Het bericht ‘Veluws vakantiepark wil woonwijk worden, maar dat mag niet: ‘Onbegrijpelijk’’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Veluws vakantiepark wil woonwijk worden, maar dat mag niet: «Onbegrijpelijk»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie van het vakantiepark, zoals genoemd in het artikel, die al jarenlang wil transformeren naar een woonwijk, mede omdat er geen recreatieve functies zijn, maar de gemeente dit niet toestaat?
Bij de afweging om een park al dan niet te transformeren naar een woonbestemming, is de (potentiële) economische vitaliteit van een park een belangrijke factor. Wanneer er geen recreatief toekomstperspectief meer is, pleit dit voor het veranderen van functie. Tegelijkertijd zijn er nog tal van andere factoren die een rol spelen in de afweging van gemeenten, zoals ook beschreven is in het kwaliteits- en afwegingskader «wonen in recreatiewoningen», dat vanuit het Ministerie van BZK is ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen in een afweging rondom transformatievraagstukken.2
Vanuit de landelijke overheid is er onvoldoende zicht op alle relevante factoren, die ter plekke een rol kunnen spelen. Het is daarom aan de gemeente om een afweging te maken hoe om te gaan met de wens van de eigenaar-bewoners van park Maheki. De gemeente Putten is van mening dat het park Maheki, binnen het cluster van recreatieparken waarin het zich bevindt, een toeristisch toekomstperspectief heeft en gaat daarom niet over tot transformatie naar Wonen.
Deelt u de mening dat er een duidelijk onderscheid is tussen recreatieparken die nooit toeristisch zijn geweest of niet meer zijn, en dus ook niet de daarbij behorende voorzieningen hebben, en recreatieparken die wel een toeristische doel hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit park precies het voorbeeld is zoals beschreven in de motie-De Groot (Kamerstuk 32 847, nr. 942) met betrekking tot kansrijke transformatie naar een woonwijk? Kunt u het uiteenzetten waarom u het er wel of niet mee eens bent?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe staat het in zijn algemeenheid met de uitvoering van de genoemde motie?
Ik geef opvolging aan uw motie door middel van een inventarisatie naar het transformatiepotentieel van vakantieparken. Om het goede gesprek met gemeenten en provincies te kunnen voeren, is eerst meer zicht nodig op de aard en omvang van het transformatiepotentieel. Ik heb aan provincies gevraagd deze inventarisatie uit te voeren. Zoals toegezegd in het WGO van 14 november 2022, kom ik eind Q1 daar bij u op terug. Dit doe ik in samenhang met de toezegging aan uw Kamer om een vervolg op de actie-agenda vakantieparken vorm te geven.
Daarnaast vinden er regelmatig gesprekken plaats met gemeenten en provincies over transformatie van recreatieparken. Ook ondersteun ik gemeenten in het transformeren van vakantieparken door de inzet van het expert- en aanjaagteam «transformatie van vakantieparken».
Er wordt nu niet in kaart gebracht hoeveel parken zich hebben verenigd in een VvE. Daarbij betekent het bestaan van de wens tot transformatie naar Wonen van een VvE niet noodzakelijkerwijs dat een park daadwerkelijk geschikt is om te transformeren naar Wonen. Het is aan gemeenten, binnen provinciale kaders, om deze afweging te maken. Daarom heb ik provincies gevraagd de inventarisatie uit te voeren. Een VvE kan zich uiteraard wel tot gemeente en provincie wenden om de wens tot transformatie kenbaar te maken.
Het aanjaagteam is niet betrokken bij deze inventarisatie en het maken van de afweging om al dan niet te transformeren; zij gaat aan de slag, daar waar al het besluit is genomen om een park te transformeren. Het aanjaagteam versnelt de transformatie door gemeenten te ondersteunen met expertise bij het oplossen van knelpunten rondom bijvoorbeeld eigendomssituaties, participatie en omgevingsfactoren.
Hoe bent u op dit moment de regie aan het vormgeven om gemeenten die zelf niets zien in transformaties alsnog te bewegen om akkoord te gaan met de transformatie, wanneer de bewoners van de recreatieparken zelf het initiatief hebben genomen om aan alle eisen te voldoen en collectief de wens hebben om te transformeren naar een woonwijk?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw aanpak om juist willekeur bij gemeenten rondom kansrijke transformatie naar wonen tegen te gaan?
In het kader van de Actie-agenda Vakantieparken 2021–22 heb ik een kwaliteits- en afwegingskader gepubliceerd, dat gemeenten helpt om zoveel mogelijk relevante factoren mee te nemen in de afweging over het transformeren naar Wonen. Het kwaliteits- en afwegingskader helpt gemeenten om een complete afweging te maken. De weging van de verschillende factoren blijft aan gemeenten. Het is aan hen om een afweging te maken welke factoren en belangen prevaleren in de lokale context.
Hoe beoordeelt u gelet op de voorgaande vraag de conclusie van het rapport van Berenschot «Effecten wijziging Bor permanente bewoning recreatiewoningen» waarin staat dat gemeenten veelal niet bereid zijn om over te gaan tot het mogelijk maken van permanente bewoning?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u toelichten hoe het staat met de uitvoering van de motie-De Groot (Kamerstuk 32 847, nr. 942) over landelijke regie nemen in een zorgvuldige transformatie van specifieke recreatieparken naar woonwijken?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het inventariseren welke recreatieparken in aanmerking zouden komen voor transformatie?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt er bij de inventarisatie ook gekeken naar hoeveel recreatieparken zich hebben verenigd in een Vereniging van Eigenaren (VvE)?
Zie antwoord vraag 5.
Zou het voor de inventarisatie niet beter zijn wanneer een VvE, die met een meerderheid van stemmen heeft besloten dat hun recreatiepark graag een woonpark wil worden, zich direct kunnen aanmelden bij het aanjaagteam van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe kan als gevolg van vraag 12 sneller worden beoordeeld door het aanjaagteam of deze aanmelding van de VvE voldoet aan het afwegingskader voor transformatie naar wonen? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer een de aanpak verwachten om het transformeren van de recreatieparken naar woonwijken in goede banen te leiden?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer gaat u starten met de uitvoering van het begeleiden van transformaties? Kunt u een tijdlijn schetsen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De ruime overlap tussen een aantal vragen geeft mij reden om de beantwoording op een aantal punten te bundelen.
Het bericht ‘Verliest De Mearmin haar status?’ |
|
Lucille Werner (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Verliest De Mearmin haar status?»?1
Ja
Klopt het dat u molen De Mearmin in Damwâld uit het Rijksmonumentenregister wilt schrappen?
Ja
Wat is de reden voor uw voornemen om de monumentenstatus van De Mearmin te laten vervallen?
De reden om de monumentenstatus van De Mearmin te laten vervallen is het feit dat de eigenaar de molen heeft verplaatst naar een museale omgeving. Het verplaatsen van monumenten met behoud van de monumentenstatus is op zich niet onmogelijk, maar de nieuwe locatie hoort dan in landschappelijk of stedenbouwkundig opzicht functioneel en cultuurhistorisch vergelijkbaar te zijn met de oorspronkelijke situering. Bij een (buiten)museum is dit in beginsel niet het geval. Monumenten die naar een (buiten)museum worden verplaatst verliezen dan ook hun status als rijksmonument. Dit beleid is laatstelijk herbevestigd in het RCE-document Uitgangspunten en overwegingen gebouwde en groene rijksmonumenten van 1 februari 2019 (te raadplegen op de website van de RCE).
Met het geschetste beleid wordt ook uitvoering gegeven aan artikel 5 van het Verdrag inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa (Verdrag van Granada, 1985).
Klopt het dat molen De Mearmin in 2016 opnieuw is opgebouwd in buitenmuseum «De Sûkerei» in Damwâld in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)?
Ja, met dien verstande dat de RCE – in overeenstemming met de beleidsmatige uitgangspunten – negatief heeft geadviseerd over de verplaatsing van de molen. Daarbij heeft de RCE ook in een vroegtijdig stadium aangegeven wat de gevolgen van verplaatsing naar De Sûkerei kunnen zijn voor de status als rijksmonument.
Klopt het dat het Rijk subsidie heeft verleend voor de verplaatsing, de restauratie en het onderhoud van De Mearmin?
De RCE heeft subsidie verleend voor de restauratie en het onderhoud van De Mearmin, niet voor verplaatsing.
Kunt u nader toelichten wat u in verband met De Mearmin bedoelt met: «In zijn algemeenheid betekent het verplaatsen van een rijksmonument verlies van monumentale waarden en historische context»? Zijn de ouderdom, de cultuurhistorische betekenis en de industrieel-archeologische betekenis naar uw oordeel bij de verplaatsing van De Mearmin naar Damwâld verloren gegaan?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3.
Door verplaatsing is de molen niet meer in de historische omgeving aanwezig. Ook is er geen sprake van een vergelijkbare situering.
Wat zijn de financiële gevolgen voor Stichting «De Sûkerei» van het schrappen van de monumentenstatus van De Mearmin en de overgang naar een ander financierings- en instandhoudingsregime?
Het verlies van de status als rijksmonument betekent dat de eigenaar niet langer een beroep kan doen op subsidieregelingen voor rijksmonumenten, zoals de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten.
Deelt u de mening dat de instandhouding van De Mearmin juist te danken is aan Stichting «De Sûkerei» en dat het monumentenbeleid gericht dient te zijn op ondersteuning van eigenaren, zoals deze stichting?
Het is zeker passend om waardering uit te spreken voor de activiteiten van Stichting «De Sûkerei», om met vele vrijwilligers het verleden van de noordelijke Friese wouden beleefbaar te maken. Getuige het negatieve advies over de verplaatsing van De Mearmin naar De Sûkerei had de RCE liever een andere oplossing voor de toekomst van deze molen gezien.
Het beleid is zeker gericht op de ondersteuning van eigenaren van monumenten. Het monumentenbeleid is echter niet gericht op ondersteuning van de exploitatie van (buiten)musea.
Onderkent u dat molens de meest kwetsbare monumenten zijn, met houten aandrijvingen en werktuigen, die constant goed en gedegen onderhoud vergen? Zo ja, op welke wijze wordt dit in uw beleid geborgd?
Zoals voor heel veel monumenten geldt ook voor molens dat zij kwetsbaar zijn als er geen goede instandhouding plaatsvindt. Dat molens een van de bijzondere categorieën in ons monumentenbestand zijn, blijkt uit de constante en ruime aandacht die maatschappij en overheid aan dit erfgoed geven. Nog afgelopen jaar heb ik vanuit de regeerakkoordmiddelen een storting gedaan in het Molenfonds waarmee eigenaren worden ondersteund.2 Daarnaast is de systematiek van de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (SIM) zodanig dat zij in de praktijk vrijwel verzekerd zijn van toekenning van instandhoudingssubsidie.
Onderdeel van mijn beleid vormt ook de subsidiëring van de opleiding en examinering van (vrijwillig) molenaars. Dit zorgt voor (aanwas van) bekwame molenaars die met voldoende kennis dit kwetsbare type monumenten kunnen bedienen en onderhouden. Het bijschrijven van het ambacht van molenaar op de Unesco representatieve lijst van immaterieel erfgoed draagt hier ook aan bij.
Vanuit de RCE wordt de instandhouding van molens verder ondersteund door kennisdeling en door advies bij restauratie, onderhoud en andere ingrepen.
Op welke wijze hebt u de Kamer geïnformeerd, dat de status van rijksmonument vervalt als een rijksmonument wordt verplaatst naar een buitenmuseum?
Het is reeds lange tijd gebruikelijk dat daar waar panden worden verplaatst naar een museum deze hun monumentale status verliezen of niet worden aangewezen. Deze handelwijze is voor het laatst herbevestigd in 2019 als onderdeel van het RCE-document Uitgangspunten en overwegingen gebouwde en groene rijksmonumenten van 1 februari 2019. Dit document is niet actief met uw Kamer gedeeld. Het uitwerken van dergelijke uitgangspunten hoort tot de taken van de RCE in de uitvoering van het erfgoedbeleid.
Van welke rijksmonumenten die zijn verplaatst naar een buitenmuseum hebt u de monumentenstatus laten vervallen of bent u van plan die te laten vervallen?
Ik heb geen overzicht van het aantal rijksmonumenten dat in het verleden is verplaatst naar buitenmusea en waarvan de status is vervallen. Verplaatsing komt niet veel voor en is meestal (mede) ingegeven door het feit dat het monument niet te handhaven is op de oorspronkelijke plaats. Een bekend voorbeeld is de monumentale boerderij van voormalig Staatssecretaris Van Leeuwen te Hoogmade, die moest wijken voor de Hogesnelheidslijn. Deze boerderij is in 2002 verplaatst naar het Openluchtmuseum Arnhem, waarbij de monumentenstatus is komen te vervallen.
De RCE heeft op dit moment geen weet van voorgenomen verplaatsingen van rijksmonumenten naar buitenmusea. Er zijn dus ook geen plannen tot het – met die reden – laten vervallen van de monumentenstatus.
Wob documenten aangaande de aanschaf van De vaandeldrager en de informatiepositie van de Staten-Generaal |
|
Peter Kwint , Lisa Westerveld (GL), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat uit de geopenbaarde stukken blijkt dat er een uit 2018 daterende Call Option Agreement (COA2018) was om De vaandeldrager te mogen kopen voor 165 miljoen euro tot zestig dagen na de afgifte van een exportvergunning? Was deze COA2018 rechtsgeldig?1
Op het moment dat de onderhandelingen tussen de Nederlandse staat en de verkopende partij zijn gestart in november 2021 was de COA2018 reeds verlopen. Doordat de Franse overheid in 2019 een negatief besluit had genomen over het afgeven van een exportvergunning kon er al geen beroep meer worden gedaan op de exclusieve koopoptie die in de COA2018 was opgenomen.
Verplicht een Call Option Agreement de verkoper te leveren voor de afgesproken prijs, indien de koper zich op de optie beroept? Was de verkoper van De Vaandeldrager juridisch verplicht het schilderij te leveren voor 165 miljoen euro, indien de koper een beroep op de optie had gedaan?
De COA2018 was reeds verlopen. Er was dus geen verplichting meer voor de verkoper om op grond van de COA2018 te leveren. Het stond de verkoper ook vrij om een andere prijs te bepalen.
Klopt het dat uit de stukken blijkt dat de verkopende partij het schilderij op een gegeven moment niet meer wilde verkopen voor de in de COA2018 opgenomen prijs van 165 miljoen euro en vervolgens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Financiën akkoord gingen met tien miljoen euro extra? Waarom is de verkoper niet aan de overeengekomen prijs van 165 miljoen euro gehouden, wat de belastingbetaler tien miljoen euro zou hebben bespaard?
Het klopt dat de verkoper op enig moment in het onderhandelingstraject met de Nederlandse staat te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn het werk van de hand te doen voor een prijs lager dan 175 miljoen euro. Maar verkoper was op dat moment al niet meer gehouden aan de exclusieve koopoptie van 165 miljoen euro.
Klopt het dat ambtenaren de argumentatie «de aankoop verloopt soepeler als we 175 miljoen euro betalen» als onvoldoende beschouwden, omdat in de COA2018 de prijs van 165 miljoen euro stond vermeld en die «strekt zich uit over een periode in de toekomst»? Waren uw ambtsvoorganger en de ambtsvoorganger op het Ministerie van Financiën op dat moment voornemens de COA2018 met beide Kamers te delen?
De COA2018 is een overeenkomst die in 2018 is gesloten tussen de verkoper en het Rijksmuseum – en dus niet de staat der Nederlanden – en bevat een vertrouwelijkheidsclausule. Deze clausule liet ruimte aan partijen om de COA2018 met de Ministers te delen mits deze de vertrouwelijkheid respecteren. Gelet hierop stond en staat het de Ministers niet vrij de COA2018 openbaar met derden te delen, zelfs niet met beide Kamers. Overigens was de COA2018 juridisch al niet meer relevant als het gaat om de vraagprijs.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger het aankoopbedrag van 175 miljoen euro richting beide Kamers gemotiveerd heeft door te wijzen op een taxatierapport uit 2018 en de grillige kunstmarkt? Klopt het daarnaast dat een Call Option Agreement de houder het recht geeft om iets aan te kopen tegen een vaste prijs gedurende de vastgelegde periode, ongeacht de marktprijs, waardoor in dit geval de COA2018 prevaleert boven de grilligheid van de markt? Als de kunstmarkt, gezien de COA2018, irrelevant was, waarom is dan op de «grilligheid» van de kunstmarkt een beroep gedaan bij het informeren van beide Kamers?
Het klopt dat het aankoopbedrag werd gemotiveerd door te wijzen op een taxatierapport en de grillige kunstmarkt.
Het klopt in z'n algemeenheid ook dat een Call Option Agreement de houder het recht geeft om iets aan te kopen tegen een vaste prijs gedurende de vastgelegde periode, maar een en ander is uiteindelijk afhankelijk van de specifieke afspraken die partijen in een COA vastleggen. De COA2018 prevaleerde in elk geval niet boven de grilligheid van de kunstmarkt, omdat de koopoptie van de COA2018 al was verlopen. De onderhandelingen tussen verkoper en de Nederlandse staat speelden zich dus volledig af in de context van wat zij op dat moment een reële prijs vonden. Op basis van die informatie zijn beide Kamers geïnformeerd.
Waarom zijn beide Kamers bij de beantwoording van vragen tijdens de debatten niet geïnformeerd over de COA2018, aangezien veel vragen van de leden van beide Kamers over de hoogte van de aankoopprijs gingen?
De koopoptie in de COA2018 was al verlopen, waardoor de COA2018 juridisch niet langer relevant was voor de bepaling van de vraagprijs. Daarnaast was de Nederlandse staat, zoals aangegeven, geen partij in de COA2018.
Is er betaald voor het verkrijgen van de koopoptie op De Vaandeldrager, aangezien de verkoper van een koopoptie het voordeel heeft een vergoeding te ontvangen, ongeacht of deze uitgeoefend wordt? Zo ja, door wie en hoeveel?
Het is mij niet bekend of er is betaald voor het verkrijgen van een koopoptie op De Vaandeldrager. De COA2018 is een overeenkomst tussen de verkoper en het Rijksmuseum. De Nederlandse staat was geen partij.
Klopt het dat het taxatierapport uit 2018 niet aan beide Kamers is gestuurd ten behoeve van debat en besluitvorming? Zo ja, waarom niet?
