Het feit dat de mondiale biodiversiteitsdoelen alleen te behalen zijn door het hervormen van voedsel- en energiesystemen en een sterke beleidsinzet op natuurherstel en klimaatmitigatie |
|
Christine Teunissen (PvdD), Eva Akerboom (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Innovatiekracht maatschappij nodig om internationale biodiversiteitsdoelen te halen»?1
Ja.
Erkent u de urgentie tot het nemen van concrete acties om de klimaat- en biodiversiteitscrises te stoppen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe komt dit tot uiting in uw beleid? Tot wanneer meent u de tijd te hebben om deze verweven crises structureel aan te pakken?
In het coalitieakkoord erkent het kabinet dat we voor grote mondiale uitdagingen staan, waaronder klimaatverandering en biodiversiteitsverlies. Het kabinet zal zich maximaal inspannen om ons land en onze planeet leefbaar en bewoonbaar te houden. Dit vraagt om uiteenlopende acties op tal van terreinen, die in het coalitieakkoord staan gemeld. Het kabinet erkent dat er geen tijd te verliezen is en dat een gezamenlijke aanpak vereist is om de klimaat- en biodiversiteitscrisis aan te pakken.
Erkent u de urgentie van het aanpassen van het Nederlandse beleid op basis van de conclusies van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) -rapport dat stelt dat de mondiale biodiversiteitsdoelen alleen te behalen zijn door een «fundamentele verandering», zoals het hervormen van voedsel- en energiesystemen en een sterke beleidsinzet op natuurherstel en klimaatmitigatie? Zo ja, op welke manier en op welke termijn bent u van plan daar vorm aan te geven? Zo nee, waarom niet?
De staat van de biodiversiteit is zorgelijk, zowel mondiaal, in Europa als in Nederland. Het kabinet onderschrijft de urgentie die het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en verschillende andere rapporten uitdragen. Het halen van de mondiale biodiversiteitsdoelen, welke momenteel worden herzien op de Convention on Biological Diversity (CBD), vergt een maatschappelijke transitie op tal van terreinen richting een natuurinclusieve samenleving. Zo ook in de landbouw- en energiesector. Maatschappelijke partijen hebben elk een belangrijke verantwoordelijkheid om deze transitie te realiseren. Het kabinet spant zich hier maximaal voor in en ondersteunt de Agenda Natuurinclusief om deze beweging te versterken en te versnellen. Als het nieuwe mondiale biodiversiteitsraamwerk is vastgesteld, zal het kabinet een nationaal biodiversiteit-actieplan opstellen om daar uitvoering aan te geven.
Erkent u de urgentie om op korte termijn specifieke plannen te maken voor het Nederlandse natuurbeleid, de eiwittransitie en het reduceren van de Nederlandse voetafdruk in het buitenland op basis van de conclusies van het PBL-rapport? Zo ja, wat gaat u veranderen op deze gebieden? Zo nee, waarom niet?
In het coalitieakkoord zijn verschillende acties geformuleerd met betrekking tot het versterken van de Nederlandse natuur. Met betrekking tot de eiwittransitie is uw Kamer op 2 juni 2022 eerder geïnformeerd over de uitwerking van de Nationale Eiwitstrategie (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 156). In het kader van het VN-Biodiversiteitsverdrag dient Nederland een nationaal biodiversiteitplan op te stellen waarin ook nader ingegaan zal worden op mogelijke handelingsopties voor het reduceren van de Nederlands voetafdruk.
Onderschrijft u de conclusie van het rapport van PBL over de noodzaak van een vermindering van de vlees- en zuivelconsumptie en een transitie naar meer plantaardige eiwitten? Zo ja, bent u van plan uw inzet voor de eiwittransitie te vergroten? Zo nee, waarom niet?
Ja, de conclusie van het rapport van PBL komt overeen met het streven van het kabinet naar de consumptie van meer plantaardige eiwitten. De inzet op deze transitie is opgenomen in de Nationale Eiwitstrategie (zie antwoord vraag2. Het kabinet zet stappen in de transitie door een concreet doel te stellen waarbij de verhouding tussen dierlijke en plantaardige eiwitten in het dieet van consumenten in 2030 verschuift van 60/40-% naar een balans van 50/50-%.
Hoe heeft u zich op de COP27 in Egypte ingezet voor biodiversiteit en het veranderen van het voedselsysteem met een focus op meer plantaardige eiwitten en welke concrete resultaten zijn daaruit gekomen?
Nederland zet zich nationaal en internationaal in voor duurzame en toekomstbestendige voedselsystemen en biodiversiteit. Een cruciaal onderdeel daarvan is een integrale benadering waarin, naast de transitie naar meer plantaardige productie, ook dierlijke productie een eigen plek heeft. Dit is onderdeel van een breder streven om inhoud te geven aan de eiwittransitie. Op COP27 heeft Nederland deze inzet actief uitgedragen in zowel de formele onderhandelingen als tijdens informele onderdelen en evenementen waaraan Nederland tijdens COP27 deelnam. Implementatie en concrete actie vinden daarbuiten plaats. Hierin vervult ook het landbouwattachénetwerk (LAN) een belangrijke rol. De recent verschenen Agrospecials over de eiwittransitie en klimaat geven inzicht in concrete resultaten. Ik verwijs u ook graag door naar de Kamerbrief over de uitkomsten van COP27.
Wat zijn de gevolgen voor de inzet van Nederland tijdens de Biodiversiteitstop van december 2022 in Montreal gezien de conclusies van het rapport van PBL?
Het PBL-rapport «Exploring nature-positive pathways» sluit goed aan bij de Europese en Nederlandse onderhandelingsinzet in relatie tot het Global Biodiversity Framework waarover tijdens de VN-Biodiversiteitstop wordt onderhandeld. Een voorbeeld is de Nederlandse inzet gericht op de integratie van biodiversiteit in alle maatschappelijke sectoren en beleid, inclusief de financiële sector. Hiermee worden heldere afspraken gemaakt over het natuurinclusief maken van beleid en regelgeving.
Deelt u de mening dat de socio-economische drukfactoren, zoals schadelijke en/of perverse fiscale maatregelen, die onderliggend zijn aan biodiversiteitsverlies, aangepakt dienen te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen stelt u voor om dit te bewerkstelligen?
Ik deel de overtuiging dat mogelijke schadelijke effecten van investeringen, subsidies en andere financiele prikkels met betrekking tot biodiversiteit voorkomen moeten worden. Door te werken aan een natuurinclusieve samenleving worden biodiversiteitsoverwegingen gemeengoed in maatschappelijke sectoren. Een eerste stap om schadelijke effecten te voorkomen is deze beter in kaart brengen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) publiceert binnenkort een conceptrapport over subsidies die mogelijk schadelijk zijn op het terrein van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zullen met uw Kamer worden gedeeld. Binnen verschillende departementen wordt onderzocht of een soortgelijk onderzoek kan plaatsvinden.
Kunt u bevestigen dat biodiversiteitsverlies financiële gevolgen heeft voor de waarde van beleggingen en voor investeringen? Kunt u drie concrete voorbeelden geven uit de financiële sector waarin biodiversiteitsrisico’s zich hebben gematerialiseerd?
Deelt u de mening dat investeringen niet alleen niet schadelijk zouden moeten zijn voor de biodiversiteit, maar dat er ook geïnvesteerd moet worden in versterking van de biodiversiteit? Zo nee, betekent dat dan dat u van mening bent dat biodiversiteitsherstel alleen uit publieke middelen gefinancierd zou moeten worden? Zo ja, wat zou een minimumniveau van biodiversiteit zijn voor Nederland en indien u dat niet weet, bent u dan bereid om dit in kaart te brengen?
Investeren in biodiversiteit is van groot belang. Iedere geïnvesteerde euro in biodiversiteitsherstel levert doorgaans een veelvoud aan maatschappelijke waarde op. Dit zou zeker niet alleen met publieke middelen moeten worden gefinancierd. Private partijen hebben hierin ook een stevige verantwoordelijkheid. Tevens is het bedrag dat nodig is te hoog om alleen met publieke middelen te bekostigen. Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) brengt met Natuurlijk Kapitaalrekeningen de toestand van ecosystemen in Nederland in beeld. In Nederland wordt niet gestuurd op een minimumniveau, maar er wordt gewerkt aan biodiversiteitsherstel. Ik heb Uw Kamer 25 november jl. geïnformeerd over voortgang van het Nationaal Programma Landelijk Gebied waarin de aanpak van de grote opgaven voor klimaat, water, stikstofreductie en natuur worden geschetst (Kamerstuk 34 682, nr. 105).
Heeft u inzicht in de omvang van de investeringen die nodig zijn voor biodiversiteitsherstel in Nederland? Zo ja, hoeveel bedragen die? Zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen?
Op dit moment loopt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek biodiversiteit, dat onder meer antwoord tracht te geven op die vraag. Het rapport wordt in de tweede helft 2023 verwacht. In het Programma Natuur is al 3 miljard euro gereserveerd voor het herstel van natuur.
Deelt u de mening dat er bindende internationale afspraken, regulatie en/of fiscale maatregelen (bijvoorbeeld (Pigouviaanse) belasting) nodig zijn omtrent de investeringsmogelijkheden van de financiële sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit tijdens de Biodiversiteitstop van de Verenigde Naties (VN) bewerkstelligen?
Ik deel de mening dat mondiale afspraken een belangrijke rol kunnen spelen bij het faciliteren van investeringen voor biodiversiteit. De afspraken die tijdens de VN-Biodiversiteitstop gemaakt worden kunnen daar – hoewel deze niet juridisch bindend zijn – een bijdrage aan leveren.
Bent u bereid om de noodzaak van investeringen in de biodiversiteit te bepleiten tijdens de VN-Biodiversiteitstop?
Ja, ik ben op de COP aanwezig en spreek op de speciale dag over biodiversiteitsfinanciering daar over de noodzaak van investeringen uit zowel private als publieke bronnen. Ik spreek op deze dag ook over het belang van het in lijn brengen van alle publieke en private financiering met de doelen van het nieuwe Global Biodiversity Framework (GBF). Nederland draagt op de biodiversiteitstop ook bij met kennis en ervaring aan een 10-punten plan voor de financiering van biodiversiteit dat is opgesteld met als doel een brede coalitie van landen te verenigen rondom het belang van financiering voor biodiversiteit.
Deelt u de mening dat er bindende internationale afspraken, regulatie en/of fiscale maatregelen (bijvoorbeeld (Pigouviaanse) belasting) nodig zijn om bedrijven te stimuleren om anders te produceren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit tijdens de VN-Biodiversiteitstop bewerkstelligen?
De Europese en daarmee de Nederlandse onderhandelingsinzet is erop gericht om overheden aan te sporen zich in te zetten voor regelgeving voor de financiële sector zodat zij hun impact op, en afhankelijkheid van biodiversiteit in kaart brengen.
Bent u bereid de Nederlandse inzet voor de Biodiversiteitstop aan te scherpen gezien de urgentie van het behalen van de biodiversiteitsdoelen voor zowel Nederland vanwege de stikstofcrisis, maar voornamelijk vanwege het feit dat mensen en het daarbijbehorende economische systeem niet kunnen bestaan zonder natuur en biodiversiteit?
Natuur en biodiversiteit zijn de basis voor een sterke economie en een gezonde leefomgeving. De Europese en daarmee de Nederlandse onderhandelingsinzet voor de VN-Biodiversiteitstop is er op gericht om biodiversiteitsverlies zo spoedig mogelijk te stoppen.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat er meer synergie zit tussen het klimaat- en natuurbeleid in Nederland, gelet op het gegeven dat maatregelen zoals het hervormen van voedsel- en energiesystemen ook bijdragen aan het halen van de Parijs-doelen? Welke concrete maatregelen kunnen synergie stimuleren? Hoe gaat u deze synergie onder de aandacht brengen tijdens de VN-Biodiversiteitstop?
Het kabinet zet zich via verschillende wijzen in om klimaat en biodiversiteit in samenhang aan te pakken op zowel nationaal als internationaal niveau. Het kabinet werkt op nationaal niveau bijvoorbeeld aan het vernatten van veenweidegebied om klimaatwinst te boeken in combinatie met een toekomstbestendige landbouw en meer biodiversiteit. Ook werkt het kabinet aan natuurlijke klimaatbuffers waarin natuurlijke processen de ruimte krijgen en daarmee bijdragen aan een klimaatbestendig Nederland voor mens en natuur. Tijdens de VN-Biodiversiteitstop zal de Minister voor Natuur en Stikstof tijdens een door PBL georganiseerde ministeriële bijeenkomst het belang van het gezamenlijk aanpakken van de klimaat- en biodiversiteitscrisis uitdragen. Ook tijdens de onderhandelingen zal de Nederlandse delegatie het belang van natuurlijke oplossingen voor het tegengaan van klimaatverandering en het behoud van biodiversiteit steunen.
Ecoducten |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat Nationaal Park De Hoge Veluwe het ecoduct bij Oud Reemst met een hek dat diep in de grond is ingegraven heeft afgesloten, afgezet met prikkeldraad en voorzien van fijnmazig gaas en camera’s, waardoor dieren onmogelijk de oversteek kunnen maken? Zo ja, wat dacht u toen u hier van hoorde?
Dat klopt. Ecoducten zijn belangrijke verbindingspunten voor de Nederlandse natuur, en zouden wat mij betreft alleen afgesloten mogen worden wanneer er dwingende redenen zijn om dit te doen.
Deelt u de mening dat ecoducten als voornaamste functie hebben bestaande natuur beter te verbinden en het natuurlijk trekgedrag van dieren te bevorderen en faciliteren op een voor die dieren veilige wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Daarnaast dragen ecoducten en andere faunavoorzieningen bij aan het vergroten van het leefgebied van soorten en het robuuster maken van onze natuur. Ze zorgen ervoor dat soortgenoten in gescheiden gebieden veilig met elkaar in verbinding kunnen staan, wat zorgt voor gezonde en duurzame populaties met meer genetische variëteit.
Kunt u aangeven of er nog meer ecoducten en/of faunapassages met een hek zijn afgesloten? Zo ja, hoeveel en waar?
Vanwege de decentralisatie van het natuurbeleid in 2011 kan ik niet een overzicht geven voor het hele land van hoeveel en welke ecoducten en/of faunapassages zijn afgesloten. De provincie Gelderland laat weten dat de ecoducten en faunapassages aan de randen van de leefgebieden voor het wild zwijn op de Veluwe zijn afgesloten met een wildzwijnkerend hek (circa 1 meter hoog). De hekken rondom park de Hoge Veluwe zijn destijds geplaatst om eventuele verspreiding van Afrikaanse varkenspest te voorkomen. De hekken op de overige delen van de Veluwe zijn eerder al geplaatst om het leefgebied van de zwijnen te begrenzen. Verder heeft park de Hoge Veluwe in 2019 de provincie Gelderland laten weten het noodzakelijk te achten om de rasters bij ecoducten op te hogen om zowel de overmatige inloop van edelherten als de vestiging van de wolf te voorkomen. Het gaat dus in ieder geval om twee ecoducten en meerdere overige faunapassages.
Kunt u aangeven hoe de uitwisseling van dieren wordt gewaarborgd? Zo nee, wat gaat u ondernemen om het trekgedrag van (beschermde) dieren te waarborgen?
De verantwoordelijkheid voor de bescherming en uitwisseling van wilde dieren ligt bij de provincies. Zij hebben hiervoor de beleidsmatige en financiële instrumenten. In 2004 is de rijksoverheid samen met de provincies het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO) gestart, waarbij 208 ecologische knelpunten zijn geïdentificeerd.1 Door de decentralisatie van het natuurbeleid en het als gevolg daarvan wegvallen van de financiering door het Rijk is een deel van de oorspronkelijk geplande maatregelen vervallen. Het oorspronkelijke aantal van 208 op te lossen knelpunten is daarom in 2015 bijgesteld naar 176 op te lossen knelpunten.
Toen het MJPO in 2018 afgerond werd waren 126 knelpunten geheel opgelost en 40 knelpunten gedeeltelijk. Een deel van de maatregelen was gekoppeld aan grotere infrastructuurprojecten, waardoor deze pas later doorgevoerd konden worden. Momenteel resteren er nog 12 knelpunten uit het MJPO, waarvoor soms meerdere maatregelen nodig zijn.
Voor Rijkswaterstaat staat alleen nog ecoduct Notterveld in de planning (knelpunt OV16, N35). De realisatie hiervan ligt momenteel stil vanwege de onzekerheden rondom stikstof. Door ProRail zijn alle ecoducten gerealiseerd. Verder resteren er voor Rijkswaterstaat nog 29 andere maatregelen (waaronder kleinere faunapassages) welke veelal in samenhang met andere werkzaamheden worden uitgevoerd. De laatste werkzaamheden zijn gepland in 2024/2025, maar enige vertraging wordt verwacht vanwege de onzekerheden rondom stikstof. Voor meer informatie verwijs ik u naar de eindrapportage van het MJPO «Natuur verbonden».2
Het MJPO betrof een inhaalslag, waarmee de belangrijkste knelpunten tussen bestaande infrastructuur en natuur zijn opgelost. Ten aanzien van nieuw aan te leggen infrastructuur is het uitgangspunt dat ontsnipperende maatregelen al bij het ontwerp van de infrastructuur worden meegenomen, zoals vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
Deelt u de mening dat met gemiddeld 8 miljoen euro gemeenschapsgeld aangelegde ecoducten niet zouden mogen worden gesloten, waardoor hun functie onder druk komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het grote ecologische belang van het verbinden van natuurgebieden ben ik van mening dat deze alleen onder zwaarwegende omstandigheden afgesloten zouden mogen worden. Mocht het toch noodzakelijk zijn om een ecoduct af te sluiten zou de situatie nauwlettend in de gaten gehouden moeten worden en de eerde gemaakte keuze regelmatig opnieuw beoordeeld moeten worden.
Kunt u aangeven hoeveel het Rijk heeft bijgedragen aan het ecoduct bij Oud Reemst?
Er is geen rijksgeld gemoeid met de aanleg van dit ecoduct. Het ecoduct is betaald met provinciale middelen.
Bent u bereid om met de provincie Gelderland en Nationaal Park De Hoge Veluwe in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat het ecoduct bij Oud Reemst niet voor niets is aangelegd en het hek wordt verwijderd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Omdat het een ecoduct is dat met provinciaal geld is betaald en gelet op de beleidsmatige verantwoordelijkheid van provincies voor het natuurbeleid, is het in de eerste plaats aan de provincie Gelderland om een gesprek te voeren over het ecoduct bij Oud Reemst. Wel ben ik bereid om met de provincie Gelderland in gesprek te gaan over het belang van ecoducten als verbindingspunten voor de Nederlandse natuur.
Klopt het dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de ecoductplannen, bedoeld om de knelpunten als gevolg van Rijksinfrastructuur die bestaande natuurgebieden doorsnijdt op te lossen, niet heeft afgerond?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u een overzicht geven van alle in het oorspronkelijke Meerjarenplan Ontsnippering (MJPO) geplande ecoducten en/of faunapassages, waarbij wordt verduidelijkt wie deze ecoducten zou gaan realiseren? Kunt u hierbij ook aangeven welke ecoducten alsnog in de planning staan en welke knelpunten na deze bouw nog overblijven in het land?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot het plaatsen van een ecoduct over de A1, om de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe te verbinden?
Deze informatie kan ik u niet verschaffen omdat dit valt onder de bevoegdheid van de provincies Gelderland en Utrecht.
Kunt u aangeven hoe het staat met het oorspronkelijke plan om de Oostvaardersplassen te verbinden met de Veluwe, het Gelderse Rivierengebied en het Duitse achterland? Wat vindt u van het idee om samen met Duitsland te kijken naar het aansluiten van het Duitse Biotopverbund op het Nederlandse NatuurNetwerk? Bent u bereid om dit bij Duitsland aan te kaarten?
De verbinding waar in deze vraag op wordt gedoeld was een van de robuuste verbindingen in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Na de decentralisatie van het natuurbeleid en de herijking van de EHS, is het aan provincies om in het kader van het gedecentraliseerde natuurbeleid al dan niet in gezamenlijkheid te besluiten welke ecologische verbindingen zij willen realiseren. Zij kunnen hiervoor onder andere de middelen uit het Natuurpact (2013) aanwenden.
Bent u bereid om beleid op het gebied van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het oplossen van ecologische knelpunten opnieuw te in te stellen, aangezien dit dringend nodig is om de effecten van klimaat- en biodiversiteitscrises te temperen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
De uitvoering van de resterende opgave van het Natuurnetwerk Nederland is een verantwoordelijkheid van provincies. Zij hebben hiervoor de beleidsmatige en financiële instrumenten in handen, zoals overeengekomen met de provincies in het Natuurpact in 2013 (Kamerstuk 33 576, nr. 6). Het Natuurnetwerk Nederland moet volgens de afspraken in Natuurpact in 2027 afgerond zijn. Het wegnemen van belemmeringen tussen natuurgebieden en bestaande infrastructuur is belangrijk voor een goed functionerend ecologisch netwerk. Ik zal met provincies in gesprek gaan en hen vragen om een inventarisatie te maken van wat er door hen gedaan is op het gebied van het verbinden van natuurgebieden en het opheffen van ecologische knelpunten. Vervolgens zou gekeken kunnen worden welke opgave er nog ligt en wat daar voor nodig is. Hierover ga ik graag met de provincies in gesprek.
