Vismigratie barrières |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u een algemeen beeld schetsen van de maatregelen die het Rijk samen met de andere overheden en waterbeheerders treft om vismigratie – het passeerbaar maken (intrek én uittrek) van gemalen, sluizen, stuwen en waterkrachtcentrales en overgangen van zout naar zoet en vice versa voor trekvissen – in de Nederlandse wateren mogelijk te maken?
Ik hecht groot belang aan een gezonde visstand, zowel wat betreft de samenstelling als de hoeveelheid vis. Dit hoort bij een goed functionerend watersysteem en natuurliefhebbers, sport- en beroepsvissers kunnen ervan genieten. Een gezonde visstand is ook een van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Een belangrijke voorwaarde voor een gezonde, duurzame vispopulatie is dat vissen kunnen trekken. Bepaalde soorten zijn voor hun voortplanting afhankelijk van zoet én zout water, denk aan de zalm en de paling. Daarom werken waterbeheerders aan maatregelen om barrières weg te nemen en sterfte door waterkrachtcentrales te beperken.
Barrières als gemalen, dammen en sluizen zijn en worden vispasseerbaar gemaakt door bijvoorbeeld aangepast sluisbeheer en vistrappen om de dam heen. Voorbeelden van grote projecten zijn de Kier in de Haringvlietsluizen en de Vismigratierivier bij de Afsluitdijk, waarvan de uitvoering kortgeleden is gestart. In de KRW stroomgebiedbeheerplannen van 2009 (Kamerstuk 31 710, nr. 12) en 2015 (Kamerstuk 31 710, nr. 45) is aangegeven hoeveel zogenaamde «kunstwerken» vispasseerbaar worden gemaakt door waterbeheerders in de periode 2010–2021. De Tweede Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de voortgang van uitvoering. In juni is aangegeven dat er eind 2021 bijna 1.000 projecten gerealiseerd zullen zijn (Kamerstuk 27 625, nr. 470). In de stroomgebiedbeheerplannen van 2021 zullen de waterbeheerders aangeven wat in de periode 2022–2027 nog uitgevoerd gaat worden.
Voor het hoofdwatersysteem is er een toetsingskader voor de opwekking van waterkracht; de sterfte door deze centrales mag niet meer zijn dan 10% in het Nederlandse deel van de Rijn en van de Maas.
Al deze maatregelen dragen tevens bij aan het herstel van de palingstand, wat ook het doel is van de Europese Aalverordening.
Is u bekend dat op basis van de landelijke database vismigratie-experts stellen dat slechts 35% van de vismigratievoorzieningen lijkt te werken? Klopt het dat de overige vismigratievoorzieningen niet voldoen dan wel dat de werking ervan niet is onderzocht?
Het getal van slechts 35% werkende vismigratievoorzieningen herken ik niet. De database bevat 2664 knelpunten, waarvan er 1224 een voorziening hebben. Daarvan is bij een kwart van de voorzieningen (312 stuks) de werking geëvalueerd. In het merendeel van die gevallen (66%) functioneert de voorziening goed, in een klein deel (22%) functioneert die «niet optimaal», terwijl in de overige gevallen (12%) het functioneren slecht of onbekend is.
Ik deel uiteraard dat het nodig is om vismigratievoorzieningen niet alleen te bouwen, maar ook te goed te onderhouden en te controleren op functionaliteit. Door de grotere aandacht die er de laatste jaren is voor vismigratie, is de kennis rond migratievoorzieningen sterk in ontwikkeling. Veel maatregelen zijn relatief nieuw, zoals bijvoorbeeld de «Smart Vislift» die is ontwikkeld door een sportvisser. Door het ontwerp neemt de vislift minder ruimte in dan traditionele vispassages en de lift is gemakkelijk te onderhouden. Vanwege het innovatieve karakter van de maatregelen is het goed dat waterbeheerders de werking volgen. Dat gebeurt ook. De database vismigratievoorzieningen en het daaruit voortvloeiende rapport «Nederland Leeft Met Vismigratie 2017»1 getuigen daarvan. Gezien het innovatieve karakter van veel voorzieningen vind ik de resultaten van het onderzoek naar het functioneren bemoedigend. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de ontwikkeling daar stopt; met de verzamelde kennis kunnen waterbeheerders de aanleg en het beheer en onderhoud verder optimaliseren. Ik draag bij aan deze kennisdeling door in april volgend jaar samen met o.a. het Hoogheemraadschap van Rijnland en Sportvisserij Nederland het seminar «Nederland vol met vis; 20 jaar werken aan het thema vismigratie» te organiseren. Hier worden de successen, leerpunten en uitdagingen gedeeld.
Bent u bereid om de gebruikte voorzieningen voor het opheffen van migratiebarrières te toetsen op hun effectiviteit?
Het toetsen van de voorzieningen voor het opheffen van migratiebarrières op hun effectiviteit is een taak van de waterbeheerders. Zo heeft Rijkswaterstaat als beheerder van het hoofdwatersysteem de tien vistrappen in de Nederrijn en de Maas allemaal geëvalueerd – sommige zelfs meerder keren – met conventionele monitoring met fuiken en met telemetrisch onderzoek. Al deze voorzieningen functioneren goed.
Is u bekend dat het onderhoud van de voorzieningen voor vismigratie niet duurzaam geregeld is? Hoe wilt u dit oplossen?
Beheer en onderhoud van de voorzieningen is relevant voor een goede vismigratie en een taak van de waterbeheerder. De waterbeheerders beseffen dat ook, want in de afgelopen jaren is – in vergelijking met de eerste KRW periode – duidelijk meer tijd en geld besteed aan onderzoek en monitoring van de passage-efficiëntie van voorzieningen1.
Is u bekend dat zowel vissers als natuurbeschermers slechte passeerbaarheid van kunstwerken als hét grootste struikelblok zien op weg naar een gezonde visstand? Onderschrijft u het belang van een gezonde visstand?
Het is mij bekend dat vissers en natuurbeschermers hechten aan het opheffen van barrières voor trekkende vissen. Of het hét grootste struikelblok is, hangt ook af van andere factoren, zoals de waterkwaliteit en de beschikbaarheid van leefgebied. Het belang van een gezonde visstand onderschrijf ik, zoals ook beschreven bij vraag 1.
Klopt het dat conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor 2027 alle blokkades voor vismigratie moeten zijn opgelost om de situatie van beschermde trekvissen zoals de Atlantische zalm, de Europese aal, de houting en de Europese steur te verbeteren?
Het klopt dat in 2027 de maatregelen genomen moeten zijn om de doelen van de KRW te behalen. Dus ook om de situatie van beschermde trekvissen te verbeteren. Voor een gezonde visstand is het echter niet nodig om àlle blokkades voor vismigratie op te lossen. Waterbeheerders hebben zelf knelpunten geprioriteerd aan de hand van het belang van een barrière voor de migratie en het te bereiken leefgebied.
Klopt het dat van de 2.700 barrières er nog 1.800 moeten worden aangepakt? Onderschrijft u daarmee dat het tempo van het oplossen van de knelpunten fors omhoog moet om de doelen van de KRW te halen? Wat gaat u doen om de doelen van de KRW te halen?
Nee, de database vismigratievoorzieningen vermeldt 1.440 migratieknelpunten waar (nog) geen voorziening is geïnstalleerd. Bij 740 barrières staat een voorziening in de planning voor 2027. Zoals bij vraag 6 al aangegeven, is het voor een goede visstand echter niet perse nodig om alle blokkades op te heffen.
Richting de Europese Commissie rapporteren we over de KRW waterlichamen. Daarnaast liggen er ook knelpunten in overige wateren en daar dienen waterbeheerders ook maatregelen te nemen gericht op de realisatie van een gezonde visstand. Het is aan waterbeheerders om hier een kosteneffectieve keuze in te maken. Ik heb er vertrouwen in dat de benodigde maatregelen in 2027 zijn genomen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het wetgevingsoverleg Water op 11 november 2019?
Ja.
De situatie van vissers in Zeeland |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat dit jaar een Wet Natuurbescherming-vergunning is afgegeven voor off-bottom oesterkweek litoraal Prinseplaat en Tweede Plaat in de Oosterschelde?
Ja.
Klopt het dat deze vergunning is afgegeven per 18 juli 2019, maar de daadwerkelijke oesterkweek nog niet kan beginnen omdat de vergunninghouder nog afwachtende is op een beoordeling van u van het door haar ingediende uitgewerkte monitoringsplan?
De vergunningaanvraag dateert van 17 april 2019, waarna de vergunning is afgegeven per 18 juli 2019. Het door de sector opgestelde projectplan voorziet in een jaarlijkse cyclus met de opbouw van installaties in het voorjaar, oogst in de zomer en opruimactiviteiten in het najaar. De monitoringsverplichting is opgenomen in de door de oestersector ingediende Passende Beoordeling (PB) van de vergunningaanvraag en maakt onderdeel uit van de door deze sector zelf voorgestelde mitigerende maatregelen die het verlenen van de vergunning mogelijk maken. Het overleg met de oestersector over het monitoringsplan verloopt constructief. De verwachting is dat dit plan tijdig kan worden goedgekeurd, zodat de installaties in april 2020 kunnen worden opgebouwd. Het moment van plaatsing van de oestertafels (alleen in het voorjaar) en het feit dat er in de wintermaanden slechts incidenteel activiteiten zijn bij de tafels is rechtstreeks overgenomen uit de betreffende PB (pag. 14). Deze PB is gepubliceerd op internet (https://puc.overheid.nl/PUC/Handlers/DownloadBijlage.ashx?pucid=PUC_283720_17_1&bestand=Bijlage_2_Passende_beoordeling_deel_1.pdf&bestandsnaam=Bijlage+2+Passende+beoordeling+deel+1.pdf).
Klopt het dat als gevolg van de vergunning werkzaamheden ten behoeve van de oesterkweek niet is toegestaan tussen 1 november en 28 februari, waardoor de vergunninghouder pas vanaf 1 maart 2020 haar werkzaamheden kan aanvangen, daar zij nog altijd afwachtende is op de beoordeling van het monitoringsplan?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onnodig nadelig is dat de vergunninghouder als gevolg van het verbod op het uitvoeren van werkzaamheden in de wintermaanden en het lange wachten op de beoordeling van het monitoringsplan ruim een half jaar de afgegeven vergunning niet kan benutten, zeker gezien de toch al precaire positie van de oestervisserij?
Nee, ik verwijs hierbij naar de antwoorden op de vragen 2 en 3.
De precaire situatie van de oestersector is mij bekend, maar ook de situatie van enkele van de betrokken natuurdoelen kan als precair worden beschouwd. Een goed monitoringsplan is daarom een belangrijke voorwaarde voor het door de oestersector kunnen en mogen gebruiken van de vergunning.
Kunt u aangeven of u voornemens bent om de vergunninghouder te compenseren voor deze verloren maanden, bijvoorbeeld door het verlaten van de einddatum van de vergunning, op dit moment gesteld op 30 april 2024, met het aantal dagen dat de vergunninghouder als gevolg van het bovenstaande de vergunning niet heeft kunnen gebruiken?
Nee, ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4.
Kunt u aangeven welke maatregelen u heeft genomen of overweegt te gaan nemen om de verspreiding van de «oesterboorder», welke leidt tot schade voor de oestervissers omdat de oesterboorder de oesters vernielt, tegen te gaan?
De oestersector ondervindt al enige jaren ernstige overlast door zowel het oesterherpesvirus als de Japanse oesterboorder. Als gevolg hiervan heeft mijn ambtsvoorganger begin 2016 gezamenlijk met de Nederlandse Oestervereniging en de Provincie Zeeland een plan («Plan van Aanpak: Oesterproblematiek 2016–2018») opgesteld voor de aanpak van de voornoemde problemen (Kamerstuk 29 675, nr. 185). Dit plan bevat diverse maatregelen voor zowel de korte als de lange termijn. Er wordt onder meer onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van het bestrijden en verwijderen van de oesterboorder en het ontwikkelen van alternatieve kweekmethoden. De sector wordt ruimte geboden om in dit kader experimenten uit te voeren met verschillende technieken om oesters te kweken los van de bodem. De in juli verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is een uitvloeisel van dit maatregelenpakket.
Klopt het dat er sinds 2008 een verbod geldt op de vangst van palingen voor de duur van enkele maanden, terwijl de kosten voor de pachthouders van de visrechten gedurende die periode doorlopen?
Om herstel van de Europese aalpopulatie mogelijk te maken heeft de Europese Unie in 2007 de aalverordening vastgesteld. Het doel van de EU-aalverodening is om op lange termijn tenminste 40% van de oorspronkelijke biomassa aan schieraal naar zee te laten ontsnappen. Op grond van deze verordening heeft Nederland nationale aalherstelmaatregelen getroffen in het nationale aalbeheerplan. Een belangrijke maatregel uit het nationale aalbeheerplan is dat met ingang van 2009 een gesloten periode voor aalvisserij is ingesteld in de periode dat juist de volwassen schieralen naar zee trekken om op de oceaan te gaan paaien. In 2009 betrof dit de maanden oktober en november, vanaf 2010 de maanden september, oktober en november. Hiermee is in deze maanden een beperking van de aalvisserij van kracht, maar in de overige maanden kan aalvisserij nog gewoon plaatsvinden. De private huurovereenkomsten voor de visserij op aal zijn om die reden ook gecontinueerd. Wel is vanwege de getroffen maatregelen destijds een ruimhartige financiële tegemoetkoming aan alle aalvissers verstrekt. Dit betrof een regeling waarbij voor een periode van vier jaar een jaarlijks afnemende tegemoetkoming aan alle vissers is betaald.
Kunt u een indicatie geven van de duur van dit «tijdelijke» verbod op de vangst van palingen?
De sluiting van de aalvisserij in de uittrekperiode is verbonden aan de doelstellingen uit de EU-aalverordening om tot een herstel van de Europese aalpopulatie te komen. In mijn brief van 13 september 2018 (Kamerstuk 29 664, nr. 191) heb ik de meest recente evaluatie van het Nederlandse aalbeheerplan aan uw Kamer gestuurd. Deze evaluatie laat zien dat de maatregelen uit het Nederlandse aalbeheerplan vanaf 2009 hebben geleid tot een substantiële afname van de sterfte door menselijk handelen en dan met name de visserijsterfte. Deze daling in sterfte heeft voor een langlevende vissoort als de aal, die zich pas na tien tot vijftien jaar voortplant, tot dit moment echter nog niet geleid tot een toename in de biomassa van de uittrek van schieraal. Wel is de Europese Commissie bezig om te inventariseren of aanpassing van de aalverordening en de aalaanpak in de verschillende lidstaten wenselijk en nodig is. Dit gaat dan niet om beëindiging van maatregelen, maar mogelijk over een andere systematiek van sturing op Europese aalmaatregelen.
Overigens geldt een seizoenbeperking van drie maanden in de zoute en brakke wateren voor alle lidstaten, aangezien de Nederlandse aanpak twee jaar geleden door de EU is overgenomen. Er is dus momenteel al sprake van een level playing field.
Bij de beantwoording van de vragen van het lid Van Kooten-Arissen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2356) heb ik tevens de bijdrage van het Kabinet aan de publieke consultatie naar uw Kamer toegestuurd. Deze publieke consultatie was onderdeel van de evaluatie van de EU-aalverordening door de Europese Commissie. Met mijn inbreng heb ik een aantal aanbevelingen gedaan voor versterking van de EU-aalverordening en het bereiken van een gelijk speelveld. Daarbij is één van de aanbevelingen om een tijdschema te verbinden aan het bereiken van kwantificeerbare doelstellingen.
Kunt u aangeven welke maatregelen u voornemens bent om te treffen om de stratificatie van het water in de Oosterschelde en met name het Grevelingenmeer, als gevolg waarvan het water onder een steeds minder diep niveau zuurstofloos is en dus geen opbrengst voor de vissers oplevert, tegen te gaan?
Het Grevelingenmeer was in het verleden een open zeearm. Met de afsluiting van zee en rivier zijn eb en vloed verdwenen. In stilstaand water bereikt het zuurstofrijke bovenste water moeilijker de diepere delen. In de zomerperiode neemt daarom het verschil in temperatuur van het bovenste water en onderste water toe. Ook dat vermindert de menging van zuurstofrijk en zuurstofarm water. In de winterperiode neemt het temperatuurverschil af en komt er meer zuurstof in het diepere water. Bij verdere opwarming van de aarde zou in het stilstaande Grevelingenmeer het temperatuurverschil groter worden en daarmee ook de zuurstofloosheid van het water toenemen.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat en ik zijn voornemens nog dit jaar een voorkeursbeslissing te nemen voor een doorlaat in de Brouwersdam. Met zo’n doorlaat komt er weer beperkt getij in het Grevelingenmeer. Met dit beperkt getij wordt het water van de Grevelingen voldoende ververst en gemengd met zuurstofrijk zeewater om deze zuurstofloosheid tot acceptabele omvang terug te brengen en te houden.
De Oosterschelde kent nog steeds een getijslag met eb en vloed. Hierdoor blijft de zuurstofloosheid in de diepere delen beperkt.
Kunt u aangeven op welke termijn de Flakkeese Spuisluis, die een oplossing zou kunnen bieden voor de stratificatie van het zuurstofloze water in het Grevelingenmeer, weer in gebruik genomen zal worden?
Via de Flakkeese Spuisluis kan een beperkt volume zuurstofrijk water worden ingelaten in het Grevelingenmeer. Dat volume biedt echter onvoldoende oplossing voor de toenemende zuurstofloosheid van het Grevelingenmeer. Het effect van de Flakkeese Spuisluis is overigens alleen merkbaar in het meest oostelijk deel van het Grevelingenmeer.
Door Rijkswaterstaat wordt met ondersteuning van de provincie Zeeland alles in het werk gesteld de Flakkeese Spuisluis medio 2020 weer in gebruik te nemen.