Omdat bij de onderhandelingen tussen verkoper en de Nederlandse staat geen sprake was van een exclusieve koopoptie voor de Nederlandse staat, zouden andere mogelijk geïnteresseerde partijen de vraagprijs op kunnen drijven wanneer deze bekend zou worden. Daarom was het zaak de geschatte waarde in het taxatierapport, die ver boven de door verkoper gewenste prijs lag, gedurende de onderhandelingen buiten de openbaarheid te houden. Het zou anders de onderhandelingspositie van de Nederlandse staat danig kunnen schaden.
Op welke grond is in bijlage 7a, op de vijfde bladzijde midden het document, enkele regels weggelakt? Het betreft de zin die begint met «De Vaandeldrager is», en die wordt gevolgd door «Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er al generaties van wordt gedroomd De Vaandeldrager terug te laten keren naar ons land.»2
Deze tekst is uit het document verwijderd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob, dus ter voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Dit staat vermeld in het verwijderde tekstblok met de code «10.2.g». Op pagina 5 van het Wob-besluit van 25 februari 2022 is onder 5.3 gemotiveerd waarom deze informatie is verwijderd: «Daarnaast bevatten de documenten met nummers 7 en 7a informatie over schilderijen in buitenlands particulier bezit en de relevantie daarvan voor de Nederlandse staat. Ik ben ook hier van mening dat openbaarmaking hiervan de Nederlandse staat onevenredig zou kunnen benadelen in haar eventuele toekomstige onderhandelingspositie met betrekking tot deze schilderijen. Ik ben van oordeel dat het belang van het voorkomen van een dergelijke benadeling voor de Nederlandse staat zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. Ik maak deze passages daarom niet openbaar.»
Waarom wordt correspondentie tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Rijksmuseum als intern beraad in het kader van de Wob gezien? Is het Rijksmuseum een bestuursorgaan, aangezien artikel 1c van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) intern beraad definieert als beraad binnen een bestuursorgaan of binnen een kring van bestuursorganen? Zo ja, kunt u deze status als bestuursorgaan onderbouwen? Zo nee, hoe kan in dat geval de bedoelde correspondentie gekwalificeerd worden als intern beraad en daarom deels niet openbaar worden gemaakt?3
Het Rijksmuseum kwalificeert niet als bestuursorgaan, maar als een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (in dit geval het ministerie) werkzame instelling waarmee intern beraad (ook) mogelijk is. Dit staat reeds toegelicht in het Wob-besluit van 25 februari 2022 op pagina 6 onder 5.4: «Hierbij is van belang op te merken dat de Stichting Rijksmuseum Amsterdam een onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW werkzame instelling is, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob, voor zover het gaat om de zorg voor het beheer van museale cultuurgoederen van de staat. In het geval van de aankoop van De Vaandeldrager heeft vast overleg plaatsgevonden met het Rijksmuseum Amsterdam over advisering rondom de aankoop en de positie van het Rijksmuseum als partij daarbij. Dit overleg vond plaats in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke aangelegenheid onderhavig aan dit Wob-verzoek, namelijk de aankoop van De Vaandeldrager. Ook het overleg met het Rijksmuseum in het kader van deze bestuurlijke aangelegenheid kwalificeert daarom in dit geval als intern beraad in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Wob.»
Klopt het dat uit de Wob vrijgegeven correspondentie van 1 november 2022 opgemaakt kan worden dat het Elysée een doorslaggevende stem zou hebben? Gaat dit over het niet verlengen van het exportverbod per 24 november 2021? Zo nee, waarover wel?
In de correspondentie die is vrijgegeven kan de bovengenoemde frasering gevonden worden. Het ging om een karakteriserende opmerking over het Franse overheidsapparaat dat, vergeleken met de Nederlandse overheid, vrij centralistisch is georganiseerd. In de contacten die tussen de Nederlandse staat en de Frans overheid bestonden, zou daarmee rekening gehouden moeten worden.
Waarom was afstemming met Frankrijk nodig?
Uit oogpunt van diplomatie werd het belangrijk geacht dat Frankrijk als eerste naar buiten kon komen met de mededeling dat het niet zelf over zou gaan tot verwerving.
Zou Frankrijk na het verlenen van een exportvergunning nog invloed hebben op wie het werk zou aankopen? Zo nee, betekent dit dan dat bij het besluit tot vergunningverlening een rol speelde dat Nederland het werk zou kopen?
Wanneer eenmaal een exportvergunning is afgegeven, staat het de eigenaar van een werk vrij om naar eigen inzichten de uitvoer naar een buitenlandse partij overeen te komen.
Frankrijk kon de exportvergunning na het verstrijken van de 30-maandentermijn niet meer weigeren, omdat het geen gebruik had gemaakt van de wettelijke bevoegdheid om zelf tot verwerving over te gaan. Wat de overwegingen zijn geweest voor Frankrijk om het werk niet zelf te verwerven is mij niet bekend.
Bent u van mening dat openbaarmaking van de inhoud van de COA2018 en de Sale&Purchase Agreement het Rijksmuseum onevenredig kan benadelen, omdat dit het vertrouwen van de verkopende partner in het Rijksmuseum zou schaden? Waarom zou dat verminderde vertrouwen het Rijksmuseum schaden, nu de verkoop van De vaandeldrager is afgehandeld? Moet uit uw standpunt worden afgeleid dat het vertrouwen van de verkopende partner voor de Nederlandse overheid zwaarder heeft gewogen dan het informeren van de Kamers over de COA2018 en dus over het aankoopproces? Zo nee, is bent u dan alsnog bereid die stukken openbaar te maken? Zo ja, hoe ziet de Staatssecretaris dat in verhouding tot het nieuwe beleid omtrent de openheid in relatie tot het parlement in verband met de democratische controle?
De COA2018 is een overeenkomst die in 2018 is gesloten tussen de verkoper en het Rijksmuseum – en dus niet de staat der Nederlanden – en bevat een vertrouwelijkheidsclausule. Deze clausule liet ruimte aan partijen om de COA2018 met de Ministers te delen mits deze de vertrouwelijkheid respecteren. Gelet hierop stond en staat het de Ministers niet vrij de COA2018 openbaar met derden te delen, zelfs niet met beide Kamers.
Bij de Sale and Purchase Agreement is het Rijksmuseum geen partij. Partijen daarbij zijn enkel verkoper en de Staat der Nederlanden. In de Sale and Purchase Agreement is een afspraak opgenomen over de vertrouwelijkheid van informatie omtrent de onderhavige transactie. Dit is vastgelegd in een geheimhoudingsclausule die belet dat de inhoud van de overeenkomst met derden wordt gedeeld. Het openbaar delen van de overeenkomst met uw Kamer terwijl deze afspraak is gemaakt zou dan ook in strijd zijn met het belang van de staat, conform het kader van de «Beleidslijn actieve openbaarmaking nota's 2022». Tegelijkertijd hecht ik aan het verschaffen van maximale transparantie aan uw Kamer. Daarom zal de Sale and Purchase Agreement op korte termijn vertrouwelijk ter inzage worden gelegd zodat de commissieleden hier alsnog kennis van kunnen nemen, met hierbij wel de kanttekening dat deze vertrouwelijke informatie geen onderdeel kan uitmaken van het publieke debat.
Klopt het dat u een risico ziet van een verslechtering van de toekomstige onderhandelingspositie voor de Nederlandse Staat? Betekent dit dat u erkent dat de Nederlandse Staat, door de verkopende partij niet aan zijn contractuele verplichting te houden, zijn toekomstige onderhandelingspositie heeft ondergraven?
Het is onduidelijk op welke contractuele verplichting van de verkopende partij wordt gedoeld. In elk geval kan het de toekomstige onderhandelingspositie van de Nederlandse staat worden geschaad, wanneer Nederland in weerwil van geheimhoudingsverplichtingen de inhoud van een Sale and Purchase Agreement openbaar zou maken.
Waarom zijn beide Kamers onder grote tijdsdruk gezet, aangezien uw ambtsvoorganger op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 9 december 2021 heeft verzocht het voorstel vóór het Kerstreces te behandelen, dat wil zeggen binnen twee weken, «want er is beperkte tijd om alles rond te krijgen»? In de vrijgegeven stukken staat over het koopproces: «Eerstvolgende deadline is 31 januari 2022. Kan verlengd indien nodig». Kunt u dit toelichten?4
De snelheid waarmee mijn ambtsvoorganger het voorstel graag door de Uw Kamer behandeld zag worden, had te maken met de inschatting dat de Eerste Kamer láter tot behandeling zou overgaan dan uiteindelijk het geval was. Dit bovendien in de wetenschap dat Nederland uitsluitend exclusieve onderhandelpartner was gedurende de periode van de intentieverklaring die in december 2021 was gesloten met verkoper.
Ik ben de Kamers erkentelijk dat zij met deze voortvarendheid het wetsvoorstel hebben behandeld.
Bent u van mening dat beide Kamers goed en volledig geïnformeerd zijn, voordat zij akkoord gaven aan de koop van De Vaandeldrager? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is steeds de insteek geweest om, waar mogelijk, zo tijdig en volledig mogelijk informatie te delen met de Eerste en Tweede Kamer. In gevallen dat deze intentie klemde met privacygevoelige informatie of met strategische overwegingen tijdens het aankoopproces kan er aanleiding zijn geweest hiervan af te wijken. Ik meen dat de Kamers destijds zoveel als mogelijk zijn geïnformeerd om een weloverwogen beslissing te nemen ten aanzien van de aankoop.
De serie 'Kraken doe je zo' van NPO 3 |
|
Pim van Strien (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de serie «Kraken doe je zo» van NPO 3?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het kraakverbod sinds 2010 inwerking is getreden en bent u ermee bekend dat kraken op grond van artikel 138a Wetboek van Strafrecht een misdrijf is?
Ja, daar ben ik mee bekend. Sinds 1 juli 2022 is bovendien een op initiatief van de fracties van VVD en CDA wetswijziging in werking getreden waardoor de procedure rond de ontruiming van kraakpanden wordt versneld.
Deelt u de mening dat kraken diefstal is?
Die mening deel ik in zoverre dat zowel in het geval van kraken als diefstal wederrechtelijkheid een element van de delictsomschrijving is. Diefstal en kraken verschillen in zoverre van elkaar dat een kraker zich, anders dan een dief, fysiek niet van het object kan distantiëren dat hij wederrechtelijk – als ware hij rechthebbende – betrokken heeft.
Vindt u dat een serie waarin met onthutsend en ongebreideld enthousiasme wordt uitgelegd hoe een misdrijf gepleegd moet worden in overeenstemming is met de publieke waarden zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Mediawet?
Het is niet aan het kabinet om een oordeel te geven over de inhoud van afzonderlijke programma’s of uitlatingen die daarin worden gedaan. Het kabinet onderschrijft het belang dat het media-aanbod van publieke omroepen voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, lid 2 onder e van de Mediawet. Het Commissariaat voor de Media is als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van de Mediawet. Als aangifte is gedaan bij de politie en het Openbaar Ministerie zou tot strafrechtelijke vervolging overgaan, dan bepaalt de rechter als onafhankelijke instantie of de grenzen van het recht zijn overschreden.
Deelt u de mening dat het abnormaal en abject is dat met belastinggeld betaalde en verspreidde video’s aanmoedigen tot het plegen van misdrijven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe is deze serie tot stand gekomen en wie heeft goedkeuring gegeven voor het maken en verspreiden van deze serie?
Volgens BNNVARA is de serie tot stand gekomen op de gebruikelijke manier volgens het intekenproces: de omroepvereniging, in dit geval BNNVARA, heeft – tegen de achtergrond van de huidige woningcrisis – het idee om een programma te maken over kraken gepitcht bij de NPO. Deze serie is bedoeld voor een jonge doelgroep omdat vooral zij nu te maken hebben met woningnood. Om die reden is door BNNVARA gekozen voor plaatsing via het platform Youtube en heeft de serie deze titel gekregen. De NPO heeft de serie vervolgens toegekend. Het programma is intern gemaakt en aangeleverd bij de NPO. De NPO heeft het vervolgens geplaatst op Youtube.
Bent u bereid de NPO te verzoeken deze serie per ommegaande van de eigen kanalen van de NPO en breder van het internet af te halen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5.
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te laten onderzoeken of de Mediawet met deze serie overtreden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer op de korte termijn informeren wat de uitkomst van dit onderzoek is?
Het is van belang dat elke organisatie binnen het mediabestel vanuit zijn eigen rol en taak functioneert. Het Commissariaat houdt als onafhankelijk toezichthouder toezicht op programma’s. Als het Commissariaat concludeert dat de omroep zich niet houdt aan de Mediawet, dan is het Commissariaat bevoegd om onderzoek te doen.
Bent u er mee bekend dat sinds 2022, op initiatief van de VVD en het CDA, krakers makkelijker uit panden kunnen worden gezet?
Ja, daar ben ik mee bekend. Overigens is voor de ontruiming een rechterlijke toets vereist (artikel 551a Sv). Sinds 2022 vindt die rechterlijke toets op vordering van de officier van justitie voorafgaand aan de ontruiming plaats. De rechter-commissaris dient binnen drie dagen na de vordering van de officier van justitie te beslissen. Doel van deze wetswijziging was versnelling van de procedure, niet zozeer om krakers makkelijker uit panden te kunnen zetten.
Staat het kabinet achter de wetgeving waarmee gekraakte huizen binnen drie dagen kunnen worden ontruimd?
Het kabinet staat volledig achter geldende wetgeving.
Is het aantal krakers de afgelopen jaren toegenomen of afgenomen? Kan de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dit cijfermatig onderbouwen?
Er vindt momenteel onderzoek plaats naar onder andere deze vraag. De Minister van Justitie en Veiligheid zal u daar komend voorjaar nader over informeren.
Heeft de Minister voldoende juridische instrumenten en capaciteit om het aantal krakers terug te dringen?
Het strafrechtelijk instrumentarium, dat met opeenvolgende wetswijzigingen is aangescherpt, biedt voldoende aanknopingspunten om op te treden. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik van de Leegstandwet en kunnen eigenaren van vastgoed leegstandbeheerders inschakelen teneinde te voorkomen dat een pand wordt gekraakt.
Zo ja, wat gaat de Minister doen om het kraakverbod beter te handhaven en het aantal krakers terug te dringen?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid de NPO aan te moedigen om met hetzelfde enthousiasme waarmee deze kraakserie is gemaakt, ook een vervolgserie te laten maken waarin krakers een gekraakt pand weer uitgezet worden?
Het kabinet heeft geen rol in de programmering van de NPO. Het is aan de omroepen om conform de Mediawet artikel 2.88 vorm en inhoud van de programma’s van de publieke omroep te bepalen. De NPO coördineert het aanbod.
Op welke wijze gaat u het feit dat kraken een misdrijf is onder een breder publiek bekend maken?
Ik zie geen aanleiding daartoe een initiatief te ondernemen. Het is algemeen bekend dat kraken in Nederland niet is toegestaan.
Wilt u deze vragen op een zeer korte termijn beantwoorden, zodat de serie per ommegaande van de eigen kanalen van de NPO en breder van het internet afgehaald kan worden?
Op 23 december 2022 heb ik uw Kamer schriftelijk om uitstel verzocht aangezien de antwoorden interdepartementaal moesten worden afgestemd. Zie voor het overige het antwoord op vraag 4 en 5.
Een kadaster voor journalisten |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat mensen die worden bedreigd of een persoonlijk risico lopen hun gegevens op verzoek kunnen laten afschermen in het kadaster op grond van artikel 37a van het Kadasterbesluit, maar dat journalisten geen beroep kunnen doen op afscherming van hun adresgegevens op grond van deze bepaling?
Ja.
Bent u bekend met de motie-Verhoeven over het mogelijk te maken dat onder andere het Kadaster geen privéadressen meer verstrekt van ingeschrevenen die aangeven dat niet te willen (Kamerstuk 25 421, nr. 15)?
Ja.
Hoe kan het dat u nog geen uitvoering heeft gegeven aan de heldere wens van de Kamer dat het Kadaster voortaan geen privéadressen meer verstrekt van ingeschrevenen die aangeven dat niet te willen, twee jaar na aannemen van de motie?
De motie-Verhoeven gaat over het vindbaar zijn van privéadressen in de registers van de Kamer van Koophandel en het Kadaster. De wens van de Tweede Kamer is deze niet langer te verstrekken, in geval ingeschrevenen dat niet meer willen. Dit met het oog op het voorkomen van intimidatie van of geweld tegen personen behorend tot beroepsgroepen als de journalistiek of de advocatuur.
Ik begrijp goed wat intimidatie of geweld met mensen doet en deel de zorg van de Kamer hieromtrent. De oplossing van het probleem schuilt in mijn ogen echter niet in het afschermen van privéadressen, maar in het strafbaar stellen van doxing en het verantwoord omgaan met gegevens. Aan het eerste wordt, zoals u bekend, gewerkt door de Minister van Justitie en Veiligheid. Over het tweede het volgende.
Nederland kent sinds 1832 een Kadaster: een openbaar register met een wettelijke grondslag met informatie over onroerende zaken en daarop gevestigde rechten. Het belang van dit openbare register is groot. Dankzij het Kadaster is sprake van een gelijke informatiepositie, kan iedereen onderzoeken wie eigenaar is van een registergoed en welke rechten daarop zijn gevestigd en geldt derdenbescherming, zoals door de wetgever bepaald en vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Hierdoor is in Nederland sprake van een transparante en goed functionerende vastgoedmarkt. Om dit alles te kunnen bewerkstelligen, is het van belang dat gebruikers van het register een relatie kunnen leggen tussen registergoed (object) en belanghebbende(n). Cruciaal element bij het leggen van die relatie is het objectadres. Zonder inzage in dit objectadres wordt de essentie van de registratie in het Kadaster aangetast.
Door de Kamer wordt niet gevraagd om afschermen van objectadressen, maar om afscherming van privéadressen. Woonadressen, in termen van de Basisregistratie Kadaster. Dat kan, maar biedt weinig soelaas: in 6,5 van de in totaal 8 miljoen gevallen, is het woonadres gelijk aan het objectadres. En omdat afscherming van objectadressen, gezien het voorgaande, niet in de rede ligt, is de afgelopen jaren stevig ingezet op het voorkomen misbruik van objectadressen. De situatie is daardoor nu, dat alleen professionele gebruikers van de Basisregistratie Kadaster op naam kunnen zoeken. Dit kan via Kadaster OnLine (KOL). Daarvoor is een abonnement nodig. Dit kan alleen worden verkregen door partijen die staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Mijn beeld is dat dit systeem helpt om misbruik te voorkomen.