Heeft u een overzicht van de top tien van wegen waarop de meeste aanrijdingen met wilde zoogdieren, zoals de otter, plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over gegevens waarmee een dergelijke top tien van aanrijdingen is op te stellen. Specifiek voor de otter is er wel een top tien te geven aan de hand van het jaarlijkse rapport over de otterpopulatie, waaronder het aantal verkeersslachtoffers en verkeersknelpunten. Dit rapport is te vinden op de website van Wageningen Environmental Research3.
Kunt u aangeven hoe u invulling geeft aan uw eindverantwoordelijkheid voor de staat van de natuur, wanneer u geen overzicht heeft van ecologische knel- en gevaarpunten? Bent u bereid om dit overzicht jaarlijks toe te voegen aan de voortgangsrapportage Natuur? Zo nee, waarom niet?
In hoofdstuk 4.3 van de Achtste Voortgangsrapportage Natuur4 rapporteren Rijk en provincies over de realisatie van de knelpunten uit het Meerjarenprogramma Ontsnippering. Dit overzicht zal ook in de volgende voortgangsrapportage opgenomen worden.
Het bericht 'Russische hackers hebben het gemunt op Nederlandse gasinstallaties' |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Russische hackers hebben het gemunt op Nederlandse gasinstallaties»?1
Ja.
Bent u ook bekend met het bericht uit april 2022 waarin al werd gewaarschuwd voor nieuw ontdekte malware, specifiek gericht op het aanvallen van de energie-industrie?2
Ja.
Onderschrijft u dat de Nederlandse en Europese gasinfrastructuur momenteel uitermate kwetsbaar zijn en tegelijk van groot belang zijn voor onze nationale veiligheid en onze energievoorziening?
Ik onderschrijf dat onze en de Europese gasinfrastructuur van groot belang zijn voor onze energievoorziening en daarmee van groot belang voor de nationale veiligheid. De overheid werkt samen met direct betrokken partijen om zo veel mogelijk dreigingen te voorkomen en risico’s te beheersen. Waar risico’s of dreigingen zich toch voordoen wordt samengewerkt om snel en adequaat te reageren.
Entiteiten die gasinfrastructuur beheren zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de continuïteit van hun dienstverlening en hun rol in het vitale proces en ook voor het op orde hebben van hun digitale weerbaarheid. De overheid is zich echter bewust dat vitale aanbieders zich niet in alle gevallen voldoende kunnen weren tegen door statelijke actoren gesteunde sabotage, spionage en manipulatie. De overheid ondersteunt hen daarom hierbij, onder andere door kennis en informatie te delen. Dit geldt zowel voor de infrastructuur op zee als op land.
Als Minister voor Klimaat en Energie ben ik verantwoordelijk voor de vitale processen binnen de energiesector. Vanuit haar regierol op de vitale infrastructuur stel ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid eisen op die worden vastgelegd in wet- en regelgeving en zie ik toe op de naleving ervan.
Daarnaast faciliteer ik, met het oog op de leveringszekerheid vitale aanbieders bij het vergroten van hun weerbaarheid. Dit geldt ook voor vitale aanbieders in de gassector. Bijvoorbeeld door het vergroten van de mogelijkheden voor netbeheerders om hun inkoop processen te beperken via de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied onder de energiewet. Zie voor meer maatregelen ook de brief over leveringszekerheid die op 9 december naar uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 29 023, nr. 384). Op lokaal niveau zijn Veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor risicobeheersing en crisisbeheersing. In dit kader vindt er samenwerking plaats met private partijen, waaronder vitale aanbieders.
Netbeheerders van gasinfrastructuur zijn door de overheid aangewezen als aanbieder van essentiële dienst (AED) op grond van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni). Per 1 januari 2023 is het vitale proces uitgebreid naar «Gasproductie (incl. gasbehandelingsinstallaties), gasopslag, landelijk en zee transport (incl. conversie) en regionale distributie van gas»3 (Kamerstuk 2022Z24210). Entiteiten actief in dit proces zijn hierdoor ook aangewezen als AED. Op grond van de Wbni zijn AED’s verplicht tot het treffen van passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen en verstorende incidenten te melden. Sectorale toezichthouders houden toezicht op de manier waarop vitale aanbieders invulling geven aan deze zorgplicht, in dit geval is dat de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI). Daarnaast hebben AED’s recht op dienstverlening vanuit het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NCSC heeft primair de taak om vitale aanbieders en organisaties binnen de rijksoverheid bij te staan bij digitale dreigingen en incidenten én deze organisaties hierover te waarschuwen, informeren en te adviseren. Publieke en private partijen werken op dit gebied nauw samen.
Kunt u toelichten welke maatregelen, fysiek en digitaal, worden genomen om de gasinfrastructuur te beschermen tegen sabotage en cyberaanvallen? Kunt u bevestigen dat niet alleen infrastructuur op zee, maar ook infrastructuur op land zoals de LNG-terminals in de Rotterdamse haven en de Eemshaven wordt meegenomen in de maatregelen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de stelling dat naast fysieke maatregelen ter beveiliging van de gasinfrastructuur, ook het versterken van de cyberveiligheid van essentieel belang is, mede in het licht van het onder vraag 2 genoemde bericht?
Ja.
Is in het overleg met betrokken overheidsinstanties, zoals aangekondigd in uw brief 4 november 2022 (Kamerstuk 30 821, nr. 168), zowel gesproken over de infrastructuur op zee als de infrastructuur op land?
Ja.
Wat is het resultaat van dit overleg en vindt dit overleg nog steeds plaats?
Dit overleg vindt doorlopend plaats. Op de korte termijn is gewerkt aan het beeld van de risico’s op sabotage en spionage bij vitale infrastructuur op zee en welke maatregelen er direct kunnen worden genomen. TNO doet onderzoek naar de kwetsbaarheden en mogelijke weerbaarheidsmaatregelen van data- en energie-infrastructuur op zee. Voor de lange termijn werkt het kabinet, in het kader van de motie van het lid Boswijk c.s., aan een verkenning voor een gezamenlijke strategie ter bescherming van de cruciale infrastructuur op de Noordzee. Uw Kamer is hierover in november 2022 geïnformeerd in de Kamerbrief «Toezegging inzake toezending Kamerbrief over sabotage van Nord Stream 1 en 2» (Kamerstuk 30 821, nr. 168). In deze verkenning worden dreigingen en mogelijke aanvullende maatregelen die noodzakelijk zijn om de weerbaarheid te vergroten meegenomen, onder meer tegen statelijke actoren.
Zijn bij dit overleg ook actief overheidsorganisaties betrokken die verantwoordelijk zijn voor de cyberweerbaarheid zoals het Nationaal Cyber Securyity Center (NCSC)?
Ja, het NCSC is bij dit overleg betrokken geweest.
Kunt u garanderen dat (acute) signalen over fysieke sabotage of een cyberaanval direct gedeeld kunnen worden met de juiste instanties om snel maatregelen te kunnen nemen?
Betrokken instanties hebben zowel regulier als incidenteel contact met vitale sectoren en delen hierbij relevante signalen en informatie uit over (acute) dreigingen, weerbaarheid en maatregelen. Er wordt continu gekeken of en welke beveiligingsmaatregelen nodig zijn en, afhankelijk van de ingeschatte dreiging, hoe deze maatregelen kunnen worden geïmplementeerd. Binnen de overheid vindt hierover nauwe samenwerking plaats tussen de verschillende departementen, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, NCSC en Nationale Politie.
Op het moment dat het NCSC concrete signalen van betrokken AED’s of andere partijen ontvangt over een (dreigende) cyberaanval, informeert en adviseert het NCSC relevante partijen zo snel mogelijk en, in het geval van een daadwerkelijk cyberincident, staat het NCSC de organisatie bij en ondersteunt zij waar nodig de organisatie bij het treffen van maatregelen om de continuïteit van de dienst te waarborgen of te herstellen.
Hoe ziet u de rol van de overheid bij het beschermen van de gasinfrastructuur? Neemt de overheid ook zelf actief maatregelen om de veiligheid van infrastructuur te vergroten, naast het ondersteunen van vitale aanbieders?
Zie voor de beantwoording van vraag 10 de beantwoording onder vraag 3 en 4
Kunt u aangeven of er een noodplan klaarligt mocht bepaalde energie-infrastructuur worden gesaboteerd of worden aangetast en hierdoor de leveringszekerheid in het geding komt?
Voor gas is er het Bescherm -en Herstelplan Gas (BH-G). Dit plan kan worden ingeschakeld op het moment dat er een tekort aan gas ontstaat of dreigt te ontstaan. Op 9 december heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd over de situatie met betrekking tot gasleveringszekerheid en de ontwikkelingen rond het BH-G (Kamerstuk 29 023, nr. 384).
In geval van crisis bij energie-infrastructuur, bijvoorbeeld veroorzaakt door sabotage, is er een Nationaal Crisis Plan (NCP) Gas en NCP Elektriciteit. Deze NCP’s beschrijven de crisisaanpak- en structuren en worden tweejaarlijks aangepast op basis van een actuele risicoanalyse. Daarnaast hebben netbeheerders van gasinfrastructuur ook hun eigen calamiteiten plannen.
De hierboven genoemde crisisplannen zijn specifieke uitwerkingen van de generieke crisisaanpak zoals beschreven in het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing 2022 en het Nationaal Handboek Crisisbeheersing. Beide zijn op 6 december 2022 met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 29 517, nr. 225).
Kunt u bevestigen dat alle mogelijke maatregelen worden genomen voor de bescherming van kwetsbare (gas)installaties tegen acties door vijandige (statelijke)actoren?
Het kabinet draagt zorg voor het beschermen en bevorderen van de nationale veiligheid, dus ook voor kwetsbare (gas)installaties, welke bij een vijandige actie kunnen leiden tot een ontwrichting van de maatschappij. Er wordt risicogebaseerd maatregelen genomen. Dit betekent dat voor het grootste risico de zwaarste maatregelen worden genomen.
Protest tegen gaswinning in Waddenzee |
|
Faissal Boulakjar (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekent met het protest dat op zaterdagmiddag 26 november 2022 bij Ternaard heeft plaatsgevonden tegen meer gaswinning onder de Waddenzee?
Ja.
Wat is uw reactie op dit maatschappelijk verzet tegen de gaswinning bij Ternaard?
Ik ben bekend met de zorgen die er zijn. Voor gaswinning onder de Waddenzee is in het kabinet afgesproken dat er geen nieuwe vergunningen meer worden afgegeven. De vergunningsprocedure voor het gaswinningsproject Ternaard is de laatste procedure die zal worden afgerond. Voor wat betreft de zorgen kan ik aangeven dat in alle besluiten, ook het besluit Ternaard, altijd wordt ingegaan op de bestaande zorgpunten die geuit zijn in de zienswijze. Daarbij geldt altijd dat delfstofwinning onder de Waddenzee alleen is toegestaan als de hierdoor veroorzaakte bodemdaling niet schadelijk is voor de natuur. Om dit te borgen is het «hand aan de kraan»-principe vastgesteld in 2006.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met Shell en daarbij aan te dringen om (gezien de maatschappelijke en wetenschappelijke weerstand) af te zien van hun vergunningsaanvraag voor gaswinning bij Ternaard?
De besluitvorming rondom het project Ternaard loopt naar aanleiding van de Porthosuitspraak vertraging op. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft NAM in de gelegenheid gesteld om de aanvraag voor de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vullen om zo alsnog de stikstofeffecten te kunnen toetsen. Op dit moment wil ik eerst die uitkomsten afwachten, voordat ik samen met de Minister voor Natuur en Stikstof een volgende stap kan zetten in de besluitvorming over het project Ternaard en eventueel met NAM hierover in gesprek ga.
Uitvoering van de derogatiebeschikking en het Zevende Actieprogramma Nitraat |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de derogatiebeschikking en het 7de actieprogramma nitraat (7e AP)?
Ja.
Wanneer volgt implementatie van de maatregelen uit het addendum van het 7e AP?
De maatregelen uit het addendum van het 7e AP worden zo veel als mogelijk ingevoerd volgens de planning die in het addendum is opgenomen.
Wanneer volgt implementatie van de voorwaarden uit de derogatiebeschikking van de Europese Commissie (EC)?
De voorwaarden uit de derogatiebeschikking worden zo veel mogelijk conform de daarin gestelde deadlines geïmplementeerd. Zie onderstaande tabel.
Generieke maatregelen
Implementatiedatum
Implementatie rVDM transporten in Nederland
1 januari 2023
Inhoudelijke voorwaarden voor derogatieverlening 2022
2022
Aanwijzing NV-gebieden 2022 (= met nutriënten verontreinigde gebieden)
2022
Aanwijzing NV-gebieden 2023
1 januari 2023 (beschikking)
25 januari 2023 zijn de gebieden die zullen worden aangewezen bekendgemaakt.
1 maart 2023 (voorzien: formele vastlegging in regelgeving)
Aanwijzing NV-gebieden 2024
1 januari 2024
Aanpassing mestproductieplafonds
1 januari 2025
Afbouw derogatiepad
1 januari 2023
Geen derogatieverlening voor percelen in N2000 gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden
1 januari 2023
Geen derogatieverlening voor percelen in bufferzones nabij N2000-gebieden
1 januari 2024
Opstellen bemestingsplan
1 januari 2023
Afbouw derogatiepad
1 januari 2024
Invoering elektronisch mestregister
1 januari 2024
Verplicht gebruik landbouwbedrijven elektronisch mestregister
1 januari 2025
Aanhouden bufferstroken
1 januari 2023 (beschikking)
1 maart 2023 (voorzien)
Afbouw derogatiepad
1 januari 2025
Verlaging stikstofgebruiksnormen
1 januari 2025
Maatregelen tot vermindering nutriëntenbelasting in grondwaterbeschermingsgebieden
1 januari 2024
Vindt er een ruimtelijke inpassing plaats van de maatregel over bufferstroken langs waterlopen en gebruiksbeperkingen bij waterwingebieden?
RVO zal in de applicatie «Mijn Percelen» inzichtelijk maken hoe breed de bufferstroken conform de derogatiebeschikking zijn en welke gebieden zijn aangemerkt als grondwaterbeschermingsgebied (= waterwingebied). De percelen in een grondwaterbeschermingsgebied, maar ook in Natura 2000-gebieden komen met ingang van 2023 niet langer in aanmerking voor derogatie.
Heeft u een taxatieonderzoek laten uitvoeren naar de waardeontwikkeling van het onroerend goed gelegen in de bufferstroken en waterwingebieden, zoals benoemd in de derogatiebeschikking en het addendum van het 7e AP, voor en na de uitvoering van de maatregelen uit de derogatiebeschikking en addendum van het 7e AP?
Ik heb geen taxatieonderzoek laten uitvoeren. Wel is bij het opstellen van het 7e AP een kwalitatieve analyse van de economische effecten van het 7e AP uitgevoerd.
Heeft u in kaart gebracht hoeveel opbrengstverlies en andere nadelige gevolgen de agrarische sector lijdt door invoering van de bufferstroken en gebruiksbeperkingen waterwingebieden?
In lijn met de motie Van Campen c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 468) zullen de economische effecten van de maatregelen vanuit het 7e AP en de derogatiebeschikking in kaart worden gebracht. De door u genoemde maatregelen zijn onderdeel van deze analyse. Naar verwachting kan ik de Tweede Kamer binnen enkele maanden (tweede kwartaal van 2023) informeren over de uitkomsten.
Komt er een compensatie van de nadelige effecten voor de agrarische sector voor de bufferstroken en waterwingebieden?
Voor de nadelige effecten van de bufferstroken zal geen compensatie komen. Een indicatie van de financiële impact van de versnelde invoering van de bufferstroken maatregel is moeilijk te geven, omdat dit ook afhankelijk is van de soorten teelten, de opbrengsten daarvan en de eventuele extra mestafzetkosten. Wel zal de Subsidieregeling behoud grasland (voorheen transitietegemoetkomingsregeling), zoals aangekondigd in de Kamerbrief van mijn voorganger van 5 september 2022 (Kamerstuk 33 037, nr. 450), een tijdelijke tegemoetkoming bieden voor een gedeelte van de extra kosten die derogatiebedrijven moeten maken als gevolg van de versnelde afbouw van derogatie waarbij de hoogte van de subsidie gerelateerd wordt aan de terugval in mestplaatsingsruimte. De bedrijven die in 2021 met percelen in een grondwaterbeschermingsgebied deelnamen aan derogatie komen hierdoor in aanmerking voor een hoger bedrag aan tegemoetkoming dan bedrijven zonder dergelijke percelen.
Vindt er nog gebiedsgericht maatwerk plaats voor de maatregelen in bufferstroken en waterwingebieden? Zo nee, waarom niet?
De derogatiebeschikking laat geen ruimte voor maatwerk voor wat betreft de maatregelen over bufferstroken en waterwingebieden (grondwater- beschermingsgebieden).
In de grondwaterbeschermingsgebieden waar de nitraatdoelen niet zijn bereikt, zal per 1 januari 2024 op grond van artikel 4, vierde lid, van de derogatiebeschikking een pakket met verplichtende maatregelen om de nutriëntenbelasting te verminderen moeten gaan gelden.
Is de maatregel in bufferstroken en waterwingebieden naar uw mening proportioneel?
Voorop staat dat de derogatiebeschikking geen ruimte laat om af te wijken van wat daarin is opgenomen. Dat geldt dus ook ten aanzien van de bufferstroken maatregel. Daarbij houdt de derogatiebeschikking rekening met de Nederlandse situatie door in bepaalde situaties afschaling toe te staan.
Bent u van mening dat, ondanks de grote onduidelijkheid en zeer late publicaties over de bufferstroken, invoering daarvan op 1 januari 2023 is gerechtvaardigd?
Zoals in mijn brief van 20 januari jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 484) uiteengezet heeft de Europese Commissie aangegeven dat de maatregelen uit de derogatiebeschikking en het 7e AP onverkort ingevoerd moeten worden. Eurocommissaris Sinkevičius heeft in zijn brief van 19 december 2022 aangegeven dat Nederland bij het niet naleven van de voorwaarden vanuit de derogatiebeschikking niet langer kan vertrouwen op deze beschikking waarin voor de komende jaren goedkeuring wordt gegeven voor het uitrijden van meer dan 170 kg N/ha uit dierlijke mest per jaar.
Gezien het grote belang van behoud van de derogatie is het belangrijk dat de bufferstroken maatregel zoals opgenomen als voorwaarde in de derogatiebeschikking per 1 maart aanstaande wordt verplicht.
Waarom heeft Nederland in het verleden het volledig Nederlandse grondgebied in plaats van haar kwetsbare zones aangewezen? Waarom wordt deze keuze nu niet herzien, zodat beleid wordt gericht daar waar het noodzakelijk is: in de kwetsbare zones?
Voor de kwetsbare zones geldt dat het de gebieden zijn die niet aan de doelen van de Nitraatrichtlijn zouden voldoen als maatregelen achterwege zouden blijven. Dit concept kent dus een brede afbakening en geldt voor het volledige Nederlandse grondgebied.
Naar aanleiding van een motie van het toenmalig VVD-kamerlid Snijder-Hazelhoff (Kamerstuk 28 385, nr. 123) is door Wageningen Environmental Research (destijds Alterra) in samenwerking met de Universiteit Utrecht, in 2010 een onderzoeksrapport uitgebracht getiteld «Gebiedsgerichte uitwerking Nitraatrichtlijn; mogelijkheden en beperkingen». Dit rapport is met de Kamerbrief van 23 augustus 2010 (Kamerstuk 28 385, nr. 188) aan de Tweede Kamer aangeboden. Met de motie werd gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken van een mestbeleid gebaseerd op meerdere nitraatactieplannen en/of de benoeming van verschillende kwetsbare zones. In de Kamerbrief van 13 december 2010 (Kamerstuk 28 385, nr. 199) heeft de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu de Tweede Kamer een reactie gestuurd op de bevindingen uit het rapport. Geconcludeerd werd dat er voor Nederland juridisch gezien geen belemmeringen zijn om verschillende kwetsbare zones aan te wijzen in plaats van de huidige aanwijzing van het gehele Nederlandse grondgebied als kwetsbare zone in stand te houden. Volgens de onderzoekers zijn de perspectieven echter beperkt gegeven de relatief hoge gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater in het zand- en lössgebied en de nog als onvoldoende aan te merken kwaliteit van het oppervlaktewater in de klei- en veengebieden, alsmede in de kustwateren.
Hieruit volgt dat naar verwachting slechts een zeer beperkt deel van het Nederlandse grondgebied uitgezonderd zou kunnen worden van de aanwijzing als kwetsbare zone. Dat zou tevens aanzienlijke extra monitoringinspanningen vergen om deze uitzondering te onderbouwen. Sinds het genoemde rapport zijn er geen nieuwe inzichten die aanleiding geven tot een heroverweging.
Onder welk wettelijk kader/regelgeving gaan de generieke maatregelen vallen, voortvloeiend uit het 7e AP en de derogatiebeschikking?
