Het vermoeden van het afnemen van Russisch uranium door de Nederlandse kerncentrale in Borssele |
|
Tom van der Lee (GL), Joris Thijssen (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Exploitant kerncentrale Borssele ontkent Russische oorlogskas te spekken» van 11 januari jl.?1
Ja.
Deelt u de mening, gezien het gegeven dat de Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ) contractueel splijtstofelementen afneemt uit Lingen en opgewekt uranium uit Borssele voor hergebruik bewerkt wordt in Rusland, een sterk vermoeden doet creëren dat EPZ via deze weg de Russische oorlogskas ondersteunt? Zo ja, hoe apprecieert u deze gegevens en het ontstane vermoeden? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen doet het kabinet geen uitspraken ten aanzien van bedrijfsvertrouwelijke informatie. EPZ heeft echter via de pers kenbaar gemaakt op dit moment geen directe zaken meer met Rusland te doen. Met het oog op de ontwikkelingen aangaande de Russische agressie in Oekraïne evalueren zij nu de indirecte relatie met Rusland welke dateert van voor de start van de oorlog in de Oekraine.2 Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is op dit onderwerp in contact met EPZ.
Deelt u de opvatting dat al het mogelijke moet worden gedaan om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven, vaak met aandelen in publieke handen, op directe dan wel indirecte wijze handel in nucleaire brandstoffen verrichten met Rusland? Is er een alternatieve leveringswijze voor dergelijke stoffen mogelijk, zo ja welke?
Het kabinet is op doorlopende basis in gesprek met partners binnen en buiten de EU over het verhogen van de druk op Rusland met nieuwe sanctiemaatregelen. Wat het kabinet betreft liggen alle opties voor nieuwe sanctiemaatregelen op tafel. EU-eenheid en leveringszekerheid zijn belangrijk bij besluitvorming over nieuwe sancties. Rusland levert nog aan westerse kerncentrales, die zich nu nog gebonden weten aan leveringscontracten die zijn afgesloten voor 24 februari 2022; de start van de oorlog in Oekraïne. Opzeggen van deze contracten kan vaak niet zonder nadelige consequenties voor de energievoorziening. Urenco heeft via de pers laten weten te werken aan uitbreiding van de productiecapaciteit voor verrijkt uranium3, zodat op termijn alternatieven beschikbaar komen.
In hoeverre kunt u verifiëren of EPZ daadwerkelijk nog grondstoffen ontvangt van het bedrijf Framatome en/of uranium voor bewerking naar Rusland zendt, nu of in de toekomst? In hoeverre heeft u inzicht in de uit Rusland afkomstige vracht(schepen) voor nucleaire brandstoffen en de inhoud en bestemming van de ladingen hiervan?
Zoals blijkt uit de gepubliceerde vergunningen4, ontvangt EPZ verse splijtstofelementen van ANF Lingen (Duitsland), onderdeel van Framatome voor de productie van elektriciteit in de kerncentrale Borssele. Na gebruik gaan de splijtstofelementen naar de opwerkingsfabriek van Orano in La Hague (Frankrijk).
Op grond van de Kernenergiewet is het verboden om zonder vergunning nucleair materiaal van en naar een Nederlandse nucleaire inrichting te vervoeren. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) is bevoegd gezag voor het verlenen van de vergunningen op grond van de Kernenergiewet. De vergunning wordt alleen verleend, indien het transport veilig kan plaatsvinden, de ontvanger gerechtigd is om het materiaal te ontvangen en er geen sprake is van sancties. De vergunning schrijft onder andere voor dat transporten 48 uur van tevoren gemeld dienen te worden bij een aantal instanties, waaronder de ANVS. In de melding dient de vergunninghouder onder andere te vermelden hoeveel materiaal er vervoerd gaat worden, met welk vervoermiddel het materiaal vervoerd gaat worden, de afzender en ontvanger van het materiaal en welke route wordt gevolgd. Er zijn momenteel geen vervoersvergunningen van kracht die het mogelijk maken om nucleair materiaal uit Rusland te vervoeren naar EPZ of vice versa.
Op welke manier draagt het toezicht uitgevoerd door Euratom / het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) al dan niet bij aan het verzwakken van de Russische oorlogskas?
Euratom en het IAEA houden toezicht op het treffen van maatregelen gericht op niet-verspreiding van splijtstoffen die kunnen worden gebruikt voor het ontwikkelen van een kernwapen. Het IAEA heeft in het kader van het Nucleaire Non-Proliferatieverdrag aanvullende afspraken gemaakt met lidstaten, onder andere gericht op het niet verspreiden van kennis die nodig is om een kernwapen te maken. Het geheel aan controle op maatregelen wordt nucleaire safeguards genoemd. Beide organisaties hebben echter geen rol in het beheersen van de inkomsten van de Russische nucleaire industrie.
Welke mogelijkheden ziet u om toezicht te versterken op de leveringsketen van nucleaire brandstoffen van en naar Borssele?
De ANVS is verantwoordelijk voor het toezicht op de veiligheid binnen nucleaire installaties in Nederland. Bij de ANVS zijn er geen signalen bekend over eventuele onregelmatigheden in de leveringsketen van nucleaire brandstoffen van en naar kerncentrale Borssele. Op dit moment bestaat er daarom geen aanleiding om het toezicht op de leveringsketen van nucleaire brandstoffen van en naar Borssele te versterken.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot de situatie uit 2020, toen bekend was dat er verarmd uranium via Nederland naar Rusland werd geëxporteerd en niet kon worden uitgesloten dat de nucleaire stof uitsluitend voor civiele doeleinden werd gebruikt?2 Wat verandert de huidige oorlogssituatie met Oekraïne aan de onzekerheid over de afkomst van het uranium voor Borssele en de levering van uranium voor hergebruik naar Rusland, aangezien het altijd moet gaan om vreedzaam gebruik zoals gesteld door het Non-Proliferatie Verdrag (NPV)?
Vanuit Nederland is sinds 24 februari 2022 geen uranium geëxporteerd naar of geïmporteerd uit Rusland. Er zijn wereldwijd voldoende uraniumvoorraden en er is diversiteit aan leveranciers. Hiernaast is het mogelijk om uranium geruime tijd op te slaan zonder degradatie van het materiaal.
In algemene zin is uranium onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen en (internationaal) toezicht om veiligheid en civiel eindgebruik van het uranium te waarborgen en proliferatie te voorkomen. Dit is onverminderd van kracht.
Hoe garandeert u dat de verarmd uraniumtails, welke in Rusland achterblijven na het verrijken van opgewerkt uranium van EPZ, uitsluitend civiel, en niet militair worden ingezet?
Een exportvergunning voor (verarmd-)uranium kan alleen worden verleend ten behoeve van civiele doeleinden. De vergunningen worden slechts afgegeven onder strikte voorwaarden. Zo worden de vergunningen uitsluitend verstrekt nadat de overheid van het ontvangende land voorafgaand aan de export formele overheidsgaranties heeft gegeven omtrent dit civiel eindgebruik. Deze werkwijze vloeit voort uit de richtlijnen van het exportcontroleregime de Nuclear Suppliers Group (NSG) en uit de EU dual-useverordening. Deze overheidsgaranties zijn formeel bindend. Het materiaal valt bovendien onder het systeem van toezicht van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA).
In hoeverre is er wat dit bericht betreft inzicht in het rechtvaardig verlopen van het vergunningstelsel van het exportcontroleregime de Nuclear Suppliers Group (NSG)?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe apprecieert u het gegeven dat de levering van nucleaire brandstoffen nog niet onder de Europese sancties jegens Rusland valt? Welke positie neemt Nederland in Brussel in bij gesprekken over eventuele Europese sancties op Russisch nucleair?
Het kabinet is op doorlopende basis in gesprek met partners binnen en buiten de EU over het verhogen van de druk op Rusland met nieuwe sanctiemaatregelen. Voor maatregelen tegen de import van uranium uit Rusland is op dit moment onvoldoende draagvlak binnen de EU. Wat het kabinet betreft liggen alle opties op tafel, waarbij oog gehouden dient te worden voor leveringsze-kerheid en EU-eenheid. Het kabinet kan niet ingaan op de onderhandelingspositie van individuele lidstaten.
Acht u het wenselijk dat op grond van EU-verordening 833/2014 van 31 juli 2014 deze internationale sancties voor een exportverbod van en/of naar Rusland wel worden ingesteld, nu er daadwerkelijk sprake is van een oorlogssituatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke sancties en/of sancties specifiek opgelegd aan het Russische Rosatom in te stellen?
Zie antwoord vraag 10.
Indien Europese sancties ervoor zouden zorgen dat EPZ / Framatome niet langer van de diensten van Rosatom gebruik zouden kunnen maken, zou er dan sprake zijn van «overmacht» waardoor EPZ / Framatome niet gehouden zouden zijn een schadevergoeding aan Rosatom te voldoen?
Indien er sprake is van een sanctiemaatregel en/of bedrijven die op de sanctielijst worden geplaatst waardoor het bedrijven in de EU niet langer toegestaan is gebruik te maken van bepaalde diensten, zijn bedrijven in de EU beschermd tegen boetes, schadeclaims en schadevergoedingen overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) nr. 833/2014 indien zij de relevante overeenkomsten opschorten, aanpassen of beëindigen. Dit zou ook het geval zijn indien Rosatom op de lijst geplaatst zou worden.
De inzet van dieselaggregaten |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Hoeveel dieselaggregaten worden momenteel in Nederland ingezet en in welke sectoren en voor welke toepassingen worden deze het meest gebruikt?
Volgens de emissiemodellering1 zijn er naar schatting ca. 11.000 dieselaggregaten. Deze dieselaggregaten worden voor het grootste deel (ca.75%) ingezet in de bouwsector. De overige worden ingezet in de sector «handel, diensten en overheidssector» en de sector «industrie». De dieselaggregaten worden ingezet voor tijdelijke stroomvoorziening voor bijvoorbeeld elektrische torenkranen en lichtmasten op de bouwplaats of voor evenementen.
Kunt u aangeven wat de impact van deze dieselaggregaten is op de luchtkwaliteit en op de uitstoot van CO2?
De uitstoot van dieselaggregaten bedroeg in 2021 in totaal 2,1 kton stikstofoxiden, 0,13 kton fijnstof en 0,235 Mton CO2 2. De totale uitstoot van stikstofoxiden (NOx) op Nederlands grondgebied bedroeg in 2021 313,3 kton en van fijnstof (PM2,5) 15,9 kton3. Ten opzichte van deze totale Nederlandse uitstoot is de impact van dieselaggregaten op de grootschalige achtergrondconcentratie van luchtvervuilende stoffen dus beperkt (minder dan 1%). Ook de uitstoot van CO2 is naar verhouding beperkt. Lokaal kunnen dieselaggregaten echter wel significante impact hebben op de concentraties van luchtverontreinigende stoffen op leefniveau. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de situatie dat, zoals vermeld in de RIVM-bron4 die wordt aangehaald in de vragen, een dieselaggregaat wekenlang vlak bij de gevel van woningen wordt opgesteld vanwege (ver)bouwwerkzaamheden. De lokale impact op leefniveau hangt dan onder meer af van de emissie-kenmerken van de bron, de duur van de uitstoot en de afstand tot de bron.
Is het juist dat gemeenten bijvoorbeeld bij de aanbesteding van bouwprojecten en in de vergunningverlening voor evenementen eisen kunnen stellen aan de uitstoot van aggregaten1? In hoeverre maken gemeenten daar ook daadwerkelijk gebruik van? Kunt u dit in beeld brengen?
Het is juist dat bij openbare aanbestedingen en evenementen eisen kunnen worden gesteld aan dieselaggregaten. Bij openbare aanbestedingen gaat het dan om het stellen van eisen voor Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). Voor uitbestedingen met mobiele machines zijn specifieke MVI-criteria opgesteld met emissie-eisen waaraan moet worden voldaan6. Bij vergunningverlening voor evenementen kunnen gemeenten eisen stellen aan de stroomopwekking met aggregaten, al betreft dit veelal de geluidproductie en lekdichtheid van de brandstofopslag. Gemeenten maken niet veel gebruik van deze mogelijkheden om de inzet schone en emissievrije aggregaten te vereisen. Dieselaggregaten worden nog altijd op grote schaal toegepast.
Welke andere mogelijkheden hebben gemeenten (en andere overheden) om het gebruik van alternatieven voor dieselaggregaten te bevorderen of voor te schrijven?
Een andere mogelijkheid voor gemeenten om het gebruik van dieselaggregaten tegen te gaan, is het invoeren van een milieuzone voor mobiele werktuigen. In het Schone Lucht Akkoord is afgesproken om onderzoek te doen naar milieuzones voor mobiele werktuigen die worden ingezet, onder andere voor de logistiek, evenementen, groenbeheer, infra- en bouwwerken. Om te voorkomen dat vervuilende dieselaggregaten nodig zijn, hebben gemeenten verder de mogelijkheid om een goede stroomvoorziening te realiseren op locaties waar regelmatig evenementen worden gehouden. Met een goede stroomvoorziening hoeven geen vervuilende dieselaggregaten te worden toegepast. Bij de inzet van dieselaggregaten in de nabijheid van Natura 2000 moet door het bevoegd gezag, veelal de provincie, een natuurvergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) worden afgegeven, als er een risico is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast. Met de bevoegdheid om natuurvergunningen af te geven, hebben provincies een belangrijk middel in handen om de inzet van schone en emissieloze aggregaten te stimuleren.
Klopt het dat de Europese normen voor dieselaggregaten achterlopen in vergelijking met normering voor het wegverkeer? Welke stappen worden er gezet om daar verandering in te brengen?
Wat betreft de uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof klopt het voor kleinere en zeer grote dieselaggregaten dat de normering achterloopt bij het wegverkeer. Voor middelgrote en zwaardere dieselaggregaten klopt dit echter niet.
De meest recente emissie-eisen voor dieselaggregaten zijn de zogeheten Stage V normen voor mobiele machines7. Deze eisen zijn afhankelijk van het vermogen van de motor. Voor middelgrote en zwaardere motoren (vermogen tussen 56 – 560 kW) zijn de Stage V normen gelijkwaardig aan de huidige Euro-VI normen voor vrachtwagen. De testprocedures en controles zijn voor deze Stage V motoren echter wel minder veeleisend dan voor vrachtwagens. Voor kleinere aggregaten (vermogen lager dan 56 kW) en de meest zware aggregaten (vermogen hoger dan 560 kW) gelden minder strenge eisen. In het bijzonder voor de meest kleine dieselaggregaten (vermogen kleiner dan 19 kW) gelden zeer ruime eisen.
Er zijn geen Europese normen voor de CO2-uitstoot van mobiele werktuigen. Wat betreft normering van de CO2-uitstoot loopt deze dus voor alle motorgrootten achter bij het wegverkeer.
Met het oog op aanscherping van de normen heeft TNO de afgelopen jaren in opdracht van het Ministerie van IenW meetonderzoek uitgevoerd naar de praktijkuitstoot van mobiele machines. Dit onderzoek, dat aan uw Kamer is toegestuurd8, laat zien dat de kleinere en de meest grote Stage V motoren nog sterk vervuilend zijn. De Europese Commissie heeft de bevoegdheid om met een voorstel voor aanscherping van de emissie-eisen voor mobiele machine te komen. Eerst wil de Commissie echter de nieuwe Euro-7 eisen voor vrachtwagens afhandelen. Nederland heeft aanscherping van emissie-eisen voor mobiele machines in januari 2023 in Genève op de agenda gezet van de UNECE. Daarnaast heeft Nederland in EU-verband de urgentie aangekaart om Europese CO2-normen voor mobiele machines te ontwikkelen.
Bent u bekend met het feit dat er goede alternatieven zijn voor dieselaggregaten (zoals batterijen, brandstofcellen en generatoren die op duurzame brandstoffen draaien) die veel minder of geen uitstoot hebben en ook kunnen zorgen voor verduurzaming van de energievoorziening? In hoeverre en op welke wijze worden deze alternatieven in het overheidsbeleid bevorderd?
Ik ben bekend met deze alternatieven met veel minder of geen uitstoot. Een prima aanpak om de uitstoot terug te dringen is echter ook om voor de stroomvoorziening op bouwplaatsen en bij festivals geen gebruik te maken van aggregaten maar van het elektriciteitsnet. In de bouw worden alternatieven voor vuile dieselaggregaten bevorderd door middel van de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel (SSEB)9. Deze regeling is beschikbaar om uitstootvrije alternatieven voor aggregaten aan te schaffen. De regeling voorziet tevens in het naderhand uitrusten van bestaande dieselaggregaten met een speciale katalysator om de uitstoot van stikstofoxiden terug te dringen. Voorwaarde hiervoor is dat het aggregaat is uitgerust met een roetfilter. Daarnaast worden door de regeling innovatieve ideeën ondersteund voor uitstootvrije bouwmachines en voor verbetering van de benodigde laadinfrastructuur op bouwplaatsen.
Bent u bereid om een strategie te ontwikkelen voor het vervangen van dieselaggregaten door schonere alternatieven met daarin een combinatie van normerende en stimulerende maatregelen?
Het grootste deel van de dieselaggregaten (ca. 75%) wordt ingezet voor de bouw. Voor verduurzaming van deze aggregaten werk ik samen met de bouwsector, medeoverheden en kennisinstellingen aan één gezamenlijk gedragen routekaart voor de inzet van schone en emissieloze bouwwerktuigen. Stationaire werktuigen zoals dieselaggregaten en pompen maken onderdeel uit van deze routekaart. In de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) wordt beschreven hoe de doelstellingen op het gebied van natuur (stikstof), klimaat (CO2) en gezondheid (fijnstof en stikstof) kunnen worden gehaald door steeds slimmer en meer schoon en emissieloos bouwmaterieel in te zetten. In een bijbehorend Convenant maken de rijksoverheid, sectorpartijen en medeoverheden afspraken over de uitvoering van de maatregelen uit de routekaart. Zodra de routekaart SEB definitief is en het convenant ondertekend, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u daarnaast ook bereid om met alle netbeheerders af te spreken dat zij binnen drie jaar geen dieselaggregaten meer gebruiken op bouwlocaties en andere plekken waar zij actief zijn?
Zoals aangeven in het antwoord op de vorige vraag worden in het convenant afspraken gemaakt met de bouwsector en met medeoverheden. Netbeheerders zijn niet verantwoordelijk voor de inzet van dieselaggregaten op bouwlocaties. Wel moeten zij voor de netcapaciteit zorgen als geen gebruik wordt gemaakt van aggregaten. In de routekaart SEB wordt voor de afspraken over de inzet van emissieloze aggregaten gekeken naar een termijn van ca. 5 jaar met aanvullend voor vergunningen een overgangsregeling voor nieuw stage V materieel van nog eens ca. 5 jaar (in totaal dus ca. 10 jaar). Een termijn van 3 jaar is te kort om in de bouw alle dieselaggregaten door emissievrije toepassingen en netwerkaansluitingen te vervangen.
De jacht op verwilderde huiskatten |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wilde katten zijn hun leven niet zeker met jager Titus Sijmonsma in de buurt. «Het zijn lustmoordenaars»»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Bent u ervan op de hoogte dat in 2013 op initiatief van voormalig Kamerlid Thieme de Tweede Kamer het kabinet reeds opriep tot het niet langer toestaan van de jacht op katten? Hoe is het mogelijk dat tien jaar later de jacht op katten nog altijd kan plaatsvinden?
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Omdat katten niet zijn opgenomen op de lijst van bejaagbare soorten beschreven in artikel 3.20, tweede lid van de Wet natuurbescherming, is de jacht op katten niet toegestaan. In het kader van schadebestrijding is het beheer van katten wel mogelijk. Zoals eerder aan uw Kamer geantwoord, is het beheer van zwerfkatten een verantwoordelijkheid van de provincies (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 165).
Afhankelijk van de specifieke lokale problematiek biedt artikel 3.18, vierde lid van de Wet natuurbescherming provincies de mogelijkheid opdracht te verlenen voor afschot van zwerfkatten. De provincie Friesland is de enige provincie waar momenteel zwerfkatten worden afgeschoten. Deze provincie heeft een grote verantwoordelijkheid voor zogeheten grondbroeders, met name weidevogels, en wil vanuit die verantwoordelijkheid de predatiedruk, waaronder die door katten, aanpakken.
Wat dacht u toen u hoorde dat jaarlijks meer dan 250 katten in de provincie Friesland worden doodgeschoten?
Het doodschieten van katten vind ik verdrietig. Helaas is afschot van predatoren, waaronder katten, soms nodig om kwetsbare (vogel)soorten te beschermen. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is het beheer van zwerfkatten een provinciale verantwoordelijkheid. De provincie maakt een zorgvuldige afweging alvorens over te gaan tot afschot. Men gaat hierbij niet over één nacht ijs en afschot wordt toegepast als een laatste schakel binnen een bredere aanpak van zwerfkatten. Ik vertrouw erop dat de provincie het afschieten noodzakelijk heeft geacht voor de bescherming van grondbroeders.
Kunt u bevestigen dat de teruggang van het aantal weidevogels met name wordt veroorzaakt door de intensieve landbouw, het kunstmatig verlagen van de grondwaterstanden en de slechte staat van de biodiversiteit?
De teruggang van het aantal weidevogels is grotendeels het gevolg van menselijk ingrijpen in het leefgebied. Het betreft de oprukkende verstedelijking, opeenvolgende ruilverkavelingen, de intensivering van de landbouw en het verlagen van (grond)waterpeilen. Daarnaast speelt de toegenomen predatiedruk een rol. Zoals eerder aan uw Kamer geantwoord (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1981), heeft het voorkomen van predatie bij weidevogels, door onder andere katten, in toenemende mate prioriteit bij beschermingsmaatregelen van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
Door het verlies van geschikt leefgebied, de afname in beschikbaarheid van voedsel voor kuikens en de toegenomen predatiedruk worden de voortplantings- en overlevingskansen van weidevogels steeds beperkter.
Is er onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek dat vaststelt dat er een positieve werking uitgaat van het afschot van verwilderde huiskatten (felis catus)? Zo ja, kunt u die bevindingen met de Kamer delen? Zo nee, vormt dat voor u aanleiding om de jacht op de felis catus te verbieden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan predatie door (zwerf)katten in het huidige systeem, in combinatie met andere drukfactoren, een aanzienlijk effect hebben op weidevogels. Het onderzoek dat momenteel in mijn opdracht wordt uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), naar aanleiding van de motie van het lid Van den Anker (CDA; Kamerstuk 35 616, nr. 5, invulling aan gegeven via de brief met Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 21), zal dit kwantificeren en de effectiviteit van ingrijpen in de aantallen toetsen. Het onderzoek is afgerond in 2025. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af en zal deze met uw Kamer delen.
Op dit moment is er daarom voor mij geen aanleiding om het afschieten van zwerfkatten te verbieden. Het afschieten van katten is een provinciale bevoegdheid, waarbij provincies binnen de wettelijke kaders kunnen besluiten dit toe te passen.
