Het bericht 'Hulplijn slaat alarm om hulpeloze ggz-patienten' |
|
Grace Tanamal (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Hulplijn slaat alarm om hulpeloze ggz-patiënten»?1
Ja.
Hoe zorgt u ervoor dat mensen met psychische problemen die hulp nodig hebben, correct doorverwezen zijn en bij de juiste ggz-zorg aankloppen, binnen de Treeknormen worden gezien en geholpen?
Inmiddels ontvang ik meerdere signalen die raken aan deze problematiek, zoals onlangs de uitkomsten van de door de LPGGZ georganiseerde meldactie Ambulantisering. Ik neem dergelijke signalen uiterst serieus. Ik vind dat mensen gepaste zorg moeten krijgen en binnen een redelijke termijn geholpen moeten worden. Zorgverzekeraars zijn gehouden voldoende zorg in te kopen, zodat mensen zorg ontvangen die zij nodig hebben en deze ook binnen redelijke termijn kunnen krijgen. Met betrekking tot de zorg in de acute GGZ, zend ik u binnenkort mijn reactie om hier verbeteringen te realiseren. Daarnaast heb ik met de Minister van VenJ afgesproken in overleg te treden met alle ketenpartners rond de zorg voor verwarde personen. De gehele zorgketen rondom verwarde personen wordt in kaart gebracht. Van belang is om knelpunten te inventariseren en daarbij ook de oplossingen in kaart te brengen.
Herkent u de signalen van Sensoor over capaciteitsproblemen in de ggz en zorgverzekeraars die niet voldoen aan hun zorgplicht waardoor cliënten te lang wachten op hulp? Zo nee, waarop baseert u dat en hoe verklaart u de signalen van Sensoor? Zo ja, welke beleidsveranderingen voert u door om ggz-cliënten tijdig de juiste hulp te bieden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zorgt u ervoor dat behandelplannen goed aansluiten op de behoeften van ggz-cliënten en dat zorgverleners zo veel mogelijk rekening houden met de wensen van cliënten?
Hierover zijn mij geen signalen bekend, behoudens het alarmerende bericht van Sensoor herover. Het behandelplan is primair iets wat zich tussen de behandelaar en de cliënt/patiënt afspeelt en vindt zijn basis in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).
In het behandelplan worden tussen behandelaar en cliënt/patiënt afspraken gemaakt over zowel te bereiken doel(en) met de behandeling als meer procesmatige zaken. Voor de uitvoering van een behandelplan is (formele) overeenstemming nodig tussen cliënt/patiënt en de behandelaar. Indien het behandelplan niet aansluit bij de wens van de cliënt/patiënt ontbreekt daarmee de nodige overeenstemming om dit plan uit te voeren. Het lijkt mij een goede zaak indien cliëntenorganisaties cliënten/patiënten over hun rechten op dit punt nader informeren.
Het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ is druk bezig met het ontwikkelen van een groot aantal zorgstandaarden en (niet aandoeningsspecifieke) generieke modules. De implementatie van deze standaarden en modules zal de kwaliteit van de GGZ verder verbeteren.
Herkent u de signalen van cliëntenorganisaties over problemen met de kwaliteit van ggz-zorg omdat behandelplannen niet goed aansluiten op de cliënt? Zo nee, waarop baseert u dat en hoe verklaart u de signalen van cliëntenorganisaties? Zo ja, welk beleid zet u in om de kwaliteit van ggz-zorg en het daarbij komend maatwerk te verbeteren?
Zie antwoord vraag 4.
De berichten dat mantelzorgers overbelast raken |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Participatiesamenleving eist tol op de werkvloer»1 en «Vier uur per week zorgen, dat kan net»?2
Ja.
Deelt u de conclusie van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat mensen die veel uren per week werken en meer dan vier uur per week mantelzorg verlenen een groter risico hebben op gezondheidsklachten op de werkvloer? Deelt u de mening dat het toegenomen risico op gezondheidsklachten een zorgelijke ontwikkeling is?
Uit de SCP- publicatie «Concurrentie tussen mantelzorg en betaald werk» blijkt dat de ervaren gezondheid van werkenden in het algemeen niet verandert als ze met mantelzorg beginnen. Het aantal ervaren gezondheidsklachten stijgt wel als de mantelzorg intensief is, waarbij de omvang van de werkweek niet uitmaakt. Het ziekteverzuim van werkende mantelzorgers stijgt na het beginnen met mantelzorg, met name als de zorg al minstens twee jaar duurt. Daarbij wordt door de onderzoekers wel aangegeven dat langdurende hulp geen aantoonbare nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. Volgens de onderzoekers spelen bij de ervaren gezondheid en het verzuim zowel de zorgsituatie als de combinatie arbeid en zorg een rol.
De emotionele en fysieke belasting die de zorgsituatie voor de mantelzorger in combinatie met het werk met zich meebrengt, mag er niet toe leiden dat mantelzorgers eraan onderdoor gaan. Het kabinetsbeleid is er dan ook op gericht te voorkomen dat mensen door de combinatie van werk en zorg oververmoeid en overbelast raken en vervolgens mogelijk stoppen met werken.
Ziet u vanuit de doelstelling van het kabinet om de Participatiesamenleving te bevorderen ook de noodzaak in om te kijken hoe gezondheidsproblemen onder mantelzorgers voorkomen kunnen worden? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiertoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, overbelasting kan leiden tot gezondheidsklachten en uitval en kan ook de duurzame inzetbaarheid van werknemers verminderen. Ook kunnen gezondheidsklachten ertoe leiden dat de mantelzorger de zorgtaken voor zijn naaste niet langer kan verrichten. In mei 2014 is het Ministerie van SZW gestart met een vierjarige campagne gericht op preventie van werkstress. Vanuit het programma duurzame inzetbaarheid wordt ingezet op het agenderen van het belang van de preventie van werkstress bij werkgevers en werknemers en op het verspreiden en toegankelijk maken van relevante en beschikbare kennis en praktijkervaring. Dit opdat meer werkgevers en werknemers sneller en beter investeren in mentaal gezond werken. Ten aanzien van werkstress geldt, dat preventie een gezamenlijk belang – en dus ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid – is van werkgevers en werknemers. Van belang is dat werkgever en werknemer met elkaar in gesprek gaan over de combinatie van werk en mantelzorg en eventueel maatregelen nemen om te voorkomen dat de werknemer overbelast raakt.
Middelen die worden ingezet zijn: een communicatiecampagne, de Week van de Werkstress (waarin bedrijven en organisaties worden gemobiliseerd om zelf aan de slag te gaan met het thema), en bijeenkomsten gericht op medezeggenschap en personeelsfunctionarissen. Op 21 mei 2015 wordt, samen met AWVN, De Baak, SBI Formaat, CAOP en het Nederlands Focal Point, een werkconferentie georganiseerd voor OR-leden en HR-medewerkers, over wat bedrijven en organisaties praktisch kunnen doen om werkstress voor te zijn. Het thema werk & privé, waaronder mantelzorg, staat hierbij nadrukkelijk op de agenda.
Daarnaast is het kabinetsbeleid erop gericht dat gemeenten mantelzorgers vroegtijdig in beeld krijgen en indien nodig passende ondersteuning aan mantelzorgers bieden. Daartoe is de positie van de mantelzorger in de Wmo 2015 verstevigd. Voortaan dient de gemeente bij de beoordeling van een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning ook de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger te betrekken. Op deze wijze komt de belastbaarheid van de mantelzorger vroegtijdig bij de gemeente in beeld en kan maatwerk in de ondersteuning worden geboden.
Kunt u aangeven welke belemmeringen er bestaan – ook in wet- en regelgeving – om mantelzorg en betaald werk te combineren?
De Eerste Kamer heeft in december 2014 unaniem ingestemd met het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden.
Met deze wet zijn belemmeringen in de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur weggenomen opdat de daarin opgenomen voorzieningen met betrekking tot arbeid en zorg flexibeler kunnen worden gebruikt en beter toegankelijk zijn voor werkende mantelzorgers. Zo kan het kort- en langdurend zorgverlof per 1 juli aanstaande ook worden opgenomen voor de zorg voor huisgenoten, tweedegraads familieleden en anderen in de sociale omgeving (nu alleen voor ouder, kind en partner). Langdurend zorgverlof kan per 1 juli ook worden opgenomen voor de zorg voor een hulpbehoevende (thans uitsluitend bij levenbedreigende ziekte).
Daarnaast wordt op korte termijn aan de SER advies gevraagd over «Werken en leven in de toekomst». Daarin wordt onder andere gevraagd of naar aanleiding van de resultaten van het voornoemde SCP-onderzoek extra facilitering wenselijk is van degene die een grote baan combineert met intensieve of langdurige mantelzorg.
Ten slotte heeft het kabinet in 2013 een arbeid- en zorgbijeenkomst georganiseerd om met het veld knelpunten en kansen in kaart te brengen op het gebied van arbeid en zorg. Op verzoek van de Tweede Kamer wordt een tweede bijeenkomst georganiseerd. Daarna zal ik de Tweede Kamer een brief doen toekomen over de ontwikkelingen en toekomstperspectieven rond het thema arbeid en zorg.
Wat zijn volgens u de oorzaken van de onderbenutting van het gebruik van de bestaande verlofregelingen door mantelzorgers? In hoeverre wordt dit veroorzaakt door onbekendheid van mantelzorgers met de verlofregelingen, of spelen er ook andere oorzaken mee? Bent u bereid met de sociale partners te bezien hoe het gebruik van de verlofregelingen door mantelzorgers verbeterd kan worden?
Uit onderzoek is bekend dat specifieke verlofregelingen betrekkelijk weinig worden gebruikt. Zo maakt 53% van de mantelzorgers – mede vanwege onbekendheid – geen gebruik van wettelijke verlofregelingen ten behoeve van mantelzorg3. Meestal hadden de niet-gebruikers geen behoefte aan verlof. Degenen die daaraan wel behoefte hadden namen dat meestal niet omdat het werk het niet toeliet. Onbekendheid met de verlofregelingen speelde daarnaast ook een grote rol4.
Om de bekendheid met de Wet modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden te vergroten start het Ministerie van SZW in de maand mei een voorlichtingscampagne. Conform een toezegging van de Staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer d.d. 16 december 2014 (Kamerstuk 30 169, nr. 39) zal de campagne voor zover er raakvlakken zijn met mantelzorg, in samenwerking met het Ministerie van VWS worden vorm gegeven. Ik zal in het overleg met sociale partners aandacht besteden aan genoemde voorlichtingscampagne en het gebruik van verlofmogelijkheden door mantelzorgers.
Het bericht “Mantelzorgers melden zich vaker ziek op werk” |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Mantelzorgers melden zich vaker ziek op werk»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het kabinet vindt het belangrijk dat mensen betaalde arbeid en zorg kunnen combineren. Ook vindt het kabinet dat voorkomen moet worden dat mensen door de combinatie van werk en (mantel)zorgtaken overbelast raken. Uit het aan het artikel ten grondslag liggende SCP-rapport «Concurrentie tussen mantelzorg en betaald werk» van maart jl. volgt dat het aantal werkenden met mantelzorgtaken in de periode 2004–2012 is gegroeid van 13 tot bijna 18%. Werknemers die met mantelzorg beginnen, zouden hun arbeidsduur nadien niet vaker structureel verminderen dan niet-mantelzorgers. Wel stijgt het aantal ervaren gezondheidsklachten bij werkenden als de mantelzorg intensief2 is. Dat effect is volgens de onderzoekers beperkt: 15% van de mantelzorgers ervoer een slechtere gezondheid na het starten van de mantelzorg dan ervoor, tegenover 8% van de niet-mantelzorgers in hetzelfde tijdsvak.
Welke concrete acties gaat de regering ondernemen als het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeert dat, voor mensen mantelzorg verlenen, 10 procent van de mantelzorgers in een jaar zeker twee weken achter elkaar ziek is geweest, erna was dat 18 procent?
Volgens de onderzoekers spelen bij de ervaren gezondheid en het verzuim zowel de zorgsituatie als de combinatie van werk en mantelzorg een rol. Overigens geeft het SCP in het onderzoek aan dat langdurende hulp geen aantoonbaar nadelige gevolgen had voor de gezondheid. De vergelijking van de uitkomsten van de peilingen bij de mantelzorgers met die van de peilingen bij de niet-mantelzorgers laat volgens de onderzoekers daarvoor te weinig significantie zien.
De emotionele en fysieke belasting die de zorgsituatie voor de mantelzorger meebrengt, mag er niet toe leiden dat de mantelzorger eraan onderdoor gaat. Het kabinetsbeleid is er dan ook erop gericht dat gemeenten mantelzorgers vroegtijdig in beeld krijgen en indien nodig passende ondersteuning aan mantelzorgers bieden. Daartoe is de positie van de mantelzorger in de Wmo 2015 verstevigd. Voortaan dient de gemeente bij de beoordeling van een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning naast de situatie van de cliënt ook de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger te betrekken. Op die manier komt de mantelzorger en de belastbaarheid van de mantelzorger eerder bij de gemeente in beeld en kan maatwerk in de ondersteuning aan cliënt én mantelzorger worden geboden.
Verder geven de onderzoekers aan dat alleen mensen met een grote arbeidsduur na het starten met mantelzorg vaker dan anderen minstens twee weken met ziekteverzuim zijn. Dit wijst er volgens de onderzoeker op dat de groei van het ziekteverzuim vooral komt door de combinatie van zorg en veel werkverplichtingen. Uit ander onderzoek van het SCP is bekend dat 53% van de mantelzorgers – mede vanwege onbekendheid – geen gebruik maakt van wettelijke verlofregelingen ten behoeve van mantelzorg3. Om de betekenis van het in december 2014 door de Eerste Kamer aangenomen wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden voor mantelzorgsituaties onder de aandacht van werkgevers en mantelzorgers te brengen, start het Ministerie van SZW – in samenwerking met het Ministerie van VWS – een voorlichtingscampagne in mei. Het wetsvoorstel regelt namelijk onder meer dat kortdurend en langdurend zorgverlof ook kan worden opgenomen voor de zorg voor huisgenoten, tweedegraads familieleden en anderen in de sociale omgeving (thans alleen voor ouder, kind en partner). Langdurend zorgverlof kan per 1 juli
a.s. ook worden opgenomen voor de zorg voor een hulpbehoevende (thans enkel ingeval van een levensbedreigende ziekte). Deze uitbreiding van het zorgverlof stelt werknemers beter in staat zorgtaken met werk te combineren.
Wat vindt de regering van het feit dat vooral mensen die al langer dan twee jaar mantelzorg verlenen zelf te maken krijgen met een slechtere gezondheid?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het onderzoek (gemeenten starten meteen met bezuinigen op dagactiviteiten d.d.15 maart 2014) van Alzheimer Nederland dat onlangs op de website is gepubliceerd? Wat vindt u hiervan?
Ja. Het betreft een inventarisatie van Alzheimer Nederland naar het aanbod van dagactiviteiten voor mensen met dementie, verricht tussen 1 februari 2015 en 1 maart 2015. Deze inventarisatie bestond uit gesprekken met 68 aanbieders van dagactiviteiten en interviews met 25 aselect gekozen gemeenten en een online enquête onder mantelzorgers van mensen met dementie. In de inventarisaties wordt aangegeven welke veranderingen op dat moment reeds zichtbaar zijn, zoals dat mantelzorgers meer worden betrokken bij de ondersteuning, dat dagactiviteiten worden vernieuwd en dat er meer wordt samengewerkt met andere partijen zoals wijkteams en casemanagers. Aanbieders van dagactiviteiten geven in de inventarisatie van Alzheimer Nederland ook aan dat gemeenten korten op tarieven en dat vrijwilligers een grotere rol krijgen bij het verzorgen van dagactiviteiten.