De maatregelen worden geïmplementeerd op basis van de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer. Voor enkele maatregelen uit het addendum zal worden bezien of nieuw wettelijk instrumentarium benodigd is.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Bewoners Zeist boos over uitbreidingsplannen KNVB: "Heel bos moet er voor wijken"' |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Bewoners Zeist boos over uitbreidingsplannen KNVB: «Heel bos moet er voor wijken»»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Bent u bekend met de ambities van de KNVB om de KNVB Campus uit te breiden en daarbij het voornemen heeft om het natuurgebied waar zij gebruik van willen maken te compenseren met meer kwaliteit en meer oppervlakte? Wat is de visie van Staatsbosbeheer op deze plannen?
Ja, ik ben bekend met deze ambities en bovengenoemd voornemen van de KNVB.
De visie van Staatsbosbeheer is als volgt. Als buurman van de KNVB en eigenaar van alle Natuurnetwerk Nederland (NNN) gronden rondom de campus, heeft Staatsbosbeheer zich vanaf het begin kritisch maar meedenkend opgesteld. Staatsbosbeheer heeft haar eigendommen in Austerlitz in bezit voor de instandhouding en verbetering van de daarop aanwezige natuurwaarden. Dit geldt ook voor de gronden waar de KNVB graag op zou willen uitbreiden. Zolang deze grond een natuurbestemming heeft, is er voor Staatsbosbeheer geen aanleiding om deze grond te verkopen aan de KNVB. Pas na het publiekrechtelijke traject voor een bestemmingswijziging, inclusief goedkeuring van de natuurcompensatie door provincie, is Staatsbosbeheer bereid om gronden te verkopen. Tot die tijd blijft Staatsbosbeheer het gebied als natuur beheren en kunnen er geen activiteiten met betrekking tot bovenstaande ontwikkeling plaatsvinden.
Erkent u het belang van de KNVB Campus voor talentontwikkeling en de internationale concurrentiepositie van Nederland in de voetbalwereld? Bent u het ermee eens dat het hierbij van belang is dat de Campus over alle faciliteiten beschikt die hieraan bijdragen, zoals ruimte voor training en medische ondersteuning?
Ja, ik erken dat het belangrijk kan zijn voor de ontwikkeling van het Nederlandse voetbal om een centrale plek te hebben waar verschillende faciliteiten bij elkaar komen en vertegenwoordigende elftalen kunnen trainen. Het is echter aan de KNVB zelf om een afweging te maken over wat er precies nodig is voor talentontwikkeling en de internationale concurrentiepositie van Nederland in de voetbalwereld. Volgens de KNVB draagt het uitbreiden van het aantal voetbalvelden van vier naar zeven bij aan deze ontwikkelingen. Deze uitbreiding betreft een particulier initiatief van de KNVB met eigen financiële verantwoordelijkheid. Inmiddels is de KNVB een werkgroep gestart die uitzoekt of het mogelijk is de velden buiten de gemeente Zeist uit te breiden.
Beschikken andere voetbalbonden ook over een soortgelijke voetbalcampus met een gelijksoortig aanbod van faciliteiten en voetbalvelden? Zo ja, welke zijn dit?
Uit navraag bij de KNVB blijkt dat de KNVB, net als veel andere voetbalbonden binnen Europa een trainingscentrum met moderne faciliteiten heeft. De KNVB geeft aan dat recent onder meer Portugal, België en Duitsland nieuwe trainingsfaciliteiten hebben geopend waarbij België momenteel over zeven voetbalvelden beschikt en Frankrijk over acht voetbalvelden. De KNVB wil drie extra velden realiseren waardoor het totaal aantal velden uitkomt op zeven.
Vindt u de ontwikkeling van de KNVB Campus een positieve bijdrage aan de Nederlandse topsportinfrastructuur en amateursport? Wilt u dit antwoord toelichten?
Voor de Nederlandse topsport is kwalitatief hoogwaardige en toekomstbestendige topsportinfrastructuur van belang. De KNVB geeft aan dat de ontwikkeling van de campus van wezenlijk belang is om deze toekomstbestendigheid en kwaliteit te kunnen waarborgen. De KNVB heeft tevens aangegeven in de toekomst de campus ook meer te gaan benutten voor de breedtesport en amateursport in Nederland. Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 3 is het aan de KNVB om zelf een afweging te maken over wat precies nodig is voor de ontwikkeling van de Nederlandse topsportinfrastructuur en amateursport in Nederland. Volgens de KNVB draagt het uitbreiden van het aantal voetbalvelden van vier naar zeven bij aan deze ontwikkelingen. De KNVB geeft aan dat deze uitbreiding nodig is vanwege het toenemende aantal vertegenwoordigende elftallen.
Bent u het ermee eens dat natuurinclusief bouwen past bij de uitdaging waar Nederland nu voor staat, waarbij meer hoogwaardige natuurgebieden gecreëerd moeten worden met betrekking tot de stikstofproblematiek en dat dit soort plannen meer ondersteuning behoeven? Hoe verhouden de voorgenomen plannen van de KNVB zich hier tot?
De KNVB is voornemens een groter en meer hoogwaardig natuurgebied te creëren ter compensatie van het natuurgebied dat ten koste gaat van de uitbreiding. Deze voorgenomen plannen van de KNVB kunnen volgens het Ministerie van LenV onder de noemer «natuurinclusief bouwen» worden geschaard. Het is echter aan de provincie Utrecht om uiteindelijk te bepalen of de voorgenomen plannen van de KNVB geen negatief effect hebben op de stikstofproblematiek in de provincie en of het plan van de KNVB wel of geen steun behoeft voor de uitvoering.
Kent u het berichten «Reisreus dreigt STINAPA met rechtszaak om «TUI Chogogo Resort Bonaire»», «Gekibbel over zand op strand Chogogo Resort duurt voort», en ««Gedoe» over keermuur was niet voor niets: Chogogozand spoelt zee in»?1, 2, 3
Ja ik ken deze berichten.
Beaamt u dat de keermuur niet de vereiste bouwhoogte heeft om te kunnen voorkomen dat het artificiële strand in het mariene park terechtkomt? Zo ja, hoe kan het dat meerdere organisaties aan de bel hebben getrokken over de hoogte van de keermuur en dat hierop tot op heden niet adequaat is gehandhaafd?
Het bestuurscollege van Bonaire heeft de vergunninghouder medegedeeld dat de bouwhoogte niet voldoet aan de eisen in de vergunning. Inmiddels is een schriftelijke waarschuwing gestuurd en op 27 december 2022 is een last onder dwangsom opgelegd. Chogogo Beach resort heeft 6 weken gekregen om de aanpassingen uit te voeren. Een dergelijke «begunstigingstermijn» is gangbaar wanneer een overtreder niet meteen kan voldoen aan de last onder dwangsom. Het opleggen van een dwangsom is een gangbare reactie vanuit bestuursorganen op het niet naleven van vergunningsregels.
Waarom is er tijdens de controle van Rijksdienst Caribisch Nederland bij Chogogo niet gekeken naar de (ontbrekende) vergunningen? Wat waren de uitkomsten, indien de vergunningen wel waren gecontroleerd?4
De Rijksdienst Caribisch Nederland is niet het bevoegd gezag voor het doen naleven van natuur, milieu en bouwregels op Bonaire. Dat is het bestuurscollege van het openbaar lichaam. Bij de bedoelde controle lag de nadruk op naleving van arbeids- en vreemdelingenwetgeving.
Hoe had het uitspoelen van het artificiële strand volgens u beter voorkomen kunnen worden?
In de natuurvergunning zijn voorschriften opgenomen over het kunstmatige strand. Deze voorschriften worden volgens het bestuurscollege niet nageleefd. Als de hoogte van de keermuur in overeenstemming zou zijn met de vergunning dan kan uitspoeling van het zand beter worden voorkomen. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar de conclusies van het rapport «An assessment of sand quality and potential impacts on corals at the Chogogo Dive and Beach Resort artificial beach5» in opdracht van het bestuurscollege van Bonaire uitgevoerd door Wageningen marine research. Het bestuurscollege heeft het voornemen het beleid ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving met betrekking tot kustbebouwing prioriteit te geven in 2023.
Klopt het dat TUI heeft gedreigd tot het nemen van mogelijke juridische stappen richting STINAPA (Stichting Nationale Parken Bonaire), omdat STINAPA aankaart dat Chogogo niet de juiste vergunningen bezit en niet voldoet aan de voorwaarden van de op 19 januari jl. afgegeven natuurvergunning, zoals de hoogte van de keermuur?
TUI heeft STINAPA verzocht om «in de toekomst niet nogmaals in haar berichtgeving of uitlatingen te spreken over het «TUI Chogogo Resort». Verder stelt TUI dat «Mocht STINAPA het Chogogo Resort onverhoopt blijven aanduiden als een TUI resort (of TUI anderszins ten onrechte zal linken aan het Chogogo Resort), dan is TUI genoodzaakt om nadere (juridische) stappen te overwegen».
Klopt het dat TUI een claim heeft gelegd tegen het eilandsbestuur van rond de 8 miljoen USD? Zo ja, op basis van wel argumenten heeft TUI deze claim ingediend?
Nee, er is geen claim ingediend door TUI tegen het eilandbestuur.
Klopt het dat de TUI Group in 2021 een omzet had van 4,7 miljard euro’s? Klopt het dat STINAPA in 2021 3,8 miljoen USD aan inkomsten had? Klopt het dat het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) in 2021 55 miljoen USD aan inkomsten had? Bent u het eens dat het dreigen van juridische stappen een disproportioneel machtsmiddel is, gezien de onevenredige machtsverhouding van de betrokken partijen? Zo nee, waarom niet?5, 6, 7
De vraag of hier sprake is van inzet van een disproportioneel machtsmiddel is aan de rechter.
Herkent u dat hier sprake is van een «Strategic Lawsuit Against Public Participation»-tactiek (SLAPP-tactiek) van reisorganisatie TUI? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bent u van plan te doen tegen deze SLAPP-tactiek van een Europese reisorganisatie? Is het mogelijk om TUI een boete op te leggen of om vergunningen in te trekken?
Het is aan de rechter om te bepalen of er sprake is van misbruik van het procesrecht. Dat kan door het kabinet niet worden vastgesteld.
Hoe staat het met de Europese Richtlijn tegen SLAPP en welke mogelijke gevolgen heeft deze voor TUI?
Op 27 april jl. heeft de Commissie zowel een voorstel voor een richtlijn als een aanbeveling gepubliceerd met als doel journalisten en mensenrechtenverdedigers beter te beschermen tegen kennelijk ongegronde of onrechtmatige gerechtelijke procedures. Middels een BNC-fiche heeft het kabinet het parlement geïnformeerd over zijn standpunt betreffende deze voorstellen (Kamerstukken 2021/2022, 22 112, nr. 3457). Momenteel vinden er besprekingen over de voorstellen op technisch niveau plaats in de Raadswerkgroep SLAPP met andere EU-lidstaten. De voorstellen zijn nog niet aangenomen en zodoende nog niet van kracht.
Hoe gaat u een stichting, die nationale parken op Bonaire namens het Openbaar Lichaam Bonaire beheert, ondersteunen en beschermen tegen mogelijke juridische stappen en SLAPP-tactieken?
Ik acht een stichting als STINAPA in staat zich te verweren tegen eventuele claims op dit punt. STINAPA heeft zelf ook verklaard een eventuele zaak met vertrouwen tegemoet te zien.
Is het Openbaar Lichaam van plan om een boete op te leggen of om herstelmaatregelen te vragen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, is het mogelijk dat het Openbaar Lichaam nog geen boete heeft opgelegd of om herstelmaatregelen heeft gevraagd uit angst voor de claim van TUI?
Het bestuurscollege heeft op 27 december 2022 een last onder dwangsom opgelegd (zie ook het antwoord op vraag 2).
Bent u bereid om in samenspraak met het Openbaar Lichaam te kijken hoe het Rijk het Openbaar Lichaam kan ondersteunen bij het adequaat handhaven en het vragen om herstelmaatregelen?
Ja, Ik heb samen met mijn collega’s voor Natuur en Stikstof (NenS) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) in 2022 ondersteuning verleend bij het vaststellen van een beleid inzake Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. In 2023 wordt samen met het Bestuurscollege van Bonaire gewerkt aan de implementatie hiervan.
Wanneer bent u van plan in te grijpen bij de vergunningverlening aan Chogogo?
Ik zie hier geen aanleiding voor. Wel heb ik de Inspectie Leefomgeving en Transport gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) taken. De uitkomsten van dit rapport verwacht ik in het voorjaar.
Wat bent u van plan te doen om het koraal te herstellen in het Bonaire Nationaal Marine Park?
Ik werk samen met mijn collega’s van N&S en van BZK aan het behalen van de strategische doelen in het natuur- en milieubeleidsplan 2020–2030 voor Caribisch Nederland (NMBP). Dit houdt in dat projectmatig wordt gewerkt aan oplossingen voor de belangrijkste lokale drukfactoren zoals erosie, afvalwater en afvalbeheer en in het actief herstel van het koraal. Een verbetering van het VTH stelsel is een onderdeel van deze strategie. Actief herstel van het koraal schept voorwaarden voor gezonde riffen die bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering.
In Bijlage 3 van het NMBP worden de noodzakelijke mijlpalen genoemd voor het bereiken van de doelen.
Is er een boete opgelegd tegen de projectontwikkelaar van Chogogo (TUI)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe hoog is de boete?
TUI is niet de vergunninghouder en daarom niet degene die verantwoordelijk is voor de naleving van de vergunning. Het Chogogo Dive & Beach Resort Bonaire is één van de partner-hotels van TUI waarmee het bedrijf samenwerkt.
Is TUI gevraagd om herstelmaatregelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen moeten genomen worden en per wanneer?
Nee, TUI is niet verantwoordelijk voor het naleven van de natuur en milieuwetgeving. Dat is de vergunninghouder.
Waarom is er geen boete opgelegd of om herstelmaatregelen gevraagd, indien bovengenoemde vragen ontkennend waren?
Er is een last onder dwangsom opgelegd aan Chogogo Beach resort.
Bent u bereid om, in samenspraak met het Openbaar Lichaam Bonaire, TUI volledig aansprakelijk te stellen voor alle schade aan het koraal veroorzaakt door uitspoelen van zand?
Nee. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het niet naleven van de vergunnningvoorwaarden. Wel heeft het Openbaar Lichaam bepaald dat in 2023 prioriteit gegeven wordt aan beleid voor duurzame kustontwikkeling. Hiertoe behoort ook het verhalen van schade voor het illegaal aanleggen van bouwwerken in de kustzone.
Bent u bereid om, in samenspraak met het Openbaar Lichaam Bonaire, te onderzoeken welke stappen ondernomen kunnen worden tegen de disproportionele dreiging van TUI, door bijvoorbeeld te onderzoeken welke vergunningen TUI nodig heeft (voor zijn plannen) en wanneer u hierop kan handhaven? Ziet u nog een andere (juridische) basis voor het tegenhouden van de plannen van TUI? Of is er sprake van een grijs gebied in de wetgeving waardoor u niet kunt handhaven?
Voor het realiseren van bouwplannen in de kustzone is doorgaans besluitvorming nodig op het terrein van ruimtelijke ordening, natuur, milieu en bouwen. In het kader van het Natuur en milieubeleidsplan is besloten dat de doelen van het NMBP in de toepasselijke regelgeving worden geïntegreerd. Mede hierom is op dit moment het ontwerpbesluit houdende inrichtingen- en activiteiten, milieueffectrapportage en de kwaliteit van toezicht en handhaving, ter bescherming van het fysieke leefomgeving op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kamerstuk 29 383, nr. 367) - 29 383, nr. 388 bij uw Kamer aanhangig (Inrichtingen en activiteitenbesluit BES). Het IAB BES vult een leemte in de regelgeving op het gebied van milieu. Voor grote resorts kan bijvoorbeeld een milieuvergunning verplicht worden gesteld. Op dit moment is dat niet het geval.
Wat zijn de gevolgen van het uitspoelen van het zand voor het koraal? Is er al onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om onderzoek te laten uitvoeren? Zo ja, wanneer zal het plaatsvinden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven hoeveel schade het koraal verder heeft opgelopen door de heftige regen van deze week? Klopt het dat afvalstromen en dergelijke de zee zijn ingestroomd? Hoe had dit voorkomen kunnen worden?
Concrete informatie over schade naar aanleiding van de regenval in november 2022 ontbreekt. In het kader van het NMBP wordt op verschillende manieren ingezet op het verbeteren van de afwatering en het voorkomen van een negatieve impact van afwatering in zee. Ook wordt ingezet op de aanpak van loslopend vee om erosie tegen te gaan en wordt via herbebossing gewerkt aan vermindering van erosie. Tevens heeft Bonaire prioriteit gegeven aan de aanpak van illegale afvaldumping en het tegengaan van zwerfvuil. Daarnaast geldt een brongerichte aanpak van waterverontreiniging op basis van specifieke regelgeving. Zo zullen op grond van het IAB-BES voorschriften voor bedrijven gaan gelden voor afvloeiend hemelwater, met het oog op het beschermen van het koraalecosysteem.
Bent u bereid om te investeren in natuurinclusieve maatregelen, opdat bij hevige regen geen afvalstromen het koraal instromen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Ja zie het antwoord op vraag 21.
Wat gaat u doen om het koraal te beschermen (tegen verdere uitspoeling van het artificiële strand), zeker gezien de heftige stormen van afgelopen periode?
Ik zal het Openbaar Lichaam Bonaire verzoeken de aanbevelingen uit het rapport van Wageningen marine research te betrekken bij het te ontwikkelen VTH beleid voor kustbebouwing (zie ook het antwoord op vraag 4).
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen de gestelde termijn?
Het is helaas niet mogelijk gebleken de antwoorden binnen de gestelde termijn te geven gezien het feit dat hiervoor overleg nodig was met diverse instanties in Caribisch Nederland. Er is zoveel mogelijk geprobeerd de vragen een voor een te beantwoorden.
De beantwoording van eerder gestelde vragen over het bericht 'Energieplafond drijft prijzen en subsidies verder op' |
|
Renske Leijten |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
Kunt antwoorden op de vraag of u denkt dat het verhogen van de tarieven voor gas en energie van energieleveranciers onder het prijsplafond de kosten van het prijsplafond voor het Rijk doen stijgen (Aanhangsel Handelingen 2022/23, 788)? Kunt u uw antwoord toelichten?1
De overheid vergoedt de kosten tussen het prijsplafond en de contractprijs met inachtneming van de margetoets. Als de contractprijs stijgt doordat de inkoopkosten stijgen, dan stijgen uiteraard ook de kosten voor de overheid.
Wat vindt u van de aangekondigde tariefverhogingen van Vattenfall en Essent?2
De gestegen tarieven zijn ingegeven door de gestegen inkoopkosten van de energiebedrijven en een aantal wijzigingen in de fiscale wetgeving (btw, energiebelasting) per 1 januari 2023. Het is aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijke toezichthouder om conform haar wettelijke taak te controleren of de tarieven die energiebedrijven rekenen redelijk zijn. Daarnaast is er een margetoets opgenomen in de regeling waarmee het prijsplafond voor 2023 vormgegeven is.
Wat heeft u ondernomen om deze tariefstijgingen te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u de aangekondigde verhogingen terecht? Heeft u, dan wel de Autoriteit Consument en Markt (ACM), inzicht dan wel controle of de tariefverhogingen redelijk zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitleggen waarom de huidige vormgeving van het prijsplafond geen staatssteun zou zijn? Kunt u alle (juridische) adviezen die u hierover heeft ontvangen aan de Kamer sturen?
Het staat vast dat de steun van de overheid aan de energiebedrijven en mkb’ers als staatssteun kan worden gekwalificeerd. Hetgeen nog moet worden vastgesteld is of dit geoorloofde of niet-geoorloofde staatssteun is. De Europese Commissie komt deze week met haar oordeel over de prijsplafondregeling. De achterliggende stukken heb ik tegelijkertijd met de Kamerbrief op 9 december jl. gedeeld met de Kamer.
Heeft u contact gehad met de Europese Commissie over de vormgeving van het prijsplafond? Zo ja, wanneer en wat was het advies, oordeel of de zienswijze van de Commissie. Kunt u die naar de Kamer sturen?
Ja er is ambtelijk contact geweest met de Europese Commissie hierover. De overheid mag immers pas staatssteun geven als de Europese Commissie akkoord is. Er zullen geen uitbetalingen van de regeling plaatsvinden voordat de goedkeuring er is. Bekendmaking van het besluit van de Europese Commissie zal op de gebruikelijke wijze plaatsvinden.
Waarom antwoordt u op eerdere Kamervragen dat de huidige vorm van het prijsplafond geen prijsopdrijvend effect heeft, ook als er geen onderlinge afstemming plaatsvindt?3
De prijsstijgingen die energieleveranciers hebben aangekondigd, hangen voor zover mij bekend primair samen met de doorberekening van hogere inkoopkosten en de verandering van de belastingtarieven. Het is aan de ACM om als toezichthouder te toetsen of er sprake is van redelijke tarieven.
Kunt u toelichten waarom een onafhankelijke accountant wel in staat zou zijn om relevante kosten te toetsen, en de verantwoordelijk toezichthouder, de ACM, in de Kamer heeft aangegeven geen kostencompensatie toetsing te kunnen uitvoeren?
