Het bericht dat de Duitse Klimaatwet deels ongrondwettelijk is. |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Stef Blok (minister economische zaken) (VVD), Bas van 't Wout (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Overwinning Fridays for Future: Duitse klimaatwet deels tegen Grondwet» en ««Historic» German ruling says climate goals not tough enough»?1, 2
Ja.
Hoe duidt u deze uitspraak van het Duitse Constitutioneel Hof, onder andere in relatie tot het Parijsakkoord, de Nederlandse Klimaatwet en de acute internationale opgave om de klimaatcrisis zo snel mogelijk op te lossen?
Deze uitspraak van het Duitse Constitutioneel Hof moet worden begrepen in de context van de Duitse rechtsorde en de uitleg van de bepalingen van de Duitse Grondwet. Dat laat zich niet zonder meer vertalen naar de Nederlandse rechtsorde, waarin andere verhoudingen en (Grond)wettelijke bepalingen aan de orde zijn.
Hoe duidt u de volgende passages: «The judges ruled that young people’s «fundamental rights to a human future» were threatened and that the law in its current state jeopardised their freedom because the goals set were too focused on dates too far in the future» en «It said that it was only possible to reduce the rise in average global temperatures to between 1.5C and 2C – as set out in the 2015 Paris Agreement – with «more urgent and shorter term measures»»?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat dergelijke kritiek ook van toepassing kan zijn op de Nederlandse Klimaatwet? Zo nee, waarom niet?
Nee. De uitspraak van het Duitse Constitutioneel Hof (Bundesverfassungsgericht) heeft betrekking op de Duitse Klimaatwet (Klimaschutzgesetz, 2019). Het Constitutioneel Hof heeft geoordeeld dat enkele bepalingen van de Duitse Klimaatwet niet in overeenstemming zijn met artikel 20a van de Duitse Grondwet (Grundgezetz), waarin de verantwoordelijkheid voor de staat is vastgelegd om – ook voor toekomstige generaties – het milieu en dieren te beschermen door middel van wetgeving en rechtspraak.
De Duitse Klimaatwet bevatte de doelstelling om in 2050 klimaatneutraal te zijn en in 2030 de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55% te reduceren ten opzichte van 1990. Ook zijn voor de periode tot 2030 reductieroutes met emissieplafonds voor verschillende sectoren vastgelegd. Voor de periode na 2030 is geen reductietraject vastgelegd. De Klimaatwet bepaalt dat het reductietraject voor na 2030 in 2025 wordt vastgesteld.
Het Constitutioneel Hof stelt vast dat de emissies die tot 2030 worden toegestaan op grond van de Klimaatwet de resterende opties voor emissiereductie na 2030 aanzienlijk beperken. In de periode na 2030 zullen steeds snellere en urgentere emissiereducties nodig zijn om het doel van klimaatneutraliteit te bereiken. Het hof stelt dat deze toekomstige verplichtingen impact hebben op elk type vrijheid dat door grondrechten wordt beschermd, omdat vrijwel alle aspecten van het menselijke leven nog steeds te maken hebben met uitstoot van broeikasgassen en dus mogelijk worden bedreigd door noodzakelijke ingrijpende emissiereducties na 2030. Dat legt een onevenredige last op toekomstige generaties en is in strijd is met artikel 20a van de Duitse Grondwet, aldus het hof.
De wetgever had voorzorgsmaatregelen moeten nemen om deze grote last te verlichten. Het hof heeft de wetgever daarom opgedragen uiterlijk eind 2022 de Klimaatwet aan te passen en preciezer te omschrijven hoe het traject na 2030 er uitziet om de transitie naar klimaatneutraliteit te realiseren.
Voor de Nederlandse Grondwet en de Nederlandse Klimaatwet, zie de antwoorden op vraag 8 vraag 9 en vraag 12.
Onderschrijft u de volgende passage: «In de toekomst kunnen ingrijpende vrijheidsbeperkingen noodzakelijk zijn om het klimaat te beschermen, zo schrijven de rechters, en het is aan de regering het land in zo'n toestand over te dragen dat «deze niet alleen maar door radicale onthouding of soberheid te redden valt»»?3 Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp deze passage zo dat ingrijpende maatregelen nodig zullen zijn om de uitstoot van broeikasgassen drastisch te verminderen.
Met het huidige Nederlandse beleid wordt ingezet op een geleidelijke transitie richting een situatie waarbij conform de Nederlandse Klimaatwet de uitstoot in 2050 is teruggebracht tot maximaal 5% van de uitstoot in 1990. Dit 2050-doel en het daarmee samenhangende beleid zullen aangepast moeten worden om het in lijn te brengen met het doel van klimaatneutraliteit voor de Europese Unie in 2050, dat in de Europese Klimaatwet wordt verankerd.
De transitie die nodig is, vergt inspanningen van de huidige en toekomstige generaties die resulteren in ingrijpende veranderingen van consumptie- en productiepatronen.
Erkent u dat het Nederlandse klimaatbeleid op dit moment volledig tekortschiet op deze punten? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet zo is?
Nee, dat erken ik niet. Ik erken wel dat volgens de raming van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) het huidige beleid nog onvoldoende is om in 2030 het streefdoel van 49% emissiereductie ten opzichte van 1990 te realiseren vanwege o.a. het feit dat nog niet al het beleid door PBL is doorgerekend, ontwikkelingen op de energiemarkten en statistische bijstellingen. Hier zal het kabinet, in lijn met de borgingscyclus van de Klimaatwet, in de Klimaatnota die in oktober verschijnt, ook invulling aan geven.
Waarom is «snelheid van uitstootreductie» nog altijd niet het leidende criterium in uw klimaatbeleid?
Het beleid is gericht op een uitstootreductie die in lijn is met de doelen uit het Parijsakkoord op een manier die haalbaar en betaalbaar is en die ook belangen als gelijk speelveld en leveringszekerheid meeneemt. Daarmee wordt beoogd voldoende voortgang te boeken, zodat voorkomen wordt dat door partijen in de samenleving nu of in de toekomst grote kosten moeten worden gemaakt die voorkomen hadden kunnen worden.
Kunt u toelichten wat de juridische verschillen zijn tussen Nederland en Duitsland wat betreft de wijze waarop het «recht op een toekomst» wettelijk is geborgd?
Een juridisch verschil tussen de Duitse Grondwet en de Nederlandse Grondwet is dat de opdracht die in artikel 20a van de Duitse Grondwet voor de staat – en in het bijzonder voor de wetgever – is opgenomen om zorg te dragen voor het milieu vereist dat dit gebeurt met een blik op toekomstige generaties. In artikel 21 van de Nederlandse Grondwet is de zorgplicht van de overheid voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming van het leefmilieu opgenomen, maar is geen verwijzing naar toekomstige generaties opgenomen. Ik ga hier in het antwoord op vraag 9 nader op in.
Wat zijn volgens u de relevante Nederlandse equivalenten van artikel 20a van de Duitse Grondwet, waarin staat dat «de staat ook voor komende generaties de verantwoordelijkheid heeft het milieu en de dieren door middel van wetgeving en rechtspraak te beschermen»?4
Artikel 21 van de Nederlandse Grondwet bepaalt dat de zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Een groot aantal wetten geeft gestalte aan de zorgplicht van artikel 21 Grondwet, zoals de Wet milieubeheer, de Wet natuurbescherming, de Klimaatwet en, in de toekomst, de Omgevingswet.
De doelen uit de Klimaatwet voor het terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen, evenals het wettelijk kader dat de wet biedt voor het ontwikkelen van beleid om invulling te geven aan de verantwoordelijkheid die Nederland heeft om de mondiale stijging van de temperatuur te beperken, zien bij uitstek ook op de belangen van toekomstige generaties.
In de Omgevingswet vormt «duurzame ontwikkeling» het kerndoel van de wet (artikel 1.3 Omgevingswet). De toepassing van de (toekomstige) Omgevingswet moet plaatsvinden met het oog op duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is in de Omgevingswet gedefinieerd als «een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen» (bijlage 1 Omgevingswet). Verder verwijst de Omgevingswet naar het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, waarmee in de Omgevingsvisie rekening wordt gehouden (artikel 3.3 Omgevingswet).
Erkent u dat ook inwoners van Nederland recht op een toekomst hebben? Zo nee, waarom niet?
Effecten van klimaatverandering kunnen een voldoende reëel en ernstig risico op aantasting van het leven en welzijn van personen met zich meebrengen, waarvoor geldt dat staten een deelverantwoordelijkheid hebben in het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (zie Urgenda-uitspraak). Dit verband tussen mensenrechten en klimaat geldt in het bijzonder voor degenen die het meest met de gevolgen van klimaatverandering te maken gaan krijgen, zoals kinderen en toekomstige generaties. Daarom wordt – op grond van internationale afspraken, Europeesrechtelijke verplichtingen en de Nederlandse regelgeving – door de regering klimaatbeleid gevoerd dat zich richt op de lange termijn, zowel ten aanzien van het reduceren van de (Nederlandse) broeikasgasuitstoot, als op het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland.
Op grond van internationale verdragen, Europeesrechtelijke verplichtingen en nationale regelgeving gelden tevens waarborgen om natuurwaarden te beschermen. Deze wet- en regelgeving bepalen de taken en verantwoordelijkheid van de overheid en leggen beperkingen op aan activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor de natuur. Daarmee waarborgt deze wet- en regelgeving een goede en robuuste bescherming van de natuur, nu en in de toekomst.
Deelt u de mening dat het recht op een toekomst zou moeten gelden voor alle huidige en toekomstige menselijke en niet-menselijke inwoners van de Aarde? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat de Nederlandse Klimaatwet volstrekt ontoereikend is om het recht op een toekomst zeker te stellen? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet zo is?
Nee. De Klimaatwet biedt een kader voor het ontwikkelen van nationaal beleid gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen teneinde de wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken. Uit een doorrekening van het Energieonderzoek Centrum Nederland en het PBL uit 2017 blijkt dat de in de wet vastgelegde doelen – met de toen geldende inzichten – in lijn zijn met de doelstelling uit de Overeenkomst van Parijs om de temperatuurstijging tot ruim onder de 2oC te beperken. Als gevolg van de (aanstaande) inwerkingtreding van de Europese Klimaatwet zullen de doelen in artikel 2 van de Nederlandse Klimaatwet moeten worden aangepast om de nationale doelen in lijn te brengen met de (aangescherpte) klimaatdoelen voor de Unie die in de Europese Klimaatwet worden vastgelegd. Het PBL heeft beoordeeld dat het ambitieuze EU-doel van een klimaatneutrale Unie in 2050 in lijn is met de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs en dat het EU-doel van ten minste 55% reductie in 2030 grosso modo aansluit bij dit doel voor 2050.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer alle 17 amendementen van de Partij voor de Dieren verwierp, die als doel hadden om de leeggepolderde Nederlandse Klimaatwet te repareren, waardoor de Partij voor de Dieren nu genoodzaakt is om met de «Klimaatwet 1.5» te komen?5, 6
Ja, ik herinner mij die stemming.
Waaruit blijkt dat de Nederlandse Klimaatwet, in tegenstelling tot de Duitse Klimaatwet, wel volledig grondwettelijk zou zijn?
In het antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven dat verschillende wetten, waaronder de Nederlandse Klimaatwet, gestalte geven aan de zorgplicht van artikel 21 van de Grondwet.
Berichten dat tot 50 procent van de overwinst van subsidies voor windmolens in de portemonnee van ondernemers verdwijnt. |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Tot 50 procent van de overwinst van subsidies voor windmolens verdwijnt in portemonnee ondernemers»1 en «Van subsidie windturbines tot 50% overwinst ondernemer»2?
Ja. Ik ben op de hoogte van beide berichten alsmede het onderzoek waarnaar verwezen wordt.
In hoeverre herkent u het beeld dat in deze artikelen en het onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen wordt geschetst met betrekking tot de hoogte van overwinsten bij wind op land? Deelt u de conclusie van het onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen dat veel investeerders in hernieuwbare energie minder subsidie nodig hebben dan zij ontvangen? In hoeverre is er momenteel sprake van oversubsidiëring van wind op land? Bent u het eens dat oversubsidiëring het draagvlak voor hernieuwbare energie ondermijnt en dat hiermee gestopt moet worden als dat inderdaad zo blijkt te zijn?
Ik herken dit beeld niet. Het kabinet streeft naar kosteneffectieve uitrol van CO2-reducerende technieken, waaronder windenergie op land. Daartoe is de SDE+(+) erop gericht om de onrendabele top van wind op land projecten af te dekken en overstimulering zoveel mogelijk te beperken. Zoals het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen benoemt is er daarbij een afruil tussen het realiseren van kosteneffectiviteit en doeltreffendheid. Een hogere mate van kosteneffectiviteit vertaalt zich in een lager doelbereik en vice versa.
Voor de SDE+(+) hanteer ik daarom voor hernieuwbare energietechnieken het uitgangspunt dat het merendeel van de projecten gerealiseerd moet kunnen worden met de betreffende subsidiebedragen zoals door het Planbureau voor de Leefomgeving (hierna: PBL) berekend. Dit betekent dat een deel van de projecten in potentie aanspraak kan maken op een subsidiebedrag dat hoger ligt dan het benodigde subsidiebedrag en voor een (kleiner) deel van de projecten het berekende subsidiebedrag in potentie te laag is. Het benodigde subsidiebedrag wordt voorafgaand aan elke openstellingsronde van de SDE+(+) opnieuw berekend door het PBL.
Het PBL doet hiertoe uitvoerig onderzoek naar de projectkarakteristieken en kosten van wind op land, waarbij de meest actuele informatie wordt meegenomen. Om overstimulering verder te beperken werkt de SDE+(+) als een tender, waardoor aanvragen voor een lager subsidiebedrag meer kans maken op subsidie dan aanvragen voor een hoger subsidiebedrag. Op deze manier worden projecten gestimuleerd om tegen een lager subsidiebedrag in te dienen dan de maximale bedragen door PBL geadviseerd. Met deze systematiek scoort de SDE+(+) goed op het beperken van overstimulering in vergelijking met andere subsidieregelingen. Dit blijkt ook uit de evaluatie van de regeling door CE Delft3. Daarom wekt de regeling ook in de landen om ons heen veel belangstelling.
Desalniettemin blijf ik het van belang vinden om de kosteneffectiviteit van de regeling te monitoren en waar mogelijk te verbeteren. Mede vanwege het belang van een betaalbare energietransitie en voor maatschappelijk draagvlak. Daarnaast zal de regeling dit jaar opnieuw worden geëvalueerd, waarbij de mate waarin overwinsten optreden en verder kunnen worden beperkt ook zal worden onderzocht.
Kunt u een inhoudelijke reactie geven op het in de artikelen genoemde onderzoek en daarbij aangeven of alle relevante kosten, zoals aanloopkosten en niet-technische kosten, in het onderzoek in voldoende mate worden meegenomen?
De onderzoeker maakt gebruik van een investeringsmodel en een Monte Carlo simulatie om te bepalen wat het benodigde subsidiebedrag zou zijn voor potentiële investeringen in wind op land projecten in Nederland. Een Monte Carlo simulatie houdt in dat de onderzoeker herhaaldelijk het investeringsmodel uitvoert (2000 keer) met verschillende startcondities. Dit zijn de parameters die volgens de onderzoeker erg per project verschillen: vollasturen, economische levensduur, en het aandeel en rendement op eigen vermogen.
Overige parameters, zoals de investeringskosten, liggen vast in het investeringsmodel en worden dus wel meegenomen, maar niet gevarieerd. Daarbij wordt niet gekeken naar de werkelijke investeringskosten van een project, noch naar de werkelijke onderhouds- en bedrijfskosten van de met de SDE regeling ondersteunde projecten. Het onderzoek laat hiermee met name zien dat er in potentie overstimulering kan plaatsvinden, Het afleiden van de werkelijke mate van overstimulering is echter niet goed mogelijk. In de aankomende evaluatie van de regeling zal dit punt daarom nader worden onderzocht.
Wat is uw reactie op de verbeteringen die door deze wetenschapper worden voorgesteld zoals het mee laten wegen van specifieke windsnelheid op de locatie en hoogte van een molen en het instellen van een veilingsysteem waarbij investeerders inschrijven voor een windpark tegen het laagste subsidiebedrag?
De onderzoeker concludeert dat overwinsten verder beperkt kunnen worden door de daadwerkelijke windsnelheid op locatie mee te wegen in de berekening van het subsidiebedrag. Ik deel de veronderstelling dat dit het risico op overstimulering verder kan beperken. Om die reden is in een brief aan uw Kamer op 17 februari 2020 (Kamerstuk 31 239, nr. 312) aangekondigd om met ingang van de openstellingsronde in het najaar van 2020 de windviewer te gebruiken voor het bepalen van de windsnelheid van projecten. Daarmee zou de gemeentelijke indeling voor winsnelheden vervallen en de windsnelheid worden bepaald aan de hand van KNMI data per coördinaten.
In de uitwerking van de onderliggende regelgeving bleek echter dat dit zou leiden tot grote risico’s op fouten in de regelgeving, omdat alle betreffende windcoördinaten opgenomen zouden moeten worden in de regeling.Er is geen goede manier gevonden om dit risico te mitigeren, waarna is besloten van de eerdere systematiek uit te blijven gaan (Kamerstuk 31 239, nr. 326). Daarbij speelde op de achtergrond mee dat een dergelijke aanpassing zou hebben geleid tot een grote verzwaring van de uitvoeringslast. Deze was disproportioneel, gelet op het feit dat dit slechts één van de relevante parameters is voor het bepalen van het subsidiebedrag.
Daarnaast stelt de onderzoeker voor om de hoogte van de windturbine mee te nemen in de berekening. Dit is eerder overwogen, maar niet meegenomen vanwege het volgende dilemma. De SDE+(+) is erop gericht om de meest kosteneffectieve projecten op locatie te realiseren, ongeacht de ashoogte van een windturbine. Als de ashoogte meegenomen zou worden, geeft het de aanvrager een extra parameter om mee te optimaliseren. Oftewel, de aanvrager kan een ashoogte kiezen die optimaal is voor het rendement van het project, maar mogelijk niet voor de hoeveelheid energie. Het differentiëren naar ashoogte zou daarom juist kunnen leiden tot overstimulering, minder kosteneffectiviteit en minder doelbereik van de SDE+(+)-regeling.
Tot slot stelt de onderzoeker voor om een veilingsysteem in te voeren waarbij investeerders concurreren om een windmolenpark te bouwen tegen het laagste subsidiebedrag. Dit wordt opgevoerd vanwege de veronderstelde mismatch tussen het aantal investeerders en de potentie van wind op land projecten, waardoor investeerders kunnen kiezen voor een windmolenpark met de laagste kosten en de meest gunstige business case. Bij een dergelijk veilingsysteem hoeft geen inschatting te worden gemaakt van de kosten en opbrengsten van projecten, en hoe dit verschilt tussen projecten.
Tegelijkertijd is een dergelijke veiling alleen mogelijk als er een aparte regeling komt voor windenergie, zonder concurrentie met de andere technieken. Dit kan negatieve effecten hebben op de kosteneffectiviteit van het energie- en klimaatbeleid als andere projecten goedkoper blijken of er maar een beperkt aantal biedingen in de tender wordt gedaan. Daarnaast kan het zo zijn dat er budget onbenut blijft als er weinig aanvragen voor windenergie zijn. Tegenover een mogelijk voordeel, staan daarmee verschillende nadelen. Omdat de inschatting is dat dit per saldo leidt tot een verslechtering van energie- en klimaatbeleid, kies ik hier niet voor.
Deelt u de mening dat financiële middelen voor klimaatmaatregelen efficiënt en in goed overleg met de omwonenden moeten worden ingezet? In hoeverre geeft dit onderzoek aanleiding om bij de SDE++ nog scherper te letten op de kosteneffectiviteit van subsidies voor wind op land?
Vanuit het perspectief van de burger als belastingbetaler is het van belang zoveel mogelijk CO2 te reduceren binnen het beschikbare subsidiebudget. Om die reden worden technieken in de SDE++ gerangschikt naar subsidieintensiteit, dat wil zeggen de subsidiebehoefte per ton CO2-reductie. Hierdoor krijgen projecten met een lagere subsidie-intensiteit voorrang en wordt zoveel mogelijk CO2 gereduceerd voor het beschikbare budget. Daarmee borgen we de efficiënte inzet van SDE++-middelen en houden we de kosten zo laag mogelijk. Tegelijkertijd heeft de burger als omwonende belang bij een goede balans tussen de ruimtelijke inpassing van windmolens en de kwaliteit van de leefomgeving. Dit kan betekenen dat er door de ontwikkelaar geïnvesteerd wordt in de kwaliteit van de leefomgeving, onder andere via gebiedsfondsen. In sommige regio’s is er daarom behoefte aan lagere windmolens, die per vermeden ton CO2 meer kosten maar een minder grote visuele impact hebben (hoewel er voor per opgewekte kWh wel veel meer van nodig zijn, soms wel het dubbele aantal).
Het is dus van belang dat er met betrokkenen wordt overlegd over de inzet van klimaatmaatregelen. Er wordt immers veel van burgers gevraagd, zeker als het gaat om klimaatmaatregelen die direct invloed hebben op het dagelijks leven en de leefomgeving van mensen, zoals hernieuwbare energieprojecten. Om deze reden hebben maatschappelijk draagvlak en participatie ook een centrale plaats gekregen in het RES-proces en zijn in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt over hoe de omgeving van hernieuwbare energieprojecten bij de ontwikkeling wordt betrokken. Mede door deze afspraken zijn er in de afgelopen ca. twee jaar veel participatieprocessen gestart. Daarin wordt er in hoog tempo intensief geleerd over de succesfactoren van burgerparticipatie. Decentrale overheden worden hierin actief ondersteund, onder andere door NP RES en via www.energieparticipatie.nl. Samen met de decentrale overheden zoek ik daarbij naar een goede balans tussen kosteffectiviteit/betaalbaarheid op nationaal niveau en regionaal draagvlak.
Tot slot bevestigt dit onderzoek het belang van het nauwlettend in de gaten houden van de kosteneffectiviteit van de subsidies voor wind op land. Allereerst door in samenwerking met PBL de resultaten van onderzoek nader te analyseren te en waar mogelijk te gebruiken voor het verbeteren van de berekeningen en systematiek van de SDE+(+). Tot slot zal dit onderwerp aan bod komen in de geplande evaluatie van de SDE+ dit jaar.
De grote zorgen van grote steden over de invoering van de Omgevingswet |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen van de grote steden over de invoering van de Omgevingswet?1
Ja
Bent u bereid de stukken waarin de gemeenten hun zorgen uitspreken naar de Kamer te sturen, en de Kamer te informeren over de verschillende knelpunten die genoemd zijn?
Sinds 2015 werken het Ministerie van BZK (aanvankelijk I&M), VNG, IPO UvW en het Rijk samen aan de implementatie van de Omgevingswet. Die samenwerking is vormgegeven in een interbestuurlijk programma, waarbij het uitgangspunt is dat iedere partij de regie neemt voor de invoeringsondersteuning van het transitieproces voor de eigen achterban. Zodoende heeft iedere koepel een ondersteuningsorganisatie ingericht. Bij BZK ligt de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van de landelijke voorziening van het DSO en voor de ondersteuning van het implementeren daarvan. Via een gezamenlijke overleg- en besluitvormingsstructuur worden de verschillende lijnen in het programma op elkaar afgestemd, wordt de voortgang besproken en wordt waar nodig bijgestuurd.
In deze aanpak wordt zowel door de koepels als door de medewerkers van mijn ministerie doorlopend gesproken met individuele bevoegde gezagen waarin alle vraagstukken, bevindingen, beproevingen zorgen en wensen aan bod komen. Dat gebeurt op alle niveaus; bijvoorbeeld via de Regionale Implementatieondersteuning coaches Omgevingswet (RIO’s) die in het land werkzaam zijn, of via de online spreekuren waar vragen worden gesteld. Er worden op ambtelijk niveau werksessies georganiseerd waarin over knelpunten worden gesproken en oplossingen in kaart worden gebracht. Op bestuurlijk niveau komen signalen binnen via de bestuurlijke kerngroep, maar ook bijvoorbeeld via de zes grote gemeenten waarmee we om tafel zitten.
In aanvulling daarop is soms ook sprake van individuele geluiden van bevoegde gezagen, direct bij mij op het ministerie of via de media. Die worden vervolgens in de beschreven aanpak met de bestuurlijke partners besproken. De zorgen van de gemeenten die in het artikel in het NRC werden genoemd zijn op deze manier in beeld gekomen hebben geleid tot verdiepende gesprekken en sessies om de zorgen goed in beeld te krijgen.
Hoe waardeert u de constatering van de gemeente Amsterdam dat bij een test de uitvoering van de wet dermate onder de maat was dat aan de meest minimale vereisten niet wordt voldaan?
Er is gebleken dat zowel de landelijk voorziening DSO als lokale systemen op onderdelen nog verbetering dan wel aanvulling behoeven. Gezamenlijk vormen zij het Digitale stelsel Omgevingswet (DSO). Het testen en beproeven van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) vindt op veel plekken plaats. Dit gebeurt zowel centraal (interbestuurlijk) als decentraal (door de overheden zelf). Dat fouten via testen en beproeven aan het licht komen hoort erbij. Testen en beproeven heeft juist de functie om fouten en onvolkomenheden in techniek en processen op te kunnen sporen en ze vervolgens te verbeteren. Dit vindt plaats volgens een iteratief proces en gebeurt doorlopend op alle niveaus. Centraal en decentraal. De recente BIT- en Gateway adviezen hebben nadrukkelijk gewezen op het belang van adequaat en diepgaand testen en een versteviging van de testaanpak geadviseerd. Die bevindingen zijn opgevolgd in onder meer de testaanpak in het eerste kwartaal 2021. De testen zijn inhoudelijk breder en dieper aangepakt, de testvoorbereiding en -uitvoering is versterkt.
Op centraal niveau worden testen uitgevoerd door het interbestuurlijke acceptatieteam (IBAT). Dit zijn de met de bestuurlijke partners afgesproken en georganiseerde testen. Het IBAT werkt in opdracht van de bestuurlijke partners met voldoende waarborgen voor objectiviteit en onafhankelijkheid. In de uitvoering van testen wordt het daarbij gefaciliteerd door de ontwikkel- en beheerorganisatie van het DSO.
De uitkomsten van de interbestuurlijke ketentesten in het eerste kwartaal 2021 zijn recentelijk gepubliceerd op de website aandeslagmetdeomgevingswet.nl, op grond van de eerdere toezegging hierover2. In de laatste testronde is er door 14 verschillende bevoegd gezagen en 15 leveranciers en in alle drie de ketens van het DSO (vergunningen, vragenbomen en plannen) getest vanuit alle overheidslagen. De uitkomsten van de testen zijn mede aanleiding geweest voor het verplaatsen van de datum van inwerkingtreding met een half jaar naar 1 juli 2022.
Uit deze meest recente testronde volgt de conclusie dat de software steeds beter werkt. Er is geconstateerd dat de komende maanden nog een aantal belangrijke functionaliteiten in de planketen opgeleverd gaan worden, zoals de afwijkvergunning en de downloadfunctie voor omgevingsdocumenten. Daarnaast is uit de testen gebleken dat verbetering van al gebouwde onderdelen nodig is. Dit betreft met name de verbetering van de raadpleegbaarheid van besluiten.
Er zijn in deze testronde 77 bevindingen gedaan, waarvan 30 door leveranciers en 47 door overheden. Hiervan betrof het 62 verstoringen en 15 wensen. Bij afronding van de testronde medio april waren hiervan 32 afgehandeld, 38 nog in behandeling en 7 vervallen.
