Rechterlijk ingrijpen in het waterbeheer. |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten in het Nederlands Dagblad «Na stikstofcrisis vrezen partijen een watercrisis» en «Waterkwaliteit is tikkende tijdbom» in Trouw?1
Ja.
Deelt u de verwachting van Tweede Kamerlid Tjeerd de Groot (D66) en Laura Bromet (GroenLinks) dat de rechter het land op slot gaat zetten zodat na de stikstofcrisis een watercrisis over ons heen dreigt te golven met grote economische en maatschappelijke gevolgen?
Tijdens het Commissiedebat van 9 juni jl. is gesproken over de risico’s die Nederland loopt als in 2027 niet is voldaan aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW uit 2000 stelt in artikel 4 dat er maatregelen moeten worden genomen om achteruitgang van de kwaliteit van oppervlakte- en grondwaterlichamen te voorkómen en om uiterlijk in 2015 een goede toestand van oppervlakte- en grondwaterlichamen te bereiken.
In het artikel is ook bepaald dat bij het stellen van doelen voor oppervlaktewaterlichamen onder voorwaarden rekening mag worden gehouden met de functies van het water. In plaats van de goede toestand kan dan een goed potentieel worden nagestreefd. Daarnaast kan het bereiken van de goede toestand of potentieel van oppervlaktewaterlichamen en de goede toestand van grondwaterlichamen voor maximaal 2 maal 6 jaar worden gefaseerd, tot 2027, op grond van technische onhaalbaarheid en onevenredige kosten.
Nederland heeft voor een groot deel van de waterlichamen gebruik gemaakt van deze mogelijkheden in de stroomgebiedbeheerplannen van 2015 (2016–2021) en ook weer in de ontwerpstroomgebiedbeheerplannen (2022–2027) die nu ter inzage liggen2. De Europese Commissie heeft in haar oordeel over de plannen van 2015 geen bezwaar gemaakt tegen de gehanteerde motivering.
In de stroomgebiedbeheerplannen vanaf 2027 zal niet meer de mogelijkheid bestaan doelbereik te faseren op grond van technische onhaalbaarheid en onevenredige kosten. De ratio is dat lidstaten dan voldoende tijd hebben gehad sinds de richtlijn in 2000 van kracht werd. Er bestaan wel andere uitzonderingsgronden waarop lidstaten zich kunnen beroepen als doelen niet gerealiseerd zijn. Ook in 2027. Ten eerste kan verder uitstel van doelbereik worden gemotiveerd als de oorzaak ligt bij natuurlijke omstandigheden. Zo duurt het vele jaren voordat de kwaliteit van grondwater reageert op veranderingen boven de grond. En ook in het oppervlaktewater zullen bepaalde chemische stoffen nog lang aanwezig zijn, ook als het gebruik van de stof is verboden. Hierbij is het dus belangrijk dat in ieder geval de maatregelen uiterlijk in 2027 zijn uitgevoerd.
Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om minder strenge doelen vast te stellen voor specifieke waterlichamen. Als onderdeel van de motivatie dient in feite aangetoond te worden dat al het mogelijke is gedaan. We hebben nog 6 jaar om daar invulling aan te geven en om die reden heeft Nederland tot nog toe geen gebruik gemaakt van deze uitzonderingsgrond. Ook in andere landen is dit nog maar beperkt gedaan. Het uitgangspunt om tegen 2027 te bezien in hoeverre de uitzonderingsgrond van minder strenge doelen nodig is, is met uw Kamer gedeeld in 2008 (Kamerstuk 27 625, nr. 119) – vóór de eerste stroomgebiedbeheerplannen van 2009 (2009–2015). Deze aanpak is begin dit jaar bevestigd door onderzoek van juristen van Element Advocaten en de Universiteit Utrecht in opdracht van de gezamenlijke provincies3.
In de ontwerpstroomgebiedbeheerplannen (2022–2027) zijn aanvullende maatregelen opgenomen om de waterkwaliteit verder te verbeteren. In 2024 is een tussenevaluatie gepland om na te gaan of er meer maatregelen nodig en mogelijk zijn en om zo nodig een motivatie richting de Europese Commissie voor te bereiden.
Nadat de definitieve stroomgebiedbeheerplannen (2022–2027) zijn vastgesteld en in maart 2022 aan de Europese Commissie worden gestuurd, heeft de Commissie gelegenheid hierop een reactie te geven die eventueel kan leiden tot een inbreukprocedure. Ook kan bij concrete besluiten nationaal via de rechter worden getoetst of de plannen voldoende in lijn zijn met de richtlijn. Op grond van de keuzes en ambitie van het Kabinet acht ik het risico dat «de rechter het land op slot gaat zetten» tot 2027 gering. Na 2027 hangt dit risico af van de volledigheid van het maatregelpakket tot 2027 en de mate waarin we in staat zijn de motivatie voor het gebruik van de uitzonderingsgronden goed te onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat u bij het kaart brengen van de juridische aspecten rond de wijze waarop Nederland uitvoering geeft aan de Kaderrichtlijn Water alles op alles zet om te voorkomen dat u onverhoopt actiegroepen in de kaart speelt die de uitkomsten van het onderzoek zullen aangrijpen om rechtszaken te beginnen tegen de Staat?
Er wordt hard gewerkt om te voorkomen dat er een Europese inbreukprocedure tegen Nederland zou moeten worden gestart of dat er rechtszaken zouden kunnen slagen door:
Onderkent u dat het verwijzen naar dreigende juridische procedures waarmee actiegroepen buiten de politieke besluitvorming om bij de rechter hun gelijk kunnen halen opnieuw aantoont dat het collectieve actierecht (art. 3:305a Burgerlijk Wetboek) dringend bijstelling behoeft?
Ik zie geen aanleiding het collectieve actierecht bij te stellen. In een democratische rechtsstaat staat het beginsel centraal dat zowel burgers als de overheid aangesproken kunnen worden op de nakoming van wet- en regelgeving en hetgeen uit wet- en regelgeving aan rechten en plichten voortvloeit. Burgers, zowel natuurlijke als rechtspersonen, kunnen (vermeende) schendingen van het recht aan de rechter voorleggen voor zover zij daarbij in hun belangen geraakt worden.
Dit geldt evenzeer voor actiegroepen die opkomen voor de (gebundelde) belangen die zij behartigen. Actiegroepen kunnen daarbij, als zij over rechtspersoonlijkheid beschikken, gebruik maken van het collectieve actierecht dat is verankerd in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (en voor de bestuursrechtelijke variant in artikel 1:2 derde lid van de Algemene wet bestuursrecht). Het feit dat een actiegroep aangeeft van dit recht mogelijk gebruik te zullen maken, vormt geen reden om dit recht bij te stellen. Een actiegroep handelt hierbij immers niet anders dan een burger die zich ten opzichte van de overheid op zijn rechten of de vermeende schending daarvan beroept.
Bent u van oordeel dat het aan het parlement is om uitleg te geven aan en keuzes te maken met betrekking tot de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water en niet aan de rechter?
De maatregelen waarmee Nederland de KRW implementeert liggen bij de wetgever. Als de maatregelen van de wetgever ter uitvoering van de richtlijn tekort schieten, vereist het EU-recht dat de mogelijke schending van de richtlijn kan worden voorgelegd aan de nationale rechter. De nationale rechter heeft op grond van het EU-recht de verantwoordelijkheid en taak om zorg te dragen voor naleving van het EU-recht. In deze lijn is het ook aan de nationale rechter om te oordelen of een lidstaat handelt in overeenstemming met de eisen die het EU-recht stelt. In deze beoordeling kan de nationale rechter (indien nodig) prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Hoewel de wetgever dus inderdaad keuzes kan maken met betrekking tot de uitvoering van de KRW, heeft – en ik verwijs hierbij naar hetgeen hiervoor in antwoord op vraag 4 is gezegd – de onafhankelijke rechter de verantwoordelijkheid en taak om desgevraagd te toetsen of die maatregelen afdoende zijn om de KRW-doelstellingen te verwezenlijken.
De onthulling dat de overheid vastlegging van stikstof door bodemleven, de grootste stikstofbron, buiten het stikstofbeleid houdt. |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de publicatie van Stichting Agrifacts (Staf) waarin wordt gesteld dat de overheid de grootste stikstofbron buiten het stikstofbeleid houdt?1
Ja.
Was u op de hoogte van de in de publicatie genoemde metingen door de Universiteit van Antwerpen?
Nee.
Als u niet van deze belangwekkende metingen op de hoogte was, hoe kon dat het geval zijn?
De betreffende bodemonderzoeken uit 2010 en 2014 zijn onderdeel van de door de provincie Drenthe toegepaste werkwijze om de uitkomsten van het florameetnet mee te ijken en te controleren. Het betreft hier het Drentse deel van het Landelijke Meetnet Flora. Daarmee wordt niet alleen gemeten hoe het met de planten zelf gaat, maar wordt via de planten ook geanalyseerd hoe het met de milieuomstandigheden gaat. De plantensoorten fungeren dus als bioindicator voor bodem en water. Om dit meetinstrument te ijken, laat de provincie zo nu en dan de daadwerkelijke bodembeschikbaarheid van de verschillende voedingsstoffen controleren.
Omdat de ijkingsresultaten geen aanleiding gaven tot het aanpassen van wetenschappelijke inzichten of tot bijstelling van het natuurbeleid, was er geen reden om mij van de resultaten op de hoogte te stellen.
Is de wetenschappelijke analyse van Staf feitelijk correct dat de verschillende zogenoemde natuurbodems behalve stikstofdepositie ook stikstofvastlegging vanuit de lucht (N2) kennen door bodemleven (bacteriën en andere bodemorganismen)?
Ja, dat is een algemeen bekend fenomeen.
Indien de analyse van Staf juist is, hoeveel kilogram stikstof aanvoer per hectare per jaar is hiervan het gevolg voor respectievelijk droge heide, natte heide, droge bossen zonder productie, droge bossen met productie, vochtige bossen zonder productie, vochtige bossen met productie, bloem- en kruidenrijk weidevogelgrasland, schraalgrasland en zandverstuivingen?
De meeste experts schatten de hoeveel stikstof die in natuurterreinen wordt gefixeerd op gemiddeld 2 á 3 kilo stikstof per hectare per jaar. Een uitsplitsing naar type natuur kon op deze termijn niet worden gemaakt, maar duidelijk is wel dat de hoeveelheid stikstofbinding met name afhangt van het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde plantensoorten waarmee de stikstofbindende bacteriën in symbiose leven. Het gaat daarbij om vlinderbloemigen in graslanden (zoals klavers) en om zwarte els in moerasbossen.
Het binden van deze hoeveelheid stikstof door planten in natuurgebieden is een natuurlijk proces waar al rekening mee is gehouden in de bepaling van de kritische depositiewaarden, terwijl stikstofdepositie uit menselijke activiteiten een kunstmatige toevoeging is.
Klopt het dat afbraak van de bodemvoorraad stikstof (afbraak van organische stof) een belangrijke bron is van de toevoer van stikstof naar stikstofgevoelige natuur?
In de natuur is sprake van een stikstofkringloop: enerzijds komt stikstof vrij uit afgebroken organische stof, anderzijds wordt stikstof vastgelegd in planten en door bodemorganismen. Van nature is de toevoer vanuit de lucht heel gering; de nutriënten moeten dus vooral uit de bodem komen.
Om hoeveel kilogram per hectare per jaar gaat het bij achtereenvolgens droge heide, natte heide, droge bossen zonder productie, droge bossen met productie, vochtige bossen zonder productie, vochtige bossen met productie, bloem- en kruidenrijk weidevogelgrasland, schraalgrasland en zandverstuivingen?
Ik beschik niet over een berekening per type natuur, maar de Universiteit van Antwerpen heeft op verzoek van de provincie Drenthe wel berekend wat het gemiddelde is2. Op basis van de gemeten productiviteit van de plantengroei in de onderzochte gebieden, die gemiddeld 2.512 kg droge stof per ha per jaar bedraagt, is berekend dat per jaar gemiddeld 38 kg stikstof uit de bodem wordt gebruikt. Dat is beduidend lager dan de 30 tot 250 kg die in het artikel worden genoemd. Om dit in perspectief te plaatsen: de stikstofdepositie uit de lucht voegt daar gemiddeld 21 kg (in 20193) aan toe, een extra toevoer van 55%.
Wordt de omvang van de stikstofbron onder vraag 7 gemeten of in kaart gebracht voor de verschillende habitats binnen natuurgebieden?
Nee.
Als het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, kunt u die gegevens beschikbaar stellen?
Zie het antwoord op vraag 8.
Als het antwoord op 8 bevestigend luidt, waarom neemt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en u deze aanvoer niet mee in de aanvoer van stikstof per hectare voor stikstofgevoelige vegetaties?
Wat van buiten, via de lucht, in het ecosysteem komt, wordt door het RIVM meegenomen in de berekeningen; dat is inclusief stikstofverbindingen die uit natuurlijke vegetaties in de lucht komen en getransporteerd worden naar andere natuurgebieden. De stikstof die onderdeel is van de stikstofkringloop in het ecosysteem wordt niet meegenomen, omdat het geen extra aanvoer betreft.
Kunt u de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk informeren of de bevindingen van de Universiteit van Antwerpen ook opgaan voor de natuurgebieden in de overige provincies?
Hier is geen onderzoek naar gedaan, maar aangenomen mag worden dat de resultaten min of meer representatief zullen zijn voor andere provincies.
Onderkent u dat de bevindingen van de Universiteit van Antwerpen van grote betekenis zijn voor de toekenning van de uitstoot van stikstof uit verschillende bronnen en kunnen leiden tot het bijstellen van tot dusver gehanteerde aannames?
Nee, de resultaten hebben geen nieuwe wetenschappelijke inzichten opgeleverd.
Bent u bereid om naar aanleiding van het onderzoek van de Universiteit van Antwerpen in alle stikstofgevoelige gebieden vergelijkbare bodemanalyses te laten uitvoeren?
Daar is vanuit het stikstofbeleid geen aanleiding toe. Het is aan de provincies om te bepalen of ze dit type onderzoek om andere redenen (zoals het ijken van het florameetnet) willen laten uitvoeren.
Als de analyse van Staf inzake het jaarlijks vrijkomen van 30 tot 250 kilo stikstof per hectare uit de bodemvoorraad (afbraak organische stof) juist is, welk effect hebben dan de huidige stikstofregels zoals snelheidsbeperking en veehouderij op de staat van instandhouding van de natuur?
De vergelijking die door Staf is gemaakt, leidt tot onjuiste conclusies, zoals blijkt uit de antwoorden op vraag 8 en 10. De analyse heeft dan ook geen gevolgen voor het bepalen van het effect van de stikstofregels.
Worden de stikstofwinsten zoals deze in bestaande door de overheid gehanteerde modellen worden berekend, tenietgedaan door de grotere toestroom van stikstof uit de bodem zoals nu berekend door Staf, waardoor er geen meetbaar effect zal zijn van het maatregelenpakket voor landbouw, verkeer en industrie?
Dat is niet het geval.
Hoe verhoudt de aanvoer van stikstof uit de bodemvoorraad zich tot de kritische depositiewaarde van de vegetatie?
Die aanvoer is in de KDW verdisconteerd, zowel bij de empirisch vastgestelde KDW-bandbreedtes als bij de modelmatig vastgestelde KDW'n, omdat de stikstofkringloop onderdeel is van wat respectievelijk bij veldmetingen wordt vastgesteld en hoe de modellen zijn gemaakt.
Bent u bereid, gezien deze nieuwe informatie en de grote gevolgen van de inzichten die uit deze nieuwe wetenschappelijke benadering voortvloeien, om op zeer korte termijn een nadere studie uit te laten voeren, door een ander instituut dan het RIVM of Wageningen University & Reasearch (WUR) naar deze materie, bijvoorbeeld het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED) van de Universiteit van Amsterdam?
Daar is geen aanleiding voor.
Bent u bereid antwoord te geven op iedere vraag afzonderlijk?
Ja.
De interpretatie van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG) |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met deze interpretatieve nota?1
Ja.
Bent u van mening dat de huidige stikstofaanpak voldoet aan de interpretatie van de Europese Commissie van artikel 6 lid 2 («verslechteringsverbod») en zo ja, waarom? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op de relevante (dikgedrukte) onderdelen uit de interpretatieve nota?
Uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn volgt dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden niet mag verslechteren. Dit betekent dat behoud duurzaam geborgd moet worden. Het kabinet geeft dan ook invulling aan deze verplichting. De structurele aanpak draagt bij aan de afname van de stikstofdepositie in alle gebieden. Met de structurele aanpak, die met de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is verankerd in de Wet natuurbescherming, wordt beoogd via een robuust pakket aan maatregelen duurzaam behoud van de natuur te verzekeren en wordt verder gewerkt aan het realiseren van de verbeterdoelstellingen. Dit door én in te zetten op een aanmerkelijke vermindering van de stikstofdepositie én een verdere impuls te geven aan verbetering van de voor stikstof gevoelige natuur. Dit draagt bij aan het op landelijk niveau realiseren van een gunstige staat van instandhouding. De structurele aanpak voorziet in een omvangrijk pakket aan natuur- en bronmaatregelen gericht op structurele reductie van de stikstofbelasting en op herstel en verbetering van de natuurcondities in de Natura 2000-gebieden. Dit structurele pakket inclusief de maatregelen en financiële middelen die in de brief van 24 april 2020 zijn aangekondigd, is ook doorgerekend door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Om die ambitie en opgave voor stikstofreductie richting te geven, zijn er doelen in de vorm van wettelijk vastgelegde resultaatsverplichtende omgevingswaarden geformuleerd voor 2025, 2030 en 2035: in 2025 dient ten minste 40 procent van de hectares met stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (KDW) te zijn gebracht, in 2030 is dat 50% en in 2035 74%. De inzet is om hiermee een robuust aantal hectares onder de KDW te brengen en ook substantiële stikstofreductie te bereiken op overige stikstofgevoelige hectares. De gunstige staat van instandhouding wordt niet enkel bereikt door een reductie van de stikstofdepositie, maar ook aspecten als versnippering, hydrologie en een te beperkt leefgebied zijn hiervoor van belang. Onder meer via het Natuurpact en het programma Natuur wordt aan de verbetering hiervan gewerkt.
Bij het ontwerp van de structurele aanpak is gebruik gemaakt van de meest recente informatie met landelijke dekking over de staat van de natuur.
Dit zijn de beheerplannen die voor alle Natura 2000-gebieden zijn opgesteld conform de Wet natuurbescherming. Daarin staan de nodige passende maatregelen en instandhoudingsmaatregelen. Ook zijn daarbij de PAS-gebiedsanalyses betrokken. Op basis daarvan is per gebied geconcludeerd in hoeverre behoud geborgd is, en herstel mogelijk wordt gemaakt in het licht van de depositietrend tot 2030 en de PAS-herstelmaatregelen.
Op basis daarvan is een deel van de (effecten van de) bronmaatregelen beschikbaar voor maatschappelijke en economische activiteiten, aangezien die aanvullend zijn op dit structurele pakket en op hetgeen dat nodig is om aan artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn te voldoen.
Met het structurele pakket en de gebiedsgerichte analyses en uitwerking wordt beoogd om blijvend te voorkomen dat verslechtering in de gebieden optreedt en er wordt gewerkt aan natuurverbetering. Door de uitwerking van de gebiedsplannen en het programma stikstofreductie en natuurverbetering zal de komende periode daarbij met meer precisie duidelijk worden welke hectares met stikstofgevoelige natuur per Natura 2000-gebied als gevolg van maatregelen onder de KDW komen. Het kan zijn dat de mate van depositiereductie, of de snelheid waarmee die wordt bereikt, onvoldoende blijkt te zijn in concrete gebieden. Het gaat dan om gevallen waar ondanks genomen bron- en herstelmaatregelen tóch verslechtering optreedt.
In de afgelopen jaren was duidelijk dat de natuur in een zorgelijke staat verkeert. Desondanks was niet bekend of de natuurkwaliteit geborgd is. De natuurdoelanalyses, die momenteel in voorbereiding zijn voor elk Natura 2000-gebied, zullen daarover meer uitsluitsel geven, waarbij ook wetenschappelijke informatie die recentelijk is gepubliceerd wordt betrokken, waaronder het rapport van Bobbink e.a.2 De natuurdoelanalyses zijn ook de basis voor de verdere gebiedsgerichte uitwerking van de structurele aanpak tot het blijvend kunnen voldoen aan de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze analyses verwacht ik medio 2022 bij de publicatie van het programma stikstofreductie en natuurverbetering.
Vooruitlopend op deze nadere informatie, anticipeert het kabinet in twee stappen op de mogelijke uitkomsten van deze natuurdoelanalyses. Ten eerste is in de systematiek van de wet een waarborg opgenomen: er wordt gemonitord welke effecten de bron- en natuurmaatregelen hebben. Als het structurele pakket verslechtering (in specifieke gebieden) niet kan voorkomen, is een aanvullende bronmaatregel nodig om een zodanige vermindering van depositie te bewerkstelligen dat verslechtering wél kan worden voorkomen. Het pakket zal daarop dan worden aangepast.
De tweede wijze waarop het kabinet hierop anticipeert, is het ontwikkelen van een verdere stikstofaanpak. Zoals ik eerder heb aangegeven, is de structurele aanpak een eerste stap. Het kabinet heeft meermaals aangegeven dat er vervolgstappen nodig zijn. De recente signalen over de natuurkwaliteit versterken deze constatering. Bij deze verdere aanpak is het ook denkbaar om een meer integrale gebiedsgerichte benadering toe te passen waarbij meerdere internationaal verplichtende opgaven (natuur, water en klimaat) aan elkaar verbonden worden. Dit moet ertoe leiden dat de natuur een flinke boost krijgt. Ik verwacht uw Kamer hier voor de begrotingsbehandeling LNV nader over te kunnen informeren.
Wilt u de interne nota’s tussen mei 2019 en februari 2021 waarin wordt ingegaan op (de consequenties) van het verslechteringsverbod uit artikel 6 lid 2 met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u de adviezen van de Landsadvocaat uit dezelfde periode waarin (ook) wordt ingegaan op (de consequenties van) artikel 6 lid 2 met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden binnen de daartoe gestelde termijnen?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Ergernis mkb over aandeel klimaatkosten' |
|
Renske Leijten |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kunt u uitleggen waarom het midden- en kleinbedrijf maar liefst voor 80% verantwoordelijk is voor het inleggen van klimaatsubsidies en dat het grote bedrijfsleven slechts een kruimel hoeft bij te dragen? Kunt u uw antwoord toelichten?1
De zware industrie betaalt op verschillende manieren mee aan het klimaatbeleid. Dit kabinet zet erop in om de fiscale prikkels op die manier in te richten dat zij de energie- en klimaattransitie ondersteunen, met behoud van de internationale concurrentiepositie.
In de Nederlandse economie domineren bedrijven die tot het midden- en kleinbedrijf (mkb) behoren. Deze groep bedrijven is echter zeer heterogeen van samenstelling. Naast kleine bedrijven met een paar medewerkers en een relatief kleine omzet behoren ook grotere bedrijven tot het mkb. Dit betekent dat ook het gemiddelde energieverbruik van deze bedrijven binnen het mkb fors uiteen loopt.