Deelt u de mening dat, gelet op het feit dat een kat een territoriumdier is, het vangen, steriliseren, chippen en terugplaatsen van verwilderde huiskatten de voorkeur verdient boven afschot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, tot welke maatregelen brengt deze bevinding u?
Het vangen, steriliseren, chippen en terugplaatsen van verwilderde huiskatten is een manier om de populatie zwerfkatten te beheersen. Deze wordt momenteel met name door zwerfdierstichtingen in Nederland uitgevoerd. Na het terugplaatsen van de zwerfkatten in de natuur is predatie van kwetsbare (vogel)soorten nog steeds mogelijk. In het hierboven genoemde onderzoek van de RUG worden de effecten van predatie op weidevogels gekwantificeerd. De uitkomsten van dat onderzoek maken een betere onderbouwing mogelijk voor de eventuele keuze voor een maatregel. Ook laat ik onderzoek uitvoeren naar het aantal zwerfkatten in Nederland, zodat op termijn beter kan worden ingeschat of en welke maatregelen effect hebben.
Bent u het eens dat de huiskat en de verwilderde huiskat dezelfde soort vormen (felis catus) en daarmee moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden, zodat het toestaan van afschot van verwilderde katten het risico in zich draagt dat huisdieren worden geschoten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze voorkomt u dat huisdieren worden afgeschoten?
Huiskatten en verwilderde (huis)katten zijn dieren van dezelfde soort. Onderscheid tussen beide categorieën, zeker op enige afstand, zal daarom niet eenvoudig zijn. Het is niet uit te sluiten dat een huiskat gedood wordt. Het beheer van zwerfkatten is een verantwoordelijkheid van de provincies. Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 3, wordt in het veld een zeer zorgvuldige beoordeling gemaakt alvorens over te gaan tot afschot van een kat. Dat het dier mogelijk een eigenaar heeft, is ook een aspect dat meegenomen wordt in die beoordeling. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de schuwheid van het dier. Om een zwerfkat te kunnen onderscheiden van een huiskat heeft een eigenaar de mogelijkheid om het dier een halsbandje of kattenkraag om te doen, zodat de kat herkenbaar is als zijnde een gehouden dier. Op dit onderdeel van verantwoord houderschap stuurt het ministerie reeds jaren aan.
Deelt u de mening dat als gevolg van de voorgenomen chipplicht van defelis catus afschot van katten in alle gevallen zou moeten worden voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De verplichte identificatie en registratie van huiskatten zal helpen bij het tegengaan van zwerven en verwilderen van huiskatten. Het hebben van een chip kan uitsluitsel geven of het gevangen dier een huiskat of zwerfkat betreft. Katteneigenaren kunnen beter worden gewezen op hun verantwoordelijkheid wanneer zij hun dieren in de natuur laten lopen. Echter, de chip die bij een kat onder de huid wordt aangebracht, is van de buitenkant niet zichtbaar. De chipplicht zal in het veld, op afstand, dus niet helpen om op afstand te kunnen onderscheiden of een loslopende kat een huiskat of een zwerfkat is. Het onderscheid tussen een huiskat en een zwerfkat zal alsnog op basis van andere uiterlijke of gedragskenmerken gemaakt moeten worden.
Is het waar dat de felis catus in slechts één provincie bejaagbaar is?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is de jacht op de huiskat niet toegestaan. Het beheer van zwerfkatten is een provinciale verantwoordelijkheid. Alleen de provincie Friesland staat momenteel afschot van katten toe in het kader van beheer en schadebestrijding.
Bent u bereid om op korte termijn een landelijke regeling op te stellen, waarin is opgenomen dat katten categorisch niet mogen worden bejaagd ter bescherming van zowel de huiskat (felis catus) als de beschermde wilde kat (felis silvestris)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De Wet dieren en de Wet natuurbescherming bieden voldoende wettelijke kaders om de huiskat en de wilde kat te beschermen. Aanvullende regelgeving is derhalve niet nodig. Uit data van de Zoogdiervereniging2 blijkt dat de wilde kat (Felis silvestris) in Nederland zeer zeldzaam is. Tussen 1990 en 2023 is het dier slechts enkele keren in Zuid-Limburg en Zuid-Oost-Brabant waargenomen. Het zijn zeer schuwe dieren die niet lijken op verwilderde huiskatten of zwerfkatten. Ik acht het daarom zeer onwaarschijnlijk dat er in de provincie Friesland per ongeluk wilde katten worden afgeschoten.
Gemeenten die voor een dilemma staan over de hoge energiekosten van schaatsbanen. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat gemeenten door de hoge energieprijzen voor de keuze staan om ofwel schaatsbanen te sluiten, ofwel tonnen bij te moeten storten?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de energie-uitgaven van de 21 verschillende Nederlandse schaatsbanen in de jaren 2021 en 2022, zo mogelijk aangevuld met de prognose van de kosten in 2023? Kunt u daarnaast per schaatsbaan aangeven wanneer de huidige energiecontracten aflopen?
Ik kan dit overzicht in algemene zin geven. In Nederland zijn 21 kunstijsbanen, waarvan er negentien te maken hebben of gaan krijgen met stijgende energiekosten. In de inventarisatie die ik vóór de zomer samen met exploitanten van accommodaties heb uitgevoerd, zijn ook de energie-uitgaven meegenomen van deze negentien kunstijsbanen. De uitgaven van de jaren 2022 en 2023 zijn daarin vergeleken met de uitgaven in het jaar 2019, omdat de jaren 2020 en 2021 vanwege de coronamaatregelen geen representatief beeld geven. In de onderstaande tabel zijn de uitkomsten van die inventarisatie voor de kunstijsbanen weergegeven. De weergegeven stijging betreft de gemiddelde stijging per kunstijsbaan als zij heel 2022 en heel 2023 met hogere energieprijzen te maken zouden krijgen.
Op dit moment heeft nog niet iedere kunstijsbaan met hogere energieprijzen te maken. Ik heb navraag gedaan bij het Platform Ondernemende Sportaanbieders en de Vereniging Kunstijsbanen Nederland over de aflopende energiecontracten. Zij geven aan dat de energiecontracten van zeven kunstijsbanen in 2022 zijn afgelopen. Van twaalf kunstijsbanen loopt het contract nog door, maar loopt dit nog dit jaar af. In Haarlem loopt het energiecontract in 2024 af. De kunstijsbaan in Leiden betreft een nieuwe accommodatie die in september opent, en is klimaatneutraal.
Daarnaast fluctueren energietarieven sterk, waardoor de berekende gemiddelde stijging van energieprijzen niet altijd overeenkomt met de daadwerkelijke situatie van een ijsbaan op dit moment. De inventarisatie is afgerond in augustus 2022, op een moment dat de voorspelde energietarieven voor 2023 op een relatief hoog punt lagen. Sindsdien zijn de energieprijzen gedaald, waardoor de meerkosten per accommodatie over 2023 lager zouden kunnen uitvallen. Ondanks die daling kan gemiddeld per ijsbaan gerekend worden op meerkosten per jaar van ongeveer € 1 miljoen ten opzichte van 2019.
2022
€ 930.000
2023
€ 1.310.000
Op welke wijze voert u de aangenomen motie-Van Dijk/Van der Laan uit, waarin verzocht wordt nauwgezet te monitoren of de aanvullende financiële middelen afdoende zijn om de unieke Nederlandse infrastructuur van verenigingen te ondersteunen?2
In de Kamerbrief van 31 januari jl. heb ik de eerste maandelijkse monitoring naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin heb ik ook aangegeven hoe ik de aangenomen motie van de leden Inge van Dijk/Van der Laan uitvoer.
Wanneer stuurt u de maandelijkse rapportage over deze monitoring naar de Tweede Kamer, zoals verzocht in de aangenomen motie-Van Dijk/Van der Laan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of, en zo ja, welke schaatsbanen ondersteund worden vanuit de aanvullende financiële middelen die u aan gemeenten heeft toegezegd?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 31 januari jl. is het niet mogelijk te monitoren hoe de extra bijstelling op het Gemeentefonds precies door gemeenten wordt ingezet. Wel begrijp ik van de VSG dat goed overleg plaatsvindt tussen kunstijsbanen die ondersteuning nodig hebben en de betreffende gemeenten.
Herkent u het signaal van de schaatsbond KNSB dat sluiting acuut dreigt bij een à twee schaatsbanen? Bent u met de betreffende gemeenten in contact over de mogelijkheden om deze banen open te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het signaal. De Vereniging Sport en Gemeenten organiseert overleggen tussen de gemeenten met een kunstijsbaan waarin ook de mogelijkheden tot ondersteuning worden besproken. De VSG geeft aan dat de betreffende gemeenten ook al in gesprek zijn met deze schaatsbanen over de mogelijkheden om deze banen open te houden. Daarnaast verken ik de mogelijkheden om de verduurzaming in de sport te versnellen, zowel voor sportaanbieders als voor energie-intensieve accommodaties als ijsbanen.
Kunt u aangeven op welke wijze u voornemens bent uw toezegging na te komen om samen met de andere stakeholders te voorkomen dat Thialf de deuren moet sluiten?
Thialf is een belangrijke accommodatie in het Nederlandse topsportaccommodatielandschap. Het is belangrijk dat goed gekeken wordt naar een toekomstbestendige en duurzame exploitatie. Eerder heb ik op basis van een amendement3 van uw Kamer € 1.000.000,- overgemaakt voor de noodzakelijke vervangingsinvesteringen. Daarnaast heb ik in december 2022 nogmaals € 1.000.000,- toegezegd4 voor duurzaamheidsinvesteringen.
Thialf werkt op dit moment samen met aandeelhouders en het bedrijfsleven de plannen voor een duurzame exploitatie verder uit. Ik heb de betrokken partijen aangegeven dat ik ook in de toekomst graag in gesprek blijf over de ontwikkelingen hiervan en welke bijdrage het Rijk daar mogelijk aan wil leveren.
Klopt het dat u in gesprek bent met de gemeente Heerenveen over aanvullende financiering voor Thialf, bovenop de eerder toegezegde 1 miljoen euro? Wat is hiervan de stand van zaken?3
Het klopt dat ik met Thialf in gesprek ben over de benodigde investeringen voor een toekomstbestendige exploitatie van het schaatsstadion. De eerder toegezegde € 1.000.000,- dient te worden ingezet voor een duurzaamheidsinvestering, die op korte termijn gerealiseerd kan worden. Ik blijf ook voor duurzaamheidsinvesteringen op de langere termijn graag in gesprek en ben bereid te bezien welke bijdrage het Rijk hiervoor wil en kan doen. Daarvoor is het wel van belang dat de plannen concreet zijn en cofinanciering vanuit overige partijen gedekt is.
Op welke wijze zorgt u ervoor dat de innovatieve ideeën voor energiebesparende maatregelen die Thialf heeft ontwikkeld beschikbaar gesteld worden aan alle andere schaatsbanen? Wat is hiervan de stand van zaken?4
Met name bij energie-intensieve sportaccommodaties is het, gezien de opgelopen energiekosten, belangrijk dat gekeken wordt hoe energie bespaard en duurzaam opgewekt kan worden. Daarvoor lopen op dit moment verschillende innovaties, ook voor kunstijsbanen. Door NOC*NSF, de KNSB en de Vereniging Kunstijsbanen Nederland is een «Taskforce Verduurzaming Kunstijsbanen» opgezet. Deze taskforce is gekoppeld aan de Routekaart Verduurzaming Sport en kennispartners, zoals Sportinnovator, de RVO, Kenniscentrum Sport en Bewegen en de VSG. Door de betrokken partijen wordt op dit moment een actieplan verduurzaming kunstijsbanen ontwikkeld, waarbij aandacht is voor de kennisuitwisseling tussen kunstijsbanen, maar ook voor monitoring en advisering. Via deze route kunnen kunstijsbanen ervaringen en succesfactoren delen met andere kunstijsbanen. Dit actieplan wordt naar verwachting binnen enkele maanden gepubliceerd en ten uitvoering gebracht.
De onacceptabele gezondheidsschade door stikstofuitstoot |
|
Leonie Vestering (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Kuipers , van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat u in antwoord op eerdere Kamervragen heeft geschreven dat in Nederland jaarlijks 7.500 tot 9.000 mensen vroegtijdig sterven door fijnstof in de lucht en dat de landbouwsector is betrokken bij ruim de helft van deze fijnstofconcentraties?1
In antwoorden op vragen aan de Staatssecretaris van IenW is aangegeven dat uit berekeningen van het RIVM voor het in 2020 afgesloten Schone Lucht Akkoord (SLA) blijkt dat ongeveer 7.500 vroegtijdige sterfgevallen aan fijnstof zijn toe te schrijven. Het resultaat van deze berekening, die is uitgevoerd voor het SLA referentiejaar 2016, ligt in dezelfde orde van grootte als het door het Europese Milieuagentschap berekende aantal van 9.000. Het verschil ligt waarschijnlijk aan afwijkende uitgangspunten. Ook is aangegeven dat in principe gesteld kan worden dat de landbouwsector betrokken is bij (ruim) de helft van de fijnstofconcentraties in Nederland.
Kunt u bevestigen dat de betrokkenheid van de landbouwsector bestaat uit de stikstofuitstoot (ammoniak bij secundair fijnstof) en uit deeltjes van mest, veren, huid, haar, voer en strooisel (primair fijnstof)?2
De bron die wordt aangehaald beschrijft inderdaad de bijdrage van de landbouwsector aan primair fijnstof door deeltjes van mest, veren, huid, haar, voer en strooisel. Dezelfde bron beschrijft dat secundair fijnstof niet wordt gevormd in stallen, maar in de atmosfeer. Uitgelegd wordt dat dit secundair genoemd wordt, omdat het pas «in tweede instantie» wordt gevormd. Secundair fijnstof wordt gevormd uit ammoniak (NH3), zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NO en NO2). Gasvormig ammoniak komt uit stallen, mestopslagen en bij het aanbrengen van mest op akkers en weilanden. In de atmosfeer vormen ammoniak en de andere gassen het secundair fijnstof. Secundair fijnstof bestaat vooral uit ammoniumsulfaat en ammoniumnitraat.3
Kunt u bevestigen dat ook de industrie en mobiliteit (inclusief luchtvaart) verantwoordelijk zijn voor de vorming van secundair fijnstof door de uitstoot van stikstofoxiden? Bij welk deel van de fijnstofconcentraties zijn de sectoren industrie en mobiliteit betrokken?
Ik kan bevestigen dat industrie en mobiliteit (inclusief luchtvaart) mede verantwoordelijk zijn voor de vorming van secundair fijnstof door de uitstoot van stikstofoxiden.4 Op basis van berekeningen die het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) jaarlijks uitvoert ten behoeve van de Grootschalige Concentraties en Deposities in Nederland (GCN/GDN), kan gesteld worden dat de bijdrage van de industrie (bijdrage uit binnen- en buitenland) aan de concentratie van PM2.5 (primair en secundair) in de orde van grootte van 15–20% ligt. Datzelfde geldt voor de verkeerssector en voor de (Nederlandse en buitenlandse) landbouw. Tot slot valt 20% in de categorie «Overig», waarbij gedacht moet worden aan de zeescheepvaart, zeezout en bijtellingen.5
Klopt het dat in 2021 de normoverschrijdingen van fijnstof PM10 op landelijk niveau zijn toegenomen ten opzichte van 2020, met name in gebieden met intensieve veehouderij? Hoe beoordeelt u dit?3
Uit de NSL monitoringsrapportage 2022 blijkt inderdaad dat in 2021 de etmaalnorm voor PM10 op 15 toetspunten is overschreden, waar dit in 2020 nog 13 toetspunten betrof. 7
In 2020 en 2021 waren de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide lager in vergelijking met voorgaande jaren. Dit is het gevolg van de lockdownmaatregelen en lagere economische activiteit tijdens de coronapandemie. In 2021 is de economische activiteit toegenomen ten opzichte van 2020 waardoor de concentraties in Nederland ook licht zijn toegenomen. Dit heeft bijgedragen aan de kleine stijging in het aantal overschrijdingen voor PM10 in gebieden met intensieve veehouderij. Dit laat onverlet dat de achtergrondconcentraties naar de toekomst toe naar verwachting verder zullen afnemen.
Kunt u bevestigen dat fijnstof PM2,5 (onder andere gevormd door ammoniak en stikstofoxiden) leidt tot verminderde longfunctie, astma, COPD, longkanker en hart- en vaatziekten?4
Een aantal studies ondersteunen inderdaad een causale relatie tussen luchtverontreiniging en diverse gezondheidseffecten zoals verminderde longfunctie, astma, COPD, longkanker en hart- en vaatziekten. Studies tonen ook aan dat als de blootstelling aan luchtverontreiniging wordt verminderd, de effecten van luchtverontreiniging onder de algemene bevolking ook sterk afnemen.9
Klopt het dat de Wereldgezondheidsorganisatie in 2015 heeft geconcludeerd dat er een significante relatie bestaat tussen fijnstof PM2,5 en longkanker, blaaskanker en leukemie bij kinderen en dat meerdere wetenschappelijke studies een relatie leggen tussen PM2,5 en de toename van borstkanker?
In 2013 heeft de International Agency for Research on Cancer (IARC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) fijnstof als kankerverwekkend voor mensen geclassificeerd10. Het meeste onderzoek is gedaan naar longkanker, maar er komt steeds meer onderzoek beschikbaar naar de relatie met andere vormen van kanker, waaronder blaaskanker, leukemie bij kinderen en borstkanker. In twee recente publicaties wordt ook een relatie tussen borstkanker incidentie en PM2.5 gevonden.11, 12 Een vergelijkbare studie voor Nederland zal door het RIVM worden uitgevoerd.
Klopt het dat Nederland het tweede land ter wereld is waar het vaakst blaaskanker en borstkanker voorkomt? Aan welke factoren wordt dit toegeschreven?5, 6
Het klopt dat het World Cancer Research Fund International rapporteert dat Nederland het tweede land ter wereld is waar de incidentie (aantal nieuwe gevallen per 100.000 personen per jaar) van blaaskanker het hoogst is; voor vrouwen het tweede land, voor mannen het vierde land.15 Het is goed om daarbij te bedenken dat er binnen landen grote regionale verschillen kunnen zijn in de incidentie. Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) beschrijft als belangrijkste risicofactor voor blaaskanker in Nederland roken (rokers hebben ongeveer drie keer zoveel kans op blaaskanker als niet-rokers; 30–40% van de mensen met blaaskanker hebben de ziekte gekregen doordat zij rookten). Ook mensen die veel in aanraking zijn geweest met bepaalde stoffen (aromatische aminen die vroeger gebruikt werken in textiel- en verfindustrie) hebben een verhoogd risico op blaaskanker. Ook kan een erfelijke aanleg een rol spelen.16
Ik kan ook bevestigen dat in het overzicht van het World Cancer Research Fund International Nederland op nummer twee staat van incidentie (aantal nieuwe gevallen per jaar) van borstkanker wereldwijd in 2020.17 Ongeveer 1 op de 7 vrouwen in Nederland krijgt borstkanker in haar leven. Vrouwen met een erfelijke aanleg hebben meer kans om borstkanker te krijgen. Er zijn ook andere risicofactoren bekend, maar die hebben minder invloed op de kans op borstkanker.18 Meer informatie kunt u vinden op www.vzinfo.nl.
Kunt u bevestigen dat u schreef dat het behalen van het stikstofdoel uit het regeerakkoord (50 procent emissiereductie in 2030) tot een aanvullende winst van 15.000 levensjaren kan leiden, bovenop wat kan worden bereikt door de maatregelen uit het Schone Lucht Akkoord (SLA)? Waarom heeft u deze cruciale reden voor stikstofreductie vooralsnog niet benadrukt in het stikstofdebat?7
Dat klopt. Deze aantallen zijn berekend op basis van het behalen van het in het regeerakkoord genoemde stikstofdoel (50 procent emissiereductie in 2030).20 Elke inwoner van Nederland moet in schone lucht kunnen leven. Ook met het SLA zetten wij in op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit. De voortgangsmeting van het SLA, die in maart 2022 aan de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien dat ook als gevolg van het SLA de luchtkwaliteit in Nederland verbetert. Een verbetering van luchtkwaliteit en gezondheidswinst wordt via zowel het SLA als het stikstofdoel bereikt.
De nadruk in het stikstofdebat ligt vooral op het herstel van de natuur, vergunningverlening en de reductieopgaven van de sectoren. Echter wordt ook in het stikstofdebat en de communicatie over de opgaven binnen het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) benadrukt dat de transtitie veel maatschappelijke belangen dient, zoals de gezondheid van mensen en het belang van schone lucht. In het NPLG zijn daarom ook meekoppelende structurerende keuzes opgenomen die gaan over het verbeteren van de gezondheid voor omwonenden, verminderen van risico’s op verspreiding dierziekten en zoönosen, en de vermindering van fijnstof en geurhinder.
Vindt u deze gezondheidswinst ook cruciaal? Zo ja, wat is uw inzet om deze stikstof- en luchtkwaliteitsdoelen daadwerkelijk te realiseren?
Ja, dat vind ik cruciaal. Daarom zijn de doelen van het NPLG zodanig opgesteld dat we kunnen borgen dat Nederland een land is met schoon drinkwater, een schone bodem en een schone lucht en werk ik hard aan het behalen van deze doelen. Met het NPLG stuur ik op deze doelen en zal ook het doel voor stikstof bereikt worden. Daarmee zorgen we voor een gezondere leefomgeving. Zoals ik in de vorige vraag heb geantwoord, hebben we naast de doelen ook meekoppelende structurende keuzes opgenomen in het NPLG, die gaan over het verbeteren van de gezondheid voor omwonenden, verminderen van risico’s op verspreiding dierziekten en zoönosen, en de verminder van fijnstof en geurhinder. Naast het NPLG wordt met de uitvoering van het SLA, alsook de inzet op maatwerkafspraken met grote emittenten van luchtverontreinigende stoffen hard gewerkt aan het realiseren van gezondheidswinst.
Beaamt u dat de huidige stikstofaanpak, met onder andere het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), alleen is gericht op het ontlasten van natuurgebieden en niet op het verbeteren van de volksgezondheid, omdat het verplaatsen van vervuilende bedrijven tot de maatregelen behoort?
Nee, dat beaam ik niet. Het NPLG brengt belangen van de boeren, natuur, water en klimaat samen met het oog op een vitaal platteland. Waarom we deze belangen en doelen samenbrengen draait in de kern om onze leefbaarheid en gezondheid, waarbij dus ook aandacht is voor factoren die hierop van invloed kunnen zijn, zoals de uitstoot van fijnstof, ervaren geurhinder en andere effecten van veehouderij.21
In de startnotitie NPLG is opgenomen dat het uitgangspunt voor de integrale gebiedsprogramma’s moet zijn dat er in elk geval geen (lokale) verslechtering optreedt in luchtkwaliteit en leefbaarheid (inclusief geurhinder) en waar mogelijk een verbetering. Dit uitgangspunt voorkomt dat luchtkwaliteit plaatselijk verslechtert door het verplaatsen van bedrijven.22 De handreiking voor de gebiedsprogramma’s van het NPLG werkt dit uit voor de eerder genoemde meekoppelende structurerende keuzes (zie vraag 9). Het gaat hier onder meer om geadviseerde afstandscriteria tussen veehouderijen en woonkernen die grotendeels in lijn zijn met de afstandsnormen uit de Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden van InfoMil. In vervolgcommunicatie zal ook in meer detail worden ingegaan op hoe gebiedsprogramma’s om kunnen gaan met het risico op uitbraken met en verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers bij het onder meer verplaatsen van bedrijven.
