de Wmo 2015 en daarbij ook regionaal de samenwerking zoeken, zodat het toezicht meer slagkracht krijgt. In gemeentelijke verordeningen kunnen gemeenten kaders stellen en regels opnemen, zoals nadere (kwaliteits)eisen aan (pgb)zorgaanbieders en regels voor het bestrijden van het onterecht ontvangen van een pgb en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015. Gemeenten kunnen deze kaders vervolgens per zorgvorm nader uitwerken in contractuele afspraken met (pgb)zorgaanbieders. Het inrichten van efficiënte monitoring en goed contractmanagement kan de gemeenten ondersteunen bij het uitoefenen van het toezicht. Voor een goede taakuitoefening is het van essentieel belang dat deze randvoorwaarden zijn ingevuld en dat biedt ook een stevigere basis voor eventuele handhaving. Wij zijn ons ervan bewust dat de praktijk soms weerbarstig is, maar er zijn voldoende mogelijkheden voor gemeenten om het toezicht op de Wmo 2015 effectief in te richten.
Als het voor een voorlopergemeente met veel inwoners als Tilburg al zo lastig is om de aanpak van zorgfraude goed vorm te geven, hoe kan dan verwacht worden van gemeenten met een nog kleinere slagkracht om dit dan op een goede manier te doen?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is toegelicht, zijn gemeenten ten aanzien van de Wmo 2015 zelf verantwoordelijk voor de inrichting van het toezicht en de plaats daarvan in de organisatie. Zij hebben de beleidsruimte dit passend bij hun situatie in te vullen. Zo kunnen zij met andere gemeenten samenwerken bij de (inrichting van de) inkoop van zorg, het toezicht en de aanpak van fraude in de zorg. Uit de rapportage van de IGJ over 2022 blijkt ook dat steeds meer gemeenten de bovengemeentelijke samenwerking opzoeken.2 De proeftuinen «Aanpak zorgfraude» dragen ook bij aan het delen van kennis en goede praktijkvoorbeelden.
Zou het niet logischer zijn om de aanpak van zorgfraude in de Wmo en de Jeugdwet niet neer te leggen bij 342 individuele gemeenten, die allemaal een aparte aanpak en toezichthouders daarvoor moeten regelen, maar om dit te beleggen bij een landelijke organisatie, zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of het Openbaar Ministerie (OM)?
Er zijn verschillende instanties actief in het zorgdomein en betrokken bij de aanpak van fraude in de zorg. Iedere instantie doet dit vanuit een eigen taak, rol en verantwoordelijkheid. Dat wil zeggen bij de inkoop van zorg, het toezicht op zorg en de vervolging van strafbare feiten. Het samenbrengen hiervan draagt niet bij aan meer grip en controle op het zorgdomein. Het zou ook voorbijgaan aan de inrichting van het huidige zorgstelsel. Ten aanzien van gemeenten gaat het dan onder andere om het gedachtegoed van de decentralisatie van taken en bevoegdheden. Bij de totstandkoming van de Wmo 2015 is bijvoorbeeld bewust gekozen voor het decentraliseren van het (kwaliteits)beleid en het toezicht. Dit laat onverlet dat gemeenten kunnen samenwerken bij de (inrichting van de) inkoop van zorg, het toezicht en de aanpak van fraude in de zorg. Uit het rapport van de IGJ over 2022 blijkt ook dat steeds meer gemeenten dit doen.3 Gemeenten kunnen tot slot ook van elkaars ervaringen en opgedane kennis leren. Indien een gemeente vaststelt dat mogelijk sprake is van strafbare feiten, kan zij aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Pas dan komt de mogelijke strafrechtelijke aanpak in beeld.
Erkent u dat zorgfraude is toegenomen door de marktwerking en financiële prikkels, waardoor het mogelijk is om makkelijk geld te verdienen met zorggeld?
Nee, dat verband zien wij niet.
Erkent u dat door marktwerking het aantal zorgaanbieders zo is toegenomen dat het nagenoeg onmogelijk is geworden om te controleren op fraude, laat staan of er goede zorg wordt geleverd? Welke verantwoordelijkheid neemt u hierin?
Nee, deze stelling ondersteunen wij niet. Zoals in het antwoord op vraag 5 is uitgewerkt, nemen wij in samenwerking met het veld diverse maatregelen om de instanties in het zorgdomein beter in staat te stellen hun taken uit te voeren, samen te werken en fraude in de zorg aan te pakken. Daarnaast hebben gemeenten in beginsel altijd de mogelijkheid om het aantal zorgaanbieders via selectieve inkoop te beperken.
Erkent u dat de inzet van malafide uitzendbureaus toeneemt, en fraude met bijvoorbeeld valse diploma's door de complexiteit van «de markt» en het aantal zorgaanbieders makkelijk gepleegd kan worden?
Deze signalen herkennen wij niet. Met de brief van 16 april jl. is uw Kamer geïnformeerd over de verkenning die de Inspectie van het Onderwijs en de IGJ op dit moment uitvoeren naar aanleiding van een brief van anonieme zorgprofessionals aan werkgevers die sprak over verschillende alarmerende misstanden in de zorgsector, waaronder het gebruik van valse diploma’s.4
Bent u het ermee eens dat het bij voorkomen van zorgfraude zou helpen als winstuitkering in de zorg niet meer zou zijn toegestaan, zodat er minder prikkels zouden bestaan om onrechtmatig zorg te declareren?