Tijdens de testronde zijn twee blokkerende bevindingen gedaan in de planketen die belemmerend waren voor de testuitvoering. De eerste betrof een fout in de testdata, waardoor de synchronisatie tussen plannen en vragenbomen tijdelijk moest worden stopgezet. Dit probleem is op het eind van de testperiode verholpen. De tweede betrof omgevingsbesluiten met zeer groot aantal geografische objecten die niet geladen konden worden. Hiervoor is een tijdelijke fix doorgevoerd tijdens de test. Momenteel wordt gewerkt aan een structurele oplossing voor dit punt. Meer kwalitatief zijn de belangrijkste bevindingen uit deze testronde:
Een belangrijke aanbeveling is om te bezien hoe deze leveranciers van plansoftware, in aanvulling op het al bestaande ondersteuningsaanbod en binnen marktwerking kaders, nog intensiever betrokken kunnen worden bij de ontwikkeling van de landelijke voorziening van het DSO, om zo verdere versnelling in hun softwareontwikkeling te bewerkstelligen.
Er moeten samenvattend de komende maanden nog stappen gezet worden om tot een volledig en goed werkende landelijk voorziening en werkend DSO-stelsel te komen. In drie van de vier DSO-ketens (vergunningen, samenwerking, vragenbomen) is het beeld in het algemeen positief. In de planketen zijn nog stappen te zetten.
Klopt het dat het zelfs een grote gemeente als Amsterdam niet lukte om bij een proef simpele klussen zoals het regelen van een kapvergunning of de aanleg van zonnepanelen op een monumentaal pand tot een goed einde te brengen? Waar ligt dat aan?
Er vinden zowel centraal georganiseerde/interbestuurlijke als decentrale testen met het DSO plaats. In de beantwoording van vraag 3 heb ik al meer toegelicht over de testopzet. Naar aanleiding van het BIT-advies en de Gateway review is het testen in de afgelopen periode geïntensiveerd.
In de beantwoording op vraag 3 is ook ingegaan op de resultaten en bevindingen uit de laatste testronde in het eerste kwartaal 2021. De testen zijn ingericht om op tijd de verbeterpunten te vinden zodat deze kunnen worden opgepakt voordat het systeem in gebruik wordt genomen. Het is dus heel goed mogelijk dat gedurende testperiode er zich bij gemeente Amsterdam een dergelijk issue heeft voorgedaan.
Zover dit uit de berichtgeving in de media is af te leiden, betrof de aangehaalde «simpele casus» een test in de vergunningketen, daarin ondersteund door vragenbomen en onderliggende juridische regels. Uit de uiteindelijk in IBAT verband gerapporteerde informatie blijkt dat het gelukt is deze casus uit te voeren. In de meldingenregistratie van het IBAT-team en beheerorganisatie zijn geen verdere openstaande meldingen van andere gemeenten bekend, die betrekking hebben op de genoemde casus. Het algemene beeld over de DSO-onderdelen vergunningen, vragenbomen en samenwerkingsruimte vrij positief, terwijl het beeld over planketen nog meer gemêleerd is3.
Verder blijkt in de praktijk dat bevindingen uiteenlopende oorzaken kunnen hebben. Als een testgeval niet lukt kan dit liggen aan DSO-LV, decentrale software, of de gebruikte testcontent. Daarom is het zaak per bevinding secuur te kijken waar de oorzaak ligt. In de evaluatie van de laatste testronde is geconstateerd dat nog niet door alle deelnemende partijen bevindingen consequent worden gemeld. De afspraken hierover zijn daarom recentelijk verder aangescherpt. Dit is van belang om scherp zicht te houden op wat door wie getest wordt, welke bevindingen zijn gedaan. Juist om precies te weten wat de oorzaken zijn en welke oplossingen hierbij horen.
Welke maatregelen worden genomen om de gesignaleerde tekortkomingen op te lossen?
In de beantwoording van de vragen 3 en 4 is aangegeven dat er in de afgelopen maanden op diverse niveaus met de gemeente Amsterdam inhoudelijke gesprekken zijn gevoerd en zorgen zijn geuit over de wijze van representatie en interactie van omgevingswetbesluiten in de «Viewers» Regel en Kaart en op Overheid.nl. Naar aanleiding hiervan zijn ketenwerksessies belegd. Met een interbestuurlijk team waarin ook specialisten op het gebied van gebruikersinteractie deelnamen zijn verbeteringen aangebracht in het ontwerp van de gebruikersinteractie van de Viewer. Bij de realisatie kunnen deze ook met echte eindgebruikers (burgers en bedrijven) worden getest.
Hoe worden genoemde knelpunten in het digitale stelsel (DSO) – niet op elkaar afgestemde ICT-systemen, niet voor iedereen toegankelijke ICT-systemen en een onoverzichtelijke database – aangepakt?
Het lid Bisschop vraagt naar de genoemde knelpunten op respectievelijk de afstemming tussen de ICT-systemen van het DSO, de systemen die (nog) niet voor alle partijen volledig toegankelijk zijn en het punt van de onoverzichtelijke c.q. fragmentarische database.
Het stelsel DSO bestaat uit een landelijke voorziening (DSO-LV) die moet communiceren met verschillende systemen voor onder meer vergunningverlening, het publiceren van omgevingsdocumenten en toepasbare regels (vragenbomen voor formulieren) van lokale overheden die door verschillende softwareleveranciers worden opgeleverd.
Alle systemen in het stelsel communiceren met elkaar op basis van standaarden. De implementatieopgave bestaat er onder meer uit dat de landelijke voorziening en verschillende lokale systemen opgeleverd, ingericht en op elkaar aangesloten moeten worden om tot werkende ketens te komen. Dat gaat gepaard met testen, beproeven en verbeteren. Er wordt een aanpak van uitgebreid en frequent testen gevolgd, die ook is geïntensiveerd naar aanleiding van de recente adviezen van BIT en Gateway. Daarbij komen knelpunten aan het licht die verbeterd of aangepast moeten worden. Knelpunten uit het testen worden vastgelegd, geprioriteerd en ingepland om op te lossen.
Verder is het zo dat nog niet alle software op dit moment gereed is of al volledig en in samenhang met elkaar is getest. De landelijke voorziening is nog niet geheel afgebouwd op het noodzakelijke niveau van inwerkingtreding en ook de leveranciers van lokale systemen zijn nog aan het ontwikkelen en/of lokaal uitleveren van software. Bij een beperkte groep overheden lopen ook nog aanbestedingen.
Op dit moment is het dus zo dat nog niet alle systemen die tezamen het Digitaal Stelsel Omgevingswet moeten vormen al volledig op elkaar aangesloten en afgestemd zijn. Omdat er binnen het stelsel sprake is van onderlinge afhankelijkheid tussen vele partijen, is mede op grond van de aanbevelingen uit het BIT-advies en beide Gateway Reviews uit 2020 de implementatieaanpak op tal van aspecten verder geïntensiveerd. Het sluitend krijgen van de keten vraagt om uitgebreid en frequent testen, goede documentatie en ondersteuning en transparantie in planning van oplevering en aanbod van lokale software.
Wat betreft de toegankelijkheid van het DSO (specifiek het Omgevingsloket) voor burgers en bedrijven verwijs ik graag naar de voorgangsbrief van 24 juni 20204 waarin de aanpak om voor alle doelgroepen, inclusief mensen met minder digitale vaardigheden of een audiovisuele beperking, te komen tot een gebruikersvriendelijk, toegankelijk en begrijpelijk digitaal stelsel uitgebreid is toegelicht. Dit bestaat onder meer uit een jaarlijkse externe toetsing op het voldoen aan de richtlijnen voor toegankelijkheid voor het gebruik van hulpapparatuur voor personen met een audio-visuele of andere beperking; een richtlijn voor begrijpelijke taal in het Omgevingsloket (Schrijfwijzer) en het doorlopend evalueren en testen van de gebouwde software door middel van gebruikersonderzoek (usability onderzoek).
In de implementatie-aanpak zijn al veel instrumenten gerealiseerd om bevoegd gezagen en hun toeleveranciers zoals softwareleveranciers hierbij te helpen. Het ondersteuningsaanbod is zowel diepgaand als breed, variërend van regionale implementatiecoaches, expertteam, vragenuurtjes, implementatiedagen, webinars, handreikingen en een helpdesk. Tegelijkertijd constateer ik dat door de omvang, diepgang en veelzijdigheid van de stelselherziening en de veelheid aan informatie het voor veel partijen lastig blijft de weg te vinden in het ondersteuningsaanbod of op zoek zijn naar de juiste en voor hen relevante informatie. Goede communicatie heeft daarom ook continu de aandacht, zowel in de implementatie als ook in de beheer en gebruiksfase.
Met betrekking tot softwareleveranciers is de ondersteuning sinds begin 2020 sterk geïntensiveerd en zijn er frequente overleggen van operationeel tot strategisch niveau, maar ook laagdrempelige spreekuren en uitgebreidere set aan documentatie en testbestanden. Desondanks constateer ik ook dat er nog meer of andere ondersteuning nodig kan zijn om de productontwikkeling van met name de leveranciers van plansoftware te versnellen. Samen met de bestuurlijke partners en beheerorganisatie wordt momenteel bezien welke extra instrumenten hier nog extra voor kunnen worden ingezet en/of hoe de effectiviteit van bestaande ondersteuning vergroot kan worden. Tot slot is recent ook op strategisch niveau overleg met de leveranciers van plan- en regelbeheersoftware georganiseerd. Deze leveranciers hebben aangegeven nu sterke behoefte te hebben aan stabiliteit in de standaarden en geen verdere functionele wijzigingen meer door te hoeven voeren in de STOP standaard voor inwerkingtreding. Hiermee wordt de implementatielast voor leveranciers voor de komende periode beperkt. Dit constructieve voorstel is samen met de bestuurlijke partners ter hand genomen en heeft geleid tot aanvullende afspraken over stabiliteit van de STOP standaard en het temporiseren van het ontwikkelen van enkele onderdelen uit de planketen.
Welke risico’s voor (grote) woningbouwprojecten voorziet u bij het van kracht worden van de Omgevingswet volgend jaar? Hoe gaat u deze beperken?
Voor het realiseren van (grote) woningbouwprojecten kan het noodzakelijk zijn het bestemmingsplan te wijzigen (onder de Omgevingswet: omgevingsplan wijzigen). Vanuit de gemeenten zijn zorgen geuit over de vraag of techniek hiervoor voldoende zou werken op het beoogde moment van inwerkingtreding, en de uitvoerende processen nog onvoldoende zouden zijn ingeregeld.
Er is voorzien in overgangsrecht voor de omzetting van bestemmingsplannen naar omgevingsplannen. Dit voorkomt dat bijvoorbeeld woningbouw stil komt liggen. Bij inwerkingtreding worden de geldende bestemmingsplannen van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan (het tijdelijk deel van het omgevingsplan). Daardoor hebben alle gemeenten bij het moment van inwerkingtreding van de wet een rechtsgeldig omgevingsplan. Gemeenten kunnen vervolgens tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (2030) het tijdelijk deel van het omgevingsplan aanpassen zodat het voldoet aan de eisen van het nieuwe stelsel.
Gemeenten moeten vanaf het moment van inwerkingtreding in de continuïteit van hun gebiedsontwikkeling en de daarop betrekking hebbende planvorming kunnen voorzien. Omgevingsplannen die moeten worden gewijzigd, bijvoorbeeld in verband met nieuwe gebiedsontwikkelingen, zullen moeten voldoen aan de eisen van het nieuwe stelsel. Dat geldt ook voor de eisen voor de digitale ontsluiting. In het geval dat gemeenten nog niet kunnen werken volgens de nieuwe publicatiestandaard (STOP-TPOD), is er een aanvullende overgangsrechtelijke voorziening om als tijdelijk alternatief gebruik te maken van de bestaande IMRO-standaard. Deze voorziening is beschikbaar gedurende een jaar na inwerkingtreding. Gebiedsontwikkeling komt zodoende niet op het kritisch pad en daardoor krijgen gemeenten de kans zich het omgevingsplan verantwoord eigen te maken en te leren.
Daarnaast is de datum van inwerkingtreding met zes maanden verschoven. Dit moet gemeenten in staat stellen om bij de invoering van de Omgevingswet voor de rechtsgeldige publicatie te zorgen, waardoor er voor de grootschalige woningbouw geen hinder ontstaat.
Hoeveel tijd is nodig om de genoemde knelpunten te minimaliseren?
Met de bestuurlijke partners heb ik gewogen of het nodig is om extra tijd te nemen voor de implementatie. Alle gesprekken en inzichten in de feitelijke stand van zaken hebben ons tot het inzicht gebracht dat inwerkingtreding per 1 juli 2022 enerzijds het vertrouwen geeft dat ze hun organisaties beter kunnen voorbereiden op de komende veranderingen en anderzijds voldoende nabij is om geen momentum te verliezen.
Het artikel 'Vogels overleven vlucht langs nieuwe windmolens Tweede Maasvlakte gegarandeerd dankzij deze radar' |
|
Barry Madlener (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Bas van 't Wout (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Vogels overleven vlucht langs nieuwe windmolens Tweede Maasvlakte gegarandeerd dankzij deze radar»?1
Ja.
Gelooft u zelf dat die radar gaat werken als er vogels of vleermuizen tegen de wieken aan dreigen te vliegen? Gelooft u ook in sprookjes? Hoe groot moet een zwerm vogels zijn om dit hele windturbinepark stil te leggen? Heeft u bewijs voor de effectiviteit van dit radarsysteem en is er een milieueffectrapportage gedaan voor dit onzalige plan?
De Wet natuurbescherming schrijft voor dat getoetst moet worden of door initiatieven, zoals in dit geval het windmolenpark, de instandhouding van vogel- en vleermuizensoorten niet in gevaar komt. Uit de effectbeoordeling voor het verkrijgen van de vergunning en de ontheffing inzake de Wet natuurbescherming blijkt dat het initiatief leidt tot minder dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte bij alle vogel- en vleermuizensoorten, die naar verwachting in aanvaring kunnen komen met de turbines van het nieuwe windpark. Eneco gaat het radarsysteem voor het waarnemen van vogels en een apart systeem van bat-detectors gebruiken om het verwachte aantal nog verder te reduceren. De effectiviteit van het radarsysteem zal de komende jaren nader worden onderzocht. Daarbij zal worden meegenomen bij welke aantallen vogels en vleermuizen de windturbines worden stil gezet.
Er is een uitgebreide milieueffectrapportage voor dit plan opgesteld. De resultaten hiervan zijn meegenomen door de gemeente Rotterdam bij het maken van afwegingen ten behoeve van goede ruimtelijke ordening.
Bent u op de hoogte van de enorme betekenis van het betreffende Noordzeestrand van de Tweede Maasvlakte voor inwoners van de regio Rotterdam? Vindt u het niet eeuwig zonde dat dit prachtige strand waar zo veel mensen van genieten, totaal verpest wordt door deze windturbines?
Bij de planvorming van de Tweede Maasvlakte is al uitgegaan van de mogelijkheid een windpark te creëren in de kustlijn, mede omdat dit een goede windlocatie is. Daarom heeft de gemeente Rotterdam in het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan Maasvlakte 2 al rekening gehouden met de komst van het windpark. Tegelijkertijd is gekeken naar meervoudig ruimtegebruik. Op de Tweede Maasvlakte is het mogelijk om beide belangen te combineren.
Bent u op de hoogte van de nationale en internationale faam van dit strand voor kitesurfers? Zo ja, vindt u het niet ontzettend jammer dat dit verpest wordt door deze windturbines?
De gemeente Rotterdam is het bevoegde gezag om te bepalen waar en onder welke voorwaarden kitesurfen wordt toegestaan. Wanneer negatieve effecten op beschermde natuurwaarden niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, is ook de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van de activiteit tegen de Wet natuurbescherming. Op basis van het Aanwijzingsbesluit kitesurfen Maasvlakte 2 van 2012 is kitesurfen mogelijk op het strand van Maasvlakte 2. Op 19 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam besloten dit aanwijzingsbesluit per 1 januari 2022 in te trekken. De gemeente is in overleg met de Nederlandse Kitesurf Vereniging over een mogelijk geschikte kitesurflocatie in de nabije omgeving. Ook is het voornemen om in de periode 1 oktober tot en met 31 mei kitesurfen mogelijk te blijven maken bij het intensieve (bad-)strand.
Bent u ervan op de hoogte dat dit Noordzeestrand enorm belangrijk is voor (trek)vogels en dat er diverse vogelrustgebieden en natuurgebieden in de buurt liggen? Zo ja, waarom hecht u daar zo weinig waarde aan?
Uiteraard zijn alle betrokkenen bij dit project op de hoogte van de hoogwaardige natuur in de omgeving van dit windpark alsmede de beschermingsregimes die daar gelden. Alle betrokkenen hechten juist veel waarde aan de bescherming van vogels en vleermuizen. De effecten van het windpark op natuur zijn uitvoerig getoetst in het kader van de Wet natuurbescherming. Er is geen sprake is van significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van nabije Natura 2000-gebieden dan wel wezenlijke effecten op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Voor details verwijzen wij naar de uitgebreide Natuurtoets, de Passende beoordeling, de ontheffing en de vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming (zie voor de stukken: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-4696.html). In de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming zijn in de voorschriften mitigerende maatregelen opgenomen. Zo is onder meer een stilstandsvoorziening opgenomen voor vleermuizen waarmee een aanvaringsreductie van 80% wordt bewerkstelligd. Daarnaast zal het radarsysteem voor vogels geïnstalleerd worden en zal de werking ervan intensief gemonitord worden.
Bent u ervan op de hoogte dat dit Noordzeestrand bij de planvorming voor de Tweede Maasvlakte juist bedoeld was ter compensatie voor de regiobewoners en de Rotterdammers? Weet u dat tienduizenden mensen genieten van de rust en ruimte en de mogelijkheid om lekker uit te waaien en kitesurfers te kijken? Vindt u het welzijn van de inwoners niet belangrijk genoeg om te beschermen? Weet u dat een strandbezoek enorm ontstressend kan werken, juist in ons veel te volle land? Wist u dat de Tweede Maasvlakte het best bereikbare strand is van de regio Rijnmond?
In de m.e.r. die ten behoeve van het bestemmingsplan Maasvlakte 2 is opgesteld, zijn de effecten van de windmolens op de strandrecreatie in beeld gebracht. Deze effecten zijn meegenomen door de gemeente bij het maken van afwegingen ten behoeve van goede ruimtelijke ordening. Met uitzondering van het kitesurfen kunnen alle vormen van huidige recreatie doorgang blijven vinden. Zoals is aangegeven in het antwoord bij vraag 4, is de gemeente Rotterdam in overleg met de Nederlandse Kitesurf Vereniging over een mogelijk geschikte kitesurflocatie in de nabije omgeving.
Bent u bereid om de plannen voor dit onzalige windturbinepark te heroverwegen en met het gemeentebestuur van Rotterdam te zoeken naar alternatieven? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 is aangegeven, is al bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte het voornemen uitgesproken om een windpark te creëren in de kustlijn, mede omdat dit een goede windlocatie is. Daarom heeft de gemeente Rotterdam, met in acht name van alle wettelijke vereisten, in het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan Maasvlakte 2 al rekening gehouden met de komst van het windpark. Alle effecten van het bestemmingsplan, waarin onder meer een windpark op de zeewering, zijn daarbij zorgvuldig in beeld gebracht en afgewogen.
Hoe vaak verwacht u dat deze windmolens stil komen te staan als gevolg van de overvliegende vogels, en wat zijn hier de kosten van?
Eneco zal als eigenaar en exploitant van het Windpark, de komende jaren – op basis van gerichte monitoringsinformatie – de noodzakelijke frequentie en duur van stilstand bepalen. De kosten van de stilstand komen voor rekening van Eneco.
Bent u ermee bekend dat windenergie voor slechts 1,7% voorziet in onze totale energiebehoefte? En dat iedere aanpassing of uitvinding hiervoor weggegooid geld is en het veel beter is om direct te stoppen met de bouw van subsidie slurpende windmolens?
Het aandeel windenergie binnen de Nederlandse energievoorziening stijgt. En de bouw van windturbines past binnen de afspraken uit het Klimaatakkoord uit 2019 waarin afspraken staan over hoe Nederland de komende decennia de transitie naar hernieuwbare energievoorziening zal doormaken. Het windmolenpark op de Tweede Maasvlakte wordt zonder subsidie gerealiseerd en geëxploiteerd.
Bent u bekend met het bericht: «Molens in Zeeland staan stil voor vogels en dat kost 15.000 euro per maand»?2 Wat zijn de gevolgen hiervan voor de geplande windmolens op de Tweede Maasvlakte?
Met dit bericht ben ik bekend. Er zijn geen directe gevolgen voor de geplande windturbines op de Tweede Maasvlakte.
Bent u bekend met de uitspraken van Willem Bouten (onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam): «Stroom gaat er aan de ene kant in en aan andere kant uit. Het kan daarom zo zijn dat als je in de Eemshaven windmolens uitzet, in Italië het licht uit kan gaan.»3 Hoe beoordeelt u deze uitspraken? En betekent dit dat door deze uitvinding ook het licht in delen van Nederland uit kan gaan? Zo nee, hoe wordt dit dan ondervangen?
Ja, ik ben bekend met de uitspraak van de heer Bouten. De stilstand voorziening van het windpark op de Tweede Maasvlakte zal voldoen aan de voorwaarden die Netbeheerder Tennet daaraan stelt in verband met de netstabiliteit.
Het bericht 'Ook aardgas dreigt straks als ‘groen’ te worden gezien' |
|
Renske Leijten |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de nobele plannen van de taxonomieverordening voor een Europese groene standaard, die beleggers en bedrijven tot vergroening zouden moeten aanzetten, een middel voor greenwashing dreigen te worden?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het voornaamste doel van de EU Taxonomie en de taxonomieverordening is juist precies het tegengaan van «greenwashing». Nederland heeft altijd gepleit en zal blijven pleiten voor een technologie-neutrale taxonomie, waarin economische activiteiten aan de hand van wetenschappelijke criteria worden beoordeeld.
Wat denkt u van het feit dat de Europese Commissie het in haar hoofd haalt aardgas als duurzaam te definiëren?
In een eerder gelekte concept-uitwerking van de gedelegeerde handelingen van de Europese Commissie was elektriciteitsopwekking op basis van aardgas als uitzondering in de taxonomie opgenomen. Daarmee zou dit soort elektriciteitsopwekking binnen de taxonomie als groen worden bestempeld. In de huidige, meest recente technische uitwerking wordt voor elektriciteitsproductie een drempelwaarde gehanteerd van 100 gram CO2/kWh, waarbij de uitstoot gemeten wordt over de hele productiecyclus (LCA). Elektriciteitsproductie onder deze drempelwaarde wordt duurzaam geacht. Het kabinet steunt dit. In de praktijk halen aardgascentrales die drempelwaarde echter niet. De Commissie heeft aangekondigd later dit jaar terug te komen op wat zij besluit omtrent elektriciteitsopwekking op basis van aardgas die deze drempelwaarde niet haalt.
Nederland acht het van belang in de totstandkoming van de taxonomie dat technologieën niet bij voorbaat worden uitgesloten, tenzij op wetenschappelijke grond is aangetoond dat de technologieën schadelijk zijn voor het milieu of te veel uitstoot veroorzaken. Die inzet strookt met de taxonomieverordening. Nederland pleit voor een wetenschappelijke basis voor de kaders die bepalen wat wel of niet als duurzaam gezien wordt. Het wetenschappelijke advies is geweest om aardgas niet als duurzame investering in de taxonomie op te nemen. Nederland wil deze wetenschappelijke lijn in de taxonomie aanhouden, waarbij tegelijkertijd wel rekening gehouden wordt met uitdagingen van de energietransitie en de huidige samenstelling van de Nederlandse energiemix.
Voor de Nederlandse energiemix speelt aardgas voorlopig nog een rol in de overgang naar een duurzame economie. Het versneld afschakelen van het Groningse gas tot eind 2022 en de Nederlandse gasexportverplichtingen tot 2029 resulteren de komende jaren in een verhoogde Nederlandse import van aardgas en mogelijk in aanvullende investeringen in de gasinfrastructuur.
Welke bedrijven hebben voor het voorstel van de Europese Commissie gelobbyd?
Een overzicht van de belangrijkste publieke consultaties op de concept gedelegeerde handelingen is openbaar beschikbaar2. Tevens is alle individuele feedback die de Commissie heeft ontvangen openbaar beschikbaar.3
Deelt u de mening dat deze ontwikkelingen niet vallen te rijmen met het Nederlandse Klimaatakkoord, waarin aardgas niet als duurzaam wordt gezien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet houdt zich aan het Klimaatakkoord. Zo zijn nu de eerste stappen gezet om de rol van aardgas kleiner te maken en over te schakelen naar CO2-neutrale bronnen. Een haalbare en betaalbare aanpak om fossiele brandstoffen, waaronder aardgas, uit te faseren en over te schakelen naar CO2-neutrale energiebronnen is en blijft het uitgangspunt. Dit is de lijn die het kabinet zowel in Nederland als in de Europese Unie voor staat.
Wat is uw reactie op het feit dat ngo’s als het Wereld Natuur Fonds (WNF,) het Bureau Européen des Unions de Consommateurs (BEUC) en Birdlife uit het duurzame financiën platform zijn gestapt omdat zij de taxonomie plannen omtrent bioenergie en bosbouw bestempelen als greenwashing en onwetenschappelijk?2
Zoals gezegd, heeft Nederland altijd gepleit voor een technologie-neutrale, science-based taxonomie, waarin economische activiteiten aan de hand van wetenschappelijke criteria worden beoordeeld. Een gebalanceerde samenstelling van het platform on Sustainable Finance, dat de Commissie over de uitwerking van de taxonomie adviseert, is daartoe van belang. Daarbij hoort ook een adequate vertegenwoordiging van niet-gouvernementele organisaties.
De genoemde NGO’s schorten tijdelijk hun bijdrage («suspended participation») aan het Platform on Sustainable Finance op uit onvrede over de uitwerking van de EU Taxonomie. Dit heeft met name te maken met de uitwerkingen ten aanzien van bioenergie en bosbouw. De Europese Commissie is met deze NGO’s in gesprek met als doel dat deze NGO’s hun bijdrage aan het Platform continueren. Om aan de zorgen van deze NGO’s tegemoet te komen, wordt op advies van het Platform nagedacht over hoe de science-based basis van de taxonomie duidelijker kan worden benadrukt, hoe de rationale achter de uitwerkingen transparanter kan worden gedeeld, en wordt er nagedacht hoe politieke beslissingen van invloed zijn op de criteria. Het kabinet steunt deze acties.
Het Platform on Sustainable Finance bestaat uit een divers en uitgebalanceerd gezelschap van kennis- en praktijkexperts uit verschillende sectoren en kennisdomeinen. Middels de taxonomieverordening wordt deze diversiteit aan kennis en expertise wettelijk geborgd.5 Mochten de NGO’s zich voor een langere periode of permanent terugtrekken uit het Platform, dan zal Nederland de Commissie erop aanspreken dat het Platform in deze huidige samenstelling onvoldoende vertegenwoordiging van niet-gouvernementele organisaties uitdraagt en zal Nederland de Commissie erop aandringen de samentelling op een adequate manier aan te vullen.