Bij het vaststellen van het Klimaatakkoord is onder andere bepaald dat de lastenverdeling in de Opslag Duurzame Energie- en klimaattransitie (ODE) ten gunste van huishoudens en kleine bedrijven (waaronder veel kleinere mkb-bedrijven) werd aangepast. Vanaf 2020 is de lastenverdeling – die daarvoor ongeveer 50% huishoudens en 50% bedrijven betrof – gewijzigd in een aandeel van 33% huishoudens en 67% bedrijven. Daarbij is ten aanzien van de sector industrie uitdrukkelijk gekeken naar een goede balans tussen de bijdrage van de sector industrie aan de ODE-opbrengst en het beroep dat de sector kan doen op de SDE++-regeling in 2030. In dat verband zijn vooral de tarieven in de 3e en 4e schijven aardgas en de 3e schijf elektriciteit verhoogd, waardoor grootverbruikers waaronder ook grote energie-intensieve mkb-bedrijven vanaf 2020 een fors hogere bijdrage aan de ODE leveren, terwijl met name huishoudens maar ook de kleinere mkb-bedrijven met lager energieverbruik zoveel mogelijk worden ontzien.
Voor een beperkt aantal industriële processen geldt een vrijstelling van de ODE-heffing. Deze vrijstelling hangt samen met de Europese Richtlijn Energiebelastingen en heeft betrekking op sectoren die gevoelig zijn voor internationale concurrentie. In het coalitieakkoord heeft het kabinet aangekondigd dat een aantal fiscale regelingen die van toepassing zijn op de ODE in 2025 afgeschaft zullen worden. Hiervoor pleit het kabinet ook in Brussel bij de onderhandelingen over de herziening van de Richtlijn Energiebelastingen.
Ten slotte draagt de sinds 1 januari 2021 ingevoerde Wet CO2-heffing industrie bij aan het waarborgen van de substantiële bijdrage van de industrie aan de klimaatdoelen doordat bedrijven geprikkeld worden om in CO2-reducerende maatregelen te investeren. Dit mechanisme wordt met het verhogen van de marginale heffing bovenop de prijs in het Europese emissiehandelssysteem (ETS) en het invoeren van een oplopende bodemprijs, zoals aangekondigd in het coalitieakkoord, verder versterkt.
Onderschrijft u het principe «de vervuiler betaalt»?
Ja, ik onderschrijf dat principe ten volle. In het coalitieakkoord van dit kabinet is daarom onder andere afgesproken om bestaande vrijstellingen voor de metallurgische en mineralogische procedés af te bouwen. Daarnaast worden de prikkels voor verduurzaming verder versterkt door het verhogen van de marginale heffing bovenop de prijs in het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Om zekerheid te creëren wordt een oplopende bodemprijs voor de ETS-prijs geïntroduceerd, bij voorkeur in samenspraak met de ons omringende landen. Tenslotte is in het coalitieakkoord ook een lastenverschuiving van elektriciteit naar aardgas en van kleinverbruiker naar grootverbruiker aangekondigd door het verhogen van de tarieven op aardgas ten opzichte van elektriciteit en het verminderen van de degressiviteit. Dit zal leiden tot een betere implementatie van het principe «de vervuiler betaalt».
Deelt u dat het onacceptabel is dat kleine en middelgrote ondernemers een disproportioneel groot deel van de verduurzamingskosten op hun bordje krijgen en grote bedrijven de dans ontspringen?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Het kabinet kijkt altijd naar een goed evenwicht in de optredende lasten voor burgers en bedrijven. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het klimaatbeleid zal worden getoetst aan de effecten voor bedrijven in het midden- en kleinbedrijf.
Erkent u dat dit het cruciale draagvlak voor klimaatbeleid ondermijnt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Draagvlak voor het realiseren van de klimaatdoelen is inderdaad van groot belang.
Ik ben van mening dat met de maatregelen die het kabinet treft een goed evenwicht wordt gerealiseerd in de lasten die optreden bij kleine en grotere ondernemingen.
Zoals aangegeven is sinds 2020 de verdeling van de lasten reeds aangepast waarbij huishoudens en kleinere mkb-bedrijven meer worden ontzien.
Wat is uw reactie op de oproep van de Metaalunie dat de verdeling van kosten van het klimaatbeleid eerlijker moet?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat ook huishoudens verhoudingsgewijs veel te veel bij moeten dragen omdat grote vervuilers worden ontzien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe denkt u klimaatdoelstellingen te gaan halen als grote vervuilers niet bijdragen?
Grootverbruikers dragen binnen de industrie en het mkb evenwichtig bij aan de lasten die samenhangen met het realiseren van de klimaatdoelstellingen. Het kabinet zet daarnaast beleid in gang om bestaande vrijstellingen in de sfeer van de energiebelastingen af te bouwen en een sterkere verduurzamingsprikkel te realiseren.
Kunt u de contacten die u en uw ministerie hebben met de grote vervuilers uitputtend op een rij zetten?
Naar aanleiding van de gemaakte afspraken in het Klimaatakkoord is er contact tussen het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en vertegenwoordigers van de 6 industriële clusters over de verduurzaming van de industrie. De grote 12 bedrijven maken deel uit van deze 6 clusters. Daarnaast is er geregeld contact met de grote 12 bedrijven over hun individuele verduurzamingsplannen.
Het bericht 'Alphen aan den Rijn mag in enquête kiezen tussen windmolens en windmolens' |
|
Renske Leijten |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat gemeentes enquêtes met sturende vragen opstellen waarvan de resultaten worden gebruikt om te doen alsof er draagvlak is voor windmolens?1
Ik vind het belangrijk dat inwoners gedurende het hele RES-proces goed betrokken worden en dat dit op een transparante manier gebeurt. Goede burgerbetrokkenheid is niet alleen noodzakelijk om tot een maatschappelijk gedragen RES te komen, maar is ook afgesproken met de RES-regio’s. Gemeenten, provincies en waterschappen maken in de RES de afweging of er voldoende maatschappelijk draagvlak is voor hun plannen. Dat vraagt van de RES-regio’s dat zij niet alleen inwoners de kans bieden om mee te denken en doen, maar ook dat zij onderzoeken wat inwoners belangrijk vinden en hoe ze aankijken tegen de plannen in de RES.
De 30 RES-regio’s zijn zelf verantwoordelijk voor het bepalen van hun participatiebeleid en kiezen hierbij voor methoden en communicatiemiddelen die zij passend vinden bij hun regio en inwoners. Vanwege beperkingen als gevolg van Corona hebben de regio’s veel gebruikgemaakt van online middelen. Enquêtes of vragenlijsten kunnen daarvoor een geschikte manier zijn om inwoners te betrekken en draagvlak te onderzoeken, naast andere methoden, zoals ook op www.energieparticipatie.nl door het Nationaal Programma (NP) RES wordt beschreven. Dat vraagt wel om een zorgvuldige en neutrale aanpak van het (vragenlijst)onderzoek, zodat het werkelijke draagvlak onderzocht wordt. De doelgroep van een vragenlijst dient vooraf duidelijk bepaald te worden; afhankelijk van de fase van planvorming en de vragen die leven bij de RES-regio kunnen bepaalde groepen, zoals omwonenden, worden benaderd of juist alle inwoners, al dan niet uitgesplitst naar locatie, affiniteit met het onderwerp of andere kenmerken. Ik ben van mening dat bij een vraagstuk met grote gevolgen voor de leefomgeving, zoals de energietransitie, het belangrijk is om zoveel mogelijk inwoners te bereiken of betrekken en een stem te geven. Zoals gezegd hecht ik grote waarde aan het goed betrekken van de direct omwonenden van (mogelijke) locaties van wind- en zonprojecten.
Als de resultaten van een dergelijk onderzoek gemanipuleerd zouden worden, keur ik dat af. Dit is strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en onze visie op participatie2 en zou inderdaad het vertrouwen in de politiek én de legitimiteit van besluiten ondermijnen. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit in de praktijk van de RES’en gebeurt.
Uit contact met de gemeente Alphen aan den Rijn en het onderzoeksbureau Citisens heb ik begrepen dat het artikel waar u naar verwijst meerdere feitelijke onjuistheden bevat t.a.v. de vragen, verwoording en representativiteit van de enquête in de betreffende gemeente. Zie hiervoor ook de reactie van de gemeente Alphen aan den Rijn op de eigen website: https://www.alphenaandenrijn.nl/Nieuws/juni_2021/Reactie_op_artikelen_in_de_media_over_lokale_enqu_te_windmolens_en_zonnevelden
Ik herken het signaal dat gemeenten en regio’s in de praktijk worstelen met hoe zij hun inwoners een stem kunnen geven in de RES’en. Het RES-proces is nieuw, en er wordt daardoor intensief door alle betrokken partijen geleerd, ook op het vlak van participatie. De regio’s en gemeenten doen het nodige, maar het betrekken van burgers gaat nog niet altijd en overal goed. Hoe inwoners een stem te geven in de energietransitie is en blijft een belangrijk thema. Want: de energietransitie raakt ons allemaal en onder burgers is er ook duidelijk de behoefte om hun stem te laten horen over de transitie. We moeten de maatschappelijke dialoog breed voeren, en daarbij proberen, leren en experimenteren welke combinaties van (gespreks)vormen passen.
Als hoeder van de democratie ziet het Ministerie van BZK het als haar verantwoordelijkheid om gemeenten en regio’s hierbij te ondersteunen. Het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie en NP RES hebben vanaf de start van de afgelopen regeerperiode gewerkt aan een democratische energietransitie. Inwoners en volksvertegenwoordigers gaven rond de concept-RES nog aan dat zij onvoldoende grip ervoeren op de RES en haar uitvoering.3 Sindsdien hebben de regio’s hard gewerkt om na de concept-RES een RES 1.0 vorm te geven die concreter, en met meer betrokkenheid van bewoners en steun van volksvertegenwoordigers is opgesteld. Uit de foto van 1 juli jl.4 blijkt dat dat is gelukt. De plannen in de RES’en zijn verdiept, verder verbeterd en concreter gemaakt.
Deelt u de mening dat het weglaten van antwoordmogelijkheden en het apart en persoonlijk benaderen van mensen met affiniteit met het onderwerp en/of mensen die in de stad wonen terwijl de windmolens eerder in omliggende dorpen zullen worden geplaatst, niet tot een representatieve uitslag leidt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een dergelijke manipulatieve aanpak het vertrouwen in klimaatpolitiek ondermijnt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid uit te zoeken hoe vaak het voorkomt dat de bevolking via manipulatie «instemt» met de inrichting van de omgeving in het kader van duurzame energie? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het zeer belangrijk dat inwoners goed betrokken worden bij de opstelling en uitvoering van de RES’en. Nu de praktische uitwerking echt handen en voeten krijgt wordt participatie in de RES’en steeds belangrijker: vanaf 1 juli dit jaar gaan de 30 energieregio’s de realisatiefase in van de RES 1.0. De Minister van BZK en ik zetten er nu al alles op in om gemeenten en hun volksvertegenwoordigers hierbij te ondersteunen. In het kader van NP RES wordt bovendien doorlopend op alle niveaus het gesprek gevoerd tussen het Rijk en de decentrale overheden over de burgerparticipatie in de RES’en. Via periodiek bestuurlijk overleg zal ik daarbij ook zelf een vinger aan de pols houden. Tevens ondersteunt NP RES de regio’s met kennis en kunde en biedt het een platform voor leren en uitwisselen rond participatieprocessen en de democratische borging van de RES’en. Zie bijvoorbeeld de website www.energieparticipatie.nl en de website van het BZK programma Democratie in Actie www.lokale-democratie.nl. Na de RES 1.0 zal ik met de partners de tot nu toe gevoerde participatie-aanpak evalueren en kijken of er aanpassing van de aanpak nodig is voor de vervolgfasen van het RES-proces: van zoekgebied tot concreet project.
In dat kader zal ook PBL dit najaar de participatie-aanpak van de RES’en 1.0 analyseren, als onderdeel van zijn periodieke RES-monitor. Ik zie geen aanleiding voor een onderzoek zoals u dat voorstelt, maar ik zal PBL wel verzoeken om in hun analyse specifiek aandacht te besteden aan de vraag welke conclusies in de RES’en getrokken zijn over draagvlak op basis van de georganiseerde participatie. Ik zal uw Kamer rond de jaarwisseling hierover informeren.
Hoe vaak komt het voor dat gemeente- en provinciebestuurders eveneens op andere posten zich met de energietransitie bezighouden? Deelt u dat dit de schijn van belangenverstrengeling heeft? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
U duidt hier op de opmerking in het Volkskrantartikel dat de Alphense burgemeester Spies tevens voorzitter is van de Regionale Stuurgroep Energietransitie van de RES-regio Holland-Rijnland. Het is gebruikelijk dat een van de decentrale bestuurders uit een RES-regio de stuurgroep van de betreffende regio voorzit. Vaak is dat een bestuurder uit een van de centrumgemeenten of de betreffende gedeputeerde vanuit de provincie. Besluitvorming in een RES-regio gebeurt echter op basis van consensus tussen de betrokken decentrale overheden. De RES 1.0 wordt vervolgens democratisch vastgesteld door de volksvertegenwoordigingen uit de betrokken gemeenten, provincies en waterschappen.
Wat gaat u doen aan het democratische gebrek van de regionale energie strategieën door voldoende transparantie en inspraak voor lokale volksvertegenwoordigers?
Het uitgangspunt is dat alle inwoners de kans moet worden geboden om mee te denken en mee te doen. Ik vind het belangrijk dat burgers bij het grote en ingrijpende vraagstuk van de energietransitie worden betrokken. Op 22 maart jl. nog heeft de Minister van BZK hierover ook de visie «Participatie in een meervoudige democratie» naar de Kamer gestuurd.5
Tegelijkertijd is het een lokale democratische afweging hoe burgerparticipatie binnen de RES’en gestalte krijgt. De RES 1.0 wordt op decentraal niveau op democratische wijze vastgesteld. De stem van de lokale volksvertegenwoordigers is beslissend in de vertaling en verankering van de RES 1.0 in het ruimtelijk beleid. Dit is zo afgesproken in het Klimaatakkoord.
Het is vervolgens aan het Rijk om hierbij ondersteuning te bieden. Zo is de afgelopen vier jaar vanuit het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie (met partners VNG en de beroeps-en belangenverenigingen van raadsleden, griffiers, wethouders, gemeentesecretarissen en burgemeesters) ondersteuning geboden aan decentrale volksvertegenwoordigers. Er zijn verscheidene ondersteunende producten ontwikkeld voor volksvertegenwoordigers om hen bij de RES te ondersteunen. Zo zijn er twee informatiekaarten over de RES en de rol van raadsleden in de RES gemaakt. Deze zijn breed verspreid en onderdeel van de digitale leeromgeving voor raadsleden, statenleden en AB-leden. Ook worden praktijkverhalen en voorbeelden gedeeld en zijn volksvertegenwoordigers ondersteund om regionale afstemming te zoeken.
Ook het Nationaal Programma RES heeft ter ondersteuning van volksvertegenwoordigers verschillende producten gelanceerd en activiteiten opgezet. Zo heeft het NP RES een serie webinars georganiseerd o.a. over de rol en positie van de volksvertegenwoordigers bij de RES, participatie, regionale democratie, omgaan met maatschappelijke weerstand en de RES en het Omgevingsbeleid. Ook biedt NP RES kennis en ondersteuning via de Expertpool en neemt NP RES actief deel aan bijeenkomsten die door de regio’s en de beroepsverenigingen worden georganiseerd. In de volgende fase – in aanloop naar de RES 2.0 – zullen deze activiteiten vanuit NP RES in principe worden gecontinueerd.
Tenslotte betrekken de RES-regio’s en de deelnemende overheden binnen de regio’s op verschillende wijzen de volksvertegenwoordigers bij de RES. Er worden bijeenkomsten georganiseerd binnen de eigen gemeente, provincie of waterschap en bijeenkomsten op regionaal niveau om de volksvertegenwoordigers te informeren en actief te betrekken bij de RES’en, zodat zij goed geïnformeerd belangen kunnen afwegen en uiteindelijk besluiten kunnen nemen.
Bent u bereid het gesprek met gemeenten en provincies aan te gaan over het organiseren van inspraak op de regionale energie strategieën? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja daar ben ik toe bereid, zie ook mijn antwoord op vragen 3, 4 en 6.
De dood van een lammergier na botsing met een Nederlandse windmolen |
|
Leonie Vestering (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Lammergier dood na botsing met Nederlandse windmolen», «Dood zeldzame lammergier had voorkomen kunnen worden met alarmsysteem» en «De vogels zijn het haasje»?1 2 3
Ja.
Onderschrijft u beiden dat de dood van de lammergier voorkomen had kunnen worden wanneer de windturbine uitgerust was met een detectiesysteem, aangezien uit onderzoek blijkt dat het aantal botsingen door cameradetectie met meer dan 80% afneemt?4 Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven dat als er een detectiesysteem geweest zou zijn, de kans kleiner was geweest dat de lammergier zou zijn geraakt. Tegelijkertijd geldt ook dat niet valt uit te sluiten dat als de betreffende windturbine een cameradetectie had gehad, de lammergier toch zou zijn geraakt.
Kunt u aangeven hoeveel het plaatsen van een (camera)detectiesysteem kost, aangezien onderzoek aantoont dat de techniek relatief niet zo duur is en het verlies van energieopbrengst heel beperkt blijft?
Het achterhalen van de kosten voor een (camera)detectiesysteem is ingewikkeld omdat de kosten variëren per project. Bij dezen geven we een schatting.
Enkel het systeem voor vogels kost voor één windturbine grofweg tussen de € 20.000 en € 35.000. Voor vleermuizen zijn aparte systemen nodig, die zijn iets goedkoper. Daarbovenop komen de installatiekosten van zo’n enkele duizenden euro’s en de servicekosten, die worden geschat op € 3.000 à € 7.000 per jaar. Op basis hiervan is het beeld dat per geïnstalleerde detector over de gehele levensduur van de turbine door een exploitant gerekend wordt met een kostenpost van minstens € 100.000. Eén systeem kan geïnstalleerd worden voor een cluster van een aantal turbines, mits die voldoende dicht bij elkaar staan.
Het productieverlies per turbine is afhankelijk van hoe vaak een turbine stil moet staan en dit is afhankelijk van welke vogelsoorten moeten worden gedetecteerd en in welke mate die soorten aanwezig zijn in de omgeving. Wanneer het systeem zo wordt ingesteld dat de meeste grote vogels worden herkend en hun aanwezigheid leidt tot stilstand, zal er sprake zijn van een substantieel lagere opwek.
Bent u beiden bereid om middels samenwerking ervoor te zorgen dat alle windturbines uitgerust worden met één zwarte wiek en een (camera)detectiesysteem, dat ervoor zorgt dat de wieken automatisch stoppen met draaien als er een grote vogel of vleermuis in de buurt komt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Provincies zijn bij nieuwe windturbines het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen of vrijstellingen (soorten) en vergunningen (Natura 2000-gebieden) op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Wanneer een aanvraag voor een ontheffing wordt ingediend, moet dit worden vergezeld door een ecologisch onderzoek. Op grond van dit onderzoek zal de aanvraag worden beoordeeld en kunnen per ontheffing eisen worden gesteld om de eventuele negatieve effecten op de staat van instandhouding van in het gebied voorkomende soorten te voorkomen of te compenseren. Dit betreft dus in alle gevallen maatwerk per park. De door u genoemde systemen kunnen deel uit maken van de door het bevoegd gezag opgelegde maatregelen.
Wat betreft de zwarte wiek is van een experiment bij één windmolenpark in Noorwegen bekend dat dit het aantal vogelslachtoffers sterk heeft verminderd. Of dit ook voor de Nederlandse situatie en voor de in ons land voorkomende vogelsoorten een effectieve en wenselijke maatregel zou kunnen zijn, wordt de komende jaren getest via een pilot in de Eemshaven, waar het Rijk ook bij betrokken is. De ILT (toezichthouder voor de luchtvaartveiligheidseisen) heeft inmiddels toestemming gegeven om bij zeven windmolens voor deze test een rotorblad in een andere kleur te verven dan de toegestane kleuren wit. De toegestane kleuren wit zijn bepaald op basis van internationale luchtvaartnormen en vastgelegd in het «Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland». Voor windparken op zee bestaat een soortgelijke internationale eis, die op gespannen voet staat met de op 29 juni jl. in de Eerste Kamer aangenomen motie Berkhout c.s. (Kamerstuk 35 092, G).5 Hierin wordt de regering namelijk verzocht om in de tenders voor wind op zee de eis op te nemen dat de ontwikkelaar één wiek zwart verft. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer zullen dit najaar separaat worden geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet invulling zal geven aan deze motie.
Klopt het dat het IJsselmeer, een internationaal beschermd natuurgebied, onder andere vanwege de vogeltrekroutes, als zoekgebied staat aangewezen voor de plaatsing van windturbines en zonnepanelen als onderdeel van de Regionale Energie Strategie?5
De RES-regio Noord-Holland Noord heeft het noordwestelijke deel van het IJsselmeer, de Wieringerhoek, aangewezen als mogelijke zoeklocatie voor de opwek van zonne-energie. De partners in deze regio zien mogelijkheden om hun energieopgave te combineren met recreatie en toerisme en met natuurontwikkeling, door de zonnepanelen te plaatsen op «zonne-atollen»: eilandjes waar ook ruimte is voor flora en fauna, bijvoorbeeld als schuilplek voor jonge vis. Hierover hebben de voormalig Minister van EZK en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat uw Kamer eerder geïnformeerd (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2020-’21, nr. 1665).7 Voor zover ons bekend staan in de RES’en 1.0 van de regio’s die grenzen aan het IJsselmeer geen zoekgebieden voor windenergie in het IJsselmeer. Regio Noord-Holland Zuid heeft wel een deel van het IJmeer aangewezen als «reservezoekgebied» voor wind.
Klopt het dat de Commissie voor de Milieueffectrapportage de provincie Noord-Holland heeft gewezen op de mogelijke nadelige gevolgen van windturbines en drijvende zonnepanelen in het IJsselmeer en dat de Milieueffectrapportage adviseerde eerst een «regio-overstijgende, cumulatieve analyse» te laten doen? Zo ja, is deze analyse inmiddels uitgevoerd en wat zijn dan de conclusies? Zo nee, waarom niet, en wat is de stand van zaken rondom de pilot, die de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft aangevraagd bij Rijkswaterstaat?6
Vanuit de RES Noord-Holland Noord (NHN) is deelgenomen aan de landelijke pilot «RES en Milieueffectrapportage (m.e.r.)». Het doel hiervan was vooral om ervaring op te doen en de milieu-informatie in de RES te valideren. In dit kader is de concept-RES NHN voor advies voorgelegd aan de Commissie m.e.r. Een formele MER volgt (indien nodig) bij de planologisch juridische procedures.
De Commissie m.e.r. geeft ten aanzien van de concept-RES NHN aan dat er al veel en relevant (milieu)onderzoek van goede kwaliteit beschikbaar is en er een goed participatieproces heeft plaatsgevonden. De commissie adviseert o.a. om voor de afwegingen in de RES 1.0 NHN en/of latere omgevingsbesluiten enkele samenhangende alternatieven op het niveau van de gehele RES-regio te ontwerpen. De RES-regio is van mening, gezien het feit dat er eerder al is gewerkt met scenario’s die zijn ingebracht in het participatieproces, dat het niet voor de hand ligt nu nieuwe alternatieven op te gaan stellen. Wel zal men bij de uitwerking van de zoekgebieden verschillende varianten onderzoeken, rekening houdende met de samenhang met andere zoekgebieden. Op de website van de RES NHN is ingegaan op het advies van de Commissie m.e.r.9.