Het bericht ‘Regenwoudmaffia’ vermoordt en bedreigt inwoners Amazone’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Regenwoudmaffia vermoordt en bedreigt inwoners Amazone» van 17 september jl. en van het rapport «Rainforest Mafias» van Human Rights Watch?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de ontwikkelingen die er gaande zijn in het Amazonegebied nu sinds het aantreden van president Bolsonaro de handhaving van milieuwetgeving is teruggeschroefd?
Ja.
Wat vindt u van de kritiek van de Braziliaanse president op mensen en belangenorganisaties die het regenwoud proberen te beschermen?
Het is onduidelijk op welke uitspraken van de president de artikelen doelen. Duidelijk is dat president Bolsonaro meent dat er meer ruimte zou moeten komen voor economische exploitatie van de Amazone, en daarbij tegenover belangenorganisaties komt te staan die bescherming van het regenwoud centraal stellen. Waar dit leidt tot kritiek op en verbale bedreigingen van milieuorganisaties, is dit uiterst zorgelijk. Waar dit leidt tot geweld en mensenrechtenschendingen is dit onacceptabel.
Heeft u over deze uitspraken contact opgenomen met uw ambtsgenoot om uw zorgen over te brengen? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft en marge van de AVVN op 26 september gesproken met zijn ambtgenoot Ernesto Araújo en daarbij de Nederlandse zorgen uitgesproken over de ontbossingsproblematiek in Brazilië.
Heeft u contact opgenomen met uw ambtsgenoot om uw zorgen te uiten over het vermoorden en bedreigen van de mensen die het oerwoud willen beschermen tegen illegale houtkap door criminele organisaties? Zo ja, is het bekend wat de Braziliaanse overheid doet tegen deze criminele organisaties? Zo nee, bent u bereid alsnog deze zorgen over te brengen en te vragen naar een plan van aanpak?
De Nederlandse regering blijft in de dialoog Brazilië aandringen op adequate bescherming van mensenrechten en van de Amazone. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de ontbossingsproblematiek ook aangekaart bij zijn ambtgenoot Ernesto Araújo. Ook in overleg met EU-partners zijn dit terugkerende thema’s. Geconstateerd moet worden dat het wetgevend kader om op te treden tegen criminele organisaties aanwezig is, maar de financiële middelen en de politieke wil om dat kader te handhaven tekort schieten.
Is er na de politieke consultaties van de Directeur Generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met zijn Braziliaanse ambtgenoot in Brasilia in mei 2019 nog op dit niveau contact geweest? Zo ja, is ook over dit onderwerp gesproken? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur spreekt met grote regelmaat met verschillende Braziliaanse ministers over de situatie in de Amazone, zowel bij gezochte als ongezochte gelegenheden. Daarbij komt de gebrekkige handhaving van de eigen milieuwetgeving ook ter sprake. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de ontbossingsproblematiek ook aangekaart bij zijn ambtgenoot Ernesto Araújo in een gesprek op 26 september jl.
Hoe vaak heeft de Nederlandse ambassadeur in de afgelopen weken over de Amazone gesproken met de Braziliaanse overheid? Zijn de criminele organisaties daarbij ook ter sprake gekomen?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre heeft u over het bovenstaande contact opgenomen met uw Europese ambtsgenoten om hierbij gezamenlijk op te trekken?
Zowel in Brussel als in Brasilia is de Amazone geregeld onderwerp van gesprek tussen Europese partners.
Is er sprake van samenwerking op Europees niveau in het contact met de Braziliaanse overheid als het de zorgen over het Amazone gebied betreft? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u aangeven over welke nieuwe initiatieven wordt gesproken in de dialoog en samenwerking met de Braziliaanse overheid en andere belanghebbenden ter verduurzaming van de productie van agrarische grondstoffen?
In de dialoog met de Braziliaanse overheid wordt op verschillende niveau’s gezocht naar samenwerking t.a.v. het tegengaan van ontbossing en verduurzaming van landbouw en veehouderij in Brazilië, waarbij ook het Wereldnatuurfonds en partners als Solidaridad en IDH een belangrijke rol spelen.
Overweegt u naar aanleiding van deze ontwikkelingen maatregelen om uw zorgen met betrekking tot de illegale houtkap van het Amazonegebied kracht bij te zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van illegale houtkap is expliciet in het duurzaamheidshoofdstuk van het EU-Mercosur Handelsakkoord opgenomen.
In algemene zin is de Nederlandse inzet gericht op de verduurzaming van de wijze waarop soja wordt geproduceerd, inclusief de milieuproblematiek, de verbetering van arbeidsomstandigheden en naleving van mensenrechten. Dit geldt ook de inzet voor de samenwerking met Brazilië. In dit beleid stimuleert Nederland de private sector om duurzaam geproduceerde grondstoffen in te kopen en de marktvraag naar gecertificeerd duurzame en ontbossingsvrije producten binnen de Europese Unie en daarbuiten te vergroten.
De Nederlandse overheid stimuleert dit met een actieve inzet binnen het Amsterdam Declarations Partnership (ADP). In het ADP werkt Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk naar een gezamenlijke aanpak tegen ontbossing t.b.v. de uitbreiding van landbouwgrond voor soja. Mede op aandringen van het ADP heeft de Europese Commissie in juli een Mededeling gepubliceerd waarin maatregelen worden voorgesteld voor een Europese aanpak ter bescherming en het herstel van bossen in de wereld met bijzondere aandacht voor de aanjagers van ontbossing zoals soja. Het BNC-fiche over de Mededeling is onlangs aan uw Kamer toegestuurd.
Wat vindt u van de oproep van milieuorganisaties tot het matigen van het gebruik van Braziliaanse soja om het regenwoud te beschermen?
Die oproep vindt het kabinet begrijpelijk, de vraag naar soja uit Brazilië voor de Europese en Nederlandse markt is echter over de jaren stabiel. De sterk groeiende vraag naar soja komt vooral uit China. Vanwege de belangrijke positie als marktpartij en importeur van soja uit Latijns- Amerika is ons land in een goede positie een bijdrage te leveren aan het tegengaan van ontbossing en kunnen wij meepraten over de duurzaamheid van de teelt in andere delen van de wereld en zo een gunstig hefboomeffect hebben op internationale milieu en natuurdoelen en biodiversiteit.
Overigens wil de EU vanwege de zorgen en risico’s bij de productie van soja minder afhankelijk worden van import en meer zelfvoorzienend worden in de productie van plantaardige eiwitten. Deze oproep van de EU zal worden uitgewerkt in een nationale eiwitstrategie toegesneden op de Nederlandse situatie.
Bent u in gesprek met bedrijven die soja uit Brazilië importeren en hun (mogelijke) rol bij de gebeurtenissen in het Amazonegebied en op welke wijze zij een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van die omstandigheden?
Er is een effectief Amazone Moratorium waarbinnen Braziliaanse sojaverwerkers en handelaren in juni 2006 hebben besloten, in overleg met de Europese industrie en maatschappelijke organisaties, geen sojabonen meer te kopen van land dat is ontbost in het Amazone-regenwoud na 24 juli 2006. De uitbreiding van de soja concentreert zich nu in de Cerrado en Gran Chaco. De Nederlandse overheid is met de handelaren en andere partijen betrokken bij de uitbreiding van het soja-areaal in deze regio’s in gesprek om met hen een oplossing te vinden voor het tegengaan van ontbossing.
De geplande kap van gezonde bomen langs de A9 |
|
Suzanne Kröger (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de grote onrust in de gemeente Ouder-Amstel omtrent de geplande kap van 10.000 tot 14.000 gezonde bomen langs de A9?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Is deze bomenkap nodig voor de verbreding van de A9 en voor de aanleg van een tankstation? Indien dat het geval is, kunt u aangeven waarom er precies hier een tankstation moet komen? Kan dit niet elders worden gerealiseerd, zonder natuur of bomen op te offeren?
Door de verbreding van de A9 en de aanleg van de verdiepte ligging van de A9 in Amstelveen is er onvoldoende ruimte om de huidige verzorgingsplaats met tankstation aan de zuidzijde van de A9 in het Amsterdamse Bos te handhaven.
Tijdens de planfase zijn diverse locaties voor een nieuwe locatie onderzocht. Deze zijn echter allemaal afgevallen omdat er elders op het tracé onvoldoende ruimte is om een verzorgingsplek op een veilige wijze op de A9 aan te sluiten.
In 2007 is met de gemeente afgesproken dat de A9 alleen wordt verbreed naar het zuiden. Echter, aan de noordzijde moeten voor de plaatsing van een hoger geluidsscherm en lichtmasten een beperkt aantal bomen verdwijnen. Zoals nu voorzien – dit is ook zo afgesproken met de gemeente Ouder-Amstel en de aannemer – gaat het hierbij om de eerste rij bomen, zodat het zicht op de snelweg vanuit de Ouderkerk nagenoeg ongewijzigd blijft.
Een deel van de opgave komt voort uit de aanleg van de verzorgingsplaats waarbij er ruim 3.000 bomen worden gekapt. De oppervlakte van het tankstation beslaat ongeveer 10% van de totale oppervlakte van de verzorgingsplaats.
Het huidige beleid voor voorzieningen langs autosnelwegen gaat ervan uit dat om de 20 kilometer een verzorgingsplaats met tankstation langs de autoweg beschikbaar is. De verzorgingsplaatsen dienen voor verzorging van mens en voertuig.
Hoe is het kappen van duizenden bomen voor een tankstation te verenigen met de kabinetsambitie om het aantal bomen te laten toenemen? Waar worden deze bomen herplant en hoe lang duurt het tot de schade voor natuur en milieu is gecompenseerd?
Uitgangspunt bij het programma wegverbreding Schiphol – Amsterdam – Almere, is één op één compensatie van bomen. Ook in de gemeente Ouder-Amstel willen we zoveel mogelijk bomen terugplaatsen. De gemeente zet in op maximale herplant, maar geeft aan dat er niet voldoende plek is binnen de gemeente om alle bomen terug te plaatsen. De bomen die niet herplant kunnen worden zullen gecompenseerd worden met nieuwe natuur in Ouder-Amstel, bijvoorbeeld in Natuurvriendelijke oevers. We zijn met de gemeente en belangenorganisaties in gesprek over het exacte aantal terug te plaatsen bomen, de invulling van de compensatie en het bijbehorende tijdspad.
Kunt u aangeven waarom er nog extra tankstations nodig zijn in Nederland, net nu we afstappen van fossiele brandstoffen? Moet er niet juist een stop komen op nieuwe tankstations van fossiele brandstoffen?
Het gaat in dit geval niet om het realiseren van een extra tankstation, maar om het verplaatsen van een bestaand tankstation.
Voor hoeveel jaar wordt een pachtcontract voor een tankstation uitgegeven? Is dat eerlijk naar de pachters? Loopt Nederland geen risico’s omdat het contracten afsluit voor het uitoefenen van een bedrijfstak die het wil afschaffen?
Volgens wetgeving is het uitgangspunt dat de huurrechten van het te verplaatsen tankstation door het Rijksvastgoedbedrijf worden geveild voor een periode van 15 jaar. Bij het te verplaatsen tankstation komt ook een snel-laad station voor 4 elektrische voertuigen. Het ligt in de verwachting dat het aantal snel-laad punten op deze locatie op termijn zal toenemen en het aantal fossiele brandstof pompen op deze locatie zal afnemen, naarmate het elektrisch aangedreven wagenpark stijgt. De verwachting is dan ook dat er gedurende de looptijd van het contract vraag blijft naar tankstations waardoor de risico's voor pachters en de Staat als laag worden ingeschat.
Hoe verhoudt de verbreding van de A9 zich tot de recente uitspraak rond het Programma Aanpak Stikstof (PAS)? Moet er niet een nieuwe toets komen?
Voor de verbreding van de A9 Badhoevedorp–Holendrecht is een Tracébesluit gemaakt. Het Tracébesluit is onherroepelijk. In het kader van dat Tracébesluit is aangetoond dat voldaan wordt aan wet en regelgeving m.b.t. natuur inclusief de stikstofaspecten. De PAS-regeling geldt voor Natura-2000 gebieden. Langs de A9 tussen de knooppunten Badhoevedorp en Holendrecht liggen geen Natura 2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is Botshol. Aangetoond is dat de verbreding van de A9 geen invloed heeft op de stikstofdepositie in Botshol. Het project A9 Badhoevedorp–Holendrecht heeft dan ook geen gebruik gemaakt van de PAS-rekensystematiek.
De Amazonebranden en de westerse verantwoordelijkheid bij de branden |
|
Marianne Thieme (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de Amazonebranden bestaan uit een groot aantal relatief kleine brandhaarden en dat veel branden ontstaan zijn langs of in de nabijheid van wegen, wat volgens experts van onder andere NASA1 en de Wageningen Universiteit erop wijst dat veel branden door mensen zijn aangestoken? Laat u zich informeren over het onderzoek naar de veroorzakers van de branden en zo ja, door wie?
Het Kabinet heeft geen zelfstandige informatie over de oorzaken van de branden in de Amazone en baseert zijn oordeel over die branden dan ook op de uiteenlopende berichten daarover en gesprekken met verschillende instanties, waaronder de NASA en het World Resources Institute. Natuurlijke branden zijn zeldzaam in een regenwoud als de Amazone, dus het is aannemelijk dat de meeste bosbranden zijn aangestoken.
Erkent u dat het het handelsverdrag tussen de EU en Mercosur de perverse prikkel in zich draagt voor Braziliaanse veevoer- en veeteeltbedrijven om versneld uit te breiden en daarmee debet is aan de Amazonebranden?
In het EU-Mercosur-Associatieverdrag zijn zowel handelsliberaliserende maatregelen als maatregelen ter bevordering van duurzaamheid en duurzame handel opgenomen. Lidstaten van de EU en Mercosur moeten zich aan hun verplichtingen ingevolge het Klimaatakkoord van Parijs en andere klimaatdoelstellingen houden. Dit wordt in het Associatieverdrag nogmaals bevestigd. Voorts bevat het verdrag bepalingen over het bevorderen van duurzaam bosbeheer, het nemen van maatregelen tegen illegale houtkap en het bevorderen van handel in producten die op duurzame wijze zijn verkregen.
Naar verwachting wordt het EU-Mercosur-Associatieverdrag op zijn vroegst eind volgend jaar aan de Raad voor besluitvorming voorgelegd, als de teksten juridisch zijn opgeschoond en zijn vertaald in alle EU-talen. Momenteel wordt namens de Europese Commissie ook een Sustainability Impact Assessment (SIA) uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zullen naar verwachting eind dit jaar worden gepubliceerd. Op basis van de SIA en alle daarvoor noodzakelijke, juridische opgeschoonde teksten zal het Kabinet zijn standpunt bepalen over het EU-Mercosur-Associatieverdrag.
Heeft u gelezen dat veevoer- en veeteeltbedrijven alvast anticiperen op deze nieuwe investeringsmogelijkheden door grond «gereed te maken» voor landbouw, onder meer door het organiseren van een «Day of Fire»?2 3 Wat vindt u van deze ontwikkelingen?
In zoverre als de bosbranden in de Amazone bewust en illegaal zijn aangestoken, roept het kabinet de betrokken Braziliaanse overheidsinstanties op actiever op te treden. De Braziliaanse overheid is immers primair verantwoordelijk voor (wetgeving t.a.v.) het landgebruik in Brazilië, en voor de voorzorgsmaatregelen tegen en bestrijding van bosbranden in Brazilië.
Waar ligt voor u de grens als het gaat om (beoogde) handelspartners die zich schuldig maken aan het ruim baan geven aan veevoer- en veeteeltbedrijven die de Amazone afbranden?
Nederland zal zich bilateraal en in EU-verband hard maken om Brazilië te wijzen op zijn internationale milieuverplichtingen, en op het belang van handhaving van eigen regelgeving om het Amazonewoud te beschermen en van de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. De aanloop naar de besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag biedt een extra platform om druk uit te oefenen op Brazilië om zijn internationale verplichtingen na te komen. Zie verder ook het antwoord op vraag 2.
Bent u, zoals verwoord in uw brief van mei 20184, nog steeds van mening dat het acceptabel is dat Nederlandse bedrijven meehelpen aan het aanleggen van de infrastructuur voor de zogenaamde «sojaroute» dwars door de Amazone?5
De Nederlandse overheid ondersteunt geen bedrijfsactiviteiten voor het daadwerkelijk ontwikkelen van de Corredor Centro-Norte, indien daarmee de zogenaamde «sojaroute» wordt bedoeld, zoals eerder aangegeven in mijn brief van 8 mei 2018 (Kamerstuk 26 485, nr. 290) en in antwoord op Kamervragen (Kamervragen-Bouali nr. Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 165 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 2506). Het is mij bovendien niet bekend dat Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de aanleg van de Corredor Centro-Norte. Nederlandse kennisbedrijven hebben in 2013 via een «Partners for International Business»-programma een verkennende voorstudie uitgevoerd, waarbij met name ook is gekeken naar het duurzamer gebruik van bestaande infrastructuur. Kennisuitwisseling stond daarbij centraal. Zoals ik u eerder heb geïnformeerd in mijn Kamerbrief (Kamerstuk 26 485, nr. 290), organiseerde de ambassade in Brasilia medio 2016 een bijeenkomst, specifiek over de duurzaamheidsaspecten van de «Corredor», met vertegenwoordigers van de Wereldbank en de Braziliaanse federale agentschappen voor respectievelijk water- en wegvervoer.