Wij willen excessieve winstuitkeringen in de zorg en jeugdhulp aanpakken. Het wetsvoorstel voor de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders bevat hiertoe maatregelen.
Zorgbedrijven in Tilburg hekelen fraudetoezicht door «vooringenomen ambtenaren met een grote bewijsdrang» – Follow the Money – Platform voor onderzoeksjournalistiek (ftm.nl)
De toelating van glyfosaat met tien jaar verlengen. |
|
Ines Kostić (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de uitzending van Zembla «Glyfosaat, de goedkeuring van gif»?1
Ik heb kennis genomen van de uitzending.
Wat is uw reactie op de kritiek van meerdere wetenschappers op het advies van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), waaronder dat de aanwijzingen dat glyfosaat bij mensen kanker kan veroorzaken systematisch is weggeredeneerd, dat het protocol van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt geschonden en dat er geen studies zijn gedaan naar de risico’s op neurodegeneratieve ziekten, zoals Parkinson?
Ik deel deze kritiek niet. In het dossier van glyfosaat is de beschikbare informatie voor neurotoxiciteit en neurodegeneratie beoordeeld, waaronder ook de studies waaraan in de vraag gerefereerd wordt. De neurotoxiciteitstudies met de werkzame stof glyfosaat en uitgevoerd volgens OESO-testprotocollen lieten geen neurotoxiciteit zien. Specifiek voor de ziekte van Parkinson zijn epidemiologische studies, case reports en mechanistische studies meegenomen in de beoordeling. De Assessment Group of Glyphosate (AGG), een onafhankelijke neurotoxicologie werkgroep ingezet door Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en EFSA zelf hebben geconcludeerd dat de bestaande informatie onvoldoende aanwijzingen geeft voor een causaal verband tussen blootstelling aan glyfosaat en de ziekte van Parkinson. ECHA, verantwoordelijk voor de classificatie, heeft geconcludeerd dat glyfosaat niet kankerverwekkend is. Er zijn geen aanwijzingen dat protocollen zijn geschonden.
Tegelijkertijd constateer ik samen met de Minister van LNV dat er zorgen leven in de samenleving. Daarom heeft de Minister van LNV de Europese Commissie opgeroepen om specifiek toetsingskader te ontwikkelen voor de beoordeling van neurodegeneratieve effecten en hebben de Minister van LNV en VWS opdracht gegeven aan het RIVM om specifiek wetenschappelijk onderzoek te starten naar de mogelijke relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van de ziekte van Parkinson.
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat de conclusie van het Ctgb dat er geen relatie is tussen glyfosaat en Parkinson «niet logisch» is?
De Minister van LNV heeft uw Kamer geïnformeerd dat er in bepaalde studies associaties tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson zijn aangetroffen (Kamerstuk 27 858, nr. 636). Dit betekent dat er een verband zou kunnen zijn. Er is echter geen bewijs dat er een causaal verband is tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. Het RIVM onderschrijft dit. Daarom is het belangrijk dat er snel aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen en het ontstaan van de ziekte van Parkinson.
Kunt u bevestigen dat het belangrijk is om het voorzorgsbeginsel toe te passen om te voorkomen dat vele mensen worden blootgesteld aan schadelijke stoffen? Zo nee, waarom niet?
Het voorzorgsbeginsel is een belangrijk en expliciet uitgangspunt van de Europese verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen (EG) 1107/2009, de Europese Biociden-verordening en de Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen (REACH).
Het voorzorgsbeginsel wordt – volgens de Mededeling van de Europese Commissie over het voorzorgsbeginsel (COM/2000/0001) van 2 februari 2000 – toegepast wanneer een voorlopige objectieve wetenschappelijke evaluatie uitwijst dat er gegronde redenen zijn om te vrezen voor potentieel gevaarlijke gevolgen voor het milieu of de gezondheid van mensen, dieren of planten, in een mate die onverenigbaar zouden kunnen zijn met een voor de Europese Unie geldend beschermingsniveau. In andere woorden: Er wordt invulling gegeven aan het voorzorgsbeginsel door chemische stoffen te beoordelen op risico’s voor mens, dier en milieu, voordat deze op de markt komen en alleen toe te laten wanneer is aangetoond dat ze veilig kunnen worden toegepast.
Deelt u de mening dat het voorkomen van (ernstige) gezondheidsschade belangrijker is dan een eventuele «precedentwerking» wanneer het advies van het Ctgb niet zou worden gevolgd? Zo nee, waarom niet?
De Minister van LNV heeft richting uw Kamer aangegeven dat er bij het bepalen van het standpunt over het al dan niet hernieuwen van de werkzame stof glyfosaat recht is gedaan aan de bestendige lijn dat het kabinet bij besluitvorming over dergelijke complexe, technisch/inhoudelijke dossiers steunt op onafhankelijke en wetenschappelijke adviezen van daartoe aangewezen en bevoegde instanties in het Europese en nationale systeem (EFSA en Ctgb). Daarnaast zijn de wetenschappelijke en maatschappelijke zorgen over glyfosaat en de gevolgen voor de gezondheid (waaronder die van de agrarische ondernemers zelf) en voor de biodiversiteit zeer serieus genomen. De motie die de Kamer in meerderheid heeft aangenomen, vertegenwoordigt de zorgen en weegt voor mij zwaar. Daarom heeft Nederland zich – in het specifieke geval van de werkzame stof glyfosaat en op dat moment – onthouden van stemming bij de hernieuwde goedkeuring van glyfosaat door de Europese Commissie (Kamerstuk 27 858, nr. 636).
Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van onder andere Wageningen University & Research blijkt dat veel bestrijdingsmiddelen overal, waaronder in het menselijk lichaam en huizen van mensen, wordt aangetroffen en zelfs in luiers van baby’s?2, 3
Ik ben bekend met het Europese SPRINT onderzoek en de tussentijdse resultaten hiervan. Deze resultaten laten zien dat residuen van bestrijdingsmiddelen op verschillende plekken in de omgeving terug te vinden zijn. Echter is het nog niet bekend wat de effecten zijn van de aangetroffen residuen voor mens, dier en milieu. Dit moet in het vervolg van het onderzoek duidelijker worden. Vooruitlopend op deze resultaten is de Minister van LNV samen met de Minister van VWS al begonnen met een omvangrijk meerjarig onderzoek naar de relatie tussen de blootstelling van omwonenden en agrariërs aan gewasbeschermingsmiddelen en verschillende ziektebeelden, waaronder Parkinson. Uw kamer is hier 16 januari jl. over geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 644)
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van IenW er onlangs, bij een casus over luchtvaart, door de rechter op is gewezen dat de Staat jarenlang mensenrechten van omwonenden heeft geschonden, de belangen van omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt en dat dit hersteld moet worden?4
Op 20 maart 2024 heeft de rechtbank Den Haag een vonnis gewezen in een civiele procedure die de stichting Recht op Bescherming tegen Vliegtuighinder tegen de Staat der Nederland heeft aangespannen. De rechtbank oordeelt dat de Staat onrechtmatig handelt door niet de juiste, door het EVRM, vereiste belangenafweging te maken, tussen de belangen van hen die gebaat zijn bij het luchtverkeer van en naar Schiphol en de belangen van hen die daarvan ernstige hinder en slaapverstoring ondervinden. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de Staat onrechtmatig handelt door burgers geen praktische en effectieve rechtsbescherming te bieden tegen ernstige hinder en slaapverstoring. De rechtbank draagt de Staat op om binnen twaalf maanden de geldende wet- en regelgeving te handhaven en een vorm van praktische en effectieve rechtsbescherming in het leven te roepen die toegankelijk is voor alle ernstig gehinderden en slaapverstoorden.5
Kunt u bevestigen dat u naar aanleiding van het vernietigende rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) «Industrie en Omwonenden» heeft besloten om gezondheid leidend te laten zijn in beleid?
Al sinds het eerste Nationaal Milieubeleidsplan is beschermen van gezondheid benoemd als doel en veel normen voor de aanwezigheid van stoffen in het milieu, zoals PFAS in oppervlaktewater, zijn gerelateerd aan het voorkómen van gezondheidsschade. Het rapport van de OvV heeft duidelijk gemaakt dat de gezondheid van omwonenden desondanks in sommige gevallen onvoldoende wordt beschermd. Ik heb daarom het Actieplan Omwonenden en Industrie en het Impulsprogramma Chemische stoffen geïnitieerd om de gezondheid centraal te zetten. Over de aanpak en voortgang heb ik de afgelopen maanden regelmatig met Uw Kamer van gedachten gewisseld.
Deelt u de mening dat als de gezondheid leidend zou zijn geweest bij het al dan niet toelaten van glyfosaat, het voorzorgsbeginsel was toegepast? Zo nee, waarom niet?
Volgens artikel 1, vierde lid van Verordening (EG) 1107/2009 «stoelen» de bepalingen van de verordening – en dus ook de goedkeuringscriteria voor werkzame stoffen zoals glyfosaat – «op het voorzorgsbeginsel teneinde te garanderen dat werkzame stoffen of middelen die op de markt worden gebracht niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu.»
Zoals vermeld in antwoord 4, zijn de beschikbare gegevens geëvalueerd en leidde dat niet tot de conclusie dat glyfosaat niet goedgekeurd behoorde te worden.
Deelt u de mening dat op basis van het voorzorgsbeginsel tegen het tien jaar langer toestaan van glyfosaat had moeten worden gestemd? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op de vragen 4 en 9.
Bent u bereid om, vanwege het voorzorgsbeginsel, alle nationale toelatingen van glyfosaat in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Ctgb, als bevoegde toelatingsautoriteit, om de nationale toelatingen van glyfosaathoudende middelen te herbeoordelen aan de hand van de hernieuwde Europese goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat. Mocht uit deze herbeoordelingen blijken dat de middelen niet meer veilig kunnen worden toegepast, dan zullen deze toelatingen niet worden hernieuwd.
Als uit nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat glyfosaat niet meer veilig kan worden toegepast volgens de geldende toelatingsvoorwaarden, zal ik het Ctgb vragen om in te grijpen in de toelatingen van glyfosaathoudende middelen voor het professioneel gebruik buiten de landbouw. Voor het gebruik van glyfosaathoudende middelen binnen de landbouw zal de Minister van LNV uiteraard ook het Ctgb vragen om in te grijpen.
