Het recreatieproject dat ontwikkeld wordt aan de Veerse Dam |
|
Joyce Vermue (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten in de Provinciale Zeeuwse Courant van 3 en 10 november 2016 over het recreatieproject dat ontwikkeld wordt aan de Veerse Dam tussen Walcheren en Noord-Beveland?1
Ja.
Realiseert u zich dat dit project voorziet in de aanleg van een eiland van ruim 3 hectare, dat voor een belangrijk deel zal worden bebouwd (geschatte bouwhoogte van 5 tot 15 meter) en dat dit bouwvolume zal worden gerealiseerd op meer dan 1,5 meter boven het waterpeil van het Veerse Meer?
Ja, in het genoemde project is uitgegaan van deze volumes en hoogtes.
Klopt het dat dit project gelegen in het Veerse Meer voorzien is in een Natura2000-gebied waar tevens de Vogelrichtlijn van kracht is? Is, indien het antwoord op deze vraag bevestigend is, voldaan aan de waarborgen die volgens de richtlijnen inachtgenomen moeten worden?
Het genoemde project is gesitueerd in een Natura 2000-gebied. In de Wet natuurbescherming is, ter implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, een beschermingsregime opgenomen voor Natura 2000-gebieden. Een vergunningstelsel maakt daar onderdeel van uit. Dit regime geldt ook voor dit project.
Kunt u schetsen hoe de ontwikkeling van nieuwe kustbebouwing op deze plaats zich verhoudt tot het onlangs gesloten Kustpact? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uitgangspunt van het te sluiten Kustpact is dat we de kust willen beschermen maar niet op slot willen zetten. In het Kustpact zullen afspraken worden gemaakt over het aanwijzen van zones aan de kust waar niet gebouwd kan worden voor recreatiedoelen, waar wel en onder welke voorwaarden. In het Kustpact zullen ook afspraken worden opgenomen over de wijze waarop met thans lopende plannen en initiatieven zal worden omgegaan. Concrete plannen zullen vervolgens dienen te passen binnen de kaders van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), onder andere ten aanzien van het «kustfundament». Een beoordelende rol van het Rijk is pas aan de orde bij de aanvragen voor vergunningen, waar het Rijk bevoegd gezag is. Vooruitlopend op de definitieve ondertekening van het Kustpact en aanvragen voor vergunningen, kan ik daar nog geen inzage in geven.
Deelt u de mening dat dit project geen pas geeft na alle maatschappelijke onrust over kustbebouwing? Zo nee waarom niet?
In samenwerking met betrokken partijen zal worden gekomen tot een Kustpact om enerzijds de kust te beschermen en anderzijds niet op slot te zetten. In het Kustpact wordt het belang onderschreven van een goede balans tussen ruimtelijke ontwikkelingen en het behoud en de bescherming van de kernkwaliteiten en de collectieve waarden van de kustzone.
Een oordeel over het project in de omgeving is aan de andere overheden en de maatschappelijke organisaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat op 21 september 2016, dus lopende de discussie over het Kustpact, door het Rijksvastgoedbedrijf een hoofdlijnenovereenkomst is gesloten over de vestiging van een zakelijk recht van erfpacht op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Wissenkerke, sectie A, nummer 2661, ten behoeve van de door de initiatiefnemer voorgenomen ontwikkeling? Hoe past deze overeenkomst in het beleid van Rijkswaterstaat om geen zakelijke rechten meer uit te geven in gebieden die Rijkswaterstaat in beheer heeft? Kunt u uw antwoord toelichten? Bent u bereid deze overeenkomst in het kader van het Kustpact teniet te doen? Zo nee waarom niet?
Voor een project gelegen in het Veerse Meer zijn in 2010 reeds afspraken gemaakt over onder andere het verlenen van medewerking aan het vestigen van een zakelijk recht. Vanwege deze afspraken heeft Rijkswaterstaat in goed overleg met het Rijksvastgoedbedrijf het vestigen van een zakelijk recht in dit gebied gefaciliteerd. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft de overeenstemming met de initiatiefnemer over de hoofdlijnen van een erfpachtovereenkomst schriftelijk aan deze bevestigd bij brief van 21 september 2016. Instemming van de lokale en regionale autoriteiten is hiervoor niet vereist. De afspraken zijn expliciet onder voorbehoud van de vereiste vergunningverlening door de bevoegde gezagen, waaronder een omgevingsvergunning van de gemeente. Op deze wijze zorgt het Rijk als beheerder er voor dat de andere overheden niet worden beïnvloed in hun afweging ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling zelf.
Over het project gelegen in het Veerse Meer is op 8 december 2016 in de raad van de gemeente Noord-Beveland gesproken. De raad heeft unaniem besloten geen anterieure overeenkomst aan te gaan met de initiatiefnemer van dit plan. Het is aan de gemeente om in overleg met de betrokken overheden en partijen zich op eventuele verdere ontwikkelingen te beraden. Het af te sluiten Kustpact zal afspraken bevatten op basis waarvan de andere overheden kunnen afwegen waar welke ontwikkelingen en op welke wijze passend zijn bij de aanwezige waarden en kernkwaliteiten van de kust.
Hoe verhoudt dit project zich tot de nieuwe Natuurbeschermingswet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op uw vraag 3.
Worden de stikstofnormen overschreden indien dit project doorgang zal vinden?
In het kader van de vergunningen- en bestemmingsplanprocedure wordt beoordeeld of het project uitvoerbaar is gelet op de geldende wet- en regelgeving, waaronder de stikstofnormen.
Deelt u, mede gezien het feit dat dit project door de gemeente Noord Beveland wordt gezien als een «pijplijn project», de mening dat het alsnog honoreren van alle in het verleden besproken plannen van het Kustpact een nietszeggende overeenkomst maakt? Zo nee waarom niet?
Nee, in het Kustpact zullen afspraken worden opgenomen over de wijze waarop met thans lopende plannen en initiatieven zal worden omgegaan. Voor uitleg van de procedure verwijs ik u naar antwoord 6.
Deelt u de mening dat (gezien het feit dat de bouw van recreatiewoningen, appartementen en penthouses zoals die nu worden voorgesteld nieuw zijn, die in het toetsingskader dat eerder is gebruikt voor de locatie Veerse Dam niet betrokken zijn en het toen uitsluitend ging om een hotel) het plan dat nu voorligt veel meer bebouwing omvat dan eerdere plannen? Deelt u tevens de mening dat, zo er al sprake zou zijn van een «pijplijneffect», dit dan in ieder geval niet geldt voor het huidige veel omvangrijkere plan? Zo nee waarom niet?
De raad heeft op 8 december 2016 besloten geen anterieure overeenkomst aan te gaan met de initiatiefnemer die het genoemde plan had opgesteld. De raad heeft daarbij de verschillende aspecten gewogen die genoemd zijn in uw vragen 10 tot en met 15, zoals bijvoorbeeld de relatie met de eerdere afspraken in de regio, het oordeel van het Kwaliteitsteam en de reacties van belanghebbenden. De gemeente heeft daarbij de procedures voor de benodigde besluitvorming, correct gevoerd.
Zijn de nieuwe plannen ook getoetst door het zogenaamde kwaliteitsteam, dat in het eerdere toetsingskader een doorslaggevende stem werd toebedeeld? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat de oorspronkelijke aanleiding voor nieuwe plannen ter compensatie van de sanering van het terrein van «De Lekkerbek» en «Resto Vrouwe in de Polder» inmiddels is verdwenen nu de gemeente Veere dit project in de ijskast heeft gezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van nog meer recreatiewoningen op gespannen voet staat met het huidige overaanbod van recreatiewoningen in de provincie Zeeland? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om de ontwikkeling van dit overaanbod aan recreatiewoningen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Is er sprake van verdringen van bestaande recreatiemogelijkheden, zoals windsurfen, en de surfschool bij het realiseren van het project en hoe weegt u de belangen van deze recreanten ten opzichte van de nieuwe plannen?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeverre zijn naar uw mening de verschillende belanghebbende partijen gehoord bij de totstandkoming van dit project? Kunt u schetsen welke procedures er momenteel nog open staan voor belanghebbenden teneinde hun bezwaren rondom dit project nog kenbaar te maken en meegewogen te laten worden? Bent u zich bewust van het feit dat het project tot maatschappelijke onrust leidt en dat Staatsbosbeheer, de Zeeuwse Milieufederatie en vele bewoners in Zeeland dit project helemaal niet willen?
Zie antwoord vraag 10.
De aanleg van een schiereiland in het Veersmeer in Zeeland |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het voornemen van de gemeente Noord-Beveland om in te stemmen met het voorstel van De Zeeuwse Lagune om in het Veerse Meer een groot schiereiland van meer dan 31.000 m2 ten behoeve van recreatief vastgoed te realiseren? Zo ja, hoe apprecieert u dit voorgenomen project?
Ja, over dit plan is op 8 december 2016 in de raad van de gemeente Noord-Beveland gesproken. De raad heeft unaniem besloten geen anterieure overeenkomst aan te gaan met de initiatiefnemer van dit plan. De raad heeft daarbij verschillende aspecten gewogen, waaronder de kaders en afspraken die in de regio over de ontwikkeling in het verleden waren opgesteld en de reacties van burgers en instellingen die het genoemde plan hebben opgeroepen. Het is aan de gemeente om in overleg met de betrokken overheden en partijen zich over eventuele ontwikkelingen te beraden. Het af te sluiten Kustpact zal afspraken bevatten op basis waarvan de andere overheden kunnen afwegen waar welke ontwikkelingen en op welke wijze passend zijn bij de aanwezige waarden en kernkwaliteiten van de kust.
Ik heb er vertrouwen in dat de gemeente en andere betrokken partijen komen tot een goede afweging voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in dit deel van de Kustzone, waarbij zowel de recreatieve als de natuurlijke en landschappelijke waarden worden versterkt.
Klopt het dat het Rijksvastgoedbedrijf akkoord is of voornemens is akkoord te gaan met een vijftig jaar durende erfpachtovereenkomst? Zo ja, is hiervoor geen bestuurlijke instemming vereist van de lokale en regionale autoriteiten? Hoe verhoudt zich deze erfpachtovereenkomst met het voornemen om geen zakelijke rechten meer aan te gaan in gebieden waar Rijkswaterstaat het eigendomsrecht of het beheer over heeft? Klopt de veronderstelling dat het voorgenomen project niet past in het beleid van Rijkswaterstaat en dat hier dientengevolge geen ruimte voor is? Zo nee, waarom niet?
Voor dit project zijn in 2010 reeds afspraken gemaakt over onder andere het verlenen van medewerking aan het vestigen van een zakelijk recht. Vanwege deze afspraken heeft Rijkswaterstaat in goed overleg met het Rijksvastgoedbedrijf het vestigen van een zakelijk recht in dit gebied gefaciliteerd. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft de overeenstemming met de initiatiefnemer over de hoofdlijnen van een erfpachtovereenkomst schriftelijk aan deze bevestigd bij brief van 21 september 2016. Instemming van de lokale en regionale autoriteiten is hiervoor niet vereist. De afspraken zijn expliciet onder voorbehoud van de vereiste vergunningverlening door de bevoegde gezagen, waaronder een omgevingsvergunning van de gemeente. Op deze wijze zorgt het Rijk als beheerder er voor dat de andere overheden niet worden beïnvloed in hun afweging ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling zelf.
Klopt het dat dit voorgenomen project impliceert dat grondgebied moet worden uitgeruild tussen aan het Veerse Meer grenzende gemeenten, waardoor, zonder instemming van de betrokken gemeenteraden en provinciale staten, de omgeving ingrijpend wordt veranderd (terwijl er geen bestemmingsplan is en ook nog geen ruimtelijk ontwerp) en ruimte wordt geboden aan een horecagelegenheid die het thans niet is toegestaan om uit te breiden?
