De impact van coronabeperkingen op visumverlening aan buitenlandse geliefden van Nederlanders |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Bram van Ojik (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kunt u een overzicht geven van Nederlandse ambassades en consulaten die door de uitbraak van COVID-19 niet meer bereikbaar zijn voor het afnemen van het basisexamen inburgering, inclusief (on)bereikbaarheid voor partners uit buurlanden waar het niet mogelijk is om het basisexamen inburgering af te leggen1?
Een overzicht van Nederlandse ambassades en consulaten-generaal die momenteel geen basisexamens inburgering kunnen faciliteren is beschikbaar maar dit overzicht is in beweging. Het aantal posten dat de consulaire dienstverlening uitbreidt, neemt dagelijks toe, maar soms resulteren lokale COVID-19 omstandigheden of -maatregelen er helaas ook in dat consulaire dienstverlening weer beperkt wordt. Van de Nederlandse posten waar het basisexamen inburgering buitenland kan worden afgelegd zijn op peildatum 18 september 2020 60 van de 76 posten (79%) beschikbaar voor het inplannen van een basisexamen inburgering.
De top 5 grootste «inburgeringsposten» zijn Rabat, Bangkok, Manilla, Jakarta en Accra. Deze posten faciliteren momenteel alle weer het basisexamen inburgering buitenland.
Kunt u een inschatting geven van het aantal Nederlandse staatsburgers dat op dit moment gedwongen wordt om gescheiden te leven van hun buitenlandse partner, omdat die het basisexamen inburgering in het buitenland niet af kan leggen en als gevolg daarvan geen machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in Nederland aan kan vragen?
Er is geen inzicht in cijfers van het aantal Nederlandse staatsburgers dat op dit moment gescheiden moet leven vanwege het niet kunnen afleggen van een basisexamen inburgering buitenland. Dit komt doordat het beoogde verblijfsdoel van de kandidaat niet opgegeven wordt bij aanmelding of het afleggen van het examen.
Ziet de regering mogelijkheden om – nu de inreisbeperkingen voor geliefden versoepeld zijn2 – het inburgeringsexamen voor deze geliefden via alternatieve routes mogelijk te maken, zoals bijvoorbeeld het online afnemen van inburgeringsexamens, tijdelijk op meer diplomatieke posten examens te organiseren of het bij uitzondering mogelijk maken na aankomst in Nederland in plaats van voor vertrek het basisexamen af te leggen?
De inreisbeperkingen voor geliefden in een lange afstandsrelatie zijn versoepeld voor verblijf niet langer dan 90 dagen3. Het basisexamen inburgering buitenland is echter bedoeld voor vreemdelingen die lang verblijf in Nederland beogen. Het met goed gevolg afleggen van het basisexamen is één van de vereisten voor het verkrijgen van een MVV en dient derhalve te worden meegenomen in de beoordeling van de MVV-aanvraag, welke plaatsvindt vóór vertrek naar Nederland.
Het na inreis in Nederland afleggen van het basisexamen inburgering buitenland is daarmee niet verenigbaar. Het online aanbieden van het basisexamen ziet het kabinet eveneens niet als optie, omdat het afleggen van het basisexamen toezicht vereist om examenfraude te voorkomen.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan de basisexamens alleen afnemen op posten die zijn uitgerust met speciale voor dit proces geschikte examen- en biometrie afname/registratie apparatuur. Niet alle consulaire afdelingen beschikken over deze faciliteiten en/of hebben voldoende ruimte en capaciteit om als zodanig in te richten. De diplomatieke vertegenwoordigingen die op dit proces zijn ingericht spannen zich maximaal in om de consulaire dienstverlening waar mogelijk te herstarten of op te schalen om consulaire klanten op de best mogelijke manier bij te staan. Beperkende omstandigheden, zoals de maatregelen die door lokale overheden zijn getroffen in de strijd tegen COVID-19, maken het echter niet altijd mogelijk deze (verder) uit te breiden.
Kunt u een overzicht geven van het aantal geannuleerde basisexamens inburgering in het buitenland sinds 18 maart 2020?
Volgens het registratiesysteem van DUO zijn in de periode van 18 maart tot en met 1 juni 2020 de afspraken van 612 inburgeringskandidaten geannuleerd. Sinds 2 juni 2020 zijn er ca. 4300 examenonderdelen4 afgenomen en zijn er tot 1 januari 2021 weer ca. 2800 examenonderdelen ingepland.
Kunt u een overzicht geven van Nederlandse ambassades en consulaten waarvan de consulaire dienstverlening door de uitbraak van COVID-19 niet of beperkt open is?
Een overzicht van Nederlandse ambassades en consulaten-generaal die nog geheel gesloten zijn voor reguliere consulaire dienstverlening vanwege COVID-19 maatregelen is beschikbaar maar dit overzicht is in beweging. Het aantal posten dat de consulaire dienstverlening uitbreidt, neemt dagelijks toe, maar soms resulteren lokale COVID-19 omstandigheden of maatregelen er helaas ook in dat consulaire dienstverlening weer beperkt wordt. Momenteel (peildatum 18 september 2020) zijn 92 van de 137 Nederlandse ambassades en consulaten open. 45 posten bieden vooralsnog geen- of beperkte reguliere consulaire dienstverlening en kunnen momenteel enkel urgente aanvragen behandelen.
Kunt u een inschatting geven van het aantal Nederlandse staatsburgers dat op dit moment gedwongen wordt om gescheiden te leven van hun buitenlandse partner, omdat die geen Schengen-visum aan kan vragen als gevolg van de sluiting van Nederlandse en andere Europese diplomatieke posten?3
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft geen inzicht in cijfers van het aantal Nederlandse staatsburgers dat op dit moment gescheiden moet leven vanwege het niet kunnen aanvragen van een Schengenvisum bij een Nederlandse of andere Europese ambassade.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken spant zich maximaal in om de consulaire dienstverlening, waar mogelijk te herstarten of op te schalen om consulaire klanten op de best mogelijke manier in deze moeilijke tijden bij te staan. De gezondheids-en veiligheidsmaatregelen die lokale overheden hebben getroffen (of door een verslechterde gezondheidssituatie opnieuw nemen) om het COVID-19 virus in te dammen, maken het niet altijd mogelijk om de reguliere consulaire dienstverlening aan te bieden. Binnen de omstandigheden van het desbetreffende land, wordt zo veel als mogelijk gefaciliteerd.
Daarnaast zijn door de EU-lidstaten de bestaande bilaterale Schengenvisumvertegenwoordigingsafspraken als gevolg van de Covid-19 pandemie tot nader order opgeschort. Wel zijn de lidstaten in de regel bereid, bij wijze van uitzondering en als de lokale situatie dat toestaat, op formeel verzoek van Nederland een visumaanvraag behorend tot de uitzonderingscategorieën op het EU-inreisverbod te faciliteren.
Ziet de regering mogelijkheden om – nu de inreisbeperkingen voor geliefden versoepeld zijn4 – het aanvragen van een Schengen-visum voor verblijf bij familie, waar nodig, via alternatieve routes mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 6.
Onderzoek naar nut van mondkapjes |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op de stelling dat het Noorse onderzoek waar het Outbreak Management Team (OMT) zich op baseert deels achterhaald is?1
Het OMT baseert zijn adviezen op de verschillende (wetenschappelijke) inzichten. Het betreffende Noorse onderzoek is betrokken bij het recente OMT-advies d.d. 28 juli. Dit onderzoek doet geen afbreuk aan de constatering dat er op dit moment een gebrek is aan eenduidig bewijs dat het verplicht gebruik van mondneuskapjes in de publieke ruimte een positief gezondheidseffect heeft.
Wat vindt u ervan dat de auteur van het onderzoek zelf stelt dat op basis van zijn studie geen conclusies over het nut van mondkapjes kunnen worden getrokken?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op een Belgische viroloog die stelt dat mondkapjes erg nuttig zijn om asymptomatische verspreiding tegen te gaan?
Het OMT herbevestigt het standpunt dat het hanteren van anderhalve meter afstand de beste maatregel is om verspreiding van het virus tegen te gaan. Mondkapjes kunnen de anderhalvemetermaatregel niet vervangen. Er is op dit moment een gebrek aan eenduidig bewijs dat het verplicht gebruik van mondneuskapjes in de publieke ruimte een positief gezondheidseffect heeft. Over de gedragseffecten van mondkapjes heeft het OMT aangegeven dat een mondkapjesplicht mogelijk een gedragsfunctie kunnen hebben bij het ondersteunen van het handhaven van de anderhalve meter, maar ook dat de zorgen over toenemend onvoorzichtig gedrag niet kunnen worden weggenomen. Elk gebruik van mondkapjes vergt voorlichting en training. Er zijn geen empirische onderzoeksgegevens beschikbaar die betrekking hebben op gedrag van mensen tijdens een uitbraak/crisis. De experimenten die op 5 augustus gestart zijn in Amsterdam en Rotterdam kunnen bijdragen aan meer kennis over de gedragseffecten van het toepassen van mondkapjes in de praktijk.
Waarom wordt het nut van mondkapjes in het openbaar vervoer wel ingezien, maar vooralsnog niet op andere plekken, terwijl lang niet overal anderhalve meter afstand kan worden gehouden?
Het handhaven van de anderhalve meter regel blijft de beste maatregel om verspreiding van het virus tegen te gaan. In het openbaar vervoer is het praktisch onmogelijk om anderhalve meter afstand te bewaren. Het kabinet heeft daarom eerder de afweging gemaakt om daar waar anderhalve meter afstand houden echt niet mogelijk is en geen triage kan plaatsvinden, mondkapjes kunnen worden ingezet, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei. In de publieke ruimte is het (beter) mogelijk om anderhalve meter afstand te bewaren. Op veel plekken gaat dat goed. We zien ook dat niet alle mensen zich aan de afspraak houden en dat het op bepaalde plekken erg druk is en soms te druk om de anderhalve meter na te leven. Daarom geven we veiligheidsregio’s de ruimte om te experimenten door nieuwe lokale maatregelen te treffen op specifieke locaties ten behoeve van gedragsbeïnvloeding. Een mondkapjesplicht in een bepaald gebied is daar een voorbeeld van. In Amsterdam en Rotterdam zijn experimenten hiermee gestart op 5 augustus. De gedragsunit van het RIVM is betrokken bij deze experimenten.
Wat vindt u ervan dat het OMT het onderzoek van de Gedragsunit van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), dat stelt dat het dragen van een mondkapje er juist toe leidt dat andere mensen meer afstand houden en dat er geen bewijs is dat mensen met een mondkapje zelf minder fysieke afstand van anderen houden, «artificieel» noemt met een «geringe bewijskracht»?3
Met artificieel wordt bedoeld dat de gegevens niet in de reële praktijksetting zijn verzameld. Dit betekent dat we niet weten of mensen hetzelfde gedrag vertonen in de reële situatie: in de publieke ruimte, in grotere groepen, in de situatie dat mondkapjes «gewend» zijn en in de situatie van een daadwerkelijke uitbraak van een virus. Deze notie acht ik relevant.
Waarom doet datzelfde OMT nog steeds een beroep op het argument van schijnveiligheid, terwijl er geen wetenschappelijke basis is voor deze claim en dit in de zorg juist tot gevaarlijke situaties heeft geleid?4
Het OMT geeft aan dat dat de zorgen over het risico op schijnveiligheid niet zijn weggenomen. Het is dus extra belangrijk om ons met elkaar te blijven houden aan de afspraak over anderhalve meter. In situaties waar dit niet kan, kunnen mondkapjes een functie hebben in het tegengaan van verspreiding van het virus. Overigens moeten we wel een onderscheid maken tussen niet-medische mondkapjes buiten de zorg en de medische mondkapjes in de zorg. Ten slotte vraag ik aandacht voor het juist gebruik van mondkapjes. Men ziet – ook in omringende landen – dat verkeerd gebruik van mondkapjes veel voorkomt.
Kunt u reageren op de brief van vijf experts van 22 juli jl., waarin wordt gesteld dat er voldoende bewijs is voor de beschermende werking van mondkapjes?5
Het OMT herbevestigt het standpunt dat het hanteren van anderhalve meter afstand de beste maatregel is om verspreiding van het virus tegen te gaan. Mondkapjes kunnen de anderhalvemeternorm niet vervangen. Er is op dit moment een gebrek aan eenduidig bewijs dat het verplicht gebruik van mondneuskapjes in de publieke ruimte een positief gezondheidseffect heeft. Over de gedragseffecten van mondkapjes heeft het OMT aangegeven dat een mondkapjesplicht mogelijk een gedragsfunctie kunnen hebben bij het ondersteunen van het handhaven van de anderhalve meter, maar ook dat de zorgen over toenemend onvoorzichtig gedrag niet kunnen worden weggenomen. Elk gebruik van mondkapjes vergt voorlichting en training. Er zijn geen empirische onderzoeksgegevens beschikbaar die betrekking hebben op gedrag van mensen tijdens een uitbraak/crisis. De experimenten die op 5 augustus gestart zijn in Amsterdam en Rotterdam kunnen bijdragen aan meer kennis over de gedragseffecten van het toepassen van mondkapjes in de praktijk.
Wat vindt u ervan dat de Wereldgezondheidsorganisatie en veel andere landen van mening zijn veranderd over het nut van mondkapjes? Kunt u toelichten waar dit voortschrijdend inzicht vandaan kwam?
Het OMT betrekt in de verschillende adviezen ook de inzichten van de WHO en individuele landen. Wereldwijd deelt men de opvatting dat het houden van afstand de kern is van het tegengaan van verspreiding van het virus. Daarnaast hanteren landen aanvullend beleid om verspreiding van het virus tegen te gaan. Ook daar zien we vaak een situatie-specifieke en regionale aanpak, waaronder de inzet van mondkapjes(plicht). Deze maatregelen zijn vaak gericht op gedragsbeïnvloeding (zoals bij crowdmanagement). Er zijn op dit moment geen empirische studies bekend die een aantoonbaar effect op gezondheid en tegengaan van verspreiding van het virus aantonen.
In hoeverre horen mondkapjes bij een indamstrategie volgens u? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kern van de aanpak is blijf thuis bij klachten, laat je testen, werk zoveel mogelijk thuis, ga weg als het druk is en het hanteer anderhalve meter afstand. Een mondkapjesplicht past hierbij in specifieke situaties dat de anderhalve meter niet gehanteerd kan worden en er geen triage kan plaatsvinden. In Amsterdam en Rotterdam hebben de voorzitters van de veiligheidsregio’s de ruimte gekregen om – gegeven de epidemiologische ontwikkelingen en de problemen met de handhaving van de anderhalve meter – om op bepaalde plekken (tijdelijk) een mondkapjesplicht in te voeren. Daarmee beogen zij mensen te bewegen tot beter gedrag en daarmee verdere verspreiding van het virus tegen te gaan.
Kunt u reageren op de constatering dat experimenteren met mondkapjes, zoals nu wordt gedaan, tegen de Grondwet ingaat en er een parlementaire wet nodig is voor een mondkapjesplicht?6
De voorzitters van de Veiligheidsregio’s krijgen de ruimte om binnen hun bevoegdheid lokaal maatwerk te leveren om zo brandhaarden en knelpunten gericht aan te pakken. Gelet op de uitzonderlijke situatie waarin we ons bevinden is geaccepteerd dat deze maatregel via noodverordeningen mogelijk is. Het kabinet heeft met het oog op de toekomst het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19 ingediend.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus van 12 augustus?
Ja.
De aanvullende maatregelen om het coronavirus te bestrijden |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u een overzicht bieden van de precieze maatregelen waar lokale overheden over beschikken om het coronavirus te bestrijden en daarbij aangeven wanneer deze mogen worden genomen?
De voorzitters van de veiligheidsregio’s kunnen op grond van artikel 39 Wet veiligheidsregio's en artikel 6 lid 4 Wet publieke gezondheid maatregelen treffen ten behoeve van de crisisbeheersing. Het gaat dan bijvoorbeeld om het sluiten van een locatie of het beëindigen of beperken van voorzieningen voor vervoer (in overleg met de vervoerder). Andere mogelijkheden zijn het verbinden van voorwaarden aan samenkomsten, zoals een verdere beperking van de groepsgrootte of openingstijden aanpassen of aan (categorieën van) inrichtingen, gebieden en locaties extra voorschriften stellen.
Lokale maatregelen moeten passend, noodzakelijk en proportioneel zijn ten behoeve van de bestrijding van COVID-19 en er mag geen sprake zijn van doorkruising van het rijksbeleid. De mogelijkheid om extra maatregelen te nemen past bij de lokale afweging die nodig is, omdat er grote verschillen bestaan tussen regio's in Nederland.
Kunt u verduidelijken vanaf welk aantal besmettingen de mondkapjesplicht zal worden heroverwogen, nu het Outbreak Management Team (OMT) aangeeft dat een dergelijke heroverweging mogelijk is? Waarom wordt dit mogelijk pas later heroverwogen in plaats van dit middel in te zetten om het aantal besmettingen laag te houden?
Het OMT herbevestigt nu het standpunt dat het hanteren van anderhalve meter afstand de beste maatregel is om verspreiding van het virus tegen te gaan. Mondkapjes kunnen de anderhalve meter afstandsregel niet vervangen. Er is op dit moment een gebrek aan eenduidig bewijs dat het verplicht gebruik van mondneuskapjes in de publieke ruimte een positief gezondheidseffect heeft. Er zijn geen empirische onderzoeksgegevens beschikbaar die betrekking hebben op gedrag van mensen tijdens een uitbraak/crisis. De experimenten die op 5 augustus zijn gestart in Amsterdam en Rotterdam kunnen bijdragen aan meer kennis over de gedragseffecten van het toepassen van mondkapjes in de praktijk.
Het OMT betrekt in haar advies wetenschappelijke inzichten en de epidemiologische aspecten en cijfermatige ontwikkelingen van het virus. Er wordt gekeken naar het aantal besmettingen, de reproductie en de (mogelijke) bron van de besmetting. Als zich daarin grote wijzigingen voordoen, zoals bijvoorbeeld een enorme stijging van vermoedelijke besmettingen in de publieke ruimte, kan dat aanleiding zijn om mogelijke maatregelen – zoals een mondkapjesplicht – te heroverwegen. Nieuwe (wetenschappelijke) resultaten en data en bijvoorbeeld ervaringen uit de genoemde experimenten kunnen ook betrokken worden in het advies van het OMT en de opvolging daarvan.
Hoe wordt voorkomen dat er een lappendeken aan onduidelijke lokale regels ontstaat waardoor het nog lastiger wordt voor mensen deze te begrijpen en eraan te voldoen? Hoe wordt de communicatiestrategie hierop aangepast?
Lokale maatregelen die betrekking hebben op algemene regels die burgers moeten naleven zullen beperkt zijn. Andere lokale maatregelen, zoals het aanpassen van openingstijden van horeca behoren reeds tot de bevoegdheid van een lokale bestuurder. In de landelijke communicatie wordt gewezen op de mogelijkheid dat lokaal de mogelijkheid bestaat om aanvullende maatregelen te treffen. Het is aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s om de lokale communicatie aan te passen op de geldende maatregelen in hun regio. Het feit dat regionale maatregelen worden getroffen die passen bij de besmettingsgraad in de regio, kan juist bijdragen aan het begrip en daarom aan het draagvlak voor de maatregelen.
Hoe wordt er gemonitord welke maatregelen worden genomen door welke gemeenten? Hoe is de inspraak van het Rijk hierbij geregeld?
Lokale maatregelen die betrekking hebben op individuele gevallen, zoals de sluiting van een horecagelegenheid, worden niet gemonitord. Maatregelen die een bredere impact hebben dan alleen de eigen regio’s zullen afgestemd moeten worden met de voorzitter(s) van de andere regio’s. Daarnaast vindt bespreking in het Veiligheidsberaad plaats. Het Rijk is hier ook aanwezig.
Wat betekent het dat in enkele weken tijd het aantal gevonden virusdeeltjes in rioolwater met een factor van tien is toegenomen?1
De initiële daling en nu een stijging van het gemiddelde aantal gevonden virusdeeltjes in rioolwater komt overeen met het afnemen en respectievelijk oplopen van het aantal besmettingen in Nederland. Dit geeft aan dat de detectie van virusdeeltjes in rioolwater representatief is voor de circulatie van het virus in de populatie en een overeenkomstig beeld geeft met de andere surveillance cijfers. Voor het huidige onderzoek kan geen signaalwaarde worden opgesteld.
Vanaf 20 juli heeft het RIVM het aantal rioolwaterzuiveringsinstallaties voor het nemen van monsters met ongeveer 50 uitgebreid naar 80. De resultaten van de opgeschaalde monitoring kunnen vanaf 18 augustus op het dashboard geplaatst worden. Omdat dan ook gerapporteerd wordt op regionaal niveau zullen landelijke verschillen beter in kaart gebracht worden en is de verwachting dat resultaten beter geduid kunnen worden. Het streven is om vanaf september rioolwater monsters van alle (>300) rioolwaterzuiveringsinstallaties te onderzoeken op de aanwezigheid van het nieuwe coronavirus.
Wat is de signaalwaarde voor het rioolwater waarbij extra maatregelen zullen worden getroffen om het virus beter in te dammen?
Zie antwoord vraag 5.