Bent u bereid om bedrijven, zoals Boskalis, Arcadis, Damen Shipyards, Alewijnse en Van Oord, die de ontbossing in landen elders en specifiek de Amazone faciliteren, ook door het aanleggen van infrastructuur zoals wegen, spoorwegen en havens, uit te sluiten van aanbestedingen van de Nederlandse overheid? Zo ja, wanneer kunt u een plan van aanpak naar de Kamer sturen? Zo nee, bent u wel bereid om deze bedrijven op deze activiteiten aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Het gesprek aangaan met bedrijven past in het IMVO-beleid, waarbij de overheid op diverse manieren werkt aan bewustwording op het gebied van IMVO en de mogelijke risico’s op negatieve gevolgen voor mens en milieu die ondernemen met zich mee kan brengen en bedrijven aanspoort tot het toepassen van gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Deze aansporing heb ik ook afgelopen juli gezamenlijk met drie andere kabinetsleden gedaan door het uitsturen van een brief aan alle grote bedrijven in Nederland met de aankondiging van de monitoring op de 90%-doelstelling. Met deze doelstelling is de verwachting uitgesproken dat in 2023 90% van de grote bedrijven de OESO-richtlijnen onderschrijven. De brief en bijgevoegd informatiepakket lichtten toe wat we van bedrijven verwachten in het kader van gepaste zorgvuldigheid. In najaar 2019 zal een eerste volledige tussenmeting uitgevoerd worden. Op basis van de resultaten wordt besloten hoe bedrijven en/of sectoren die nog niet aan de verwachtingen voldoen/achterblijven, gestimuleerd kunnen worden.
Het uitsluiten van partijen van overheidsaanbestedingen is niet zonder meer juridisch mogelijk. Het inkoopbeleid van de overheid is volop in ontwikkeling, ook hier kijken we hoe we door middel van inkoop bedrijven kunnen stimuleren de OESO-richtlijnen na te leven. Op dit gebied zijn al concrete stappen gezet voor bepaalde risicovolle productcategorieën, zie hiervoor de Kamerbrief over de voortgang maatschappelijk verantwoord inkopen die op 4 juli 2019 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Wij zullen verkennen hoe we het naleven van de OESO-richtlijnen verder kunnen meenemen bij aanbestedingen die relevant zijn voor dergelijke bedrijven.
Bent u bereid om harde maatregelen te treffen zoals een boycot op producten uit Brazilië, zoals veevoer, vlees en suiker? Zo ja, per wanneer zullen deze maatregelen ingaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ook bereid in de EU voor dergelijke maatregelen te pleiten?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven welke stok u in gedachten had toen u het in de talkshow Jinek over de wortel en de stok had die het Mercosur-verdrag zou moeten zijn? Betekenen deze ferme woorden dat u uw steun voor het Mercosur-handelsverdrag kunt intrekken, zoals Frankrijk inmiddels ook gedaan heeft?6
De aanloop naar de besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag biedt de mogelijkheid voor Nederland om, samen met EU-partners, druk uit te oefenen op Brazilië, gericht op beter beleid en sterkere handhaving van milieuwetgeving. Daarnaast kunnen wij Brazilië wijzen op zijn internationale milieuverplichtingen, waaronder die in het kader van het Klimaatakkoord van Parijs en het VN Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD). Dit associatieverdrag biedt een extra platform dat er anders niet zou zijn om druk op Brazilië uit te oefenen.
Het bericht ‘Afschieten honderden damherten op Haringvreter had voorkomen kunnen worden’ |
|
Arne Weverling (VVD), Tobias van Gent (VVD), André Bosman (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Afschieten honderden damherten op Haringvreter had voorkomen kunnen worden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat incidentele afschot van dieren nodig is voor de instandhouding van een zo divers mogelijk natuurgebied?
Of incidenteel afschot nodig is, hangt af van de beheerkeuzen die voor de betreffende natuurgebieden worden gemaakt.
Kunt u bevestigen dat Staatsbosbeheer reeds in 2015 een vergunning had voor het afschieten van de jaarlijkse aanwas damherten op de Haringvreter?
In 2014 heeft Staatsbosbeheer een vergunningaanvraag op grond van de toen nog geldende Flora- en faunawet ingediend om afschot van damherten op de Haringvreter te kunnen realiseren. Gedeputeerde staten oordeelde toentertijd dat het om gehouden dieren ging, waardoor een ontheffing Flora- en faunawet niet aan de orde was. Onderzoek van Alterra (2017) heeft ertoe geleid dat gedeputeerde staten de populatie damherten op de Haringvreter thans als wilde dieren beschouwen, zodat voor afschot een ontheffing is vereist.
Staatsbosbeheer heeft in 2014 tevens een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 gevraagd voor dit afschot in het Natura2000-gebied Veerse Meer. Deze vergunning is door gedeputeerde staten in 2014 verleend.
Kunt u aangeven welke onduidelijkheid er was over de noodzaak van een ontheffing? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de te grote populatie damherten ervoor heeft gezorgd dat broedvogels van de Haringvreter zijn verjaagd? Zo ja, kunt u aangeven om wat voor vogels het gaat?
In de Aanvulling Faunabeheerplan Haringvreter 2015 – 2019 wordt gemeld dat als gevolg van de overbegrazing door damherten broedvogels van korte vegetaties (zoals veldleeuwerik) en van struweel (zoals fitis, tjiftjaf, heggemus en zwartkop) in aantallen zijn achteruitgegaan.
Kunt u bevestigen dat de te grote populatie damherten ervoor heeft gezorgd dat zeldzame planten niet meer te vinden zijn? Zo ja, om welke planten gaat het en ligt het in de lijn der verwachting dat deze planten terugkeren op de Haringvreter of zijn deze voorgoed verdwenen?
In de Aanvulling Faunabeheerplan Haringvreter 2015 – 2019 wordt gemeld dat als gevolg van de overbegrazing door damherten diverse orchideeënsoorten op de Haringvreter zijn verdwenen. Terugkeer van deze verdwenen soorten wordt door deskundigen niet uitgesloten.
Kunt u aangeven waarom het niet mogelijk is de populatie in de periode oktober 2019-maart 2020 op peil te brengen en dat hiervoor mogelijk meerdere winters nodig zijn?
Staatsbosbeheer heeft een werkplan opgesteld voor het faunabeheer op de Haringvreter. Uit de berekeningen van het afschot blijkt dat er meerdere winters nodig zijn om het aantal damherten terug te brengen naar het streefpeil.
Betekent dit tegelijkertijd, indien dit het geval is, dat er door de te grote populatie damherten meer schade aangebracht zal worden aan andere elementen van de natuur?
Of er meer schade wordt toegebracht, omdat het afschot over meerdere winters wordt uitgesmeerd, valt thans nog niet te zeggen.
Bent u voornemens situaties zoals die op de Haringvreter mee te nemen in de evaluatie van het faunabeheer, later dit jaar? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is mijn voornemen bij de evaluatie van het faunabeheer, zoals gevraagd in de motie-Von Martels2, praktijksituaties als die op de Haringvreter, mede te betrekken.
Dode dieren die gedumpt zijn in het buitengebied van Haaren |
|
Antoinette Laan-Geselschap (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Dode dieren gedumpt in buitengebied Haaren» en ««Wie doet nu zo iets?»: Dood zwijn en hazen gedumpt in buitengebied Haaren»?1 2
Ja.
Kunt u aangeven of onderzocht zal worden wat de precieze doodsoorzaak van de gevonden dieren, te weten zeven hazen en een wild zwijn, is? Zo ja, kunt u de uitkomsten van dit onderzoek met de Kamer delen? Zo nee, deelt u de mening van een wildbeheerder in het gebied waarin de dieren gevonden zijn dat deze vermoedelijk zijn gebruikt als prooi voor honden tijdens gokwedstrijden?
De plaatselijke politie heeft geen melding ontvangen over de gevonden dieren en heeft het betreffende bericht in eerste instantie uit de media vernomen. Vooralsnog is er in deze zaak bij de politie geen aangifte gedaan. Er heeft geen schouw van de dieren of ander nader onderzoek plaatsgevonden. Er zijn meerdere oorzaken denkbaar voor het aantreffen van deze dode dieren. Ik kan dus geen uitspraken doen over de doodsoorzaak van de gevonden dieren.
Kunt u aangeven of gokwedstrijden waarin honden een prooi moeten vangen vaker georganiseerd worden in Nederland? Is dit toegestaan volgens de wet? Hebben politie en andere handhavingsorganisaties zicht op het aantal van dit soort wedstrijden dat jaarlijks georganiseerd wordt in Nederland?
Het is mij niet bekend hoeveel gokwedstrijden worden georganiseerd waarin honden een prooi moeten vangen. Wettelijk is dit niet toegestaan. Honden mogen onder bepaalde voorwaarden wel worden ingezet bij uitoefening van de jacht, een en ander is geregeld in de Wet natuurbescherming.
Kunt u aangeven of in het recente verleden vaker dode dieren gevonden zijn die vermoedelijk zijn gebruikt bij gokwedstrijden? Zo ja, op welke plaatsen was dit? Zo nee, waarom niet?
Er zijn mij geen recente gevallen bekend van gevonden dode dieren die mogelijk gebruikt zijn bij gokwedstrijden.
Herkent u het geschetste beeld dat er de afgelopen tijd een toename is van illegale activiteiten in het buitengebied van Haaren? Zo ja, om wat voor activiteiten gaat het? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de bij politie en Openbaar Ministerie beschikbare gegevens kunnen geen uitspraken worden gedaan over een eventuele toename van illegale activiteiten in het buitengebied van Haaren en in buitengebieden in het algemeen.
Is in Nederland een toename te zien in het aantal illegale activiteiten in buitengebieden? Zo ja, om wat voor activiteiten gaat het en hoe groot is de toename?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat er meer toezicht moet komen in buitengebieden om illegale activiteiten als stroperij en drugsdumpingen te voorkomen?
Met de verdere uitwerking van het plan van aanpak willen we het toezicht en de handhaving in het buitengebied versterken, de illegale activiteiten in het buitengebied terugdringen en de veiligheid van de groene boa’s vergroten.
Momenteel vindt de uitvoering en verdere uitwerking van het plan van aanpak nog volop plaats onder begeleiding van een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken ministeries (LNV en JenV), de werkgevers van groene boa’s, de Nationale politie, het Openbaar Ministerie en de provincies.
Ik heb de Kamer toegezegd begin 2020 te rapporteren over de voortgang van de uitwerking van het plan van aanpak. Ik kan hier inhoudelijk verder niet op vooruit lopen.
Kunt u aangeven welke vorderingen u heeft gemaakt op basis van het in oktober 2018 gepresenteerde plan van aanpak inzake versterking van handhaving en toezicht in het buitengebied? Kunt u per in dit plan voorgestelde maatregel (capaciteit, opleiding, uitrusting, samenwerking) aangeven welke vorderingen er zijn gemaakt?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat in het in oktober 2018 gepresenteerde plan van aanpak te lezen is dat een aantal voorgestelde maatregelen nog verdere uitwerking behoeft? Om welke maatregelen gaat het hier? Is de uitwerking van deze maatregelen reeds gereed? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
De ontbossing van het Braziliaanse Amazonegebied |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Ontbossing onder Bolsonaro met 88 procent toegenomen» en «Duitsland stopt deels met bijdrage aan Braziliaanse milieuprogramma’s»?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de toenemende ontbossing van het Braziliaanse Amazonegebied sinds president Jair Bolsonaro aan de macht is? Kunt u een toelichting geven?
Ja, zie ook de antwoorden op de overige vragen.
Heeft Nederland zich al uitgesproken over de toegenomen ontbossing van het Amazonegebied in de afgelopen maanden? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?
Nederland uit bij alle in aanmerking komende gelegenheden zijn zorgen over de toenemende ontbossing, zowel wanneer dit in het nieuws is, als wanneer dit niet in het nieuws is. Zo heeft Minister Kaag via verschillende media haar zorg uitgesproken over de ontbossing in de Amazone. Daarnaast heeft de DG Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dit onderwerp opgebracht tijdens politieke consultaties met zijn Braziliaanse ambtgenoot in Brasilia in mei 2019. Ook de Nederlandse ambassadeur in Brasilia kaart ontbossing aan in zijn gesprekken met de Braziliaanse overheid. De aanloop naar de besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag biedt mogelijkheden voor Nederland om, samen met de EU-partners, druk uit te oefenen op Brazilië, gericht op beter beleid en sterkere implementatie en naleving van wetgeving t.b.v. duurzaam bosbeheer.
Is de ontbossing van het Amazonegebied aan bod gekomen tijdens het gesprek dat de Minister-President heeft gehad met president Bolsonaro in Davos? Kunt u een toelichting geven?
De Minister-President heeft tijdens zijn kennismakingsgesprek met president Bolsonaro in januari 2019 in algemene zin gesproken over het belang dat Brazilië actief betrokken blijft bij het Klimaatakkoord van Parijs. Het tegengaan van ontbossing en landdegradatie is daarbij van groot belang.
Bent u bereid om op korte termijn uw zorgen over de ontbossing van het Amazonegebied aan Brazilië over te brengen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland zal zijn zorgen blijven overbrengen, zeker in het licht van de recente informatie over de toenemende ontbossing van de Amazone. Wij zullen hier de komende maanden prioriteit aan geven. Daarbij streven wij naar samenwerking met de EU en Europese landen om meer gewicht in de schaal te leggen. Daarnaast zetten wij ook de dialoog met de Braziliaanse overheid en andere belanghebbenden voort, ter bevordering van betere samenwerking en nieuwe initiatieven om de productie van agrarische grondstoffen te verduurzamen en ontbossing tegen te gaan.
Hoe kijkt u aan tegen het opschorten van de Duitse bijdrage aan Braziliaanse milieuprogramma’s en de Noorse dreiging om donaties te korten of stop te zetten?
De Nederlandse regering treedt niet in de afwegingen die beide regeringen ertoe hebben gebracht de bijdragen aan bepaalde milieuprogramma’s te bevriezen, nadat Brazilië o.a. had ingegrepen in de beheerstructuur van het grote Amazonefonds. Het is zorgwekkend dat de aanzienlijke financiële middelen van beide landen nu niet meer ten goede komen aan duurzaam bosbeheer en de bestrijding van ontbossing in de Amazone.
Hoeveel draagt Nederland bij aan milieuprogramma’s ter bescherming van het Braziliaanse Amazonegebied? Overweegt Nederland soortgelijke maatregelen te nemen?
Nederland draagt direct bij aan milieuprogramma’s ter bescherming van het Braziliaanse Amazonegebied ter waarde van ongeveer € 3,5 miljoen. Dit geld gaat echter niet naar het Amazonefonds. Er is voor Nederland geen directe aanleiding om soortgelijke maatregelen als Duitsland en Noorwegen te nemen. Zie verder ook het antwoord op vraag 6.
Overweegt u andere maatregelen te nemen om uw zorgen met betrekking tot de ontbossing van het Amazonegebied kracht bij te zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het Kabinet beraadt zich momenteel op eventuele nadere stappen. Die zijn ook afhankelijk van verdere ontwikkelingen t.a.v. de Amazone, zowel in Brazilië als daarbuiten.
Het bericht 'Rijksvastgoedbedrijf biedt 825 hectare pachtgrond aan' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Klopt het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) 825 hectare grond voor geliberaliseerde pacht gaat aanbieden?1 Zo ja, waarom is er gekozen voor deze pachtvorm? Zo nee, wat voor soort pacht wordt er aangeboden?
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) biedt momenteel, via een openbare inschrijving, 42 kavels aan met een totale oppervlakte van 825 hectare grond. Alle kavels worden uitgegeven door middel van een geliberaliseerde pachtovereenkomst met een looptijd van twee tot maximaal zes jaar. Dit is conform het huidige beleid.
Daarnaast zal het RVB een deel van de niet-strategische agrarische gronden van de Staat in erfpacht uitgeven via een openbare inschrijving, zoals ik uw Kamer op 12 oktober 2018 reeds heb medegedeeld (Kamerstuk 24 490, nr. 25). De voorbereiding hiervoor is gestart. De eerste erfpachtcontracten zullen begin 2020 worden afgesloten.
Welke voorwaarden worden gesteld aan de pachter omtrent de bodemkwaliteit, de biodiversiteit en het klimaat?
Voor de gronden, die het RVB in geliberaliseerde pacht uitgeeft dan wel in erfpacht zal gaan uitgeven, worden voorschriften opgenomen in het pachtcontract, zoals een specifiek bouwplan. Daarnaast schrijft het RVB ook een analyse van de bodemkwaliteit voor, zowel aan het begin van de contractperiode als aan het einde. Bij erfpachtcontracten zal ook een tussentijdse inventarisatie van de bodemkwaliteit mogelijk worden. Met deze maatregelen beoogt het RVB een duurzaam gebruik van de grond te borgen.
Bij de herziening van het pachtstelsel speelt duurzaam bodembeheer een sleutelrol zoals aangegeven in de brief van de Minister van LNV aan uw Kamer van 23 mei 2018 (Kamerstuk 30 015, nr. 54). Zo wordt bezien hoe de uitgangspunten van duurzaam bodembeheer kunnen worden verankerd in het beleid voor uitgifte van rijksgronden door het RVB. Het RVB is daarnaast met brancheorganisaties en wetenschappelijke instanties in gesprek of de systematiek van uitgifte verder verbeterd kan worden. De verwachting is dat begin 2020 de eerste uitkomsten kunnen worden gepresenteerd.
Op welke manier gaat het RVB toezicht houden op de verpachte grond met het oog op de bodemkwaliteit, de biodiversiteit en de invloed van maatregelen op het klimaat?
Het RVB is privaatrechtelijk beheerder van de grond van de Staat en neemt in die hoedanigheid in de diverse pachtcontracten bepalingen op waaraan de pachter moet voldoen (zie ook mijn antwoord op vraag 2). De agrarische bedrijfsvoering dient verder te voldoen aan de relevante geldende wet- en regelgeving, het RVB ziet hierop toe. Indien het RVB constateert dat geldende wet- en regelgeving en/of de bepalingen in het specifieke pachtcontract niet worden nageleefd, wordt de betreffende partij in gebreke gesteld en wordt privaatrechtelijk gehandhaafd.
Hoe wordt de biodiversiteitsmonitor en de data uit de publiek-private samenwerking (PPS) Beter Bodembeheer meegenomen in de kwaliteitsbeoordeling?