Nee, het genoemde project impliceert niet dat grondgebieden van gemeenten moeten worden uitgeruild. Voor uitleg over de besluitvormingsprocedure en de rol van het Kustpact verwijs ik u naar antwoord 1.
Hoe verhoudt zich dit voorgenomen project tot het Kustpact en tot de op dit moment geldende wet- en regelgeving? Ziet u aanleiding om dit voorgenomen project met de tot uw beschikking staande bevoegdheden te blokkeren? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om, samen met de provinciale autoriteiten, dit voorgenomen plan in afwachting van de komende Zeeuwse kustvisie te blokkeren? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt van het te sluiten Kustpact is dat we de kust willen beschermen maar niet op slot willen zetten. In het Kustpact zullen afspraken worden gemaakt over het aanwijzen van zones aan de kust waar niet gebouwd kan worden voor recreatiedoelen, waar wel en onder welke voorwaarden. In het Kustpact zullen ook afspraken worden opgenomen over de wijze waarop met thans lopende plannen en initiatieven zal worden omgegaan. Concrete plannen zullen vervolgens dienen te passen binnen de kaders van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), onder andere ten aanzien van het «kustfundament». Een beoordelende rol van het Rijk is pas aan de orde bij de aanvragen voor vergunningen, waar het Rijk bevoegd gezag is.
Vooruitlopend op de definitieve ondertekening van het Kustpact en aanvragen voor vergunningen kan ik daar nog geen inzage in geven.
Het project Brouwerseiland |
|
Yasemin Çegerek (PvdA), Albert de Vries (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het recreatieproject «Brouwerseiland» dat ontwikkeld wordt aan de Brouwersdam tussen de eilanden Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland?
Ja. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft voor dit project een verzoek tot ontheffing ingediend van artikel 2.3.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Artikel 2.3.5 Barro regelt dat een bestemmingsplan op gronden gelegen binnen het kustfundament maar buiten het stedelijk gebied geen nieuwe bebouwing mogelijk mag maken. Artikel 3.2 Barro geeft de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van deze bepaling, indien de verwezenlijk van het decentrale ruimtelijke beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de nationale belangen.
Klopt het dat dit project voorzien is in een gebied waar planten- en diersoorten aanwezig zijn die opgenomen zijn in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn?
Ja. Het project valt voor een gedeelte (2,3 hectare) binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Grevelingen.
Aan welke waarborgen moet het ontwikkelen van een dergelijk project binnen een gebied waar beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn voldoen? In hoeverre is naar uw mening voldaan aan de inachtneming van deze waarborgen in dit project?
Indien een dergelijk project mogelijk de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied aantast, dient de initiatiefnemer een vergunning aan te vragen op basis van art. 19 d van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet). Als het project, afzonderlijk dan wel in combinatie met andere projecten of plannen, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied, dient de aanvrager van de Nb-wetvergunning een passende beoordeling op te stellen (art. 19f Nb-wet). Deze passende beoordeling dient het bevoegd gezag de zekerheid te kunnen bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Alleen als die zekerheid is verkregen kan de vergunning worden verleend (art. 19g Nb-wet).
De initiatiefnemer van Brouwerseiland heeft aan deze verplichtingen voldaan. Het bevoegd gezag, dat voor dit project wordt gedeeld door de provincie Zeeland en het Ministerie van Economische Zaken, is op basis van de vergunningaanvraag tot de conclusie gekomen dat het project het bereiken van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Grevelingen niet in de weg staat en de vergunning kan worden verleend.
De ontwerpNb-wetvergunning heeft deze zomer voor inspraak ter inzage gelegen. Naar het oordeel van het bevoegd gezag leiden de resultaten van de inspraak niet tot andere conclusies. Het bevoegd gezag is voornemens de definitieve Nb-wetvergunning nog dit jaar te verlenen.
Worden de stikstofnormen overschreden indien dit project doorgang zal vinden?
Nee. De grenswaarde voor stikstof, zoals vastgelegd in het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof, wordt niet overschreden. De initiatiefnemer heeft een berekening aangeleverd, uitgevoerd met het daarvoor voorgeschreven rekeninstrument Aerius Calculator, waaruit dat blijkt.
Kunt u schetsen hoe de ontwikkeling van nieuwe kustbebouwing op deze plaats zich verhoudt tot het onlangs gesloten Kustpact? Deelt u de mening dat dit project geen pas geeft na alle maatschappelijke onrust over kustbebouwing?
In het voorlopige Kustpact, dat nog bij partijen ter bespreking ligt, wordt het belang onderschreven van een goede balans tussen ruimtelijke ontwikkelingen en het behoud en de bescherming van de kernkwaliteiten en de collectieve waarden van de kustzone. In het Kustpact wordt voorgenomen om met behulp van zonering aan te geven waar wel, waar niet en waar onder voorwaarden de realisatie van recreatieve bebouwing mogelijk is. Er zullen ook afspraken worden opgenomen over de wijze waarop met thans lopende plannen en initiatieven zal worden omgegaan. In overleg met de gemeente is met het oog op het Kustpact de besluitvorming over de Barro ontheffing uitgesteld. Daarna zal een besluit worden genomen over het verzoek van de gemeente tot ontheffing, waarop nu nog niet kan worden vooruitgelopen.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van nog meer recreatiewoningen in dit gebied op gespannen voet staat met het huidige overaanbod van recreatiewoningen in de provincie Zeeland? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om de ontwikkeling van dit overaanbod aan recreatiewoningen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Bij de beoordeling van een verzoek tot ontheffing moet beoordeeld worden of de verwezenlijking van het decentrale beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de nationale belangen. Het nationale belang bij Brouwerseiland is water- en kustveiligheid. Buiten de in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en in het Barro benoemde rijksbelangen is het ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening de verantwoordelijkheid van de decentrale overheden om de ruimtebehoefte te bepalen en hiervoor een afweging te maken. In het antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven welke afspraken in het Kustpact worden voorgenomen. Het Kustpact zal de huidige bestuurlijke verantwoordelijkheden ten aanzien van de kustzone onderschrijven.
Is er sprake van een negen meter hoge geluidswal? Indien dat zo is, bent u dan van mening dat deze in het landschap past?
Uit informatie van de gemeente blijkt dat in het plan Brouwerseiland het geluid van de N57 wordt afgeschermd door landschapsduinen met een gemiddelde hoogte van acht meter. De gemeente is in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan verantwoordelijk voor de beoordeling van de landschappelijke inpassing van het project.
Is er sprake van verdringen van bestaande recreatiemogelijkheden, zoals windsurfen en hoe weegt u de belangen van deze recreanten ten opzichte van de nieuwe plannen?
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 6 en 7 behoort deze belangenafweging aan de decentrale overheid.
In hoeverre zijn naar uw mening de verschillende belanghebbende partijen gehoord bij de totstandkoming van dit project? Kunt u schetsen welke procedures er momenteel nog open staan voor belanghebbenden teneinde hun bezwaren rondom dit project nog kenbaar te maken en meegewogen te laten worden? Bent u zich bewust van het feit dat het project tot maatschappelijke onrust heeft geleid en dat veel bewoners van de eilanden dit project helemaal niet willen?
Voor het project zijn verschillende procedures van toepassing.
Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft van 8 februari t/m 21 maart 2016 ter inzage gelegen met de mogelijkheid om inspraakreacties in te dienen.
De belangrijkste procedures die worden gevolgd zijn:
De geplande grootschalige bomenkap in de Schoorlse Duinen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het Natura 2000-ontwerpbeheerplan voor de Schoorlse Duinen, waarin de grootschalige bomenkap van 141 hectare is opgenomen?1
Ja. Het betreft overigens nog 96 ha aangeplant naaldhout; 45 ha is reeds verdwenen als gevolg van natuurbranden. Deze totale beoogde kap vindt plaats in drie tijdvakken van ieder zes jaar. De bomenkap zal in de eerste beheerplanperiode (2016 – 2022) ca 34 ha bedragen.
Klopt het dat deze bomenkap een maatregel is in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), waarmee wordt beoogd om de schadelijke effecten van stikstofuitstoot in de natuur te herstellen?
Ja, dat klopt. Maar opname in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is niet het belangrijkste doel van de bomenkap. Het belangrijkste doel hiervan is gelegen in de bijdrage aan het herstel van de dynamiek van water en wind als belangrijkste kernopgave voor dit Natura 2000-gebied. Hiervoor is nodig dat de in antwoord 1 geduide 141 ha bos in het westelijk deel van het gebied, de zone waar van nature lagere begroeiing voorkomt, wordt verwijderd en de wind weer vrij spel krijgt. Hierdoor treedt voortdurende vernieuwing op, neemt de veerkracht van het systeem toe en blijven beschermde habitattypen (zoals witte duinen, grijze duinen en duinheide) in stand. Ook wordt zo een eerste stap gezet in de realisatie van de Natura 2000-uitbreidingsdoelstelling voor de habitattypen grijs- en wit duin.
Kunt u uitsluiten dat de ontwikkelingsruimte die ontstaat door deze bomenkap wordt benut om de intensieve veehouderij in de provincie te faciliteren? Zo nee, deelt u de mening dat het tegenstrijdig is om in een natuurplan op te nemen dat bomen moeten worden gekapt om zo de natuur meer te kunnen belasten?
Het PAS maakt de uitgifte van ontwikkelingsruimte mogelijk, onder de voorwaarde dat alle maatregelen die nodig zijn om verslechtering van natuurwaarden te voorkomen worden uitgevoerd. Het PAS is een beoordelingskader op grond van de Natuurbeschermingswet en maakt als zodanig geen onderscheid naar specifieke typen van economische ontwikkeling, die mogelijk of onmogelijk zouden worden gemaakt. Er is dus geen directe relatie tussen het ontstaan van ontwikkelingsruimte en het mogelijk maken van een specifiek agrarisch bedrijf.
Bent u bereid deze kwestie mee te nemen in de evaluatie van de PAS? Zo nee, waarom niet?
Bij de evaluatie van het PAS worden effecten van ecologische herstelmaatregelen zoals het kappen van bomen en ervaringen met uitgifte van vergunningen op basis van het toedelen van ontwikkelingsruimte, meegenomen.
Bent u bereid om (als voortouwnemer) met de provincie Noord-Holland af te zien van de bomenkap en in plaats daarvan te kiezen voor inkrimping van de intensieve veehouderij, de grootste veroorzaker van stikstofuitstoot? Zo nee, waarom niet?
Nee. Deze bomenkap is primair een maatregel om de natuurlijke dynamiek in het gebied te herstellen. Een dergelijke maatregel vormt een vanzelfsprekend onderdeel van het Natura 2000-beheerplan. Er is bij deze maatregel geen sprake van een op voorhand directe relatie met het mogelijk maken van intensieve veehouderij.
Het zoutwinplan bij Kiel-Windeweer van Nedmag |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Kiel-Windeweer woedend om zoutwinplan Nedmag»?1
Ja.
Is het waar dat in genoemd gebied sprake is van 440 schademeldingen als gevolg van de winning van aardgas door de NAM? Over welke tijdsperiode zijn deze meldingen gedaan?
Het getal van 440 schademeldingen in verband met gaswinning wordt door NAM niet herkend. Vanuit de gehele gemeente Hoogezand-Sappemeer, waar Kiel-Windeweer deel van uitmaakt, zijn sinds 2012 zo’n 10.000 meldingen van schade gedaan. Hiervan bevinden zich op dit moment 900 gevallen in het proces van contra-expertise.