Per wanneer wordt voldaan aan de capaciteit van testen en bron- en contactonderzoek van 70.000 per dag die volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het najaar nodig zal zijn?2 Hoeveel extra mensen moet de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) werven om aan deze vraag te kunnen voldoen?
Voor het najaar bereiden we ons voor op een capaciteit van 70.000 testen per dag. Voor de mate van uitbreiding van de capaciteit van bron- en contactonderzoek zijn het aantal daadwerkelijke testen en de besmettingsgraad de bepalende factoren. In de lopende opschaling van de GGD’en wordt nu rekening gehouden met een maximum van 3250fte. Bestaande uit 1250fte bij de regionale GGD’en 2000fte bij de landelijke schil. Dat komt neer op 1500 bron- en contactonderzoeken per dag met een gemiddelde duur van 8uur per bco. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de afgelopen week heb ik de GGD’en gevraagd te komen tot een versnelling van het opschalingsplan en mij daarover op de kortst mogelijke termijn te informeren.
Waar wordt naar gestreefd in termen van tijd tussen het aanvragen van een test, het afnemen van de test, het communiceren van de uitslag en het aanvangen van bron- en contactonderzoek?
De GGD’en streven ernaar dat bij wie een test aanvraagt, zo snel mogelijk (binnen 24 uur) een test wordt afgenomen. Vervolgens is het streven om zo snel mogelijk (24 uur) de uitslag terug te communiceren en zo snel mogelijk na de testuitslag te starten met het bron- en contactonderzoek.
Beschikt het kabinet, het OMT of het RIVM over contingency plannen? Zo ja, kan de Kamer deze plannen vertrouwelijk inzien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen andere plannen dan in de diverse Kamerbrieven en op rijksoverheid.nl met de Kamer gedeeld zijn. Het kabinet heeft deze plannen mede gemaakt op basis van OMT-adviezen. Het RIVM heeft voor professionals, vooral die van de GGD, de LCI-richtlijn met bijlagen waarin is opgenomen welke maatregelen tegen het coronavirus kunnen worden ingezet.
Zou u deze vragen gezien de urgentie binnen een week kunnen beantwoorden?
Daar heb ik op ingezet.
De rol, taken en verantwoordelijkheden van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken |
|
Lisa Westerveld (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u de rol, taken en verantwoordelijkheden van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) omschrijven?1
De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) is in 1999 door het College van procureurs-generaal in het leven geroepen om de feiten die door de politie zijn verzameld in een opsporingsonderzoek nader te analyseren. De LEBZ is een multidisciplinair samengestelde groep deskundigen met uitgebreide wetenschappelijke kennis en expertise op het vlak van klinische psychologie, orthopedagogiek, cognitieve psychologie, rechtspsychologie, zedenrecherche en recherchepsychologie. De LEBZ is multidisciplinair samengesteld, om deskundigen met mogelijk tegenstelde visies te laten samenwerken aan een zaak en zo het risico op tunnelvisie te voorkomen. De LEBZ wordt door de officier van justitie geconsulteerd in de loop van de opsporingsfase en kan adviseren over eventueel nog te verrichten opsporingshandelingen. Tevens kan de LEBZ adviseren om over te gaan tot vervolging van de beschuldigde(n) of adviseren om een opsporingsonderzoek te beëindigen. De adviezen van de LEBZ zijn niet bindend.
Officieren van justitie waren tot in 2016 conform de Aanwijzing Opsporing en Vervolging inzake Seksueel Misbruik verplicht om de LEBZ in te schakelen ter beoordeling van bepaalde operationele zedenzaken, voordat vervolgingsbeslissingen ten aanzien van de beschuldigde werden genomen. Consultatie van de LEBZ was verplicht bij drie soorten aangiften: aangiften die aspecten vertonen van hervonden herinneringen, aangiften van seksueel misbruik gebaseerd op herinneringen van voor de derde verjaardag of aangiften met aspecten van ritueel misbruik. Daarnaast was facultatieve consultatie van de LEBZ mogelijk, bijvoorbeeld bij aangiften van seksueel misbruik dat naar voren komt tijdens conflictscheidingen. Tussen 1999 en 2016 was de inzet van de LEBZ in diverse Aanwijzingen vastgelegd en zijn de inzetcriteria enigszins gewijzigd. Sinds 2016 is de inzet van de LEBZ vastgelegd in de Politie Instructie Zeden Kinderpornografie en Kindersekstoerisme. Aanvankelijk legden officieren vrijwel alleen verplichte zaken ter beoordeling voor aan de LEBZ, maar in de loop der tijd werden ook veel facultatieve zaken voorgelegd.
Het coördinatiepunt van de LEBZ is ondergebracht bij de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie.
Klopt het dat deze expertisegroep het openbaar ministerie (OM) adviseert en onder verantwoordelijkheid valt van de nationale recherche?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de toelichtende tekst over de LEBZ op de website van de Politieacademie recent is aangepast en dat daarbij de volgende zinsnede is verwijderd: «heeft als voornaamste doel om onjuiste beschuldigingen op het gebied van seksueel misbruik te herkennen en daarmee onterecht beschuldigden te beschermen tegen vervolging»? Zo ja, waarom is deze passage van de website verwijderd? Betekent dit ook dat de rol, taken en verantwoordelijkheden van de LEBZ veranderd zijn of veranderd gaan worden?
Het klopt dat deze zin recent is aangepast. De aangehaalde zin betrof een zin uit de thesaurus van de Politieacademie en deed geen recht aan de bij antwoord 1 genoemde omschrijving. Op 17 juli jl. is deze zin op verzoek van de LEBZ verwijderd en vervangen door een zin die wel volstaat, namelijk «De LEBZ is een multidisciplinaire adviesgroep die door de officier van justitie kan worden geconsulteerd om de feiten die door de politie zijn verzameld in een zedenzaak nader te analyseren». De rol, taken en verantwoordelijkheden van de LEBZ zijn niet veranderd.
Klopt het dat er sinds het verschijnen van het onderzoeksrapport van de werkgroep Ritueel Misbruik in 1994, nooit meer grootschalig en onafhankelijk onderzoek is gedaan in Nederland naar het al dan niet bestaan van netwerken waarin seksueel misbruik met rituele kenmerken plaatsvindt?
Het klopt dat er lang geleden onderzoek is gedaan naar het bestaan van netwerken met rituele kenmerken. Echter, zijn er sinds de oprichting meer dan twintig jaar geleden, door de LEBZ 900 zaken behandeld. Daarin was er in circa 25 zedenzaken sprake van aspecten van ritueel misbruik, waarvan slechts drie in de afgelopen zeven jaar. Dit is voor mij nu geen aanleiding om een onderzoek te starten.
Zoals aangegeven door de Minister voor Rechtsbescherming in de beantwoording van de Kamervragen van de leden van de PvdA, D66 en SP op 25 mei 2020 inzake duivelsuitdrijving bij kinderen3, worden er door het Ministerie van VWS gesprekken gevoerd met de GGZ-sector om aandacht te vragen voor misbruikpraktijken binnen kerkelijke kringen.
Bent u op de hoogte van het pleidooi van mr. Hulsenbek, voormalig voorzitter van de werkgroep Ritueel Misbruik, om ruim 25 jaar na dato opnieuw een grootschalig, onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het al dan niet bestaan van ritueel misbruik2? Bent u het ook eens met dit pleidooi?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat de Duitse Nationaal Commissaris tegen Kindermisbruik, Johannes-Wilhelm Rörig, ervan overtuigd is dat ritueel, seksueel misbruik in Duitsland bestaat3? Bent u bereid met uw Duitse ambtgenoten en dhr. Rörig in gesprek te gaan over hoe zij de onderzoeken naar seksueel misbruik in den brede, en de specifieke onderzoekscommissie naar ritueel misbruik in het bijzonder, hebben opgezet?
Ik zal contact leggen om te vernemen hoe het onderzoek is opgezet. Zoals ik onder antwoord bij vraag 5 heb aangegeven zie ik vooralsnog in de Nederlandse situatie geen aanleiding een onderzoek te starten.
Het bericht ‘Vrijdaggebed van de krappe moskee naar een ruim bemeten voetbalveld’ |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vrijdaggebed van de krappe moskee naar een ruim bemeten voetbalveld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, ongeacht de situatie die is gecreëerd rond het coronavirus, openbare islamitische manifestaties niet in ons land thuishoren? Zo nee, waarom niet?
De grondrechten gelijkheid, vrijheid van spreken en vrijheid van godsdienst, gelden voor iedereen in Nederland. Deze grondrechten zijn een essentieel element van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Voor alle soorten religieuze samenkomsten gelden dan ook dezelfde regels in Nederland, er wordt geen onderscheid gemaakt naar religieuze overtuiging.
Bent u bereid om vandaag nog aan alle gemeenten duidelijk te maken dat openbare islamitische manifestaties onder geen beding doorgang mogen hebben? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie antwoord op vraag 2.
Wanneer sluit u eindelijk eens alle moskeeën?
Het oprichten van een moskee valt onder de godsdienstvrijheid, vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting. Dit zijn belangrijke grondrechten in onze samenleving waar het kabinet pal voor staat. Ter bescherming van deze
belangrijke verworven vrijheden zal de overheid nooit overgaan tot het sluiten van alle moskeeën in Nederland.
Het bericht ‘RIVM-site Infectieradar pas na zomer weer operationeel’ |
|
Antje Diertens (D66), Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht: «RIVM-site Infectieradar pas na zomer weer operationeel»?1
Ja.
Met welk softwarebedrijf wordt er samengewerkt nu de samenwerking met Formdesk is beëindigd en de website van de grond af aan opnieuw wordt opgebouwd? Zijn voor de nieuwe samenwerking verschillende partijen geconsulteerd?
Voor Infectieradar werkt het RIVM samen binnen het door de Europese Commissie gefinancierd project EpiPose. Binnen dit project wordt gewerkt aan een webapplicatie voor surveillance van infectieziekten (bijvoorbeeld griep) door het Italiaanse ISI-Foundation (Institute for Scientific Interchange) en het Duitse softwarebedrijf Coneno. De webapplicatie wordt niet van de grond af aan opnieuw opgebouwd, want het ISI-Foundation en Coneno zijn dit ontwikkeltraject al in 2018 gestart en deze wordt nu versneld afgerond binnen EpiPose.
In de vraag wordt gesuggereerd dat deze samenwerking is opgezet naar aanleiding van de beëindiging van de samenwerking met Formdesk. Dit is echter niet het geval. Tijdens de eerste live-gang van Infectieradar op 17 maart bleek de toen gebruikte software niet bestand tegen de grote toestroom en werd onveilig, er moest toen snel gezocht worden naar een andere oplossing. Er is toen besloten om Formdesk te gebruiken als tijdelijke oplossing, en tegelijk op zoek te gaan naar een permanente oplossing. Voor het vinden van deze permanente oplossing zijn gesprekken geweest met meerdere partijen. Echter, de bovenstaande samenwerking bleek de beste optie.
Na de gevonden zwakte in het vragenformulier van Formdesk is er besloten om niet meer live te gaan met deze tijdelijke oplossing, maar te wachten op de voltooiing van de permanente oplossing. Dit kan, omdat er intussen meerdere instrumenten worden gebruikt om nieuwe besmettingen in kaart te brengen.
De samenwerking tussen RIVM en Formdesk is overigens enkel beëindigd voor de infectieradar. Alle andere RIVM-onderzoeken via dit platform zijn weer hervat.
In de antwoorden op eerdere schriftelijke vragen van het lid Veldman (VVD) van 17 juli jl. heeft u aangegeven dat een vruchtbare samenwerking met de initiatiefnemers van de Grote Griepmeting niet mogelijk is gebleken zonder grote investeringen, is er naar aanleiding van het feit dat de website opnieuw wordt opgebouwd nog contact geweest met de ontwikkelaars GGM? Waarom heeft dit niet tot verdere samenwerking geleid?2
Er is niet opnieuw contact geweest met de initiatiefnemers van de Grote Griepmeting voor de ontwikkeling van deze nieuwe webapplicatie, omdat er al werd gewerkt aan de hierboven genoemde applicatie. Een eventuele samenwerking vanuit het RIVM met de initiatiefnemers van de GGM ging niet over het ontwikkelen van een website, zoals deze vraag suggereert. Toenadering is gezocht om hen in te lichten en te bezien of het RIVM voormalige deelnemers van de GGM kon benaderen voor de Infectieradar. Zo’n (eventuele) samenwerking is echter nooit verder uitgewerkt vanwege een verschil in financiële verwachtingen heel vroeg in het samenwerkingstraject.
Is u bekend dat de ontwikkelaars van de GGM in samenwerking met de Universiteit Twente eveneens werken aan een update/vernieuwing van de GGM?
Het RIVM is geïnformeerd door een vertegenwoordiger van de GGM dat er plannen waren om de GGM opnieuw op te starten in samenwerking met een universitaire partner. In het laatste gesprek van vertegenwoordigers van de GGM met de Chief Information Officer van het RIVM op 23 juni is aangegeven dat dit de Universiteit Twente was.
Kunt u aangeven uit welke middelen het ontwikkelen van Infectieradar wordt bekostigd? Wat zijn de ontwikkelingskosten tot nog toe geweest? Kunt u tevens aangeven welke investeringen er gevraagd werden bij een samenwerking met GGM?
Zoals hierboven vermeld wordt de ontwikkeling nu bekostigd vanuit het EpiPose project, gefinancierd door de Europese Commissie. De enige kosten die gemaakt zijn door het RIVM zijn kosten om de ontwikkelde software te installeren en te testen op veiligheid en functionaliteit.
Met betrekking tot de investeringen bij een samenwerking met de GGM zie antwoord op vraag 3.
Bent u voornemens samenwerking te zoeken met reeds bestaande systemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, want het RIVM werkt al samen in het door de Europese Commissie gefinancierd project EpiPose.
Kunt u aangeven wanneer de voorgenomen Infectieradar volledig betrouwbaar operationeel zal zijn?
Het RIVM geeft aan als doel te hebben om in september 2020 de voorgenomen Infectieradar operationeel te hebben, waarbij alle aspecten (technisch, informatiebeveiliging, privacy) gewaarborgd en goedgekeurd zijn binnen het RIVM en VWS.
Berichten dat mensen met overgewicht meer risico lopen bij het coronavirus |
|
Anne Kuik (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat overgewicht vaker lijkt voor te komen bij coronapatiënten die op de IC liggen?1
Ja.
Acht u het aannemelijk dat er een relatie is tussen overgewicht en de ernst van het verloop van de COVID-19 infectie?
Ja. Het Nederlands Innovatiecentrum voor Leefstijlgeneeskunde (Lifestyle4Health) en de Vereniging Arts en Leefstijl hebben namens bijna 2.000 zorgprofessionals op 19 mei een brief en notitie aangeboden waarin de relatie tussen overgewicht en de ernst van het verloop van de ziekte beschreven staat.
Lijkt het u ook aannemelijk dat als mensen een gezonder gewicht hebben en daardoor een sterker immuunsysteem hebben, het beloop van de infectie milder zal kunnen zijn?
Ja. Het is al bekend dat mensen met ernstig overgewicht en obesitas een hoger risico hebben op verschillende ziekten zoals hart- en vaatziekten, depressie en kanker. Recent onderzoek van het Erasmus MC2 leert dat mensen met ernstig overgewicht veel vaker ook een ernstig beloop van COVID-19 hebben. Er zijn aanwijzingen dat dit te maken heeft met veranderingen in het immuunsysteem (als gevolg van te veel buikvet). Hierdoor kan door het lichaam niet meer goed op binnendringende virussen worden gereageerd.
Bent u het ook met de mening eens dat nu extra inzet op een gezond gewicht altijd van waarde is en hoe dan ook voordelig zal zijn, ook in het licht van COVID-19?
Ja, hier ben ik het mee eens. Met het preventief tegengaan van overgewicht kan veel ziektelast worden voorkomen. Het door wetenschappers beschreven ongunstiger ziektebeloop van COVID-19 bij mensen met overgewicht onderstreept dit nog eens.
Het Verenigd Koninkrijk begint een gezondheidscampagne, op welke punten kan Nederland hiervan leren?
In het VK wordt een gezondheidscampagne gevoerd om mensen onder andere meer te laten bewegen, er komt een verbod op junkfoodreclame tot 21.00 uur op tv en internet, ook mag niet meer worden geadverteerd met kortingsacties voor ongezonde producten («twee halen, één betalen») en er mag geen snoep en chocolade meer bij de kassa liggen. Met name de aangekondigde acties omtrent marketing en positionering van ongezonde producten zal ik scherp volgen. De maatregelen die in het VK genomen worden zullen tevens geagendeerd worden voor de volgende bespreking met partners van de Nationaal Preventieakkoord tafel Overgewicht.
In het Nationaal Preventieakkoord heeft onder andere de supermarktbranche aangegeven te streven naar een jaarlijkse consumptiegroei van Schijf van Vijf producten. Supermarkten zullen consumenten verleiden meer producten te kopen die in de Schijf van Vijf passen. Maatregelen zoals in het VK voorgesteld kunnen zij ook inzetten om dit doel te bereiken.
Bent u het met de mening eens dat de relatie tussen ernstig overgewicht en een opname op de IC voor COVID-19 weer een wake-up call is en nu het moment is om op het gebied van sport, voeding en omgeving extra in te zetten op een campagne gezonde leefstijl?
Het onderstreep dat overgewicht niet voor niets één van de drie thema’s is in het Nationaal Preventieakkoord. Dit is bewust gekozen, omdat veel ziektelast die voortkomt uit overgewicht te voorkomen is.
In de Corona-campagne #alleensamen heeft dit kabinet er daarom voor gekozen om ook leefstijladviezen op te nemen over voldoende bewegen en gezond eten.
Welke mogelijkheden ziet u voor de landelijke overheid om juist nu een tandje bij te zetten?
Voor de zomer heb ik uw Kamer de voortgang van het Nationaal Preventieakkoord gedeeld3. Hierin wordt ook het belang beschreven om juist nu in te zetten op gezond leven, voorkomen dat mensen ziek worden en het vergroten van de weerbaarheid. In de brief heb ik reeds aangekondigd waar ik mij de komende tijd extra op wil inzetten.
Voor het deelakkoord overgewicht wil ik mij bijvoorbeeld extra inzetten op het terugdringen van kindermarketing. Ook komt er vanaf 2021 een uitvoeringsbudget beschikbaar voor gemeenten die zich met lokale Preventieakkoorden inzetten op maatregelen die overgewicht, roken en problematisch alcoholgebruik bestrijden.
Ik ben in gesprek geweest met een aantal wetenschappers over de relatie tussen leefstijlthema’s (waaronder voeding en beweging) en COVID-19. Hen heb ik de oproep gedaan mee te denken over korte én lange termijn acties die zorgen voor het verbeteren van leefstijl in het algemeen. Bevindingen en mogelijkheden die hieruit volgen zal ik met u delen.
Deelt u de mening dat, zoals in de gemeente Venray gebeurt met «het leefstijlakkoord», het preventieakoord en het sportakkoord ook op landelijk niveau hand in hand moeten gaan? Hoe wordt dit zichtbaar?2
Er is veel samenhang tussen de ambities uit het Nationaal Sportakkoord en het Nationaal Preventieakkoord. Ik vind het belangrijk om zowel op landelijk als op lokaal niveau beide akkoorden aan elkaar te verbinden. Dit wordt al op verschillende manieren gestimuleerd.
Zo worden gemeenten actief gewezen op de mogelijkheid om verbinding te maken tussen het Sport- en Preventieakkoord. Op de website van de VNG is een leidraad lokaal Preventieakkoord opgenomen waarin de meerwaarde van het combineren van beide akkoorden wordt benadrukt.
In lijn met de lokale Sportakkoorden is daarnaast besloten om voor de lokale en regionale Preventieakkoorden ook een uitvoeringsbudget aan gemeenten aan te bieden. Op deze wijze ontstaat er een eenduidige werkwijze waarbij gemeenten budget voor de uitvoering van Sport- en Preventieakkoorden kunnen aanvragen. De gemeenten die een Sport- en Preventieakkoord met elkaar combineren in één akkoord, komen in aanmerking voor beide budgetten. Dit kan voor gemeenten een stimulans zijn om de akkoorden met elkaar te verbinden.
Daarnaast monitort de VNG bij welke gemeenten al sprake is van synergie tussen beide akkoorden. De voorbeelden van deze gemeenten, waaronder de gemeente Venray, zijn bedoeld om anderen gemeenten te inspireren en te laten zien op welke wijze zij vanuit een bestaande beweging (bijvoorbeeld het Sportakkoord) tot een volgende stap in het gezondheidsbeleid kunnen komen. Het Sportakkoord kan daarmee als vehikel dienen om de bestaande beweging – waarbij al actief met partners op het terrein van gezondheid wordt samen gewerkt – te versterken en uit te breiden naar andere preventie- en gezondheidsthema’s, waaronder de ambities uit het Nationaal preventieakkoord. Op de volgende websites staan voorbeelden van gemeenten die al de verbinding maken tussen het sportakkoord en het preventieakkoord: www.vng.nl/lokalepreventieakkoorden, www.sportakkoord.nl en www.allesoversport.nl.