Beaamt u dat bij het verplaatsen van veehouderijen weg van natuurgebieden het risico reëel is dat deze veehouderijen dichter in de buurt van woonkernen komen waarmee ze de volksgezondheid verder belasten? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Het verkleinen van de afstand van veehouderijen tot woonkernen leidt tot hogere blootstelling aan fijnstof en geurhinder. De concentraties nemen af naarmate de afstand tot veehouderijen groter wordt. Onderzoek in Nederland heeft aangetoond dat het risico op longontsteking significant is verhoogd bij omwonenden van geitenhouderijen en, hoewel minder consistent, ook rondom pluimveehouderijen. De specifieke oorzaak voor de gevonden associatie bij geitenbedrijven blijft vooralsnog onduidelijk.23 Op basis van de diverse onderzoeken is nog onvoldoende duidelijk over het oorzakelijke karakter van de gevonden verbanden, maar de risico’s zijn voldoende aannemelijk om handelen uit voorzorg te rechtvaardigen. In de handreiking van het NPLG zijn adviezen opgenomen voor de meekoppelende structurerende keuze op het terrein van volksgezondheid. Deze gaan ook in op concrete afstandsmaten tussen veehouderijen en woonkernen. Door een specifieke afstand te noemen, stimuleert de overheid dat in situaties met een mogelijk risico voor de publieke gezondheid, gezondheid wordt meegewogen in de besluitvorming.
Deze adviezen zijn grotendeels in lijn met de afstandsnormen uit de Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden van InfoMil. Deze handreiking bestaat sinds 2019 en is bedoeld om decentrale overheden te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden.
Gaat u het verplaatsen van vervuilende bedrijven, waaronder veehouderijen, schrappen als maatregel uit de stikstofaanpak, omdat dit neerkomt op het verplaatsen van problemen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ga ik niet schrappen omdat verplaatsing naar bepaalde plekken wel degelijk kan, mits dit passend is bij de kenmerken van dat gebied. Als er wordt gekozen voor verplaatsing moet er een bijdrage worden geleverd aan het komen tot doelbereik. Dit kan het geval zijn aangezien de depositie op een specifiek natuurgebied afneemt door de verplaatsing. Dit is gebiedsgericht maatwerk. Provincies zullen aan de hand van structurerende keuzes van het NPLG de ruimtelijke puzzel gaan leggen samen met de partners in het gebied. Ook geurhinder en fijnstof worden daarin meegenomen (zie vraag 10).
Deelt u de zorg over het feit dat deelname aan het SLA, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat, volledig vrijwillig en niet juridisch bindend is waardoor er geen garantie is dat de maatregelen voor een betere luchtkwaliteit, waaronder stikstof, daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd en effect zullen hebben? Zo ja, wat is uw inzet om de maatregelen uit het SLA verplicht te stellen?
Het Schone Lucht Akkoord is vrijwillig maar niet vrijblijvend. De meer dan 100 deelnemers aan het Akkoord moeten de maatregelen uit het Akkoord uitvoeren zoals is afgesproken. Met meer dan 90 aangesloten gemeenten24, woont de meerderheid van mensen in Nederland in een gemeente die bij het SLA aangesloten is. Ook zijn zowel alle provincies als het Rijk deelnemers aan het Akkoord. Maatregelen op landelijk niveau hebben een positief effect op iedereen in Nederland.
Het blijft belangrijk om zicht te houden op de uitvoering en resultaten van het SLA. Daarom moeten alle deelnemers aan het Akkoord elk jaar over de voortgang van hun maatregelen rapporteren. Ook berekent het RIVM om het jaar het verwachte doelbereik van het SLA. Op basis van deze stappen kan het Akkoord gaandeweg bijgestuurd worden, als dat nodig blijkt.
Het spoedig uitkeren van de energietoeslag 2023 |
|
Senna Maatoug (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() ![]() |
Kent u de berichten «Gemeenten willen energietoeslag 2023 eerder uitkeren»1 en «Wet energietoeslag 2023 waarschijnlijk in juni van kracht»2?
Ja, ik heb kennisgenomen van beide berichten.
Hoe verhoudt uw oproep aan gemeenten om spoedig de energietoeslag 2023 uit te keren met het nieuws dat gemeenten pas over zes maanden de energietoeslag kunnen gaan uitkeren?
In september 2022 heeft het kabinet gemeenten de mogelijkheid geboden om 500 euro van de energietoeslag 2023 aan de energietoeslag 2022 toe te voegen. Gemeenten kunnen onder de huidige wetgeving de energietoeslag 2022 tot 1 juli 2023 uitkeren.
Overigens wil ik hierbij wel benadrukken dat gemeenten er ook voor kunnen kiezen zowel voor 2022 als voor 2023 1.300 euro energietoeslag te verstrekken.
Bent u op de hoogte dat verschillende gemeenten alles in het werk hebben gesteld om begin 2023 de energietoeslag 2023 uit te keren en tussen kerst en oud en nieuw te horen hebben gekregen dat ze een half jaar moeten wachten voordat ze hun inwoners kunnen ondersteunen? Zo ja, bent u van mening dat dit toch een ongewenste maatschappelijke ontwikkeling is?
Van een aantal gemeenten heb ik begrepen dat zij de energietoeslag voor 2023 wilden uitkeren vooruitlopend op de nieuwe wet die de bevoegdheid daarvoor regelt. Vanwege de staatsrechtelijke positie van de Staten-Generaal als medewetgever, wordt slechts bij uitzondering geanticipeerd op wetgeving die nog in voorbereiding is. In mijn ogen zijn er nu onvoldoende redenen die het anticiperen op de nieuwe wet rechtvaardigen.
Door de getroffen koopkrachtmaatregelen die sinds 1 januari jl. zijn ingegaan, zoals het prijsplafond voor energie, de verhoging van de huur- en zorgtoeslag, de kinderbijslag, het kindgebonden budget en het wettelijk minimumloon, is de situatie nu anders dan vorig jaar. Ook hebben gemeenten, zoals genoemd, de mogelijkheid om 500 euro eerder uit te keren, om zo kwetsbare huishoudens extra te ondersteunen. Tevens kunnen kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening die in aanmerking komen voor steun, vanaf 7 februari 2023 terecht bij een noodfonds energie, een initiatief van energieleveranciers en maatschappelijke organisaties. Dit fonds betaalt onder voorwaarden voor deze huishoudens een deel van de energierekening. Met deze maatregelen worden kwetsbare huishoudens die dat nodig hebben ondersteund.
Wat betekent dit voor gemeenten die alle energietoeslag van 2022 al uitgekeerd hebben? Hoeveel gemeenten zijn dit? Wat betekent dit voor de inwoners van deze gemeenten?
Gemeenten die hun volledige energietoeslag 2022 reeds uit hebben gekeerd, kunnen de energietoeslag voor 2023 uitkeren na inwerkingtreding van de nieuwe wetswijziging. Voor inwoners van deze gemeenten betekent dit dat zij in de tweede helft van 2023 nogmaals een energietoeslag ontvangen, als zij aan de voorwaarden voldoen. Afhankelijk van de keuze van de gemeente is de hoogte van de toeslagen 1.800 euro voor 2022 en 800 euro voor 2023 of 1.300 euro voor beide jaren. Gelet op de beleidsvrijheid van gemeenten, heb ik geen zicht op hoeveel gemeenten de volledige energietoeslag in 2022 hebben uitgekeerd.
Bent u het met ons eens dat gemeenten wellicht een andere keuze hadden gemaakt als zij hadden geweten dat er in 2023 pas vanaf (waarschijnlijk) juni opnieuw energietoeslag kan worden uitgekeerd?
Het zou kunnen dat sommige gemeenten een andere keuze hadden gemaakt. In mijn contacten met gemeenten zie ik dat er verschillende overwegingen en behoeften spelen. Er zijn ook gemeenten die aangeven dat het in één keer uitkeren van de toeslag nadelen kan hebben. Zo zou een periodieke (gespreide) uitkering in hun optiek beter passen bij periodiek terugkerende (energie)kosten. De reden om een deel van de energietoeslag 2023 naar voren te halen, was dat de nood voor inwoners eind 2022 hoger was. Vanaf 2023 zijn namelijk verschillende maatregelen genomen die de financiële gevolgen van de hoge energieprijzen drukken.
Ziet u ook dat dit opnieuw leidt tot onzekerheid voor mensen die deze toeslag echt nodig hebben om rond te kunnen komen?
Voorop staat dat mensen met een laag inkomen worden ondersteund bij het betalen van de energierekening. Zij kunnen rekenen op de energietoeslag als zij aan de voorwaarden voldoen. Gemeenten informeren hun inwoners hierover, bijvoorbeeld via brieven en/of de gemeentelijke website. Veel gemeenten hebben circa 90% van de doelgroep bereikt.
Daarnaast is er sinds januari jl. een groot pakket aan maatregelen in werking om de onzekerheid voor huishoudens te beperken.
Ziet u ook dat de continuïteit van de bedrijfsprocessen, die gemeenten de afgelopen tijd op stel en sprong hebben ingericht, hierdoor spaak kan gaan lopen? Wat vindt u hiervan?
Uiteraard heb ik begrip voor de uitvoeringsprocessen van gemeenten. Echter, naast het punt van de uitvoering van de energietoeslag, spelen ook andere overwegingen mee bij het al dan niet mogen anticiperen op de nieuwe wet. Dit licht ik toe bij vraag 8. Kort gezegd is de situatie dit jaar anders, omdat er een breed pakket aan koopkrachtmaatregelen is getroffen. Daarmee is de noodzaak voor anticiperen onvoldoende te rechtvaardigen.
Bent u bereid gemeenten, net als in 2022, vooruitlopend op de nieuwe wettelijke regeling de ruimte te geven om de energietoeslag al begin 2023 uit te keren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u op korte termijn dit onomwonden aan gemeenten laten weten, zodat zij niet in problemen komen met de rechtmatigheid van deze uitgaven?
De overwegingen van gemeenten begrijp ik om de energietoeslag vooruitlopend op de nieuwe wet, te willen uitkeren. Maar 2023 is echt een andere situatie dan 2022. Begin 2022 heb ik gemeenten gevraagd om te starten met de uitvoering van de energietoeslag voor 2022, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet. Er was toen sprake van een uitzonderlijke situatie door de plotseling enorme stijging van de gasprijzen. Hierdoor dreigden minima in acute financiële problemen te komen. Dat rechtvaardigde het al uitvoeren van de wet voordat die in werking was getreden en voordat het Parlement zich hierover uit had kunnen spreken. Door onder andere de koopkrachtmaatregelen die ik in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, is de huidige situatie nu anders dan vorig jaar. Mijn inzet is er nu op gericht om het totstandkomingsproces van de wet zo snel mogelijk te doorlopen.
Hoe wilt u zorgen dat gemeenten uit eigen middelen de inwoners met een inkomen boven 120% van het sociaal minimum een variant op de energietoeslag kunnen verstrekken, zonder dat de ontvangers in de knel kunnen komen met andere toeslagen?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het bepalen van de inkomensgrens voor de doelgroep voor de energietoeslag. De hoogte van die inkomensgrens die gemeenten hanteren voor de doelgroep, heeft geen invloed op de belastbaarheid van de energietoeslag. De energietoeslag 2023 mag onbelast worden uitgekeerd, omdat het een eenmalige uitkering is. Dit betekent dat energietoeslag geen gevolgen heeft voor de inkomensbepaling van andere fiscale toeslagen.
Ook kan de energietoeslag buiten beschouwing worden gelaten bij vaststelling van het vermogen, bij een verzoek voor kwijtschelding van gemeentelijke- en waterschapsbelastingen. Aanpassing van de Leidraad Invorderen 20083 voorziet gemeenten van een grondslag om de energietoeslag, als deze op de spaarrekening opzij is gezet, niet mee te tellen als vermogen. Dit geldt ook met terugwerkende kracht vanaf 2022.
Is het u bekend dat de extra middelen die u gemeenten heeft verstrekt voor de uitbetaling van de energietoeslag bij een flink aantal gemeenten niet voldoende blijkt? Hoeveel gemeenten zijn dit en hoe groot zijn de tekorten? Hoe gaat u deze tekorten bijpassen, zodat gemeenten de energietoeslag niet uit eigen middelen hoeven te betalen?
De middelen voor de eenmalige energietoeslag 2022 zijn via het gemeentefonds verdeeld. Inherent aan deze systematiek is dat gemeenten naderhand geen verantwoording hoeven af te leggen over de besteding van de middelen. Dit brengt beleids- en bestedingsvrijheid met zich mee voor gemeenten. Een deel van de gemeenten heeft aangegeven middelen te kort te komen voor de energietoeslag. Tegelijkertijd zijn er gemeenten die aangeven goed uit te komen of middelen over te hebben. Er zijn geen aanwijzingen dat het aan gemeenten verdeelde budget ontoereikend is. Voor individuele gemeenten met tekorten is dit natuurlijk erg vervelend. Ik ben hierover in gesprek met de VNG. Voor de energietoeslag 2023 wordt naar een andere wijze van verdelen van de middelen gekeken, in samenspraak met de VNG en Divosa.
Hoe gaat u gemeenten in staat stellen om de 1.300 euro energietoeslag voor 2023 zo spoedig mogelijk uit te laten keren?
Gemeenten kunnen zodra de nieuwe wet in werking treedt, de energietoeslag van 2023 uitkeren. Ik streef ernaar dat de nieuwe wet zo spoedig mogelijk in werking treedt. De inwerkingtredingsdatum is mede afhankelijk van de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer. Ik span me in voor een zo spoedig mogelijk en tegelijk zorgvuldig verloop van dit wetstraject.
Particuliere verhuurders van appartementencomplexen die de verlichting in algemene ruimten (deels) niet willen uitzetten om energie te besparen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat huurders soms te maken krijgen met hoge energiekosten als gevolg van energiegebruik in algemene ruimten, waar ze geen invloed op hebben?
Ja, door de recente prijsstijgingen kunnen de energiekosten voor de algemene ruimten hoger zijn dan voorheen voor zowel huurders als eigenaar-bewoners in bijvoorbeeld VvE’s.
Deelt u de mening dat het wrang is voor huurders dat ze, buiten hun eigen schuld om, op hoge energiekosten kunnen worden gejaagd doordat er door de verhuurder niets wordt gedaan aan energieverspilling in algemene ruimten?
Een verhuurder kan energiekosten voor algemene ruimten in rekening brengen via de servicekosten. De Wet op het Overleg Huurders Verhuurder (WOHV) verplicht verhuurders te informeren en overleg te voeren met de betrokken huurder, de betrokken bewonerscommissie en de betrokken huurdersorganisatie over onder andere de servicekosten. De WOHV bepaalt voorts dat de verhuurder een voornemen tot wijziging in het door hem gevoerde beleid ten aanzien van de vaststelling van de servicekosten slechts kan uitvoeren met voorafgaande instemming van de huurdersorganisatie.
Bovendien is het wettelijk niet toegestaan dat een huurder op hoge kosten wordt gejaagd indien die hoge kosten niet redelijk zijn te achten. Artikel 7: 259 BW bepaalt immers dat de vergoeding voor de servicekosten alleen het bedrag kan zijn dat als redelijk kan worden beschouwd voor geleverde diensten. Bij een geschil hierover kan de huurder zich wenden tot de rechter. Bij een huurovereenkomst met een gereguleerde huurprijs kan de huurder zich hiervoor ook wenden tot de huurcommissie.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de energiekosten van algemene ruimten niet onder het prijsplafond vallen maar wel aan huurders doorgerekend worden, terwijl huurders geen invloed hebben op het verbruik?
Het prijsplafond is gericht op energieverbruik van huishoudens en geldt voor kleinverbruik aansluitingen waarbij sprake is van een woon- of verblijfsfunctie. Hiermee zijn gemeenschappelijke ruimtes en voorzieningen inderdaad uitgesloten van de regeling. Zoals bij het antwoord op vraag 2 is toegelicht kunnen huurders wel degelijk invloed uitoefenen op de hoogte van de servicekosten.
Het blijkt dat sommige huurders meer dan 1.000 euro per jaar extra aan energiekosten kwijt zijn als gevolg van het energieverbruik in algemene ruimten. Dat zijn hoge bedragen. Heeft u enig inzicht hoeveel huishoudens door dergelijke extra energiekosten in de financiële problemen komen?
Er is geen landelijke data voor energieverbruik in algemene ruimten en ook geen inzicht in of huishoudens door deze extra energiekosten in financiële problemen komen.
Welke acties gaat u ondernemen om verhuurders te stimuleren om het energieverbruik in gemeenschappelijke ruimten te verminderen?
Verduurzaming van de gehele woning en ook de gemeenschappelijke ruimten is belangrijk voor het besparen van energie, en daarmee het beperken van de energiekosten voor de huurder. Daarom zijn er stevige prestatieafspraken met woningcorporaties over het verduurzamen van woningen in het algemeen en bestaat er voor particuliere verhuurders de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen. Op deze manier zullen gehele panden, en daarmee ook de algemene ruimten, verduurzaamd worden en wordt het energieverbruik in gemeenschappelijke ruimten verminderd. Voor de gemeenschappelijke ruimte is het zoals toegelicht voor huurders(organisaties) mogelijk op basis van de WOHV overleg te voeren met de verhuurder over de van de hoogte van de servicekosten.
Het bericht 'Twee gasboringen voor drie verlaten stallen: hoe de stikstofhandel in een Drents dorp juist tot meer uitstoot leidt' |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de handel in fictieve stikstofruimte, ofwel papieren koeien en kippen, kan leiden tot de facto méér stikstofuitstoot?1
Om die reden hebben Rijk en provincies beleidsregels vastgesteld waarin is bepaald dat alleen extern mag worden gesaldeerd met daadwerkelijk gerealiseerde capaciteit. Daarvan moet 30% worden afgeroomd. Het bedrijf van de saldogever moet bovendien in gebruik zijn of zonder nieuwe vergunning in gebruik genomen kunnen worden. Deze voorwaarden zijn bedoeld om feitelijke depositiestijging bij extern salderen te beperken.
In de Kamerbrief van 25 november 2022 heeft het kabinet aangekondigd om samen met de andere bevoegde gezagen de voorwaarden voor extern salderen verder aan te scherpen, o.a. om salderen met zogenaamde slapende vergunningen te voorkomen. Het kabinet vindt dat het niet mogelijk mag zijn om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken op basis van activiteiten die al geruime tijd zijn gestopt. Ook zet het kabinet in op een generieke verhoging van het afroompercentage naar 40% en worden momenteel de mogelijkheden onderzocht om een afroompercentage van 20% te hanteren voor specifieke projecten die op termijn tot stikstofreductie leiden, zoals de MIEK-projecten. Ik ben met de betrokken departementen en provincies in overleg en zal zo snel mogelijk de interbestuurlijke afspraken in beleidsregels vastleggen.
Daarnaast maakt de voorgenomen vergunningplicht voor intern salderen het mogelijk om voorwaarden te stellen aan intern salderen, o.a. om de ingebruikname van latente ruimte te beperken.
Wanneer en op basis van welke beleidsregel die ziet op extern salderen is destijds de vergunning voor Vermillion mogelijk gemaakt, gezien de uitspraak van de Raad van State (RvS) op 13 november 2013 die bij extern salderen de voorwaarde heeft gesteld dat de activiteit die wordt ingebracht voor het salderen daadwerkelijk moet worden beëindigd ten behoeve van de nieuwe activiteit en dus niet al eerder gestopt mag zijn?2
In de genoemde uitspraak van de Raad van State van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1931) wordt een rechtstreekse samenhang vereist tussen de stoppende activiteit van de saldogever en de nieuwe activiteit van de saldonemer. Deze samenhang kan blijken uit een intrekkingsbesluit of uit een overeenkomst tussen saldogever en saldonemer, waaruit blijkt dat de stikstofruimte van de saldogever wordt overgedragen aan de saldonemer en de vergunning van de saldogever wordt ingetrokken. Ook moet vaststaan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd. Deze voorwaarden worden herhaald in de toelichting bij de beleidsregels van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) (Staatscourant nr. 52486). Uit de genoemde uitspraak blijkt dus niet dat de saldogevende activiteit niet al eerder beëindigd mag zijn.
Hoe is bovenstaande uitspraak exact doorvertaald in de beleidsregels van het Ministerie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit? Is hiermee voldoende gewaarborgd dat op het moment van de aanvraag van een vergunning voor nieuwe stikstofruimte de stallen die ter compensatie voor die stikstofruimte worden gesloopt niet al jaren uit bedrijf zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2. In de beleidsregels is daarnaast opgenomen dat alleen extern gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit. Daarvan wordt 30% afgeroomd om feitelijke depositiestijging te beperken. Het percentage is gebaseerd op de gemiddelde latente ruimte in natuurvergunningen. Uit de jurisprudentie volgt bovendien dat alleen gesaldeerd mag worden met ruimte van activiteiten die hervatting van de activiteit kunnen worden zonder dat daar een nieuwe vergunning voor nodig is.
Hoe is het toezicht op de daadwerkelijke staat van de stallen door het bevoegd gezag op het moment van de aanvraag van een natuurvergunning georganiseerd? Wordt ook ter plaatse door het bevoegd gezag gecontroleerd of bedrijven recent gestopt zijn, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de meitellingen? Hoe vaak vinden deze controles plaats?
Bij een vergunningaanvraag op basis van extern salderen, controleert het bevoegd gezag of is voldaan aan de voorwaarden uit de jurisprudentie en de beleidsregels, zoals genoemd in de antwoorden op vraag 2 en 3. Zoals gezegd is bij die beoordeling van belang of de stal feitelijk gerealiseerd (gebouwd) is en of deze in gebruik is of kan zijn. Er wordt dus gekeken of een hervatting van de activiteit mogelijk is zonder dat daarvoor een nieuwe vergunning nodig is, en niet of de capaciteit feitelijk benut wordt. Aanvragers van natuurvergunningen worden gevraagd om bewijsmateriaal aan te leveren. Dit kan op basis van actuele foto’s van de situatie ter plaatse. Daarnaast dienen afschriften van de vergunningen/toestemmingen waarmee extern gesaldeerd wordt overgelegd te worden, alsmede de intrekkingsbesluiten en/of de overeenkomsten tussen saldogevers en saldonemers.