Bent u bereid u alsnog in te zetten voor een Europees verbod op glyfosaat? Zo nee, waarom niet?
De Europese goedkeuring van glyfosaat is op 28 november 2023 met 10 jaar verlengd (Kamerstuk 27 858, nr. 641). Als uit nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat glyfosaat niet meer veilig kan worden toegepast dan grijpt de Europese Commissie op Europees niveau in op de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat en grijpt het Ctgb nationaal in op de toelatingen van glyfosaathoudende middelen.
Als uit nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat veilig gebruik van de werkzame stof glyfosaat niet meer mogelijk is, zal ik en de Minister van LNV dit nadrukkelijk op Europees niveau onder de aandacht brengen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden, in ieder geval vóór het commissiedebat over landbouwgif (het zogeheten «commissiedebat Gewasbeschermingsmiddelen»)?
Ja.
Afstemming voor de beantwoording van vragen met betrekking tot granuliet |
|
Geert Gabriëls (GL) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u aangeven met wie er afstemming zou moeten plaatsvinden, alvorens u de schriftelijke vragen met betrekking tot granuliet kunt beantwoorden?1
Voor het beantwoorden van de vragen waar u naar verwijst, heeft afstemming plaatsgevonden met diverse dienstonderdelen binnen het ministerie die bij dit dossier betrokken zijn of expertise hebben op de onderwerpen waar u naar vraagt.
Kunt u aangeven waarom de lopende civiele rechtszaken om extra afstemming vragen, als de Staat geen partij is in deze rechtszaken?
Lopende rechtszaken hebben geen invloed op de beantwoording van uw vragen over granuliet en granietzand van 28 maart 2024 en leiden niet tot extra afstemming.
Kunt u aangeven of en, zo ja, waarom de uitkomst van die lopende rechtszaken van invloed zouden moeten of mogen zijn, op de beantwoording van vragen die uitsluitend betrekking hebben op de classificatie van granietzand en granuliet door het ministerie en de beantwoording van eerdere Kamervragen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bij elk van de gestelde (1 t/m 5)vragen apart aangeven waarom deze nu niet beantwoord kan worden en als dat wel kan, deze alsnog inhoudelijk beantwoorden?
De beantwoording van uw vragen van 28 maart 2024 over granuliet en granietzand zal ik u zo spoedig als zorgvuldig mogelijk doen toekomen.
Kunt u deze vragen binnen één week beantwoorden?
Deze vragen worden zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het optreden van de Atletiekunie na mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag van een atleet |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de wijze van optreden van de Atletiekunie na mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag van een atleet?1 2
Ik heb kennisgenomen van de inhoud van de artikelen in dagblad Trouw.
Deelt u de mening dat slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag zich volledig vrij moeten kunnen voelen om bij het Instituut Sportrechtspraak (ISR) een verklaring af te leggen, en dat het dus zeer onwenselijk is als zij dat niet doen uit angst dat zij dan niet meer geselecteerd worden?
Een slachtoffer kan op meerdere plekken in de sport terecht om melding te maken van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit kan bij de sportbond, bij het Centrum Veilige Sport Nederland en dit kan ook bij het ISR of bij de politie. De sportsector biedt bewust meerdere mogelijkheden aan om melding te maken, zodat slachtoffers zelf kunnen kiezen bij welke instantie ze dit prettig vinden. Het is belangrijk dat daar een brede afweging plaatsvindt in oplossingsmogelijkheden waarbij een tuchtrechtelijke procedure één van de opties is. Het ISR is het onafhankelijk instituut voor tuchtrechtspraak, waarbij een sporter het vrij staat om een verklaring af te leggen. De sportsector heeft, via CVSN en sportbonden, campagnes gevoerd om sporters juist aan te zetten te praten als hen iets overkomen is en melding te doen.
Kunt u onderbouwd aangeven of de Atletiekunie volgens u in deze zaak wel of niet volgens de regels en richtlijnen binnen het tuchtrecht van de sport heeft gehandeld?
Dit betreft een lopende zaak in onderzoek bij het ISR en daar kan ik als Minister geen mededeling of een uitspraak over doen.
Klopt het dat er inmiddels onderzoek naar deze zaak wordt gedaan door het ISR? Zo ja, kunt u aangeven wat hiervan de stand van zaken is?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of de Atletiekunie degene is geweest die de melding bij het ISR heeft gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat uit de definities die het ISR hanteert blijkt dat seksuele intimidatie een verboden gedraging is en dat daaronder ook ongewenst gedrag valt dat als gevolg heeft dat iemand in z’n waardigheid wordt aangetast, in het bijzonder wanneer «een vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd»? Hoe beoordeelt u in dit licht deze zaak of dit wel of niet een privézaak betreft?3
In het tuchtrechtreglement van de sport staat gedefinieerd wat ongewenst gedrag inhoudt. Het is voorbehouden aan de onafhankelijke tuchtcommissie om daarover te oordelen.
Wanneer informeert u de Kamer over de voortgang van de professionalisering van het ISR, zoals aangekondigd in de voortgangsrapportage Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld?4
In de Voortgangsbrief over «sport en bewegen», die ik u voor de zomer zal sturen, ga ik in op de voortgang van de professionalisering van het ISR.