Parallel hieraan is er door een aantal prominenten uit de sport- en beweegsector de oproep gedaan om sporten en bewegen meer te integreren in ons dagelijkse leven ten behoeve van een vitale samenleving. Als reactie hierop heb ik 7 juli samen met de toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport Van Rijn en samen met mijn collega´s van OCW, SZW, BZK en I&W gesproken met twee van de initiatiefnemers, Joop Alberda en Erik Scherder. We geven gehoor aan hun oproep om samen met andere sectoren (waaronder de sportsector) te werken aan het vraagstuk om mensen meer te laten bewegen. Om te komen tot een visie en routekaart wordt door VWS het initiatief genomen voor het vormen van een werkgroep, waarin verschillende departementen, de sportsector en de wetenschap zijn vertegenwoordigd.
Hoe kunt u zorgen dat goede voorbeelden zoals in Venray met het leefstijlakkoord waarbij bijvoorbeeld alle supermarkten verbonden zijn, of zoals de inzet in Rotterdam om de aanwezigheid van fastfood uit het straatbeeld terug te dringen breder worden gestimuleerd? Welke doelstelling stelt u hierbij?3
Om gemeenten te stimuleren te komen tot en te ondersteunen bij de totstandkoming van een lokaal preventieakkoord is op 1 juli 2019 het ondersteuningsprogramma van de VNG gestart. Door dit programma kunnen gemeenten gebruik maken van begeleiding. Op de website van de VNG worden good practices gedeeld van, zoals de gemeente Venray en Rotterdam, zodat ook andere gemeenten van deze voorbeelden kunnen leren.
Daarnaast start het RIVM na de zomer op mijn verzoek met een evaluatie om meer inzicht te verkrijgen in de lokale en regionale preventieakkoorden. De werkzame elementen en lessons learned worden gedeeld met andere gemeenten en regio’s in het land die mogelijk tegen dezelfde uitdagingen aan lopen. Ook organiseer ik (in samenwerking met o.a. de VNG en Alles is Gezondheid) verschillende online uitwisselingsbijeenkomsten en webinars voor gemeenten met als belangrijkste doel inspiratie en het uitwisselen van kennis en ervaringen.
Bovengenoemde voorbeelden beogen steeds hetzelfde doel: het inspireren van gemeenten en het uitwisselen van ervaringen, kennis en goede voorbeelden zodat gemeenten van elkaar kunnen leren bij de ontwikkeling én uitvoering van een lokaal of regionaal preventieakkoord.
Het verbieden van intimidatie van vrouwen buiten abortusklinieken |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «gemeente mag posten bij abortuskliniek verbieden»?1
Ja
Deelt u de mening dat het rechterlijke oordeel waarmee het intimideren van vrouwen buiten abortusklinieken wordt geclassificeerd als een wanordelijkheid en niet langer valt binnen het demonstratierecht, betekent dat alle gemeenten dergelijke bufferzones moeten instellen? Zo nee, waarom niet?
In mijn eerdere commissiebrief en beantwoording van Kamervragen gaf ik al aan dat het op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) primair aan gemeenten (de burgemeester) is om demonstraties bij abortusklinieken in goede banen te leiden.2 , 3 , 4 , 5 Tot dusverre hebben gemeenten waar abortusklinieken zijn gevestigd steeds aangegeven dat zij over genoeg bevoegdheden beschikken om de demonstraties in goede banen te leiden.
Anti-abortus acties bij abortusklinieken in het hele land kunnen juridisch gezien niet allemaal op één lijn worden gesteld. Of maatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn, is afhankelijk van alle relevante feiten en (plaatselijke) omstandigheden, en daarmee een beoordeling die alleen lokaal door de burgemeester kan worden gemaakt. De uitkomst van die afweging kan per geval verschillen. In dit concrete geval heeft de gemeente Heemstede beperkingen opgelegd en is zij door de voorzieningenrechter in het gelijk gesteld. Het oordeel van een voorzieningenrechter heeft overigens een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het is niet aan mij om (verdere) consequenties te verbinden aan de uitspraak van de voorzieningenrechter of om gemeenten op te dragen beperkingen mee te geven aan een anti-abortus acties, zoals het op afstand van de kliniek plaatsen.
Bent u bereid wederom in contact te treden met de relevante gemeenten om te bespreken hoe zij zo snel mogelijk bufferzones gaan creëren aangezien dit rechterlijke precedent de situatie heeft veranderd? Zo ja, binnen welk tijdspad wordt dit gedaan?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gemeld, ben ik over de situatie bij abortusklinieken en de actuele ontwikkelingen op dat terrein op regelmatige basis in gesprek met gemeenten en abortusklinieken. De uitspraak van de voorzieningenrechter is in dat kader ook gedeeld. Ik ben van mening dat gemeenten genoeg mogelijkheden hebben om maatregelen te treffen indien de lokale situatie dat vraagt. Dit is ook wat ik hoor van de gemeenten zelf en wat de ontwikkelingen in de gemeente Heemstede laten zien.
Bent u van mening dat deze uitspraak van de rechters u een handvat biedt om op nationaal niveau een einde te maken aan het intimideren van vrouwen buiten abortusklinieken?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Wilt u zich hierbij uitspreken over de noodzaak bij elke abortuskliniek per direct een bufferzone te creëren, zodat vrouwen ongestoord de keuze kunnen maken die voor hen het beste is?
Vrouwen moeten in alle vrijheid een zwangerschapsafbreking kunnen overwegen en toegang hebben tot abortuszorg. In mijn eerdere antwoorden op Kamervragen en commissieverzoeken over anti-abortus demonstraties bij abortusklinieken heb ik aangegeven het zeer kwalijk te vinden als vrouwen die op het punt staan een abortuskliniek te bezoeken worden lastiggevallen 6 , 7 , 8. Het is echter aan de burgemeester om anti-abortus acties in goede banen te leiden.
De uitzending van Zembla over Apotex |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de uitzending van Zembla over Apotex?1
Ik ben bekend met de aflevering waar u naar refereert.
Klopt het dat deze geneesmiddelenfabriek in Leiden, die door het Indiase bedrijf Aurobindo recentelijk is overgenomen, nu gesloten wordt? Zo ja, wanneer bent u voor de eerste keer geïnformeerd dat dit ging gebeuren?
Zoals ook recent aan uw Kamer is geschreven2 verwacht ik dat Innogenerics de productielocatie in Leiden zal overnemen, waarmee Apotex in Nederlandse handen komt. Om de doorstart van Apotex mogelijk te helpen maken is de Staat bereid een lening van 6,7 miljoen euro te verstrekken en heeft hiertoe een intentieovereenkomst getekend met Innogenerics.
Stond Apotex bij de betrokken ministeries en/of betrokken instellingen bekend als «van vitaal belang»?
Het Ministerie van VWS houdt geen lijst bij van Nederlandse geneesmiddelen fabrieken die van «vitaal belang» zijn, zoals u dat noemt. Wij laten ons wel inlichten over de productie- en leveringsketens van producten en medicijnen en mogelijke gevoeligheden in deze ketens.
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen bewindspersonen en de top van Apotex voordat deze verkocht is aan Aurobindo? Zo ja, wanneer?
In de periode van de verkoop van de Leidse vestiging van Apotex aan Aurobindo hebben er geen overleggen tussen Apotex en bewindspersonen van VWS en EZK plaatsgevonden.
Welke overwegingen hebben er gespeeld bij de eigenaren van Apotex om dit bedrijf te verkopen aan een buitenlandse partij?
Apotex Inc is een Canadees bedrijf. Apotex Nederland was een Nederlandse vesting die onder het Canadese moederbedrijf opereerde. Apotex Nederland, gevestigd in Leiden is door Aurobindo in 2018 overgenomen.
Voor de overwegingen van de eigenaren van Apotex om dit bedrijf te verkopen verwijs ik u graag naar Apotex Inc., ik heb daar geen inzicht in.
Voor de goede orde wijs ik er dus op dat deze productielocatie al enige tijd in «buitenlandse» handen was.
Herinnert u zich nog het actieplan van het CDA (aangeboden aan de Minister op 7 februari 2019) om meer geneesmiddelen in Nederland dan wel Europa te produceren omdat de afhankelijkheid van China en India nu te groot is geworden?
Ja, ik herinner mij dit actieplan.
Klopt het dat u ook zelf in Europa gepleit heeft, ook al voor de coronatijd, om meer productie van geneesmiddelen in Nederland, dan wel Europa te realiseren? Zo, ja op welke momenten heeft dit plaatsgevonden en tot welke concrete acties heeft dit geleid?
Het klopt dat mijn voorgangers, Minister Bruins en Minister Schippers, zich al voor de coronacrisis sterk hebben gemaakt voor de aanpak van onze afhankelijkheid en de tekorten van geneesmiddelen en hier in meerdere nationale en internationale bijeenkomsten, formeel en informeel, over hebben gesproken. Mede door Nederlandse inzet is het onderwerp breed op de Europese agenda komen te staan. Minister Bruins heeft dit onderwerp besproken met de Eurocommissaris mw Kyriakides in december 2019 en Nederland heeft zich in de Gezondheidsraad van december 2019 hard gemaakt om in Europees verband oplossingen te bedenken om deze kwetsbaarheden in de mondiale productieketen te verminderen en zo het risico op geneesmiddelentekorten te verkleinen. We kijken hierbij ook naar productiemogelijkheden in Europa. Het onderzoeken van de mogelijkheden van productie in Europa (en/of Nederland) is een van de manieren waarop gewerkt wordt aan de beschikbaarheid van geneesmiddelen. De Raad heeft in december 2019 opgeroepen om tot een EU geneesmiddelenagenda te komen. Ook afgelopen informele Gezondheidsraad van 16 juli jl. stond leveringszekerheid van geneesmiddelen op de EU agenda. De urgentie van het onderwerp wordt breed gedeeld door EU lidstaten en ook de Europese Commissie en is een prioriteit van het Duitse Voorzitterschap van de Raad. Ook de komende tijd blijft mijn aandacht uitgaan naar het verminderen van de afhankelijkheid van andere landen en daarmee het borgen van de leveringszekerheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen om zo voorbereid te zijn op een volgende pandemie, zowel nationaal als internationaal.
De Europese Commissie heeft recent een roadmap voor een EU geneesmiddelenstrategie gepubliceerd en werkt momenteel aan een geneesmiddelenstrategie voor de lange termijn. Ik ben hierover nauw in gesprek met de Europese Commissie en andere EU lidstaten.
Klopt het dat deze visie intussen breed gedeeld is binnen de Europese Unie? Zo ja, welke status heeft deze visie en/of tot welke concrete beleidswijzigingen heeft dit geleid?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat het u recentelijk besloten heeft het vaccin-instituut Intravacc niet te verkopen?
Als gevolg van de Coronacrisis is de privatisering dit voorjaar on hold gezet. Zodra er meer bekend is, wordt de Kamer geïnformeerd. Ik verwacht u in het najaar 2020 hier nader over te kunnen informeren.
Klopt het dat het kabinet recentelijk 20 miljoen euro heeft geïnvesteerd in het bedrijf Photonics vanuit strategische overwegingen?
Om te waarborgen dat dit bedrijf en het ecosysteem voor geïntegreerde fotonica behouden blijft voor Nederland, heeft de Staatssecretaris van Economische zaken en Klimaat besloten om – naast bijdragen van diverse andere partijen – een bedrag van 20 miljoen euro als lening beschikbaar te stellen om in de financieringsbehoefte van Smart Photonics te voorzien. Het kabinet investeert niet rechtstreeks in dit bedrijf maar deze bijdrage wordt gedaan vanuit middelen die door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat beschikbaar zijn gesteld aan de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij. De Staatssecretaris heeft uw Kamer over deze transactie geïnformeerd in de brief van 29 juni 2020.3
Klopt het dat het u bezig bent met wetgeving om in te kunnen grijpen in overdrachten indien er risico’s zijn voor de nationale veiligheid?2
Zoals aangekondigd in de brief Tegengaan statelijke dreigingen (Kamerstuk 30 281, nr. 72) en uitgewerkt in de brief Investeringstoets op risico’s voor de nationale veiligheid(Kamerstuk 30 821, nr. 97) werkt het kabinet momenteel aan een uitbreiding van het huidige investeringsscreeningsmechanisme. Momenteel kent Nederland al verschillende investeringstoetsen die zijn ingebed in sectorale wetgeving. Het gaat hierbij om wetgeving in het energiedomein en de telecommunicatie. Hiermee is het beoogde stelsel van investeringstoetsing al gedeeltelijk in werking. Aanvullend daarop werkt het kabinet momenteel ook aan een brede investeringstoets op risico’s voor de nationale veiligheid.
Deelt u de mening dat afhankelijk zijn van medicijnproductie buiten Europa een strategisch risico is voor de veiligheid van Nederland?
Minister van Rijn is in een brief aan Uw kamer op 30 juni 2020 (kamerstuk, vergaderjaar 2019–2020, 25 295, nr. 454) ingegaan hoe de coronacrisis een aantal kwetsbaarheden op het vlak van beschikbaarheid van medische producten aan het licht heeft gebracht. Kwetsbaarheden die de continuïteit van zorg in gevaar kunnen brengen. De crisis laat zien dat het van belang is dat we op het gebied van medische producten minder afhankelijk worden van andere landen of van individuele (mondiale) leveranciers. Het versterken en uitbreiden van de productie in ons land en Europa is echter geen doel op zich. Het doel blijft immers voldoende beschikbaarheid van geneesmiddelen, vaccins en beschermingsmateriaal, zodat de Nederlandse patiënt de zorg kan ontvangen die nodig is tegen aanvaardbare kosten. Leveringszekerheid staat hierbij centraal.
Leveringszekerheid kunnen we deels bereiken door het versterken van de nationale en Europese productie, maar bijvoorbeeld ook door diversificatie van waardeketens of het aanleggen van (ijzeren) voorraden. Hierbij is het van belang om niet alleen naar de productie van eindproducten te kijken, maar ook naar benodigde grondstoffen of halffabricaten.
Ik ben in overleg met sectoren en deskundigen om te bespreken wat een goede aanpak is om hierin verder te gaan. De onderwerpen benoemd in de aangenomen moties worden hierin meegenomen.
Bent u bereid te realiseren dat Apotex niet gesloten wordt en weer in Nederlandse c.q. Europese handen komt? Welke mogelijkheden ziet u om de verkoop eventueel terug te draaien?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de (internationale) waarde- en productieketens van vitale medicijnen voor Nederland op korte termijn in kaart te brengen?
Inzicht verkrijgen in de complexiteit van toeleveringsketens wereldwijd en de positie van Nederland daarin heeft mijn aandacht. Momenteel werk ik samen met de Europese Commissie en mijn EU collega’s om meer inzicht te krijgen in internationale waardeketens van geneesmiddelen en specifiek voor de nodige werkzame stoffen (de Active Pharmaceutical Ingredients). Relevant is ook de oproep van de Europese Raad van 1 en 2 oktober jl. aan de Europese Commissie om de strategische afhankelijkheden van onder andere de gezondheidszorg, in kaart te brengen en maatregelen voor te stellen om deze afhankelijkheden te verminderen. Ik kijk hierbij niet naar een lijst van specifieke geneesmiddelen, maar naar geneesmiddelen breed.
Hoe geeft u invulling aan de uitvoering van de motie-Heerma c.s.?3 Hoe wordt hier de vitale medicijn maakindustrie in meegenomen?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe geeft u in dit verband uitvoering aan de unaniem aangenomen motie-Van den Berg c.s.?4
Zie antwoord vraag 12.
De oproep tot een mondkapjesplicht |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de oproep om onderzoek te doen naar het nut van een mondkapjesplicht?1
Ja, hier heb ik kennis van genomen.
Deelt u de mening van de betrokken burgemeesters dat, ondanks het feit dat het beleid is gebaseerd op afstand houden, het nut van mondkapjes opnieuw moet worden bekeken omdat het gedrag van mensen begint te veranderen?
Bent u van mening dat de resultaten van het nieuwe onderzoek van de Universiteit Utrecht reden is om opnieuw de noodzaak van het dragen van mondkapjes te laten wegen door het Outbreak Management Team (OMT)? Zo nee, waarom niet?2
Zie mijn antwoord bij vraag 2.
Vindt u dat het aangescherpte beleid omtrent het dragen van mondkapjes in bijvoorbeeld België en Frankrijk legitimiteit geeft aan het heroverwegen van Nederlands beleid om verwarring en onduidelijkheid te voorkomen?
Zie mijn antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid het OMT te vragen bij een dergelijke heroverweging van nut en noodzaak van mondkapjes tevens de verdeling van mondkapjes in verpleeghuizen te betrekken, waarbij wordt uitgegaan van gezondheidsvoordelen in plaats van het principe van schaarste? Zo nee, waarom niet?
Mijn vraag aan het OMT is gericht op de toegevoegde waarde van een niet-medische mondkapjesplicht in bepaalde situaties en op bepaalde plekken vanuit het gezondheidsperspectief. Bij deze vraagstelling is schaarste niet relevant.
Intensivecare-verpleegkundigen (ic) naar aanleiding van het artikel in de Gelderlander van 18 juli 2020: ‘Ruim 10 procent ic-verpleegkundigen Radboudumc Nijmegen vertrekt’ |
|
Kelly Regterschot (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ruim 10 procent ic-verpleegkundigen Radboudumc Nijmegen vertrekt»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Is de relatief hoge uitstroom van (ic-)verpleegkundigen uit het Radboud MC een uitzondering of zijn de cijfers vergelijkbaar met andere regio’s in Nederland? In hoeverre wijken deze uitstroomcijfers af van de trend dat de uitstroom voorzichtig begon te dalen, zoals de Commissie Werken in de Zorg eind 2019 rapporteerde?2
Op basis van het Capaciteitsplan FZO 2018 van het Capaciteitsorgaan kan geconcludeerd worden dat een uitstroom van 10% (10% verlaat zijn/haar werkgever) vrij normaal is onder gespecialiseerde verpleegkundigen en dat dit een landelijk beeld is. Dit wil echter niet zeggen dat elke verpleegkundige die bij zijn/haar werkgever vertrekt ook het beroep verlaat. In de uitstroom in het Capaciteitsplan FZO 2018 worden namelijk ook verpleegkundigen meegerekend die in hetzelfde beroep aan de slag gaan bij een andere zorginstelling. Daarnaast bestaat de beroepsgroep van gespecialiseerde verpleegkundige uit een grote groep van 60 jaar of ouder, zo’n 9 à 10% van de beroepsgroep. Een deel zal dus ook uitstroom zijn als gevolg van pensionering.
De uitstroomcijfers waarover wij u informeerden met de Voortgangsrapportage Werken in de Zorg van 20 december 20193 hebben niet alleen betrekking op gespecialiseerd verpleegkundigen maar op alle werknemers uit de sectoren zorg en welzijn die gaan werken in een andere sector en mensen die niet meer actief zijn als werknemer (door o.a. pensioen, uitkering, zelfstandige). Werknemers die van werkgever wisselen en aan de slag gaan bij een andere zorg- of welzijnsinstelling worden niet gerekend tot deze uitstroom; zij blijven immers behouden voor de sector zorg en welzijn. Daarmee zijn de uitstroomcijfers uit onze voortgangsrapportage – die we inderdaad in de eerste twee kwartalen van 2019 voorzichtig zagen afnemen – niet vergelijkbaar met de cijfers die genoemd worden in het artikel.
Kunt u een overzicht geven van de verwachte uitstroom van verpleegkundigen in 2020–2025 in Nederland, uitgesplitst naar niveau en specialisatie?
Hiervoor verwijs ik u graag naar het Capaciteitsplan FZO 2018 van het Capaciteitsorgaan dat ik uw Kamer in november 2018 heb toegestuurd (kamerstuk 29 282, nr. 341).
Deelt u de mening dat werkgevers in de zorg een grote rol spelen in de aantrekkingskracht van het werken als verpleegkundige? Wat verwacht u van deze werkgevers als het gaat om behoud, opleiding en specialisatie van verpleegkundigen? Wat zijn voor u de belangrijkste onderdelen van de invulling van goed werkgeverschap waar nu concreet aandacht naar uit moet gaan, om een nog hogere uitstroom tegen te gaan?
Ja, ik deel de mening dat werkgevers een grote rol spelen in de aantrekkingskracht van het werken in de zorg. Dat geldt voor alle professionals die werken in de zorg en dus ook voor verpleegkundigen.
Goed werkgeverschap is essentieel voor het behoud van zorgprofessionals. Hierbij gaat het in essentie om oog voor de wensen en het welzijn van de werknemer en een goede dialoog tussen werkgever en werknemer over hoe dit ingevuld moet worden. Daar zien we in de regio’s en binnen zorgorganisaties nog wel de nodige verbeterpunten.
Het landelijke uitstroomonderzoek van RegioPlus laat zien dat de meest voorkomende vertrekredenen te maken hebben met loopbaanmogelijkheden, uitdaging in werkzaamheden, manier van werken en aansturing. Ik verwacht van werkgevers dat ze in samenspraak met werknemers hiermee aan de slag gaan om concrete activiteiten te ontplooien die gericht zijn op goed werkgeverschap. Denk bijvoorbeeld aan het organiseren van een strategische personeelsplanning, bieden van voldoende loopbaanperspectief, actief beleid om nieuwe mensen binnen te houden (onboarding) en om -wie wil- meer uren aan te bieden, tegengaan van regeldruk en het verminderen van psychosociale arbeidsbelasting zoals werkdruk en agressie.
