VAR-verklaringen voor zzp’ers |
|
Vera Bergkamp (D66), Steven van Weyenberg (D66), Wouter Koolmees (D66) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse economie? Vindt u ook dat de regelgeving moet worden aangepast aan de moderne arbeidsmarkt met een groeiende groep zzp’ers, maar dat het niet de bedoeling is om zzp’ers te weren van de arbeidsmarkt?
Zzp’ers vervullen een belangrijke positie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Door hun flexibiliteit en specifieke kennis kunnen zij snel inspringen op nieuwe of tijdelijke werkzaamheden bij diverse opdrachtgevers. Het is niet de bedoeling dat echte zelfstandigen van de arbeidsmarkt worden geweerd.
Wel is het van belang dat de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie overeenkomt met de praktijk. Zo acht het kabinet het van groot belang dat een arbeidsrelatie die feitelijk een dienstbetrekking inhoudt ook zo wordt behandeld en niet als winst uit onderneming, enkel omdat die schijn is gewekt. Aanpak van schijnzelfstandigheid is dan ook een belangrijke kabinetsdoelstelling.
Herkent u de signalen dat de Belastingdienst minder snel VAR-verklaringen voor zzp’ers geeft?1 2 3
Nee, de Belastingdienst hanteert nog steeds dezelfde regels bij het afgeven van een Verklaring arbeidsrelatie. Wel is er – gelet op de kabinetsdoelstelling – bij de uitvoeringsinstanties meer handhavingsaandacht gericht op de aanpak van schijnzelfstandigheid. Communicatie daarover vindt onder andere plaats via de site van de Belastingdienst en contacten met belangenorganisaties van branches, zzp-ers en opdrachtgevers.
Via die kanalen is bijvoorbeeld de zorgsector al lange tijd bekend met hoe de Belastingdienst en het UWV – gelet op de jurisprudentie – aankijken tegen het contracteren met een instelling in de AWBZ- zorg. Naar de mening van de Belastingdienst en het UWV voldoet in het algemeen de arbeidsrelatie tussen de individuele zorgverlener en de toegelaten instelling/zorgaanbieder, die op grond van een contract met het zorgkantoor AWBZ-thuiszorg in natura levert, aan de criteria van de dienstbetrekking uit artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 leidt dit ook fiscaal tot een dienstbetrekking en tot een inhoudingsplicht voor de instelling/zorgaanbieder.
Dit standpunt is onder andere af te leiden uit het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2006, nr. DBG2006/857M, Stcrt. 141, Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking. In dit besluit geven de Belastingdienst en het UWV aan hoe zij omgaan met beoordelingen inzake het aanwezig zijn van een dienstbetrekking in het kader van de inhoudingsplicht voor de loonheffingen en verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. In dit verband kan ook verwezen worden naar een in 2010 door de Ministeries van Financiën en van VWS op www.rijksoverheid.nl gepubliceerde informatie over de positie van de zorgverlener in de AWBZ-thuiszorg.
Dit standpunt dragen de Belastingdienst en het UWV al geruime tijd uit naar de zorgbranche, ook na een poging in 2008 om via een convenant samen met de branche, VWS en UWV, het voor instellingen mogelijk te maken om te werken met zzp‘ers. Na deze poging zijn zorginstellingen, op een aantal na, in de loop der tijd overgegaan tot het (weer) in dienst nemen van de zorgverleners.
Zie verder de nadere duiding bij dit vraagstuk in de gezamenlijke aanbiedingsbrief.
Is de Belastingdienst anders/strenger gaan handhaven? Zo ja, is dit op een wijziging van wet- of regelgeving gebaseerd? Hoe heeft de communicatie hierover plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een in een tabel een overzicht geven van het aantal VAR-verklaringen dat per maand is afgegeven in de afgelopen vijf jaar gespecificeerd naar de vier soorten (VAR-loon, VAR-row, VAR-wuo en VAR-dag)?
Het aantal afgegeven VAR’s wordt niet per maand bijgehouden. Wel is bijgaand overzicht leverbaar.
Aantal afgegeven beschikkingen op aanvraag en via automatisch continuering (AC) per soort en jaar:
aanvraag
AC
aanvraag
AC
aanvraag
AC
aanvraag
AC
2009
15.808
8.612
7.763
262
68.278
13.188
173.250
97.353
385.286
2010
14.351
11.597
8.114
496
70.012
19.453
158.967
133.100
416.090
2011
14.130
13.955
7.186
703
70.217
24.723
164.288
159.859
455.061
2012
13.341
16.040
5.733
774
62.162
29.328
162.339
182.040
471.757
2013
13.899
17.701
6.320
1.064
63.355
33.099
165.785
203.197
504.420
Kloppen de berichten dat de Belastingdienst specifiek in de zorgsector veel minder ruimte biedt voor zzp’ers? Zo ja, wat is hiervoor de argumentatie? Deelt u de mening dat zzp’ers ook in de zorgsector wel degelijk van toegevoegde waarde kunnen zijn? Kunt u het overzicht van vraag 4 ook specifiek geven voor de zorg?
Ook de zzp’ers in de zorg vervullen een belangrijke rol op Nederlandse arbeidsmarkt door o.a. hun flexibiliteit. De vraag of zzp’ers van toegevoegde waarde zijn is is echter niet relevant voor het kwalificeren van een arbeidsrelatie. Waar het om draait is, of er feitelijk sprake is van ondernemerschap. De fiscale regels (en dus ook de Belastingdienst) leggen op geen enkele wijze een verplichting op dat alleen als zelfstandige gewerkt kan worden met een VAR-WUO.
Een eerste voorzichtige analyse van de Belastingdienst geeft het beeld dat er in 2013 ongeveer 20.000 mensen in de zorgsector werkzaam zijn met een VAR waarin in de omschrijving van de werkzaamheden bij de aanvraag de term «zorg» voorkomt.
De Belastingdienst beoordeelt aan de hand van criteria gebaseerd op wet en jurisprudentie of er sprake is van ondernemerschap. Deze criteria zijn toepasbaar ongeacht de branche. De zorgsector heeft in dit verband wel een wat bijzondere positie doordat de zorgwetgeving doorslaggevende invloed heeft op de vormgeving van arbeidsrelaties in de zorg. Een belangrijk vereiste is namelijk dat er eerst een contract moet zijn met een zorgverzekeraar/zorgkantoor voordat kosten kunnen worden gedeclareerd. Werkt men via een instelling dan heeft deze het declaratierecht en de eindverantwoordelijkheid voor de geleverde zorg. De individuele zorgverlener kan dan niet zelfstandig declareren. Belastingdienst en UWV concluderen in dat geval op basis van wetgeving en jurisprudentie dat de arbeidsrelatie tussen de individuele zorgverlener en de toegelaten instelling/zorgaanbieder in het algemeen voldoet aan de criteria van de dienstbetrekking uit artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 leidt dit ook fiscaal tot een dienstbetrekking en tot een inhoudingsplicht voor de instelling/zorgaanbieder. In dit verband kan ook verwezen worden naar een in 2010 door de Ministeries van Financiën en van VWS op www.rijksoverheid.nl gepubliceerde informatie over de positie van de zorgverlener in de AWBZ-thuiszorg. Zie in dit verband ook de antwoorden op de vragen 1 t/m 4 van het lid Siderius4.