De biodiversiteitsmonitor en de data uit de publiek-private samenwerking (PPS) Beter Bodembeheer zijn nieuwe ontwikkelingen die nog niet zijn meegenomen in de huidige kwaliteitsbeoordeling van het RVB. Het RVB is op dit moment een traject gestart (zie ook mijn antwoord op vraag 2) om de systematiek van uitgifte van de agrarische grond te verbeteren. Bezien zal worden of en wanneer de biodiversiteitsmonitor en de data uit de publiek-private samenwerking (PPS) Beter Bodembeheer ver genoeg ontwikkeld zijn om te worden meegenomen in de kwaliteitsbeoordeling.
In hoeverre past geliberaliseerde pacht binnen uw voornemen om kringlooplandbouw en bodemkwaliteit binnen het pachtbeleid te plaatsen?
Zoals aangegeven in de brief van de Minister van LNV van 23 mei 2018 aan uw Kamer (Kamerstuk 30 015, nr. 54) spelen kringlooplandbouw en bodemkwaliteit een rol in de herziening van het pachtstelsel, ook in het licht van de klimaatopgave. In de regel streeft de Minister van LNV het uitgeven van langlopende contracten na. Indien geliberaliseerde pachtcontracten toch worden uitgegeven, worden voorschriften opgenomen in het pachtcontract (zie ook het antwoord op vraag 2).
Op welke manier draagt deze geliberaliseerde pacht bij aan uw voornemen om met langdurige pacht de bodemgesteldheid te verbeteren, ook in het licht van de klimaatopgave?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Honingcowboys die de wilde bij bedreigen in de Biesbosch' |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Honingcowboys bedreigen de wilde bij in de Biesbosch»?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe het kan dat er net buiten de grenzen van de Biesbosch ongehinderd honderden (ongeregistreerde) bijenkasten staan?
In Nederland geldt geen registratieplicht van bijenkasten. Afhankelijk van de lokale regelgeving (zoals Algemene Plaatselijke Verordeningen) kunnen bijenkasten op eigen terreinen worden geplaatst of op terreinen waar een afspraak met de eigenaar is gemaakt. Binnen de natuurgebieden van Staatsbosbeheer zijn er richtlijnen om verdringing van wilde bijen te voorkomen. Buiten de grenzen van de natuurgebieden is er geen regelgeving voor het plaatsen van bijenkasten.
Kunt u toelichten welke risico’s dit oplevert voor wilde bijensoorten, waarvan in Nederland meer dan de helft op de Rode Lijst van met uitsterven bedreigde diersoorten staat?2
Mogelijke risico’s hangen af van het seizoen, de lokale situatie en de interacties tussen het aantal honingbijen, soorten wilde bijen en voedselaanbod (plantensoorten en hoeveelheid). Rodelijstsoorten kunnen mogelijk last hebben van verdringing door honingbijen, wanneer de honingbijen dezelfde bloemen gebruiken als wilde bijen. Natuurbeheerders gaan vaak uit van een voorzorgsprincipe ten aanzien van wilde bijen, wat leidt tot beperkingen van het aantal bijenkasten in natuurgebieden.
Het is wetenschappelijk vastgesteld dat een grootschalige plaatsing van bijenkasten op een gelimiteerde voedselbron een negatieve impact op wilde bijen kan hebben. Dat kan gebeuren in situaties, waarin veel bijenkasten worden geplaatst in een gebied met weinig voedsel en/of aanwezigheid van kwetsbare wilde bijensoorten. Er komt steeds meer kennis uit lopend (landelijk) onderzoek beschikbaar, zodat het inschatten van de situatie per locatie door de natuurbeheerders in de nabije toekomst beter mogelijk wordt.
Zijn er meer natuurgebieden bekend waar dergelijke problemen spelen? Zo ja, om welke natuurgebieden gaat het? Zo nee, waarom bent u hiervan niet op de hoogte?
Uit een inventarisatie binnen Staatsbosbeheer blijkt dat in meerdere natuurgebieden gesproken wordt met imkers over het plaatsen van honingbijenkasten. Voorbeelden hiervan zijn: Dwingelderveld, Oost-Brabant (Sint Athonis), Buitenplaats Elswout, Bargerveen (Oost-Drenthe) en op Texel. Volgens Staatsbosbeheer is in deze gebieden echter geen sprake van dezelfde problematiek als in de Biesbosch.
Kunt u de opmerking van de boswachter dat er «totaal geen regulering is» duiden in het kader van uw wettelijke verplichting het behoud en herstel van de Nederlandse natuur te bevorderen en de door u onderschreven doelstellingen uit de Nationale Bijenstrategie om in 2030 weer populaties van bijen (en andere bestuivers) te hebben die stabiel zijn en/of zich positief ontwikkelen?3
Het klopt dat er rondom de Biesbosch geen regulering is. Mocht regulering noodzakelijk zijn, dan zijn de betreffende terreinbeherende organisaties, provincies en gemeenten daarvoor verantwoordelijk.
In de Nationale Bijenstrategie4 zet ik samen met maatschappelijke partners in op 1) het bevorderen van de biodiversiteit, 2) het verbeteren van de wisselwerking tussen landbouw en natuur en 3) het helpen van imkers om de gezondheid van de honingbij te verbeteren.
Kunt u uitleggen waarom het huidige vergunnings- en handhavingssysteem, binnen en buiten de grenzen van de Biesbosch, kennelijk niet werkt?
Binnen de Biesbosch gelden de richtlijnen zoals door Staatsbosbeheer voorgeschreven. Plaatsing van honingbijenkasten buiten de grenzen van het natuurgebied valt onder de verantwoordelijkheid van de provincies en gemeenten. Gemeenten kunnen in gemeentelijke algemene plaatselijke verordeningen (APV’s) richtlijnen opnemen, zodat per gebied kan worden bezien welke aanpak het beste is.
Maakt u zich zorgen over de verdringing van kwetsbare wilde bijensoorten door de commerciële honingbij?
De mogelijke verdringing van wilde bijensoorten door plaatsing van honingbijenkasten, zoals in het krantenbericht over de Biesbosch, is een punt van aandacht. Uit wetenschappelijke studies blijkt dat afhankelijk van de landschappelijke context in sommige gevallen een negatief effect op lokale populaties van bestuivers wordt gevonden.
Deelt u de mening dat deze verdringing ontwrichtend kan werken voor de natuur en natuurlijke ecosystemen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Een grote hoeveelheid honingbijen kan in sommige gevallen de natuurlijke soortenrijkdom van wilde bijen negatief beïnvloeden. Zoals ik in de Nationale Bijenstrategie heb onderschreven, moeten we toe naar een integrale oplossing voor het voedselprobleem voor bestuivers. Meer voedsel voor insecten in het algemeen is de oplossing. De oplossing ligt niet alleen in de natuurgebieden, maar ook daarbuiten.
Deelt u de mening van de boswachter dat de situatie zo niet langer houdbaar is?
In dit specifieke geval begrijp ik de mening dat de situatie zorgwekkend is. Het is aan de provincie en gemeenten om een eventuele oplossingsrichting te bepalen.
Bent u bereid om in te grijpen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij provincies, gemeentes (in bijvoorbeeld APV’s) en bij de terreinbeherende organisaties. We zullen de partijen wijzen op deze problematiek.
Bent u bereid in overleg met decentrale overheden, waaronder de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland, beleid in te richten om het aantal bijenkasten in en om natuurgebieden drastisch te beperken en een effectief registratie- en handhavingssysteem op te zetten, om zo de wilde bijensoorten te beschermen?
Ik heb regelmatig overleg met decentrale overheden over het biodiversiteitsbeleid (zoals het Natuurpact en de Nationale Bijenstrategie). De decentrale overheden werken met veel ambitie aan het verbeteren van onze leefomgeving. Juist omdat het probleem regionaal verschilt, is het van belang om dit regionaal op te pakken. Ik zie geen aanleiding tot het formuleren van nieuw overheidsbeleid. Wel zet ik in op kennisontwikkeling, zodat er meer inzicht komt om vergelijkbare situaties lokaal goed in te kunnen schatten. Verder wordt binnen de imkerij momenteel gesproken over zelfregulering, een ontwikkeling die ik graag een kans wil geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden, zonder naar eerdere antwoorden te verwijzen?
Ja.
Het ontslag van de directeur van het Braziliaanse instituut dat versnelde ontbossing van Amazone aantoonde |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de Braziliaanse president Bolsonaro de directeur van het National Space Research Institute (INPE), dat de versnelde ontbossing van het Amazonewoud aantoonde, daadwerkelijk ontslagen heeft?1 2 Wat vindt u ervan dat de Braziliaanse regering zich op deze wijze gericht heeft tegen de wetenschappelijke boodschapper van slecht nieuws?
President Bolsonaro lijkt, blijkens persberichten, druk te hebben uitgeoefend op de directeur van de overheidsorganisatie INPE die o.a. ontbossingscijfers bijhoudt. De verantwoordelijke Minister van wetenschap, technologie, innovatie en communicatie, Marcos Pontes, heeft Ricardo Galvão ontslagen als directeur van INPE. Voor zover dit ontslag verband zou houden met de publicatie van de ontbossingscijfers, zou dit een zorgwekkende ontwikkeling zijn, temeer omdat de Braziliaanse regering nog geen antwoord heeft gevonden op de toenemende illegale ontbossing.
Vindt u dit acceptabel gedrag van een handelspartner? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo ja, waarom?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, zou het zorgwekkend zijn indien het ontslag van dhr. Galvão gemotiveerd zou zijn door de publicatie van onwelgevallige ontbossingscijfers. Het Kabinet blijft het bredere thema ontbossing aankaarten bij de Braziliaanse autoriteiten.
Bent u bereid uw steun uit te spreken voor de werknemers van het INPE die de straat op zijn gegaan om tegen het ontslag van hun directeur te protesteren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de reactie van de werknemers. Nederland spreekt Brazilië reeds consequent aan op het belang de Amazone te beschermen en zal dit blijven doen. Ik zie daarom geen aanleiding steun uit te spreken voor deze specifieke demonstratie.
Bent u bereid er bij de Europese Commissie op aan te dringen dat de EU zich aan de zijde van de werknemers van het INPE schaart? Zo nee, waarom niet? Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden zonder naar eerdere antwoorden te verwijzen?
Ook de EU spreekt Brazilië consequent aan op het belang de Amazone te beschermen. Het kabinet ziet er daarom geen aanleiding toe bij de Europese Commissie aan te dringen zich achter de INPE-werknemers te scharen.
Uitspraken van de minister inzake het vrijhandelsverdrag met de Mercosur-landen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat u op 8 juli in de Financial Times heeft gezegd dat in het vrijhandelsverdrag van de Europese Unie (EU) met de landen van de Zuid-Amerikaanse Gemeenschappelijke Markt (Mercosur) is opgenomen dat bedrijven in de Mercosur-landen zich aan onze productiestandaarden moeten houden en dat dit strikt gemonitord zal worden?1 Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, dat klopt. In het interview heb ik aangegeven dat de producten die uit Mercosur de EU binnenkomen moeten voldoen aan de EU-standaarden op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid en etikettering en dat de handhaving ervan gemonitord zal worden. In de ondertussen door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde teksten van het handelsdeel van het Associatieverdrag, in het hoofdstuk Sanitaire en Phytosanitaire (SPS) maatregelen, bevestigen beide partijen hun rechten en plichten onder de WTO-SPS overeenkomst (bepaling 4). Tevens zijn in dit hoofdstuk afspraken opgenomen over pre-listing van bedrijven die mogen exporteren en is verificatie ter plekke mogelijk (bepaling 15). Ook is in het hoofdstuk Handel en Duurzame Ontwikkeling (bepaling 2) de afspraak opgenomen dat wederzijds de milieustandaarden niet verlaagd mogen worden om handel te bevorderen. Daarnaast bevat deze geconsolideerde tekst het EU-voorzorgsprincipe: bij imminente dreigingen voor milieu mogen de Europese Commissie en de EU lidstaten eenzijdig ingrijpen ook als er (nog) geen sluitend wetenschappelijk bewijs voorhanden is (hoofdstuk Handel en Duurzame Ontwikkeling, bepaling 10). Indien goedgekeurd, gaat het EU-Mercosur Associatieakkoord met deze afspraken verder dan de eerder door de EU gesloten associatieakkoorden.
De door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde teksten worden momenteel juridisch «opgeschoond» en vertaald in de talen van de Europese Unie. De Europese Commissie verwacht dat dit in de zomer van 2020 gereed zal zijn en verwacht de hieruit resulterende formele tekst ter goedkeuring aan de Raad voor te leggen in november 2020.
Kunt u bevestigen dat uit de op 12 juli volledig gepubliceerde tekst van het akkoord blijkt dat onder andere op de terreinen dierenwelzijn, gentech en antibioticaresistentie is afgesproken dat de twee handelsblokken alleen maar dialogen aangaan?
In het hoofdstuk Dialogen is voorzien in de oprichting van een sub-comité voor dialogen m.b.t. dierenwelzijn, gentechnologie, antimicrobiële resistentie (AMR) en wetenschappelijke zaken gerelateerd aan voedselveiligheid en dier- en plantgezondheid (bepalingen 1 en 2). Het sub-comité kan adhoc-werkgroepen instellen. De werkgroep dierenwelzijn heeft als doel kennisdeling te bevorderen, best practices te delen, de onderzoekssamenwerking te versterken, en de samenwerking in internationale fora te intensiveren met als doel de verdere ontwikkeling van OIE-standaarden, inclusief dierenwelzijnspraktijken en hun implementatie. Erkend wordt dat dieren «wezens met gevoel» zijn (bepaling 3). Verder is afgesproken dat er intensiever zal worden samengewerkt op AMR en gentechologie (bepalingen 5 resp. 4). Voor AMR zal een werkgroep worden opgericht. Voor gentechnologie bestaat die mogelijkheid eveneens.
Kunt u bevestigen dat de teksten van het akkoord stellen dat onder andere op die gebieden de verdragslanden hun volledige beleidsautonomie houden?
De soevereiniteit van beide verdragspartners over hun eigen interne regelgeving wordt bevestigd in het Hoofdstuk Dialogen, bepaling 7.
Kunt u bevestigen dat dit betekent dat de EU hierdoor niet in staat is om af te dwingen dat de Mercosur-landen zich aan de Europese standaarden houden op deze terreinen? Zo nee, kunt u de precieze bepalingen in het akkoord aanwijzen waaruit blijkt dat de EU dit wel zou kunnen?
De EU kan de Mercosur-landen niet dwingen de EU-regelgeving of het equivalent daarvan over te nemen. Voor toelating op de interne EU-markt geldt dat alle geïmporteerde producten wel moeten voldoen aan de EU-standaarden op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid, ook voor producten die afkomstig zijn uit Mercosur-landen. Om optimaal gebruik te maken van EU-markttoegang kunnen de Mercosur-landen besluiten de interne regelgeving en standaarden te richten op de EU-regelgeving en standaarden.
Kunt u bevestigen dat op het gebied van de handel en duurzame ontwikkeling, waar ook de bescherming van het Amazoneregenwoud onder valt, er geen afdwingbare afspraken zijn gemaakt?
In het verdrag respecteren beide partijen met het «right to regulate» de mogelijkheid hun eigen wet- en regelgeving vast te stellen.
Kunt u bevestigen dat de EU derhalve geen middel heeft om bescherming van het regenwoud af te dwingen? Zo nee, kunt u de precieze bepalingen in het akkoord aanwijzen waaruit blijkt dat de EU dit wel zou kunnen?
In bepaling 5 van het hoofdstuk over Handel en Duurzame Ontwikkeling bevestigen de EU en Mercosur hun verplichtingen onder multilaterale milieuakkoorden, zoals de Overeenkomst van Parijs en het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD), effectief te implementeren en waar mogelijk samen te werken binnen deze internationale fora. In bepaling 8 van hetzelfde hoofdstuk zijn afspraken opgenomen over het belang van duurzaam bosbeheer, over de handel in duurzame producten en over het bevorderen van de betrokkenheid van inheemse bevolkingsgroepen hierbij, en over maatregelen om illegale houtkap en daaraan gerelateerde handel tegen te gaan. Er bestaan echter geen afdwingbare, internationale afspraken voor de bescherming van de Amazone of het voorkomen van illegale ontbossing waar het EU-Mercosur-Associatieakkoord naar kan verwijzen.
Kunt u bevestigen dat er geen afdwingbare afspraken in het verdrag zijn opgenomen die het gebruik van landbouwgif in de Mercosur-landen zodanig aan banden gaan leggen dat die landen in ieder geval geen pesticiden zullen gebruiken die verboden zijn in de EU? Zo nee, kunt u de precieze bepalingen in het akkoord aanwijzen waaruit blijkt dat de EU zou kunnen afdwingen dat de Mercosur-landen dezelfde verboden op pesticiden gaan hanteren bij de teelt van producten die ze naar de EU onder dit akkoord zullen exporteren?
In de Mededeling van de EU van 23 juli jl. «Stepping up EU Action to Protect and Restore the World’s Forests»2 worden opties genoemd hoe de EU haar marktmacht nog verder kan inzetten voor het voorkomen van ontbossing3. Deze opties zullen de komende maanden verder worden uitgewerkt.
Kunt u bevestigen dat EU-landen vanuit het voorzorgsbeginsel alleen maar handelsbeperkingen kunnen opleggen wanneer het milieu binnen de eigen landsgrenzen in gevaar is, maar niet op basis van de positie die lidstaten wellicht willen innemen dat zij geen vrije markttoegang willen bieden aan producten die gepaard gaan met het in gevaar brengen van het milieu in de Mercosur-landen?
Het nog goed te keuren EU-Mercosur Associatieakkoord bevestigt in het hoofdstuk over Handel en Duurzame Ontwikkeling de verplichtingen voor beide partijen die zijn vastgelegd in internationale verdragen. De geconsolideerde tekst voorziet in een sub-comité inzake handel en duurzame ontwikkeling waarin partijen toezien op de implementatie van afspraken. In het geval een partij zich niet houdt aan de afspraken, kan een geschillenbeslechtingsprocedure gestart worden door het inroepen van een deskundigenpanel voor advies (hoofdstuk Handel en Duurzame Ontwikkeling, bepalingen 16–18). Onafhankelijke milieuorganisaties, vakbonden en bedrijfsorganisaties kunnen via nationale adviesgroepen aanbevelingen doen aan dit sub-comité (Hoofdstuk Handel en Duurzame Ontwikkeling, bepalingen 14 t/m 17).