Wat is inmiddels de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk 30 252, nr. 58) over onderzoeken of en hoe het inwisselen van ammoniak (NH3) voor stikstofoxiden (NOx), dan wel tussen sectoren (het eigenlijke doel van de motie) bij extern salderen voorkomen kan worden? Op welke termijn hoort de Kamer hoe het kabinet de voorwaarden voor extern salderen gaat aanscherpen?
Uit de Tussenbalans extern salderen met veehouderijen, die het afgelopen jaar is uitgevoerd, blijkt dat sinds de gefaseerde openstelling ca. 50 vergunningen zijn afgegeven. Een groot deel daarvan (ca. 72%) blijft binnen de agrarische sector. Dit blijven bevoegde gezagen monitoren en het zal ook worden getoetst in de evaluatie van het instrument extern salderen, die de komende maanden wordt uitgevoerd.
Daarbij wordt onderzocht of en hoe het inwisselen van NH3 voor NOx bij extern salderen kan worden voorkomen. De resultaten verwacht ik rond de zomer met de Kamer te kunnen delen.
Wat vindt u van de uitspraak van de in het artikel aangehaalde deskundige Beunen dat er «uiteindelijk meer publieke middelen nodig zijn om stikstofuitstoot te verminderen, doordat de overheid stikstofhandel toestaat en waarde toekent aan een vergunning, waardoor diezelfde overheid moet concurreren met andere partijen en de prijs stijgt»? Is dit een overweging geweest bij het openstellen van extern salderen?
In de Tussenbalans extern salderen met veehouderijen, die afgelopen jaar is uitgevoerd, zijn geen indicaties waargenomen voor het structureel optreden van ongewenste neveneffecten, zoals speculatie. In de aankomende evaluatie van het instrument extern salderen zal deze conclusie worden getoetst, zodat we goed zicht blijven houden hoe extern salderen zich in de praktijk ontwikkelt.
Ziet u het gevaar dat tijdens het onderzoeken en uitwerken van de aanscherping van de regels rondom extern salderen een enorme versnelling plaatsvindt in de opkoop van beschikbare stikstofruimte? Zo ja, deelt u de mening dat het daarom des te meer van belang is dat de beleidsregel die als voorwaarde stelt dat een activiteit daadwerkelijk gestopt moet zijn ten behoeve van een nieuwe activiteit, ook echt kijkt naar het moment van de aanvraag van de vergunning als referentiedatum en niet enkel naar het moment van het sluiten van het contract, aangezien anders stikstofruimte bij voorbaat verzameld kan worden?
Initiatiefnemers die extern salderen toepassen moeten aan specifieke voorwaarden voldoen (zie ook antwoord op vraag 3). Het aantonen van rechtstreekse samenhang tussen saldogever en saldonemer en de beoordeling door het bevoegd gezag is een zorgvuldig proces. Wel streef ik ernaar om in het voorjaar van 2023 interbestuurlijke afspraken te maken om extern salderen met slapende vergunningen te voorkomen, zodat de beleidsregels op korte termijn worden aangescherpt.
Bent u bereid om bovenstaand beschreven gevaar af te wenden door in de tussentijd extern salderen stop te zetten totdat er besluitvorming heeft plaatsgevonden over de aanscherping van de beleidsregels?
Op dit moment zijn nieuwe ontwikkelingen nog beperkt mogelijk, met name volgens het principe van salderen. In de Kamerbrief van 25 november 2022 heb ik stappen aangekondigd om toestemmingverlening mogelijk te houden en tegelijkertijd minder onzeker te maken.
Klopt het in het artikel gestelde dat de stikstofruimte in eerste instantie aan de provincie Drenthe is aangeboden om het ten behoeve van Programma Aanpak Stikstof (PAS) -melders te kunnen gebruiken, maar dat dit is afgeslagen door de provincie? Gebeurt dit vaker en zo ja, hoe vaak? Is de overheid naast het afwachten van passief aanbod ook actief op zoek naar stikstofruimte die vrijkomt voor PAS-melders?
Van provincie Drenthe almede de uitvoeringsorganisatie Prolander begrijp ik dat zij niet zijn benaderd door deze agrarische ondernemers.
De overheid is zeer actief bezig om stikstofruimte te verwerven. Met de verschillende maatregelen wordt ruimte gecreëerd die nodig is om de natuur te herstellen. Als dat voldoende is gelukt, kan die ruimte ook worden ingezet om PAS-melders te legaliseren.
Waarom lukt het andere partijen, zoals Vermillion in het artikel, om snel stikstofruimte te verkrijgen, maar de overheid niet?
Overheden en particuliere partijen moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen, conform de beleidsregels voor extern salderen. De overheid als initiatiefnemer moet bovendien aantonen dat de betrokken stikstofruimte aanvullend is aan hetgeen nodig is om de instandhoudingsdoelstellingen te halen en verslechtering van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te voorkomen.
Deelt u de mening dat 2023 het jaar van de legalisatie van de PAS-melders moet worden? Wat gaat u doen om te voorkomen dat 2023 voor PAS-melders niet opnieuw een jaar van mooie, maar uiteindelijk teleurstellende beloftes wordt, maar dat zij daadwerkelijk legaal wel weer kunnen gaan bouwen aan een toekomst?
Ik wil grote stappen zetten om meldingen te legaliseren. Er zijn dit jaar drie maatregelen die naar verwachting belangrijk zijn bij het legaliseren van meldingen. De stikstofruimte uit de Srv kan nu volledig worden toegedeeld aan meldingen; ook via de Maatregel Gerichte Aankoop zijn 54 boerderijen aangekocht waarmee belangrijke stikstofruimte beschikbaar komt. Tot slot kunnen provincies in 2023 € 250 miljoen besteden aan maatregelen die de uitvoering van het legalisatieprogramma versnellen of bij meldingen waar maatwerk toegepast moet worden.
Bent u bereid om vanaf heden maandelijks te publiceren hoeveel PAS-melders er die maand zijn gelegaliseerd en nog gelegaliseerd moeten worden alvorens de overheid dit onrecht volledig heeft rechtgetrokken?
In het vastgestelde legalisatieprogramma is vastgelegd dat de Kamer jaarlijks wordt geïnformeerd over de voortgang van het legalisatietraject. In de Kamerbrief van 10 februari jl. heeft u het meest recente overzicht daartoe ontvangen.
Het actualiseren van de efficiënte CO2-prijs uit de WLO studies en de MKBA oliewinning Schoonebeek |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de Welvaart en Leefomgeving (WLO)-studie uit 2015, uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB)?
Ja.
Hoe apprecieert u in het hedendaagse perspectief de WLO-laag en WLO-hoog scenario (en in het bijzonder de bijbehorende efficiënte CO2-prijzen), gezien de ontwikkelingen rondom klimaatbeleid sinds 2015? Kunt u toelichten hoe de tweegradenvariant zich verhoudt tot deze twee WLO-scenario’s?
De WLO-laag en WLO-hoog scenario’s zijn vastgesteld in een tijd dat er nog minder sprake was van klimaatbeleid. Wel is er kort daarna een tweegradenvariant ontwikkeld. In vergelijking met de twee WLO-scenario’s laag en hoog is de tweegradenverkenning geen volledig uitgewerkt scenario. Naast de efficiënte CO2-prijzen die passen bij mondiale beleid gericht op het beperken van de temperatuurstijging tot 2 graden is een beperkt aantal andere variabelen zoals de energie-intensiteit en het energiegebruik uitgewerkt. Inmiddels heeft het beleid zich verder ontwikkeld en ligt het voor de hand hier in de nieuwe WLO-scenario’s rekening mee te houden. In de nieuwe WLO-studie zullen onder andere de efficiënte CO2-prijzen opnieuw worden vastgesteld.
Hoe ziet u de vertraging die de nieuwe WLO-studie (die in 2021 zou uitkomen) heeft opgelopen? Kunt u toelichten waarom het PBL en CPB drie extra jaren nodig hebben om deze studie te voltooien? Hoe ziet u de tijdspanne die nodig blijkt voor een geactualiseerde WLO-studie? Waaruit bestaan de voorbereidende werkzaamheden precies, die maken dat de planbureaus pas in 2024 kunnen komen tot een herziening?
In december 2019 verzocht de gewijzigde motie van het lid Van der Lee gericht aan de toenmalig Minister van Economische Zaken en Klimaat om voor 1 maart 2021 een nieuwe editie van de WLO uit te brengen. De planbureaus hebben toen aangegeven dat dit voor hen op de gevraagde termijn niet haalbaar is gezien de noodzaak van een goede voorbereiding. De planbureaus hebben in 2020 de noodzaak van een nieuwe editie verkend en zijn in 2021 begonnen met de voorbereidende werkzaamheden. De nieuwe studie van de WLO zal conform oorspronkelijke planning in 2024 verschijnen (WLO2024). Er is dus geen sprake van een vertraging.
In het rapport over de WLO-2015 is aangegeven dat er wordt gewerkt met een modulaire aanpak. In elke module worden de relevante onzekerheden van het betreffende thema verkend. Vervolgens wordt een invulling gekozen die is gebaseerd op een analyse van de huidige stand van zaken, ontwikkelingen in het verleden, literatuuronderzoek en inzichten van experts. Dit leidt tot een consistente redenatie in elk scenario. Er worden veelal modellen gebruikt om de scenario’s van cijfers te voorzien. Op deze manier reiken de modules bouwstenen aan voor de integrale referentiescenario’s Hoog en Laag. De referentiescenario’s zijn de rode draden die de verschillende modules met elkaar verbinden. Het is aan de planbureaus om te besluiten of voor de nieuwe WLO een vergelijkbare aanpak wordt gevolgd.
Klopt het dat het model (MERGE), dat voor de WLO-studie is gebruikt om efficiënte CO2-prijzen af te leiden, een open-source model is en dat deze dus ook voor anderen raadpleegbaar is dan PBL en CPB? Waarom verkiest u drie jaar aan vertraging boven het vragen van een andere partij om de WLO-studie en/of de efficiënte CO2-prijzen te actualiseren? Zou een versnelde actualisatie van de WLO-studie en/of de efficiënte CO2-prijzen door een andere partij als tussenoplossing kunnen fungeren?
Ja, MERGE is een model dat ook voor anderen raadpleegbaar is. Het opstellen van nieuwe WLO-scenario’s betreft echter veel meer dan alleen het vaststellen van nieuwe efficiënte CO2-prijzen. Een actualisatie door een andere partij is daarom geen goede oplossing. De planbureaus gaan over hun eigen werkprogramma en hebben aangegeven niet eerder dan in 2024 de nieuwe WLO-scenario’s te kunnen publiceren. Er is geen tussenoplossing nodig aangezien er in situaties waar verwacht wordt dat de CO2-prijs een belangrijke rol speelt naast WLO-laag en WLO-hoog ook gebruik gemaakt kan worden van de prijzen die horen bij het 2-gradenscenario.
Klopt het dat de Werkgroep Discontovoet in 2015 adviseerde om bij de doorrekening van maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA's) de uitkomsten af te zetten tegen het Lage en Hoge WLO-scenario, maar (in de hoofdvariant) niet tegen tweegradenvariant, die het meest realistische scenario vormt? Klopt het dat dit advies niet is herzien in de Werkgroep Discontovoet 2020? Zo ja, wat waren de overwegingen hierbij? Hoe apprecieert u dit in het licht van de aangenomen Europese Klimaatwet die uitgaat van klimaatneutraliteit in 2050 voor de hele Europese Unie (EU)?
Nee. De Werkgroep Discontovoet (2015) doet geen uitspraken over het uitzetten van MKBA-uitkomsten tegen het ene of het andere scenario. De Werkgroep Discontovoet brengt advies uit over de discontovoeten die dienen te worden gebruikt in MKBA’s. De Werkgroep Discontovoet 2020 heeft ervoor gekozen relatieve prijsontwikkelingen zoals de efficiënte CO2-prijs niet binnen de werkgroep te behandelen, maar te focussen op de methodologie en hoogte van de discontovoet. De advisering van de werkgroep staat het gebruik van prijzen die passen bij een 2-gradenscenario niet in de weg. De werkgroep adviseert ook om gevoeligheidsanalyses m.b.t. de discontovoet te verplichten bij MKBA’s als er twee of meer toekomstscenario’s worden gebruikt. De werkgroep verwijst verder naar de integrale herziening van de WLO die in 2021 is opgestart.
Klopt het dat het tweegradenscenario vooral wordt toegepast bij klimaatgerelateerde projecten, zoals PBL en CPB adviseerden bij de publicatie van de WLO 2015 in het kader van gevoeligheidsanalyses? Zo ja, op basis van welke overwegingen wordt ervoor gekozen om wél te werken met het tweegradenscenario en de bijpassende CO2-prijs en niet met de WLO-laag en WLO-hoog? Kunt u hier voorbeelden van noemen? Hoe vaak wordt dit daadwerkelijk gedaan en op welke manier wordt dan gevolg gegeven aan het gebruik van een berekening met het tweegradenscenario?
Er wordt nooit gekozen om wél te werken met het tweegradenscenario en de bijpassende CO2-prijs en niet met de WLO-laag en WLO-hoog. De tweegradenverkenning is altijd in aanvulling op het hanteren van WLO-laag en WLO-hoog.
Welke redenen worden ervoor aangedragen om slechts bij klimaatgerelateerde projecten de MKBA uit te voeren met het tweegradenscenario en niet bij overige projecten? Waarom wordt er op die manier bij projecten onderscheid gemaakt tussen een berekening met ofwel verouderde of recentere klimaatdoelen?
Het is alleen bij beleidswijzigingen die een grote positieve of negatieve impact op CO2-uitstoot hebben mogelijk dat het oordeel van de MKBA substantieel verandert bij andere efficiënte CO2-prijzen. De gevoeligheidsanalyse met een efficiënte CO2-prijs passend bij de tweegradendoelstelling kan in beginsel worden toegepast op iedere MKBA waarbij er substantiële effecten zijn op de CO2-uitstoot.
Wat is de reden dat er geen anderhalvegradenscenario bestaat voor de MKBA’s met een bijpassende CO2-prijs? Welke mogelijkheden ziet u om bij de herziening van de WLO-studie tevens een anderhalvegradenvariant met bijbehorende CO2-prijs te ontwikkelen teneinde een realistische afweging te kunnen maken met inachtneming van het streven naar een klimaatneutraal Europa in 2050?
De WLO-laag en WLO-hoog scenario’s zijn vastgesteld in een tijd dat er nog minder sprake was van klimaatbeleid. In 2024 wordt een nieuwe WLO opgeleverd, inclusief aangepaste CO2-prijzen en inclusief een scenario met wereldwijde opwarming in 2100 «well below» twee graden.
Wat is het nut van een MKBA op basis van WLO-scenario’s uit 2015, die nog uitgaan van maximaal 65% CO2-reductie in 2050?
Voor veel beleidsbeslissingen zijn de huidige scenario’s nog geschikt. Voor beleidsbeslissingen met substantiële CO2-impact wordt in aanvulling van het hanteren van WLO-laag en WLO-hoog geadviseerd het 2-graden-scenario te gebruiken zodat duidelijk wordt of bij hogere CO2-prijzen de beleidsbeslissing anders beoordeeld zou worden.
Is het tot aan de actualisatie van de WLO-studie mogelijk om via een aanvulling op het advies van de Werkgroep Discontovoet uit 2020 voor te schrijven dat bij een MKBA slechts de tweegradenvariant doorgerekend wordt in plaats van het WLO-hoog en WLO-laag scenario? Zou u dit wenselijk vinden en waarom wel/niet?
Nee, dit vind ik niet wenselijk. Het is juist van belang meerdere scenario’s te hanteren omdat de toekomst onzeker is en zo gecheckt kan worden of de beleidsmaatregelen robuust zijn. Het is immers riskant om de besluitvorming over bijv. infrastructuur, die vele decennia mee moet gaan, te baseren op één enkele prognose.
Klopt het dat bij de efficiënte CO2-prijzen in WLO-hoog en WLO-laag bij een MKBA rekening wordt gehouden met het mondiale klimaatbeleid? Betekent dit dat elke inspanning die Nederland levert die sneller gaat dan de mondiale reductie een negatief batensaldo oplevert in een MKBA? Welke invloed heeft deze mondiale maatstaf op de uitkomsten van de MKBA’s, in vergelijking met als de nationale of EU-doelstellingen voor klimaat zouden worden gebruikt?
Ja, het klopt dat er rekening wordt gehouden met het mondiale klimaatbeleid en de mondiale reductie. Het betekent niet dat elke inspanning die Nederland levert die sneller gaat dan de mondiale reductie een negatief batensaldo oplevert in een MKBA. Er is volgens de planbureaus geen eenduidig antwoord te geven op de invloed van de mondiale maatstaf op de uitkomsten van de MKBA’s. De uitkomsten hangen onder meer af van kostenontwikkelingen en kostenverschillen tussen landen en overige batenposten, zoals luchtkwaliteit.
Deelt u de opvatting dat het gebruik van de mondiale CO2-reductie als maatstaf onwenselijk is? In het bijzonder gezien de voortrekkersrol die Nederland, maar ook de EU, wil vervullen in het mondiale klimaatbeleid?
Nee, het klimaatvraagstuk is een mondiaal vraagstuk dat een mondiale aanpak vereist.
Welke mogelijkheden ziet u om de MKBA’s te berekenen met inachtneming van de nationale of in ieder geval Europese klimaatambities?
Zie de eerdere antwoorden. Voor beleidsbeslissingen met substantiële CO2-impact wordt in aanvulling van het hanteren van WLO-laag en WLO-hoog geadviseerd het 2-graden-scenario te gebruiken zodat duidelijk wordt of bij hogere CO2-prijzen de beleidsbeslissing anders beoordeeld zou worden. Het is aan de opsteller van een MKBA om de resultaten van deze gevoeligheidsanalyse te interpreteren. In 2024 wordt een nieuwe WLO opgeleverd, inclusief aangepaste CO2-prijzen en inclusief een scenario met wereldwijde opwarming in 2100 «well below» twee graden.
Hoe apprecieert u de MKBA oliewinning Schoonebeek en de welvaartseffecten die voor de verschillende beleidsalternatieven zijn uitgewerkt?
De onderzoekers hebben in de MKBA de langetermijneffecten voor Nederland en de regio Twente en Drenthe centraal gezet. Men is uitgegaan van het begrip «brede welvaart». Dit betekent dat naast de financiële effecten van oliewinning ook effecten op leefomgeving, arbeidsmarkt, klimaat, milieu en bodem meegenomen zijn. De oliewinning in Schoonebeek heeft een aanzienlijk positief welvaartseffect. Dit komt voor het grootste deel door de olieopbrengsten. De klimaateffecten vormen de belangrijkste gekwantificeerde externe negatieve post. De negatieve welvaartseffecten van lekkage en bodemrisico’s zijn volgens de onderzoekers heel beperkt.
De MKBA verkent vier alternatieven. De eerste (verplaatsing waarbij waterinjectie wordt verplaatst naar Schoonebeek gasvelden) zorgt voor de meeste baten. Dit komt doordat bij dit alternatief de waterinjectie niet meer wordt gelimiteerd door de beperkte transportcapaciteit van de pijpleiding naar Twente. In dit alternatief kan daardoor meer olie worden gewonnen. Het circulaire alternatief (no. 3) waarbij een deel van het productiewater wordt hergebruik komt op een tweede plaats. Het alternatief (no. 2) waarbij vast zout en schoon water wordt geproduceerd scoort veel minder goed. Dit alternatief gebruikt veel energie en levert afval op dat gestort moet worden. Het alternatief (no. 4) waarbij de oliewinning wordt gestaakt heeft een negatief welvaartseffect. Het verlies van de oliebaten wordt voor een klein deel gecompenseerd door het positieve welvaartseffect van de vermindering van de CO2-uitstoot. Het alternatief dat sterk naar voren komt is het verplaatsen van de waterinjectie van Twente naar Drenthe.
De CO2-footprint van aardolie uit Schoonebeek is hoger dan die van geïmporteerde aardolie. Dit kan worden omgekeerd door elektrische boilers (op duurzame stroom) te gebruiken voor stoomproductie i.p.v. aardgas. De Staatssecretaris voor Mijnbouw gaf eerder al aan hier voorstander van te zijn en zal de NAM vragen zich in te spannen om dit idee te realiseren.
Hoe apprecieert u het gegeven dat in het eindsaldo van de MKBA in tabel 1, de alternatieven alleen afgezet zijn tegen het WLO-laag en het WLO-hoog scenario, en niet tegen de tweegradenvariant?
In tabel 1 zijn de MKBA-resultaten inderdaad afgezet tegen de twee WLO-scenario’s. In de MKBA is echter wel de tweegradenverkenning meegenomen als onderdeel van de gevoeligheidsanalyses die binnen beide scenario’s zijn gedaan, zoals toegelicht bij de rol van de WLO-scenario’s (par. 3.5, p. 18).
De auteurs concluderen dat de uitkomsten van de MKBA, ook onder de tweegradenverkenning, nog steeds robuust zijn (par. 7.4, p. 48).
Hoe apprecieert u de resultaten van de gemonetariseerde klimaateffecten in tabel 13, in het bijzonder de resultaten van het WLO-tweegradenprijspad?
De gemonetariseerde klimaateffecten zijn meegenomen in de bredere MKBA-analyse. De klimaateffecten zijn dus onderdeel van de eindbeoordelingen van de alternatieven. Ik heb er vertrouwen in dat de auteurs dit kundig gedaan hebben.
Klopt het dat in het tweegradenprijspad in tabel 13 voor het stopalternatief (waarbij oliewinning in Schoonebeek wordt afgebroken) de positieve klimaateffecten relatief laag zijn, omdat wordt uitgegaan dat deze oliewinning zich dan verplaatst naar een andere plek in de wereld?
Ja, in het rapport staat dat hoewel oliewinning tot directe en indirecte emissies leidt, het niet op voorhand zeker is dat beëindiging in Schoonebeek zich vertaalt in klimaatbaten. Dit komt doordat de vraag naar olie bij stopzetting in Nederland niet afneemt. Het weggevallen aanbod wordt simpelweg overgenomen door andere olieproducenten. Die zullen meer olie winnen uit bestaande of nieuwe velden. De auteurs geven aan dit soort carbon leakage mee te nemen.
Wordt hierbij rekening gehouden met de Europese klimaatambitie om vóór 2030 55% CO2-reductie te bewerkstelligen (Fit-for-55) en voor 2050 klimaatneutraal te zijn? Zo niet, wat zou volgens u in theorie het effect zijn op de resultaten van het WLO-tweegradenprijspad, als uitgegaan wordt van 55% CO2-reductie in de EU, ongeacht het mondiale klimaatbeleid?
De MKBA neemt de tweegradenverkenning mee. Daarin gaat men uit van 80–95% wereldwijde emissiereductie in 2050. Er is daarnaast geen extra scenario meegenomen met 55% emissiereductie in de EU vóór 2030 en klimaatneutraliteit in de EU in 2050.
Verwacht u dat een scenario waarin in 2050 65% CO2-reductie behaald wordt (WLO-hoog scenario) dezelfde olieprijs zal bestaan als in een scenario van 80–95% CO2-reductie in 2050? Als u dat niet verwacht: waarom wijzigt in de tweegradenvariant de olieprijs dan niet?