Bent u bereid een nulmeting uit te laten voeren door een nog – conform de Mijnbouwwet2 – in te stellen internationaal expert team en die een oordeel te laten vellen over deze winning en de mogelijke effecten op de leefomgeving?
Zoals ik heb aangegeven in het debat met uw Kamer over Groningen op 29 juni 2016 vind ik dat nulmetingen aan gebouwen kunnen helpen om, als er later schade is, te kunnen vaststellen of het verschil is veroorzaakt door mijnbouw. Ik heb daaraan toegevoegd dat ik die verplichting zal opleggen als de specifieke mijnbouwactiviteiten, de locatie of de omgeving daartoe aanleiding geven. Ik ben nu, zoals toegezegd, bezig met de uitwerking hiervan op basis van ervaringen hiermee in andere projecten. Ik heb nog geen winningsplan ontvangen voor deze nieuwe winning van Nedmag.
Een verplichting tot het uitvoeren van een representatieve nulmeting kan ik dan opnemen als voorschrift in het instemmingsbesluit met winningsplan.
Zoals beschreven in mijn brief van 24 juni 2016 (Kamerstuk 32 849, nr. 80) over het kennisprogramma effecten mijnbouw, wordt de taak van het wetenschappelijk adviespanel het bewaken van de wetenschappelijke inhoud, kwaliteit en onafhankelijkheid van het kennisprogramma. Het wetenschappelijk panel voert zelf geen of laat zelf geen onderzoek uitvoeren. Ik zal de vraag of de bodemdaling, die veroorzaakt wordt door gas- en zoutwinning, schade kan veroorzaken aan huizen voorleggen aan het wetenschappelijk panel. Ik zal hen vragen welke kennisvragen hieraan ten grondslag liggen en of hier nader en zo ja, welk onderzoek hiernaar gedaan moet worden.
Kunt u voorafgaand aan het mogelijk verstrekken van de winningsvergunning in kaart brengen hoe om gegaan wordt met de afhandeling van schade als gevolg van gaswinning en die van de winning van magnesiumzout? Hoe gaat voorkomen worden dat NAM en Nedmag eventuele schades als gevolg van ieders winning aan elkaar gaan toeschrijven? Hoe wordt bij schade aan woningen vastgesteld of die schade het gevolg is van bodemdaling (door zoutwinning) of door een beving (door gaswinning)?
Als uit inspectie van een schademelding het vermoeden naar voren komt dat sprake is van een samenloop van schade door beweging van de bodem door gaswinning met andere schadeoorzaken, dan is sprake van een complex schadegeval. Dit betekent dat de NCG een bemiddelende rol vervult bij de afhandeling. Indien zoutwinning door Nedmag daarbij als mogelijke medeoorzaak in beeld is, onderhoudt de NCG hierover contact met Nedmag.
Het onterecht afschieten van reeën op Terschelling |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Klokkenluider reeën geroyeerd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het aan de kaak stellen van misstanden bij afschot van (beschermde) dieren een wettelijke plicht is? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat het royeren van een klokkenluider er in dit geval op duidt dat de wildbeheereenheid (WBE) zich kennelijk niet aan de bedoelingen van de wetgever wenst te houden? Zo ja, bent u bereid deze kwestie mee te nemen in de evaluatie van de Wet natuurbescherming, waarin u WBE’s een meer prominente rol in het faunabeleid heeft gegeven met meer bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Wildbeheereenheden zijn verenigingen met statuten en huishoudelijke reglementen. Het bestuur van de WBE beslist over toelating en royementen van de leden. De ledenraad van de WBE controleert het bestuur en kan het bestuur ter verantwoording roepen. Voor het goed functioneren van een WBE is een open cultuur met ruimte voor onderlinge discussie essentieel. Of daar in dit geval sprake van was en welke gebeurtenissen precies hebben geleid tot dit royement, kan ik niet beoordelen.
Een WBE dient zich bij haar taakuitoefening vanzelfsprekend te houden aan de voorwaarden uit de door de provincie verleende ontheffing. Het is aan de provincie om daar op toe te zien en, indien zij dat nodig acht, in te grijpen. Vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe Natuurbeschermingswet dienen binnen het bestuur van een faunabeheereenheid vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, zitting te hebben. Zodoende is kritische reflectie op de uitoefening van populatiebeheer en schadebestrijding geborgd.
Heeft het voorgenomen royement van de klokkenluider uw vertrouwen in het functioneren van WBE's verkleind? Zo ja, in hoeverre en met welk gevolg? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de uitspraak van de voorzitter van de faunabeheereenheid (FBE): «Als dit allemaal niet tot ontploffing was gekomen, dan had er geen haan naar gekraaid»? Hoe rijmt deze uitspraak met de door u aan de FBE’s toegekende wettelijke taak het publieke belang te borgen?
Deze uitspraak laat ik voor rekening van de voorzitter van de Faunabeheereenheid.
Bent u bereid centraal ingrijpen mogelijk te maken waar en wanneer provinciale vergunningverleners afschotvergunningen verlenen in strijd met de letter of de geest van de wet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Ik zie geen reden tot centraal ingrijpen. Ik heb er alle vertrouwen in dat provincies bij hun besluitvorming over aanvragen voor afschotvergunningen handelen naar de letter en de geest van de wet. Ik verwijs u tevens naar mijn antwoorden van 22 september 2016 op eerdere vragen van de PvdD over het wildbeheer op Terschelling (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 35).
Het lot van in beslag genomen wilde dieren uit de illegale handel |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Lot in beslag genomen levende dieren CITES onduidelijk», waaruit blijkt dat het onduidelijk is wat er met ruim 64.000 levende wilde dieren is gebeurd, nadat ze tussen 2010 en 2014 in beslag zijn genomen?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat slechts 30% van de landen die partij zijn bij Convention on International Trade in Endangered Species of wild flora and fauna (CITES) gegevens over inbeslagnames van dieren verstrekt, waardoor slechts het topje van de ijsberg zichtbaar is?
Ik vind het positief dat 30% van de landen die partij zijn bij CITES bereid zijn om deze gegevens te leveren. Het CITES-verdrag reguleert dit niet. Het reguleert de handel in beschermde wilde dieren en planten en stelt voorwaarden voor exemplaren die in beslag zijn genomen. Dit is er in eerste instantie op gericht dat deze na inbeslagname niet alsnog in handen vallen van illegale handelaren. Opvang van levende in beslag genomen dieren en planten is iets dat op nationaal niveau geregeld moet worden. Het CITES-secretariaat heeft in februari van dit jaar een notificatie uitgedaan naar alle Partijen die oproept gegevens te verstrekken over in beslag genomen levende planten en dieren en producten daarvan.
Nederland werkt hieraan mee. Het rapport dat door het CITES-secretariaat wordt opgesteld aan de hand van de aangeleverde informatie wordt in oktober 2017 verwacht.
Wat is uw reactie op het feit dat het uiteindelijke lot van de in beslag genomen levende wilde dieren onbekend is, omdat het verstrekken van informatie hierover geen formele CITES-eis is?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorgen van de geciteerde onderzoekers dat het gebrek aan gegevens het welzijn en de overleving van de in beslag genomen dieren in gevaar brengt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik vind het van het grootste belang dat zoveel mogelijk tijd wordt gestoken in een juiste afhandeling van inbeslaggenomen dieren. Alle aandacht voor gedegen afhandeling heeft grotere voordelen voor het dierenwelzijn dan tijd steken in een rapportageplicht.
Kunt u vertellen hoeveel wilde dieren er de afgelopen vijf jaar in Nederland in beslag zijn genomen en wat hun lot is geweest? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen jaren zijn er de volgende aantallen dieren die onder CITES vallen in beslag genomen:
Deze cijfers zijn afgerond op tientallen. In het jaar 2013 zijn twee grote inbeslagnames geweest, waardoor er dat jaar een hoog aantal inbeslaggenomen dieren was. De Nederlandse werkwijze ten aanzien van inbeslaggenomen CITES dieren richt zich in eerste instantie op terugzending naar het land van herkomst. Wanneer dit niet mogelijk is worden de dieren opgevangen in binnen- of buitenland. Dit gebeurt in de meeste gevallen. Wanneer het welzijn van het dier ernstig in het geding is en er geen andere mogelijkheden zijn, wordt overgegaan tot euthanasie. Dit komt zelden voor. In Nederland worden in beslag genomen dieren niet verkocht.
Wat wordt uw inzet om de rapportage van inbeslagname te verbeteren tijdens de aankomende CITES Conferentie van de Partijen (CoP)?
Bent u bereid de Kamer na afloop te informeren over uw gedane inspanningen tijdens de CoP op dit onderwerp en overige onderwerpen? Zo nee, waarom niet?
Ik zal de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van de CITES CoP 17. Ten aanzien van dit specifieke onderwerp wil ik u graag verwijzen naar mijn antwoord op vraag 6.
Dierproeven met duizenden boerderijdieren zonder noodzaak |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het artikel «Veel meer proeven op boerderijdieren», waaruit blijkt dat de Gezondheidsdienst voor Dieren duizenden proefdieren meer nodig heeft dan vorig jaar (7.929 proefdieren in 2015, 20.848 proefdieren in 2016)?1
Ja.
Waarom zijn deze gegevens over proefdiergebruik pas openbaar gemaakt na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur? Deelt u de mening dat geheimzinnigheid over proefdiergebruik onwenselijk is en een eerlijk maatschappelijk debat belemmert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Ik ben voorstander van zo veel mogelijk transparantie als het gaat over dierproeven. De CCD publiceert daarom ook vrijwel direct nadat een vergunning is afgegeven een niet-technische samenvatting van de geplande dierproeven. Ook van de in het krantenartikel genoemde dierproeven zijn al lang niet-technische samenvattingen beschikbaar op de website van de CCD. Daarnaast brengt de NVWA jaarlijks de registratierapportage «Zodoende» uit met gedetailleerde informatie over het aantal uitgevoerde dierproeven.
Daarbij wil ik opmerken dat in dit artikel twee verschillende registratiesystemen met elkaar worden vergeleken. De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) heeft goedkeuring gegeven aan meerdere projecten van de Gezondheidsdienst voor Dieren waarvoor er in totaal maximaal 20.848 dieren gebruikt mogen worden. Onder de projectvergunning van de CCD kan een dierproef over een periode van vijf jaar worden uitgevoerd. Uit deze cijfers valt daarom niet af te lezen hoeveel proefdieren er per jaar zullen worden ingezet en of alle dieren waarvoor vergunning is verleend, ook daadwerkelijk gebruikt zullen worden. In de jaarregistratie van de NVWA wordt het aantal proefdieren vermeld dat daadwerkelijk in een bepaald jaar is gebruikt.
Vindt u het acceptabel dat dieren in deze proeven giftig voer krijgen om zo het effect van schimmels in ruwvoer te testen en dat deze dieren vervolgens worden gedood? Zo ja, waarom?
Eind 2014 is het ZBO CCD opgericht voor een centrale, onpartijdige en transparante beoordeling van dierproeven. De CCD heeft projectvergunningen afgegeven voor de in het krantenartikel beschreven dierproeven. Op grond van de Wet op de dierproeven heeft de CCD daarbij een afweging gemaakt tussen het belang van het doel van de dierproef en het ongerief dat aan het proefdier wordt berokkend. Hierbij zijn bovengenoemde aspecten ook meegenomen in de ethische afweging.