Er is een afspraak gemaakt over de systematiek van de margetoets waarbij de overheid ook is geholpen door een externe adviseur. De energieleveranciers moeten hun marge zelf berekenen volgens deze systematiek (waarbij hun marge over 2023 wordt vergeleken met hun marge in eerdere jaren). Een accountant moet daar dan vervolgens op aftekenen dat het klopt.
Bent u het eens dat het voor energieleveranciers wel degelijk interessant is en blijft om meer consumenten aan te trekken, ook wanneer deze volledig onder het prijsplafond vallen, omdat er in elk geval voor januari en februari is gekozen voor omzetcompensatie en daarin dus ook een winstmarge met belastinggeld wordt vergoed? (antwoord op 12).
Er is nu geen sprake van een regeling met een andere systematiek voor januari en februari. Uiteindelijk is het mogelijk gebleken een vorm van margetoetsing af te spreken die voor het hele jaar geldt. Het is mijn bedoeling om de marktwerking zoveel mogelijk in stand te houden en te zorgen dat overstappen tussen energieleveranciers ook interessant blijft.
Wie gaat het externe advies over de redelijkheid van de marges uitvoeren, en waarom is er voor gekozen hier een advies over te vragen terwijl de ACM heeft aangegeven dat het bepalen van een marge «politiek» is?
Uiteindelijk is met behulp van een extern adviseur een systematiek overeengekomen die het mogelijk maakt om een vorm van brutomargetoetsing in te voeren die de bedrijven in staat stelt om hun inkoopkosten plus een risico-opslag voor weer, onbalans en profielkosten goed te maken. Deze marge mag niet hoger zijn dan de historische benchmark. Dit is ook op korte termijn uitvoerbaar gebleken. Bedrijven worden met zichzelf vergeleken en dat is anders dan één marge die voor de hele sector geldt, zoals de ACM probeerde te bepalen.
Wilt u de garantie geven dat bij het externe advies niet opnieuw gekozen wordt voor een commerciële partij die enigerlei advies of dies meer zij geeft aan de energiesector, waardoor er schijn van belangenverstrengeling optreedt?
Bij het externe advies kiezen wij altijd voor een partij die ons het beste kan helpen bij het beantwoorden van de vragen die wij hebben. Op het moment dat bij een partij sprake is van conflicterende belangen, kan deze de opdracht niet aannemen.
Kunt u een tijdlijn geven van de momenten van overleg over het prijsplafond met de energiesector, de toezichthouder en andere actoren? Kunt u daarin ook aangeven wat er is besproken en besloten in de overleggen?
Alle onderliggende stukken over de totstandkoming van het prijsplafond zijn afgelopen vrijdag 9 december 2022 naar de Kamer gestuurd.
De Kamerbrief en het rapport Nationale aanpak Klimaatadaptie gebouwde fase 1 |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het «comply or explain»-principe dat van toepassing is op beleid- en besluitvorming voor Caribisch Nederland? Kunt u toelichten op welke wijze dit principe is toegepast op de Nationale aanpak Klimaatadaptie gebouwde omgeving? Wat was het resultaat?1
Ja, ik ben bekend met het principe van «comply or explain» dat van toepassing is op beleid- en besluitvorming voor Caribisch Nederland.
In 2016 is de Nationale Klimaatadaptatie Strategie (NAS) vastgesteld. De NAS was het Nederlandse antwoord op de oproep van de Europese Commissie om uiterlijk in 2017 een klimaatadaptatiestrategie vast te stellen. De NAS geeft een breed overzicht van de belangrijkste klimaatrisico’s voor verschillende sectoren. De gebouwde omgeving en ruimtelijke ordening zijn twee van deze sectoren. De Nationale aanpak Klimaatadaptatie gebouwde omgeving is daarmee een uitwerking van de NAS.
De NAS heeft betrekking op Europees Nederland. Daarom is er voor gekozen ook de Nationale aanpak Klimaatadaptatie gebouwde omgeving betrekking te laten hebben op Europees Nederland. De klimaatproblematiek in Caribisch Nederland is significant anders en vereist een afzonderlijk plan2. Hiervoor lopen diverse trajecten zoals eerder aan de Tweede Kamer gemeld3.
Deelt u de mening dat de door u geschetste problematiek als gevolg van klimaatverandering, evenzeer en misschien wel met een nog grotere urgentie geldt voor het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden en kunt u dit antwoord nader toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet maakt zich zorgen over de gevolgen van klimaatverandering voor alle Nederlanders, dus ook die van de bewoners van Caribisch Nederland. Diverse rapporten laten zien dat Caribisch Nederland niet ontkomt aan de gevolgen van klimaatverandering (zie bijvoorbeeld ook Kamerstuk 30 825, nr. 218 over de staat van instandhouding van de natuur in Caribisch Nederland). Klimaatverandering raakt een breed spectrum van thema’s en maatschappelijke functies waarvan de belangrijkste zijn: bescherming tegen overstromingen, gevolgen van wateroverlast, droogte, zoetwatervoorziening, functioneren van netwerken, biodiversiteit.
We zullen zowel in Europees als Caribisch Nederland tijdig voorbereid moeten zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Er zijn uiteraard verschillen in de aard van de gevolgen, waar de grootste urgentie ligt en de benodigde aanpak. Daar waar in Europees Nederland de nadruk ligt op bescherming tegen overstromingen, ligt het handelingsperspectief in Caribisch Nederland in het tijdig waarschuwen van de bewoners en het inzetten van de crisisorganisatie om voorbereid te zijn op stormen en orkanen.
Kunt u nader toelichten of het vaststellen van een aanpak voor klimaatadaptatie in de gebouwde omgeving een rijkstaak of eilandelijke taak is? Kunt u dit nader toelichten?
De openbare lichamen zijn allereerst zelf verantwoordelijk voor het ontwikkelen van adaptatiestrategieën en het (ruimtelijk) sturen op een transitie naar meer weerbaarheid. Het Rijk zal de openbare lichamen hierbij ondersteunen. Dit wordt onder andere gefaciliteerd via de samenwerking op het Natuur en milieubeleidsplan 2020–2030 (NMBP) voor Caribisch Nederland, dat door zowel de openbare lichamen als BZK, IenW en LNV getekend is. In het kader van dit beleidsplan zal in 2023 een bredere beoordeling plaatsvinden van de gevolgen van klimaatverandering voor de eilanden. Ook is Bonaire voornemens om een Klimaattafel op te zetten om de gevolgen van klimaatverandering zo goed mogelijk op te vangen en een aanpak te formuleren die aansluit op de lokale context. De Minister voor Klimaat en Energie stelt hiervoor een kwartiermaker beschikbaar. Hierbij zal zowel mitigatie als adaptatie aan de orde komen. Het Rijk zal bovendien de openbare lichamen ondersteunen bij het opstellen van een adaptatiestrategie: in de vorm van klimaatscenario-ontwikkeling door KNMI en van klimaateffect-atlassen die de basis vormen voor de stresstesten en risicodialogen van de openbare lichamen. Ook is in het kader van het kennisprogramma zeespiegelstijging een quickscan gedaan naar zeespiegelstijging in Caribisch Nederland.
Kunt u toelichten waarom u, zoals aangekondigd in de Kamerbrief, wel in overleg treedt met provincies, gemeenten en waterschappen, maar de openbare lichamen van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba niet in het rijtje van beoogde overlegpartners zijn opgenomen?
Zie ook het antwoord van vraag 1. Omdat er voor is gekozen de Nationale aanpak Klimaatadaptatie gebouwde omgeving betrekking te laten hebben op Europees Nederland is er overleg en afstemming geweest met de koepels van provincies, gemeenten en waterschappen. Het lag niet voor de hand de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba te betrekken bij de aanpak van Europees Nederland. Uiteraard vindt er wel overleg en afstemming plaats daar waar het de specifieke problematiek van Caribisch Nederland betreft.
Bent u bereid om alsnog de openbare lichamen te betrekken bij de uitwerking van de aangekondigde aanpak? Zo nee, waarom niet?
Zie ook de antwoorden van vraag 1 en 4. Het is niet passend om de openbare lichamen te betrekken bij de uitwerking van de aanpak voor Europees Nederland. Maar uiteraard wel bij de activiteiten die betrekking hebben op de specifieke problematiek in Caribisch Nederland.
De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft eerder dit jaar een bezoek gebracht aan Caribisch Nederland, en heeft per brief de Kamer geïnformeerd en toegezegd om een ruimtelijk ontwikkelingsprogramma op te stellen voor Caribisch Nederland.2 Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de beleidsagenda Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Caribisch Nederland, welke stappen heeft u intussen gezet en wat is het verdere tijdpad?
Van 13 tot 17 juni 2022 heeft de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een bezoek gebracht aan Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Tijdens dit bezoek is gesproken over de problemen op het terrein van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening én welke maatregelen passend zouden zijn. Dit vormde de basis voor de beleidsagenda. De concept-beleidsagenda is vervolgens in afstemming met de eilandelijke overheden opgesteld. Momenteel wordt gewerkt aan een definitieve tekst. De Kamer zal de beleidsagenda Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor Caribisch Nederland in januari 2023 ontvangen.
Eén van de aangekondigde maatregelen in de beleidsagenda is het opstellen van een ruimtelijk ontwikkelingsprogramma voor Caribisch Nederland. In de eerste helft van 2022 is een verkenning uitgevoerd naar de mogelijke inhoud van dit programma en het te voeren proces. De verkenning heeft onder andere geleid tot een voorlopige opzet met thema’s voor het programma, die is gedeeld met de departementen en de eilandbesturen. Op basis hiervan zal in de eerste helft van 2023 in samenwerking met deze partners een definitief programma worden opgesteld. Daarbij zal vanzelfsprekend ruimte zijn voor participatie en inspraak door de eilandbewoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers. Het programma zal na de zomer van 2023 naar de Tweede Kamer worden gezonden.
De voorwaarden van de subsidie Energie-efficiëntie glastuinbouw |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de huidige voorwaarden van de subsidie Energie-efficiëntie glastuinbouw (EG)?1
Ja
Klopt het dat ondernemers definitief geen nieuwe aanvragen meer kunnen doen voor EG-subsidie? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke termijn komt er een nieuwe tranche?
Ja het klopt dat er in 2022 geen nieuwe aanvragen meer ingediend kunnen worden. De openstelling sloot dit jaar op 30 juni en het openstellingsbudget voor 2022 is uitgeput. Na een oorspronkelijk openstellingsbudget van 13 miljoen euro is er eerst verhoogd naar 25 miljoen euro en vervolgens een tweede keer naar 60 miljoen euro. Het was niet mogelijk om het openstellingsbudget voor dit jaar nog verder op te hogen.
Ik ben voornemens om de subsidieregeling EG in 2023 opnieuw open te stellen. Dan kunnen ondernemers opnieuw aanvragen indienen.
Klopt het dat LED-belichting een energiebesparing van 40 procent oplevert ten opzichte van SON-T belichting?
Het klopt dat bij dezelfde hoeveelheid licht, LED belichting ongeveer 40% energiebesparing oplevert ten opzichte van SON-T belichting. Dit kan per product en op basis van de verhoudingen van de aanwezigheid van de verschillende kleuren in het lichtspectrum verschillen.
Welke mogelijkheden zijn er om de subsidie doorlopend beschikbaar te stellen? Wat zijn daarvan de financiële gevolgen?
In principe is het mogelijk om de subsidieregeling het hele jaar open te stellen, maar de afgelopen twee jaren zou dit niet hebben geleid tot extra subsidiemogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven. In deze jaren is de ruimte om vanuit de EG regeling subsidies te beschikken namelijk volledig benut. In 2022 is er voor 60 miljoen euro aan subsidies beschikt, terwijl er voor 78 miljoen euro subsidie is aangevraagd.
Waarom wordt voor de teelt van bijvoorbeeld tomaten met een maximum vermogen van 88 watt per vierkante meter gerekend terwijl telers gewend zijn te telen met 100 watt per vierkante meter?
De subsidieregeling is gericht op het besparen van energiegebruik. Bij subsidie voor de vervanging van SON-T belichting door LED belichting wordt dit zeker gesteld door een minimum eis voor de lichtefficiëntie van LED belichting in combinatie met een maximum eis voor het wattage per vierkante meter van de belichting. Het vervangen van SON-T belichting door LED belichting zorgt ervoor dat het wattage omlaag kan, terwijl de hoeveelheid licht die van belang is voor de tuinders bij de productie hierdoor niet hoeft af te nemen.
Bent u bekend met het feit dat de subsidie-eis van een maximaal vermogen in LED-belichting in de praktijk leidt tot een beperking van de maximale productiecapaciteit van een kas, waardoor telers afzien van de overstap naar LED?
Nee, zoals toegelicht bij de vorige vraag hoeft de subsidie eis niet tot een dergelijke beperking te leiden ten opzichte van de toepassing van SON-T belichting in kassen. Uit het animo voor de regeling blijkt daarnaast niet dat tuinders afzien van de overstap naar LED belichting. Dit jaar is er voor een totaal van 78 miljoen euro aan subsidie aangevraagd voor LED belichting. Vanwege de subsidievoorwaarden van de EG is dit maximaal 25% van de totale investeringskosten van de tuinders. Met andere woorden: tuinders tonen grote bereidheid om te investeren in LED belichting volgens de voorwaarden van de EG regeling.
Bent u het eens dat de huidige regeling zorgt voor een afname van de productie ten opzichte van de oude situatie en dus ontmoedigend werkt voor glastuinders?
Nee, de wattage eis voor LED belichting hoeft niet tot lagere productie te leiden ten opzichte van de toepassing van SON-T belichting. De hoeveelheid licht hoeft niet af te nemen.
Wat zijn de redenen dat een maximaal vermogen in LED-belichting is opgenomen in de betreffende subsidieverordening?
Zoals ook toegelicht bij vraag 5 is de reden energiebesparing ten opzichte van de toepassing van SON-T belichting.
Op welke wijze is de eis van het maximale vermogen in LED-belichting tot stand gekomen?
De eis is gelijk aan 80% van het SON-T vermogen dat wordt toegepast per gewas volgens de Kwantitatieve Informatie (KWIN) Glastuinbouw 2019 van Wageningen UR. Daarnaast zijn er inspraaksessies gehouden met de sector en leveranciers van LED belichting over de subsidiecriteria in de regeling. Er is een werkgroep voor de subsidieregeling EG waarin naast LNV en RVO ook Glastuinbouw Nederland betrokken is.
Wat zijn de gevolgen van het versoepelen of schrappen van de huidige eis van het maximaal vermogen in LED-belichting?
Het schrappen van de eis zou het bereiken van enige energiebesparing onzeker maken. Het versoepelen van de eis zal leiden tot minder energiebesparing.
Welke mogelijkheden ziet u om de eis van het maximale toegestane vermogen in LED-belichting te versoepelen, zodat meer telers de overstap zullen maken naar LED?
Ik zie geen aanleiding om de eis te versoepelen. Het zou leiden tot minder energiebesparing. Bovendien tonen de aanvragen voor subsidie voor LED belichting aan dat er bij de huidige eisen meer interesse is voor subsidie LED belichting dan dat er middelen beschikbaar zijn.
Het initiatief voor energiebesparing op De Zuidas en het voorzien van alle straatverlichting van een led-lichtbron |
|
Raoul Boucke (D66), Suzanne Kröger (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het initiatief «Zuidas doe(t) het licht uit» van de stichting Green Business Club dat bedrijven op de Zuidas ertoe beweegt om ’s nachts de verlichting in de kantoorpanden te doven teneinde energie te besparen, en dat de stichting ook verdere verduurzamingsmaatregelen in kantoorgebouwen ambieert? Bent u tevens bekend met het feit dat er meer soortgelijke campagnes zullen worden gestart op verschillende locaties in grote steden?1
Ja, met beide initiatieven ben ik bekend.
Bent u bekend met het door Natuur- en Milieu Federaties geconstateerde gegeven dat bij zeven op de tien bedrijven ’s nachts onnodig licht brandt en dat het doven van dat overtollige kantoorlicht evenveel energie kan besparen als het jaarverbruik van 350.000 huishoudens?2
Ja.
Deelt u de opvatting van de organisatie dat het doven van nachtelijke kantoorverlichting een zeer geschikte weg is om meer energie te besparen en dat het een passende opstap is naar bredere verduurzaming van bedrijven, bijvoorbeeld door middel van slimmere klimaatinstellingen?
Ja, deze opvatting deel ik. Door op een aantal energie besparende maatregelen de nadruk te leggen, kan de verbinding worden gelegd met bredere verduurzaming van het bedrijfsleven. Daarom staat in de voorlichtingscampagne «Zet ook de knop om» een aantal breed toepasbare maatregelen centraal en wordt er doorverwezen naar andere verduurzamingsmaatregelen die voortkomen uit de energiebesparingsplicht.
Bent u bereid u ten positieve uit te spreken over dit initiatief en de stichting waar mogelijk te ondersteunen? Zo ja, op welke manier kunt u een bijdrage leveren die een katalyserend effect heeft op deze groene ontwikkeling en die bedrijven kan aansporen zich in te zetten voor deze verduurzaming? Welke mogelijkheden voor (nachtelijke) energiebesparing ziet u voor gebouwen en kantoren binnen de politieke organisatie?
De afgelopen maanden heb ik met regelmaat contact gehad met mijn collega die verantwoordelijk is voor de rijksvastgoedportefeuille om de knop om te zetten binnen overheidsgebouwen. De binnenverlichting en sfeerverlichting is bij veel kantoren, ook in het kader van de Nacht van de Nacht, uitgezet. Ook veel gemeenten hebben zich bij dit initiatief aangesloten en hebben in het kader van Zet ook de knop om en Nacht van de Nacht verlichting van gebouwen uitgedaan. Daarnaast is de temperatuur verlaagd in de gebouwen van de rijksoverheid en veel andere overheidsgebouwen. Ook de komende maanden werken we hard om meer energiebesparende maatregelen te nemen, zoals het installeren van ledlampen en het beter inregelen van bestaande klimaatinstallaties.
Bovendien wil de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) opnieuw openstellen om het treffen van energiebesparende maatregelen te bevorderen.
Middels welke weg ziet u mogelijkheid tot normering van deze energiebesparingsmaatregelen?
In november 2022 heb ik de actualisatie van de energiebesparingsplicht aangekondigd (Kamerstuk 33 118, nr. 240). Met de energiebesparingsplicht moeten bedrijven en instellingen energiebesparende maatregelen uitvoeren die zichzelf terugverdienen binnen vijf jaar. In maart 2023 publiceer ik de geactualiseerde lijst met erkende maatregelen energiebesparing (EML). Op deze lijst staan ruim 180 maatregelen, waaronder ook het installeren van ledverlichting.
Kunt u aangeven hoe hoog het percentage is van Nederlandse straatverlichting dat functioneert met een led-lichtbron?
Afhankelijk van het soort wegen (rijkswegen, provinciale of lokale wegen) zijn het rijk, de provincies of de gemeenten verantwoordelijk voor de verlichting.
Onbekend is daardoor hoeveel wegen inmiddels voorzien zijn van ledverlichting. Bij de rijkswegen is momenteel ca. 32% van de verlichting voorzien van ledlampen.
Deelt u de opvatting dat het zeer wenselijk is om alle straatverlichting zo snel mogelijk te voorzien van een led-lichtbron, teneinde grote energiebesparing te realiseren? Via welke weg ziet u mogelijkheid om het gebruik van ledlampen zo veel mogelijk te verplichten?
Ja, die opvatting deel ik. Vervanging van straatverlichting vindt plaats op natuurlijke vervangingsmomenten. Het versneld vervangen van conventionele verlichting door ledlampen is echter lang niet altijd kosteneffectief en duurzaam, omdat bij straatverlichting dikwijls de volledige armatuur vervangen moet worden. Vanuit circulariteit is dit onwenselijk. De investering verdient zich door de armaturen niet binnen vijf jaar terug en valt daarmee niet onder de energiebesparingsplicht.
Welke stappen bent u bereid op de korte termijn te nemen om deze verduurzaming te bewerkstelligen?
Vrijwel alle provincies gaan de komende jaren de resterende straatverlichting van ledlampen voorzien.
Gemeenten hebben bij de vernieuwing van buitenverlichting veel opties. Met energiezuinige alternatieven kunnen ambities uit gemeentelijke klimaatplannen concreet worden ingevuld. Om beleidskeuzes makkelijker te maken, ontwikkelde de Vereniging Nederlandse Gemeenten samen met CE Delft en Tauw, in afstemming met dertig gemeenten, een online rekentool. Deze tool helpt gemeenten bij het maken van duurzame keuzes in de vervanging van buitenverlichting qua energieverbruik, materialen en kostenvermindering. De tool geeft basisinformatie over kosten en baten van verschillende led-scenario’s ten behoeve van het opstellen van een led(meerjaren)programma, assetmanagement, programmabegroting of strategische verkenning.
Het uitgangspunt voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor het verduurzamen van de verlichting langs de rijkswegen is het aansluiten bij de natuurlijke vervangingsmomenten, omdat er anders sprake is van kapitaalvernietiging en het onnodig afsluiten van de weg. Op dit moment is 32% van de lichtmasten op de rijkswegen van led voorzien en is nog eens 25% in voorbereiding en gefinancierd. Voor de circa 40% die dan overblijft wordt aangesloten bij het vervangingsritme.