Het vernielen van een unieke archeologische vindplaats in de gemeente Emmen |
|
Sandra Beckerman |
|
Gräper-van Koolwijk |
|
Kent u het bericht «Unieke archeologische vindplaats vernietigd door bouw distributiecentrum»?1
Ja
Deelt u de mening dat het uiterst afkeuringswaardig is dat de gemeente Emmen -bewust- heeft gekozen voor de vernieling van een unieke archeologische vindplaats door de bouw van een distributiecentrum?
Ja. Het is duidelijk dat de gemeente Emmen fouten heeft gemaakt bij de verkoop van de grond en bij het nemen van het besluit op de omgevingsvergunning. De gemeente was op de hoogte van de potentieel zeer hoge archeologische waarde van het terrein, maar koos er voor om geen voorwaarden te stellen gericht op de bescherming van archeologische vondsten en sporen. Ik heb deze zaak zeer serieus genomen en me – via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) – tot het uiterste ingespannen om te voorkomen dat deze vindplaats zou verdwijnen.
Omdat het terrein niet van rijkswege was beschermd had de RCE geen formele rol bij vergunningverlening of advisering. De RCE was dan ook niet betrokken bij de totstandkoming van de omgevingsvergunning, die reeds was afgegeven toen men voor het eerst van deze casus hoorde. Desondanks heeft de RCE diverse gesprekken gevoerd met de gemeente en de ontwikkelaar. Daarbij werd getracht om – vanwege de veelbelovende resultaten van het inventariserend archeologisch vooronderzoek – nader onderzoek te laten plaatsvinden, zoals een opgraving. Toen dit niet kansrijk bleek, is onderzocht of het terrein kon worden aangewezen als rijksmonument. In weerwil van gemaakt afspraken, werd het terrein in de tussentijd toch vergraven.
De RCE heeft vervolgens (november 2023) aan de provincie Drenthe verzocht om interbestuurlijk toezicht toe te passen. Een dergelijk traject is inmiddels gestart. De provincie heeft contact gehad met de gemeente Emmen. Het is nog niet bekend of men naar aanleiding daarvan nadere stappen wil zetten. Ik heb de RCE verzocht om dit proces nauwlettend te volgen en hierover in gesprek te blijven met de provincie.
Welke stappen wilt u zetten richting de gemeente Emmen die bewust kozen voor het vernielen van een unieke archeologische vindplaats?
Het is aan de lokale democratie en het interbestuurlijk toezicht door de provincie om te bepalen welke conclusies worden getrokken uit deze casus en welke maatregelen daar bij kunnen horen.
Klopt het dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, na overleg met het ministerie, deze unieke vindplaats had willen aanwijzen als Rijksmonument? Het vernielen van Rijksmonumenten kan strafrechtelijk vervolgd worden als economisch delict, is deze mogelijkheid er nu ook? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u wel?
Het klopt dat de RCE heeft onderzocht of het terrein zou kunnen worden aangewezen als rijksmonument. Technisch was dit mogelijk, maar omdat korte tijd later bleek dat het gebied al was vergraven, heeft de aanwijzing niet plaatsgevonden. Hierdoor is er geen mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging op basis van de Erfgoedwet.
Er zijn ook geen andere mogelijkheden voor strafrechtelijke vervolging: een gemeente kan niet worden vervolgd om het niet volgen van het eigen beleid. De ontwikkelaar heeft – ten aanzien van de omgang met archeologische waarden – voldaan aan de vergunning die door de gemeente is afgegeven.
De enige mogelijkheid is het toepassen van interbestuurlijk toezicht door de provincie Drenthe. Een dergelijk traject is inmiddels gestart, zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u voorts de mening dat het in het huidige archeologiebestel onvoldoende mogelijk is om in te grijpen wanneer een gemeente te weinig doet om haar wettelijke taken op het gebied van archeologie uit te voeren?
Over het algemeen functioneert het gedecentraliseerde archeologiestelsel goed, zoals ook de Raad voor Cultuur constateerde in het rapport Archeologie bij de tijd uit 2022. Wanneer een gemeente (bewust) haar wettelijke taken verzaakt, biedt het stelsel voldoende mogelijkheden om in te grijpen via het interbestuurlijk toezicht door de provincie.
Echter, hoe goed we alles ook regelen via wetgeving, beleid en stelsel, wanneer een gemeente hier niet naar handelt, delft het erfgoed het onderspit. Omdat voorkomen beter is dan genezen, werk ik aan bewustwording, kennisvergroting en structurele versterking van de taakuitvoering op het gebied van erfgoed bij gemeenten en provincies. Samen met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), ben ik hiervoor het programma Erfgoed & Overheid gestart, waarover ik uw Kamer informeerde in mijn beleidsreactie op de beleidsdoorlichting erfgoed2.
Dit programma richt zich op het versterken van de capaciteit, kennis en competenties bij provincies en gemeenten voor de uitvoering van erfgoedtaken. Op dit moment organiseer ik in elke provincie een bijeenkomst, waar ik in gesprek ga met de gemeenten over waar ze tegenaanlopen in de dagelijkse praktijk. Zo zien we waar we nu staan. Daarnaast stel ik een adviescommissie aan, die zich zal buigen over de normatieve vraag wat er qua mensen, middelen en processen nodig is voor gedegen erfgoedzorg.