Vindt u het acceptabel dat deze dierproeven gericht zijn op het verhogen van de weerstand van productiedieren, terwijl de infectiedruk in de landbouw gecreëerd wordt door veel snelgroeiende dieren met een lage weerstand en een zeer geringe genetische diversiteit bij elkaar te zetten? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze proeven op boerderijdieren zo snel mogelijk af te bouwen, temeer omdat het kabinetsbeleid gericht is op vervangen, verminderen en verfijnen van dierproeven? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ik wil toe naar zo min mogelijk dierproeven en, waar ze onvermijdelijk zijn, naar optimale verfijning, vervanging en vermindering. Dit geldt uiteraard ook voor proeven die worden verricht op landbouwhuisdieren. Begin 2016 heb ik derhalve het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) gevraagd om een afbouwschema uit te werken zodat er de komende jaren bepaalde dierproeven kunnen worden uitgefaseerd. Met behulp van dit afbouwschema wil ik een aanzienlijke reductie van het aantal dierproeven in gang zetten.
Het op grote schaal illegaal couperen van paardenstaarten |
|
Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u ermee bekend dat het al sinds 2001 bestaande verbod op het couperen van paardenstaarten op grote schaal overtreden zo niet ontweken wordt?1
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op de eerder door het lid Wassenberg gestelde vraag 5, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 125)
Deelt u de opvatting dat het couperen van paarden dierenmishandeling is? Zo ja, waarom vindt er dan geen effectieve handhaving plaats? Zo nee, waarom niet?
Het couperen van dieren zonder diergeneeskundige noodzaak is in Nederland niet toegestaan en ik bestempel het als een vorm van verminking. Het verminken van dieren is dierenmishandeling. Verder verwijs ik naar mijn antwoorden op de door het lid Van Gerven gestelde vragen 2 t/m 6 van 29 maart 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2046) inzake deelname gecoupeerde paarden aan hengstenkeuring.
Hoeveel gecoupeerde paarden zijn er in Nederland? Hoeveel zijn daarvan in Nederland verminkt en hoeveel in het buitenland?
Het is onbekend hoeveel gecoupeerde paarden in Nederland gehouden worden, noch hoeveel daarvan in Nederland of in het buitenland gecoupeerd zijn.
Kunt u precies aangeven hoeveel paardenmarkten de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) jaarlijks controleert, hoeveel paarden daarbij bezichtigd worden, welk deel daarvan gecoupeerd is, en welke bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties vervolgens worden opgelegd of in gang worden gezet tegen de eigenaren?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op de eerder door het lid Wassenberg gestelde vragen 2 en 3 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 125). Over de voortgang van het bestuursrechtelijke traject dat ik heb ingezet, zal ik uw Kamer voor het eind van dit jaar informeren.
Indien er ongebruikte bestuursrechtelijke mogelijkheden zijn, welke zijn dat en waarom worden die niet ingezet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op de eerder door het Lid Wassenberg gestelde vragen 2, 3 en 4 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 125).
Hoe controleert u, in het kader van het bepalen of het tentoonstellingsverbod voor een specifiek paard geldt, of een staart legaal of illegaal in het buitenland gecoupeerd is?
Het tentoonstellingsverbod heeft betrekking op paarden waarbij een verboden ingreep is verricht. Het couperen van dieren is een verboden lichamelijke ingreep, tenzij de ingreep uit diergeneeskundige noodzaak wordt verricht. In geval van het aantreffen van een gecoupeerd paard op een tentoonstelling zal de organisator van de tentoonstelling c.q. de houder van het paard moeten kunnen aantonen niet in overtreding te zijn door middel van een diergeneeskundige verklaring waaruit blijkt dat het dier op grond van een diergeneeskundige verklaring is gecoupeerd.
Welke Unielanden kennen een coupeerverbod en/of een algeheel tentoonstellingsverbod van gecoupeerde paarden?
Voor zover mij op dit moment bekend is, geldt er een coupeerverbod in België, Bulgarije, Denemarken, Finland, Duitsland, Hongarije, Letland, Litouwen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk (m.u.v. Noord-Ierland). In Frankrijk geldt een tentoonstellingsverbod, maar geen coupeerverbod.
Op welke wijze wordt handhavend opgetreden tegen organisatoren van tentoonstellingen die gecoupeerde paarden mee laten doen en worden zij medeverantwoordelijk gemaakt voor de misstand die zij faciliteren?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op de eerder door het lid Wassenberg gestelde vragen 2, 3 en 4 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 125).
Wat doet u om samen met de sector er zorg voor te dragen dat de esthetiek van paarden zodanig wordt hervormd dat het verwijderen van de staart niet langer noodzakelijk geacht wordt voor het deelnemen aan tentoonstellingen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op de eerder door het lid Van Gerven gestelde vraag 7 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 124).
Het bericht dat bomen in Twekkelo zijn beschadigd door een leidingbreuk in het zoutwinningsgebied |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vereniging Behoud Twekkelo boos op Akzo: bomen lijden na leidingbreuk»1 en het bericht «OM onderzoekt of AkzoNobel met lekkages de wet overtreedt»?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat, na het bekend worden van de langjarige diesel-lekkage, opnieuw sprake is van een lekkage bij de zoutwinningproductie?
Ik vind dat, net als de Inspecteur-generaal der Mijnen, zorgwekkend. Ik denk daarom dat het onder verscherpt toezicht plaatsen van AkzoNobel Salt BV (hierna: AkzoNobel) door SodM een gepaste stap is.
Kunt u aangeven op welk moment de lekkage van brak water is ontdekt; hoe lang het heeft geduurd voordat er melding van is gemaakt bij het bevoegd gezag en wanneer er daarna vervolgens ook concrete acties zijn ondernomen?
Op 3 juli 2016 ontdekten omwonenden aan de Rougoorweg / Mensinkweg in het Hengelose deel van Twekkelo dat er op een akkerland (maïs) en in de omgeving daarvan waterplassen aanwezig waren. Dit is diezelfde dag om 17.35 uur aan AkzoNobel gemeld. AkzoNobel heeft vervolgens geconstateerd dat er een lekkage was in het horizontale buizenstelsel, waarmee «brak water» uit de zoutcaverne wordt getransporteerd. Na de melding is de pomp, waarmee het brakke water wordt verpompt, om 18.03 uur stopgezet en zijn afsluiters van de buisleiding dichtgezet. De tijd tussen ontvangst van de melding en de eerste actie daarop van AkzoNobel (het stoppen van de pomp en het sluiten van kleppen) bedroeg dus 28 minuten. Uit nader onderzoek door AkzoNobel is gebleken dat de lekkage op 3 juli 2016 vanaf 00.15 uur heeft plaatsgevonden en dat circa 1.400 m3 brak water is gelekt.
Het brakke water bestaat in hoofdzaak uit water met daarin opgelost steenzout. Steenzout bestaat in hoofdzaak uit natriumchloride (keukenzout) met kleine hoeveelheden mineralen zoals kalk. Door deze lekkage is bovengrondse schade zichtbaar. Planten kunnen verdrogen als er teveel zout in het grondwater terecht komt. De bladeren van verschillende bomen in de omgeving zijn bruin geworden en de bomen laten hun bladeren vallen. Ook is de maïs van het ondergelopen deel van het maïsland verwijderd. De overige (zout)verontreiniging zal door AkzoNobel moeten worden opgeruimd tot het niveau waarbij er geen risico’s zijn voor mens, natuur, drink- en grondwater. SodM en de gemeente Enschede hebben met AkzoNobel overleg gevoerd over de uit te voeren sanering.
Hoeveel brak water is in totaal gelekt uit de leidingbreuk? Hoeveel brak water is er gelekt tussen het moment van bekendwording van de lekkage, en het moment dat actie is ondernomen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke gevolgen kan het lekken van brak water nog meer hebben voor milieu, natuur, bodem, waterkwaliteit, leefomgeving en gezondheid, naast de al bekende aangetaste bomen? Is er onderzoek gedaan of verdere consequenties zich hebben voorgedaan?
Het brakke water is uit de sloot verwijderd met behulp van een vacuümwagen. De toplaag van het maïsveld is tot een diepte van circa 25 cm afgegraven en de met brak water verontreinigde grond is afgevoerd naar een erkende verwerker. Het grondwater ter plaatse van het maïsveld is op 15 juli en op 26 juli jl. bemonsterd en in overleg met het bevoegde gezag wordt bekeken welke aanvullende maatregelen nodig zijn om eventuele negatieve milieueffecten te voorkomen. Vooralsnog worden geen andere negatieve effecten verwacht.
Wat is de reden dat de leidingbreuk is ontstaan? Indien het mogelijk te wijten is aan de constructie of aan de materialen van de leiding, kunt u dan aangeven waar nog meer vergelijkbare leidingen liggen? Welke acties worden ondernomen om ervoor te zorgen dat er elders zich geen herhaling kan voordoen?
De leidingbreuk is ontstaan door corrosie van een T-stuk in de leiding. Er bevinden zich nog vijf vergelijkbare T-stukken en bochten in deze leiding. Deze stonden al op de lijst bij AkzoNobel om vervangen te worden, maar op basis van een risico- inschatting werd aangenomen dat vervanging nog niet direct noodzakelijk was. Inmiddels is AkzoNobel in opdracht van SodM gestart met het zo spoedig mogelijk vervangen van deze T-stukken en bochten. Vooruitlopend op deze vervanging zijn er bij alle vijf punten peilbuizen geplaatst. Uit analyse van monsters uit deze peilbuizen blijkt dat er geen lekkages zijn op deze punten. Een eventuele lekkage op deze punten zal met de peilbuizen onmiddellijk worden opgemerkt. Eind oktober 2016 zullen alle vijf T-stukken en bochten vervangen zijn.
Hoe is de lekkage bij de Mensinkweg ontdekt? Op welke manier en met welke frequentie wordt de integriteit van de transportleidingen gecontroleerd?
De lekkage is ontdekt door omwonenden, zie verder het antwoord op de vragen 3 en 4. Het is de verantwoordelijkheid van AkzoNobel om te voldoen aan alle wettelijke eisen zoals die in de Mijnbouwwet en in de aan AkzoNobel verleende vergunningen zijn gesteld. AkzoNobel dient in dat kader al het noodzakelijke onderhoud op de leidingen te plegen. SodM houdt toezicht op het naleven van de wettelijke eisen.
Naar aanleiding van een verhoogd aantal pekel- en brakwaterlekkages heeft SodM er in 2014 bij AkzoNobel op aangedrongen om het onderhoud en de inspectie van pijpleidingen te verbeteren en om het aantal lekkages te doen verminderen. Daarop is in 2015 onder meer door AkzoNobel een lekkage-preventieteam ingesteld. Hoewel er sprake was een kleine daling in het aantal lekkende leidingen in 2015 (vijf ten opzichte van acht in 2014), heeft de aanpak van AkzoNobel nog niet tot het gewenste resultaat geleid. Naar aanleiding van het aantal lekkages in 2016 tot heden en de recente gebeurtenissen met de lekkages bij putten en pijpleidingen heeft SodM haar toezicht op AkzoNobel aanzienlijk geïntensiveerd. In augustus heeft SodM aan de directie van AkzoNobel aangekondigd dat AkzoNobel onder verscherpt toezicht zou komen te staan. Dit is vanaf nu het geval.
Deelt u de mening, nu er ook een lekkage in de transsportleiding is ontdekt, dat het voor de hand ligt om ook al deze leidingen onder de loep te nemen, aangezien het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) naar aanleiding van de diesel-lekkage besloten heeft dat alle AkzoNobel zoutboringen moet worden onderzocht omdat er toch lekkages mogelijk blijken te zijn die niet werden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening.
Zo ja, hoe is het voorts mogelijk dat de verbetering van het onderhoud en inspectie van transportleidingen waar in 2014 al op is aangedrongen door de SodM nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid?