Voor wat betreft de pilot met drijvende zonnepanelen geldt dat Rijkswaterstaat momenteel in opdracht van EZK een pre-verkenning uitvoert naar geschikte proeflocaties voor zonne-installaties op water in het IJsselmeergebied die meer inzicht kunnen geven in ecologische effecten. De resultaten van deze pre-verkenning worden na de zomer verwacht.
Onderschrijft u dat het plaatsen van windturbines en zonnepanelen op en rond het IJsselmeer niet wenselijk kan zijn, aangezien de nadelige gevolgen voor vogels? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het inpassen van (grootschalige) wind en zon op land ligt bij de partners in de RES, waarbij er door het Rijk geen gebieden op voorhand zijn uitgesloten als zoekgebied voor nieuwe windparken. De RES-partners hebben zich daarbij uiteraard wel te houden aan de beleidskaders, zoals weergegeven in de NOVI en de geldende wetgeving. Waarbij van belang is dat een nieuw zonne- of windpark altijd getoetst moet worden op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Afhankelijk van de natuurwaarden in de omgeving dient bij een project altijd rekening te worden gehouden met maatregelen om negatieve effecten op de natuur en landschap te beperken. Deze maatregelen kunnen ruimtelijk zijn – bijvoorbeeld door de locatie of het ontwerp van het park aan te passen – maar kunnen ook vorm krijgen als stilstandsvoorziening (voor wind) of compensatiemaatregelen (voor zon en wind).
Deelt u beiden de mening dat natuurgebieden met beschermde soorten, die negatieve effecten ondervinden van de turbines, niet zouden mogen worden aangewezen als zoekgebied voor de plaatsing van windturbines? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u beiden bereid om in gesprek te gaan met gemeenten en provincies om te onderzoeken of zoekgebieden met negatieve impact op natuur verplaatst kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Voor ons beiden staat voorop dat energieprojecten op een verantwoorde wijze moeten worden ingepast, zonder of met minimale negatieve impact op natuur. Het feit dat natuurdoelen wettelijk zijn vastgelegd, helpt daarbij.
Op 1 juli 2021 zijn de RES’en 1.0 met daarin de definitieve zoekgebieden aangeleverd. Uiteraard is in het proces richting de RES 1.0 ook al gekeken naar de ecologische kaders. De komende tijd zullen onderzoeken plaatsvinden in hoeverre de ontwikkeling van wind en zon echt mogelijk is in de zoekgebieden. In deze nog uit te voeren onderzoeken (meestal in de vorm van een plan-MER) neemt de impact op natuur een belangrijke plaats in. Vervolgens kan op grond van deze informatie worden afgewogen welke locatie binnen zo’n zoekgebied de beste plek is om een energieproject te realiseren. Dit proces van locatiekeuze is, conform de afspraken in het Klimaatakkoord en op grond van de Wro, primair een verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. Het Rijk is terughoudend om provincies en gemeenten op te roepen om op voorhand zoekgebieden te verkleinen of uit te sluiten.
Indien bij de uitwerking van de zoekgebieden blijkt dat er bij een project sprake is van mogelijke negatieve impact op natuur, zal dit aanleiding zijn na te gaan of een andere locatie, ontwerp of invulling van het project mogelijk is binnen de geselecteerde zoekgebieden. Als dat niet lukt, zullen de effecten van projecten moeten worden gemitigeerd, respectievelijk gecompenseerd, bijvoorbeeld door elders compenserende natuur aan te leggen. Indien ook dit onvoldoende bijdraagt aan de ecologische instandhoudingsdoelen, zal er geen vergunning voor het project kunnen worden verstrekt.
Klopt het dat energiebedrijven ontheffingen hebben aangevraagd of verkregen om 175 windturbines in Natura2000- gebied te plaatsen?7 Zo ja, hoeveel ontheffingen zijn al vergeven en op welke grond zijn deze gegeven? Zo nee, wat is de stand van zaken?
Provincies zijn bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen of vrijstellingen voor soorten en vergunningen voor Natura 2000. Wij hebben geen overzicht van hoeveel en welke aanvragen alle provincies hebben bereikt en welke daarvan een ontheffing Wnb hebben gekregen.
Of realisatie binnen of buiten een Natura 2000-gebied plaatsvindt, is geen apart verplichte toetsing die door de Wnb wordt voorgeschreven. Voor plaatsing binnen Natura 2000-gebieden gelden – naast de algemene toetsing op natuur en landschap – extra toetsingscriteria om de effecten op de instandhoudingsdoelen te beperken. Voor plaatsing dicht bij Natura 2000-gebieden gelden ook extra toetsingscriteria waarbij effecten op de instandhoudingsdoelen via externe werking worden meegewogen.
Het is ons bekend dat er enkele windprojecten in Natura 2000-gebieden zijn of worden gerealiseerd. Vanzelfsprekend zijn deze projecten getoetst aan de wettelijke instandhoudingsdoelen.
Klopt het dat energiebedrijven ontheffingen hebben aangevraagd of verkregen om 125 windturbines pal naast beschermde natuurgebieden te plaatsen? Zo ja, hoeveel ontheffingen zijn al vergeven en op welke grond zijn deze gegeven? Zo nee, wat is de stand van zaken?
Zie antwoord vraag 10.
Is er voor elke vergeven ontheffing onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten? Zo ja, is voor elke ontheffing geconcludeerd dat kwetsbare en beschermde diersoorten geen «significante negatieve» effecten zullen ondervinden? Zo nee, welke beschermde plant- en diersoorten zullen negatieve gevolgen ondergaan van de plaatsing van windturbines in Natura2000- gebied, graag uitgesplitst per ontheffing? Hoeveel natuur zal er gecompenseerd moeten worden, graag uitgesplitst per ontheffing?
Dit type onderzoek en de daarbij behorende conclusies met betrekking tot effecten op natuurwaarden heeft bij afzonderlijke windparken en turbines plaatsgevonden. Op basis van een dergelijk onderzoek zijn de benodigde ontheffingen in geval van vogel- en vleermuizenslachtoffers verleend, al dan niet met bepaalde voorwaarden. Deze informatie is niet op nationaal niveau beschikbaar wegens de in 2017 doorgevoerde decentralisatie van de ontheffingsverlening.
Klopt het dat energiebedrijf RWE mogelijk windturbines plaatst op de zeedijk langs de Eems-Dollard, een internationaal beschermd gebied, waar duizenden vogels leven en passeren en welke als een internationale trekroute fungeert voor vleermuizen en vogels?8 Zo ja, wat is de stand van zaken, is er een ontheffing aangevraagd of vergeven?
Energiebedrijf RWE verkent mogelijkheden voor nieuwbouw van windturbines op de zeedijk langs de Eems-Dollard. Hierover is contact geweest tussen RWE en het waterschap Hunze en Aas, de eigenaar/beheerder van de dijk. De idee behelst de bouw van 3 of 4 windturbines. Er is geen ontheffing aangevraagd noch afgegeven. Volgens RWE is er nog geen sprake van planvorming of een lopend project maar verkeert het nog in de ideeënfase.
Indien een ontheffing is gegeven, op basis van welk onderzoek is geconcludeerd dat kwetsbare en beschermde diersoorten geen «significante negatieve» effecten zullen ondervinden? Zo nee, welke beschermde plant- en diersoorten zullen negatieve gevolgen ondergaan van de plaatsing van windturbines in Natura2000- gebied? Hoeveel natuur zal er gecompenseerd moeten worden?
Zoals toegelicht bij de vorige vraag is er nog geen sprake van een afgegeven ontheffing. Gezien het prille stadium van de plannen van RWE voor deze locatie is er ook nog geen ecologisch onderzoek voor een natuurtoets gedaan. Daardoor valt nu niet aan te geven welke beschermde plant- en diersoorten negatieve gevolgen zullen gaan vinden van dit windplan. Mocht dit plan verder ontwikkeld worden, dan zal er moeten worden voldaan aan de eerder beschreven wettelijke eisen voor dit Natura 2000-gebied.
Deelt u beiden het inzicht dat de klimaatopgave, de energietransitie en biodiversiteitsherstel hand in hand moeten gaan? Zo nee, waarom niet?
Dit delen wij volledig, met de aanvulling dat er af toe spanning bestaat tussen de drie opgaven en dat het daarom van belang is te zorgen voor de juiste balans. De Ministeries van EZK en LNV kijken samen hoe de belangen van schone energie en biodiversiteitsherstel in samenhang bekeken en gerealiseerd kunnen worden om zo ook bij te dragen aan de klimaatopgave. Een mooi voorbeeld hiervan is onze gezamenlijke inspanning in het traject «Natuurinclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land» (NIEWHOL), waarover de Tweede Kamer eerder is geïnformeerd (vergaderjaar 2020–2021, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 524). In dit traject werken onze twee ministeries samen met provincies, de windsector, TenneT en verschillende dier- en natuurbeschermingsorganisaties. Het doel is om met de betrokken partijen te komen tot afspraken om de sterfte van kwetsbare vogel- en vleermuissoorten door windturbines en hoogspanningsverbindingen te verminderen.
Heeft u een overzicht van alle optionele en geplande windturbines en waar deze liggen in verhouding tot natuurgebieden en vogeltrekgebieden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit overzicht te ontwikkelen en met de Kamer te delen?
Er wordt structureel gewerkt door het Nationaal Programma (NP) RES, PBL en RVO om tot een betrouwbaar volledig beeld te komen van alle optionele en geplande windturbines in Nederland. Locaties van bestaande windturbines en hun kenmerken zijn opgenomen in de analysekaarten van NP RES. Een overzicht van de zoekgebieden voor wind en zon wordt na de zomer beschikbaar. De Staatssecretaris van EZK zal samen met NP RES bezien in hoeverre aanvullend onderzoek naar de impact van de RES op natuur en landschap nodig en mogelijk is. Op www.vogelatlas.nl staan digitale kaarten over de aanwezigheid en de trek van vogelsoorten. Dit initiatief wordt door onze ministeries ondersteund. De digitale kaarten worden proactief gedeeld met overheden en initiatiefnemers. Het Ministerie van LNV heeft in samenwerking met Vogelbescherming Nederland een gevoeligheidskaart laten maken voor vogelsoorten die gevoelig zijn voor windparken. Zie: https://www.sovon.nl/nl/actueel/nieuws/nieuwe-windenergie-zoekkaarten-voor-vogels-0
Is er onderzoek gedaan naar de cumulatieve (gestapelde) gevolgen van de plaatsing van windturbines in en nabij beschermde natuurgebieden op regionale en landelijke populaties? Zo ja, wat was hiervan het resultaat? Zo nee, waarom niet?
Er geldt een wettelijke plicht om voor windparken die in of nabij Natura 2000-gebieden zijn gepland de cumulatieve effecten inzichtelijk te maken en te beoordelen. Dit vormt standaard onderdeel van een passende beoordeling en/of natuurtoets bij het MER en borgt derhalve dat ook bij cumulatie van meerdere windinitiatieven in een gebied geen sprake kan zijn van significant negatieve effecten op het behalen van die instandhoudingsdoelen. Als dat niet kan worden uitgesloten, moeten mitigerende of compenserende maatregelen worden genomen of wordt er geen vergunning verleend.
In het kader van het NIEWOHL wordt als onderdeel van een landelijk onderzoeksprogramma in de komende jaren een onderzoek uitgevoerd naar cumulatieve effecten op populaties en naar de effectiviteit van mitigerende maatregelen, zoals de «zwarte wiek».
Bent u beiden bereid om een integrale studie te starten naar de gestapelde effecten van alle geplande en optionele windturbines voor regio’s en voor het hele land? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt na het verschijnen van het overzicht van de zoekgebieden in de RES’en bezien in hoeverre aanvullend onderzoek naar de impact op natuur en landschap mogelijk en nodig is. Op basis hiervan kan vervolgens bezien worden of er inhoudelijke verdieping bij bepaalde onderwerpen nodig is.
Is de Minister van Economische Zaken en Klimaat bereid om te onderzoeken hoe het versterken van biodiversiteit en natuur meegenomen kan worden bij het vergeven van subsidies voor windturbines en zonnepanelen? Zo nee, waarom niet?
Het Rijk verstrekt verschillende subsidies voor de realisatie van hernieuwbare energie, waarvan de grootste de SDE++ is. Het doel van de SDE++ is om op een zo kostenefficiënt mogelijke wijze CO2 te reduceren. In principe passen hier geen kostenverhogende aspecten in. Dat neemt niet weg dat de Staatssecretaris van EZK met de sector en lokale overheden in gesprek is over hoe de SDE++, binnen de kaders van het kostprijsreductiepad en de geldende wettelijke eisen, ruimte kan bieden aan projecten die bijdragen aan het versterken van biodiversiteit en natuur. Daarnaast wordt naar aanleiding van de motie van het lid Boucke (Kamerstuk 32 813, nr. 726)12 momenteel de noodzaak van een «kwaliteitsbudget» onderzocht, waarmee extra financiële ruimte kan worden geboden aan het nemen van maatregelen ten behoeve van ruimtelijke inpassing, biodiversiteit, zorgvuldige participatie en het ontzien van het elektriciteitsnetwerk. Tot slot gaat het Rijk ervan uit dat ontwikkelaars de Gedragscodes voor wind op land (van NWEA) en zon op land (van Holland Solar) in acht nemen voor wat betreft de afspraken over biodiversiteit en natuur.
Stropers |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Politie pakt netwerk van stropers aan: «Ze zien het als spannende hobby»»1, waarbij dieren volgens de politie op «gruwelijke wijze zijn gedood»?
Wij hebben vernomen van deze praktijken en keuren dit ten zeerste af.
Bent u op de hoogte van de werkwijze van stropers waarbij reeën en hazen in de nacht met een felle lamp of andere apparatuur worden opgespoord, waarna hazewindhonden de uitgeputte dieren achtervolgen en doden? Kunt u bevestigen dat het gebruik van windhonden bij de jacht verboden is?
Het is bij de politie bekend dat stropers allerlei verboden middelen inzetten bij hun praktijken. In artikel 3.21 van de wet natuurbescherming is het verbod opgenomen voor het uitoefenen van de jacht met behulp van lange honden (ook wel windhonden genoemd).
Klopt het dat stropers ook gebruik maken van staffords, klemmen, strikken, mistnesten, lijmstokken (de laatste twee voor het vangen van vogels), nachtkijkers en cameravallen met gps?
Stropers gebruiken verschillende middelen voor het illegaal vangen en doden van in het wild levende dieren. De genoemde middelen kunnen daar deel van uitmaken.
Klopt het dat de politie bij het opsporen van het «netwerk van stropers», windhonden, een auto, een geweer, jachtkleding en bevroren vlees van reekalfjes in beslag hebben genomen?
Het klopt dat de politie dit in beslag heeft genomen voor het specifieke onderzoek in Limburg, met uitzondering van de windhonden. Meer informatie kan ik niet met uw Kamer delen aangezien ik niet in kan gaan op individuele gevallen of opsporingsinformatie.
Wat is er met de windhonden gebeurd? Kunt u bevestigen dat deze dieren in beslag worden genomen en een goed onderkomen krijgen? Wat is de hoogte van de straf die stropers in Nederland kunnen verwachten?
De windhonden zijn niet in beslag genomen. De maximale straf voor stroperij is volgens de Wet op economische delicten in geval van opzet 6 jaar. Over de strafmaat in Limburgse zaak kunnen in deze fase van het onderzoek geen uitspraken worden gedaan. De rechter zal de hoogte van straf uiteindelijk bepalen.
Was u op de hoogte van de aanwezigheid van een «netwerk aan stropers»? Zo ja, sinds wanneer en wat heeft u gedaan om deze stropers op te pakken? Zo nee, heeft u meldingen ontvangen die u hiervoor waarschuwen?
De politie werkt op basis van feiten en omstandigheden. Zij ontvangt informatie van groene boa’s, wildbeheereenheden en betrokken burgers. De genoemde stroperij is een bekend fenomeen, dat van tijd tot tijd op verschillende locaties de kop op steekt. Na het ontvangen van de meldingen over de casus in Limburg, is de politie na analyse van de informatie een onderzoek gestart. Meer informatie kan ik niet met uw Kamer delen aangezien ik niet in ga op individuele gevallen of opsporingsinformatie.
Kunt u aangeven of in het opgerolde «netwerk aan stropers» ook jagers bevonden, die buiten de grenzen van hun jachtveld of vergunning jagen?
Geen van de verdachten in deze zaak had een jachtakte.
Klopt het dat stropers voornamelijk gevonden worden door meldingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel meldingen waren binnengekomen in Zuid-Limburg, waarna een onderzoek werd gestart?
Observaties van betrokken burgers zijn essentieel in de meeste politieonderzoeken. Met andere historische gegevens uit politiesystemen draagt het bij tot daderindicatie. Gedurende het gehele onderzoek zijn er ruim 80 meldingen in Limburg ontvangen. Meldingen zijn niet altijd direct herleidbaar tot een verdachte. Het informatiebeeld dat de analyse van deze meldingen opleverde, heeft, na een proces van kiezen en prioriteren, geleid tot de inzet van opsporingsmiddelen. Het gehele onderzoek, van de eerste melding tot de aanbieding van het dossier aan het Openbaar Ministerie (OM), kan zodoende een lange doorlooptijd hebben. Ook gedurende die tijd kunnen nog meldingen worden ontvangen.
In totaal vonden er de afgelopen vijf jaar in de eenheid Limburg negen opsporingsonderzoeken met betrekking tot stroperij plaats. Zes van die onderzoeken zijn gestart naar aanleiding van een melding en drie naar aanleiding van de waarnemingen van de politie.
Hoeveel meldingen zijn er vorig jaar binnengekomen op landelijk niveau? Welke gebieden scoren hoog? Is er onderzoek gedaan naar aanleiding van de meldingen? Zo ja, wat waren de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?
In totaal zijn er in 2020 bij de Nationale Politie 3.478 meldingen geregistreerd op maatschappelijke klasse «flora en fauna», waar stroperij onder valt. Gebieden die relatief hoog scoren zijn de Veluwe, de omgeving Deurne, de Brunssummerheide, de omgeving Voerendaal en de omgeving Noordwijk.
De 3.478 meldingen betreffen zowel flora als fauna. Het fenomeen stroperij is daar slechts een deel van. Het exacte aantal meldingen die dit type stroperij betreffen kan alleen door handmatige analyse worden vastgesteld. Een dergelijke zoekslag vergt zeer veel tijd en capaciteit van het OM en politie en is tot nu toe niet als proportioneel gekenschetst.
Meldingen vinden plaats in de geografische context. Daar wordt in samenhang met andere geografische informatie een overzicht gemaakt van casuïstiek. In weging met andere zaken wordt dan gekozen of en hoe de casus wordt opgepakt.
Kunt u aangeven of meldingen over stroperij zijn toe- of afgenomen over de afgelopen tien jaar? Zijn de meldingen toegenomen sinds de enorme bezuinigingen op de buitenpolitie? Hoeveel van deze meldingen gaan over jagers, die buiten de grenzen van hun jachtveld of vergunning jagen?
Er kan maximaal vijf jaar teruggekeken worden in de systemen. De afgelopen vijf jaar is landelijk het aantal meldingen met de maatschappelijke klasse «flora en fauna» afgenomen. Een handmatige analyse is nodig om het aantal stroperijgerelateerde meldingen vast te stellen. Een dergelijke zoekslag vergt zeer veel tijd en capaciteit van het OM en politie en is tot nu toe niet als proportioneel gekenschetst.
De politie heeft een generieke taakstelling. Een zogenaamde «buitenpolitie» bestaat niet. Elke regionale eenheid heeft politieambtenaren met expertise over dier-gerelateerde criminaliteit in dienst.
Over het algemeen houden jagers zich aan de grenzen van aan hen toegekende jachtvelden of waar zij als gastjager legitiem mogen jagen.
Klopt het dat veel mensen bang zijn voor stropers en hierdoor geen getuigenverklaring af durven te leggen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het veilig is voor mensen om een verklaring af te leggen?
Melders, aangevers en getuigen van misdrijven vragen zich regelmatig af wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een getuigenis. De positie van de getuige is wettelijk geregeld en beschermd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via Meld Misdaad Anoniem melding te doen van feiten.
Is er onderzoek gedaan naar de omvang van stropersnetwerken en strooptochten in Nederland en de reden dat de pakkans zo laag is? Zo ja, wat waren de uitkomsten en wanneer vond dit onderzoek plaats? Zo nee, bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen, dat ook kijkt naar de oplossingsmogelijkheden om de pakkans te vergroten en de mogelijkheid om politie weer in het buitengebied in te zetten?
De politie handelt altijd op basis van informatie. Dat is de essentie van het vak. Daar waar landelijke betekenisvolle fenomenen ontstaan, zal de politie hierin optreden. Weging van het politiewerk vindt altijd plaats in afstemming en in overleg met het bevoegde gezag. Ook werkt de politie in toenemende mate samen met het landelijke netwerk van boa’s.
Kunt u een indicatie geven van de aantallen dieren die in de afgelopen tien jaar zijn gedood door stropers? Zo nee, waarom niet?
Een volledig en juist overzicht kan niet worden gegenereerd. De dieren die heimelijk tijdens het stropen worden bemachtigd kunnen immers niet worden geteld. Alleen de bij politieonderzoek aangetroffen dieren zijn bekend. Dit aantal kan alleen door handmatige analyse worden vastgesteld. Een dergelijke zoekslag vergt zeer veel tijd en capaciteit van het OM en politie en is tot nu toe niet als proportioneel gekenschetst.
Kunt u deze vragen per vraag beantwoorden, zonder naar antwoorden op andere vragen te verwijzen?
Ja.
Het bericht ‘Bontrup weigerde steekproeven granuliet op eigen terrein’ |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bontrup weigerde steekproeven granuliet op eigen terrein» van Zembla?1
Ja.
Klopt het dat u een verzoek heeft gedaan aan Bontrup om Arcadis toe te staan monsters te nemen op het terrein van Graniet Import Benelux BV (GIB) in Amsterdam?
Ja. Op 26 februari 2021 is Bontrup door mijn ambtsvoorganger verzocht om Arcadis toestemming te verlenen voor het nemen van steekproeven van granuliet en het basisgesteente. Hiermee heeft Bontrup niet ingestemd.
Deelt u de mening dat het granulietdossier een belangrijk dossier is, waarbij veel belangen, zorgen en emoties gemoeid zijn en volledige openheid dus belangrijk is?
Ja, vorig jaar is de heer Kuijken verzocht om het gehele besluitvormingsproces te evalueren. Dit onderzoek is afgerond en het rapport «Kleine korrels, grote discussie» is op 18 september 2020 aan uw Kamer aangeboden2. Voor het verbetertraject is inmiddels een Taskforce «Herinrichting bodemstelsel» ingesteld. Verder is in verband met de onrust bij omwonenden een reviewonderzoek over granuliet bij het project Over de Maas door Arcadis uitgevoerd, het rapport is op 16 april jl. aan uw Kamer aangeboden3. Tenslotte voer ik dit jaar een brede bestuurlijke dialoog over het beleid rond diepe plassen.
Klopt het dat u volledige openheid heeft beloofd in het granuliet dossier?