Gezien het feit dat de geconsolideerde teksten beschikbaar zijn, wanneer gaat de regering «de balans opmaken» van de brede voor- en nadelen van het handelsakkoord, inclusief voor de land- en tuinbouwsector, en dit standpunt naar de Kamer sturen?
Dergelijke afspraken zijn inderdaad niet in het verdrag opgenomen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de verdragslanden valt onder de soevereiniteit over de eigen interne regelgeving die wederzijds wordt gerespecteerd.
Herinnert u uw uitspraken in de Kamer van 4 juli jl., toen u zei dat de standpuntbepaling van de regering pas zal plaatsvinden nadat de geconsolideerde teksten beschikbaar zijn?
De hiervoor relevante regels staan niet in het nog goed te keuren EU-Mercosur Associatieakkoord, maar in de Europese regels voor het vaststellen van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen, Verordening (EG) nr. 396/2005. Deze verordening garandeert dat alleen producten op de Europese markt worden toegelaten (in de EU geproduceerd of ingevoerd) die voldoen aan de vastgestelde Maximale Residu Limieten (MRL’s) en daarmee voldoende veilig zijn. Gewasbeschermingsmiddelen die in de EU uit overwegingen van volksgezondheid zijn verboden, mogen ook in producten uit derde landen niet aanwezig zijn. Als de middelen in de EU uit andere dan volksgezondheidsoverwegingen zijn verboden, kan wel een MRL (invoertolerantie, IT) worden aangevraagd. Deze IT wordt toegekend als uit een beoordeling van de European Food Safety Authority (EFSA) blijkt dat die voldoende veilig is. De toetsing hiervan is gelijk aan die van middelen die wel in de EU zijn toegelaten.
Hoe vallen uw stellige uitspraken over wat in het Mercosur-vrijhandelsverdrag zou zijn opgenomen en uw duidelijke positieve appreciatie van het akkoord in de Financial Times op 8 juli te rijmen met wat u gezegd heeft in de Kamer, gelet op het feit dat de geconsolideerde teksten pas op 12 juli beschikbaar kwamen?
Het voorzorgsprincipe wordt ingeroepen ter bescherming van het milieu in de EU. De Europese Commissie en EU-lidstaten mogen beleidsmaatregelen nemen om het milieu te beschermen, voor zover daar behoefte aan is. Alle maatregelen die invloed hebben op de markttoegang van derde landen tot de EU moeten in lijn zijn met de WTO-regels en de afspraken die gemaakt zijn in een bilateraal handelsakkoord.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden zonder te verwijzen naar eerdere antwoorden?
De door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde teksten zijn voorlopige teksten. In deze teksten zijn de tariefcontingenten en het politieke deel van het akkoord nog niet opgenomen. De gepubliceerde geconsolideerde teksten worden momenteel juridisch «opgeschoond» en vertaald in de talen van de Europese Unie. De Europese Commissie verwacht dat dit in de zomer van 2020 gereed zal zijn en verwacht de hieruit resulterende formele tekst ter goedkeuring aan de Raad voor te leggen in november 2020. De Europese Commissie voert momenteel een Sustainability Impact Assessment uit die naar verwachting eind dit jaar wordt gepubliceerd.
De regering zal de balans opmaken van de voor- en nadelen van het nog goed te keuren EU-Mercosur Associatieakkoord als alle daartoe noodzakelijke stukken beschikbaar zijn. De Kamer zal over het standpunt van het Kabinet worden geïnformeerd voordat de Raad besluit over het akkoord.
Bent u bekend met de berichten in de internationale media «Bolsonaro declares «the Amazon is ours»»1, «Bolsonaros «alternative Fakten»»2, «Amazon deforestation accelerating towards unrecoverable «tipping point»»3, «Braziliaanse goudzoekers vallen Wajãpi-reservaat binnen en vermoorden leider»4 en «Amazon gold miners invade indigenous village in Brazil after its leader is killed»?5
Ja.
Kunt u bevestigen dat vijftig illegale goudzoekers vorige week het gebied van de Wajãpi-stam in het Amazonegebied zijn binnengevallen en dat een van de leiders van de Wajãpi-stam vermoord is? Kunt u bevestigen dat de rest van de stam vervolgens gevlucht is? Zo nee, wat is er dan gebeurd?
De Fundação Nacional do Índio (FUNAI), de Braziliaanse overheidsorganisatie voor de inheemse bevolking, heeft bevestigd dat een inheemse leider dood is gevonden. Volgens de Waiãpi-gemeenschap is een groep illegale mijnbouwers hun gebied ingetrokken en heeft deze groep hun leider vermoord. FUNAI, het federale Openbaar Ministerie en de politie zijn kort na het incident gestart met een onderzoek naar de doodsoorzaak. Inmiddels heeft de politie vastgesteld dat de leider geen verwondingen had die tot zijn dood hebben geleid en suggereert dat de leider door verdrinking om het leven is gekomen. De inheemse groep betwist deze conclusie.
Heeft u gelezen dat stamlid Kureni Wajãpi in een gesprek met The Guardian liet weten te vinden dat Bolsonaro de aanval heeft aangemoedigd, en zei: «Dit komt door de president. Hij bedreigt de inheemse volken van Brazilië.»?
Ja.
Sinds wanneer is u bekend dat president Bolsonaro de mensen die al vele generaties lang in het Amazonegebied leven «parasieten» noemt?
Deze uitspraken zijn tijdens Bolsonaro’s verkiezingscampagne in 2018 bekend geworden. Bolsonaro deed de uitspraak over de Braziliaanse cavalerie overigens al in 1998. De retoriek van President Bolsonaro over de inheemse bevolking gaat in tegen de VN Verklaring over de Rechten van Inheemse Groepen uit 2007 (waar Brazilië destijds vóór stemde) en is zorgwekkend, zeker als die zich in concrete stappen zou vertalen. Tot op heden is dat echter nog niet gebeurd. De rechten van de inheemse bevolking zijn in de Braziliaanse constitutie beschermd. In Brazilie lijkt wel een klimaat te ontstaan waarin illegale ontbossing, illegale activiteiten in de Amazone en acties tegen de inheemse bevolking zich in toenemende mate in een tendens van straffeloosheid kunnen voltrekken.
Sinds wanneer is u bekend dat president Bolsonaro in een interview het volgende heeft gezegd: «Het is jammer dat de Braziliaanse cavalerie niet zo efficiënt was als de Amerikaanse, die de indianen heeft uitgeroeid.»?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van deze uitspraken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat in het Yanomami-gebied en in de plaatsen Espigão d’Oeste en Placas er gewelddadigheden hebben plaatsgevonden, vermoedelijk uitgevoerd door illegale mijnbouwers en houthakkers? Kunt u bevestigen dat de Braziliaanse Minister van milieu Ricardo Salles in een toespraak juist zijn steun heeft uitgesproken voor de activiteiten van deze mijnbouwers en houthakkers? Zo ja, wat vindt u ervan dat de Minister die hoofdverantwoordelijk is voor de bescherming van het Amazoneregenwoud zich op deze wijze uitlaat? Zo nee, wat is er dan gebeurd?
Er hebben inderdaad recent incidenten plaatsgevonden, waaronder acties tegen Ibama (het Braziliaanse Instituut voor Milieu en Hernieuwbare Natuurlijke Hulpbronnen) in Espigão d’Oeste en in Placas. Deze zijn vermoedelijk door personen gelinkt aan de (illegale) houtkap uitgevoerd. Inheemse groepen in het Yanomami-gebied hebben daarnaast aangegeven een toename van illegale mijnbouwers in hun gebied te hebben gezien. Dit is niet bevestigd door de Braziliaanse autoriteiten.
Minister Salles van milieu is na de eerste actie tegen Ibama in Espigão d’Oeste naar de plaats afgereisd, om met de lokale bevolking en autoriteiten te praten. Nadat een vrachtwagen met brandstof voor helikopters van Ibama in brand was gestoken, had Ibama de activiteiten van ruim 70 houtbedrijven stilgelegd, waar deze bedrijven het niet mee eens waren. Minister Salles heeft tijdens zijn bezoek zijn steun voor deze bedrijven uitgesproken (niet voor de illegale activiteiten).
De incidenten tegen Ibama zijn verontrustend, temeer omdat Ibama al te kampen heeft met te weinig capaciteit en middelen, en illegale ontbossing de laatste jaren weer aan het toenemen is. Hoewel het bosbeleid zelf inhoudelijk weinig is gewijzigd onder de regering-Bolsonaro, is het duidelijk dat de huidige middelen tekort schieten om de stijgende ontbossingstrend een halt toe te roepen.
Welke consequenties verbindt u aan de uitspraken van Bolsonaro, gelet op de handelsdeal tussen de EU en de Mercosur-landen, waaronder Brazilië, waarover u tot nu toe nog altijd enthousiast lijkt te zijn?
Nederland en de EU blijven in de dialoog met Brazilië aandringen op adequate bescherming van mensenrechten en van de Amazone. De Europese Commissie heeft aangegeven het Associatieakkoord tussen de EU en Mercosur op zijn vroegst in november 2020 ter besluitvorming voor te kunnen leggen aan de Raad, als de tekst eenmaal juridisch opgeschoond en vertaald is. De Kamer zal vooraf worden geïnformeerd over het standpunt van het Kabinet. Zie verder ook het antwoord op vragen 10, 18 en 21.
Kunt u bevestigen dat Brazilië met het voorliggende EU-Mercosur-handelsakkoord een groot afzetgebied krijgt voor producten die gepaard gaan met (deze) mensenrechtenschendingen?
Het akkoord voorziet in wederzijdse vergroting van de markttoegang door ruim 90% tariefliberalisatie. In het Associatieakkoord bevestigen de EU en Mercosur daarbij hun verplichtingen onder multilaterale verdragen zoals het Mensenrechtenverdrag en de ILO-Conventies, deze afspraken effectief te implementeren en waar mogelijk samen te werken binnen internationale fora. Partijen erkennen tevens het belang van duurzaam bosbeheer en zullen handel in duurzame producten en betrokkenheid van inheemse bevolkingsgroepen hierbij bevorderen. In het EU-Mercosur Associatieakkoord zijn verder afspraken opgenomen over maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Het Associatieakoord voorziet daarbij ook dat het maatschappelijk middenveld een rol heeft in het monitoren van de uitvoering van het Associatieakkoord.
Ziet u niet dat wanneer de EU een afzetmarkt biedt voor deze producten, de EU deze mensenrechtenschendingen in Brazilië stimuleert en/of mede op haar geweten heeft?
Tariefliberalisatie binnen het ontwerphandelsakkoord tussen de EU en Mercosur heeft betrekking op producten en diensten. Een deel van de tariefliberalisatie heeft betrekking op landbouwproducten. De mogelijke effecten op het milieu van toegenomen exportproductie uit de Mercosur-regio worden door de Europese Commissie in een «Sustainability Impact Assessment» in kaart gebracht. Het is de verwachting dat deze studie eind 2019 wordt gepubliceerd. Los van de tariefliberalisatie onder het handelsakkoord moeten de lidstaten van de Mercosur en de EU zich aan hun verplichtingen onder het Parijs Akkoord en andere klimaatdoelstellingen houden. Dat wordt in het handelsakkoord nogmaals bevestigd. In het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling zijn artikelen over het tegengaan van illegale ontbossing opgenomen. Hierin zijn ook afspraken te vinden over biodiversiteit, milieu en klimaat. Het Kabinet onderkent het brede belang van het EU-Mercosur-verdrag en zal hierover een standpunt innemen als de hiertoe benodigde documenten beschikbaar zijn. Hierbij zal het genoemde «Sustainability Impact Assessment» worden meegenomen.
Nederland zal voorts actief aandacht blijven vragen voor het belang van het tegengaan van ontbossing in de Mercosur regio. Er is een toenemende internationale consensus dat bossen van grote waarde zijn voor het afremmen van klimaatverandering, het behoud van biodiversiteit, duurzaam land- en waterbeheer en het behoud van landbouwproductiviteit op de lange termijn. Mede om die redenen is onder duurzaam ontwikkelingsdoel 15 van de VN Agenda voor Duurzame Ontwikkeling een subdoelstelling voor bossen opgenomen6. Het is daarmee in het belang van zowel de EU- als de Mercosur-regio om de voortschrijdende ontbossing terug te dringen. In lijn daarmee heeft de Europese Commissie op 23 juli j.l. de Mededeling Stepping up EU Action to Protect and Restore the World’s Forests gepubliceerd waarin acties worden voorgesteld die de ontbossing door de Europese marktvraag naar agrarische grondstoffen moet terugdringen. Het akkoord tussen de EU en Mercosur, en de Mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot versterkte EU-actie tegen ontbossing, bieden kansen om de samenwerking en de dialoog met de Mercosur-regio verder vorm te geven.
Daarnaast verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven dat zij ondernemen volgens de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen). Bedrijven dienen de daadwerkelijke en mogelijk negatieve impact van hun handelen te identificeren, mitigeren, voorkomen en rekenschap af te leggen over dit proces. De toepassing van de OESO-richtlijnen geldt ook voor bedrijven waarvan de waardeketens zich uitstrekken tot in Brazilië en omvat het thema ontbossing. Het is de verantwoordelijkheid van een bedrijf zelf om risico’s in kaart te brengen en maatregelen te treffen bij eventuele betrokkenheid bij misstanden, zoals ontbossing. Het uitgangspunt hierbij is dat een onderneming invloed aanwendt om verbeteringen in de keten te bewerkstelligen. Als uiterste redmiddel kan beëindiging van de zakelijke betrekkingen passend zijn.
Waar ligt voor u de grens als het gaat om (beoogde) handelspartners die zich schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen?
Het Kabinet stelt waar mogelijk mensenrechtenschendingen zelfstandig of in EU-verband aan de orde en gebruikt hiervoor de beschikbare kanalen. Een Associatieverdrag kan de EU daarbij additionele handvatten bieden om een dialoog aan te gaan over het belang van het respecteren van mensenrechten. Zolang er sprake is van mensenrechtenschendingen zal Nederland aandacht vragen voor het respecteren van mensenrechten.
Kunt u bevestigen dat er door menselijk handelen veroorzaakte verwoestijning van het Amazoneregenwoud plaatsvindt?
Over het grote belang van (tropische) bossen en in het bijzonder het Amazonewoud voor het beperken van klimaatverandering (en het behoud van kostbare biodiversiteit) wordt regelmatig gepubliceerd door gezaghebbende instanties en kennisinstellingen, waaronder het International Panel on Climate Change (IPCC), het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) en het World Resources Institute (WRI). Volgens het WRI is ontbossing in tropische gebieden verantwoordelijk voor circa 8 procent van de mondiale emissies. Hieruit wordt duidelijk dat het wegvallen van het Amazonewoud, het grootste tropische bosgebied ter wereld, grote consequenties zou hebben voor het klimaat wereldwijd. Er zijn ook onderzoeken die erop wijzen dat bij teveel boskap in de Amazone een omslagpunt zou kunnen worden bereikt, waarna klimaat- en regenpatronen onherstelbaar zouden wijzigen, met serieuze consequenties voor onder andere de landbouw in de regio.
Heeft u gelezen dat president Bolsonaro de wetenschappelijke bevindingen van het Braziliaanse National Institute of Space Research (INPE) over de dramatische versnelling van de ontbossing van het Amazonewoud een «leugen» heeft genoemd?
Ja.
Kunt u bevestigen dat president Bolsonaro grote druk uitoefent op de directeur van het INPE over deze kwestie? Zo ja, wat vindt u ervan dat de regeringsleider van een land druk uitoefent op de directeur van een onafhankelijk wetenschappelijk instituut?
President Bolsonaro lijkt inderdaad, blijkens persberichten, druk te hebben uitgeoefend op de directeur van de overheidsorganisatie die o.a. ontbossingscijfers bijhoudt. De verantwoordelijke Minister van wetenschap, technologie, innovatie en communicatie, Marcos Pontes, heeft Ricardo Galvão ontslagen als directeur van INPE. Voor zover dit ontslag verband zou houden met de publicatie van de ontbossingscijfers, zou dit een zorgwekkende ontwikkeling zijn, temeer omdat de Braziliaanse regering nog geen antwoord heeft gevonden op de toenemende illegale ontbossing.
Kunt u bevestigen dat president Bolsonaro heeft gezegd dat geen enkel ander land invloed zal kunnen uitoefenen op wat er met het regenwoud gebeurt, omdat het regenwoud «van Brazilië is»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat president Bolsonaro met name Duitsland heeft genoemd als land waar hij niet naar wil luisteren, omdat Duitsland grote hoeveelheden steenkolen bij de energieproductie gebruikt? Kunt u aangeven wat de reactie van de Duitse regering hierop is?
Dat heeft President Bolsonaro inderdaad gezegd. Dit was in reactie op Bondskanselier Merkel, die zei met Bolsonaro te willen spreken over zijn beleid, n.a.v. de toenemende ontbossing. Voor zover bekend heeft de Duitse regering niet op de opmerkingen van president Bolsonaro gereageerd.
Kunt u bevestigen dat president Bolsonaro toestemming heeft gegeven voor zeer schadelijke mijnbouwactiviteiten in het Amazoneregenwoud? Hoe vallen deze activiteiten te rijmen met het implementeren van het Klimaatverdrag van Parijs door Brazilië?
Nee. President Bolsonaro heeft vaak gezegd nieuwe gebieden in de Amazone open te willen stellen voor mijnbouwactiviteiten, maar tot op heden is het beleid niet aangepast.