Hoe gaat u zo snel mogelijk concreet voorkomen dat journalisten ingeschreven in het Kadaster gevaar lopen doordat hun privégegevens door iedereen kunnen worden opgevraagd? Op welk termijn kan verwacht worden dat kwaadwillenden niet meer het huisadres van iemand kunnen achterhalen via de registers van het Kadaster?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 mag blijken, kan niet iedereen privéadressen (woonadressen) van bijvoorbeeld journalisten verkrijgen door te zoeken op naam binnen de BRK. Alleen professionele gebruikers kunnen dat. In 2022 waren er ruim 30.700 professionele gebruikers met een KOL abonnement. Daarvan bestond het grootste deel uit notarissen, makelaars, banken en bevoegde gezagen. Gebruikers waarvan duidelijk is dat zij uit hoofde van hun functie op naam moeten kunnen zoeken in de BRK. In geval van andere gebruikers is dat wellicht niet noodzakelijk. Kadaster heeft daarom voorgesteld om zoeken op naam te beperken tot professionele gebruikers waarvan redelijkerwijs mag worden verondersteld dat zoeken op naam nodig is uit hoofde van hun functie. Dat voorstel heb ik overgenomen. Daarnaast heb ik het Kadaster gevraagd privéadressen (woonadressen) af te schermen.
Bent u bereid om, in afwachting van de een wijziging van het Kadasterbesluit, ook nu al aan de slag te gaan met het mogelijk maken van het afschermen van het adres van journalisten? Zo niet, waar wacht u nog op tot u de duidelijk uitgesproken wens van de Kamer wil uitvoeren?
Een wijziging van het Kadasterbesluit in de zin van het mogelijk maken van het afschermen van objectadressen van mensen behorend tot bepaalde beroepsgroepen, zoals bijvoorbeeld de journalistiek, is niet in voorbereiding. Ik ben mij bewust van het feit dat ik daarmee afwijk van de lijn die wordt ingezet bij het Handelsregister. Dat heeft echter een reden.
In mijn ogen bestaan tussen Handelsregister en Basisregistratie Kadaster overeenkomsten, maar ook verschillen. Belangrijke overeenkomst in dit verband is dat in beide registraties twee typen adresgegevens worden vastgelegd. Woonadres en vestigingsadres respectievelijk woonadres en objectadres. Belangrijke overeenkomst is ook dat bij beide registraties in veel gevallen woonadres gelijk is aan vestigingsadres/objectadres. Vanuit die overeenkomst tussen Handelsregister en Basisregistratie Kadaster kan ik begrijpen dat u aandringt op vergelijkbare stappen. Belangrijk verschil tussen Handelsregister en Basisregistratie Kadaster is echter, dat het HR zijn functie kan vervullen zonder openbaar vestigingsadres maar met een openbaar postadres als contactgegeven. Voor het functioneren van de Basisregistratie Kadaster is het objectadres echter essentieel. Dankzij het objectadres kunnen gebruikers van het register een relatie leggen tussen registergoed (object) en belanghebbende(n), is dus sprake van een gelijke informatiepositie, kan iedereen onderzoeken wie eigenaar is van een registergoed en welke rechten daarop zijn gevestigd en geldt derdenbescherming, zoals door de wetgever bepaald en vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Bijgevolg van dit alles is in Nederland sprake van een transparante en goed functionerende vastgoedmarkt. Gelet op het voorgaande acht ik het zetten van vergelijkbare stappen niet gewenst.
In welke mate ondermijnt het niet kunnen afschermen van privé adressen volgens u de aanpak van doxing, ook met het oog op het wetsvoorstel om het delen van privégegevens om iemand te intimideren strafbaar te stellen?
Het wetsvoorstel strafbaarstelling gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden (Kamerstukken II 2021/22, 36 171, nr. 2) stelt strafbaar het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens met het oogmerk vrees aan te (laten) jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of de ander in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen (voorgesteld artikel 285d Sr). Voor strafbaarheid is de wijze van verkrijging van deze gegevens niet relevant, het oogmerk waarmee de dader zich persoonsgegevens verschaft is bepalend. Dat neemt niet weg dat het beperken van de toegang tot andermans persoonsgegevens het begaan van de strafbaar gestelde gedraging kan bemoeilijken. Uit mijn antwoorden op de vragen 3 en 4 kunt u opmaken dat ik het nodige in het werk heb gesteld om toegang tot persoonsgegevens te beperken. Dat laatste, in mijn ogen, om duidelijke redenen: het belang van openbaarheid van objectgegevens voor gebruikers met oog op het functioneren van een transparante vastgoedmarkt.
Het artikel ‘Directeur Thialf uit in brief aan Tweede Kamer ’zeer grote zorgen’ over voortbestaan’ |
|
Rudmer Heerema (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de plannen van Thialf om te innoveren op het gebied van duurzaamheid, bijvoorbeeld door middel van een energieregelsysteem, om op de energierekening te besparen? Hoe apprecieert u dit?1
Ja, ik ben bekend met de plannen. Verduurzaming van de sport is van groot belang en ik houd mij daar nadrukkelijk mee bezig. Zeker bij een energie-intensieve locatie als Thialf is verduurzaming één van de belangrijkste opties om de exploitatie op lange termijn duurzaam te versterken. Ik ben mij daarnaast bewust van de stijgende energiekosten en het aflopende energiecontract. Ik ben al langere tijd in gesprek met Thialf en de aandeelhouders over mogelijke oplossingen op korte, maar ook zeker op de lange termijn. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd voorafgaand aan het WGO sport van 28 november jl.2
Bent u het eens dat verduurzaming van sportaccommodaties op dit moment extra belangrijk is, gezien sportclubs veel last hebben van de hoge energieprijzen?
Verduurzaming van de sport is erg belangrijk en dit is ook een onderdeel van onze bredere duurzaamheidsdoelstellingen. Nu de energiekosten zijn gestegen, is verduurzamen financieel extra interessant voor gemeenten, exploitanten of sportverenigingen met een eigen accommodatie. Vanuit de klimaatdoelstellingen en om sport financieel een betere positie te geven, ondersteunen wij het belang van de verduurzaming van de sport.
Deelt u de mening dat verduurzaming van sportaccommodaties daarom aangemoedigd moeten worden? Kunt u toelichten welk beleid er op dit moment is om dit aan te moedigen?
Ik vind het belangrijk dat de sport over de hele linie werkt aan verduurzaming en moedig dit zeker aan. In samenwerking met gemeenten, de sportsector en het bedrijfsleven stimuleren we dit op verschillende manieren. Zo is de Routekaart Verduurzaming Sport gepubliceerd. Als onderdeel van deze routekaart lopen verschillende trajecten om de sport te ondersteunen bij de verduurzamingsopgave. Zo kunnen sportverenigingen, exploitanten, sportbedrijven en gemeenten gratis begeleiding aanvragen bij het opstellen en implementeren van een verduurzamingsplan voor de eigen accommodatie(s), waarin ook aandacht is voor de financiering en business case. Hiervoor zijn meerdere professionele partijen in te schakelen zoals via SportNLGroen en het provinciale ontzorgingsprogramma. Amateursportorganisaties kunnen via de BOSA-regeling 30% subsidie krijgen voor investeringen in verduurzaming. Voor overige organisaties, zoals gemeenten en sportondernemers, zijn andere subsidieregelingen ingericht, zoals de Energie Investeringsaftrek (EIA), Milieu Investeringsaftrek (MIA), Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de Subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA).
Kunt u schetsen voor welke (subsidie)regelingen sportaccommodaties in aanmerking komen die willen verduurzamen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke plannen heeft u om verduurzaming van sportaccommodaties in de toekomst sterker aan te moedigen? Wat kunt u verder nog doen om het beleid voor verduurzaming van sportaccommodaties te versterken?
De huidige BOSA-regeling loopt nog tot en met eind december 2023. Op dit moment evalueer ik de regeling samen met de sportsector. De signalen op basis van de eerste evaluatiegesprekken zijn positief en ik heb de intentie de BOSA-regeling per 1 januari 2024 voort te zetten. Na de evaluatiegesprekken wordt gekeken naar de nieuwe regeling. Hierbij zal ook de afweging gemaakt worden of extra inzet nodig is op bepaalde aspecten, zoals verduurzaming. Daarnaast ben ik in overleg met NOC*NSF, POS en de Stichting Waarborgfonds Sport om gezamenlijk de financieringsstructuur van verduurzaming in de sport in kaart te brengen en te komen tot concrete voorstellen voor verbetering.
Op welke manier kunnen sportaccommodaties van elkaar leren als het gaat om verduurzamingsmaatregelen? Kan onderzocht worden hoe verduurzamingskansen die bijvoorbeeld Thialf heeft, toegepast kunnen worden op bijvoorbeeld zwembaden?
Via de Routekaart Verduurzaming Sport ondersteun ik de actiegroep verduurzaming ijsbanen, waarin de kunstijsbanen van Nederland gezamenlijk spreken over verduurzamingsmaatregelen en -kansen. Via deze weg kunnen ijsbanen leren van elkaars ervaringen en innovaties op het gebied van verduurzaming. Recent is door deze actiegroep in Thialf de werkconferentie Verduurzaming IJsbanen georganiseerd, waar verschillende stakeholders zoals exploitanten, gemeenten, bonden en de rijksoverheid samen kwamen om kennis uit te wisselen. Ik ben in gesprek met de sport en gemeenten om te kijken hoe deze structuur ook kan worden toegepast op de zwembaden.
Daarnaast is er het Kennis- en Innovatieplatform Maatschappelijk Vastgoed waar alle sectoren maatschappelijk vastgoed kennis en informatie kunnen delen en ophalen. Vanuit de sport is het Kenniscentrum Sport en Bewegen bij dit platform aangesloten.
Het artikel ‘Bewoners Zeist boos over uitbreidingsplannen KNVB: "Heel bos moet er voor wijken"' |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Bewoners Zeist boos over uitbreidingsplannen KNVB: «Heel bos moet er voor wijken»»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Bent u bekend met de ambities van de KNVB om de KNVB Campus uit te breiden en daarbij het voornemen heeft om het natuurgebied waar zij gebruik van willen maken te compenseren met meer kwaliteit en meer oppervlakte? Wat is de visie van Staatsbosbeheer op deze plannen?
Ja, ik ben bekend met deze ambities en bovengenoemd voornemen van de KNVB.
De visie van Staatsbosbeheer is als volgt. Als buurman van de KNVB en eigenaar van alle Natuurnetwerk Nederland (NNN) gronden rondom de campus, heeft Staatsbosbeheer zich vanaf het begin kritisch maar meedenkend opgesteld. Staatsbosbeheer heeft haar eigendommen in Austerlitz in bezit voor de instandhouding en verbetering van de daarop aanwezige natuurwaarden. Dit geldt ook voor de gronden waar de KNVB graag op zou willen uitbreiden. Zolang deze grond een natuurbestemming heeft, is er voor Staatsbosbeheer geen aanleiding om deze grond te verkopen aan de KNVB. Pas na het publiekrechtelijke traject voor een bestemmingswijziging, inclusief goedkeuring van de natuurcompensatie door provincie, is Staatsbosbeheer bereid om gronden te verkopen. Tot die tijd blijft Staatsbosbeheer het gebied als natuur beheren en kunnen er geen activiteiten met betrekking tot bovenstaande ontwikkeling plaatsvinden.
Erkent u het belang van de KNVB Campus voor talentontwikkeling en de internationale concurrentiepositie van Nederland in de voetbalwereld? Bent u het ermee eens dat het hierbij van belang is dat de Campus over alle faciliteiten beschikt die hieraan bijdragen, zoals ruimte voor training en medische ondersteuning?
Ja, ik erken dat het belangrijk kan zijn voor de ontwikkeling van het Nederlandse voetbal om een centrale plek te hebben waar verschillende faciliteiten bij elkaar komen en vertegenwoordigende elftalen kunnen trainen. Het is echter aan de KNVB zelf om een afweging te maken over wat er precies nodig is voor talentontwikkeling en de internationale concurrentiepositie van Nederland in de voetbalwereld. Volgens de KNVB draagt het uitbreiden van het aantal voetbalvelden van vier naar zeven bij aan deze ontwikkelingen. Deze uitbreiding betreft een particulier initiatief van de KNVB met eigen financiële verantwoordelijkheid. Inmiddels is de KNVB een werkgroep gestart die uitzoekt of het mogelijk is de velden buiten de gemeente Zeist uit te breiden.
Beschikken andere voetbalbonden ook over een soortgelijke voetbalcampus met een gelijksoortig aanbod van faciliteiten en voetbalvelden? Zo ja, welke zijn dit?
Uit navraag bij de KNVB blijkt dat de KNVB, net als veel andere voetbalbonden binnen Europa een trainingscentrum met moderne faciliteiten heeft. De KNVB geeft aan dat recent onder meer Portugal, België en Duitsland nieuwe trainingsfaciliteiten hebben geopend waarbij België momenteel over zeven voetbalvelden beschikt en Frankrijk over acht voetbalvelden. De KNVB wil drie extra velden realiseren waardoor het totaal aantal velden uitkomt op zeven.
Vindt u de ontwikkeling van de KNVB Campus een positieve bijdrage aan de Nederlandse topsportinfrastructuur en amateursport? Wilt u dit antwoord toelichten?
Voor de Nederlandse topsport is kwalitatief hoogwaardige en toekomstbestendige topsportinfrastructuur van belang. De KNVB geeft aan dat de ontwikkeling van de campus van wezenlijk belang is om deze toekomstbestendigheid en kwaliteit te kunnen waarborgen. De KNVB heeft tevens aangegeven in de toekomst de campus ook meer te gaan benutten voor de breedtesport en amateursport in Nederland. Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 3 is het aan de KNVB om zelf een afweging te maken over wat precies nodig is voor de ontwikkeling van de Nederlandse topsportinfrastructuur en amateursport in Nederland. Volgens de KNVB draagt het uitbreiden van het aantal voetbalvelden van vier naar zeven bij aan deze ontwikkelingen. De KNVB geeft aan dat deze uitbreiding nodig is vanwege het toenemende aantal vertegenwoordigende elftallen.
Bent u het ermee eens dat natuurinclusief bouwen past bij de uitdaging waar Nederland nu voor staat, waarbij meer hoogwaardige natuurgebieden gecreëerd moeten worden met betrekking tot de stikstofproblematiek en dat dit soort plannen meer ondersteuning behoeven? Hoe verhouden de voorgenomen plannen van de KNVB zich hier tot?
De KNVB is voornemens een groter en meer hoogwaardig natuurgebied te creëren ter compensatie van het natuurgebied dat ten koste gaat van de uitbreiding. Deze voorgenomen plannen van de KNVB kunnen volgens het Ministerie van LenV onder de noemer «natuurinclusief bouwen» worden geschaard. Het is echter aan de provincie Utrecht om uiteindelijk te bepalen of de voorgenomen plannen van de KNVB geen negatief effect hebben op de stikstofproblematiek in de provincie en of het plan van de KNVB wel of geen steun behoeft voor de uitvoering.
Het bericht ‘In de succesvolle tv-machine van DWDD werd menig redacteur vermalen’ |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Vindt u de berichtgeving over grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer van het televisieprogramma De Wereld Draait Door (DWDD) schrijnend en ontluisterend? Deelt u de mening dat medewerkers zich te allen tijde beschermd moeten weten door hun werkgever?1
Ja. Grensoverschrijdend gedrag is kwetsend, vernederend en schadelijk voor het slachtoffer. Dat laat ook deze casus van de DWDD weer zien. Het is ontoelaatbaar dat dit anno 2022 nog gebeurt. Iedereen op de werkvloer heeft recht op een veilig werkklimaat: alle medewerkers, opdrachtnemers maar ook kandidaten en gasten die meedoen aan tv-programma’s. En de werkgever heeft de taak en zelfs verplichting om hiervoor te zorgen.
Kunt u zich de vragen van het CDA over De bescherming van deelnemers van tv programma’s zoals the Voice of Holland. d.d. 17 januari 20222 en uw antwoorden daarop d.d. 22 februari 20223 herinneren?
Ja.
In antwoord op vraag 74 – Bent u bereid in gesprek te gaan met de verschillende publieke en commerciële partijen om te onderzoeken of dit soort beschuldigingen breder spelen bij tv-programma’s en te bespreken hoe kandidaten in de toekomst beter kunnen worden beschermd? Zo ja, wanneer bent u dit van plan te doen en hoe wordt de Kamer hierover op te hoogte gehouden? – schrijft u, met verwijzing naar het antwoord op vraag 2, dat u naar aanleiding van de uitzending van BOOS en de berichtgeving daarover heeft gesproken met «zowel RTL, Talpa alsook de NPO». Hoe vaak hebben u, of medewerkers van uw ministerie, sindsdien contact gehad met de NPO? Met wie van de NPO is toen gesproken? Is in die gesprekken op enig moment melding gemaakt van grensoverschrijdend gedrag bij DWDD? Is in die gesprekken op enig moment melding gemaakt van grensoverschrijdend gedrag bij andere programma’s dan DWDD, bij de NPO of op commerciële zenders? Indien ja, wat is er met deze meldingen gedaan?
Na de uitzending van BOOS en de berichtgeving heb ik inderdaad eerst contact opgezocht met de top van alle drie de grote mediaorganisaties. De contacten met de NPO over het onderwerp grensoverschrijdend gedrag die daarop volgden, betroffen de twee rondetafelgesprekken die ik met zowel publieke als private mediapartijen over het onderwerp grensoverschrijdend gedrag heb georganiseerd. Het doel van deze gesprekken was het verkennen van een vanuit de sector gezamenlijke preventieve aanpak om grensoverschrijdend gedrag zoveel mogelijk tegen te gaan. Gezien de vertrouwelijkheid van deze gesprekken kan ik niet ingaan op wat er concreet is besproken. Wel kan ik uw Kamer melden dat bij geen van deze gesprekken melding van grensoverschrijdend gedrag bij de DWDD of andere programma’s aan de orde is geweest.
Kunt u expliciet aangeven wanneer u voor het eerst hoorde over (meldingen van) grensoverschrijdend gedrag bij DWDD en via welke kanalen? Was u verbijsterd over de ernst en de omvang van de meldingen?
Net als uw Kamer, hebben de signalen over grensoverschrijdend gedrag bij DWDD mij bereikt via de media. Ik heb met afschuw kennis genomen van de artikelen in de Volkskrant. Het is moeilijk te begrijpen hoe het mogelijk is geweest dat mensen jarenlang blootgesteld zijn aan een onveilig werkklimaat.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop omroep BNNVARA als werkgever, de NPO en andere betrokkenen sinds het uitkomen van het Volkskrantartikel hebben gehandeld en gecommuniceerd? Zijn volgens u alle juiste stappen, door de juiste verantwoordelijkheden, op de juiste momenten en in de juiste volgorde genomen?