Dat is mogelijk niet het geval. In de tweegradenverkenning wijzigen de efficiënte CO2-prijs en enkele andere variabelen. Het is in die zin geen volledig uitgewerkt scenario, daarom wijzigt de olieprijs niet.
Kunt u elk van deze vragen afzonderlijk beantwoorden en aan de Kamer toezenden vóór 1 februari 2023, gezien op deze datum de behandeling van de MKBA Schoonebeek op de parlementaire agenda staat?
Doordat de beantwoording interdepartementaal en met de planbureaus PBL en CPB afgestemd is, is het niet gelukt de vragen voor 1 februari aan de Kamer te sturen.
Het aanscherpen van regels in natuurgebieden |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het aanscherpen van regels in natuurgebieden?1
Ik ben bekend met het bericht over het «Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden» van 22 november 2022.
Deelt u de mening dat u met het aanscherpen van de regels boeren het mes nog verder op de keel zet en dat het boeren nabij natuurgebieden onmogelijk wordt gemaakt? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Die mening deel ik niet. Van aanscherpen van de regels is geen sprake. De regels voor toetsing op grond van de Wet natuurbescherming blijven hetzelfde. Onderdeel daarvan is het toetsen van effecten van stikstofdepositie op beschermde natuurwaarden. In het rekenmodel AERIUS wordt daartoe onderscheid gemaakt tussen locaties (hexagonen) met en locaties zonder stikstofgevoelige habitats.
In alle gevallen gaat het bij dit wijzigingsbesluit om het beschermen van habitats en soorten die al bij het aanwijzen van de gebieden (veelal in de jaren 2009–2013) aanwezig waren. Volgens de Habitatrichtlijn hadden die natuurwaarden al op dat moment beschermd moeten worden. Dit gebeurt nu alsnog. De consequentie daarvan is dat in AERIUS zichtbaar wordt dat er op meer plekken sprake is van overbelasting door stikstof: het oppervlak met beschermde stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden is als gevolg van het besluit vergroot met minder dan 1%. De toetsing op deze relevant geworden hexagonen geldt alleen voor nieuwe vergunningen. Bestaande vergunningen worden door dit wijzigingsbesluit niet aangetast. Voor nieuwe vergunningen is het belangrijk dat ze gebaseerd zijn op inhoudelijk juiste aanwijzingsbesluiten. Juist het niet compleet zijn van de aanwijzingsbesluiten was een juridische kwetsbaarheid. Het is dus ook in het belang van de boeren om die kwetsbaarheid weg te nemen.
Het beschermen van deze stikstofgevoelige natuur betekent niet per definitie een verzwaring van de vergunningverlening, laat staan het onmogelijk maken van de agrarische bedrijfsvoering nabij natuurgebieden. Het gaat vaak om kleine plekken in een natuurgebied dat toch al stikstofgevoelig en overbelast was. De impact is dus in het algemeen beperkt. Een uitzondering betreft het westen van Friesland: daar is sprake van het nu alsnog moeten toetsen op stikstofeffecten, omdat daar (als gevolg van het besluit) binnen de cirkel van 25 km rondom stikstofbronnen de KDW van een beschermd habitattype blijkt te worden overschreden. Maar ook daar betekent het niet dat de agrarische bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt.
De precieze gevolgen worden duidelijk bij de vervanging (per 26 januari) van AERIUS 2021 door AERIUS 2022.
Bent u bekend bekend met het feit dat boeren alles in het werk stellen om aan bestaande regelgeving te voldoen? Zo ja, waarom neemt de overheid deze onbegrijpelijke stap?
Ik realiseer me dat er veel op de boeren af komt en dat het voor veel boeren niet gemakkelijk is om aan de bestaande regelgeving te voldoen. Als de stikstofgevoeligheid van Natura 2000-gebieden groter blijkt te zijn, ook al betreft het maar een zeer gering percentage van het oppervlak, dan kan dat overkomen als een onbegrijpelijke verzwaring van de regels.
In dit geval gaat het alleen om bestaande Natura-gebieden, met reeds lang bestaande habitats. Het blijkt dat er op een (klein) deel van de oppervlakte ten onrechte van werd uitgegaan dat significante effecten van stikstofdepositie waren uitgesloten. Op die locaties komt namelijk natuur voor die al bij de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied beschermd had moeten worden. Dat dat niet is gebeurd, is met dit wijzigingsbesluit gecorrigeerd. De reden daarvoor is dat volgens vaste jurisprudentie aanwijzingsbesluiten aangevuld moeten worden als ze niet compleet zijn, omdat ze anders niet voldoen aan de vereisten van de Habitatrichtlijn. Dit wordt nader toegelicht op pagina 23 van het besluit2.
De brief ‘No export credit support for Santos FPSO’ van Nederlandse en Braziliaanse NGO’s |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de brief «No export credit support for Santos FPSO» van Nederlandse en Braziliaanse niet-gouvernementele organisatie (ngo's), verstuurd op 15 december 2022?
Ja.
Kunt u aangeven of de exportkredietverzekering voor dit project al is toegezegd? Zo nee, (wanneer) zal dit gebeuren en hoe zal de Kamer hierover geïnformeerd worden?
De exportkredietverzekering voor dit project is nog niet toegezegd. De betreffende aanvraag bevindt zich momenteel in de behandelfase. In het geval de exportkredietverzekering (ekv) voor dit project wordt afgegeven, zal ADSB op haar website1 een ex-post samenvatting publiceren conform het huidige transparantiebeleid voor categorie-A projecten van de ekv.
Aangezien u heeft gezegd dat nieuwe exportkredietverzekeringen alleen nog zullen worden verstrekt aan projecten die binnen het 1,5 graadscenario vallen, kunt u aangeven hoe dit project binnen het 1,5 graadscenario valt?
Zoals gecommuniceerd naar de Kamer op 3 november 2022, zal Atradius DSB ter implementatie van de COP26-verklaring per 1 januari 2023 geen aanvragen meer in behandeling nemen die niet in lijn zijn met het nieuwe beleid voor de ekv. Met de implementatie van de COP26-verklaring heeft het kabinet een belangrijke stap gezet in de verdere vergroening van de exportkredietverzekering, in lijn met de klimaatdoelstellingen van Parijs.
Voor een zorgvuldige implementatie van de COP26-verklaring krijgen exporteurs de mogelijkheid om voor reeds gestarte activiteiten een polis te ontvangen. Veel projecten kennen immers een lange aanlooptijd, waarbij door bedrijven al middelen geïnvesteerd worden in de fase vóór verkrijging van een opdracht. Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2023 kunnen daarom tot uiterlijk eind 2023 leiden tot een polis. Een dergelijke overgangsperiode is nodig omwille van een zorgvuldige transitie.
Het Santos Basin Pre-Salt Pole project is ingediend vóór 1 januari 2023.
Aangezien zowel het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), als het Internationaal Energieagentschap (IEA) en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties hebben aangeven dat nieuwe fossiele projecten niet passen binnen het 1,5 graadscenario, kunt u aangeven hoe dit project binnen het 1,5 graadscenario valt?
De Nederlandse invulling van de COP26-verklaring is gestoeld op het principe dat er geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe olie- en gasvoorraden onder een 1,5 graadscenario. Op basis van het nieuwe ekv-beleid zou dit project niet tot een ekv-polis kunnen leiden, omdat het project gerelateerd is aan de ontwikkeling van nieuwe olie- en gas voorraden en daarmee verondersteld wordt niet in lijn te zijn met een 1,5 graadscenario.
Dit project was reeds in behandeling bij Atradius DSB voor de ingang van het nieuwe beleid per 1 januari jl. Voor deze categorie projecten heeft het kabinet besloten een gelimiteerde overgangsperiode toe te passen: aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2023 zouden tot uiterlijk eind 2023 tot een polis kunnen leiden.
Het artikel ‘Agractie vreest consequenties wijziging Habitatrichtlijngebieden’ |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het betreffende artikel?1
Ja.
Op grond waarvan heeft u besloten om circa 150 habitattypen en 70 soorten per wijzigingsbesluit aan de bestaande Natura-2000 gebieden toe te voegen?
Het gaat om het «Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden» van 22 november 2022. Zoals reeds eerder aangegeven in de NPLG-brief van 25 november 2022 (Kamerstuk 34 682, nr. 105) regelt het besluit het beschermen van habitattypen en soorten die ten onrechte in de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten (met name uit de jaren 2009–2013) nog niet beschermd werden. Het gaat om correcties (dus geen actualisering). In de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten waren namelijk nog niet alle habitattypen en soorten opgenomen die toen al bestendig aanwezig waren. Volgens vaste jurisprudentie zijn daarmee de aanwijzingsbesluiten niet compleet en is aanvulling noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de vereisten van de Habitatrichtlijn, zoals nader wordt toegelicht op pagina 23 van het besluit. Het voldoen aan die vereisten was een belangrijk uitgangspunt voor het kunnen starten met het proces van het NPLG en het opstellen van natuurdoelanalyses.
Voor aanvragers van vergunningen is het belangrijk dat toestemming wordt verleend na toetsing aan inhoudelijk juiste aanwijzingsbesluiten. Het niet compleet zijn van de aanwijzingsbesluiten was een juridische kwetsbaarheid waar al op was gewezen in procedures tegen verleende vergunningen. Het was dus ook in het belang van ondernemers om die kwetsbaarheid weg te nemen.
Wat is de reden dat deze habitattypen en soorten niet zijn aangewezen op het moment van aanwijzen vanaf 2008?
In de brief van de toenmalige Minister Verburg (LNV) van 9 februari 2010 werd aangekondigd dat alle aanwezige waarden zouden worden aangewezen (Aanhangsel Handelingen II 2009–2010, nr. 2251, met name antwoorden op de vragen 3, 4 en 9). Daar is vervolgens niet consequent invulling aan gegeven. De keuze is toen gemaakt om bij de definitieve besluiten de ingediende zienswijzen te verwerken waarin werd gewezen op ontbrekende habitattypen en soorten, maar niet ambtshalve tot correctie over te gaan als er inmiddels completere gegevens bekend waren. De intentie was om na afronding van de aanwijzingen zo snel mogelijk de noodzakelijke correcties te publiceren. Overigens is deze handelwijze aan de orde geweest in beroepszaken bij de Raad van State en heeft daar geen stand gehouden: de kennis die op het moment van het nemen van het besluit bekend is over welke habitattypen en soorten aanwezig zijn, moet verwerkt worden in dat besluit (deze waarden mogen niet weggelaten worden).
Een tweede belangrijke reden is dat de habitattypenkaarten vaak pas na de (definitieve) aanwijzingsbesluiten afgerond zijn; bij die afronding bleek geregeld dat bepaalde habitattypen over het hoofd waren gezien. Omdat het vermoeden bestond dat dit ook bij de soorten het geval was, is gericht onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van bestendige populaties. De resultaten daarvan kwamen in 2017 beschikbaar. Deze nieuwe informatie over de aanwezigheid van habitattypen en soorten ten tijde van eerste aanwijzing, is nu in het wijzigingsbesluit verwerkt.
Hoe verhouden deze aanvullingen zich tot de aanwijzingscriteria van destijds? Zijn hierbij de criteria gehanteerd van het moment van de referentiesituatie en vallen er ook «meest geschikte gebieden» op een zeker moment af? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, waarom niet?
Deze aanvullingen zijn conform de aanwijzingscriteria die steeds hebben gegolden, ook op het moment van de referentiesituatie (zoals ook blijkt uit de genoemde brief van 9 februari 2010). Deze criteria hadden consequent toegepast moeten worden om te voldoen aan de vereisten van de Habitatrichtlijn (zie het antwoord op vraag 3) én om de juridische kwetsbaarheid te voorkomen van vergunningverlening die is gebaseerd op incomplete aanwijzingsbesluiten (zie het antwoord op vraag 2).
Het criterium «meest geschikte gebieden» heeft geen betrekking op deze correcties, want in het wijzigingsbesluit worden geen nieuwe gebieden aangewezen, alleen aanwezige waarden in bestaande gebieden.
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die ruimte geeft om niet alle natuurdoelen in het aanwijzingsbesluit op te nemen en waarom worden deze natuur(snippers) niet uitsluitend in het beheerplan opgenomen in plaats van in het aanwijzingsbesluit?2
Ja, ik ben bekend met deze uitspraak. De uitspraak geeft geen ruimte om slechts een deel van de natuurdoelen in het aanwijzingbesluit op te nemen. De indruk kan gewekt zijn, maar het is belangrijk om onderscheid te maken tussen enerzijds de lijst van natuurwaarden die beschermd moeten worden en anderzijds de nadere uitwerking van de ambities (behoud dan wel uitbreiding en/of verbetering) in de zogenoemde instandhoudingsdoelstellingen.
In deze uitspraak is duidelijk gemaakt wat perse in het aanwijzingsbesluit moet worden vermeld en wat ook in bijvoorbeeld een beheerplan kan worden opgenomen. Om misinterpretatie te voorkomen, worden hierna de letterlijke bewoordingen geciteerd.
In punt 64 stelt het Hof: «Wat de identificatie van de beschermde soorten en habitats in elke speciale beschermingszone (SBZ) betreft, dient te worden opgemerkt dat net als de afbakening van een SBZ een onbetwistbare dwingende vorm moet hebben [...], de identificatie van de soorten die de aanwijzing van die SBZ hebben gerechtvaardigd, aan dezelfde eis moet voldoen. Indien dat niet het geval was, zou immers het gevaar bestaan dat de beschermingsdoelstelling van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn en van artikel 6, lid 2, juncto artikel 7 van de habitatrichtlijn niet volledig wordt bereikt.» Oftewel: de lijst van aangewezen soorten en habitats moet (volledig) in het aanwijzingsbesluit staan.
Ten aanzien van de vraag in welk document de verdere uitwerking van de doelstellingen (in de zin van bijvoorbeeld het ambitieniveau) moet worden opgenomen, stelt het Hof: «Met betrekking tot de instandhoudingsdoelstellingen volgt uit de punten 20 en 21 van het reeds aangehaalde arrest van 7 december 2000, Commissie/Frankrijk, dat de juridische beschermingsstatus die de SBZ’s moeten hebben, niet betekent dat die doelstellingen voor elke beschouwde soort afzonderlijk moeten worden gespecificeerd. Gelet op de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest, kan overigens hoe dan ook niet worden geoordeeld dat de instandhoudingsdoelstellingen moeten zijn opgenomen in de rechtshandeling die de beschermde soorten en habitats in een bepaalde SBZ betreft.». Oftewel: de verdere uitwerking hoeft niet in het aanwijzingsbesluit (de rechtshandeling van het aanwijzen), maar mag ook in een ander document opgenomen worden.
Na deze uitspraak heeft de Europese Commissie een document gepubliceerd over de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen, waarin consequenties uit de uitspraak zijn getrokken. In dit document3 staat: «In principe moeten er instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau worden vastgesteld voor alle soorten en typen habitats van communautair belang als bedoeld in de habitatrichtlijn en voor alle vogelsoorten van bijlage I bij de vogelrichtlijn die significant aanwezig zijn in een Natura 2000-gebied, alsmede voor geregeld voorkomende trekvogels.» [...] «De instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uiteengezet in het aanwijzingsbesluit of kunnen nader worden uitgewerkt in gebiedbeheersplannen of andere instrumenten.»
Deze kwestie is ook beoordeeld in het rapport dat is opgesteld om na te gaan hoe de natuurrichtlijnen in Nederland zijn geïmplementeerd4. Geconcludeerd werd: «De aanwijzing moet in ieder geval berusten op een duidelijke rechtsgrondslag en de lidstaat dient te waarborgen dat de aanwijzing een ondubbelzinnige dwingende rechtskracht heeft.» Oftewel: instandhoudingsdoelstellingen mogen ook in een beheerplan staan, als ze dan maar dezelfde ondubbelzinnige dwingende rechtskracht hebben.
In Nederland is in art. 2.1 van de Wet natuurbescherming opgenomen dat in het aanwijzingsbesluit niet alleen de lijst van beschermde waarden maar ook de instandhoudingsdoelstellingen worden vermeld. Een keuze voor het opnemen van instandhoudingsdoelstellingen in een beheerplan was – gezien de uitspraak van het Hof – ook een mogelijkheid geweest. In de memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming (Kamerstuk 33 348, nr. 3) is deze keuze voor het aanwijzingsbesluit toegelicht: «Ook de bepaling en allocatie van instandhoudingsdoelstellingen moet op landelijk niveau plaatsvinden, om zeker te stellen dat landelijk voor de betrokken habitats en soorten een gunstige staat van instandhouding wordt bereikt.»
Welke potentiële consequenties voor vergunningverlening van economische activiteiten en legalisering van Programma Aanpak Stikstof (PAS) -melders brengt dit verzwaarde wijzigingsbesluit met zich mee?
Zoals hierboven vermeld, gaat het bij dit wijzigingsbesluit in alle gevallen om habitats en soorten die al bij het aanwijzen van de gebieden aanwezig waren. Volgens de Habitatrichtlijn hadden die natuurwaarden al op dat moment beschermd moeten worden. De consequentie van het nu alsnog beschermen is dat in AERIUS zichtbaar wordt dat er op wat meer plekken sprake is van overbelasting door stikstof.
Als gevolg van het wijzigingsbesluit is het oppervlak met beschermde stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden vergroot met minder dan 1% (het gaat in twee derde deel van de gevallen om habitats die stikstofgevoelig zijn). Dit betekent niet per definitie een verzwaring van de vergunningverlening (of het moeilijker kunnen bereiken van de doelen van het stikstofbeleid). Het gaat vaak om kleine plekken in een natuurgebied die toch al stikstofgevoelig en overbelast waren. De impact is dus in het algemeen beperkt. In het westen van Friesland is er echter sprake van het nu alsnog moeten toetsen op stikstofeffecten, omdat daar (als gevolg van het besluit) binnen de cirkel van 25 km rondom stikstofbronnen de KDW van een beschermd habitattype blijkt te worden overschreden. De precieze gevolgen worden duidelijk bij de vervanging (per 26 januari) van AERIUS 2021 door AERIUS 2022.
Zoals geconcludeerd in antwoord 2, is het overigens ook in het belang van ondernemers die vergunningen aanvragen om de juridische kwetsbaarheid van incomplete aanwijzingsbesluiten weg te nemen.
Zie verder ook de antwoorden op schriftelijke vragen over dit onderwerp, die op 21 juni 2022 aan de Tweede Kamer zijn toegestuurd (Aanhangsel Handelingen II 2021–2022, nr. 3219).
Is het juist dat in 2018 al is gewezen op rechtsgevolgen van de aanwijzing? Zo ja, door wie is hierop gewezen, wat behelsden deze zorgen en wat is er sindsdien met deze zorgen gedaan?
In het artikel wordt gedoeld op de in 2018 ingediende zienswijzen op het ontwerpwijzigingsbesluit. Uit het oogpunt van privacy wordt geen lijst van insprekers openbaar gemaakt. Zie de bijlage bij het besluit5 (met name de pagina's 479–480), waar de geanonimiseerde zienswijzen zijn opgenomen en van een reactie voorzien. Samenvattend komt het erop neer dat niet kan worden afgezien van het beschermen van aanwezige waarden vanwege de rechtsgevolgen van die bescherming. Wel kunnen sociaal-maatschappelijke en economische redenen een rol spelen bij de keuze tussen een behoudsdoelstelling en een verbeter- en/of uitbreidingsdoelstelling. De optelling van gebiedsdoelstellingen en de locaties buiten Natura 2000 moeten leiden tot een landelijk gunstige staat van instandhouding. Dat laat ruimte voor strategisch lokaliseren van verbeter- en/of uitbreidingsdoelstellingen. Daarbij speelt enerzijds de potentie van het gebied een rol, maar anderzijds ook de sociaal-maatschappelijke en economische gevolgen van een doelstelling die verder gaat dan behoud. In het wijzigingsbesluit is in 83% van de gevallen gekozen voor een behoudsdoelstelling; in al die gevallen was dat verantwoord in het licht van het moeten bereiken van de landelijk gunstige staat van instandhouding.
Deelt u de mening dat met het opnieuw aanwijzen van vele nieuwe habitattypen en soorten een groot gevoel van rechtsonzekerheid ontstaat bij veel ondernemers en burgers? Zo ja, hoe gaat u dit gevoel wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Dat gevoel van onzekerheid kan ik mij voorstellen. Tegelijk wijs ik erop dat de huidige wijzigingen al in 2018 bekend waren gemaakt. Het is belangrijk voor de rechtszekerheid dat daar nu ook de consequentie uit is getrokken door de wijzigingen daadwerkelijk door te voeren.
Wat vindt u van de situatie dat, in sommige gevallen, zelfs na 15 jaar nog gesteggel is over toen al dan niet aanwezig zijnde habitattypen en soorten?
Dat is heel vervelend. Daarom is het des te belangrijker dat dit besluit is genomen.
Op grond van welke informatie en bronnen heeft u het wijzigingsbesluit genomen?
Op pagina 28 van het besluit staat hierover het volgende: «De met dit wijzigingsbesluit aangebrachte wijzigingen in de aanwijzingsbesluiten zijn in principe gebaseerd op de volgende bronnen:
Vervolgens worden de uitzonderingen op deze algemene onderbouwing afzonderlijk genoemd in het besluit.
Welke mogelijkheden voor bezwaar en beroep bestaan er nog tegen het wijzigingsbesluit?
Tot 11 januari 2023 kon beroep worden ingesteld. Daar is ook gebruik van gemaakt.
Liggen er nog meer wijzigingsbesluiten in het verschiet? Zo ja, wanneer is het steeds aanvullend aanwijzen van habitattypen en soorten dan wel voorbij? Zo nee, kunt u daarmee uitsluiten dat er in de toekomst nieuwe wijzigingsbesluiten komen?
De bedoeling van dit wijzigingsbesluit was om alle noodzakelijke correcties tegelijk door te voeren. Ik kan niet geheel uitsluiten dat er bij het afronden van een aantal habitattypenkaarten (waarop de situatie ten tijde van aanwijzing staat weergegeven) alsnog fouten worden ontdekt; mocht dat onverhoopt zo zijn, dan zal er gecorrigeerd moeten worden. Overigens wordt in het besluit (onderaan pagina 23) gewezen op een beperkt aantal correcties die bewust zijn doorgeschoven naar enkele andere wijzigingsbesluiten.
Verder is door de Tweede Kamer ook meermaals de wens geuit om doelen in Natura 2000-gebieden te kunnen aanpassen. Het kabinet geeft daar invulling aan via de Actualisatie Natura 2000. Om die aanpassingen te kunnen doorvoeren, zullen in de toekomst wijzigingsbesluiten genomen moeten worden.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en pacht op 1 februari 2023?
De antwoorden zijn gegeven voorafgaand aan het eerste debat over het NPLG dat na het stellen van de vragen is gepland (23 februari 2023).