Het oordeel over de rol van een bemiddelingsbureau bij een arbeidsrelatie tussen een zorgverlener en zorgbehoevende is ook niet anders dan voorheen. Als die rol beperkt blijft tot het louter bij elkaar brengen van partijen dan zal dat over het algemeen niet de belemmerende factor hoeven te zijn voor het kunnen zijn van ondernemer.
Klopt het dat de Belastingdienst mensen recent veel minder snel – of in beginsel niet – als zzp’er is gaan erkennen als zij via bemiddelingsbureaus actief zijn (ook in andere sectoren dan de zorg)? Zo ja, wat is hiervoor de argumentatie?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat Belastingdienst de VAR-WUO heeft ingetrokken van 250 mensen enkel omdat zij stonden ingeschreven bij een zorgbemiddelaar?4 Klopt het dat daarbij niet eens werd gekeken of deze mensen ook daadwerkelijk waren ingehuurd door deze bemiddelaar? Zo ja, berust dit op een fout of is hier sprake van gewenst beleid? Hoe verhoudt dit zich tot de website van de belastingdienst waaruit blijkt dat mensen die via bemiddelingsbureaus werken wel degelijk – uiteraard onder voorwaarden – een VAR-verklaring voor zzp’ers kunnen krijgen?5
De in de wet verankerde geheimhoudingsverplichting maakt dat over individuele gevallen geen mededelingen kunnen worden gedaan. In algemene zin geldt dat de Belastingdienst bij een opdrachtgever de arbeidsrelaties kan beoordelen en op grond daarvan tot de conclusie kan komen dat er sprake is van een dienstbetrekking tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemers. Opdrachtnemers die zo in beeld komen kunnen dan ook verwachten dat de inspecteur hen dienovereenkomstig zal behandelen. Feit is dat de Belastingdienst recent bij 257 mensen de VAR-WUO heeft herzien in een VAR-loon. Voorts is flankerend aan de herzieningsactie bij een groep van 1500 aanvragers van een VAR in de zorgsector aan 900 aanvragers naar aanleiding van nadere beoordeling een VAR-loon afgegeven terwijl de aanvraag gericht was op het verkrijgen van een VAR-WUO, in 150 gevallen is alsnog een VAR-WUO afgegeven.
De website van de Belastingdienst geeft op hoofdlijnen de stand van wet en jurisprudentie weer. Zoals uit het antwoord op de vragen 5 en 6 kan worden afgeleid, hoeft het werken via een bemiddelingsbureau geen belemmering te zijn om een VAR-WUO te kunnen krijgen.
Kunt u ingaan op situaties waarbij zzp’ers zelf grote investeringen doen? Speelt het zelf doen van die investeringen mee bij de beslissing over de afgifte van een VAR-verklaring? Zo ja, hoe komt terug in de huidige wet- of regelgeving? Hoe neemt de Belastingdienst dit mee in de beoordeling? Kunt u specifiek ingaan op de casus van een zzp’er die opdrachten aanneemt voor wegwerkzaamheden en daarbij zelf voor duizenden euro’s aan investeringen doet in gereedschap en vervoer? Vindt u ook dat in een dergelijke casus een VAR-verklaring voor het zzp-schap afgegeven moet worden?
Het oordeel of iemand in aanmerking komt voor een bepaalde VAR is aan de inspecteur. Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van een VAR wordt door de inspecteur het geheel van gemelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld. Conform de bestaande jurisprudentie met betrekking tot het ondernemerschap, wordt bij deze beoordeling meegewogen of iemand investeringen doet. Aan de hand van het enkele feit dat een aanvrager investeert kan echter nog geen finaal oordeel worden verbonden.
Erkent u dat het niet meer afgeven van een VAR-verklaring zeer ingrijpend kan zijn voor de desbetreffende mensen en hun gezinnen?6 Vindt u ook dat als mensen jarenlang een VAR-verklaring kregen, het niet zo mag zijn dat zij die van de ene op de andere dag verliezen? Welke concrete maatregelen stelt u voor om dit te voorkomen?
In de praktijk is de VAR inmiddels meer geworden dan de fiscale facilitering om vooraf een oordeel van de inspecteur te krijgen over hoe hij inkomensbestanddelen zal kwalificeren. Zo heeft de invoering in 2005 van de vrijwarende werking voor opdrachtgevers in de hand gewerkt dat opdrachtgevers een VAR-WUO zijn gaan eisen alvorens iemand aan het werk kan. Voorts is bijvoorbeeld het hebben van een VAR-WUO als vereiste opgenomen voor het verkrijgen van een KIWA-keurmerk in de zorg. Dergelijke vereisten zijn niet door de overheid opgelegd. Er is geen enkele verplichting vanuit de overheid voor zzp’ers om in het bezit te zijn van een VAR.
De VAR geeft slechts een oordeel gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals de aanvrager van de VAR die bij zijn aanvraag heeft gepresenteerd. De houder van een VAR is wettelijk verplicht om een wijziging van de feiten in de praktijk ten opzichte van zijn VAR-aanvraag te melden aan de inspecteur. Als dit wordt nagelaten dan kan dat verstrekkende gevolgen hebben, zeker als die situatie al enige tijd heeft voortbestaan. De inspecteur kan dan, indien blijkt dat een VAR-WUO op basis van een omschrijving is afgegeven die niet overeenstemt met de feiten die zich werkelijk voordoen, aangiften inkomstenbelasting corrigeren. Ook zal dat leiden tot het intrekken van de eerder afgegeven VAR. Via het up to date houden van voorlichting willen we aanvragers van een VAR van deze verstrekkende gevolgen bewust maken.
De bestaande wettelijke systematiek brengt momenteel mee dat de verdeling van verantwoordelijkheden binnen het huidige systeem vrijwel eenzijdig bij de opdrachtnemer ligt. Voor opdrachtgevers is er thans vrijwel geen prikkel om te bezien of de door de opdrachtnemer ingevulde (verwachte) feiten en omstandigheden daadwerkelijk overeenkomen met de wijze waarop de arbeid feitelijk wordt of zal worden verricht, terwijl de opdrachtgever wel degelijk medeverantwoordelijk is voor de vormgeving van de arbeidsrelatie en er ook goed zicht op heeft.
Om hier wat aan te doen zal met ingang van 2015 een beperkte aansprakelijkheid worden ingevoerd voor de opdrachtgever. Deze beperkt zich tot de feiten en omstandigheden waarop de opdrachtgever beslissende invloed heeft, zoals de arbeidsvoorwaarden.(zie ook de brief aan de Tweede Kamer van de Staatssecretaris van Financiën van 17 september 2012, 31 311 nr. 91)
Kunt u ingaan op de laatste stand van zaken en het beoogde tijdspad omtrent de ontwikkeling van de VAR-webmodule? Baart het u ook zorgen dat de zzp-organisaties de gesprekken hierover hebben gestaakt?7 Op welke onderdelen van de VAR-webmodule richtte zich hun kritiek en in hoeverre heeft u iets met die kritiek gedaan?