Mijn beeld van het verloop de afgelopen dagen is in ieder geval dat er snel is gehandeld. BNNVARA heeft openlijk haar excuses geboden aan alle slachtoffers; een noodzakelijk signaal omdat hiermee het leed van de slachtoffers wordt erkend. De NPO laat nu een extern onderzoek doen door een onafhankelijke partij naar de werkomstandigheden bij DWDD. Mede op basis daarvan komt er een actieplan waarin NPO samen met de omroepen gaan vaststellen wat nodig is om een veilige werkomgeving te garanderen. Met de NPO heb ik afgesproken dat zij mij informeert over de aanpak en het proces.
Ziet u ook dat veel medewerkers bij de omroepverenigingen werken met kortlopende arbeidscontracten en via schijnconstructies met zzp’ers, waardoor het nog ingewikkelder is om eventuele misstanden aan de kaak te stellen? In hoeverre speelt volgens u hierin mee dat zowel bij de omroepverenigingen als de NPO sprake is van een «ratrace» waarin alles draait om kortetermijnsucces op basis van kijkcijfers, marktaandelen en streefgetallen?
Het beeld herken ik. Ook in het advies van de Raad voor Cultuur «Over de grens», dat in juni 2022 is gepubliceerd wordt hierop ingegaan.5 De Raad constateert dat wanneer veel werknemers tijdelijke contracten hebben, dit bijdraagt aan een gevoel van onderlinge concurrentie. Personen die hun werkomgeving als competitief ervaren, maken significant meer grensoverschrijdend gedrag mee. Dit heeft namelijk ook tot gevolg dat mensen zich minder durven uit te spreken wanneer zij grensoverschrijdend gedrag ervaren of in het bijzijn ervan meemaken. De nadruk op succes en kijkcijfers in de mediasector en de druk die dit met zich meebrengt, zal vermoedelijk dit fenomeen versterken. Dat laat onverlet dat succes nooit een excuus mag zijn om mensen respectloos en onwaardig te behandelen. Ook als de druk nog zo hoog is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat omroepverenigingen weer personeel voor langere tijd aan zich gaan binden op basis van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en in een veilige werkomgeving?
Met u deel ik dat de mensen die bij de publieke omroepen meewerken aan het neerzetten van een stevige, onafhankelijke en kwalitatief hoogstaande publieke omroep moeten kunnen rekenen op een fatsoenlijke betaling. Zeker omdat dit er aan bijdraagt dat zij zich veilig voelen in hun werkomgeving en zich durven uit te spreken bij misstanden die zij ervaren of zien gebeuren. Ik vraag dan ook nadrukkelijk zowel bij de NPO als in mijn gesprekken met de omroepen aandacht hiervoor en zal dat ook in de toekomst expliciet blijven doen.
De NPO heeft een actieplan tegen grensoverschrijdend gedrag aangekondigd. Welke voorstellen of goede voorbeelden heeft u zelf om de veiligheid op de werkvloer bij televisie- en radioprogramma’s te verbeteren en structureel te borgen?
In mijn reactie op het advies van de Raad voor Cultuur «Over de grens» heb ik reeds aangegeven dat grensoverschrijdend gedrag meerdere oorzaken en gezichten heeft.6 Er is helaas niet één oplossing voor en in die brief geef ik aan welk breed palet aan maatregelen zal bijdragen aan het verminderen van grensoverschrijdend gedrag.
Wettelijk gezien zijn werkgevers nu reeds verplicht om via de Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) een inventarisatie te maken van de arbeidsrisico’s die in die organisaties spelen, waaronder die van psychosociale arbeidsbelasting. Grensoverschrijdend gedrag valt hier onder. Daarbij horen ook maatregelen om deze risico’s te beheersen. Het kabinet werkt aan het nationaal actieprogramma tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Dit actieprogramma zet in op maatregelen in de hele maatschappij, waaronder ook de werkvloer. In dat kader werken werkgevers en werknemers aan een programmatische aanpak gericht op maatregelen tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld op de werkvloer. In dat zelfde kader onderzoekt de Minister van SZW enkele aanscherpingen in de Arbowet en -regelgeving (zie ook het antwoord op vraag 12).
Verder kan tot voorbeeld dienen het Beleidskader Veilig de vloer op, dat door NAPK ontwikkeld is voor de podiumkunsten, maar voor een groot deel toepasbaar op de mediasector. Dit beleidskader gaat in op alles wat een organisatie kan doen om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen en – wanneer het zich toch voordoet – aan te pakken. Het gaat specifiek in op de bijzondere omstandigheden in de culturele en creatieve sector, zoals de inzet van het lichaam als instrument, de rol van (artistiek) leiders en de onderlinge afhankelijkheid die mensen in de sector ervaren.
Op welk manier worden medewerkers van de omroepverenigingen en NPO op een veilige en verantwoorde manier bij zowel het actieplan als het externe onderzoek betrokken?
De NPO heeft mij laten weten dat de Centrale Ondernemingsraad van de NPO zal worden geïnformeerd over de opzet van het extern uitgevoerde en onafhankelijke onderzoek en de uitkomsten van hiervan. Tevens zal de Centrale Ondernemingsraad van de NPO worden betrokken bij het actieplan. In het overleg van de HR-managers van alle omroepen zal het actieplan eveneens worden besproken evenals de wijze waarop de eigen medewerkers – waaronder ook externe inhuur – zullen worden geïnformeerd.
Vindt er nu al met enige regelmaat een medewerkerstevredenheidsonderzoek plaats onder zowel medewerkers van alle omroepverenigingen als medewerkers van de NPO? Worden hierbij ook de kortlopende contracten en (schijn-)zzp’ers meegenomen?
Uit de eerdere inventarisatie m.b.t. het borgen van de veilige werkomgeving die de NPO dit voorjaar heeft uitgevraagd bij de omroepen, blijkt dat vrijwel alle omroepen onderzoeken houden onder hun personeel. Bij de onderzoeken die de NPO-organisatie uitvoert, worden zzp’ers en uitzendkrachten en stagiaires meegenomen. Het is de verwachting dat dit ook het geval is bij alle omroepen, omdat dit de gangbare praktijk is. Ik heb de NPO gevraagd om dit na te gaan.
Wie is opdrachtgever om onderzoek te doen naar de werkomstandigheden bij DWDD en hoe luidt de precieze onderzoeksopdracht? Is er volgens u aanleiding om breder naar de werkomstandigheden in televisie- en radioprogramma’s te kijken?
Ik heb de NPO gevraagd om op te treden als opdrachtgever voor het onderzoek naar de werkomstandigheden bij DWDD, vanwege haar wettelijke sturings- en coördinatietaak. Deze opdracht zal worden verleend aan een externe onafhankelijke partij. Om de kwaliteit van het onderzoek te bewaken zal er een externe adviescommissie worden ingesteld. Verder zal de NPO ook het Commissariaat voor de Media betrekken bij het onderzoek. Ten tijde van het schrijven van deze antwoorden is de precieze onderzoeksopdracht nog niet bekend. Verder is er is inderdaad aanleiding om breder te kijken naar de werkomstandigheden. Daarin zal worden voorzien met het actieplan waarin de NPO samen met de omroepen concrete stappen gaat vaststellen die nodig zijn om een veilige werkomgeving te garanderen.
Volgens artikel 3, tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen van ongewenst gedrag op de werkvloer bij de werkgever. Welke mogelijkheden ziet u om de Arbeidsomstandighedenwet en/of het Arbeidsomstandighedenbesluit aan te scherpen en bijvoorbeeld arboartsen een (nog) grotere rol te geven bij het signaleren van grensoverschrijdend gedrag?
De Arbeidsomstandighedenwet valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Zij stimuleert de naleving van de verplichte Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) via het Meerjarenprogramma RI&E om de naleving van de RI&E, waarin speciale aandacht is voor psychosociale arbeidsbelasting.
De Minister van SZW is bovendien namens het kabinet samen met de Minister van OCW coördinator van het nationaal actieprogramma tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Binnen dit actieprogramma is onder andere aandacht voor scherpere normering op het werk via wet- en regelgeving en voor de rol van omstanders. In aanvulling op het initiatiefwetsvoorstel van lid Maatoug (GroenLinks) voor het verplichten van een vertrouwenspersoon voor werkgevers, onderzoekt de Minister van SZW in het kader van het actieprogramma het verplichten van een gedragscode en een klachtenprocedure en -commissie. Uw Kamer ontvangt het actieprogramma begin van het nieuwe jaar.
Wat is tot dusver het resultaat van de drie interventies die u begin dit jaar naar aanleiding (van meldingen) van seksueel wangedrag op de werkvloer bij The Voice of Holland aankondigde, te weten in gesprek gaan met de sector, ondersteuning van het meldpunt mores.online en de opvolging van de acties uit het advies van de Raad voor Cultuur?
Met de gesprekken heb ik de urgentie bij de sector willen overbrengen voor een gezamenlijke preventieve aanpak vanuit de sector. Die wordt ook gedeeld. Binnen afzienbare tijd komt de sector met een gezamenlijke convenant over hoe ze grensoverschrijdend gedrag willen aanpakken. Snel daarna – waarschijnlijk begin volgend jaar – ga ik samen met regeringscommissaris Hamer weer om tafel met deze sector om deze te bespreken. Ook hebben een aantal mediaorganisaties zich bij het meldpunt Mores.online aangesloten. Momenteel krijgt Mores.online een bijdrage vanuit het ministerie via de Rijkscultuurfondsen van € 200.000,- voor de periode tot en met 2023. Het werk van Mores.online zal ik ook na 2023 financieel blijven ondersteunen. Voor de opvolging van de acties uit het advies van de Raad voor Cultuur verwijs ik graag naar de brief die ik hierover heb geschreven aan uw Kamer op 2 november 20227.
Welke rol heeft de regeringscommissaris grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld in deze kwestie? Wat houdt haar rol in bredere zin in en wat heeft zij sinds haar aanstelling gedaan?
De NPO is met de regeringscommissaris in gesprek over haar eventuele betrokkenheid in het onderzoek naar deze kwestie.
De rol van de regeringscommissaris in bredere zin houdt in dat zij gevraagd en ongevraagd het kabinet en andere partijen adviseert over de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en vormt een boegbeeld voor het maatschappelijk gesprek om tot een cultuurverandering te komen. De primaire focus van haar activiteiten ligt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, maar waar de aanpak andere vormen van grensoverschrijdend gedrag of geweld raakt zal zij dit in haar werkzaamheden meenemen en hier desgevraagd over adviseren. Uit de gesprekken die zij tot nu toe heeft gevoerd met organisaties en individuen komt namelijk naar voren dat seksueel grensoverschrijdend gedrag vaak samenhangt met andere vormen van grensoverschrijdend gedrag. Momenteel voert zij verdiepende gesprekken met een dwarsdoorsnede van het maatschappelijk middenveld, bedrijven en ervaringsdeskundigen over seksueel grensoverschrijdend gedrag als fenomeen, hoe dit te adresseren en welke kansen en uitdagingen er liggen in de preventieve, repressieve en curatieve sfeer. Ten aanzien van de media is zij betrokken bij gesprekken die ik heb geïnitieerd met omroepen waaronder over hun initiatief om tot een convenant te komen waarbij zij zich maximaal zullen inspannen voor een veilige werkcultuur waarin alle vormen van grensoverschrijdend gedrag worden tegengegaan.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk, met spoed en voor het Wetgevingsoverleg Media (28 november 2023) beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Schilderij met ‘sigaarrokende oude mannen’ na kritiek weg uit Universiteit Leiden: ‘Heel dom’’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Schilderij met «sigaarrokende oude mannen» na kritiek weg uit Universiteit Leiden: «Heel dom» en berichten elders van vergelijkbare incidenten?1
Ja.
Is de Minister het ermee eens dat een schilderij verwijderen zonder debat op aangeven van een medewerker of een handvol medewerkers, puur vanwege het geslacht en huidskleur van de afgebeelde mensen, een vorm van zowel seksisme als racisme is, en dat de activisten zich dus schuldig maken aan alles wat zij zeggen te bestrijden?
Allereerst gaat een onderwijsinstelling zelf over de inrichting van haar gebouw en over de kunst die zij toont. OCW heeft inmiddels contact gehad met de Universiteit Leiden en de Universiteit Leiden heeft aangegeven dat het geen officieel besluit was om het schilderij weg te halen, maar dat er sprake was van een spontane actie van een aantal medewerkers. Inmiddels hangt het schilderij weer op zijn oude plek. De Universiteit wil graag een inhoudelijke discussie over representatie, diversiteit en inclusie en heeft aangekondigd dat een divers samengestelde commissie gaat kijken wat de beste aanpak is om het schilderij beter tot zijn recht te laten komen. De universiteit heeft mijns inziens inmiddels een zorgvuldig proces ingericht om te kijken waar het schilderij het beste tot zijn recht komt.
Wat vindt u, als voorstander van «wrijving in het debat», van deze acties?2
Ik lees in het artikel in De Telegraaf dat studenten niet blij waren met het schilderij, omdat het voor hen afdoet aan de diversiteit op de onderwijsinstelling en in de samenleving. Ik ben inderdaad voorstander van debat en dat mag ook schuren. Kunst kan daarbij een goede aanjager zijn van het debat, omdat het ons doet nadenken en reflecteren. Het is goed dat er discussie wordt gevoerd over representatie bij de instellingen.
Het vergroten van de inclusiviteit is een belangrijke opdracht aan de instellingen en ik hoop en verwacht dat er in de toekomst een inhoudelijk debat wordt gevoerd voordat een dergelijke actie wordt ondernomen.
Ziet u, hoewel u geenszins in directe zin verantwoordelijkheid draagt voor deze individuele casussen, wel een verband met de suggesties die eerder zijn aangedragen vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om «kwetsende kunst» van gangen te verwijderen en het curriculum te «dekoloniseren»?3
Er is discussie in de samenleving over het verleden en de doorwerking daarvan. Dit benoem ik ook in de Kamerbrief waar u in uw vraag naar verwijst. Ik heb niet opgeroepen kunst te verwijderen. Ruimte voor verschillende inzichten en de ontwikkeling daarvan vind ik belangrijk. Universiteiten bieden ruimte en faciliteiten voor discussie over een veelheid van gevoelige onderwerpen en politieke meningen. Iedereen in onze gemeenschap mag zich uitspreken en een mening hebben over deze onderwerpen op een respectvolle manier. Ook als het schuurt. Debat over zaken waarover de meningen verschillen, scherpt ons vermogen om te groeien, om te leren, om te ontwikkelen, en wordt gevoed door wederzijdse kritiek en open discussies. Ik heb vertrouwen in de onderwijsinstellingen om dat debat inhoudelijk te voeren en te faciliteren.
Ziet u in datzelfde verband ook uw eigen bijdrage aan dit activistische klimaat door in uw recent verschenen agenda tegen racisme en discriminatie volledig mee te gaan met de activistische terminologie uit het Nationaal Programma van de Nationaal Coördinator tegen Racisme en Discriminatie, nog voordat dat stuk überhaupt met de Kamer besproken is?4
De ambities uit de OCW-agenda tegen discriminatie en racisme zijn gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel zoals verwoord in het eerste artikel van de Grondwet en de gelijkebehandelingswetten. Dat geeft de overheid de opdracht om ervoor te zorgen dat iedereen in Nederland eerlijke kansen krijgt. Het doel van de agenda tegen discriminatie en racisme is dan ook om als overheid alle vormen van uitsluiting tegen te gaan.
Snapt u dat het ministerie, door via beleidstukken mee te gaan in dit activisme, een klimaat schept, waarin mensen de maat nemen op basis van hun afkomst, huidskleur en geslacht de norm wordt en deze activisten zich gelegitimeerd voelen om hiermee door te gaan en steeds meer ruimte te nemen?
Ons doel als ministerie en als rijksoverheid is om ruimte geven aan de diversiteit in de samenleving en om discriminatie en racisme te voorkomen en tegen te gaan. Dit zijn thema’s die leven in de maatschappij en dus ook op universiteiten. Dat komt niet door hoe het ministerie zich mengt in deze discussie, maar door de onvrede van mensen die zich niet thuis voelen of niet gerepresenteerd voelen op een onderwijsinstelling. Onderwijsinstellingen moeten voor iedereen veilig, toegankelijk en inclusief zijn.
Bent u het ermee eens dat er geen grondrecht bestaat om je niet gekwetst te voelen?
We streven naar een inclusieve samenleving waarin iedereen de eerlijke kansen krijgt om mee te doen aan de samenleving. Daarvoor is het belangrijk om ruimte te creëren voor verschillende standpunten en perspectieven, zonder dat het systematisch kwetsen van iemand dit in de weg kan staan.
Wat wilt u doen om het klimaat voor het academische vrije debat in universiteiten te herstellen?
In de vraag is de veronderstelling besloten dat het klimaat voor het academische vrije debat in universiteiten niet goed is en hersteld dient te worden. Dit bestrijd ik. Er is een discussie ontstaan over een kunstwerk dat in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden hangt. Die discussie raakt aan de wijze waarop leden van de academische gemeenschap zich verhouden tot de universiteit, haar geschiedenis, het gebouw en de mensen die zich daarin bevinden. Die discussie wordt in alle openheid gevoerd. Zo heeft de Leidse hoogleraar Remco Breuker een interessante kritiek op het handelen van het bestuur gepubliceerd in het universitair weekblad Mare.5 Ook de universiteitshistoricus Pieter Slaman heeft een kritische noot geplaatst in datzelfde medium.6 De heren Floris en Job Cohen hebben in een open brief aan het college van bestuur aangeboden om toelichting te geven op de context en betekenis van het schilderij, waarop hun vader is afgebeeld.7 Ook hebben medewerkers van de universiteit zich in de landelijke media uitgesproken over de kwestie. De voorzitter van het CvB heeft uitleg gegeven over wat is gebeurd en heeft aangekondigd dat er onderzocht zal worden over hoe het schilderij beter tot zijn recht komt. Dit zijn enkele voorbeelden waaruit ik opmaak dat het vrije debat wordt gevoerd.
Een ‘speciale portal’ bij techbedrijven |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met berichten dat de Biden regering een «speciale portal» bij techbedrijven heeft voor het aangeven van desinformatie?1
Ja.