De heer Kuijken heeft in het kader van het onderzoek «Kleine korrels, grote discussie» alle documenten kunnen inzien en iedereen kunnen interviewen voor zijn onderzoek. Hiermee heeft de heer Kuijken het besluitvormingsproces geëvalueerd en daarover op een transparante en heldere wijze gerapporteerd. Daarnaast zijn de door uw Kamer gestelde vragen, zowel schriftelijk als mondeling, beantwoord. Ik betracht daarbij volledige openheid en zal dat ook in de toekomst blijven doen.
Is het correct om op basis van vraag 2 tot en met 4 te concluderen dat de Kamer geïnformeerd had moeten worden over het verzoek aan Bontrup? Kunt u bij uw antwoord toelichten welke overwegingen hierbij speelden?
Arcadis heeft als onafhankelijk en deskundig bureau geconcludeerd dat – gezien de resultaten van het uitgevoerde onderzoek – de noodzaak voor bemonstering op de productielocatie van Bontrup niet meer aanwezig was. Hierdoor was het ook niet nodig om uw Kamer hierover separaat te informeren.
Wanneer in het onderzoeksproces werd het bij u bekend dat Bontrup geen toegang aan Arcadis verschafte tot het nemen van nieuwe monsters op het terrein van GIB?
Op 10 januari 2021 kwam het eerste signaal dat Bontrup Arcadis geen toegang wilde verschaffen voor het nemen van monsters. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de brief van 26 februari.
Heeft u, nadat Bontrup geen gehoor gaf aan uw schriftelijke verzoek, nog andere pogingen gedaan om hen te overtuigen dit wel te doen? Zo nee, waarom heeft u het erbij laten zitten?
Nee, zoals bij het antwoord op vraag 5 is aangegeven, bleek lopende het onderzoek dat Arcadis, het niet meer noodzakelijk vond om steekproeven op het terrein van Bontrup, te nemen.
Was Bontrup onderdeel van de klankbordgroep van dit Arcadis onderzoek, waar onder andere verschillende overheden zitting in namen? Zo ja, waarom is het bedrijf dat onderzocht werd onderdeel van de klankbordgroep? Zo nee, op welke basis deed het bedrijf dan uitgebreide wijzigingsvoorstellen voor het verslag van het onderzoek?
Bontrup maakte geen onderdeel uit van de klankbordgroep. Bontrup heeft voor het onderzoek wel informatie over het productieproces van granuliet beschikbaar gesteld. Daarom is Bontrup in de gelegenheid gesteld om een feitencheck uit te voeren. Uit oogpunt van zorgvuldigheid is dit een gebruikelijke gang van zaken.
Is bij dit onderzoek het Burgercollectief Dreumelse Waard dezelfde inspraakmogelijkheden geboden als Bontrup? Zo nee, waarom niet?
Het reviewonderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk en deskundige partij (Arcadis). Het onderzoek is begeleid door een klankbordgroep, bestaande uit IenW, RWS, gemeente West Maas en Waal en de provincie Gelderland. Zowel Bontrup als het Burgercollectief Dreumelse Waard maakten geen onderdeel uit van deze klankbordgroep.
Bontrup is door Arcadis in de gelegenheid gesteld een feitencheck uit te voeren op de door Arcadis gevraagde en door Bontrup aangeleverde informatie. Een vergelijkbaar verzoek is niet gedaan aan het Burgercollectief omdat er geen aanleiding werd gezien om het burgercollectief een feitencheck te laten uitvoeren. Wel is het Burgercollectief medio april 2021 uitgenodigd voor een bijeenkomst om kennis te nemen van en te reageren op de resultaten van het eindrapport. Van deze mogelijkheid heeft het Burgercollectief geen gebruik gemaakt.
Deelt u de analyse van hoogleraar integriteit Van Eijbergen dat naast de gebruikelijke feitencheck bij betrokken partijen het ongebruikelijk is dat er complete passages zijn veranderd of zelfs geschrapt? Zo nee, waarom deelt u die visie niet? Zo ja, gaat u de betrokkenen hierop aanspreken? En wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen?
Arcadis is als deskundige en onafhankelijke partij verantwoordelijk voor een onafhankelijk en kwalitatief goed rapport. Het is in dat verband van belang dat de feiten en de geformuleerde teksten herkenbaar en juist zijn. De gewijzigde teksten zijn doorgevoerd als hiervoor naar het oordeel van Arcadis een gegronde reden was en de wijzigingen bijdroegen aan een verbetering van het rapport. Dit is een gebruikelijke gang van zaken en heeft geen afbreuk gedaan aan de onafhankelijke positie van Arcadis en de juistheid van de resultaten en de conclusies.
Waarom viel het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over de uitspraak «eventuele verontreiniging», en moest dit uit het verslag, aangezien de eventuele verontreiniging de basis vormt voor het hele dossier?
Zoals bekend is mijn standpunt dat de toepassing van granuliet in Over de Maas voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. De opmerking van het ministerie is bedoeld om zoveel mogelijk bij de feiten te blijven en te voorkomen dat feiten en beeldvorming mogelijk uit elkaar gaan lopen. Uiteindelijk heeft Arcadis zelfstandig besloten om – in de betreffende passage – de term «eventuele verontreiniging» niet te gebruiken.
Deelt u de mening van het Burgercollectief Dreumel dat door alle afgezwakte beweringen en het schrappen van delen tekst het onderzoek aan kracht verliest? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 10.
Komt er een nieuw onderzoek waarbij wel in volledige openheid onderzoek gedaan kan worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid om tot die tijd alle granulietstortingen in Nederland stil te leggen? Zo nee, waarom niet?
Nee, door Arcadis is als onafhankelijk en deskundige partij een omvangrijk onderzoek uitgevoerd. Daarmee is granuliet grondig onderzocht. De conclusie is dat granuliet voldoet aan de schoonste kwaliteitsklasse grond en dat de toepassing van granuliet in Over de Maas geen negatieve effecten heeft voor mens en milieu. Op basis hiervan is er geen enkele aanleiding om toepassingen van granuliet stil te leggen.
Wel heb ik naar aanleiding van berichten waaruit afgeleid zou kunnen worden dat granuliet aan de oppervlakte aanwezig is, Arcadis gevraagd om te beoordelen of de feitelijke situatie in «Over de Maas» overeenkomt met de situatie zoals beschreven in het rapport. En Arcadis is gevraagd of, indien dat niet het geval zou zijn, dit van invloed is op de conclusies van het rapport. Zodra de beoordeling gereed is (naar verwachting in de herfst), zal ik de Kamer daarover informeren. In de beantwoording van de vragen van het lid Van Esch van 28 mei jl. wordt hier verder op ingegaan.
De herkomst van biomassa |
|
Lammert van Raan (PvdD), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het rapport van het toonaangevende Europese Joint Research Centre genaamd «The Use of Woody biomass for energy production in the EU»?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat het zorgelijk is dat van 20 procent van de in de EU gebruikte houtachtige biomassa er geen bron bekend is?
Dat is zorgelijk. Volgens hetzelfde rapport zal dit probleem met de RED2 gelukkig verminderen, door de verplichting om informatie over de oorsprong te gaan monitoren. In het Nederlandse systeem is in het geval van bosbiomassa de bron tot het niveau van het land van herkomst bekend evenals het gebruikte boscertificaat. Door de publieke toezichthouder is informatie tot op bosniveau te achterhalen, mocht daartoe aanleiding zijn.
Deelt u de conclusie dat de biomassa die in Nederland gebruikt wordt alleen biomassa mag zijn die op korte termijn klimaatwinst oplevert en een neutraal of positief effect heeft op biodiversiteit (biomassa afkomstig uit scenario 5 van de 24 beschouwde productiescenario’s)? Zo ja, hoe wordt dit in Nederland gegarandeerd? Zo nee, waarom vindt u dit niet nodig?
Er is binnen de wetenschap discussie gaande over het aan met klimaatwinst gerelateerde begrip «koolstofschuld», waarmee de periode bedoeld wordt die nodig is om de CO2 die vrijkomt bij de uitstoot van de verbranding van biomassa, opnieuw vast te leggen in bomen en andere gewassen. De Staatssecretaris van IenW en ik hebben het PBL daarom verzocht nader onderzoek te doen naar dit begrip «koolstofschuld». Naar verwachting kan dit onderzoek eind dit jaar aan uw Kamer aangeboden worden.
Bent u op de hoogte van de nieuwe CE Delft jaarrapportage over de in 2020 toegepaste biomassa voor de Nederlandse bij- en meestook in het kader van het Convenant Biomassa?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat 92 procent van de ingezette biomassa in categorie 5 hoort, die met name bestaat uit zaagsel uit de houtverwerkende industrie, en waarvoor volgens de Minister beperkte duurzaamheidscriteria gelden?3
De 2020-jaarrapportage van het Convenant Duurzaamheid Biomassa stelt dat van de totale inzet aan biomassa voor bij- en meestook in 2020 92% bestond uit biogene rest- en afvalstromen (Categorie 5). CE Delft baseert haar rapportage op vrijwillig afgestane bedrijfsvertrouwelijke informatie van de twee marktpartijen waar in 2020 bij- en meestook plaatsvond. Ik heb deze bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet, derhalve kan ik de genoemde percentages niet bevestigen.
Deelt u de conclusie dat met deze beperkte set duurzaamheidscriteria niet de conclusie getrokken kan worden dat de biomassa uit categorie 5 afkomstig is uit duurzame productie, zoals gesteld voor categorie 1 en 2 biomassa?
Categorie 5 houtige biomassa komt nooit rechtstreeks uit bos maar is een reststroom uit de houtverwerkende industrie. De duurzaamheidseisen van categorie 5 gelden dus bijvoorbeeld voor reststromen uit een zagerij of meubelmaker. Het gebruik van industriële reststromen is in zichzelf al duurzaam, waarbij een zo hoogwaardig mogelijke toepassing de voorkeur heeft.
Weet u welke hoeveelheden van dit zaagsel uit welke landen afkomstig zijn? Kunt u inzicht geven in de herkomstgebieden van dit zaagsel, uitgesplitst naar land en regio, en daarbij analyseren in hoeverre er sprake is van toenemende houtkap of houtoogst in de desbetreffende gebieden?
De informatie die nodig is om de bron van het hout voor biogrondstoffen categorie 5 uit te splitsen naar land en regio is concurrentiegevoelig en niet publiekelijk beschikbaar. Bovendien komt deze stroom nooit rechtstreeks uit bossen, maar ontstaat deze als reststroom uit de houtverwerkende industrie. Dergelijke restromen leiden per definitie niet tot toenemende houtkap, maar volgen uit de vraag naar hout voor materiaaltoepassingen zoals meubels, houtskeletbouw en andere toepassingen.
Als er een sterke correlatie is tussen toename van productie van houtpellets voor, onder andere, de Nederlandse markt en een toenemende houtoogst, bent u dan bereid te onderzoeken hoe dit risico zou kunnen worden gemitigeerd?
Naar mijn mening is een correlatie niet hetzelfde als een causaliteit. Voor wat betreft categorie 5 is het logisch dat, indien er meer hout geoogst wordt voor materiaaltoepassingen, dat er dan ook meer zaagselreststromen ontstaan die tot energiepellets kunnen worden gevormd. Voor wat betreft categorie 1 of 2 – biomassa – direct uit bos – stelt het Nederlandse systeem als voorwaarde dat de koolstofvoorraad op middellange tot lange termijn gelijk blijft of toeneemt. Dit criterium maakt onderdeel uit van het borgingsysteem.
Kunt u garanderen dat de duurzaamheidscriteria, die niet getoetst worden op effectiviteit maar door onafhankelijke CBI’s alleen op de vraag «is er aan voldaan?», ook effectief zijn en dus voldoende om duurzaamheidsrisico’s te mitigeren?4 Op basis waarvan kunt u dat garanderen?
De eisen zoals deze door de SER in kader van energieakkoord opgesteld zijn, zijn door de aan tafel zittende partijen als doeltreffend beschouwd. Certificeringsschema’s worden aan deze eisen getoetst en marktpartijen moeten aan een getoetst certificeringsschema voldoen.
Kunt u aantonen dat middels certificering categorie 1 en 2 biomassa daadwerkelijk biodiversiteit beschermt en zorgt voor klimaatwinst?
In het kader van de afspraken rond het energieakkoord is certificering als een doeltreffend instrument gezien voor dit type internationale biomassastromen. Het gebruik van certificering als instrument is staand rijksbeleid5 en wordt ook internationaal veel gebruikt. Naast het private toezicht heeft Nederland ook nog publiek toezicht ingesteld om te borgen dat aan de duurzaamheidseisen wordt voldaan.
Zo nee, hoe kan dan met zekerheid gesteld worden dat de Nederlandse inzet van categorie 1 en 2 biomassa niet bijdraagt aan duurzaamheidsproblemen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u bevestigen dat de Minister van EZK de herkomst en certificering van de biomassa onder bedrijfsgevoelige informatie schaart?5 Zo ja, klopt dan de conclusie dat u geen zicht heeft op de herkomst van de biomassa, de duurzaamheid van de biomassa en de effectiviteit van de biomassacriteria? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord 5, 7 en 10
Erkent u dat het voor de boseigenaar economisch aantrekkelijk kan zijn om hele bomen weg te halen die nog tot pellets verwerkt kunnen worden, maar niet geschikt zijn voor hoogwaardige producten?6
In duurzaam beheerde bossen worden hele bomen gekapt voor verschillende doeleinden. Sommige bomen worden door de bosbeheerder niet geschikt bevonden voor hoogwaardige toepassingen. Deze bomen worden ook gekapt, bijvoorbeeld om andere bomen meer ruimte te geven, vanwege economische doeleinden of vanwege (brand)veiligheid of ziekten, etc. Deze bomen kunnen bijvoorbeeld tot pellets verwerkt worden, op voorwaarde dat er wel wordt voldaan aan alle duurzaam bosbeheereisen die gesteld worden aan categorie 1 en 2 biomassa.
Erkent u dat dit ertoe kan leiden dat voor ecologie hoogwaardige bomen hierdoor gekapt worden die anders waren blijven staan?
Duurzaam bosbeheer wordt bepaald door de beoogde functie van het bos. Dat is een mix van ecologie, recreatie en economie. Of het kappen van hoogwaardige bomen vanuit het standpunt van natuurbeheer wenselijk is, is dus afhankelijk van de beoogde functie van het bos en het beheer dat daarmee gepaard gaat.
Volgens de Nederlandse criteria voor houtige biomassa uit bos voor energietoepassing geldt in ieder geval dat in het bosperceel als geheel de biodiversiteit in stand wordt gehouden en waar mogelijk wordt versterkt.
Erkent u dat dit debusiness case van houtproductie versterkt in gebieden die eerder onrendabel waren en waarin houtkap nu wel rendabel is?
De subsidie heeft uiteraard invloed op de business case, maar wordt eveneens sterk bepaald door de lokale omstandigheden zoals het beschikbare volume, afstand tot de zagerij of de pelletfabriek, toegankelijkheid en verspreiding van de biomassa, de kwaliteit van het hout, ziektedruk in het perceel van herkomst et cetera.
Kunt u inzicht geven in hoeverre de business case van nieuwe en meer houtkap beter wordt, doordat de vraag naar diverse producten zoals zaagsel en «niet hoogwaardige bomen" groter wordt?
Hoogwaardige toepassingen leveren de bosbouwer doorgaans meer op dan laagwaardige toepassingen. Zie ook antwoord 6–8.
Bent u bekend met het onderzoek «Dutch Wood Pellet Imports. Is Dutch Biomass Burning Contributing to Forest Loss in Baltic States?»7
Ja.
Erkent u dat het rapport nadere en meer actuele feiten en inzichten produceert ten aanzien van (1) de toename houtkap in de Baltische landen, (2) de afzwakking van de wetgeving voor kap in beschermde gebieden die dan weer verband houdt met deze houtkap, (3) het aandeel van de extra houtproductie dat is gebruikt voor extra productie van houtpellets, (4) de stijgende export van deze houtpellets en (5) het aandeel van Nederland als één van de belangrijke afnemers van deze houtpellets?
Het rapport biedt zeker enige inzichten, maar daarnaast heb ik ook andere bronnen tot mijn beschikking, waaronder informatie van de Estse overheid. Hierover heeft mijn voorganger u eerder geïnformeerd. Deze informatie sluit niet helemaal op elkaar aan.
Daarnaast heb ik begrepen dat er op 7 juli jl. een rapport is gepubliceerd inzake «Wood pellet damage – how Dutch government subsidies for Estonian biomass aggravate the biodiversity and climate crisis»9, dat SOMO heeft opgesteld in opdracht van Greenpeace Nederland. Zoals aangegeven tijdens het notadebat van 7 juli jl. neem ik alle signalen rondom mogelijke misstanden serieus. Daarom heb ik de Nederlandse emissieautoriteit verzocht dit rapport te onderzoeken. Ik kom hierover in een later stadium bij u terug.
Deelt u de zorg die in het rapport wordt uitgesproken dat de toegenomen vraag naar en productie van houtpellets in de Baltische landen lijkt bij te dragen aan problematische houtkap in de Baltische landen?8 Zo nee, kunt u uitleggen hoe de Nederlandse massale afname van biomassa niet zou bijdragen aan een versterktebusiness case? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te doen?
Zie antwoord 7 en 8 en 18.
Kunt u aangeven van welke percelen de biomassa afkomstig is, conform de afspraken tussen kolenbedrijven en NGOs in hun convenant9 dat duurzaam bosbeheer op perceelniveau door middel van een certificaat moet worden aangetoond? Zo nee, waarom niet?
De overheid is geen partij in het convenant, dus in die zin kan ik dat niet. De Nederlandse regelgeving stelt in geval van bosbiomassa, net als in het convenant, verplicht dat het bos zelf gecertificeerd moet zijn. Deze certificering is een voorwaarde voor de volgende gecertificeerde marktpartij in de toeleveringsketen om de certificeringsclaim te mogen doorgeven. Er kan alleen maar gecertificeerde biomassa uit een keten bij de energieproducent aankomen indien alle voorgaande schakels ook correct gecertificeerd waren. Op die manier is in principe het certificaat en de claim van de laatste schakel voldoende om certificering van de biomassa door eerste schakel te garanderen. Hierop is zowel een eerstelijns als tweedelijns controle. Zie verder antwoord 2.
Kunt u de certificaten overleggen, eventueel met weglating van wellicht bedrijfsgevoelige informatie op een dergelijk certificaat, zodat wel inzichtelijk is van welk perceel de biomassa afkomstig is? Zo nee, waarom niet?
Nee dat is niet mogelijk. Zie antwoord 20. De claims en bijbehorende leveringsdocumenten op individuele leveringen bevatten bijna uitsluitend bedrijfsgevoelige informatie.
Het bericht 'Stikstofdepositie geen bedreiging voor natuur in uiterwaarden' |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht 'Stikstofdepositie geen bedreiging voor natuur in uiterwaarden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de voedselrijke bodem in uiterwaarden van nature al zoveel stikstof levert dat het kleine beetje uit de lucht geen verschil meer maakt en de overheid de kritische depositiewaarden in uiterwaarden dan ook moet schrappen? Zo nee, waarom niet?
Deze algemeen gestelde conclusie volgt niet uit het artikel. In het artikel blijkt namelijk dat er binnen de uiterwaarden variatie bestaat. Wel is duidelijk dat het overgrote deel van de bodemmonsters, die in het artikel worden genoemd, zijn genomen op percelen met een hoge stikstofbeschikbaarheid en goede zuurgraad. In het artikel wordt niet vermeld wat de ter plekke aanwezige vegetatie is, maar wel is vermeld dat de bodemmonsters zijn genomen op percelen van veehouders en dus mag worden aangenomen dat deze percelen in regulier agrarisch gebruik zijn of in ieder geval een vorm van bemesting kennen. Het is duidelijk dat uiterwaarden waar al vele decennia op wordt bemest, niet gevoelig zijn voor het vermestende effect van stikstofdepositie. Hoogstwaarschijnlijk zijn de bodemmonsters dan ook niet genomen op locaties waar één van de kenmerkende vegetatietypen die behoren tot het leefgebiedtype «Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied» (Lg 11) daadwerkelijk voorkomt, ook al is het ter plaatste (volgens het artikel) wél zo op kaart gezet.
Mede ter uitvoering van de motie-Geurts/Harbers (Kamerstuk 35 600, nr. 31) worden de kaarten met stikstofgevoelige leefgebieden (o.a. in de uiterwaarden) momenteel gecorrigeerd. Een eerste ronde is inmiddels afgerond, waarbij op basis van het digitale kaartbestand Basisregistratie Gewaspercelen, zoals verwacht, een groot aantal locaties is geïdentificeerd die met zekerheid niet stikstofgevoelig zijn. De betreffende hexagonen zullen dan ook vanaf dit najaar geen deel meer uitmaken van de kaarten op basis waarvan in AERIUS wordt aangegeven dat er sprake is van een stikstofgevoelig habitat. Eveneens is van een groot aantal hexagonen bepaald dat er met zekerheid wel een stikstofgevoelig leefgebied aanwezig is. Voor twijfelgevallen is inmiddels een tweede ronde gestart, waarbij in opdracht van de provincies veldbezoeken of een nadere verkenning plaatsvinden.
Vindt u het ook schokkend dat het bepalen van de kritische depositiewaarden «provisorisch» plaatsvond en dat er geen rekening is gehouden met verschillen in de bodem en dat er dus ook met verschillen in invloed van stikstofdepositie niets is gedaan?
Uit het artikel blijkt niet dat het bepalen van de kritische depositiewaarden in zijn algemeenheid provisorisch plaatsvond, maar dat het om een specifiek onderdeel van die bepaling gaat: de KDW-bepaling van aanvullende stikstofgevoelige leefgebiedtypen. De hoofdauteur van het bekende KDW-rapport uit 2012, Han van Dobben, wordt in het artikel als volgt geciteerd: «We hadden alleen KDW's uitgerekend voor vegetatietypen en niet voor dieren van de Leefgebieden. Toen is er een noodoplossing bedacht. Ik vond dat zelf een beetje provisorisch.» Hiermee wordt gedoeld op het feit dat het (nog) niet mogelijk is om per diersoort te bepalen in welke mate stikstof een probleem is. In plaats daarvan is bepaald uit welke vegetatietypen het leefgebied van elke soort bestaat. Van die vegetatietypen kan namelijk wél worden berekend wat de stikstofgevoeligheid is. Alles overziende, bleken de voor de diersoorten relevante vegetatietypen deels te overlappen met habitattypen (waar al een KDW voor was bepaald) en deels niet. De typen die niet overlapten, zijn samengenomen in veertien aanvullende (stikstofgevoelige) leefgebiedtypen, waarvan het genoemde Lg 11 er eentje is. Voor deze typen is een KDW berekend. Anders dan bij habitattypen, is er in de gebieden nog een nadere beoordeling nodig of zo'n leefgebiedtype daadwerkelijk relevant is voor de in het gebied beschermde soorten én in hoeverre de stikstofgevoeligheid van de samenstellende vegetatie voor die soorten ook daadwerkelijk een probleem kan vormen.
Wat vindt u van de constatering dat op minimaal 93 procent van de onderzochte bodemmonsters het kleine beetje stikstof uit de lucht geen invloed heeft?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de mate van stikstof geen beperkende factor is voor de soortenrijkdom? Gaat deze stelling volgens u alleen op voor uiterwaarden of ook voor andere gebieden?