Deelt u de mening dat het oprekken van de grens van wat als duurzaam wordt gezien, het directe gevolg is van «enabling activities» die de lidstaten bij monde van de Raad hebben bedongen in de onderhandelingen over de tekst, met andere worden «lichtgroene» activiteiten in tegenstelling tot «donkergroene» activiteiten die direct bijdragen aan de klimaatdoelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. De huidige taxonomie beoordeelt economische activiteiten op een binaire wijze. Dat wil zeggen dat economische activiteiten kunnen worden bestempeld als «duurzaam» als zij aan de technische beoordelingscriteria voldoen. In de uitwerking van de taxonomie (op klimaatmitigatie) worden drie typen economische activiteiten onderscheiden:
De technische beoordelingscriteria zullen voor elk van deze drie typen activiteiten worden toegepast om een uiteindelijk oordeel vellen over het wel of niet als duurzaam bestempelen van een economische activiteit. Als een economische activiteit bijvoorbeeld wel degelijk een substantiële verduurzaming mogelijk maakt (denk aan de opslag van elektriciteit), maar die activiteit op zichzelf geen verduurzamende werking heeft, wordt een dergelijke activiteit gezien als enabling activity. Deze activiteit stelt namelijk andere soorten activiteiten (1 en 2) in staat te verduurzamen.
Wat vindt u ervan dat onder de verordening kernenergie als «groen» zal kunnen worden gekenmerkt?
De Commissie heeft het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie verzocht een technisch adviesrapport te schrijven over de «do no significant harm»-aspecten van kernenergie. Dit rapport is eind maart gepubliceerd en aan twee groepen experts voorgelegd voor een review. Daarna neemt de Commissie op basis van deze stukken een beslissing of kernenergie onder de taxonomie wordt gebracht. Dit proces wordt naar verwachting in juni afgerond en daarna zal u hierover worden geïnformeerd. Het kabinet steunt dit wetenschappelijke proces.
Kernenergie produceert CO2-vrije elektriciteit. Een mogelijke opname van kernenergie op de lijst met goedgekeurde, duurzame investeringen kan helpen aan het bereiken van de emissiereductiedoelstellingen die de Europese Unie zich heeft gesteld, zeker daar waar het gaat om de mogelijkheden om de financiering van nieuwe kernenergie te faciliteren.
Waarom zou u dit vruchteloze gesteggel toestaan, terwijl de klok doortikt?
De Nederlandse inzet is om de taxonomie zo ambitieus mogelijk in te zetten en tezelfdertijd uitsluitend uit te gaan van science-based argumenten. Daarbij wil Nederland zo snel mogelijk toewerken naar de afronding en implementatie van de EU Taxonomie, maar moet dit ook op een kwalitatief hoogwaardige manier gebeuren.
Wat gaat u doen om, in samenwerking met andere lidstaten die reeds het goede voorbeeld geven, de Europese Commissie op te roepen de grenzen van wat als duurzaam wordt gezien, niet op te rekken?
Nederland zal blijven pleiten voor een technologie-neutrale taxonomie, waarin economische activiteiten aan de hand van wetenschappelijke criteria worden beoordeeld. De Nederlandse inzet is om de taxonomie zo ambitieus mogelijk in te zetten en tezelfdertijd uitsluitend uit te gaan van science-based argumenten. Daarbij wil Nederland zo snel mogelijk toewerken naar de afronding en implementatie van de EU Taxonomie, maar moet dit ook op een kwalitatief hoogwaardige manier gebeuren. Via de Member States Expert Group (MSEG) kan Nederland input geven op de totstandkoming en inhoud van de gedelegeerde handelingen. In de taxonomieverordening is de wetenschappelijke basis van de taxonomie wettelijk geborgd. Nederland zal de Commissie in samenwerking met andere landen, indien nodig, erop aanspreken zich aan deze wetenschappelijke basis te houden.
Het ondeskundig doden en de daardoor veroorzaakte lijdensweg voor de grote grazers van Stichting Taurus. |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Onderzoek naar «leed» bij grazers»?1
Ja.
Bent u bekend met de videobeelden van het afschot van de twee runderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze vorm van afschot?
Ja, inspecteurs van de NVWA hebben de videobeelden digitaal aangeleverd gekregen en bekeken. De beelden maken deel uit van het dossier en zijn onderdeel van een lopend onderzoek naar de wijze van doden. In het wild gehouden runderen mogen, onder specifieke voorwaarden, ten behoeve van de slacht op locatie gedood worden. Zo dient in het geval dat een vuurwapen wordt gebruikt voor de bedwelming van een dier het schot zwaar en onomkeerbaar letsel aan de hersenen te veroorzaken waardoor het dier onmiddellijk bedwelmd en gedood wordt. Op de video is te zien dat het rund, zelfs na meerdere schoten, niet adequaat is bedwelmd en gedood. Er ontstaat hierdoor onnodig pijn en stress bij dat dier. Ik keur de wijze waarop dit afschot is uitgevoerd, zoals te zien op de beelden, af.
Onder welke voorwaarden mogen dergelijke gehouden runderen in het veld worden afgeschoten?
De wettelijke regels waaraan voldaan moet worden, zijn vastgelegd in de Europese verordening 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.
En voor dit soort in het wild gehouden runderen zijn nadere aanvullende specifieke voorschriften vastgelegd in het NVWA Voorschrift dierenwelzijn hoefdieren slachthuizen (WLZVL-017), in Bijlage 8 «Nota slachten geregistreerde runderen uit natuurgebieden».
Kort geformuleerd betekent dit dat de omstandigheden zodanig moeten zijn dat het schieten van het betreffende dier veilig en verantwoord kan gebeuren zonder gevaar voor (andere) dieren en de mens. Het schot moet zorgen voor adequate bedwelming. De schutter dient aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden te bezitten om de taken doeltreffend en met inachtneming van dierenwelzijn uit te voeren. Verder dient in algemene zin de schutter te voldoen aan de regelgeving voor het bezit en gebruik van vuurwapens.
Welke controle oefent u uit op dergelijk afschot en was er bij dit beschreven afschot ook controle?
Houders van dieren in natuurgebieden kunnen een ante-mortem keuring door een NVWA-dierenarts aanvragen, zodat moeilijk hanteerbare gehouden dieren – met zo min mogelijk stress – in het natuurgebied kunnen worden gedood. In een dergelijk geval houdt deze NVWA-dierenarts toezicht op het afschot.
In het geval van de doding in de videobeelden, is het gedode dier op basis van noodslacht aangemeld bij de slachtinrichting en was geen NVWA-dierenarts aanwezig tijdens het afschot. Bij een noodslacht wordt de levende (zogenaamde ante-mortem) keuring uitgevoerd door praktiserende dierenartsen die niet aan de NVWA verbonden zijn. Noodslacht mag plaatsvinden als een overig gezond dier een ongeval heeft gehad, waardoor het om welzijnsredenen niet naar het slachthuis kan worden vervoerd. Als gehouden dieren anders dan voor consumptie worden gedood, is de aanwezigheid van een dierenarts niet verplicht.
Welke sancties staan er op het veroorzaken van langdurig lijden, wat duidelijk waarneembaar was bij beide dieren?
Ik heb uw vraag zo opgevat dat u onder het veroorzaken van langdurig lijden bij dieren dierenmishandeling verstaat en dat u informeert naar de strafrechtelijke sanctioneringsmogelijkheden bij dierenmishandeling. Het verbod op dierenmishandeling is geregeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren. Op grond van artikelen 8.11 en 8.12 van de Wet dieren is dierenmishandeling een misdrijf, waarop een maximale gevangenisstraf van drie jaar staat. Onderzocht wordt of in het onderhavige geval sprake is van dierenmishandeling. Bij een eventueel strafrechtelijk traject is die beoordeling in eerste instantie aan de behandelend officier van justitie.
Mag het vlees van deze dieren voor de reguliere vleesverkoop in aanmerking komen?
Ja, in algemene zin mag vlees van grote grazers uit natuurgebieden (indien aan de voorwaarden ten aanzien van I&R, etc. is voldaan) gebruikt worden voor reguliere vleesverkoop. De veehouder dient alle relevante informatie ten aanzien van de dieren/het bedrijf aan te leveren bij het slachthuis bij het aanbieden voor de slacht. Dieren die een ongeval hebben gehad, mogen in het veld gedood worden en aangeboden worden voor een noodslachting.
Wanneer dieren te wild zijn om te vangen en daarna te vervoeren, kan een ante-mortem keuring in het veld uitgevoerd worden door een NVWA-dierenarts, waarna deze dieren gedood kunnen worden in het veld.
De geslachte keuring vindt in beide gevallen in het slachthuis plaats. De voorwaarden voor/eisen aan de keuring zijn in EU-wetgeving beschreven.
Welke controle en toezicht is er op de hygiëne van het transport van deze gedode dieren?
NVWA-toezichthouders voeren steekproefsgewijs toezicht uit op het transport van (gedode) dieren.
Zijn er subsidierelaties met Stichting Taurus?
Ja, Taurus ontvangt GLB-steun.
Zijn met het veroorzaken van dit dierenleed subsidievoorwaarden geschonden? Zo ja, met hoeveel gaat u deze subsidies korten?
Voor bovenstaande GLB-subsidies geldt dat de randvoorwaarden (cross compliance) moeten worden nageleefd. Dit zijn wetten en regels op het gebied van milieu, gezondheid en dierenwelzijn. Of hier randvoorwaarden niet zijn nageleefd, wordt duidelijk als het onderzoek is afgerond. Bij het niet voldoen aan de randvoorwaarden zal de NVWA dit melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), die op basis van de controlebevindingen een korting op kan leggen op het totaal van door de aanvrager ingediende steunaanvragen.
Kunt u een uitgebreide rapportage toezeggen over hoeveel grote grazers er in Nederland worden ingezet, in welke gebieden, hoeveel van deze dieren de gehouden en niet-gehouden status hebben, en hoeveel uur controle en toezicht er per gebied is door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Ik ben bereid uw Kamer middels een rapportage te informeren over de inzet van grote grazers in Nederland en het (NVWA)-toezicht op deze dieren. De verwachting is dat deze rapportage in het eerste kwartaal van 2022 aan uw Kamer aangeboden wordt.
Kunt u een totaalbeeld geven vanuit welk programma en met hoeveel geld het beheer van grote grazers wordt gesubsidieerd, uitgesplitst naar betrokken ontvangende organisaties?
Het natuurbeleid is gedecentraliseerd van het Rijk naar provincies. De provincies zijn verantwoordelijk geworden voor het natuurbeleid. Grote grazers worden vaak ingezet voor de begrazing van natuurterreinen om het open karakter van een landschap te behouden en de biodiversiteit te bevorderen. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) verstrekt zelf geen subsidies aan organisaties ten behoeve van het beheer van grote grazers. Deze financiering voor het beheer van de grote grazers loopt via de provincies of de terreinbeheerders. Ik vertrouw erop dat de provincies en terreinbeheerders hierin zorgvuldig handelen. Ik heb er daarom geen zicht op welke middelen provincies en terreinbeheerders inzetten voor het beheer van natuurgebieden.
Bent u bekend met de videobeelden van de poging om een rund te vangen? Zo ja, wat is uw oordeel over de gehanteerde vangmethode en het toegepaste materiaal?2
Ja, inspecteurs van de NVWA hebben de videobeelden digitaal aangeleverd gekregen en bekeken. Op de beelden is te zien dat een rund ontsnapt uit een vangkraal. De videobeelden bieden een zeer korte momentopname. De video geeft een indicatie dat in dit specifieke geval het toegepaste materiaal en de toegepaste vangmethode niet adequaat waren voor het vangen van het desbetreffende rund. Vangmateriaal wordt meestal in de grond verankerd. In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat het materiaal dat in de video te zien is wordt gebruikt bij het vangen van runderen.
Is er toezicht op het vangen van grote grazers door de NVWA?
NVWA-toezichthouders voeren incidenteel toezicht uit op het vangen van grote grazers, veelal op basis van meldingen. NVWA-toezichthouders zijn in de regel niet fysiek aanwezig tijdens het vangen van grote grazers.
Zijn er normen waaraan vangapparatuur en vanghekken moeten voldoen? Zo nee, gaat u deze normen invoeren?
Het is de verantwoordelijkheid van houders om ervoor te zorgen dat zij geschikte vangapparatuur en vanghekken gebruiken. De houder dient er ook zorg voor te dragen dat de desbetreffende dieren worden verzorgd door personen die beschikken over de voor de verzorging nodige kennis en vaardigheden.
Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Bij het vangen dienen verzorgers zich aan deze norm te houden.
Er zijn geen concrete wettelijke normen met betrekking tot vangapparatuur of vanghekken. Ik ben niet voornemens voor vangapparatuur of vanghekken specifieke wettelijke normen in te voeren.
Hebben de bij het vangen van de dieren betrokken mensen een opleiding genoten om deze werkzaamheden te verrichten?
Voor zover bekend hebben de bij het vangen van de dieren betrokken mensen een agrarische opleiding genoten.
Deelt u de mening dat alleen ervaren, geschoolde en gecertificeerde mensen dergelijke werkzaamheden mogen verrichten?
Ik vind het belangrijk dat in de omgang met dieren rekening wordt gehouden met alle aspecten die samenhangen met dierenwelzijn alsook een vanzelfsprekende respectvolle omgang met dieren. Een ieder die een dier vangt, moet voorkomen dat het dier onnodig lijdt. Het is aan de houders van de dieren om te zorgen dat het vangen van dieren op een zorgvuldige wijze gebeurt.
Welke maatregelen gaat u treffen om te komen tot structurele verbetering in het beheer en het voorkomen van lijden tijdens het vangen van de dieren en tijdens afschot van grote grazers, ook gelet op het feit dat de Oostvaardersplassen al eerder te zien gaven dat het beheer en afschot van grote grazers in Nederland een permanente lijdensweg is voor de betreffende grote grazers (met zowel gehouden als niet-gehouden status)?
Ik realiseer mij dat het beheer van de grote grazers een gevoelig onderwerp is, waarbij men zorgvuldig te werk moet gaan om een toekomstbestendig beheer te realiseren. De daartoe aangewezen personen in dienst van de terreinbeheerder of handelend in opdracht van de terreinbeheerder voeren het afschot dan ook normaliter met de grootst mogelijke zorgvuldigheid uit. Incidentele misstanden kunnen gemeld worden bij de toezichthouder, dat is in het geval van Stichting Taurus ook gebeurd. Ik zie nu geen reden om aanvullende maatregelen te treffen.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist bij door natuurorganisaties gehouden grote grazers te hoge waarden van dioxines in vlees en organen worden aangetroffen, zoals vorige week het geval bleek te zijn in het Lauwersmeergebied, nadat al eerder bericht was dat er bij grote grazers in de uiterwaarden en de Oostvaardersplassen hoge waarden van dioxines en andere giftige stoffen in het vlees en organen zijn aangetroffen?3
Ik heb eerder signalen binnengekregen dat er sprake kan zijn van dioxine bij grote grazers in uiterwaarden. Op basis van signalen die december 2019 bij de NVWA zijn binnengekomen, is een vooronderzoek uitgevoerd in het voorjaar van 2020. De uitkomsten van dit vooronderzoek waren voor bureau-NVWA aanleiding nader onderzoek starten. Het onderzoek door bureau-NVWA is op dit moment gaande, rapportage wordt later dit jaar verwacht. De NVWA heeft stappen genomen om de problematiek en de risico’s verder in kaart te brengen. Door het recent geïntensiveerde onderzoek naar de aanwezigheid van dioxines worden deze bij runderen van natuurorganisaties vaker aangetroffen.
Is er structurele controle op het vlees en de organen van deze grote grazers voordat het vlees in consumptie komt?
Ja. Ook bij deze dieren vindt structureel een levende en geslachte keuring plaats, waarbij vastgesteld wordt of het vlees geschikt is voor humane consumptie. Het is echter onmogelijk om elk karkas te controleren.
Het is de verantwoordelijkheid van ondernemers en bedrijven om veilige levensmiddelen in de handel te brengen. De NVWA houdt hier toezicht op. Jaarlijks voert de NVWA ook een monitoringsprogramma uit in diervoeder en in levensmiddelen zoals vlees waarin o.a. monsters op dioxines worden onderzocht. Hierbij toetst het monitoringsprogramma hoe de monsters zich verhouden tot de Europees vastgestelde limieten. Ook diervoeder wordt in het kader van het Nationaal Plan Diervoeders onderzocht op de aanwezigheid van dioxines. Hierin is inbegrepen voeders bij de boer (bijvoorbeeld monsters van kuilgras). Wanneer een overschrijding van de limiet aan dioxines gevonden wordt in het monitoringsprogramma, wordt de houder geïnformeerd en geacht de betrokken partij te traceren en uit de handel laten halen.
Hoe komen de grote grazers van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en andere natuurorganisaties aan deze hoge dioxinewaarden?
In opdracht van bureau-NVWA verricht Wageningen Food Safety Research (WFSR) momenteel onderzoek om meer inzicht te verkrijgen in de aanwezigheid van dioxines (en een aantal andere relevante stoffen) in vlees afkomstig van dieren in uiterwaarden langs de grote rivieren. Dit onderzoek richt zich specifiek op dieren die het hele jaar in de uiterwaarden grazen («wildernisvlees»), waar ook de gerefereerde dierenpopulaties onder vallen. Ik verwijs u hier ook naar het antwoord op vraag 18.
Worden deze hoge dioxinewaarden ook aangetroffen bij runderen op de bij de natuurgebieden omliggende boerenbedrijven en is er een relatie met de deskundigheid van het beheer van deze grote grazers in natuurgebieden?
Dieren van reguliere veehouders verblijven niet, zoals de natuurgrazers, hun hele leven in uiterwaarden. Hierdoor is de blootstelling aan milieucontaminanten voor deze dieren anders. Er zijn geen gevallen bekend van vlees met te hoge gehaltes dioxine uit de reguliere runderhouderij in de omgeving van deze natuurgebieden.
Kunt u uitsluiten dat er vlees van grote grazers met te hoge dioxinewaarden in de consumptieketen is gekomen?
Het is de verantwoordelijkheid van ondernemers en bedrijven om veilige levensmiddelen in de handel te brengen. De NVWA houdt hier toezicht op. Ik kan niet uitsluiten dat er vlees met te hoge dioxinewaarden in de consumptieketen is gekomen. Het is immers onmogelijk om elk karkas te controleren. Bij langdurige te hoge blootstelling aan dioxines kunnen nadelige gezondheidseffecten optreden. Dit heeft ertoe geleid dat deze organisaties (naast het onderzoek door de NVWA) in eigen beheer onderzoek (laten) doen en dat bij afwijkingen deze dieren niet ter slachting worden aangeboden en/of op dit moment geen dieren ter slachting aanbieden.
Heeft u een terugroepactie ingezet op al het vlees van grote grazers? Zo nee, hoe gaat u de consument dan beschermen tegen het consumeren van vlees afkomstig van grote grazers met mogelijk te hoge dioxinewaarden?
Als blijkt dat er in het vlees van dieren te hoge dioxine gehaltes aanwezig zijn mag dit vlees niet worden verkocht voor humane consumptie. De eigenaar van het vlees wordt aangesproken zijn verantwoordelijkheid, zoals het uit de handel halen van de betreffende partij. Er is geen terugroepactie geweest.
Is het verstandig om op de verpakking van vlees van grote grazers zichtbaar te maken voor de consument dat er bij het vlees van grote grazers afkomstig uit gebieden van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer een verhoogde kans op schadelijke dioxines is?
Zoals ook bij vraag 18 genoemd, is er op basis van signalen die december 2019 bij de NVWA zijn binnengekomen een vooronderzoek uitgevoerd in het voorjaar van 2020. De uitkomsten van dit vooronderzoek waren voor bureau-NVWA aanleiding nader onderzoek starten. Het onderzoek door bureau-NVWA is op dit moment gaande, rapportage wordt later dit jaar verwacht. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan het toezicht aangepast worden, inclusief de risicocommunicatie.
Het bericht ‘Grote opgaven in een beperkte ruimte’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport «Grote opgaven in een beperkte ruimte» van het Planbureau voor de Leefomgeving?1
Ja, zowel ik als de Minister van LNV zijn bekend met het rapport «Grote opgaven in een beperkte ruimte». Het rapport is opgesteld op initiatief van het PBL als onafhankelijk onderzoeksinstituut.
Wie bepaalt op welk moment dergelijke rapporten worden gepubliceerd?
De directeur van het PBL bepaalt het publicatiemoment van PBL-rapporten. De inhoudelijke onafhankelijkheid van het PBL en de collega-planbureaus CPB en SCP is gewaarborgd in de Aanwijzingen voor de Planbureaus, Staatscourant 3200, 21 februari 2012.
Waarom ontbreekt in het rapport het belang van voedselproductie en de wereldvoedselvoorziening?
Het PBL-rapport «Grote opgaven in een beperkte ruimte» richt zich op de ruimtelijke keuzes die het nieuwe kabinet moet maken. Het rapport is opgesteld op initiatief van het PBL als onafhankelijk onderzoeksinstituut. Om een indruk te kunnen geven van de met deze opgaven samenhangende ruimteclaims is uitgegaan van vigerend nationaal beleid en (inter)nationale beleidsdoelen en -afspraken. Het ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie is één van de nationale belangen in de Nationale omgevingsvisie. Op het gebied van voedselproductie en de wereld-voedselvoorziening bestaan echter geen ruimtelijk vertaalde nationale beleidsdoelstellingen.
Bent u ermee bekend dat de Europese Commissie toenemende problemen met de voedselproductie signaleert omdat landbouw in Zuid-Europa moeilijker wordt door klimaatverandering?
Ja, de Minister van LNV is er mee bekend. Overigens zal klimaatverandering ook gevolgen hebben voor de voedsel- en landbouwproductie in de rest van Europa en in andere delen van de wereld.
Wie bepaalt of bij de balans tussen de landbouw en natuur dit ten koste moet gaan van de landbouw?
Inzet van het kabinet is dat landbouw en natuur niet ten koste van elkaar gaan, maar elkaar versterken. Of en op welke wijze dit doel bereikt wordt (hoe deze balans uitvalt) is afhankelijk van politieke besluiten over de inrichting van het landelijk gebied en de druk die we vanuit de omgeving op de natuur willen toestaan.
Waarom nemen de onderzoekers niet als uitgangspunt mee dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kringlooplandbouw en extensivering wil stimuleren waardoor juist meer landbouwgrond nodig is?
Het PBL-onderzoek neemt bestaande ruimteclaims als uitgangspunt. De vraag of kringlooplandbouw en extensivering leiden tot een grotere vraag naar landbouwgrond is niet eenduidig te beantwoorden. Dat is bijvoorbeeld afhankelijk van de wijze waarop de transitie naar kringlooplandbouw verder vorm krijgt en de mogelijke implicaties daarvan voor het productievolume en het verdienvermogen. Het PBL maakt hierin geen keuze. Het rapport laat zien dat bij een maximale honorering van de ruimtevraag het ruimtebeslag voor klimaatadaptatie en -mitigatie, verstedelijking en natuur zal toenemen. Voor kringlooplandbouw is inderdaad ook ruimte nodig. Extensivering vraagt op zichzelf om meer ruimte. Stoppende boeren bieden hun grond aan op de grondmarkt, die vervolgens voor landbouw maar ook voor andere doeleinden wordt ingezet.
Als gevolg hiervan zal het landbouwareaal dan mogelijk dalen van 59 procent nu tot zo’n 50 procent in 2050. Het rapport geeft daarom aan dat het voor de hand ligt om te verkennen in welke mate en op welke wijze deze ruimtelijke opgaven met elkaar en met die van de landbouw kunnen worden gecombineerd.
Is er een andere onderbouwing beschikbaar dan de referentie aan ooit eerder door Bouwend Nederland (de bouwsector) genoemde aantallen, waarvan overigens geen onderbouwing beschikbaar is, met betrekking tot de uitspraak dat volgens de onderzoekers het doel is om tot 2035 1 miljoen woningen te bouwen?
Waar in PBL-rapport «Grote opgaven in een beperkte ruimte» het aantal van 1 miljoen woningen wordt genoemd, is dat een verwijzing naar de Nationale Omgevingsvisie.
Daarin staat: Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen tussen 2019 en 2035 (ABF research, Primos prognose, Delft 2020). Omdat ook woningen gesloopt en vervangen moeten worden, betekent dit dat er meer dan 1,1 miljoen woningen moeten worden gebouwd en/of via transformatie tot stand moeten komen om de toename in de behoefte op te vangen en het woningtekort terug te dringen. Dit is gebaseerd op de regionale huishoudens- en bevolkingsprognose Primos. In de jaarlijkse Staat van de Woningmarkt wordt op de uitkomsten van deze prognose uitgebreider ingegaan, met daarbij aandacht voor bandbreedtes en onzekerheden van prognoses (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Staat van de woningmarkt, Jaarrapportage 2020, Den Haag 2020). Binnenkort ontvangt u de uitkomsten van de geactualiseerde prognose.
Het PBL wijst zelf op de onzekerheid in de bevolkings- en huishoudensgroei, ook op korte termijn. De groei van het aantal huishoudens loopt volgens het PBL voor 2030 (ten opzichte van 2020) uiteen van zo’n 300.000 in een laag scenario tot 1,1 miljoen in een hoog scenario.
Waarom gaat het rapport ervan uit dat veel ruimte nodig is voor zonneparken en windmolens terwijl alternatieven voor energieopwekking, zoals kernenergie, niet worden genoemd en waarom, met welke onderbouwing, wordt dan toch gekozen voor dit ruimtevretende uitgangspunt?
Het PBL-rapport «Grote opgaven in een beperkte ruimte» gaat uit van het Klimaatakkoord en de concept RES-en. Het Klimaatakkoord heeft geen doelstelling voor kernenergie vastgelegd. De RES-en claimen ruimte voor zonneparken en windmolens. In de RESsen wordt het belang van het sparen van open ruimte benadrukt, onder andere door de «zonneladder»: het uitgangspunt dat eerst wordt gekeken naar de mogelijkheden van daken en bebouwd gebied voordat wordt gekeken naar zonneparken op landbouw- en natuurgrond.
Realiseren de onderzoekers zich dat de landbouwgrond, soms al eeuwen, in bezit is van families en dus niet zomaar vrij beschikbaar te «gebruiken» zijn alsof ze collectief bezit zijn?
De onderzoekers laten zich niet uit over het vrij beschikbaar zijn van gronden. In voorkomende gevallen baseren de onderzoekers zich voor wat betreft de eigendomssituatie van landbouwgrond op informatie van het Kadaster.
Het PBL-rapport «Grote opgaven in een beperkte ruimte» gaat in op enkele instrumenten die de overheid kan inzetten bij een ruimtelijk gedifferentieerd beleid in het landelijk gebied, zoals landinrichting en een actiever inzetten op de eigen grondposities van overheden. De overheid kan daarnaast de bestemming van grond via leefomgevingsbeleid reguleren.
Waarom hebben de onderzoekers zich niet eerst gericht op de mogelijkheden om bestaande leegstaande kantoor- en fabrieksgebouwen en leegstaande terreinen met bedrijfsbestemming te gebruiken om de gewenste bouwinitiatieven te ontplooien alvorens gekeken is naar landbouwgrond?
Hoe verhouden het oppervlakte en capaciteit van datacenters zich op dit moment tot de behoefte van de Nederlandse inwoners en Nederlandse bedrijven, inclusief en exclusief export en activiteiten voor buitenlands gebruik van de capaciteit?