Gemeenten kunnen ervoor kiezen het aanbod aan dagbesteding doelmatiger door aanbieders of op vernieuwende wijze, met gebruikmaking van vrijwilligers, vorm te laten geven. De continuïteit van ondersteuning voor de desbetreffende doelgroep mag echter niet in het geding komen. Waarborgen voor een passende voorziening die aansluit bij de persoonlijke situatie, wensen en behoeften zijn opgenomen in de Wmo 2015.
Goed respijtbeleid door gemeenten is van belang bij een goede ondersteuning van mantelzorgers. Het tijdig overnemen van de zorg ter ontlasting van de mantelzorger, zoals dagopvang of begeleiding thuis in de vorm van een thuishulp, zorgt ervoor dat de mantelzorger weer op adem kan komen. Dagactiviteiten en respijtbeleid maken onderdeel uit van de Zorgstandaard dementie, de beschrijving van het complete zorgcontinuüm voor mensen met dementie, die Alzheimer Nederland en Vilans 18 juli 2013 hebben gepubliceerd4. Deze standaard dient voor mij als uitgangspunt voor goed dementiebeleid.
Ik ga er vanuit dat partijen hun (wettelijke) verantwoordelijkheid nemen en hier op een zodanige wijze invulling ingeven dat de continuïteit van de ondersteuning voor de desbetreffende doelgroep, ouderen en/of mensen met dementie, niet in het geding komt.
Hoe beoordeelt u het signaal van onder meer Alzheimer Nederland dat gemeenten 25–50% korten op de tarieven voor dagbesteding voor ouderen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is volgens u de impact van minder gebruik van dagbesteding om financiële redenen op de toch al hoge werkdruk van menig mantelzorger?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt u – samen met uw collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – om mantelzorgers structureel te ontlasten? Op welke wijze betrekt u gemeenten hierbij die met hun beleid direct invloed hebben op de mantelzorger?
Vanwege de grote waarde van mantelzorg is het kabinetsbeleid erop gericht dat aan mantelzorgers tijdig goede ondersteuning wordt geboden.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 heb ik in de Wmo 2015 de positie van de mantelzorger verstevigd zodat voortaan ook richting de mantelzorger maatwerk in de ondersteuning – ingeval nodig – wordt gerealiseerd. Op dit moment wordt in 77% van de gevallen door gemeenten de mantelzorger betrokken bij het gesprek, blijkens het rapport «Onderzoek Toegang Wmo 2015»van maart jl. dat ik aan uw Kamer heb doen toekomen bij mijn beleidsbrief «Voortgangsrapportage transitie HLZ» van 14 april jl. Op 26 maart jl. heb ik samen met de VNG een praktijkdag voor gemeenten georganiseerd, waarbij gemeenten onder meer goede praktijkvoorbeelden zijn aangereikt omtrent het goed ondersteunen van mantelzorgers. Verder participeren de VNG en individuele gemeenten in het traject Toekomstagenda Informele Zorg en ondersteuning zodat de gemeentelijke context en goede praktijkvoorbeelden uit de gemeentelijke praktijk daarin goed wordt meegenomen.
Naast de reeds genoemde uitbreiding van het zorgverlof, specifiek voor mantelzorgsituaties, financier ik samen met de Minister van SZW een tweetal projecten werk & mantelzorg uitgevoerd door Mezzo en Qidos waarbij centraal staat het bevorderen van de bespreekbaarheid van de mantelzorg en het komen tot maatwerk in de combinatie van werk en mantelzorg. Daarvan maakt onder andere een branchegerichte aanpak onderdeel vanuit, waarbij CAO-afspraken over mantelzorg, maatwerkoplossingen op de werkvloer worden gestimuleerd en goede voorbeelden worden verspreid. Op dit moment zijn 113 bedrijven en
organisaties erkend als mantelzorgvriendelijk, waarvan 23 gemeenten (gaan) fungeren als ambassadeur voor mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat er bezuinigd wordt op begeleiding individueel en in dagdelen, terwijl dat een voorwaarde is voor mensen om langer thuis te blijven wonen en mantelzorgers te ondersteunen?
Zoals in mijn antwoord bij vraag 5 aangaf mag de continuïteit van ondersteuning voor de desbetreffende doelgroep, zoals ouderen of mensen met dementie, niet in het geding komen. Waarborgen voor een passende voorziening die aansluit bij de persoonlijke situatie, wensen en behoeften zijn opgenomen in de Wmo 2015. Ik ga er vanuit dat partijen hun (wettelijke) verantwoordelijkheid nemen en hier op een zodanige wijze invulling ingeven dat de continuïteit van de ondersteuning voor de desbetreffende doelgroep, zoals ouderen of mensen met dementie niet in geding komt.
Ik zal in gesprek met de verschillende partijen de ontwikkelingen hieromtrent blijven volgen.
Bent u voorts van mening dat de bezuinigingen op hulp bij het huishouden er ook toe leiden dat het beroep dat op de mantelzorgers wordt gedaan zal toenemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 gehouden een passende voorziening te treffen voor mensen die niet in staat zijn zelf of met hulp van hun netwerk te participeren en zelfredzaam te zijn. Wat een passende voorziening is moet blijken uit een zorgvuldig onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de cliënt die zich bij de gemeente meldt met een ondersteuningsvraag. Of een vorm van huishoudelijke hulp onderdeel moet uitmaken van het ondersteuningsaanbod is afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt en van zijn sociale omgeving. Wanneer gemeenten besluiten om huishoudelijke hulp te versoberen of in individuele gevallen te beëindigen, vraagt dit in alle gevallen een individuele afweging. Cliënten waarvan uit het ingestelde onderzoek blijkt dat ze voor hun participatie of zelfredzaamheid zijn aangewezen op huishoudelijke hulp, hebben op basis van de Wmo 2015 ook recht op deze hulp.
Overigens kan door het maatwerk dat de gemeente in het kader van de Wmo 2015 biedt beter worden aangesloten op de mogelijkheden en de behoeften van de cliënt en diens mantelzorger. Het integraal kijken naar een client en zijn netwerk stelt de gemeente in staat om de client en mantelzorger die dit nodig hebben, op maat toe te rusten. Gemeenten kunnen op basis van de Wmo 2015 zorg- en ondersteuningsbehoeften passender oplossen dan in de huidige situatie, dichterbij een meer samen met de burger en zijn omgeving. Hierdoor zullen gemeenten de ondersteuning die tot 1 januari 2015 onder de AWBZ viel met een beperkter budget kunnen uitvoeren dan de rijksoverheid.
Kunt u deze vragen vóór het Algemeen overleg Decentralisatie Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voorzien op 30 april a.s. beantwoorden?
Ja.
Hogere aantallen drankslachtoffers bij latere cafésluitingen |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Latere cafésluitingen, meer drankslachtoffers»?1
Ja.
Deelt u de onderzoeksconclusie dat krachtig is aangetoond dat een uur later sluiten van Amsterdamse cafés voor een flinke toename van alcoholgerelateerde verwondingen zorgt?
Het gaat hier om een onderzoek waarin is gekeken naar alcoholgerelateerde ambulanceritten in specifieke gebieden in Amsterdam over een tijdsperiode van 2006–2009 en 2009–2011.
Twee gebieden waarin ondernemers de mogelijkheid hadden gekregen om langer open te blijven (de interventie gebieden), zijn vergeleken met gebieden waar deze mogelijkheid niet werd geboden (controle gebieden). In de gebieden waar deze mogelijkheid werd geboden, is een stijging geconstateerd van het aantal alcoholgerelateerde incidenten waarvoor een ambulance is opgeroepen. Deze stijging is significant in het weekend tussen 02.00–06.00 uur bij mannen tussen de 24 en 35 jaar. In het controlegebied was geen sprake van een stijging.
Door de onderzoekers wordt opgemerkt dat bekend is in welk gebied de ambulance is opgeroepen maar niet waar de alcohol is geconsumeerd, mensen kunnen zich gemakkelijk van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Daarnaast is door de gemeente Amsterdam ook gewezen op de mogelijke aantrekkende werking van het Rembrandtplein.2
Hoe verklaart u de sterke toename van het aantal drankslachtoffers sinds Amsterdamse cafés een uur later sluiten? Acht u additioneel onderzoek noodzakelijk? Zo ja, hoe gaat u dit onderzoek vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het onderzoek wordt aangegeven, kan het zijn dat door de langere openingstijden, mensen meer zijn gaan drinken. Het kan ook zijn dat het aantal bezoekers in het interventiegebied is toegenomen, waardoor het aantal incidenten stijgt bij een vast percentage incidenten per aantal bezoekers. Maar daarnaast kan eventuele toestroom van bezoekers ook leiden tot meer drukte in het gebied met meer conflictsituaties en geweld als gevolg. Maar dit is in het onderzoek niet onderzocht en vast komen te staan.
Voor Amsterdam zijn deze cijfers niet nieuw (cijfers dateren uit 2011 en daarvoor) en er wordt al geruime tijd gewerkt aan het verminderen van uitgaansgeweld en het beperken van de schadelijke gevolgen van alcohol- en drugsgebruik. De cijfers van de ambulanceritten, zoals gebruikt in dit onderzoek zijn destijds (2012) meegenomen in het ontwikkelen van een nieuwe aanpak. In december 2014 is er een samenwerkingsakkoord gesloten tussen de gemeente Amsterdam, politie en ondernemers van het uitgaansgebied (Rembrandtplein) met als hoofddoelstelling om een kwaliteitsverbetering van het uitgaansleven tot stand te brengen en tegelijk de geweldsincidenten te verminderen. Op 1 juli 2015 zal Amsterdam starten met het traject Gastvrije en veilige Amsterdamse uitgaanspleinen.3 Deze nieuwe totale aanpak zal goed gemonitord worden en door Amsterdam geëvalueerd worden. In het licht van deze aanpak en de monitoring acht ik additioneel onderzoek niet noodzakelijk.
Is er sprake van een landelijke trend voor het afgeven van vergunningen voor extra openingsuren van horecagelegenheden? Zo ja, om welke plekken gaat het?
Deze informatie is bij mij niet bekend. Het college van B&W bepaalt per gemeente de sluitingstijden. Ik heb geen signalen ontvangen dat hier sprake is van een trend en ook bij de VNG zijn geen signalen binnengekomen.
In hoeverre worden latere cafésluitingen meegenomen in uw onderzoek naar de maatschappelijke kosten van alcoholgebruik? Wat is de stand van zaken van dit onderzoek?
Ik zal bekijken of dit onderwerp meegenomen kan worden in het onderzoek naar de impact van beleidsmaatregelen. Dit onderzoek ontvangt u eind 2015, tegelijkertijd met het onderzoek naar de maatschappelijke kosten en baten van alcoholgebruik. De stand van zaken van deze twee onderzoeken is dat er momenteel voorbereidingen worden getroffen. Ik zal u in de voortgangsbrief in juni hierover verder informeren.
Heeft u structureel overleg met de VNG over de gezondheidsconsequenties van latere cafésluitingstijden? In hoeverre nemen gemeenten deze consequenties mee in hun afweging bij het afgeven van vergunningen?
Ik heb hierover geen structureel overleg met de VNG. Ik zal dit onderwerp tijdens het volgende overleg met de VNG agenderen. Ik beschik niet over precieze informatie hoe gemeenten de afweging maken.
Vindt u het belangrijk dat bij het afgeven van horecavergunningen een goede balans ontstaat tussen voldoende openingsuren voor horecagelegenheden en het beperken van alcohol gerelateerde schade? Bent u bereid samen met de VNG te bekijken of een pilot gestart kan worden om tot een optimale balans te komen?
Ik hecht uiteraard, net als u, aan een gebalanceerde afweging, waarbij naast economische en openbare orde belangen ook gezondheidsaspecten worden meegenomen. Ik zal dit punt daarom agenderen in het volgende gesprek met de VNG en in mijn contacten met burgemeesters.
Het oordeel ‘onzorgvuldig’ door de toetsingscommissies euthanasie |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u er kennis van genomen dat opnieuw het oordeel «onzorgvuldig» is gegeven aan een door de Levenseindekliniek gepleegde euthanasie?
Ja.
Deelt u de mening dat er niet bagatelliserend gesproken moet worden over levensbeëindiging, zeker niet als er sprake is van handelen dat in strijd is met de zorgvuldigheidseisen?
Over levensbeëindigend handelen dient altijd gesproken te worden met de noodzakelijke zorgvuldigheid en nuance. Dit geldt in alle gevallen, ongeacht of wordt voldaan aan de zorgvuldigheidseisen zoals benoemd in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Deelt u voorts de mening dat de zorgvuldigheidseisen in de wet zijn opgenomen, om te kunnen toetsen of artsen zorgvuldig handelen, en dat het niet de taak van de toetsingscommissie is om zich uit te spreken over de waarde van de diverse eisen, maar alleen om vast te stellen of aan de door de wetgever gestelde eisen is voldaan?
De Regionale toetsingcommissies euthanasie (Rte) beoordelen of een arts wel of niet heeft gehandeld conform de zes zorgvuldigheidseisen uit artikel 2, eerste lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. In dit oordeel geeft de Rte toelichting op welke wijze de arts niet heeft voldaan aan een of meerdere zorgvuldigheidseisen. Naast deze oordelende taak geeft de Rte toelichting op haar handelen, bijvoorbeeld door middel van haar website, het jaarverslag en de binnenkort uit te komen «code of practice». Zij spreken zich niet uit over de waarde van de diverse wettelijke zorgvuldigheidseisen, in hun oordelen noch in publicaties.
Deelt u bovendien de mening dat handelen in strijd met de zorgvuldigheidseisen onzorgvuldig handelen is, en dat in dergelijke gevallen euthanasie wettelijk niet is toegestaan?
Zie mijn reactie op de Kamervragen 2 en 3 van de Kamerleden Pia Dijkstra (D66) en Tellegen (VVD) over ditzelfde onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1919).
Vindt u het voor de houdbaarheid van de wettelijke regeling relevant dat de eisen niet uitgehold maar gehandhaafd worden, zeker ook door de toetsingscommissies?
Ja. Ik heb geen aanwijzing dat dit niet het geval is.
Is het de taak van de toetsingscommissies om zich een oordeel te vormen over de terechte negatieve beeldvorming die ontstaat als een organisatie in korte tijd ten minste vier keer onzorgvuldig gehandeld blijkt te hebben? Is er dan niet eerder reden voor een kritisch onderzoek dan een vergoelijkende reactie?
In de beantwoording van vraag 2 en 3 van Kamerleden Pia Dijkstra en Tellegen heb ik u het gebruik van de terminologie uitgelegd en het gebruik van de term «onzorgvuldig» in de samenvatting van een oordeel toegelicht. Ik vind het overigens positief dat de Rte reflecteren op de terminologie die zij gebruiken om hun oordeel te verwoorden.
Gaan de toetsingscommissies met een dergelijke nuancerende opmerking niet op de stoel van het Openbaar Ministerie (OM) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zitten?
De toetsingscommissies hebben aangegeven dat zij geenszins het oordeel nuanceren dat de arts in casu niet overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding heeft gehandeld.
Bent u bereid te bevorderen dat de IGZ en het OM zich zo snel mogelijk een oordeel vormen over het onzorgvuldig handelen door de Levenseindekliniek?