Deze stelling gaat niet in zijn algemeenheid op voor alle locaties in uiterwaarden, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2. Overigens komen er buiten de locaties waar de bodemmonsters zijn genomen, op kleine schaal ook situaties voor waar bijvoorbeeld de habitattypen Stroomdalgraslanden (H6120) en Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510) aanwezig zijn. In die gevallen gaat het om betrekkelijk voedselarme gronden die niet representatief zijn voor de uiterwaarden als geheel, maar die wel behoren tot de meest waardevolle gedeelten van de uiterwaarden. Voor deze typen is stikstof met zekerheid een beperkende factor voor de soortenrijkdom. Deze verdeling in typen die wel en die niet gevoelig voor stikstof zijn, komt ook voor in andere gebieden.
Deelt u de mening dat er veel te veel schort aan de onderbouwing van het stikstofbeleid en wat gaat u doen zodat boeren en burgers niet verder door dit beleid gedupeerd worden?
Deze mening deel ik niet.
Het gebruik van een verboden landbouwgif in viskwekerijen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Banned pesticide blamed for killing bees may be approved for fish farms»?1
Ja.
Kunt u uitsluiten dat imidacloprid wordt gebruikt bij de kweek van vis in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke andere gifstoffen zijn toegestaan bij de kweek van vis in Nederland?
In Nederland en in de EU is het verboden diergeneesmiddelen te gebruiken bij voedselproducerende dieren wanneer er geen Maximale Residu Limiet (MRL) is. Recent is voor imidacloprid een MRL voor vissen vastgesteld (september 2020) en deze is opgenomen in Verordening (EU) Nr. 37/2010. Echter is in de EU tot op heden geen diergeneesmiddel toegelaten met imidacloprid. Dat betekent dat imidacloprid als diergeneesmiddel nog steeds niet is toegestaan om te gebruiken bij vissen. Het gebruik van diergeneesmiddelen met deze stof uit derde landen is in de EU ook niet toegestaan.
Beaamt u dat imidacloprid slecht is voor aquatische ecosystemen en daarom zeker niet gebruikt moet worden bij de kweek van vis in open water? Zo nee, waarom niet?
Imidacloprid is toxisch voor aquatische organismen en het gebruik ervan in open water kan daarom risico’s voor het milieu met zich meebrengen. De mate van toxiciteit is echter afhankelijk van de concentratie in het water. De concentratie in het water hangt weer af van de manier van toedienen en de gebruikte dosering. De aanvrager van de MRL voor imidacloprid in vissen (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4) is ook een diergeneesmiddel aan het ontwikkelen voor de bestrijding van zeeluizen bij zalmen. Volgens de informatie op de website van dit bedrijf wordt dit middel niet in open water gebruikt maar in baden waarvan het water gezuiverd wordt van imidacloprid. Of een dergelijk gesloten systeem de risico’s voor het milieu voldoende beperkt zal bij de aanvraag voor toelating worden beoordeeld door de bevoegde autoriteit (zie ook het antwoord op vraag 5). Het middel heeft nu nog geen toelating in de EU.
Kunt u bevestigen dat er in de Europese Unie een discussie speelt over het opstellen van residunormen (Maximale Residu Limieten (MRL's)) voor imidacloprid in kweekvis, waarmee het mogelijk zou worden om kweekvis te importeren van buiten de Europese Unie met resten van gif waarvan het gebruik binnen de Europese Unie verboden is, zoals clothianidin, imidacloprid en thiamethoxam? Zo ja, kunt u aangeven waar deze discussie momenteel staat?
Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) heeft recent een MRL vastgesteld voor imidacloprid (Imidacloprid 004481-FULL-0002 – Summary of opinion (europa.eu)) voor vissen en als zodanig opgenomen in Verordening (EU) Nr. 37/2010. Een MRL wordt aangevraagd door een bedrijf dat mogelijk een diergeneesmiddel op de markt wil brengen en levert hiervoor de wetenschappelijke data aan. Het EMA beoordeelt deze en stelt een MRL vast. Bij de afweging hiervoor wordt alleen rekening gehouden met de voedselveiligheid, het moet veilig zijn voor de mens om deze vissen te kunnen eten. Wanneer een bedrijf vervolgens een aanvraag indient voor een handelsvergunning voor een diergeneesmiddel met imidacloprid als actieve stof, wordt het diergeneesmiddel beoordeeld op werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit; een onderdeel hiervan is de milieubeoordeling die meeweegt in de baten/risicoafweging voor zo’n diergeneesmiddel.
Voor de stoffen clothianidin en thiamethoxam zijn geen MRLs vastgesteld in de EU, dus deze stoffen mogen bij import niet in vissen aanwezig zijn. De aanwezigheid van imidacloprid moet bij de vissen die geïmporteerd worden onder de EU MRL zijn.
Deelt u de overtuiging dat Nederland geen kweekvis op de markt toe zou moeten laten waar bij de kweek zeer schadelijke gifstoffen, zoals imidacloprid, zijn gebruikt? Zo ja, heeft u aan de Europese Commissie kenbaar gemaakt dat Nederland tegen het opstellen van deze MRL's is? Zo nee, waarom niet?
Het vaststellen van MRL’s voor het gebruik van diergeneesmiddelen is een wetenschappelijke afweging. Het EMA maakt deze afweging op basis van alle recente wetenschappelijke data. Zoals gezegd wordt een MRL vastgesteld om de voedselveiligheidsrisico’s voor de mens uit te sluiten. Een MRL neemt niet de milieurisico’s mee, dat gebeurt later in de milieubeoordeling die onderdeel is van de beoordeling van de aanvraag voor een handelsvergunning voor een diergeneesmiddel. Dit is een wetenschappelijke afweging. Wanneer er uit deze beoordeling milieubezwaren komen, worden die meegewogen in de baten/risico-balans die bij een toelating van een diergeneesmiddel hoort; de baten voor het dier afgewogen tegen de risico’s voor het milieu. Wanneer deze balans negatief is, krijgt het middel geen handelsvergunning.
Hoeveel vissen worden er jaarlijks gekweekt voor consumptie in Nederland?
–
Paling
3.000
2.000
2.200
–
Meervalachtigen
4.000
2.100
2.700
–
Snoekbaars
130
190
100
–
Tilapia
–
5
1
–
Tarbot
210
270
30
–
Forel en overig
–
50
40
–
Yellowtail kingfish
–
–
430
Kunt u per vissoort aangeven welk percentage kweekvissen voortijdig sterft en wat de belangrijkste oorzaak is voor de sterfte van deze soort?
De sterfte per jaar is erg laag bij vis gekweekt in Recirculating Aquaculture Systems (RAS)-systemen. Een RAS-systeem werkt in tegenstelling tot andere teeltsystemen, met biologische filters en kan de waterkwaliteit in het systeem goed reguleren. De kwekers in Nederland zijn verplicht om de dode vissen gekoeld te verzamelen en vervolgens aan Rendac te leveren. Elke kweker heeft zo de gegevens van de dode vis in de administratie. Bij paling is zelfs de registratie van de sterfte per systeem opgenomen in de Sustanaible Eel Standard (SES) certificering. De totaal gegevens per vissoort zijn niet bekend. Voor de sterfte die er plaatsvindt is in de meeste gevallen geen primaire oorzaak aan te wijzen. Er worden geen percentages bijgehouden van de sterfte.
Wat zijn wettelijke toegestane antibiotica, hormonen of andere medicijnen en middelen voor kweekvis? Wat zijn de daadwerkelijk gebruikte antibiotica, hormonen of andere medicijnen en middelen voor kweekvis? Bestaan er verschillen tussen de lijsten van gebruikte en toegestane antibiotica, hormonen of andere medicijnen en middelen voor kweekvis?
In Nederland is één diergeneesmiddel toegelaten voor gebruik bij kweekvis. Dit betreft een vaccin. In de EU zijn meerdere diergeneesmiddelen toegelaten.2 Via de zogenaamde cascade mogen dierenartsen diergeneesmiddelen uit andere lidstaten voorschrijven. Diergeneesmiddelen voor voedselproducerende dieren zijn altijd voorschriftplichtig, wat wil zeggen dat een dierenarts een diagnose moet stellen en de middelen moet voorschrijven. Voor het gebruik van antibiotica is door de Wageningen University het formularium kweekvis opgesteld3, dat dierenartsen gebruiken bij het voorschrijven van antibiotica.
Er is geen centrale database voor kweekvissen waarin het gebruik van diergeneesmiddelen moet worden bijhouden. Wel moeten de dierenarts en de houder van dieren zelf een diergeneesmiddelenlogboek bijhouden van wat is voorgeschreven en gebruikt. Dit is geregeld in de Regeling diergeneeskundigen en de Regeling houders van dieren. Op 28 januari 2022 wordt de nieuwe EU verordening diergeneesmiddelen van kracht. Daarin staan voor de aquacultuurdieren een aantal nieuwe bepalingen om het risico op antibioticaresistentie te beperken. Zo komt er een vastgestelde lijst van antibiotica die bij vissen gebruikt mogen worden. Van de aquacultuurdieren moeten ook per 2027 de verkoop- en gebruiksgegevens van antimicrobiële middelen worden geregistreerd. Voor wat betreft het daadwerkelijke gebruik wordt de gedragscode gehanteerd. Er worden minimale hoeveelheden antibiotica gebruikt en dan alleen nog bij jonge visjes. Hormonen worden niet gebruikt. Voor wat betreft andere medicijnen worden alleen enkele wormmiddelen, zoals mebendazole, sporadisch toegepast, maar ook alleen degene die in de gedragscode staan.
Wat zijn de wettelijke eisen voor het gebruik van antibiotica, hormonen of andere medicijnen en middelen voor gesloten kweekvissystemen? Wat zijn de wettelijke eisen voor het zuiveren van het afvalwater? Wie controleert dit en hoe vaak gebeurt dit?
Voor wat betreft de wettelijke eisen voor het zuiveren van het afvalwater moet elke kweker over een lozingsvergunning beschikken. Afhankelijk of op het riool of op oppervlaktewater wordt geloosd kunnen de lozingseisen variëren. Ook verschillen de eisen per provincie. Elk bedrijf wordt meerdere malen per jaar gecontroleerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en/of waterschappen.
Kunt u uitsluiten dat hormonen of medicijnen en middelen en/of resistente micro-organismen kunnen worden aangetroffen in kweekvissen die via de supermarkt worden verkocht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke middelen worden teruggevonden in kweekvissen?
Hormonen, medicijnen en (resistente) micro-organismen kunnen voorkomen in oppervlaktewater waaraan dergelijke middelen niet toegevoegd zijn, al is dat normaal gesproken in onschadelijke gehaltes. De NVWA monitort, als onderdeel van het Europees verplichte Nationaal Plan Residuen, periodiek steekproefsgewijs op het gebruik van verboden stoffen en diergeneesmiddelenresiduen in de viskweekhouderij. In de afgelopen jaren zijn daarbij geen normoverschrijdingen vastgesteld.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de kweekvissen besmet is met bacteriën die resistent zijn voor antibiotica (uitgesplitst naar Nederlandse en geïmporteerde kweekvis)?
Er zijn geen resistentiegegevens specifiek van de nationale aquacultuurproductie bekend.
Hoe vaak controleert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit kweekvissen uit de supermarkt op mogelijke aanwezigheid van bacteriën die resistent zijn voor antibiotica of medicijnresten of middelen? Hoeveel monsters zijn er in de afgelopen drie jaar genomen? Bij welk percentage werden bacteriën die resistent zijn voor antibiotica vastgesteld en bij welk percentage werden medicijnresten of middelen vastgesteld?
Sinds 2015 wordt door de NVWA gekeken naar Extended Spectrum Beta Lactamase (ESBL) producerende enterobacteriaceae in importstromen van tilapia, pangasius en garnalen, elk ca. 100 monsters per jaar. Tussen 1 en 2,5 procent van de monsters worden positief bevonden. Incidenteel, 1 à 2 monsters per jaar, worden carbapenemase producerende soorten, Klebsiella en Enterobacter, geïsoleerd.
Kunt u aangeven hoeveel in het wild gevangen vissen, per kilogram slachtgewicht, gevoerd worden aan kweekvissen, graag uitgesplitst naar vissoort?
Ik beschik niet over gedetailleerde informatie over de hoeveelheden gevangen vis welke gevoerd wordt aan kweekvis. Visvoerfabrikanten zijn bezig om minder vismeel en -olie te gebruiken als grondstof voor viskweek. Zo wordt de hoeveelheid vis die gevangen wordt om voer te produceren voor met name zalm en forel sterk gereduceerd.
Het bericht 'Portugal under fire for backtracking on gas funding' |
|
Renske Leijten |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat een groep EU-lidstaten de financiering van gasprojecten probeert te verlengen, waarmee zij tegen Europese klimaatdoelen- en plannen in gaan?
Het kabinet heeft de inzet voor de TEN-E verordening neergelegd in het BNC-fiche2 en daarna met uw Kamer besproken en aangescherpt in het Commissiedebat Energieraad van 3 juni jl. Het kabinet is van mening dat infrastructuur voor fossiele brandstoffen geen subsidie meer mag ontvangen uit EU-fondsen om zodoende bij te dragen aan het bereiken van de EU-klimaat en energiedoelen van 2030 en 2050. Het kabinet is evenwel van mening dat het geschikt maken van bestaande aardgasinfrastructuur voor duurzame gassen, waaronder waterstof, onderdeel zou moeten zijn van de herziene TEN-E verordening. Ook is in het Commissiedebat gewisseld dat het Nederlandse standpunt door een groep landen niet gedeeld werd en er dus mogelijk een compromis zou volgen.
Het Portugees voorzitterschap had voorafgaand aan de Energieraad geen overeenstemming bereikt over de te herziene TEN-E verordening. Een aantal lidstaten heeft aangegeven nog ruimte te willen voor aardgasprojecten gezien hun energiemix en voortgang in de energietransitie. Het Portugese voorzitterschap heeft tijdens de Energieraad een nieuw compromisvoorstel op tafel gelegd. In het compromisvoorstel waren strengere eisen opgenomen voor de bijmenging van waterstof in bestaande aardgasnetwerken. Zo moeten de betreffende netwerken technisch geschikt worden gemaakt om pure waterstof te transporteren, en mag bijmenging slechts plaatsvinden tot 31 december 2029, waarbij financiering slechts tot 31 december 2027 mogelijk is. Verder zijn bepalingen toegevoegd om de negatieve impact van bijmenging op de interoperabiliteit van grensoverschrijdende gasnetwerken te voorkomen. Daarmee wordt marktfragmentatie door verschillen in gaskwaliteit tegengegaan.
Nederland heeft uiteindelijk, het krachtenveld meewegend, voor het compromisvoorstel gestemd, omdat het tegemoet kwam aan de belangrijkste bezwaren die Nederland nog had op het gebied van bijmenging en waterstofelektrolyse.
Nederland heeft tot aan en tijdens de Energieraad samengewerkt met een groep van EU-lidstaten die opgeroepen hebben tot het uitfaseren van investeringen in grensoverschrijdende infrastructuur voor fossiele brandstoffen middels Europese TEN-E fondsen. Ik verwijs u ook naar het verslag over de Energieraad van 11 juni.
Wat is de reactie van Nederland op de poging van tijdelijk voorzitter Portugal om de investeringen in de fossiele industrie op de agenda te houden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven welke stappen Nederland – via verschillende gremia – heeft gezet om de tijdelijk voorzitter te bewegen af te zien van hun poging? Op welke wijze trekt Nederland samen op met andere lidstaten?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat het feit dat er nog geen besluit is genomen om de investeringen in fossiele brandstoffen te stoppen – zoals het Internationale Energie Agentschap (IEA) bepleit, maakt dat lobby via verschillende lidstaten, dan wel via de Europese Commissie, zullen blijven proberen de agenda in hun voordeel te beïnvloeden? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Het staat lidstaten vrij om hun eigen inzet te kiezen in de EU-onderhandelingen. Ook zijn alle stakeholders vrij om hun inbreng naar voren te brengen, binnen de daarvoor geldende kaders.
Welke rol wil Nederland spelen om het advies van de IEA over te nemen binnen het Europese en nationale klimaat- en energiebeleid voor de komende tijd? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse nationale inzet is en blijft gestoeld op het Klimaatakkoord en de uitvoering daarvan. Uiteraard wordt de inzet mede bepaald aan de hand van wetenschappelijk onderbouwde rapporten, zoals o.a. het aangehaalde rapport van het IEA4. Eventuele wijzigingen van de huidige beleidsinzet zijn aan een nieuw kabinet.
Jachtactiviteiten in gebieden waar wolven zijn gevestigd |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Wolvenpaar op de Veluwe heeft weer een nestje: drie welpen gezien» en «Vlaanderen schendt Europees recht door jacht te tolereren in wolvengebied»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat het beschermingsregime uit de Habitatrichtlijn een algemeen toepassingsbereik heeft en dat hieruit volgt dat alle handelingen die schade kunnen aanrichten (in verband met het voorzorgsbeginsel) preventief verboden moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze waarborgt u het effectueren van genoemd beschermingsregime?
De Habitatrichtlijn voorziet onder meer in een strikte bescherming van dieren en planten van bedreigde soorten die worden genoemd in bijlage IV bij deze richtlijn, door het verbieden van tal van schadelijke handelingen ten aanzien van individuen van die soorten. De kern en reikwijdte van de Europese voorschriften die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn, en de Vogelrichtlijn, zijn op nationaal niveau geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden er verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Om in aanmerking te komen voor ontheffingen van deze verbodsbepalingen onder de strikte voorwaarden die daaraan verbonden zijn, zal een initiatiefnemer in beeld moeten brengen welke soorten zich bevinden in een projectgebied en door de uitvoering van het project beïnvloed worden. Het is vervolgens aan het bevoegd gezag om te handhaven en toe te zien op de naleving van de voorschriften die aan de ontheffing die op grond van de Wet natuurbescherming wordt verleend zijn verbonden.
Is het waar dat in het kader van populatiebeheer het afschot van pasgeboren wilde zwijnenbiggen in het leefgebied van de wolf een aanvang neemt? Zo ja, hoe vaak per jaar worden zwijnen(biggen) geschoten in het leefgebied van de wolf? Hoeveel zwijnen(biggen) worden er in het leefgebied van de wolf geschoten sinds 2015, onderverdeeld per gebied, per jaar?
De provincie Gelderland heeft het leefgebied voor wolven op de Noord- en Midden-Veluwe vastgesteld, dat is voor een deel ook leefgebied voor de wilde zwijnen. De ontheffing van de provincie staat afschot van wilde zwijnen uit het oogpunt van populatiebeheer toe vanaf 1 juli.
De datum vanaf wanneer wilde zwijnen gedood mogen worden, staat in de ontheffing die door de provincie wordt afgegeven. Deze ontheffing is gebaseerd op het, door de provincie goedgekeurde, faunabeheerplan. Binnen de vastgestelde leefgebieden kunnen vanaf 1 juli de wilde zwijnen worden afgeschoten. Buiten de leefgebieden mag het afschot op wilde zwijnen jaarrond plaatsvinden.
Voor de aantallen zwijnen die worden geschoten verwijs ik u naar de Faunabeheereenheid Gelderland die deze jaarlijks rapporteert3. Van het deel van het afschot van wilde zwijnen binnen het leefgebied van de wolf wordt geen separate cijfers bijgehouden.
Onderschrijft u dat het opzettelijk verstoren van strikt beschermde soorten verboden is, vooral tijdens de perioden van voortplanting en afhankelijkheid van de jongen? Zo ja, betekent dit dat het tolereren van intensieve of andere verstorende afschotactiviteiten – waaronder het afschot van jonge wilde zwijnen – wanneer een zwangere wolvin of pasgeboren welpjes in een gebied aanwezig is, in strijd met de wet beschouwd moet worden? Zo nee, waarom niet?
De Wet natuurbescherming verbiedt het opzettelijk verstoren van in het wild levende soorten, zoals genoemd in bijlage IV, onderdeel a, van de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn.
In gebieden waar de wolf is gevestigd kan jacht, schadebestrijding en populatiebeheer plaatsvinden, overeenkomstig de voor die gebieden geldende goedgekeurde faunabeheerplannen.
Bewegingsjacht is in Gelderland toegestaan buiten het leefgebied van de wilde zwijnen om het aantal zwijnen buiten dat leefgebied zoveel mogelijk te reduceren. Dat is ook aan de randen van de Veluwe maar wordt in de praktijk sporadisch toegepast. Aanzitjacht vanaf een hoogzit is de gangbare manier. Volgens deskundigen hebben die vormen van faunabeheer geen negatief effect op de aanwezige wolven. Derhalve zijn deze activiteiten niet op voorhand in strijd met de doelstellingen van de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn.
Deelt u de mening dat het semantische onderscheid tussen jacht en populatiebeheer voor het beschermingsregime van de wolf geen verschil zou mogen maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 aangeef kan in gebieden waar de wolf is gevestigd, jacht, schadebestrijding en populatiebeheer plaatsvinden, overeenkomstig de voor die gebieden geldende goedgekeurde faunabeheerplannen.
Deelt u de mening dat het uitsluiten van afschotactiviteiten in de buurt van actieve nestplaatsen van de wolf een minimum minimorum is en hiermee een strikte eis van Europees recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, beaamt u dat Nederland haar verplichtingen onder de Habitatrichtlijn schendt door toestemming te geven voor afschot van prooidieren binnen het leefgebied van de wolf? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze bent u van plan dit te voorkomen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 aangeef zijn deze activiteiten niet op voorhand in strijd met de doelstellingen van de Habitatrichtlijn.
Bent u bereid het leefgebied van de wolf in elk geval in de draag- en zoogtijd van de dieren geheel te (doen) vrijwaren van afschotactiviteiten die verstoring zouden kunnen geven en de voedselvoorraad voor de wolven verkleinen, in het kader van de verplichtingen volgens de Habitatrichtlijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zoals ik in het antwoorden op vraag 4 aangeef heeft het faunabeheer volgens deskundigen geen negatief effect op de aanwezige wolven. De provincie is het bevoegd gezag voor de afgifte van vergunningen en ontheffingen voor het verstoren op basis van de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn, alsmede voor de naleving daarvan.
Deelt u de mening dat de overheid wettelijk verplicht is om zowel opzettelijke als onopzettelijke beschadigingen van wolvenholen te vermijden? Zo ja, op welke wijze geeft u invulling aan deze beschermingsplicht? Zo nee, waarom niet?
Conform artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming is het verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van wolven te beschadigen of te vernielen. Onder strikte voorwaarden kunnen gedeputeerde staten van de provincie als bevoegd gezag ontheffing verlenen voor deze verbodsbepaling. Bij het beoordelen en verlenen van ontheffingen toetsten gedeputeerde staten aan de vereisten die gelden op grond van het in de Wet natuurbescherming opgenomen soortenbeschermingsregime. Daarbij wordt tevens getoetst of aan de zorgplicht wordt voldaan.
Beaamt u dat deze verplichting niet alleen geldt in termen van directe beschadigingen, zoals het omploegen van een wolvennest, maar tevens gaat om handelingen die de «ecologische functionaliteit" van een leefgebied van een wolf teniet doen? Zo ja, op welke wijze geeft u invulling aan deze beschermingsplicht? Zo nee, waarom niet?