In de Mijnbouwwet is bepaald dat AkzoNobel de integriteit van haar pijpleidingen moet kunnen aantonen en overleggen. De wet is doel-voorschrijvend en legt geen gedetailleerde verplichting op ten aanzien van de manier waarop AkzoNobel de leidingen dient te monitoren. AkzoNobel heeft een monitoringssysteem waarin de pijpleidinggegevens staan en aan de hand van deze gegevens wordt op basis van een risicobeoordeling een inspectieprogramma voor de verschillende onderdelen van de pijpleiding opgesteld en uitgevoerd. Gezien het aantal lekkages dat bij de zoutwinning in 2015 en 2016 is opgetreden, vindt SodM dat er genoeg aanleiding is om de risicobeoordeling, waarop de inspectiefrequentie is gebaseerd, te herzien. AkzoNobel is daar inmiddels mee gestart.
Kunt u aangeven waarom er pas een maand na de ontdekking van de leidingbreuk in de media over de lekkage is bericht? Vindt u dat omwonenden en de lokale volksvertegenwoordiging sneller en actiever op de hoogte gebracht hadden kunnen worden? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Eén van de omwonenden heeft de lekkage ontdekt en aan AkzoNobel gemeld. AkzoNobel heeft deze vervolgens dezelfde avond rond 20.30 uur gemeld aan SodM en aan de gemeente Enschede. In hoeverre de melding van de lekkage via de gemeente is doorgegeven aan de lokale volksvertegenwoordigers en de media, is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat sinds 2014 zich in totaal 28 lekkages hebben voorgedaan op en buiten het fabrieksterrein en dat daardoor naar schatting 130 ton zout in het milieu terecht is gekomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie vanuit de lokale, regionale en landelijke overheid staat daar dan tegenover?
Allereerst merk ik op dat de 130 ton zout die in het milieu terecht is gekomen door lekkage bij AkzoNobel, ook door AkzoNobel is verwijderd. Dat neemt niet weg dat ik de lekkages bij AkzoNobel afkeur en de maatregel van de Inspecteur-generaal der Mijnen, om AkzoNobel onder verscherpt toezicht te stellen, volledig ondersteun.
Deelt u de mening dat mensen in dit gebied erop moeten kunnen rekenen dat de overheid alles op alles zet om te voorkomen dat er bij een groot bedrijf zoals AkzoNobel überhaupt lekkages zich voordoen? Zo ja, bent u voorts van mening dat de overheid tot nu toe adequaat gehandeld heeft? Zo nee, waarom niet?
Ongeacht de omvang van het bedrijf moeten mensen erop kunnen vertrouwen dat er alles aan gedaan wordt om lekkages te voorkomen. De Mijnbouwwet en de Omgevingswet bieden hier de kaders voor. Ik zie vooralsnog geen aanleiding om het handelen vanuit de overheid niet adequaat te noemen. Ik constateer wel dat AkzoNobel steken heeft laten vallen en ga er vanuit dat het verscherpte toezicht door SodM daar verandering in zal brengen.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat omwonenden in Twente adequaat geïnformeerd worden over de zoutwinning en dat zij deze informatie tijdig, gebundeld en toegankelijk aangeboden krijgen?
Het melden van incidenten door AkzoNobel aan SodM behoeft verbetering. Het informeren van direct betrokkenen, zoals landeigenaren en pachters, is vooral een taak van AkzoNobel. Voor zover mij bekend zijn er op dit punt geen problemen. Ik zie het als een verantwoordelijkheid van AkzoNobel om openheid naar omwonenden en andere geïnteresseerden te betrachten. Ik zal AkzoNobel verzoeken om deze informatie nadrukkelijker en transparanter openbaar te maken op haar website.
Het opnieuw onterecht afschieten van beschermde dieren op Terschelling |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wildbeheereenheid of eenheid voor afschot»?, waaruit blijkt dat op Terschelling jaarlijks reeën zonder noodzaak worden afgeschoten?1
Ja.
Is het waar dat de provincie Friesland toestemming geeft om op Terschelling wettelijk beschermde reeën af te schieten, zonder dat aan de wettelijke eis wordt voldaan dat dit in het belang dient te zijn van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, flora of fauna (Flora- en faunawet, artikel 67)?
Ingevolge de Flora- en faunawet en straks de Wet natuurbescherming is het aan de provincies om beslissingen te nemen op verzoeken om afschot van beschermde dieren.
Gedeputeerde staten van Friesland hebben op 30 juni 2015 een ontheffing op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet verleend aan de Faunabeheereenheid Fryslân (hierna: FBE) voor het doden van reeën in het belang van de verkeersveiligheid, vanwege de schade aan gewassen en natuur en ter voorkoming van onnodig lijden van zieke en gebrekkige dieren. Deze ontheffing is verleend op basis van het door de FBE vastgestelde en gedeputeerde staten goedgekeurde Faunabeheerplan 2014 – 2019. De FBE heeft desgevraagd aangegeven dat het de betreffende wildbeheereenheid een machtiging heeft verstrekt voor het gebruik van deze ontheffing voor het reguleren van de populatieomvang van reeën op Terschelling.
Ik heb vastgesteld dat gedeputeerde staten van Friesland bij het besluiten over verzoeken om de ontheffing zijn uitgegaan van het wettelijke kader. Van een fact-free faunabeleid is naar mijn mening derhalve geen sprake.
Wat is uw reactie op de constatering van de auteur dat «de betrokken (wild-) organisaties informatie hebben gekregen van dit ondoordachte provinciale beleid, maar dat de wildbeheereenheid hen – met sjoemelwaarheid – weet te overtuigen dat het prima geregeld is»?
Deze woorden laat ik voor rekening van de auteur van het desbetreffende artikel.
Indien het waar is dat provincie Friesland toestemming voor afschot geeft zonder dat aan artikel 67 van de Flora- en faunawet wordt voldaan, deelt u de mening dat hiermee opnieuw sprake is van «fact-free faunabeleid» op Terschelling, nadat de Raad van State eerder dit jaar uitsprak dat afschot van konijnen onterecht is omdat schade door konijnen niet aantoonbaar is?2 Zo ja, kunt u aangeven hoe dit valt te rijmen met uw antwoord op vragen van lid Thieme, waarin u het belang van goede onderbouwing van afschot onderstreept en dit in de communicatie met grondgebruikers nader zou verduidelijken? Zo nee, waarom niet?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om spoedig een einde te maken aan de afschot van reeën op Terschelling? Zo nee, waarom niet?
De provincie Friesland heeft laten weten dat de afschot van reeën zoals dat op Terschelling door de Wildbeheereenheid is uitgevoerd, niet valt binnen het doel en de voorwaarden waarvoor de ontheffing is verstrekt. De provincie heeft aangegeven dat zij maatregelen zal nemen om herhaling te voorkomen.
Het nog steeds couperen van paardenstaarten ondanks het verbod sinds 2001 |
|
Henk van Gerven |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het feit dat praktisch alle trekpaarden bij de Nationale Tentoonstelling van 18, 19 en 20 augustus jl. een geamputeerde (gecoupeerde) staart hebben?1
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op de eerder door het lid Wassenberg gestelde vraag 5 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 125).
Welke controles hebben plaatsgevonden bij de Nationale Tentoonstelling? Welke instructie heeft het personeel van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) meegekregen betreffende paarden met gecoupeerde staarten? Vraagt de NVWA bezitters van een gecoupeerd paard naar een bewijs van medische noodzaak?
Kunt u de beantwoording op eerdere toelichten, waarin u aangaf: «Gelet hierop ben ik voornemens de komende periode bestuursrechtelijk te gaan handhaven op het tentoonstellingsverbod»?2
Hoeveel en welke controles hebben plaatsgevonden in het jaar 2016?
Zijn overtredingen geconstateerd en zo ja, welke, en welke vervolgactie is hierop genomen?
Is het inderdaad noodzakelijk dat een paard aan iemand in het buitenland verkocht moet zijn, vervolgens gecoupeerd en daarna weer teruggekocht, zoals tijdens de uitzending wordt beweerd, en wordt hierop gecontroleerd?
Het couperen van paarden is een verboden lichamelijke ingreep, tenzij de ingreep uit diergeneeskundige noodzaak wordt verricht. In geval van het aantreffen van een gecoupeerd paard op een tentoonstelling zal de organisator van de tentoonstelling c.q. de houder van het paard moeten kunnen aantonen niet in overtreding te zijn door middel van een diergeneeskundige verklaring waaruit blijkt dat het dier op grond van een diergeneeskundige verklaring is gecoupeerd.
Kunt u toelichten op welke recente ontwikkelingen werd gewezen toen de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken in het Algemeen overleg Paardenhouderij op 28 januari 2015 zei: «In de rechtspraak hebben zich heel recentelijk ontwikkelingen voorgedaan met betrekking tot hondententoonstellingen. Daarom zie ik nu ook mogelijkheden om het tentoonstellingsverbod van gecoupeerde dieren beter te handhaven, ook voor dieren die legaal in het buitenland gecoupeerd zijn»? Op welke uitspraak en op welke mogelijkheden wordt er gedoeld? Wilt u de betreffende uitspraak over de hondententoonstelling toevoegen?
Het ten tijde van het Algemeen Overleg Paardenhouderij gedane uitspraak berust op een misverstand. Er hebben zich geen ontwikkelingen in de rechtspraak voorgedaan inzake hondententoonstellingen op grond waarvan een verbod op deelname van gecoupeerde dieren beter handhaafbaar zou zijn. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op de door u gestelde vragen 2 t/m 6 van 29 maart 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2046) inzake deelname gecoupeerde paarden aan hengstenkeuring.
Onderschrijft u dat het beleid voor handhaving – wat neerkomt op vriendelijk vragen aan de Koninklijke Vereniging Het Nederlandse Trekpaard en de Haflinger (KVTH) – niet effectief geweest is?
Zie antwoord vraag 7.
Onderkent u dat als de KVTH een verbod op deelname van veulens met gecoupeerde staarten opneemt in haar wedstrijdreglementen (of het hebben van een staart als positief beoordelingscriterium voor winnaars) en het afwijzen van couperen opneemt in haar statuten, het probleem is opgelost?
De KVTH kan het deelnemen aan tentoonstellingen met gecoupeerde paarden in haar wedstrijdreglementen uitsluiten. Hiermee zou mogelijk een deel van het probleem opgelost kunnen worden. Van belang hierbij is dat naast de KVTH ook andere organisatoren van tentoonstellingen deze uitsluiting in hun wedstrijdreglementen opnemen.
In de uitzending van Reporter Radio beweert een woordvoerder van de KVTH dat de KVTH geen bepaling over gecoupeerde staarten in haar wedstrijdreglement op kan nemen vanwege de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven uit 2002; de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) sluit echter wel paarden met gecoupeerde staarten uit van wedstrijden; onderschrijft u dat de uitspraak van de KVTH niet klopt en dat zij wel bepalingen omtrent gecoupeerde paardenstaarten op kunnen nemen in hun wedstrijdreglement en statuten?
Mijn opvatting is dat elke vereniging binnen de kaders van de wet dergelijke voorwaarden kan opnemen in haar statuten en reglementen. De uitspraak van het CBb doet daar niet aan af.
Bent u bereid de KVTH steviger aan te pakken en ervoor te zorgen dat zij dergelijke bepalingen opnemen in hun wedstrijdreglement en statuten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op de door u gestelde vraag 7 van 29 maart 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2046) inzake deelname gecoupeerde paarden aan hengstenkeuring.
Bent u bereid de KVTH stamboekerkenning te onthouden als zij niet hun wedstrijdreglement en statuten aanpassen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Onderschrijft u dat het verbod tot deelname aan een tentoonstelling in de Memorie van Antwoord van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in 1987 niet werd gezien als een belemmering van verkeer van personen of goederen en onderschrijft u dat verleende ontheffingen in 2001 en 2002 dieren betroffen die «afkomstig zijn uit» landen waar couperen is toegestaan en dat dit iets anders is dan een dier waarbij de ingreep is «gedaan in» een land waar dat is toegelaten?