Het oordeel van de RTE is conform artikel 9 lid 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding doorgestuurd naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Openbaar Ministerie (OM). Beide instanties hebben binnen hun eigen bevoegdheid de taak om de zaak verder te onderzoeken en naar aanleiding daarvan een beslissing te nemen of tuchtrechtelijke respectievelijk strafrechtelijke maatregelen noodzakelijk zijn. Hierbij gaat het om een onafhankelijk oordeel en aangezien ik veel waarde hecht aan een kwalitatief hoogstaand oordeel, is het aan hen om te bepalen op welke termijn zij hier een oordeel over kunnen vormen. Gelet hierop onthoud ik mij van een oordeel. Overigens merk ik op dat het oordeel van de Rte niet het onzorgvuldig handelen van de Levenseindekliniek betreft, maar het onzorgvuldig handelen van de betrokken arts.
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen de Levenseindekliniek? Zo ja, welke? Zo niet, waarom niet?
De Levenseindekliniek heeft ruim 450 euthanasieverzoeken ingewilligd. Het gaat daarbij vaak om complexe problematiek, zoals ook blijkt uit het jaarverslag van de Levenseindekliniek. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 zijn de oordelen van de Rte doorgestuurd naar de IGZ en het OM. Daarom zie ik nu geen aanleiding om maatregelen te treffen.
Bent u nu wel bereid te komen tot een onafhankelijk onderzoek naar de Levenseindekliniek en de gevolgen voor de handhaving van de zorgvuldigheidseisen, het aanbieden en bespreken van alternatieven en de vraag naar euthanasie?
Zie mijn reactie op vraag 4 van Kamerlid Arib (PvdA) over ditzelfde onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1920).
Het bericht ‘Kleine ziekenhuizen: Grote Financiële nood’? |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Kleine ziekenhuizen: Grote Financiële nood»?1
Ik ken het bericht en het BDO-rapport. Zoals ik heb aangegeven in de antwoorden op de vragen van de Kamerleden Dik-Faber (CU) en Slob (CU) over de financiële situatie van kleine ziekenhuizen (d.d. 25 maart 2015) is het belangrijk dat wanneer een ziekenhuis in financiële problemen verkeert, ziekenhuizen hun bedrijfsvoering snel op orde te krijgen. Bestuurders van zorginstellingen in Nederland hebben de vrijheid om keuzes te maken die bijdragen aan verantwoorde zorgverlening. Daarbij zijn de bestuurders ook verantwoordelijk voor de financiële consequenties van die keuzes.
In totaal zijn 74 ziekenhuizen onderzocht; welke ziekenhuizen zijn niet in de analyse meegenomen en waarom niet?
BDO geeft in haar rapportage aan dat van een vijftal ziekenhuizen op 31 januari 2015 nog geen jaardocumenten beschikbaar waren. Daarnaast heeft de analyse van BDO enkel betrekking op de algemene ziekenhuizen, de UMC’s zijn niet meegenomen.
Zijn er bepaalde regio’s in Nederland waar verhoudingsgewijs veel ziekenhuizen in de problemen zitten? Zo ja, welke regio’s zijn dat en wat zijn daar de voorspellingen als het gaat om het behoud van goede en goed bereikbare ziekenhuiszorg in die regio?
De ziekenhuizen die onderaan de lijst van het BDO-rapport staan, liggen verspreid over Nederland.
Deelt u de mening van de accountantsorganisatie BDO, de organisatie die dit onderzoek uitvoerde, die in eerste aanleg positief is over de financiële prestaties van de ziekenhuizen, ondanks de constatering dat twintig procent van de ziekenhuizen in de gevarenzone verkeert? Zo ja, waarom? Is twintig procent van de ziekenhuizen dat in de problemen zit daadwerkelijk iets om positief over te zijn? Zo nee, waarom niet?
Dat 20% van de ziekenhuizen niet goed scoort in de rapportage van BDO is niet iets om positief over te zijn. Ook niet omdat het voor een groot deel kleine ziekenhuizen betreft. Algemene ziekenhuizen, vaak kleiner van omvang, hebben een belangrijke rol in de regio. Zij zijn doorgaans goed gepositioneerd voor het dichtbij leveren van medisch specialistische zorg. Deze regionale algemene ziekenhuizen kunnen zich nog meer ontwikkelen tot voorzieningen waarin, in samenspraak met ketenpartners in de buurt – de eerste lijn, de langdurige zorg en andere ziekenhuizen in de regio – een groot volume aan laag complexe (medisch specialistische) zorg geleverd wordt. Deze ontwikkeling is nodig om te voorkomen dat dergelijke kleinere algemene ziekenhuizen, die belangrijk zijn voor de bereikbaarheid van zorg, verdwijnen. Dat zou het geval kunnen zijn als ze niet meer kunnen voldoen aan de noodzakelijkerwijs steeds strenger wordende normen voor kwaliteit van complexe zorg en ze zich ook niet heroriënteren op hun profiel. Ik vind het essentieel dat er een stevige basisinfrastructuur in de regio is.
Hoe verklaart u dat het gemiddelde cijfer van ziekenhuizen op de stresstest ten opzichte van 2012 een stuk gestegen is, hetgeen klinkt als een positieve ontwikkeling? Waren er toen dan ook meer ziekenhuizen die financieel in de problemen zaten? Kunt u deze ontwikkeling uitgebreid duiden?2
De BDO «stresstest» is een gewogen gemiddelde van vijf kengetallen. Het gaat daarbij om de solvabiliteit, current ratio, rendement, debt service coverage ratio en rentabiliteit. Ziekenhuizen scoren op basis van deze kengetallen gemiddeld genomen beter in 2013 in vergelijking met 2012. Belangrijke opmerking die hierbij gemaakt moet worden is dat dit een gemiddelde ontwikkeling is die voor elk ziekenhuis verschillend uitpakt. Zo zijn er aan de ene kant ziekenhuizen die in de BDO analyse 2012 een «onvoldoende» scoren en nu «voldoende» op basis van de gekozen kengetallen en aan de andere kant ziekenhuizen die op basis van de gekozen analyse minder goed scoren dan het jaar ervoor. Op basis van de analyse van BDO is het aantal ziekenhuizen met een «onvoldoende» afgenomen ten opzichte van 20123.
Het is relevant om op te merken dat BDO aangeeft dat er twee kanttekeningen moeten worden geplaatst bij het gebruik van de kengetallen. Ten eerste is een kengetal slechts een momentopname. Verder bieden de verslaggevingsregels diverse keuzemogelijkheden op het gebied van waardering van balansposten en bepaling van het resultaat, waardoor kengetallen niet zonder meer onderling vergelijkbaar zijn.
Hoe reageert u op het advies van accountsorganisatie BDO aan de kleine ziekenhuizen «om zelf de regie in handen te nemen»? Bent u van mening dat kleine ziekenhuizen dat op dit moment nog onvoldoende doen? Hebben kleine ziekenhuizen hier wel voldoende mogelijkheden voor? Kunt u hierbij de conclusie uit het artikel meenemen dat «al hebben ziekenhuizen gemiddeld genomen hun financiële positie verbeterd, ze blijven sterk afhankelijk van andere partijen; feitelijk liggen veel ziekenhuizen aan het infuus van de zorgverzekeraars en de banken»?3
Bij kleine ziekenhuizen staat, gemiddeld genomen, de vermogens- en liquiditeitspositie meer onder druk. Door hun omvang zitten kleine ziekenhuizen relatief vaker in de «gevarenzone». Er zijn minder schaalvoordelen en kleinere buffers om tegenslagen op te vangen. Aan de andere kant: als ze zichzelf een goed, overzichtelijk profiel aanmeten en een goed (financieel) management hebben, dan is het zeker haalbaar om financieel gezond te blijven. Dat veel ziekenhuizen afhankelijk zijn van extern vermogen is geen nieuws. Het wetsvoorstel vergroting investeringsmogelijkheden in de zorg beoogt het eigen vermogen van ziekenhuizen te vergroten en zodoende de afhankelijkheid van banken te reduceren. Ik acht het van groot belang dat we ziekenhuizen daar voor meer mogelijkheden geven.
Wat zegt de ranglijst van ziekenhuizen als in het onderzoeksrapport staat: «Een kengetal is slechts een momentopname, verder bieden de verslaggevingsregels diverse keuzemogelijkheden (...), waardoor kengetallen niet zonder meer onderling vergelijkbaar zijn»? Hoe serieus moet deze ordening van ziekenhuizen volgens u worden genomen? Welke harde conclusies kunnen op basis van het onderzoek worden getrokken?
Zoals het rapport al aangeeft: de analyse is een momentopname en zijn er keuzes binnen de verslaggevingregels die ziekenhuizen kunnen maken en die de vergelijkbaarheid tussen ziekenhuizen beïnvloeden. Ik heb aan deze kanttekeningen niets toe te voegen.
Als de ranglijst van accountantsorganisatie BDO wordt aangehouden, zijn het dan enkel of vooral kleine ziekenhuizen die het slecht doen? Zijn er ook kleine ziekenhuizen die het juist erg goed doen, en zijn er bepaalde aspecten waarop deze kleine ziekenhuizen (opvallend vaak) verschillen van slechter scorende kleine ziekenhuizen?
Volgens het BDO rapport zijn kleinere ziekenhuizen meer dan gemiddeld vertegenwoordigd in de laagste regionen van de rangschikking: 6 van de 10 ziekenhuizen onderaan de ranking zijn kleine ziekenhuizen. Er zijn ook kleine ziekenhuizen die het goed doen op de ranglijst van het BDO-rapport, zoals het Bovenij ziekenhuis, het Wilhelmina ziekenhuis Assen en het Waterlandziekenhuis. Uit deze rapportage kan ik niet opmaken op welke aspecten deze goed en slecht presterende ziekenhuizen uit het BDO-rapport met elkaar verschillen.
Er is nog veel onzekerheid in de (ziekenhuis)zorgsector, die mede wordt veroorzaakt doordat nog niet helder is wat u gaat doen op het gebied van het verrekenen van kosten voor overproductie en het al dan niet inzetten van het macrobeheersinstrument; wanneer gaat u duidelijkheid brengen in deze onzekerheden? Welke onzekerheden, die niet in het artikel worden genoemd, onderscheidt u verder?
Over het macrobeheersinstrument heb ik uw Kamer geïnformeerd met brief van 31 maart 2015.
Op welke termijn komt meer duidelijkheid over de aanpassing van de regeling voor de beschikbaarheidstoelage, zoals genoemd in uw aanpak van «Curatieve zorg in krimpregio’s»? Hoeveel ziekenhuizen verwacht u dat er dan in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsbijdrage, en zijn dat met name ziekenhuizen die nu in de problemen zitten? Gaat deze beschikbaarheidstoelage de (in het artikel genoemde) problemen oplossen?4
Ik zal uw Kamer nog in mei een voorhangbrief toezenden over de aanpassing van de criteria voor de beschikbaarheidbijdrage voor spoedeisende hulp en acute verloskunde. Ik kies er voor de beschikbaarheidbijdrage te behouden en zal de NZa een aanwijzing geven om in haar beleidsregel het criterium «overmachtsituatie zorgverzekeraars» te schrappen. Dit betekent dat enkel de voorwaarden zoals gehanteerd in het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG gelden voor het verkrijgen van een beschikbaarheidbijdrage. Maar het blijft de verantwoordelijkheid van de NZa om op basis van haar (aangepaste) beleidsregels individuele aanvragen voor een beschikbaarheidbijdrage te toetsen en indien aan de voorwaarden wordt voldaan een beschikbaarheidbijdrage toe te kennen. Ik ga niet over deze individuele beslissingen.
Hoe reageert u op de opmerking van BDO «dat de Minister het macrobeheersinstrument kan gebruiken om het zorglandschap versneld te saneren; ze heeft dan wel wat uit te leggen, maar aan de andere kant is het de vraag of jarenlang doormodderen met slecht renderende ziekenhuizen in haar beleid past»?
Ik kan en ga het macrobeheersinstrument (mbi) niet gebruiken om, zoals BDO dit beschrijft, het «zorglandschap versneld te saneren». Het mbi is een instrument dat ik als «ultimum remedium» achter de hand heb om eventuele overschrijdingen van het beschikbare macrokader terug te halen. Hieraan gaat zorgvuldige besluitvorming aan vooraf, zoals afgesproken met veldpartijen in het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord. Ik verwijs hiertoe naar mijn brief van 31 maart 2015.
Het bericht ‘Reumazorg verdwijnt uit Bravis-ziekenhuis’ |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Reumazorg verdwijnt uit Bravis-ziekenhuis»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat de reumatologen van het Bravis-ziekenhuis hebben besloten per 1 juli 2015 te stoppen met de reumazorg in het Bravis-ziekenhuis en een zelfstandig behandelcentrum op te richten. Het Bravis ziekenhuis heeft aangegeven ook na 1 juli 2015 reumazorg te willen aanbieden en daarvoor ook nieuw reumatologen te werven. Patiënten kunnen straks kiezen waar zij hun zorg willen ontvangen.
Hoe reageert u op de stelling dat het een ongunstige ontwikkeling is voor de ziekenhuizen in Zeeland, Roosendaal en Bergen op Zoom, als de reumatologen een zelfstandig specialistisch reumabehandelcentrum opzetten? Kunt u uw antwoord toelichten? Indien u het niet met deze stelling eens bent, waarin zit dan volgens u de gunstige ontwikkeling?
Voor de betreffende ziekenhuizen is het inderdaad een ongunstige ontwikkeling als de reumatologen een zelfstandig behandelcentrum opzetten. Het Bravis ziekenhuis heeft aangegeven het besluit van deze specialisten om een ZBC op te richten te betreuren.
Wat zijn de gevolgen voor de ziekenhuizen, en het ziekenhuispersoneel, in Roosendaal en Bergen op Zoom nu de reumatologen voor zichzelf zijn begonnen in een nieuw behandelcentrum?
Het Bravis-ziekenhuis heeft aangegeven dat er met de zorgverzekeraars is afgesproken dat de reumatologische zorg in het Bravis-ziekenhuis tot 1 juli 2015 ingekocht wordt door de zorgverzekeraars. Het ziekenhuis streeft naar invulling van de vacatures voor reumatologen en continuering van de reumazorg. Indien het ziekenhuis daarin slaagt, zal de contractering door zorgverzekeraars worden voortgezet. Voor wat betreft het personeel zijn tussen het ziekenhuis en de ZBC Reumazorg Zuid West Nederland afspraken gemaakt dat deze medewerkers de mogelijkheid krijgen om over te stappen naar de ZBC. Het ziet er naar uit dat een aantal medewerkers deze stap ook zal zetten. Voor achterblijvende medewerkers wordt binnen het ziekenhuis een andere werkplek gezocht.
Wat zijn de gevolgen voor de reumapatiënten nu reumazorg uit het Bravis-ziekenhuis verdwijnt? Kunnen zij nu nog in het ziekenhuis terecht voor hun behandeling of is alle expertise op het gebied van reuma vertrokken uit het ziekenhuis?
Gevolg voor de patiënten is dat reumazorg niet meer in het Bravis ziekenhuis kan worden aangeboden door de nu zittende reumatologen. Patiënten kunnen als zij dat willen naar ZBC Reumazorg Zuid West Nederland (RZWN) overstappen.
Het Bravis-ziekenhuis heeft mij laten weten dat zij zal blijven streven naar behoud van het specialisme reumatologie in het ziekenhuis. Liefst in de volle omvang van het specialisme, maar minimaal voor de multidisciplinaire behandelingen waarbij reumatologen betrokken zijn en voor intercollegiale consulten die andere specialisten aan reumatologen vragen. Het ziekenhuis werft op dit moment nieuwe reumatologen.