De Belastingdienst werkt er nog steeds aan om de module op 1 januari 2015 operationeel te hebben. Recent is de samenwerking met de zzp-belangenorganisaties hervat, nadat zij bij brief van 17 januari jl hebben aangegeven dat de door hen aan de Tweede Kamer verstuurde brief geen recht heeft gedaan aan de inzet van de verschillende ministeries bij het gezamenlijk gevoerde overleg en zij het overleg willen hervatten. Kritiek over de vraagstelling in de module hebben we daar waar mogelijk zo veel mogelijk verwerkt. De zorgen van de zzp-organisaties gaan ook over de kwalificatie door de module. Zo vrezen zij dat de module, die beter in overeenstemming zal zijn met wet en jurisprudentie, ten onrechte niet tot een VAR-WUO zal leiden. De introductie van de medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever zal volgens de belangenorganisaties er tevens toe leiden dat vaker meer dan één VAR moet worden aangevraagd. Dit laatste is overigens juist en ook beoogd. Om schijnzelfstandigheid te voorkomen en zowel opdrachtgever als opdrachtnemer rechtszekerheid te bieden over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie, kan het noodzakelijk zijn om meer dan één VAR aan te vragen. Dit is evenwel niet anders dan nu het geval is.
Ook na inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de internetmodule maakt de Belastingdienst graag gebruik van de input van belanghebbenden zoals de zzp-organisaties om de module te optimaliseren.
Het bericht dat er weer veel banen verdwijnen bij MSD in Oss |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Weer veel banen weg bij MSD in Oss»?1
Ja.
Deelt u de mening dat zo’n grootschalig verlies van werkgelegenheid in deze regio bijzonder zorgwekkend is en dat snel handelen noodzakelijk is om de schade te beperken? Zo nee, waarom niet?
Het besluit van MSD valt te betreuren. In de eerste plaats voor de werknemers die het betreft. In 2010 hebben MSD, EZ, de gemeente, de provincie en de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij geprobeerd de R&D divisie in Oss voor Nederland te behouden. Een deel van de R&D afdeling is toen blijven bestaan. Uit de onderdelen die MSD heeft afgestoten is het huidige Pivot Park ontstaan.
Aan het voornemen van MSD om de R&D-afdeling in Oss te sluiten ligt een bedrijfseconomische afweging ten grondslag. MSD heeft de mogelijkheden van behoud of verkoop van de divisie onderzocht en ziet hiervoor geen mogelijkheden.
Wat gaat er op korte termijn gebeuren om ervoor te zorgen dat de 440 mensen die hun baan zullen verliezen, zo snel mogelijk weer aan de slag kunnen?
Voor de medewerkers die hun werk zullen verliezen is door MSD een sociaal plan opgesteld. Dit plan is overeengekomen met de vakorganisaties.
Dit sociaal plan biedt naast een ontslagvergoeding ook ondersteuning bij het begeleiden naar nieuw werk en een opleidingsbudget per medewerker indien gewenst. Voor de begeleiding bij het vinden van een nieuwe baan heeft MSD een externe, hierin gespecialiseerde, partij ingehuurd. Deze zal waar relevant samenwerken met UWV, de gemeente, de farmaceutische industrie op nationaal niveau en het bedrijfsleven in de regio.
Wordt door het UWV (Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen) geanticipeerd op een grote toename van (hoogopgeleide) werkzoekenden in de betreffende regio?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op korte termijn in contact te treden met de gemeente Oss om te kijken wat samen gedaan kan worden om deze klap op te vangen?
Ik ben reeds in gesprek met MSD, de Gemeente Oss en de provincie
Noord-Brabant. In samenwerking met de gemeente, provincie, Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij en MSD zal ik bekijken wat de mogelijkheden zijn.
Welke gevolgen heeft het massaontslag bij MSD, een belangrijke drager van het economisch cluster Food, Health en Farma, voor de uitvoering van het topsectorenbeleid in Noordoost-Brabant?
MSD is een van de grotere farmaceuten in Nederland. Het bedrijf is daarmee één van de gezichten van de topsector Life Sciences & Health en van het economisch cluster Food, Health en Farma in Noordoost-Brabant.
Op dit moment, zo heeft het bedrijf aangegeven, is de R&D divisie in Oss niet projectmatig betrokken bij de topsectorprojecten in Noordoost Brabant.
MSD was sterk betrokken bij de oprichting en opstartfase van het Pivot Park, dat is voortgekomen uit MSD Oss en op hetzelfde terrein gevestigd is. Het Pivot Park staat inmiddels op eigen benen en heeft momenteel een beperkte relatie met MSD Oss. Voor degenen die hun baan verliezen bij MSD en graag een eigen bedrijf willen starten biedt het Pivot Park kansen. Overheidsregelingen die beschikbaar zijn voor starters kunnen daarbij ondersteunen.
Ondanks het recente besluit blijft MSD sterk vertegenwoordigd in Nederland, met onder meer productiefaciliteiten in Oss en de vestigingen in Boxmeer en Haarlem.
Het voornemen van het concern AKZO om de productieafdeling van de vestiging Deventer naar het buitenland te verplaatsen |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), John Kerstens (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het voornemen van AKZO om de productieafdeling van de Deventer vestiging te verplaatsen naar het buitenland en van de onrust bij werknemers als gevolg van het aangekondigde ontslag van 215 personeelsleden?
Ja.
Hoe beoordeelt u dit voornemen van AKZO, ook in het licht van de verantwoordelijkheid die een groot Nederlands concern dient te voelen voor de werkgelegenheid in Nederland, zeker als een dergelijk bedrijf goede omzet- en winstcijfers kent?
Aan het voornemen van AkzoNobel om de productieafdeling in Deventer te sluiten ligt een bedrijfseconomische afweging ten grondslag. Volgens het bedrijf is het nodig om haar productiecapaciteit op een andere plek in Europa te concentreren. Het valt te betreuren voor de werknemers in Deventer dat AkzoNobel er niet voor kiest om de productie in Deventer te concentreren. Het kabinet kan zich echter niet mengen in bedrijfseconomische beslissingen van bedrijven.
Deelt u de mening dat dit voornemen niet past binnen de noodzaak en trend in Nederland om aan reshoring te doen, waarbij bedrijven juist productie terug verplaatsen naar Nederland? Zo nee, waarom niet?
De afbouw van de productie van organische peroxiden is het gevolg van afnemende vraag op de Europese markt. Hierdoor is het voor AkzoNobel belangrijk om haar Europese productie te concentreren. In haar afweging heeft AkzoNobel ook gekeken naar de optie om de productie in Deventer te handhaven en elders in Europa een locatie te sluiten. Van de overwogen alternatieven bleek op basis van bedrijfseconomische afwegingen het verplaatsen van de productie van Deventer naar het buitenland de beste optie voor het bedrijf. Belangrijke beweegredenen zijn de verouderde staat, de beperkte mogelijkheden tot toekomstige uitbreidingen en de geografische situering van de vestiging in Deventer.
Welke mogelijkheden staan u op dit moment ter beschikking om een bedrijf als AKZO handhaving van productietaken in overweging te laten nemen, bijvoorbeeld in termen van economische randvoorwaarden?
Het kabinet zet zich in voor een ondernemersklimaat met randvoorwaarden dat ruimte biedt aan ondernemers en bedrijven om te vernieuwen en te groeien. Het generieke beleid richt zich onder andere op open en transparante markten met vrije concurrentie, heldere en eenduidige wetten en regels, geen onnodig lange procedures en beperkte administratieve lasten. Het kabinet wil het voor bedrijven als AkzoNobel interessant maken om in Nederland actief te zijn. In dat licht worden aanvullende acties zoals de maatwerkaanpak regeldruk en de internationaliseringsoffensief-agenda bij de topsector Chemie ingezet. AkzoNobel geeft duidelijk aan dat de uiteindelijke beslissing is genomen op basis van bedrijfseconomische gronden.