Ik ondersteun werkgevers daar graag in. Goed werkgeverschap en behoud zijn onderdeel van het actieprogramma Werken in de zorg. Het afgelopen jaar is hier stevig op in gezet. Zo heb ik in het vierde tijdvak van de subsidieregeling SectorplanPlus € 50 mln. extra (op een totaal van € 420 mln) beschikbaar gesteld voor activiteiten gericht op behoud van medewerkers, onder aanvullende voorwaarde dat aanvragers ook laten zien wat de aanpak op behoud is geweest, zodat anderen hiervan kunnen leren Dit gebeurt onder andere middels het Actie Leer Netwerk.
Als het gaat om de opleiding en specialisatie van verpleegkundigen verwacht ik van werkgevers dat zij zich maximaal inzetten om voldoende gespecialiseerde verpleegkundigen op te leiden en hierbij het advies van het Capaciteitsorgaan opvolgen om grotere tekorten te voorkomen. Ik stel al jaren kostendekkende financiering beschikbaar voor ziekenhuizen om gespecialiseerde verpleegkundigen op te leiden en zal dat ook blijven doen.
Kunt u een overzicht geven van het aantal verpleegkundigen, uitgesplitst naar niveau en naar specialisatie, dat in de periode 2020–2025 wordt opgeleid en/of zich specialiseert?
Jaarlijks ontvang ik de instroomcijfers van het voorgaande jaar. In onderstaand tabel zijn de instroomcijfers per specialisatie opgenomen van verpleegkundigen die in 2018 en 2019 zijn gestart aan de opleiding en die in 2020 en 2021 hun diploma zullen halen. Helaas is niet bekend wat de opleidingsplannen zijn van ziekenhuizen in de toekomst.
Opleiding
Instroom 2018
instroom 2019
Advies capaciteits-orgaan 2018 instroom per jaar
Dialyseverpleegkundigen
126
171
371
IC-kinderverpleegkundigen
34
46
144
IC-neonatologieverpleegkundigen
48
58
175
IC-verpleegkundigen
432
429
796
Kinderverpleegkundigen
313
350
510
Obstetrieverpleegkundigen
199
236
369
Oncologieverpleegkundigen
425
477
397
SEH-verpleegkundigen
399
382
545
Totaal gespecialiseerde verpleegkundigen
1.976
2.149
3.307
Herinnert u zich dat ten tijde van de coronacrisis voormalig zorgmedewerkers opgeroepen en aan het werk zijn gegaan om de totale zorg te ondersteunen? Wat is bekend over het aantal en de verwachtingen van medewerkers die graag in de zorg willen blijven werken? Op welke manier, met wat voor soort afspraken, kunnen zij terugkeren en hun bevoegd- en bekwaamheden bijwerken zodat zij snel weer inzetbaar zijn? Wat gaat u doen om hen dat makkelijk te maken?
Enkele weken nadat duidelijk was dat sprake was van een crisis als gevolg van het coronavirus, is het initiatief www.extrahandennvoordezorg.nl van start gegaan. Hier konden (en kunnen) professionals die niet meer in de zorg werken zich aanmelden om tijdelijk terug te keren. Ook zorg- en welzijnsorganisaties die extra medewerkers nodig hebben kunnen hier terecht. Het platform is een samenwerkingsverband van brancheorganisaties, vakbonden, regionale werkgeversorganisaties, beroepsverenigingen, private initiatieven en het Ministerie van VWS. In korte tijd meldden zich rond de 20.000 mensen aan om te helpen. 404 zorgorganisaties hebben via het initiatief ondersteuning gevraagd, voor in totaal 4.828 fte. In totaal zijn ca. 8.000 personen voorgesteld aan organisaties.
De meeste mensen die via Extra Handen voor de Zorg aan de slag zijn (gegaan); deden dat naast hun reguliere baan voor bepaalde periode (in de meeste gevallen een aantal weken) en een beperkt aantal dagdelen per week. Het komt mogelijk ook voor dat men het werken in de zorg zo leuk vindt dat ze van baan wisselen en weer volledig in de zorg gaan werken. Om die mensen te behouden is er een uitvraag gedaan onder de mensen die zich hebben aangemeld, met de vraag of ze in de toekomst weer bereid zijn tijdelijk bij te springen indien de nood hoog is.
Daarnaast is het mogelijk gemaakt dat voormalig zorgpersoneel met een vanaf 1 januari 2018 verlopen BIG-registratie in noodsituaties, onder voorwaarden, weer zelfstandig aan het werk konden in de zorg. Indien voormalig zorgpersoneel weer graag BIG-geregistreerd wenst te worden, kunnen zij hiertoe een aanvraag indienen bij het BIG-register. In de hoofdregel zullen zij een aanvraag tot registratie in moeten dienen op basis van scholing. Zij dienen dan een zogenaamd Periodiek Registratie Certificaat te overleggen. Dit is het bewijs dat een zorgverlener met goed gevolg het scholingsprogramma herregistratie voor het betreffende beroep heeft afgerond. Met dit bewijs kunnen zij zich opnieuw registreren in het BIG-register. Meer informatie over deze scholingsprogramma’s is te vinden op de website www.bigregister.nl/herregistratie/criteria-per-beroep. Specifiek voor het scholingsprogramma van verpleegkundigen geldt nog dat dat programma op dit moment wordt aangepast, met onder meer als doel om vanaf eind 2020 beter aan te sluiten op het kennisniveau van herintreders.
In hoeverre verwacht u dat het aantal zij-instromers zal stijgen, nu door de coronacrisis veel mensen zonder werk zitten in bepaalde sectoren?
Zij-instromers zijn een belangrijke doelgroep die kunnen kiezen om in zorg en welzijn te werken. In 2019 telde het CBS 42.230 zij-instromers in zorg en welzijn. Als de werkloosheid stijgt zal het makkelijker worden om hen aan te trekken.
Wat gaat u doen om te zorgen dat mensen die niet eerder in de zorg gewerkt hebben, die (door de coronacrisis) geen werk hebben, in willen en kunnen stromen in (praktijk-)opleidingen in de gezondheidszorg om zo het personeelstekort (dat er al was voor de crisis) aan te pakken?
Een van de pijlers van het Actieprogramma Werken in de zorg dat zich richt op het verminderen van het personeelstekort in zorg en welzijn is het bevorderen van de instroom in (zorg)opleidingen en werk. Dit gebeurt in de eerste plaats als onderdeel van de regionale aanpakken die in het kader van dit actieprogramma zijn ontwikkeld. Bijvoorbeeld met initiatieven zoals het transferpunt Zorg en Welzijn in Amsterdam. Hierin werken zorginstellingen, vakbond, UWV, gemeente en TNO samen om meer zij-instromers aan te trekken en op te leiden voor een baan in zorg en welzijn. Ik ondersteun dergelijke initiatieven via de campagne IkZorg en de subsidie Sectorplan Plus (totaal 420 mln.) voor het bieden van extra scholing om ten tijde van de coronacrisis eraan bij te dragen dat mensen, met affiniteit voor de zorg maar zonder zorgachtergrond, snel aan de slag konden (en kunnen) steunen we het initiatief van de Nationale Zorgklas. Dit is een volledig online modulaire leeromgeving waar grote groepen mensen in korte tijd kunnen worden opgeleid voor ondersteunende en niet complexe zorgtaken.
Deelt u de mening dat anesthesiemedewerkers een onmisbaar onderdeel in de opschaling en verbreding van de acute/ic-zorg zijn en dat zonder inzet van deze medewerkers de gestelde doelen niet behaald kunnen worden? Kunt u aangeven of u de mogelijkheden nader onderzoekt om anesthesiemedewerkers breder in te kunnen zetten (in en buiten crisistijd) op de werkvloer, door hen uiteindelijk van een BIG-registratie te voorzien? Bent u bereid op korte termijn daarover het gesprek aan te gaan met de Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM) en de mogelijkheden te verkennen?
Anesthesiemedewerkers hebben de afgelopen tijd en nog steeds, net zoals ander zorgpersoneel, een belangrijke bijdrage geleverd aan de bestrijding van de coronacrisis. Die waardering daarvoor staat los van de vraag of zij een BIG-registratie dienen te krijgen. Een BIG-registratie betekent namelijk niet dat een medewerker breder kan worden ingezet dan thans het geval is. Ten aanzien van een BIG-registratie voor de anesthesiemedewerker heeft VWS meerdere gesprekken met de NVAM gevoerd. De aanvraag tot regulering van de anesthesiemedewerker in de Wet BIG is ter advisering aan het Zorginstituut voorgelegd. Dit advies heb ik reeds ontvangen en ik zal mijn reactie hierop aan u en de NVAM deze zomer toesturen.
In het kader van het project CZO Flex Level (van NFU en NVZ) heb ik een onderzoek uitgezet om te kijken wat logische opleidingsroutes zijn voor gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteuners. Daarbij wordt ook gekeken welke behoefte er leeft bij anesthesiemedewerkers om breder ingezet te worden en wat de opleidingsbehoefte is. De resultaten van het onderzoek verwacht ik eind van dit jaar.
Klopt het dat het aantal specialisatieplaatsen per ziekenhuis wordt vastgesteld en afhankelijk is van het aantal vacatures dat het ziekenhuis stelt? Wie bepaalt het aantal specialisatieplaatsen?
Ziekenhuizen bepalen zelf hoeveel gespecialiseerde verpleegkundigen zij opleiden. Om het voor ziekenhuizen mogelijk te maken om boven formatief op te leiden stel ik al jaren kostendekkende financiering beschikbaar voor het opleiden van gespecialiseerde verpleegkundigen.
Krijgt u ook signalen dat de koppeling tussen vacatures en opleidingsplaatsen blijkt te leiden tot tekorten?
Deze signalen ken ik niet. Om het tekort aan gespecialiseerde verpleegkundigen tegen te gaan, blijft het belangrijk dat ziekenhuizen het opleidingsadvies van het Capaciteitsorgaan opvolgen.
In hoeverre wordt bij het bepalen van het aantal opleidings- en specialisatieplaatsen voor verpleegkundigen rekening gehouden met de constatering dat een behoorlijk groot deel van de opgeleide en/of gespecialiseerde verpleegkundigen in deeltijd werken?
Het Capaciteitsorgaan houdt in haar advies rekening met het gegeven dat er in deeltijd gewerkt wordt. Ik roep ziekenhuizen dan ook op om het advies van het Capaciteitsorgaan te volgen en voldoende op te leiden om de tekorten weg te werken.
Het Capaciteitsorgaan houdt in haar advies rekening met het gegeven dat er in deeltijd wordt gewerkt. Ik roep ziekenhuizen dan ook op om het advies van het Capaciteitsorgaan te volgen en voldoende op te leiden om de tekorten weg te werken. Overigens blijkt uit onderzoek onder een grote vertegenwoordiging van zorgmedewerkers dat 1 op de 4 vrouwelijke zorgmedewerkers graag meer uren wil werken4. Daarom zijn we – zoals ik ook meldde in de Voortgangsrapportage Werken in de Zorg van 20 december 20195 – in gesprek met werkgevers in de zorg en ondersteunen de stichting Het Potentieel Pakken die organisaties concreet helpt in het verhogen van de deeltijdfactor in de zorg voor hen die dat willen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat verpleegkundigen na hun opleiding of specialisatie meer uren (willen) gaan werken?
De uitzending het interview met burgemeester Aboutaleb van Rotterdam |
|
Chris van Dam (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de uitzending van Nieuwsuur van 22 juli 2020 met het interview met burgemeester Aboutaleb van Rotterdam?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen die in afwachting zijn van de testuitslag en mensen van wie bewezen is dat ze besmet zijn met COVID-19, niet thuisblijven maar zich in de publieke ruimte begeven?
Ja, die mening deel ik. Het is van essentieel belang dat iedereen zich aan de regels houdt.
Klopt het dat aan mensen die in afwachting zijn van testresultaten dan wel die besmet zijn, wordt gevraagd of ze op basis van vrijwilligheid thuis willen blijven?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat een burgemeester nu op basis van de Wet publieke gezondheid geen mogelijkheden heeft om thuisblijven van deze inwoner te verplichten? Zo ja, bent u bereid om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor burgemeesters waardoor thuisblijven wel verplicht kan worden bij een positieve test uitslag en bij overtreding kan worden gehandhaafd?
Dat klopt. Deze bevoegdheid om maatregelen te nemen is op basis van de Wet publieke gezondheid (Wpg) in deze situatie belegd bij de voorzitter van de veiligheidsregio en niet bij de burgemeester. Dit komt doordat Covid-19 in Nederland geclassificeerd is als behorende tot de groep A infectieziekten. De Wpg biedt de voorzitter van de veiligheidsregio de mogelijkheid om in het bestrijden van deze groep infectieziekten een quarantainemaatregel op te leggen. De quarantaine kan, zo nodig onder te stellen voorwaarden, plaatsvinden in de woning van de betrokkene. Een dergelijke maatregel wordt alleen opgelegd als de betrokken persoon niet vrijwillig meewerkt. Bij de quarantainemaatregel wordt eerst advisering van de GGD ingewonnen en oordeelt de officier van justitie na het nemen van een beschikking tot gedwongen quarantaine of aan de criteria voor het opleggen van de quarantaine is voldaan. De officier van justitie doet vervolgens een verzoek tot voortzetting van de quarantaine, waarna de rechter de betrokkene hoort en een beslissing neemt. In een praktische handreiking die de veiligheidsregio’s ontvangen hebben, is nader uitgewerkt in welke gevallen de maatregel toepasbaar is en hoe de werkwijze binnen de Veiligheidsregio’s en de GGD is om tot een beschikking te komen. Er is een aparte beleidslijn van het OM voor de strafmaat bij het onttrekken aan de genomen maatregel, om zo beter onderscheid tussen lichte en zware vergrijpen te kunnen maken. De huidige wetssystematiek kent de burgemeester andere bevoegdheden toe. Zonder aanpassing van de Wpg zijn er dus geen mogelijkheden voor burgemeesters om thuisblijven verplicht te stellen bij een positieve testuitslag en om deze verplichting te handhaven.
Het stijgend aantal besmettingen met COVID-19 in Nederland in relatie tot berichten over vluchten die terugkeren met besmette reizigers |
|
Jan Paternotte (D66), Antje Diertens (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «GGD: 45 Schipholpassagiers bleken thuis besmet, maar anderen niet aangestoken»?1
Ja.
Kunt u met de Kamer delen uit welke gebieden deze besmette passagiers gereisd hebben en is vast te stellen of deze reizen essentieel waren of niet?
In de periode van 1 juni tot en met 27 juli zijn bij de GGD Kennemerland 63 personen gemeld die besmet bleken met het coronavirus en een vluchthistorie hadden. 26 personen reisden met een vlucht binnen Europa en 37 met een vlucht van buiten Europa. De reden van de reis wordt niet doorgegeven aan de GGD.
Op dit moment is voor de meeste landen buiten de EU, de Schengenlanden en het Verenigd Koninkrijk het EU-inreisverbod van kracht. Dit betekent dat personen uit deze landen niet Nederland in mogen reizen, tenzij zij zwaarwegende redenen hebben om naar Nederland af te reizen en daarom onder één van de uitzonderingen vallen. Deze maatregel beperkt de reisbewegingen uit derde landen sterk. Voor de landen waarvoor op dit moment het EU-inreisverbod van kracht is, geldt een oranje reisadvies (alleen noodzakelijke reizen). Ook voor EU landen waar de gezondheidsrisico’s hoog worden geacht door verspreiding van het coronavirus geldt een oranje reisadvies. De gezondheidssituatie in de EU landen wordt wekelijks geëvalueerd door het RIVM.
Bestaat op dit moment inzicht in hoe groot de directe en indirecte bijdrage is van vluchten die terugkeren met besmette reizigers aan het stijgend aantal besmettingen met COVID-19? Zo ja, kunt u de inzichten hierover delen? Zo nee, bent u voornemens hier onderzoek naar te verrichten?
In de periode van 1 juni tot en met 27 juli zijn bij de GGD Kennemerland 63 personen gemeld die besmet bleken met het coronavirus en een vluchthistorie hadden. In deze periode werden er in totaal 2.816 mensen positief getest. Daarmee lijkt de bijdrage van personen met een vluchthistorie aan het totale aantal nieuwe besmettingen over die periode beperkt.
Bent u bereid reizigers die met klachten arriveren op Nederlandse luchthavens te vragen zich direct te laten testen? Bestaan op dit moment faciliteiten op de Nederlandse luchthavens waar reizigers zich direct kunnen melden indien zij tijdens de reis klachten hebben ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld, alle reizigers van- en naar Nederlandse luchthavens dienen een gezondheidsverklaring in te vullen voor het vliegen waarin zij verklaren geen klachten te hebben, geen COVID-19 en ook niet in contact geweest te zijn met iemand die besmet is. Wanneer zij symptomen hebben die passen bij COVID-19, mogen ze niet aan boord van het vliegtuig. Het zou kunnen zijn dat mensen gedurende de vlucht klachten ontwikkelen. Indien een reiziger zodanig klachten heeft dat er een ernstige verdenking is op COVID-19, dan kan iemand op Schiphol worden getest. Dat gebeurt momenteel door Air Medical Service of door GGD Kennemerland. Indien het onverantwoord is om door te reizen wordt geadviseerd in isolatie te gaan door een kamer te huren in een hotel en zich te houden aan de voorschriften. Als iemand niet in staat is om zelf een voorziening te treffen en er is sprake van een groot besmettingsrisico, dan kan in dat geval opvang worden geboden in een hiertoe aanwezige opvangvoorziening. Op 6 augustus is uw kamer per brief geïnformeerd dat er wordt gestart met het aanbieden van testen aan alle reizigers die inreizen vanuit een land of gebied met een verhoogd risico op coronabesmetting2.
Wordt in het bron- en contactonderzoek van besmette passagiers ook overwogen om medepassagiers en bemanningsleden proactief te testen, ook al hebben zij geen klachten? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan? Zo nee, waarom niet?
Bron- en contact onderzoek zal worden opgestart wanneer blijkt dat een reiziger of bemanningslid in de besmettelijke periode aan boord van een vliegtuig heeft gezeten. Passagiers die binnen een straal van 1,5 meter om de patiënt hebben gezeten worden in het protocol bron- en contactonderzoek COVID-19 gedefinieerd als «overige nauw contact». Daarom zal bron- en contactonderzoek worden ingezet gericht op medepassagiers die twee stoelen voor, twee stoelen achter en aan weerzijden van de bewuste passagier hebben gezeten. Ook zal bron- en contactonderzoek worden ingezet gericht op bemanningsleden die intensief contact hebben gehad met de patiënt. Dit gaat bijvoorbeeld om bemanningsleden die extra zorg hebben verleend tijdens de vlucht.
Indien een bemanningslid besmettelijk was tijdens de vlucht, zullen passagiers met wie dit bemanningslid intensief contact heeft gehad en direct samenwerkende collega’s die meer dan 15 minuten aaneengesloten contact hadden op minder dan 1,5 meter worden gewaarschuwd. Dit is vastgelegd in het protocol bron- en contactonderzoek COVID-19.
Overige bemanningsleden worden beschouwd als overige (niet-nauwe) contacten in het bron- en contactonderzoek protocol als zij niet-intensief contact hebben gehad met de index patiënt. Personeel op de luchthaven en beveiligers die mensen fouilleren hebben meestal korter dan 15 minuten contact met reizigers en zullen zodoende doorgaans volgens het protocol bron- en contactonderzoek COVID-19 niet als nauwe of niet-nauwe contacten worden gedefinieerd worden.
Op 6 augustus is uw kamer per brief geïnformeerd dat er wordt gestart met het aanbieden van testen aan alle reizigers die inreizen vanuit een land of gebied met een verhoogd risico op coronabesmetting3.
Hoe worden reizigers die landen op Schiphol en andere Nederlandse luchthavens op dit moment gestimuleerd om zich te laten testen bij klachten? Acht u deze stimuleringsmaatregelen voldoende om te zorgen dat iedere reiziger met klachten zich ook daadwerkelijk laat testen?
Reizigers worden via verschillende communicatiekanalen geïnformeerd over de geldende maatregelen in Nederland en gestimuleerd bij klachten contact op te nemen met de GGD voor een testafspraak. Ook krijgen zij bij aankomst in Nederland een brief van de GGD waarin beschreven staat welke maatregelen in Nederland gelden. Op 6 augustus is uw kamer per brief geïnformeerd dat er wordt gestart met het aanbieden van testen aan alle reizigers die inreizen vanuit een land met een verhoogd risico op coronabesmetting4.
Welke maatregelen overweegt u als het aantal besmettingen blijft groeien, wanneer aannemelijk is dat dit in aanzienlijke mate ten gevolge is van reizigers die vanuit het buitenland naar Nederland kwamen?