Het getouwtrek met de provincie Overijssel over het legaliseren van PAS-melders |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het verschil van mening tussen het Rijk en de provincie Overijssel over de mogelijkheden om af te zien van handhaving van Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders?1
Ja.
Is de veronderstelling juist dat het primair de verantwoordelijkheid van het Rijk is dat PAS-knelgevallen die te goeder trouw gehandeld hebben zo snel mogelijk gelegaliseerd worden?
Ja, het kabinet voelt haar verantwoordelijkheid zwaar om de meldingen te legaliseren. In de Wet natuurbescherming is vastgelegd dat het Rijk en de provincies hier samen zorg voor dragen. Hieruit volgt ook dat meldingen die voldoen aan de criteria zoals vastgelegd in de Regeling natuurbescherming worden gelegaliseerd. Dit wordt gecontroleerd in de verificatie van het bevoegd gezag.
In hoeverre hebben provincies al daadwerkelijk beschikking over de 250 miljoen euro die door het Rijk uitgetrokken is voor het legaliseren van PAS-melders?
Op 15 juli jl. heeft het kabinet aangekondigd € 250 miljoen voor de provincies beschikbaar te stellen om maatwerk toe te passen en het legalisatieprogramma verder te versnellen. Provincies konden op basis van voorfinanciering vanaf dat moment al maatregelen nemen.
Als de maatregelen aan de criteria voldoen die ik in de brief van 4 augustus jl. aan de provincies uiteen heb gezet, is er zekerheid dat de provincies de kosten daarvoor vergoed krijgen. De regeling voor deze specifieke uitkering treedt begin 2023 in werking.
Gaat u in overleg met de provincie Overijssel over de mogelijkheden voor externe saldering in onderhavige gevallen, al dan niet als tijdelijke oplossing?
Ja, hierover ben ik met de provincie Overijssel in gesprek. Op 9 december jl. hebben de gedeputeerde staten van Overijssel een brief gestuurd over het invullen hiervan2. Zij geven daarbij aan dat voor het komend jaar ruimte is gevonden om bij het merendeel van de PAS-melders af te zien van handhaving. Die ruimte wordt gevonden door voor het jaar 2023 op provinciaal verpachte landbouwgronden een algeheel bemestingsverbod op te leggen. Hierdoor ontstaat een tijdelijke depositiereductie van stikstof, die als mitigerende maatregel wordt benut om waar mogelijk te kunnen afzien van handhaving.
In hoeverre wordt stikstofruimte vanuit de Maatregel Gerichte Aankoop en beëindiging veehouderijen nabij natuurgebieden in de landelijke stikstofbank opgenomen en kan deze door provincies uitgegeven worden, gelet op de natuurdoelstelling van de opkoopregeling? In hoeverre is er ruimte om deze stikstofruimte te bestemmen voor het legaliseren van PAS-melders? Gaat u dit zo nodig mogelijk maken?
De Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden (Rpav) – ook wel aangeduid met Maatregel Gerichte Aankoop – is in het legalisatieprogramma aangemerkt als bronmaatregel voor de legalisering van PAS-meldingen. De beschikbare stikstofruimte komt terecht in het Stikstofregistratiesysteem (SSRS). Hiervoor wordt binnenkort een wijziging van de Regeling natuurbescherming gepubliceerd. In het SSRS komt deze ruimte als eerste beschikbaar voor woningbouw en een aantal MIRT-projecten. De restruimte komt beschikbaar voor de legalisatie van PAS-melders.
Wat zijn de mogelijkheden voor gebruik van de ADC-toets (zijn er geen alternatieven, is er sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang en worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft) en compenserende maatregelen om PAS-knelgevallen die niet op andere wijze gelegaliseerd kunnen worden toch te legaliseren, gelet op de uitspraak van de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie dat eerbiediging van de grondrechten van betrokken ondernemingen gezien mag worden als dwingende reden van openbaar belang?2
De mogelijkheden voor het gebruik van een ADC-toets om PAS-melders te legaliseren zijn onderzocht en blijken zeer beperkt. De belangen van de PAS-melders kunnen juridisch gezien niet gezamenlijk worden beschouwd als één project. Daarom moet voor elke individuele PAS-melding worden aangetoond dat voor het deel van zijn activiteit waarvoor hij de melding deed geen alternatieven zijn en de inhoud van de melding per geval als groot openbaar belang kan worden aangeduid.
Verder moeten de compenserende maatregelen kunnen worden uitgevoerd voor het relevante habitattype en al zijn uitgevoerd op het moment dat gelegaliseerd wordt. In de praktijk zijn hier jaren voor nodig. Daar komt nog bij dat voor elk van de compensaties op een prioritair habitat een advies van de Europese Commissie nodig is. Zodoende is dit geen oplossing die binnen de deadline van het legalisatieprogramma perspectief kan bieden.
Acht u een concreet voorstel voor het landelijk creëren van stikstofruimte voor PAS-melders als opvolging van het rapport Remkes, zoals binnenkort naar de Kamer gestuurd zal worden, voldoende om handhavingsverzoeken af te wijzen en aankondigingen voor het opleggen van een dwangsom in te trekken?
De provincie Overijssel heeft aangegeven aan een mogelijkheid te hebben om te kunnen afzien van handhaving, zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht. Verder is de Kamer is op 25 november jl. geïnformeerd over de aanpak piekbelasters. De inzet daarbij is om snel een depositieverlaging te bewerkstelligen en deze waar mogelijk met prioriteit in te zetten voor het legaliseren van PAS-meldingen. Per casus moet worden beoordeeld of deze maatregel er ook voor kan zorgen dat handhaving kan worden afgewezen.
Welke mogelijkheden ziet u om lastige PAS-knelgevallen te helpen door op deze bedrijven met financiële steun innovatieve technieken en methoden voor emissiereductie toe te passen in combinatie met het realtime meten van de ammoniakemissie op basis van artikel 7ae van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet?
Samen met de provincies kijken we naar alle mogelijkheden om de PAS-meldingen te legaliseren. De provincies kunnen hiervoor ook het budget zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 voor gebruiken. Wanneer innovatie wordt gebruikt in vergunningverlening moet de depositiereductie juridisch geborgd zijn.
Welke mogelijkheden ziet u voor financiële ondersteuning van de PAS-knelgevallen die met een last onder dwangsom geconfronteerd dreigen te worden ten einde hen in staat te stellen zelf stikstofruimte op te kopen dan wel de dwangsom te betalen zolang legalisatie nog niet gerealiseerd is? Wat is er op grond van de staatssteunkaders wel/niet mogelijk?
Samen met de provincies onderzoek ik alle opties die er zijn om toch van handhaving af te zien en dat het niet nodig is om dwangsommen op te leggen. Zie ook het antwoord op vraag 4. Als dat onverhoopt niet mogelijk is, is het voorstelbaar dat er sprake is van schade. Het kabinet zet zich maximaal in om de schade te vergoeden die PAS-melders ondervinden op het moment van onontkoombare handhaving en heeft daarvoor een schadeloket ingericht.4
Helaas komt niet alle schade voor vergoeding in aanmerking. Het Rijk moet zich hierbij houden aan de juridische kaders die gelden. Dat betekent ook dat er niet méér schade vergoed kan worden dan waarop juridisch aanspraak kan worden gemaakt. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een opgelegde dwangsom te vergoeden. Daarnaast speelt hierbij het risico dat een vergoeding moet worden terugbetaald, wanneer deze niet voldoet aan de juridische kaders. Het is daarom ook in het belang van de ondernemer dat zorgvuldig beoordeelt welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Is het mogelijk om de stikstofruimte die voor het vergunnen van infrastructurele projecten is opgekocht te gebruik voor het afwijzen van handhavingsverzoeken, zolang deze infrastructurele projecten nog niet gerealiseerd zijn en het legalisatieprogramma niet voor legalisatie heeft gezorgd?
Het kabinet onderschrijft dat het van belang is dat er meer mogelijkheden komen om te sturen op de ingebruikname van stikstofruimte. In de brief «voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos» van 25 november jl. staat dat het kabinet met bevoegd gezagen inzet op het met voorrang sturen op de gebruiksmogelijkheden van emissieruimte. Ook zet het kabinet in op het registreren van alle vrijkomende en vrijvallende ruimte om zo steviger regie te voeren op het uitgeven van deze ruimte aan prioritaire projecten.
In overeenkomsten die voor infrastructurele projecten van Rijk en provincies worden gesloten, is opgenomen voor welke projecten de verworven stikstofruimte wordt ingezet. Dat is nodig om de directe samenhang tussen saldogever en saldonemer te kunnen aantonen, waardoor deze ruimte kan worden gebruikt voor extern salderen. Dit betekent dat de verworven stikstofruimte niet met terugwerkende kracht voor andere doeleinden kan worden gebruikt.
Is de veronderstelling juist dat op basis van de Regeling natuurbescherming (artikel 2.8b) geen depositieruimte gereserveerd kan worden voor gemelde PAS-projecten die tussen 2009 en 2015 zijn gerealiseerd en waarbij overheden hebben aangegeven dat er geen natuurtoestemming nodig was? Bent u voornemens de regelgeving zo aan te passen dat dit wel mogelijk wordt?
Conform het amendement Bisschop c.s. (Kamerstuk 35 600, nr. 19) is artikel 1.13a in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering opgenomen. Het eerste artikel uit het amendement luidt: «Onze Minister draagt in het belang van de rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019.». Hiermee wordt gedoeld op de activiteiten die een melding hadden gedaan of waren vrijgesteld van de meldingsplicht (meldingsvrije activiteiten). Activiteiten van voor de PAS-periode zijn zodoende geen onderdeel van het legalisatieprogramma.
Kunt u garanderen dat voor PAS-knelgevallen die te goeder trouw gehandeld hebben linksom of rechtsom een oplossing gevonden wordt waardoor legalisering binnen handbereik is en deze bedrijven niet omvallen?
Het is een wettelijke opgave om alle PAS-meldingen die voldoen aan de verificatie van een oplossing te voorzien. Het kabinet voelt die verantwoordelijkheid zwaar en doet er alles aan om die oplossingen zo snel mogelijk te realiseren.
De voorbereiding van het prijsplafond voor consumenten |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
Heeft u kennis genomen van het artikel «Ambtenaren waarschuwden eigen Minister: prijsplafond is mogelijk staatssteun»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle contacten (telefonisch, mail, gesprekken) die door of namens u hebben plaatsgevonden met de Europese Commissie over een vorm van prijsplafond in de gas-en energiemarkt tussen 1 juni 2022 en 23 november 2022?
Gesprekken op ambtelijk niveau met de Commissie in het kader van lopende staatsteunprocedures zijn vertrouwelijk. Ik kan dergelijke correspondentie dus niet met uw Kamer delen. Bij het versturen van de Kamerbrief op vrijdag 9 december jl. over de nadere uitwerking van het prijsplafond zijn verschillende achterliggende stukken meegestuurd. Hierbij zitten onder andere de relevante ambtelijke beslisnota’s waarin de tussentijdse ontwikkelingen op dit aspect zijn omschreven. Eerder zijn ook door het Ministerie van Financiën alle stukken naar de Kamer gestuurd die ten grondslag liggen aan het eerdere besluit om te komen tot een prijsplafond.
Kunt u alle onderliggende brieven en mails en gespreksverslagen die bij de contacten horen aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke signalen lagen ten grondslag aan uw uitspraak van 10 november 2022 dat u signalen van de Europese Commissie heeft dat wat wij van plan zijn binnen de staatssteunregels past?
De Europese Commissie bekijkt of er al dan niet sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Mijn beeld is en was dat er ruimte is voor een aanpak zoals wij die voor ogen hebben met het prijsplafond, indien er zicht is op een zorgvuldige uitwerking met oog voor behoud van concurrentie en borging van het volledig doorgeven van de subsidie aan de consument.
Hoe gaat u borgen dat er per 1 januari 2023 ingebouwde controlemechanismen gelden, zoals een margetoets, om te voorkomen dat het prijsplafond wordt aangemerkt als staatssteun en er geen misbruik van de regeling gemaakt gaat worden?
Kortheidshalve verwijs ik naar de brief waarmee ik op 9 december jl. de Kamer nader geïnformeerd heb over de wijze waarop de margetoets vormgegeven. Er is gekozen voor een vorm van brutomargetoetsing op basis van de historische benchmark per leverancier, om te voorkomen dat er sprake kan zijn van overcompensatie van bedrijven in 2023. Hiermee heb ik invulling gegeven aan de motie Erkens c.s.
Herinnert u zich dat de Kamer meerdere keren gevraagd heeft om de memo’s en stukken op het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat over het prijsplafond, vanaf het begin van de zomer tot nu en dat u die al maanden niet aan de Kamer stuurt?
Ja. De achterliggende stukken die aan de besluitvorming van het prijsplafond en de totstandkoming van de uitgewerkte regeling voor 2023 ten grondslag liggen, zijn met de Kamer gedeeld op 9 december jl.
Wilt u die gevraagde memo’s per ommegaande aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 6.
Indien u de memo’s niet aan de Kamer wil doen toekomen, beseft u dan dat u dat alleen kunt doen door een beroep te doen op het belang van de staat en dat u dat beroep aan de orde dient te stellen in de ministerraad (artikel 68 Grondwet en paragraaf 7.2.7 van het handboek voor bewindspersonen)?
Zie antwoord vraag 6.
Wilt u het aanstaande vrijdag aan de orde stellen in de ministerraad als u voornemens bent om de stukken niet te sturen en wilt u anders de stukken nu gewoon aan de kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer denkt u een concept-regeling te kunnen publiceren over het prijsplafond?
De concept-regeling is op 12 december 2022 gedeeld met de Kamer.
Wanneer en hoe heeft u getoetst of de vormgeving van het prijsplafond in overeenstemming is met artikel 1 van de Grondwet, dat discriminatie verbiedt op welke grond dan ook (dus ook basis van type energie-aansluiting of het feit of je gas/elektriciteit via een grootverbruik of kleinverbruikers aansluiting ontvangt)? Kunt u die toetst openbaar maken?
Bij het opstellen van de regeling is rekening gehouden met de eisen die volgen uit de algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Het kabinet wil voorkomen dat groepen uitgesloten worden en wil dat er voor alle huishoudens een goede oplossing voor de hoge energieprijzen komt.
Voor huishoudens met verschillende soorten van collectieve aansluitingen is het vanwege praktische onmogelijkheden niet gelukt om binnen de conceptregeling van het prijsplafond, zoals ik deze op 12 december jl. met de Kamer gedeeld heb, al een oplossing te vinden. Ik zet conform het verzoek van de Kamer middels de motie Kops c.s. erop in dat ook voor deze groep huishoudens een gelijkwaardige oplossing wordt gevonden, die uitvoerbaar is en deze groep op een effectieve wijze bereikt. Ik verwacht dat ik de Kamer nog voor het einde van dit jaar over de voortgang nader kan informeren.
Klopt het dat het prijsplafond gaat werken met maandelijkse delen die je kunt gebruiken, op basis van gebruikersprofielen?
Het klopt dat er voor wat betreft de implementatie sprake is van gebruikersprofielen die het standaardgebruik omschrijven. Hierover heb ik de Kamer in mijn brief over de uitwerking in november geïnformeerd.
Hoe zal het prijsplafond uitwerken voor iemand die van het gas af is, 7.000 kWh per jaar verbruikt en er 5.000 opwerkt via zonnepanelen? Mag dit huishouden, als het 1.000 kWh in januari gebruikt (en er nul opwerkt), al deze energie onder het plafond brengen, omdat er in de zomer sprake is van netto teruglevering? Kunt u hiervan een realistisch rekenvoorbeeld geven?
Voor alle huishoudens geldt dat het prijsplafond geldt tot een verbruik van 1.200 m3 gas, 2.900 kilowattuur (kWh) elektriciteit en 37 gigajoule (GJ) stadsverwarming. Als iemand meer elektriciteit verbruikt maar geen gas, is er geen mogelijkheid om te schuiven tussen deze twee. Dit is niet uitvoerbaar.
Er wordt wel rekening gehouden met salderen. Het gaat bij de toepassing van het plafond steeds om de netto afname van elektriciteit door een kleinverbruiker, met andere woorden: er wordt eerst gesaldeerd en daarna wordt pas het prijsplafond toegepast. Salderen vindt plaats over de periode waarop de eindfactuur ziet. De berekening van het verbruik volgt de wijze ervan op grond artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998.
Hoe zullen de maandelijkse meterstanden gecontroleerd worden bij alle huishoudens die nog een traditionele meter hebben en dus geen slimme meter?
Er is alleen sprake van controle op het moment van een eindafrekening met een energieleverancier. Dit vindt in principe jaarlijks plaats of op het moment van overstappen naar een andere leverancier. Op dat moment zal de rekening worden opgemaakt aan de hand van het standaardverbruik zoals dat als bijlage bij de regeling is gevoegd.
Wat is laatste raming van de totale kosten van het prijsplafond? Kunt u de certificering van de raming bijvooegen?
Kortheidshalve verwijs ik naar de uitgebreide schriftelijke beantwoording van de vragen die de Kamer gesteld heeft over de 10e suppletoire begroting die ook nader ingaan op de totstandkoming van de relevante ramingen.
Bent u ervan op de hoogte dat bij elke inkomensondersteunende maatregel in de Kamer heel precies wordt bepaald wie tot de kring van rechthebbenden behoort, hoe de uitkering/subsidie/toeslag berekend wordt en hoe je bezwaar kunt maken als de berekening niet klopt?
Ja.
Op welke moment kan de Kamer, op basis van een concreet voorstel, die discussie voeren met het kabinet?
He debat over dit voorstel wordt gevoerd op het moment dat de begrotingswet, of de wijziging daarvan, met de Kamer wordt besproken. Er is zowel in het notaoverleg in november over dit onderwerp gesproken, als bij de begrotingsbehandeling voor 2023 en bij de behandeling van de 9e en 10e suppletoire begrotingen.
Realiseert u zich dat als sommige huishoudens geen recht blijken te hebben op het energieplafond (bijvoorbeeld omdat zij achter een grootverbruikersaansluiting zitten of een aansluiting delen met andere huishoudens), zij acute problemen kunnen hebben met hun bestaanszekerheid?
Voor vrijwel alle huishoudens is een oplossing gevonden. Huishoudens achter zogenaamde multi-sites komen ook in aanmerking voor het prijsplafond. Daarnaast volgt voor blokaansluitingen zo spoedig mogelijk een aparte regeling.
Bij wie kan een huishouden, dat geen recht blijkt te hebben op het energieplafond en de rekening niet kan betalen, terecht voor adequate financiele ondersteuning?
Voor huishoudens in financiële problemen geldt in algemene zin dat zich bij hun gemeente kunnen melden voor bijzondere bijstand. De gemeente kan huishoudens adviseren en helpen. Daarnaast wordt door het kabinet gewerkt aan de totstandkoming van het Noodfonds voor huishoudens die ondanks de genomen maatregelen, waaronder het prijsplafond, kampen met betalingsproblemen.
Heeft u kennis genomen van het feit dat drie energiemaatschappijen een negatief eigen vermogen hebben?2
De berichtgeving in de media eerder dit jaar hierover is mij bekend.
Herinnert u zich dat u eerder aan de Kamer schreef dat drie maatschappijen met problemen zich bij u gemeld hebben?
Ja.
Hoe zal geborgd worden dat steun, die ter bescherming van consumenten gegeven wordt, niet gebruikt wordt om een solvabiliteitsprobleem op te lossen (door megawinsten) en dat steun niet in een faillissement verdwijnt?
Om overcompensatie te voorkomen zal op het moment van vaststelling van de subsidie een brutomargetoets plaatsvinden. In de regeling zijn bepalingen opgenomen die de stopzetting voorzien in geval van surseance van betaling of faillissement.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het vervolg van het debat over de incidentele suppletoire begroting beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het RIVM wéér veel gevaarlijke stoffen rond Tata Steel meet |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Kuipers |
|
![]() |
Kent u het bericht «RIVM meet wéér veel gevaarlijke stoffen rond Tata Steel: «Deze giga-vervuiler mag gewoon zijn gang gaan»»?1
Ja, deze publiciteit volgt op het Depositie onderzoek IJmond voorjaar 2022, dat ik op 16 november jl. aan uw Kamer heb aangeboden2.
Het RIVM spreekt overigens niet over gevaarlijke stoffen, maar over stoffen die een verhoogd gezondheidsrisico geven.
Bent u het ermee eens dat het onaanvaardbaar is dat de hoeveelheid schadelijke stoffen waaraan omwonenden van Tata Steel worden blootgesteld twee jaar nadat het vorige depositieonderzoek werd gedaan, niet is afgenomen? Zo nee, waarom niet?
Het RIVM concludeert dat er, net als in 2020, nog steeds hoge waarden van PAK en metalen in de omgeving van Tata Steel worden gevonden. Het RIVM geeft daarbij ook aan dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken over de beoogde structurele vermindering van deze stoffen vanaf het terrein van Tata Steel.
Het was al duidelijk dat de stofdepositie en daarmee de risico’s voor de gezondheid omlaag moet, en dat is nog steeds zo. De verwachting is dat, met de maatregelen waar Tata Steel aan werkt, in de komende anderhalf à twee jaar aanzienlijke stappen kunnen worden gezet in de reductie van de emissies.