Indien AKZO haar voornemen doorzet, op welke wijze kunt u dan een regio, zoals Deventer, ondersteunen in het aantrekken van vervangende hoogwaardige werkgelegenheid?
Ondanks de verplaatsing van de productie blijft Deventer een belangrijke locatie voor AkzoNobel. Het bedrijf heeft twee van haar zes grote R&D-centra in Nederland gevestigd, waarvan één Deventer. Met het topsectorenbeleid wil de Nederlandse overheid juist dit soort activiteiten versterken en stimuleren. Op dit moment wordt onder leiding van het topteam Chemie, samen met het bedrijfsleven en publieke kennisinstellingen, gewerkt aan een transitieplan om de opgebouwde sterke kennispositie van de chemie te moderniseren en te versterken. Het plan moet leiden tot de vorming van één Topconsortium voor Kennis en Innovatie Chemie, waar bedrijfsleven en publieke kennisinstellingen samen toponderzoek kunnen doen. Met dit soort initiatieven wil het kabinet het ook voor AkzoNobel interessant blijven maken om te blijven investeren in R&D, ook in Deventer.
Bent u bereid om uw ongerustheid en ontevredenheid over dit voornemen van AKZO over te brengen naar de directie van het concern?
Ik betreur dat de vestiging van AkzoNobel in Deventer gesloten wordt. Naar aanleiding van de eerdere berichtgeving heeft het Ministerie van Economische Zaken dan ook gesproken met de directie van AkzoNobel Nederland over dit besluit. Het bedrijf heeft haar besluit en de daarbij behorende argumenten toegelicht.
Daarbij heeft AkzoNobel aangegeven dat het in totaal gaat om circa 220 banen die verloren gaan, maar dat door pensionering en tijdelijke contracten dit aantal in ieder geval teruggebracht wordt naar 165. Omdat de afbouw is gespreid over drie jaar, het bedrijf positieve ervaringen heeft met het eigen Mobiliteitscentrum en de medewerkers goed zijn opgeleid, verwacht AkzoNobel dat nog zeer velen van hen aan nieuw werk geholpen kunnen worden.
Het niet benutten van mogelijkheden ter ondersteuning van bedrijven die de EU biedt |
|
Marit Maij (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving inzake de geringe belangstelling van Nederland voor de mogelijkheden voor staatssteun, die veel ruimer zijn dan de Nederlandse overheid veronderstelt?1
Ja.
Klopt het dat er veel mogelijk is op het gebied van staatssteun, zoals de EU-topambtenaar Gert Jan Koopman stelt, zolang de overheidssteun de markt maar niet ontwricht?
De staatssteun die een lidstaat wil geven, moet passen binnen de beleidsdoelstellingen en beleidswensen van de Europese Commissie. De Europese staatssteunkaders beogen de interne markt zo goed mogelijk te laten functioneren en andere Europese beleidsdoelstellingen dichterbij te brengen. Voorbeelden van dit laatste zijn meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling of in duurzame energieopwekking.
Klopt het dat de EU kan adviseren over het vormgeven van steunmaatregelen, zodat ze binnen de EU-regels vallen?
Het klopt dat de EU kan adviseren over het vormgeven van steunmaatregelen. Deze advisering vindt vertrouwelijk plaats tussen de diensten van de Europese Commissie en ambtelijke vertegenwoordigers van de relevante vakdepartementen of medeoverheden. Nederland maakt gebruik van deze advisering. Zo nodig vindt overleg op politiek niveau plaats.
Zo is bijvoorbeeld bij het verstrekken van staatssteun ten behoeve van Nedcar nauw overleg gevoerd met de diensten van de Europese Commissie over de mogelijkheden van staatssteun en de inrichting daarvan. Een ander voorbeeld is het overleg dat met diverse diensten van de Europese Commissie is gevoerd over de financiële inzet van de rijksoverheid en de provincie om de nieuwe onderzoeksreactor Pallas in Petten te realiseren. Tenslotte kan ook gewezen worden op de intensieve ambtelijke en politieke contacten die met de diensten van de Europese Commissie hebben plaatsgevonden bij grote staatssteundossiers zoals de woningbouwcorporaties en de financiële sector.
De advisering van de Europese Commissie over het vormgeven van steunmaatregelen vindt vertrouwelijk plaats. Ik heb dan ook geen informatie over de mate waarin en de wijze waarop andere lidstaten hiervan gebruikmaken.
Het signaal van de heer G.J. Koopman over de Nederlandse inzet in staatssteundossiers vat ik op als een oproep om het beter te doen.
Daarom heb ik mijn medewerkers reeds opdracht gegeven de banden met de relevante diensten van de Europese Commissie verder aan te halen op het gebied van staatssteun. Binnen het Rijk zal mijn ministerie ook meer expertise en ondersteuning ter beschikking stellen aan andere ministeries en de coördinatie van de Nederlandse inzet op het gebied van staatssteun verder versterken. Een meer proactieve inzet richting de Europese Commissie is daar onderdeel van, evenals een versterkte inzet op het waarborgen van een gelijk speelveld met andere lidstaten.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties biedt ondersteuning aan medeoverheden, waarbij ook voorlichting wordt gegeven over de mogelijkheden die het Europese staatssteunbeleid biedt.
Klopt het dat Oost-Europese landen, Frankrijk en Groot-Brittannië hier wel gebruik van maken? Kunt u met voorbeelden aangeven in welke gevallen deze landen dat doen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom worden deze mogelijkheden niet benut? Wat gaat u hier aan doen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht schoonmaakgigant stort zich op zorg |
|
Martine Baay-Timmerman (50PLUS) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Schoonmaakgigant stort zich op zorg»?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat een commercieel bedrijf, dat gericht is op winst maken en zichzelf in stand houden, zich gaat bezighouden met het organiseren van hulp en zorg aan diegenen die afhankelijk zijn van hulp en zorg?
Gemeenten zijn op grond van de Wet op de maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de ondersteuning aan de burgers die daarop aangewezen zijn. De wet geeft hen beleidsruimte om deze verantwoordelijkheid in te vullen, ook ten aanzien van het contracteren van aanbieders die deze ondersteuning aan mensen leveren. Het is aan gemeenten om, ook als opdrachtgever van de gecontracteerde aanbieders, er zorg voor te dragen dat mensen passende ondersteuning ontvangen die voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen. Gemeenten waarborgen dit vooral door middel van de inhoud van het contract met de aanbieders en het monitoren van de kwaliteit van de uitvoering. Iedere organisatie dient aan de gestelde kwaliteitseisen te voldoen.
Bent u het ermee eens dat kwaliteit van zorg altijd centraal moet staan? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kwaliteit van zorg, ondersteuning en hulpverlening gegarandeerd blijft als het door een commercieel bedrijf geleverd wordt?
Daar ben ik het mee eens. De Wmo bevat de nodige waarborgen voor een kwalitatief goede uitvoering. Deze worden doorvertaald in overeenkomsten met aanbieders, met en zonder winstoogmerk. Daarbij geldt dat gemeenten de verantwoordelijkheid voor de (kwaliteit van de) uitvoering hebben en daar ook op kunnen worden aangesproken door cliënten. Ook kunnen gemeenteraden het betreffende college van B en W aanspreken op de uitvoering.