Thuisquarantaine voor reizigers uit gebieden waar vanwege verspreiding van het coronavirus een oranje reisadvies van kracht is, blijft een belangrijke maatregel om te voorkomen dat reizigers het coronavirus in Nederland verspreiden. Daarom is het ook voor reizigers die uit een hoog risicogebied komen, nodig om de mogelijkheid te hebben om een quarantaineplicht op te leggen vanwege het enkele feit dat de reiziger uit een dergelijk onveilig gebied komt. Een juridische grondslag ontbreekt op dit moment. Hiervoor is er het voornemen om dit te regelen in via een aanpassing van artikel 35 Wet Publieke Gezondheid (de quarantainemaatregel). Uw kamer is hierover op 11 augustus per brief5 geïnformeerd. Dit komt erop neer dat zodra een dergelijke inkomende reiziger Nederlands grondgebied betreedt, voor deze reiziger de quarantaineplicht geldt. Personen die het betreft zullen – waar dat redelijkerwijs uitvoerbaar is – daartoe in ieder geval hun contactgegevens moeten afstaan, opdat deze worden doorgegeven aan de GGD. Zonder deze gegevens is een quarantainemaatregel immers niet te controleren.
Kunt u toelichten hoe het staat met de uitvoering van de motie-Kröger/Paternotte?2
Over de uitvoering van deze motie wordt uw Kamer spoedig per brief geïnformeerd.
Kunt u deze vragen gezien het belang van deze kwestie voor de volksgezondheid, elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Terugkerende vluchten met besmette reizigers |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zeker 45 vluchten met besmette passagiers geland in Nederland»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het onder meer terugkerende vluchten uit coronabrandhaarden betreft, waarbij reizigers tijdens de reis niet voldoende afstand hebben kunnen houden en zij bij aankomst niet worden verplicht tot een test op het coronavirus, noch tot quarantaine?
De vluchten uit het genoemde bericht betreffen inderdaad ook vluchten uit landen waar de gezondheidsrisico’s hoog worden geschat vanwege verspreiding van het coronavirus. Er is echter geen aanleiding om aan te nemen dat deze reizigerstijdens de vlucht besmet zijn geraakt of anderen hebben besmet. Sterker nog, uit het bron- en contactonderzoek na aankomst van de betreffende passagiers blijkt juist dat er geen medepassagiers besmet zijn.
Op dit moment is voor de meeste landen buiten de EU, de Schengenlanden en het Verenigd Koninkrijk het EU-inreisverbod van kracht. Dit betekent dat personen uit deze landen niet Nederland in mogen reizen, tenzij zij zwaarwegende redenen hebben om naar Nederland af te reizen en daarom onder één van de uitzonderingen vallen. Deze maatregel beperkt de reisbewegingen uit derde landen sterk. Voor de landen waarvoor op dit moment het EU-inreisverbod van kracht is, geldt een oranje reisadvies (alleen noodzakelijke reizen). Ook voor EU landen waar de gezondheidsrisico’s hoog worden geacht door verspreiding van het coronavirus geldt een oranje reisadvies. De gezondheidssituatie in de EU landen wordt wekelijks geëvalueerd door het RIVM
Thuisquarantaine voor reizigers uit gebieden waar vanwege verspreiding van het coronavirus een oranje reisadvies van kracht is, blijft een belangrijke maatregel om te voorkomen dat reizigers het coronavirus in Nederland verspreiden. Derhalve is het ook voor reizigers die uit een hoog risicogebied komen, wenselijk om de mogelijkheid te hebben om een quarantaineplicht op te leggen vanwege het enkele feit dat de reiziger uit een dergelijk onveilig gebied komt. Een juridische grondslag ontbreekt op dit moment. Daarom is het voornemen om dit te regelen via een aanpassing van artikel 35 Wet Publieke Gezondheid (de quarantainemaatregel). Uw kamer is hierover op 11 augustus per brief2 geïnformeerd. Dit komt erop neer dat zodra een dergelijke inkomende reiziger Nederlands grondgebied betreedt, voor deze reiziger de quarantaineplicht geldt. Personen die het betreft zullen – waar dat redelijkerwijs uitvoerbaar is – daartoe in ieder geval hun contactgegevens moeten afstaan, opdat deze worden doorgegeven aan de GGD. Zonder deze gegevens is een quarantainemaatregel immers niet te controleren.
Kunt u toelichten hoe de GGD wordt betrokken bij het monitoren van reizigers op deze vluchten? Wordt informatie over reizigers die recent uit een coronabrandhaard zijn teruggekeerd, bijgehouden? Zo ja, neemt de GGD contact met hen op in het kader van bron- en contactonderzoek?
Als een besmetting in Nederland wordt gelokaliseerd en er blijkt dat er in de besmettelijke periode gevlogen is door de betreffende persoon, dan worden de passagiersgegevens opgevraagd ten behoeve van bron- en contactonderzoek door de GGD. Als een besmetting in het buitenland wordt vastgesteld na een vlucht, dan komt de informatie binnen via het Landelijk Centrum Infectieziektebestrijding. De nauwe contacten worden geïnformeerd over het besmettingsrisico dat zij hebben gelopen, gemonitord en geadviseerd zich bij klachten te laten testen. Ook is het voor reizigers die uit een hoog risicogebied komen nodig om de mogelijkheid te hebben om een quarantaineplicht op te leggen vanwege het enkele feit dat de reiziger uit een dergelijk onveilig gebied komt. Hiervoor is er het voornemen om dit te regelen in via een aanpassing van artikel 35 Wet Publieke Gezondheid (de quarantainemaatregel). Uw kamer is hierover op 11 augustus per brief3 geïnformeerd. Personen die het betreft zullen – waar dat redelijkerwijs uitvoerbaar is – daartoe in ieder geval hun contactgegevens moeten afstaan, opdat deze worden doorgegeven aan de GGD. Zonder deze gegevens is een quarantainemaatregel immers niet te controleren.
Wordt overwogen om alle passagiers te adviseren om in quarantaine te gaan? Zo ja, vanaf wanneer gaat u dit beleid invoeren? Zo nee, welke redenen bestaan er om dit beleid, zoals bijvoorbeeld door Australië gevolgd wordt, niet in te voeren?
Op dit moment is er vanuit de volksgezondheid geen reden om alle passagiers, dus ook passagiers afkomstig uit gebieden met een geel reisadvies, bij aankomst in thuisquarantaine te laten gaan. Het onnodig belemmeren van verkeer van personen binnen Schengen terwijl er geen reden is om aan te nemen dat er verhoogde risico’s zijn is dan ook niet noodzakelijk. De gezondheidssituatie in de landen binnen de EU, de Schengenlanden en het VK wordt wekelijks geëvalueerd op basis van objectieve criteria. Wanneer blijkt dat er verhoogde risico’s op verspreiding van het coronavirus zijn in een bepaald land, wordt het reisadvies voor dit land aangepast naar oranje vanwege gezondheidsrisico’s. Dit is de afgelopen maand ook meerdere malen gebeurd toen daar aanleiding toe was.
Kunt u toelichten waarom niet bekend is met welk vervoersmiddel de 69 besmette reizigers van de afgelopen drie weken hebben gereisd, gezien het feit dat de GGD deze informatie mag opvragen? Betekent dit tevens dat medepassagiers van deze personen niet zijn verwittigd?
Het bericht dat dit niet bekend is klopt niet. In het bron- en contactonderzoek wordt nagegaan of iemand die besmet blijkt met het coronavirus tijdens de besmettelijke periode heeft gereisd. Hierbij wordt ook nagegaan of er een vliegreis is gemaakt. Wanneer dit in de besmettelijke periode het geval is, dan vraagt de GGD de passagiersgegevens van de betreffende vlucht op ten behoeve van bron- en contactonderzoek om de directe medepassagiers te informeren, te wijzen op quarantaine en indien nodig te testen.
Zijn deze recente ontwikkelingen aanleiding om uw beleid rondom reizen per vliegtuig te heroverwegen? Zo ja, op welke punten komt er een aanpassing? Zo nee, waarom niet?
Uit bron- en contactonderzoek is gebleken dat personen die in de besmettelijke periode gevlogen hebben, geen medepassagiers hebben besmet. Bovendien is niet zeker dat deze passagiers het virus al tijdens hun vliegreis bij zich droegen of dat ze het pas daarna hebben opgelopen. Het kabinet gaat er nog steeds vanuit dat de maatregelen rondom vliegverkeer ervoor zorgen dat veilig gevlogen kan worden. Het algemene beleid rondom reizen per vliegtuig zal dan ook niet aangepast worden. Wel zal dit worden aangevuld met het aanbieden van testen op de luchthavens voor terugkerende reizigers. Daarover is uw Kamer op 6 augustus jl. geïnformeerd.4 Ook is het voor reizigers die uit een hoog risicogebied komen nodig om de mogelijkheid te hebben om een quarantaineplicht op te leggen vanwege het enkele feit dat de reiziger uit een dergelijk onveilig gebied komt. Hiervoor is er het voornemen om dit te regelen in via een aanpassing van artikel 35 Wet Publieke Gezondheid (de quarantainemaatregel). Uw kamer is hierover op 11 augustus per brief5 geïnformeerd. Daarnaast worden de internationale ontwikkelingen van het virus nauwgezet in de gaten gehouden en kunnen de regels rondom reizen naar bepaalde landen of gebieden worden aangescherpt, zoals met het aanpassen van reisadviezen. Daarnaast worden de internationale ontwikkelingen van het virus nauwgezet in de gaten gehouden en kunnen de regels rondom reizen naar bepaalde landen of gebieden worden aangescherpt, zoals met het aanpassen van reisadviezen.
De adviezen van de Europese Commissie over de aanstaande griepgolf ten tijde van COVID-19 |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht van de Europese Commissie «Coronavirus: Commission strengthens preparedness for future outbreaks» van 15 juli 2020?1
Ik onderschrijf het doel van het treffen van maatregelen om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op een volgende uitbraak. Ik heb om die reden dan ook ruim een half miljoen extra griepvaccinaties ingekocht voor het Nationaal Programma Grieppreventie.
Welke risico’s ziet u als een tweede golf van COVID-19 tegelijkertijd aanwezig is met een (ernstige) griepgolf?
Het tegelijkertijd voorkomen van een griepgolf en een tweede golf kan impact hebben op de kwetsbare mensen in onze samenleving en daarnaast een risico vormen voor de patiëntveiligheid en de zorgcontinuïteit, zowel vanwege de extra instroom van patiënten als vanwege de extra uitval van zorgpersoneel. Om die reden is het extra belangrijk dat we ons goed voorbereiden en dat mensen de griepprik dit jaar gaan halen.
Bent u het eens met de stelling van de Europese Commissie dat het uitbreiden van de doelgroep voor de griepprik en nu al anticiperen op een griepvaccinatiecampagne kan zorgen voor minder druk op de zorg in het griepseizoen, zeker omdat er al veel druk op de zorg staat vanwege het coronavirus?
Ongeveer de helft van de huidige doelgroep haalt de griepprik. De opkomst voor de griepprik laat na een flinke daling in de periode 2008–2018 de afgelopen twee jaar een lichte stijging zien en ik hoop van harte dat de opkomst dit jaar weer een flink stuk hoger zal zijn. Er is wereldwijde schaarste in de hoeveelheid beschikbare vaccins. Ik heb desondanks maximaal ingezet om dit jaar extra vaccins in te kopen en de huidige hoeveelheid extra vaccins zet ik bij voorkeur in om de opkomst binnen de huidige doelgroep te verhogen, omdat de huidige doelgroep de meest kwetsbare doelgroep is. Uitbreiding van de doelgroep zou effectief ervoor kunnen zorgen dat de meest kwetsbaren relatief gezien minder gevaccineerd kunnen worden. Uiteraard zijn zorgmedewerkers ook een belangrijke doelgroep voor de griepvaccinatie, zie voor de inzet voor die doelgroep mijn antwoord bij vraag 4. Overigens heb ik de Gezondheidsraad om advies gevraagd om de huidige doelgroepen van het Nationaal Programma Grieppreventie tegen het licht te houden. Dit advies verwacht ik in conform de werkagenda van de Gezondheidsraad in 2021.
Kunt u ingaan op elk van de afzonderlijke maatregelen zoals omschreven in hoofdstuk II, paragraaf 6 «Reducing the burden of seasonal influenza» van de «Short-term EU health preparedness for COVID-19 outbreaks» en of u van plan bent deze maatregelen te implementeren? Zo ja, op welke wijze?2
Op basis van historische data van de griepepidemieën in Nederland lijkt vervroeging van de griepprik niet zinvol. We zien in Nederland vaak pas een griepepidemie vanaf week 52. Influenza circuleert dus maar zeer beperkt in de maanden september tot november. De timing van de uitvoering van de griepprik is zo gekozen is dat die aansluit op de verwachting van het moment van de griepgolf in Nederland. De vaccinrespons neemt namelijk na vaccinatie eerst toe, maar neemt vervolgens ook weer af. Bij vervroegd vaccineren is het waarschijnlijk dat de vaccinrespons bij gevaccineerde mensen niet meer optimaal is op het moment dat in Nederland daadwerkelijk een griepepidemie heerst. Mensen zijn dan minder goed beschermd op het moment dat dit het meeste nodig is. Wat betreft uitbreiding van de doelgroep, zie mijn antwoord op vraag 3. Het RIVM heeft in mijn opdracht ruim een half miljoen extra griepvaccins ingekocht. Verder heb ik me nog tweemaal aangemeld voor gezamenlijke inkoop van griepvaccins op Europees niveau. Dit heeft helaas niet tot extra inkoop van vaccins geleid vanwege de wereldwijde schaarste.
Huisartsen bereiden zich voor op een andere organisatie van de griepvaccinatiecampagne dan normaal vanwege de coronamaatregelen. Het NHG en de LHV hebben in afstemming met het RIVM en de SNPG een handleiding geschreven die huisartsenpraktijken kunnen gebruiken bij het inrichten van hun vaccinatiespreekuren waarbij rekening gehouden wordt met de coronamaatregelen. Verder heb ik gemeenten gevraagd zonder vergoeding hun medewerking te verlenen als de huisartsen de griepvaccinatie niet in hun eigen praktijk kunnen organiseren, door bijvoorbeeld een sporthal beschikbaar te stellen.
Ook heb ik en mijn collega VWS bewindspersonen jaarlijks aandacht besteed aan het belang van de griepprik. Volwassenenvaccinatie is een van de thema’s binnen de vaccinatiealliantie. De vaccinatiealliantie is op 31 augustus jl. bijeengekomen en zal de komende periode nogmaals bijeenkomen. Het verhogen van de vaccinatiegraad van de griepprik is daarbij onderwerp van gesprek.
Ten slotte ben ik in gesprek met zorgkoepels over het verhogen van de griepvaccinatiegraad onder medewerkers in de zorg. De zorgkoepels zijn doordrongen van de risico’s van een lage vaccinatiegraad en zetten zich in om deze te verhogen. Ik heb Uw Kamer op 29 januari jl.3 geïnformeerd over mijn inzet op dit thema en ik zal in gesprek blijven met deze partijen om de griepvaccinatiegraad onder medewerkers te doen stijgen.
Aangezien de Europese Commissie aanbeveelt deze maatregelen tijdens de zomer (juli en augustus) al uit te voeren, welke acties worden op dit moment ingezet door u en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat gaat u additioneel ondernemen om een tekort aan testcapaciteit en beschermingsmiddelen te voorkomen door het aantal mensen met griepklachten te beperken, gegeven het feit dat griepklachten bijna niet te onderscheiden zijn van klachten van COVID-19?
Een tekort aan testcapaciteit en beschermingsmiddelen moet zeker voorkomen worden en daar is onze inzet ook op gericht. Voor voldoende testcapaciteit zetten we in op extra inkoop van testmaterialen, testapparatuur en testcapaciteit uit het buitenland. Ook zetten we in op mogelijkheden op het gebied van pooling (tegelijk testen van meerdere monsters) en innovatieve testen. Wat betreft beschermingsmiddelen heeft het Landelijk Consortium Hulpmiddelen inmiddels een grote voorraad beschermingsmiddelen aangelegd. Hiermee kan aan de huidige vraag van beschermingsmiddelen worden voldaan en is het LCH ook voorbereid op een eventuele tweede golf. Daarnaast bereiden zorginstellingen zich ook zelf voor door een grotere voorraad beschermingsmiddelen aan te leggen, die ook gebruikt kan worden voor het opvangen van een griepgolf. Hier is Uw Kamer al herhaaldelijk over geïnformeerd in verschillende brieven en debatten. Het klopt dat griepachtige klachten niet te onderscheiden zijn van klachten door COVID-19; de enige manier om dit onderscheid te maken is testen.
Wie komen er voor het aankomend griepseizoen van 2020/2021 in aanmerking voor een griepprik?
Alle mensen van 60 jaar en ouder en mensen in bepaalde risicogroepen komen in aanmerking voor griepvaccinatie4.
Welke lessen uit de griepepidemie van 2017/2018 neemt u mee in de voorbereiding op komend griepseizoen, zoals effectiviteit en doelgroepen van vaccineren, omdat tijdens die griepepidemie de sterfte ook verhoogd was in de leeftijdsgroepen 55–64 jaar en 65–74 jaar?3
De effectiviteit is van veel factoren afhankelijk, deze is elk jaar weer anders. Gemiddeld is de effectiviteit van de griepprik ongeveer 40%. In 2018 heb ik opdracht gegeven om over te gaan op een quadrivalent vaccin, dat is een vaccin met vier verschillende griepvirusstammen. In het verleden was dit een trivalent vaccin met 3 verschillende virussen. De kans op bescherming tegen griep is met het vaccin met 4 verschillende griepvirussen groter. Zoals gezegd heb ik over de doelgroepen de Gezondheidsraad om advies gevraagd. Daarnaast is de communicatie voor de doelgroepen aangepast, er is een overzichtelijke infographic ontwikkeld, er is meer gebruik gemaakt van social media om de griepprik onder de aandacht te brengen en er is veel aandacht besteed aan de misvattingen over de griepprik. In de afgelopen twee seizoenen zien we voor het eerst weer een stijging van de vaccinatiegraad.
Kunt u deze vragen zo spoedig als mogelijk beantwoorden, omdat wordt geadviseerd om nu al voorbereidingen te treffen voor komend griepseizoen?
Ja.
De snelle toename van het aantal nieuwe COVID-19 besmettingen. |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Wat zijn de oorzaken voor de snelle toename van het aantal COVID-19 besmettingen en de stijging van het reproductiegetal?
Op 1 juli jl. hebben we opnieuw een stap vooruit kunnen zetten ten aanzien van de corona-aanpak: we zijn van een intelligente lockdown gegaan naar ruimte met regels, de zogenoemde controlefase. Met de versoepeling van de maatregelen was de verwachting dat het aantal besmettingen zou toenemen. De meest recente cijfers over het aantal besmettingen (d.d. 21 juli) geven deze toename weer.
Het RIVM geeft aan dat er regionale verschillen zijn in het aantal meldingen per provincie. Dit is ook zichtbaar in het aantal afgenomen testen per 100.000 inwoners en het percentage positieve testen per regio. Met name in Zuid-Holland, Noord-Holland, Midden-West Brabant en Zeeland is een toename te zien in het aantal besmettingen. Opvallend is dat er een opleving van COVID-19 is in de grote steden. Deze besmettingen vinden voornamelijk plaats in de thuissituatie, maar de laatste weken is er een toename van besmettingen die het gevolg zijn van contact met overige familie, vrienden, feestjes, op het werk of het café.
Uit het landelijk gedragsonderzoek van het RIVM blijkt dat de maatregelen veel steun houden, maar de naleving onder druk staat. De 1,5 meter afstand houden lukt vaak (61% van de situaties), maar niet altijd. Men komt vaker op een drukke plek waar ze geen 1,5 meter afstand konden houden, en slechts 28 procent besluit rechtsomkeert te maken. Hetzelfde geldt voor de bereidheid om thuis te blijven en zich te laten testen bij klachten: deze is groot zolang men geen klachten heeft, maar in de praktijk gaan mensen bij klachten toch uit huis en laten zich vaak niet of pas na enkele dagen testen. Kanttekening hierbij is dat een deel van de mensen met klachten deze herkent als gebruikelijke hooikoorts of verkoudheid. Daarom zetten wij in op intensiveren van de huidige communicatiemiddelen. Zie ook mijn antwoord op vraag 5.
Deelt u de opvatting dat het huidige reproductiegetal aanleiding tot zorg is?
Ja. Het reproductiegetal laat zien hoe snel het virus zich verspreidt. Bij een reproductiegetal rond de signaalwaarde 1, blijft het totaal aantal besmettingen ongeveer gelijk. Nu staat het reproductiegetal op 1,29. Dat betekent dat 100 mensen gemiddeld 129 mensen besmetten. Dit getal is gebaseerd op het aantal positief geteste mensen. Dat aantal zien we de laatste dagen ook toenemen. Bij lage aantallen besmette mensen kan het reproductiegetal nogal fluctueren. Maar het is in elk geval zorgelijk dat het getal oploopt.
Welke maatregelen neemt u in overweging om een tweede golf van coronabesmettingen te voorkomen? Overweegt u het treffen van regionale of landelijke maatregelen?
Sinds 1 juli bevinden we ons in de controlefase, waarin we beschikken over instrumentarium waarmee onze signaleringsfunctie wordt versterkt om zo snel mogelijk nieuwe oplevingen van het virus in beeld te krijgen. Op basis van deze signalen is het mogelijk op landelijk of regionaal niveau snel en gericht maatregelen te treffen, indien het virus oplaait.