Voor mij doet een eventueel onderscheid tussen een dier dat afkomstig is uit het buitenland, dan wel een dier dat in het buitenland is gecoupeerd, er niet toe. Ik ben van mening dat in beide gevallen het dier niet mag deelnemen aan een in Nederland georganiseerde keuring of tentoonstelling indien het couperen niet heeft plaatsgevonden op grond van een diergeneeskundige noodzaak.
Kunt u aangeven wanneer u het couperen van Nederlandse paardenstaarten heeft beëindigd en de wet uit 2001 effectief handhaaft?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op de eerder door het lid Wassenberg gestelde vraag 4 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 125).
Het op grote schaal illegaal couperen van paardenstaarten |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Controles op staarten van trekpaarden» en «Nostalgie van het trekpaard», waaruit blijkt dat vrijwel alle paarden op de Nationale Tentoonstelling voor trekpaarden gecoupeerd waren ondanks het wettelijke verbod hierop?1 2
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel processen-verbaal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) tijdens deze tentoonstelling heeft opgemaakt? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoorden op vragen inzake het meedoen van gecoupeerde paarden aan hengstenkeuringen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2046) heb ik aan uw Kamer aangegeven voornemens te zijn bestuursrechtelijk te gaan handhaven op het tentoonstellingsverbod. De NVWA doet momenteel onderzoek naar aanleiding van tentoongestelde, gecoupeerde paarden. In het kader van dit onderzoek heeft de NVWA controles uitgevoerd op tentoonstellingen in Zeeland en Limburg. Het onderzoek is onderdeel van een bestuursrechtelijk handhavingstraject. Proces-verbaal wordt opgemaakt in het kader van strafrecht en is hier derhalve niet aan de orde. Wanneer op basis van het lopende onderzoek overtredingen worden vastgesteld, kan hiertegen bestuursrechtelijk worden opgetreden door bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom.
Hoe is het op grote schaal tentoonstellen van gecoupeerde paarden te rijmen met uw antwoord op eerdere vragen, namelijk dat u bestuursrechtelijk zal handhaven op het tentoonstellingsverbod van paarden met geamputeerde staarten?3
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vordert uw onderzoek naar effectievere handhaving van dit tentoonstellingsverbod? Op welke termijn en op welke wijze verwacht u de resultaten hiervan te kunnen implementeren?
Het resultaat van het ingezette bestuurlijke handhavingstraject vormt de basis voor het onderzoek. Dit resultaat is bepalend voor het kunnen vaststellen van de effectiviteit ervan en de wijze waarop deze kan worden verbeterd om aan de ongewenste situatie een einde te maken. Ik zal uw Kamer hierover dit najaar informeren.
Deelt u de mening dat het teleurstellend is dat ondanks diverse verzoeken de Koninklijke Vereniging Het Nederlandse Trekpaard en de Haflinger (KVTH) het couperen niet op vrijwillige basis wil uitbannen en dat het zorgwekkend is dat het dreigen met boetes en controles door de NVWA kennelijk geen effect sorteert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe bent u voornemens zich in te spannen voor een cultuuromslag bij de KVTH?
Ik vind het altijd teleurstellend dat een sector, welke sector dan ook, niet in staat is zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en daarop vervolgens aangesproken moet worden middels handhaving. Om deze reden ben ik ook begonnen met het bestuursrechtelijke handhaven.
Het bericht dat diverse bospaden vol asbest blijken te liggen |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de publicatie in de Stentor van vandaag over diverse bospaden die vol asbest zitten?1
Ja.
Weet u hoe omvangrijk dit probleem is? Gaat het hier alleen om Apeldoorn of om een veel groter gebied?
In het verleden is in heel Nederland asbesthoudend puin gebruikt om wegen en paden te verstevigen. Het betreft fiets- en wandelpaden en wegen en erven van zowel private als publieke eigenaren in de voornamelijk agrarische buitengebieden. Het is onbekend welke wegen op deze wijze zijn versterkt. Na de asbestmelding in het bos in Apeldoorn voert de gemeente Apeldoorn een inventarisatie uit in het bos waar het asbest ligt. Dit neemt enige weken in beslag. Op basis van de uitkomsten zal de gemeente Apeldoorn in overleg met de andere beheerders beoordelen of de situatie in het Apeldoornse bos representatief is voor een groter gebied.
In het artikel wordt gemeld dat het bosgebied vol ligt met kankerverwekkend materiaal; wat is uw inschatting over de ernst van de situatie?
De onverharde bospaden in het bos zijn verstevigd met puin waarin hechtgebonden asbest kan voorkomen. Dit komt nu naar de oppervlakte. Ook is er in het verleden puin gestort waarin asbesthoudend materiaal kan hebben gezeten. Bij iedere asbestvondst moet in beeld worden gebracht of er gevaar is voor de leefomgeving. De gemeente Apeldoorn doet nader onderzoek naar de verspreiding van het asbest in het bos.
Heeft het gevolgen voor de volksgezondheid en milieu? Welke maatregelen dienen genomen te worden? Wat kunt u op korte termijn doen?
Asbestwegen kunnen een gezondheidsrisico opleveren voor de gebruikers. Daarom zijn asbestwegen verboden sinds 1 januari 2000. Asbestwegen dienen conform het Besluit asbestwegen gemeld te worden bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De gemeente heeft inmiddels contact opgenomen met de Inspectie. Op basis van de inventarisatie en nadere onderzoeken zal een plan tot sanering worden opgesteld. Indien blijkt dat de norm (100 mg/kg gewogen droge stof) wordt overschreden, zal de weg conform het Besluit asbestwegen moeten worden gesaneerd.
Leiden deze vondsten ertoe dat de toegang tot natuurgebieden voor recreanten, toeristen en overige gebruikers beperkt dient te worden? Zo ja, voor hoe lang worden dergelijke gebieden afgezet?
Uit een eerste inventarisatie en bodemonderzoek is gebleken dat het gaat om hechtgebonden asbest, dat zich naar zijn aard niet verspreidt in de leefomgeving. Uit de in antwoord op vraag 2 gemelde inventarisatie door de gemeente zal blijken of de conclusie van de eerste inventarisatie bevestigd wordt. Op grond van de eerste inventarisatie acht het bevoegd gezag afzetting van het gebied niet nodig.
Onlangs werd ook al asbest aangetroffen in het Huis der Provincie in Gelderland en in het congres- en muziekcentrum Musis Sacrum in Arnhem; deelt u de verontrusting over de telkens nieuwe vondsten van asbest in zowel gebouwen als in de natuur? Heeft u wel inzicht in de omvang van het gebruik van asbest in de vorige eeuw of zullen we telkens opnieuw verrast worden? Kunt u uw antwoord toelichten en aangeven welke maatregelen voor dergelijke vondsten toegepast kunnen worden vanuit de rijksoverheid?
In 2010 constateerde de Gezondheidsraad dat asbest gevaarlijker is dan tot dan toe werd aangenomen. Gegeven deze constatering is de focus van het asbestbeleid nadrukkelijker dan in het verleden gericht op het maximaal beheersen van de risico's van asbest, om zo de gezondheidsrisico's te beperken.
In eerste instantie zijn de asbesthoudende remvoeringen van auto's verboden. In 1994 volgde een verbod op het gebruik van nieuw asbest. Vervolgens zijn de bekende asbestwegen in de regio's Goor en Harderwijk uitgefaseerd. Het is landelijk onbekend hoeveel asbestwegen er nog zijn en waar deze zich bevinden. De ILT reageert op meldingen die door wegeigenaren worden ingediend bij het meldpunt van de Inspectie. Jaarlijks worden er 100–150 wegen gemeld voor sanering. Asbestdaken worden vanaf 2024 verboden omdat deze daken verweren en een gevaar kunnen vormen voor de leefomgeving.
Waar asbest veilig aanwezig is, kan het blijven zitten. Zolang asbest in gebouwen en installaties niet geraakt wordt, vormt dit geen gezondheidsrisico. Zodra asbest niet meer veilig aanwezig is (bijvoorbeeld afbrokkelt), moet het op verantwoorde wijze verwijderd worden. Als er verbouwd, gerenoveerd of gesloopt wordt, moet asbest eerst geïnventariseerd worden en vervolgens op de voorgeschreven wijze verwijderd worden.
Tunnels voor dassen en otters |
|
Duco Hoogland (PvdA), Henk Leenders (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Reporter Radio over de knelpunten bij dassen- en ottertunnels?1
Ja.
Welk gevolg heeft u gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (2014) dat het onderhoud van de tunnels in 2015, 2016 en 2017 moest (of moet) worden gerealiseerd?
Volgens de uitspraak van 4 november 2014 van het Gerechtshof in Den Haag moet de Staat 21 urgente verkeersknelpunten voor otters oplossen. Het Hof stelde gefaseerde termijnen vast waarbinnen voorzieningen, zoals aanleg of herstel van looprichels, rasters of duikers, getroffen dienen te worden.
Mijn voorganger heeft in 2014 aan Rijkswaterstaat een bedrag van € 655.000 beschikbaar gesteld voor het oplossen van urgente otterknelpunten in rijkswegen. Deze maatregelen zijn inmiddels vrijwel geheel gerealiseerd. Voorts is er zowel in 2015 als in 2016 overleg gevoerd met de provincies Friesland en Overijssel met betrekking tot de voorgestelde maatregelen voor het oplossen van de in de uitspraak benoemde verkeersknelpunten voor de otter.
Wat is de reden dat, van de dertien tunnels waar problemen opgelost moesten worden die in 2015 en 2016 opgelost hadden moeten zijn, er bij twaalf tunnels nog steeds problemen zijn?
In vervolg op de antwoorden aan uw Kamer van juni 2015 (Aanhangsel Handelingen vergaderjaar 2014–2015, nr. 2654) heb ik begin 2016 opdracht gegeven aan onderzoeksinstituut Alterra om een inventarisatie te maken van de situatie met betrekking tot het oplossen van de 21 urgente otterknelpunten.
Aan de hand van veldbezoeken op 2 en 3 februari 2016 is door Alterra een beoordeling gemaakt van de stand van zaken. De onderzoekers hebben de resultaten met de betreffende wegbeheerders (Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten) besproken en informatie verkregen over de plannen en planning met betrekking tot het oplossen van de knelpunten die nog niet zijn opgelost.
De resultaten van deze inventarisatie wijzen uit dat het in een aantal gevallen gaat om een complexe problematiek, waar in de praktijk in samenwerking met meerdere partijen gezocht wordt naar praktisch uitvoerbare en technisch haalbare en betaalbare oplossingen. Bij een aantal urgente verkeersknelpunten blijkt een eerder gegeven advies van Alterra voor de aanleg van faunabuizen met geleidende rasters op praktische of maatschappelijke problemen (zoals waterveiligheid) te stuiten. Het rapport «Stand van zaken urgente otterknelpunten» van 10 mei 2016, inclusief een addendum van september 2016 met de nadere details per knelpunt, treft u hierbij als bijlage aan2.
Waar ligt de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de tunnels die onderhouden zouden moeten worden bij de N351, Lemsterweg, Heidenskipsterdyk, De Auken, N331, Meenteweg en N334?
De verantwoordelijkheid voor het onderhoud van faunavoorzieningen ligt bij de betreffende wegbeheerders. In dit geval zijn dat de provincies Friesland en Overijssel voor provinciale wegen en de betrokken gemeenten voor de gemeentelijke wegen.
Welke verantwoordelijkheid heeft de rijksoverheid bij het onderhoud van dassen- en ottertunnels in het algemeen, en bij de genoemde tunnels in het bijzonder? Heeft de rijksoverheid een coördinerende verantwoordelijkheid? Welke afspraken zijn er gemaakt met andere overheden of organisaties? Hoe is de financiering voor het onderhoud geregeld?