Wat moeten we ervan denken dat de Europese Commissie oproept tot het tegengaan van ontbossing en erkent dat de belangrijkste veroorzaker van die ontbossing de vraag naar voedsel en veevoer is, terwijl diezelfde Europese Commissie het gigantische EU-Mercosur-vrijhandelsverdrag, dat aantoonbaar tot meer landbouwactiviteit in het Amazonewoud en nog meer ontbossing leidt, heeft afgesloten en door de Raad wil krijgen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u zich voorstellen dat burgers weinig vertrouwen hebben in mooie Europese woorden over het tegengaan van ontbossing als de Europese Commissie handelsdeals die ontbossing in de hand werken belangrijker vindt? Steunt u de oproep van de Europese Commissie om ontbossing tegen te gaan?6 Zo ja, bent u bereid dan ook de positie in te nemen die daar bijhoort en in verzet te komen tegen het Mercosur-vrijhandelsverdrag?
Zie antwoord op vraag 8.
Waar ligt voor u de grens met handelspartners die zich schuldig maken aan het vernietigen van de natuur in hun eigen land?
Handelspolitiek is een exclusieve Europese bevoegdheid. Daarbinnen zal Nederland altijd, in bilateraal en in EU-verband, actief aandacht vragen voor het voldoen aan milieuverplichtingen die deze handelspartners zijn aangegaan in het kader van bijvoorbeeld het Klimaatakkoord van Parijs en het Biodiversiteitsverdrag (CBD). Het EU-Mercosur Associatieakkoord biedt handvatten om de dialoog en intensievere samenwerking op dit gebied verder vorm te geven.
Bent u bereid om zelf harde maatregelen te treffen en daar in Europa ook voor te pleiten, zoals bijvoorbeeld het stopzetten van de import van grote hoeveelheden landbouwproducten als rundvlees, kippenvlees en suiker die op dit moment vanuit Brazilië geïmporteerd worden en waarvan de productie een direct en bewezen verband heeft met de ontbossing van het Amazoneregenwoud? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Het drastisch versnellen van het tempo waarop het Amazoneregenwoud wordt vernietigd |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de vernietiging van het Amazoneregenwoud met 60% is gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2018?1
Ja.
Heeft u een beeld van de consequenties van het verdwijnen van het Amazonewoud voor de mondiale klimaatverandering? Zo ja, hoe ernstig zijn volgens u de implicaties? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Over het grote belang van (tropische) bossen en in het bijzonder het Amazonewoud voor het beperken van klimaatverandering (en het behoud van kostbare biodiversiteit) wordt regelmatig gepubliceerd door gezaghebbende instanties en kennisinstellingen, waaronder het International Panel on Climate Change en het World Resources Institute (WRI). Volgens het WRI is ontbossing in tropische gebieden verantwoordelijk voor circa 8 procent van de mondiale emissies. Hoewel een exacte berekening mij niet bekend is, wordt uit dit soort cijfers wel duidelijk dat het wegvallen van het Amazonewoud, het grootste tropische bosgebied ter wereld, grote consequenties zou hebben voor het klimaat wereldwijd. Er zijn ook onderzoeken die erop wijzen dat bij teveel boskap in de Amazone een «tipping point» zou kunnen worden bereikt, waarna klimaat- en regenpatronen onherstelbaar zouden wijzigen, met serieuze consequenties voor onder andere de landbouw in de regio.
Klopt het dat op basis van de hoofdlijnen van het handelsverdrag tussen de EU en de Mercosur-landen importtarieven worden verlaagd op producten die tot stand zijn gekomen door Amazone-ontbossing, zoals bijvoorbeeld landbouwproducten die op gekapt gebied zijn geproduceerd, of illegaal gekapt hout? Zo ja, bent u bereid op basis hiervan namens Nederland niet akkoord te gaan met het Mercosur-handelsverdrag?
Tariefliberalisatie binnen het ontwerp-handelsakkoord tussen de EU en Mercosur heeft betrekking op producten en diensten. Een deel van de tariefliberalisatie heeft betrekking op landbouwproducten. De Sustainability Impact Assessment zal de verwachte milieueffecten van het handelsakkoord in kaart brengen. Naar verwachting wordt deze eind 2019 gepubliceerd. Los van de tariefliberalisatie onder het handelsakkoord, moeten de lidstaten van de Mercosur en de Europese Unie zich aan hun verplichtingen onder het Parijs Akkoord en andere klimaatdoelstellingen houden. Dat wordt in het handelsakkoord nogmaals bevestigd. In het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling zijn bepalingen over het tegengaan van ontbossing opgenomen. Hierin zijn ook afspraken te vinden over biodiversiteit, milieu en klimaat. De EU staat de import van illegaal gekapt hout niet toe en verwacht gepaste zorgvuldigheid van importeurs, om te verzekeren dat hout op legale wijze is gekapt en hierop ook controle kan worden uitgeoefend.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat grootschalige bedrijfseconomische activiteiten ten koste gaan van het Amazonewoud, zijn bewoners en mondiaal nuttige biodiversiteit? Zo ja, zijn dat voor de Nederlandse regering redenen om niet akkoord te gaan met het Mercosur-verdrag? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van duurzame ontwikkeling en daarmee ook van het duurzaam beheer van het Amazonewoud, ten behoeve van zowel de (inheemse) Braziliaanse bevolking als de wereldbevolking, vanwege de grote waarde van dit gebied voor het afremmen van klimaatverandering, het behoud van biodiversiteit, duurzaam land- en waterbeheer, en het stimuleren van duurzame landbouwproductiviteit.
Het kabinet zal de voor- en nadelen van het Mercosur-verdrag afwegen als de formele teksten bekend zijn. In de standpuntbepaling van het kabinet zal worden meegewogen in hoeverre het akkoord zal bijdragen aan duurzame ontwikkeling, waaronder het behoud van biodiversiteit. Meer informatie over duurzaamheidaspecten van het Mercosur-akkoord is te vinden op de EU website.2
Welke concrete activiteiten onderneemt u om de vernietiging van het Amazonewoud te stoppen? Wat hebben deze activiteiten tot nu toe opgeleverd?
Nederland is de dialoog met de Braziliaanse overheid op het gebied van landbouw, duurzaamheid en klimaat aan het intensiveren. Ook werkt Nederland aan versterkte samenwerking met Brazilië en Europese partners op het gebied van economie, duurzame landbouw en behoud van extreem waardevolle bossen en biodiversiteit in de Amazone (en daarbuiten). Via het Amsterdam Declarations Partnership en diverse, mede door Nederland gefinancierde, programma’s van de Global Environment Facility, het Green Climate Fund, Solidaridad, Initiatief Duurzame Handel (IDH), Kadaster en andere partners, zet Nederland met concrete acties in op het tegengaan van ontbossing en het bevorderen van duurzame ontwikkeling, onder andere op het gebied van land- en bosbouw. Daarnaast worden bedrijven in diverse risicosectoren, zoals bijvoorbeeld de voedingsmiddelensector en de bancaire sector, middels de convenanten voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) gestimuleerd om gepaste zorgvuldigheid toe te passen. Als bedrijven daarbij ontbossing van de Amazone identificeren als risico, dan behoren zij dit risico te voorkomen of te mitigeren en hierover rekenschap af te leggen.
Bovengenoemde thematiek vormt een van de speerpunten van het Nederlands beleid in Brazilië. Daarbij blijft het kabinet zoeken naar mogelijkheden voor interventies die een verschil kunnen maken in dit complexe speelveld, in goede samenwerking met Braziliaanse en internationale partners, waaronder de EU, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Het is duidelijk dat na een positieve trend van dalende ontbossing enkele jaren geleden, nu weer een extra inspanning nodig is om de toenemende ontbossing een halt toe te roepen.
Klopt het dat onder andere de Nederlandse bedrijven Arcadis, Damen Shipyards en Boskalis betrokken zijn bij de aanleg van de Corridor Centro-Norte, bedoeld voor de aan- en afvoer van soja afkomstig van plantages die zijn aangelegd op gekapt Amazonewoud? Acht u het mogelijk om bedrijfseconomische activiteiten duurzaam en verantwoord te noemen indien ze in verband gebracht kunnen worden met gekapt Amazonewoud? Zo ja, kunt u dit motiveren?
De Nederlandse overheid ondersteunt geen bedrijfsactiviteiten voor het daadwerkelijk ontwikkelen van de Corredor Centro-Norte, zoals eerder aangegeven in mijn brief van 8 mei 2018 (Kamerstuk 26 485, nr. 290) en in antwoord op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 2506). Het is mij niet bekend dat Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de aanleg van de Corredor Centro-Norte. Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij maatschappelijk verantwoord ondernemen volgens de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Het is aan de bedrijven zelf om IMVO-risico’s in kaart te brengen en maatregelen te treffen bij eventuele betrokkenheid bij misstanden. Tevens dienen zij zich te houden aan de Braziliaanse wet- en regelgeving, waar de Braziliaanse staat op toeziet. Daarnaast blijven wij in gesprek met stakeholders over het tegengaan van ontbossing en het bevorderen van duurzame ontwikkeling.
Is bij u bekend welke Nederlandse bedrijven hout afnemen dat afkomstig is van gekapt Amazonewoud? Zo ja, welke bedrijven zijn dit? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Informatie over welke bedrijven hout uit Brazilië importeren is alleen beschikbaar voor controle en toezicht door de Douane en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Bedrijven die hout afnemen uit Brazilië en dit op de EU-markt brengen, zijn verplicht zich aan de voorschriften van de EU Houtverordening te houden. Marktdeelnemers moeten garanties geven over de legale herkomst van hun producten door een stelsel van zorgvuldigheidseisen toe te passen.
Dit stelsel bestaat uit:
Gelet op de situatie in Brazilië ten aanzien van illegale kap dienen bedrijven zich ervan te vergewissen dat de informatie uit documentatie wordt gestaafd door afdoende mitigerende maatregelen zoals onafhankelijke audits of chain of custody certificering. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ziet toe op de naleving van deze Verordening in Nederland.
Kunt u een lijst verstrekken van Nederlandse bedrijven die, direct of indirect, bijdragen aan de vernietiging van het Amazonewoud? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse bedrijven zijn niet verplicht om aan de Nederlandse overheid te melden welke zaken zij in het buitenland doen. Het kabinet draagt, ook via onze diplomatieke posten en onze uitvoerder RVO, het IMVO-beleid actief uit en wijst Nederlandse bedrijven op mogelijke risico’s. Het is de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf om maatschappelijk verantwoord te ondernemen.
Het bericht ‘Volkerak-Zoommeer op de grens van Zeeland en Brabant wordt al vóór 2030 zout’ |
|
Rutger Schonis (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht »Volkerak-Zoommeer op de grens van Zeeland en Brabant wordt al vóór 2030 zout»?1
Ja. Anders dan de kop van dit bericht suggereert, is nog niet besloten of het Volkerak-Zoommeer zout zal worden. Het Volkerak-Zoommeer maakt deel uit van een groslijst van maatregelen binnen de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW), waarover de besluitvorming nog moet plaatsvinden. Hierover heb ik samen met de Minister van LNV uw Kamer op 8 juli jl. geïnformeerd (Kamerbrief 27 625, nr. 476).
Bent u bekend met de huidige ecologische status van het zoetwatergebied Volkerak-Zoommeer, dat op dit moment ecologisch floreert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De meeste doelen van de Kaderrichtlijn Water worden bereikt en er zijn diverse Natura 2000 waarden aanwezig. Een terugkerend probleem is overlast door blauwalgenplagen. Dat heeft bijvoorbeeld in de zomer van 2018 in West-Brabant en Goeree-Overflakkee nog geleid tot het stopzetten van de inname van water uit het Volkerak-Zoommeer.
Heeft u met de landbouw- en natuurbeschermingsorganisaties overleg gevoerd over de mogelijkheid van het versneld verzilten van het Volkerak-Zoommeer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Binnen de organisatiestructuur van het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta vindt met de landbouw- en natuurbeschermingsorganisaties en andere belanghebbenden, regionale en lokale overheden periodiek overleg plaats. Het overleg wordt voortgezet in het gebiedsproces ten behoeve van de uiteindelijke besluitvorming over de groslijst van projecten. Zie verder antwoord 4.
Deelt u de mening dat wanneer de huidige ecologische en economische waarde van het Volkerak-Zoommeer hoger is dan de verwachte waarde na de verzilting, het MIRT-project afgeblazen dient te worden (MIRT staat voor Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport)? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het belang van de huidige ecologische, economische en sociaal-maatschappelijke waarden wordt betrokken bij een gebiedsproces dat ten grondslag ligt aan de uiteindelijke besluitvorming over de groslijst van maatregelen voor de PAGW. Daarbij is ruimte voor de inbreng van alle belanghebbenden. Het besluit over het eventueel weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer zal ik niet eerder nemen dan nadat op basis van een milieueffectrapportage en een (maatschappelijke) kosten-batenanalyse de kosten en effecten hiervan zijn bepaald. Dit geldt voor zowel het Volkerak-Zoommeer zelf als voor een stabiel en samenhangend ecologisch netwerk van grote wateren. De effecten van het weer zout maken zullen worden afgezet tegen de aanwezige ecologische en economische toestand en de mate waarop deze onder invloed van autonome ontwikkelingen (zoals klimaatverandering en economische ontwikkeling) gaan wijzigen.
Welke stappen neemt u om te waarborgen dat alle omwonenden en organisaties voldoende betrokken worden bij de besluitvorming over het al dan niet versneld verzilten van het Volkerak-Zoommeer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoorden 3 en 4.
Welke stappen neemt u om te waarborgen dat, wanneer al voor verzilten van het Volkerak-Zoommeer wordt gekozen, onder de streep meer waarde ontstaat dan de huidige zoete situatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het antwoord op vraag 4 beschrijft verschillende waarborgen voorafgaand aan besluitvorming over het eventueel zout maken van het Volkerak-Zoommeer. Uw Kamer wordt geïnformeerd over het resultaat van de besluitvorming over de groslijst van projecten voor de PAGW en de argumentatie die eraan ten grondslag ligt. Dan zal verder duidelijk worden wat de betekenis daarvan is voor de toekomstige ontwikkeling van het Volkerak-Zoommeer en welke waarborgen worden gehanteerd.
Kent u de woedende en verbijsterde reacties op uw voornemen om Schiphol nog verder te laten groeien?1 2
Ik heb veel verschillende positieve en negatieve reacties gezien en gekregen op het kabinetsvoornemen om Schiphol onder strikte voorwaarden beperkte groei toe te staan.
Wat zeggen deze reacties u over het gevoerde luchtvaartbeleid in Nederland?
Dat veel mensen zich positief dan wel negatief betrokken voelen bij de ontwikkeling van Schiphol en de Nederlandse luchtvaart.
Deelt u de mening van de Bewoners Omgeving Schiphol (BOS) dat uw voornemen om Schiphol te laten groeien strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet zo is?3
Ik deel deze meningen niet. Het voornemen is zorgvuldig voorbereid en afgewogen. Zoals in de brief van 5 juli jl. staat opgenomen heeft het kabinet besloten over de systematiek voor de toekomstige ontwikkeling van Schiphol voor de middellange termijn. Dit betreft een overgangsperiode waarin we werken in lijn met het perspectief van de Luchtvaarnota, totdat dit perspectief in concrete bruikbare instrumenten is uitgewerkt. Daarbij geldt dat het aantal mensen dat op basis van de huidige systematiek als ernstig gehinderd wordt aangemerkt ieder jaar aantoonbaar omlaag moet. Oftewel pas nadat er sprake is van aantoonbare hinderbeperking kan Schiphol groei verdienen. De komende tijd ga ik met betrokken partijen in gesprek over de in de brief geschetste aanpak voor de middellange termijn. Ik zal uw Kamer over de verdere invulling hiervan dit najaar informeren.
In de aanloop naar dit besluit is er vanuit zowel de ORS als het ministerie een uitvoerig participatieproces doorlopen met diverse bijeenkomsten en mogelijkheden tot reageren. Hierbij zijn alle belangen zorgvuldig afgewogen op basis van verschillende participatietrajecten, het verslag van de voorzitter van de ORS en het advies van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI). Daarnaast ga ik de komende tijd in gesprek met de delegaties van de ORS en wordt nader onderzoek verricht ten behoeve van zorgvuldige besluitvorming voor de middellange termijn. Na de afronding wordt een ontwerpwijziging van het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol (LVB 2) opgesteld en volgt vervolgens de formele inspraakprocedure. De voornemens voor lange termijn zullen worden opgenomen in de Luchtvaartnota, waarvoor ook een uitgebreid onderzoeks- en participatietraject plaatsvindt.
Deelt u de mening van de Bewoners Omgeving Schiphol (BOS) dat uw voornemen om Schiphol te laten groeien in strijd is met het vertrouwensbeginsel, door tegenover participerende bewoners het vertrouwen te wekken dat eerst zorgvuldig zal worden onderzocht of de luchtvaart wel of niet kan groeien of juist moet krimpen, terwijl nu blijkt dat u voor groei gaat zonder onderzoek? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze gaat u recht doen aan de kritiek van de Bewoners Omgeving Schiphol (BOS)?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u de berichten «Geen Schipholoverleg met mes op tafel»5 en «Inspraakprocedure Lelystad Airport oneerlijk, van de 164.000 verbetervoorstellen zijn er 3 toegepast»6?
Ja.
Herinnert u zich dat voormalig voorzitter van de Omgevingsraad Schiphol, Hans Alders, voordat hij zijn adviesopdracht uiteindelijk alsnog inleverde, aanvankelijk probeerde om buiten de bewoners om en rechtstreeks tegen hun wens in, met een groeiadvies te komen?7
De betrokken partijen in de ORS hebben aan het einde van vorig jaar en het begin van dit jaar intensief overleg gevoerd om tot een gezamenlijk advies te komen. Vervolgens heeft de voormalig voorzitter van de ORS een brief gestuurd met de conclusie dat: «de marges voor een gedragen advies smal waren, maar dat de meest recente ontwikkelingen binnen de ORS duidelijk hebben gemaakt dat partijen niet in staat zijn om met elkaar tot een gezamenlijk advies te komen.» Dhr. Alders heeft daarom, met inachtneming van hetgeen de verschillende partijen naar voren hebben gebracht in de diverse overleggen, als voorzitter van de ORS een verslag van de besprekingen uitgebracht.