Bent u van mening dat u de gezondheid en leefomgeving van omwonenden van Tata Steel voldoende beschermt, nu blijkt dat in het neerdalende stof opnieuw hoge waarden van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en metalen worden gevonden, waaronder lood?2
De gezondheidsrisico’s voor de inwoners van de IJmondregio moeten omlaag. De gezamenlijke inzet van mij en de provincie is om de uitstoot van schadelijke stoffen, in het bijzonder door Tata Steel, te verminderen. In het Plan van aanpak «Naar een gezonde leefomgeving in de IJmond» dat in december 2021 aan uw Kamer is gestuurd4 zijn maatregelen aangekondigd om dit te bereiken.
Er wordt in 2022 nog een tweede herhaalonderzoek naar stofdepositie uitgevoerd en ook daarna zal er gemonitord blijven worden. Dit is één van de manieren waarop inzichtelijk moet worden of de maatregelen leiden tot de benodigde verbetering van de leefomgeving.
Bent u het ermee eens dat omwonenden van bedrijven, zoals Tata Steel, te allen tijde moeten worden beschermd tegen de uitstoot van schadelijke stoffen en dat het niet van de windrichting zou moeten afhangen of omwonenden hieraan worden blootgesteld of niet? Zo nee, waarom niet?
Het rapport van het RIVM toont opnieuw aan dat de uitstoot van schadelijke stoffen omlaag moet worden gebracht. Om een duidelijke trend zichtbaar te kunnen maken, onafhankelijk van de weersinvloeden, zal gedurende langere tijd gemonitord moeten worden. Nadat de resultaten van het tweede depositie onderzoek beschikbaar zijn, ga ik met de provincie en het RIVM in overleg over de beste manier om de metingen voor te zetten.
Bent u het ermee eens dat de snelste manier om de gezondheidsrisico’s te beperken het sluiten van de meest vervuilende onderdelen is? Zo nee, waarom niet?
Sluiting van de meest vervuilende onderdelen zal naar verwachting leiden tot verbetering van de leefomgeving en beperken van gezondheidsrisico’s. Daarom is het ook belangrijk dat het plan van Tata Steel, om de staalproductie te transformeren naar productie met behulp van waterstof in plaats van kolen, zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. De meest vervuilende onderdelen kunnen dan sluiten.
De provincie Noord-Holland is verantwoordelijk voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op Tata Steel. In het kader hiervan heeft de provincie recentelijk o.a. vergunningen aangescherpt en het toezicht geïntensiveerd. Zo is onder andere een derde last onder dwangsom opgelegd voor een overtreding bij de Kooksfabrieken. De provincie onderzoekt of intrekking van de vergunning mogelijk is in het geval dat deze derde last onder dwangsom niet wordt nageleefd.
Hoeveel metingen heeft u nog nodig om te kunnen concluderen dat de gezondheid van omwonenden van Tata Steel niet genoeg wordt beschermd en er extra maatregelen nodig zijn, zoals de sluiting van de meest vervuilende onderdelen?
Er zijn geen nieuwe metingen nodig om te constateren dat de milieu en gezondheidssituatie in de IJmond moet verbeteren. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, is de gezamenlijke inzet van mij en de provincie om de uitstoot van schadelijke stoffen te verminderen. In het Plan van aanpak «Naar een gezonde leefomgeving in de IJmond» dat in december 2021 aan uw Kamer is gestuurd zijn maatregelen aangekondigd om dit te bereiken
In het algemeen geldt dat een depositieonderzoek gebruikt kan worden om over een langere periode van meerdere jaren trends en ontwikkelingen waar te nemen. De verwachting is dat met de verschillende maatregelen die bij Tata Steel worden afgedwongen binnen een aantal jaar verbetering in de leefomgeving merkbaar en meetbaar moet zijn. Nadat de resultaten van het tweede depositie onderzoek beschikbaar zijn, ga ik met de provincie en het RIVM in overleg over de beste manier om de metingen voort te zetten.
Wat is uw reactie op het gevoel van omwonenden dat ondanks grote woorden van zowel het Rijk als de provincie dat Tata Steel in de gaten wordt gehouden, er weinig lijkt te veranderen?
Ik vind het van belang dat de leefomgeving van omwonenden rondom Tata Steel schoner, veiliger en gezonder wordt. De zorgen van de omwonenden daarover neem ik serieus. Om die reden heb ik bijvoorbeeld recent nog een gesprek gevoerd met o.a. de Dorpsraad Wijk aan Zee en Frisse Wind, over de vraag hoe gezondheid op een goede manier wordt meegewogen in de mogelijke maatwerkafspraak over de verduurzaming van Tata Steel. Daarin heb ik hen ook toegezegd om te kijken op welke manier hun expertise benut kan worden, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van de second opinion op de milieu en gezondheidseffecten van het groenstaalplan.
Tegelijk, zoals ik in de antwoorden hierboven heb aangegeven, worden diverse maatregelen uitgevoerd om de schadelijke emissies te verminderen en is het toezicht en de handhaving op naleving van regelgeving door Tata Steel stevig geïntensiveerd. Vanuit de gezamenlijke overheden wordt hard gewerkt aan een verbetering van de leefomgeving in de IJmond. Ik deel dus niet het gevoel dat er weinig lijkt te veranderen.
Wat is uw reactie op de stelling van Bénédicte Ficq (advocate) dat er «onvoldoende kennis is bij zowel Rijk als provincie over de complexe processen bij Tata Steel, zodat deze gigavervuiler zijn gang kan blijven gaan»?3
De stelling mevrouw Ficq is voor haar eigen rekening. In algemene zin wil ik aangeven dat er dagelijks door medewerkers van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, de provincie Noord-Holland en het Rijk keihard wordt gewerkt om de situatie in de IJmond te verbeteren. Knelpunten die daarbij optreden in capaciteit, kennis en instrumentarium, proberen we daarbij op te lossen.
Daarnaast is het generieke «Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel» gestart om de uitvoering van de taken omgevingsdiensten te versterken. Nog voor het kerstreces verwacht ik uw Kamer te informeren over de voortgang hiervan.
Kunt u zich herinneren dat uw ambtsvoorganger via een brief in september 20214 heeft toegezegd dat er op zoek zou worden gegaan naar een partij die de effecten op gezondheid en milieu van de verschillende toekomstscenario’s van Tata Steel onafhankelijk en transparant in beeld kan brengen?
Ja.
Waarom laat u enkel de waterstofroute onderzoeken, terwijl in de toezegging ook wordt gedoeld op andere toekomstscenario’s, aangezien in de brief wordt verwezen naar de startnotitie gemaakt door CE Delft waarin onder andere ook afschaling wordt genoemd?
Op het moment van schrijven van de Kamerbrief waar u naar verwijst, had Tata Steel nog geen keuze gemaakt voor verduurzaming van het productieproces door toepassing van waterstof, dan wel door ondergrondse CO2-opslag. De waterstofroute en de route met ondergrondse CO2-opslag op de leefomgeving zouden naar verwachting een heel ander effect op de leefomgeving hebben. Om die reden heeft de Kamer de regering verzocht, parallel aan de haalbaarheidsstudie naar het FNV-plan, onderzoek uit te laten voeren naar de gevolgen voor gezondheid en milieu van de verschillende scenario's voor Tata Steel.
Op 15 september 2021 heeft Tata Steel aangekondigd te kiezen voor de waterstofroute, mede met het oog op de verwachte positieve effecten daarvan op de leefomgeving. Vervolgens heeft mijn ambtsvoorganger in het plan van aanpak Tata Steel aangegeven dat aangezien Tata Steel inmiddels heeft gekozen voor één toekomstscenario, namelijk de waterstofroute, het onafhankelijke onderzoek zich alleen richt op dit toekomstscenario. Nu de keuze voor de waterstofroute is gemaakt is het onderzoeken van aanvullende varianten op dit moment niet passend.
De overheid stelt de kaders op, waarbinnen bedrijven kunnen en mogen handelen. Het is dus aan Tata Steel zelf om te bezien op welke manier en met welke productieomvang zij binnen deze kaders kan opereren. Het is uiteraard wel van groot belang dat de kaders voldoende waarborgen bevatten om de gezondheidsrisico’s te beperken. Daarom wordt de maatwerkafspraak met Tata Steel hierop beoordeeld. Het spreekt voor zich dat een maatwerkafspraak die onvoldoende bijdraagt aan het beperken van het gezondheidsrisico niet op mijn steun kan rekenen. Dat laat onverlet dat Tata Steel dus zelf moet bedenken hoe zij het gezondheidsrisico reduceert: of dat is door ingrepen in de bedrijfsvoering, aanpassen van installaties of productiebeperking is aan het bedrijf zelf.
Waarom komt u de toezegging gedaan in september 2021 niet na?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u van plan de toezegging alsnog na te komen en dus ook de effecten op gezondheid en milieu van de andere toekomstscenario’s van Tata Steel onafhankelijk en transparant in beeld te laten brengen? Neemt u hierin ook de scenario’s afschaling en recycling mee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Wat vindt u van de oproep5 van milieu- en omwonendenorganisaties om onderzoek te doen naar duurzame en toekomstbestendige alternatieven voor de IJmond, waarbij schone lucht en gezonde banen het uitgangspunt zijn?
In de oproep vragen de milieu en omwonendenorganisaties aan de regering ervoor te kiezen om kleinschaliger, circulair en hoogwaardig groen staal te produceren met de reeds bestaande en best beschikbare technieken in combinatie met huizen, natuur, kennis en cultuur in de IJmond. In het antwoord op vraag 12 heb ik al aangegeven dat de overheid de kaders bepaalt waarbinnen bedrijven kunnen en mogen handelen. Wel ben ik het met de bewoners eens dat de plannen uiteindelijk moeten resulteren in een schone en klimaatneutrale staalfabriek. Het is aan de overheid om de plannen van Tata Steel op dit einddoel te beoordelen en hiervoor de juiste kaders te stellen.
Vogelgehaktmolens in Flevoland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de vele vogelgehaktmolens in Flevoland zorgen voor een massaslachting onder vogels, waaronder zeldzame roofvogels?1
Ja.
Wat gaat u doen om vogels tegen deze moordlustige vogelverdelgers te beschermen?
In de bestaande praktijk is onder andere toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig voor een windproject. Voor windturbines op land zijn de provincies daartoe het bevoegde gezag. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt onder andere gevraagd om een ecologische toets naar het effect op (populaties van) vogels en vleermuizen. Bij het afgeven van ontheffingen worden in voorkomende gevallen ook mitigerende maatregelen zoals een stilstandvoorziening bij bepaalde windturbines voorgeschreven.
In aanvulling op de geldende wet- en regelgeving werkt het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), TenneT, provincies, de windsector en natuurorganisaties aan een traject Natuurinclusieve Energietransitie Wind en Hoogspanning op Land (NIEWHOL). Hiermee willen we een juiste balans bereiken tussen de energiedoelstellingen en natuurbelangen. Daarin werken we aan gedragen maatwerkafspraken over het verminderen van vogel- en vleermuisslachtoffers bij windturbines en hoogspanningsverbindingen, maar er zijn ook afspraken gemaakt over onderzoek en monitoring. Eén van de afgesproken mitigerende maatregelen is dat initiatiefnemers van windprojecten stilstand toepassen op locaties op momenten van massale vogeltrek, op basis van een trekvogelvoorspellingsmodel, om aanvaringslachtoffers onder trekvogelsoorten te minimaliseren.
Bij een windmolenpark in Noorwegen (op het eiland Smøla) heeft een experiment plaatsgevonden met windturbines met één zwarte wiek. Uit dit experiment kwam naar voren dat deze maatregel het aantal vogelslachtoffers sterk heeft verminderd (70%). Of dit ook voor de Nederlandse situatie – windparken niet op een eiland, maar in zee en op het vaste land – en voor de in ons land voorkomende vogelsoorten een effectieve en wenselijke maatregel zou kunnen zijn, wordt de komende jaren onderzocht via een pilot in de Eemshaven, waar het Rijk ook bij betrokken is. Binnen het onderzoek worden ook andere belangrijke aspecten van een zwarte wiek meegenomen, zoals effecten op de windturbine zelf, visuele verstoring en luchtvaartveiligheid. Ik heb Uw Kamer hierover in maart 2022 geïnformeerd naar aanleiding van de Eerste Kamer motie Berkhout c.s. (Kamerstuk 35 092, nr. 32). De provincie Groningen, die samen met RWE de opdrachtgever is van de praktijkproef, geeft aan dat het onderzoek is afgerond in 2024. Uw Kamer zal in het eerste kwartaal van 2023 geïnformeerd worden over de voortgang van deze proef naar aanleiding van de aangenomen motie Wassenberg over één gekleurd rotorblad bij windturbines op land (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1373).
Bent u bekend met de waarschuwingen, onder andere in de Tweede Kamer, dat windmolens na aanleg zouden zorgen voor een massaslachting onder zeldzame vogels? Zo ja, waarom zijn die waarschuwingen in de wind geslagen?2
Die informatie heeft mij bereikt. Een nieuw windpark wordt altijd op basis van de Wet natuurbescherming getoetst, hierbij zijn de provincies het bevoegde gezag. Afhankelijk van de natuurwaarden in de omgeving (bijvoorbeeld de aanwezigheid van zeldzame vogels) dient bij een (wind)project altijd rekening te worden gehouden met maatregelen om negatieve effecten op de natuur en landschap te beperken. Momenteel wordt er gekeken hoe de belangen van schone energie en biodiversiteitsherstel samen gerealiseerd kunnen worden om zo ook bij te dragen aan de klimaatopgave. Zoals ik u meldde in vraag 2, worden er in het traject NIEWHOL afspraken gemaakt om vogelsterfte tegen te gaan en loopt er momenteel een onderzoek naar de effecten van een zwarte wiek bij een windturbine.
Heeft u, in aanvulling op eerdere vragen waar we stilstonden bij de door windmolens aangetaste volksgezondheid, de bereidheid om de aanleg van nieuwe windmolens op land per direct stop te zetten?
Nee, de Minister voor Klimaat en Energie is hiertoe niet bereid. Ik verwijs u hierbij naar de eerdere beantwoording (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 967) en de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u bereid om het aantal windmolens drastisch te gaan verminderen door te kiezen voor andere vormen van energie, zoals zonnepanelen op daken van huizen en bedrijfspanden en door te kiezen voor kernenergie? Zo ja, hoe gaat u een en ander handen en voeten te geven?
Het kabinet zet zoveel mogelijk in op wind op zee, maar ook andere duurzame energiebronnen zijn nodig. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 35 TWh wordt opgewekt door middel van windturbines op land of grootschalig zon-PV. Uitsluitend inzetten op zon-PV (op dak) zorgt voor te grote schommelingen in het aanbod van energie omdat de zon lang niet altijd schijnt. Een balans tussen zon-PV en windenergie op land is daarom nodig om de klimaatdoelstellingen te behalen.
De intentieverklaring tussen Nederland en met Oman over samenwerking op het gebied van groene waterstof |
|
Suzanne Kröger (GL), Joris Thijssen (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Zijn er nog andere intentieverklaringen rondom groene waterstof in de maak? Zo ja, welke?
Ja, Nederland werkt aan intentieverklaringen rondom groene waterstof met Australië en Zuid-Afrika, en voert voorbereidende gesprekken met Spanje, Marokko en Curaçao. Naast Oman zijn reeds intentieverklaringen gesloten met Canada, Chili, Namibië, Portugal, Uruguay en de VAE.
Deelt u de mening dat hoewel het positief is dat er naar samenwerking wordt gezocht rondom groene waterstof, we bij de ontwikkeling van groene waterstof wereldwijd niet de fouten van de fossiele energiewinning moeten herhalen, onder andere door ervoor zorg te dragen dat bij energieprojecten de mensenrechten worden gewaarborgd en het lokale milieu niet wordt geschaad?
Het kabinet deelt de mening dat bij de ontwikkeling van de groene waterstofketens de aandacht voor mens en milieu gewaarborgd moet zijn.
Deelt u de mening dat bij dit soort intentieverklaringen het van groot belang is om in een zo vroeg mogelijk stadium al afspraken te maken rondom mensenrechten, milieu en arbeidsrechten?
In een intentieverklaring worden geen juridisch bindende afspraken gemaakt. Het uitgangspunt is dat samenwerking plaatsvindt op basis van wederzijds of wederkerig voordeel. Het belang van mensenrechten, milieu en arbeidsrechten is hier onderdeel van.
In de tekst van de verklaring met Oman is dit verwoord als «reciprocal benefit» en in teksten van eerdere Memoranda of Understanding (MoU’s) met bijvoorbeeld Namibië als: «on the basis of mutual social, econonomic and environmental benefits to the participants in order to promomote sustainable development».
Waarom staan er in het memorandum of understanding geen waarborgen rondom mensenrechten, milieu en arbeidsrechten?1
In een intentieverklaring worden geen juridisch bindende afspraken gemaakt waaraan waarborgen, rechten of plichten kunnen worden ontleend. Het MoU is, behalve op kennisuitwisseling tussen overheden, primair gericht op het faciliteren van contacten tussen bedrijven en kennisinstellingen uit beide landen voor het ontwikkelen van internationale waterstofketens.
Los van deze intentieverklaring verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven dat zij, conform de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s), de risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen in kaart brengen, hun invloed aanwenden om deze risico’s te voorkomen of aan te pakken, en hierover verantwoording afleggen. Dit geldt dus ook voor betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de implementatie van het MoU.
Hoe is de Internationale Klimaatstrategie tot uiting gekomen in de intentieverklaring, aangezien hier onder andere staat dat Nederland inzet op een eerlijke en inclusieve transitie en dat vergroening van economieën nieuwe en groene banen brengt, maar dat dit vraagt om zorgvuldige transitiepaden en speciale aandacht voor onderwijs en scholing toegespitst op een duurzame economie en decent jobs. Nederlandse expertise op het gebied van leefbaar loon, het uitbannen van kinderarbeid en scholing kan hieraan bijdragen?
De Internationale Klimaatstrategie (IKS) heeft als doel de Nederlandse inzet voor het klimaat wereldwijd te verstevigen en beschrijft concrete klimaatacties door de Nederlandse overheid en partners. Het gaat hierbij om een breed handelingsperspectief, waar het opzetten en uitbouwen van importketens voor duurzame energiedragers (zoals groene waterstof en derivaten) onderdeel van is, aangezien dit zal bijdragen aan de decarbonisering van het energiesysteem en een impuls kan geven aan de vergroening van economieën van landen waarmee wij samenwerken. Het MoU over groene waterstof met Oman past dus goed bij de doelstellingen van de IKS.
Bent u ermee bekend dat Oman geen geweldige staat van dienst heeft op het vlak van arbeidsrechten en Oman in categorie 4 valt van Global Rights Index van de International Trade Union Confederation (ITUC) (systemic violation of rights)?
Zie antwoord op vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Oman 6 van de 10 conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie van de VN (ILO) waarin fundamentele arbeidsrechten worden vastgelegd niet heeft geratificeerd?
De situatie omtrent arbeidsrechten in Oman heeft de aandacht van het kabinet. Oman heeft de afgelopen jaren een aantal belangrijke hervormingen doorgevoerd op het gebied van arbeidsrechten en is voornemens middels een herziening van de Arbeidswet in de nabije toekomst nog verdere hervormingen door te voeren. Implementatie van de huidige hervormingen blijft een punt van zorg. Nederland blijft Oman middels constructief-kritische dialoog, zowel in bilateraal als in EU-verband, oproepen tot het doorvoeren van verdere arbeidsrechthervormingen en het ratificeren van verdragen die ten grondslag liggen aan fundamentele arbeidsrechten.
Bent u ermee bekend dat vakbonden in Oman tegen flinke hindernissen aan lopen en vakbondsleden actief onder druk worden gezet?
De vakbonden in Oman zijn aangesloten bij de overkoepelende vakbond General Federation of Oman Workers (GFoW). GFoW werkt met internationale partners samen zoals IndustriALL, een mondiale vakbondsorganisatie voor arbeiders in de mijnbouw en energie- en productieindustrie, om de positie van vakbondsleden te versterken. Hun positie blijft echter kwetsbaar en de uitdagingen waar zij tegenaan lopen vormen een punt van zorg binnen de bredere situatie van arbeidsrechten. Dit brengt Nederland ook op in bilaterale gesprekken met Omaanse autoriteiten.
Wat vindt u van deze staat van dienst rondom arbeidsrechten? Bent u van mening dat Nederland bij de samenwerking met Oman voor groene waterstof een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen dat werknemersrechten wel worden gerespecteerd?
Het kabinet heeft aandacht voor de situatie omtrent arbeidsrechten in Oman en brengt de (bij het antwoord op vraag 6 en 7 genoemde) zorgen regelmatig over bij de Omaanse autoriteiten. Ook spreekt Nederland zich uit in multilateraal verband, zoals tijdens de eerste EU-Oman Mensenrechtendialoog in september jl. Daarnaast verwacht het kabinet dat bedrijven die waterstof gaan importeren zich ervoor inspannen dat er in hun waardeketens geen misstanden plaatsvinden in lijn met voornoemde OESO-richtlijnen en UNGP’s.