Heeft de Nederlandse staat ook toegang tot een dergelijke speciale portal bij Twitter (of Facebook of Instagram) voor het aangeven van desinformatie, misinformatie of nepnieuws bij deze techbedrijven?
Het Ministerie van BZK heeft geen toegang tot een Content Request System zoals beschreven in de artikelen in de bijlagen. Wel heeft het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, Twitter, TikTok en Snapchat. Trusted flaggers» meldingen worden door de genoemde sociale media platformen met prioriteit behandeld. Deze trusted flagger status kunnen deze online platformen ook geven aan andere overheidsorganisaties of NGO’s.2 Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen rondom verkiezingen: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Of wanneer een gemeente rondom verkiezingen een vraag had voor Meta en zelf geen gehoor kreeg. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken hierbij hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het ministerie heeft via deze kanalen geen bevoegdheid bepaalde content te laten verwijderen.
Voor meer informatie over deze status van «trusted flaggers» verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen over de «escalatie kanalen» en het «desinformatieteam BZK» naar aanleiding van een Wob-verzoek die u op 7 november 2022 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 914).
Onderhoudt de Nederlandse staat contact met de bovengenoemde drie sociale mediabedrijven en indien dit het geval is door wie en op welke manier (bijvoorbeeld telefonisch, via mailverkeer) en waarom wordt dit contact onderhouden?
Ja. Het Ministerie van BZK houdt vanwege verschillende redenen contact met bovengenoemde bedrijven. Dit contact kan zowel op ambtelijk als op ministerieel niveau plaatsvinden. Het kan bestaan uit telefonisch contact, mailverkeer, of gesprekken in persoon. Zo heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 juni 2022 een kennismakingsgesprek gehad met vertegenwoordigers van Meta, waarover die dag op Twitter publiekelijk is gecommuniceerd.3 In het kader van hoor en wederhoor is er contact met Meta over het DPIA traject Facebook Pages4. Via de status van «trusted flagger» kan het ministerie contact op nemen met deze bedrijven wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden.
Berichten dat artiesten hun tour annuleren vanwege onder meer te hoge kosten |
|
Peter Kwint |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Hoeveel Nederlandse artiesten zijn genoodzaakt hun tour te annuleren, omdat het vanwege te hoge kosten, door onder andere de hoge inflatie en hoge transport- en vervoerskosten, niet meer financieel rendabel is?1
Ik heb signalen ontvangen over de stijgende kosten voor artiesten en ik ben mij er van bewust dat de inflatie het organiseren van een tournee onder druk zet. Het is mij echter niet bekend in hoeveel gevallen dit geleid heeft tot het annuleren van tournees van Nederlandse artiesten.
Bent u nog steeds in gesprek met gemeenten en provincies over mogelijkheden om de popcultuur in Nederland te versterken en om te komen tot een gedeelde visie op wat nodig is voor een levendige popcultuur?2 Kunt u dit toelichten? Wanneer kunnen we de resultaten van deze gesprekken verwachten?
Ik ben en blijf in gesprek met gemeentes en provincies om de levendige popcultuur die we kennen te behouden en te versterken daar waar nodig. Ik wil de popsector ook betrekken in het proces over de vernieuwing van het bestel.
In mijn kamerbrief Toekomst culturele basisinfrastructuur3 ga ik in op verbeteringen die we al bij de aanvraagronde 2025–2028 mee kunnen nemen, maar geef ik ook aan dat er andere vraagstukken zijn die een langere adem en doordenking nodig hebben. Hieronder vallen onder andere de samenwerking tussen overheden, een breder instrumentarium en de verhouding tussen de bis en de rijkscultuurfondsen. De raad zal in het najaar 23 adviseren over de toekomstige herziening van het bestel. De uitwerking van de visie wat nodig is voor een levende popcultuur hangt hiermee samen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de popsector om te kijken op welke manier gerichte ondersteuning van de overheid de sector door deze periode heen kan helpen?
Het gesprek met de sector en diens vertegenwoordigers over gerichte ondersteuning is al langere tijd gaande. Naar aanleiding van de gesprekken die ik gevoerd heb en onder andere het rapport «Een Weerbare Popsector»4 heb ik besloten de Upstream regelingen van Fonds Podiumkunsten en het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie voor midcareer popartiesten met twee jaar te verlengen. Ook komen er extra middelen voor deze regeling beschikbaar. Daarnaast komt er vanuit de herstelmaatregelen een nieuwe subsidieregeling voor jonge muziekmakers: dit betreft een tourloket voor Nederlandse talentvolle artiesten die binnen Nederland op tournee gaan. Hierbij is ook specifiek gekeken naar de noden in de sector. Tevens heb ik een nieuwe regeling voor muziekhubs aangekondigd waarmee ik de ontwikkeling van makers op zowel zakelijk als artistiek vlak in de muzieksector ondersteun.
Hoe staat het met de verzekerbaarheid van tours voor Nederlandse artiesten? Is dit ook mogelijk, zeker nu de risico’s om ergens op tour een keer COVID op te lopen en daarna de rest van de tour te moeten afzeggen groot zijn?
In de «Kamerbrief Stand van zaken moties en toezeggingen inzake cultuur» van 4 november jl.5 ga ik in op een eerdere vraag van de Kamer wat betreft de stand van zaken met betrekking tot de onverzekerbaarheid van culturele evenementen tegen een pandemie. De verzekerbaarheid van evenementen is anders dan de verzekerbaarheid van tours voor Nederlandse artiesten. De stand van zaken met betrekking tot de onverzekerbaarheid is dat de evenementensector momenteel eerst zelf werkt aan een toekomstplan dat op enig moment aan de overheid zal worden voorgelegd ter bespreking. In zijn algemeenheid is het verzekeren van activiteiten iets dat in de markt plaatsvindt. De overheid is terughoudend met het overnemen van risico’s en ik zie daar in dit geval ook geen aanleiding voor. Overigens heb ik geen signalen ontvangen over de onverzekerbaarheid van tours voor Nederlandse artiesten.
Welke verantwoordelijkheid ziet u weggelegd voor de techreuzen en streamingplatforms in het ondersteunen van livemuzikanten? Bent u van mening dat de huidige streamingafdrachten voor een groot deel van de artiesten nog niet het begin van een leefbaar inkomen opleveren? Bent u bereid ook een streamingheffing voor audio-platforms te overwegen, evenals een bijdrage van techplatforms aan de sector?
Artiesten hebben vaak meerdere inkomstenbronnen. Streamingsafdrachten kunnen hier onderdeel van uitmaken. In het onderzoek over de Stand van zaken in de Nederlandse popsector6 dat mijn voorganger heeft laten uitvoeren wordt geconstateerd dat de popsector een complexe waardeketen kent. In dit onderzoek wordt ook ingegaan op de verschillende onderdelen van de waardeketen, hoe deze samenhangen en worden er adviezen gegeven. Specifiek over veranderende businessmodellen en in het bijzonder op het gebied van streaming wordt het volgende geschreven: «Voor de nabije toekomst geldt dat het business model voor de exploitatie van muziekopnamen via streamingdiensten nog geruime tijd ter discussie zal staan. Een van de geïnterviewden geeft aan dat het streamingmodel zoals Spotify dat heeft neergezet nog verder moet uitkristalliseren. Voor makers, zowel uitvoerende muzikanten als auteurs geldt dat, willen zij bouwen aan een stevige en veerkrachtige basis voor hun muzikale carrières, de inkomsten uit streaming in de toekomst substantiëler zullen moeten zijn dan nu het geval is. Daarvoor moeten ze zowel de platenmaatschappijen aanspreken, voor een aandeel in de vergoedingen die Spotify verstrekt, en de platforms waarvoor nu een evidente value gap geldt, YouTube in het bijzonder.» Ik zie hier vooral een rol weggelegd voor de makers om in gesprek te gaan met de platenmaatschappijen en de platforms waarvoor nu een evidente value gap geldt. Ik zal dit onderwerp terug laten komen in gesprekken met het veld om te horen wat de stand van zaken is.
Met betrekking tot de mogelijkheden voor een investeringsverplichting of heffing voor audio verwijs ik naar de Kamerbrief van 16 november 2021, «Stand van zaken moties en toezeggingen met betrekking tot cultuur».7 Hierbij is gewezen op de verschillen tussen de audiovisuele sector en de audiosector. Naast een kostenverschil tussen de beide soorten producties (audiovisuele producties zijn in veel gevallen (veel) duurder dan audioproducties) is er het gegeven dat grote aanbieders van video-on-demand-diensten, zoals Netflix, ook zelf produceren, en dat aanbieders van muziekdiensten, zoals Spotify, zelf geen muziek produceren maar een platform bieden. Daarnaast zijn de verdienmodellen verschillend. Indien men een heffing of een investeringsverplichting wil opleggen aan aanbieders die zijn gevestigd in andere EU-lidstaten (zoals Spotify) dan is daar EU-regelgeving voor nodig. Daarvan is op audiovisueel terrein wel sprake, namelijk de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten. In de audiosector is daarvan echter geen sprake. Naast de juridische vraag of EU-regelgeving ruimte biedt om een investeringsverplichting of een heffing in het leven te roepen, betreft het ook een politieke vraag: de wenselijkheid van een maatregel voor aanbieders – gevestigd in andere (EU)landen – van audio ter stimulering van Nederlandse muziek. Op grond van bovenstaande overwegingen zie ik voor de audiosector momenteel geen aanleiding voor een investeringsverplichting of een heffing.
Op welke wijze gaat u het verdienmodel van Nederlandse artiesten verbeteren? Bent u bereid om met een plan te komen voor verbetering van de inkomenspositie van livemuzikanten en deze voor de begrotingsbehandeling te presenteren? Zo nee, waarom niet? Wat is uw analyse van de huidige problematiek voor livemuzikanten om rond te kunnen komen? Gaat er niet genoeg geld rond in de sector of komt het op de verkeerde plekken terecht? En wat bent u bereid daaraan te doen?
Eén van de maatregelen die ik heb getroffen om het verdienmodel van Nederlandse artiesten te verbeteren is middels een bijdrage aan de ketentafels die Platform ACCT organiseert over de uitwerking van fair practice en fair pay.
Naast andere sectoren, neemt ook de popsector hier aan deel. Deze «ketentafel pop» verkent de inkomenspositie van onder andere popmuzikanten in het livecircuit. Naar verwachting zal de ketentafel popmuziek in het voorjaar van 2023 met een eerste instrument komen om de fase waarin popmuzikanten zich in hun loopbaan bevinden inzichtelijk te maken, zodat het veld en de makers handvatten krijgen om daden bij woorden te voegen waar het een eerlijke beloning betreft. De popsector stelt zich zeer constructief op tijdens deze gesprekken en vormt daarmee een voorbeeld voor andere sectoren. Ik volg deze ontwikkelingen met veel interesse.
Aanvullend heb ik ervoor gekozen om de komende twee jaar de middelen voor de arbeidsmarkt breed in te zetten. Ik zorg de komende periode voor financiële ondersteuning wanneer een opdrachtgever iemand in dienst neemt, en ik zorg voor de financiële ondersteuning van zzp’ers waar het sociale voorzieningen betreft (oogvoorimpuls.nl). Daar kunnen ook organisaties en werkenden in de popsector al op korte termijn gebruik van maken. De komende twee jaar benut ik om te onderzoeken welke deelsectoren een aantoonbare achterstand hebben, om zo te komen tot een zinvolle verdeling van de beschikbare middelen.
Tevens verwijs ik ook naar maatregelen ten behoeve van de positie van artiesten die ik heb aangekondigd in de Meerjarenbrief Cultuur – De Kracht van Creativiteit8: extra gelden voor de Upstream regelingen bij het Fonds Podiumkunsten en het Stimuleringsfonds voor de Creatieve industrie en de nieuwe regeling voor muziekhubs. Ook wordt vanuit de herstelmiddelen voor Impuls Makers een nieuw Tourloket voor Nederlandse artiesten geïnitieerd. Drie maatregelen waar artiesten, en met name ook juist de uitvoerende muzikanten in het livecircuit op korte termijn baat bij zullen hebben en die aanvullend zijn op reeds bestaande regelingen bij de fondsen.
Op welke manier bent u in gesprek met de podia van Nederland, die geconfronteerd worden met exploderende energierekeningen? Kunnen zij, indien nodig, op extra steun rekenen? Kunt u ervoor zorgdragen dat eventuele meerkosten niet afgewenteld worden op artiesten, bijvoorbeeld in de vorm van een commissiebedrag over verkochte merchandise of anderszins?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen en heb contact met de brancheverenigingen en het veld. Veel ZZP’ers in de culturele en creatieve sector zullen geholpen worden door het energieplafond dat het kabinet heeft aangekondigd. Het kabinet werkt tevens aan de uitwerking van de aangenomen motie van leden Paternotte, Kuiken en Klaver. Deze motie verzoekt het kabinet om bij de zoektocht naar oplossingen voor energie-intensieve MKB ook te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen en te kijken of gemeenten daarbij een rol kunnen spelen.9 Over de uitvoering van de motie Paternotte, c.s., waar dit onderdeel van uitmaakt, zal de Kamer uiteraard worden geïnformeerd. Deze gerichte ondersteuning zal zicht bieden op energiecompensatie en niet op specifieke afspraken zoals dat meerkosten niet afgewenteld worden op artiesten.
Heeft u zicht op de besteding van coronasteunmaatregelen? Hoe wordt voorkomen dat deze op de plank belanden? Zijn er nog extra maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat deze middelen bij de makers belanden?
Ik hecht er belang aan de impact van de coronasteunmaatregelen goed in beeld te krijgen. Daarom laat ik het onderzoeken. Ik verwijs hierbij naar de «Kamerbrief Stand van zaken moties en toezeggingen inzake cultuur»10 van 4 november jl. waarin ik de Tweede Kamer informeer over het rapport van de Boekmanstichting over de gevolgen van corona op de financiële situatie van culturele instellingen en werkenden (waaronder ZZP’ers) in de culturele sector.
Dit onderzoek is een vervolg op het onderzoek over het jaar 2020. Het maakt gebruik van een enquête onder culturele instellingen en van CBS gegevens over werkenden in de sector.11 Het onderzoek zal in november worden afgerond en direct na verschijnen worden gepubliceerd. Het onderzoek is een belangrijke bouwsteen van de evaluatie van het corona steunpakket voor de culturele en creatieve sector. Deze evaluatie heb ik zojuist aanbesteed en zal in het voorjaar van 2023 worden afgerond. Zoals mijn voorganger Minister van Engelshoven in 2021 in haar brief aan uw Kamer heeft bericht zal deze evaluatie een synthese zijn van alle beschikbare gebruiksgegevens, onderzoeken, branche- en CBS-statistieken aangevuld met een procesevaluatie.12 Ik zal deze evaluatie na verschijning naar de Tweede Kamer sturen met mijn beleidsreactie, met een afschrift aan de Eerste Kamer. Overigens krijg ik in gesprekken die ik met het veld voer over dit onderwerp niet de indruk dat er middelen op de plank blijven liggen. Mijn verwachting is dat de te verschijnen onderzoeksresultaten het zich hierop sterk zullen vergroten.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het naderende wetgevingsoverleg over de cultuurbegroting3?
Ja.
De brief Toekomst culturele basisinfrastructuur en de uitvoering van de motie Van Strien c.s. |
|
Pim van Strien (VVD) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Vindt u dat uw brief van 20 oktober 20221 en de daarin beschreven nieuwe BIS-ronde voldoende uitvoering geven aan de motie Van Strien c.s.2 die door de Kamer met ruime meerderheid werd aangenomen en met «Oordeel Kamer» werd geapprecieerd?
De uitvoering van de motie is zowel opgepakt in mijn brief van 20 oktober over de culturele basisinfrastructuur als in mijn Meerjarenbrief Cultuur – De kracht van creativiteit van 4 november 2022. Voor de volledigheid benoem ik hier dat ik in deze brieven mijn voornemens tot het uitvoeren van de motie Van Strien heb beschreven, en de motie nog niet als afgedaan beschouw. In het antwoord op vraag 2 ga ik verder op de uitvoering in.
Zo ja, kunt u toelichten op welke manier u – zoals u toezegde in het debat3 – heeft onderzocht op welke wijze prestatieafspraken verruimd en flexibeler kunnen worden zodat maatschappelijke impact, cultureel ondernemerschap en innovatie zonder al te veel extra administratieve druk mee kunnen wegen bij de aanvraag en verantwoording in de nieuwe BIS-periode?
Ik verwerk de genoemde onderdelen in de motie in mijn adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur over de beoordelingsprocedure door de Raad voor de culturele basisinfrastructuur (BIS) 2025–2028. Ik zal mijn adviesaanvraag na het Wetgevingsoverleg van 14 november versturen. Ik vraag de Raad in het voorjaar advies uit te brengen.
Daarnaast is de Auditdienst Rijk (ADR) gevraagd te ondersteunen bij vernieuwing van de systematiek van monitoring en verantwoording voor de BIS 2025–2028. Dit komt tegemoet aan de wens van de sector en uw Kamer om meer op maatschappelijke impact, cultureel ondernemerschap en innovatie te sturen. Bij de uitvoering van deze opdracht worden instellingen gehoord die een afspiegeling vormen van het culturele veld dat door het Rijk wordt gesubsidieerd of die op een andere manier als stakeholder betrokken zijn bij de BIS. Het eindresultaat wordt in het eerste kwartaal van 2023 verwacht.
In de Uitgangspuntenbrief voor de BIS 2025–2028 van juni 2023 wordt de beoordeling en monitoring vervolgens uitgewerkt. Hierin zullen de genoemde onderdelen uit de motie Van Strien terugkomen.
Kunt u de resultaten van dit onderzoek zo snel mogelijk met de Kamer delen? Zo ja, kan dit voor de begrotingsbehandeling Cultuur4? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Op welke manier gaat u de prestatieafspraken verruimen en flexibeler maken in de nieuwe BIS-periode, zodat maatschappelijke impact meeweegt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Op welke manier gaat u de prestatieafspraken verruimen en flexibeler maken in de nieuwe BIS-periode, zodat cultureel ondernemerschap meeweegt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Op welke manieren gaat u de prestatieafspraken verruimen en flexibeler maken in de nieuwe BIS-periode, zodat innovatie meeweegt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe matcht de titel van het verstuurde persbericht «Subsidieronde cultuur 2025–2028 onder zelfde voorwaarden als voorgaande periode»5 met uw brief waarin u zegt dat u uitvoering geeft aan de motie Van Strien c.s.?