Het bericht Garnalenvloot moet binnen 9 maanden aan stikstofnorm voldoen, 'te snel' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Garnalenvloot moet binnen 9 maanden aan stikstofnorm voldoen, «te snel»?»1
Ja.
Klopt het dat garnalenvissers al ruim 20 jaar onder bestaand gebruik vallen en waarom zou dat bij een nieuwe aanvraag voor de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) eenzijdig moeten worden gewijzigd?
De garnalenvisserij wordt al jarenlang consistent aangemerkt als een activiteit waarvoor steeds opnieuw een beoordeling op de effecten op de beschermde natuur moet plaatsvinden omdat zij onder andere in omvang en beschikbaar visgebied steeds (iets) wijzigt. De garnalenvisserij wordt dus niet als bestaand gebruik gezien.
Wat is de bijdrage van de totale scheepvaart aan stikstofuitstoot en -depositie en wat is daarvan de bijdrage van de garnalenvloot?
De totale depositiebijdrage van de sectorgroep Scheepvaart is 51 mol/ha/jaar (ca. 3,5% van de totale depositie). Dit is de gemiddelde depositie op stikstofgevoelige natuur, berekend op basis van het gekarteerd oppervlak.
De garnalenvloot is een zeer klein deel van deze sectorgroep. Er kan geen exact getal worden gegeven voor de bijdrage van de gehele garnalenvloot.
Erkent u dat het tijdspad onrealistisch is? Wat ziet u als oplossing daarvoor, ook vanuit praktisch en uitvoerbaar oogpunt?
Het huidige tijdspad is in mijn ogen realistisch en uitvoerbaar. Er zijn specifieke redenen aanwezig om te kiezen voor een dergelijke beperkte gedoogperiode om de garnalensector de ruimte te geven over te schakelen op emissiereducerende maatregelen. De nadere inhoudelijke motivatie is opgenomen in de afgegeven gedoogbeschikking.
Hoe legitimeert u het overnemen van ad-hocmaatregelen op deze termijn?
Ik ben van mening dat het plaatsen van een katalysator en het afgeven van een gedoogbeschikking geen ad-hoc maatregel is maar een goede oplossing om de garnalenvloot een verduurzamingsslag te laten maken.
Wil het kabinet dat de garnalenvloot met een verplichte katalysator (nog) minder stikstof maar meer ammoniak gaat uitstoten?
Volgens opgave van de fabrikant worden de motoren zo afgesteld dat er geen ammoniak uit de uitlaat komt.
Waarom heeft het kabinet tot 2030 de tijd om aan de wettelijk vastgelegde stikstofdoelen te voldoen, maar moet de garnalenvloot binnen negen maanden aan deze eis voldoen?
Het betreft hierbij het verschil tussen de verantwoording van de lidstaat en projectbeoordelingen in het kader van toestemmingverlening.
De lidstaat (de rijksoverheid en provincies) is verantwoordelijk om maatregelen te treffen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen (artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) en passende maatregelen (preventief) ter voorkoming van verslechtering van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). Voor elk plan of project geldt dat wanneer deze afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied (artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn).
Is het niet eerlijker om aan de vloot verplicht te stellen dat men bij vervanging van de motor de schoonste motor van dat moment moet gebruiken met een deadline in 2030?
De inzet van een katalysator is geen opgelegde verplichting of eis vanuit de toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. De sector heeft er zelf voor gekozen om met de, door mij gesubsidieerde, inzet van een katalysator de vergunbare visruimte te vergroten. Ook zonder deze inzet kunnen de garnalenvissers in de Natura 2000-gebieden actief blijven (mits uiteraard vergund), maar wel beperkter.
Vissers kunnen zich laten vergunnen op een bedrijfsvoering met èn zonder inzet van de katalysator. De intentie vanuit de sector en het ministerie is wel om zoveel mogelijk garnalenvissers direct te kunnen vergunnen op een bedrijfsvoering met katalysator. Maar zij hebben dus een terugvaloptie (zonder katalysator) die zij ook kunnen aanvragen.
Beseft u dat de garnalenvloot, bestaande uit circa 180 schepen, niet binnen negen maanden in zijn totaliteit terecht kan bij de scheepswerven die we in Nederland hebben en dat ook de materialen voor deze 180 schepen niet voldoende op voorraad zijn om dit binnen negen maanden te kunnen doen?
Ik ga ervan uit dat een commerciële sector die wist dat deze maatregel er aan kwam in staat is in negen maanden de schepen uit te laten rusten met een katalysator. Indien ze hier niet in slagen kan er nog wel gevist worden in de betreffende Natura 2000-gebieden (onder verwijzing naar mijn antwoord op de vragen 7 en 8), maar uiteraard ook buiten de Natura 2000 gebieden.
Wat is de onderbouwing om dezelfde eisen niet aan de containerschepen die langs Natura 2000-gebieden varen op te leggen en wat vindt u van de ongelijke behandeling die daaruit voortvloeit?
De containerschepen die van en naar Nederlandse havens varen zijn opgenomen in de (natuur)vergunning van de aangaande terminal/bedrijfslocatie, tot het moment dat deze schepen zijn opgegaan in het heersende vaarbeeld. Voor dit traject geldt hetzelfde beoordelingsregime als bij de garnalenvloot. Daarbuiten is het effect van de schepen verdisconteerd in de totale (landelijke) depositie waarvoor het Rijk verantwoordelijk is.
Bij een projectbeoordeling gaat het om de mogelijke verslechtering die een project veroorzaakt (i.e. effecten die er zonder het project niet zouden zijn). De aard van de projecten maakt deze beoordeling bij industriële projecten anders dan bij de garnalenvisserij.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat Stikstofproblematiek van 8 februari 2023 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat provincie Overijssel weigert om het kabinetsbeleid stikstof uit te voeren |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Wat vindt u van de eerste versie van het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) dat de provincie Overijssel onlangs heeft vastgesteld?1
Ik ben blij dat de provincie Overijssel met voortvarendheid aan de slag is gegaan met haar startversie voor een provinciaal gebiedsprogramma voor het landelijk gebied. Er spreekt ambitie en urgentie uit om op 1 juli 2023 samen met gebiedspartners te komen tot een uitvoerbaar en breed gedragen gebiedsprogramma. De 1 juli-versie van het provinciale gebiedsprogramma zal, net als voor de andere provincies, getoetst worden door de ecologische autoriteit en door het Rijk integraal beoordeeld worden. In mijn brief van 25 november over de voortgang van het Nationaal Programma Landelijk Gebied heb ik dit proces toegelicht (Kamerstuk 35 334, nr. 105).
Kunt u bevestigen dat de provincie Overijssel nu al aangeeft het doel om de stikstofuitstoot in 2030 te hebben gehalveerd niet te willen halen en het zelfs mogelijk acht dat ze het doel in 2035 nog niet hebben gehaald? Zo ja, wat vindt u hiervan?2
Nee, dat kan ik niet bevestigen. De provincie geeft blijk van gevoel van urgentie, wat aansluit bij de urgentie die het kabinet voelt. Het kabinet heeft als doelstelling dat in 2030 op 74 procent van het areaal stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de kritische depositiewaarde niet meer overschreden is. De provincies hebben hiertoe een indicatieve provinciale stikstofopgave meegekregen. De provincie Overijssel geeft aan dat wellicht meer tijd nodig is om de provinciale doelen te halen. Het kabinet heeft eerder aangegeven, conform het advies-Remkes («Wat wel kan»)3, dat op afgesproken ijkmomenten (in 2025 en 2028) de voortgang wordt beoordeeld. Mocht dan blijken dat natuurherstel voldoende op koers ligt én er dwingende inhoudelijke redenen zijn om iets meer tijd te nemen, moet daar ruimte voor zijn. Mochten er geen dwingende inhoudelijke redenen zijn, dan is de provincie gehouden zijn doelen te halen en daar indien nodig extra inzet op te plegen.
Kunt u bevestigen dat de provincie Overijssel dreigt om het landelijke stikstofbeleid niet uit te voeren, zolang het kabinet niet miljarden euro’s extra uittrekt voor de provincie? Zo ja, wat vindt u hiervan?3
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Het kabinet voert hierover goed overleg met alle provincies, en dus ook met Overijssel, ook over de daarvoor benodigde middelen uit het transitiefonds.
Onderschrijft u dat het voor de bescherming van de natuur noodzakelijk is dat provincies vasthouden aan het doel voor 2030? Zo ja, bent u bereid om aan de provincies mede te delen dat dit doel niet onderhandelbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft de doelen voor 2030, zowel vanuit de noodzaak om de natuur in Nederland te herstellen alsook om vergunningsverlening weer verder mogelijk te maken. Om de doelen voor natuur, klimaat en water te halen moeten we zo snel mogelijk aan de slag. Dat gevoel voor urgentie spreekt ook uit de eerste versie van het gebiedsprogramma van Overijssel. Het kabinet houdt zich vast aan het advies van Remkes. Die heeft geadviseerd om vast te houden aan het doel voor 2030 om 74% van het stikstofgevoelig areaal onder de kritische depositiewaarde (KDW) te hebben. Zoals u weet, is er een wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet in voorbereiding om de stikstofdoelstelling (omgevingswaarde) ook wettelijk te versnellen van 2035 naar 2030. Daarnaast worden er, conform het advies-Remkes, in 2025 en 2028 ijkmomenten ingebouwd. Mocht blijken dat op deze ijkmomenten natuurherstel voldoende op koers ligt én er dwingende inhoudelijke redenen zijn om iets meer tijd te nemen, dan moet hier ruimte voor zijn.
Erkent u dat er een onwerkbare situatie wordt gecreëerd wanneer provincies op eigen initiatief, via het PPLG, landelijke doelen loslaten en hogere budgetten eisen en weigeren om het landelijke stikstofbeleid uit te voeren wanneer deze eisen niet worden ingewilligd?
Het kabinet is in gesprek met alle provincies over de mogelijkheden om de landelijke doelstellingen te halen met bijpassende maatregelen en middelen. Van weigering om met de opgave aan de slag te gaan, is geen sprake. Na aanlevering van de gebiedsprogramma’s zal er een integrale beoordeling plaatsvinden waaronder op doelbereik. Deze beoordeling is mede bepalend voor het beschikbaar stellen van middelen uit het transitiefonds.
Wat bent u van plan om te doen wanneer meerdere provincies extra geld gaan eisen en hiermee het in het regeerakkoord afgesproken bedrag wordt overschreden?
Dan moeten de plannen worden bijgesteld om binnen de middelen die beschikbaar zijn te zorgen voor voldoende doelbereik. Naast de middelen in het Transitiefonds zijn er ook andere middelen beschikbaar, zoals het Klimaatfonds, het programma Natuur, het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en eigen middelen van provincies.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat provincies de gestelde stikstofdoelen gaan halen om zo te voorkomen dat de natuur verder verslechtert?
Provincies en Rijk werken goed samen en houden elkaar goed op de hoogte van de voortgang. In maart en april ga ik zelf met elke provincie in gesprek over de voortgang van de provinciale gebiedsprogramma’s en het NPLG. Na aanlevering van de gebiedsprogramma’s zal er een ex ante-evaluatie op doelbereik plaatsvinden. Mede op basis hiervan zal ik door individuele afstemming en samenwerking bekijken wat er nodig is om de onontkoombare doelstellingen van het NPLG te behalen. De eerste versies van de gebiedsprogramma’s en het NPLG zullen een startpunt zijn voor een langjarig cyclisch en iteratief proces, waarin Rijk en provincies samen met gebiedspartijen aan de slag gaan met de uitvoering, van en met elkaar leren, bijstellen en bijsturen.
Bent u bereid om zelf de regie en verantwoordelijkheid te nemen om de stikstofcrisis op te lossen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ik neem daarin de regie door het stellen van heldere doelen, kaders, het beschikbaar stellen van generieke maatregelen en middelen en het monitoren van planvorming en planrealisatie. Indien nodig stuur ik bij. Daarbij zijn maatschappelijke partners, medeoverheden en Rijk allen vanuit hun eigen bevoegdheden verantwoordelijk voor het oplossen van de stikstofcrisis. Ik hecht eraan dat het inzetten van maatregelen zoveel als mogelijk gebiedsgericht wordt ingevuld met de gebiedspartners.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja, waarbij ik een keer uitstel heb gevraagd voor beantwoording.
Geknakte windmolen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht over de geknakte windmolen in Flevoland?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoeveel windmolens van het wat oudere type staan er in den lande? Zijn deze allen knakgevaarlijk bij een beetje wind en, zo ja, wat doet dat met de veiligheid van onze burgers? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Vattenfall, de eigenaar van deze windturbine, laat extern onderzoek doen naar de oorzaak van dit incident. Naar verwachting zijn de resultaten van dit onderzoek half april beschikbaar. Het is op dit moment daarom nog niet duidelijk in hoeverre de windkracht hierbij een rol speelde, of welke andere factoren (mede) ten grondslag lagen aan het falen van de windturbine. Ik vind het van groot belang dat dit grondig wordt uitgezocht. Pas daarna kan worden bekeken of de gevonden oorzaak mogelijk ook speelt bij andere, vergelijkbare oudere typen windturbines. De overige 16 turbines van het windpark bij Zeewolde van hetzelfde type zijn naar aanleiding van het incident stilgezet. In Nederland zijn daarnaast 4 andere turbines van dezelfde fabrikant. Deze turbines zijn momenteel niet meer in bedrijf en zullen binnen afzienbare tijd ontmanteld worden.
In tabel 1 is het aantal windturbines op land dat per periode is gebouwd weergegeven. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit verschillende typen windturbines zijn, de tabel is bedoeld als een totaaloverzicht van aantallen windturbines per tijdvak, teruggaand tot de jaren 80.
Periode
Aantal windturbines
1982–1990
27
1991–1995
120
1996–2000
182
2001–2005
341
2006–2010
350
2011–2015
402
2016–2020
528
2021–2022
517
In het algemeen geldt dat windturbines moeten voldoen aan veiligheidseisen die zijn gesteld in vergunningen en internationale normen (o.a. NEN-EU-IEC 61400). Voor windturbines wordt ook een certificaat afgegeven door een gecertificeerde instantie. Deze veiligheidseisen zijn bedoeld om risico’s voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken. De veiligheidseisen uit internationale normen zijn sinds 2008 in de regelgeving (Activiteitenregeling milieubeheer) opgenomen. In 2011 zijn aanvullend hierop normen opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico in de regelgeving (Activiteitenbesluit milieubeheer), waarmee is aangegeven welk restrisico er mag bestaan voor mensen in de omgeving.
Voor de invoering van laatstgenoemde normen gold al het principe dat het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor een goede ruimtelijke ordening en het daarbij zoveel mogelijk voorkomen of beperken van gevolgen van incidenten voor de omgeving.
Voor de handhaving van de vereisten in de vergunning is het bevoegd gezag (de gemeente) verantwoordelijk. Bij het voortgezet gebruik van een windturbine na de periode waarvoor deze is gecertificeerd, moet eerst worden beoordeeld of deze voortzetting veilig is en of extra onderhoud of inspectie nodig is. Hiervoor heeft de NEN, mede op initiatief van de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA), de Nederlandse Praktijklijn (NPR) 8400 ontwikkeld. Dit is een technisch document waarin staat naar welke aspecten moet worden gekeken om te bepalen of voortgezet gebruik op een verantwoorde manier kan plaatsvinden.
Hoe vaak worden windmolens geïnspecteerd? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
In het Activiteitenbesluit is geregeld dat een windturbine ten minste eenmaal per kalenderjaar wordt beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines. Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent geïnformeerd. De windturbine wordt pas weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken zijn hersteld. Deze bepalingen zijn in 2008 opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer, daarvoor stonden ze in het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.
Deelt u de mening dat het knakken van windmolens een levensgevaarlijke ontwikkeling is? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Incidenten met windturbines doen zich zelden voor en het incident in Zeewolde is uitzonderlijk te noemen. Het is belangrijk om daarvan te leren en daarom is het noodzakelijk om eerst de precieze oorzaak te achterhalen van het incident. Zoals al genoemd bij de beantwoording van vraag 1 laat Vattenfall, de eigenaar van deze windturbine, extern onderzoek doen naar het incident. Op basis van de resultaten zullen de Minister voor Klimaat en Energie en ik met de sector en de medeoverheden hierover in gesprek gaan en bezien in hoeverre deze specifieke situatie generieke verbeterpunten bevat voor het onderhoud of de inspectie van windturbines.
Deze aanpak is in lijn met het interdepartementale kader voor verantwoord omgaan met risico’s in de energietransitie, waarvan de Minister voor Klimaat en Energie de contouren heeft beschreven in november 2022 (Kamerstuk 32 813, nr. 1113). Een van de onderdelen van dat beleidskader is om na een incident ruimte te laten voor leren en structureel verbeteren met een passende beleidsmatige reactie. In het voorjaar zal de Raad voor het Openbaar Bestuur de Minister voor Klimaat en Energie nader adviseren over hoe een lerende overheid het beste te werk kan gaan na incidenten met duurzame energie.
De onbereikbaarheid van energiebedrijven |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Energiebedrijven amper bereikbaar: lange wachttijden aan telefoon en in app»?1
Ja.
Hoe kan het dat de energiebedrijven amper bereikbaar zijn voor klanten met vragen, klachten en zorgen over hun energierekening en het prijsplafond? De energiebedrijven wisten toch dat het prijsplafond per 1 januari 2023 ingevoerd zou worden? Waarom zijn de energiebedrijven zo slecht voorbereid op de uitvoering van het prijsplafond, terwijl de ruimhartige vergoeding die zij daarvoor krijgen wél al geregeld is?
Het is belangrijk dat de energiebedrijven zich maximaal inzetten voor een goede bereikbaarheid van de klantenservice. In deze uitdagende tijd mogen klanten verwachten dat zij tijdig correcte informatie ontvangen. In dat licht kan ik begrijpen dat de situatie van afgelopen weken heeft geleid tot extra vragen en onzekerheid.
In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het bijzonder moeilijk is om een korte piek van deze omvang aan klantvragen te verwerken. Daar komen in de afgelopen periode de personeelstekorten en de vakantieperiode nog bij.
Daarnaast vind ik het begrijpelijk en terecht dat er zorgen zijn over de flinke toename aan vragen en contactmomenten rondom het doorgeven van de nieuwe meterstanden, bij meters die niet op afstand uitleesbaar zijn. De consument heeft altijd de mogelijkheid om een meterstand door te geven bij een tariefwijziging, hoewel dat niet noodzakelijk is. De sector heeft de beschikking over een goede methode om meterstanden op ieder gewenst moment te schatten, en die al jarenlang zonder problemen wordt toegepast.
Het is de verwachting van de leveranciers dat deze piekbelasting daarom al drastisch zal afnemen na de eerste week van januari. Dit is ook wat er nu lijkt te gebeuren.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gesprekken met klanten die slechts drie minuten in de wacht staan automatisch worden beëindigd? Deelt u de mening dat een wachttijd van een uur om in een app te komen te belachelijk voor woorden is? Hoe gaat u ervoor zorgen dat klanten op korte termijn allemaal netjes te woord worden gestaan?
Ik vind het van groot belang dat klanten met vragen zo snel en volledig mogelijk geïnformeerd worden door hun leverancier. Ik heb daar in mijn contacten met de leveranciers ook op aangedrongen en zij hebben aangegeven dat ze langs verschillende wegen een maximale inspanning plegen om hier onder deze bijzondere omstandigheden aan te voldoen, bijvoorbeeld door de capaciteit te vergroten van digitale voorzieningen en meer mensen te werven bij hun callcenters. Met de invoering van het prijsplafond is er helaas overbelasting ontstaan bij de klantenservice van energiebedrijven. De huidige wachttijden en niveaus van dienstverlening zullen duidelijk verbeterd moeten worden.
Waarom worden in de apps van de energiebedrijven bedragen getoond op basis van de reguliere, torenhoge tarieven en niet op basis van het prijsplafond? Hoe gaat u dit oplossen, zodat klanten hun feitelijke energiekosten onder het prijsplafond kunnen monitoren?
De behoefte aan informatie is begrijpelijk en terecht. Ik heb daar in mijn contacten met de leveranciers ook op aangedrongen. Vooraf is aangegeven dat de informatie over het prijsplafond in apps en dergelijke niet direct per 1 januari 2023 beschikbaar zal zijn. Dat was in deze bijzondere overgang naar de implementatie van het prijsplafond eenvoudigweg niet te organiseren. Verschillende leveranciers geven aan de gevolgen van het prijsplafond de komende tijd in de verschillende informatiekanalen te verwerken.
In algemene zin is voor de leverancier de contractprijs (het geldende tarief als het prijsplafond niet van toepassing is) leidend in alle communicatie: aanbod voor nieuwe klanten, bevestiging contract en prijswijziging, etc. Voor 2023 is wel afgesproken dat de leveranciers zo snel als haalbaar inzichtelijk moeten maken wat het prijsplafond voor individuele consumenten betekent en hoe dit de tarieven die de consument moet betalen beïnvloedt. Ook moet het effect van het prijsplafond worden meegenomen in (de adviezen voor) de termijnbedragen.
Hoe moeten de ruim een miljoen klanten nu hun meterstanden doorgeven? Wat gebeurt er als klanten hun meterstanden niet of niet op tijd doorgeven? Hoe voorkomt u dat zij vervolgens niet volledig voor het prijsplafond in aanmerking komen?
Klanten kunnen via de reguliere kanalen hun meterstanden doorgeven (telefonisch, online of schriftelijk). Er is wel sprake geweest van langere wachttijden door de toeloop van mensen die dit rond de jaarwisseling wilden doen. Het prijsplafond wordt gewoon toegepast op al het verbruik vanaf 1 januari 2023, bij alle klanten voor wie deze regeling van toepassing is. Ook wanneer de meterstand per 1 januari niet wordt doorgegeven door de klant. De leveranciers zijn immers verplicht om het plafond voor alle kleinverbruikers te verwerken. Indien de meterstand niet wordt doorgegeven door de klant of opgenomen, dan zal net als in andere jaren met een geschatte meterstand gewerkt worden.
Wat vindt u ervan dat de energiebedrijven aangeven dat deze chaos «niet hun schuld» is, aangezien u zelf pas medio december de voorwaarden van het prijsplafond had uitgewerkt? Deelt u de conclusie dat het prijsplafond veel te rommelig, ingewikkeld en ronduit halfbakken tot stand is gekomen?
Helaas is door de toestroom van vragen bij de ingang van het definitieve prijsplafond, in combinatie met de vakantieperiode en de peildatum van 1 januari 2023, een tijdelijke overbelasting ontstaan bij de energiebedrijven. Het prijsplafond is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen. Dankzij de gezamenlijke inzet van de betrokken ministeries, energieleveranciers en RVO is het gelukt om het prijsplafond per 1 januari in te laten gaan. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat, als u het prijsplafond eenvoudiger en vooral ruimhartiger had ingericht, huishoudens veel minder vragen, klachten en zorgen hadden gehad? Bent u ertoe bereid alsnog de volumegrenzen te verruimen naar 2.000 m3 gas en 4.000 kWh elektriciteit en de prijzen te verlagen naar € 1 per m3 gas en € 0,30 per kWh elektriciteit én het prijsplafond met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 in te voeren?