Wat is uw reactie op de mededeling van een van de reumatologen dat de reumapatiënten zonder problemen mee kunnen naar het nieuwe behandelcentrum? Dat het zonder problemen zou kunnen, wil dat ook zeggen dat de wijzigingen in het belang van de patiënt zijn?2
Het Bravis-ziekenhuis heeft aangegeven dat na opzegging van de toelating van de reumatologen er veelvuldig overleg plaats vindt met de reumatologen en aanverwante specialisten over het aanstaande vertrek van de reumatologen en de gevolgen daarvan voor de patiëntenzorg, zodat de gevolgen voor de patiënten zo beperkt mogelijk kunnen blijven. Reumazorg Zuid West Nederland zal alle reumabehandelingen uitvoeren, inclusief medicijnverstrekking en dagbehandeling. Het Bravis-ziekenhuis blijft bereid de achterwachtfunctie voor acute zorg te vervullen en maakt over de concrete invulling hiervan afspraken met Reumazorg Zuid West Nederland. De patiënten en huisartsen zijn door het Bravis-ziekenhuis en Reumzorg Zuid West Nederland gezamenlijk per brief geïnformeerd over de situatie die gaat ontstaan na 1 juli 2015.
Hebben de reumapatiënten de mogelijkheid om te komen tot een eerlijke en voor hen beste keuze als het gaat om behandeling in het ziekenhuis of behandeling in het nieuwe behandelcentrum? Hebben de reumapatiënten überhaupt nog een keuze?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u een uitgebreide analyse geven van de situatie die er uiteindelijke toe leidde dat de reumatologen voor zichzelf begonnen? Klopt het bijvoorbeeld dat de weigering van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis om de reumatologen meer zeggenschap en een eigen budget te geven, alsmede te kunnen beslissen over behandeling en apparaten een grote rol heeft gespeeld in de uiteindelijke beslissing?
Het is de keuze van de betreffende specialisten om deze stap te zetten. Ik heb begrepen dat er verschillende voorstellen over en weer gedaan zijn gedaan met als resultaat dat de specialisten deze keuze gemaakt hebben.
Is dit, het vertrek van reumatologen uit het ziekenhuis om een eigen specialistisch centrum te starten, een ontwikkeling die op meer plekken in het land te zien is? Zo nee, verwacht u dat dit gaat gebeuren? Zo ja, kunt u aangeven waar deze ontwikkeling zich voordoet en wat daarvan de gevolgen zijn geweest voor het ziekenhuis, de (bereikbaarheid van) zorg in de regio en de patiënt? Is deze ontwikkeling ook bij andere specialisten dan de reumatologen te zien? Zo ja, bij welke specialisten is dit ook het geval? Zo ja, wat is uw inzet op deze ontwikkeling?
Ook reumatologen uit ZorgSaam en ADRZ zijn in ZBC Reumazorg Zuid West Nederland gestapt. Een dergelijke ontwikkeling is niet in het belang van het betreffende ziekenhuis en hoeft geen verbetering van de zorg te zijn. Ik ben niet op voorhand voorstander van dit soort afsplitsingen, omdat het de ziekenhuizen in de regio verzwakt, de zorg versnipperd en als daartegen geen maatregelen worden genomen de kwaliteit onder druk kan komen te staan.
Is inmiddels met alle zorgverzekeraars een contract gesloten? Krijgen de patiënten in het nieuwe specialistisch centrum dezelfde zorg vergoed als in het ziekenhuis? Krijgen de reumapatiënten die besluiten in het ziekenhuis te blijven voor behandeling nog steeds dezelfde zorg vergoed?3
Het RZWN heeft met alle zorgverzekeraars een overeenkomst gesloten. Patiënten krijgen exact hetzelfde qua vergoeding als binnen de ziekenhuizen.
Ook het Bravis-ziekenhuis heeft met alle zorgverzekeraars voor 2015 een contract afgesloten inclusief reumatologische zorg. Reumapatiënten die besluiten in het ziekenhuis te blijven krijgen nog steeds dezelfde zorg vergoed.
Het bericht dat de Levenseindekliniek voor de vierde keer in een jaar is berispt |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Vierde berisping in één jaar tijd voor Levenseindekliniek»1 en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja.
Deelt u de mening van de directeur van de Levenseindekliniek dat «onterecht de indruk wordt gewekt dat er van alles mis is bij de kliniek»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn reactie op de Kamervragen 2 en 3 van de Kamerleden Pia Dijkstra (D66) en Tellegen (VVD) over ditzelfde onderwerp (2015Z04946).
In hoeverre volgt de genoemde vierde berisping op gelijkaardige constateerde onzorgvuldigheden als waar de Levenseindekliniek eerder voor is berispt? Wat zijn de kenmerkende overeenkomsten?
Bij ruim 450 meldingen van artsen van de Stichting Levenseindekliniek hebben de Rte geoordeeld dat de arts heeft gehandeld conform de wettelijke zorgvuldigheidseisen. De Rte hebben bij vier meldingen van artsen van de Stichting Levenseindekliniek geoordeeld dat niet is gehandeld conform de zorgvuldigheidseisen. Twee hiervan vonden in 2013 plaats en de andere twee in 2014. Zoals blijkt uit de oordelen van de Rte gaat het hierbij om verschillende hulpvragen. Iedere melding staat op zichzelf en wordt door de Rte op de eigen merites beoordeeld. Op de vier individuele casus ga ik niet in lopende de onderzoeken van het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Bent u nog steeds van mening dat kan worden gewacht op de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) in 2016 en niet hoeft te worden onderzocht of het bestaan van de Levenseindekliniek tot een grotere vraag naar levensbeëindiging leidt, en welke effecten dat heeft op de reguliere euthanasiepraktijk? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u dan nu wel bereid op korte termijn een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de praktijk van de Levenseindekliniek?
Zoals aangegeven in reactie op uw Kamervragen van 21 januari van dit jaar (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1270) ben ik in november met u tijdens een Algemeen Overleg euthanasie uitgebreid over dit onderwerp in gesprek geweest. Toen heb ik aangegeven dat ik het niet nodig vind om nu een onderzoek uit te laten voeren naar de Stichting Levenseindekliniek. Ten eerste wordt de Stichting Levenseindekliniek, net als andere ontwikkelingen, meegenomen in de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Onder andere de effecten van het bestaan van de Stichting Levenseindekliniek zullen worden onderzocht, net als het functioneren van de Stichting Levenseindekliniek en de ervaringen van behandeld artsen die contact hebben met de Stichting Levenseindekliniek. Het onderwerp krijgt dus aandacht. Ten tweede is er reeds een onderzoek door VUMC en AMC uitgevoerd naar het functioneren van de Stichting Levenseindekliniek. Daarom ben ik nog steeds van mening dat een extra onderzoek naar de Stichting Levenseindekliniek niet nodig is.
Wat is de actuele stand van zaken omtrent de invulling van uw toezegging dat er standaard een psychiater wordt betrokken wordt bij de beoordeling door de Regionale toetsingscommissie van complexe casus van euthanasie bij patiënten met psychiatrische problematiek?
Tijdens het Algemeen Overleg in november over euthanasie heb ik u toegezegd dat ik hierover in contact zou treden met de Rte. In dit gesprek met de Rte, dat ik in februari heb gevoerd, bleek dat de Rte momenteel twee vacatures hebben opengesteld voor de functie van arts-lid. De Rte hebben mij inmiddels een voordracht tot benoeming van twee nieuwe artsleden doen toekomen: een psychiater en een specialist ouderengeneeskunde. Deze zullen, naar verwachting, op korte termijn worden benoemd.
Het bericht ‘Levenseindekliniek niet blij met ‘gebrek aan nuance’ bij toetsing’ |
|
Pia Dijkstra (D66), Ockje Tellegen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Levenseindekliniek niet blij met «gebrek aan nuance» bij toetsing»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de toetsingscommissie, wanneer niet is voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen, alleen het oordeel «onzorgvuldig» rest, terwijl dit oordeel vaak veel genuanceerder ligt?
De Regionale toetsingcommissies euthanasie (Rte) beoordelen of een arts wel of niet heeft gehandeld conform de zes «zorgvuldigheidseisen» uit artikel 2, eerste lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. De Rte kunnen dus slechts aangeven of de arts wel of niet conform alle zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld. In het geval de toetsingscommissie oordeelt dat de arts «niet conform de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld», betekent dit niet dat de arts op alle punten niet zorgvuldig heeft gehandeld. De commissie kan eventueel aan het oordeel toevoegen dat de arts medisch-ethisch gezien wel zorgvuldig heeft gehandeld.
De Rte hanteren de terminologie «oordeel: zorgvuldig» of «oordeel: onzorgvuldig» niet in de oordelen zelf, maar slechts in de samenvatting van het oordeel dat wordt gepubliceerd en in de jaarverslagen. De Rte doen dit vanwege de leesbaarheid van deze documenten. Als niet aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan wordt dit in de samenvatting dus benoemd als «onzorgvuldig». Dit houdt een «onzorgvuldig» in de zin der wet in. Het feit dat de arts niet conform die zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld laat echter onverlet dat de arts naar eer en geweten kan hebben gehandeld. Deze terminologie kan in de media echter onbedoeld zorgen voor een ongenuanceerd beeld van het handelen van de arts. Ik zal daarom in een periodieke overleg met de Rte het gebruik van deze terminologie bespreken.
Acht u het wenselijk dat indien er alleen sprake is van procedurele onvolkomenheden, het volledige oordeel als «onzorgvuldig» wordt bestempeld?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de toetsingscommissie weinig kritiek had op de conclusie van de Levenseindekliniek dat de euthanasie gerechtvaardigd was? Zo ja, bent u dan van mening dat het oordeel «onzorgvuldig» de Levenseindekliniek ten onrechte in een negatief daglicht stelt terwijl de euthanasie wel gerechtvaardigd was?
De Rte beoordelen aan de hand van de binnengekomen melding of de arts zich aan de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding heeft gehouden. In deze casus was het oordeel dat de arts niet had voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen. Daarom is de melding conform artikel 9, tweede lid van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding doorgestuurd naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Openbaar Ministerie (OM). Beide instanties hebben binnen hun eigen bevoegdheid de taak om de zaak verder te onderzoeken en naar aanleiding daarvan een beslissing te nemen. Zie voor een reactie op de terminologie mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Hoe verhoudt het recht van de patiënt om een onderzoek of behandeling te weigeren zich tot de verplichting van de arts om aan te tonen dat er geen andere behandelopties meer mogelijk waren? Op welke wijze kan een arts aantonen dat een patiënt geen extra onderzoek wilde? Kan door dit overtuigend aan te tonen voldaan worden aan de eisen die de toetsingscommissie stelt aan een dossier?
De vierde zorgvuldigheidseis van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding vraagt van de arts dat hij samen met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijk alternatief is (art. 2 lid 1, onder d Wtl). In algemene zin geldt dat om de uitzichtloosheid te kunnen bepalen onderzoek nodig kan zijn. Hiermee kunnen de mogelijke alternatieven en de redelijkheid daarvan worden bepaald en kan de patiënt goed worden geïnformeerd over zijn situatie. De vraag of er sprake is van een redelijke andere oplossing moet worden beoordeeld in het licht van de actuele diagnose. In gevallen waarin de arts onvoldoende deskundig is om te beoordelen of er redelijke alternatieven zijn, is het aangewezen dat hij nagaat of ter zake deskundige artsen bij de behandeling betrokken waren of dat hij een collega raadpleegt met meer deskundigheid op het betreffende gebied. Dit zal uit de verslaglegging van de arts moeten blijken. In de binnenkort te verschijnen «code of practice» zal de Rte nader ingaan op hoe zij invulling geven aan de beoordeling van de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Het bericht dat mensen te maken krijgen met stijgende zorgkosten door de bezuinigingen op de langdurige zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «630 euro eigen bijdrage? Dat kan ik nooit betalen!»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat iemand die afhankelijk is van een WAO-uitkering 630 euro per maand kwijt is aan eigen bijdrage omdat hij zijn vrouw inhuurt als verzorger?
Een rekensom met het online rekenprogramma van het CAK om de hoogte van de eigen bijdrage pgb Wlz uit te rekenen, laat zien dat bij een eigen bijdrage van € 630 per maand een verzamelinkomen hoort van € 73.500.2 De suggestie in het artikel dat het gezin moet leven van een bescheiden WAO-uitkering lijkt daarmee onjuist. In het verzamelinkomen van het huishouden zit uiteraard ook het inkomen verwerkt dat de partner ontvangt voor de zorgverlening van de cliënt via het pgb. De partner lijkt volgens dit artikel immers de rol van een formele hulpverlener te vervullen en ontvangt daarvoor dus ook het loon dat uit het pgb wordt betaald. De eigen bijdrage wordt met ingang van 1 januari 2015 rechtstreeks bij de budgethouder geïnd en niet meer vooraf ingehouden op het pgb. Voor veel budgethouders is het nieuw dat zij voor de eigen bijdrage periodiek een factuur van het CAK ontvangen. Het pgb dient te worden ingezet voor zorg en ondersteuning en het budget mag niet worden gebruikt voor de betaling van de eigen bijdrage. In de AWBZ was er jarenlang sprake van een verschil in het opleggen van de eigen bijdrage. Mensen met zorg in natura betaalden de eigen bijdrage al via een factuur aan het CAK, terwijl voor mensen met een pgb de eigen bijdrage werd afgetrokken van het («bruto») pgb. Met de nu doorgevoerde wijziging is deze ongelijke situatie gerepareerd.
Wat is uw reactie op Ilya Stoffer van Ieder(in) die stelt dat vele honderdduizenden mensen te maken krijgen met een groot inkomensverlies omdat de verhoging van de eigen bijdrage voor de langdurige zorg bovenop de bezuinigingen van de gemeente komen?
Voorop staat dat ook nu is gewaarborgd in de Wmo 2015 en de Wlz dat mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, die zorg en ondersteuning ook krijgen. Het met de Wtcg vervallen van de 33%-korting voor de eigen bijdrage voor extramurale zorg leidt met ingang van 2015 tot hogere facturen. Dit was bekend, mensen zijn hier over geïnformeerd. In verband met de reeds optredende inkomenseffecten als gevolg van het vervallen van de 33%-korting, heb ik eerder ook besloten om de eigen bijdragesystematiek voor de Wmo 2015 ongewijzigd te laten en af te zien van het oorspronkelijke voornemen van het kabinet om een verruiming van de waarden van de parameters ten behoeve van de berekening van de maximale eigen bijdrage door te voeren. Voorts geldt dat gemeenten als onderdeel van het vervallen van de Wtcg en CER extra middelen hebben gekregen (vanaf 2017 structureel € 268 miljoen). Het is aan gemeenten om te bezien of mensen ondersteuning nodig hebben en hoe deze passend kan worden verstrekt. Als onderdeel hiervan zullen gemeenten in het onderzoek naar een ondersteuningvraag ook stil staan bij de kenmerken van de persoon en diens situatie, waaronder zijn financiële situatie en de gevolgen van verstrekking van mogelijke voorzieningen voor die situatie. Gemeenten hebben ten behoeve van dit financiële maatwerk de verantwoordelijkheid en ook een breed instrumentarium tot hun beschikking; gedacht kan worden aan een lagere kostprijs, het verstrekken van een financiële tegemoetkoming op grond van de Wmo 2015, het aanbieden van een collectieve zorgverzekering of toepassing van het gemeentelijk minimabeleid.