De signalen en de trends in het coronadashboard worden dagelijks besproken en gewogen in een ambtelijk overleg met de betrokken departementen. De bewindspersonen worden hierover geïnformeerd en bespreken dit met elkaar op reguliere basis.
Wanneer de signalen opvolging vereisen, zal dit gebeuren: lokaal indien mogelijk, maar landelijk indien nodig. Bij het merendeel van de besmettingen werkt de GGD samen met o.a. de Veiligheidsregio’s en het RIVM om passende maatregelen te treffen en zo het virus lokaal onder controle te brengen. Dit gebeurt nu al. Maar uiteraard zijn we ook voorbereid op het scenario waarin meer aan de hand is. Soms zal een opleving namelijk omvangrijker zijn of zal de verspreiding een groter gebied of regio beslaan. Wanneer geconcludeerd wordt dat er vanuit het Rijk actie moet worden ondernomen, bijvoorbeeld omdat blijkt dat het moeilijk is om verdere verspreiding in de hand te houden, zullen passende maatregelen genomen worden.
Ontvangt u signalen dat de coronamaatregelen minder worden nageleefd? Zo ja, wat bent u voornemens te doen om de naleving te verbeteren en binnen welk termijn? Zo nee, waar baseert u zich op?
Het kabinet ontvangt ook signalen dat mensen meer moeite hebben zich aan de gedragsmaatregelen te houden. Het kabinet wijst eenieder toch nadrukkelijk op de eigen verantwoordelijkheid. Het kabinet scherpt de communicatie naar iedereen over de basismaatregelen aan. Zie voor een toelichting het antwoord op vraag 5. Vervolgens zijn organisaties en ondernemers aan zet om de naleving van de maatregelen ook conform opgestelde protocollen te organiseren. Vooralsnog zijn de signalen lokaal. Uiteindelijk valt het dus binnen de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio en de gemeente om op basis van noodverordeningen daar waar regels gesteld zijn die ook te handhaven.
We zien ook een toename van het aantal besmettingen, dat is nu nog geen indicatie om regels te verscherpen. Wel roept het kabinet iedereen op om zich aan de regels en adviezen te houden. Belangrijk is dat de we ons allemaal blijven inzetten. Dus we wassen onze handen regelmatig, we houden voldoende afstand en als we klachten hebben blijven we thuis en laten we ons testen door de GGD. Door ons allemaal aan die regels te houden voorkomen we verdere verspreiding van het virus.
Deelt u de mening dat de voorlichting geïntensiveerd moet worden? Zo ja, welke extra maatregelen gaat u treffen om het belang van het houden van afstand en het naleven van de hygiënemaatregelen opnieuw onder de aandacht te brengen?
Ja, het kabinet deelt die mening. De recente oplevingen naar aanleiding van de versoepeling van de maatregelen waartoe het kabinet de afgelopen periode besloten heeft, vragen om heldere communicatie richting alle Nederlanders. De informatie richt zich op dit moment onder andere op de basisregels, testen en toerisme. De communicatiemiddelen die daarvoor ingezet worden zijn onder andere rijksoverheid.nl/coronavirus, government.nl, de socialmediakanalen van alle ministeries en een radio, televisie- en online campagne. De communicatie rond de «5 basisregels voor iedereen» zoals handen wassen en afstand houden krijgt per direct een nieuwe impuls, onder meer door het inzetten van social media. Daarnaast wordt er gekeken naar het verlengen van de inzet van radio en televisie voor de campagne rond het verhogen van de testbereidheid. Er wordt gekeken hoe er op korte termijn een uiting over de basisregels aan kan worden toegevoegd op radio en televisie. Met gedragsexperts wordt er continu onderzocht hoe moeilijk bereikbare groepen bereikt kunnen worden. Op lokaal en regionaal niveau wordt veel communicatie verzorgd door gemeenten, GGD’en en andere organisaties. De regionale en landelijke communicatie wordt daar waar nodig op elkaar afgestemd. Vanavond hebben ook de directeuren Publieke Gezondheid in hun eigen regio een oproep gedaan aan de inwoners van hun regio om zich aan de maatregelen te houden en om zich bij klachten te laten testen.
Vraagt de snelle toename van besmettingen met COVID-19 en het hoogste reproductiegetal sinds 15 maart 2020 niet om het uitgeven van een NL-Alert?
Een voorwaarde om een NL-Alert in te zetten is dat er sprake is van een crisis, waarbij op dat moment acuut handelen van het publiek gevraagd wordt. Tijdens Corona was deze acute boodschap er op 22 maart, vlak na het afkondigen van de intelligente lockdown om het publiek te wijzen op de belangrijkste instructies om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Na 22 maart is deze boodschap via andere kanalen veelvuldig gecommuniceerd. Wanneer een NL-Alert te vaak wordt ingezet, neemt de attentiewaarde af en zijn mensen geneigd de instelling op de mobiele telefoon uit te zetten.
Overweegt u extra maatregelen zoals een quarantaineverplichting voor (luchtvaart)reizigers uit brandhaarden?
Reizigers uit landen of delen van landen waarvoor om gezondheidsredenen een oranje reisadvies van kracht is worden dringend geadviseerd om 14 dagen in thuisquarantaine te gaan bij aankomst in Nederland. Wekelijks wordt geëvalueerd of de reisadviezen moeten worden aangepast door veranderende gezondheidssituaties. Een oranje advies vanwege gezondheidsredenen wordt gegeven als de corona risico’s boven een door Nederland verantwoord niveau komen. Voor Nederlanders die naar zo’n land reizen geldt uiteraard doe het vooral niet, tenzij het echt noodzakelijk is. Die adviezen zijn er om verdere verspreiding van het virus te voorkomen.
Thuisquarantaine na bezoek aan een risicogebied is een dringend advies en niet wettelijk verplicht. Daar is ook geen juridische basis voor in Nederland. Er wordt dus een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van mensen, ook naar hun eigen omgeving toe. Via meerdere communicatiemiddelen worden mensen en bedrijven opgeroepen op zich aan het thuisquarantaine advies te houden. Ook bijvoorbeeld via social media. Daarnaast worden er gesprekken gevoerd met onder andere de luchtvaartsector en de reisbranche om hier een grotere verantwoordelijkheid in te nemen. Vanuit scholen en werkgevers is de boodschap ook verspreid dat op vakantie gaan voor eigen risico is en dat je rekening moet houden met de mogelijkheid van thuisquarantaine als je op reis gaat.
Bent u er van op de hoogte dat de GGD Hollands Midden stelt dat de COVID-19 uitbraak in café De Kleine Beurs in Hillegom is ontstaan omdat horecamedewerkers lichte coronaklachten hadden maar toch bleven doorwerken? Bent u voornemens om op zeer korte termijn te bezien of horecapersoneel verplicht moet worden om mondkapjes te dragen, conform aanbeveling van gezondheidsautoriteiten in België?
Ja. Uit onderzoek blijkt dat het virus zich heeft verspreid doordat mensen met milde klachten zich niet hebben laten testen en bijvoorbeeld zijn blijven werken. De mensen die nu besmet zijn of in contact zijn geweest met een besmet persoon, hebben advies van de GGD gekregen om thuis te blijven of extra op de gezondheid te letten. De GGD heeft verzocht mensen die tussen woensdag 8 juli en donderdag 16 juli en specifiek op zaterdag 11 juli de horecagelegenheid hebben bezocht om maatregelen te nemen.
Het OMT heeft aangegeven dat mondkapjes in de publieke ruimte waar de anderhalve meter niet kan worden gegarandeerd overwogen kan worden, waar geen triage of gezondheidscheck kan plaatsvinden. Voor het OV hebben we daarom mondkapjes verplicht. Voor horecapersoneel geldt dat de anderhalve meter behouden moet worden, en zij behoren een gezondheidscheck te doen. Ik ben daarom niet voornemens om de mondkapjes voor horecapersoneel te verplichten. Ik benadruk nogmaals dat je bij symptomen, ook lichte symptomen, thuis hoort te blijven, en je je laat testen.
Wordt het bron- en contactonderzoek in alle GGD-regio’s even intensief uitgevoerd na een lokale brandhaard? In hoeverre laat het huidige protocol ruimte voor een eigen invulling?
Bij een bevestigde patiënt met COVID-19 voert de GGD bron- en contactonderzoek (BCO) uit. Dit voeren zij uit op basis van het huidige protocol van het RIVM. Het protocol geeft de uitgangspunten en het beleid over het BCO weer en geldt voor alle GGD-regio’s.
Bronopsporing is één van de onderdelen die in het BCO aan bod moet komen. Dit betekent dat aan elke patiënt dient te worden gevraagd waar hij/zij de infectie denkt te hebben opgelopen. Daarnaast dienen GGD’en lokaal, regionaal en landelijk alert te zijn op bijzondere clustering van cases. Als uit het BCO blijkt dat er sprake is van clustering van cases voeren GGD’en nader onderzoek uit en stelt het protocol dat de GGD aanvullende maatregelen kan treffen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Welke maatregelen dit zijn, is aan de GGD en de veiligheidsregio, eventueel in overleg met het RIVM. Dit is maatwerk. Het protocol biedt daarvoor voldoende ruimte. Zo adviseert GGD-Zeeland als gevolg van de lokale opleving van het virus niet alleen huisgenoten en nauwe contacten van betrokkenen bij de oplevering, maar ook huisgenoten van nauwe contacten en niet nauwe contacten om 14 dagen thuis te blijven.
Om ook bij lokale uitbraken een nog verder toegenomen vraag naar BCO aan te kunnen, hebben de GGD’en in samenwerking met alarmcentrales een landelijke schil beschikbaar die snel opgeschaald kan worden door het train-de-trainer principe. Deze landelijke schil kan worden ingezet op het moment dat een bepaalde regio overloopt aan besmettingen als gevolg van een lokale uitbraak.
In hoeverre zijn ziekenhuizen geëquipeerd om de zorg voor ernstige coronapatiënten in deze vakantieperiode op te schalen? Deelt u de mening dat zorgverleners ook toe zijn aan een vakantieperiode en het in ieders belang is om een tweede golf te voorkomen?
Het aantal COVID-patiënten in de ziekenhuizen is al enige tijd stabiel en relatief laag. Volgens de cijfers van stichting NICE van 22 juli 2020 liggen er 31 COVID-patiënten op de IC en 209 COVID-patiënten op klinische bedden in het ziekenhuis. Ook uit het dashboard Coronavirus volgt dat het aantal IC- en ziekenhuisopnames op dit moment per dag relatief laag is en ver onder de signaalwaarden blijft. Op 21 juli ging het om gemiddeld 0,3 IC-opnames per dag (bij een signaalwaarde van 10 IC-opnames per dag) en om gemiddeld 2,3 ziekenhuisopnames per dag (bij een signaalwaarde van 40 klinische opnames per dag).
De controlestrategie van het kabinet, en de bijbehorende signaalwaarden in het dashboard Coronavirus, zijn gebaseerd op thans beschikbare (opschaalbare) capaciteit in de Nederlandse ziekenhuizen. Om voorbereid te zijn op een eventuele tweede golf werken de ziekenhuizen aan de uitvoering van een plan om de capaciteit voor COVID-patiënten verder uit te breiden. Op 30 juni heeft de Minister van MZS u over dit opschalingsplan geïnformeerd (1714969-207598-CZ). Voor een verdere uitleg over de opschalingsplannen verwijs ik u graag naar deze eerder aan uw Kamer verzonden brief. Daarnaast bespreekt VWS elke twee weken de stand van zaken in de ziekenhuizen en de eerstelijnszorg met de betrokken koepelorganisaties, om met elkaar de ontwikkelingen (aan de hand van de actuele cijfers en aan de hand van de ervaringen van de zorgsectoren zelf) goed te volgen en om zo nodig maatregelen te treffen.
Tot slot, het kabinet deelt de mening dat zorgverleners ook toe zijn aan een vakantieperiode en dat het in ieders belang is om een tweede golf te voorkomen.
Op welke manier monitort u het aantal nieuwe besmettingen met COVID-19? Zijn er binnen het kabinet afspraken gemaakt bij welk reproductiegetal en hoeveelheid besmettingen opnieuw politieke keuzes moeten worden gemaakt? Bent u bereid om het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) te vragen wederom dagelijks te communiceren in plaats van wekelijks verslag uit te brengen?
Sinds 1 juli bevinden we ons in de controlefase, waarin we beschikken over instrumentarium waarmee onze signaleringsfunctie wordt versterkt om zo snel mogelijk nieuwe oplevingen van het virus in beeld te krijgen. Op basis van deze signalen is het mogelijk op landelijk, regionaal en lokaal niveau snel en gericht maatregelen te treffen, indien het virus oplaait. Deze signalen worden verzameld in het coronadashboard, waarin onder andere ook het aantal nieuwe COVID-19 besmettingen en het reproductiegetal zijn opgenomen.
Het reproductiegetal laat voor heel Nederland zien hoe snel het virus zich verspreidt. Het exacte getal is onbekend, maar we kunnen met vrij veel zekerheid zeggen tussen welke waarden zich dat bevindt. Voor de schatting van dit reproductiegetal wordt sinds 11 juni gebruik gemaakt van het aantal positief geteste mensen met COVID-19. Voorheen werd dit berekend op het aantal nieuwe ziekenhuisopnames. Bij een laag aantal nieuwe ziekenhuisopnames is het aantal positief geteste mensen een betere basis voor deze berekening. Bij lage aantallen ziekenhuisopnames wordt de onzekerheid van het reproductiegetal groter en kan deze meer schommelen.
Bij een reproductiegetal van rond de 1 blijft het aantal besmettingen ongeveer gelijk. Als het reproductiegetal lager is dan 1, dan daalt het aantal besmettingen. Als de schatting boven de waarde 1 komt, moet eerst naar de bandbreedte worden gekeken voordat er conclusies kunnen worden getrokken. De meest recente cijfers laten een reproductiegetal van 1,29 zien. Het RIVM heeft op 21 juli jl. gemeld dat het voor het eerst sinds 15 maart is dat de bandbreedte van het reproductiegetal geheel boven de 1,0 ligt.
Het reproductiegetal dient in samenhang met andere waarden van het coronadashboard bekeken te worden, zoals het aantal ziekenhuis- en IC-opnames, en het aantal besmettelijke mensen en het andere signalen over de ontwikkeling van COVID-19.
Klopt het dat het corona dashboard niet altijd actueel is? Hoe kan het dat het RIVM op 21 juli 2020 om 14.00 uur communiceert dat het reproductiegetal over de gehele week 1,29 betreft, terwijl diezelfde dag om 16.00 uur het corona dashboard nog steeds uitgaat van een reproductiegetal van 0,9? Worden mensen hierdoor niet op het verkeerde been gezet?
Het reproductiegetal wordt één keer per week door RIVM om 14:00 gepubliceerd, evenals het aantal besmettelijke mensen. Daarnaast wordt er dagelijks data aangeleverd zoals over verpleeghuizen en het aantal positief geteste mensen. Na 14:00 uur vindt er een controle plaats, om zeker te weten dat de data goed wordt ingelezen in het dashboard. Dat gebeurt dagelijks uiterlijk om 17:00 uur. Doorgaans gebeurt dat eerder. Op 21 juli was dat om 15:19. Dit tijdstip van deze update wordt aangegeven bovenaan het dashboard. Afhankelijk van de gebruikte browser kan het wenselijk zijn om de website te «refreshen», zodat de allerlaatste gegevens worden getoond.
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 24 juli 2020 afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De recente Zuid-Koreaanse studie naar de overdraagbaarheid van COVID-19 door kinderen |
|
Maarten Hijink , Peter Kwint |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Bent u bekend met de recente Zuid-Koreaanse studie naar de overdraagbaarheid van COVID-19 door kinderen?1
Ja.
Kunt u reageren op de voornaamste conclusies van deze studie, zoals de verwachte toename van het aantal besmettingen door de openstelling van scholen en de nieuwe inzichten op het gebied van overdraagbaarheid van COVID-19 door kinderen?
In de Zuid-Koreaanse studie wordt beschreven dat kinderen COVID-19 in het gezin kunnen introduceren en dat dit tot verdere verspreiding in het gezin kan leiden. Deze beschrijving is gebaseerd op een klein aantal kinderen; van de 5.706 index patiënten waren er slechts 153 (2,7%) in de leeftijdsgroep 0–19 jaar. Op basis van het aantal kinderen dat meegenomen is in de studie kan dus niet worden geconcludeerd dat kinderen een belangrijke rol spelen bij de introductie van het virus in het gezin en de verdere verspreiding in het gezin. Daarmee levert de studie geen nieuwe inzichten op het gebied van overdraagbaarheid van COVID-19 door kinderen op. Er is door de Zuid-Koreaanse onderzoekers geen onderzoek gedaan naar de effecten van openstelling van scholen.
Hoe verhouden deze conclusies zich tot eerder onderzoek in onder meer Nederland en Denemarken waarin het risico op de overdracht van COVID-19 door kinderen juist nihil werd geacht?
De bevindingen van de Zuid-Koreaanse studie wijken niet in belangrijke mate af van eerdere vergelijkbare studies naar de rol van kinderen in overdacht van COVID-19 in Nederland en andere landen. Op basis van voorlopige resultaten van de nog lopende Nederlandse studie in gezinnen is geconcludeerd dat er momenteel geen aanwijzingen zijn dat kinderen een belangrijke rol spelen in de COVID-19-epidemie. Kinderen kunnen echter wel degelijk geïnfecteerd raken en het virus ook overdragen aan anderen, ook binnen het gezin. Dit blijkt ook uit het bron- en contactonderzoek van de GGD’en.
Bent u bereid om deze zomer een overzicht van de meest recente wetenschappelijke inzichten op dit gebied naar de Kamer te sturen en op basis van deze inzichten te kijken of de voorgenomen verruimingen van coronamaatregelen nog verstandig zijn?
Er wordt internationaal veel onderzoek gedaan op het gebied van COVID-19. De WHO houdt een database bij op https://www.who.int/emergencies/diseases/novel-coronavirus-2019/global-research-on-novel-coronavirus-2019-ncov. Nuttiger is mogelijk de ECDC website die een kort overzicht geeft van recent wetenschappelijk bewijs over diverse onderwerpen: https://www.ecdc.europa.eu/en/covid-19/latest-evidence.
Het RIVM volgt daarnaast nauwgezet de internationale literatuur waarbij uiteraard aandacht is voor onderzoek naar de rol die kinderen zouden kunnen spelen bij de transmissie van COVID-19. Het RIVM informeert VWS over de meest recente ontwikkelingen, zodat deze meegenomen kunnen worden in de beleidsvorming.
Bent u bereid om alsnog – na een eventuele heropening van de scholen – besmettingen die zijn te herleiden tot de heropening van scholen actief in kaart te brengen en te communiceren?
De besmettingen onder leraren en leerlingen zijn niet direct terug te leiden naar het heropenen van de scholen, daarom zullen deze ook niet zo gecommuniceerd worden. Zowel leraren als leerlingen komen ook op andere plekken, waardoor ze het virus ook buiten de school hebben kunnen oplopen. Tijdens het bron- en contactonderzoek wordt wel gevraagd naar de vermoedelijke plek van besmetting. Daarnaast zijn scholen en andere instellingen wettelijk verplicht om clusters van COVID-19 te melden aan de GGD. GGD-en melden ongewone clusters aan het RIVM. We hebben afgesproken met het RIVM dat ongewone clusters van besmettingen op scholen aan OCW worden gemeld. Ook worden besmettingen in clusters, die via bron- en contactonderzoek te herleiden zijn tot scholen actief in kaart gebracht.
Het bericht 'Op 38 vluchten op Schiphol passagiers met corona' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Op 38 vluchten op Schiphol passagiers met corona»?1
Ja.
Kunt u aangeven om welke vluchten het ging en kunnen de vluchtgegevens (datum, herkomst, vluchtnummer) gepubliceerd worden?
De vlucht- en passagiersgegevens zijn bekend bij de GGD ten behoeve van het uitvoeren van bron- en contactonderzoek (BCO). Het breder bekend maken van deze gegevens draagt niet verder bij aan een betere bestrijding van het virus, maar mogelijk juist aan onnodige ongerustheid, zeker omdat gebleken is uit het bron- en contactonderzoek dat er geen verdere besmettingen uit zijn ontstaan.
Hoe is vastgesteld dat deze 38 mensen besmet waren? Zijn dit alleen mensen die zich later in Nederland bij de GGD of een huisarts gemeld hebben of zitten hier ook vertrekkende passagiers, korte bezoekers van Nederland of overstappers bij, waarvan de besmetting in een ander land is vastgesteld?
Deze personen zijn in beeld gekomen nadat zij ofwel in het thuisland of in Nederland zijn getest. Het gaat dus zowel om mensen die in Nederland aankomen dan wel mensen die via Nederland hebben gereisd (transfer). Het kan dus ook zijn dat deze mensen pas na hun reis de besmetting hebben opgelopen.
Worden alleen de directe buren in het vliegtuig gewaarschuwd voor een eventuele besmetting, of ook cabinepersoneel of het personeel op de luchthaven zoals de beveiligers die mensen fouilleren?