Heeft u een analyse gemaakt rondom de IMVO-risico’s in Oman? Zo nee, bent u bereid een dergelijke analyse uit te voeren en daarbij alle 6 de stappen die zijn vastgesteld in de OESO richtlijnen te doorlopen?
Conform de motie Boucke (D66) en Kröger (GroenLinks) dd. 20 april 20222 werkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan een IMVO-risicoanalyse voor waterstof importketens. Oman is één van de zeven landen die daarin als voorbeeld wordt meegenomen. De uitkomst van dit onderzoek zal begin 2023 met de Tweede Kamer worden gedeeld.
De zes stappen van de OESO-richtlijnen zijn bedoeld als werkwijze voor bedrijven om de mensenrechten en milieurisico’s in hun keten in kaart te brengen. De groene waterstofhandel moet nog op gang komen en dus ook de specifieke waardeketens tussen bedrijven. Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij deze stappen vanaf het begin doorlopen. Voor vragen over het toepassen van gepaste zorgvuldigheid kunnen bedrijven terecht bij het IMVO-steunpunt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Heeft u erop toegezien dat Havenbedrijf Rotterdam, dat een joint venture heeft met de overheid van Oman voor de ontwikkeling en exploitatie van de haven van Sohar in het noorden van Oman, alle zes de stappen van de OESO richtlijn rond IMVO heeft doorlopen / doorloopt? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te zorgen dat het havenbedrijf die alsnog doet?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij gepaste zorgvuldigheid toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen en UNGP’s. Uiteindelijk dragen bedrijven zelf de verantwoordelijkheid om te ondernemen volgens de OESO-richtlijnen en UNGP’s. De Nederlandse ambassade in Oman heeft regelmatig contact met de Haven van Sohar over hun activiteiten in de breedste zin van het woord. IMVO is onderdeel van deze gesprekken. Ook heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de noodzaak en het belang van IMVO geagendeerd tijdens haar bezoek aan de haven van Sohar in maart jl.
Kunt u dit project benutten voor intensivering van de dialoog met Oman over mensenrechten en milieu? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De intentieverklaring versterkt de reeds goede bilaterale betrekkingen met Oman. Deze onderwerpen zijn al onderdeel van de brede dialoog die Nederland heeft met Oman, waarin Nederland in bilaterale en multilaterale contacten ook de mensenrechtensituatie bespreekt en zoekt naar mogelijkheden tot samenwerking voor verbetering. Zo kwam dit ook ter sprake in oktober jl. tijdens de jaarlijkse hoogambtelijke consultaties tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken van Nederland en Oman.
Bent u bereid om mensenrechten, milieu en arbeidsrechten integraal op te nemen in toekomstige contracten rondom groene waterstof? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat geïmporteerde groene waterstof ook duurzaam is op het vlak van milieu en mensenrechten. De overheid sluit echter geen contracten voor de import van groene waterstof; bedrijven doen dat. Zoals eerder aangegeven, verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven dat zij gepaste zorgvuldigheid toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen en UNGP’s. Uiteindelijk dragen bedrijven zelf de verantwoordelijkheid om te ondernemen volgens de OESO-richtlijnen en UNGP’s. De IMVO-risicoanalyse die op dit moment wordt uitgevoerd (zie het antwoord op vraag 10) gaat bedrijven daarbij helpen.
Als het gaat om toekomstige MoU over waterstof, dan zal Nederland voorstellen om in de tekst te verwijzen naar de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties en het belang benadrukken van lokale duurzame impact van waterstofprojecten.
De opkoop van stikstofruimte uit boerderijen ten behoeve van het verbreden van de A27 bij Amelisweerd |
|
Pieter Grinwis (CU), Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het debat van de provinciale staten van de provincie Gelderland van 16 november 2022, welke ging over de zeer verstorende rol van de rijksoverheid binnen de gebiedsprocessen door de opkoop van boerderijen ten behoeve van eigen projecten, zoals de verbreding van de A27 bij Amelisweerd? Wat is uw reactie op de uitspraak van de provinciale staten (de aangenomen motie is inmiddels ook naar u gestuurd), welke de provincie als bevoegd gezag verzoekt geen medewerking te verlenen aan het intrekken van de Gelderse Natuurbeschermingswetvergunningen zolang de Gelderse beleidsregels en/of bestuurlijke afspraken worden geschonden?
Ja, daarvan heb ik kennis genomen. Deze motie is aangenomen in de (onjuiste) veronderstelling dat afspraken zijn geschonden. Om te voorkomen dat overheden elkaar verrassen, hebben Rijk en provincies interbestuurlijke afspraken over extern salderen, waarbij is afgesproken dat het Rijk de provincies vooraf informeert over voorgenomen transacties op basis van extern salderen. Ik hecht er echter aan om te benadrukken dat geen bestuurlijke afspraken zijn geschonden en dat steeds zowel ambtelijk als bestuurlijk afstemming met de provincie Gelderland heeft plaatsgevonden.
Klopt hetgeen wat de gedeputeerde staten van de provincie Utrecht in beantwoording van vragen van de Utrechtse Statenfractie van de SGP aangeven, namelijk dat «het Rijk mogelijk wel stikstofruimte voor de legalisatie van Schiphol wil verwerven»? Zo ja, waarom zou het Rijk voor een private partij als Schiphol stikstofruimte opkopen? Zo nee, waar baseren de gedeputeerde staten van Utrecht dit op? Kunt u uitsluiten dat het Rijk of een partij op verzoek van het Rijk stikstofruimte aan het verwerven is voor de legalisatie van Schiphol?1
Nee, dat klopt niet. Het is niet aan het Rijk om stikstofruimte voor luchthaven Schiphol te verwerven en daarom kan ik ook uitsluiten dat (een partij voor) het Rijk hiervoor aan het verwerven is. Verder kan ik niet voor gedeputeerde staten spreken waar zij hun stelling op baseren.
Deelt u de brede zorg, bij provinciebesturen en de vragenstellers, dat de overheid geen grip heeft op de stikstofmarkt- en handel, waardoor het recht van de sterkste geldt en de agrarische sector zal krimpen ten behoeve van andere sectoren als mobiliteit, luchtvaart of industrie, terwijl onderwijl Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders nog langer op legalisatie moeten wachten, gebiedsprocessen («ruilverkavelingen») spaak lopen en natuurherstel geen prioriteit krijgt? Hoe wilt u, gezien bovenstaande zorgen, regie op de stikstofmarkt- en handel terugkrijgen?
Om te voorkomen dat overheden elkaar verrassen, hebben Rijk en provincies interbestuurlijke afspraken over extern salderen, waarbij is afgesproken dat het Rijk de provincies vooraf informeert over voorgenomen transacties op basis van extern salderen. In het geval dat het Rijk bevoegd gezag is, wordt die geïnformeerd door provincies. De komende maanden zal het kabinet in overleg met provincies en betrokken departementen komen tot nieuwe en aangescherpte spelregels over de toepassing van extern salderen, en deze waar nodig in de beleidsregels vastleggen.
In de Kamerbrief van 25 november 2022 heeft het kabinet verschillende stappen aangekondigd ten behoeve van steviger regie op extern salderen en het gebruik van agrarische grond, zodat in de gebiedsprocessen de juiste keuzes gemaakt kunnen worden. Zo zet het kabinet in op het met voorrang sturen op de gebruiksmogelijkheden van emissieruimte die beschikbaar komt bij extern salderen, zodat de overheid regie houdt in het landelijk gebied in het kader van de gebiedsprogramma’s en kan voorkomen dat partijen vanuit verschillende opgaven en belangen met elkaar concurreren. De komende periode werkt het kabinet, samen met de provincies en betrokken sectoren, uit hoe dit recht in de praktijk zal worden vormgegeven, bijvoorbeeld via beleidsregels.
Daarnaast werkt het kabinet de wettelijke mogelijkheden uit om een voorkeursrecht te kunnen leggen op gronden met een agrarische functie. Dit biedt het Rijk en de provincies de mogelijkheid om te sturen op het gebruik van de agrarische grond, geeft aan de voorkant regie in gebiedsprocessen en over keuzes in het landelijk gebied, bijvoorbeeld ten aanzien van extensivering, en biedt de mogelijkheid om speculatie tegen te gaan. Het kabinet onderzoekt of en op welke wijze de Omgevingswet hiervoor kan worden aangepast.2
Uit het onderzoeksrapport «Tussenbalans extern salderen met veehouderijen» van 8 juli 2022 blijkt dat stikstofruimte bij het grootste deel van de op basis van extern salderen verleende vergunningen (meer dan 70%) binnen de agrarische sector blijft3. Ook is in dit onderzoek vastgesteld dat ongewenste neveneffecten van extern salderen met veehouderijen in het algemeen, zoals leegstand, verrommeling en speculatie, niet structureel voorkomen.
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet zich al geruime tijd in voor een verduurzaming van de mobiliteit. Dit gebeurt onder meer door een beter OV, meer fietsgebruik, het terugdringen van de stikstofuitstoot door het steeds schoner worden en elektrificeren van voertuigen, het voorbereiden van Betalen naar gebruik, de landelijke snelheidsverlaging en het bevorderen van thuiswerken. Deze maatregelen zijn echter in beginsel niet inzetbaar als mitigerende maatregel in het kader van toestemmingverlening. De reductie van stikstofuitstoot en -depositie dankzij deze maatregelen komt, op een enkele uitzondering na, volledig ten goede aan de verbetering van de natuur.4
Hoe kan het dat Rijkswaterstaat snel en eenvoudig stikstofruimte kan verwerven, terwijl dat voor de legalisatie van PAS-melders zo moeizaam gaat?
In de Kamerbrief van 12 november 2021 staat opgenomen dat voor het legaliseren van meldingen het kabinet gebruikmaakt van de ruimte uit het stikstofregistratiesysteem. Vooralsnog is de depositiereductie die voorzien is voor het legaliseren van PAS-meldingen afkomstig van (landelijke) beëindigingsregelingen. Aanvullend daarop heeft het kabinet besloten de ruimte die in beginsel niet nodig is voor woningbouw en zeven MIRT-projecten in te zetten om PAS-meldingen te legaliseren5 en 250 mln. euro uit te trekken voor versnellingsvoorstellen van de provincies die het mogelijk maken om PAS-melders versneld van een vergunning te voorzien.6
In de Kamerbrief van 25 november 20227 is daarnaast aangekondigd dat de ruimte uit de piekbelastersaanpak die niet nodig is voor de natuur, met prioriteit wordt ingezet voor het legaliseren van meldingen. Omdat het stikstofeffect van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen tegenviel ten opzichte van de raming en er een restbedrag was overgebleven, heeft het kabinet in juni 2021 – in samenwerking met de provincies – besloten tot alternatieve bronmaatregelen.8 Naast ophoging van het budget van de eerste tranche van de regeling provinciale aankoop veehouderijlocaties en intensivering van de regeling voor walstroom zeevaart, is toen besloten 15 mln. toe te wijzen voor projectspecifieke mitigatie van zeven MIRT-projecten. Deze middelen zijn dan ook conform bestuurlijke afspraken ingezet voor projectspecifieke mitigatie.
In de kamerbrief van 25 november 2022 heeft het kabinet toegezegd om de Kamer in het voorjaar van 2023 te informeren over de wijze van prioriteitstelling van beschikbare stikstofruimte9. Met het uitwerken van deze prioriteitsstelling, werkt het kabinet ook aan de uitvoering van de motie van de leden Bromet en Thijssen, die verzoekt om een afwegingskader voor de toewijzing van stikstofruimte10.
Klopt het dat Rijkswaterstaat als marktpartij opereert op de stikstofmarkt, waardoor Rijkswaterstaat niet hoeft te voldoen aan voorwaarden die andere overheden wel hebben, zoals het intrekken van dierrechten en het verwerven van de boerderij zelf? Bent u het eens dat hiermee een scheef speelveld is ontstaan tussen overheden? Hoe gaat u deze scheefheid oplossen?
Nee, dat klopt niet: Rijkswaterstaat heeft als overheidsinstantie te maken met dezelfde regels als andere overheidsinstanties. Vanzelfsprekend maakt het wel verschil met welk doel een overheidsinstantie handelt. RWS kan als initiatiefnemer, net als andere publieke en private initiatiefnemers, in het kader van de eigen behoefte aan stikstofruimte voor een concreet project zoeken naar mitigerende maatregelen en hiervoor – op vrijwillige basis – overeenkomsten sluiten met individuele ondernemers. Dat is een andere situatie dan wanneer bijvoorbeeld de provincie een uitkoopregeling treft, gericht op de stelselmatige reductie van stikstofdepositie ten behoeve van de natuur.
Wat is uw reactie op het feit dat Rijkswaterstaat illegale vergunningen opkoopt, zoals is gebeurd bij een kalverhouderij in Epe, welke al vier jaar de vergunningvoorschriften overtrad? Bent u het eens dat in zo’n geval gehandhaafd moet worden, in plaats van een beloning door middel van een financiële regeling?
In geval van overtreding van vergunningsvoorschriften, is het in beginsel aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Gelderland, om te handhaven zodat de overtreding ongedaan wordt gemaakt. Toezicht en handhaving vormen een essentieel onderdeel van het systeem van toestemmingverlening. Komend jaar laat het kabinet samen met de betrokken departementen en provincies een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de wijze waarop bevoegde instanties invulling geven aan toezicht en handhaving van natuurvergunningen op grond van de Wnb voor wat betreft stikstof. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek wordt bekeken welke stappen gezet kunnen worden om toezicht en handhaving verder te versterken.
Er is in het genoemde geval geen sprake van een beloning van de overtreding. Het bedrijf stond openbaar te koop en is aangekocht voor de marktwaarde. Voor Rijkswaterstaat als toekomstige eigenaar van het bedrijf was het bij aankoop van het bedrijf van belang dat het bedrijf voldeed aan de vergunningsvoorschriften. Daarom is voorafgaand aan de eigendomsoverdracht door de veehouder alsnog op eigen kosten een luchtwasser gerealiseerd en in gebruik genomen waardoor niet langer sprake was van overtreding van de vergunningvoorschriften. Overigens is bij de inzet van de stikstofruimte van dit bedrijf als projectspecifieke mitigatie uitgegaan van de op grond van de vergunning toegestane hoeveelheid stikstofdepositie, hetgeen dus lager ligt dan feitelijk plaatsvond.
Onderdeel van de voorgenomen aanpak11 ten aanzien van het gebruik van latente ruimte is het regelmatig actualiseren van natuurvergunningen. Op die manier wordt er voor gezorgd dat de natuurvergunning beter aansluit bij wat er op een bedrijf gebeurt. Het actualiseren van de natuurvergunning wordt gekoppeld aan het moment waarop een initiatiefnemer aanpassingen aan zijn bedrijf wil doen. De komende tijd werkt de Minister voor Natuur en Stikstof samen met de betrokken departementen, provincies en sectoren verder uit hoe deze actualisatie van natuurvergunningen in de praktijk kan worden ingezet.
Klopt het dat volgens de Utrechtse beleidsregels extern salderen niet mogelijk is, maar dat de rijksoverheid wél boerderijen mag opkopen voor eigen projecten in de provincie Utrecht? Hoe kan dit? Hoe ziet u dit in het kader van goed bestuur?
In dit geval was het Rijk bevoegd gezag voor de toestemmingverlening en niet de provincie. Het Rijk heeft in het kader van toestemmingverlening voor Rijksprojecten de beperkingen op extern salderen sinds september 2020 opgeheven, na afstemming met de provincies. Dat geldt voor het hele land, dus ook voor het grondgebied van de provincie Utrecht.
Het is daarnaast aan iedere provincie om voor de projecten waarvoor zij zelf bevoegd gezag is, te besluiten of voor die projecten ook de beperkingen worden opgeheven.
Komende maanden zal de Minister voor Natuur en Stikstof bezien wat de verschillen zijn tussen de provincies ten aanzien van extern salderen en overige beleidsregels en of hier nog mogelijkheden zitten om zo snel mogelijk PAS-melders te legaliseren.
Wat is uw reactie op de zorg, zoals deze is gedeeld in het rondetafelgesprek Voortgang gebiedsprocessen 16 november jongstleden in de Tweede Kamer, dat provincies in de praktijk te weinig mogelijkheden hebben om ten behoeve van PAS-melders of natuur, stikstofruimte te kopen, omdat andere partijen, waaronder overheden, met een veel grotere zak geld aankloppen bij boeren?
Rijkswaterstaat biedt uitsluitend degelijk onderbouwde bedragen aan bedrijfseigenaren. Hiervoor vindt vooraf een taxatie van vastgoed plaats en – indien enkel stikstofruimte aan de orde is – een onderbouwing van vergoeding van stikstofruimte op basis van gangbare vergoedingen. Er wordt dus niet meer dan een marktconforme vergoeding betaald.
Zoals hierboven is aangegeven, werkt het kabinet, samen met de provincies en betrokken sectoren, de komende periode aan een aanscherping van de interbestuurlijke afspraken over extern salderen, het invoeren van een recht van eerste koop op emissierechten en de wettelijke mogelijkheid om een voorkeursrecht te kunnen leggen op grond met een agrarische functie.
Ook doet de Minister voor Natuur en Stikstof er samen met de provincies alles aan om de PAS-melders te helpen. Het legalisatieprogramma wordt met prioriteit uitgevoerd. Verschillende maatregelen leveren nu en in de toekomst ruimte voor het legaliseren van PAS-melders en ook aan provincies is 250 mln. euro beschikbaar gesteld om maatwerk toe te passen en nog verder te versnellen. Ook wil de Minister voor Natuur en Stikstof bezien wat de verschillen zijn tussen de provincies ten aanzien van extern salderen en overige beleidsregels en of hier nog mogelijkheden zijn om zo snel mogelijk PAS-melders te legaliseren. In de brief aan de Kamer van 25 november 2022 kondigt de Minister voor Natuur en Stikstof ook een korte termijnaanpak aan met betrekking tot het gericht en versneld beëindigen van de emissies van piekbelasters.12 Deze aanpak is gericht op een directe forse reductie van uitstoot én een blijvend dalende lijn, zodat de natuur wordt versterkt en meer ruimte ontstaat voor PAS-melders en vervolgens voor nieuwe maatschappelijke en economische ontwikkelingen.
Hoe bent u voornemens uitvoering aan de motie van het lid Grinwis c.s. te geven over onderzoeken of en hoe het inwisselen van stikstofoxiden (NOx) voor ammoniak (NH3) dan wel het uitwisselen van stikstofruimte tussen sectoren bij extern salderen voorkomen kan worden én wel zo dat de wild west-stikstofmarkt aan banden wordt gelegd? Bent u bijvoorbeeld bereid om de beleidsregels op korte termijn aan te scherpen, zodanig dat de provinciale overheden uitwisseling van stikstofruimte tussen sectoren alleen binnen een gebiedsproces kunnen laten plaatsvinden dan wel via provinciale stikstofbanken en voorkomen wordt dat de macht van de vrije markt gebiedsprocessen casu quo provincies op achterstand zet?2
Zoals hierboven is aangegeven, werkt het kabinet, samen met de provincies en betrokken sectoren, de komende periode aan een aanscherping van de interbestuurlijke afspraken over extern salderen, het invoeren van een recht van eerste koop op emissierechten en de wettelijke mogelijkheid om een
voorkeursrecht te kunnen leggen op grond met een agrarische functie. Hiermee zet het kabinet de komende periode verschillende stappen ten behoeve van meer regie op extern salderen.
Uit het onderzoeksrapport «Tussenbalans extern salderen met veehouderijen» blijkt dat stikstofruimte bij het grootste deel van de op basis van extern salderen verleende vergunningen (meer dan 70%) binnen de agrarische sector blijft. Dit blijven bevoegde gezagen monitoren en zal ook worden getoetst in de aankomende evaluatie van het instrument extern salderen. In die evaluatie wordt ook het inwisselen van NH3 voor NOx bij extern salderen betrokken. Met de genoemde inzet op registratie van alle vrijkomende ruimte en vrijvallende ruimte werkt het kabinet aan de uitvoering van de motie van het lid Grinwis c.s.14
Wat is de stand van zaken van de provinciale of gebiedsstikstofbanken? Ziet u de grote rol die zij kunnen vervullen in het snel legaliseren van PAS-melders, het realiseren van natuurherstel, het houden van grip op de stikstofmarkt, het beschermen van de provinciale gebiedsprocessen en het bewaken dat iedere sector evenredig een bijdrage levert aan het oplossen van het stikstofprobleem en een eerlijke maatschappelijke belangenafweging van initiatieven die stikstofruimte nodig hebben?
Het kabinet ziet de waarde van stikstofbanken. Het kabinet zet in op registratie van alle vrijkomende ruimte en vrijvallende ruimte, waaronder ruimte die beschikbaar komt uit de piekbelastersaanpak, in een register en kiest ervoor steviger regie te voeren op het uitgeven van deze ruimte aan PAS-melders en prioritaire projecten van nationaal belang.
Rijk en provincies hebben gezamenlijk een register van stikstofbanken ingericht om extern salderen te faciliteren en te kunnen sturen op schaarse stikstofruimte. In dit register hebben provincies op dit moment negen provinciale doelenbanken en een landsdekkende provinciale microdepositiebank opgericht. Voor een beperkt aantal doelen is er op dit moment het stikstofregistratiesysteem (SSRS).
Zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer op 25 november 202216 zet het kabinet de komende tijd samen met de betrokken departementen en de provincies in op het doorontwikkelen van het register van stikstofbanken. Begin volgend jaar zullen de Rijksdoelenbanken worden ingesteld. De negen bestaande provinciale banken zijn op dit moment overigens alleen te gebruiken voor projecten waarvoor de provincie bevoegd gezag is en dus niet voor besluiten waarvoor het Rijk bevoegd gezag is. Bovendien is het SSRS nu nog onvoldoende gevuld om nu al de zeven MIRT-projecten, waarvoor het onder meer is ingesteld, mogelijk te maken.
Wat is de stand van zaken van de landelijke stikstofbank, welke u, getuige de beantwoording van de voorgaande schriftelijke vragen, «zeer toejuicht»? Op welke termijn verwacht u de openstelling (en het goed functioneren) van deze stikstofbank?3
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht 'Boer Arjan moet verplicht zijn veestapel drastisch verkleinen; "Ze maken je helemaal kapot"' |
|
Pieter Grinwis (CU), Derk Boswijk (CDA), Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Boer Arjan moet verplicht zijn veestapel drastisch verkleinen; «Ze maken je helemaal kapot»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat boeren die te goeder trouw hebben gehandeld nu in een situatie terecht komen waarbij zij verplicht hun veestapel moet reduceren en anders een dwangsom moeten betalen?
Alle PAS-melders verkeren sinds de PAS-uitspraak in uiterst onzekere tijden. Voor een aantal PAS-melders in de provincie Overijssel is een zeer ernstige situatie ontstaan doordat de provincie zich genoodzaakt ziet om te handhaven. Dat vind ik verschrikkelijk.
Ik doe er samen met de provincie alles aan om deze PAS-melders in Overijssel te helpen. We zijn het wettelijk vastgestelde legalisatieprogramma met prioriteit aan het uitvoeren. De eerste ruimte is nu beschikbaar. Verder wordt voor provincies 250 miljoen euro beschikbaar gesteld om maatwerk toe te passen en het legalisatieprogramma verder te versnellen. Provincies kunnen op basis van voorfinanciering nu al maatregelen nemen. Als de maatregelen aan de geldende criteria voldoen, is er zekerheid dat de provincies de kosten daarvoor vergoed krijgen. De regeling voor deze specifieke uitkering treedt begin 2023 in werking. Ook wil ik bezien wat de verschillen zijn tussen de provincies ten aanzien van extern salderen en overige beleidsregels en of hier nog mogelijkheden zitten om zo snel mogelijk PAS-melders te legaliseren. Voor de korte termijn doe ik in ieder geval alles wat nodig is om te bezien of nog van handhaving kan worden afgezien.
Als het afzien van handhaving onverhoopt niet mogelijk is, is het voorstelbaar dat er sprake is van schade. Het kabinet zet zich maximaal in om de schade te vergoeden die PAS-melders ondervinden vanwege onontkoombare handhaving en richt daarvoor een schadeloket in. Dat geldt natuurlijk niet enkel voor Overijsselse PAS-melders, maar voor alle PAS-melders waar hiervan sprake is. De eerste uitgangspunten voor welke situaties mogelijk in aanmerking komen voor een schadevergoeding zijn op aanpakstikstof.nl nader toegelicht. Ik begrijp dat dit de onzekerheid van de mensen die het treft niet wegneemt, maar het kabinet spant zich tot het uiterste in om deze mensen niet te laten vallen.
Bent u voornemens deze situatie op te lossen? Zo ja, op welke manier en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 2.
Betrekt u bij de zoektocht naar een oplossing voor de PAS-melders ook de inzet van de aantoonbare en juridisch geborgde daling van ammoniakaanwendig bij bemesting wegens het voorgeschreven afbouwpad van derogatie op de Nitraatrichtlijn (zie ook de motie van het lid Van Campen c.s.)? Zo ja, wanneer stuurt u het voorstel hiertoe naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?2
In de aanstaande brief «Stand van zaken openstaande moties en toezeggingen op het gebied van stikstofbeleid» zal in worden gegaan op het bedoelde onderzoek die de motie Van Campen vraagt.
Hoe verklaart u dat de toezeggingen van de afgelopen jaren over het legaal houden van PAS-melders nog niet zijn waargemaakt (zie ook de motie van het lid Boswijk)? Denkt u dat het nu wel lukt om deze bedrijven legaal te houden? Zo ja, waarom kan het nu wel en een jaar geleden niet?3
Sinds een jaar geleden heeft het kabinet grote stappen gezet als het gaat om het legaliseren van de meldingen. Ten eerste is het legalisatieprogramma vastgesteld. Daarin staan de maatregelen die het Rijk neemt en die stikstofruimte voor het legalisatieprogramma leveren (Srv, MGA en Lbv). Afgelopen zomer is aangekondigd dat er voor de provincies € 250 mln. beschikbaar is gesteld om te versnellen en maatwerk te leveren. Ook de aanpak piekbelasters gaat een belangrijke rol spelen bij het legaliseren van de meldingen. Het kabinet is voornemens om de ondernemers met een PAS-melding zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden. Ook is voor enkele tientallen meldingen via intern salderen vastgesteld dat er sprake is van een legale situatie.
De interim-mers zijn geen onderdeel van het legalisatieprogramma, behalve PAS-melders met een interim-situatie. Voor interim-mers geldt dat zij deelnemen aan het gebiedsproces als die zijn gestart. Daar moet worden bepaald welke activiteiten op welke manier nog kunnen plaatsvinden.
Hoe verklaart u het dat de toezeggingen van de afgelopen jaren over het legaal houden van interimmers nog niet zijn waargemaakt (zie ook de motie van het lid Bisschop c.s.)? Denkt u dat het nu wel lukt om deze bedrijven legaal te houden? Zo ja, waarom kan het nu wel en een jaar geleden niet?4
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven waarom er nog geen plan van aanpak ligt voor het legaal houden van PAS-melders en interimmers en voor de opkoop van piekbelasters?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe realistisch is het dat het doel zoals wettelijk vastgelegd, om de noodzakelijke maatregelen voor het legaal houden van PAS-meldingen uiterlijk in februari 2025 uitgevoerd te hebben, gehaald wordt?
Het is een wettelijke opgave om de maatregelen tijdig uitgevoerd te hebben. Het Rijk en provincies spannen zich in om zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden voor ondernemers met een PAS-melding over wanneer er gelegaliseerd kan worden. De Lbv en de Lbv+ zullen begin volgend jaar opengesteld worden zodat de effecten ruim voor de wettelijke termijn beschikbaar zijn.
Kan een noodwet een oplossing bieden voor het oplossen van dit probleem? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zou deze noodwet er volgens u uit moeten zien?
Om PAS-melders te kunnen voorzien van een vergunning die stand houdt bij de rechter, dienen er mitigerende maatregelen tegenover de mogelijk significante effecten te staan. Een noodwet lost dat probleem niet op. Een noodwet waarmee voorbij gegaan wordt aan de vergunningplicht of de beginselplicht tot handhaven is in strijd met de Europese regelgeving en zal dus geen stand houden voor een rechter.
Bent u bekend met de brief van het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel, waarin zij vragen om dringende hulp voor het oplossen van dit probleem? Kunt u in de beantwoording van deze vragen inhoudelijk reageren op de punten in deze brief?5
In de brief van provincie Overijssel roept de provincie Overijssel op maatregelen te nemen waarmee natuurherstel geborgd is en PAS-meldingen ook daadwerkelijk gelegaliseerd kunnen worden. In de Kamerbrieven van 25 november jl. heeft het kabinet een pakket maatregelen aangekondigd die ook helpen bij het legaliseren van meldingen (kenmerk 2022Z23249, Kamerstuk 34 682, nr. 105 en Kamerstuk 27 625, nr. 592). Daarnaast wordt opgeroepen om de ondernemers met een PAS-melding waarbij gehandhaafd moet worden financieel te ondersteunen. Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 is aangeven, geef ik hier invulling aan.
Wat vindt u ervan dat provincies nu in een positie zijn gekomen waarbij zij verplicht zijn om te dreigen met dwangsommen in de richting van PAS-melders en interimmers, terwijl zij hier zelf niet achter staan?
Voor een aantal PAS-melders in de provincie Overijssel is een zeer ernstige situatie ontstaan doordat de provincie zich genoodzaakt ziet om te handhaven. Dat vind ik verschrikkelijk. Daarom zijn we met grote urgentie aan het onderzoeken welke mogelijkheden er nog zijn om van handhaving af te kunnen zien. Vanwege de beginselplicht tot handhaving en de uitspraken van de rechtbank Overijssel, ziet de provincie geen mogelijkheden om anders te handelen dan nu wordt gedaan.
Is het een mogelijkheid dat de rijksoverheid deze dwangsommen betaalt? Waarom wel of niet?
Samen met de provincies onderzoek ik alle opties die er zijn om toch van handhaving af te zien en dat het niet nodig is om dwangsommen op te leggen. Als dat onverhoopt niet mogelijk is, is het voorstelbaar dat er sprake is van schade. Het kabinet zet zich maximaal in om de schade te vergoeden die PAS-melders ondervinden vanwege onontkoombare handhaving en heeft daarvoor een schadeloket ingericht. Helaas komt niet alle schade voor vergoeding in aanmerking. Het Rijk moet zich hierbij houden aan de juridische kaders die gelden. Dat betekent ook dat er niet méér schade vergoed kan worden dan waarop juridisch aanspraak kan worden gemaakt. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een opgelegde dwangsom te vergoeden. Omdat hierbij het risico bestaat dat deze moet worden terugbetaald, wanneer deze niet voldoet aan de juridische kaders. Het is daarom ook in het belang van de ondernemer dat het Rijk zorgvuldig beoordeelt welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Zijn er andere manieren waarop de provincie Overijssel kan afzien van het opleggen van dwangsommen aan de PAS-melders en interimmers?
Voor de korte termijn doe ik alles wat nodig is om te bezien of nog van handhaving kan worden afgezien. Het wettelijk vastgestelde legalisatieprogramma wordt met prioriteit uitgevoerd. Ook wil ik bezien wat de verschillen zijn tussen de provincies ten aanzien van extern salderen en overige beleidsregels en of hier nog mogelijkheden zitten om zo snel mogelijk PAS-melders te legaliseren.
Aan de landsadvocaat is gevraagd wat de mogelijkheden zijn voor de provincie Overijssel. Daaruit is helaas gebleken dat het heel moeilijk is voor de provincie om nog van handhaving af te zien. De beginselplicht tot handhaving is een streng uitgangspunt, waarop niet snel een uitzondering wordt aangenomen in de rechtspraak. Volgens vaste jurisprudentie kan onder andere van handhaven worden afgezien wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan moet worden afgezien. In het geval van de PAS-melders betekent dit dat voor het afzien van handhaving aannemelijk moet worden gemaakt dat aan het natuurbelang in het concrete geval geen zwaar gewicht hoeft te worden toegekend. Dat is aan de orde als met een ecologische onderbouwing kan worden aangetoond dat de stikstofdepositie slechts een zeer gering effect heeft op de natuur, of als maatregelen worden getroffen waarmee de stikstofdepositie van de PAS-melder wordt weggenomen. Gezien de staat van veel natuurgebieden zal dit moeilijk aangetoond kunnen worden. Als daar toch mogelijkheden blijven te zijn, dan worden die met grote urgentie uitgevoerd.
Het artikel 'Europese Commissie wil met ‘noodmaatregel’ procedures duurzame energie versnellen' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Europese Commissie wil met «noodmaatregel» procedures duurzame energie versnellen»?1
Ja.
Welke concrete projecten zouden onder deze noodmaatregel vallen? Deelt u de mening dat de noodmaatregel ook toepasbaar zou moeten zijn op meer grootschalige projecten dan nu voorgesteld wordt? Zouden Wind op zee en groene waterstofprojecten hieronder moeten vallen? Bent u bereid hiervoor te pleiten in Europa?
In de kabinetsappreciatie van de noodverordening op 18 november 2022 (Kamerstuk 22 112, nr. 3545) staat mijn inzet beschreven om de toepassing uit te breiden tot andere (meer grootschalige) technieken, zoals netverzwaring en CO2-transport en -opslag. De inzet was ook gericht om snelheid bij realisatie van duurzame opwek en -infrastructuur mogelijk te maken, door aandacht voor termijnen en knelpunten. Snelle realisatie van projecten is slechts voor een deel mogelijk door korte termijnen, aandacht voor inpassing en verhouding met overige beleidsdoelen (waaronder natuur en milieu) is net zo belangrijk. Resultaat van de onderhandelingen zijn dat opzichzelfstaande netverzwaring en grootschalige opwek is opgenomen in de verordening, specifiek in artikel 6. CO2 -transport en -opslag is niet opgenomen in de verordening, omdat deze projecten niet onder de definitie van de Europese hernieuwbare energierichtlijn (RED) vallen. Wind op Zee valt in het bereik van artikel 3 en 6, groene waterstofprojecten onder artikel 3.
Wat zou deze noodmaatregel betekenen voor zowel het oplossen van de energiecrisis als ook de gestelde klimaatambities voor 2030?
Deze maatregel draagt bij aan het oplossen van de energiecrisis en de klimaatambities, maar zal niet voor significante versnelling zorgen. De voorgestelde verkorte termijnen voor vergunningverlening van zonne-energie, warmtepompen en vernieuwingsprojecten (repowering) zullen in Nederland niet of nauwelijks tot versnelling leiden. Ditzelfde geldt voor het aanmerken van duurzame energieprojecten als overstijgend publiek belang. Dit kan beperkt effect hebben in ADC-procedures, maar zal niet voor procedurele versnelling zorgen.
Hoe raakt dit voorstel aan de Porthos-uitspraak, gegeven het feit dat deze noodmaatregel projecten automatisch in aanmerking zou brengen voor bepaalde ontheffingen binnen Europese wetgeving?
Alleen projecten die in de Europese definitie van hernieuwbare energie vallen, komen in aanmerking voor artikelen van deze noodmaatregel. CCS, en daarmee Porthos, valt niet binnen die definitie en komt dus niet in aanmerking voor deze noodmaatregel.
Bent u bereid om ook te pleiten voor een uitbreiding van deze noodmaatregel voor de noodzakelijke uitbreidingen van het elektriciteitsnet? Deelt u de mening dat deze uitbreidingen randvoorwaardelijk zijn voor bijvoorbeeld de versnelde uitrol van duurzame opwek en industriële warmtepompen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
De zestien koeien die vermoedelijk zijn geëlektrocuteerd door een mestschuifsysteem |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat ging er door u heen toen u hoorde dat zestien koeien in een stal in Hooghalen zijn geëlektrocuteerd, vermoedelijk door een kortsluiting in het mestschuifsysteem?1
Verschrikkelijk. Het is niet te bevatten dat er 16 koeien geëlektrocuteerd zijn in de stal. Voor de andere koeien in de stal en voor de veehouder moet het een angstaanjagend moment zijn geweest.
Is er inmiddels meer duidelijk over de doodsoorzaak van deze dieren en de manier waarop dit heeft kunnen gebeuren?
Voor zover bekend zijn de 16 koeien geëlektrocuteerd en daardoor dood gegaan. Het onderzoek naar de oorzaak loopt nog. Een onderdeel van het onderzoek is het doormeten van de elektrische installatie. Zodra de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Zijn er meer gevallen bekend van kortsluiting in het mestschuifsysteem? Hoe vaak is dit eerder voorgekomen?
Voor zover mij bekend zijn er geen vergelijkbare gevallen.
Hoe groot is de kans dat zich dit vaker voor zal doen bij zogenaamde emissiearme stalvloeren met een mestschuifsysteem? Waar baseert u dat op en hoe beoordeelt u dat?
De kans dat een dergelijk triest incident vaker voor gaat komen acht ik niet groot.
Bij juiste fabricage, installatie en onderhoud van het mestschuifsysteem zal elektrocutie van koeien door kortsluiting niet op kunnen treden.
Erkent u dat dit systeem kennelijk levensgevaarlijk kan zijn, zowel voor dieren als voor veehouders?
In deze casus was mogelijk sprake van elektrocutie. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 loopt het onderzoek naar de exacte oorzaak nog. Zodra de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Gaat u een waarschuwing uitvaardigen voor veehouders met dezelfde emissiearme vloer en mestschuif over dit risico? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u deze veehouders adviseren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 loopt er nog onderzoek naar de oorzaak van het incident op het betreffende melkveebedrijf. Op dit moment zie ik geen reden om een waarschuwing uit te vaardigen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek bezie ik de situatie opnieuw.
In zijn algemeenheid geldt dat de website van Rijkswaterstaat/Infomil informatie geeft over emissiearme vloeren, zodat melkveehouders kunnen kijken of zij te maken hebben met een emissiearme vloer2. Bij alle type vloeren, zowel traditionele vloeren als bij emissiearme vloeren, kunnen risico’s voorkomen. Het is niet zo dat emissiearme technieken als zodanig onveilig zijn. Het is een complex geheel waarbij meerdere factoren een rol lijken te spelen.
Zoals in de brief van 14 december 2021 van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan uw Kamer (Kamerstuk 29 383, nr. 365) is aangegeven, is met stakeholders het vergroten van de veiligheid op het boerenerf besproken. Risico’s op het boerenerf worden onder andere in het voorlichtingsprogramma «Veilig en met plezier werken in de melkveehouderij» onder de aandacht gebracht3.
Kunnen veehouders subsidie of belastingvoordelen ontvangen voor deze emissiearme vloer en dit mestschuifsysteem? Zo ja, onder welke regelingen vallen die en hoeveel belastinggeld is reeds aan subsidies voor deze systemen uitgegeven?
Het is niet bekend welk type emissiearme vloer en mestschuif in de getroffen stal wordt toegepast.
Veehouders kunnen geen subsidie ontvangen voor emissiearme vloeren en mestschuifsystemen. Wel kunnen zij deelnemen aan de fiscale regelingen milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) als de stal het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) heeft behaald. Op korte termijn is niet te achterhalen hoeveel MDV-stallen een emissiearme vloer en mestschuifsysteem toepassen en hoeveel fiscaal voordeel aan die stallen is gegeven.
Kunt u bevestigen dat er gevallen zijn geweest waarin koeien uitglijden over gladde emissiearme stalvloeren, waarbij deze koeien soms ook vervroegd naar de slacht zijn afgevoerd?2
Het is bekend dat koeien kunnen uitglijden op gladde vloeren. Mij zijn geen precieze gegevens bekend over koeien die vervroegd naar de slacht zijn afgevoerd naar aanleiding van incidenten met gladde vloeren.
Herinnert u zich dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) concludeerde dat technische installaties in stallen extra brandveiligheidsrisico’s opleveren en dat zij het risico op het ontstaan en snelle uitbreiding van stalbranden vergroten met als gevolg dat meer dieren overlijden?3
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) benoemt in het rapport Stalbranden inderdaad dat technische installaties extra brandveiligheidsrisico’s opleveren en dat dit in toenemende mate een goed risicobewustzijn en veiligheidsmanagement vergt van de veehouder. Dit onderschrijf ik. Het incident laat ook zien dat het van belang is om maatregelen te nemen ten aanzien van het onderhoud van elektra en het verminderen van brandveiligheidsrisico’s. Voor de set aan maatregelen die ik hiervoor neem, zoals het drie- of vijfjaarlijks verplicht laten keuren van elektra- en zonnestroominstallatie en een jaarlijkse visuele keuring, verwijs ik naar mijn Kamerbrief van 8 oktober 2021 (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 7) en naar de informatie over de voortgang van de uitwerking van die aanpak op 6 juli 2022 (Kamerstuk 28 286, nr. 1261).
Kunt u bevestigen dat de Raad van State (RvS) heeft geoordeeld dat de stikstofreducerende werking van verschillende emissiearme stalvloeren onvoldoende zeker is?4
Ja. De Raad van State heeft recent over drie emissiearme stalsystemen geoordeeld dat met de toepassing van de Rav-emissiefactoren de emissie van ammoniak uit de betreffende stallen niet met de vereiste zekerheid kan worden vastgesteld in het kader van de toetsing aan de Wet natuurbescherming7. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft uw Kamer op 25 november jl. geïnformeerd over hoe hier mee om te gaan (Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos, Kamerstuk 2022Z23249.
Bent u nog steeds van mening dat staltechnieken een oplossing zijn in de verschillende crises waarmee de veehouderij te kampen heeft (stikstof, klimaat, waterkwaliteit, dierenwelzijn en volksgezondheid)? Zo ja, waarom?
Ja. De toepassing van innovatieve emissiearme stalsystemen blijft onderdeel van mijn inzet op de verdere verduurzaming van de veehouderij en de opgaven die daarbinnen spelen. Daarbij is het van belang dat innovaties zowel technisch, juridisch, economisch als maatschappelijk werken. Indien een innovatie op een van deze vier aspecten niet goed werkt, zal de toepassing in de praktijk niet tot de gewenste effecten gaan leiden. Verder verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer van 25 november jl. (kenmerk 2022Z23250) waarin ik mijn inzet op innovatie en stalsystemen uit een heb gezet.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.