Kent u het onderzoek, dat GroenLinks door TNS-Nipo heeft laten uitvoeren, waaruit blijkt dat de zorgkosten voor chronisch zieken soms wel honderden euro’s per maand stijgen?2
Ik heb kennis kunnen nemen van de samenvattende bevindingen van de eerste, tweede en derde zorgpeiling uitgevoerd door TNS-Nipo.
Wat is uw verklaring voor de uitkomst van genoemd onderzoek dat bijna de helft van de mensen die voorheen onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vielen nu duurder uit is en aangeeft gemiddeld 244 euro per maand extra kwijt te zijn aan zorgkosten?
Op grond van de mij ter beschikking staande informatie is het niet goed mogelijk om de gevraagde verklaring te geven. Ik beschik over de samengevatte bevindingen van de peilingen, maar niet over het onderliggend materiaal en achtergrondinformatie van de respondenten. Zo weet ik niet wat in het onderzoek van TNS-Nipo onder de definitie van «toegenomen zorgkosten» wordt verstaan.
Het kan gaan om een stijging van feitelijke hogere zorgkosten, maar ook om de ervaren zorgkosten. Bij feitelijke hogere zorgkosten hoeft zich dit vervolgens niet te beperken tot een stijging van de eigen bijdrage. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een aanpassing van eerdere zorg en ondersteuning, in de zin dat iemand nu zelf de zorg en ondersteuning organiseert en inkoopt.
Het ligt niet voor de hand dat met de gemiddelde stijging van de eigen bijdrage met € 244 per maand wordt gedoeld op de eigen bijdrage voor extramurale zorg en ondersteuning die voorheen onder de AWBZ viel en nu onder de Wmo 2015 valt. Dit aangezien de eigen bijdrage onderdeel is van het overgangsrecht. Indien het om de eigen bijdrageregeling in de Wlz (uitgezonderd het pgb) gaat, dan geldt dat deze ongewijzigd is ten opzichte van de eigen bijdrageregeling zoals deze op grond van de AWBZ van toepassing was. Wel zijn de parameters – zoals dit jaarlijks plaats vindt – geïndexeerd. De inkomenseffecten van deze actualisatie zijn beperkt en verklaren de forse stijging uit het TNS-Nipo onderzoek daarmee niet. Bij de pgb’s zijn drie veranderingen opgetreden:
Samengevat verklaren bovenstaande veranderingen een gemiddelde stijging van de kosten voor de burger met € 244 per maand onvoldoende. Ook het TNS-Nipo onderzoek zelf geeft geen verklaring of aanknopingspunten daartoe.
Ook bij het CAK en VWS zijn vragen van cliënten ontvangen met betrekking tot de hoogte van de eigen bijdragen. Bij nadere analyse bleek in veel gevallen dat de stijging veel minder groot was dan gedacht, het afwijkende bedrag liet zich doorgaans verklaren met de hiervoor optredende wijzigingen en/of de stijging was toe te schrijven aan een gestegen inkomen of vermogen.
Wat is uw verklaring voor de uitkomst van genoemd onderzoek dat voor 36% van de mensen die onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vielen de kosten zijn toegenomen en dat zij gemiddeld 53 euro per maand duurder uit zijn?
Ook voor deze vraag geldt dat deze zich op grond van de mij ter beschikking staande gegevens niet goed laat beantwoorden. Zie hiervoor ook mijn uitleg onder 5. Gegeven de inkomensverdeling van de clientèle van de Wmo is een stijging van de gemiddelde maandelijkse eigen bijdrage met € 53 niet realistisch. Dit betekent namelijk dat de gemiddelde eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen op dit moment € 160 per 4 weken zou bedragen terwijl deze feitelijk (in 2014 exclusief de 33%-korting) in de Wmo ongeveer € 40 per 4 weken is.
Wat vindt u ervan dat nog steeds meer dan de helft van de mensen aangeeft zich nog niet goed geïnformeerd te voelen? Ziet u dit als een aanloopprobleem of als een structureel probleem?
Dat cliënten goed en tijdig geïnformeerd worden, was en is nog steeds één van de focuspunten van de transitie. De inspanningen zijn er op gericht om mensen zo goed mogelijk te informeren over de gevolgen van de veranderingen voor hun eigen situatie. Mogelijke onzekerheid hierover moet waar mogelijk op de kortst mogelijke termijn worden weggenomen. In mijn brief in reactie op de 2e en 3e meting van het TNS-Nipo onderzoek ben ik hier nader op ingegaan.4
Was u ervan op de hoogte dat deze kostenexplosie er aan zat te komen?
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van een kostenexplosie als gevolg van de veranderingen in de langdurige zorg. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 3 en 5.
Wat vindt u ervan dat de stijging van de kosten voor mensen met lage inkomens niet significant lager is dan voor mensen uit andere inkomensgroepen?
Mijn beeld is anders. De in het antwoord op vraag 5 genoemde punten met betrekking op de hoogte van de eigen bijdrage, hebben een groter effect op hogere inkomens. Immers, de eigen bijdrage stijgt naarmate het inkomen en vermogen hoger zijn. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht dat gemeenten de verantwoordelijkheid hebben om waar nodig en mogelijk, als onderdeel van de individuele benadering, tot financieel maatwerk te komen.
Bent u voornemens bij de voorjaarsnota maatregelen te treffen om de lage inkomens te compenseren?
Naar aanleiding van deze antwoorden zie ik daarvoor geen aanleiding. Bij de koopkrachtberekeningen van het kabinet wordt inzicht gegeven in de koopkrachtontwikkeling van huishoudens van jaar op jaar. Hierbij wordt waar mogelijk rekening gehouden met de (stapeling van) maatregelen van het kabinet. De Kamer ontvangt deze informatie, zoals gebruikelijk, op Prinsjesdag.
Daarnaast, ik heb dat hiervoor toegelicht, hebben gemeenten de verantwoordelijkheid en het instrumentarium, om huishoudens waar nodig ook financieel te ondersteunen op basis van maatwerk. Voorts geldt dat naast het maatwerk vanuit de gemeenten, ook de mogelijkheid blijft bestaan om -onder
nader bepaalde voorwaarden – zorgkosten fiscaal af te trekken op grond van de landelijke fiscale regeling voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Hoe beoordeelt u in het licht van bovenstaande constateringen uw uitspraken van 23 april jl. «Het betekent in simpele bewoordingen dat we inzetten op een betere ondersteuning in de thuissituatie waarbij meer rekening gehouden kan worden met persoonlijke omstandigheden»?3
De progressieve spierziekte ALS |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u van mening, dat er bij gemeenten voldoende kennis aanwezig is over de progressieve spierziekte Amyotrofische laterale sclerose (ALS)? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Gemeenten hebben op grond van de Wmo 2015 de verantwoordelijkheid mensen, die hier op aangewezen zijn, passende ondersteuning te bieden gericht op (het zoveel mogelijk bevorderen van iemands) zelfredzaamheid en participatie. De Wmo 2015 bevat waarborgen voor passende ondersteuning, zoals het onderzoek en de beschikbaarheid van cliëntondersteuning. Deze verantwoordelijkheid betreft ook ALS-patiënten met een ondersteuningsbehoefte. Bij patiënten met een progressieve ziekte als ALS is het van belang dat per situatie en per fase van de ziekte bekeken wordt welke zorg en ondersteuning, vanuit welk domein, het meest passend is. Gezien het progressieve karakter van de ziekte is een vooruitziende blik naar de volgende fase(s) van de ziekte belangrijk.
De specifieke kennis over ALS is nodig en beschikbaar bij professionals zoals de wijkverpleegkundige. Het is belangrijk dat, zeker ook daar waar het ALS-patiënten betreft, goed wordt samengewerkt tussen wijkverpleegkundigen en aanbieders van maatschappelijke ondersteuning. Samen beoordelen deze partijen in gesprek met de betreffende persoon, op basis van maatwerk, welke zorg en ondersteuning nodig zijn. Dit betreft ook het waar nodig verstrekken van hulpmiddelen. Gemeenten moeten wel over voldoende informatie over de ziekte ALS beschikken om daar in de inkoop en het toegangsproces rekening mee te houden. Ik zie een belangrijke rol voor patiëntenorganisaties om -in overleg met gemeenten- deze kennis te ontsluiten en ondermeer via de kanalen van de VNG te verspreiden naar alle gemeenten. Ik zal toezien dat betrokken partijen hierover met elkaar in gesprek gaan.
Op welke wijze worden ALS-patiënten door gemeenten ondersteund? Draagt deze ondersteuning voldoende bij aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van ALS-patiënten? Zo nee, bent u voornemens om met gemeenten in gesprek te gaan om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 1.
Nemen gemeenten voldoende hun verantwoordelijkheid als het gaat om het aanleveren van hulpmiddelen aan ALS-patiënten? Zo ja, waaruit blijkt dit? Zo nee, hoe kan dit worden verbeterd?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ermee bekend dat de gangbare procedures bij gemeenten voor het aanvragen van hulp en ondersteuning binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor mensen met de zeldzame spierziekte ALS vaak ontoereikend zijn, omdat de termijn waarbinnen een aanvraag behandeld wordt, vaak langer duurt dan de wijze waarop de progressieve spierziekte zich ontwikkelt? Zo ja, wat vindt u hiervan? Zo nee, wilt u dit onderzoeken?
Indien sprake is van een snelle verslechtering van de situatie van een burger, zal het college na de melding een onderzoek moeten doen. Is er sprake van een spoedeisende situatie, dan is het college van Burgemeesters en Wethouders op grond van de Wmo 2015 gehouden na de melding gehouden onverwijld te beslissen tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening.
Deelt u de mening dat gemeenten beter kunnen samenwerken met de ALS-behandelteams in de revalidatie? Zo ja, op welke wijze kan dit worden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Partijen zullen in overleg gaan over de wijze waarop ze gemeenten kunnen informeren over het organiseren van passende ondersteuning voor ALS patiënten. Gemeenten kunnen hierbij ook gewezen worden op het belang van samenwerking met behandelteams.
Waarom is er geen VNG-handreiking die betrekking heeft op ALS? Wilt u deze handreiking in overleg met onder meer Stichting ALS Nederland en het ALS Centrum Nederland ontwikkelen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u zich voorstellen dat ALS emotioneel, maar ook praktisch een belasting kan betekenen voor stellen en gezinnen? Welke ondersteuning bieden gemeenten voor partners en gezinsleden (mantelzorgers) van ALS-patiënten? Zijn de partners en eventuele andere gezinsleden van ALS-patiënten voldoende in beeld bij gemeenten?
Ik kan mij zeer goed voorstellen dat ALS een zeer grote uitwerking heeft op de patiënt en zijn omgeving. Door een passende combinatie van zorg en ondersteuning te leveren, zal de ALS-patient en diens omgeving zoveel als nodig en mogelijk moeten worden ondersteund. Daarbij moeten ook de gezinsleden of mantelzorgers op tijd ondersteuning krijgen, zodat de zij hun zorgtaken kunnen volhouden. De gemeente moet bij het onderzoek naar een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een inwoner de mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van diens mantelzorger meenemen. Belangrijk daarbij is dat de gemeente oog heeft voor de draagkracht en draaglast van de mantelzorger, vooral bij een ziekte als ALS waarbij veel wordt gevraagd van de omgeving, zodat overbelasting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld door de zorg tijdelijk over te laten nemen door professionele krachten of vrijwilligers (respijtzorg). Daarnaast maakt vanaf 1 januari jl. persoonlijke verzorging en verpleging onderdeel uit van het basispakket zorgverzekering waarop men als verzekerde een beroep op kan doen. Ook bestaat er via Spierziekten Nederland de mogelijkheid om met lotgenoten in gesprek te gaan door middel van lotgenotencontact.
Zijn de huidige wettelijke verlofregelingen voldoende voor mantelzorgers die hun werk combineren met het zorgen voor hun geliefde, wanneer zij zorgen voor iemand met de progressieve spierziekte ALS, aangezien het aantal uren mantelzorg steeds verder toeneemt?
In december 2014 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden. Daarin wordt geregeld dat het kort- en langdurend zorgverlof per 1 juli aanstaande ook kan worden opgenomen voor de zorg voor huisgenoten, tweedegraads familieleden en anderen in de sociale omgeving (nu alleen voor ouder, kind en partner). Langdurend zorgverlof kan per 1 juli ook worden opgenomen voor de zorg voor een hulpbehoevende (nu alleen in geval van terminale ziekte). Dit zal bevorderen dat mantelzorgers van naasten met ALS hun betaalde baan kunnen blijven combineren met de mantelzorg.
Kunt u uitleggen waarom behandeling door een medisch pedicure voor diabetes- en reumapatiënten wel vergoed wordt, maar voor ALS-patiënten niet? Bent u bereid de vergoeding hiervoor in het basispakket op te nemen?
Diabetes mellitus is een chronische aandoening met een verhoogde kans op complicaties, waaronder diabetische voetulcera. Deze complicaties kunnen soms amputatie tot gevolg hebben. Bij het ontstaan van ulcera speelt vaak een combinatie van risicofactoren een rol, zoals systemische factoren, neuropathie, perifeer vaatlijden, standsafwijkingen van de voet, limited joint mobility en inadequaat schoeisel. Bepaalde zorggerelateerde preventieve voetzorg voor mensen met diabetes valt daarom onder de te verzekeren zorg van de Zorgverzekeringswet. Deze zorgonderdelen betreffen geneeskundige zorg zoals huisartsen en medisch-specialisten die plegen te bieden bij diabetespatiënten en zorg die voldoet aan het criterium stand van de wetenschap en praktijk. Het Zorginstituut Nederland geeft ook aan dat verwijdering van eelt om cosmetische of verzorgende redenen en het adequaat knippen van teennagels te beschouwen zijn als persoonlijke verzorging. Deze handelingen betreffen geen geneeskundige zorg en behoren – ook bij diabetespatiënten – niet tot de te verzekeren zorg van de Zorgverzekeringswet. Voetzorg voor reumapatiënten maakt geen deel uit van het verzekerde pakket, al zijn er wel verzekeraars die dit in hun aanvullende polis hebben opgenomen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg over de voortgang van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet Langdurige zorg (Wlz) voorzien op 30 april aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘Vee heeft invloed op gezondheid’ |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vee heeft invloed op gezondheid»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Kitty Maassen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat veehouderij invloed heeft op de gezondheid?
De uitspraken zijn gebaseerd op de eerste tussentijdse resultaten van het onderzoek «Veehouderij en gezondheid van omwonenden» die de onderzoekers 12 maart 2015 openbaar hebben gemaakt. Deze resultaten zijn in lijn met bevindingen uit het eerdere onderzoek naar gezondheidseffecten van de veehouderij in Oost-Brabant en Noord-Limburg uit 2010. De recente bevindingen versterken de waarschijnlijkheid van de gezondheidseffecten in het betreffende onderzoeksgebied2.
De versterkte waarschijnlijkheid is in het desbetreffende artikel in het Eindhovens Dagblad abusievelijk geïnterpreteerd als een keiharde relatie tussen veehouderij en gezondheid. De tussentijdse resultaten maken deel uit van een breder opgezet onderzoeksprogramma naar de relatie tussen veehouderijen en de gezondheid van de mensen die daar omheen wonen. In het licht van het lopend onderzoek is het niet verantwoord verdergaande conclusies te trekken. Het onderzoek wordt in 2016 afgerond.
Bent u bereid om maatregelen te treffen vanwege de tussentijdse resultaten die laten zien dat mensen met longziekten als astma en COPD die nabij een veehouderij wonen, ernstigere gezondheidsklachten hebben dan andere longpatiënten?