Bron- en contact onderzoek zal worden opgestart wanneer blijkt dat een reiziger of bemanningslid in de besmettelijke periode aan boord van een vliegtuig heeft gezeten. Passagiers die binnen een straal van 1,5 meter om de patiënt hebben gezeten worden in het protocol bron- en contactonderzoek COVID-19 gedefinieerd als «overige nauw contact». Daarom zal bron- en contactonderzoek worden ingezet gericht op medepassagiers die twee stoelen voor, twee stoelen achter en aan weerzijden van de bewuste passagier hebben gezeten. Ook zal bron- en contactonderzoek worden ingezet gericht op bemanningsleden die intensief contact hebben gehad met de patiënt. Dit gaat bijvoorbeeld om bemanningsleden die extra zorg hebben verleend tijdens de vlucht.
Indien een bemanningslid besmettelijk was tijdens de vlucht, zullen passagiers met wie dit bemanningslid intensief contact heeft gehad en direct samenwerkende collega’s die meer dan 15 minuten aaneengesloten contact hadden op minder dan 1,5 meter worden gewaarschuwd. Dit is vastgelegd in het protocol bron- en contactonderzoek COVID-19.
Overige bemanningsleden worden beschouwd als overige (niet-nauwe) contacten in het bron- en contactonderzoek protocol als zij niet-intensief contact hebben gehad met de index patiënt. Personeel op de luchthaven en beveiligers die mensen fouilleren hebben meestal korter dan 15 minuten contact met reizigers en zullen zodoende doorgaans volgens het protocol bron- en contactonderzoek COVID-19 niet als nauwe of overige (niet-nauwe) contacten worden gedefinieerd worden.
Als passagiers die mogelijk besmet zijn geraakt, zijn doorgereisd, wordt dan hun land van bestemming hierover ingelicht?
Als er iemand in de besmettelijke periode een vliegreis heeft gemaakt, voert de GGD in de regio van de luchthaven waar deze persoon is geland bron- en contactonderzoek uit. Het doel is om alle nauwe contacten, de mensen die vlak bij deze persoon hebben gezeten, te informeren. Als er contacten zijn doorgereisd naar andere landen, dan worden deze landen door het RIVM via het National Focal Point op de hoogte gesteld.
Hebben de besmette reizigers uit niet-Schengenlanden (tien uit Servië, acht uit Kazachstan, drie uit de VS, twee uit Brazilië, twee uit Ghana, twee uit India en twee uit Kenia) een voor Nederland essentieel beroep of andere dringende noordzaak, of waren dat vakantiegangers?
De reden van de reis wordt niet doorgegeven aan de GGD. Op dit moment is voor de meeste landen buiten de EU, de Schengenlanden en het Verenigd Koninkrijk het EU-inreisverbod van kracht. Dit betekent dat personen uit deze landen niet naar Nederland kunnen reizen, tenzij zij zwaarwegende redenen hebben om naar Nederland te reizen en daarom onder één van de uitzonderingen vallen. De Marechaussee controleert hierop en heeft al ruim 300 mensen tegengehouden. Deze maatregel beperkt de reisbeweging uit derde landen sterk. Voor de landen waarvoor op dit moment het EU-inreisverbod van kracht is, geldt een oranje reisadvies (alleen noodzakelijke reizen).
Zijn de reizigers uit de brandhaarden India, Brazilië en de VS rechtstreeks gevlogen of via een overstaproute?
Het gaat om 3 reizigers vanuit India, 4 uit Brazilië en 4 uit de Verenigde Staten. Het gaat volgens internationale afspraken alleen om rechtstreekse vluchten. Als er een overstap is geweest, kijken de gezondheidsautoriteiten van het land waar de overstap heeft plaatsgevonden naar het rechtstreekse traject, dat naar luchthaven van transfer is afgelegd.
Kunt u toelichten hoe het staat met de uitvoering van de motie van de leden Kröger en Paternotte (Kamerstuk 29 665, nr. 388)?
Over de uitvoering van deze motie wordt uw Kamer spoedig per brief geïnformeerd.
Bent u nog steeds van mening dat de vraag of een reis noodzakelijk is en een vlucht naar een regio verantwoord, het beste kan worden beoordeeld door de betreffende reizigers die die reis willen maken of de luchtvaartmaatschappij die die tickets wil verkopen?
Of een vlucht naar een bepaalde regio verantwoord is, hangt van veel factoren af. De enige mogelijkheid die het kabinet heeft om hierop in te grijpen is het instellen van een vliegverbod. Dat is echter een uiterst zwaar middel, waarmee ook mensen die een noodzakelijke reis willen maken worden beperkt. Verder is een vliegverbod binnen Europa te omzeilen als het niet in overleg met andere landen wordt ingesteld.
Is uit de rioolmonsters van de GGD bij Schiphol in te schatten hoeveel coronagevallen daar komen of verblijven? Is er een parallel tussen geconstateerde concentraties in het rioolwater en de geïdentificeerde besmettingen?
Niet iedereen besmet met het coronavirus heeft het virus in de ontlasting en ook de hoeveelheden virussen in de ontlasting zijn variabel. Dat betekent dat de virussen van veel mensen afkomstig kunnen zijn die weinig virus uitscheiden, of van weinig mensen die veel virus uitscheiden en alles daartussenin. Bovendien kunnen deze virusdeeltjes in het rioolwater van Schiphol afkomstig zijn van een diverse groep mensen. Dit kunnen onder andere mensen zijn die werkzaam zijn op Schiphol, reizigers die uit het buitenland (terug)komen, reizigers die vertrekken en reizigers die op doorreis zijn. Het is vooralsnog dus onduidelijk van hoeveel mensen de virusdeeltjes afkomstig zijn en waar deze mensen verblijven.
Wordt behalve het rioolwater van Schiphol ook dat uit de septictanks van vliegtuigen getest? Zo nee, is dat een optie?
Het is mogelijk om septictanks van vliegtuigen te bemonsteren en het afvalwater te analyseren op SARS-CoV-2. Het geeft echter enkel een indicatie óf er mensen met het coronavirus vliegen en zegt niks over of personen daadwerkelijk op de vlucht besmettelijk waren. Met de huidige en te verwachten toenemende aantallen passagiers en vluchten vergt dit ook een behoorlijke inspanning. Vanwege deze redenen is het effectiever om, wanneer iemand op de vlucht positief blijkt, bron- en contactonderzoek in te zetten.
De richtlijnen van het RIVM die tot onveiligheid in de ouderenzorg leidden |
|
Lilian Marijnissen , Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
1. Wat vindt u van de strekking van het onderzoek van Nieuwsuur dat het gebrek aan beschermingsmiddelen – met name in de ouderenzorg – tot extra besmettingen en overlijdens heeft geleid?1
De kennis over het virus was nog sterk in ontwikkeling. De (mondiale) vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen steeg explosief. Dat maakte dat persoonlijke beschermingsmiddelen wereldwijd veel moeilijker verkrijgbaar waren en zo ook in Nederland. Ik begrijp goed dat zorgmedewerkers vaak in onzekerheid verkeerden of ze goede en veilige zorg konden blijven verlenen. Datzelfde geldt voor werkgevers gegeven hun verantwoordelijkheid. Bij een (ervaren) tekort aan beschermingsmiddelen was en is het belangrijk dat medewerkers dit met hun werkgever bespreken. Biedt dit gesprek geen uitkomst, dan kunnen professionals dit melden bij de Inspectie SZW en/of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
Indien VWS concrete signalen ontving vanuit de branche-organisaties of vanuit individuele verpleeghuizen van (dreigende) tekorten aan PBM waarbij duidelijk was om welke zorgorganisatie het ging, werd vanuit VWS contact opgenomen met de zorgorganisatie om na te gaan wat precies de situatie was. Indien nodig is daarop actie ondernomen en in contact met het betreffende ROAZ gezorgd dat (dreigende) tekorten zo goed mogelijk werden aangepakt.
De IGJ en de Inspectie SZW hebben meldingen gekregen waarin zorgen werden uitgesproken over persoonlijke beschermingsmiddelen buiten de ziekenhuizen. In telefonische contacten van de IGJ met zorginstellingen kreeg de IGJ tot en met april signalen over angst voor tekorten aan persoonlijke beschermingsmiddelen. Bij doorvragen bleek dat er geen risicovolle situaties zijn ontstaan doordat er écht geen beschermingsmiddelen meer beschikbaar waren en/of RIVM-richtlijnen niet gevolgd konden worden. Steeds kon men dan – bijvoorbeeld met hulp van collega-instellingen of VWS – (net) op tijd toch aan materialen komen.
De IGJ en de Inspectie SZW geven aan dat er geen calamiteiten als gevolg van tekorten aan persoonlijke beschermingsmiddelen bij de IGJ zijn gemeld, terwijl het melden van calamiteiten wettelijk verplicht is.
Daarmee is een dergelijke stellige conclusie is nu niet te trekken. Er zijn veel factoren die een rol kunnen spelen bij de verspreiding van het virus in de ouderenzorg.
Bovenstaande hebben we ook geantwoord op verschillende vragen van Nieuwsuur.
Deelt u de mening dat er veel meer voorzorgsmaatregelen hadden moeten worden genomen? Hoe kijkt u hier op terug?
Ik vind dat de zorginstellingen over het algemeen hun taken met zeer veel verantwoordelijkheid hebben opgepakt en adequaat hebben gereageerd daar waar een besmetting in een zorginstelling bekend werd. We hebben allemaal geleerd van deze periode en zoals ik in mijn brief van 16 juli jl. «lessen verpleeghuizen met het oog op een eventuele tweede golf» aan uw Kamer heb vermeld, heb ik samen met onafhankelijk experts, cliëntenorganisaties, beroepsorganisaties en brancheorganisaties een aantal geleerde lessen geformuleerd, waar we met elkaar lering uit trekken, juist ook naar de toekomst toe. Ik heb met deze organisaties wekelijks contact, waarbij de toepassing van de lessen in de praktijk waar nodig kan worden besproken.
Waarom weken de richtlijnen van het RIVM af van de richtlijnen zoals bijvoorbeeld toegepast in Duitsland als schaarste – volgens u – geen rol speelde bij het opstellen van de richtlijn?
Andere landen hebben hierin hun eigen afweging gemaakt op basis van de specifieke situatie en wetenschappelijke adviezen in die landen. VWS heeft hierover geen inhoudelijk oordeel.
Hoe kan het dat u, als het gaat om de eindverantwoordelijkheid over de veiligheid van zorgverleners, wijst naar de werkgevers terwijl u diezelfde werkgevers juist stelselmatig heeft opgeroepen niet meer bescherming aan te bieden dan de RIVM-richtlijnen voorschreven?
De uitgangspunten van het RIVM zijn gericht op de veiligheid van zorgmedewerkers en de besmettingsrisico’s van specifieke handelingen in de zorg. Met het gebruik van deze richtlijn is er ook gewezen op het gepast gebruik van beschermingsmiddelen. In de zorg geldt dat richtlijnen/uitgangspunten de ruimte geven om hiervan op basis van de professionele inschatting en ervaring van de zorgverlener in specifieke situaties beredeneerd af te wijken. Dit is expliciet verwoord in de versie van de uitgangspunten die op 1 mei is gepubliceerd.
Werkgevers zijn verantwoordelijk voor een veilige werkomgeving en voor goede en continue zorg aan patiënten en cliënten. Indien werknemers van mening zijn dat ze niet veilig zorg kunnen verlenen dienen ze hierover in gesprek te gaan met hun werkgever. Biedt dit gesprek onverhoopt geen uitkomst, dan kunnen professionals dit melden bij de Inspectie SZW en/of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
Denkt u dat werkgevers hun verantwoordelijkheid voor de bescherming van zorgverleners voldoende hebben kunnen nemen als bestuurders – bijvoorbeeld Buurtzorg-directeur Jos de Blok – door de IGJ gebeld wordt over zijn extra inzet van persoonlijke beschermingsmiddelen? Nodigen dergelijke gesprekken uit tot het nemen van verantwoordelijkheid of zullen bestuurders die meer hebben opgevat om juist niet meer te doen dan de richtlijnen die op dat moment tekortschoten?
De IGJ heeft na het uitbreken van de corona-pandemie in elke provincie contact opgenomen met de meeste zorgaanbieders in de VVT. In deze gesprekken is onder meer gevraagd of de zorginstelling de zorg die nodig is nog georganiseerd krijgt, of er voldoende beschermingsmiddelen zijn en of de organisatie contact heeft met de regionale samenwerkingsverbanden en/of GGD. In dat kader is ook contact gelegd met Buurtzorg. De IGJ geeft zorgverleners de ruimte om de zorg op afwijkende manieren te organiseren, mits hierbij het leveren van passende persoonsgerichte, veilige en verantwoorde zorg voorop staan. Wet- en regelgeving, professionele standaarden, richtlijnen en veldnormen zijn daarvoor richtinggevend. De bestuurder is en blijft eindverantwoordelijk.
Welke kritiek hebben brancheorganisaties uit de verpleeg- en thuiszorg en gehandicaptenzorg gegeven en wat heeft u daarmee gedaan? Kunt u in een tijdlijn uiteenzetten sinds wanneer brancheorganisaties kritiek hebben geleverd op de richtlijnen van het RIVM en wanneer dit tot concrete aanpassingen van de richtlijnen leidde?
Alle zorgpartijen hebben altijd hun opmerkingen en vragen rondom de RIVM-uitgangspunten kunnen aangeven. Nadat het RIVM een eerste versie van de uitgangspunten had opgesteld, heeft VWS deze versie voorgelegd aan de veldpartijen met de vraag of het advies zou werken met betrekking tot de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid en daarop hebben de organisaties gereageerd. VWS heeft hierbij een faciliterende rol gespeeld. Het RIVM is inhoudelijk verantwoordelijk voor de uitgangspunten en heeft opmerkingen zo nodig verwerkt in de definitieve versies. De eerste versie is verschenen op 20 maart. Gaandeweg zijn de uitgangspunten aangepast. Op de RIVM website staat onder de uitgangspunten vermeld wanneer aanpassingen zijn gepleegd. Inmiddels sluit het RIVM -op aanvraag- aan bij het wekelijks overleg met de koepelorganisaties, waardoor zij vragen en onduidelijkheden kunnen beantwoorden en toelichten.
Deelt u de mening dat de richtlijnen in strijd zijn met de Arbowet omdat sommige zorgverleners ernstig ziek zijn geworden en blijvende schade hebben overgehouden? Zo nee, waarom niet?
Het is te betreuren dat zorgmedewerkers ziek zijn geworden. De Arbowetgeving is erop gericht om werkenden zo goed mogelijk te beschermen tegen schadelijke gevolgen van werk. Helaas is niet altijd uit te sluiten dat er soms toch schadelijke gevolgen zijn.
Waarom heeft de arbeidsinspectie niet onderzocht of de richtlijnen overeenkomen met Arbowetgeving? Welke juridische basis ligt ten grondslag aan de werkwijze van de arbeidsinspectie om in de handhaving te toetsen aan de RIVM-richtlijnen, ook toen helemaal niet duidelijk was of deze richtlijnen wel tot een veilige werkomgeving leidden?
In mijn brief van 15 april (kenmerk 1675769–204341-PG) heb ik u laten weten dat de Inspectie SZW tijdelijk de door het RIVM gehanteerde normen en instructies voor gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen als uitgangspunt hanteert bij haar toezichtstaken.
Het gaat om professionele richtlijnen die door deskundigen worden opgesteld en daarop vindt geen toetsing door de Inspectie SZW plaats. De Inspectie SZW heeft een zelfstandige rol in het toezicht op basis van de Arbowet. Op basis van deze wet is de werkgever verantwoordelijk voor de werkomstandigheden van de werknemers. De werkgever moet de risico’s op de werkvloer inventariseren, evalueren en op basis daarvan passende maatregelen nemen. De Inspectie ziet daarop toe en treedt zo nodig handhavend op. In mijn brief van 15 april (kenmerk 1675769–204341-PG) heb ik u laten weten dat de Inspectie SZW tijdelijk de door het RIVM gehanteerde normen en instructies voor gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen als uitgangspunt hanteert bij haar toezichtstaken.
Waarom was de Nederlandse arbeidsinspectie niet nauwer betrokken bij het opstellen van de richtlijnen in plaats dat zij werd opgedragen het RIVM te volgen? Heeft de arbeidsinspectie ook niet een eigenstandige bevoegdheid om te bepalen welke normen gehanteerd worden om de veiligheid van zorgverleners te waarborgen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kan het dat het RIVM stelt dat er bij het opstellen wel rekening is gehouden met schaarste en het ministerie dat dit niet het geval is? Op welke wijze is het schaarsteargument uiteindelijk uit de richtlijn van het RIVM verdwenen? Is daarover contact geweest tussen het ministerie en het RIVM?
Door zowel het RIVM als VWS is steeds aangegeven dat de uitgangspunten gebaseerd zijn op de veiligheid van zorgmedewerkers en patiënten/cliënten en de risico’s van specifieke handelingen in de zorg. Daarbij was gepast gebruik op basis van de uitgangspunten ook gewenst, niet bepalend, gezien de context van mondiale schaarste.
Deelt u de mening dat de richtlijnen schaarste in de hand werkten en dat als de richtlijnen meer waren gericht op veiligheid er meer prikkels waren geleid die ertoe zouden hebben geleid om beschermingsmiddelen te bemachtigen en dit ook zou zijn gelukt?2
Die mening deel ik niet. Het devies voor het LCH was om maximaal in te kopen via betrouwbare kanalen en dat heeft de schaarste doen afnemen. Deze schaarste gold overigens wereldwijd. Er was een toename van 60x de normale vraag.
Deelt u de mening dat het argument van schijnveiligheid van wantrouwen getuigt richting zorgverleners omdat zij wel degelijk weten hoe ze deze materialen moeten gebruiken?
Het is belangrijk dat zorgverleners de beschermingsmiddelen goed gebruiken. In verschillende filmpjes en instructies van koepel- en beroepsverenigingen wordt daaraan aandacht besteed. De beroepsvereniging V&VN heeft een praktische handreiking opgesteld. Ook de bonden hebben een handreiking opgesteld. Bovendien kunnen zorgmedewerkers beredeneerd afwijken van de uitgangspunten omtrent het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Dit geeft aan dat er voldoende vertrouwen is in de kennis en inschattingsvermogen van zorgmedewerkers.
Wat vindt u ervan dat het RIVM erkent dat het argument van schijnveiligheid gebaseerd is op de persoonlijke ervaring van de heer van Dissel en zijn observaties in de dagelijkse praktijk? Deelt u de mening dat dit veel te summier is en het argument van tafel kan?
De uitspraak van de heer Van Dissel werd volgens het RIVM ondersteund door expert opinions, gebaseerd op onderzoek en betrof niet alleen een persoonlijke ervaring van de heer Van Dissel.
Waarom is niet eerder aangesloten bij de handelwijze van onder andere Duitsland waar asymptomatische overdracht van het virus eerder erkend werd waardoor ook eerder preventief mondmaskers werden voorgeschreven in richtlijnen?
Ieder land maakt zijn eigen afweging op basis van de specifieke situatie en wetenschappelijke adviezen. De uitgangspunten van het RIVM zijn steeds gebaseerd op de actuele kennis van deskundigen omtrent het virus en hun risico-inschatting van het besmettingsrisico ingeval van patiënten met (verdenking van) Covid-19. Het OMT heeft in zijn advies van 27 augustus geadviseerd dat introductie van het virus in een verpleeghuis wanneer de omgevingsprevalentie toeneemt kan worden voorkomen door preventief gebruik van pbm door medewerkers.
Hoe kan het dat het RIVM het niet altijd nodig vond bij (verdenkingen van) besmettingen mondmaskers te dragen als er anderhalve meter afstand kon worden gehouden tot de patiënt?
Dit vloeit voort uit de aard van het virus en de manier waarop het verspreid wordt. Als het mogelijk is om anderhalve meter afstand te houden is de kans op besmetting zeer klein en niet nodig om mondmaskers te dragen. Anders dan in de Nieuwsuur-uitzending werd gesuggereerd is de situatie in een verpleeghuis wezenlijk anders in de het openbaar vervoer. In het verpleeghuis gaat het om een medisch mondmasker en is bovendien triage mogelijk en kennen de zorgmedewerkers hun cliënten en kunnen zich zodoende een oordeel vormen. De zorgmedewerkers kunnen daarnaast ook gebruik maken van de praktische handreikingen voor het gebruik van beschermende middelen gemaakt door de beroepsorganisatie V&VN. Ook de bonden hebben een handreiking opgesteld.
Hoe kan het dat zelfs bij contact dat wel binnen de anderhalve meter plaatsvond maar enkel vluchtig was, ook een mondkapje niet nodig werd geacht? Hoe kan het dat op straat de anderhalve meter werd gehandhaafd maar zorgverleners gewoon onbeschermd dichtbij kwetsbare patiënten mochten komen? Hoe legt u dit uit?
De uitgangspunten van het RIVM zijn steeds gebaseerd op de actuele kennis van deskundigen omtrent het virus en hun risico-inschatting van de besmettingsrisico’s in bepaalde behandel- en verpleegsituaties ingeval van patiënten met (verdenking van) Covid-19. Het RIVM heeft aangegeven dat op grond van de medische risico-inschatting is geoordeeld dat het risico van een vluchtig contact binnen de 1,5 meter (bijv. aanreiken van een glas water en dergelijk, waarna de 1,5 meter weer in acht genomen wordt) geduid moet worden als een contact met een zeer klein risico op besmeting. Daarnaast geldt dat zorgverleners op basis van hun professionele in specifieke situaties beredeneerd kunnen afwijken van de uitgangspunten.