Nee, het kabinet heeft alles overwegende een bewuste keuze gemaakt om het prijsplafond in te voeren per 1 januari 2023 met de huidige tarieven en volumegrenzen. De vormgeving en de overwegingen zijn vooraf gedeeld met de Kamer en zijn uitvoerig besproken.
Het ‘Report - Meeting with NL ministers Van der Wal, De Jonge, Harbers en Jetten’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het «Report – Meeting with NL ministers Van der Wal, De Jonge, Harbers en Jetten»?1
Ik ben bekend met het document.
Met welk doel bent u in gesprek gegaan met de Eurocommissaris?
Meerdere urgente maatschappelijke projecten, zoals die voor de energietransitie, duurzame industrie en woningbouw met bijbehorende infrastructuur staan momenteel onder druk; de huidige overbelasting van de natuur leidt ertoe dat er op dit moment zeer beperkt ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. De voortgang van woningbouwprojecten met bijbehorende infrastructuur, de ontwikkeling van duurzame industrie en de energietransitieprojecten (projecten ten behoeve van opwekking en transport van duurzame energie) zijn van groot van belang voor de verdere ontwikkeling van Nederland. Het kabinet werkt aan een aanpak die waarborgt dat de doelen op natuur, stikstof, water en klimaat worden gerealiseerd. Het duurt enige tijd voordat dit pakket aan maatregelen daadwerkelijk helemaal is uitgevoerd en effecten sorteert. Wij zijn in gesprek met de Eurocommissaris gegaan over de mogelijkheden voor toestemmingverlening met behulp van een ADC-procedure voor regionale pakketten van woningbouwprojecten en energietransitieprojecten, in het bijzonder gelet op de aanpak van stikstof en het pakket zoals het er ligt. Dat wil zeggen tijdens de interim--periode tot de aanpak verder in wetgeving is vastgelegd, richtinggevende gebiedsdoelen en gebiedsplannen zijn vastgesteld en alle maatregelen zijn uitgevoerd.
Waarom heeft u eerder in een debat gezegd dat toenmalig Minister Staghouwer ook bij dit gesprek aanwezig was, terwijl dit niet het geval was?2, 3
Per abuis heb ik inderdaad een bewindspersoon genoemd die niet deelnam aan de vergadering. Dat was onzorgvuldig van mij. Toenmalig Minister Staghouwer was inderdaad niet aanwezig. Voorafgaand aan de vergadering hebben de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en ik overigens wel een voorbereidend overleg gehad. Mogelijk is voor mij hieruit de verwarring ontstaan.
Hoe waarborgt u een adequaat evenwicht in de inzet gezien het feit dat de ministers die naar dit gesprek over stikstof zijn afgereisd allen een belang hebben bij de stikstofreductie die vanuit een sector moet worden geleverd waar de bewindspersoon dan weer net niet van aanwezig is?
Het onderwerp van de vergadering was de vraag naar de mogelijkheden voor toestemmingverlening met behulp van een ADC-procedure voor regionale pakketten van woningbouwprojecten en energietransitieprojecten, in het bijzonder gelet op de aanpak van stikstof en het pakket zoals het er ligt, en dus niet de stikstofreductie zelf. Ik was aanwezig als beleidsverantwoordelijke voor stikstof; de andere aanwezige Ministers vanuit hun beleidsverantwoordelijkheid voor de genoemde maatschappelijke opgaven. Met dien verstande dat de specifieke afwezigheid van een Minister niet afdoet aan de eenheid van kabinetsbeleid, en dat elke Minister namens het gehele kabinet spreekt.
Waarom is er in het gesprek niet gesproken over natuurherstel terwijl woningbouw, de daaraan gerelateerde benodigde infrastructuur én de energietransitie als problematisch voor het stikstofprobleem naar voren worden geschoven?
Zoals is aangegeven in antwoord op vraag 4, en zoals uit het verslag blijkt, was het onderwerp van de vergadering de vraag naar de mogelijkheden voor toestemmingverlening met behulp van een ADC-procedure van de Habitatrichtlijn voor regionale pakketten van woningbouwprojecten en energietransitieprojecten. Deze projecten zijn niet problematisch voor de stikstofproblematiek, zij ondervinden vertraging of vinden geen doorgang als gevolg van de stikstofproblematiek, terwijl energietranstieprojecten juist bijdragen aan de oplossing van deze problematiek.
Deelt u de mening dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in dat soort gesprekken moet zijn vertegenwoordigd, gezien het feit dat de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister voor Klimaat en Energie bij dit gesprek zijn geweest aangezien men vanuit die departementen juist stikstof uit de landbouw wil? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd?
Die mening deel ik niet. Dit gesprek zag specifiek op de mogelijkheden voor toestemmingverlening met behulp van een ADC-procedure van de Habitatrichtlijn voor de regionale pakketten van woningbouw en de energietransitieprojecten. Het gaat bij een ADC-procedure om aanvullende ruimte door natuurcompensatie. Daar is geen stikstof uit de landbouw voor nodig.
Verder was de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit niet aanwezig omdat hij destijds intensief bezig was met de onderhandelingen over de derogatie van de Nitraatrichtlijn voor 2022–2025.
Er is wel een gezamenlijke voorbereiding met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geweest voor dit gesprek. Dit ook in het licht van de eenheid van kabinetsbeleid, zoals genoemd in vraag 4.
Hoe zijn de belangen vanuit de landbouw vertegenwoordigd en afgewogen gezien het feit dat in het gesprek uitsluitend wordt ingezet op stikstof vrijmaken vanuit de landbouw, waarvan die Minister toevallig niet aanwezig is?
Ik weerleg de onjuiste weergave van de insteek van het gesprek dat hier geschetst wordt. De inzet in het gesprek was het bespreken van de mogelijkheden voor toestemmingverlening met behulp van een ADC-procedure van de Habitatrichtlijn voor de regionale pakketten van woningbouw en de energietransitieprojecten. De Commissie neemt inmiddels niet meer voetstoots aan dat Nederland zijn stikstofemissie beperkt, dat vergt toelichting. Het maatregelenpakket als zodanig stond en staat echter niet ter discussie.
Kunt u aangeven of reductie van de veestapel toch een doel is geworden gezien het feit dat er steeds is gezegd dat dit nooit een doel op zich is, toch wordt aan de commissie 30 procent reductie ‘ beloofd’? Kunt u een onderbouwd antwoord geven?
Het reduceren van de veestapel is inderdaad geen doel op zich. Door de inzet van het indicatieve pakket van maatregelen van onder andere het stoppen van bedrijven en technische maatregelen, was de inschatting ten tijde van het gesprek niettemin dat de veestapel in de toekomst met ongeveer 30% zal krimpen. Dit is wat wij ook aangegeven hebben in het gesprek. Er is echter geen belofte gedaan over een reductie van 30% van de veestapel.
Hoe kan het dat natuurherstel, waarvan het kabinet het doet voorkomen dat dat de reden is dat we deze maatregelen nemen, geen onderwerp van gesprek geweest is?
Zie antwoord 5.
Van welke mogelijkheden en flexibiliteit die de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) biedt, kan Nederland gebruikmaken en waarom wordt hier geen gebruik van gemaakt gezien het feit dat de Eurocommissaris dit aangeeft?
De Eurocommissaris doelde op de mogelijkheden die de ADC-procedure van de Habitatrichtlijn onder de daarbij gestelde voorwaarden biedt, waarbij, zoals de Eurocommissaris ook benadrukt, wel aan alle voorwaarden inclusief compenserende maatregelen moet zijn voldaan. De ADC-procedure is voor woningbouw juridisch gezien mogelijk, maar ook zeer complex. Er moet bijvoorbeeld voldoende ruimte zijn voor compensatie, de compenserende maatregelen moet functioneel zijn voordat de negatieve effecten optreden, en indien de compensatie buiten het Natura 2000-gebied plaatsvindt, volgt hierop aanwijzing van het compensatiegebied als Natura 2000-gebied. De mogelijkheden van RePower EU liggen overigens in de gedachte dat deze projecten een voorwaarde zijn om de emissies van de industrie en huishoudens te kunnen beperken door elektrificatie. Deze projecten dragen daardoor indirect bij aan natuurherstel en het beperken van de reductieopgaven in andere sectoren, mits toestemming kan worden gegeven voor de beperkte en meestal kortdurende emissie die deze projecten veroorzaken, hoofdzakelijk in de aanlegfase. Dit zogeheten «uitgesteld salderen» is juridisch nog niet goed uitgekristalliseerd maar zou reden kunnen zijn voor een ruimere uitleg van bepalingen van de Habitatrichtlijn.
Waarom omarmt u het aanbod van de Eurocommissaris niet en wat is er met dat aanbod gedaan gezien het feit dat hij wil ondersteunen bij de inzet op technische oplossingen?
De mogelijkheden om te kunnen voldoen aan de ADC-procedure voor individuele projecten zijn in de praktijk heel beperkt gebleken, in het bijzonder vanwege de vereiste compensatie. Zie ook het antwoord op vraag 10. Zowel voor de toepassing van de ADC-procedure, als voor «uitgesteld salderen», wordt gebruik gemaakt van het aanbod van de Commissie. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) doet in dat verband voorbereidend onderzoek naar de emissiereductie die de energietransitie bewerkstelligt, mits de daarvoor benodigde projecten niet stil komen te liggen omdat geen vergunning kan worden verleend vanwege de beperkte emissies, voornamelijk in de aanlegfase, die later worden gesaldeerd door de elektrificatie van installaties bij de eindgebruikers.
Wat heeft u met de informatie van de Eurocommissaris gedaan gezien het feit dat hij ook aangeeft dat de gestelde ambities, om een percentage onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) te krijgen, door het kabinet wel erg ambitieus zijn en hij tevens openlijk twijfelt aan de modellenwerkelijkheid die in Nederland geldt?
Ik heb geen twijfel van de Eurocommissaris vernomen over de Nederlandse modellen. Tevens is de kritische depositiewaarde (KDW) niet besproken tijdens het gesprek. Wel benadrukte hij het borgen van de doelstellingen en de noodzaak van tussentijdse doelstellingen.
Dat de plannen ambitieus zijn betekent niet dat ze niet haalbaar zijn. Het beleid berust op wetenschappelijk onderbouwde modellen en data.
Wat voor reflectie is er gedaan op deze input van de Eurocommissaris?
Zoals aangegeven, hebben wij geen twijfel vanuit de Eurocommissaris vernomen over de Nederlandse modellen, en is de KDW niet ter sprake gekomen. Wij zijn het verder met de Eurocommissaris eens dat de plannen ambitieus zijn, dat de doelstellingen moeten worden geborgd en dat tussendoelen noodzakelijk zijn om het wettelijk beoogde resultaat te behalen. We hebben het gesprek als constructief ervaren.
Deelt u de mening dat de reductie van de veestapel dan niet per definitie noodzakelijk is?
Het stoppen van bedrijven en daarmee een krimp van de veestapel helpt bij het behalen van de doelen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), maar er zijn ook andere maatregelen denkbaar. We zoeken steeds naar een breed gedragen aanpak. Zo zullen wij de Kamer begin dit jaar informeren over de provinciale doelen voor klimaat en natuur en de structurerende keuzes, tegelijk met de stikstofdoelen voor onder andere industrie en mobiliteit.
Kunt u deze vragen ruim voor het commissiedebat Stikstofproblematiek van 8 februari 2023 beantwoorden en met de Kamer delen?
U treft de beantwoording voor het commissiedebat aan.
Het bericht 'Warmteleveranciers verhogen hun tarieven volgend jaar fors' |
|
Renske Leijten |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
Wat vindt u van de verdubbeling van de warmteprijs, zoals die door vele warmteleveranciers is gepresenteerd?1
In de loop van 2022 zijn gasprijzen sterk gestegen. In veel gevallen heet dit geleid tot hogere kosten van warmteleveranciers. Zie verder mijn antwoord op vraag 5. Ik acht het redelijk dat warmteleveranciers hun tarieven verhogen als hun kosten stijgen. Ik heb echter geen inzicht in de kosten van individuele warmteleveranciers en ik kan op dit moment niet beoordelen of alle tariefverhogingen noodzakelijk waren om kostenstijgingen op te vangen.
Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat de daadwerkelijk door de warmtebedrijven in rekening gebrachte tarieven in zijn algemeenheid hoger zijn dan gerechtvaardigd door de onderliggende kosten. Eventuele bovenmatige stijgingen van contractuele tarieven worden voorkomen door het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de rendementstoets als onderdeel van de subsidieregeling voor de bekostiging van het prijsplafond voor energie. Zie voor verdere toelichting de vrijdag 10 februari jl. aan u verzonden kabinetsreactie op de vraag van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (uw kenmerk 2022Z26272).
Hoe verhoudt deze prijsstijging zich ten opzichte van die van voorgaande jaren?
De tabel hieronder toont voor de drie grootste leveranciers de verandering in totale jaarlijkse kosten, de som van vast en variabel, voor een gemiddeld huishouden dat 35 GJ per jaar verbruikt, ten opzichte van de kosten bij de betreffende leverancier bij hetzelfde verbruik in het voorafgaande jaar. De tabel laat zowel de procentuele verandering zien, als het absolute bedrag waarmee de jaarlijkse kosten (zouden) veranderen.
In 2023 worden warmteafnemers beschermd door het prijsplafond. Naar verwachting blijft 70-80% van de warmteafnemers met hun jaarverbruik onder de 37 GJ waarvoor het prijsplafond van toepassing is. Voor 2023 is de voor deze verbruikers relevante stijging van de jaarlijkse kosten met toepassing van het prijsplafond in de tabel opgenomen en daarnaast ter vergelijking de stijging die zou hebben geresulteerd indien er geen prijsplafond zou zijn.
Hoe hebben de tarieven van warmteleveranciers zich in het verleden verhouden tot de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) gestelde maximumprijs?
De tabel hieronder toont het verschil tussen de totale jaarlijkse kosten voor warmte, de som van vast en variabel, die een gemiddeld huishouden dat 35 GJ per jaar verbruikt zou hebben gehad bij de toepassing van de maximumtarieven van de ACM en bij de toepassing van de daadwerkelijke contracttarieven. Voor 2023 is de vergelijking in twee varianten opgenomen: de situatie waarin er geen prijsplafond zou gelden, en de situatie waarin het prijsplafond wel van toepassing is. Ter vergelijking is het bedrag van totale jaarlijkse kosten opgenomen bij toepassing van de maximumprijzen van de ACM.
€ 1.534
€ 1.524
€ 2.541
€ 3.903
€ 2.380
Heeft u, dan wel de ACM, voldoende zicht of deze tariefsverhoging gebaseerd is op werkelijke kosten? Hoe wordt dit getoetst?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of de stijging van warmtetarieven volledig gebaseerd is op de werkelijke kosten. Zie ook mijn antwoord op vraag 1. Na afloop van 2023 komt er meer informatie beschikbaar. Dan moeten warmteleveranciers die gebruik maken van de subsidie in het kader van het prijsplafond informatie over hun rendementen aanleveren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
De ACM heeft op hoofdlijnen enig inzicht in de inkoopkosten die warmteleveranciers maken en de inkoopstrategieën die daarbij horen.2 Daarnaast kan de ACM informatie verkrijgen in het kader van de rendementstoets en de rendementsmonitor. Voor nadere informatie over de rendementstoets en de rendementsmonitor verwijs ik u naar de vrijdag 10 februari jl. aan u verzonden kabinetsreactie op de vraag van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (uw kenmerk 2022Z26272).
Is de verhoging van de tarieven gebaseerd op daadwerkelijk gemaakte kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 1 en 4, kan ik op dit moment geen antwoord geven op de vraag of alle tariefstijgingen gebaseerd zijn op de daadwerkelijke kosten.
Het is wel duidelijk dat de kosten van warmteleveranciers sterk zijn gestegen, waarbij de relatie met de prijsstijging van aardgas waarschijnlijk hoog is. De ACM heeft warmteleveranciers gewaarschuwd om alleen de tarieven te verhogen als dit echt nodig is in verband met stijgende kosten. Zie voor verdere toelichting de vrijdag 10 februari jl. aan u verzonden kabinetsreactie op de vraag van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (uw kenmerk 2022Z26272).
Op welke manier worden de afschrijvingen van de infrastructuur in de tarieven aan de consument doorberekend?
Ik heb geen informatie om deze vraag te beantwoorden. Zie ook mijn antwoorden op vragen 1 en 4.
Welk deel van de consumentenprijs van warmte is gebaseerd op de inkoop, dan wel productiekosten, van warmte?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier wordt voorkomen dat de warmteleveranciers de prijsverhoging niet gebruiken om onnodig meer winst te maken, zoals ook de ACM voorschrijft?2
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Op welke grond heeft de ACM besloten onderzoek in te stellen naar de tariefswijziging, en wanneer is het onderzoek afgerond?
De ACM heeft op dit moment nog geen onderzoek gesteld naar de tariefwijziging. De ACM heeft warmteleveranciers wel gewaarschuwd om alleen de tarieven te verhogen als dit echt nodig is in verband met stijgende kosten. Zie voor verdere toelichting de vrijdag 10 februari jl. aan u verzonden kabinetsreactie op de vraag van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (uw kenmerk 2022Z26272).
Welk effect heeft deze prijsstijging op de geraamde kosten van het prijsplafond? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Kamerbrief van 7 november 2022 (kenmerk 2022D45753) heb ik toegelicht dat voor de inschatting van de kosten voor de compensatie van warmteleveranciers is gerekend met 5 procent van de kosten van het gasplafond. In deze raming van 400 miljoen euro is dus rekening gehouden met een stijging van warmteprijzen in lijn met gasprijzen. Het bedrag aan subsidie dat de warmteleveranciers daadwerkelijk hebben aangevraagd is in lijn met deze raming.
Kunt u ingaan op de positie en de bescherming van consumenten van warmte die (veelal) geconfronteerd worden met een monopolie die vervolgens een verdubbeling van de prijs doorvoert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Warmteafnemers worden beschermd door regulering die op basis van de Warmtewet, het Warmtebesluit en de Warmteregeling door de ACM wordt toegepast. Voor nadere informatie over toezicht op tarieven verwijs ik u naar de vrijdag 10 februari jl. aan u verzonden kabinetsreactie op de vraag van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (uw kenmerk 2022Z26272).
Het toezicht op warmteleveranciers behelst meer dan tariefregulering en rendementsmonitoring. De ACM kan het instrumentarium dat haar ten dienste staat gebruiken tegen individuele warmteleveranciers die de verplichtingen uit de Warmtewet niet nakomen.
Bent u, dan wel de ACM, bereid om in te grijpen op de tariefstelling en met eventuele boetes te komen indien blijkt dat er wel onnodige winst wordt gemaakt door warmteleveranciers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie voor informatie over toezicht op de warmtetarieven de vrijdag 10 februari jl. aan u verzonden kabinetsreactie op de vraag van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (uw kenmerk 2022Z26272).
Op welke manier worden consumenten gecompenseerd indien de tariefsverhoging inderdaad leidt tot onnodige winsten?
Zie antwoord vraag 12.
Op welke manier wordt de subsidie onder het prijsplafond verrekend of gecompenseerd indien warmteleveranciers onnodig winst maken?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe verhoudt de margetoets van energieleveranciers onder het prijsplafond zich tot de winstmarges bij warmteleveranciers? Ook wanneer deze onderdeel zijn van dezelfde firma?
De toets bij warmte is gelijkwaardig, maar niet identiek aan de toets bij gas en elektriciteit. De warmtesector is een meer kapitaalintensieve sector, waarin de rendementen sterk afhankelijk zijn van hoge investeringen in activa (waaronder het warmtenet). Dat zou in een bruto margetoets, die voor gas en elektriciteit wordt gehanteerd, onvoldoende tot uitdrukking komen. Daarom wordt de door de ACM gehanteerde methodiek op basis van return on invested capital (ROIC) gevolgd. Het voordeel hiervan is ook dat er gebruik gemaakt kan worden van de methodiek die de ACM reeds in gebruik heeft in het kader van de rendementsmonitor (art. 7, eerste lid Warmtewet) en ook heeft geconsulteerd in het kader van de rendementstoets (art. 7 tweede tot en met vierde lid Warmtewet).
Het tweede verschil is dat in de subsidieregeling een ondergrens voor het toegestane rendement wordt gehanteerd, die er voor gas en elektriciteit niet is. In de situatie van aanloopverliezen, bij warmtenetten niet ongebruikelijk, zou een historische vergelijking mogelijk kunnen leiden tot het voorschrijven van rendementen die lager zijn dan redelijk geacht.
Voor de rendementstoets bij warmte worden alleen de kosten meegenomen die relevant zijn voor de levering van warmte. Het maakt daarbij dus niet uit of de leverancier naast warmte ook elektriciteit of warmte levert.
Hoe verhouden de tarieven van warmte bij grote commerciële bedrijven zich tot de tarieven bij lokale, duurzame warmteleveranciers?
Ik heb onvoldoende gegevens om deze vraag te kunnen beantwoorden. Tarieven van veel warmteleveranciers, vooral van kleinere partijen, zijn niet openbaar en zijn alleen bij hun eigen afnemers bekend. Tarieven kunnen ook sterk verschillen, wat het moeilijk maakt om algemene vergelijkingen te doen. Ook heb ik geen inzicht in welke leveranciers als lokaal en duurzaam kunnen worden beschouwd. Veel leveranciers gebruiken een mix van bronnen, zowel niet duurzame als duurzame. Overigens zijn kleine warmteleveranciers divers en niet altijd duurzamer dan de grote, commerciële partijen. Sommige gebruiken een ketel op aardgas of biogas, andere een WKO met een warmtepomp. Afhankelijk van de lokale situatie kan zowel een grote leverancier als een lokale partij in een bepaalde wijk kiezen voor aardgas of een (duurzaam) alternatief.
Het artikel ‘Warmteleveranciers verhogen hun tarieven volgend jaar fors’ |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Warmteleveranciers verhogen hun tarieven volgend jaar fors»?1 Was u ervan op de hoogte dat de warmteleveranciers hun tarieven zouden verhogen voor het volgende jaar?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Het was te verwachten dat de tarieven voor warmtelevering boven het prijsplafond in 2023 sterk zouden stijgen. Vattenfall heeft zijn hogere tarieven al eind november aangekondigd. In de loop van 2022 zijn gasprijzen sterk gestegen. De verwachting was dat dit ook tot veel hogere warmteprijzen zou leiden, om twee redenen. Ten eerste heeft de hogere gasprijs ook geleid tot hogere kosten van warmteleveranciers. Ten tweede is de maximumprijs die de ACM op basis van de Warmtewet vaststelt voor de levering van warmte afgeleid van de prijs van aardgas. Door de sterke stijging van de gasprijs is deze maximumprijs ook sterk gestegen, waardoor warmteleveranciers hun tarieven konden verhogen.