Het onderzoek wijst enerzijds uit dat rond veehouderijen minder mensen met astma en COPD wonen. Anderzijds hebben COPD-patiënten die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker problemen van de luchtwegen dan mensen met COPD die ergens anders wonen. De oorzaken daarvan zijn echter nog niet duidelijk. Dat betekent dat de tussentijdse resultaten geen basis zijn om op dit moment maatregelen te nemen.
In het uitgevoerde onderzoek is niet gekeken naar de omvang van de veehouderijbedrijven. Dit betekent dat het betreffende onderzoek geen indicatie geeft dat juist deze stallen hiervan de oorzaak zijn. Het treffen van maatregelen, zoals een moratorium op nieuwbouw van stallen, is dan ook niet aan de orde. Nieuwe stallen moeten voldoen aan de geldende milieu en ruimtelijke ordeningseisen. Het besluit om nieuwbouw van stallen wel of niet toe te staan moet door de decentrale overheid worden genomen op basis van een lokale of regionale beoordeling van effecten van veehouderijen. Het onderzoeksproject «Veehouderij en gezondheid omwonenden», waarvan het betreffende onderzoek deel uit maakt, is pas volgend jaar gereed. Op dat moment moet worden bezien of de resultaten aanleiding geven tot het nemen van maatregelen.
Bent u bereid om vanwege de tussentijdse resultaten een moratorium te stellen op de bouw van nieuwe megastallen totdat het volledige onderzoek is afgerond naar de relatie van intensieve veehouderij en gezondheid?
Zie antwoord vraag 3.
De dreigende toelating van Amerikaanse chloorkippen tot de Europese markt |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de Europese Unie mogelijk nog voor het einde van 2015 een importverbod opheft voor kippen die geschoond zijn met het chemische peroxyazijnzuur?1
Nee, dit kan ik niet bevestigen. Kippen die geschoond zijn met per(oxy)azijnzuur2 worden niet toegelaten tot de EU, omdat het in de EU niet is toegestaan perazijnzuur te gebruiken als decontaminatiemiddel voor pluimveekarkassen. Hetzelfde geldt voor kippenvlees dat met chloor is behandeld.
Kunt u bevestigen dat dit de import van chloorkippen mogelijk zal maken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt zich dit tot uw veelvuldig herhaalde stelling dat de Europese normen voor voedselveiligheid niet verlaagd zullen worden, en dat er dus geen chloorkippen of hormoonvlees op de Europese markt toegelaten zullen worden?2
Zoals is aangegeven in de beantwoording van vragen 1 en 2, wordt vlees van kippen die zijn geschoond met chloor niet op de Europese markt toegelaten. De EU heeft de import van vlees van met hormonen behandelde runderen verboden met een beroep op het voorzorgsprincipe. Zoals ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 6 maart jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1465) heb aangegeven, zien de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik er op toe dat de EU in de TTIP-onderhandelingen onverkort vasthoudt aan het voorzorgsprincipe uit het EU-verdrag. Dit stelt autoriteiten in staat snel te reageren als dat nodig is om de gezondheid van mensen, dieren of planten, of het milieu te beschermen. De EU kan het voorzorgsprincipe hanteren ook wanneer na wetenschappelijke analyse een bepaald risico onvoldoende kan worden ingeschat.
Deelt u de mening dat het voornemen van de EU om het importverbod op chloorkippen op te heffen alles te maken heeft met de onderhandelingen over een vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS, het zogenaamde TTIP? Zo nee, op basis van welke informatie kunt u dat uitsluiten?
De VS heeft de EU formeel gevraagd om de toelating van perazijnzuur voor toepassing op pluimveekarkassen in de EU. Aanvragen voor de toelating van decontaminatiemiddelen op dierlijke producten moeten conform de geldende EU-procedures worden beoordeeld en afgehandeld. Aan de toelating van perazijnzuur gaat een risicobeoordeling door de European Food Safety Authority (EFSA) vooraf. Ook zal de Europese Commissie een formeel voorstel aan de lidstaten moeten voorleggen. Pas als een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten dat voorstel steunt, is de toelating een feit.
Bent u bereid om de Europese Commissie op te roepen onverkort vast te houden aan het importverbod op chloorkippen, en de Kamer te laten weten hoe op deze oproep gereageerd is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kent u het rapport van een parlementaire commissie in het Verenigd Koninkrijk waarin wordt geconcludeerd dat TTIP Europese milieu en gezondheidsstandaarden onder druk zet, en dat de ambitie van TTIP om in de toekomst bij het zetten van standaarden samen te werken, wel degelijk zal leiden tot lagere normen?3 Hoe beoordeelt u dit en welke consequenties verbindt u hieraan?
Ja, ik ben bekend met het rapport.
Het standpunt van de Europese Commissie is om vast te houden aan de Europese milieu en gezondheidsstandaarden, waaronder die voor voedselveiligheid. Dit is opgenomen in het onderhandelingsmandaat dat door de lidstaten aan de Europese Commissie verleend is.
Ik zie er samen met de Staatssecretaris voor Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op toe dat de Europese Commissie hieraan onverkort vasthoudt in de onderhandelingen.
Deelt u de mening dat het voornemen om nu toch opeens Amerikaanse chloorkippen toe te laten op de Europese markt niet het eerste voorbeeld is van hoe de onderhandelingen over TTIP nu al een zichtbaar en negatief effect hebben op de Europese normen, maar dat dit ook geldt voor onderwerpen zoals het toelaten van producten van (nakomelingen van) gekloonde dieren – waar de Europese Commissie opeens terugkwam op haar voornemen om deze producten van de Europese markt te weren –, en het uitfaseren van hormoonverstorende stoffen – waar de Europese Commissie haar afspraak om in 2013 met criteria te komen om deze stoffen uit te faseren niet is nagekomen en nu niet eens meer van plan lijkt om tot uitfasering over te gaan? Zo nee, waarop baseert u uw oordeel dat het intrekken van voorstellen om de volksgezondheid en het dierenwelzijn te beschermen niet onder druk van aanstaande vrijhandelsakkoorden is gebeurd?
Amerikaanse chloorkippen zijn niet toegelaten tot de Europese markt. Er is dan ook geen sprake van dat onder druk van de onderhandelingen over TTIP de Europese Commissie de volksgezondheid en dierenwelzijn zou schaden. Wat hormoonverstorende stoffen betreft is besloten om een impact assessment uit te voeren. Ook moet er volgens de Europese Commissie een definitie worden opgesteld om eenduidig te kunnen vaststellen wanneer een stof een hormoonverstorend effect heeft. Zodra er een definitie is vastgesteld, kan vervolgens de discussie gevoerd worden over het nemen van adequate maatregelen gericht op het beheersen van risico’s.
De EFSA heeft in haar analyse over nakomelingen van klonen en daarvan afkomstige voedingsmiddelen geconstateerd dat er geen volksgezondheids- en dierenwelzijnsproblemen zijn die afwijken van regulier geproduceerde dieren en voedingsmiddelen. De Europese Commissie heeft zich in haar voorstellen5 van 18 december 2013 daarop gebaseerd en geen verbod op nakomelingen van klonen en daarvan afkomstige voedingsmiddelen voorgesteld.
Kunt u uitsluiten dat ook het verbod op hormoonvlees toch opeens zal worden ingetrokken onder druk van de onderhandelingen over TTIP? Hoe wilt u garanderen dat daar onverkort aan vastgehouden wordt?
Zie antwoord vraag 7.
Het passeren van een cliëntenraad van een ggz-instelling instelling bij tv-opnamen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Grace Tanamal (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat KRO- NCRV filmde in een ggz-instelling tegen de zin van cliëntenraad Flevoland?1
Ja.
Deelt u de mening dat een (verzwaard) advies van de cliëntenraad over tv-opnamen in zijn instelling en het uitzenden van deze beelden serieus genomen moet worden?
Zowel een adviesrecht als verzwaard adviesrecht dient mijns inziens te allen tijde door de zorgaanbieder zeer serieus genomen te worden. Dit geldt zeker ook voor vraagstukken die direct raken aan de persoonlijke levenssfeer van patiënten en cliënten.
In de onderhavige casus hebben de centrale cliëntenraad van zorgaanbieder GGZ Centraal en de cliëntenraad van de locatie Almere een negatief advies gegeven aan de bestuurder en daarbij een beroep gedaan op nietigheid van diens besluit om op die locatie te filmen. De bestuurder heeft dit advies in eerste instantie naast zich neer gelegd. Ik vind dat niet verstandig.
Wilt u een feitenrelaas toezenden over hoe het tot tv-opname en het uitzenden van beelden is gekomen en wat de rol en het oordeel van de cliëntenraad hierbij is?
Een uitgebreid feitenrelaas staat helder beschreven in de de uitspraak van de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden d.d. 15 januari 2015.2 Ik voeg deze uitspraak toe aan deze beantwoording. Ik beperk mij hieronder tot enkele observaties.
Uit de beschikbare informatie over deze casus en dan met name uit bovengenoemde uitspraak kan opgemaakt worden dat er tv-opnames gepland stonden op één locatie van deze zorgaanbieder. De cliëntenraad op die locatie is in een vroeg stadium betrokken door de bestuurder. In augustus 2014 is door de bestuurder en de tv-producent afgesproken ook opnames te maken op een tweede locatie, waarna de bestuurder de locatie Flevoland hiervoor aanwees. De cliëntenraad op deze locatie werd hierover eind september 2014 geïnformeerd, twee weken voordat de opnames plaats zouden vinden. Vervolgens hebben de centrale cliëntenraad van zorgaanbieder GGZ Centraal en de cliëntenraad van de locatie Flevoland nog voor aanvang van de opnames een negatief advies gegeven aan de bestuurder en daarbij een beroep gedaan op nietigheid van diens besluit om op die locatie te filmen. De bestuurder heeft dit advies naast zich neer gelegd en was – zo blijkt uit het feitenrelaas in de uitspraak van de LCcV – van mening dat een besluit over het al dan niet toestaan van het maken van tv-opnames binnen de instelling niet adviesplichtig was. Ik vind het negeren van het advies van de cliëntenraad niet verstandig, vooral ook omdat volgens de LCcV de directie van de locatie Flevoland eerder expliciet aan haar cliëntenraad had toegezegd dat er niet gefilmd zou worden indien deze hier niet mee zou instemmen.
Na het uitbrengen van bovenvermelde negatief advies en de reactie van de zorgaanbieder om zijn besluit toch door te zetten, hebben de centrale cliëntenraad en de cliëntenraad op de locatie Flevoland een verzoek voorgelegd aan de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV). De vraag was of op een besluit van de raad van bestuur van GGZ Centraal om medewerking te verlenen aan het TV-programma het (verzwaard) adviesrecht van toepassing is en of de besluitvorming zorgvuldig is verlopen.
De commissie heeft in haar uitspraak van 15 januari 2015 de cliëntenvertegenwoordiging op beide punten in het gelijk gesteld: het verzwaard adviesrecht is van toepassing verklaard en de bestuurder had volgens het LCcV onzorgvuldig gehandeld in zijn besluit met betrekking tot het filmen op de locatie Flevoland. In haar oordeel schrijft de LCvV bovendien dat de bestuurder het besluit niet rechtsgeldig had kunnen nemen omdat de cliëntenraad tijdig de nietigheid van het besluit had ingeroepen. De LCcV gaf daarbij ook aan dat het besluit van de zorgaanbieder op punten wringt met belangrijke branchenormering.
Uit nadere berichtgeving vanuit de zorginstelling begrijp ik dat na de uitspraak van de LCcV de raad van bestuur en de directie opnieuw in overleg zijn gegaan met de cliëntenraad van de locatie Flevoland. De cliëntenraad heeft volgens de zorgaanbieder daarop besloten alsnog af te zien van zijn adviesrecht in deze zaak. Cliënten die in de afleveringen van het TV-programma te zien zijn geweest, hebben volgens de instelling kunnen aangeven wat zij wel of niet uitgezonden wilden hebben.
In het dagblad Trouw is op 30 maart jl. een nieuw artikel geplaatst over deze zaak, waarbij de bestuurder volgens het dagblad na de uitspraak druk zou hebben uitgeoefend op de cliëntenraad om af te zien van verdere advisering omdat de instelling mogelijk een schadevergoeding aan de tv-producent zou moeten betalen. De instelling erkent in een reactie op haar website dat er over financiële consequenties is gesproken, maar stelt dat daarbij geen druk is uitgevoerd. Ik kan niet beoordelen wat de overwegingen van de cliëntenraad zijn geweest om het adviestraject te beëindigen.
Wat betreft de rol en het oordeel van de cliëntenraad in deze casus, beperk ik mij wederom tot de uitspraak van de onafhankelijke vertrouwenscommissie. Daaruit blijkt dat de centrale cliëntenraad en de cliëntenraad op locatie Flevoland de juiste procedures hebben bewandeld door ongevraagd advies uit te brengen, nietigheid in te roepen en – toen de bestuurder niet terugkwam op zijn besluit – de zaak voor te leggen aan de LCcV.
Klopt het oordeel van de Commissie van Vertrouwenslieden dat «zwaarwegende cliëntenbelangen» in het geding zijn en wringt de uitzending met privacyregels ter bescherming van «kwetsbare patiënten»?
In de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen is het bij de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden neergelegd om geschillen met betrekking tot het (on)gevraagd adviesrecht van cliënten te behandelen. Zoals hierboven aangegeven, kent de Wmcz het verzwaard adviesrecht voor die zaken die direct het cliëntbelang raken. De commissie heeft in deze casus geoordeeld dat er «zwaarwegende cliëntenbelangen» in het geding zijn en dat de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met haar eigen reglement ter zake. Ik ga niet over het oordeel van de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden. Dat is aan de rechter.
Ik ben echter met de commissie van mening dat privacy van cliënten zeer belangrijk is en dat de cliëntenraad op dergelijke onderwerpen serieus inspraak moet kunnen hebben.
Welke lessen zijn er te trekken uit deze situatie in het kader van uw voorstel inzake «governance in de zorg» en het versterken van medezeggenschap?
Deze casus geeft aan dat het medezeggenschap van cliënten belangrijk is en niet zomaar terzijde geschoven mag worden, ook al wordt er achteraf «gecorrigeerd». Zoals ik in mijn brief van 22 januari 2015 over goed bestuur in de zorg heb aangekondigd, ben ik van plan de medezeggenschapsregels voor cliënten aan te scherpen. Daarbij gaat het onder meer om het verminderen van de vrijblijvendheid van de medezeggenschapsregels, om het faciliteren van cliëntenraden, maar ook om de praktijk en gebruik van bestaande procedures bij geschillen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Governance in de zorg voorzien op 19 maart 2015?
Het bericht dat de inspectie niet in actie kwam na de dood van een psychiatrisch patiënt |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Inspectie kwam niet in actie na dood psychiatrisch patiënt»?1
Ja.
Herinnert u zich uw uitspraak dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) altijd direct onderzoek doet na een melding van overlijden tijdens of kort na toepassing van dwang in de zorgverlening?2 Zo ja, waarom liet de Inspectie eerst de zorginstelling zelf onderzoek doen?
Ja, die uitspraak herinner ik mij.
Inspecteurs van de IGZ doen altijd direct onderzoek na een melding van overlijden tijdens of kort na toepassing van dwang in een zorgverlening. De betreffende zorginstelling meldde de calamiteit op 27 juli 2014 aan de IGZ. Uit de melding bleek niet dat er sprake was geweest van de toepassing van dwang.
Conform de Leidraad meldingen 2013 heeft de IGZ de zorgaanbieder dan ook verzocht om – onder vooraf gestelde voorwaarden van de IGZ – zelf onderzoek te doen naar aanleiding van de gemelde calamiteit. Zo heeft de IGZ, gelet op de ernst van de calamiteit, als eis gesteld dat het onderzoek geleid moest worden door een onafhankelijke externe voorzitter.