De kop en inhoud van het persbericht zijn een compacte weergave van de inhoud van de gehele brief. De kop van het persbericht verwijst naar de inrichting van de BIS, die in de periode 2025–2028 niet zal wijzigen. Tegelijkertijd vind ik het, net als de Kamer, belangrijk wél te kijken naar de beoordeling en prestatieafspraken voor instellingen in de BIS, voor zowel de periode 2025–2028 als daarna. Het is de kunst een evenwicht te vinden tussen de voorwaarden, criteria en administratieve verplichtingen. Daarom heb ik zowel de Raad voor Cultuur- die de aanvragen beoordeelt – als de ADR – voor monitoring van prestaties – om advies gevraagd.
Hoe stimuleert het exact gelijk blijven van de subsidievoorwaarden maatschappelijke impact, cultureel ondernemerschap en innovatie?
De voorwaarden zullen niet exact gelijk blijven, zoals beschreven in de voorgaande antwoorden.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat de verwachting die u in uw brief uitspreekt over de door u genoemde punten door de BIS-instellingen bewaarheid wordt, wanneer u stelt: «Voor de komende ronde verwacht ik dat de bis instellingen zich stevig zullen positioneren, met goede cultuureducatie, begeleiding van jong talent, solidariteit, toegankelijk participatiebeleid en inzet op diversiteit en inclusie. De mogelijkheden en meerwaarde van digitalisering kunnen hier een rol bij spelen. Deze en andere innovaties vragen om andere businessmodellen en vergroten de maatschappelijke betekenis van cultuur»6?
Na ontvangst van de genoemde adviezen van de Raad voor Cultuur en de ADR zal ik deze punten uitwerken in mijn Uitgangspuntenbrief voor de BIS 2025–2028. In gesprekken die ik heb gevoerd zie ik ook dat er veel beweging is op deze onderwerpen. Ik verwacht dus dat hier ruimte is om zichtbare resultaten te kunnen boeken.
En wat bedoelt u in deze paragraaf precies met «De mogelijkheden en meerwaarde van digitalisering» binnen de nieuwe BIS? Wat doet u om die mogelijkheden en meerwaarde te stimuleren?
In mijn Meerjarenbrief Cultuur – De kracht van creativiteit van 4 november 2022 beschrijf ik hoe ik investeer in de mogelijkheden en meerwaarde van digitalisering. In de Uitgangspuntenbrief zal ik beschrijven hoe dit in de nieuwe BIS een plek krijgt.
En vindt u dat innovatie verder gaat dan digitalisering? Zo ja, wat doet u om innovatie te stimuleren in de nieuwe BIS-regeling?
Ja. In mijn eerder genoemde Meerjarenbrief ga ik daarom bijvoorbeeld ook in op de inzet van creativiteit bij maatschappelijke vraagstukken. Deze inzet reikt verder dan de BIS-instellingen. Daarnaast ben ik het met u eens dat van BIS-instellingen een innovatieve houding mag worden verwacht. Ik kom daarop terug in mijn Uitgangspuntenbrief.
En wat bedoelt u in deze paragraaf precies met «andere businessmodellen»? Wat doet u om die andere businessmodellen te stimuleren?
Het benutten van de mogelijkheden en meerwaarde van digitalisering vraagt om andere werkwijzen dan instellingen en makers tot nu toe gewend zijn. Daarvoor is onder meer nieuwe kennis nodig, ook van andere businessmodellen. In mijn Meerjarenbrief beschrijf ik hoe de sector hierbij ondersteund wordt.
Vindt u dat het stimuleren van cultureel ondernemerschap verder gaat dan alleen andere businessmodellen stimuleren? Zo ja, wat doet u om cultureel ondernemerschap verder te stimuleren?
Ja. Zo start binnenkort een traject in samenwerking tussen onder andere Platform ACCT en Cultuur + Ondernemen dat specifiek gericht is op het verbeteren van de financieringsmix van projecten in de culturele en creatieve sector. In mijn Meerjarenbrief ga ik verder ook uitgebreider in op bijvoorbeeld het verbeteren van de arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector. En zoals hierboven beschreven, worden deze elementen meegenomen richting de BIS periode 2025–2028.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ik heb in een aantal antwoorden verwezen naar een eerder antwoord.
Kunt u de beantwoording van deze vragen voor de begrotingsbehandeling Cultuur aan de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het artikel dat de inlichtingendiensten AIVD en MIVD journalisten ronselen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van een artikel in de NRC waaruit blijkt dat de inlichtingendiensten AIVD en MIVD journalisten ronselen?1
Ja.
Het artikel spreekt hoofdzakelijk over het ronselen van journalisten in het buitenland, kunt u bevestigen of er wellicht ook journalisten geronseld zijn of geronseld worden door de AIVD of MIVD in Nederland?
Allereerst neem ik nadrukkelijk afstand van het woord «ronselen». Deze term suggereert misleiding, dwang en/of onvrijwilligheid. Hiervan is geen sprake in de samenwerking van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) met hun bronnen.
De AIVD en de MIVD hebben op basis van artikel 39 van de Wiv 2017 de wettelijke bevoegdheid om bij de uitvoering van hun taak dan wel ter ondersteuning van een goede taakuitvoering zich voor het verzamelen van gegevens te wenden tot bestuursorganen, ambtenaren en iedereen die geacht
wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken. De diensten kunnen zich op basis van deze bevoegdheid in beginsel tot een ieder wenden, dus ook journalisten. Het voldoen aan een dergelijk verzoek geschiedt altijd op basis van vrijwilligheid. Overigens kunnen ook journalisten zelf de AIVD of de MIVD benaderen om informatie waarover zij beschikken te delen.
In het openbaar kan ik niet ingaan op de bronnen en werkwijze van de AIVD en de MIVD. Op de taakuitvoering van de diensten wordt toezicht uitgeoefend door de CTIVD.
Worden er wellicht ook journalisten die (hoofdzakelijk) berichten over binnenlandse aangelegenheden benaderd door de AIVD of MIVD? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, heeft de AIVD of MIVD formeel de bevoegdheid journalisten die werkzaam zijn in Nederland en (voornamelijk) berichten over binnenlandse aangelegenheden te ronselen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de AIVD of MIVD formeel de bevoegdheid Nederlandse journalisten te betalen voor het leveren van diensten (zoals het plaatsen van een door de AIVD of MIVD gewenst artikel)?
Betaling voor het plaatsen van een artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde. Als de diensten iets publiekelijk agenderen doen ze dat door een publicatie zoals het openbare jaarverslag.
In algemene zin geldt dat als iemand bron is van de AIVD of MIVD er sprake kan zijn van een financiële vergoeding. Voorop staat steeds dat de samenwerking vrijwillig is. Bij het spreken met bronnen streven de diensten er altijd naar de bron niet financieel of op een andere manier afhankelijk te maken.
Heeft de AIVD of MIVD de bevoegdheid Nederlandse journalisten informatie te verstrekken (bijvoorbeeld voor het schrijven van een artikel)?
De AIVD en MIVD hebben de mogelijkheid om desgevraagd informatie te verstrekken aan journalisten. Journalisten benaderen de diensten geregeld met verzoeken om een achtergrondgesprek of een interview. Waar dit mogelijk is willigen beide diensten dergelijke verzoeken in. Overigens verstrekken de diensten in achtergrondgesprekken of interviews aan journalisten geen staatsgeheime informatie.
Heeft de AIVD of MIVD de bevoegdheid in ruil voor informatie van een journalist een wederdienst van welke aard (uitgezonderd een onkostenvergoeding) dan ook (informatie, geld, beloning in natura, et cetera) aan die journalist te geven?
Zoals toegelicht bij vraag 5 kan er sprake zijn van een financiële vergoeding als iemand bron is van de AIVD of de MIVD. Het betreft hier altijd een vrijwillige samenwerking. Journalistieke onafhankelijkheid is essentieel voor een goed functionerende democratische rechtsorde.
Het voorafgaand toezicht op televisieuitzendingen van Ongehoord Nederland |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Ongehoord Nederland mag Zwarte Piet van NPO niet op tv brengen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) om Ongehoord Nederland geen toestemming te verlenen voor het uitzenden van het Zwarte Pietenjournaal?
De redactionele onafhankelijkheid van mediaorganisaties is een groot goed. Het mediawettelijk systeem zit zo in elkaar dat ik als bewindspersoon geen oordeel vel over de inhoud van de programma’s of over het wel of niet plaatsen van programma’s. De NPO treedt niet in de inhoudelijke en redactionele keuzes van de omroepen. Wel heeft de NPO een coördinerende rol bij het plaatsen van media-aanbod. Omdat er geen oneindig budget of zendtijd beschikbaar is, moet de NPO hier keuzes in maken.
Hoe verhoudt het besluit van de NPO zich tot de uitspraken van de directeur van de NPO eind 2020, toen hij zei dat een Zwarte Pietenjournaal wél zou worden toegelaten, mits het voldeed aan de criteria van de NPO?2 Aan welke criteria zou niet zijn voldaan?
Beantwoording van deze vraag is niet aan mij. De beoordeling van programmavoorstellen is niet aan mij. Hoe deze beoordeling zich verhoudt tot eerder gedane uitspraken kan ik dan ook niet beoordelen.
Is de NPO bevoegd om voorafgaand toezicht uit te oefenen op de inhoud van televisieuitzendingen? Zo ja, op grond waarvan? Hoe verhoudt zich dit met artikel 7, tweede lid, tweede volzin, van de Grondwet, luidende: «Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisieuitzending.»?
Nee, de NPO is niet bevoegd voorafgaand toezicht uit te oefenen op de inhoud van televisie-uitzendingen. Artikel 7, tweede lid, tweede volzin van onze Grondwet is van toepassing op de NPO.
Bent u het ermee eens dat een eventuele toetsing door de NPO in beginsel achteraf en te allen tijde «grondwetsconform» dient plaats te vinden?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de werkwijze van de NPO?
Uiteraard dient de NPO te handelen conform de Grondwet. Naleving van inhoudelijke eisen die aan programma’s worden gesteld wordt achteraf beoordeeld. De omstandigheid dat zendtijd en productiebudget niet ongelimiteerd zijn brengt wel met zich mee dat de NPO niet elk voorstel kan inwilligen. De NPO moet uit alle ingediende voorstellen een selectie maken van programma’s die geprogrammeerd zullen worden. In deze fase kan de NPO, mede op grond van artikel 2.52 Mediawet 2008 voorstellen afwijzen omdat zij bijvoorbeeld niet voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147. De inhoudelijke beoordeling van de voorstellen door de NPO is beperkt tot het strikt noodzakelijke om tot een programmering te kunnen komen. Bij de verzorging van eenmaal gecoördineerde programma’s gaan omroepen over vorm en inhoud. Dat is niet aan de NPO.
Erkent u dat de grondwettelijke bescherming van de uitingsvrijheid niet beperkt is tot uitingen, ideeën, gevoelens of informatie die gunstig worden ontvangen, als onschuldig worden beschouwd, dan wel die neutraal zijn? Erkent u dat ook schokkende of kwetsende uitlatingen vallen binnen de reikwijdte van het grondrecht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het besluit van de NPO?
De vrijheid van meningsuiting is inderdaad niet beperkt tot uitingen, ideeën, gevoelens of informatie die gunstig worden ontvangen, als onschuldig worden beschouwd, dan wel die met onverschilligheid worden ontvangen, maar strekt zich inderdaad ook uit tot uitingen die kunnen worden ontvangen als kwetsend, schokkend of storend. Het is niet aan mij om het besluit van de NPO te beoordelen. De NPO is als zelfstandig bestuursorgaan bevoegd om de keuze voor het al dan niet plaatsen van een programma, te maken.
Welke mogelijkheden heeft u om de NPO ertoe te bewegen zijn besluit te herzien? Bent u bereid deze mogelijkheden optimaal te benutten? Zo nee, waarom niet?
Uit de Mediawet en de Grondwet volgt dat de publieke omroep onafhankelijk van de regering opereert. Dit is een groot goed in een rechtstaat. Als bewindspersoon past het mij dan ook niet te oordelen over individuele besluiten van de NPO. Als een omroep het niet eens is met een besluit van de NPO staat de weg van bezwaar, beroep en hoger beroep open.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De uitgelekte mail van het directieteam van de NPO omtrent omroep Ongehoord Nederland |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen of deze mail, zoals die in een recente aflevering van Roddelpraat is gepresenteerd, inderdaad door de directie van de NPO is verzonden en bent u op de hoogte van de inhoud van deze mail?1
Ja. Vier dagen eerder heeft de NPO een persbericht verspreid van gelijke strekking. Zie https://pers.npo.nl/persberichten/reactie-npo-op-uitzending-ongehoord-nieuws-15-september.
Kunt u uitleggen wat de directie van de NPO precies bedoelt als zij stelt dat «de grens van de redactionele vrijheid is bereikt»?
De NPO heeft mij laten weten dat hiermee is bedoeld dat iedere omroep zich dient te houden aan de gemaakte afspraken. Onder die afspraken vallen ook de redactionele vereisten waar programma’s aan dienen te voldoen zoals beschreven in de Mediawet en nader neergelegd in de Journalistieke Code NPO. Deze Code wordt door ON! onderschreven, zoals blijkt uit een bericht aan mijn ambtsvoorganger van 2 juni 2021. De uitzending heeft tot veel beroering geleid en tot meer dan 1900 klachten bij de Ombudsman. De Ombudsman doet nu onderzoek en het wachten is op de bevindingen.
Kunt u uitleggen wat de directie van de NPO bedoelt als zij stelt dat het bereiken van deze grens «niet zonder de nodige consequenties mag blijven»?
De Mediawet regelt dat de NPO de bevoegdheid heeft om bij gebrek aan bereidheid tot samenwerking of bij het niet naleven van bindende regelingen aan een omroep een financiële sanctie op te leggen. De NPO heeft op 25 oktober 2022 gecommuniceerd over een voorgenomen sanctie aan Ongehoord Nederland. Zoals gezegd is dit een zelfstandige bevoegdheid van de NPO.
Bent u op de hoogte van de stappen die de directie zegt te willen gaan nemen? Op welke wijze bent u over deze gang van zaken geïnformeerd of op welke wijze bent u bij deze kwestie betrokken?
Ik heb kennis genomen van het gegeven dat de NPO in juli van dit jaar een financiële sanctie aan ON! heeft opgelegd wegens gebrek aan samenwerking omdat er niet voldaan werd aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen die binnen de sector gehanteerd worden, zoals uit het rapport van de Ombudsman van 7 juni 2022 naar voren komt. Verder heb ik vernomen dat de NPO overweegt een tweede financiële sanctie aan ON! op te leggen wegens gebrek aan samenwerking. Ik ben hier verder niet bij betrokken omdat dit een zelfstandige eigen bevoegdheid van de NPO betreft.
Bent u van mening dat het niet de rol van de directie van de NPO is om het Commissariaat van de Media te verzoeken onderzoek te doen? Zo nee, waarom niet?
Het staat een ieder, dus ook de NPO, altijd vrij om bij het Commissariaat voor de Media als toezichthouder op de naleving van de Mediawet aandacht te vragen voor gebeurtenissen waarbij de Mediawet in het geding zou kunnen zijn. Het Commissariaat beslist als onafhankelijk toezichthouder zelf over welke zaken worden onderzocht.
Vindt u dat deze uitlatingen van de directie van de NPO haaks staan op de Mediawet, die in artikel 2.2 stelt dat de NPO juist samenwerking moet bevorderen?
De NPO heeft op grond van artikel 2.2 de Mediawet de taak om samenwerking te bevorderen. Op grond van artikel 2.154 van de Mediawet kan de NPO een sanctie opleggen als een omroep onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst. In de voorgenomen sanctie stelt de NPO dat daarvan sprake is.
Vindt u dat deze uitlatingen van de directie van de NPO haaks staan op de eigen statuten, die stellen dat de NPO zich ten doel stelt juist samenwerking te bevorderen?2
Zie antwoord vorige vraag.
Spreekkoren bij voetbalwedstrijden |
|
Jeanet van der Laan (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kent u het artikel «Fijke (43) hoort kwetsende homo-teksten in Grolsch Veste aan: Waarom treedt niemand op?»1
Ja.
Wat is volgens u het antwoord op deze vraag?
De wijze waarop Betaald Voetbal Organisaties (BVO’s) dienen op te treden bij discriminerende spreekkoren zoals homofobe, antisemitische en racistische spreekkoren staat omschreven in de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld, wat onderdeel is van het Handboek competitiezaken betaald voetbal van de KNVB. Uitgangspunt is dat BVO’s en supportersverenigingen primair verantwoordelijk zijn voor het gedrag van hun supportersaanhang c.q. leden en voor duidelijke tolerantiegrenzen ten aanzien van ongewenste spreekkoren en verbaal geweld. Deze grenzen worden onder meer bekendgemaakt in het huisreglement van de club
Met betrekking tot deze specifieke situatie heeft de BVO FC Twente haar zienswijze gedeeld. Deze is de volgende: de kwetsende spreekkoren werden in de slotfase van de wedstrijd FC Twente tegen FC Groningen een aantal keren gezongen, waarbij de spreekkoren tussendoor werden onderbroken. De spreekkoren waren op dat moment in de ogen van FC Twente steeds van zo'n korte duur dat ervoor werd gekozen om het protocol rondom kwetsende spreekkoren niet in werking te laten treden.
Een aantal mensen in het stadion heeft na de wedstrijd aangegeven zich aan de spreekkoren te hebben gestoord en van mening te zijn dat FC Twente had moeten optreden. FC Twente heeft na de wedstrijd door middel van een publiekelijk statement op hun website de spreekkoren afgekeurd en aangegeven de mening te delen dat zij tijdens de wedstrijd wel hadden moeten ingrijpen.
Is bekend hoe vaak homofobe of racistische spreekkoren klinken vanaf tribunes? Worden signalen die in meldkamers binnenkomen geregistreerd?
Exacte cijfers zijn niet bekend en meldingen worden niet centraal geregistreerd en voor langere tijd bijgehouden. Na een melding van kwetsende spreekkoren, zijn clubs verplicht hierover te rapporteren aan de KNVB en hierbij aan te geven wat ze eraan hebben gedaan voor, tijdens en na afloop van een wedstrijd.
Ook kan een melding worden voorgelegd aan de onafhankelijk aanklager betaald voetbal, die bepaalt of er tuchtrechtelijke sancties volgen.
In een reactie geeft FC Twente aan de wedstrijd niet te hebben stilgelegd omdat de spreekkoren van korte duur geweest zouden zijn. Welke overwegingen spelen hierin een rol? Hoe lang moeten spreekkoren duren om wedstrijden dan wel stil te leggen?