Overigens betalen warmteafnemers in 2023 bij de drie grootste warmteleveranciers minder dan ze zouden betalen als deze de maximumprijzen van de ACM zouden toepassen. De tabel hieronder toont het verschil tussen de totale jaarlijkse kosten voor warmte, de som van vast en variabel, voor een gemiddeld huishouden dat 35 GJ per jaar verbruikt, ten opzichte van de kosten bij de betreffende leverancier bij hetzelfde verbruik in het voorafgaande jaar. Voor 2023 is de vergelijking in twee varianten opgenomen: in de situatie waarin er geen prijsplafond zou gelden, en in de situatie waarin het prijsplafond wel van toepassing is.
2020
2021
2022
2023 zonder prijsplafond
2023 met prijsplafond
Totale jaarlijkse kosten met toepassing van maximumprijzen van de ACM
€ 1.534
€ 1.524
€ 2.541
€ 3.903
€ 2.380
Eneco
Verschil %
– 8,39%
– 7,01%
– 17,86%
– 2,33%
– 3,82%
Verschil absoluut
– € 129
– € 107
– € 454
– € 91
– € 91
Vattenfall
Verschil %
– 9,91%
– 8,24%
– 24,96%
– 16,07%
– 5,09%
Verschil absoluut
– € 152
– € 126
– € 634
– € 627
– € 121
Ennatuurlijk
Verschil %
– 10,56%
– 12,19%
– 18,71%
– 13,93%
– 4,21%
Verschil absoluut
– € 162
– € 186
– € 476
– € 544
– € 100
Hoe apprecieert u deze tariefsverhogingen? Acht u deze redelijk?
Voor veel warmteleveranciers hebben de hogere gasprijzen geleid tot hogere kosten. Ik acht het redelijk dat warmteleveranciers hun tarieven verhogen als hun kosten stijgen. Ik heb echter geen inzicht in de kosten van individuele warmteleveranciers en ik kan niet beoordelen of alle tariefverhogingen noodzakelijk waren om kostenstijgingen op te vangen. Warmteafnemers worden overigens in 2023 beschermd door het prijsplafond.
De leveranciers geven aan dat de tarieven stijgen omdat hun kosten zijn gestegen, onder andere doordat een deel van de warmtenetten ook gas gebruikt om warmte te creëren. Kunt u aangeven hoeveel warmtenetten gebruik maken van aardgas en als het niet aardgas is welke energiebronnen voor de andere warmtenetten worden gebruikt? Kunt u per energiebron aangeven met hoeveel de prijs is gestegen en of dit overeenkomt met de prijsstijgingen voor warmtelevering?
Volgens de gegevens van de RVO uit de Duurzaamheidsrapportage is voor de grote en middelgrote netten het aandeel van aardgas in de warmteproductie 58%. Het gaat hier voornamelijk om elektriciteitscentrales die zowel gas als warmte produceren, en om gasketels. Andere belangrijke bronnen zijn biogas en biomassa (17%) en restwarmte van afvalverbranding of van andere processen (24%). Daarnaast wordt warmte nog geproduceerd met aquathermie, geothermie of warmte-koude opslag waarbij een warmtepomp wordt gebruikt.
Ik heb geen gegevens over het totale aantal warmtenetten dat gebruik maakt van aardgas. Volgens de schatting van de RVO zijn er in Nederland meer dan honderd warmteleveranciers. Veel leveranciers hebben meerdere netten, die gebruik maken van verschillende bronnen. Ook binnen hetzelfde net kunnen verschillende bronnen worden gebruikt. De meeste grote en middelgrote netten in Nederland maken gebruik van een mix van bronnen, waaronder aardgas.
Warmteleveranciers hebben hun tarieven voor 2022 kort na de publicatie van het ACM-tariefbesluit voor 2022 vastgesteld. De prijzen van aardgas zijn sindsdien sterk gestegen (zie onderstaande grafiek). Op 15 december 2022 was de prijs ongeveer twee keer zo hoog als op 15 december 2022, met in de zomer van 2022 prijzen die drie tot zes keer zo hoog waren als in december 2022. Eind december 2022 zijn de prijzen weer gedaald tot het niveau van januari 2022.
Figuur 1 TTF prijsindex voor contracten met leveringen volgende maand
Bron: www.ice.com. 19 januari 2022.
De werkelijke stijging van inkoopkosten van gas verschilt echter per leverancier. Een leverancier die op de TTF veel gas in augustus 2022 heeft ingekocht, heeft veel hogere kosten dan een leverancier die dat in januari of december van dat jaar heeft gedaan, of die met de inkoop heeft gewacht tot januari 2023. Daarnaast wordt aardgas in veel gevallen ingekocht op basis van langlopende contracten, waarbij de prijsontwikkelingen anders kunnen zijn (hoewel deze contracten ook vaak op de huidige marktprijs worden geïndexeerd).
Ook de prijzen van andere bronnen zijn gestegen, al is het niet mogelijk om deze stijging cijfermatig te duiden. Er bestaat voor deze bronnen namelijk geen landelijke wholesalemarkt, de prijzen worden rechtstreeks tussen verkoper en afnemer afgesproken. Voor zover gebruik wordt gemaakt van vanuit de SDE++ gesubsidieerde duurzame warmtebronnen zoals biogas en biomassa, is het van belang dat gelet op de systematiek van de SDE++ de hoogte van de subsidie gekoppeld is aan de gasprijs. Een hoge gasprijs betekent een lage subsidie. Dat kan er toe leiden dat ook warmtenetten met vooral duurzame bronnen per saldo hogere kosten met zich meebrengen als gevolg van de gestegen gasprijzen. De prijzen van restwarmte zijn vaak ook gestegen, omdat de contractprijzen voor deze bron vaak op gas worden geïndexeerd.
Ook als prijzen van andere bronnen niet direct of indirect aan de aardgasprijs zijn gekoppeld, heeft de hogere aardgasprijs de vraag ernaar verhoogd met hogere prijzen als gevolg. Ten slotte is ook de prijs van elektriciteit, die gebruikt wordt voor warmtepompen bij duurzame bronnen, sterk gestegen.
Het is dus duidelijk dat de kosten zijn gestegen. Ik heb echter geen inzicht in kosten van iedere individuele leverancier en dat maakt het dus onmogelijk om antwoord te geven op de vraag of en in hoeverre in specifieke situaties de tariefstijging in verhouding staat tot de kostenstijging.
Eventuele bovenmatige stijgingen van contractuele tarieven worden in 2023 voorkomen door de rendementstoets als onderdeel van de subsidieregeling voor de bekostiging van prijsplafond voor energie, en door de rendementstoets van de ACM die op dit moment in voorbereiding is. Zie voor verdere toelichting over deze rendementstoetsen mijn brief aan de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat (kenmerk DGKE-DE/2616285). De controle op rendementen zorgt ervoor dat eventuele prijsverhogingen in verhouding moeten staan tot reële kostenstijging waarmee leveranciers geconfronteerd worden.
Heeft u zicht op hoeveel winst warmteleveranciers maken met de nieuwe tarieven? Vindt u de winsten redelijk?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of de stijging van warmtetarieven volledig gebaseerd is op de werkelijke kosten. Zie ook mijn antwoord op vraag 1. Na afloop van 2023 komt er meer informatie beschikbaar. Dan moeten warmteleveranciers die gebruik maken van de subsidie in het kader van het prijsplafond informatie over hun rendementen aanleveren aan de RVO.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft de warmteleveranciers opgeroepen om de maximumtarieven niet te gebruiken om overwinsten te voorkomen, hoe wordt hier toezicht op gehouden? Is er volgens u voldoende toezicht op dit moment op de tariefsverhogingen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de totstandkoming van de warmtetarieven transparanter moet worden? Welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Kunnen er eisen gesteld worden aan deze transparantie waardoor gebruikers van een warmtenet er meer zicht op krijgen?
De ACM kan in het kader van haar toezichtstaken inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de tarieven. Dit betreft echter bedrijfsgevoelige, vertrouwelijke informatie. De huidige Warmtewet bevat geen specifieke verplichtingen over de kostentransparantie naar de gebruikers toe. Ik onderzoek nog of aangescherpte bepalingen ten aanzien van transparantie in de nieuwe Warmtewet moeten worden opgenomen.
De warmtetarieven zijn momenteel nog steeds gekoppeld aan de gasprijs, wanneer wordt dit aangepast? Deelt u de mening dat deze koppeling leidt tot onnodig hoge warmtetarieven? Wat zouden de warmtetarieven zijn onder het cost-plus model? Hoeveel kost dit een gemiddeld huishouden op een warmtenet extra?
Voor het antwoord op de vraag of de koppeling aan de gasprijs losgelaten moet worden en op de vraag of het loslaten van deze koppeling leidt tot te hoge tarieven verwijs ik u naar mijn gelijktijdig verzonden brief aan de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat.
Het is niet mogelijk om een antwoord te geven op de vraag wat de tarieven zouden zijn onder het kostplus model, maar er is geen garantie dat de daadwerkelijke tarieven in alle situaties lager zullen zijn dan onder de huidige tariefregulering. De op kosten gebaseerde tariefregulering die ik voorzie in de nieuwe Warmtewet heeft wel het voordeel dat de maximale tarieven dan gekoppeld zullen zijn aan de kosten van warmtelevering in plaats van aan de gemiddelde kosten van gaslevering zoals dat nu het geval is.
Op welke manier moeten de warmteleveranciers op dit moment verantwoording afleggen over de warmtetarieven?
Zie mijn gelijktijdig verzonden brief aan de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat (kenmerk DGKE-DE/2616285).
Belemmeringen in het gebruik van elektrische voertuigen, terwijl we dit gebruik juist willen stimuleren |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Hoe kijkt u aan tegen de ontwikkeling dat er steeds meer elektrische voertuigen in ontwikkeling zijn en op de markt komen, die zich niet zo makkelijk laten categoriseren en in feite tussencategorieën vormen tussen auto, motor, fiets en dergelijke? Zou u deze vraag willen beantwoorden in het licht dat deze tussencategorieën niet in de wet- en regelgeving zijn opgenomen?
De diversiteit aan elektrische en elektrisch ondersteunde voertuigen neemt toe. Voor de verkeersveiligheid is het belangrijk eisen te stellen aan deze voertuigen en aan het gebruik ervan.
Voor de eisen aan het voertuig geldt in beginsel Europese regelgeving, zoals de Europese verordening betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (Verordening (EU) nr. 168/2013). Een relatief klein deel valt vanwege de kenmerken van het voertuig buiten Europese voertuigkaders. In die gevallen is het aan de lidstaten om regels te stellen ten aanzien van toelating van voertuigen tot het verkeer op de weg. Nederland hanteert de Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen (hierna: de Beleidsregel) voor voertuigen die buiten het toepassingsbereik van Verordening (EU) nr. 168/2013 vallen. De werking en inhoud van deze beleidsregel is vergelijkbaar met de Europese Verordening (EU) nr. 168/2013.
Op dit moment wordt gewerkt aan de implementatie van het nationale kader voor lichte elektrische voertuigen (het LEV-kader) in wet- en regelgeving. Het LEV-kader kan voor wat betreft de eisen aan het voertuig worden beschouwd als opvolger van de Beleidsregel. In het bij de Kamer aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enige andere wetten in verband met het laten vervallen van de mogelijkheid tot het aanwijzen van bijzondere bromfietsen en het mogelijk maken van implementatie van het kader voor lichte elektrische voertuigen1 wordt voorgesteld dat een goedkeuring door de RDW nodig is in plaats van een aanwijzing. Daarnaast wordt in het LEV-kader een goedkeuring vereist voor grote elektrisch ondersteunde bakfietsen die zijn bedoeld voor het vervoer van goederen of personen. De voertuigcategorieën in het LEV-kader zijn zo gekozen dat voertuigen die buiten de reikwijdte van Verordening (EU) nr. 168/2013 vallen en na inwerkingtreding van het voornoemde wetsvoorstel een goedkeuring nodig hebben om op de weg te mogen worden gebruikt, in één van de categorieën van het LEV-kader vallen.
Zodoende borgen we de verkeersveiligheid met een «sluitend» systeem zonder tussencategorieën die buiten wet- of regelgeving vallen.
Zou u de voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht dat we het gebruik van deze elektrische voertuigen willen stimuleren, maar dat gebruikers van in het bijzonder voertuigen die erg op een auto lijken of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, in de praktijk en in de wet- en regelgeving aanlopen tegen belemmeringen in het gebruik ervan, zoals de Virtos, de LEF (die eerst de naam E-one had) en de Carver S+?
Zoals ook in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, is er sprake van een «sluitend» systeem aan voertuigcategorieën. Om een voertuig op de weg te mogen gebruiken moet het zijn goedgekeurd en aan de voor die categorie gestelde eisen voldoen, dan wel van goedkeuring zijn vrijgesteld. Dit systeem is kaderstellend en doet in zichzelf geen uitspraken over de wenselijkheid van het stimuleren van het gebruik.
De eisen die aan het gebruik en de gebruiker van een voertuig worden gesteld variëren per voertuigcategorie. Bij voertuigtoelating geldt dat een doorontwikkeling van een bestaand voertuig tot een nieuw voertuig goedkeuring vergt. Ten behoeve van de goedkeuring bepaalt degene die de aanvraag van een goedkeuring doet onder welke categorie dit gebeurt. Daarmee bepaalt de aanvrager aan de hand van welke technische eisen dat voertuig dan wordt beoordeeld en dus ook welke gebruikseisen gelden voor dat voertuig na goedkeuring.
Ter illustratie: een fabrikant past zijn elektrische fiets (die valt in de categorie fiets) zodanig aan dat de trapondersteuning niet stopt bij 25 km/u maar bij 45 km/u. Dan is het niet langer een fiets, maar een speed-pedelec (die valt in de categorie bromfiets). Hiervoor gelden andere voertuigeisen en gebruikerseisen dan voor fietsen. Om op een fiets te rijden is geen rijbewijs nodig, terwijl voor een speed-pedelec een rijbewijs AM nodig is.
Zou u op een rij willen zetten op welke elektrische voertuigen, die binnen dergelijke tussencategorieën vallen, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zicht heeft?
Aangezien Nederland een sluitend systeem van voertuigcategorieën kent zoals toegelicht bij vraag 1, is er geen sprake van tussencategorieën. Hieronder zijn daarom de voorgestelde rijbewijseisen voor bijzondere bromfietsen, voor iedere categorie van het LEV-kader, en voor de specifieke merken voertuigen, genoemd in vraag 2, geschetst. De voertuigen waarin examens mogen worden afgelegd staan voor elke categorie beschreven in de Europese rijbewijsrichtlijn2 en geïmplementeerd in het Reglement rijbewijzen. Met nationale regels kunnen hier nog aanvullende eisen voor worden gesteld. Daarin is ook bepaald dat het CBR beoordeelt of een voertuig geschikt is voor het examen. Zo mag niet op een speed-pedelec examen worden gedaan.3
De Carver S+, die in vraag 2 is aangehaald, is een Europees typegoedgekeurd voertuig in categorie L5e. Hiervoor geldt rijbewijs A of B (indien rijbewijs B voor 19 januari 2013 is behaald).
Binnen het LEV-kader is voor categorie 2 voor het rijbewijs AM gekozen, aangezien het om relatief zware voertuigen gaat die een groter risico vormen voor de bestuurder, inzittenden en medeweggebruikers. Voor personen die in bezit zijn van een Nederlands rijbewijs A (motorrijbewijs) of B (autorijbewijs) geldt al dat zij het rijbewijs AM automatisch bijgeschreven krijgen.
Zou u per elektrisch voertuig in een dergelijke tussencategorie inzichtelijk kunnen maken welk rijbewijs er nodig is, en waarom specifiek dat rijbewijs nodig is en andere categorieën van het rijbewijs kennelijk minder geschikt zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Zou u per elektrisch voertuig in een dergelijke tussencategorie inzichtelijk willen maken of dit voertuig ook gebruikt mag worden bij het afleggen van het rijexamen? Zou u daarbij willen aangeven waarom ervoor is gekozen om dit voertuig hiervoor wel of niet toe te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt er in de gaten gehouden of bepaalde doorontwikkelingen van voertuigen ervoor zorgen dat een andere categorie rijbewijs voor dat type voertuig meer op zijn plaats is? Zou u de criteria voor deze afwegingen inzichtelijk willen maken?
De rijbewijseis volgt uit de rijbewijsrichtlijn, die verwijst naar de voertuigcategorie. De categorisering van een voertuig gebeurt via indelingscriteria, die veelal Europees bepaald worden. Voor elke categorie voertuig is bepaald welk rijbewijs gepast is om de verkeersveiligheid te borgen. Daarmee kan worden vastgesteld dat iemand over de benodigde rijvaardigheid beschikt om het voertuig te besturen. Dit is ook geïllustreerd in het antwoord op vraag 2. Als de categorisering van voertuigen wordt aangepast is een mogelijk gevolg dat een (ander) rijbewijs nodig is. Aanpassingen van voertuigcategorieën kan om diverse redenen nodig zijn, zoals technologische ontwikkelingen of nieuwe inzichten op basis van (ongevals)data. Een doorontwikkeling van een voertuig kan er ook toe leiden dat deze tot een andere voertuigcategorie gaat behoren met bijbehorende rijbewijseisen.
Zou u twee voorbeelden kunnen geven van het proces en de criteria zoals genoemd in de voorgaande vraag; één waarbij een bepaalde doorontwikkeling voor de benodigdheid van een ander type rijbewijs heeft gezorgd en één waarbij op basis van de genoemde criteria is besloten dat dit niet nodig was? Zou u deze voorbeelden willen uitwerken op een manier die inzichtelijk maakt hoe dit proces verloopt en op welke manier deze criteria worden toegepast?
De rijbewijseis van een voertuigcategorie kan worden aangepast als de huidige rijbewijseis de verkeersveiligheid onvoldoende borgt. Op basis van het rapport «Veilig toelaten op de weg» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid4 is dit voor het LEV-kader gebeurd. De aanbevelingen in dit rapport waren aanleiding om met experts en belangenorganisaties in gesprek te gaan of de eisen passend zijn en over eventuele aanpassingen. Over dit proces is ook uw Kamer geïnformeerd.5 Concreet betekent dit dat bij de implementatie van het LEV-kader een rijbewijs AM nodig is voor het besturen van bijvoorbeeld een BSO-Bus, waar tot nu toe voor bijzondere bromfietsen, waaronder de BSO-Bus, geen rijbewijs vereist is. In het geval van de e-bike heeft dit niet geleid tot het invoeren van een rijbewijs. Voor dit voertuig blijft de situatie, wat betreft het rijbewijs, gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat een deel van de genoemde elektrische voertuigen erg op een auto lijken of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, terwijl er een rijbewijs benodigd is voor een ander categorie voertuig?
Zoals in bovenstaande beantwoording is gesteld worden er bepaalde eisen gesteld aan voertuigen in een bepaalde categorie. Waar het voertuig op lijkt is hierin geen criterium. Daarnaast kan voor het besturen van een brommobiel een speciaal brommobiel examen worden gedaan, waarmee ook alleen een rijbewijs voor het brommobiel (AM4) kan worden behaald. Met dat rijbewijs mag geen personenauto of bromfiets worden bestuurd. Daarvoor zijn respectievelijk een rijbewijs B of AM nodig.
Welke mogelijkheden zijn er om wet- en regelgeving zo in te richten dat er voor het besturen van elektrische voertuigen die erg op een auto lijken of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, ook het bezit van een B-rijbewijs afdoende is? Zou u deze vraag willen beantwoorden in het licht van vraagstukken op het gebied van het acceleratievermogen, de wendbaarheid, de balans van het voertuig, de plaats op de weg, de zichtbaarheid voor andere weggebruikers, en niet in de laatste plaats de verkeersveiligheid?
De wet- en regelgeving is zo ingericht dat de rijbewijscategorie volgt uit de voertuigcategorie. Als een elektrisch voertuig een auto is, dan moet de gebruiker in het bezit zijn van een B-rijbewijs. Als een elektrisch voertuig op een auto lijkt, maar onder de voertuigcategorie «brommobielen» valt, dan is een AM-rijbewijs afdoende. In Nederland wordt het rijbewijs AM automatisch bijgeschreven als iemand in bezit is van een Nederlands rijbewijs B. Het motorvermogen en aantal wielen (gerelateerd aan de balans van het voertuig) zijn indelingscriteria. Per voertuigcategorie zijn er eisen aan de stuurinrichting (gerelateerd aan de wendbaarheid) en verlichting. Voor de verschillende voertuigcategorieën wordt ook de plaats op de weg bepaald. Gecombineerd moeten de voertuigindeling, technische eisen en gebruikerseisen de verkeersveiligheid borgen.
Welke mogelijkheden zijn er om de L2e- en de L5e-categorieën voor lichte voertuigen weer toe te voegen aan de regeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de Milieu-investeringsaftrek (MIA)-regelingen en een subsidie voor de L-categorie in te voeren, zodat verschillende elektrische voertuigen die op een auto lijken, of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, niet tussen wal en schip vallen of dreigen te vallen omdat deze twee fiscale stimuleringsmaatregelingen vanaf 2022 niet meer van kracht zijn en deze lichte voertuigen niet onder de nieuwe subsidieregeling vallen?
In de vraagstelling wordt gerefereerd aan voertuigen die op een auto lijken, of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken en die niet tussen wal en schip dienen te vallen door niet meer van kracht zijn van stimuleringsmaatregelen. De MIA en Vamil bieden verschillende mogelijkheden voor voertuigen in de L-categorie. Elektrische motorfietsen (L3e en L4e), kleine elektrische bezorgauto’s (L7e) en speed-pedelecs (L1e-B) komen voor steun via deze regelingen in aanmerking.
Driewielige bromfietsen (L2e) en elektrische driewielige motorrijtuigen (L5e) komen sinds 2022 niet meer in aanmerking. Elektrische varianten van dergelijke kleine lichte vervoersmiddelen zijn bij aanschaf nauwelijks duurder dan de equivalenten met verbrandingsmotor en worden steeds concurrerender. Gekeken naar de «total costs of ownership» van deze voertuigen is in steeds minder gevallen sprake van een onrendabele top voor ondernemers die overbrugd dient te worden. Daarom wordt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een subsidie als minder doeltreffend en efficiënt geacht.
Deelt u de opvatting dat het goed zou zijn als er vaart gemaakt zou worden met de ontwikkeling van het zogenaamde Lichte Elektrisch Voertuigen (LEV) -kader?
Ja. Ik vind het belangrijk dat de implementatie van het LEV-kader in wet- en regelgeving voortvarend, zorgvuldig en ordentelijk verloopt. Ik verwacht in 2023 ook de aanpassingen van algemene maatregelen van bestuur voor de implementatie van het LEV-kader, zoals het kentekenen van bijzondere bromfietsen en de gebruikerseisen voor LEVs, aan uw Kamer te kunnen sturen in het kader van de voorhangprocedure.