Vindt u het wenselijk dat één partij alle zorg en ondersteuning in een gemeente in de hand zou hebben, met het gevaar van bevoordeling van eigen partijen, zoals recentelijk is gebleken bij stichting SDS (die als stichting nog niet eens winstoogmerk heeft) en de serviceflats? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het primair van belang dat mensen ondersteuning krijgen die zij nodig hebben voor hun zelfredzaamheid en participatie. Die ondersteuning moet zo goed mogelijk aansluiten op de kenmerken van de betrokken persoon, diens situatie en persoonlijke voorkeuren. Dit veronderstelt de mogelijkheden van variatie in het aanbod. Deze variatie kan in theorie ook door middel van een overeenkomst van de gemeente met één aanbieder worden geborgd, er zijn echter vaak meerdere aanbieders binnen gemeenten actief. Gemeenten zijn op grond van de Wmo verplicht om burgers die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget. Hiermee wordt de keuzevrijheid van de cliënt geborgd.
Het inkopen van maatschappelijke ondersteuning is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan gemeenten om hierin zorgvuldig, objectief en niet discriminatoir te opereren waardoor er geen sprake zal zijn van een niet-passende bevoordeling van partijen in dit verband.
Kunt u garanderen dat bovengenoemd gevaar van bevoordeling wordt voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt keuzevrijheid voor de cliënt geborgd als één commerciële partij alles in handen heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat een commerciële partij in feite verantwoordelijk zou zijn voor de besteding van een aanzienlijk bedrag aan gemeenschapsgeld?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Zoals ik heb aangegeven is het van belang dat gemeenten er zorg voor dragen dat mensen die daarop aangewezen zijn de ondersteuning krijgen die voor hen passend is en voldoet en ook blijft voldoen aan de daaraan gestelde eisen. Gemeenten zullen deze kwalitatieve eisen doorvertalen in overeenkomsten met aanbieders en daarbij passende afspraken over het tarief maken. Dit kunnen aanbieders met en zonder winstoogmerk zijn.
Het bericht 'accijnzen nekslag pomphouders' |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV), Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «accijnzen nekslag pomphouders»?1
Ja.
Is dit een voldoende signaal om u in te laten zien dat met dit destructieve, door Brussel verordonneerde beleid van lastenverhogingen ondernemers massaal het faillissement en de werkloosheid worden injaagd? Zo neen, waarom niet?
Het is evident dat pomphouders in de grensstreek gevolgen ondervinden van de accijnsmaatregelen. Ik heb begrip voor hun situatie en het in kaart brengen van de gevolgen voor de grensstreek staat dan ook hoog op mijn agenda. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd voor de zomer een rapportage aan de Kamer te zullen zenden. Ik heb inmiddels langs verschillende lijnen onderzoek uitgezet. Met de gevonden versnellingen in het proces kan naar verwachting een beeld worden opgeleverd per half mei 2014, van de eerste uitkomsten van een evaluatie van de effecten van de accijnsverhogingen van diesel en LPG. Het is nu echter nog te vroeg om te kunnen vaststellen wat de uiteindelijke gevolgen van de accijnsmaatregelen voor de totale belastinginkomsten en voor het tankgedrag langs de grens zullen zijn.
Wat is uw boodschap aan al die pomphouders in de grensstreek?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de accijnzen te verlagen tot 1 cent onder het niveau van de omringende landen, zodat er juist meer automobilisten bij de Nederlandse pomphouders komen tanken, zodat de belastinginkomsten juist toe zullen nemen in plaats van afnemen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Een schikking van het Openbaar Ministerie met KPMG |
|
Jan de Wit , Sharon Gesthuizen (GL), Arnold Merkies |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de schikking die het Openbaar Ministerie (OM) heeft getroffen met KPMG naar aanleiding van haar betrokkenheid in een fraude-affaire van Ballast Nedam?1 2
Ja.
Bent u op grond van de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties over de voorgenomen schikking van tevoren geraadpleegd en hebt u hiermee ingestemd? Zo ja, waarom?
Het College van Procureurs-Generaal heeft het voorstel tot deze hoge transactie conform de Aanwijzing hoge transacties en bijzonder transacties aan mij voorgelegd en ik heb daarmee ingestemd. Over deze transactie heeft het Functioneel Parket een persbericht naar buiten gebracht, waarin is toegelicht waarom aan KPMG een hoge transactie is aangeboden. Het gaat om oude feiten, terwijl de voor deze feiten primair verantwoordelijken niet meer bij KPMG werkzaam zijn. Met deze transactie is het onderzoek naar verantwoordelijke natuurlijke personen niet beëindigd; dat onderzoek wordt voortgezet. KPMG betreurt de gang van zaken rondom de controles van Ballast Nedam en heeft aangegeven deze ten sterkste af te keuren. KPMG en de accountants hebben meegewerkt aan het onderzoek en volledige openheid van zaken gegeven. De onderneming heeft lering getrokken uit deze zaak en maatregelen getroffen. Mede naar aanleiding van deze zaak is het compliancebeleid bij KPMG verder aangescherpt en vastgelegd in aanvullende maatregelen om de integriteit van de organisatie te waarborgen. De aanvullende integriteits-, compliance- en kwaliteitsmaatregelen waar KPMG zichzelf aan heeft gecommitteerd zijn van preventieve en repressieve aard. De preventieve maatregelen dienen bijvoorbeeld om problemen tijdig te signaleren en misstanden te voorkomen. De repressieve maatregelen variëren van herschikking van taken tot opzegging van de arbeidsrelatie. Op de naleving daarvan wordt door de Autoriteit Financiële Markten toegezien. Verder is van belang dat ook door de strafrechter aan een rechtspersoon slechts een financiële sanctie kan worden opgelegd en dat eerder ook aan Ballast Nedam een hoge transactie is aangeboden.
Ik ben bekend met het feit dat in de bouwfraude waarover een parlementaire enquête heeft plaatsgevonden schaduwboekhoudingen een prominente rol speelden. Hoewel de context van de schaduwboekhouding in deze zaak een andere is, speelt het een rol in de waardering van de feiten. Het Openbaar Ministerie spreekt dan ook van ernstige strafbare feiten. De clementieregeling die na de parlementaire enquête is ingericht heeft alleen betrekking op de aanpak van kartels door de Autoriteit Consument en Markt en is niet van toepassing op de strafrechtelijke afdoening van een zaak. Dit aspect heeft daarom geen rol gespeeld bij de beoordeling van de hoge transactie.
Ik ben van oordeel dat deze hoge transactie, na afweging van alle belangen, een passende afdoening vormt. Met de aanzienlijke geldboete en ontneming en de publieke bekendheid daarvan worden de strafdoelen repressie en preventie gediend en wordt vervolgingscapaciteit efficiënt ingezet. Met deze afdoening wordt voldoende recht gedaan aan de ernst van de strafbare feiten en de maatschappelijk verontwaardiging daarover.
Hoe hebt u bij uw afweging het feit beoordeeld dat het OM spreekt van zonder meer verwijtbaar ontoereikende accountantscontroles, dat in deze zaak sprake is van een schaduwboekhouding die kennelijk door KPMG werd verhuld en dat er nagenoeg op hetzelfde moment in de Tweede Kamer een parlementaire enquête werd gehouden over de bouwfraude waarin schaduwboekhoudingen een prominente rol speelden?
Zie antwoord vraag 2.