De algemene zorgplichtbepaling is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming en geldt voor iedereen ten aanzien van alle in het wild levende dieren en planten. Voor overheden brengt de zorgplicht met zich mee dat natuuraspecten worden meegewogen in handelen en besluitvorming van deze overheden. Handhaving van de zorgplicht geschiedt bestuursrechtelijk, door inzet van de instrumenten van de last onder dwangsom of bestuursdwang, onder meer bij kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen. Voor soorten die op grond van internationale verplichtingen beschermd worden, heeft de zorgplichtbepaling vooral een ondersteunende betekenis: het is in principe voldoende dat wordt voldaan aan de vereisten van de hiervoor genoemde beschermingsregimes in paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming.
Is het waar dat het Europese Hof al verschillende lidstaten op de vingers getikt heeft in situaties waarin lidstaten tekort schoten om het leefgebied van een beschermde soort te vrijwaren voor schadelijke ingrepen, zoals het gebrek aan beschermingsmaatregelen voor wilde hamsters in Frankrijk en van zeeschildpadden in Griekenland? Hoe beoordeelt u de vergelijkbare inspanningsverplichting voor Nederland om verstoring van het leefgebied van de wolf te voorkomen?
Het klopt dat het Europese Hof lidstaten heeft opgedragen te zorgen voor de betere bescherming van leefgebieden van soorten. Het gaat daarbij om leefgebieden van soorten die aantoonbaar verslechterd zijn waardoor de aantallen van de betreffende soort een zorgwekkende neergaande trend laten zien. De wolf is zich de laatste jaren aan het vestigen in Nederland waarbij voortplanting voor het eerst is waargenomen in 2019. Of dat leidt tot een duurzame populatie moet nog blijken. Wel kan gesteld worden dat de trend van de wolf door deze nieuwe vestigingen vooralsnog positief is.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 1 juli 2021, de dag waarop de Provincie Gelderland het afschieten van jonge zwijnen wil toestaan, waarmee Nederland in overtreding zou kunnen zijn volgens Europees recht? Zo nee, waarom niet?
Ja.
De berichten ‘Te ruime regels voor stikstofhandel gevaar voor toch al overbelaste natuur’ en ‘Nieuwe vergunningsregels bieden ruimte voor meer stikstofuitstoot’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Te ruime regels voor stikstofhandel gevaar voor toch al overbelaste natuur» en «Nieuwe vergunningsregels bieden ruimte voor meer stikstofuitstoot»?1, 2
Ja.
Klopt het dat in afgegeven vergunningen nog ruimte is voor handel in 30 miljoen kilo stikstofuitstoot? Zo ja, waarom heeft u hier geen stappen tegen ondernomen en hoe lang bent u hiervan op de hoogte? Zo nee, hoeveel ruimte is er nog wel?
De berekeningen van de latente ruimte door het Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico hebben betrekking op het verschil tussen de vergunde uitstoot en de daadwerkelijke uitstoot respectievelijk het extrapoleren van de gerapporteerde uitstoot van vergunde veestallen met de 25% latente ruimte uit de inventarisatie onbenutte emissieruimte in vergunningen van veehouderijen rondom de Peelvenen.
Bij extern salderen kan alleen gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit. Dat betekent dat de niet-gerealiseerde capaciteit – die onderdeel uitmaakt van de latente ruimte – bij het intrekken van de vergunning van de saldogever komt te vervallen. Bovendien wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd. De door Investico gemaakte berekeningen geven daardoor een overschatting van de potentiële stikstofruimte waarmee extern gesaldeerd kan worden.
Het is de vraag of veehouderijen onbenutte latente ruimte ook daadwerkelijk gaan gebruiken. In het door Investico gebruikte onderzoek wordt (ook) onderkend dat «de latente ruimte in milieuvergunningen en -meldingen van veehouderijen al jaren een vrijwel stabiel gegeven is. Er zijn ook andere factoren zoals dier- en fosfaatrechten, eisen en kosten met betrekking tot mestverwerking, milieuregelgeving en financiële en economische belemmeringen, die een toename van het aantal gehouden dieren remmen. Het is daarom niet aannemelijk dat de latente ruimte in Nbw-vergunningen voor een belangrijk deel wordt opgevuld».
Ik heb geen inzicht in de omvang van de latente ruimte in Nederland. Dit zou een analyse tot op individueel bedrijfsniveau vergen, van de mate waarin bedrijven de vergunde ruimte feitelijk hebben gerealiseerd c.q. daadwerkelijk benutten. Ook de provincies hebben deze analyse niet zo voorhanden. Ik ben van plan om met de provincies over latente ruimte in gesprek te gaan.
Kan de conclusie worden getrokken dat met het extern salderen de uitstoot van stikstof significant kan toenemen waardoor de natuur verder kan verslechteren? Zo nee, waarom niet?
Bij extern salderen nemen partijen ruimte voor stikstofdepositie over van bedrijven die stoppen of minder stikstof gaan emitteren. De keuze om bij extern salderen uit te gaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit en niet de vergunde capaciteit, is gemaakt om feitelijke toenames van stikstofemissie zoveel mogelijk te voorkomen. De voorwaarde van «directe samenhang» bij extern salderen is dat een bestaande vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, alvorens die voor een ander project, waarbij sprake is van stikstofdepositie een nieuwe vergunning op basis van de Wet natuurbescherming, wordt afgegeven. De niet-gerealiseerde capaciteit in de vergunning van de saldogever komt bij het intrekken van de vergunning te vervallen. Op deze manier neemt de vergunde stikstofemissie af. Hiermee wordt geborgd dat er door de externe saldering geen feitelijke toename van stikstofdepositie door invulling van latente ruimte vanuit niet gerealiseerde capaciteit plaatsvindt.
De partij die de ruimte voor stikstofemissie overneemt, mag vervolgens maximaal 70% van de depositie benutten voor zijn eigen project; de resterende minimaal 30% wordt gebruikt om een depositiedaling tot stand te brengen voor de natuur. Hierdoor daalt de stikstofdepositie als gevolg van extern salderen in bijna alle gevallen. In zeer uitzonderlijke gevallen is het mogelijk dat een toename van de feitelijke stikstofdepositie als gevolg van extern salderen niet kan worden uitgesloten.
Wat is de precieze toename van de stikstofuitstoot na de eerste grote stikstofdeals in de industrie waar de onbenutte ruimte uit vergunningen nu ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld de aanleg van pijpleidingen?
Ik heb geen volledig inzicht in alle gevolgen voor stikstofdeposities die voortvloeien uit afzonderlijke extern saldeertransacties, omdat een provincie in deze gevallen veelal het bevoegd gezag is. Pas zodra een initiatiefnemer zich meldt bij het bevoegd gezag met het voornemen tot extern salderen en daarna (ook) een vergunningsaanvraag indient, is er bij het betreffende bevoegd gezag inzicht in de gevolgen voor de stikstofdepositie. Het bevoegd gezag beoordeelt of een activiteit voldoet aan het toetsingskader uit de Wnb en toetst op de voorwaarden zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 van toepassing zijn.
Kunt u reflecteren op het verslag over de Wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en specifiek de beantwoording op vraag 191 & 192 naar het effect van extern salderen, waarin wordt geantwoord dat door de afroming van 30% bij extern salderen ten behoeve van de natuur een marge is ingebouwd om feitelijke toename van stikstofemissie te voorkomen?3
Eén van de uitgangspunten bij extern salderen is dat er geen nadelige gevolgen optreden voor stikstofgevoelige natuur. Bij extern salderen kan alleen gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit (dus niet met de wel vergunde, maar niet-gerealiseerde capaciteit; deze niet-gerealiseerde ruimte komt bij het intrekken van de vergunning van de saldogever ten behoeve van extern salderen te vervallen). Voorts wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd. Als gevolg daarvan daalt de stikstofdepositie in bijna alle gevallen met extern salderen. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, als de feitelijk gerealiseerde capaciteit door de saldogever nauwelijks wordt benut, kan een toename van de feitelijke stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Momenteel verken ik samen met provincies op welke wijze toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.
Herinnert u zich de beantwoording op de schriftelijke vragen over het bericht «Nieuwkoopse stikstofboeren krijgen tonnen subsidie van Minister Schouten voor project: «Dit moeten we een kans geven»»?4
Ja.
Wat is de reden dat wordt gesteld dat met het project van de Nieuwkoopse boeren de stikstofuitstoot zal afnemen door het extern salderen en is deze constatering juist wanneer wordt gereflecteerd op de zorgen van Kees Bastmeijer, hoogleraar natuurbeschermingsrecht?
In de Nieuwkoopse pilot wordt extern salderen beperkt tot ruimte die vrij wordt gemaakt door innovatie. De maximaal zes bedrijven in Utrecht en Zuid-Holland die aan de pilot deelnemen, moeten ruimte vrijmaken door het toepassen van emissiebeperkende maatregelen. De pilot is vooralsnog gericht op veehouderijbedrijven en kent een aantal specifieke randvoorwaarden die zien op beperking van de stikstofuitstoot. De vrijgemaakte ruimte wordt permanent met 44% afgeroomd en de innovatie mag alleen plaatsvinden bij en berekend worden over feitelijke gerealiseerde capaciteit. Er is hier geen sprake van (alsnog) benutten van bestaande onbenutte ruimte in een vergunning.
Vanwege de opzet van de pilot en het beperkt aantal bedrijven dat hieraan kan meedoen, is het vraagstuk rondom latente milieuruimte anders dan bij een aantal grote industriële bedrijven waar de latente ruimte is ontstaan, doordat de maximale milieugebruiksruimte (piekbelasting) de basis is geweest voor het bepalen van de jaarronde stikstofbelasting. De vergunning is daarbij gebaseerd op een worst case situatie, bijvoorbeeld een energiecentrale die in een koude winter extra energie moet kunnen leveren binnen de vergunning.
Deelt u de vrees dat door de combinatie van de verkoop (of het verleasen) van stikstofruimte in combinatie met technische innovatie het gevaar bestaat van een «lock in» zolang niet duidelijk is hoeveel molen er in totaal moeten worden gereduceerd in een bepaald gebied, in dit geval Nieuwkoop, oftewel dat reductie die met investeringen in techniek worden bereikt mogelijk niet genoeg is om de uitstoot in een gebied voldoende te reduceren en dat daardoor alsnog moet worden ingegrepen?
Dit aandachtspunt wordt door alle deelnemers van de pilot onderkend. Er wordt dan ook in gezamenlijkheid bepaald welke bedrijven geschikt zijn voor de pilot in de huidige vorm (6 casussen). Het voorkomen van een lock in wordt meegenomen door bij de keuze van de pilotbedrijven rekening te houden met het toekomstperspectief van de locatie en de eventuele kosten van verplaatsing van de toegepaste technieken in de toekomst.
Op welk onderzoek is de conclusie gebaseerd dat onder extern salderen de stikstofuitstoot minimaal of niet zal toenemen en is dit onderzoek en haar conclusies te extrapoleren naar heel Nederland? Zo ja, waarom? Denkt u, gelet op de ervaringen tot nu toe met intern en extern salderen, dat het verstandig is om dit middel te blijven inzetten?
De gezamenlijke beleidskeuze voor een afromingspercentage van 30% is vooral gebaseerd op basis van het onderzoek inventarisatie onbenutte emissieruimte in vergunningen van veehouderijen rondom de Peelvenen.5
Extern salderen met ruimte uit bestaande vergunningen is een juridisch geaccepteerde wijze van mitigatie van effecten bij het toestaan van projecten op basis van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Hiermee is salderen in de huidige situatie één van de weinige leverbare onderbouwingen om aan te tonen dat de stikstofuitstoot van een project geen significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied heeft. Momenteel verken ik samen met provincies op welke wijze toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.
Wat is de reden dat extern salderen is toegestaan in de huidige regelgeving terwijl in het toenmalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) dit in beginsel niet werd toegestaan? Welke rol hebben de provincies en de toenmalige boerenprotesten in de besluitvorming gehad?
Met de inwerkingtreding van het PAS vond de beoordeling, of een project met stikstofemissie kan worden toegestaan, plaats overeenkomstig het PAS en de daarin vastgelegde uitgangspunten voor onder meer de toekenning van ontwikkelingsruimte. Het PAS was in dat opzicht een gesloten systeem waarbij (het risico van) dubbeltellingen met ontwikkelingsruimte – door autonome ontwikkelingen zoals extern salderen door partijen – moest worden voorkomen.
Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kon het PAS niet langer ten grondslag worden gelegd aan vergunningen voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Nu de generieke passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag lag, niet langer gebruikt kon worden voor toestemmingverlening, moesten volgens op grond van de gezamenlijk gekozen beleidslijn initiatiefnemers zelf onderbouwen dat a) hun activiteit niet zal leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied of b) dat hun activiteit geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten. Dit kan aan de hand van een ecologische onderbouwing, intern danwel extern salderen of een ADC-toets. De boerenprotesten hebben geen invloed gehad op de besluitvorming tot het (weer) mogelijk maken van extern salderen.
Deelt u de mening dat met de huidige mogelijkheid tot extern salderen niet wordt voldaan aan het principe van de Habitatrichtlijn artikel 6.2, dat stelt dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet mag verslechteren? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9.
Deelt u de zorgen dat met het toestaan van extern salderen de feitelijk onbenutte ruimte gebruikt gaat worden voor stikstofuitstoot en dat ondanks het afromen van 30% van die ruimte onder aan de streep de stikstofuitstoot zal kunnen toenemen in plaats van afnemen, waardoor natuur nog verder verslechtert en Nederland langer op slot blijft? Zo ja, op welke manier gaat u zorgen dat we gaan voldoen aan de wet? Zo nee, waarom niet?
Extern salderen met ruimte uit bestaande vergunningen is een juridisch geaccepteerde wijze van mitigatie van effecten bij het toestaan van projecten op basis van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Hiermee is salderen in de huidige situatie één van de weinige leverbare onderbouwingen om aan te tonen dat de stikstofuitstoot van een project geen significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied heeft.
Eén van de uitgangspunten bij extern salderen is dat er geen nadelige gevolgen optreden voor stikstofgevoelige natuur. Bij extern salderen kan alleen gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit (dus niet met de wel vergunde, maar niet-gerealiseerde capaciteit die bij het intrekken van de vergunning van de saldogever ten behoeve van extern salderen komt te vervallen). Voorts wordt ook altijd 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd. Als gevolg daarvan daalt de stikstofdepositie in bijna alle gevallen met extern salderen. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een toename van de feitelijke stikstofdepositie niet worden uitgesloten, daar waar de feitelijk gerealiseerde capaciteit door de saldogever nauwelijks wordt benut. Momenteel verken ik samen met provincies op welke wijze toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.
Knelgevallen in het fosfaatrechtenstelsel. |
|
Roelof Bisschop (SGP), Derk Boswijk (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() |
Is het juist dat voor knelgevallen die onomkeerbare investeringsverplichtingen waren aangegaan maar deze op 2 juli 2015 nog niet volledig konden benutten, geen categorie is vastgesteld, omdat deze groep moeilijk af te bakenen was?
Voor bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen is inderdaad geen knelgevallencategorie vastgesteld. De achtergrond daarvan is als volgt.
Voorafgaand aan de invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ter uitvoering van het amendement Geurts c.s. (Kamerstuk 34 532, nr. 85) de Commissie knelgevallen fosfaatrechten ingesteld, onder voorzitterschap van de heer drs. C.J. Kalden. De commissie heeft, conform haar opdracht, afgewogen of categorieën van bedrijven voldoende concreet en nauwkeurig af te bakenen zijn en zowel individueel als buitensporig op een dusdanige wijze geraakt worden dat dit niet alleen buiten de voor de sector te verwachten bedrijfsrisico’s gaat, maar ook de afwenteling op de sector als geheel – in de vorm van een noodzakelijke verhoging van het generieke kortingspercentage – rechtvaardigt. De commissie adviseerde in de eerste plaats om maximaal zeker te stellen dat het effect van het op basis van een generieke voorziening honoreren van individuele bedrijven als knelgeval, wordt beperkt tot een stijging van het generieke kortingspercentage met maximaal 1%. In de tweede plaats adviseerde de commissie, na beoordeling van verschillende categorieën van bedrijven, om de knelgevallenvoorziening bij algemene maatregel van bestuur uit te breiden met de twee categorieën van bedrijven, namelijk nieuw gestarte bedrijven en bedrijven in een buitengewone situatie vanwege realisatie van een natuurgebied, de aanleg of het onderhoud van publieke infrastructuur of vanwege een algemene nutsvoorziening. Het advies van de commissie is, in overeenstemming met uw Kamer, overgenomen. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief van 12 juli 2017 (Kamerstuk 34 532, nr. 100).
De commissie heeft expliciet gekeken naar bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen en is hier in haar advies ook op ingegaan. De commissie gaf in haar advies aan van oordeel te zijn dat de groep ondernemers die een financieel knellende situatie ervaart als gevolg van de introductie van het fosfaatrechtenstelsel zeer divers is en dat er grote verschillen zijn in achterliggende oorzaken voor de ervaren financiële knel. De commissie is tot de conclusie gekomen dat deze bedrijven niet als groep af te bakenen zijn. Een scherpe afbakening is echter wel essentieel om disproportionele consequenties voor bedrijven die worden geconfronteerd met de generieke korting te voorkomen, aldus de commissie. Voor meer achtergrond verwijs ik naar het advies van de commissie (bijlage bij Kamerstuk 34 532, nr. 100).
Voorafgaand en na invoering van het fosfaatrechtenstelsel heb ik intensief gezocht naar mogelijkheden om deze bedrijven toch tegemoet te komen. Ik heb echter moeten constateren dat deze categorie onvoldoende is af te bakenen en potentieel omvangrijk is, zoals ook de commissie Kalden al constateerde. Het resultaat van de zoektocht was – tot mijn spijt – dat een oplossing voor deze bedrijven niet voorhanden was zonder dat deze gepaard zou gaan met een extra generieke korting voor andere bedrijven, wat op zijn beurt weer nieuwe knelgevallen zou kunnen veroorzaken. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 16 mei 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 285). Op verzoek van uw Kamer ben ik daarna, zonder daarmee verwachtingen te willen wekken, nogmaals met de Europese Commissie in overleg getreden over mogelijkheden om tot een oplossing te komen voor bedrijven die als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel in financiële problemen zijn gekomen.
Na een intensief traject heb ik moeten concluderen er zowel binnen het fosfaatrechtenstelsel als daarbuiten geen geschikte mogelijkheid was om betreffende bedrijven te ondersteunen. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 14 september 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 309).
Heeft u in beeld hoeveel bedrijven voldoen aan de voorwaarden voor «bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen», die de Commissie knelgevallen fosfaatrechten in het verleden heeft opgesteld? Zo nee, kunt u hiervan een inventarisatie maken en daarbij tevens in beeld brengen hoeveel financiële schade er bij deze knelgevallen is ontstaan als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel?
Nee, dit heb ik niet. Naar aanleiding van de beschikkingen zijn er 9084 bezwaarschriften geregistreerd en 2116 ondernemers in beroep gegaan. Daarvan is onbekend in hoeveel gevallen het gaat om bedrijven die zich hierbij beroepen op het feit onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan te zijn. Ook is niet met zekerheid te zeggen dat al deze ondernemers een bezwaar / beroep hebben ingediend. Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zijn 2824 meldingen ontvangen waarin een beroep is gedaan op de knelgevallenvoorziening. Aangezien er in de knelgevallenregeling geen voorziening is opgenomen voor onomkeerbare investeringsverplichtingen is ook hieruit geen totaalbeeld mogelijk.
Ik acht het niet zinvol de gevraagde inventarisatie te maken. Dit zou een zoektocht door duizenden dossiers vergen, terwijl hieraan op basis van de door uw Kamer vastgestelde wet- en regelgeving geen consequentie kan worden verbonden. Immers is destijds, in samenspraak met uw Kamer, bewust gekozen om de knelgevallenregeling op een beperkte manier in te vullen. Een ruimere invulling van de regeling knelgevallen betekende een grotere generieke korting voor andere niet grondgebonden ondernemers, ook voor diegenen die (bewust) geen uitbereiding hadden gerealiseerd. Dit betekent dat melkveehouders die onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan waren, geen beroep konden doen op de knelgevallenregeling. De rechtspraak heeft zich bij deze keuzes van de wetgever aangesloten.
Wat voor dergelijke melkveehouders en voor andere melkveehouders die buiten de knelgevallenregeling vielen en vallen, resteerde was een eventueel beroep op bijzondere omstandigheden in verband waarmee het stelsel in hun individuele geval onevenredig nadelig uitpakt. Dit beroep op een individuele disproportionele last is in een aantal gevallen gehonoreerd.
In hoeverre geeft de huidige lage werkelijke fosfaatproductie ruimte om ontheffing te verlenen van de Meststoffenwet voor knelgevallen die onevenredig worden geraakt, zonder dat daarbij het fosfaatplafond wordt overschreden?
Die mogelijkheid is er al voor individuele gevallen. Als het fosfaatrechtenstelsel in een individueel geval vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig nadelig uitpakt en dat beroep op een individuele disproportionele last slaagt, krijgt de betreffende ondernemer een ontheffing waarmee het voor hem aanwezige onevenredige nadeel wordt weggenomen.
Zoals in het antwoord op vraag 1 aan de orde is gekomen, biedt de regeling van het fosfaatrechtenstelsel in de Meststoffenwet geen ruimte om extra categorieën ondernemers tegemoet te komen. Ook niet via een ontheffingen op basis van de Meststoffenwet. Knelgevallencategorieën zijn opgenomen in de Meststoffenwet zelf of geregeld bij amvb (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) overeenkomstig de route van artikel 23, negende lid, van de Meststoffenwet. Zoals aangegeven bij antwoord 1 is daarvoor voor de niet af te bakenen groep ondernemers met onomkeerbare investeringsverplichtingen niet gekozen.
De mogelijkheid om ontheffingen te verlenen in het kader van het fosfaatrechtenstelsel is ingeperkt tot grondgebonden (jonge) boeren via de fosfaatbank (artikel 38a van de Meststoffenwet) en IDL-situaties (artikel 38 Meststoffenwet).
Daarbij komt het volgende. In de Meststoffenwet zijn per veehouderijsector mestproductieplafonds vastgelegd uitgedrukt in fosfaat en stikstof. Het fosfaatrechtenstelsel is ingesteld om zowel de fosfaat- als stikstofproductie van de melkveehouderij onder de plafonds te houden. Bij beleidsafwegingen inzake het stelsel dienen dan ook beide plafonds in ogenschouw genomen te worden. Het CBS rapporteert elk kwartaal de actuele prognoses van fosfaat- en stikstofexcretie van de veehouderij in Nederland. Uit de meest actuele prognose, die ik uw Kamer op 18 mei jl. heb toegestuurd (Kamerstuk 35 334, nr. 142), komt naar voren dat de melkveehouderij qua fosfaat weliswaar onder het plafond produceert, maar qua stikstof daarboven. Zoals aangegeven in mijn brief is de overschrijding van het sectorale stikstofplafond door de Nederlandse melkveestapel een blijvend punt van zorg dat de sector zich aan dient te trekken en waar ik de sector ook op aanspreek. Afgezien van de onmogelijkheid om nieuwe groepen bedrijven tegemoet te komen, zie ik ook vanwege deze geprognosticeerde overschrijding geen ruimte om dat te doen. Tevens wijs ik erop dat de totale hoeveelheid fosfaatrechten in de markt op dit moment nog de hoogte van het sectorale melkveefosfaatplafond overstijgt (zie mijn brief van 15 februari jl., Kamerstuk 35 334, nr. 136).