Op deze manier krijgen gemeenten en provincies een handvat om te reflecteren op waar ze nu staan en waar ze naartoe willen. Vanuit het programma Erfgoed & Overheid worden vervolgens middelen beschikbaar gesteld voor maatwerkoplossingen, zoals cofinanciering van een regio-archeoloog. Hiervoor is structureel € 3 miljoen per jaar beschikbaar.
Herkent u dat de monitor van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed laat zien dat een groot aantal gemeenten slechts met moeite in de basis in goed archeologiebeleid weet te voorzien?
Ik herken dat er verbetering mogelijk is bij de uitvoering van erfgoedtaken bij gemeente. Daarom ben ik, samen met IPO en VNG, het programma Erfgoed & Overheid gestart. Binnen dit programma is structureel € 3 miljoen beschikbaar voor maatwerkoplossingen waarmee gemeenten hun taken op het gebied van archeologisch erfgoed een impuls kunnen geven.
Herkent u voorts dat het, 17 jaar na de wettelijke decentralisatie, pijnlijk is dat 130 gemeenten geen gemeente- of regioarcheoloog hebben?
De gemeente vervult een sleutelrol binnen de zorg voor archeologie. Om dit goed te kunnen doen, is inhoudelijke expertise van groot belang. Men kan hier op verschillende manieren over beschikken. Een gemeente kan een eigen archeoloog in dienst hebben, gebruik maken van de inzet van een regioarcheoloog, of bijvoorbeeld expertise inhuren via een (vast) adviesbureau. Het is niet per definitie zo dat gemeenten die geen eigen archeologische kennis hebben, hun taken niet goed kunnen vervullen.
Het is aan de provincies om er – via het interbestuurlijk toezicht – op toe te zien dat gemeenten hun taken op het gebied van archeologie goed uitvoeren, in welke vorm dan ook.
Welke stappen wilt u zetten om de kwaliteit van archeologie bij gemeenten te verhogen? Wilt u alsnog de aanbevelingen van de Raad voor Cultuur voor de versterking van de inhoudelijke rol van gemeenten opvolgen?2
In de beleidsreactie4 op het rapport Archeologie bij de Tijd van de Raad voor Cultuur, is aangegeven hoe wordt omgegaan met de aanbevelingen van de Raad. Het belang van voldoende capaciteit en deskundigheid op het gebied van archeologie bij gemeenten wordt daarbij erkend. Via het programma Erfgoed & Overheid ondersteun ik gemeenten bij het structureel verbeteren van de uitvoering van hun erfgoedtaken, zie ook het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat in het huidige archeologiebestel het (interbestuurlijk) toezicht onvoldoende is uitgewerkt, wat ingrijpen wanneer gemeenten hun taak niet goed uitvoeren, vrijwel niet mogelijk is?
In 2020 constateerde de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IOE) onvolkomenheden in de uitvoering van het interbestuurlijk toezicht door provincies.6 Hierop hebben provincies, gemeenten en de Ministeries van OCW en BZK zich gezamenlijk gebogen over een gemeenschappelijk toezichtkader voor erfgoed. In 2023 is vanuit deze groep een actieplan opgeleverd, met daarin een voorstel voor een nieuwe manier van werken.7 Ik heb de financiële middelen die daarvoor nodig zijn ter beschikking gesteld.
De voorgestelde verbeteringen gaan uit van gemeenschappelijke uitgangspunten voor een basis toezichtvariant. Elke provincie kan daar bovenop maatwerk toepassen, gericht op de lokale omstandigheden. Het betreft een data-gedreven aanpak, waarmee kan worden bepaald welke gemeenten (extra) aandacht behoeven. Ik vertrouw erop dat dit het toezicht op de uitvoering van taken op het gebied van archeologie (en van erfgoed in den brede) zal versterken en blijf hierover in gesprek met het IPO.
Herkent u dat de Raad voor Cultuur reeds gewaarschuwd heeft dat het huidige interbestuurlijke toezicht «geen mogelijkheid voor effectieve sturing of controle op minimale kwaliteit» biedt?3
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid alsnog de aanbevelingen van de Raad voor Cultuur voor het versterken van het toezicht op de kwaliteit van archeologie bij gemeenten op te volgen? Zo nee, welke maatregelen wilt u wel nemen?
Zie antwoord vraag 9.
Moeten de taken van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uitgebreid worden om tot een beter archeologisch bestel te komen?
Ik onderschrijf de conclusie uit de beleidsdoorlichting van het archeologisch bestel dat het huidige systeem in de basis functioneert. De diverse bestuurslagen hebben verschillende taken en verantwoordelijkheden binnen dit bestel. De rol van gemeenten en provincies is daarbij van grote waarde, omdat zij meer zicht hebben op wat er lokaal speelt dan het rijk en daarmee dus dichter op het erfgoed zitten. Het ligt dan ook niet voor de hand om het takenpakket van de RCE zodanig uit te breiden dat de autonomie van de andere overheidslagen wordt ingeperkt.