BVO’s zijn verantwoordelijk voor duidelijke tolerantiegrenzen ten aanzien van ongewenste spreekkoren en verbaal geweld. Het in werking treden van de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld gebeurt op basis van verschillende factoren zoals; verstaanbaarheid, waarneming en signalering, inhoud, frequentie, omstandigheden, en of de alternatieven om een spreekkoor te stoppen al in gang zijn gezet etc. De lengte of duur van een spreekkoor is daarbij niet van doorslaggevende betekenis. Wat het kabinet betreft, is iedere seconde dat een discriminerend spreekkoor aanhoudt, er één te veel. Discriminatie hoort niet thuis in Nederland, ook niet op het voetbalveld.
Hoe vaak is het voorgekomen dat een wedstrijd is stilgelegd na racistische en homofobe spreekkoren? Hoe vaak is dit gebeurd na het aannemen van de motie Westerveld/Vander Laan die vraagt om heldere afspraken en verantwoordelijkheden, zodat wedstrijden daadwerkelijk worden stilgelegd bij spreekkoren?2
De KNVB houdt niet expliciet bij hoeveel wedstrijden worden stilgelegd. Het antwoord daarop blijf ik u dan ook schuldig. Wel weet ik dat op 28 augustus
FC Utrecht – Ajax is stilgelegd door de scheidsrechter.
Bent u het met de geïnterviewde persoon en ons eens dat homofobe en racistische of andere kwetsende spreekkoren, ook effect kunnen hebben op de aanwezige kinderen in een stadion? Bent u bereid om hierover het gesprek met supportersverenigingen te voeren?
Ja dat ben ik met u eens. Spreekkoren kunnen effect hebben op zowel volwassenen als op kinderen. Kwetsende spreekkoren horen niet thuis in de sport en dus ook niet in het voetbal. Ook de supportersverenigingen moeten hierin hun verantwoordelijkheid pakken. Ik ben bereid hierover om de tafel te gaan met het Supporterscollectief Nederland en supportersverenigingen.
Welke concrete verbeterpunten zijn er na antwoorden op onze eerdere vragen, waarin u aangeeft met de KNVB in gesprek te zijn om spreekkoren meer onder de aandacht te brengen van de betaald voetbalorganisaties?3
De KNVB heeft recent de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld extra onder de aandacht gebracht bij de BVO’s. Ook is er een aanpassing gedaan met betrekking tot de rol van de scheidsrechter in de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld. Daarnaast is het OM momenteel met de partners in gesprek over welk gedrag in principe strafbaar is en dus (ook) voor die partners voldoende aanleiding kan zijn om in te grijpen én wordt de komende tijd binnen het OM opnieuw onder de aandacht gebracht welke mogelijkheden er strafrechtelijk zijn, mocht er voldoende bewijs bestaan richting individuen, of, welke rol het OM hierbij zou kunnen spelen in de lokale driehoeken.
Bij een mogelijk vervolg op het actieplan «Ons voetbal is van iedereen. Samen zetten we racisme en discriminatie buitenspel» (OVIVI) zal er aandacht zijn voor eerdergenoemde Richtlijn en zullen we samen met de John Blankenstein Foundation en de Anne Frank Stichting een proces in gang zetten gericht op het normeren van gedrag in stadions met betrekking tot onwenselijke uitingen zoals homofobe spreekkoren. Daarbij willen we de BVO’s en haar supporters bewust maken van de impact van kwetsende spreekkoren.
Bent u het met ons eens dat symboliek zoals het dragen van aanvoerdersbanden weinig waarde heeft als clubs en spelers hier geen concrete acties aan verbinden zoals het stilleggen van de wedstrijd?
Ik ben het met u eens dat een wedstrijd soms wel eerder stilgelegd mag worden. Toch ondersteun ik ook het gebruik van de OneLove aanvoerdersbanden. Het is een mooie manier om tijdens wedstrijden visueel te maken dat in het voetbal geen ruimte is voor discriminatie en racisme. De OneLove aanvoerdersbanden zijn slechts een onderdeel binnen de brede aanpak van racisme en discriminatie in het voetbal. OVIVI kent velerlei maatregelen gericht op preventie, signaleren en sanctioneren. Daarbij moet deze actie niet worden onderschat. Ook het gesprek hier over voeren en het maatschappelijk debat hierover vind ik van waarde, los van de overige concrete acties en het stilleggen van wedstrijden.
Bent u tevreden over de aanpak tot nu? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Ik ben blij met de stappen die we tot nu toe hebben gezet. Over de voortgang en de opbrengsten van OVIVI zal ik u begin volgend jaar informeren. Maar we zijn er nog niet. Permanente aandacht is nodig om mensen bewust te maken van hun vooroordelen en van het effect van discriminatie (waaronder homofobie). Deze aanpak vergt een lange adem. Vandaar dat de huidige partners en het Ministerie van OCW met elkaar in gesprek zijn over een vervolg op OVIVI. Zodra daar over meer bekend is, zal ik u hierover informeren.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het Wetgevingsoverleg Sport en Bewegen op 28 november?
Ja.
Het standpunt van het kabinet inzake mensenrechten en internationale sporttoernooien |
|
Jasper van Dijk , Michiel van Nispen , Lisa Westerveld (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de oproep van de KNVB en de FNV aan kabinet en bedrijfsleven met het verzoek om steun ten aanzien van acties die erop zijn gericht om mensenrechten te verbeteren in Qatar?1
Ja.
Welke rol ziet u voor zichzelf ten aanzien van dit toernooi? Staat u nog steeds achter uw stelling «Het kabinet draagt door middel van constructief-kritisch beleid, waarin samenwerking en dialoog met Qatar centraal staan, bij aan verbetering van de mensenrechtensituatie, en specifiek de situatie van arbeidsmigranten»? zoals verwoord in de kabinetsbrief van 22 mei jongstleden? Zo ja, kunt u heel concreet aangeven wat de resultaten zijn van het constructief-kritische beleid?
Ja. Het kabinet draagt door middel van constructief-kritisch beleid, waarin samenwerking en dialoog centraal staan, bij aan verbetering van de mensenrechtensituatie en specifiek de situatie van arbeidsmigranten.
Qatar heeft een aantal concrete stappen gezet zoals de afschaffing van de meest problematische en beperkende aspecten van het zogenaamde kafala- of sponsorschapssysteem, waaronder het afschaffen van het uitreisvisum vereiste en het «certificaat van geen bezwaar». Hierdoor kunnen arbeidsmigranten gemakkelijker van werkgever veranderen. Daarnaast zijn elektronische betalingen ingevoerd, medezeggenschapsraden opgericht, een non-discriminatoir minimumloon ingesteld, hittestress wetgeving ingevoerd en is een «Workers» Support and Insurance Fund» opgericht. Ondanks de doorgevoerde arbeidshervormingen blijven er zorgen over de situatie van arbeidsmigranten, onder meer ten aanzien van implementatie en handhaving van de hervormingen. De Minister voor Langdurige Zorg en Sport heeft mede daarom ook tijdens haar bezoek aan Qatar namens het kabinet aandacht besteed aan mensenrechten en de situatie van arbeidsmigranten. Na het WK zal het kabinet zich onverminderd inzetten voor verdere samenwerking met Qatar op het gebied van mensenrechten, specifiek de positie van arbeidsmigranten in Qatar.
Welke gesprekken zijn er afgelopen jaren geweest tussen kabinet, vakbonden, mensenrechtenorganisaties en de KNVB over het WK mannenvoetbal in Qatar? Welke afspraken zijn daarin gemaakt? Wat heeft u de afgelopen jaren gedaan om de oproep van mensenrechtenorganisaties te ondersteunen, die vragen om structurele beleidsverandering?2
Nederland bespreekt mensenrechten, ook los van het WK, regelmatig met de Qatarese autoriteiten, zowel op politiek als op hoog-ambtelijk niveau. In maart jl. bracht de Nederlandse mensenrechtenambassadeur een bezoek aan Qatar, waarbij zij onder andere de positie van arbeidsmigranten heeft aangekaart bij de Qatarese autoriteiten. Ook heeft de secretaris-generaal van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken in februari van dit jaar een bezoek gebracht aan Qatar en zorgen omtrent de implementatie van arbeidshervormingen besproken met de Qatarese overheid. Naast directe gesprekken met Qatar is Nederland hierover in gesprek met verschillende stakeholders, waaronder gelijkgezinde landen, de KNVB, internationale organisaties en vakbonden, mensenrechtenorganisaties en arbeidsmigranten. Nederland werkt te allen tijde samen met relevante stakeholders en partners, om voortgang op het gebied van implementatie van de arbeidshervormingen te monitoren en versterken.
Bent u voornemens gehoor te geven aan de recente oproep van KNVB en FNV? En bent u bereid om ook het Nederlandse bedrijfsleven op te roepen om bij te dragen? Hoe kan het dat zo kort voor de start van het WK deze oproep nodig is?
Het kabinet heeft en neemt zijn eigen verantwoordelijkheid in de betrekkingen met Qatar. Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij ondernemen in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de VN-richtlijnen voor bedrijfsleven en mensenrechten. In dit kader bevordert het kabinet op EU-niveau wetgeving op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), voert het nationale IMVO-wetgeving in en stelt het kabinet IMVO-voorwaarden bij overheidsinkoop en bij het handelsinstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het kabinet verwacht dat op deze manier de toepassing van gepaste zorgvuldigheid door ondernemingen wordt verhoogd en in de ketens van Nederlandse bedrijven verder wordt gewerkt aan de bescherming van mens en milieu. Nederlandse bedrijven maken zelf een afweging over de mate waarin zij betrokken willen zijn bij de oproep van de KNVB en FNV, additioneel aan hun inspanningen gericht op IMVO.
Bent u ook bereid om u publiekelijk uit te spreken tegen de schending van mensenrechten bij de bouw van de stadions?
Zoals ook verwoord in de brief d.d. 19 oktober jl. en de brief d.d. 11 november jl. deelt het kabinet de opvatting dat de mensenrechtensituatie en specifiek die van arbeidsmigranten in Qatar verbetering behoeft. De in antwoord op vraag 3 benoemde onderwerpen zal Nederland in dialoog blijven bespreken. De Nederlandse ambassade in Doha zet zich daarnaast actief in om verbetering in de praktijk te bewerkstelligen. Zo wordt kennis en ervaring met autoriteiten gedeeld, bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsinspectie en medezeggenschapsraden in samenwerking met de Qatarese overheid, de ILO en het bedrijfsleven. Het kabinet hecht er aan zich ook na het WK onverminderd in te blijven zetten voor verdere verbeteringen voor de positie van arbeidsmigranten.
Wat kunt u doen om samen met andere landen, sportorganisaties en mensenrechtenorganisaties ervoor te zorgen dat bij de toekenning van internationale toernooien ook het naleven van mensenrechten en arbeidsomstandigheden wordt meegewogen? Bent u het ermee eens dat internationale afspraken juist de sportwereld kunnen ondersteunen, zodat het niet bij vrijblijvende afspraken blijft, maar ook daadwerkelijk gaat gebeuren?3
Voor het toekennen van sportevenementen bepalen federaties in beginsel zelf welke eisen zij stellen. De sportsector dient zich hierbij uiteraard aan reguliere wetgeving in het desbetreffende land te houden. Universele mensenrechten dienen hierbij als fundamentele waarde te allen tijde in acht te worden genomen. Om dit nogmaals onder de aandacht bij de sector te brengen, zijn gesprekken met internationale sportfederaties nodig.
In 2021 heeft de Minister voor Langdurige Zorg en Sport samen met alle andere EU-sportministers een verklaring ondertekend waarin we de Europese Commissie oproepen om in gesprek te gaan met deze federaties. Dit jaar heeft Nederland in de EU-Sportraad nogmaals de Europese Commissie opgeroepen om gesprekken met internationale sportfederaties te voeren. Hierbij moet centraal staan dat bij toewijzing, voor, tijdens en na sportevenementen rekening gehouden moet worden met mensenrechten.
Bent u het ermee eens dat het vormgeven van een serieus en structureel maatschappelijk verantwoord beleid voor en samen met de sportwereld over deelname aan mondiale sporttoernooien niet alleen een zaak is van de sport, maar ook vraagt om politieke verantwoordelijkheid? Zo ja, bent u bereid om samen met de KNVB en de sportwereld afspraken te maken over maatschappelijk bewust deelnemen aan sportevenementen in lijn met het beleid gericht op internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO)? En om daarbij samen met de sportwereld een convenant op te stellen gericht op de bescherming van mensenrechten?
We werken in Europees verband aan het verbeteren van de manier waarop internationale sportevenementen op een maatschappelijk verantwoorde manier kunnen worden georganiseerd. De Minister voor Sport informeert u periodiek over hoe dit op nationaal niveau in samenwerking met de sportsector en gemeenten vorm krijgt. Zie voorts het antwoord op vraag 4 voor het beleid inzake IMVO.
Bent u ook bereid om de KNVB en andere sportbonden diplomatiek te ondersteunen als het gaat om maatschappelijk bewust deelnemen? Zo ja, op welke manier? Bent u bereid om dit ook te doen als straks na afloop van het WK in Qatar de spotlights weg zijn?
Nederland werkt ten alle tijde samen met relevante stakeholders en partners om voortgang te realiseren op maatschappelijk bewust deelnemen. Ambassades kunnen sportbonden hierin desgewenst ondersteunen. Zo spreekt de ambassade in Doha regelmatig met de KNVB over mensenrechten en maatschappelijk bewuste deelname en brengt onze ambassade de KNVB waar nodig in contact met relevante stakeholders in Qatar. Ook met enkele andere Nederlandse sportdelegaties zijn deze zaken besproken. Dergelijke diplomatieke ondersteuning is ook voorstelbaar bij volgende grote sportevenementen.
Wat kunt u doen om samen met vakbonden, mensenrechtenorganisaties en sportbonden druk op de FIFA te zetten, zodat er een compensatiefonds komt met de inhoud van minimaal het ingezette prijzengeld? Welke financiële en diplomatieke afspraken zijn er gemaakt? Spant u zich in internationaal verband in voor deze doelen? Welke middelen heeft u om met andere regeringsleiders de FIFA te bewegen om dit compensatiefonds op te zetten en hier ruim voor de start van het WK duidelijkheid over te geven?
Zoals ook benoemd in de brief van 19 oktober jl. staat Nederland positief tegenover de oproep van de voetbalbonden en Amnesty International om een fonds of andere vorm van compensatie voor arbeidsmigranten en hun nabestaanden te faciliteren. We zijn hierover in contact met EU-collega’s. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de reacties van Qatar en FIFA – ondanks de druk vanuit verschillende voetbalbonden, waaronder de KNVB – vooralsnog terughoudend zijn.
Bent u het ermee eens dat er absurde bedragen gemoeid zijn met internationale toernooien in met name het mannenvoetbal aan sponsorgeld, premies en prijzengeld?
Het kabinet constateert dat, in vergelijking met veel andere sporten, in het internationale mannenvoetbal hoge bedragen omgaan.
En ziet u dit WK ook als een mooie aanleiding om hierover het gesprek aan te gaan met als doel om premies en prijzengeld te normaliseren? Bent u bereid om in internationaal verband op te trekken om ook het bedrijfsleven en sponsoren te bewegen om bij internationale toernooien meer te investeren in maatschappelijk ondernemerschap? Bent u bereid om het voortouw te nemen om in gezamenlijk overleg met andere landen ook het gesprek aan te gaan met de FIFA hierover?
In een commerciële sport zoals het betaald voetbal wordt de marktwaarde van de sport en de spelers bepaald door vele factoren. Het Ministerie van VWS speelt daarbij geen rol. Vanuit deze positie wordt het daarom niet gepast geacht om hierin het voortouw te nemen richting de FIFA. Vanuit Nederlands perspectief is het kabinet van mening dat het aan de KNVB is om hier een eventuele actieve rol in op te pakken. De Minister voor Langdurige Zorg en Sport zou dat van harte omarmen en desgevraagd mede-ondersteunen, passend bij diens rol en verantwoordelijkheid.
Een rol die overheden wel kunnen pakken is het gezamenlijk zorgen voor een gelijk speelveld. In 2020 dienden de leden Westerveld en Diertens een motie in (Kamerstuk 30 234, nr. 250) over het gelijke speelveld voor voetbalclubs en de kwetsbaarheid door hoge transferkosten. Voormalig Minister voor Sport heeft dit besproken in EU-verband. Andere lidstaten erkennen dit probleem en de Europese Commissie zou naar aanleiding hiervan in gesprek met FIFA gaan over dit onderwerp. Gezien het internationale karakter van topsport is het belangrijk dat we problematiek gezamenlijk aanpakken.
Hoe kan het dat op moment van schrijven nog steeds niet is gereageerd op de motie Karabulut c.s. (Kamerstuk 21 501–02, nr. 2273), die al anderhalf jaar geleden het kabinet opriep geen officiële delegatie te sturen, ondanks herhaaldelijk verzoek van de Kamer om een reactie? Heeft dit te maken met handelsbelangen?
Middels de brief d.d. 19 oktober 20224 is uw Kamer geïnformeerd over het standpunt van het kabinet ten aanzien van uitvoering van deze motie.
Bent u bereid om de antwoorden op deze vragen binnen twee weken naar de Kamer te sturen?
Beantwoording heeft meer tijd gevergd dan de verzochte twee weken.
De samenwerking van de NPO en VRT |
|
Pim van Strien (VVD) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «NPO en Vlaamse publieke omroep VRT gaan intensieve samenwerking aan»?1
Ja.
Wanneer bent u door de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) op de hoogte gesteld dat zij van plan was een intensieve samenwerking aan te gaan met haar Belgische tegenhanger de Vlaamse radio en Televisieomroeporganisatie (VRT)?
Persberichten worden meestal onder embargo kort voor publicatie door de NPO aan de belangrijkste stakeholders verstuurd, zo ook over het plan van intensievere samenwerking tussen VRT en NPO. Over de intentie om de samenwerking te intensiveren was ik al eerder op de hoogte. Dit kwam onder andere ter sprake in mijn gesprekken die ik gevoerd heb met mijn Vlaamse collega Minister van media, dhr. Dalle. In deze gesprekken hebben wij gesproken over hoe de samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland op mediagebied verder vorm kan worden gegeven, mede naar aanleiding het Vlaamse besluit om te stoppen met BVN2. Daarover heb ik uw Kamer vorig jaar per brief geïnformeerd.3
Welke rol heeft u gespeeld in de totstandkoming van deze intensieve samenwerking tussen de Belgische en Nederlandse publieke omroep?