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om bedrijven die vallen onder «onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen» een ontheffing te verlenen van de Meststoffenwet voor het verschil tussen hun fosfaatproductie bij bezetting hele stal minus een percentage van de verkregen fosfaatrechten, zodanig dat dit percentage van het tekort aan fosfaatrechten voor rekening en risico van de melkveehouder blijft, maar er geen sprake meer is van een onredelijke tekort? Zo nee, welke oplossingen ziet u dan wel voor knelgevallen die onevenredig worden geraakt?
De mogelijkheden om bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen tegemoet te komen, zijn reeds uitgebreid onderzocht. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1. Het resultaat hiervan was dat er geen mogelijkheid was om ruimte te bieden aan ondernemers met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen zonder dat dit zou leiden tot een extra generieke korting voor alle niet-grondgebonden melkveebedrijven. Deze conclusie heb ik niet lichtzinnig getrokken en de verhalen van ondernemers die in een moeilijke situatie verkeren mede ten gevolge van het fosfaatrechtenstelsel blijven mij raken. Ik heb echter ook een verantwoordelijkheid jegens de rest van de sector. Daarbij in aanmerking nemend de door het CBS geprognosticeerde overschrijding van het sectorale stikstofexcretieplafond door de melkveehouderij en de situatie ten aanzien van de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt, zou een hernieuwd onderzoek valse hoop bieden aan getroffen ondernemers.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fosfaatrechtenstelsel?
Ja.
De elementen dwang en draagvlak binnen het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
Kunt u concreet en afzonderlijk aangeven wat u onder het begrip «dwang» verstaat binnen de context van het Programma Aardgasvrije Wijken (waaronder de projecten in de proeftuinwijken) en meer in brede zin het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving? Wat is dwang, wanneer is er sprake van dwang, in welke gevallen mag dit van u worden toegepast, vanaf wanneer mag het van u worden toegepast, op wie mag het worden toegepast en door wie?
Op dit moment kunnen bewoners niet gedwongen worden van het aardgas af te gaan, noch in de proeftuinen, noch elders.
Gemeenten geven de wijkgerichte aanpak vorm via transitievisies warmte, uitvoeringplannen en omgevingsplannen. Gemeenten maken die plannen met betrokkenheid van bewoners en andere stakeholders. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten in een uitvoeringsplan (door het wijzigen van het omgevingsplan) besluiten wanneer en hoe een wijk (stapsgewijs) van het aardgas af gaat en welk alternatief voor aardgas er wordt gekozen. Dit wordt – conform de afspraak in het Klimaatakkoord – voorzien van waarborgen voor bewoners. Hoe deze waarborgen kunnen worden vormgegeven, wordt momenteel ambtelijk uitgewerkt.
Het doel van de bevoegdheid voor gemeenten om te kunnen besluiten wanneer en hoe een wijk van het aardgas af gaat, is de energietransitie betaalbaar te houden. Een gasnet in stand houden voor enkele gebruikers die niet van het aardgas af willen, terwijl er een redelijk alternatief beschikbaar is, is niet kosteneffectief en daarom ook niet wenselijk. De bevoegdheid om te besluiten wanneer een wijk van het aardgas af gaat, kunnen gemeenten vervolgens op het eind van het proces als sluitstuk daadwerkelijk inzetten. Hiervoor is zorgvuldige aanpassing van wetgeving nodig. Het gaat om een nog nader in te vullen bevoegdheid. Het is aan het volgende kabinet om deze bevoegdheid nader in te vullen. Op uw specifieke vragen kan ik daarom nog niet ingaan.
Kunt u tevens concreet en afzonderlijk aangeven wat u binnen diezelfde context verstaat onder de veelvuldig gebruikte term «draagvlak»? Wanneer is er volgens u concreet sprake van draagvlak voor het aardgasvrij maken van woningen en/of bedrijven, hoe en onder wie meet u dit of laat u dit meten en welke concrete conclusies en acties verbindt u eraan wanneer er geen of in onvoldoende mate sprake is van draagvlak?
Draagvlak is belangrijk voor de energietransitie en duidt op de mate waarin mensen een bepaald beleid aanvaarden of steunen, in dit geval het aardgasvrij maken van woningen en wijken. Het bepalen en beoordelen van het draagvlak onder de bewoners voor een voorstel van het lokaal bestuur is een verantwoordelijkheid van dat lokale bestuur.
In het Klimaatakkoord is afgesproken de gemeentelijke plannen voor de energietransitie in de gebouwde omgeving vorm te geven met de Omgevingswet. Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Daarin is geregeld dát participatie moet plaatsvinden, niet hóe dat moet gebeuren. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is naar aanleiding van de breed gesteunde motie Nooren c.s.1 een regeling opgenomen met een plicht voor gemeenten, provincies en waterschappen om participatiebeleid op te stellen waarin vastgelegd wordt hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden. Voor een meer structurele inbedding werk ik aan het wetsvoorstel Versterking participatie op decentraal niveau.
Vanuit het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) ondersteun ik gemeenten actief met kennis en leren bij het vormgeven van bewonersbetrokkenheid, onder andere door middel van de Handreiking Participatie en Communicatie Wijkaanpak Aardgasvrij. In de proeftuinen wordt actief geleerd op welke wijze bewoners het beste betrokken kunnen worden en hoe draagvlak kan worden opgebouwd. Over de resultaten publiceer ik jaarlijks via de voortgangsrapportage van het PAW.
Tevens ben ik gestart met het meten van de bewonerstevredenheid in de proeftuinen, mede op verzoek van uw Kamer2. Dit doe ik in samenspraak met de proeftuinen, zodat de resultaten weer gebruikt worden om de aanpak waar nodig te verbeteren. Ik zal uw Kamer vóór de zomer informeren over de resultaten van het onderzoek. Tevens zal ik het onderzoek uitbreiden naar alle proeftuinen en regelmatig herhalen.
Bent u van mening dat in proeftuinwijken momenteel directe of indirecte dwang wordt toegepast en/of dat hiertoe stappen worden gezet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en hoe verhoudt zich dat tot het feit dat u op 22 april in commissieverband nog aangaf dat – ondanks het verzoek van proeftuingemeenten om wettelijke bevoegdheden – gemeenten deze mogelijkheid momenteel niet hebben?
In de proeftuinen wordt geen gebruik gemaakt van dwang. Gemeenten hebben op dit moment geen bevoegdheid om het transport van aardgas te kunnen beëindigen. Het uitfaseren van aardgas in de proeftuinen is nu gebaseerd op een vrijwillige deelname van de bewoners. Gemeenten met een proeftuin in de eerste ronde hebben aangegeven wetgeving over deze bevoegdheid van groot belang te vinden om te voorkomen dat er grote maatschappelijke kosten moeten worden gemaakt voor het in stand houden van een gasnet voor enkele woningen waarvan de bewoners niet kiezen voor een aardgasvrije woning. Met de voortgangsbrief van het PAW3 heb ik de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.
Is er in de nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening sprake van (de mogelijkheid tot) dwang? Zo ja, waarom bent u hier niet gewoon open over in plaats van te pogen dit als «overleg» te framen1? Zo nee, betekent dit dat mensen die dat willen gewoon aan het gas kunnen blijven?
Het concept wetsvoorstel Collectieve warmtevoorziening bevat geen mogelijkheden tot dwang voor gebruikers van aardgas. Een ontwerp van dit wetsvoorstel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat is vorig jaar in consultatie geweest, maar is nog niet aangeboden aan het parlement5. Het wetsvoorstel richt zich op de borging van drie publieke belangen: betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid bij de aanleg en exploitatie van collectieve warmtevoorzieningen in de gebouwde omgeving. Zo wordt geregeld dat het warmtebedrijf iedereen verplicht een aanbod tot aansluiting op de collectieve warmtevoorziening moet doen, indien de gemeente heeft besloten dat een bepaald gebied overgaat op collectieve warmte, maar ook dat het accepteren van dit aanbod voor gebouweigenaren niet verplicht is.
Als gebouweigenaren geen gebruik maken van deze opt-out mogelijkheid, nemen zij ieder geval de eerste drie jaar warmte af van de collectieve warmtevoorziening. Gebouweigenaren die gebruik maken van de opt-out mogelijkheid uit het wetsontwerp zijn zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een alternatieve, individuele duurzame warmtevoorziening. Via het onder antwoord 1 genoemde wetgevingstraject wordt bezien hoe het waarborgen en beoordelen van deze keuzemogelijkheid vorm moet krijgen. Dit is geen onderdeel van het wetsvoorstel Collectieve warmtevoorziening.
Bent u bekend met deze berichten?1, 2, 3
Ja.
Bent u ermee bekend dat onderzoek op basis van een Rotterdamse pilot heeft aangetoond dat in twee maanden tijd maar liefst 16.000 keer de geluidsnormen fors werden overschreden door een relatief selecte groep verkeersaso’s?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat bewoners, ondernemers, winkelend publiek en uitgaanspubliek vierentwintig uur per dag geteisterd worden door de bewust veroorzaakte herrie, vaak tientallen decibels boven de toegestane grens, door bijvoorbeeld knallende uitlaten, toeteroptochten en grove snelheidsovertredingen van patserwagens binnen de bebouwde kom? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik inderdaad. Daarom gelden er ook verschillende regels om geluidsoverlast door motorvoertuigen tegen te gaan. Voordat een personenauto of motorfiets wordt toegelaten tot de weg, moet dat voertuig een (type)goedkeuring doorlopen. Deze typegoedkeuring is op Europees niveau vastgelegd en bevat gedetailleerde eisen aan geluidproductie en de wijze van meten. Eenmaal toegelaten dient een motorvoertuig altijd te voldoen aan de zogenaamde «permanente eisen» uit de Regeling voertuigen. Zowel in de typegoedkeuringseisen als de permanente eisen zijn maximale geluidsnormen opgenomen, die zijn afgeleid uit Europese Regelgeving4. Daarnaast is in artikel 57 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) opgenomen dat er geen onnodig geluid mag worden geproduceerd met een voertuig (zoals onnodig slippen, gas geven, remmen). Daarnaast is het onnodig claxonneren verboden in artikel 28 RVV.
De politie handhaaft op het te veel geluid produceren door verkeersdeelnemers. Dat gebeurt zowel in situaties waarin een verkeersdeelnemer onnodig geluid produceert als door te meten of het voertuig voldoet aan de permanente eisen. Daarbij is het van belang dat bij grootschalige en structurele overlast afspraken gemaakt worden in de lokale driehoek over de aanpak hiervan.
Bent u ermee bekend dat, onder andere naar aanleiding van de genoemde pilot, momenteel in G4-verband wordt gewerkt aan apparatuur, de zogeheten lawaaiflitsers en kentekenherkenning, die specifiek voor dit doel kan worden ingezet?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer wenselijk is wanneer steden met behulp van dergelijke techniek verlost kunnen worden van het herhaaldelijke wangedrag van deze groep automobilisten? Zo nee, waarom niet?
Daar waar de inzet van innovatieve middelen de handhaving kan versterken, is dat zeker wenselijk. Er lopen momenteel verschillende pilots om innovatieve handhavingsmiddelen te testen. Het voordeel van handhaving met digitale middelen is dat de pakkans hierdoor enorm wordt vergroot. Het is een efficiënte manier van handhaven. Hierdoor kan de fysieke handhavingscapaciteit op andere trajecten of overtredingen worden gericht. Het is echter wel van belang dat de handhavingsmiddelen voldoende betrouwbaar zijn, voldoen aan de eisen conform de regeling meetmiddelen politie en gecertificeerd zijn door het NMi. Op dit moment is het nog niet mogelijk om met een zogenaamde akoestische flitspaal het gemeten geluid te koppelen aan het specifiek voertuig dat dit geluid veroorzaakt. Dit komt onder andere omdat er vaak ook sprake is van omgevingsgeluid. Hierdoor kan momenteel een dergelijke flitspaal niet gecertificeerd worden om als handhavingsmiddel gebruikt te kunnen worden. Het is nog de vraag of dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Bovendien werkt bij de aanpak van een beperkte groep overlastplegers een dadergerichte aanpak over het algemeen goed. Er moet daarom niet alleen gefocust worden op het opleggen van een bekeuring, al dan niet met behulp van een flitspaal. Ik heb begrepen dat hier in de driehoek in Rotterdam ook al over is gesproken.
Bent u bereid proactief en welwillend werk te maken van de hiervoor noodzakelijke wetswijziging en hierbij intensief op te trekken met de betrokken gemeenten? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat er een wetswijziging nodig is zodat de kentekengegevens van voertuigen waarmee straks met een akoestische flitspaal wordt geconstateerd dat ze de geluidsnormen overschrijden, met de politie gedeeld kunnen worden. Als er in de toekomst een flitspaal ontwikkeld wordt die voldoet aan de technische eisen om door het NMi gecertificeerd te kunnen worden, is nog niet duidelijk bij wie die in het beheer zullen komen. Dit kan bijvoorbeeld bij de gemeenten zijn of bij OM of politie. Gemeenten zijn reeds bevoegd om zelf te handhaven op artikel 28 en 57 van het RVV, echter voor digitale handhaving is toestemming van het OM noodzakelijk. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden, zal duidelijk worden of een wetswijziging noodzakelijk is. Daarnaast zal bekeken moeten worden wie deze flitspalen zal gaan bekostigen en of hiervoor geld beschikbaar is. Aangezien het hier gaat om overlast en niet om verkeersveiligheid, kan dit niet uit het verkeershandhavingsbudget van het OM worden betaald.
Het project ‘Wisselpolder Westhoek’ waarin vruchtbare wordt ‘teruggegeven’ aan de Waddenzee. |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Boeren willen kleigrond Westhoek niet teruggeven aan de natuur, ze zijn furieus over mogelijke plannen voor een wisselpolder»?1
Ja.
Klopt het dat u in samenwerking met de provincie Fryslân en It Fryske Gea bezig bent met de uitwerking van het project «Wisselpolder Westhoek» waarin de vruchtbare akkerbouwgrond tussen de zeedijk en de zomerpolder zou worden «teruggegeven» aan de Waddenzee?
Het Wetterskip Fryslân werkt aan de voorbereiding van de dijkversterking tussen Koehool en het Lauwersmeer, voortvloeiend uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma. In het kader van dat traject worden kansen verkend voor integrale kustontwikkeling. Voor de dijkversterking is de stuurgroep Koehool-Lauwersmeer ingericht met Wetterskip Fryslân, provincie Fryslân, de gemeenten Waadhoeke en Noardeast-Fryslân, Rijkswaterstaat, LTO en It Fryske Gea. De provincie Fryslân voert de regie over de gebiedsontwikkeling. Het Rijk verkent in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW), «verzachten randen van het Wad», de kansen die de dijkversterking kan bieden voor het ontwikkelen van de overgangen van gradiënten land-water en zoet-zout. Partijen uit het gebied, waaronder de landbouwsector, natuurorganisaties en andere betrokkenen zijn en worden vanaf het begin (eind 2019) hierbij intensief betrokken. Het doel van het gebiedsproces is om gezamenlijk de wenselijkheid en haalbaarheid van de verschillende ideeën te verkennen, zodat breed gedragen gebiedsoplossingen ontstaan. We staan aan het begin van een zorgvuldig te doorlopen gebiedsproces en nemen hier voldoende tijd voor.
Het Wetterskip Fryslân heeft bijna 200 ideeën opgehaald op en rond de zeedijk tussen Koehool en Lauwersmeer. Er zijn ideeën vanuit de landbouw, natuur en recreatie. De «Wisselpolder Westhoek» is één van de ideeën op de inventarisatielijst. De lijst heeft geen formele status, maar is het resultaat van deze inventarisatie. De (binnendijkse) polder Westhoek is in gebruik als akkerbouwgrond waar onder meer pootaardappelen worden geteeld.
Is het juist dat het doel van dit project is om het gebied in te richten als natuur/Natura 2000-gebied en het behalen van doelen op het gebied van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW)?
Het idee «Wisselpolder Westhoek» is een van de vele ideeën en er is nog op geen enkele wijze een besluit genomen over het al dan niet uitvoeren van dit idee. Mocht na een zorgvuldig gebiedsproces met alle belanghebbenden worden besloten om het idee «Wisselpolder Westhoek» uit te voeren dan draagt dat bij aan het PAGW-doel «verzachten van de randen van het Wad» en daarmee aan het herstel van leefgebieden en het behalen van wettelijke doelen voor Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water.
Klopt het dat de akkerbouwgrond in het gebied, bij doorgang van het project, opgegeven zal worden en wordt ingericht als natuurgebied voor meerdere decennia en dat het gebied pas op termijn weer vruchtbare akkerbouwgrond zou kunnen worden?
Indien partijen in het te starten gebiedsproces onder regie van de provincie Fryslân, besluiten om het idee wisselpolder verder uit te werken dan zal nader verkend moeten worden wat de voor- en nadelen zijn voor zowel de natuur als voor de landbouw en welke termijnen hieraan verbonden worden. Indien besloten wordt om het idee wisselpolder uit te voeren dan zal de polder voor enkele decennia niet gebruikt kunnen worden als akkerbouwgrond.
Acht u het, gezien het feit dat natuurgebieden, en met name Natura 2000-gebieden, een zodanig zware bescherming genieten dat het vrijwel uitgesloten is dat deze later weer worden omgezet naar landbouwgrond, realistisch om ervan uit te gaan dat het gebied op termijn überhaupt weer akkerbouwgrond zal kunnen worden?
De Waddenzee is aangewezen als Natura 2000-gebied. De aangrenzende gebieden bevatten ook natuurwaarden zonder dat die gebieden de bescherming kennen als Natura 2000 gebied. Het concept wisselpolder kan positief zijn voor de natuur. Na opslibbing kan het gebied weer beschikbaar komen voor de landbouw. Indien partijen besluiten om het idee «wisselpolder Westhoek» uit te werken, zullen in het gebiedsproces afspraken moeten worden gemaakt om het gebied op termijn weer beschikbaar te stellen als akkerbouwgrond.
Is het juist dat belanghebbenden, zoals agrariërs, in het gebied pas bij de uitwerking van dit project betrokken zijn en niet al in een eerdere fase? Zo ja, waarom zijn zij niet eerder betrokken?
Nee. Betrokken partijen zoals (vertegenwoordigers van) agrariërs, zijn en worden vanaf het begin (eind 2019) intensief bij het gebiedsproces Koehool-Lauwersmeer betrokken.
In hoeverre is dit project betrokken bij de, met de motie van de leden Dijkstra en Geurts (Kamerstuk 35 570 XII, nr. 65) door de Kamer gevraagde, brede impactanalyse waarin de effecten op ecologie en economie in balans met elkaar worden afgewogen?
De «Wisselpolder Westhoek» is naar voren gebracht als één van de ideeën voor gebiedsontwikkeling. De komende periode gaan partijen via de (deel)gebiedsprocessen met elkaar in gesprek om de (on)haalbaarheid en (on)wenselijkheid van de geopperde ideeën te bespreken. Het gaat hierbij om de ideeën afzonderlijk, als ook in mogelijke samenhang tot elkaar. Het instrument impactanalyse kan in deze fase een middel zijn om inzichtelijk te maken op welke aspecten eventueel aanvullend onderzoek nodig is en welke dilemma’s besproken dienen te worden. Het daadwerkelijk opstellen van een impactanalyse past meer bij de fase dat de groslijst is teruggebracht tot een lijst van kansrijke ideeën. Deze kansrijke ideeën worden vervolgens in overleg met betrokken partijen nader uitgewerkt.
De aanpak om te komen tot een impactanalyse wordt binnenkort besproken in het Bestuurlijk Overleg Waddengebied. Over de uitkomst van deze bespreking wordt uw Kamer per brief geïnformeerd.
Hoe past het project «Wisselpolder Westhoek» bij het borgen van de positie en activiteiten van economische sectoren, zoals de landbouw en in het bijzonder de pootaardappelsector waar u onder andere in uw brief van 31 mei 2021 naar verwijst? In hoeverre en op welke wijze worden deze belangen daadwerkelijk geborgd bij dit project?2
Het idee voor de polder Westhoek is geopperd met het oog op de integrale ontwikkeling van de Waddenzeekust. Het streven is om te komen tot een integraal gebiedsontwikkelingsplan dat breed wordt gedragen en waarbij zowel economie als ecologie worden versterkt. Bij de uiteindelijke afweging zal ook nadrukkelijk rekening worden gehouden met het economische belang van onder andere de pootaardappelsector.
Deelt u de mening dat, gezien het feit dat landbouwgronden onder druk staan van verschillende ontwikkelingen, het van belang is om hoogwaardige landbouwgronden in Nederland te beschermen? In hoeverre is dit project en het teruggegeven van vruchtbare landbouwgrond aan de Waddenzee te rijmen met de wens vanuit de Kamer om hoogwaardige landbouwgronden te beschermen (Kamerstuk 33 037, nr. 391) en het advies van commissie-Heij waarin wordt geadviseerd om landbouwgronden beter te beschermen?3
Het belang om goed geschikte landbouwgronden voor de landbouw te behouden en de kwaliteit hiervan op peil te houden, onderken ik en dit is ook verankerd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Dit is nodig om de omslag naar kringlooplandbouw te kunnen maken. Het advies van de Studiegroep Ruimtelijke inrichting Kiezen én delen beschrijft dat de landbouw in veel gebieden onder druk staat door onder andere stikstofproblematiek, bodemdaling, verzilting of verdroging, of een combinatie van deze factoren. Tegelijkertijd leggen nieuwe ruimtevragende functies zoals zonneweiden, data- en logistieke centra en woningbouw steeds meer beslag op landbouwgrond. Om die redenen adviseert de Studiegroep om in de gebieden met goede, geschikte landbouwgrond de landbouw zo veel mogelijk te beschermen tegen functieverandering en ruimte te geven om zich duurzaam te ontwikkelen.
De daadwerkelijke afweging van functies in het landelijk gebied is de bevoegdheid van decentrale overheden en vindt in gebiedsprocessen plaats. De afweging tussen verlies van waarde van de landbouwgrond enerzijds en baten van natuur en kustontwikkeling anderzijds is een afweging die ook bij het idee «wisselpolder Westhoek» op gebiedsniveau en in samenhangend zal moeten worden gemaakt. Hier wordt de wisselpolder genoemd als één van de opties om natuurversterking en kustontwikkeling vorm te geven. Hierbij zou het gebied een aantal jaren niet beschikbaar zijn voor landbouw, maar op termijn weer in gebruik genomen kunnen worden als landbouwgrond.
Waarom worden hoogwaardige landbouwgronden bij dit project niet beschermd, terwijl met de pootaardappelen die in het gebied worden gekweekt wereldwijd 1 miljard mensen kunnen worden gevoed en er bij de teelt in dit gebied geen tot nauwelijks gewasbeschermingsmiddelen hoeven te worden gebruikt?
Zoals hierboven toegelicht is de afweging tussen landbouw, natuurontwikkeling en kustontwikkeling een afweging die op gebiedsniveau moet worden gemaakt. In die afweging is ook het onderscheid tussen de korte en de lange termijn aan de orde.
De bedreiging van de natuur door stikstofhandel |
|
Joris Thijssen (PvdA), Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Tientallen miljoenen kilo's stikstof bedreigen de natuur: «Sta geen stikstofhandel toe»»?1
Ja.