Het Rijk is alleen verantwoordelijk voor het onderhoud van de tunnels bij wegen waar het Rijk wegbeheerder is. In dit geval gaat het om de door Rijkswaterstaat gerealiseerde tunnels en andere voorzieningen zoals al genoemd in het antwoord op vraag 2. De financiering van het onderhoud aan deze voorzieningen is onderdeel van het onderhoudsbudget van Rijkswaterstaat zoals opgenomen in de begroting van het Infrastructuurfonds. Rijk en provincies hebben conform het Bestuursakkoord (2011) en het Natuurpact (2013) afgesproken dat de provincies verantwoordelijk zijn voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland en soortenmaatregelen binnen en buiten het netwerk.
Gaat u alsnog, en met enige spoed, zorgdragen voor het oplossen van het knelpunt bij de N351, dat in 2015 opgelost had moeten zijn?
Uit het Alterra-rapport «Stand van zaken urgente otterknelpunten» blijkt dat het knelpunt N351 (Friesland) Kuinre-Wolvega ter hoogte van de Scheene is opgelost. Voor knelpunt N351 Kuinre-Wolvega ter hoogte van Spanga is groot onderhoud in voorbereiding. De provincie Friesland onderzoekt in het kader van werk met werk maken welke mogelijkheden er zijn om ook een oplossing voor het otterknelpunt hierin mee te nemen. De oplossing van dit knelpunt hangt bovendien nauw samen met de veenweideproblematiek ter plaatse. Het waterpeil gaat de komende jaren mogelijk omhoog en daarmee zouden thans aan te leggen faunabuizen onder water lopen en hun functie verliezen. Een voorverkenning is in gang gezet en volgens planning is dit knelpunt in 2018 opgelost. In de tussentijd wordt gekeken of tijdelijke alternatieven ingezet kunnen worden.
Gaat u alsnog, en met enige spoed, zorgdragen voor het oplossen van knelpunten bij de elf tunnels waar nog problemen zijn, die begin 2016 opgelost hadden moeten zijn?
De slotsom van het Alterrarapport «Stand van zaken urgente otterknelpunten» inclusief het addendum september 2016 is dat de wegbeheerder, overige betrokkenen en Alterra voor een aantal knelpunten verder overleg moeten voeren en dat een nadere analyse nodig is.
Met de betrokken provincies en Rijkswaterstaat is overleg gevoerd over de urgentie om deze knelpunten op te lossen waarbij, zoals uit de inventarisatie blijkt, elk knelpunt om maatwerk vraagt. Het knelpunt Heidenskipsterdyk is volgens de onderzoekers geen probleem meer, vanwege zijn ligging aan de rand van het verspreidingsgebied van de otter en omdat er al jaren geen otteractiviteiten zijn waargenomen.
Gaat u ervoor zorgen dat de knelpunten bij tunnels bij de A32 en N361, die in 2017 opgelost moeten zijn, ook daadwerkelijk opgelost worden?
De voorziening aan de N361 zal in het kader van de realisatie van de Centrale As voor 1 mei 2017 worden opgeleverd, waarmee de oplossing van dit knelpunt aansluit bij het arrest.
Voor het knelpunt A32 lijkt op basis van een eerste analyse geen adequate oplossing voorhanden. Als vervolgstap wordt nu gekeken of er alternatieve oplossingen zijn.
Hoe moet dit probleem worden gezien in relatie tot de Europese verplichting, voortkomend uit de Habitatrichtlijn, om de otter als beschermde diersoort te beschermen?
Nederland heeft de verantwoordelijkheid voor het treffen van passende maatregelen voor het in stand houden van natuurlijke habitats en de in het wild levende flora en fauna. Ik verwijs u hiervoor ook naar het antwoord op vraag 5 en 7.
Het onterecht toestaan van het afschieten van damherten door de provincie Zeeland |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de provincie Zeeland opnieuw ten onrechte ontheffing heeft verleend voor het afschieten van damherten?1
Ik heb kennis genomen van de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin zij een ontheffing van de provincie Zeeland voor het afschieten van damherten heeft vernietigd, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat ingrijpen in de omvang van populaties damherten noodzakelijk is. Ingevolge de Flora- en faunawet zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor het besluiten op verzoeken tot het afschieten van beschermde diersoorten. Het is aan de provincie Zeeland om gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de provincie om het aantal damherten drastisch in te perken, terwijl het aantal damherten dat nu aanwezig is geen negatief effect heeft op de plaatselijke natuurwaarden en het welzijn van de dieren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitsluiten dat vaker besloten wordt tot afschot van beschermde diersoorten, zonder dat aan de wettelijke eis wordt voldaan dat dit in het belang is van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, flora of fauna (Flora- en faunawet, artikel 67)? Zo nee, waarom niet?
Onder de Flora- en faunawet en ook onder de Wet natuurbescherming die vanaf 1 januari 2017 inwerking treedt, zijn gedeputeerde staten bevoegd tot het nemen van besluiten over het afschot van beschermde dieren. Tegen genomen besluiten staan bezwaar en beroep bij de rechter open. Ik verwijs u ook naar de antwoorden op vraag 1 en 2.
Hoe gaat u voorkomen dat er niet langer onterecht afschotbesluiten worden genomen, waardoor jaarlijks tienduizenden reeën, herten, zwijnen, zwanen, ganzen en andere dieren ondanks hun wettelijke bescherming de facto vogelvrij zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat door de decentralisatie van het faunabeleid van het Rijk naar de provincies, er een risico is op rechtsongelijkheid tussen de verschillende provincies? Zo ja, hoe bent u van plan dit risico weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
De decentralisatie van het faunabeleid naar provincies is sinds de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet in 2002 een feit en zal in de Wet Natuurbescherming worden gecontinueerd. Uw Kamer is in december 2014 geïnformeerd dat decentralisatie kan leiden tot onderlinge verschillen tussen de provincies (Kamerstuk 33 348, nr. 9). Het is immers de bedoeling dat door decentralisatie beter recht wordt gedaan aan regionale omstandigheden en beter wordt aangesloten bij de regionale en lokale opvattingen. Tegelijk moet worden bedacht dat de provincies gehouden zijn te handelen in overeenstemming met de relevante internationale en nationale kaders, zoals deze zijn opgenomen in de Flora- en faunawet en de Wet natuurbescherming. De provincies zijn zich bovendien bewust van het belang van samenwerking en onderlinge afstemming.
Het bericht 'Recreatieplassen in de uitverkoop, bedrijven nemen exploitatie over’ |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van het feit dat gemeenten hun recreatieplassen overdoen aan commerciële uitbaters?1 Op welke schaal gebeurt dit in Nederland?
Ja, het is mij bekend dat er gemeenten zijn die dit doen. Op welke schaal dit gebeurt in Nederland is niet bekend.
Staat het gemeenten vrij om het beheer over te doen aan private partijen, terwijl het om een publieke voorziening gaat? Staat de wet dit toe?
Ja, het staat decentrale overheden vrij om te bepalen wat voor recreatiebeleid zij voeren. Er bestaat geen wet op het beheer van recreatieplassen.
Heeft het feit dat «het onderhoud te duur is» te maken met de hoeveelheid taken die gemeenten erbij hebben gekregen terwijl het budget niet navenant meesteeg? Of geldt het vooral voor gemeenten die vanwege te actief grondbeleid in het verleden dit soort dure taken liever afstoten?
Decentrale overheden bepalen zelf hoeveel zij willen besteden aan het onderhoud van recreatieplassen en welke afwegingen zij daarbij maken. Dit betreft niet een taak die zij erbij hebben gekregen, of waaraan een budget is of was verbonden.
Kunt u een overzicht geven waar in Nederland dit proces al is voltooid en waar het in voorbereiding is?
Nee, er is geen landelijk overzicht hoe lokale recreatieplassen worden beheerd, noch is bekend of hier al dan niet gesproken kan worden van een algemeen proces.
Kunt u aangeven of de recreatieplassen die in private handen zijn gekomen nog net zo toegankelijk zijn voor mensen met een kleine portemonnee als voor die tijd? Hoe zijn bijvoorbeeld parkeertarieven vastgesteld na de overnames?
Er is op landelijk niveau geen inzicht in de toegankelijkheid van recreatieplassen of hoe eventuele lokale parkeertarieven worden vastgesteld bij recreatieplassen.
Wat is de rol nog van de recreatieschappen, nu er blijkbaar steeds minder behoefte bestaat om recreatiegebied vanuit het publieke domein aan te sturen?
De rol van recreatieschappen is in diverse gebieden verschillend, afhankelijk van de in de gemeenteraden en provinciale staten vastgestelde uitgangspunten. Het Rijk heeft geen specifieke opvattingen over mogelijke rollen van recreatieschappen.
Vindt u het een goede zaak wanneer het Henschotermeer, dat bijzonder wordt gewaardeerd in de regio Maarn-Woudenberg, in private handen komt en daardoor misschien moeilijker toegankelijk wordt? Hoe zeker is het dat in die regio niet binnenkort ook ‘s Gravenbol en de dagcampings bij Doorn en Leersum in handen van commerciële uitbaters terecht komen?
Zoals in antwoord 2 genoemd, is het aan decentrale overheden om te bepalen hoe zij het beheer van hun plaatselijke recreatiemeren regelen. De in uw vraag genoemde recreatiewateren zijn op dit moment in beheer van het Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug Vallei- en Kromme Rijngebied. Op 13 maart 2014 heeft het algemeen bestuur van dit recreatieschap besloten het recreatieschap per 1 januari 2018 op te heffen. Er is een zorgvuldig proces gaande om voor alle recreatievoorzieningen een rechtsopvolger te vinden die de verplichtingen van het recreatieschap overneemt.
Uit de Samenwerkingsovereenkomst projectgebied Henschotermeer2 blijkt dat de betrokken partijen voor 1 januari 2018 private partners de ruimte willen bieden voor het beheer en exploitatie van dit meer. Het meer blijft openbaar toegankelijk voor bezoekers, maar niet per definitie gratis.
Uit openbare stukken van de gemeente Wijk bij Duurstede3 blijkt dat het beheer van ‘s Gravenbol de komende drie jaar in handen blijft van de stichting WijkNogLeuker. Ook blijkt uit deze stukken dat de gemeente Wijk bij Duurstede voornemens is ’s Gravenbol over te nemen van het Recreatieschap.
Voor wat betreft het Doornse Gat, een dagcamping in Doorn, is het proces nog gaande en heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug begin 2016 bekend gemaakt de grond in beginsel niet over te willen nemen van het Recreatieschap, waarna een verkoopproces van de grond in gang gezet is4.
Is deze transitie onderdeel van staand recreatiebeleid, is het terug te vinden in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte of is het sluipenderwijs tot stand gekomen? Als dit allemaal niet zo is, waarom gebeurt het dan zonder dat daar een debat aan voorafgaat over of dit een wenselijke ontwikkeling is in de ruimtelijke ordening van ons land?
Het Rijk heeft zoals ook in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staat geen verantwoordelijkheid voor recreatiebeleid en -plassen. Dit is expliciet benoemd in de realisatieparagraaf van de SVIR die uitgebreid is besproken in de Tweede Kamer. Het is aan decentrale overheden en -politiek om te bepalen welk beleid men wil voeren voor recreatie(plassen). Het debat over deze ontwikkelingen hoort dan ook thuis in de lokale en provinciale democratie.