Om tot een beter archeologisch bestel te komen zet ik in op structurele versterking van de uitvoering van de wettelijke taken bij gemeenten en provincies via het programma Erfgoed & Overheid. Daarbij is ook aandacht voor de samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over cultuur?
Ja
Het vervangen en vervolgen van UNRWA. |
|
Dennis Ram (PVV) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het feit dat minimaal 17% van de medewerkers van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in Gaza actief was voor Hamas?1 2
De berichten hierover zijn mij bekend.
Deelt u de overtuiging dat UNRWA tot op het bot corrupt is en derhalve in geen enkele vorm van steun mag ontvangen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nee. Graag verwijs ik naar de Kamerbrief over UNRWA d.d. 26 april 20243.
Bestaan er juridische mogelijkheden, zowel nationaal als internationaal, om UNRWA aan te klagen of te verbieden vanwege;
UNRWA is in 1949 opgericht door de AVVN met een mandaat ten behoeve van basisdienstverlening aan Palestijnen in afwachting van een duurzame tweestatenoplossing. UNRWA geniet als suborgaan van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) immuniteit voor rechtsvervolging. Alleen de VN kan deze immuniteit opheffen of werkzaamheden opschorten. Een dergelijke besluit ligt niet in de reden gezien de brede steun voor het UNRWA mandaat en de cruciale en stabiliserende rol die de organisatie speelt in de hele regio.
Bent u op de hoogte van de activiteiten van de Israëlische organisatie Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT), die dagelijks honderden vrachtwagens met voedsel en humanitaire hulp Gaza binnenbrengt?3
Ja.
Is het beeld dat de media schetsen van een hongersnood nog wel correct, gezien de enorme inspanningen die Israël dagelijks levert via COGAT om hulpgoederen te leveren? Zo nee, waarom niet?
Ja. De media berichten over de uiterst zorgwekkende voedselzekerheidssituatie in Gaza zijn nog actueel. Vertrouwde, professionele organisaties aanwezig in Gaza bevestigen deze zorgelijke situatie. De Integrated Food Security Phase Classification (IPC) – de internationale waakhond voor voedselzekerheid – publiceerde op 18 maart jl. een rapport waaruit blijkt dat circa 1,1 miljoen Gazanen in de periode tot half juli te maken krijgt met wat IPC duidt als «catastrofale honger».
Deelt u de mening dat de humanitaire taken van UNRWA in Gaza overgenomen kunnen worden door COGAT en het World Food Program (WFP), aangezien nu slechts 38% van de hulpverlening door UNRWA wordt verzorgd?4 Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ook kenbaar gemaakt in de Kamerbrief over UNRWA d.d. 26 april 2024 is er in deze fase van het conflict geen alternatief voor het werk en de infrastructuur van UNRWA in Gaza. Dit bevestigen andere organisaties, zoals het World Food Programme en het Rode Kruis.
Tegelijkertijd wil het kabinet zich sterk maken voor het vergroten van de rol van andere organisaties ten behoeve van de diversificatie van de humanitaire hulp en het verlichten van de hoge noden die Gaza momenteel kent. De grote mate van afhankelijkheid van UNRWA maakt het humanitaire systeem in Gaza kwetsbaar.
Het bericht dat gepensioneerden zich niet serieus genomen voelen |
|
Bart van Kent |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
Wat is uw reactie op de noodkreet die gepensioneerden, de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen (NBP), de Federatie Onafhankelijke Gepensioneerden-Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (FOG-ABP) en de Koninklijke Vereniging van Eervol ontslagen Officieren van de Nederlandse Krijgsmacht (KVEO) mede aan u hebben gericht?1
Ik heb kennisgenomen van het persbericht waar u naar verwijst en waarin gepensioneerden zorgen uiten over zowel de omgang met gepensioneerden als de inhoud van de plannen van sociale partners. In de antwoorden op de overige vragen die u stelt ga ik hier verder op in.
Bent u van mening dat de overheid als werkgever er mede voor moet zorgen dat gepensioneerden serieus worden genomen bij de transitieplannen van het ABP? Zo nee, waarom niet?
Eén van de met de Wet toekomst pensioenen (Wtp) geïntroduceerde collectieve waarborgen rondom de evenwichtige belangenafweging bij invaren is het hoorrecht voor verenigingen van gepensioneerden en voor verenigingen van gewezen deelnemers. De verenigingen die zich hebben gemeld, worden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden of schriftelijk inbreng te geven over het transitieplan. Van de betrokken sociale partners, en daarmee van elke werkgever als één van de sociale partners, verwacht ik dat ze de inbreng van de verenigingen die het hoorrecht uitoefenen serieus neemt.
Neemt u de signalen serieus? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Ik neem de signalen zeker serieus. Het hoorrecht maakt onderdeel uit van de arbeidsvoorwaardelijke fase ter vaststelling van het transitieplan. In het transitieplan worden de afspraken en overwegingen die leiden tot een gewijzigde pensioenregeling vastgelegd. Het transitieplan bevat tevens de verantwoording waarom volgens sociale partners sprake is van een evenwichtige transitie. Het transitieplan dient ter uitoefening van het hoorrecht voorgelegd te worden aan verenigingen van gepensioneerden en verenigingen van gewezen deelnemers. Sociale partners dienen aan te geven wat zij doen met de inbreng van de betreffende verenigingen. In de onderhavige casus zijn de belangen van gepensioneerden in het transitieplan geadresseerd en gewogen. Dat neemt overigens niet weg dat partijen inhoudelijk verschillende inzichten kunnen hebben en uiteindelijk verschillende afwegingen maken.