Op dit moment hebben maar een aantal steden in Europa, waaronder Amsterdam de unieke vestigingsvoorwaarden voor (hyperconnectiviteit) datacenters. Deze steden zijn van groot belang voor de doorvoer van internetverkeer in Europa. Nederland fungeert als datacenterrotonde binnen Europa. Het wordt echter steeds lastiger om datacenters duurzaam te faciliteren. Het ruimtebeslag van datacenters groeit, en datacenters vergen veel van de energie-infrastructuur gezien het hoge energieverbruik. Het bruto in gebruik zijnde oppervlakte van de in Nederland gevestigde datacenters bedroeg per 2020 circa 240 ha. Dit komt overeen met ongeveer 0,007% van het Nederlands landoppervlak en 0,2% van het areaal bedrijventerrein in Nederland. Het merendeel van de datacenters in Nederland is gevestigd in de Metropoolregio Amsterdam. Bij datacenters gaat het om verschillende typen die zowel nationaal als internationaal kunnen opereren. De co-locatie datacenters bedienen meerdere, externe klanten. De hyperscale datacenters zijn gebouwd voor grote techbedrijven en verzorgen via hen platformdiensten aan een breed scala van gebruikers. De dienstverlening van de datacenters in Nederland is zowel gericht op bedrijven, instellingen en consumenten in Nederland als in het buitenland. Over de exacte verdeling over binnenlands dan wel buitenlands gebruik zijn geen gegevens bekend. De regio Amsterdam is een van de belangrijkste regio’s voor datacenters in Europa. Andere vooraanstaande regio’s zijn London, Frankfurt en Parijs naast snelgroeiende regio’s als Dublin en Marseille.
Het onrechtmatig doden van konikpaarden en heckrunderen in de Oostvaardersplassen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Grote grazers Oostvaardersplassen zonder vergunning doodgeschoten»?1
Ja, ik ken dit bericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de provincie Flevoland in de afgelopen jaren herhaaldelijk in de fout ging waardoor honderden dieren onrechtmatig zijn gedood? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een overzicht delen met de Kamer?
Er zijn in de afgelopen jaren meerdere procedures geweest inzake het beheer van de edelherten in de Oostvaardersplassen. In alle gevallen waar het ging om het doden van dieren, is het afschot gelijk stil gelegd als dit door het bevoegd gezag of de rechter is gevraagd. In september 2020 is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat gedeputeerde staten van de Provincie Flevoland voldoende onderbouwd hebben dat het afschieten van edelherten noodzakelijk is voor de bescherming van de flora en fauna in het gebied en dat het afschot daarmee rechtmatig is2. Recent is deze uitspraak bevestigd door de rechtbank Midden-Nederland wat betreft de ontheffing en vergunning voor het afschot van edelherten in het kader van het Faunabeheerplan Flevoland 2019–20233. Tegen deze achtergrond zie ik geen aanwijzingen dat het beheer van edelherten in de Oostvaardersplassen onrechtmatig zou zijn.
In het bericht waar naar verwezen wordt gaat het om het afschot van konikpaarden en heckrunderen. De konikpaarden en de heckrunderen in de Oostvaardersplassen zijn juridisch gezien verwilderde dieren die niet vallen onder de beschermingsregimes voor soorten op grond van de Wet natuurbescherming. Het beheer van de grote grazers in de Oostvaardersplassen komt voort uit het beleidskader beheer Oostvaardersplassen van de provincie Flevoland en is tevens opgenomen in het Faunabeheerplan Flevoland 2019–2023. Het verminderen van het aantal heckrunderen en paarden past daarbinnen. Omdat heckrunderen en konikpaarden geen beschermde diersoorten zijn in de zin van de Wet natuurbescherming, is er op grond van de Wet natuurbescherming geen aparte toestemming (ontheffing of opdracht) nodig voor het doden van deze dieren.
De heckrunderen en konikpaarden zijn niet onrechtmatig gedood. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek is wel gebleken dat er geen toestemming was verleend voor het gebruik van het geweer met (geluid)demper.
Bent u ervan op de hoogte dat er meerdere rechters in de afgelopen jaren ontheffingen/vergunningen voor het afschot of de verjaging van dieren in de provincie Flevoland hebben vernietigd?
Op grond van de Wet natuurbescherming zijn gedeputeerde staten van de provincies bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen voor het beheer van soorten. Ik vertrouw erop dat de provincies hierin zorgvuldig handelen. Het is niet mijn rol om alle procedures waarbij provincies betrokken zijn te volgen. Gedeputeerde staten leggen primair verantwoording af aan provinciale staten van de betrokken provincie.
Bent u ervan op de hoogte dat de provincie Flevoland meerdere keren de ontheffing/vergunning voor het doden dan wel verjagen van dieren heeft moeten intrekken na bezwaarprocedures bij de commissie bezwaar en beroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Bent u ervan op de hoogte dat de provincie Flevoland meermaals vergunningen/ontheffingen heeft verstrekt voor het doden en/of verjagen van dieren waarbij er direct is overgegaan op uitvoering, zonder te wachten op een bezwaarperiode, waardoor na een bezwaarperiode is gebleken dat er al dieren gedood zijn die nooit gedood hadden mogen worden? Zo ja, hoe beoordeelt u deze gang van zaken?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven is het niet mijn rol om alle procedures in de provincies te volgen. Ik ga er van uit dat de provincies zorgvuldig werken. Ik constateer dat in alle gevallen die de Oostvaardersplassen betreffen het populatiebeheer van de grote grazers stil is gelegd op het moment dat daarom werd verzocht door de Omgevingsdienst t.a.v. een handhavingsverzoek of de rechtbank t.a.v. een voorlopige voorziening.
Bent u van mening dat het doden van dieren een zeer zwaar middel is en dat van de overheid verwacht mag worden dat er uiterst zorgvuldig wordt omgesprongen met de verstrekking van de vergunningen of ontheffingen om dieren te doden dan wel te verjagen? Zo nee, waarom niet?
Bij het geven van een vrijstelling dan wel het verstrekken van een ontheffing of opdracht om dieren te doden door het bevoegd gezag dient altijd zorgvuldig te worden gehandeld.
Bent u van mening dat voorkomen moet worden dat dieren het slachtoffer worden van onzorgvuldig handelen door provinciale overheden? Zo ja, hoe beoordeelt u de situatie in de provincie Flevoland?
Ik ben me ervan bewust dat de meningen over het beheer van grote grazers in de Oostvaardersplassen sterk uiteenlopen. Ik ben van mening dat de provincie Flevoland hierin zorgvuldig handelt. Het terugbrengen van het aantal grote grazers in de Oostvaardersplassen komt voort uit het beleidskader beheer Oostvaardersplassen. Dit beleidskader is tot stand gekomen op basis van het advies van de externe adviescommissie Van Geel. De maatregelen zijn nodig om de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied te herstellen en de biodiversiteit te vergroten.
Hoe, wanneer en hoe vaak controleert u provincies op de rechtmatigheid van opdrachten, ontheffingen en vergunningen die zijn afgegeven met betrekking tot natuur- en faunabeleid?
Op grond van de Wet natuurbescherming zijn gedeputeerde staten van de provincies over het algemeen bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. Bij het beoordelen en verlenen van ontheffingen toetst gedeputeerde staten of voldaan is aan de eisen op grond van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om wettelijke taken voor de uitoefening waarvan gedeputeerde staten een eigen verantwoordelijkheid dragen en waarover zij primair verantwoording afleggen aan provinciale staten. Tegen de beslissingen van gedeputeerde staten staat beroep open bij de bestuursrechter. Het Rijk heeft niet de rol stelselmatig individuele provinciale besluiten te controleren.
Heeft u de provincie Flevoland gecontroleerd met betrekking tot deze specifieke casus? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was uw conclusie?
Gedeputeerde staten van Flevoland zijn al vele jaren het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen en opdrachten tot populatiebeheer in de Oostvaardersplassen. Bij het beoordelen en verlenen van ontheffingen en opdrachten toetst gedeputeerde staten of voldaan is aan de eisen op grond van de Wet natuurbescherming. Er is geen aanleiding ook hier anders mee om te gaan dan bij andere provincies. Ik heb er vertrouwen in dat de provincie Flevoland zorgvuldig te werk gaat en dat de basis voor het afschot op een goede manier geregeld wordt.
Op welke juridische basis was besloten dat het rechtmatig was om gezonde konikpaarden en heckrunderen in de Oostvaardersplassen te doden? Op welke juridische basis was dit niet correct?
Het verminderen van het aantal heckrunderen en konikpaarden komt voort uit het beleidskader beheer Oostvaardersplassen. Omdat heckrunderen en konikpaarden geen beschermde diersoorten zijn in de zin van de Wet natuurbescherming, is er op grond van de Wet natuurbescherming geen toestemming (ontheffing of opdracht) nodig voor het doden van deze dieren. De dieren zijn dus niet onrechtmatig gedood.
Een handhavingsverzoek bracht aan het licht dat er geen toestemming was verleend voor het gebruik van het geweer met (geluid)demper. Omdat toestemming voor het gebruik van het geweer met (geluid)demper alleen gekoppeld kan worden aan een ontheffing of een opdracht en de Wet natuurbescherming geen mogelijkheden biedt voor het verstrekken van een ontheffing voor een niet-beschermde diersoort, kan toestemming voor het gebruik van het geweer met (geluid)demper alleen in combinatie met een opdracht van gedeputeerde staten (GS) aan Staatsbosbeheer voor het beheer van de populaties van de konikpaarden en heckrunderen.
Voor de edelherten is een ontheffing van kracht die nodig is omdat het edelhert een beschermde diersoort is die niet zonder ontheffing of opdracht mag worden gedood. In deze ontheffing is ook toestemming gegeven voor het gebruik van het geweer met demper.
Om heckrunderen en/of konikpaarden te mogen afschieten met een geweer met (geluid)demper in het geval van een kreupel of ziek dier en om heckrunderen te mogen afschieten in het kader van het beheer van de populatie in het gebied, moet Staatsbosbeheer toestemming hebben voor het gebruik van deze middelen op grond van de Wet natuurbescherming op basis van een opdracht van gedeputeerde staten aan Staatsbosbeheer voor het beheer van de populaties van deze dieren. Deze opdracht is inmiddels verstrekt.
Wat zijn de juridische gevolgen voor de provincie Flevoland en voor Staatsbosbeheer?
Een bij de Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek (OFGV) ingediend handhavingsverzoek is door de OFGV afgewezen omdat Staatsbosbeheer heeft toegezegd geen gezonde heckrunderen te zullen afschieten totdat daarvoor een opdracht is verleend door de provincie en omdat er een concreet zicht op legalisatie was. De Provincie heeft inmiddels een opdracht op grond van de Wet natuurbescherming aan Staatsbosbeheer gegeven, waarmee toestemming wordt gegeven om de heckrunderen en konikpaarden te doden met gebruikmaking van het geweer met geluiddemper. De situatie is daarmee gelegaliseerd.
Welke consequenties verbindt u aan het stelselmatig onrechtmatig doden van dieren in de provincie Flevoland?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 2 en 10 is er geen sprake van het onrechtmatig doden van dieren.
Welke gevolgen heeft dit voor de overeenkomst tussen het rijk en het college van gedeputeerde staten van Flevoland?
De overeenkomst tussen het Rijk en het college van gedeputeerde staten heeft geen betrekking op de bevoegdheden tot het verlenen van ontheffingen, opdrachten of toestemmingen om van het geweer gebruik te maken.
Wilt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Dat heb ik hierbij gedaan.
Herinnert u zich de uitspraak «komend jaar wordt daar volgens die Europese richtlijn voor niet-financiële informatie in voorzien en ik ga me er dan ook voor inzetten dat er zo veel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande raamwerken, waaronder dus die TCFD (Task Force on Climate-related Financial Disclosures)» gedaan tijdens de bespreking van de Initiatiefnota van de leden Snels, Sneller, Bruins en Slootweg: «van oliedom naar gezond verstand: verduurzaming van de financiële sector»?1
Ja.
Kunt u precies uiteenzetten op welke wijze u zich sinds september 2020 hebt ingezet voor de herziening van de richtlijn niet-financiële informatie? Met welke andere Europese landen trekt u op bij de herziening van deze richtlijn?
In juni 2020 heb ik, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, gereageerd op de consultatie van de Europese Commissie over de richtlijn niet-financiële informatie.2 Hierin gaf Nederland onder meer aan voorstander te zijn van het uitbreiden van de reikwijdte van de richtlijn en het opstellen van standaarden voor de rapportage van niet-financiële rapportage. Hierin heeft Nederland verder ingezet op het specificeren van de onderwerpen waarover gerapporteerd dient te worden. Hiervoor heeft Nederland zich in diverse internationale overleggen ingespannen. Ook is dit opgebracht in gesprekken met stakeholders, waaronder vertegenwoordigers van (financiële) ondernemingen, aandeelhouders, accountants(organisaties) alsmede de Autoriteit Financiële Markten. Momenteel bezien andere Europese lidstaten hun inzet bij de herziening van deze richtlijn aan de hand van het Commissievoorstel. Vervolgens zal Nederland beoordelen met welke andere lidstaten het beste de samenwerking kan worden gezocht.
Bent u bekend met de persconferentie van vicevoorzitter van de Europese Commissie Dombrovskis en eurocommissaris McGuinness over het «Sustainable Finance Package» waarin de officiële commissie-inzet voor de herziening van deze richtlijn werd gepresenteerd?
Ja.
Kunt u een uitgebreide appreciatie geven van het commissievoorstel? Kunt u daarbij mede ingaan op de vraag op welke manier de opzet van het commissievoorstel zich verhoudt tot de vier pijlers die door de TCFD voorgesteld zijn?
Met het richtlijnvoorstel wil de Commissie voldoen aan de groeiende behoefte van de samenleving aan een duurzaamheidsrapportage. De Commissie stelt voor om de groep ondernemingen die moet rapporteren uit te breiden en de informatie waarover gerapporteerd moet worden nader te specificeren, de rapportage beter toegankelijk en vergelijkbaar te maken door standaardisering en digitalisering, en de rapportage aan een audit met beperkte mate van zekerheid (limited assurance) te onderwerpen.
Momenteel werkt het kabinet aan het BNC-fiche. Dit wordt, zoals te doen gebruikelijk, na afronding met de Tweede Kamer gedeeld. Hierin zal een uitgebreide appreciatie van het voorstel van de Europese Commissie worden opgenomen. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is penvoerder voor het BNC-fiche en zal namens Nederland ook de onderhandelingen in Brussel voeren, bijgestaan door mijn ministerie op het terrein van de wijzigingen in de Transparantierichtlijn en de EU-regelgeving over de audit.
De Europese Commissie heeft toegelicht dat zij in haar voorstel in ieder geval grote onderdelen van de rapportagestandaarden van de Task Force on Climate related Financial Disclosures (TCFD) heeft geïncorporeerd. De TCFD is een initiatief van de Financial Stability Board. De TCFD heeft in een eindrapport3 aanbevelingen gedaan die zich primair richten op het rapporteren over klimaatrisico’s en -kansen. De aanbevelingen zijn gestructureerd rond vier pijlers die volgens de TCFD de kern zijn van hoe organisaties opereren: governance, strategie, risicomanagement en indicatoren en doelen (metrics and targets). Volgens het Commissievoorstel (artikel 19a lid 1 en 29a lid 1 van de accountingrichtlijn4) moeten ondernemingen rapporteren over vijf onderwerpen t.a.v. duurzaamheid: het bedrijfsmodel, beleid (inclusief processen omtrent gepaste zorgvuldigheid), uitkomst van het beleid, risico’s en risicomanagement en prestatie-indicatoren (kpi’s). Daarnaast moeten ondernemingen in het voorstel onder andere ook rapporteren over de strategie en de weerbaarheid van het bedrijfsmodel en de strategie voor duurzaamheidsrisico’s. De uiteindelijke invulling van deze onderwerpen wordt nader uitgewerkt in gedelegeerde handelingen.
Op welke manier zal Nederland zich in de komende periode opstellen in de onderhandelingen over het commissievoorstel?
Het kabinet bestudeert op dit moment het voorstel en zal de Kamer zoals te doen gebruikelijk via een BNC-fiche informeren over de inhoud van het voorstel en de Nederlandse positie.
Deelt u de mening dat de uitkomst dient te zijn dat er zo veel mogelijk spraak is van een richtlijn die «rule based» in plaats van «principle based» is, in het bijzonder voor zover dit pijler 4 van het TCFD-raamwerk betreft?
De huidige richtlijn niet-financiële informatie bevat open normen. Dit betekent dat ondernemingen voor een belangrijk deel zelf kunnen bepalen welke niet-financiële-informatie wordt gerapporteerd en op welke wijze. Om de transparantie en vergelijkbaarheid van niet-financiële informatie te verbeteren, stelt de Europese Commissie nu voor om een rapportagestandaard te ontwikkelen. Ik steun om diezelfde redenen de ontwikkeling van de rapportagestandaard. De Europese Commissie zal per norm een afweging moeten maken welke mate van openheid wenselijk is en dit zal ook de aandacht hebben van het kabinet.
Gegeven de bekendmaking van de Commissie-inzet op 21 april 2021, kunt u een inschatting maken van wanneer de hernieuwde richtlijn niet-financiële informatie, waarin het TCFD-raamwerk verankerd is, op z’n vroegst in werking zou kunnen treden?
De Europese Commissie heeft in het voorstel opgenomen dat de richtlijn voor 1 december 2022 door de lidstaten geïmplementeerd moet zijn en van toepassing zal zijn op boekjaren die starten op of na 1 januari 2023. De Commissie streeft ernaar op 31 oktober 2022 de eerste gedelegeerde handelingen aan te nemen. Hierin staan de rapportagestandaarden. De appreciatie hiervan door het kabinet zal onderdeel uitmaken van het BNC-fiche waaraan momenteel wordt gewerkt.
Kunt u nader toelichten wat de laatste stand van zaken is betreffende de opname van het TCFD-raamwerk in de International Financial Reporting Standards? Heeft u ondertussen contact gehad met het International Accounting Standards Board over de vraag of dit ingepast kan worden in haar werkplan?
De International Financial Reporting Standards (IFRS) Foundation is gestart met het opzetten van een International Sustainability Standards Board (ISSB). In voorbereiding op de komst van de ISSB (naar verwachting november 2021) heeft de IFRS Foundation op 22 maart 20215 aangekondigd dat er een werkgroep is geformeerd. Het doel van de werkgroep is om de totstandkoming van een mondiale rapportagestandaard voor duurzaamheid te versnellen. De werkgroep zal verder werken aan het prototype6 voor een conceptueel raamwerk voor de duurzaamheidsrapportages met een focus op klimaat. Dit raamwerk is de basis voor de rapportagestandaarden. Voor financiële informatie bestaat er reeds een conceptueel raamwerk, voor niet-financiële informatie moet dit nog worden ontwikkeld. De IFRS Foundation heeft aangegeven dat het prototype voor het conceptuele mondiale raamwerk voor duurzaamheidsrapportages mede wordt gebaseerd op de TCFD-aanbevelingen.
De totstandkoming van een internationale rapportagestandaard voor duurzaamheid is een belangrijke ontwikkeling. Daarom heb ik op 4 januari 20217, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, gereageerd op de consultatie van de IFRS Foundation over een duurzaamheidsrapportagestandaard. In de reactie is steun uitgesproken voor dit initiatief van de IFRS Foundation en wordt onder meer ingezet op het gebruikmaken van bestaande initiatieven, waaronder het TCFD-raamwerk. Daarnaast spreek ik periodiek met Else Bos, trustee van de IFRS Foundation. Ik zal in mijn volgende overleg nogmaals het belang benadrukken van mondiale harmonisatie van rapportagestandaarden voor duurzaamheid.
Bent u bekend met het bericht «New Zealand becomes first to implement mandatory TCFD reporting»?2
Ja.
Kunt u een volledige lijst geven van landen die het volledige TCFD-raamwerk, zoals Nieuw-Zeeland, of delen hiervan, zoals Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, nationaal geïmplementeerd hebben?
In het laatste 2020 TCFD Status Report9 is een overzicht opgenomen van overheden en toezichthouders die recent stappen hebben genomen om de implementatie van TCFD-standaarden aan te moedigen of, zoals Nieuw-Zeeland, te verplichten. Daaruit komt naar voren dat het in de meeste gevallen onderschrijving van de standaarden en (voornemens voor) vrijwillige implementatie te bevorderen betreft. Zo hebben wereldwijd zo’n 1.500 organisaties TCFD ondersteund, waaronder 1.340 bedrijven10 en 110 toezichthouders en overheidsinstanties, waaronder België, Canada, Chili, Frankrijk, Japan, Nieuw-Zeeland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. In het Verenigd Koninkrijk heeft tot 5 mei 2021 een consultatie plaats gevonden van het voorstel om voor bepaalde bedrijven rapportages langs het TCFD-raamwerk te verplichten, waarna er een parlementair goedkeuringstraject volgt.
Klopt het dat, als gevolg van de (gedeeltelijke) implementatie van het TCFD-raamwerk in andere landen, Nederlandse financiële instellingen soms al verplicht dienen te voldoen aan het TCFD-raamwerk voor zover het bijvoorbeeld hun financiële activiteiten betreft in die landen?
Het is niet uitgesloten dat financiële instellingen door wettelijke verplichtingen al (deels) conform het TCFD-raamwerk dienen te rapporteren over blootstellingen in (bepaalde) landen. Het is daarbij goed om op te merken dat de TCFD als een vrijwillige standaard is begonnen en dat reeds een groot aantal Nederlandse financiële instellingen11 conform de TCFD rapporteert of hiernaartoe beweegt.
Kunt u precies toelichten wat de verschillen zijn tussen het nationaal geïmplementeerde TCFD-raamwerk in Nieuw-Zeeland en het (te verwachten) voorstel van de Europese Commissie betreffende het verwerken van het TCFD-raamwerk in de niet-financiële rapportage?
De Europese Commissie heeft toegelicht dat zij in haar voorstel in ieder geval grote onderdelen van de TCFD-rapportagestandaarden heeft geïncorporeerd als bedrijfsmodel & strategie (weerbaarheid, kansen), doelen en voortgang, de rol van het bestuur en management, risicomanagement en kengetallen. De Nieuw-Zeelandse rapportagewetgeving12 dient nog te worden goedgekeurd door het Nieuw-Zeelandse parlement. De gedetailleerde rapportagestandaarden zullen vervolgens nog door een External Reporting Board worden voorbereid, geconsulteerd en gepubliceerd. Deze zullen worden ontwikkeld in lijn met de TCFD-aanbevelingen, waaronder de thematische gebieden governance, strategie, risicomanagement en kengetallen en doelen.
Deelt u de mening dat een nationale implementatie van het TCFD-raamwerk op een dusdanige wijze kan plaatsvinden dat, mocht enkele jaren later een Europese implementatie plaatsvinden, het nationale raamwerk in dat geval licht aangepast dient te worden? Zo niet, waarom niet?
Zoals in de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Van oliedom naar gezond verstand: verduurzaming van de financiële sector» uiteen is gezet, is het kabinet van mening dat een lappendeken aan wetgeving op dit terrein onwenselijk is en dat een Europese implementatie de voorkeur heeft. De Europese Commissie gaat in de vrijwillige richtsnoeren bij de huidige Richtlijn niet-financiële informatie uit van het TCFD-gedachtegoed en geeft aan in haar voorstel inzake corporate sustainability reporting in ieder geval grote onderdelen van de TCFD-rapportagestandaarden te hebben geïncorporeerd. Veel Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, werken reeds met het TCFD-raamwerk en publiceren hierover. Het kabinet verwelkomt deze inspanningen van Nederlandse bedrijven. Het kabinet bestudeert op dit moment nog het voorstel van de Commissie en zal de Kamer via een BNC-fiche nader informeren over de inhoud van het voorstel en de Nederlandse positie daaromtrent en zal – op basis van nadere analyse van de voorstellen – bezien of en hoe het gebruik van TCFD nu al kan worden bevorderd. Daarbij is goed om op te merken dat het Europese onderhandelingstraject tot (substantiële) wijzigingen kan leiden van het oorspronkelijke voorstel.
Net als coherentie tussen Europese en nationale rapportagestandaarden, vindt het kabinet dat er ook coherentie moet zijn met mondiale standaarden. Nederlandse financiële instellingen (maar ook andere grote ondernemingen) zijn immers op het wereldtoneel actief. Mondiale afspraken zorgen voor de breedst mogelijke uniformiteit in standaarden en een gelijk speelveld. Dit kan gezien het krachtenveld de meest ambitieuze en tegelijk vanwege de reikwijdte de meest effectieve route zijn. Daarom zet het kabinet zich onder meer binnen de G20 in voor bevordering van convergentie van internationale rapportagestandaarden zoals de TCFD. In aanvulling hierop zal Nederland in de aanloop naar de COP26 en in de bredere klimaatdiplomatie inzetten op ambitieuze mondiale afspraken over klimaatrisicorapportage. Dit zal het kabinet doen als onderdeel van haar inzet voor de verduurzaming van de financiële sector. Daarnaast wil het kabinet onderzoeken of, in aanvulling op de bestaande IFRS-standaarden, het wenselijk is om financiële instellingen en beursvennootschappen meer richting te geven bij het opnemen van aan klimaatveranderinggerelateerde risico’s op de lange termijn in hun (geconsolideerde) jaarrekeningen.
Deelt u de mening dat het juist wenselijk is dat de Nederlandse financiële sector alvast ervaring opdoet met verplichte rapportages op grond van het TCFD-raamwerk zodat zij beter geëquipeerd zijn en straks een voorsprong hebben ten opzichte van concurrenten? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op de voorgaande vraag aangegeven, verwelkomt het kabinet de vrijwillige inspanningen van de Nederlandse financiële instellingen om te rapporteren conform de TCFD-aanbevelingen en is het verheugd dat velen dat ook al proactief met het TCFD-raamwerk werken en hierover publiceren. Nu het richtlijnvoorstel er ligt en Europese regelgeving dus aanstaande is, vindt het kabinet het niet opportuun om op het terrein van duurzaamheidsrapportages nationale wetgevingsinitiatieven te ontwikkelen. Het kabinet wil zich inzetten voor een voortvarende en spoedige afronding van het Europese traject en implementatie daarvan in onze nationale wet- en regelgeving.
Bent u bereid om, gegeven het feit dat Europese implementatie van het TCFD-raamwerk een langer durend proces is dan nationale implementatie, parallel aan het Europese traject ook de nationale implementatie van het raamwerk door wetgeving in gang te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 13 uiteengezet, geeft het kabinet de voorkeur aan de implementatievolgorde die de minste administratieve onzekerheid voor de sector en aanpassingen van de relevante wetgeving met zich meebrengt en acht het daarom verstandig om aan te sluiten bij Europese en mondiale ontwikkelingen. Aangezien het TCFD-raamwerk daarin een centrale plek inneemt en veel (grote) Nederlandse bedrijven ze al hebben omarmd, zal het kabinet parallel daaraan blijven bezien of en hoe het gebruik van de TCFD-principes kan worden bevorderd.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden voor het eerste volgende Commissiedebat Eurogroep/Ecofinraad?
Het Commissiedebat Eurogroep/Ecofinraad van 20 mei 2021 is inmiddels omgezet naar een Schriftelijk Overleg. Ik heb samen met de Minister voor Rechtsbescherming ingezet op zo voortvarend mogelijke beantwoording van onderhavige vragen en de vragen voor het Schriftelijk Overleg.
Stikstofreductie en natuurherstel |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport Creatief met stikstof en wetenschap?1
Ja.
Klopt het dat het goed mogelijk is dat het verlies van soorten (in de gemonitorde periode van 1954–2017) van stikstofgevoelige habitats, zoals de blauwgraslanden, net zo goed het gevolg kan zijn van ontwikkelingen van de grondwaterstanden als van de stikstofdepositie? Zo ja, deelt u dan de mening dat er een te eenzijdige focus (mede gebaseerd op het rapport «Stikstof en natuurherstel. Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof» van het Wereld Natuur Fonds) op uitsluitend stikstof bestaat als het gaat om natuurherstel?