Wat is het salaris van de directeur van Leisurelands, het bedrijf dat nu veel recreatieplassen uitbaat? Is het waar dat tweeëntwintig gemeenten aandeelhouders zijn van Leisurelands? Betekent dit dat publieke middelen in de zak van deze directeur belanden? Hoe is dit uit te leggen aan de mensen die tot voor kort gewoon zonder kosten aan de plas konden recreëren?
Volgens het openbare jaarverslag5 bedraagt het salaris van de directeur van Leisurelands in 2015 € 272.707,- (waarvan € 50.000,- variabel is). De WNT-norm is niet van toepassing op Leisurelands B.V.
Ja, uit het openbare jaarverslag blijkt tevens dat tweeëntwintig gemeenten en de «Gemeenschappelijke Regeling Recreatieschap Achterhoek Liemers» aandeelhouder zijn van Leisurelands. Het is aan de raad van commissarissen en aandeelhouders van Leisurelands om te controleren hoe middelen besteed worden en hoe hierover gecommuniceerd wordt.
De tuinwallen op Texel |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de tuinwallen op Texel?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze tuinwallen een belangrijke ecologische en cultuurlandschappelijke waarde hebben en al sinds 1650 bestaan, waardoor ze een stabiel element in het landschap vormen?
Ja.
Waarom zijn de tuinwallen geen onderdeel van de vergroeningsmogelijkheden binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, terwijl in andere EU-lidstaten vergelijkbare wallen wel kunnen worden opgegeven als ecologisch aandachtsgebied?
Tuinwallen zijn perceelafscheidingen met een breedte van 1 meter. Tuinwallen kunnen niet opgegeven worden als ecologisch aandachtsgebied omdat ze niet opgenomen zijn in de Europese lijst van landschapselementen die door lidstaten toegelaten kunnen worden als ecologisch aandachtsgebied. Dit betekent dat ook andere lidstaten met tuinwallen vergelijkbare wallen niet toe kunnen laten als ecologisch aandachtsgebied.
Is het waar dat EU-lidstaten jaarlijks wijzigingen in de vergroening van ecologische aandachtsgebieden kunnen melden bij de Europese Commissie? Is het waar dat de deadline hiervoor op 1 augustus 2016 is voor het jaar 2017? Waarom is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) niet bereid deze tuinwallen voor 1 augustus 2016 aan te melden als mogelijkheid tot een vergroeningselement in 2017?
Lidstaten kunnen elk jaar besluiten tot wijzigen in de invulling van de vergroening binnen de mogelijkheden van de Europese regelgeving. Deze wijzigingen moeten gemeld worden voor 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de wijziging. Omdat tuinwallen niet toegelaten zijn als landschapselement, kan ik een besluit tot toelating van tuinwallen als landschapselement niet nemen en is melding van een besluit bij de Europese Commissie niet aan de orde.
Weet u dat deze tuinwallen onbemest en onbespoten zijn, niet of laat worden gemaaid en een grote soortenrijkdom hebben? Weet u dat deze tuinwallen daarnaast een belangrijke cultuurwaarde voor Texel kennen? Deelt u de mening dat het vreemd is dat deze tuinwallen om die reden geen onderdeel uitmaken van de mogelijkheden tot vergroening? Zo nee, waarom niet?
Ik ben inmiddels op de hoogte van het bestaan van tuinwallen en de waarde ervan voor Texel. Toegelaten landschapselementen die grenzen aan bouwland mogen ingezet worden. Zo bezien zou het logisch zijn als tuinwallen op Texel daar ook bij horen. Doordat het gaat om een zeer kleine regio en een geringe oppervlakte is het echter niet vreemd dat ze tot op heden niet zijn toegelaten.
Maken de tuinwallen onderdeel uit van de vereenvoudiging van de vergroeningsmaatregelen die volgend jaar van kracht worden? Zo nee, waarom niet?
Tuinwallen komen niet voor in de voorstellen voor de vereenvoudiging van de vergroeningsmaatregelen die de Europese Commissie heeft gedaan in juni 2016. Tuinwallen maakten ook geen deel uit van de vereenvoudigingsvoorstellen die ik in maart 2016 (Kamerstuk 28 625, nr. 234) bij de Europese Commissie heb ingediend na consultatie van het bedrijfsleven. Vanuit het bedrijfsleven is een dergelijk voorstel niet aangeleverd.
Bent u bereid om maatregelen te nemen om ook de tuinwallen onderdeel te laten zijn van de vergroeningsmaatregelen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen mogelijkheden om tuinwallen op korte termijn onderdeel te laten zijn van de vergroeningsmaatregelen omdat ze niet opgenomen zijn in het voorstel van de Commissie. Voor de wat langere termijn ben ik bereid om de mogelijkheid om tuinwallen toe te staan als vergroeningsmaatregel in te brengen in de discussie over de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
Het bericht ‘Proef met koeien in de wei zonder fysieke afrastering’ |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Proef met koeien in de wei zonder fysieke afrastering»?1 Bent u bekend met de methode waarop deze koeien ervan worden weerhouden het weiland te verlaten?
Ja. De Cow Guide is een project van Courage, een samenwerking tussen LTO en NZO. Het project is vooraf getoetst en akkoord bevonden door een ethische commissie (Dier Experimenten Commissie).
Bent u betrokken bij dit initiatief? Zo ja, wanneer verwacht u de resultaten en kunt u deze resultaten delen met de Kamer?
Nee, de overheid is niet betrokken bij dit initiatief.
Is het waar dat deze koeien door middel van geluids- én elektrische impulsen worden afgericht? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het verbod op het gebruik van apparatuur die door middel van stroomstoten, elektromagnetische impulsen of straling pijn kan toebrengen? Kan het als dierenmishandeling worden gekwalificeerd?2
Ja. De koe krijgt een halsband met een zender die in contact staat met een – via GPS uitgezette – imaginaire afrastering met stroom. De koe leert met een conditionerende prikkel om uit de buurt te blijven van deze imaginaire afrastering. Als de koe in de buurt komt van de afrastering, krijgt ze eerst een geluidssignaal te horen, en als ze dan toch verder gaat een kleine elektrische prikkel, vergelijkbaar met de prikkel die ze zou krijgen als ze een gangbare, elektrische afrastering zou aanraken.
De Cow guide is een voor de koe voorspelbare en controleerbare prikkel, vergelijkbaar met een elektrische afrastering. Ook daarvan weet een koe na één maal aanraken dat zij er uit de buurt moet blijven. De praktijk laat zien dat een koe ook bij een gangbare elektrische afrastering eens in de zoveel tijd uitprobeert of er nog steeds stroom staat.
In artikel 2.1. van de Wet Dieren en in artikel 1.3 van het Besluit houders van dieren zijn enkele specifieke gedragingen opgenomen die gelden als dierenmishandeling. In het 1 juni jl. naar uw Kamer verzonden ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn (Kamerstuk 28 286, nr. 878) is aan artikel 1.3 een aantal gedragingen toegevoegd, waaronder het gebruik van apparatuur waarmee het dier door middel van stroomstoten, elektromagnetische signalen of straling pijn kan worden toegebracht. Hierop zijn enkele uitzonderingen gemaakt, waaronder het gebruik van elektrische afrastering of omheining die is toegelaten voor het afzetten en omheinen van een perceel. De Cow guide zie ik als een alternatieve manier om koeien binnen een weide te houden. De Cow guide werkt als een virtuele elektrische afrastering en deze behoort dan ook op één lijn te worden gesteld met de elektrische afrastering en omheining zoals genoemd in de aangehaalde uitzondering. In de tekst van het ontwerpbesluit zoals dat aan de Raad van State wordt aangeboden, zal de genoemde uitzondering – indien uit het project blijkt dat het succesvol is – worden verduidelijkt, zodanig dat virtuele elektrische afrasteringen zoals de Cow guide expliciet in de uitzondering zijn begrepen.
Verwacht u dat deze methode significant kan bijdragen aan het aantal koeien dat voldoet aan de weidegang norm? Weegt dit wat u betreft op tegen het dierenleed dat het gebruik van deze methode als gevolg kan hebben?
Het kunnen benutten van technologische hulpmiddelen waarmee dieren toegang wordt verschaft tot een flexibel aan te passen graasgebied kan een belangrijke arbeidsbesparing opleveren bij weidegang en daardoor bepalend zijn voor melkveehouders om weidegang toe te passen. Een eenvoudig toepasbare systematiek kan dus zeker een significante bijdrage leveren aan het aantal koeien in de wei. In het onderzoek zal tevens aandacht worden besteed aan de mogelijk nadelige gevolgen van deze toepassing voor het dierenwelzijn. Ik wacht de resultaten van het onderzoek af.
De uitspraak van het College van Beroep over de leefomstandigheden van kuikens in broederijen |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de leefomstandigheden van kuikens in broederijen?1
Ja.
Klopt het dat u Wageningen University & Research centre (WUR) opnieuw onderzoek moet laten doen naar de gevolgen van het niet beschikbaar stellen van eten en drinken aan kuikens de eerste 72 uur na hun geboorte? Zo ja, wanneer gaat u de WUR vragen dit te doen, wanneer kunnen de resultaten verwacht worden, wat wordt de exacte opdracht die u geeft en hoe verschilt dit onderzoek van het eerdere onderzoek? Zo nee, wat zijn dan wel de gevolgen van deze uitspraak?
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft geoordeeld dat de onderbouwing in het document «Helpdeskvraag over de tijdsduur van voeronthouding voor jonge kuikens, de functie van de dooierzak en het nut van vroege voeding» (rapport van Lourens en Leenstra, WUR, 2014) onvoldoende is om de vraag te beantwoorden of het welzijn van eendagskuikens in het geding is door het ontbreken van voer en water gedurende de eerste dagen na het uitkomen.
Het College heeft mij gevraagd nader onderzoek te laten doen met als vraag «Hoe lang kunnen kuikens, onmiddellijk nadat zij uit het ei zijn gekomen, volgens de recente, gangbare wetenschappelijke inzichten, uitsluitend teren op de reserves uit hun dooierzak, zonder dat kan worden gezegd dat hen de nodige verzorging wordt onthouden doordat aan hen geen voer en water wordt verstrekt?» Tevens zal WUR een gemotiveerd commentaar moeten geven op de reactie van Wakker Dier op het WUR-rapport en op de wetenschappelijke publicaties die Wakker Dier aanhaalt.
Ik zal WUR op korte termijn een onderzoeksopdracht geven. Het onderzoek zal uit twee onderdelen bestaan. Er zal ten eerste een uitgebreide literatuurstudie plaatsvinden. Het rapport van Wakker Dier en het rapport van de WUR dateren uit respectievelijk 2013 en 2014. Sindsdien is er echter veel inspanning verricht naar het effect van vroege voer- en waterverstrekking op het welzijn (inclusief de diergezondheid) van kuikens. Tevens zal er bij kuikens die uitkomen in de stal, en daarmee direct de beschikking hebben over voer en water, worden bekeken op welke termijn kuikens zelf voer en water gaan opnemen na het uitkomen. De resultaten van dit onderzoek worden verwacht binnen de termijn van zes maanden die de rechtbank mij hiervoor heeft gegeven.
Trekt u uw oordeel dat voeding en water geven de eerste 72 uur niet nodig is in tot er nieuw onderzoek is gedaan? Zo ja, is dit dan in ieder geval niet meer toegestaan tot de resultaten van het nieuwe onderzoek bekend zijn? Zo nee, waarom doet u dit niet?
Ik wacht de uitkomsten van het onderzoek, genoemd in het antwoord op vraag 2, af en zal op basis daarvan bezien of er wijzigingen qua toezicht en handhaving nodig zijn.
Wilt u de resultaten van het nieuwe onderzoek van de WUR met de Kamer delen?
Zodra de resultaten van het onderzoek bekend zijn, zal ik deze met uw Kamer delen.