De IGZ kan op basis van beschikbare of later bekend geworden feiten op elk moment besluiten het onderzoek naar de feiten en omstandigheden van een calamiteit door eigen inspecteurs uit te laten voeren. Zoals ik uw Kamer op 23 oktober 20143 heb laten weten in antwoorden op vragen van mevrouw Leijten, heeft de IGZ in deze casus besloten dat te doen. Het onderzoek van de IGZ loopt op dit moment nog.
Deelt u de mening dat iedereen kwalitatief goede zorg verdient? Zo ja, hoe kan het dan dat de begeleider van meneer P. niet over de juiste papieren beschikt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat iedereen goede zorg moet krijgen. Aan zorg zijn kwaliteitseisen gesteld, zoals het inzetten van goed opgeleid personeel. Het onderzoek van de IGZ loopt nog, dus ik kan daar op dit moment geen nadere uitspraken over doen.
Wanneer is het desbetreffende onderzoek van de Inspectie voltooid?
De IGZ heeft mij laten weten dat het een complex onderzoek betreft, dat zij verwacht medio dit jaar af te ronden.
Bent u bereid de rechtsgang van de familie te ondersteunen? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is niet mijn taak families bij hun individuele rechtsgang te ondersteunen. Als de familie besluit de zaak aan de rechter voor te leggen, dan kan zij zich daartoe laten bijstaan door een advocaat. Mogelijk heeft de familie een rechtsbijstandverzekering afgesloten. Zo niet, dan kan de familie eventueel een tegemoetkoming krijgen in de kosten van rechtsbijstand. Of de familie daarvoor in aanmerking komt is afhankelijk van de hoogte van haar inkomen. Voorts zijn er diverse instanties die, soms gratis, advies en informatie geven over juridische zaken.
Het bericht dat het aantal meldingen over mishandeling van ouderen met bijna de helft is toegenomen |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Groeiend aantal meldingen over mishandeling ouderen»?1
Ja.
Hoe verklaart u de explosieve toename van 43% van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de grote steden?
De cijfers uit het artikel zijn niet helemaal correct: uit navraag blijkt dat er in Amsterdam geen sprake is van een toename. In Den Haag wordt de toename mede verklaard doordat in 2014 ook alle meldingen die via de politie zijn binnengekomen bij de telling van het Steunpunt Huiselijk Geweld zijn meegenomen. Hierbij gaat het ook om bijvoorbeeld beroving van ouderen op straat, door onbekenden. Dit betreft dus geen ouderenmishandeling in de huiselijke kring (in een terugkerende afhankelijkheidsrelatie).
Bovengenoemde nuancering laat onverlet dat al een paar jaar een toename van het aantal meldingen zichtbaar is. Niet alleen in de vier grote steden, maar in het hele land. De belangrijkste verklaring hiervoor zie ik in het feit dat het onderwerp ouderenmishandeling, als gevolg van het Actieplan «Ouderen in veilige handen» de afgelopen jaren meer bekendheid heeft gekregen. De voorlichtingsactiviteiten die de seniorenorganisaties van oktober 2012 tot eind 2014 hebben uitgevoerd, hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Dit blijkt ook uit de evaluatie van de voorlichtingscampagne. Ook de spotjes op radio en TV in het kader van de publiekscampagne «Een veilig thuis, daar maak je je toch sterk voor» hebben bijgedragen aan een grotere bekendheid van het onderwerp. Hierdoor is ouderenmishandeling de afgelopen jaren beter bespreekbaar geworden. Steeds meer mensen weten wat het is, en dat het voorkomt, en weten ook waar zij terecht kunnen met vermoedens of signalen.
Een andere verklaring is de implementatie van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, die sinds 1 juli 2013 van kracht is. Deze verplicht beroepskrachten om te beschikken over een stappenplan dat zij moeten doorlopen bij vermoedens of signalen van huiselijk geweld (waaronder ouderenmishandeling) en kindermishandeling. Het hanteren van de meldcode heeft ertoe geleid dat professionals bij signalen van ouderenmishandeling vaker contact zoeken met de Steunpunten Huiselijk Geweld (sinds 1 januari van dit jaar Veilig Thuis) voor advies, of het doen van een melding.
Ik beschouw deze toename – die overigens dus al een paar jaar geleden is ingezet – daarom als een beoogd effect van beleid, omdat hieruit blijkt dat mensen vaker advies vragen of een melding doen over ouderenmishandeling. De toename van het aantal contacten in 2014 met de Steunpunten Huiselijk Geweld over ouderenmishandeling wil dus niet zeggen dat het aantal gevallen van ouderenmishandeling is toegenomen, maar wel dat men bij ouderenmishandeling vaker het steunpunt heeft ingeschakeld om de situatie te stoppen.
Deelt u de mening dat deze toename te wijten is aan de sluiting van verzorgingshuizen en de bezuinigingen op zorg, dagbesteding en mantelzorgers, met als gevolg dat het zicht op de kwetsbare oudere verdwijnt? Zo neen, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals ik al heb aangegeven, kan uit de toename van het aantal contacten met de Steunpunten Huiselijk Geweld (nu Veilig Thuis geheten) niet worden geconcludeerd dat het aantal gevallen van ouderenmishandeling is toegenomen, maar dat men bij vermoedens of signalen vaker contact opneemt met een steunpunt voor advies, of het doen van een melding.
Verder ben ik van mening dat de hervormingen in de zorg juist een kans bieden om de risicofactoren op ouderenmishandeling aan te pakken. De positie van de mantelzorger wordt bijvoorbeeld versterkt. Doordat zorg en ondersteuning dicht bij mensen wordt georganiseerd en op maat kan worden geboden, ontstaat er een netwerk van zorgverleners en mantelzorgers om mensen heen en kan ouderenmishandeling tijdig worden gesignaleerd en daarop actie worden ondernomen.
Is dit wat de regering bedoelt met de zorg dichterbij?
Zie antwoord vraag 3.
Het uitblijven van het openbaar maken van het calamiteitenrapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over de casus Tuitjenhorn |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Kunt u zich voorstellen dat huisartsen grote behoefte hebben aan duidelijkheid over de uitvoeringspraktijk van euthanasie naar aanleiding van wat er gebeurd is in de casus Tuitjenhorn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De IGZ heeft naar aanleiding van de casus Tuitjenhorn op verschillende manieren aan huisartsen laten weten dat deze casus geen gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk van euthanasie. De IGZ heeft huisartsen dan ook laten weten dat zij niets hoeven te vrezen wanneer zij zich aan de wetgeving en richtlijnen voor verantwoorde zorg rondom het levenseinde houden. En, evenmin als zij gefundeerd en op een acceptabele wijze afwijken van deze richtlijnen. Los van het feit dat er (vanuit de IGZ) al veel informatie gegeven is, kan ik mij voorstellen dat huisartsen ook met interesse hebben uitgekeken naar het rapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn. Het rapport wordt op 31 maart 2015 door de commissie uitgebracht.
Kunt u zich voorts voorstellen dat, vooruitlopend op het uitgestelde rapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn, het gereed zijnde calamiteitenrapport van de IGZ alvast kan bijdragen aan het verkrijgen van die duidelijkheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Evaluatiecommissie Tuitjenhorn biedt haar rapport op 31 maart 2015 aan de Minister van Veiligheid en Justitie en mij aan. Conform het eerder aan uw Kamer gemelde voornemen, zullen de Minister van Veiligheid en Justitie en ik het calamiteitenrapport van de IGZ, gezamenlijk met het rapport van de commissie, aan uw Kamer toezenden. Aangezien het calamiteitenrapport ook gegevens over derden bevat, is – mede met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer – een aantal passages weggelakt.
De Minister van Veiligheid en Justitie en ik hebben uw Kamer eerder per brief2 laten weten wat de reden is dat we eerder niet zijn overgegaan tot verstrekking dan wel openbaarmaking van het rapport. De reden is namelijk dat het gebruikelijk is, dat zolang een zaak voorwerp is van onafhankelijk onderzoek, niet tussentijds stukken die relevant zijn voor dit onderzoek naar buiten worden gebracht. Openbaarmaking in dit stadium zou het onderzoek van de evaluatiecommissie belemmerd kunnen hebben. Tevens had het kunnen leiden tot conclusies die pas kunnen worden getrokken nadat het bredere onderzoek van de evaluatiecommissie heeft plaatsgevonden. Wij beschouwden het in het belang van het publieke debat dat dit debat gevoerd kan worden met een zo volledig mogelijk beeld van hetgeen zich heeft voorgedaan in deze zaak. Om de commissie ten volle in de gelegenheid te stellen haar werk te doen, achtten wij het van belang het IGZ-calamiteitenrapport niet voor de afronding van de evaluatiecommissie Tuitjenhorn aan u toe te zenden dan wel openbaar te maken.
Naast het bovengenoemde zijn er geen andere redenen geweest het calamiteitenrapport niet eerder aan uw Kamer toe te zenden.
Waarom blijft u van mening dat het gereed zijnde calamiteitenrapport van de IGZ niet openbaar gemaakt hoeft te worden?1
Zie antwoord vraag 2.
Op welke punten denkt u dat de Kamer niet in staat is het calamiteitenrapport van de IGZ op de juiste wijze te duiden en te beoordelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Is het een gebruikelijke gang van zaken dat, alleen indien stukken niet relevant zijn, deze openbaar gemaakt worden of met de Kamer worden gedeeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Stuurt u aan op het niet of maar gedeeltelijk openbaar maken van het calamiteitenonderzoek van de IGZ? Zo ja, op welke wijze dient dit de waarheidsvinding en het proces van openbaarheid over wat er precies gebeurd is in de zomer van 2013? Zo neen, garandeert u dat het calamiteitenrapport van de IGZ integraal openbaar gemaakt wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Beschikt de commissie over het calamiteitenrapport van de IGZ? Zo nee, waarom niet? Is het rapport niet relevant voor de commissie? Zo ja, hoe kan publicatie de commissie dan nog beïnvloeden?
Ja, zoals de Minister van Veiligheid en Justitie en ik uw Kamer bij brief van 8 september 20143 hebben laten weten, heeft de commissie de beschikking gekregen over het calamiteitenrapport van de IGZ. Zie verder ons antwoord op de vragen 2 t/m 6.
Op welke punten is het calamiteitenrapport van de IGZ relevant voor het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn doet? Baseert de Evaluatiecommissie zich op de conclusies van het calamiteitenonderzoek of doet zij ook nog eigenstandig onderzoek? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Evaluatiecommissie Tuitjenhorn heeft mij laten weten dat zij het calamiteitenrapport van de IGZ gebruikt heeft als één van de bronnen voor het vaststellen van de handelwijze van de IGZ en de andere betrokkenen organisaties. De commissie heeft eigenstandig onderzoek gedaan door het analyseren van documenten en het voeren van gesprekken.
Zal het concept- en/of eindrapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn worden voorgelegd aan de IGZ? Zo ja, waarom?
Ja. Conform het onderzoeksprotocol van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn (dat zij conform het instellingsbesluit van de commissie zelf heeft opgesteld), heeft de commissie haar concept-rapport aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd met het verzoek feitelijke onjuistheden aan de commissie te melden. Aangezien de IGZ onderdeel uitmaakt van het Ministerie van VWS, is het concept-rapport ook aan de IGZ voorgelegd met het verzoek om na te gaan of er feitelijke onjuistheden in stonden.
Acht u het mogelijk dat de IGZ haar calamiteitenrapport aanpast na inzage of kennisneming van het rapport van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn? Zo neen, garandeert u dat dit niet gebeurt? Zo ja, wat vindt u daarvan en bent u bereid deze aanpassingen openbaar te maken?
Nee. De IGZ heeft haar definitieve calamiteitenrapport op 6 juni 2014 vastgesteld. Daarna heeft geen aanpassing meer plaatsgevonden en dat zal uiteraard ook niet gebeuren.
Wat is precies de reden dat de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn extra gesprekken diende te voeren, en zodoende de aanvankelijke datum van 31 januari jl. niet haalde? Was het aantal gesprekken vooraf niet te voorzien, is het aantal gesprekken uitgebreid of is de capaciteit van de commissie onvoldoende gebleken?
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie uw Kamer bij brief van 23 januari 20154 mede namens mij heeft laten weten, heeft de commissie aanzienlijk meer gesprekken met betrokkenen gevoerd dan aanvankelijk gedacht. Het aantal gesprekken is gedurende het onderzoek dus uitgebreid.
Hoe staat het overigens met de voortgang van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn? Ligt deze op koers om het rapport voor 31 maart 2015 uit te brengen? Zo ja, heeft u al een precieze datum? Zo nee, waarom is er dan wederom vertraging opgelopen?2
Het evaluatierapport wordt op 31 maart 2015 uitgebracht en op dezelfde dag aan uw Kamer aangeboden.
De voorgenomen sluiting van de enige nachtapotheek in de regio De Langstraat |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de voorgenomen sluiting van de nachtapotheek in Waalwijk; de enige in de regio De Langstraat, met een verzorgingsgebied van ruim 90.000 inwoners?1 2
Ik heb kennis genomen van het bericht. Het feit dat er ’s nachts geen apotheek geopend is in Waalwijk c.q de regio De Langstraat betekent niet dat er ’s nachts geen spoedmedicatie beschikbaar is in deze plaats c.q. regio. Ten algemene geldt dat op zorgverzekeraars de plicht rust om voldoende verantwoorde zorg te contracteren voor hun verzekerden. Daaronder valt ook de farmaceutische zorg die in de avond, nacht en op zondag (ANZ) wordt geleverd. Er rust op apothekers de plicht om 7 dagen per week en 24 uur per dag toegang tot adequate farmaceutische zorg voor patiënten te organiseren. De vorm waarin apothekers de toegang tot farmaceutisch zorg in de avond, nacht en op zondagen organiseren, is vrij. Apothekers kunnen deze diensten zelf leveren dan wel in samenwerking met andere apotheken (rouleren) of uitbesteden aan een, al dan niet gezamenlijke, dienstapotheek. Of zorgverzekeraars zich aan hun zorgplicht houden staat ter beoordeling van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt toezicht of er verantwoorde zorg wordt geleverd.
Teneinde zorg te dragen dat farmaceutische spoedzorg voor alle Nederlandse ingezetenen beschikbaar en betaalbaar blijft, ook in minder bevolkte gebieden, kopen zorgverzekeraars vanaf 2014 de farmaceutische spoedzorg gezamenlijk in op basis van een representatiemodel. Dit is een uitvloeisel van de kwaliteitsagenda die is vastgesteld in het kader van het Bestuurlijk overleg farmacie naar aanleiding van de bevindingen van de verkenners extramurale farmacie, de heren Rinnooy Kan en Reibestein. Achterliggende gedachte hierbij is om een volledige spreiding en dekking van farmaceutische spoedzorg te bewerkstellingen en daarbij aansluiting te zoeken bij de reguliere acute zorgstructuur. Zorgverzekeraars werken aan een herinrichting van de acute zorg, waaronder basis spoedzorg. Regionaal wordt gekeken hoe deze het beste ingericht kan worden. Zorgverzekeraars zullen bezien of de spoedeisende farmaceutische zorg per 1 januari 2016 kan worden geïntegreerd in de basis spoedzorg.
Vorige week is door zorgverzekeraars VGZ en CZ besloten de dienstapotheek in Waalwijk vanaf 1 januari 2016 te sluiten. Deze dienstapotheek had maximaal drie receptregels per nacht.