De locatie van het Wageningen Grassland Experiment bevindt zich op de overgang van het Binnenveld naar de hogere gronden van Wageningen. De grondwaterstanden op deze locatie zijn na 1990 enigszins gedaald. Maar van oorsprong kwamen hier geen vegetaties voor van uitgesproken vochtige omstandigheden. Daardoor kan de waterhuishouding geen verklarende factor zijn voor de geconstateerde veranderingen in soortensamenstelling. Dat is anders in de iets noordelijker in het Binnenveld gelegen Veenkampen, waar de voormalige blauwgraslanden mede door de verdroging zijn verdwenen, maar waar de grondwaterstanden inmiddels sterk zijn verbeterd.
Stichting Agri Facts legt overigens een relatie met grondwaterstanden via de indicatiewaarde van plantensoorten. Het is uit de publicatie niet duidelijk hoe dit is gebeurd en de resultaten kunnen dus niet worden geverifieerd. Wel is duidelijk dat de soorten die eerst zijn afgenomen toen de depositie steeg en vervolgens zijn toegenomen toen de depositie daalde, gemiddeld genomen ook een voorkeur hebben voor minder droge omstandigheden. Deze afname en toename kunnen echter niet worden verklaard op basis van de waterhuishouding, want die is slechts weinig veranderd.
Dit alles neemt niet weg dat een eenzijdige focus op stikstof niet terecht zou zijn in gevallen dat ook verdroging een relevant probleem is. Daarom is een integrale aanpak heel belangrijk, zoals dat in het verleden al heeft plaatsgevonden en wordt voortgezet met het Programma Natuur. Dit betekent niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Zijn er, alles in ogenschouw nemend, wel genoeg wetenschappelijk onderbouwde resultaten van natuurherstel, door vooral op stikstofdepositievermindering te sturen, beschikbaar, die het vaststellen als resultaatverplichting van kritische depositiewaarden (KDW’s) in een wet verantwoorden?
Het is duidelijk dat de overbelasting met stikstof een groot probleem is, dat met urgentie moet worden aangepakt. Herstel van de natuur is mogelijk gebleken bij het uitvoeren van herstelmaatregelen bij een dalende depositie. Zie daarvoor met name het overzichtsrapport «Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats», dat ten grondslag ligt aan de reeds uitgevoerde en nog uit te voeren herstelmaatregelen. Het rapport is digitaal raadpleegbaar op de webpagina https://www.natura2000.nl/meer-informatie/herstelstrategieen. Blijvende overbelasting is echter een groot risico voor behoud en herstel van de natuur en dat is de reden dat in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) doelstellingen zijn opgenomen voor een gefaseerde daling tot onder de KDW's.
Kunt u een overzicht delen van deze onderzoeksresultaten?
Zie antwoord vraag 3.
Is een kosten-batenanalyse gemaakt over de impact van het vastleggen van KDW’s als resultaatverplichting in een wet? Zo ja, kunt u die delen? Zo nee, waarom is dit niet in beeld gebracht voordat u deze normen in een wettelijk kader liet vastleggen?
De KDW’s zelf zijn tot stand gekomen op basis van wetenschappelijke informatie. De Wsn is erop gericht om de stikstofdepositie terug te dringen tot een niveau waarop deze geen negatieve effecten meer heeft op de kwaliteit van natuur. De KDW’s geven voor ieder habitat aan tot welk niveau de stikstofdepositie teruggebracht moet worden om dit risico op negatieve effecten weg te nemen. Dit is de reden dat de in de Wsn opgenomen omgevingswaarden betrekking hebben op het aandeel van het stikstofgevoelige areaal dat in een bepaald jaar onder de KDW moet zijn gebracht. De noodzaak om stikstofdepositie terug te dringen tot onder de KDW’s volgt uit ecologische en daarmee juridische vereisten vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijnen, waaraan Nederland gehouden is. Hier is geen kosten-batenanalyse voor gemaakt. Het staat echter vast dat (dreigende) achteruitgang van natuur en biodiversiteit schadelijke gevolgen heeft voor het in stand houden van belangrijke ecosysteemdiensten, zoals voedselproductie. Ook heeft de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden een schadelijk effect op de volksgezondheid via de verontreiniging van de lucht, het grond-, oppervlakte- en drinkwater. Het niet naleven van de Europese richtlijnen heeft ten slotte ook impact op de vergunningverlening – en daarmee op projecten van economisch en maatschappelijk belang.
Kunt u een wetenschappelijke onderbouwing geven van de onzekerheden die de KDW’s bevatten?
Die onzekerheid is per KDW verschillend. De onzekerheidsmarges zijn na te gaan in de oorspronkelijke publicaties die ten grondslag liggen aan het samenvattende rapport «Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000» (Van Dobben e.a., 2012; https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/434041).
Welke bewezen positieve effecten hebben de in het verleden genomen maatregelen, die forse stikstofemissiereductie hebben bewerkstelligd (zoals het emissiearm mest-aanwenden en het uitplaatsen van agrarische bedrijven nabij Natura 2000-gebieden), opgeleverd?
Zonder hier volledig te kunnen zijn, is duidelijk dat de grote reductie van de stikstofdepositie, die sinds de jaren ’90 heeft plaatsgevonden, positieve gevolgen heeft gehad voor de natuur. Zo is de verzuring van de bodem duidelijk vertraagd of zelfs – daar waar de KDW's niet meer worden overschreden – tot stilstand gekomen. Ook verloopt bijvoorbeeld de vergrassing van de heide minder snel dan in het verleden. Meer in zijn algemeenheid geldt dat herstelmaatregelen minder ingrijpend hoeven te zijn, met minder ongewenste neveneffecten, dan in het verleden. En herstelmaatregelen zijn effectiever als ze worden uitgevoerd bij geen of een geringere KDW-overschrijding.
Bent u bekend met het rapport dat door een groep internationale wetenschappers gepubliceerd is en in kaart brengt wat de wereldwijde druk op groene ruimte zal zijn door de toename van de vraag naar voedsel door een groeiende wereldbevolking?2
Ja.
Erkent u dat het voedselvraagstuk in relatie tot biodiversiteit(sherstel) een opgave is die onze landgrenzen overschrijdt?
Ja. We hebben te maken met een mondiale voedselmarkt, waar de Nederlandse landbouw een belangrijke leverancier is en waar we producten importeren uit andere landen. Daarmee hebben beslissingen die invloed hebben op de voedselproductie en voedselvraag in Nederland ook effect op andere landen en vice versa.
Kunt u aangeven hoe het Nederlandse stikstofbeleid zich verhoudt tot het feit dat in 2050 verwacht wordt wereldwijd 3,35 miljoen vierkante kilometer extra landbouwgrond nodig te hebben om aan die behoefte te kunnen voldoen? Meer specifiek, welke neveneffecten treden er wereldwijd op, op het gebied van biodiversiteit en habitats, tegenover de gunstige effecten die u in Nederland verwacht te kunnen bereiken?
Het agrarisch areaal in Nederland (in 2015, inclusief glastuinbouw) omvat 22.522 vierkante kilometer. Dat areaal wordt op een zeer efficiënte wijze ingezet. We kunnen de geschetste toenemende mondiale behoefte aan landbouwgrond niet keren door de overmatige stikstofdepositie op kwetsbare natuur in Nederland te laten voortbestaan. Voor het wereldwijde behoud van biodiversiteit is het van belang dat de druk vanuit menselijke activiteiten, waaronder landbouw, binnen de draagkracht van de aanwezige natuur blijft. Binnen die draagkracht is het van belang dat de landbouwgrond efficiënt gebruikt wordt om de bevolking te voorzien van voldoende en gezond voedsel. De grote kennis van de Nederlandse landbouwsector kan andere landen helpen om de efficiëntie in het gebruik van hun landbouwgrond te verbeteren.
Het Kinderklimaatakkoord. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bas van 't Wout (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het Kinderklimaatakkoord?1
Ja.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de afvaardiging die naar Den Haag komt om het Kinderklimaatakkoord aan te bieden aan de landelijke politiek? Zo nee, waarom niet?
Ja, daartoe ben ik bereid.
Erkent u dat een Kinderklimaatakkoord niet nodig zou zijn geweest als u – en eerdere kabinetten – genoeg hadden gedaan om de klimaatcrisis op te lossen,? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nederland heeft een ambitieus en breed gedragen Klimaatakkoord tot stand gebracht. Ook heeft het kabinet de afgelopen jaren intensief en succesvol gelobbyd om de Europese klimaatdoelen op te hogen naar een CO2-reductiepercentage van 55% in 2030. De betrokkenheid van jongeren bij het vormgeven en uitvoeren van het klimaatbeleid acht ik essentieel en zal altijd nodig zijn. Ik verwelkom daarom deze en andere initiatieven van jongeren om mee te denken over een onderwerp dat bepalend zal zijn voor hun eigen toekomst. Organisaties als de Jonge Klimaatbeweging (JKB) en de young climate professionals van de Klimaat en energie Koepel (KEK) spelen bijvoorbeeld een actieve rol bij de totstandkoming en implementatie van het nationale klimaatbeleid. Ik zet mij als Staatssecretaris in voor het borgen van deze bijdrage, bijvoorbeeld door de halfjaarlijkse overleggen met klimaatjongeren die mede op verzoek van uw Kamer zijn ingesteld (motie Moorlag, Kamerstuk 32813, nr. 507). De Kamer wordt elk jaar in de Klimaatnota, die in oktober met de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) naar de Kamer wordt gestuurd conform de cyclus van de Klimaatwet, geïnformeerd over deze overleggen.
Erkent u uw verantwoordelijkheid om de hoogste prioriteit te geven aan de reële zorgen die leven bij kinderen over de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3. Verder draagt mijn ministerie op verschillende manieren bij aan het vergroten van de bewustwording van de jeugd en jongeren over klimaatverandering en het bieden van handelingsperspectief. Zo heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) in 2019 in samenwerking met de coöperatie «Leren voor Morgen» het lesmateriaal voor het basis- en voorgezet onderwijs ontwikkeld bij de Bosatlas van de Duurzaamheid met veel aandacht voor het klimaatvraagstuk. Ook hebben de jongeren een constructieve rol kunnen spelen bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord en zitten zij aan momenteel tafel bij het ontwerp en de uitvoering van de Regionale Energiestrategieën (RES’en).
Deelt u de mening dat Nederland zo snel mogelijk, zo veel mogelijk moet doen om een verdere opwarming van de Aarde te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Vandaar dat we in Nederland een ambitieus en breed gedragen Klimaatakkoord tot stand hebben gebracht. Ook heeft het kabinet de afgelopen jaren intensief en succesvol gelobbyd om de Europese klimaatdoelen op te hogen naar een CO2-reductiepercentage van 55% in 2030.
Wat is uw reactie op de drie voorstellen die de basis vormen van het Nationale Kinderklimaatakkoord, zijnde: «duinen ophogen, dijken versterken», «minder vleeseten» en «een boom eruit, twee ervoor terug»?
Nederland is kwetsbaar voor overstromingen. Sterke dijken en duinen beschermen ons land tegen hoogwater vanuit de rivieren en zee. Zonder primaire waterkeringen zou ongeveer 60% van ons land regelmatig onder water staan.
De beheerders van de waterkeringen, Rijkswaterstaat en de waterschappen, zorgen ervoor dat de primaire keringen op orde blijven. Dat gebeurt door dijken, duinen, dammen en stormvloedkeringen te beheren, te onderhouden en indien nodig te versterken. Daarnaast dragen de zandsuppleties in het kustfundament, dat is het aanvullen van zand in de kustregio, bij aan het beschermen van Nederland.
Het kabinet onderschrijft de oproep uit het Kinderklimaatakkoord om te blijven werken aan de bescherming tegen overstroming. Dit blijft noodzakelijk, ook gezien de effecten van klimaatverandering zoals zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren. Hiermee wil het kabinet er voor zorgen dat Nederland de best beschermde delta ter wereld blijft.
Het voorstel om minder vlees te eten sluit aan op het voedselbeleid. Het kabinet vindt het belangrijk om een duurzaam en gezond voedingspatroon te stimuleren, met een goede balans tussen dierlijke en plantaardige eiwitten conform de aanbevelingen van de Gezondheidsraad. Deze balans is terug te vinden in de adviezen van de Schijf van Vijf, ontwikkeld door het Voedingscentrum.
Het kabinet vindt het voorstel «een boom eruit, twee ervoor terug» interessant. Een simpele maar effectieve boodschap. Het mes snijdt aan twee kanten; enerzijds komen er op termijn altijd meer bomen dan er gekapt zijn, maar anderzijds maant het de initiatiefnemer van de kap ook tot het langer stilstaan bij de effecten van het weghalen van een boom. Wel liggen er nog wat praktische bezwaren, met name buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom ligt de bevoegdheid bij gemeenten. Ook moeten we niet vergeten dat bomen fascineren in hun mogelijkheid koolstof uit de lucht te halen, maar dat zij maar een klein deel kunnen compenseren van wat Nederland aan CO2 uitstoot. De focus op bomen is mooi, maar mag dus niet leiden tot verslapping elders.
Erkent u dat uw huidige voedselbeleid niet heeft kunnen voorkomen dat de gemiddelde Nederlandse vleesconsumptie in 2019 zelfs is gestegen?2 Zo nee, waarom niet?
Het is niet bekend wat de gemiddelde vleesconsumptie van een Nederlandse inwoner in 2019 was. Er zijn wel cijfers over de gemiddelde vleesconsumptie in Nederland in 2019, waar bijvoorbeeld ook de consumptie door buitenlandse toeristen in de horeca onder valt. Deze laatste cijfers laten een stijgende trend zien. Het is ook bekend dat de verkoop van vleesvervangers in de supermarkt de afgelopen jaren flink is gestegen.
Welke extra maatregelen gaat u (bovenop het bestaande beleid) nemen om de Nederlandse vleesconsumptie snel terug te dringen?
Uitgangspunt van het kabinet is om te streven naar een duurzaam en gezond voedingspatroon, waarin de consumptie van dierlijke en plantaardige producten in balans zijn. Hier richt zich het huidige beleid al op. Het Voedingscentrum geeft aan de hand van de Schijf van Vijf voorlichting en tips. In de eetwissel campagne worden bijvoorbeeld concrete handelingsperspectieven geboden om meer volgens de Schijf van Vijf te eten. De balans tussen dierlijke en plantaardige producten is hier onderdeel van. De eetwissel campagne loopt sinds 2019 en sindsdien herkennen steeds meer mensen de boodschap. Steeds meer mensen geven aan een aanpassing in hun voedingspatroon te maken. In de campagne «Iedereen doet wat» is ook aandacht voor een duurzamere voedselkeuze, onder meer door vaker te kiezen voor noten en peulvruchten als belangrijke bron van plantaardige eiwitten. In de nationale eiwitstrategie wordt aangegeven dat de komende 5 tot 10 jaar ingezet zal worden op innovatie en ontwikkeling van alternatieve eiwitbronnen voor mens en dier, zoals microbiële eiwitten en kweekvlees. Tot slot richt het beleid zich op het meegeven van kennis en ervaring aan kinderen en jongeren over voedsel, zodat ze in staat zijn om duurzame en gezonde keuzes te maken. In het programma Jong Leren Eten wordt hiervoor samengewerkt met andere overheden, het onderwijs en maatschappelijke organisaties.
Erkent u dat uw huidige natuurbeleid niet heeft kunnen voorkomen dat in de afgelopen jaren veel te veel bomen zijn gekapt? Zo nee, waarom niet?
Er is inderdaad veel bos verdwenen om andere typen natuur te versterken. Vanuit het oogpunt van natuur was dit noodzakelijk en levert het goede resultaten op voor bijvoorbeeld de versterkte duin- en heidegebieden. Vaak zijn in het verleden productiebossen met een lage biodiversiteitswaarde in de plaats gekomen voor heide of stuifzand. Dat betekent ook dat er bij uitbreiding van deze kwetsbaardere natuurtypen veelal voor is gekozen dezelfde (voormalige) productiebossen op te geven. Met de Bossenstrategie regelen we de compensatie van deze verdwenen bossen alsnog met terugwerkende kracht tot en met 2017. Ook voor woningbouw of infrastructuur heeft bos moeten wijken, maar dit moet altijd binnen 3 tot 5 jaar worden gecompenseerd.
Welke extra maatregelen gaat u (bovenop het bestaande beleid) nemen om het aantal bomen in Nederland zo snel mogelijk te verhogen?
Met de eind 2020 uitgekomen Bossenstrategie hebben we als rijk en provincies forse ambities neergezet. 37.000 hectare bos er bij tot 2030 en daarnaast talloze bomen binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. We faciliteren nieuwe landbouwvormen zoals agro forestry en versterken en herstellen landschapselementen als heggen, lanen en houtsingels. Aan het realiseren van deze ambities hebben we voorlopig onze handen vol. Het is aan een volgend kabinet om te bepalen of daar nog een schep bovenop kan én moet.
Het rapport 'Policies for a climate-neutral industry: Lessons from the Netherlands' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport «Policies for a climate-neutral industry: Lessons from the Netherlands» van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)?1
Ja.
Kunt u een algemene reactie geven op dit rapport? Wat zijn de lessen die uit dit rapport getrokken kunnen worden?
De OESO is gevraagd om te kijken naar het beleidsinstrumentarium gericht op de verduurzaming van de industrie voor de lange termijn. Zoals in de brief Visie verduurzaming basisindustrie 20502 is beschreven, betekent dat een transitie naar klimaatneutraliteit in 2050.
Het rapport van de OESO doet aanbevelingen op twee pijlers van het Nederlandse beleid: beprijzing en innovatiesteun. Daarnaast worden aanbevelingen gedaan voor beleid met betrekking tot belangrijke randvoorwaarden. Deze aanbevelingen zijn niet alleen bedoeld voor de Nederlandse overheid, maar net zozeer voor de Europese Commissie (bij de uitwerking van haar voorstellen bij de Green Deal) en voor andere Europese landen die nadenken over het opzetten van hun klimaatbeleid gericht op de industrie. Deze zijn waardevol in de vormgeving van het toekomstige klimaatbeleid, zowel nationaal als internationaal.
Ik waardeer het onderzoek van de OESO. De analyses zijn van hoge kwaliteit en leiden tot concrete aanbevelingen waar het beleid nog beter kan. Hieronder ga ik daarop in. Het onderzoek maakt als ex ante beleidsdoorlichting deel uit van de strategische evaluatieagenda voor het klimaatbeleid.
Op hoofdlijnen staat het beleid volgens de OESO goed op de rails. De onderzoekers noemen Nederland een gidsland als het gaat om de totstandkoming van het Klimaatakkoord, in samenwerking met stakeholders, waaronder de industrie. Nederland is daarnaast voorloper in haar beleidsmix met een combinatie van enerzijds marktprikkelende beprijzing met onze nationale CO2-heffing en anderzijds de subsidies voor innovatie, demonstratie en uitrol. De OESO stelt dat andere landen op dit vlak kunnen leren van Nederland.
Ik zou daarbij graag willen uitlichten dat 2020 een succesvol eerste jaar was voor het missie-gedreven werken aan de hand van de Integrale Kennis- en Innovatieagenda Klimaat en Energie (IKIA) van het Klimaatakkoord. De nauwe samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden heeft geleid tot betere samenhang en een sterkere focus op de missies van het Klimaatakkoord. Uiteraard geeft de OESO ook verbeterpunten mee. Daarop ga ik hieronder in.
Deelt u de analyse van de OESO dat ondanks de CO2-heffing de voordelen voor energie-intensieve bedrijven de CO2-heffing deels teniet doen? Kunt u een reactie geven op de analyse dat de CO2-beprijzing per sector sterk verschilt en dat de Nederlandse aanpak energie-intensieve bedrijven bevoordeelt en dat minder energie-intensieve bedrijven, het midden- en kleinbedrijf en huishoudens worden benadeeld?
Nee, ik deel deze analyse niet. Ik beschouw de nationale CO2-heffing op emissies als een wezenlijk ander instrument dan een heffing op (fossiele energie) inputs. Beprijzingopties kunnen een prikkel geven om «business as usual» gedrag te substitueren voor duurzaam gedrag (zoals de OESO ook onderschrijft ten aanzien van de CO2-heffing), maar het unilateraal zwaarder belasten van inputs in de industrie leidt niet zonder meer tot keuze voor duurzame investeringen in Nederland, tenzij er gelijktijdig subsidie plaatsvindt, of de hogere prijzen aan afnemers en consumenten kunnen worden doorberekend. Het is afhankelijk van de plek in de keten, de bedrijfstak en het internationale speelveld of er subsidie nodig is of dat de hogere inputprijzen kunnen worden doorberekend.3
In het Klimaatakkoord zijn extra subsidies (o.a. SDE++) voor de industrie beschikbaar gekomen. De klimaatlasten voor energie-intensieve bedrijven zijn tegelijkertijd sterk gestegen, niet alleen als gevolg van CO2-beprijzing, zowel Europees (ETS) als nationaal via onder andere de CO2-heffing. Ook de nationale Energiebelasting (EB) en ODE zijn in navolging van het Klimaatakkoord verhoogd voor de energie-intensieve industrie.
De onderzoekers laten zien dat per bedrijfstak aanzienlijke verschillen bestaan in de prijs die een ton CO2-uitstoot kost. Deze verschillen komen voort uit verschillen tussen sectoren wat betreft vrijstellingen (cf. de Europese richtlijn energiebelastingen) en gratis ETS-rechten en uit verschillen in de gebruikte volumina aardgas en elektriciteit; in een degressief stelsel betalen grootverbruikers in totaal wel meer belasting (EB en ODE) dan kleinverbruikers, maar aan de marge minder.
De OESO wijst erop dat dit economisch gezien minder effectief is dan een uniforme CO2-prijs voor alle sectoren. Ik onderschrijf dat dit in theorie het geval is, maar wel onder de premisse dat zo’n uniforme CO2-prijs ook uniform, in alle landen, wordt ingevoerd. Zolang dit niet het geval is, moet er ook in het fiscale stelsel rekening gehouden worden met de internationale concurrentiepositie van bedrijven op de Europese en wereldmarkt. De ons omringende landen kennen in de meeste gevallen namelijk vergelijkbare fiscale regelingen en een aanpassing hiervan kan daarom gepaard gaan met een risico op weglek van werkgelegenheid en CO2-uitstoot over de grens. Daarom is het van belang om bij voorkeur op mondiaal of anders Europees niveau tot een betere beprijzing van CO2-uitstoot te komen. Dit wordt ook door het OESO-rapport onderschreven door de aanbeveling om het stelsel van vrijstellingen en gratis rechten in samenhang met een voorstel voor een Carbon Border Adjustment Mechanism te heroverwegen.
Deelt u de mening dat een uniformere beprijzing rechtvaardiger en effectiever is en dat alle prijsvoordelen voor energie-intensieve bedrijven moeten worden afgebouwd, zoals ook het OESO betoogt?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de analyse dat het Nederlandse klimaatbeleid bijna exclusief gericht is op kostenefficiëntie, waardoor innovaties geen kans krijgen om zich te ontwikkelen? Deelt u de mening dat dit niet bevorderlijk is voor zowel het Nederlandse klimaatbeleid als de Nederlandse concurrentiepositie?
De OESO constateert in het rapport terecht dat de SDE++ een tendermechanisme hanteert, waardoor vooral projecten doorgang vinden die met de minste euro’s subsidie de meeste CO2-reductie behalen. Dat is van belang voor de kosteneffectiviteit van de transitie. De Kamer is recent geïnformeerd over de aanvragen voor de SDE++4 en over de beschikkingen die zijn afgegeven5. Op basis van deze aanvragen voor de SDE++ 2020 zie ik dat voor diverse technieken subsidie is aangevraagd, zij het niet de meest vernieuwende. Die technieken bevinden zich nog in een andere fase van ontwikkeling, waarvoor ook ander instrumentarium beschikbaar is. In de brief Visie verduurzaming basisindustrie 20506 heeft het kabinet al aangegeven dat voor een deel van die technieken aanvullend instrumentarium nodig is. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Kostenefficiëntie is belangrijk in het kabinetsbeleid, ook bij klimaatbeleid. Het kabinet moet immers verantwoording kunnen afleggen over alle uitgaven. Echter, wat op korte termijn voor de klimaatdoelen in 2030 kostenefficiënt is, moet niet onbedoeld leiden tot vertraging van transities en daarmee kosteninefficiëntie op langere termijn. Van belang is dat de instrumentenmix zodanig is dat zowel de doelen in 2030 als in 2050 kunnen worden gehaald. Een voorbeeld is het feit dat het kabinet (de opschaling van) waterstof via een nieuw instrument stimuleert, naast dat deze techniek in de SDE++ aan bod kan komen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Deelt u de aanbevelingen van de OESO omtrent het ondersteunen van nieuwe technologieën waarbij de OESO pleit voor een gebalanceerdere aanpak waarbij zowel volwassen technieken als nieuwe technieken adequaat worden ondersteund? Zo ja, op welke manier gaat u deze aanbeveling uitvoeren?
Ja, in de brief Verduurzaming basisindustrie 2050 gaf het kabinet ook aan dat er voldoende middelen beschikbaar moeten zijn voor zowel vroege als late fasen van duurzame technieken. Om de transitie richting klimaatneutraliteit in 2050 te volbrengen én concurrerend te blijven, zullen bedrijven op fundamenteel andere productiemethoden moeten overstappen. Om bedrijven hierbij te ondersteunen zet het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een energie-klimaatgerelateerd instrumentarium in voor R&D, demonstratie en vroege fase toepassing.
Voor R&D en demonstratie is het budget voor energie-onderzoeksthema’s gegroeid van 152 miljoen euro in 2016 naar ruim 300 miljoen euro in 2020, waarvan een substantieel deel (bijna de helft) relevant is voor de industrie. Hierbij gaat het vooral om de EZK-regelingen DEI+, MOOI en TSE-industrie en TSE studies. Daarbovenop zijn sinds 2019 via de VEKI-regeling extra middelen beschikbaar voor vroege fase toepassing (budget van 28 miljoen euro in 2020). Uit de meest recente gegevens van RVO over gecommitteerde budgetten in 2020 blijkt dat vanuit deze EZK-regelingen samen 141 miljoen euro in industrieroutes uit het Klimaatakkoord wordt geïnvesteerd. Ruim 75% daarvan (ca. 105 miljoen euro) wordt geïnvesteerd in de belangrijkste technologiefamilies voor de langere termijn: circulaire processen (72 miljoen euro), biobrandstoffen en biomaterialen (9 miljoen), waterstof (16 miljoen euro), elektrificatie (4 miljoen euro) en CCU (Carbon Capture and Utilisation, 6 miljoen euro). De overige 25% (36 miljoen euro) wordt geïnvesteerd in procesverbetering en energiebesparing (bron: RVO7).
Ten aanzien van de SDE++ (uitrolfase) maakt de OESO het punt dat middelen voor uitrol van nieuwe technieken ook tijdig beschikbaar moeten komen voor minder kostenefficiënte emissiereductietechnieken. Deze technieken zijn volgens de OESO nodig om richting 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. De OESO onderschrijft daarmee de inzet van het kabinet, zoals beschreven in de brief Visie verduurzaming basisindustrie 2050, om te kiezen voor een aanvulling op het instrumentarium, zodat naast een kosteneffectieve uitrol via de SDE++ ook opschaling van minder kosteneffectieve technieken gestimuleerd wordt.
Hoe reageert u op de analyse dat het budget voor het ondersteunen van demonstratietechnieken niet in lijn is met de schaal van deze technieken?