Moet de reactie van het OM nu niet zijn dat KPMG wordt vervolgd en zich voor de rechter in het openbaar dient te verantwoorden nu zij kennelijk haar betrokkenheid bij deze schaduwboekhouding niet eerder zelf heeft gemeld en zij ook geen gebruik heeft gemaakt van de na de bouwenquête door de Nederlandse mededingingsautoriteit ingestelde clementieregeling, conform de toezegging die destijds de regering de Tweede Kamer deed in het kader van de totstandkoming van deze clementieregeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt door deze schikking nog wel recht gedaan aan de in de samenleving naar aanleiding van deze affaire ontstane verontwaardiging over de handelwijze van Ballast Nedam en over de handelwijze van haar accountant KPMG? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u mogelijkheden om deze schikking terug te draaien? Zo ja, bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hiervoor in antwoord op de vragen 2 tot en met 5 aangegeven waarom ik heb ingestemd met deze hoge transactie. Ik sta achter die beslissing en de afwegingen die ik daarbij heb gemaakt. Van het terugdraaien hiervan kan geen sprake zijn.
Het ROAD CCS demonstratie project |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de brief van de burgemeester van Rotterdam en de Commissaris van de Koning van Zuid-Holland aan E.ON en GDF SUEZ, waarin wordt aangedrongen op een snelle investeringsbeslissing inzake het ROAD CCS (C02 opvang en afslag) demonstratie project?
Ja.
Klopt het dat bij de vergunningverlening destijds harde toezeggingen zijn gedaan door E.ON en GDF SUEZ, om te investeren in het ROAD CCS demonstratie project? En klopt het dat daarbij geen voorwaarden zoals een hoge CO2-prijs zijn gesteld? Zo ja, waarom worden deze toezeggingen nu niet nagekomen?
Of er daadwerkelijk harde toezeggingen zijn gedaan is mij niet bekend. In de brief van de burgemeester van Rotterdam en de Commissaris van de Koning van Zuid-Holland aan E.ON en GDF SUEZ wordt verwezen naar afspraken in het kader van de bouw van de twee nieuwe kolencentrales. In deze is het Rijk niet het bevoegd gezag. Het Rijk is dan ook niet betrokken geweest bij eventuele afspraken over de bouw van een CO2 afvanginstallatie.
Deelt u de mening dat CCS een noodzakelijke techniek is om de klimaatdoelstellingen te halen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat investeringen in een project zoals ROAD kunnen leiden tot kennis over CCS die vervolgens door Nederlandse bedrijven en instellingen in het buitenland te gelde gemaakt kan worden?
Een grootschalig demonstratieproject als ROAD is in de eerste plaats bedoeld om meer ervaring op te doen met CCS en zo de kosten te laten dalen. Daarmee wordt brede toepassing van CCS in de toekomst mogelijk. De Nederlandse kennisinstituten maken nu al hun kennis over CCS in het buitenland ten gelde. Indien het ROAD project doorgaat valt te verwachten dat dit verder zal toenemen.
Bent u bereid om met de betrokken partijen in gesprek gaan om te bevorderen dat de investeringsbeslissing op korte termijn, voor 31 januari 2014, genomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik ben reeds geruime tijd met alle betrokken partijen in gesprek om te bevorderen dat het ROAD project daadwerkelijk van de grond komt. De gesprekken zijn in een beslissend stadium aangeland. Op 31 januari is er op initiatief van de Europese Commissaris voor Energie de heer Oettinger een bijeenkomst in Brussel om het ROAD project te bespreken. Ik verwacht op korte termijn, maar wel na 31 januari 2014, een besluit over de investeringsbeslissing van ROAD.
Winkelleegstand |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Heeft u gelezen dat veel inwoners van Almelo zich zorgen maken over de schrikbarend toegenomen winkelleegstand in het centrum?1
Ja.
Hoe heeft de winkelleegstand in dorps- en stadscentra zich de laatste vijf jaar ontwikkeld en wat is de huidige situatie, met name in de aanloopstraten naar het centrum? Kunt u aangeven in welke gemeenten de situatie het meest schrijnend is?
Volgens Locatus (marktleider op gebied van winkelinformatie in de Benelux) stond van de 220.000 winkelpanden in Nederland op 1 januari 2013 6,4% leeg. Dit is een gemiddelde. Er zijn per provincie grote verschillen in leegstandscijfers. Zo is de leegstand in Noord-Holland met 3,9% het laagst. Net als het jaar daarvoor zien we in provincies waar de bevolkingskrimp nog wordt verwacht hogere leegstandscijfers. De meeste leegstand is te vinden in Limburg (9,8%).
De NVM heeft in haar rapport «Retailvisie aanloopstraten in beeld» (september 2012) de ontwikkeling van de leegstand opgenomen naar type locatie voor de periode 2006–2012 in Nederland (zie onderstaande grafiek). Voor zogenoemde C-locaties bedraagt de leegstand 12% van het winkelverkoopvloeroppervlak, voor B-locaties bijna 10%. In de hoofdwinkelstraten is de leegstand slechts 2 tot 3%. De verwachting is dat door de afnemende vraag naar winkels en horecapanden de leegstand in aanloopstraten de komende jaren verder zal toenemen.
De NVM geeft in haar rapport tevens de top 10 aan van plaatsen met de meeste en minste leegstand van centrale winkelgebieden in percentage van de winkelvoorraad (zie onderstaand overzicht).
In hoeverre is, naast het internetwinkelen, de ontwikkeling van grote supermarkten, mega-outletcentra, retailparken, weidewinkels en andere verkooppunten buiten de bebouwde kom debet aan deze ontwikkeling?
De ontwikkeling van detailhandel buiten de bebouwde kom is beperkt debet aan de leegstandsontwikkeling in centrale winkelgebieden. Door de sturing van provincies en gemeenten op behoud en versterking van de centrale detailhandelgebieden is het aantal perifere vestigingen buiten de bebouwde kom of op een bedrijventerrein beperkt gebleven (in totaal bijna 8.000 panden, bron: PBL studie Detailhandel en Beleid: een continue wisselwerking, 2011). Ruim 87% van het vloeroppervlak van die perifere vestigingen heeft betrekking op de branchegroep «in/om het huis». De branchegroepen die vooral voorkomen in binnensteden, zoals «dagelijks» en «mode en luxe», komen zeer beperkt voor op de perifere locaties.
Bent u van mening dat de publieke kosten van achteruitgang en verloedering van straten en buurten met veel leegstand deels gedragen zouden moeten worden door de ondernemer die concurrerende grote verkooppunten opzet, zoals Sugar City in Halfweg, en voorgenomen outletcentra bij Steenwijk en Ressen (Gelderland)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Bovendien is leegstand het resultaat van meerdere ontwikkelingen (o.a. demografische trends, economische crisis, internetverkoop). Het is daarmee lastig een duidelijke oorzaak-gevolg relatie aan te tonen tussen een nieuw verkooppunt in de periferie, toenemende leegstand in de binnensteden en achteruitgang van de openbare ruimte.
Welke mogelijkheden benutten gemeenten en provincies om de huidige situatie het hoofd te bieden en wie draagt daarbij de kosten? Kunt u het antwoord met enkele voorbeelden verlevendigen, zoals Almelo zelf, maar bijvoorbeeld ook gemeenten zoals Zierikzee, Winterswijk, Gorinchem en Delfzijl en de Randstad, waar de kwestie ook speelt?