Klopt de berichtgeving dat zorgverzekeraars VGZ en CZ per 1 april 2015 een streep zetten door de nachtelijke service van de enige apotheek in de regio De Langstraat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zeer recent is door zorgverzekeraars VGZ en CZ (namens alle verzekeraars) besloten de Dienstapotheek in Waalwijk vanaf 1 januari 2016 in de nachtelijke uren te sluiten. Dit besluit is gecommuniceerd naar de apotheek, de gemeente en de huisartsen. Door de nabijheid van De Dienstapotheek Tilburg en de Dienstapotheek in het Jeroen Bosch Ziekenhuis (Den Bosch) is de nachtelijke spoedeisende medicatievoorziening in de regio De Langstraat gewaarborgd. In uitzonderlijke situaties, zoals bij immobiele patiënten, bestaat de mogelijkheid om medicatie te laten bezorgen vanuit deze locaties. Daarnaast verstrekken huisartsen medicatie in noodsituaties. De aanrijtijden naar deze apotheken zijn voor de inwoners van de regio De Langstraat niet significant langer, zo geven de zorgverzekeraars aan.
Acht u het wenselijk dat mensen die ’s nachts en in het weekend medicijnen nodig hebben, voortaan door moeten reizen naar het veel verder gelegen Tilburg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het verstrekken van spoedmedicatie betekent niet per definitie dat er door de patiënt of zijn vertegenwoordiger zal moeten worden gereisd. Enerzijds omdat spoedmedicatie veelal door de (huis)arts wordt verstrekt. Anderzijds omdat verstrekken van spoedmedicatie ook op een andere, meer klantvriendelijke, snellere en goedkopere manier kan worden georganiseerd waarbij de medicatie wordt thuisbezorgd.
Deelt u de mening dat voor een gebied met ruim 90.000 inwoners en 50 huisartsen er tijdens de avonduren, in de nacht en in het weekend een apotheek in de buurt bereikbaar moet zijn? Zo ja, hoe gaat u dit garanderen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wordt er nog voldaan aan de daarvoor geldende norm van 45 minuten indien de nachtapotheek in regio De Langstraat gesloten wordt? Is er een wetenschappelijke onderbouwing voor die norm? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn geen concrete wettelijke normen ten aanzien van een maximale afstand die patiënten of hun vertegenwoordigers mogen reizen om in de nachtelijke uren (of overdag) aan noodzakelijke geneesmiddelen te komen. In het algemeen overleg geneesmiddelenbeleid van 12 december 2012 heb ik aangegeven dat er geen afstandcriterium is vastgesteld maar dat wel een tijdscriterium van 45 minuten overeenkomstig het beleid bij ziekenhuizen geldt. Of de ontstane situatie strijd oplevert met deze norm staat ter beoordeling van de IGZ.
Betrokken veldpartijen hebben voor niet acute zorg streefnormen en maximale wachttijden (de zogenaamde Treeknormen) vastgesteld. Voor de toegangstijd tot een apotheek geldt hierbij een norm van «1 werkdag». Dit betekent dat patiënten niet zijn aangewezen op de dienstapotheek voor niet spoedeisende zorg. Tevens hebben zorgverzekeraars en individuele apothekers de plicht om toegang tot adequate farmaceutische zorg voor patiënten 7 dagen per week en 24 uur per dag te organiseren.
Klopt het dat door het samenvoegen van de Huisartsenpost (HAP) en de Spoedeisende Hulp (SEH) ook de nachtapotheek in Tilburg binnen enkele jaren verplaatst zal worden van Tilburg-Noord naar het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg-Zuid?
Dit is mij nu niet bekend.
Wordt er ook in dat geval nog voldaan aan de daarvoor geldende norm van 45 minuten voor mensen uit de regio De Langstraat die ook op deze nachtapotheek zijn aangewezen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt met het verplaatsen van de HAP in Tilburg-Noord naar Tilburg-Zuid ook de gehele HAP in de regio De Langstraat bedreigd in verband met het halen van aanrijtijden voor huisbezoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Vereniging Huisartsenposten Nederland, inmiddels gefuseerd in InEen, heeft een raamwerk kwaliteitsbeleid opgesteld waarin zij als streefwaarde voor visites stelt dat:
Bij zorgvragen met levensbedreigende spoed (U1 en U0) waarbij een huisarts wordt ingezet is de huisarts gemiddeld per jaar in 90% van de gevallen binnen 20 minuten bij de patiënt aanwezig en in 98% van de gevallen binnen 30 minuten.
Bij zorgvragen met spoed (U2) waarvoor een visite door een huisarts wordt afgesproken is de huisarts gemiddeld per jaar in 90% van de gevallen binnen 1 uur bij de patiënt aanwezig en in 98% van de gevallen binnen 2 uur.
Bij zorgvragen met levensbedreigende spoed kan, in plaats van dat een huisarts onmiddellijk naar de patiënt gaat, ook een ambulance worden ingeschakeld. Huisartsenposten hebben hiertoe samenwerkingsafspraken met de regionale ambulancedienst. Indien de ambulance wordt ingezet geldt de norm voor responstijd van de ambulancedienst.
Deze streefwaarden heeft het veld zelf opgesteld en zijn niet wettelijk vastgelegd. Wel gelden ze als toetssteen voor de IGZ.
In het kader van de zorgplicht ziet de NZa erop toe dat er binnen 30 minuten huisartsenzorg bereikbaar moet zijn.
Herinnert u zich uw uitspraak dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de continuïteit van cruciale zorg? Wat gaat u doen om dat voor regio De Langstraat te garanderen?3
Cruciale zorg is die zorg waarvoor geldt dat wanneer zij (tijdelijk) niet (voldoende dichtbij) beschikbaar is, cliënten ernstige gezondheidsschade kunnen oplopen of (bij langdurige zorg) ernstig worden belemmerd in hun dagelijks functioneren. Op dit moment is dat Wlz-zorg, spoedeisende hulp, acute verloskunde, ambulancezorg en crisis GGZ. Een nachtapotheek valt niet onder de definitie van cruciale zorg.
Hoe staat het eigenlijk met de regioplannen? Zijn bovengenoemde ontwikkelingen daar onderdeel van, of zijn zij op zichzelf staand? Bent u bereid de Kamer over de stand van de regioplannen te informeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft zorgverzekeraars er in de zomer 2014 op gewezen dat hun gezamenlijke plannen voor de concentratie van spoedeisende ziekenhuiszorg de keuzemogelijkheden voor patiënten en verzekerden te veel kunnen verminderen. Op basis hiervan heeft Zorgverzekeraars Nederland op 16 juli 2014 laten weten het gezamenlijke traject rond complexe spoedeisende zorg voor dit moment af te ronden. Er is op dit moment dus geen sprake meer van een gezamenlijk traject van de zorgverzekeraars. Het is nu aan iedere zorgverzekeraar afzonderlijk om hier het eigen inkoopbeleid op te formuleren. Het inkoopbeleid van zorgverzekeraars is een individuele verantwoordelijkheid, waarbij een zorgverzekeraar moet voldoen aan de zorgplicht jegens zijn verzekerden.
Het bevallingsverlof dat per dit jaar flexibel kan worden ingezet |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht over het soepeler opnemen van bevallingsverlof, dat per 1 januari 2015 mogelijk is?1
Ja.
Deelt u de constatering dat het het grootste deel van werkend Nederland is ontgaan dat de nieuwe Wet Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden in werking is getreden?
De constatering dat het het grootste deel van werkend Nederland is ontgaan dat de nieuwe Wet Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden in werking is getreden deel ik niet.
Na de aanvaarding van het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden in de Eerste Kamer op 16 december 2014 zijn er diverse acties ondernomen om werkgevers, werknemers en andere betrokkenen te informeren over de wijzigingen. Zo is het dossier op rijksoverheid.nl aangepast en heeft rijksoverheid.nl adwords ingezet, zodat de informatie hoog in de zoekresultaten van Google komt. Daarnaast is een persbericht gestuurd naar websites en bladen gericht op ouders en naar intermediairs (vakbonden, werkgevers, organisaties/websites gericht op hr-functionarissen, accountants en administratiekantoren). Veel van deze organisaties hebben het persbericht op hun website gezet of in hun nieuwsbrief aandacht besteed aan het onderwerp.
Wat is er gedaan aan voorlichting omtrent de nieuwe mogelijkheden voor werknemers om arbeid en zorg te combineren?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen gaat u nog ondernemen om werkend Nederland op de hoogte te stellen van de veranderingen en nieuwe mogelijkheden die de wet biedt?
In mei start een voorlichtingscampagne. Er is voor gekozen om deze campagne met praktische informatie over de verlofregelingen in mei te starten en niet al rond de jaarwisseling. Het is namelijk de algemene ervaring dat rond de jaarwisseling tal van wijzigingen van wet- en regelgeving worden doorgevoerd. Daardoor bestond het risico dat de campagne rond de Wet modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden te weinig aandacht zou krijgen. Zoals ook in het desbetreffende artikel in de Twentsche Courant Tubantia is aangegeven, ging de aandacht rond de jaarwisseling vooral uit naar de Wet werk en zekerheid.
Daarnaast zijn niet alle maatregelen uit genoemde wet op 1 januari jl. in werking getreden. Zo treden de maatregelen ten aanzien van het kortdurend en langdurend zorgverlof op 1 juli a.s. in werking.
Door de voorlichtingscampagne in mei te starten zal deze veel aandacht krijgen en in tijd goed aansluiten op de veranderingen die per 1 juli a.s. in werking treden. De campagne loopt via o.a. dagbladen, huis-aan-huisbladen, tijdschriften en radio. Conform een toezegging van de Staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer d.d. 16 december 2014 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 169, nr. 39) zal de campagne voor zover er raakvlakken zijn met mantelzorg in samenwerking met het Ministerie van VWS worden vorm gegeven.
Is er in de voorlichting specifiek aandacht voor de veranderingen omtrent het bevallingsverlof, zoals de mogelijkheid om de laatste periode van het bevallingsverlof flexibel op te nemen, de mogelijkheid voor de partner om het verlof over te nemen als de moeder komt te overlijden en de mogelijkheid om het bevallingsverlof te verlengen bij ziekenhuisopname van het kind?
Ja, deze aspecten zijn in december reeds via de onder vraag 3 genoemde acties onder de aandacht van werkgevers, werknemers en andere betrokkenen gebracht en zullen ook deel uit maken van de voorlichtingscampagne.
Late abortussen in België |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Nederlanders steeds vaker naar België voor late abortus»?1 Bent u ook geschrokken van deze berichtgeving?
Het is niet wenselijk dat stellen naar het buitenland afreizen om daar hun zwangerschap af te breken. Het gaat hier over het algemeen om een zeer emotionele periode, die zoveel mogelijk in de vertrouwde omgeving zou moeten kunnen worden verwerkt.
Signaleert u dezelfde trend die in het artikel en in de uitzending van Radio 1 naar voren komt, namelijk dat er meer Nederlandse stellen naar België afreizen voor een late abortus? Om hoeveel stellen gaat dit?
Dergelijke gegevens worden niet bijgehouden. Maar in het evaluatierapport over de Regeling late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen2 is beschreven dat in sommige gevallen naar het buitenland wordt uitgeweken voor late zwangerschapsafbreking.
Worden er in België steeds meer abortussen uitgevoerd voor aandoeningen waarover medisch gezien discussie is over een mogelijke behandeling?
Gegevens hierover zijn mij niet bekend.
Wat zijn de meest recente cijfers over late zwangerschapsafbrekingen in Nederland?
Er zijn cijfers beschikbaar van twee commissies: de centrale deskundigencommissie Late zwangerschapsafbreking in categorie 2 gevallen en levensbeëindiging bij pasgeborenen; en de commissie Late zwangerschapsafbreking in categorie 1 gevallen van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG).3 In 2007 waren er voor categorie 1 late zwangerschapsafbrekingen 15 meldingen en in 2012 2 meldingen. In categorie 2 zijn er tussen 2007 en 2012 in totaal 6 meldingen geweest van late zwangerschapsafbrekingen.
Welke gegevens zijn er bekend over het aantal late zwangerschapsafbrekingen in België? Om hoeveel situaties gaat dit? In welke week van de zwangerschap vinden deze late zwangerschapsafbrekingen plaats? Om welke redenen wordt er een late zwangerschapsafbreking overwogen?
Dergelijke gegevens zijn bij mij niet bekend. In het eerdergenoemde evaluatierapport van de Regeling late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging pasgeborenen is hierover opgenomen: «In hoeverre abortus na het bereiken van de levensvatbaarheidsgrens plaatsvindt is niet op te maken uit de tweejaarlijkse verslagen van de bij Wet van 13 augustus 1990 ingestelde Nationale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wetgeving betreffende de zwangerschapsafbreking. Deze verslagen vermelden in een bijlage slechts het aantal gemelde afbrekingen na twaalf weken zwangerschap (gerekend vanaf de conceptie). In de praktijk lijken echter ook afbrekingen ruim na het bereiken van de levensvatbaarheidsgrens voor te komen.»4
Wat zijn de Nederlandse richtlijnen voor artsen om door te verwijzen naar het buitenland voor een late zwangerschapsafbreking? Op welke wijze worden stellen hierin begeleid, zowel voor als na de zwangerschapsafbreking?
Er zijn geen richtlijnen van de beroepsgroep voor de specifieke omstandigheden als een vrouw haar zwangerschap in het buitenland wil laten afbreken. In het evaluatierapport van de Regeling schrijven de onderzoekers dat «de geïnterviewde perinatologen een verwijzing voor LZa naar het buitenland veelal ervaren als slechte medische zorgverlening, omdat het belastend is voor ouders, er tijd over heen gaat en ouders het gevoel kunnen krijgen dat ze «crimineel bezig zijn».5
Is er voldoende voorlichting, bijvoorbeeld in persoonlijke gesprekken of via voorlichtingsmateriaal, om stellen te infomeren over mogelijke medische behandelingen wanneer er een aandoening wordt geconstateerd tijdens de (late) zwangerschap?
De beroepsgroepen geven aan dat stellen uitgebreid geïnformeerd worden in persoonlijke gesprekken, meestal door verschillende betrokken disciplines. Ook worden stellen ondersteund door een medisch-maatschappelijk werker. Omdat het doorgaans om zeer specifieke en uitzonderlijke gevallen gaat, is er echter niet altijd (standaard) voorlichtingsmateriaal beschikbaar.
Wat onderneemt u om te voorkomen dat stellen vanwege een late zwangerschapsonderbreking naar België afreizen?
In het eerdergenoemde evaluatierapport werd reeds beschreven dat de wetgeving in België in bepaalde, strikt omschreven omstandigheden meer ruimte laat voor late zwangerschapsafbrekingen. Dit kan een van de reden zijn voor stellen om naar België af te reizen. Uit de evaluatie is verder gebleken dat de Nederlandse regeling in de praktijk knelpunten kent en niet altijd aansluit bij de medische praktijk. Daarom heb ik in mijn standpunt op het evaluatierapport (Kamerstuk 33 750 XVI, nr. 110) aangegeven de huidige regeling aan te zullen passen. Met die aanpassing wil ik recht doen aan de in de evaluatie gesignaleerde knelpunten, waaronder het feit dat stellen nu naar België reizen voor een late zwangerschapsafbreking. De wijzigingen zien met name op de verduidelijking van de regeling waarbij tevens bestaande lacunes worden opgevuld en het strafrecht op termijn meer op afstand wordt geplaatst. Ik hoop dat dit zal leiden tot meer transparantie en duidelijkheid voor de artsen en de ouders, waardoor er in de praktijk beter mee gewerkt kan worden.