Is het waar dat de Amercentrale in Geertruidenberg een ongebruikte stikstofruimte van 51% heeft en dat als het bedrijf besluit om meer stikstof te gaan uitstoten, of de stikstofruimte te verkopen of zelfs te verhuren aan de hoogste bieder dat daardoor natuurschade ontstaat? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De provincie heeft mij geïnformeerd dat op 19 december 2019 de definitieve Wnb-vergunning aan de Amercentrale is verleend op basis van intern salderen. Na overleg is de aangevraagde jaarlijkse NH3- en NOx-emissie in de definitieve vergunning verlaagd naar 50 ton NH3 en 1.505 ton NOx in plaats van de aangevraagde 83 ton NH3 en 1.670 ton NOx.
De vergunde emissie is bij energiecentrales altijd hoger dan de feitelijk gerealiseerde emissie. Het percentage is afhankelijk van de productiecapaciteit en varieert dan ook per jaar. De vergunning is meestal gebaseerd op de maximale productiecapaciteit, die wordt in de praktijk veelal niet behaald, maar kan wel nodig zijn bij uitval van andere centrales of strenge winters. Ten behoeve van (de afgifte van) de vergunning heeft een passende beoordeling plaatsgevonden, waarmee is vastgesteld dat – met de vergunde maximaal te benutten ruimte – de stikstofdepositie niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.
De Amercentrale kan de ongebruikte ruimte niet verleasen of verkopen, omdat daarmee haar continuïteit (de maximale productiecapaciteit) in gevaar komt.
Is het waar dat de 26 grootste uitstoters uit de industrie nog bijna 14 miljoen kilo stikstofoxide te verdelen hebben, goed voor ongeveer evenveel stikstof in de natuur als alle Nederlandse kolen-, gas- en biomassacentrales in een jaar samen veroorzaken? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De berekeningen van de latente ruimte door het Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico hebben betrekking op het verschil tussen de vergunde uitstoot en de daadwerkelijke uitstoot. Bij extern salderen kan alleen gesaldeerd kan worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit. Dat betekent dat de niet-gerealiseerde capaciteit – die onderdeel uitmaakt van de latente ruimte – bij het intrekken van de vergunning van de saldogever komt te vervallen. Bovendien wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd. De door Investico gemaakte berekeningen geven daardoor een overschatting van de potentiële stikstofruimte waarmee extern gesaldeerd kan worden.
Zoals al aangegeven in het antwoord op vraag 2, wordt er bij vergunningverlening – indien van toepassing – rekening gehouden met pieken. In die gevallen zal de vergunde ruimte (veel) hoger zijn dan de daadwerkelijke uitstoot.
Ik heb geen inzicht in de omvang van de latente ruimte in Nederland. Dit zou een analyse tot op individueel bedrijfsniveau vergen, van de mate waarin bedrijven de vergunde ruimte feitelijk hebben gerealiseerd c.q. daadwerkelijk benutten. Ook de provincies hebben deze analyse niet zo voorhanden. Ik ben van plan om met de provincies over latente ruimte in gesprek te gaan.
Is het waar dat «de hele industrie nog bijna 60% meer [mag] uitstoten dan ze nu al doet»? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De exacte omvang van eventuele extra ruimte in de industrie ken ik niet, maar in algemene zin kan ik wel zeggen dat – evenals voor de energiecentrales – voor de industrie ook geldt dat de vergunde emissie hoger is dan de feitelijk gerealiseerde emissie. Dit hangt samen met de fluctuaties in de productie, welke onder andere worden veroorzaakt door conjuncturele veranderingen in de vraag. Tevens verwijs ik hier graag naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Is het waar dat veehouderijen nog ruimte hebben voor 16 miljoen kilo ammoniakuitstoot? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De berekening van de latente ruimte binnen veehouderijen door het Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico betrof het extrapoleren van de gerapporteerde uitstoot van vergunde veestallen met de 25% latente ruimte uit de inventarisatie onbenutte emissieruimte in vergunningen van veehouderijen rondom de Peelvenen. Het is de vraag of veehouderijen onbenutte latente ruimte ook daadwerkelijk gaan gebruiken. In het door Investico gebruikte onderzoek wordt (ook) onderkend dat «de latente ruimte in milieuvergunningen en -meldingen van veehouderijen al jaren een vrijwel stabiel gegeven is. Er zijn ook andere factoren zoals dier- en fosfaatrechten, eisen en kosten met betrekking tot mestverwerking, milieuregelgeving en financiële en economische belemmeringen, die een toename van het aantal gehouden dieren remmen. Het is daarom niet aannemelijk dat de latente ruimte in Nbw-vergunningen voor een belangrijk deel wordt opgevuld».
Ik heb geen inzicht in de onbenutte ruimte bij veehouderijen. Voor de verdere beantwoording verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het zeer ongewenst is dat de uitstoot van stikstof toeneemt als het gevolg van de handel in stikstof, zelfs als dat tijdelijk is? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt u hier aan? Zo nee, waarom niet?
Eén van de uitgangspunten bij extern salderen is dat er geen nadelige gevolgen optreden voor stikstofgevoelige natuur. Bij extern salderen kan alleen gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit (dus niet met de wel vergunde, maar niet-gerealiseerde capaciteit; deze niet-gerealiseerde ruimte komt bij het intrekken van de vergunning van de saldogever ten behoeve van extern salderen te vervallen). Voorts wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd. Als gevolg daarvan daalt de stikstofdepositie in bijna alle gevallen met extern salderen. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, als de feitelijk gerealiseerde capaciteit door de saldogever nauwelijks wordt benut, kan een toename van de feitelijke stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Momenteel verken ik samen met provincies op welke wijze toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.
Deelt u de mening dat zelfs een tijdelijke verhoging van stikstofemissies langdurige of zelfs permanente schade aan de natuur kan veroorzaken waarbij het point of no return gepasseerd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Of een (tijdelijke) verhoging van stikstofemissies langdurige of permanente schade aan de natuur kan veroorzaken is mede afhankelijk van de hoeveelheid stikstofdepositie op (de locatie van) het betreffende gebied, de staat van instandhouding van dit gebied en in hoeverre er sprake is van overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) van stikstofgevoelige habitats. Bij toestemmingverlening geldt dat significant negatieve effecten op stikstofgevoelige natuur (binnen Natura 2000) moeten zijn uitgesloten. Dat kan bijvoorbeeld door maatregelen zoals saldering, maar ook met het verwezenlijken van de doelstellingen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) ontstaat op termijn meer ruimte voor toestemmingverlening. Individuele toestemmingverlening is ook mogelijk op basis van een ecologische onderbouwing in de passende beoordeling waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied niet worden aangetast, ondanks een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie door het betreffende project.
De staat van instandhouding wordt in het huidige stikstofbeleid verbeterd door verlaging van de stikstofemissie en -depositie met bronmaatregelen en door natuurmaatregelen.
Heeft u zelf eerder laten berekenen hoe groot het reservoir aan ongebruikte stikstofruimte in Nederland is? Zo ja, wat was de uitkomst van die berekeningen? Kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb dit niet laten berekenen. Om de omvang van de latente ruimte in Nederland te kunnen bepalen, zou op (individueel) bedrijfsniveau bepaald moeten worden welke ruimte vergund is en welke ruimte feitelijk wordt benut. Ik ben van plan om met de provincies over latente ruimte in gesprek te gaan.
Heeft u in uw stikstofbeleid rekening gehouden met het risico dat ongebruikte stikstofruimte aangewend zou kunnen gaan worden? Zo ja, waar blijkt dat uit en hoe schat u die gevolgen in en welke mitigerende maatregelen heeft u paraat om hierop te reageren? Zo nee, waarom niet?
Om feitelijke toenames van stikstofemissie te voorkomen was er bij zowel intern als extern salderen gekozen voor het uitgangspunt van feitelijk gerealiseerde capaciteit en niet de vergunde capaciteit. De oorspronkelijke inzet om middels de beleidsregels het gebruik van latente ruimte voor bedrijfsontwikkeling via intern salderen te voorkomen1 is door de uitspraak Logtsebaan van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter grotendeels tenietgedaan. Ik verken momenteel samen met provincies op welke wijze feitelijke toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan. Indien blijkt dat de condities voor behoud en herstel van instandhouding met de doelstellingen en het bijbehorende maatregelenpakket niet worden behaald, dan worden deze bijgesteld.
Deelt u de mening dat als het gevolg van de handel in stikstof er meer stikstof uitgestoten gaat worden, uw stikstofbeleid op zijn best niet het beoogde effect heeft en op zijn slechts gewoon mislukt is? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit beter doen? Zo nee, waarom niet?
Intern en extern salderen staan niet op zichzelf; het zijn juridisch geaccepteerde instrumenten voor toestemmingverlening die ik nu heb ingebed in een integrale brede stikstofaanpak. Die brede stikstofaanpak is gericht op het structureel terugbrengen van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur en versterking van de natuur. Om te borgen dat de reductie (in voldoende mate) plaatsvindt, zijn concrete en harde wettelijke doelstellingen opgenomen in de Wsn. In 2025 moet 40% van het areaal met stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de KDW zijn gebracht. In 2030 geldt dat voor 50%, en in 2035 voor 74%. Elke onverhoopte stijging, of minder snelle daling, van stikstofdepositie enerzijds betekent dat meer inzet nodig zal zijn om de gestelde doelen van de brede stikstofaanpak te realiseren anderzijds. Het gaat steeds om het totale pakket en de wettelijke doelstellingen. Voor de verdere beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat het afromingpercentage bij de handel in stikstof dat nu nog 30% bedraagt aanzienlijk verhoogd moet worden om verdere schade aan de natuur te voorkomen? Zo ja, met hoeveel gaat u dit percentage verhogen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Door de keuze om bij extern salderen uit te gaan van feitelijk gerealiseerde capaciteit komt de niet-gerealiseerde capaciteit in de vergunning van de saldogever bij het intrekken van die vergunning te vervallen. Vervolgens daalt door de 30%-afroming de stikstofdepositie in bijna alle gevallen. Ik verken momenteel samen met provincies op welke wijze toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.
Deelt u de mening dat niet gebruikte rechten gewoon zouden moeten vervallen? Zo nee, waarom niet?
Het huidig recht biedt beperkte mogelijkheden tot het intrekken of laten vervallen van «niet gebruikte» stikstofruimte in natuurtoestemmingen. In de nabije toekomst ontstaan onder de Omgevingswet wellicht wel mogelijkheden tot intrekken van (ongebruikte) vergunningen. Ik verken momenteel samen met provincies op welke wijze toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.
Deelt u de mening van de genoemde Tilburgs hoogleraar natuurbeschermingsrecht dat «je zou überhaupt geen handel [zou] moeten toestaan, dat kan pas als je stikstofbeleid op orde is» en «dat we op deze manier de door Europa verplicht gestelde natuurdoelen niet [gaan] halen en het wachten op een nieuwe stikstofcrisis, bijvoorbeeld door een nieuwe zaak bij het Europese Hof waardoor Nederland weer tot stilstand komt»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Extern salderen met ruimte uit bestaande vergunningen is een juridisch geaccepteerde wijze van mitigatie van effecten bij het toestaan van projecten op basis van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Hiermee is salderen in de huidige situatie één van de weinige mogelijkheden om aan te tonen dat de stikstofuitstoot van een project geen significant negatieve effecten op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied heeft.
Kunt u ingaan op de opmerkingen van oud-gedeputeerde Grashoff over het verrassend lage afromingspercentage van 30%? Was dit een bewuste actie of een misverstand?
Het afromingspercentage van 30% bij extern salderen is samen met de provincies bepaald.
Is het beleid van verschillende provincies om toch zoveel mogelijk emissies toe te staan of te faciliteren, het opzetten of gedogen van eigen of particuliere stikstofbanken en handelssystemen, aanvullend of ondermijnend aan het rijksdoel om de emissies terug te dringen en woningbouw te prioriteren?
Het Rijk en provincies hebben een gedeelde verantwoordelijkheid in de brede aanpak van de stikstofproblematiek om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur structureel terug te dringen. Bovendien heeft ieder zijn eigen bevoegdheden. Zo zijn de provincies onder meer verantwoordelijk voor de gebiedsgerichte aanpak in hun provincies en hebben zij als bevoegd gezag bij vergunningverlening een bevoegdheid om verschillende belangen af te wegen. Ik herken niet het beeld dat verschillende provincies zoveel mogelijk emissies willen toestaan.
Hoe schat u de juridische houdbaarheid van uw beleid in, als blijkt dat ongebruikte stikstofruimte door het bedrijf zelf of via handel in stikstof gebruikt gaat worden en de natuur verder beschadigt? Welke juridisch specialisten heeft u hiervoor geraadpleegd en wilt u hun bevindingen met de Kamer delen?
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 29 mei 2019 over het programma aanpak stikstof 2015–2021 gewezen op de mogelijkheid van vergunningverlening door toepassing van intern en extern salderen onder verwijzing naar de voorwaarden gesteld in de jurisprudentie die er op dit punt al voor het programma aanpak stikstof 2015–2021 bestond. Inmiddels zijn er verschillende rechterlijke uitspraken geweest over de toepassing van intern en extern salderen waarin deze lijn wordt bevestigd.
Ten aanzien van extern salderen heeft de Afdeling in haar uitspraak van 30 september 20202 over Logistiek Park Moerdijk (ECLI:NL:RVS:2020:2318) aangegeven dat «de algemene opgave om de te hoge stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden terug te brengen moet worden onderscheiden van de besluitvorming over individuele plannen en projecten die tot stikstofdepositie leiden».
Dat bevestigt de Afdeling in haar uitspraak van 19 mei 2021, waarbij zij ten aanzien van de specifieke eisen voor saldering verder wederom verwijst naar de jurisprudentie over saldering uit de periode vóór het programma aanpak stikstof 2015–2021.
Op 20 januari 2021 bepaalde de Afdeling in de uitspraak over de «Logtsebaan» (ECLI:NL:RVS:2021:71) dat intern salderen sinds 1 januari 2020 niet langer vergunningplichtig is. Nu die vergunningplicht er niet meer is, vervalt de mogelijkheid voor gedeputeerde staten om via beleidsregels voorwaarden te stellen aan een vergunningaanvraag voor intern salderen. Aangezien er bij intern salderen geen afroming plaatsvindt en er als gevolg van de uitspraak Logtsebaan geen toetsing meer plaats hoeft te vinden door het bevoegd gezag, is er kans op feitelijke emissietoename(s), maar altijd binnen de grenzen van de vergunde situatie.
Bij uitspraken van 19 en 20 mei 2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:4198) heeft de rechtbank Limburg echter onder meer geoordeeld dat extern salderen alleen kan worden ingezet als mitigerende maatregel («beschermingsmaatregel») bij vergunningverlening ter voorkoming van significant negatieve gevolgen van een project in de zin van artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn, op het moment dat wordt aangetoond dat natuurbehoud is geborgd in de betrokken Natura 2000-gebieden, en afdoende andere maatregelen beschikbaar zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te halen (additionaliteitsvereiste).
Ten algemene geldt daarnaast op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn de verplichting voor Nederland om passende maatregelen te treffen om verslechtering te voorkomen. Het structurele pakket met maatregelen om de stikstofbelasting terug te dringen en natuurherstel te realiseren is daarop gericht. Met een monitorings- en bijsturingssystematiek wordt bijgehouden of de condities voor behoud en herstel van instandhouding worden behaald en of het maatregelenpakket – generiek of gebiedsgericht – bijstelling behoeft.
Bent ook u er bang voor dat uw stikstofbeleid de natuur verder zal aantasten en geen ruimte gaat bieden voor het bouwen van huizen of andere economische activiteiten? Zo nee, waarom niet?
Nee, met de Wsn is de wettelijke basis gelegd om structureel aan natuurherstel te werken. Daartoe zijn ook drie resultaatsverplichtingen (40% (2025), 50% (2030) en 74% (2035) van het areaal aan stikstofgevoelige natuur onder de KDW) in deze wet opgenomen. Naast deze specifieke wettelijke doelstelling realiseert het pakket met maatregelen in ieder stikstofgevoelig gebied stikstofreductie en verbetering van andere benodigde natuurcondities. Om (op kortere termijn) woningbouwprojecten mogelijk te maken, is het stikstofregistratiesysteem al in werking gesteld. Als het stikstofregistratiesysteem niet voldoende stikstofdepositieruimte zou bieden of als de voorgenomen partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de bouwfase voor de bouwsector geen soelaas biedt, kan voor woningbouwprojecten ook gebruik worden gemaakt van de ontwikkelreserve voor projecten van nationaal belang.
Wilt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het opkopen van duurzame-energiepapieren in het buitenland |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederland moet maximale rekening betalen om energiedoelen te halen»?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat het van peperduur amateurisme getuigt dat Nederland maar al te graag het braafste klimaatjongetje van de EU-klas wil zijn en daarom vele miljarden verspilt aan duurzame energie, terwijl het EU-klimaatdoel (14 procent in 2020) niet eens wordt gehaald?
Nee. We hebben als Nederland samen met de 26 andere lidstaten van de Europese Unie afspraken gemaakt over het tegengaan van klimaatverandering. Deze afspraken zijn van belang om verdere opwarming van de aarde tegen te gaan. Onderdeel van die Europese afspraken zijn de nationale doelstellingen met betrekking tot CO2-reductie, hernieuwbare energie productie en energiebesparing.
Voor 2020 heeft Nederland in Europees verband afgesproken dat 14% van het totale Nederlandse energieverbruik uit duurzame bronnen zou worden opgewekt. Alhoewel het aandeel hernieuwbare energie het afgelopen jaar fors is toegenomen, klopt het dat Nederland de doelstelling van 14% met alleen binnenlandse productie nog niet heeft gehaald. Om het resterende tekort te dichten, wordt statistische overdracht ingezet als een noodzakelijk sluitstuk. Dat neemt niet weg dat er een enorme groei in hernieuwbare energie heeft plaatsgevonden om een bijdrage te leveren aan 49% CO2-reductie in 2030. De middelen die besteed zijn aan die hernieuwbare energieprojecten zijn dan ook zeker niet verspild.
Deelt u de conclusie dat dit aantoont dat de klimaatdoelen – zowel door de EU als door uzelf vastgesteld – simpelweg onhaalbaar en onbetaalbaar zijn? Zo nee, hoe vindt u zelf dat het gaat?
Nee, die conclusie deel ik niet. De klimaatdoelen, zowel Europees als nationaal, zijn ambitieus maar dat is ook nodig om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en te streven naar 1,5 graden Celsius, zoals afgesproken in de Overeenkomst van Parijs. De afgelopen jaren heeft Nederland met het Energieakkoord en het Klimaatakkoord invulling gegeven aan deze afspraken. Door een combinatie van factoren duurt de uitvoering van de afspraken in een aantal gevallen langer dan gepland. Hierdoor heeft Nederland haar doelstelling voor hernieuwbare energie in 2020 niet behaald met alleen binnenlandse productie. Dat neemt niet weg dat we op de goede weg zijn. In 2020 steeg het aandeel hernieuwbare energie met meer dan 20%. Dat is de grootste stijging ooit. De komende jaren zal deze stijging zich doorzetten in lijn met de doelstellingen voor 2030.
Deelt u de conclusie dat het opkopen van duurzame-energiepapieren in het buitenland – om het EU-klimaatdoel, op papier althans, alsnog te halen – niets anders is dan een peperdure boekhoudkundige klimaattruc? Zo nee, wat is het dan wel?
De Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED, 2009/28/EG) biedt de mogelijkheid om het aandeel hernieuwbare energie te verhogen in samenwerking met andere lidstaten. Daarmee is statistische overdracht een legitieme vorm van Europese energiesamenwerking die een kostenefficiënte en tijdige transitie in Europa bevordert. Bij de onderhandelingen van de RED in 2009 was Nederland voorstander van deze vorm van flexibiliteit voor een zo efficiënt mogelijke transitie in Europa.
Om de resterende opgave in te vullen, was statistische overdracht voor Nederland een noodzakelijk sluitstuk van een breder pakket aan maatregelen om de Europese doelstelling te realiseren. Eerder is al voorzien in een aanvullend pakket met nationale maatregelen om het tekort zo ver mogelijk te dichten met binnenlandse productie. O.a. vanwege de lange doorlooptijden van hernieuwbare energieprojecten, was statistische overdracht de enige resterende mogelijkheid om een eventuele boete en/of dwangsom voor het niet halen van de doelstelling te voorkomen.
Daarbij is bij de statistische overdracht met Denemarken afgesproken dat de middelen besteed worden aan een nieuw waterstofproject. Ondanks dat er geen extra hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt, dragen de middelen van statistische overdracht hiermee wel bij aan de Europese energietransitie (Kamerstuk 32 813, nr. 614). Het overleg met de Deense collega’s over de invulling van het nieuwe waterstofproject loopt.
Deelt u de mening dat het te krankzinnig voor woorden is om 200 miljoen euro te betalen voor energie die Nederland feitelijk helemaal niet krijgt, maar die alleen bedoeld is om uw eigen klimaatcijfertjes op te krikken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe is het mogelijk dat uw ministerie aanvankelijk uitging van een bedrag tussen de 100 en 200 miljoen euro en het uiteindelijk 200 miljoen euro – het maximale – is geworden?2 Welke rekenmethode wordt er bij het ministerie gebruikt?
Zoals ik in mijn brief over de uitvoering van het Urgenda-vonnis van 24 april jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 496) aangaf, was het precieze tekort over 2020 nog erg onzeker ten tijde van de onderhandelingen. Daarom is ingezet op een flexibele hoeveelheid, zodat we niet te weinig en ook niet te veel zouden kopen. De gehanteerde bandbreedte is destijds gebaseerd op de best beschikbare cijfers, o.a. uit de notitie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over de invloed van de coronacrisis op de Nederlandse broekasgasemissies in 2020. Door de gehanteerde bandbreedte is het de verwachting dat Nederland voldoet aan de doelstelling, doordat precies de juiste hoeveelheid statistische overdracht kan worden gekocht om het resterende tekort te dichten.
Deelt u de conclusie dat het van een pervers EU-systeem getuigt dat er linksom of rechtsom bizar veel geld over de balk gesmeten wordt – hetzij aan duurzame energie (zelf geproduceerd of op papier opgekocht), hetzij aan een boete / dwangsom als de Europese Commissie Nederland in gebreke stelt voor het niet-halen van het EU-klimaatdoel?
Bent u ertoe bereid geen cent uit te geven aan het opkopen van duurzame-energiepapieren in het buitenland, te erkennen dat de klimaatdoelen onhaalbaar en onbetaalbaar zijn, en onmiddellijk te stoppen met uw onzinnige klimaatbeleid?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Nationaal en Europees klimaatbeleid zijn nodig om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en te streven naar 1,5 graden Celsius, zoals afgesproken in de Overeenkomst van Parijs. In het kader hiervan hebben we in Europa afspraken gemaakt over klimaat- en energiedoelstellingen. Voor het jaar 2020 is statistische overdracht een noodzakelijk sluitstuk om onze doelstelling van 14% hernieuwbare energie te halen. Hoewel het de voorkeur heeft om aan onze doelstelling te voldoen door middel van binnenlandse hernieuwbare energieproductie, was statistische overdracht vanwege de lange doorlooptijden van hernieuwbare energieprojecten de enige mogelijkheid om een mogelijke boete en dwangsom van de Europese Commissie te voorkomen.