In een groot aantal provincies is beleid opgesteld om grootschalige en/of perifere detailhandelsontwikkelingen te sturen, mede gebaseerd op IPO richtlijnen. In deze provincies is dit beleid juridisch geborgd in de provinciale structuurvisie en de verordening of beleidsregels. In veel gevallen zijn regels opgenomen ten aanzien van de zogenaamde perifere detailhandel, weidewinkels en de verplichting om nieuwe ontwikkelingen te laten plaatsvinden binnen de bestaande gebieden.
Veel provincies agenderen via overleggen nieuwe detailhandelontwikkelingen om bewustwording van het belang van regionale afstemming te bevorderen. Enkele provincies zetten in op verplichte regionale afstemming van nieuwe ontwikkelingen (geborgd in de verordening). Provincies faciliteren kennisuitwisseling en geven financiële bijdragen voor het opstellen van (regionale) detailhandelsvisies en onderzoeken. Een aantal provincies onderzoekt de mogelijkheid om financieel bij te dragen bij herstructurering van winkelgebieden, sloop en verplaatsing.
Aanpak van leegstand is maatwerk op lokaal niveau. Vanwege de toenemende leegstand heeft het Trendbureau Overijssel samen met Ruimtevolk een «Toekomstverkenning binnensteden Overijssel»2 (september 2013) opgesteld waarin een aantal scenario’s wordt uitgewerkt. Graag verwijs ik u ook naar de publicatie «Winkelleegstand praktisch oplossen» van de Kamer van Koophandel (november 2012)3 waarin legio voorbeelden worden gegeven op lokaal niveau.
Op 12 februari 2014 presenteert Platform 31 de publicatie «Toekomstbestendige Winkelgebieden» tijdens het gelijknamige congres in opdracht van Detailhandel Nederland en de G32-gemeenten. De publicatie gaat in op de specifieke belangen, handelingsruimte en instrumenten van de diverse stakeholders in winkelgebieden, zoals winkeliers, eigenaren, financiers en gemeenten en provincies. Daarbij zet Platform 31 deze belangen af tegen relevante trends en geeft het strategische aanbevelingen die bijdragen aan de toekomstbestendigheid van verschillende typen winkelgebieden in Nederland. Voorjaar 2014 start Platform 31 met de G32-gemeenten een leerkring aanpak leegstand kantoren en winkels.
Bent u bereid een Rijksstructuurvisie Detailhandel op te stellen en/of provincies te verzoeken of bij aanwijzing te verplichten een dergelijke structuurvisie te ontwikkelen (voor zover ze dat niet al doen) en deze na indiening van zienswijzen op te laten nemen in een provinciale verordening? Zo nee, waarom niet?
Nee. De verantwoordelijkheid voor het opstellen van detailhandelvisies en ruimtelijke structuurvisies ligt primair bij regionale overheden. Conform de motie De Vries heb ik hen opgeroepen hiermee actief aan de slag te gaan en zal hierover – conform de motie – aan de Kamer rapporteren voor de zomer van 2014.
Diverse partijen vanuit de detailhandel, ontwikkelaars, beleggers en overheid werken in de Winkeltop samen aan toekomstbestendige winkelgebieden en daarbij ook het aanpakken van de leegstand. Duidelijk is dat dit vooral lokaal-regionaal aangepakt moet worden. Waar nodig biedt het Rijk ondersteuning.
De richtlijn bekendmaking niet-financiële informatie |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het compromisvoorstel (2013/0110 (COD)) van het Litouwse voorzitterschap van de Raad van Ministers van de EU voor de ontwerp-richtlijn over bekendmaking niet-financiële informatie door grote bedrijven?
De Europese Commissie heeft op 16 april 2013 een voorstel gepresenteerd over de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (COM(2013) 207). Door het voorzitterschap van de Raad worden doorgaans verschillende compromisvoorstellen gedaan om de onderhandelingen van de lidstaten over richtlijnvoorstellen te bevorderen. Zo ook voor dit richtlijnvoorstel. Deze stukken zijn als vertrouwelijk aangemerkt. Vanzelfsprekend is er bij de onderhandelingen over dit richtlijnvoorstel een Nederlandse delegatie aanwezig en zijn de voorstellen die tijdens de onderhandelingen worden gedaan bekend.
Handelt de Nederlandse regering in Raadsverband in lijn met haar BNC-fiche1, waarin zij een richtlijn voor bekendmaking niet-financiële informatie omarmt en het belang hiervan voor niet alleen interne, maar ook externe stakeholders van ondernemingen onderstreept?
Bent u het er mee eens dat de niet-financiële rapportageverplichting zich niet dient te beperken tot de risico´s die belangrijk zijn voor het bedrijf zelf, zoals het Litouwse voorzitterschap voorstelt in artikel 19, paragraaf 1a, maar dat bedrijven ook over de impact op belanghebbenden en het milieu moeten rapporteren?
Hoe oordeelt u over de clausule in artikel 19, paragraaf 6 van het Litouwse compromisvoorstel waarin staat dat er niet hoeft te worden gerapporteerd als informatie een negatief effect op het bedrijf kan hebben? Deelt u de mening dat de niet-financiële rapportageverplichting sterk ondergraven en oncontroleerbaar wordt als bedrijven zelf kunnen bepalen of zij transparant zijn over (mogelijke) impact op mensenrechten, milieu, sociaal beleid, werknemersrechten en anticorruptie?
Zal de regering zich binnen de Raad verzetten tegen de voornoemde paragrafen 1a en 6, mede in het licht van de informatiebehoeften van sociale investeerders en de wens van consumenten dat bedrijven de negatieve effecten van hun bedrijfsvoering op mens en milieu beperken?
Misstanden in franchiseland en de mogelijke aanpassing van de franchiseovereenkomst |
|
Mei Li Vos (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving over misstanden rondom franchiseovereenkomsten (onder meer «Aanval op franchisegevers. Advocate: toename van misstanden»,1 en het artikel «Franchising: waarom het best een goed idee is om van de franchiseovereenkomst een benoemde overeenkomt te maken»?2
Ja.
Kunt u ingaan op het signaal dat er een toename is van misstanden in de wereld van franchiseketens? Is de houding van sommige franchisegevers te karakteriseren als «verdeel en heers», waar franchisenemers en hun gezinnen de dupe van worden omdat zij vastzitten aan het contract?
Uit de aangehaalde publicaties blijkt dat zich in de praktijk wel eens situaties voordoen die nadelig uitpakken voor de franchisenemer. Dit blijkt, waar het zich voordoet, vooral terug te voeren op te rooskleurige prognoses van omzetpotentieel. Daar staat tegenover dat franchising nog altijd populair is; het biedt voor startende ondernemers een platform waarin veel werkzaamheden en keuzes uit handen worden genomen. Dit kan aantrekkelijk zijn als daar een, bij voorkeur op basis van de geboden diensten verdedigbaar, prijskaartje aan hangt. Ook geeft de Nederlandse Franchise Vereniging aan dat uit onderzoek blijkt dat franchiseondernemers in de afgelopen jaren van economische tegenwind minder omzetverlies hebben geleden dan anders georganiseerde branchegenoten. Signalen over ernstige toename van misstanden zijn mij niet bekend en worden ook door de aangehaalde schrijvers niet gegeven.
Is naar uw oordeel sprake van oplichting en valsheid in geschrifte, of slechts van een zakelijk geschil, of iets ertussen in? Als er naar uw mening sprake is van oplichting, waarom wordt hier dan niet tegen opgetreden?