De OESO geeft ten eerste aan dat (los van uitrol) het Nederlandse innovatie-instrumentarium voor de industrie vrij zwaar inzet op demonstratie en weinig op R&D, Duitsland zet meer in op R&D.
Het kabinet acht een stevige inzet op R&D gericht op verduurzaming van groot belang. Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven heeft het kabinet de energie-innovatiemiddelen de afgelopen jaren al substantieel verhoogd en is daarvan een groot deel bestemd voor nieuwe duurzame technieken. Dat er verhoudingsgewijs meer middelen ingezet worden op de demonstratiefase dan voor R&D acht ik een logisch gevolg van het feit dat projecten in die fase doorgaans veel duurder zijn, met name in de kapitaalintensieve basisindustrie.
Het rapport stelt ten tweede dat er voor de uitrolfase (deployment) meer middelen nodig zijn, omdat projecten in deze fase nog groter en duurder zijn dan bij demonstratie. Pas bij herhaalde toepassing treden leer- en schaaleffecten op waardoor de nieuwe duurzame technieken in kosten dalen, zoals bij wind-op-zee-projecten gebeurd is. Daarom geeft het kabinet in de Visie verduurzaming basisindustrie 20508 ook aan dat aanvullend instrumentarium nodig is voor grootschalige demonstratie en uitrol9.
De OESO noemt naast Europese instrumenten ook het Nationaal Groeifonds als een van de mogelijkheden om de hoeveelheid middelen voor grootschalige demonstratieprojecten te vergroten. Het kabinet werkt aan voorstellen om bij Europese fondsen in te dienen. Het Nationaal Groeifonds reserveert inmiddels 338 miljoen euro voor waterstof en groene chemie.
Deelt u de analyse van de OESO dat stevige CO2-beprijzing en gedragsverandering, innovatiebeleid en het ondersteunen van nieuwe technologieën niet tegenstrijdig zijn, maar elkaar juist kunnen versterken? Deelt u de mening dat dit de basis is van een effectieve groene industriepolitiek, zoals ook in het rapport «Groene industriepolitiek – Bouwen aan de Groene Eeuw.» Van wetenschappelijk bureau De Helling wordt betoogd?2
De combinatie van beprijzing en subsidiëring is de basis van het Nederlandse klimaatbeleid voor de industrie. Zoals de OESO laat zien, is het beprijzingsdeel aanzienlijk versterkt met de aanvulling van de nationale CO2-heffing. Om investeringen in verduurzaming in Nederland te laten landen, wordt beprijzing gecombineerd met subsidiëring van innovatie en projecten met een onrendabele top, zoals Nederland met name met de SDE++ doet.
Bent u ook verheugd met het feit dat de OESO ervoor pleit om de CO2-heffing te behouden omdat dit een sterk signaal is voor de middellange termijn en het de decarbonisatie aanmoedigt?
Het kabinet heeft de CO2-heffing ingevoerd als borging voor het emissiereductiedoel van de industrie in het Klimaatakkoord. Het Klimaatakkoord is voor de periode t/m 2030 en daarmee zie ik de aanmoediging van de OESO als ondersteuning van het reeds ingezette beleid. De OESO bevestigt dat de heffing partijen direct een sterke prikkel geeft tot emissiereductie, ook al loopt de grondslag en het tarief van de heffing de komende jaren geleidelijk omhoog. De OESO benadrukt tegelijkertijd het belang van complementaire subsidies, zoals de SDE++, voor de economische haalbaarheid van emissiereducerende projecten. Samen vormen ze een wortel en stok (technology push en market pull) ter realisatie van de industriedoelen uit het Klimaatakkoord. De CO2-heffing wordt in 2022 en 2024 herijkt.
Het lijkt verstandig om dit borgingsinstrument te behouden, ook nu de ETS-prijs vooralsnog hoger is dan de heffing, als onderdeel van het maatregelenpakket uit het Klimaatakkoord dat is gericht op verduurzaming van de industrie. Het is aan het volgende kabinet om hierover nader te besluiten.
Deelt u de mening dat een overheidsbrede aanpak nodig is voor het aanpakken van klimaatverandering? Zo ja, hoe zou dit verbeterd kunnen worden? Zou een Climate Management Team, een team van wetenschappers dat periodiek beleidsadvies geeft op basis van de laatste ontwikkelingen en wetenschappelijke inzichten, hieraan kunnen bijdragen?
Ik deel de mening dat de overheidsbrede aanpak nodig is, omdat de klimaat- en energietransitie betrekking heeft op nagenoeg de hele economie en daarmee beleid van meerdere departementen vergt. Vijf bewindspersonen staan aan de lat voor het halen van de sectorale doelen die in het Klimaatakkoord van 2019 zijn vastgelegd. Doorsnijdende thema’s als financiële (fiscale) prikkels, circulaire economie, EU-klimaatbeleid en arbeidsmarktknelpunten maakt dat ook andere departementen actief betrokken zijn.
In dit stadium van de transitie zijn, conform Klimaatakkoord, beleidswijzigingen nodig en die moeten door de beleidsdepartementen worden voorbereid. Daarom acht ik het wenselijk om de aansturing daar te houden en niet bijvoorbeeld bij een uitvoeringsdienst te beleggen.
Voor wetenschappelijke advisering kijkt het kabinet primair naar het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Specifiek voor industrievraagstukken is in 2020 het Sustainable Industry Lab opgericht, waaraan academici vanuit diverse Nederlandse universiteiten, Clingendael Energy en TNO meedoen.
Kunt u kort ingaan op de overige aanbevelingen in dit rapport?
De OESO doet in het rapport onderstaande aanbevelingen, naast de aanbevelingen waarover u vragen heeft gesteld en waarop ik hierboven al heb geantwoord. Per aanbeveling geef ik een reactie:
De OESO beveelt aan om een doorlichting van de belasting op elektriciteit uit te voeren ter ondersteuning van de Nederlandse behoefte aan elektrificatie van industriële processen, zonder extra druk op kleine industriële, residentiële en commerciële consumenten.
De evaluatie van de Energiebelasting en de evaluatie en toekomstverkenning van de ODE, die recent aan uw Kamer zijn aangeboden11, concluderen dat de tariefstructuur van gas en elektriciteit niet in evenwicht is. De huidige tariefstructuur sluit op verschillende plekken niet goed aan bij de externe kosten. Elektriciteit wordt nog steeds – ondanks recente en voorgenomen aanpassingen van de tariefsverhouding – relatief sterk belast ten opzichte van aardgas, wat uit oogpunt van klimaat niet efficiënt is (bijvoorbeeld de switch van gasketel naar warmtepomp), zo geeft de evaluatie aan. Tegelijkertijd neemt volgens de evaluatie de CO2-emissie van de gemiddelde elektriciteitsmix snel af richting 2030 en zal gegeven het huidige tariefverschil de ongelijke prikkelwerking verder toenemen ten nadele van elektriciteit. Het is verder aan een volgend kabinet om te beslissen wat zij doet met de conclusies uit de evaluatie van de energiebelasting.
De OESO beveelt ten eerste aan om aanpassing aan de SDE++ te overwegen, in het bijzonder het houden van verschillende inschrijfrondes per technologie en productieproces (hierboven besproken), en om in ieder geval gedeeltelijk rekening te houden met besparingen op de CO2-heffing.
Wat betreft het gedeeltelijk corrigeren van de SDE++-subsidies voor de CO2-heffing is het kabinet van mening dat dit geen wenselijke aanpassing in het beleid zou zijn. Ten eerste omdat de heffing een borginginstrument is en niet bedoeld is om belasting te innen. Ten tweede zou het niet mogelijk zijn om een correctiebedrag te bepalen, omdat de ETS-prijs in de tijd fluctueert, waardoor de hoogte van de heffing niet op voorhand bekend is. Er zijn nu ook nog geen substantiële handelsvolumes in dispensatierechten, waardoor er geen marktprijs voor dispensatierechten kan worden vastgesteld.
De OESO beveelt ten tweede aan om het instrumentarium ter ondersteuning van innovatie te stroomlijnen, vooral rond de demonstratiefase, om administratieve kostenefficiëntie te verbeteren en transactiekosten voor jonge bedrijven en mkb te reduceren.
Op dit moment zijn er geen plannen om het op energie- en klimaat gerichte innovatie-instrumentarium ingrijpend aan te passen. Op grond van terugkoppeling van gebruikers kunnen wel kleine verbeteringen worden doorgevoerd. Wel zal deze aanbeveling van de OESO meegenomen worden in de reguliere evaluaties van betreffende instrumenten. Het is van belang dat bedrijven hun weg eenvoudig in het instrumentarium weten te vinden. Daartoe biedt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland nu ook al advies.
De OESO beveelt ten eerste aan om het regelgevend kader voor emissiereductietechnieken te actualiseren (in het bijzonder voor CCS) en zorg te dragen voor standaardisering (in het bijzonder voor waterstof en recycling), waar mogelijk op Europees niveau.
Ik beschouw dit vooral als aanbeveling voor de Europese Commissie, die ik onderschrijf en waar Nederland in Brussel aan bijdraagt.
De OESO beveelt ten tweede aan om creatie van markten voor de circulaire en biobased economie te bevorderen, met als doel scope-3 emissies te adresseren: stel standaarden op voor minimuminhoud bij gerecycled plastic en biobased producten, en herbenoem bijproducten van staalproductie van afval tot product om aankoop van schroot te vergemakkelijken.
Ik beschouw dit als een aanbeveling voor de Europese Commissie, die ik onderschrijf en waar Nederland in Brussel aan bijdraagt.
De OESO beveelt ten derde aan om zichtbaarheid te geven aan infrastructuurprogramma’s die gerelateerd zijn aan transport van waterstof, elektriciteit, warmte en afgevangen CO2. Verduidelijk daarnaast de rol van het Nationaal Groeifonds bij het financieren van laag-carbonische industriële infrastructuur.
EZK werkt momenteel aan een nationaal Programma Energie Systeem (PES) en specifiek voor de industrie aan een nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI). Zij zullen een Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat opstellen, waarin het transport van waterstof, elektriciteit, CO2 en warmte worden meegenomen. De OESO geeft aan dat Nederland daarmee voortvarend gestart is, maar dat een versnelling nodig is om de ambities te realiseren.
Het Nationaal Groeifonds investeert in kennis, R&D en innovatie en in infrastructuur. Onder infrastructuur valt ook energie-infrastructuur. De adviescommissie voor het Nationaal Groeifonds staat zeker open voor voorstellen op het gebied van energie-infrastructuur. Departementen kunnen tot 31 oktober van dit jaar voorstellen indienen voor de tweede ronde van het fonds en op dit moment wordt bekeken of er ook voorstellen op het gebied van energie-infrastructuur zullen worden ingediend.
De OESO beveelt ten vierde om concurrentie binnen en tussen clusters te laten groeien door te zorgen voor een gelijk speelveld voor jonge en kleine bedrijven en voor voldoende aanbod van groen vaardigheden.
Het kabinet is voorstander van concurrentie tussen en binnen industrieclusters in de zin dat samenwerking tussen bedrijven voor kennisontwikkeling of benutting van synergievoordelen niet moeten leiden tot lock-in situaties of andere marktverstoringen die niet het doel zijn van het beleid gericht op de klimaat- en energietransitie. In algemene zin dient sprake te zijn van gezonde economische dynamiek, met innovaties in producten en processen die leiden tot aanpassingen van (of nieuwe) banen en waardeketens en toe- en uitredende bedrijven.
Een afdoende aanbod van geschoold personeel is een randvoorwaarde voor een succesvolle transitie met emissiereductie en economische kansen. Vanuit het kabinet is er geen specifiek beleid gericht op het arbeidsaanbod voor een verduurzaming van de basisindustrie. Wel onderzoekt een taakgroep bij de Sociaal Economische Raad mogelijke knelpunten voor alle klimaatsectoren. Het kabinet werkt daarnaast al langer met de bredere Human Capital Agenda’s van de topsectoren en het Techniekpact.
Ten vijfde beveelt de OESO aan om te zorgen voor voldoende financiering van groene startups, in het bijzonder door middel van risicokapitaal (venture capital).
Met 516 miljoen euro aan durfkapitaal-investeringen behaalt Nederland in 2019 een zesde positie binnen Europa. De omvang van durfkapitaal-investeringen neemt in Nederland sinds 2015 toe (zie bedrijvenbeleidinbeeld.nl). Volgens het OESO-rapport presteert Nederland opvallend goed als het gaat om het aandeel deals gericht op duurzame energietechnologie binnen het totaal van alle venture capital-deals in de periode 2016–2020. In Nederland bedraagt dit bijna 10 procent.
Het Klimaatcrisis Beleid Team. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de oprichting van het Klimaatcrisis Beleid Team (KBT)?1
Ik ben bekend met de oprichting van het Klimaatcrisis Beleid Team en ik zie de waarde van dit type adviezen die het klimaatdebat kunnen verrijken.
Kunt u toelichten op welke wijze u de adviezen van het KBT zult behandelen?
De adviezen hebben betrekking op nieuw/aanvullend te formuleren klimaatbeleid. Hiertoe zullen partijen die betrokken zijn bij het formeren van een nieuw kabinet keuzes in moeten maken. Hier kunnen zij ook de adviezen van het KBT bij betrekken.
Kunt u een uitgebreide reactie formuleren op het eerste advies van het KBT?2
Gezien de demissionaire status van het kabinet acht ik het niet opportuun om hier een uitgebreide reactie op te geven. Met het rapport «Bestemming Parijs» van de ambtelijke Studiegroep «Klimaatopgave Green Deal», die door het huidige kabinet is ingesteld, is reeds uitgebreid stil gestaan bij de mogelijke gevolgen van de EU Green Deal en zijn keuzemogelijkheden in kaart gebracht. Het is aan het nieuwe kabinet om hier keuzes in te maken; hier kunnen ook de adviezen van het KBT bij betrokken worden.
Bent u ervan op de hoogte dat diverse landen een onafhankelijke klimaatcommissie hebben opgericht om de regering te adviseren over het klimaatbeleid en dat bijvoorbeeld de klimaatwetgeving in Groot-Brittannië, Denemarken en Finland gepaard ging met de oprichting van een wetenschappelijk adviesorgaan dat speciaal is toegerust op het klimaat?3 4 5 6
Ja.
Erkent u de waardevolle rol van onafhankelijke klimaatcommissies in diverse andere landen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de Afdeling advisering van de Raad van State (RvS), de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) allen in verschillende bewoordingen adviseerden om ook in Nederland een dergelijk adviescollege in te stellen, dat onafhankelijk kan opereren van de regering en de politieke waan van de dag?7 8 9
Ja.
Erkent u dat de huidige Nederlandse Klimaatwet destijds aanzienlijk is verzwakt door het schrappen van de onafhankelijke klimaatcommissie uit het wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. De initiatienemers van de nationale Klimaatwet hebben ervoor gekozen om de Raad van State een formele, onafhankelijke, adviserende rol te laten vervullen en dit in de Klimaatwet te verankeren. De Raad van State maakt voor zijn advisering o.a. gebruik van de Klimaat- en Energieverkenning van PBL en een adviesgroep met enkele wetenschappers.
Steunt u het voorstel van de Partij voor de Dieren om alsnog over te gaan tot de oprichting van een onafhankelijke klimaatcommissie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik ben van mening dat de Raad van State haar rol goed vervult. Daarbij is het aan het nieuwe kabinet om eventuele wijzigingen in de governance, waaronder een eventuele wijziging van de Klimaatwet, aan te brengen.
Erkent u dat er een crisisaanpak nodig is voor de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van klimaatverandering is een urgente opgave. Daarom heeft het huidige kabinet, vooruitlopend op besluitvorming over het ophogen van het Europese 2030-broeikasgasreductiedoel, een hoger doel van 49% emissiereductie in 2030 vastgesteld. Om dit te kunnen realiseren heeft het kabinet vervolgens, met meer dan 100 partijen, in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt.
Parallel aan de uitvoering van het Klimaatakkoord en vanuit de gedeelde overtuiging dat klimaatverandering urgent moet worden aangepakt, heeft het kabinet in de afgelopen jaren intensief en succesvol gelobbyd om de Europese klimaatdoelen op te hogen en in lijn de brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de aanbevelingen van het IPCC. Europa zal in 2050 klimaatneutraal zijn en op weg daar naartoe in 2030 haar broeikasgasemissies met ten minste 55% hebben gereduceerd.
De aangescherpte Europese doelstellingen zullen ook voor Nederland een extra opgave betekenen. De precieze nationale gevolgen zijn afhankelijk van de uitkomsten van de onderhandelingen over de onderliggende wetgevende voorstellen. Deze voorstellen zullen in juli 2021 worden gepresenteerd. Om het volgende kabinet hierop voor te bereiden heeft eerder dit jaar een ambtelijke studiegroep opties in kaart gebracht om nationaal invulling te geven aan de opgehoogde Europese doelstelling (kamerstuk 32 813, nr. 664). Het maken van keuzes tussen deze opties en eventuele andere aanpak is aan het nieuwe kabinet.
Waarom behandelt u de klimaatcrisis nog steeds niet als crisis?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Gerecyclede grond veroorzaakt milieuvervuiling: OM onderzoekt afvalbedrijf’. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Gerecyclede grond veroorzaakt milieuvervuiling: OM onderzoekt afvalbedrijf»?1
Ja.
Klopt het dat bij minstens tien dijk-, weg- en waterprojecten het milieu mogelijk verontreinigd is met stoffen als arseen en benzeen en dat dit al bij vier projecten is vastgesteld?
Gebleken is dat potentiele problemen met de toegepaste thermisch gereinigde grond (TGG) samen kunnen hangen met de hoge PH van de grond, uitloging van bepaalde metalen en het hoge zoutgehalte. Alhoewel tijdens dit reinigingsproces de vluchtige organische verbindingen (zoals benzeen) verwijderd hadden moeten zijn, worden deze soms toch nog aangetroffen. Welke in TGG mogelijk aanwezige stoffen aanleiding kunnen geven tot een potentieel milieuprobleem, wordt bepaald door de specifieke omstandigheden op de toepassingslocatie (zout/zoet, onderwaterbodem of landbodem, civieltechnische aspecten) en het specifieke milieucompartiment waar ze worden aangetroffen (grondwater, oppervlaktewater of bodem).
In de afgelopen jaren zijn drie locaties waar TGG is toegepast specifiek in beeld gekomen (Westdijk, Perkpolder, Plas van Heenvliet). Voor de Westdijk geldt dat besloten is deze te saneren. De in de Westdijk toegepaste TGG wordt op dit moment verwijderd.
Op 14 april 2020 heb ik uw Kamer2 een inventarisatie doen toekomen van RWS-projecten waar TGG is toegepast, waaronder Perkpolder. Niet alle werken zijn meer in beheer van RWS. De beheerders van die werken, waaronder de Noordwaardpolder3, zijn door RWS geïnformeerd.
Voor de werken in beheer van RWS wordt nu, als invulling van de zorgplicht, op de vijf potentieel meest risicovolle locaties gemonitord om te bekijken of er vervuiling van grond- en oppervlaktewater plaatsvindt. Over de resultaten van deze monitoring zal ik uw Kamer op termijn nader informeren zodra de definitieve rapportage beschikbaar is (verwachting eerste helft 2022).
Daarnaast is in 2019 door Werkgroep Ketentoezicht Bodem, Bagger en Bouwstoffen4 op grond van diverse meldingsgegevens in kaart gebracht waar buiten de RWS werken mogelijk TGG geproduceerd door hetzelfde bedrijf, is toegepast in de periode 2016–2018. De Omgevingsdiensten die bevoegd gezag zijn voor de toepassing, zijn op grond van deze analyse geïnformeerd over de potentiële locaties binnen hun werkgebied.
Is er hierdoor sprake van een gevaar voor de volksgezondheid?
In 2018 heeft RIVM in opdracht van RWS onderzoek uitgevoerd naar de gezondheid- en milieurisico’s voor de locatie Perkpolder (RIVM Rapport 2018-0063) en in 2020 voor de locatie de Plas van Heenvliet (RIVM Rapport 2020-0057) in opdracht van DCMR. Voor deze rapporten verwijs ik u naar de website van RIVM.
Voor de Plas van Heenvliet stelt het RIVM dat er geen gezondheidsrisico is voor de recreanten. Voor Perkpolder stelt het RIVM dat de toegepaste TGG is afgedekt waardoor geen directe blootstelling aan TGG mogelijk is en er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid.
In grootschalige toepassingen van TGG moet op grond van het Besluit Bodemkwaliteit altijd een schone leeflaag worden aangebracht. Hierdoor geldt in zijn algemeenheid dat in dergelijke projecten direct contact met TGG niet zal plaatsvinden en dat bij een intacte laag effecten op de volksgezondheid niet waarschijnlijk zijn.
Wat zijn de gevolgen voor de kwaliteit van de natuur en het grond- en oppervlaktewater? Kunt u deze in kaart brengen en de Kamer doen toekomen?
Voor de Plas van Heenvliet geeft het RIVM aan dat er sprake is van enige uitloging naar het grondwater waardoor lokaal een klein effect op planten en dieren in de bodem kan optreden. Daarnaast is vastgesteld dat het toepassen van TGG geen effect heeft op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Om te controleren of dit ook in de toekomst zo is, heeft het bevoegd gezag (DCMR) en de gemeente aangegeven op regelmatige basis monsters te zullen nemen.
Voor Perkpolder geldt dat het RIVM heeft vastgesteld (op basis van de destijds beschikbare monsters) dat enkele normen voor de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater worden overschreden. Hierdoor worden, onder meer, lokaal natuurlijke processen in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater verstoord. Ook is het (grond)water niet geschikt voor gebruik in de landbouw, bijvoorbeeld als drinkwater voor vee of als sproeiwater. Om meer zekerheid te krijgen over de effecten op de milieucompartimenten heeft het RIVM geadviseerd langjarig te blijven bemonsteren. Een eerste vervolgonderzoek is in 2019 uitgevoerd door Deltares. In de periode 2020–2023 worden vervolgmetingen uitgevoerd. Uit de jaarrapportage over 2020 volgt dat beperkte uitloging naar grond- en kwelwater optreedt (zie bijlagen)5 maar dat de risico’s hiervan beperkt zijn. Op dit moment worden de mogelijke beheersmaatregelen in kaart gebracht. De resultaten hiervan worden eind dit jaar verwacht. Daarnaast zal het RIVM in de eerste helft van 2022 een volgonderzoek uitvoeren naar gezondheids- en ecologische risico’s. Ik zal uw Kamer over de resultaten hiervan informeren.
Hoe verloopt het toezicht op het gebruik van thermisch gereinigde grond? Waarom wordt deze grond niet eerst getest op schadelijke stoffen voordat er een dijk mee wordt gevuld?
Samen met de certificerende instellingen en omgevingsdiensten ziet de ILT erop toe dat reinigers volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de omgevingsvergunning, die geldt voor de inrichting, werken. Voor de import en export van vervuilde grond, teerhoudend asfalt en TGG moet de ILT toestemming verlenen.
Een producent van TGG moet voldoen aan de (milieu)eisen die in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) worden gesteld. Op grond van dit besluit moet een producent en ook de toepasser middels een erkende kwaliteitsverklaring aantonen dat men aan deze eisen voldoet. Daarnaast moet een producent in het kader van zijn zorgplicht informatie verstrekken over niet in het Bbk genormeerde stoffen die een potentieel milieurisico vormen bij toepassing van het materiaal. Toepassers dienen deze informatie ook te betrekken bij de besluitvorming over toepassing op een specifieke locatie.
De voorgenomen toepassing van TGG moet vooraf worden gemeld. Lokale overheden zijn bevoegd gezag voor de toepassing van TGG op locatie en beoordelen de melding en houden toezicht op de uitvoering.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit in de toekomst niet meer gebeurt?
In 2017 en 2018 heeft de ILT onderzoek uitgevoerd naar het reinigingsproces bij producenten van TGG. Dit heeft geleid tot aanpassing van de reinigingsprocessen. Aansluitend is onder begeleiding van de ILT in 2019 verificatieonderzoek uitgevoerd waarbij de kwaliteit van de toenmalige voorraden TGG nogmaals is vastgesteld. Dit betreft TGG die is geproduceerd vóór en na de procesaanpassingen en ruim na de aanleg van de dijk Perkpolder. Met de resultaten van deze verificatieonderzoeken kan het (lokale) bevoegde gezag een adequate beoordeling maken of zij een aangeboden partij TGG kan laten toepassen en onder welke condities dit kan plaatsvinden. Hierover is uw kamer geïnformeerd bij brief van 23 december 2019 (Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1225.) In 2020 hebben de producenten hun productieproces verder geoptimaliseerd.
Daarnaast voert het RIVM een onderzoek uit naar het normenkader en de huidige onderzoeksmethoden. De verwachting is dat met de uitkomsten van dit onderzoek nog beter kan worden bepaald onder welke voorwaarden TGG verantwoord kan worden toegepast. De resultaten verwacht ik na de zomer.
Bent u het ermee eens dat boeren volledig gecompenseerd dienen te worden voor geleden economische schade wegens het gebruik van thermisch gereinigde grond in infrastructuurprojecten?
In het Nederlands (civiel)recht geldt in zijn algemeenheid dat als iemand schade meent te hebben ondervonden, deze een schadeclaim kan indienen bij de veroorzaker. Als er aantoonbare (economische) schade is en er een causaal verband kan worden vastgesteld tussen deze schade en de handelingen van de veroorzaker, zal deze schade in het algemeen (deels) vergoed worden. Elke casus dient echter op haar eigen merites beoordeeld te worden.
Ziek worden door luchtvervuiling |
|
Sandra Beckerman |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Kent u het bericht over de oproep van het longfonds en (kinder)artsen die de oproep doen aan het nieuwe kabinet «Geef kinderen gezonde lucht»?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, het bericht is mij bekend. Schone lucht is inderdaad van levensbelang, en zeker voor kinderen. Het is belangrijk om te blijven werken aan een gezonde luchtkwaliteit in Nederland door bronnen van luchtvervuiling steeds verder terug te dringen. Gezondheidswinst door schonere lucht is ook het doel van het Schone Lucht Akkoord, ondertekend door het Rijk, alle provincies en een groot aantal gemeenten. Inzet is het realiseren van 50% gezondheidswinst voor het aandeel uit binnenlandse bronnen in 2030 ten opzichte van 2016.
Deelt u de zorgen over Noëlle, die inmiddels drie keer op de intensive care (ic) belandde, maar ook over het ontwikkelen van gezondheidsproblemen bij andere kinderen in vervuilde gebieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel uw zorgen. Het is uiterst verdrietig als een kind als Noёlle zulke ernstige gezondheidsklachten moet ondervinden. In algemene zin is bekend dat luchtvervuiling, naast tot vroegtijdige sterfte, ook tot een breed scala aan negatieve gezondheidseffecten kan leiden, waaronder een hogere kans op het ontstaan en het verergeren van longklachten. De luchtkwaliteit is de afgelopen jaren sterk verbeterd. Inmiddels voldoen we in Nederland vrijwel overal aan de Europese grenswaarden voor NO2 en fijnstof. Echter, ook onder de Europese grenswaarden en zelfs onder de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), leidt luchtvervuiling tot negatieve gezondheidseffecten.
Daarom zet ik mij in het Schone Lucht Akkoord, samen met decentrale overheden, in voor een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor alle Nederlanders te realiseren. Op 17 april is een brief naar uw Kamer gestuurd waarin actielijnen zijn geschetst om te werken aan een Gezonde, Groene Leefomgeving2. Ook via deze actielijnen zullen in de komende jaren provincies en gemeenten ondersteund worden om aan een gezonde leefomgeving te werken. Dit gebeurt onder andere door de inrichting van een adequate regionale kennisinfrastructuur.