Erkent u dat het voor omwonenden van luchthavens in heel Nederland steeds onaantrekkelijker wordt om deel te nemen aan inspraak- en participatietrajecten als hun wensen structureel genegeerd worden bij de uiteindelijke besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht aan een zorgvuldig proces en goede participatie. In de aanloop naar dit besluit is er vanuit zowel de ORS als het ministerie een uitvoerig participatieproces doorlopen met diverse bijeenkomsten en mogelijkheden tot reageren. Alle belangen uit deze participatietrajecten zijn zorgvuldig afgewogen inclusief het verslag van de voorzitter van de ORS en het advies van de RLI. Na het uitbrengen van het kabinetsbesluit heb ik op 16 juli jl. een inloopavond over de besluitvorming over Schiphol georganiseerd. Er zal ook nog een tweede inloopavond worden gepland. Daarnaast ga ik de komende periode in gesprek met de delegaties van de ORS. Pas daarna zal het zogenaamde ontwerp ? LVB 2 definitief worden opgesteld en zal de inspraakperiode worden doorlopen. De voornemens voor de lange termijn zullen worden opgenomen in de Luchtvaartnota, waarvoor ook een uitgebreid onderzoeks- en participatietraject plaatsvindt. Daarbij wil ik benadrukken dat het enorm wordt gewaardeerd dat iedereen tijd stopt in het participatieproces en de ingebrachte voorstellen zullen dan ook ter harte worden genomen en waar mogelijk worden verwerkt in het besluit.
Erkent u dat de inspraak- en participatietrajecten hun waarde verliezen wanneer ze enkel gebruikt worden om het vinkje te kunnen zetten achter «draagvlak bij de samenleving» zonder daadwerkelijk iets te doen met de wensen van diezelfde samenleving? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat de inspraak- en participatietrajecten rond het Nederlandse luchtvaartbeleid een groeiend geloofwaardigheidsprobleem hebben omdat bewoners keer op keer zwaar teleurgesteld raken over de wijze waarop ze hun wensen terugzien in het uiteindelijke beleid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Wat gaat u doen om de geloofwaardigheid van de inspraak- en participatietrajecten rond het Nederlandse luchtvaartbeleid te herstellen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bevestigen dat met de door u ingezette trendbreuk -zijnde dat de volgorde van besluitvorming is omgedraaid, doordat eerst naar de brede set aan grenswaarden wordt gekeken voordat een verandering in het aantal vliegbewegingen wordt overwogen- de door u aangekondigde groei van het aantal vliegbewegingen niet gegarandeerd is?
Dat kan ik bevestigen.
Sluit u uit dat een krimp van het aantal vliegbewegingen het mogelijke resultaat kan zijn van het correct uitvoeren van de motie Van Raan/Kröger8 waarin de Kamer de regering oproept om voor de luchtvaart grenswaarden te ontwikkelen op het gebied van klimaat, leefomgeving en veiligheid? Zo ja, waarom?
De eerste jaren na 2020 vormen een overgangsperiode waarin we werken in lijn met het perspectief van de Luchtvaartnota, tot dit perspectief in concrete bruikbare instrumenten is uitgewerkt. Dit betekent concreet dat het aantal mensen dat op basis van de huidige systematiek als ernstig gehinderd wordt aangemerkt ieder jaar aantoonbaar omlaag moet. Oftewel pas nadat er sprake is van aantoonbare hinderbeperking kan Schiphol groei verdienen. Ook kan Schiphol zich alleen verder ontwikkelen als dit aantoonbaar veilig kan (zie ook antwoord op vraag 17). Ik zal de ILT vragen om ieder jaar te beoordelen of aan deze reductie en de regels van het stelsel is voldaan, om op basis daarvan te besluiten of voor een volgend jaar een beperkte groei van het aantal vliegtuigbewegingen is verdiend. Ook zal de ILT toe blijven zien op de veiligheidsaspecten. Daarnaast hecht ik er aan dat de hinderreductie als gevolg van bijvoorbeeld vlootvernieuwing en reductie van het aantal nachtvluchten ook gepaard gaat met concrete en zichtbare maatregelen voor de omgeving, die aansluiten bij hoe de hinder door omwonenden wordt beleefd. Daarom vraag ik Schiphol om samen met andere partijen uit de sector en de omgeving nog dit jaar een uitvoeringsplan hinderreductie op te stellen (waarin wordt gekeken naar bv. hogere en/of andere aan- en uitvliegroutes, vermindering van de inzet van secundaire banen en het creëren van rustmomenten). Naast het uitvoeringsplan hinderreductie is ook verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving nodig. Daarvoor vraag ik Schiphol om samen met andere partijen uit de sector en de omgeving een concreet voorstel uit te werken voor een Omgevingsfonds. Vanuit dit fonds zal bijvoorbeeld moeten worden geïnvesteerd in het aanpakken van individuele schrijnende situaties als gevolg van het vliegverkeer, het beter/verder isoleren van huizen in de directe omgeving van Schiphol en het ontwikkelen van gebieden rond Schiphol waarvoor bouwbeperkingen gelden.
Voor de lange termijn is de Luchtvaartnota in voorbereiding, de hoofdlijnen hiervan heb ik verwoord in de brief van 5 juli jl. Ter ondersteuning van het proces om te komen tot de Luchtvaartnota wordt een PlanMER uitgevoerd. In deze PlanMER wordt naar de verschillende hoekpunten (uitersten) gekeken die tezamen de hoekpunten vormen van het maatschappelijke debat. Eén van die hoekpunten is «normeren». In dit hoekpunt wordt er onderzoek gedaan naar diverse normen en grenswaarden op verschillende gebieden (ook breder t.a.v. hinder) die het toekomstige kader voor het luchtvaartbeleid kunnen vormen (conform de motie v. Raan/Kroger en motie v. Raan c.s.). Dit zou, als resultante eventueel ook kunnen leiden tot krimp. De daadwerkelijke keuze voor een beleidspakket voor de lange termijn zal gebaseerd worden op een brede afweging van effecten in de PlanMER en opgenomen worden in de Luchtvaarnota. Op deze manier wordt er invulling geven aan de moties over de introductie van grenswaarden voor leefomgeving. Bij de publicatie van de ontwerpLuchtvaartnota zal inzichtelijk gemaakt worden op basis van welk onderzoek de besluitvorming is voorbereid.
Waarom schrijft u in uw brief9 niets over krimpscenario’s voor Schiphol?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u bevestigen dat u op de persconferentie over de Schipholplannen de grenswaarde «hinder/geluidshinder» plaatste binnen het bredere begrip leefomgeving?10 Zo nee, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 13.
Erkent u dat de grenswaarde leefomgeving niet enkel bestaat uit «hinder/geluidshinder», maar ook betrekking heeft op andere grenswaarden op het gebied van onder andere de gezondheid, natuurbescherming en landschapsvervuiling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u bevestigen dat, naast de door u op de persconferentie genoemde doelstellingen rond hinderbeperking (binnen het bredere kader van grenswaarden op het gebied van de leefomgeving), ook het klimaat en de veiligheid cruciale grenswaarden bieden waarbinnen besluiten over de verandering van het aantal vliegbewegingen dienen te worden genomen? Zo nee, hoe zit het dan?
Schiphol kan alleen groeien als dat aantoonbaar veilig kan. Onderzoek van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) zal moeten aantonen dat veiligheidsrisico?s integraal en structureel voldoende zijn aangepakt en of, en met welke maatregelen, de voorgenomen ontwikkeling van Schiphol zoals voorgesteld in het LVB 2 de komende jaren aantoonbaar veilig kan plaatsvinden. Dit wordt gedaan door een actualisatie van de integrale veiligheidsanalyse die het NLR eerder heeft uitgevoerd, rekening houdend met de ontwikkeling van Schiphol in de komende jaren en de maatregelen die de sector heeft genomen en nog neemt. Tevens wordt een onafhankelijke evaluatie van de implementatie van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid uitgevoerd. Zowel de evaluatie als de actualisatie worden dit jaar uitgevoerd en zullen afgerond zijn voordat ik het ontwerp LVB 2 aan uw Kamer zal voorleggen. Aanvullend hierop beoordeelt de sector jaarlijks voorafgaand aan de capaciteitsdeclaratie of de gedeclareerde capaciteit veilig kan worden uitgevoerd, zoals ik heb afgesproken in het convenant veiligheidsverbetering. Ten aanzien van grenswaarden voor klimaat zie beantwoording onder 13 e.v.
Erkent u dat uw stelling dat de luchtvaart groei zou kunnen «verdienen» door hinder te beperken een veel te smalle interpretatie is van de veel bredere waaier aan verschillende typen grenswaarden waar de luchtvaart aan moet voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke wijze gaat u borgen dat de volledige waaier aan grenswaarden op het gebied van klimaat, leefomgeving en veiligheid van mens en dier zullen worden gerespecteerd?
Zie antwoord vraag 13.
Kent u de reactie van Schiphol op uw voornemen om Schiphol te laten groeien?11 12
Zie antwoord vraag 13.
Is het u ook opgevallen dat in de reactie van Schiphol geen melding is gemaakt van de brede waaier aan grenswaarden waaraan de luchtvaart moet gaan voldoen op het gebied van klimaat, leefomgeving en veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke wijze gaat u Schiphol attenderen op deze door u aangekondigde grenswaarden?
Zie antwoord vraag 13.
Erkent u dat Schiphol met haar eenzijdige reactie een voorschot neemt op het mogelijk dwarsbomen van het uitvoeren van de aangenomen motie Van Raan/Kröger13 over het opstellen van dergelijke grenswaarden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke wijze gaat u Schiphol attenderen op deze aangenomen motie?
Zie antwoord vraag 13.
Waarom schrijft u in uw brief14 niets over het uitvoeren van de aangenomen motie Van Raan c.s.15, waarin de Kamer de regering oproept om hinder als criterium breder te definiëren dan alleen geluidshinder en hiervoor voorstellen te doen ten behoeve van de Luchtvaartnota, omdat hinder in de vorm van geluid als criterium niet voldoende is om alle schade die de luchtvaart teweegbrengt te bepalen?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Van Raan c.s.?16 Kunt u een uitgebreid overzicht verschaffen van alle stukken, scenario’s en berekeningen die momenteel op tafel liggen ten behoeve van de uitvoering van deze motie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Erkent u dat uw voornemen om Schiphol te laten groeien geen recht doet aan het op correcte wijze uitvoeren van de aangenomen motie Van Raan c.s.?17 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u garanderen dat deze reeds anderhalf jaar geleden aangenomen motie correct zal worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Waarom heeft u gekozen voor vrijdag 5 juli 2019 als dag van het bekendmaken van uw voornemen om Schiphol te laten groeien?
5 juli is de dag dat het kabinet heeft besloten tot de voorliggende invulling van het voornemen voor de korte middellange en lange termijn. Dit besluit volgt uit een lang traject, dat is gestart met een adviesaanvraag aan de ORS over: een toekomstbestendig NNHS en een oplossing voor het wonen-vliegen vraagstuk. Toen begin dit jaar bleek dat de partijen niet tot een gemeenschappelijke advisering konden komen, heb ik gesprekken gevoerd met de betrokken partijen. Op basis van deze gesprekken heb ik de Kamer geïnformeerd over het vervolgtraject, daarbij heb ik aangeven dat ik zo snel mogelijk wil komen tot het zorgvuldig juridisch verankeren en strikt handhaven van het NNHS. Daarbij heb ik ook aangegeven voor de zomer de Kamer te informeren over de vervolgaanpak.
Erkent u dat deze dag wel zeer ongelukkig gekozen is, kort na de publicatie van het Klimaatakkoord waar luchtvaart geen serieus onderdeel van uitmaakt én kort voor het zomerreces van de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 29.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Vanwege het inhoudelijk overlappen zijn sommige antwoorden samengevoegd.
De uitverkoop van natuurgebieden |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Is het waar dat Staatsbosbeheer voornemens is om natuurgebieden met een totale grootte van 400 hectare te verkopen aan particulieren?1
Staatsbosbeheer is voornemens 379 hectare af te stoten, zowel natuurpercelen, landschapselementen als landbouwgronden. Particulieren, organisaties en maatschappelijke partijen kunnen inschrijven op deze kavels.
Zijn er te verkopen percelen die deel uitmaken van Natura 2000-gebieden? Zo ja, om welke percelen gaat het?
Ja. Staatsbosbeheer verkoopt 10,8 hectare Natura 2000-gebied. Het betreft de kavels 56 en 57 in Beekbergen, kavel 60 in Maurik, kavel 85 in Dieren en kavel 86 in Olburgen, zie www.grondruilgelderland.nl voor de exacte ligging.
Is het waar dat Staatsbosbeheer met de opbrengst van de verkoop elders het natuurnetwerk wil vergroten en dat de organisatie hier zelf geen geld voor heeft en er daarom voor kiest percelen natuur te verkopen?
Het klopt dat Staatsbosbeheer met de opbrengsten andere gronden in de provincie Gelderland wil aankopen die tegen haar grotere kerngebieden in het Gelders Natuurnetwerk aan liggen. Staatsbosbeheer kiest voor het creëren van grote aaneengesloten natuurgebieden. Dat is één van de meest effectieve methodes om populaties dieren en planten robuuster te maken. Bovendien zijn grotere aaneengesloten gebieden efficiënter te beheren. Om dit mogelijk te maken, verkoopt Staatsbosbeheer kleinere, verspreid en versnipperd gelegen kavels, veelal landschapselementen en kleine natuurpercelen binnen landbouwgebieden.
Hoe rechtvaardigt u het dat een natuurgebied dat gekocht is met publiek geld en decennialang beheerd is met publiek geld, nu verkocht wordt aan particulieren?
Staatsbosbeheer heeft als doelstelling te werken aan meer robuuste, aaneengesloten natuurgebieden van (inter)nationale betekenis. Binnen het Gelders Natuurnetwerk draagt de verkoop en verwerving van percelen hieraan bij. Het beheer van de versnipperde percelen die Staatsbosbeheer inbrengt, is relatief duur en inefficiënt.
Kunt u toelichten welke waarborgen er zijn dat de te verkopen natuurgebieden van in totaal 400 hectare, ook daadwerkelijk natuur blijven en hoe worden de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden gewaarborgd?
Toekomstige eigenaren verplichten zich bij de aankoop van natuurpercelen tot realisatie dan wel behoud van de natuur. Dit is geborgd in het gemeentelijke bestemmingplan, provinciale omgevingsverordening of aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied. Een kwalitatieve verplichting wordt aan de nieuwe eigenaar opgelegd als het perceel in het bestemmingsplan een andere bestemming heeft dan natuur. Deze dient alles na te laten wat de bestaande natuurwaarden teniet kan doen.
Deze gebieden werden door Staatsbosbeheer als natuur beheerd, maar zijn dit volgens het bestemmingsplan (nog) niet. Met de provincie Gelderland is afgesproken dat zij toezicht houdt op de naleving van de kwalitatieve verplichting. In Natura 2000-gebieden beschrijft het desbetreffende beheerplan hoe de instandhoudingsdoelstellingen worden gerealiseerd. Provincies voeren de regie op toezicht en handhaving hiervan. Bij mogelijke grondtransacties voert Staatsbosbeheer altijd goed overleg met de betreffende provincie.
Van welke «harde afspraken» is sprake en hoe zal de provincie daarop toezien?
Zie mijn antwoord bij vraag 5.
Kunt u toelichten wat er wordt verstaan onder «kwalitatief betere natuur» en wat er «slecht» is aan de te verkopen percelen, waaronder terreinen in Natura 2000-gebied, die met de verkoop opgeofferd worden?
Zie mijn antwoorden bij vragen 3 en 4.
Wordt er onafhankelijk toegezien op de kwaliteit van de nieuwe natuurgebieden? Zo ja, door wie of door welke instantie? Zo nee, waarom niet?
De provincie Gelderland ziet toe op de kwaliteit van de natuurgebieden.
Wat vindt u van de uitspraak dat «de hoop [er is] dat particulieren grond zullen aanbieden nabij de kwetsbare Natura 2000-gebieden van Staatsbosbeheer» en dat daarom «het risico bestaat dat er minder grond wordt aangekocht dan verkocht»?
De uitkomst kan zijn dat er op korte termijn minder grond door Staatsbosbeheer wordt aangekocht dan verkocht. De opbrengst van alle grondverkopen komt in een fonds terecht. Dit fonds kan alleen worden aangewend voor het verwerven van nieuwe (natuur)gronden. Dat betekent dat Staatsbosbeheer niet gedwongen is tegen ongunstige voorwaarden op korte termijn te verwerven en dat de opbrengst gereserveerd blijft voor toekomstige verwerving.
Wat vindt u ervan dat dit beleidsplan deels gebouwd is op hoop, maar waarbij het risico bestaat dat er natuur zal verdwijnen?
Zie mijn antwoorden bij vraag 5 en 9.
Bent u bereid zich in te zetten om het natuurgebied te behouden als publiek eigendom en op die manier de bescherming van de 400 hectare natuur te waarborgen en om hier de benodigde fondsen beschikbaar voor te stellen?
Nee, dat is niet nodig. Zie hiervoor mijn beantwoording van de vorige vragen.
Deelt u de mening dat de nadruk te veel is komen te liggen op het verdienmodel achter het beheren van de natuur en bent u bereid ervoor te zorgen dat de nadruk minder op «benutten» en meer op beschermen komt te liggen?
Nee. De drie doelstellingen van Staatsbosbeheer – beschermen, beleven en benutten – blijken uit de evaluatie van Staatsbosbeheer van november 2018 in evenwicht te zijn (Kamerstuk 29 659, nr. 151). De verkopen van versnipperde percelen in Gelderland dragen daarnaast niet alleen bij aan een efficiëntere bedrijfsvoering, maar geven vooral een impuls aan robuustere natuurgebieden.