De NPO heeft binnen de kaders van de Mediawet de autonomie om samen met de omroepen en andere partners waaronder buitenlandse publieke omroepen invulling te geven aan de publieke mediaopdracht. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie-uitzending. Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, heb ik tijdens mijn bezoek aan Vlaanderen met Minister Dalle gesproken over samenwerking op mediagebied. Ik heb verder geen actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van de aangekondigde samenwerking tussen de NPO en VRT. Ik juich deze samenwerking wel toe, en onderstreep de doelstellingen ervan. Achteraf legt de publieke omroep over zijn activiteiten verantwoording af. De NPO doet dat op verschillende manieren waarbij de zogenoemde Terugblik4 het belangrijkste document is. Jaarlijks stuur ik uw Kamer deze Terugblik als bijlage bij de mediabegrotingsbrief5.
Vindt u dat de Kamer geïnformeerd en geconsulteerd moet worden als de NPO een «intensieve samenwerking» aan gaat?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier legt de NPO vooraf en achteraf verantwoording af over soortgelijke besluiten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven welke meerwaarde u ziet in de samenwerking?
Vanwege de vele overeenkomsten in taal en cultuur tussen Vlaanderen en Nederland, zie ik meerwaarde in de intensivering van de samenwerking tussen de NPO en de VRT. Een voorbeeld daarvan is de eerder al aangekondigde dramaserie Arcadia wat de eerste volwaardige coproductie tussen VRT, NPO en KRONCRV is – met steun van de Duitse omroep ARD en het Vlaams Audiovisueel Fonds. Deze dramaserie zal in de loop van 2023 in Vlaanderen en Nederland te zien zijn. Beide publieke omroepen kennen daarnaast vergelijkbare uitdagingen in het zich veranderende medialandschap waaronder voortdurende technologische innovaties en het toetreden van internationale spelers. Door samenwerking te zoeken kunnen krachten worden gebundeld bij het maken en uitwisselen van programma’s, maar ook het delen van technologie en innovaties kan strategische en efficiëntie-voordelen opleveren voor de beide publieke omroepen.
Kunt u aangeven hoe een samenwerking met een Belgische omroepdienst bijdraagt aan het uitvoeren van artikel 2.1 lid 2 van de Mediawet, namelijk het «voorzien in democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse samenleving»?
De NPO heeft de wettelijke taak zoals opgenomen in artikel 2.2 lid 2d van de Mediawet 2008, om in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen mee te werken aan Europees media-aanbod dat mede op het Nederlandse publiek is gericht. Daarnaast is het de wettelijke taak van de NPO om zaken te behartigen die van gemeenschappelijk belang zijn voor de publieke omroep, waaronder de coördinatie van het verwerven, beheren en gebruiken van rechten op programma’s (artikel 2.2 lid 2f Mw). Dit doet de NPO vanuit de gezamenlijkheid van de gehele publieke omroep en mede namens de omroepen. Eventuele producties die uit deze samenwerking naar voren komen, worden bekostigd uit het programmabudget dat beschikbaar is voor de omroepen. De NPO beschikt niet over middelen om zelf producties te maken, maar kan wel het initiatief nemen tot het verzorgen van media-aanbod door een omroep, op basis van een voorstel dat niet afkomstig is van een partij van buiten het landelijke publieke bestel, bijvoorbeeld een buitenlandse omroep of een onafhankelijke producent.6 Dat voorstel van buiten wordt dan door de NPO gekoppeld aan een omroep of de NTR. De NPO kan kosten die voortkomen uit samenwerkingen financieren uit het budget dat beschikbaar is voor de NPO-organisatie, voor zover deze samenwerking en kosten voortvloeien uit de wettelijke taken die de NPO heeft.
Wat vindt u ervan dat de NPO, op eigen initiatief en zonder tussenkomst van omroepen, samen met de VRT formats en producties ontwikkelt?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven op welke wijze de samenwerking met de VRT en de ontwikkeling van eigen formats en producties geen gevolgen zal hebben voor de ruimte die Nederlandse publieke omroepen met hun programma's op de lineaire zenders NPO 1, 2 en 3 krijgen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat de NPO samen gaat werken met de VRT, een landelijke omroep die op haar beurt nauw samenwerkt met de commerciële partij Netflix voor het maken van content, waar de NPO zich altijd verre van heeft willen houden?
De NPO voert met vele partijen gesprekken voor het maken van content, waaronder VRT en Netflix. Dit zijn complexe onderhandelingen die soms leiden tot succesvolle (co-)producties, maar vaak ook niet meteen. Dit hangt onder andere af van de voorwaarden die door beide partijen worden gesteld aan de samenwerking en of hierover overeenstemming kan worden bereikt. In mijn brief van 5 juli 20227 ben ik ingegaan op de samenwerking tussen de publieke omroep en streamingsdiensten, waaronder Netflix.
Kunt u aangeven hoeveel middelen er van de NPO ingezet worden voor deze samenwerking en hoe dit zich verhoudt tot de taak en rol van omroepen en niet de NPO om programma’s te ontwikkelen voor de omroep?
De samenwerking met de VRT gaat uit van bestaande budgetten van de NPO. In mijn antwoord op vraag 7, 8 en 9 ben ik ingegaan op de wettelijke taak van de NPO om mede namens omroepen samenwerkingen met buitenlandse omroepen aan te gaan.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan het wetgevingsoverleg Media een brief te doen toekomen met daarin een uitwerking van de samenwerking tussen de NPO en VRT, een toelichting hoe deze samenwerking zich verhoudt tot de wettelijke taakomschrijving van de NPO zoals deze is neergelegd in de Mediawet en de wijze waarop deze samenwerking geëvalueerd zal worden door de NPO en het Ministerie van OCW?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 7, 8 en 9 heb ik gegeven, heeft de NPO autonomie en wettelijke taak om samenwerkingen met buitenlandse omroepen aan te gaan. Ik zal de NPO vragen mij op de hoogte te houden van deze samenwerking en uw Kamer daarover zoals gebruikelijk informeren. Ik zal u daarbij ook informeren over de uitkomsten van mijn gesprekken met mijn Vlaamse collega dhr. Dalle.
Het bericht ‘DPG Media lanceert Seamless ads’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «DPG Media lanceert Seamless ads»1?
Ja.
Wat vindt u ervan dat DPG Media advertenties er straks laat uitzien als nieuwsberichten?
De advertentiemarkt innoveert; de lancering van seamless ads is hier een voorbeeld van. De wijze waarop advertenties worden getoond, kan vragen oproepen als het gaat om onderscheid tussen nieuwsberichten en advertenties.
Er bestaan (wettelijke) kaders waarbinnen mediabedrijven advertenties kunnen tonen; uitgangspunt hierbij is om misleiding van de consument te voorkomen. Zoals omschreven in het Burgerlijk Wetboek (o.a. art. 6:193f, 6:193g sub k en 3:15e lid2 en zoals opgenomen in de Nederlandse Reclame Code (o.a. artikel 7, 8 en3 moet reclame duidelijk als zodanig herkenbaar zijn. Misleiding door het gebruik van redactionele inhoud in de media, waarvoor de adverteerder heeft betaald, om reclame te maken voor een product, zonder dat dit duidelijk uit de inhoud of uit duidelijk door de consument identificeerbare beelden of geluiden blijkt is niet toegestaan. Hierop wordt toezicht gehouden door respectievelijk de ACM en de Reclame Code Commissie.
Bijkomend schrijft ook de CAO Uitgeverijbedrijf voor dat het uitgangspunt van de redactieformule van een nieuwsblad moet zijn dat er «een voor lezers herkenbare scheiding wordt aangebracht tussen nieuws enerzijds en advertenties, im'ers en «advertorials» anderzijds».
Het is aan nieuwsorganisaties zelf om te bepalen op welke wijze zij hun advertenties aan de consument tonen, waarbij zij zich moeten verhouden tot de (wettelijke) kaders. Een risico voor de consument om eventueel het onderscheid tussen nieuwsberichten en advertenties te duiden is, ondanks regelgeving en toezicht, mogelijk aanwezig.
Vindt u dat wanneer lezers moeilijk onderscheid kunnen maken tussen advertenties en nieuws dit ten koste gaat van het vertrouwen in de journalistiek?
Het is van fundamenteel belang dat de consument advertenties van journalistieke inhoud weet te onderscheiden. De introductie van seamless ads zou voor mogelijke vervaging kunnen zorgen. Regelgeving, vanuit het Burgerlijk Wetboek en de Nederlandse Reclame Code, en toezicht vanuit de ACM en Reclame Code Commissie dienen als waarborgen tot een duidelijk onderscheid tussen inhoud en advertentie.
Acht u een verplichting wenselijk voor media om advertenties als zodoende te laten markeren en om het onmogelijk te maken om advertenties te vermommen als nieuwsartikelen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, bestaan er (wettelijke) kaders waarbinnen nieuwsbedrijven advertenties aan de consument kunnen tonen. De ACM en de Reclame Code Commissie houden hier toezicht op. Seamless ads zijn een nieuw verschijnsel; we volgen de ontwikkeling ervan. Op dit moment is er nog geen aanleiding tot aanvullende regelgeving.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Raad voor de Journalistiek over «Seamless ads»?
De Raad voor de Journalistiek heeft een Leidraad vastgesteld aan de hand waarvan zij klachten beoordelen. Deze Leidraad ziet op het werk van journalisten en redacties en strekt zich niet uit tot het advertentiebeleid van nieuwsorganisaties. De Raad heeft dan ook geen rol in het beoordelen van de wijze waarop nieuwsorganisaties omgaan met «seamless ads». Deze rol ligt, zoals aangegeven bij vraag 2, bij de Reclame Code Commissie en bij de ACM. Ik zal aan de Reclame Code Commissie vragen wat zij mogelijk kunnen betekenen in relatie tot seamless ads. Dat zou kunnen in de vorm van signaleren (zij kunnen melden als er klachten hierover binnenkomen) en mogelijk actief handelen bij ongewenste praktijken met seamless ads.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk beantwoorden?
Vanwege het herstreces en uitzoekwerk, heeft de beantwoording langer op zich genomen. De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het verspreiden van antisemitische complottheorieën in Ahoy |
|
Salima Belhaj (D66), Alexander Hammelburg (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Spiritueel evenement trekt duizenden mensen naar Rotterdam Ahoy: «Noem ons alsjeblieft geen wappies»»?1
Ja.
Zijn er antisemitische tropes en ideeën geuit door de sprekers tijdens het evenement? Zo ja, in hoeverre hebben deze in de ogen van het kabinet een opruiende werking, zoals beschreven in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 56?2
Het kabinet is van mening dat er in Nederland absoluut geen plaats is voor Jodenhaat, noch voor opruiing. Als echter blijkt dat tijdens dit event antisemitische uitspraken zijn gedaan en/of uitingen met een opruiende werking, dan ligt strafrechtelijke handhaving in de rede. Dit begint bij het doen van aangifte. Het is vervolgens aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om de aangifte te onderzoeken en eventuele vervolgstappen te ondernemen.
Het kabinet maakt zich in algemene zin zorgen over de aantrekkingskracht van complottheorieën die zich recentelijk ook in Nederland van de uithoeken van het internet verspreid hebben naar de publieke opinie. Afhankelijk van de aard van de complottheorieën kan het openlijk en kritiekloos bespreken hiervan bijdragen aan de sociale acceptatie van antisemitisme, xenofobie of racisme. Verschillende bekende complottheorieën bevatten antisemitisme, bijvoorbeeld door holocaustontkenning of het wegzetten van de joodse gemeenschap als geheime «elite» die de wereld zou regeren. Ook kunnen theorieën gepaard gaan met anti-overheidsnarratieven, waarbij de overheid wordt weggezet als het vrijheid-inperkende «kwaad». Zorgelijk is bijvoorbeeld de aanmoediging van kwetsbare mensen om geen belasting meer te betalen, waardoor zij in grote financiële problemen kunnen komen. Complottheorieën kunnen uiting geven aan grieven, aan wantrouwen of aan behoefte aan verbondenheid, maar soms ook worden aangehaald om verregaande acties rechtvaardigen. Naast polarisatie of een duidelijke extremistische component, met opruiing, huisbezoeken, bedreigingen en zelfs geweld als mogelijk gevolg, kan de verspreiding van complottheorieën afbreuk doen aan het publieke vertrouwen in de democratische instituties.
In hoeverre dit ook geldt voor het evenement in Ahoy en de beweging hierachter in relatie tot het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, is op dit moment niet te beantwoorden. Dit komt omdat er vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) op dit moment geen direct zicht is op de mogelijke opruiende of antisemitische ideeën die geuit zijn tijdens het desbetreffende evenement, en of deze online navolging vinden.
De achtergrond van dit antwoord hangt samen met het feit dat de NCTV momenteel sterk beperkt is in de uitvoering van zijn taken omdat er geen gebruik gemaakt kan worden van online monitoring van open bronnen, waaronder social media.
De grondslag voor de analysetaken van de NCTV (de Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid) is momenteel in behandeling. Ik verwacht u voor het einde van dit jaar de nota van wijziging te sturen. In afwachting daarvan zijn deze taken opgeschort waar het gaat om het bezien van online open bronnen zoals Twitter of Facebook.
In hoeverre kan een evenement als dit leiden tot een toename in antisemitisme en anti-overheidsextremisme?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe duidt u de beweging achter dit evenement en welke ontwikkeling heeft deze de laatste jaren doorgemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Is er sprake van een bredere toename in antisemitisme en welke maatregelen neemt u hiertegen?
Ik neem de aanpak van antisemitisme zeer serieus. Recente gebeurtenissen en ontwikkelingen geven aan dat deze aandacht niet kan verslappen. De afgelopen jaren is antisemitisme meer zichtbaar geworden in de maatschappij. Tijdens de COVID-19 pandemie kwamen bijvoorbeeld allerlei klassieke antisemitische samenzweringstheorieën en mythes bovendrijven. Ook schrijft de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (Coördinator) in zijn werkplan dat antisemitisme gedijt en zich vormt naar thema’s die maatschappelijke onrust veroorzaken. Op dit moment zijn COVID-19 en de Russische inval in Oekraïne sprekende voorbeelden. Uit een onderzoek naar online antisemitisme in Nederland in 2020, in opdracht van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) en het Centraal Joods Overleg (CJO), bleek dat van bijna twee miljoen berichten gerelateerd aan het jodendom ruim 200.000 (ongeveer 11%) als antisemitisch3 werd herkend. Het streven is om de komende jaren online antisemitisme beter in kaart te brengen.
Daarnaast geven verschillende cijferbronnen informatie over het aantal meldingen, incidenten, of discriminatiefeiten van de grond antisemitisme. In de cijfers van de politie, het Openbaar Ministerie (specifieke discriminatiefeiten) en het CIDI is in het jaar 2021 ten opzichte van het jaar 2020 een lichte stijging te zien. Het aantal incidenten van antisemitisme dat werd gemeld bij de politie in 2021 steeg naar 627 ten opzichte van het jaar 2020, waar 517 incidenten gemeld werden. In 2019 was het aantal antisemitisme-incidenten hoger dan in 2020 en 2021, met 768 incidenten. Bij de antidiscriminatievoorzieningen kwamen in 2021 75 meldingen van antisemitisme binnen, ten opzichte van 82 meldingen in 2020.4 Bij het Openbaar Ministerie werd de grond antisemitisme in 2021 58 keer geregistreerd bij specifieke discriminatiefeiten5, ten opzichte van 38 keer in 2020. Bij de codis-feiten6 werd de grond antisemitisme in 2020 en 2021 even vaak geregistreerd (27 keer).7 Het CIDI registreerde in 2021 in totaal 183 antisemitische incidenten, ten opzichte van 135 in 2020 en 182 incidenten in 2019.8
Om Jodenhaat aan te pakken wordt op verschillende manieren en via verschillende pijlers ingezet. Ik verwijs daarbij ook naar het werkplan van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding dat op 6 oktober jl. aan uw Kamer is aangeboden.9 Het werkplan vormt het uitgangspunt voor concrete acties in de strijd tegen antisemitisme, onder andere op de onderwerpen monitoren en opvolgen, onderwijs en preventie en herdenken en vieren. Het werkplan van de Coördinator beschrijft de aanpak van de bestrijding van antisemitisme langs 3 pijlers, te weten 1) monitoren en opvolgen, 2) onderwijs en preventie en 3) herdenken en vieren. Het werkplan bevat verder maatregelen, die toezien op het tegengaan van Holocaustverdraaiing en antisemitische parabelen, die dikwijls onderdeel uitmaken van complottheorieën, middels de strafrechtketen, educatie en (online) campagnes.
Daarnaast kan antisemitisme strafrechtelijk worden aangepakt. Het Openbaar Ministerie gaat over tot vervolging als uit een aangifte blijkt dat sprake is van uitingen die strafbaar zijn op basis van de discriminatieartikelen in het Wetboek van Strafrecht.
Met elkaar blijven we ons inzetten, zodat antisemitisme geen plaats kan krijgen in onze samenleving.
Wat doet u om de verspreiding van complottheorieën en de gevolgen daarvan tegen te gaan?
Hoe het beste tegen complottheorieën en de gevolgen daarvan kan worden opgetreden, verschilt per geval en is een brede opgave voor ons allemaal. De ene theorie is immers schadelijker of verontrustender dan de andere. Daarnaast geldt dat complottheorieën niet automatisch strafbaar zijn of als desinformatie gelden. Vrijheid van meningsuiting is het uitgangspunt. Deze is echter niet onbegrensd. Er zijn complottheorieën waar we duidelijk op moeten acteren. Zoals blijkt uit het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van 7 november jl. kan het kritiekloos bespreken en normaliseren van sommige complottheorieën leiden tot polarisatie, afbreuk aan het publieke vertrouwen in de instituties van de democratische rechtsorde, haat tegen andersdenkenden of zelfs inspireren tot (terroristisch) geweld. Voor dergelijke complottheorieën, met dusdanig ernstige gevolgen, is wat mij betreft geen plek in onze samenleving. Daar moeten we ons, met zijn allen, tegen uitspreken. Daar waar het leidt tot strafbare feiten, zoals bedreiging, opruiing, haatzaaiing, geweld of discriminatie kan hiertegen opgetreden worden door het Openbaar Ministerie.
In mijn brief van 7 november jl.10 is aangekondigd dat de NCTV met alle betrokken partners zal werken aan een extremismestrategie. Hierbij zal onder meer worden uitgewerkt op welk punt de aanpak tegen schadelijke complottheorieën versterkt kan worden.