Hoe gaat u zorgen dat de EU-normen voor schone lucht minimaal gehaald gaan worden?
Via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werk ik samen met decentrale overheden om overal in Nederland te voldoen aan de Europese grenswaarden. Uit de meest recente NSL-rapportage blijkt dat in 2019 nagenoeg overal voldaan is aan de grenswaarden voor NO2. De verwachting is dat in 2020 ook op de vijf resterende punten waarop dit nog niet het geval was, hieraan is voldaan. Voor PM10 geldt dat er nog sprake is van een beperkt aantal overschrijdingen in gebieden met intensieve veehouderijen. Ik ondersteun de decentrale overheden zowel inhoudelijk als financieel bij het maken van afspraken met vergunninghouders om deze resterende overschrijdingen op de kortst mogelijke termijn op te lossen. Voor PM2,5 geldt dat overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Voor meer informatie verwijs ik u naar de NSL-rapportage en de bijbehorende Kamerbrief3.
Draagt het Schone Lucht Akkoord daaraan bij? En per wanneer? Bent u niet bang dat het met het huidige tempo – het vaststellen van de routekaart binnen het Schone Lucht Akkoord duurt al een jaar – nog decennia duurt voordat de luchtkwaliteit verbetert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe meer de concentraties van luchtvervuilende stoffen waaraan mensen worden blootgesteld omlaag gebracht kunnen worden, hoe groter de gezondheidswinst. Daarom is ook vóór het Schone Lucht Akkoord met onder andere het NSL al succesvol ingezet op het verbeteren van de luchtkwaliteit. Bij het opstellen van het Schone Lucht Akkoord is als doel afgesproken om nog eens 50% gezondheidswinst te realiseren voor het aandeel uit binnenlandse bronnen in 2030, ten opzichte van 2016. Voor dit doel is gekozen omdat het ambitieus is, en naar verwachting haalbaar. Tegelijk is te verwachten dat door het klimaatbeleid, de elektrificatie van het wegverkeer en steeds betere technieken in de industrie de luchtkwaliteit in de komende decennia verder zal verbeteren.
Dit najaar voert het RIVM een nulmeting van het akkoord uit, waaruit moet blijken of de maatregelen voldoende zijn om de doelen te halen. Mocht dat niet het geval zijn, dan voegen de deelnemers maatregelen toe aan de gezamenlijke Uitvoeringsagenda. Mocht blijken dat het mogelijk is om meer gezondheidswinst te realiseren door luchtvervuiling sneller of meer terug te dringen, dan zal ik mij daar zeker voor inzetten.
Hoe krijgen omwonenden informatie over de luchtkwaliteit waarin ze wonen? Waar kunnen mensen die zich zorgen maken zich melden?
Ik begrijp dat omwonenden zorgen hebben en op zoek zijn naar betrouwbare informatie. Burgers die zich zorgen maken over de luchtkwaliteit in hun specifieke gebied kunnen zich melden bij de desbetreffende omgevingsdienst voor milieuklachten en bij de GGD als zij zich zorgen maken over hun gezondheid. De Provincie Noord-Holland, het bevoegd gezag voor Tata Steel, en de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied hebben specifiek voor het IJmondgebied speciale voorzieningen getroffen, zoals een loket in Wijk aan Zee, een website en regelmatige bewonersbijeenkomsten.
Er zijn daarnaast verschillende informatiekanalen waarop informatie over luchtkwaliteit te vinden is. Zo kan men op de website van het luchtmeetnet4 actuele gegevens inzien van de concentraties van verschillende stoffen. Daarnaast kunnen gebruikers via een alarmering gewezen worden op actuele informatie over de luchtkwaliteit in Nederland, bijvoorbeeld als er sprake is van een smog- of stookalarm. Daarnaast geeft de jaarlijkse NSL-rapportage inzicht in de ontwikkeling van luchtkwaliteit in Nederland.
Wat is uw reactie op het onderzoek van RIVM waaruit blijkt dat bewoners rondom Tata Steel vaker ziek zijn dan mensen in de rest van Nederland?2
Het rapport dat nu uitgekomen is, is een eerste tussenrapportage van een breder onderzoek dat het RIVM op dit moment uitvoert in opdracht van de Provincie Noord-Holland en de IJmondgemeenten. Komende zomer en najaar komen er nieuwe rapportages van het RIVM uit over respectievelijk «depositie» (neerslag van stof in de leefomgeving) en «luchtkwaliteit en inhaleerbare fractie op ervaren (on)gezonde dagen». Hoewel in dit rapport benadrukt wordt dat een hoger voorkomen van bepaalde chronische ziekten niet direct betekent dat dit veroorzaakt wordt door de uitstoot van Tata Steel, zijn de uitkomsten wel degelijk reden tot zorg.
Ook in eerdere onderzoeksrapporten is gewezen op de impact van Tata Steel op de directe omgeving en op het hogere voorkomen van bepaalde chronische aandoeningen in het IJmondgebied. Dat is ook de reden dat er een aantal trajecten lopen om tot merkbare positieve effecten voor de leefomgeving rond Tata Steel komen. Zowel Rijk, als de Provincie Noord-Holland, de betrokken gemeenten in het IJmondgebied, de omgevingsdiensten en de GGD Kennemerland werken intensief samen. In eerste instantie zijn Tata Steel zelf en de provincie Noord-Holland als bevoegd gezag aan zet, met hulp van de betrokken omgevingsdiensten. Het Rijk adviseert en ondersteunt waar mogelijk, bijvoorbeeld via de inzet van de ILT, en via inspanningen om in Europa te pleiten voor strengere bronmaatregelen.
Hoe worden de omwonenden die zich grote zorgen maken over de grafietregens en stofwolken afkomstig van Tata Steel geïnformeerd? Kunnen zij ergens terecht met hun zorgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer heeft de provincie Noord-Holland voor het laatst toegezien en gehandhaafd bij Tata Steel op het gebruik van de best beschikbare technieken die leiden tot een hoog niveau van bescherming van het milieu? Weet u of het bedrijf inderdaad de verantwoordelijkheid neemt een veilige en gezonde leefomgeving te waarborgen, zoals u aangeeft in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Lacin?3
De provincie Noord-Holland ziet continu toe op het gebruik van de best beschikbare technieken (BBT) door Tata Steel. De inspanningen van de provincie zijn weergegeven in het «Programma Gezonde Leefomgeving» en het «Programma Tata Steel 2020–2050: Samenwerken aan een gezondere en veilige IJmond»7. Daar hoort ook een Uitvoeringsprogramma VTH Tata Steel 2020–2022 van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bij8. Daarnaast monitort de ILT de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen van de Randstedelijke Rekenkamer9 door de provincie en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
De provincie is ook in gesprek met Tata Steel over de investering van € 300 miljoen die het bedrijf heeft aangekondigd in de zogenaamde «Roadmap+». Tata Steel heeft recent bekend gemaakt welke concrete maatregelen het bedrijf wil nemen in het kader van deze roadmap. De provincie Noord-Holland is positief over de voorgestelde stappen en de sterke reductie van geurbelasting en stofneerslag die dat per 2023 zal opleveren. Zij vindt het een forse stap in de goede richting. Tegelijk erkent zij dat twee jaar nog een lange periode is voor mensen die op concreet resultaat wachten. Ik sluit me bij dit oordeel van de provincie aan. De provincie zal erop toezien dat deze stappen zo snel mogelijk gezet worden. Desalniettemin kost dit soort stappen tijd.
Bent u bereid, naar voorbeeld van de maatregelen die de regering de afgelopen jaren heeft getroffen om de gevolgen voor de volksgezondheid met betrekking tot roken te verkleinen, ook maatregelen voor de industrie te treffen om de gevolgen voor de volksgezondheid met betrekking tot de luchtvervuiling te verkleinen? Zou u bijvoorbeeld bedrijven die te langzaam minder schadelijke stoffen gaan uitstoten boetes willen opleggen?
Het kabinet is van mening dat beide maatregelen nodig zijn. Daarom hebben we als Kabinet naast het Nationaal Preventieakkoord, met daarin maatregelen om de gevolgen van het roken drastisch terug te dringen, ook het Schone Lucht Akkoord gesloten met een groot aantal decentrale overheden. Daarin hebben we als doel gesteld in Nederland de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen verder te verlagen om 50% gezondheidswinst te realiseren voor het aandeel uit binnenlandse bronnen in 2030 ten opzichte van 2016. Het is aan de bevoegde gezagen en omgevingsdiensten om in hun vergunningverlening er op toe te zien dat uitstoot binnen de normen blijft en bijvoorbeeld in het geval van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) sowieso geminimaliseerd wordt. Zij hebben de mogelijkheden om hierop toe te zien en zo nodig te handhaven. Daar horen ook lasten onder dwangsom bij. Daarnaast pleit Nederland bij onderhandelingen in Brussel over de herziening van Europese wetgeving voor het verder omlaag brengen van uitstoot en voor lagere maximum concentraties van vervuilende stoffen in de lucht. Op deze manier komen de Europese en nationale normen steeds dichter bij de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Tata Steel de aangekondigde plannen, die leiden tot het terugdringen van milieuoverlast, gaat uitvoeren? Welk tijdpad heeft u daarbij in gedachten?
Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 9 is de provincie Noord-Holland met Tata Steel in gesprek over deze plannen. Daarnaast is het Rijk (de Ministeries van IenW en EZK) samen met de provincie Noord-Holland en de IJmondgemeenten in gesprek om de mogelijkheden te verkennen voor Tata Steel om structureel te verduurzamen en tegelijkertijd de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. De inzet is om zo snel mogelijk tot tastbare resultaten te komen. Tata Steel heeft zelf bij de presentatie van de plannen voor de «Roadmap+» een termijn van twee jaar genoemd.
Is bekend of onder het personeel ook een verhoogd percentage is van mensen met misselijkheid, hoofdpijn, oogirritatie, jeuk en benauwdheid? En hoe zit dat met hartaandoeningen, longkanker, COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease) en diabetes? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dat is mij niet bekend. Primair is de werkgever, in dit geval Tata Steel, verantwoordelijk voor goede arbeidsomstandigheden voor het personeel. Noch het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, noch het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben inzicht in werkgerelateerde klachten en aandoeningen.
Kan duidelijk uiteen gezet worden hoe het toezicht en de handhaving ingevuld wordt, of zou moeten worden, door de provincie, de omgevingsdiensten en het Rijk in de provincie Noord-Holland en waar de verantwoordelijkheden liggen?
Binnen het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) ligt het bevoegd gezag voor de meeste inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer (bedrijven) bij gemeenten en provincies: zij zijn vergunningverlener, toezichthouder en handhaver. Bedrijven zijn zelf primair verantwoordelijk voor de veiligheid en voor naleving van de relevante wet- en regelgeving.
De uitvoering van de milieutaken is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht door het bevoegd gezag neergelegd bij de omgevingsdiensten. Deze omgevingsdiensten verlenen vergunningen, houden toezicht en handhaven in opdracht van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is naast opdrachtgever ook eigenaar van een omgevingsdienst. De uitvoering van de VTH-taken door het bevoegd gezag wordt gecontroleerd door de gemeenteraden en provinciale staten.
In de provincie Noord-Holland geldt dat de provincie Noord-Holland bevoegd gezag is voor Tata Steel en voor Harsco Metals. De provincie Noord-Holland heeft de milieutaken voor deze bedrijven belegd bij de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Deze omgevingsdienst voert de VTH-taken in mandaat voor de provincie Noord-Holland uit: ze houdt toezicht op Tata Steel en treedt namens de provincie Noord-Holland handhavend op.
Op basis van de wet ben ik verantwoordelijk voor het VTH-stelsel als geheel. Dit houdt in dat ik ervoor zorg dat de actoren binnen het VTH-stelsel in staat moeten zijn hun wettelijke taken naar behoren uit kunnen voeren. Hierbij kan ik het bevoegd gezag ondersteunen bij het versterken van de uitvoering van de VTH-taken. Ook heb ik via de ILT een adviserende rol bij de verlening van omgevingsvergunningen aan grote bedrijven. Als laatste houd ik toezicht op de uitvoering van de VTH-taken op het terrein van milieu die aan de provincies zijn opgedragen in medebewind. In antwoord 13 ga ik in op het in maart verschenen rapport van de adviescommissie VTH en de daarin voorgestelde verbeteringen ten behoeve van dit stelsel.
Zijn er verbeterpunten nodig bij het toezicht en de handhaving? Zo ja, is of komt daar een plan voor? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op 4 maart 2021 zond ik u het rapport van de adviescommissie VTH onder voorzitterschap van Jozias van Aartsen10. De adviescommissie VTH geeft in haar rapport aan dat het VTH-stelsel niet goed functioneert: het VTH-stelsel wordt nog steeds gekenmerkt door fragmentatie en vrijblijvendheid. Hierdoor ontstaat vermijdbare schade. Zij adviseert om binnen de fundamenten van het bestaande stelsel tot een serie essentiële verbeteringen te komen. Volgens de adviescommissie zijn hiervoor een tiental ingrijpende maatregelen nodig.
Deze conclusies zijn helder onderbouwd en herkenbaar vanuit mijn ervaring van de afgelopen jaren, onder andere op het dossier Tata Steel. De voorgestelde maatregelen voor het versterken van de positie van de omgevingsdiensten en het toezicht op de omgevingsdiensten zijn essentieel om het toezicht en de handhaving op bedrijven als Tata Steel te verbeteren. Het plan voor de opvolging van de door de adviescommissie VTH voorgestelde maatregelen wordt u door een volgend kabinet toegezonden. Gezien de urgentie van het onderwerp heb ik de ambtelijke voorbereiding met de verschillende partijen daarvoor reeds opgestart.
De antwoorden op eerdere schriftelijke vragen over het onderzoek naar stikstofdepositie en kritische depositiewaarden |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u in een separate brief alsnog aangeven welke experimenten zijn gedaan in Nederlandse Natura 2000-gebieden om vast te stellen wat lokale kritische depositieniveaus zijn en in hoeverre onderzoek is gedaan om te bepalen hoe lokale habitats met lokale plantengemeenschappen zich verhouden tot de nationaal vastgestelde kritische depositiewaarden voor de betreffende habitattypen?1
Experimenten in Nederlandse Natura 2000-gebieden hebben niet als zodanig geleid tot het vaststellen van «lokale kritische depositieniveaus». Veldexperimenten leiden wel tot inzicht in de reactie van de natuur (soortensamenstelling en vegetatie) op verschillende niveaus van stikstofdepositie. De resultaten van verschillende veldstudies worden (samen met bijvoorbeeld laboratoriumexperimenten) gecombineerd tot internationaal vastgestelde empirische kritische depositiewaarden. Theoretisch is het mogelijk om «lokale kritische depositieniveaus» vast te stellen op basis van experimenten, maar dat is nog niet gebeurd (voor zover bekend ook niet in andere landen). Zoals in mijn antwoord van 13 april 2021 (zie voetnoot 1) is vermeld, kan op korte termijn geen overzicht worden gemaakt van alle experimenten die in de loop van decennia hebben plaatsgevonden om bij te dragen aan het vaststellen van de internationale KDW's. Dat vergt een grondige analyse van de literatuur waarin deze experimenten zijn beschreven.
Datzelfde geldt voor alle onderzoeken die zijn gedaan om te bepalen hoe de lokale habitats met de lokale plantengemeenschappen zich verhouden tot de nationaal vastgestelde kritische depositiewaarden voor de betreffende habitattypen. Meer in het algemeen is echter duidelijk dat in situaties waar een overschrijding van de KDW wordt berekend, door natuurbeheerders en bevoegde instanties ook daadwerkelijk is geconcludeerd dat er (in meer of mindere mate) sprake is van ongewenste stikstofeffecten, waardoor herstelmaatregelen noodzakelijk zijn.
Is de veronderstelling juist dat de wetenschappelijke experimenten waaraan gerefereerd wordt in de artikelen van Banin e.a. (2014) en Briggs/Hanekamp (2021) ook ten grondslag liggen aan de vaststelling van de kritische depositiewaarden in Europees verband en door Dobben e.a.?2, 3, 4
De twaalf studies die worden genoemd, liggen inderdaad ten grondslag aan de onderbouwing van de empirische KDW van 5–10 kg N/ha/j voor hoogveenlandschappen (EUNIS-klasse D1) en die van 10–15 kg N/ha/j voor heideveentjes, moerasheiden en veenmosrietlanden (EUNIS-klasse D2) in het Europese KDW-rapport (Bobbink & Hettelingh 2011). Indirect liggen ze daarom ook ten grondslag aan de Nederlandse KDW's voor de habitattypen H7110A en H7120, respectievelijk H4010B, H7110B en H7140B in Van Dobben e.a. (2012).
De KDW-vaststelling in 2010 (gepubliceerd in 2011) is echter – logischerwijs – niet gebaseerd op het artikel uit 2014 van Banin e.a. en de daarin gebruikte methode om onzekerheden te kwantificeren. In dat artikel zijn, voor alle duidelijkheid, geen KDW's voorgesteld – er is alleen gepoogd een methode te ontwikkelen om onzekerheden te kunnen kwantificeren. Daarbij is gebruik gemaakt van de twaalf studies die in 2010 besproken zijn om tot KDW-ranges te komen. Daarom concludeerde ik in mijn antwoord van 13 april 2021 dat het artikel van Banin e.a. niet ten grondslag ligt aan de in Europa en in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden en evenmin aan de daarbij gebruikte methoden om onzekerheden mee te bepalen.
Het artikel van Banin e.a. is overigens als zodanig ook niet geschikt om KDW's mee te bepalen. In het artikel wordt er melding van gemaakt dat in vrijwel alle studies al bij de laagste toevoeging van stikstof een negatief effect werd geconstateerd (dat laagste niveau was wel zeer verschillend per experiment). Dat bemoeilijkt het precies kunnen bepalen – via logistische regressie – van het niveau waarop géén significant negatief effect optreedt. Dat is dan ook te verwachten bij habitats die zeer gevoelig zijn voor stikstof, waarbij reeds een vrij beperkte toename van depositie boven de natuurlijke achtergronddepositie al tot negatieve effecten leidt. In vergelijkende veldstudies kan dat alleen nog maar aangetoond worden in de meest schone gebieden binnen Europa, zie bijvoorbeeld de studie over Noorse hoogvenen (M. Jokerud 2012: Impact of Nitrogen Deposition on Species Richness and Species Composition of Ombrotrophic Mires in Western Norway).
Deelt u de mening dat de analyses van Banin e.a. en Briggs/Hanekamp in ieder geval illustreren dat de vaststelling van kritische depositiewaarden gepaard gaat met enorme wetenschappelijke onzekerheden?
Nee, van «enorme» wetenschappelijke onzekerheden is geen sprake. Want dat zou betekenen dat er in natuurgebieden weinig relatie is vast te stellen tussen KDW-overschrijdingen en daadwerkelijke negatieve stikstofeffecten. De op grote schaal en al vele decennia lang optredende negatieve effecten laten er geen twijfel over bestaan dat er bij overschrijding van de KDW's een reëel probleem ontstaat.
Op welke wijze houdt u bij de vaststelling van het beleid, waarin nu gekoerst wordt op absolute kritische depositiewaarden, rekening met deze grote onzekerheden?
Omdat er geen sprake is van grote onzekerheden, wordt daar ook geen rekening mee gehouden.
Deelt u de mening dat deze aan het onderwerp inherente onzekerheden zouden moeten betekenen dat terughoudend omgegaan wordt met absolute uitspraken over het al dan niet overbelast zijn van concrete hexagonen en lokale habitats?
Nee, die mening deel ik niet, omdat het, vanwege de verplichtingen van de Habitatrichtlijn, belangrijk is een zo goed mogelijke risico-inschatting te maken van het effect van stikstofdepositie. De daarvoor best beschikbare wetenschappelijke kennis bestaat uit de berekeningen in AERIUS in combinatie met de (internationaal gereviewde) KDW's, uitmondend in de conclusie of sprake is van overbelasting door stikstofdepositie.
De mogelijkheid bestaat om in een passende beoordeling aan te tonen dat significante effecten zijn uitgesloten ondanks overschrijding van de KDW. Dat vergt wel een grondige beoordeling, waarbij aangetoond wordt waarom in dat specifieke geval een verwacht effect van een KDW-overschrijding niet zal optreden. Zulke specifieke beoordelingen kunnen echter niet generiek worden toegepast via AERIUS.
Heeft u kennisgenomen van de ecologische analyse voor Natura 2000-gebied Korenburgerveen waarin wordt aangegeven dat de habitats in dit gebied zich veel beter ontwikkelen dan op basis van de depositieberekeningen verwacht werd?5
Ja.
Hoe waardeert u deze analyse in het licht van de centrale rol van de absolute kritische depositiewaarden in het huidige beleid?
Deze analyse leidt niet tot de conclusies dat KDW's een andere rol zouden moeten krijgen in het huidige beleid. Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen.
Oplossing van de verdroging leidt niet tot het bijstellen of minder relevant verklaren van de KDW, want de KDW is vastgesteld voor niet-verdroogde omstandigheden.
Is mogelijk sprake van overschatting van de depositie, aangezien de gemiddelde ammoniakconcentratie bij de drie meetpunten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) in Korenburgerveen in 2019 6,7 μg/m3 bedroeg (6,3–7,4 μg/m3), terwijl de gemiddelde, berekende concentratie op exact dezelfde locaties volgens de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) voor 2019 neerkomt op 8,9 μg/m3 -(8,3–9,8 μg/m3)?
De totale stikstofdepositie wordt in AERIUS op een hoog detailniveau (op hexagonen van een hectare) uitgerekend. Voor de Grootschalige Depositiekaart van Nederland (GDN) wordt op een lagere resolutie (van 1x1 km = 100 hectare) een landelijk beeld van de stikstofdepositie gemaakt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de berekeningen die in het kader van de Grootschalige Concentratiekaarten van Nederland (GCN) op 1x1 km voor ammoniak en stikstofoxiden worden gedaan.
De berekende concentraties en deposities worden geijkt aan de meetwaarden in heel Nederland. De vraag heeft betrekking op de GCN-kaart voor ammoniak. Voor deze kaart was abusievelijk de versie op de website https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten geplaatst met de niet-geijkte, «ruwe» gegevens. Het RIVM heeft inmiddels, naar aanleiding van deze vraag, deze vergissing hersteld en de goede kaart (met de berekeningen die zijn geijkt aan de metingen) op de website geplaatst. Voor de landelijke depositiekaart (GDN) en voor de depositieberekeningen in AERIUS had de vergissing overigens geen gevolgen, omdat voor die berekeningen geen gebruik wordt gemaakt van GCN-kaarten.
Door het herstellen van de vergissing, is de discrepantie in het Korenburgerveen vrijwel verdwenen: de berekende concentraties van de geijkte GCN-kaart zijn respectievelijk 6.6, 6.3 en 7.4 μg/m3 gemiddeld over de km-gridcellen (van 100 ha) waarin de MAN-meetpunten Korenburgerveen-1, -2 en -3 staan, met als gemeten waarden respectievelijk 6.3, 6.4 en 7.4.
De discrepantie in de Bennekomse Meent is verminderd: de berekende concentratie van de geijkte GCN-kaart is 15.0 gemiddeld over de km-gridcel (van 100 ha) waarin alledrie de MAN-meetpunten staan, met als gemeten waarden 12.9, 13.9 en 12.9 (gemiddeld over de drie meetpunten 13.2). De verklaring hiervoor is dat de gemiddelde concentratie in de gehele gridcel (van 100 ha) hoger is dan de gemiddelde concentratie in het natuurgebied (dat hier slechts een deel van is), omdat er in de noordoosthoek van de gridcel, net buiten het natuurgebied, stallen staan die meegewogen worden in het berekende gemiddelde.
Hoe waardeert u de inhoudelijke kritiek van Stichting Agri Facts op het negeren van het aspect waterhuishouding in de analyse van Van den Burg e.a. van de resultaten van het Wageningen Gassland Experiment in het Binnenveld in hun rapport over de ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling?6, 7
De stichting meent het geconstateerde herstel op de proefvelden van de Ossekampen toe te moeten schrijven aan een stijging van de grondwaterstand waardoor soorten van vochtige bodems weer zouden zijn toegenomen. De grondwaterstanden zijn ter plekke van het Wageningen Grassland Experiment echter niet gestegen. Deze locatie bevindt zich namelijk op de overgang van het Binnenveld naar de hogere gronden van Wageningen. De grondwaterstanden op deze locatie zijn na 1990 juist enigszins gedaald. Van oorsprong kwamen hier overigens geen vegetaties voor van uitgesproken vochtige omstandigheden. Daardoor kan de waterhuishouding geen verklarende factor zijn voor de geconstateerde veranderingen in soortensamenstelling. Dat is anders in de iets noordelijker in het Binnenveld gelegen Veenkampen, waar de voormalige blauwgraslanden mede door de verdroging zijn verdwenen, maar waar de grondwaterstanden inmiddels sterk zijn verbeterd.
Stichting Agri Facts legt overigens een relatie met grondwaterstanden via de indicatiewaarde van plantensoorten. Het is uit de publicatie niet duidelijk hoe dit is gebeurd en de resultaten kunnen dus niet worden geverifieerd. Wel is duidelijk dat de soorten die zijn toegenomen toen de depositie daalde, gemiddeld genomen ook een voorkeur hebben voor minder droge omstandigheden. Dat ze zijn toegenomen, kan echter niet liggen aan een verbeterde waterstand, want die heeft niet plaatsgevonden.
Is mogelijk sprake van overschatting van de depositie in het Binnenveld, aangezien de gemiddelde ammoniakconcentratie bij de drie MAN-meetpunten in 2019 13,2 μg/m3 bedroeg, terwijl de gemiddelde, berekende concentratie op exact dezelfde locaties volgens de GCN voor 2019 neerkomt op 17,8 μg/m3?
Bij de depositieberekening in AERIUS wordt ook rekening gehouden met de afstanden tot bronnen en met de terreinruwheid. Daarbij worden de resultaten berekend voor elk hectarehexagoon afzonderlijk, dus niet gemiddeld voor de gridcel van 100 ha. Uit het antwoord op vraag 8 blijkt dat er in het Binnenveld geen sprake is van «exact dezelfde locatie», omdat de meetpunten alleen in het natuurgebied staan en de gemiddelde concentratie op de GCN-kaart is berekend voor de hele gridcel, waarin ook stallen staan (met een hogere concentratie ammoniak rond de stal dan in de naastliggende Bennekomse Meent). De berekende depositie voor totaal stikstof (inclusief stikstofoxiden) in de hexagonen van het natuurgebied is naar verwachting niet overschat. Overigens maken de geconstateerde concentratieverschillen niet uit voor de vraag of er sprake is van overbelasting door stikstof: de depositie op de habitattypen in de Bennekomse Meent varieert tussen de 1.223 en 1.676 mol/ha/j (cijfers 2018), wat veel hoger is dan de KDW van 1.071 voor het in deze hexagonen aanwezige habitattype Blauwgraslanden.
Deelt u de mening dat het van belang is om, gelet op onder meer de analyses zoals genoemd in de vragen 6 en 9, ten aanzien van de keuzes voor het in een gunstige staat van instandhouding brengen van habitattypen, het bepalen van de staat van instandhouding, het beoordelen van de invloed van bepaalde factoren en van het doen van uitspraken hierover, verder te kijken dan de berekende stikstofdepositie en ook de belangrijke rol van de waterhuishouding mee te wegen? Hoe zorgt u ervoor dat blikvernauwing voorkomen wordt?
Bij waterafhankelijke natuur wordt inderdaad altijd ook de rol van de waterhuishouding meegenomen bij de genoemde aspecten. Daar bestaat geen verschil van mening over.
Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Het bericht 'Minister Schouten komt met hilarisch antwoord op Kamervragen over kritische depositiewaarden' |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Minister Schouten komt met hilarisch antwoord op Kamervragen over kritische depositiewaarden»?1
Ja.
Blijft u bij uw standpunt, ook na kennis te hebben genomen van het hierboven genoemde artikel, dat het artikel van Banin e.a. niet ten grondslag ligt aan de in Europa en in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden (en evenmin aan de daarbij gebruikte methoden om onzekerheden mee te bepalen) en dat dit blijkt uit het feit dat de Europese resultaten in 2011 zijn gepubliceerd en de Nederlandse in 2012, dus ruim voor de analyse van Banin e.a.?2
Ja.
Bent u het eens met de constatering van onderzoeker Jaap Hanekamp dat de literatuur die ten grondslag ligt aan «Banin» (2014), ongeveer dezelfde literatuur betreft (uit 2011/2012) waarnaar u verwijst en dat de kennisbasis in «Banin 2014» dus relevant is voor de in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden?3
De twaalf studies die worden genoemd, liggen inderdaad ten grondslag aan de onderbouwing van de empirische KDW van 5–10 kg N/ha/j voor hoogveenlandschappen (EUNIS-klasse D1) en die van 10–15 kg N/ha/j voor heideveentjes, moerasheiden en veenmosrietlanden (EUNIS-klasse D2) in het Europese KDW-rapport (Bobbink & Hettelingh 2011). Indirect liggen ze daarom ook ten grondslag aan de Nederlandse KDW's voor de habitattypen H7110A en H7120, respectievelijk H4010B, H7110B en H7140B in Van Dobben e.a. (2012).
De KDW-vaststelling in 2010 (gepubliceerd in 2011) is echter – logischerwijs – niet gebaseerd op het artikel uit 2014 van Banin e.a. en de daarin gebruikte methode om onzekerheden te kwantificeren. In dat artikel zijn, voor alle duidelijkheid, geen KDW's voorgesteld – er is alleen gepoogd een methode te ontwikkelen om onzekerheden te kunnen kwantificeren. Daarbij is gebruik gemaakt van de twaalf studies die in 2010 besproken zijn om tot KDW-ranges te komen. Daarom concludeerde ik in mijn antwoord van 13 april 2021 dat het artikel van Banin e.a. niet ten grondslag ligt aan de in Europa en in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden en evenmin aan de daarbij gebruikte methoden om onzekerheden mee te bepalen.
Het artikel van Banin e.a. is overigens als zodanig ook niet geschikt om KDW's mee te bepalen. In het artikel wordt er melding van gemaakt dat in vrijwel alle studies al bij de laagste toevoeging van stikstof een negatief effect werd geconstateerd (dat laagste niveau was wel zeer verschillend per experiment). Dat bemoeilijkt het precies kunnen bepalen – via logistische regressie – van het niveau waarop géén significant negatief effect optreedt. Dat is dan ook te verwachten bij habitats die zeer gevoelig zijn voor stikstof, waarbij reeds een vrij beperkte toename van depositie boven de natuurlijke achtergronddepositie al tot negatieve effecten leidt. In vergelijkende veldstudies kan dat alleen nog maar aangetoond worden in de meest schone gebieden binnen Europa, zie bijvoorbeeld de studie over Noorse hoogvenen (M. Jokerud 2012: Impact of Nitrogen Deposition on Species Richness and Species Composition of Ombrotrophic Mires in Western Norway).
Bent u bekend met het bericht «Stikstof best te overleven: «Laten we ons niet blindstaren op modellen»»?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken: «De stikstofbelasting is wel twee keer zo hoog als bepaalde stikstofgevoelige fauna officieel kunnen verdragen, en toch zijn deze soorten stabiel» en «Met bijzondere stikstofgevoelige soorten als de waterbies, wijdbloeiende rus, heidekartelblad en moerashertshooi gaat het goed» van ecoloog en stikstofdeskundige Bart Smeets?4
Deze uitspraak moet in de context worden gezien van de door de heer Smeets opgestelde notitie met de titel «Het Korenburgerveen, een onmogelijke natuurparel?», waar het interview op aansluit. Daarin staan de geciteerde uitspraken niet. Daarentegen staat er in die notitie wel: «Op basis van oude gegevens en de onderzoeken van Berglinde uit 2007 en 2019 kunnen we concluderen dat er in totaal 27 plantensoorten die ooit in het Korenburgerveen groeiden verdwenen zijn. Van deze verdwenen soorten zijn er 12 na het jaar 2000 verdwenen.» En ten slotte wordt geconcludeerd: «De laatste tijd wordt steeds weer de discussie gevoerd over het negatieve effect van depositie van stikstof in Natura 2000 gebieden op de aanwezige natuurwaarden. Ongetwijfeld is een overmaat aan stikstof ongunstig voor kwetsbare planten die een voorkeur hebben voor voedselarme omstandigheden. Maar het is duidelijk dat door het treffen van gerichte maatregelen het effect van de enorme depositie van stikstof (en andere knelfactoren) in het Korenburgerveen geminimaliseerd wordt». De heer Smeets concludeert dus dat herstelmaatregelen voor een deel van de soorten hebben geleid tot een stabilisering, maar dat desondanks alleen al na 2000 twaalf soorten zijn verdwenen.
Hoe is het volgens u mogelijk dat het Korenburgerveen, een «parel van een natuurgebied», floreert terwijl het omringd wordt door talloze intensieve veebedrijven, als er sprake zou zijn van een enorm stikstofprobleem?
Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen.
Wilt u stoppen met het wegtreiteren van boeren en het verkwisten van miljarden euro's aan een verzonnen stikstofprobleem?
Ik draag de boeren een warm hart toe; van het wegtreiteren van boeren was en is geen sprake.
Het stikstofprobleem is niet verzonnen, maar een realiteit. De financiën die voor het oplossen ervan zijn uitgegeven en begroot, zijn noodzakelijk, zowel voor de natuur als voor de maatschappij.
Het bericht dat de natuur in het Korenburgerveen bij Winterswijk zich beter ontwikkelt dan voorspeld op basis van theoretische stikstofmodellen |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek van ECONU, waaruit blijkt dat de natuur zich beter ontwikkelt dan verwacht op basis van theoretische stikstofmodellen?1
Ja.
Is er van andere Natura 2000-gebieden een soortgelijke inventarisatie beschikbaar en is hierbij ook inzicht in de waterhuishouding van dit betreffende gebied, zowel natuurlijke waterstromen als onttrekking ten behoeve van de drinkwatervoorziening?
Ja, dit is en wordt per gebied geïnventariseerd in het kader van de bestaande cyclus van beheerplannen en het wordt nader geïnventariseerd voor het programmeren van herstelmaatregelen (Uitvoeringsprogramma Natuur).
Wat is uw reactie op de oproep van de onderzoekers die pleiten om niet alleen te kijken naar de theoretische kritische depositiewaarden (KDW) maar bijvoorbeeld ook naar gerichte herstelmaatregelen in de praktijk, zoals hydrologische maatregelen?
Die oproep sluit naadloos aan bij het door mij en mijn voorgangers gevoerde beleid.
Bent u bereid deze maatregelen op andere plekken toe te passen? Zo ja, waar en op welke manier? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Deze maatregelen worden in hoogvenen al sinds circa 1950 genomen en zijn met name de laatste decennia sterk geïntensiveerd. er valt op dit vlak echter nog veel winst te behalen. De noodzaak tot het nemen van deze maatregelen is heel duidelijk, niet alleen vanwege stikstof maar ook vanwege de klimaatproblematiek. Daarom vormen ze een prominent onderdeel van het Programma Natuur, waarvoor provincies momenteel plannen indienen.
Deelt u de mening dat ieder natuurgebied zijn eigen verschillende, bijzondere en karakteristieke soorten en habitattypen bevat en dat ieder gebied dus een eigen gebiedsgerichte aanpak vraagt en dat alleen kijken naar KDWs en stikstof te beperkt is en beperkend werkt? Zo ja, op welke wijze gaat u ruimte bieden voor dit gebiedsgerichte maatwerk in de structurele aanpak stikstof? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Inderdaad vraagt ieder gebied een eigen gebiedsgerichte, integrale aanpak. Daarom is het Programma Natuur, naast maatregelen gericht op het reduceren van stikstofdepositie, onderdeel van de uitwerking van de Wsn. In de Wsn is daarom in artikel 1.12af opgenomen dat gedeputeerde staten een gebiedsplan opstellen met een gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarde en het programma stikstofreductie en natuurverbetering.
Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Bent u bereid om een reactie te geven op de conclusies en aanbevelingen van het rapport van ECONU en deze aan de Kamer te doen toekomen?
Uit het antwoord op vraag 3 blijkt dat ik de aanbeveling van de heer Smeets onderschrijf. Ook de conclusies uit de notitie kan ik op hoofdlijnen onderschrijven: ze vormen in zijn algemeenheid een goede samenvatting van de evaluatierapporten van de provincie Gelderland en van de beheerders van het gebied.
Ik plaats daarbij wel een kanttekening. Dat sprake is van een «minimalisering» van het effect van stikstofdepositie is niet juist; zo blijkt bijvoorbeeld dat het habitattype Actieve hoogvenen zich heeft uitgebreid, maar dat wel degelijk effecten van stikstof zichtbaar zijn in dat habitattype, zoals een grotere bedekking van grassen dan van nature het geval is. Bij de Blauwgraslanden is dat nog veel duidelijker, omdat hier het positieve effect van de maatregelen nog onvoldoende is. En het positieve effect van waterhuishoudkundige maatregelen is eindig, wat betekent dat de negatieve effecten van stikstof op termijn niet meer opgevangen zullen worden door de verbetering als gevolg van de genomen waterhuishoudkundige maatregelen.
Het manifest van artsen en wetenschappers dat pleit voor schonere lucht |
|
Bouchallikh |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «Drie keer op de intensive care door luchtvervuiling: «Dit is het moment om onze kinderen gezonde lucht te geven»»1?
Ja
Wat is uw oordeel over het feit dat Noëlle uit Rozenburg, onderdeel van de gemeente Rotterdam, drie keer op de intensive care belandde vanwege de slechte luchtkwaliteit rondom de Rotterdamse haven?
Het is uiterst verdrietig als een kind zoals Noёlle zulke ernstige gezondheidsklachten moet ondervinden. In algemene zin is bekend dat luchtvervuiling, naast vroegtijdige sterfte, ook tot een breed scala aan negatieve gezondheidseffecten kan leiden, waaronder een hogere kans op het ontstaan en het verergeren van longklachten. De luchtkwaliteit is de afgelopen jaren al sterk verbeterd. Inmiddels voldoen we in Nederland vrijwel overal aan de Europese grenswaarden voor NO2 en fijnstof. Maar ook onder de Europese grenswaarden en zelfs onder de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), leidt luchtvervuiling tot negatieve gezondheidseffecten. Daarom zet ik mij in het Schone Lucht Akkoord, samen met decentrale overheden, in voor een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor alle Nederlanders te realiseren. Concreet is afgesproken om de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging uit Nederlandse bronnen met 50% te reduceren in 2030 ten opzichte van 2016.
Hoe staat dit voorval in verhouding tot het feit dat de gemeente Rotterdam het Schone Lucht Akkoord (SLA) heeft ondertekend? Op welke termijn kunnen we resultaten verwachten van het SLA en op welke wijze wordt de uitvoering van het SLA gehandhaafd?
Ingrijpende gezondheidseffecten zijn niet alleen voor de rijksoverheid, maar ook voor provincies en voor gemeenten zoals Rotterdam, een belangrijke reden om te werken aan ambitieus luchtbeleid.
Ik heb uw Kamer in april de uitvoeringsagenda van het Schone Lucht Akkoord gestuurd. Hierin staat welke activiteiten en resultaten op welk moment geleverd worden en hoe de voortgang wordt gemonitord. Eind van dit jaar voert RIVM de 0-meting van het Akkoord uit, hierin wordt met de gezondheidsindicator de gezondheidswinst van het Schone Lucht Akkoord berekend. Vervolgens zal eens per twee jaar het doelbereik worden berekend met de gezondheidsindicator. Zodra de rapportage van de 0-meting gereed is, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat elk kind recht heeft op schone lucht? Zo ja, bent u van oordeel dat het kabinet op dit moment voldoende maatregelen neemt om dat recht te waarborgen en waarom?
Mijn ambitie is dat niet alleen kinderen, maar dat iedereen in Nederland in een gezonde leefomgeving kan opgroeien en leven. Schone Lucht is daarvoor een belangrijke voorwaarde. De luchtkwaliteit is door internationaal, nationaal en lokaal luchtkwaliteitsbeleid de afgelopen jaren sterk verbeterd. Toch behoort luchtverontreiniging nog tot één van de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid. Daarom heeft het kabinet met andere overheden in het Schone Lucht Akkoord afgesproken te werken aan gezondheidswinst door in te zetten op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit.
Bent u bekend met de dwarsverbanden die door wetenschappers worden gelegd tussen een slechte luchtkwaliteit en kwetsbare wijken? Wat vindt u er bijvoorbeeld van dat kinderen op achtergestelde scholen meer risico lopen op de gevolgen van een slechte luchtkwaliteit2? Heeft dit thema uw aandacht? Zo ja, hoe uit zich dat?
In de beantwoording op de Kamervragen van lid Kuzu (DENK) de leden Kwint en Laçin (beiden SP) op 27 januari 2020 ben ik, samen met de Ministers van VWS en OCW, ingegaan op de samenhang tussen luchtkwaliteit en kwetsbare wijken en scholen. Ik ben van mening dat de luchtkwaliteit overal in Nederland moet verbeteren, ook in kwetsbare wijken. Daarnaast werk ik conform het advies van de Gezondheidsraad, samen met RIVM, gemeenten en provincies een aanvullende aanpak uit voor gebieden waar de blootstelling aan luchtverontreiniging hoog is. Mijn streven is om uw Kamer nog dit jaar te informeren over deze aanpak.
De aanpak van gezondheidsachterstanden en de gezondheid van de fysieke en sociale leefomgeving zijn ook prioriteiten voor het lokale gezondheidsbeleid die de Staatssecretaris van VWS heeft opgenomen in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid (Kamerstuk 32 793, nr. 481).
Klopt het dat er tienduizenden mensen met een longziekte overwegen om te verhuizen vanwege een slechte luchtkwaliteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen moeten er ondernomen worden om de luchtkwaliteit in ieder deel van Nederland op peil te houden?
Uit onderzoek door Nivel3 in opdracht van het Longfonds blijkt dat één op de acht longpatiënten (12 procent) vanwege slechte luchtkwaliteit weleens overweegt te verhuizen. Het op peil houden van de huidige luchtkwaliteit is niet voldoende om ervoor te zorgen dat ook kwetsbare groepen zoals longpatiënten overal in Nederland kunnen wonen zonder gezondheidsklachten te ervaren. Daarom werk ik samen met medeoverheden aan verdergaande gezondheidswinst door een permanente verbetering van de luchtkwaliteit.
Bent u bekend met het manifest van longartsen, kinderartsen, huisartsen en wetenschappers voor schone lucht3? Zo ja, kunt u reflecteren op de inhoud van dit manifest?
Ja, ik ben bekend met het manifest. Ik zie het manifest als een belangrijke aansporing om het Schone Lucht Akkoord ambitieus en effectief uit te voeren.
Deelt u de mening van zorgprofessionals en wetenschappers dat er meer ambitie en snelheid nodig is voor preventie van ziekte en dat er een extra impuls moet worden gegeven aan schone lucht? Zo nee, waarom niet?
Hoe beter de luchtkwaliteit, hoe groter de gezondheidswinst. Bij het opstellen van het Schone Lucht Akkoord is het doel afgesproken om 50% gezondheidswinst te realiseren in 2030 ten opzichte van 2016 voor luchtvervuiling afkomstig uit binnenlandse bronnen. Voor dit doel is gekozen omdat het naar verwachting ambitieus én haalbaar is.
Naast de concrete maatregelen uit het Akkoord, werk ik aan pilots en een kennisagenda om aanvullende innovatieve aanpakken te ontwikkelen. Ook voer ik een verkenning uit naar aanvullende maatregelen voor het terugdringen van luchtvervuiling door houtstook. Daarnaast zijn deelnemende gemeenten en provincies volop bezig met het uitwerken van hun eigen aanvullende maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Mocht blijken dat het mogelijk is om meer gezondheidswinst te realiseren, door de luchtvervuiling sneller of meer te verbeteren, dan zal ik mij daar zeker voor inzetten.
Belangrijke notie die ik niet onvermeld wil laten, is dat voor de verbetering van de luchtkwaliteit ook het effectief uitvoeren van bestaand beleid, inclusief het monitoren en toezicht, het verankeren van luchtkwaliteit in ander beleid en inzet op ambitieus internationaal beleid van groot belang zijn. Ook daar zet ik mij, samen met gemeenten en provincies en stakeholders, voor in.
Deelt u de mening van de ondertekenaars van het manifest dat het doel uit het SLA – 50% gezondheidswinst in 2030 – naar voren moet worden gehaald? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel gemeenten doen er inmiddels mee aan het SLA en welke stappen neemt u om meer gemeenten te stimuleren om mee te doen?
Op dit moment telt het Schone Lucht Akkoord 91 deelnemers waaronder alle twaalf provincies en 78 gemeenten. Een actueel overzicht van de deelnemers staat op de website www.schoneluchtakkoord.nl. Daarmee heeft het Schone Lucht Akkoord al een landsdekkende werking. Wel helpt het als meer gemeenten deelnemen en met lokale maatregelen de luchtvervuiling in hun gemeente aanpakken. Daarom zet ik mij in om meer gemeenten bij het akkoord te betrekken. Ik heb gemeenten en provincies per brief uitgenodigd om aan het Schone Lucht Akkoord deel te nemen. Daarnaast informeer ik gemeenten regelmatig over het Schone Lucht Akkoord via nieuwsbrieven, artikelen in tijdschriften en social media. Ook heb ik dit voorjaar informatiebijeenkomsten georganiseerd voor geïnteresseerde gemeenten. Veel van de deelnemende gemeenten en provincies benaderen ook zelf gemeenten in hun omgeving om het belang van deelname aan het Schone Lucht Akkoord te benadrukken. Ten slotte ondersteun ik gemeenten financieel bij de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord met een Specifieke Uitkering die in april is opengesteld.
Wat vindt u van de oproep om de noodzaak van het realiseren van gezonde lucht beter te verbinden aan bestaande opgaven rondom klimaat, de energietransitie en de stikstofproblematiek? Worden de effecten op luchtkwaliteit en gezondheid in dergelijke dossiers op dit moment voldoende meegenomen?
Het kabinet onderschrijft het belang van het verbinden van verschillende beleidsopgaven. Veel maatregelen uit het klimaatbeleid, de stikstofaanpak en het Schone Lucht Akkoord hangen nauw met elkaar samen en versterken elkaar. Zo dragen maatregelen voor het versnellen van de transitie naar elektrisch vervoer, het stimuleren van de fiets en schoon OV, het verlagen van de maximumsnelheid, investeringen in walstroom en het verduurzamen van de landbouw ook bij aan gezondere lucht. Een mooi voorbeeld is de integrale routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen die wordt uitgewerkt vanuit zowel klimaat, stikstof als Luchtkwaliteit en Gezondheid. Een ander voorbeeld is het duurzaamheidskader voor biogrondstoffen, luchtkwaliteit is hier als een van de pijlers in uitgewerkt.
Op 16 april heeft u een brief ontvangen over het nieuwe programma Gezonde Groene Leefomgeving dat onder de Nationale Omgevingsvisie wordt opgezet (Kamerstuk 32 793, nr. 549). In dat programma worden ook dwarsverbanden gelegd met het Schone Lucht Akkoord en het Nationaal Milieukader, naast vele andere (beleids)activiteiten om de gezondheid van de leefomgeving van mensen in Nederland te verbeteren.
Om deze voortgang meer structureel vorm te geven, verken ik, conform de aanbevelingen uit het IBO luchtkwaliteit, op welke wijze gezondheidseffecten van luchtvervuiling nu al zijn verankerd in ander beleid en waar aanvullende afspraken effectief kunnen zijn.
Wat is uw oordeel over het pleidooi in het manifest om een speciaal gezant voor schone lucht te benoemen? Ziet u dat als een effectieve manier om de luchtkwaliteit in Nederland sneller te verbeteren? Kunt u toelichten waarom wel of niet?
Ik vind het pleidooi voor een speciaal gezant een sympathiek idee. Tegelijk ben ik van mening dat dit op dit moment geen versnelling voor de aanpak van het Schone Lucht Akkoord op zal leveren. Met de uitvoeringsagenda is dit voorjaar een belangrijke mijlpaal gerealiseerd voor een effectieve uitvoering van het akkoord. Naar mijn overtuiging zou de prioriteit de komende tijd moeten liggen op het snel en voortvarend uitvoeren van de afspraken uit het akkoord.
Natuur die zich goed ontwikkelt ondanks stikstofdepositie en de definitie van het begrip project bij vergunningsverzoeken. |
|
Derk Boswijk (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ecoloog: Korenburgerveen ontwikkelt zich goed ondanks stikstofdepositie»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de natuur in het Achterhoekse Natura 2000-gebied Korenburgerveen zich in de praktijk beter ontwikkelt dan op basis van theoretische stikstofmodellen werd voorspeld?
De reactie van de natuur op basis van de bedoelde theoretische stikstofmodellen betreft de verwachte verslechtering in het geval de KDW van een habitattype wordt overschreden. De kans op het daadwerkelijk optreden van verslechtering neemt toe als de overschrijding groot is en lang duurt. Aan de andere kant staan herstelmaatregelen ter beschikking om verslechtering zoveel mogelijk te voorkomen. Meestal zal het dan gaan om een tijdelijk positief effect, maar zeker bij waterhuishoudkundige maatregelen is de ervaring dat het positieve effect langjarig voortduurt. Dat de balans bij het Korenburgerveen op dit moment neutraal tot positief is, was voorspeld in het beheerplan, want het beoogde doel van de maatregelen van de afgelopen jaren.
Wat is uw appreciatie van de uit de analyse voortkomende conclusie dat door gerichte (hydrologische) herstelmaatregelen het effect van de depositie van stikstof in het Korenburgerveen geminimaliseerd wordt en er in het gebied sprake is van een gunstige ontwikkeling?
Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen. Dat sprake is van een «minimalisering» van het effect van stikstofdepositie is niet juist; zo blijkt bijvoorbeeld dat het habitattype Actieve hoogvenen zich heeft uitgebreid, maar dat wel degelijk effecten van stikstof zichtbaar zijn in dat habitattype, zoals een grotere bedekking van grassen dan van nature het geval is. Bij de Blauwgraslanden is dat nog veel duidelijker, omdat hier het positieve effect van de maatregelen nog onvoldoende is. En zoals in het antwoord op vraag 2 al is gemeld, is het positieve effect van waterhuishoudkundige maatregelen eindig, wat betekent dat de negatieve effecten van stikstof op termijn niet meer opgevangen zullen worden door de verbetering als gevolg van de genomen waterhuishoudkundige maatregelen.
Wat betekent deze ontwikkeling in het Natura 2000-gebied Korenburgerveen voor andere Natura 2000-gebieden in Nederland? Ziet u dit als aanleiding om ook in andere gebieden meer in te zetten op gerichte (hydrologische) herstelmaatregelen of dat ten minste te onderzoeken?
De positieve reactie van dit gebied op de genomen herstelmaatregelen staat niet op zichzelf. Ook in andere (hoogveen)gebieden zijn positieve reacties te zien. De noodzaak tot het nemen van deze maatregelen is dus heel duidelijk, niet alleen vanwege stikstof maar ook vanwege de klimaatproblematiek (dat hebben de drie droge zomers ons ook geleerd). Daarom vormen ze een prominent onderdeel van het Programma Natuur, waarvoor momenteel veel plannen worden ingediend.
Deelt u de mening dat deze casus eens te meer aantoont dat het van groot belang is om verder te kijken dan de theoretische gevolgen van het overschrijden van kritische depositiewaardes voor stikstof, en dat een integrale aanpak met daarin meer aandacht voor herstelmaatregelen in de praktijk tot betere resultaten leidt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent deze conclusie voor het stikstofbeleid op de korte, middellange en lange termijn?
Een integrale aanpak is inderdaad heel belangrijk. Dat is ook wat onder meer de aanpak van het Programma Natuur behelst. Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Kunt u een definitie geven van het begrip «project», aangezien dit niet is gedefinieerd of wordt uitgelegd in de Wet natuurbescherming of de Habitatrichtlijn?
In het arrest van het Europese Hof en de uitspraken van de Raad van State over het PAS en de vrijstelling voor beweiden en bemesten staat dat voor de vraag of een activiteit een project is, als bedoeld in de Habitatrichtlijn, moet worden nagegaan of die activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Kan het begrip «project» naar eigen oordeel worden afgebakend door aanvragers of bevoegde gezagen?
Nee, uit het antwoord op vraag 6 blijkt dat de afbakening afhangt van de vraag of de betrokken activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Moeten bij een uitbreiding op basis van het verkeersmodel Nederlands Regionaal Model (NRM) de mogelijke effecten van de verkeersaantrekkende werking van de beoogde uitbreiding meegenomen worden?
Bij de toetsing of een plan of project tot significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kan leiden, dienen alle mogelijke effecten van het desbetreffende plan of project betrokken te worden, waaronder de mogelijke effecten van verkeersaantrekkende werking. Dat geldt dus ook voor plannen en projecten waarvoor het NRM wordt gebruikt om de verkeersaantrekkende werking te bepalen.
Moet een vergunning die aangevraagd wordt in het kader van de Wet natuurbescherming (bijvoorbeeld een melkveehouderij die van 100 melkkoeien wil groeien naar uiteindelijk 300 melkkoeien) betrekking hebben op het gehele project (bijvoorbeeld 300 melkkoeien), of mag het in onderdelen worden opgeknipt (bijvoorbeeld elke twee jaar een vergunning vragen voor 100 koeien meer ten opzichte van de vorige aanvraag)?
De aanvraag is altijd de basis voor de te verlenen vergunning. De aanvraag van een natuurvergunning moet betrekking hebben op alle met de aangevraagde activiteit onlosmakelijk samenhangende onderdelen. Onzekere toekomstplannen zijn niet als zodanig aan te merken. Wanneer een natuurvergunning is verleend voor het project melkveehouderij met 100 koeien, en na twee jaar wil de veehouderij uitbreiden met 100 koeien, dan moet die uitbreiding worden beoordeeld ten opzichte van de bestaande situatie van 100 koeien en de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden. Als de vergunning voor de tweede 100 koeien kan worden verleend, en de veehouderij wil twee jaar later opnieuw uitbreiden met 100 koeien, dan moet die uitbreiding worden beoordeeld ten opzichte van de vergunde 200 koeien en de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden.
Kan een vergunningverzoek van Bedrijf B dat extern wil salderen met bedrijf A (beide uiteindelijk van dezelfde eigenaar en 54 kilometer uit elkaar liggend) in behandeling worden genomen als bedrijf A nog geen onherroepelijke Wet natuurbescherming-vergunning heeft waarin de stikstofruimte is vastgelegd?
Ja, dat kan, mits wordt gesaldeerd met toegestane depositie op dezelfde locatie waar stikstofgevoelig habitat voorkomt. Die toestemming kan bestaan uit een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of een toestemming van voor het moment dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 7 mei 2021?
Een gedegen beantwoording van de vragen kostten meer tijd, waardoor het niet is gelukt om deze vragen te beantwoording voor 7 mei 2021.