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om natuurgebieden in de uitverkoop te doen in tijden van een mondiale biodiversiteits- en klimaatcrisis, waar nog bij komt dat Nederland met 14% beschermde natuur sowieso hekkensluiter is in Europa?
Nee. Eigendom en beheer wordt bij verkoop aan derden overgedragen onder voorwaarde van instandhouding van natuur of landschapselementen. Kavels worden voor een marktconforme prijs aangeboden, waardoor met de opbrengsten ongeveer eenzelfde hoeveelheid areaal kan worden verworven.
Deelt u de mening dat er juist méér natuur bij moet komen in Nederland?
Ja. Het areaal natuur op land wordt nog fors vergroot. In de komende acht jaar wordt er door de provincies nog tienduizenden hectare aangekocht en ingericht, in het kader van het Natuurnetwerk Nederland.
De verwoesting van de Amazone in Brazilië |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Amazon destruction accelerates 60% to one and a half soccer fields every minute»?1
Ja.
Wat weten we van de inzet van president Bolsonaro om het economische potentieel van de Amazone te benutten? Kunt u dit beleid nader toelichten?
President Bolsonaro meent dat het economisch potentieel van de Amazone meer benut zou moeten worden dan onder vorige Braziliaanse regeringen het geval was. Hij spreekt zich hier regelmatig over uit en heeft ook enkele maatregelen genomen die kunnen bijdragen aan het verlagen van institutionele barrières voor verdere economische ontwikkeling van het Amazonegebied. Er zijn op dit terrein verschillende krachten aan het werk binnen de Braziliaanse regering en instituties, met uiteenlopende visies en belangen, wat nog niet heeft geresulteerd in eenduidig beleid.
Nederland oefent, samen met EU-partners, druk uit op Brazilië, gericht op beter beleid en sterkere handhaving van milieuwetgeving. Daarnaast kunnen wij Brazilië wijzen op zijn internationale milieuverplichtingen, waaronder die in het kader van het Klimaatakkoord van Parijs en het VN Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD). Duurzaam bosbeheer, met een geïntegreerde aanpak met gelijkwaardige aandacht voor ecologische, economische en sociale aspecten, is uitgangspunt van het Nederlandse beleid. Daarbij moet oog zijn voor het systeem als geheel, de circulariteit ervan en het inzicht dat voeding, landbouw en ecologische duurzaamheid nauw met elkaar samenhangen. Brazilië zou deze uitgangspunten ook moeten hanteren.
Hoe duidt u de in het artikel opgetekende opmerking van de heer Rittl van het NGO-netwerk «Observatorio do Clima» (Climate Observatory) dat ook Europese landen middels hun (handels)relaties met Brazilië bijdragen aan de verwoesting van de Amazone? Hoe duidt u de rol van Nederland daarin?
In de EU Mededeling over het tegengaan van ontbossing, die de Europese Commissie op 23 juli jl. heeft gepubliceerd2, erkent de EU dat de Europese marktvraag naar agrarische grondstoffen invloed heeft op ontbossing in tropische gebieden en dat meer actie nodig is om deze impact terug te dringen. Op dit moment is een deel van de Europese import van agrarische producten uit de Amazone en omliggende gebieden al aantoonbaar duurzaam en ontbossingsvrij. Helaas blijft de vraag in de EU naar deze duurzame producten echter nog achter. We werken om de verduurzaming van de productie in Brazilië te vergroten. In de Mededeling worden opties genoemd hoe de marktmacht van de EU in te zetten voor het voorkomen van ontbossing.3 Deze opties zullen de komende maanden verder worden uitgewerkt.
Het kabinet zet zich samen met diverse belanghebbenden en in samenwerking met Brazilië in voor verdere verduurzaming van zowel productie als consumptie van deze producten in eigen land en in EU-verband, onder andere via het Amsterdam Declarations Partnership. Ook brengt de Nederlandse regering haar zorgen over de weer toenemende ontbossing in de Amazone, en ook daarbuiten, geregeld over bij Braziliaanse gesprekspartners, op diverse niveaus, zowel in bilateraal als multilateraal verband.
Deelt u de opvatting dat handeldrijven in een land waarvan de president een beleid voert dat indruist tegen internationale richtlijnen ten aanzien van mensenrechten en milieustandaarden, een extra grote verantwoordelijkheid neerlegt bij zowel het Nederlandse bedrijfsleven als de Nederlandse overheid om er zorg voor te dragen dat die richtlijnen alsnog worden nageleefd?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij ondernemen volgens de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen). Dat beleid is niet veranderd sinds Bolsonaro president is geworden. Op basis van deze richtlijnen wordt van bedrijven met een internationale waardeketen verwacht dat zij daadwerkelijke en potentiële risico’s op negatieve gevolgen van hun activiteiten, producten of diensten voor mens en milieu in kaart brengen en deze risico’s voorkomen of mitigeren en hierover rekenschap afleggen. Het voldoen aan wettelijke standaarden in productielanden is hierbij niet afdoende.
De toepassing van de OESO-richtlijnen geldt ook voor bedrijven waarvan de waardeketens zich uitstrekken tot in Brazilië en omvat het thema ontbossing. De Nederlandse ambassade in Brazilië draagt het IMVO-beleid actief uit, zowel richting Nederlandse bedrijven als naar Braziliaanse belanghebbenden. Nederlandse bedrijven kunnen onder andere een beroep doen op de Nederlandse vertegenwoordigingen in Brazilië, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor informatie over IMVO-risico’s bij het zakendoen in Brazilië. Het is de verantwoordelijkheid van een bedrijf zelf om IMVO-risico’s in kaart te brengen en maatregelen te treffen bij eventuele betrokkenheid bij misstanden. Actief toezicht op de toepassing van de richtlijnen door Nederlandse bedrijven, en specifiek met betrekking tot eventuele betrokkenheid bij ontbossing van de Amazone, is niet voorzien. Betrokken partijen kunnen een melding van vermeende niet-naleving van de OESO-richtlijnen indienen bij het Nationaal Contactpunt voor de OESO-richtlijnen (NCP). Het contactpunt biedt bemiddeling aan tussen betrokken partijen.
Er zijn met het bedrijfsleven afspraken gemaakt over verduurzaming van waardeketens, zowel in IMVO-convenanten als in sectorafspraken die gericht zijn op ontbossingsvrije grondstoffen, zoals palmolie, soja en cacao. Specifiek voor hout is de EU Houtverordening van toepassing. Deze Verordening houdt in dat een marktdeelnemer die voor het eerst hout op de EU-markt brengt, bijvoorbeeld uit Brazilië, verplicht is een stelsel van zorgvuldigheidseisen toe te passen (due diligence) om aan te tonen dat het hout legaal is gekapt en geëxporteerd. Op naleving van deze Verordening wordt toegezien door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Marktdeelnemers moeten garanties geven over de legale herkomst van hun producten door een stelsel van zorgvuldigheidseisen toe te passen. Gelet op de situatie in Brazilië ten aanzien van illegale kap dienen bedrijven zich ervan te vergewissen dat de informatie uit documentatie afdoende wordt onderbouwd, bijvoorbeeld door onafhankelijke audits of chain of custody certificering.
Zijn de voorlichting en het verwachtingspatroon richting Nederlandse bedrijven aangepast sinds het beleid van president Bolsonaro realiteit is geworden in Brazilië? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze houdt u er toezicht op dat Nederlandse bedrijven niet (in)direct betrokken zijn bij de verwoesting van de Amazone?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat het zogenaamde Mercosur-handelsverdrag impact hebben op de Amazone in Brazilië? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waar baseert u dat op?
Op 28 juni is een politiek akkoord bereikt tussen de Europese Commissie en de Mercosur-landen (Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay). De mogelijke effecten op het milieu van toegenomen exportproductie worden momenteel door de Europese Commissie in een Sustainability Impact Assessment (SIA) in kaart gebracht. Het is de verwachting dat de definitieve SIA begin 2020 wordt gepubliceerd. Het kabinet zal de balans opmaken van de voor- en nadelen van het EU-Mercosur Associatieakkoord als alle daartoe noodzakelijke stukken beschikbaar zijn. De uitkomsten van de SIA zullen hierin worden meegenomen. De Europese Commissie heeft aangegeven het definitieve akkoord niet eerder dan in november 2020 ter besluitvorming voor te leggen aan de Raad.
Deelt u de opvatting dat de Europese Unie er alles aan moet doen om te voorkomen dat de verwoesting van de Amazone onder Bolsonaro’s bewind de komende maanden en jaren, voortschrijdt? Welke mogelijkheden ziet u hiertoe?
Nederland zal actief aandacht blijven vragen, zowel bilateraal als in EU-verband, voor het belang van het tegengaan van ontbossing in de Amazone. Een moeilijkheid daarbij is dat duidelijke internationale normen voor ontbossing, waar ook Brazilië aan gebonden is, ontbreken. Er is echter een toenemende internationale consensus dat bossen van grote waarde zijn voor het afremmen van klimaatverandering, het behoud van biodiversiteit, duurzaam land- en waterbeheer en het behoud van landbouwproductiviteit voor de lange termijn. Het is dus in het belang van zowel de EU als Brazilië zelf om de voortschrijdende ontbossing in de Amazone terug te dringen. Nederland is de dialoog met de Braziliaanse overheid op het gebied van landbouw, duurzaamheid en klimaat aan het intensiveren. Ook werkt Nederland aan versterkte samenwerking met Brazilië en Europese partners om de doelen van economische ontwikkeling, verduurzaming van de landbouwproductie en behoud van extreem waardevolle bossen en biodiversiteit in de Amazone (en daarbuiten) te bereiken. Nederland en de EU hebben Brazilië op dit terrein veel te bieden, bijvoorbeeld op het gebied van kennis en technologie, maar ook als belangrijke handelspartner. Het eerder genoemde handelsakkoord tussen de EU en Mercosur, en de onlangs verschenen Mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot versterkte EU-actie tegen ontbossing, bieden kansen om deze samenwerking verder vorm te geven.
Het voornemen van Japan om de commerciële walvisjacht te hervatten |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Japan maakt zich klaar om commerciële walvisjacht te hervatten»?1
Ja.
Herinnert u zich uw uitspraak dat door het sluiten van het handelsakkoord tussen de Europese Unie en Japan (JEFTA) de kans op een oplossing voor de Japanse walvisvangst zou worden vergroot? (VAO RBZ-Handel d.d. 17 mei 2018)
Ik heb aangegeven dat Nederland zich verzet tegen illegale walvisvangst door Japan en dat een handelsakkoord met een robuust duurzaamheidshoofdstuk de kansen vergroot om tot een oplossing te komen.
Welke gesprekken zijn sinds het aanvaarden van JEFTA met Japan gevoerd over walvisvangst en dolfijnenslachtingen op bilateraal- en EU-niveau? Wat hebben deze gesprekken opgeleverd?
Nederland geeft in bilaterale gesprekken geregeld aan dat Nederland voorstander is en blijft van de bescherming van walvissen en tegenstander van commerciële walvisvaart. Nederland betreurt het Japanse besluit om de walvisvangst te hervatten en zich terug te trekken uit de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC). Zo zijn de Nederlandse teleurstelling en zorgen tijdens het bezoek van premier Abe aan Nederland op 9 januari jl. duidelijk overgebracht. Meest recentelijk is het onderwerp in gesprek met de Japanse ambassade in Den Haag op 3 juli jl. geadresseerd.
Het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling biedt een aanknopingspunt om over de handelskant van milieuvraagstukken en de naleving van milieuakkoorden in gesprek te treden met Japan. Sinds inwerkingtreding van het handelsakkoord op 1 februari 2019 hebben Japan en de EU gewerkt aan het opzetten van de nationale adviesgroepen. Via deze adviesgroepen kan het maatschappelijk middenveld aanbevelingen doen aan het Comité inzake handel en duurzame ontwikkeling. De eerste bijeenkomst van dit Comité is voorzien begin 2020.
Welke mogelijkheden biedt JEFTA om nu concreet de dialoog aan te gaan over het Japanse voornemen om de commerciële walvisvaart als zodanig te hervatten en dit niet langer te verhullen als wetenschappelijk onderzoek? Bent u voornemens van deze mogelijkheden gebruik te maken? Zo nee, waarom niet?
De EU staat de handel in walvisproducten niet toe, conform de afspraken onder de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde plant- en diersoorten (CITES). Het handelsakkoord met Japan bevestigt deze afspraak. In het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling herbevestigen Japan en de EU hun multilaterale milieuafspraken. Nederland zal binnen de EU aandringen op het bespreken van de Japanse hervatting van de walvisjacht in het kader van het duurzaamheidshoofdstuk tijdens het Comité inzake handel en duurzame ontwikkeling begin 2020.
Ziet u op het terrein van handel en/of diplomatie mogelijkheden om ook IJsland en Noorwegen te bewegen om permanent te stoppen met het jagen op walvissen? Zo ja, welke?
Nederland heeft in 2018 gezamenlijk met de andere EU lidstaten een diplomatiek appèl gedaan middels demarches aan beide landen om met hun walvisjacht activiteiten te stoppen. Daarnaast heeft de Raad in december 2018 Raadsconclusies aangenomen waarin IJsland en Noorwegen worden opgeroepen het internationaal overeengekomen moratorium op commerciële walvisjacht dat werd vastgesteld onder de IWC te respecteren.
Het bericht ‘Eikenprocessierups: waar spot jij hem?’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Eikenprocessierups: waar spot jij hem?»?1
Ja.
Is de overlast van de eikenprocessierups groter dan andere jaren? Zo ja, waardoor komt dit en hoe verhoudt zich dit tot andere jaren? Zo nee, hoe verhoudt de huidige overlast zich tot andere jaren?
De overlast van de eikenprocessierups is dit jaar veel groter dan in eerdere jaren. In 2018 werd al een verdrievoudiging van het aantal vlinders geconstateerd ten opzichte van 2017. Deze toename kwam waarschijnlijk door de warme en droge zomer van 2018 en het warme voorjaar van 2019. Tijdens het uitvliegen van de vlinders in de zomer en het najaar van 2018 waren de weersomstandigheden gunstig waardoor er veel eitjes afgezet zijn. Als gevolg hiervan is ten opzichte van 2018 het totale aantal rupsen op sommige plaatsen ook in 2019 verdrievoudigd. Een andere reden voor de grote overlast dit jaar is het noodweer begin juni waardoor rupsen, nesten en vervellingshuidjes uit de bomen gewaaid zijn en verder verspreid zijn dan normaal.
Welk gezondheidsrisico’s lopen mensen en dieren als ze in contact komen met de eikenprocessierups?
De brandharen kunnen zich over grote afstand verplaatsen. Bij contact dringen ze gemakkelijk in de huid, ogen en luchtwegen en veroorzaken daar klachten. Daarnaast komen griepachtige verschijnselen voor als misselijkheid, braken, koorts en algehele malaise. Anafylactische reacties zijn bekend, maar zeldzaam.
Ook (landbouw)huisdieren die met de brandharen in contact komen lopen het risico op huidaanslag en bij opname zwelling van de tong en slijmvliezen. Kleinere huisdieren (honden, katten) lopen als zij ruim in contact zijn geweest met de brandharen een grotere kans op overlijden. Bij paarden wordt daarnaast onder meer koorts en een verhoogde kans op koliek gemeld. Paarden kunnen worden aangetast door brandhaar-vervuild hooi. Herkauwers lijken minder gevoelig te zijn en incidenten met nadelige gezondheidseffecten zijn niet gedocumenteerd, maar het is onzeker of nadelige effecten volledig afwezig zijn. Over verdere gezondheidsconsequenties van brandharen bij mens en dier is nog weinig bekend.
Welke methoden worden gebruikt om de overlast van de rups te verminderen of te bestrijden?
Wat is de rol van Rijk, provincie en gemeente om inwoners te beschermen tegen de eikenprocessierups?
De verantwoordelijkheid voor preventie en bestrijding ligt bij eigenaren van eiken, waaronder overheden, private partijen en particulieren. Zij hebben een zorgplicht tot het bestrijden van de overlast door eikenprocessierupsen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid. Deze zorgplicht omvat adequate voorzorgsmaatregelen, door bestrijding op plekken van verhoogd gevaar voor de volksgezondheid en door waarschuwende voorlichting aan burgers. Deze zorgplicht kan aan de hand van de landelijke Leidraad naar redelijkheid in concrete gevallen uitgevoerd worden.
Specifiek voor gemeenten geldt dat zij vanuit de wet Publieke gezondheid de taak hebben te streven naar het realiseren van een zo gezond mogelijke leefomgeving. Hiervoor zijn de medisch milieukundigen (MMK), werkzaam bij de GGD, de aangewezen adviseurs. Via het RIVM worden de GGD’en ondersteund. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat er landelijke regie moet komen om de overlast van de eikenprocessierups terug te dringen? Zo ja, op welke manier gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven onder antwoord 5 geldt in het algemeen dat eigenaren van eiken de zorgplicht hebben om de eikenprocessierups te bestrijden. Ik hecht er belang aan dat op één centrale plek adequate informatie wordt aangeboden over de eikenprocessierups en de bestrijding daarvan. Daartoe is inmiddels het Kennisplatform Processierups opgericht, bestaande uit verschillende partijen, waaronder het Kenniscentrum Eikenprocessierups, het KAD en de WUR. Ook ben ik hierover in gesprek met andere betrokken partijen zoals het RIVM, GGD GHOR Nederland en de VNG. Ik overleg hierover met BZK, VWS, I&W, VNG, IPO, RIVM en GGD GHOR Nederland en de betrokken kennisinstituten zodat er voor de zomer nog een begin mee wordt gemaakt. De eerste actie van het Kennisplatform Processierups is de lancering van de website www.processierups.nu op 3 juli jongstleden, waar het publiek informatie vindt over de eikenprocessierups en de bestrijding daarvan. Het Kennisplatform zal binnenkort ook de volledige leidraad actualiseren en bezien wat partijen nodig hebben om de overlast de eikenprocessierups in de toekomst beheersbaar te houden.