Overigens heeft het RIVM dit uitgangspunt sinds 17 augustus aangepast, omdat het in de dagelijkse praktijk tot onduidelijkheid en problemen bleek te leiden.
Zie: https://www.rivm.nl/toelichting-op-aanpassing-uitgangspunten-mondneusmaskers.
Hoe kan het dat veel zorgverleners nog werken met chirurgische maskers terwijl we weten dat deze niet voldoende bescherming bieden zoals FFP-maskers dat doen?
Op 19 maart is er een advies aan het OMT voor het gebruik van het type mondmaskers, het verlengd gebruik en het hergebruik goedgekeurd. Het advies houdt in dat op basis van de huidige kennis ten aanzien van de transmissieroute van COVID-19 via druppels en (in)direct contact, een chirurgisch mondneusmaker type IIR voldoende bescherming biedt voor gezondheidsmedewerkers die patiënten moeten verzorgen met COVID-19 (WHO, Leidraad-NVMM). Het gebruik moet aansluiten op de taken en functies van de verschillende medewerkers, en is o.a. afhankelijk van of er hoog-risicohandelingen worden verricht. Voor aerosolvormende handelingen is een FFP2-masker vereist.
Erkent u dat in de thuiszorg en in de gehandicaptenzorg ook niet altijd anderhalve meter afstand kan worden gehouden en dat het onverklaarbaar is dat zo lang volgehouden is dat in de huishoudelijke zorg geen mondmaskers nodig zijn?
Het klopt dat zeker in de gehandicaptenzorg de 1,5 meter moeilijk vol te houden is. Dit geldt ook voor cliënten met dementie (thuis of in het verpleeghuis).
De zorgprofessional kan altijd beredeneerd afwijken van de richtlijn en wel kiezen voor het gebruik van mondmaskers. De huishoudelijke medewerkers verrichten veelal geen handelingen waarbij gevaar voor besmetting is. Zij kunnen afstand blijven houden van de cliënt. Daarnaast zijn er voor huishoudelijke medewerkers «reservepakketjes» gemaakt, die gebruikt kunnen worden bij onverwachte situaties of bij een «niet pluis» gevoel.
Het bericht 'Viecurie vreest voor zelfstandigheid' |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Martijn van Helvert (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «LZR zet streep door ziekenhuisfusie die niet weg wil gaan»1 en «VieCurie vreest voor zelfstandigheid»?2
Ja.
Wat vindt u hiervan?
Een fusie is de meest vergaande vorm van samenwerking. Of een fusie positieve of negatieve effecten heeft, is op voorhand niet altijd goed te voorspellen. Dit is afhankelijk van de situatie en de beweegredenen voor het wel of niet fuseren en moeten worden afgewogen met mogelijke andere scenario’s. Op dit moment is het Laurentius Ziekenhuis Roermond tot de conclusie gekomen dat een fusie niet de optimale samenwerkingsvorm voor de twee ziekenhuizen is.
In dit geval waren het VieCuri en Laurentius ziekenhuis voornemens te fuseren om de continuïteit van een breed pallet van zorg in de toekomst te kunnen waarborgen. Redenen hiervoor waren onder andere het kunnen voldoen aan volumenormen, specialismen behouden, noodzakelijke en wenselijke investeringen kunnen doen (bijvoorbeeld digitalisering van zorg) en de kwaliteit van de tweedelijnszorg in de regio te kunnen garanderen.
Het is aan de zorgverzekeraars om met de ziekenhuizen in gesprek te gaan om de continuïteit en kwaliteit te borgen. Het is goed dat er gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de verzekeraar CZ en de nieuwe Raad van Bestuur van het Laurentius ziekenhuis. Binnenkort spreekt CZ met een delegatie van de medische staf van het Laurentius ziekenhuis en de Raad van Bestuur. Ik hecht eraan en ga ervan uit dat de verzekeraars en de ziekenhuizen komen tot een werkwijze die niet alleen op de korte, maar ook op de middellange en lange termijn de continuïteit en de kwaliteit van de zorg borgt.
Brengt het afblazen van deze fusie de zelfstandigheid van de ziekenhuizen in gevaar, zoals de bestuurder van VieCuri in de Limburger stelt? Waarom deelt u die mening wel of waarom deelt u die mening niet?
Ik acht het van groot belang dat de kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid van de (acute) zorg steeds is geborgd. Gehoord de ziekenhuizen en zorgverzekeraars is het belangrijk dat de ziekenhuizen met alle betrokken partijen in gesprek blijven om de gevolgen van het afzien van de fusie te overzien en een koers te bepalen die de noodzakelijke kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid niet alleen voor de korte termijn maar ook voor de langere termijn borgt.
De twee ziekenhuizen, zorgverzekeraars en het Netwerk Acute Zorg Limburg zijn gevraagd naar hun visie op de zelfstandigheid van de ziekenhuizen.
Het VieCuri ziekenhuis geeft aan dat zonder substantiële schaalvergroting een zelfstandig voortbestaan van met name de acute zorg in Midden-Limburg en de topklinische zorg in Noord-Limburg op termijn niet houdbaar is. Het ziekenhuis geeft aan dat het vanwege de schaalgrootte nu al lastig is om de acute zorg in Midden-Limburg (adherentiegebied Laurentius) te bemensen. Voor de regio Noord-Limburg (adherentiegebied VieCuri) komt volgens het VieCuri ziekenhuis niet zozeer de continuïteit van de acute zorg als wel het kunnen blijven aantrekken van voldoende gekwalificeerde medewerkers en daarmee het in stand houden van het ruime opleidingsaanbod van een topklinisch opleidingsziekenhuis mogelijk in de knel. Dat is volgens het VieCuri ziekenhuis een aderlating voor de kwaliteit van zorg in Noord- en Midden-Limburg en voor de spreiding van hoogwaardig zorgaanbod. Ook door een deel van de medisch specialisten van het Laurentius ziekenhuis zijn zorgen geuit over de toekomst van de (acute) zorg.
Het Laurentius ziekenhuis geeft aan dat er op korte/middellange termijn (5–10 jaren) geen gevolgen zijn voor het zorgaanbod in Midden-Limburg. In plaats van een fusie wil het Laurentius ziekenhuis zich richten op betere samenwerking. Hierbij blijft VieCuri hun preferred ziekenhuispartner. Daarnaast wil het Laurentius ziekenhuis nu vol inzetten op samenwerking met de huisartsen, de thuiszorg en de verpleegzorg. Dat vraagt samenwerking in een netwerk en niet meer in een bolwerk, aldus het Laurentius ziekenhuis. De aandacht van horizontale samenwerking wordt voor een gedeelte verlegd naar verticale samenwerking; deze samenwerking is voor hen in de Covid-periode zeer waardevol gebleken. Het Laurentius ziekenhuis geeft aan dat in het land tal van voorbeelden zijn van regiomaatschappen waarmee zelfstandig voortbestaan ondervangen wordt.
Het Netwerk Acute Zorg Limburg (NAZL) geeft aan dat het niet doorgaan van de fusie de kwaliteit van de acute zorg niet raakt. De samenwerking in de ROAZ regio Limburg is goed en ook nu van de fusie afzien heeft geen consequenties voor de zorgkwaliteit, zo stelt het NAZL.
Op de korte termijn (1–3 jaar) voorziet zorgverzekeraar CZ geen problemen, evenwel op de middellange en lange termijn verwacht CZ dat het zelfstandig voortbestaan van het Laurentius Ziekenhuis mogelijk kwetsbaar is, bijvoorbeeld door de kleinschaligheid van enkele vakgroepen. Daarnaast geeft CZ aan dat het VieCuri-ziekenhuis mogelijk een probleem zal krijgen rondom de eisen die aan topklinische (STZ-)ziekenhuizen gesteld worden.
Zorgverzekeraar VGZ laat weten geen gevaar te zien voor de zelfstandigheid van de ziekenhuizen. Kwaliteit kan volgens hen worden geborgd in samenwerkingsverband, daar is in hun ogen geen fusie voor nodig. De zorg van VGZ is juist dat door een fusie concentratie van zorg ontstaat waardoor de acute zorg en de 45-minutennorm in het geding kunnen komen.
Ook Zilveren Kruis geeft aan dat op lange termijn de kwaliteit geborgd kan worden door als zelfstandige ziekenhuizen meer samen te werken met andere partners waarbij bepaalde vormen van zorg geconcentreerd aangeboden kunnen worden.
Wat zijn de huidige voorzieningen met betrekking tot spoedeisende- en eerste hulpafdelingen (SEH) en de afdeling verloskunde in deze ziekenhuizen?
Zowel het VieCuri als het Laurentius ziekenhuis beschikken over een Spoedeisende Hulp (SEH), Intensive Care (IC) en een acute verloskundige afdeling. Alleen in geval van ernstige trauma’s of grote hartproblemen verwijst het Laurentius door naar respectievelijk het MUMC en VieCuri. Gecompliceerde verloskundige zorg wordt eveneens in de omringende ziekenhuizen geboden behalve op locatie Sittard van Zuyderland: de verloskundige zorg van dat ziekenhuis is geconcentreerd op locatie Heerlen. VieCuri is een zogenaamd traumacentrum level 2. Dit betekent dat alle vitaal bedreigde patiënten worden opgevangen behalve in geval neurochirurgie gevraagd is.
Hoe verhouden deze zich tot de omringende ziekenhuizen in de regio?
De volgende ziekenhuizen in de regio hebben ook een 24/7-uurs basis SEH en een acute verloskunde afdeling (bron: https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/acute-zorg/regionaal-internationaal/seh#node-locaties-ziekenhuizen-met-seh):
Maastricht UMC+
Zuyderland Medisch Centrum Heerlen
Zuyderland Medisch Centrum Sittard-Geleen (alleen SEH)
Máxima Medisch Centrum Veldhoven
Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis Nijmegen
Catharina Ziekenhuis Eindhoven
Elkerliek Ziekenhuis Helmond
Jeroen Bosch Ziekenhuis ’s-Hertogenbosch
Maasziekenhuis Pantein Beugen
St. Anna Ziekenhuis Geldrop
St. Jans Gasthuis Weert
Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis Tilburg
Bernhoven Ziekenhuis Uden
Radboudumc Nijmegen
Na de fusie tussen de ziekenhuizen in Sittard en Heerlen besloot Zuyderland de verloskundige zorg te concentreren op locatie Heerlen. Het Laurentius ontvangt ook patiënten uit de regio rondom Sittard. Het Sint Jans Gasthuis in Weert heeft een kleine acute zorgvoorziening.
In ROAZ-verband (Regionaal overleg Acute Zorg) werken alle ziekenhuizen in de regio Limburg samen ten aanzien van de invulling van de acute zorg in de regio.
Wat is het totaal aantal patiënten per ziekenhuis per jaar en wat is het aantal patiënten per jaar op de SEH per ziekenhuis?
Het Laurentius ziekenhuis heeft laten weten dat in 2019 de volgende patiëntaantallen golden:
Het VieCuri ziekenhuis heeft laten weten jaarlijks ruim 120.000 polipatiënten (unieke polikliniekbezoeken) te zien en telt ruim 20.000 patiënten met verblijf per jaar. Het patiëntenaanbod op de SEH was in 2019 23.000 mensen.
Is het waar dat geen van deze twee ziekenhuizen een «gevoelig» ziekenhuis is?
Op dit moment is geen van beide ziekenhuizen een gevoelig ziekenhuis volgens de RIVM gevoelige ziekenhuisanalyse van 26 juni 2020.
Zijn er regiobeelden over de zorgbehoefte opgesteld en zijn deze regiobeelden beschikbaar? Zo ja, wat zijn daarvan de conclusies? Zo nee, waarom zijn die er niet?
Er is een regiobeeld beschikbaar voor Noord- en Midden-Limburg door VGZ opgesteld. Conclusies zijn dat in regio Noord- en Midden-Limburg de vergrijzing en ontgroening sterker is dan in de rest van Nederland. Er is een sterke toename van hulpbehoevende ouderen in combinatie met een kleiner wordende groep mensen (mantelzorgers) die deze ouderen (85+) kan ondersteunen.
In de ouderenzorg is er een stijgende zorgvraag voor Wlz verpleging en verzorging. De wachtlijsten zijn groot. De wachttijden zijn veelal te lang. In deze regio verloopt de doorstroming in de keten van ouderenzorg stroef, wat leidt tot verkeerde bed problematiek in het ziekenhuis. De regio moet zich voorbereiden op het opvangen van een sterke vergrijzing. In de GGZ liggen de wachttijden onder het landelijk gemiddelde, met uitzondering van behandeling voor eetstoornissen. Mensen krijgen zorg binnen passende termijn. Hierin onderscheidt deze regio zich positief.
Het aantal inwoners met overgewicht is hoger dan landelijk gemiddeld en stijgt sterker. Het aantal ouderen dat is aangewezen op zorg groeit. Het aantal mensen met dementie binnen deze groep neemt sterk toe. Het gebruik van (basis) GGZ is fors lager dan landelijk en neemt af.
Het vooruitzicht voor de arbeidsmarkt in relatie tot gezondheidszorg is erg zorgelijk, zo geeft het regiobeeld aan. Van het huidige personeel in de zorg is meer dan 25% ouder dan 55 jaar. Voor wat betreft verpleging en verzorging wordt over 10 jaar een tekort van ca. 2.000 medewerkers verwacht. Ook in de GGZ speelt arbeidsmarktproblematiek. De komende 20 jaar komen relatief weinig jongeren beschikbaar voor de arbeidsmarkt.
Welke wijzingen in het zorgaanbod van beide ziekhuizen zouden hebben plaatsgevonden indien de fusie zou zijn doorgegaan?
De fusie was gericht op het duurzaam kunnen blijven aanbieden van een breed pallet aan zorg in Noord- en Midden-Limburg. Op die manier kon het gefuseerde ziekenhuis in de toekomst blijven voldoen aan de kwaliteitsnormen, konden de knelpunten in de personele bezetting aangepakt worden en konden ontwikkel- en investeringsprogramma’s gezamenlijk uitgevoerd worden. Ook zou de acute functie in Roermond gehandhaafd worden en kon de status van een topklinisch ziekenhuis voor het fusieziekenhuis gegarandeerd worden.
Er zou lateralisatie van zorg (het verplaatsen van zorg van de ene naar de andere locatie) plaatsvinden tussen de locaties Venlo (VieCuri) en Roermond (Laurentius) in een gefuseerde setting zodat de patiënten in het adherentiegebied van het fusieziekenhuis alle zorg in de gecombineerde regio Noord en Midden Limburg kunnen blijven ontvangen.
Hoe gaat de nauwe samenwerking worden ingevuld waarvan het ziekenhuis Laurentius aangeeft aan dat dit dient te gebeuren?
Beide ziekenhuizen zijn gevraagd naar hun visie op samenwerking in de toekomst. Het beleidsvoornemen van Laurentius is om een nieuwe strategische koers 2021–2025 uit te zetten gebaseerd op de volgende pijlers: verder ontwikkelen van de samenwerking in de keten in de regio Midden-Limburg met huisartsen, verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg (VVT) en GGD, het verder verkennen en ontwikkelen van samenwerkingen met de tweede- en derdelijns organisaties met VieCuri als voorkeurspartner en het aangaan van langlopende contracten met zorgverzekeraars. Dit beleidsvoornemen wordt in de komende tijd nader uitgewerkt. Hier worden de verschillende externe stakeholders bij betrokken, zo laat het ziekenhuis weten.
Het VieCuri ziekenhuis geeft aan samenwerking niet als leidende vorm tussen beide ziekenhuizen te zien. In tegenstelling tot fusie brengt het volgens hen niet de structurerende condities mee die noodzakelijk zijn voor de regionale spreiding en concentratie van zorgaanbod, voor de hogere norm- en volume-eisen die gesteld gaan worden, voor de forse investeringen die hen te doen staan en voor de versteviging van hun aantrekkingskracht op de arbeidsmarkt.
De komende periode zal het VieCuri ziekenhuis de strategische koers opnieuw bepalen. Kandidaatschap als eerste Magnet-ziekenhuis in Nederland zal daar onderdeel van zijn. Dit betekent dat de expertise en ervaring van hun verpleegkundigen expliciet uitgangspunt is van het strategisch beleid.
In hoeverre zijn regionale bestuurders betrokken geweest bij deze besluitvorming?
Beide ziekenhuizen en de betrokken zorgverzekeraars zijn gevraagd naar hun betrokkenheid in de besluitvorming om het fusieproces af te breken.
Het Laurentius ziekenhuis heeft het fusievoornemen door een tweetal externe onderzoeksbureaus (PwC en Giotto) laten beoordelen in het licht van de actuele ontwikkelingen. De vraag luidde: «Is fusie daarin nog steeds het goede antwoord?» Het Laurentius ziekenhuis geeft aan dat bij dit onderzoek alle interne stakeholders (zoals Raad van Toezicht, Ondernemingsraad, Cliëntenraad, Verpleegkundig Stafbestuur, medisch specialisten) betrokken c.q. geïnterviewd zijn geweest. Veel externe relevante stakeholders zijn geïnterviewd: Raad van Bestuur van Pantein en de Zorggroep, Zorgverzekeraars CZ, VGZ en Zilveren Kruis, Ambulance Zorg Limburg Noord, de Rabobank, Raad van Bestuur van omliggende ziekenhuizen en de Raad van Bestuur van het VieCuri ziekenhuis en de vakgroepen Chirurgie en Orthopedie, het Medisch Specialistisch Bedrijf en de afdeling Finance van VieCuri. Het advies van Giotto is (mede) aanleiding geweest tot een heroverwegingsperiode. In het vervolgonderzoek werd met name een onderzoek gedaan naar ICT integratiekosten en fusievoordelen. Dit onderzoek en het nieuwe zorgbeeld anno 2020 waaraan de praktijk van de Covid pandemie onlosmakelijk verbonden is, gaf het Laurentius ziekenhuis uiteindelijk genoeg redenen om het fusieproces met VieCuri af te breken.
De Raad van Bestuur van het VieCuri ziekenhuis geeft aan dat de besluitvorming tot fusie weloverwogen en gezamenlijk met het Laurentius ziekenhuis tot stand is gekomen en een lange en zorgvuldige voorbereiding kent. Het VieCuri ziekenhuis geeft aan dat gedurende de adviesaanvraag aan de medische staven het Laurentius ziekenhuis eenzijdig en zonder overleg een bezinningsperiode heeft afgekondigd. Dit om zijn nieuwe Raad van Toezicht, die in december 2019 is aangetreden, zich in het dossier te kunnen laten verdiepen. In die periode heeft een heroverweging van de fusie plaatsgevonden, zonder overleg of afstemming met het VieCuri ziekenhuis, zo laat VieCuri weten. Op basis daarvan is door de voormalige Raad van Bestuur van het Laurentius ziekenhuis, in afstemming met de Raad van Toezicht, besloten van de fusie af te zien. Het VieCuri ziekenhuis geeft aan niet betrokken of gekend te zijn in het besluit van het Laurentius ziekenhuis tot het afzien van de fusie.
Zorgverzekeraar CZ is nadrukkelijk over het fusievoornemen geïnformeerd en erbij betrokken geweest. CZ heeft zich op basis van de afweging van de gedeelde argumenten door de Raad van Besturen van beide ziekenhuizen positief uitgesproken inzake een verdergaande samenwerking met een eventuele fusie als sluitstuk. Zorgverzekeraar CZ laat weten dat het afblazen van de fusie vanuit Laurentius is besloten en als mededeling aan CZ kenbaar is gemaakt, waarbij zij aangeven niet voldoende te zijn betrokken in dit besluit en dit besluit ook niet kunnen duiden. Zij geven aan niet betrokken te zijn geweest bij het onderzoek van PWC. CZ heeft aangegeven overleg te willen voordat er onomkeerbare besluiten door de Raad van Bestuur van het Laurentius genomen zouden worden. Hier heeft de toenmalige Raad van Bestuur geen gevolg aan gegeven. Er hebben inmiddels enkele gesprekken plaatsgevonden met de nieuwe Raad van Bestuur van het Laurentius ziekenhuis en binnenkort spreekt CZ met een delegatie van de medische staf van het Laurentius ziekenhuis en de Raad van Bestuur. Doel hiervan is om te bezien of de noodzakelijke samenwerking weer opgepakt kan worden, en onder welke condities dit inhoud gegeven kan worden.
Zorgverzekeraar VGZ laat weten betrokken te zijn geweest bij het fusievoornemen en hebben daar vanaf het begin aangegeven dat zij dat voornemen niet ondersteunen, zij zijn niet overtuigd dat de voordelen van een fusie opwegen tegen de nadelen. VGZ heeft met beide ziekenhuizen gekeken hoe ze zelfstandig kunnen bestaan met een samenwerkingsverband. VGZ is door PWC geïnterviewd over hun visie. Vervolgens is het besluit aan hen medegedeeld. VGZ geeft aan continu in gesprek te zijn met zorgaanbieders en dus ook met de ziekenhuizen.