Hierbij wil ik tevens van de gelegenheid gebruik maken om de sociale partners die nog geen transitieplan hebben vastgesteld, op te roepen in gesprek te gaan en te blijven met de verenigingen van gepensioneerden en verenigingen van gewezen deelnemers om er voor te zorgen dat ieders belangen in voldoende mate zijn geadresseerd en meegewogen.
Kunt u nagaan of gepensioneerden op de juiste wijze zijn betrokken bij het transitieplan? Zo ja, kunt u aangeven welke stappen er zijn gezet? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de sociale partners om het hoorrecht vorm te geven. De sociale partners in de Pensioenkamer die gaan over de wijziging van de pensioenregeling voor overheids- en onderwijswerknemers geven dan ook het hoorrecht voor die regeling vorm.
De stappen die sociale partners hebben gezet in het kader van het hoorrecht en de bijbehorende correspondentie zijn openbaar gemaakt en te raadplegen via de website van de Raad voor het Overheidspersoneel.2
Uit nadere inlichtingen die ik heb ingewonnen en berichten die mij onder andere via diverse media hebben bereikt, maak ik op dat de meeste verenigingen al voordat het concept-transitieplan gereed was hun inbreng hebben gegeven. Op het moment dat het concept-transitieplan gereed was, is er vervolgens een kennissessie georganiseerd met de betrokken hoorrechtverenigingen. Vervolgens hebben twee gespreksrondes plaatsgevonden tussen de verenigingen en de hoorrechtcommissie bestaande uit de betrokken sociale partners en is een dialoog gevoerd waarbij inhoudelijk is gediscussieerd. Ook is er op verzoek van de hoorrechtverenigingen uitgebreid schriftelijk informatie verstrekt. De sociale partners geven aan de ontvangen inbreng van de verenigingen te hebben meegewogen bij het finaliseren van het transitieplan. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, hebben sociale partners aangegeven wat zij met de inbreng van de betreffende verenigingen hebben gedaan. Ook in het transitieplan geven sociale partners aan wat zij hebben gedaan met de oordelen die in het kader van het hoorrecht zijn uitgesproken over de voorgenomen keuzes en de verantwoording daarvan in het transitieplan.3
Welke risico’s zijn er volgens u verbonden aan het ontbreken van draagvlak vanuit gepensioneerden voor het transitieplan?
Draagvlak onder alle betrokken partijen is belangrijk. Een breder gedragen transitieplan zal in de volgende fases van uitwerking en communicatie naar pensioengerechtigden, deelnemers en gewezen deelnemers een stevigere basis geven. In het proces zijn meerdere waarborgen ingebouwd. Zo stelt het hoorrecht verenigingen van gepensioneerden en verenigingen van gewezen deelnemers in de gelegenheid een oordeel over het transitieplan van sociale partners te geven. Vervolgens wordt het transitieplan, na eventuele aanpassingen naar aanleiding van het hoorrecht, voorgelegd aan achterbannen van werkgevers en bonden. Daarna volgt het verzoek aan het pensioenfonds de opdracht te aanvaarden. In het daarop volgende traject zullen de werknemers, gepensioneerden en werkgevers opnieuw een rol spelen, bijvoorbeeld aan de hand van het versterkt adviesrecht van de verantwoordingsorganen van pensioenfondsen.
Bent u van mening dat informatie en berekeningen beschikbaar moeten zijn zodat organisaties van gepensioneerden een oordeel kunnen vormen en hun achterban kunnen informeren en betrekken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat er voldoende informatie en berekeningen beschikbaar zijn voor de beoordeling van de keuzes die sociale partners hebben gemaakt en in het transitieplan zijn beschreven en onderbouwd. Ik heb dan ook begrip voor het feit dat verenigingen van gepensioneerden deze informatie nodig hebben om zich goed te laten informeren en een oordeel te vormen. Het beoordelen en verantwoorden van de evenwichtigheid van de gevolgen van die keuzes en de transitie voor verschillende groepen, waaronder ook gepensioneerden, is belangrijk.
Een deel van informatie waarover deze verenigingen mogelijk willen beschikken, behoort wellicht bij de volgende fase, de implementatie- en communicatiefase en niet bij de arbeidsvoorwaardelijke fase. Na de arbeidsvoorwaardelijk fase volgt het verzoek aan het pensioenfonds de opdracht te aanvaarden en daarbij hoort nog een heel traject met nadere invulling, waaronder het opstellen van het implementatie- en communicatieplan door het pensioenfonds.
Ook in deze fase is opnieuw die brede evenwichtigheid een belangrijk thema. Het transitieplan wordt door pensioenuitvoerders als informatiebron gebruikt ten behoeve van het opstellen van het implementatieplan en de beoordeling in het kader van de opdrachtaanvaarding.
Kortom, ik ga er vanuit dat sociale partners, rekening houdend met hun verantwoordelijkheid, de verenigingen al die beschikbare informatie verstrekt die toeziet op hun rol in het hoorrecht met betrekking tot de gemaakte keuzes in het transitieplan.