Wat er in juridische termen aan de orde is, hangt geheel af van de feiten die zich in het concrete geval voordoen. Wanneer er gebruik gemaakt wordt van te rooskleurige prognoses, kan er sprake zijn van onjuiste informatie. Daartegen kan in rechte worden opgetreden en dit wordt, naar blijkt uit de artikelen, in de praktijk ook wel met succes gedaan. Als er sprake mocht zijn van oplichting, bijvoorbeeld door gebruik te maken van vervalste jaarverslagen, zijn er meer mogelijkheden voor handhaving, zoals vervolging door het Openbaar Ministerie. In dat geval zouden gedupeerden daarvan aangifte kunnen doen.
Bent u bereid om nader onderzoek te doen om het vóórkomen van dergelijke misstanden in de franchisewereld nauwkeurig in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om nieuw onderzoek uit te laten voeren. Uit eerder onderzoek3 bleek niet dat er sprake is van grote misstanden. Wel ben ik voornemens om in contact te treden met zowel de franchisegevers als de franchisenemers om nadere inlichtingen in te winnen over de ontwikkelingen in de franchisepraktijk.
Hoe beoordeelt u, gezien de signalen over misstanden, de voorgestelde aanpassing van de franchiseovereenkomst van onbenoemd naar benoemd (in Boek 7 Burgerlijk Wetboek)?
Opneming van een wettelijke regeling van de franchiseovereenkomst in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft bij de huidige stand van zaken daarom geen prioriteit. De Nederlandse Franchise Vereniging verlangt van haar leden dat zij in hun overeenkomsten de Europese Erecode Inzake Franchising in acht nemen, waarin veel aandacht wordt besteed aan de informatie die de franchisegever aan de franchisenemer behoort te verschaffen. In recente rechtspraak in franchising zaken worden daarbij aansluitende regels aanvaard. Volgens de Rechtbank Den Bosch van 29 mei 2013 (LJN CA1429) moet worden aangenomen dat op de franchisegever een bijzondere zorgplicht rust. Deze moet aan de franchisenemer een exploitatieoverzicht verschaffen dat «op een grondig en zorgvuldig onderzoek berust». Volgens de Rechtbank Arnhem van 15 juni 2011 (LJN BR0232) heeft de franchisegever een zorgplicht die meebrengt dat als de prognose niet wordt gehaald, de franchisegever de verplichting heeft de franchisenemer advies en bijstand te verlenen. De aard van de franchiseovereenkomst brengt mee dat de franchisegever moet zorgen voor deugdelijke prognoses. Hij dient in te staan voor de juistheid van de historische gegevens die aan de prognose ten grondslag liggen. Als de prognose niet wordt gehaald en vast komt te staan dat de prognose ondeugdelijk is, is de franchisegever in beginsel schadeplichtig.
Deelt u de mening dat een verzwaarde informatieplicht in Boek 7 een groot deel van de misstanden weg kan nemen? Is het waar dat in andere landen deze verzwaarde informatieplicht wel bestaat?
Het Nederlandse recht, zoals hiervoor weergegeven, ligt in de lijn van wat in andere landen in de wet of in de rechtspraak wordt aangenomen. De in antwoord op vraag 5 geciteerde rechtspraak aanvaardt een zware informatieplicht, afgestemd op de aard van de overeenkomst van franchising.
Welke rol kan het Ondernemersplein, zowel het fysieke plein als het digitale plein, spelen om potentiële franchisenemers te ondersteunen in de precontractuele fase?
Via het Ondernemersplein (zowel het digitale plein als de fysieke pleinen) kunnen ondernemers hierover worden geïnformeerd. Afhankelijk van de concrete behoefte bij ondernemers kan deze informatie worden aangepast of aangevuld.
Is het waar dat de Raad voor de Rechtsbijstand zelden toevoeging verleent bij een zakelijk geschil tussen franchisegever en franchisenemer? Zo ja, waar ligt dat aan en is dit wenselijk?
Een verantwoorde bedrijfsvoering houdt in dat ondernemers voor het starten van een onderneming al rekening houden met bedrijfsrisico’s en eventuele kosten van rechtsbijstand die deze met zich kunnen brengen en daarvoor tijdig een voorziening treffen, zoals het afsluiten van een rechtsbijstandverzekering, het zich aansluiten bij een brancheorganisatie dan wel het aanleggen van reserves. Uitgangspunt van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) is daarom dat gesubsidieerde rechtsbijstand niet wordt verleend bij zakelijke vorderingen, behoudens enkele uitzonderingen. Zakelijke vorderingen worden in artikel 12, tweede lid, onder e van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) gedefinieerd als rechtsbelangen die de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreffen, derhalve vorderingen van of jegens een zelfstandig ondernemer in de uitoefening van zijn praktijk. Hierbij kan het gaan om rechtspersonen en zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers). Voor zakelijke vorderingen is in artikel 12, tweede lid, onder d en e van de Wrb een apart regime opgenomen wat betreft het verstrekken van een toevoeging. Onder voorwaarden kan deze worden verstrekt. Indien het gaat om een rechtsbelang dat in de privésfeer ligt, kan de betrokkene conform de algemene regels van de Wrb voor natuurlijke personen in aanmerking komen voor een toevoeging. In een beperkt aantal gevallen is het mogelijk dat ook ondernemers een beroep kunnen doen op gesubsidieerde rechtsbijstand (artikel 12, tweede lid, onder d en e). Dit geldt bijvoorbeeld indien de voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van de uitkomsten van de gevraagde rechtsbijstand. Zo zal aan een zelfstandige die geconfronteerd wordt met de opzegging van een rekeningcourant krediet terzake van dat belang rechtsbijstand kunnen worden verleend indien door die opzegging zodanige liquiditeitsproblemen ontstaan dat het voortbestaan van het bedrijf in gevaar komt. Als het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, kan de aanvrager voor zakelijke belangen een toevoeging krijgen. Vereist is dat de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij de procedure is betrokken of betrokken geweest is én de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed. De termijn van één jaar is gesteld om te bewerkstelligen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een toevoeging wordt verkregen voor zaken die tot het normale bedrijfsrisico behoren.
Het zeer trage betaalgedrag van een aantal grootbedrijven ten koste van het MKB |
|
Mei Li Vos (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het zeer trage betaalgedrag van een aantal bedrijven ten koste van andere bedrijven?1
Ja.
Inmiddels heeft ook DE Master Blenders op haar eigen website gereageerd op het artikel in het FD met een toelichting op het bedrijfsbeleid inzake betaaltermijnen.
Is het correct dat het bedrijf DE Master Blenders leveranciers onlangs heeft laten weten dat de betalingstermijn wordt verlengd van 60 tot 90 dagen naar 180 tot 200 dagen? Is dit in overeenstemming met de wet, waarin staat dat een betalingstermijn van langer dan 60 dagen alleen is toegestaan als aangetoond kan worden dat dit voor geen van beide partijen nadelig is?
In het algemeen kan ik u melden dat de wet niet toestaat om zonder meer een langere betaaltermijn te hanteren dan 60 dagen. Indien een verdere oprekking van de termijn gewenst is, biedt de wet daarvoor alleen de ruimte indien de noodzaak voor een langere termijn wordt toegelicht in de individuele overeenkomsten waarop die termijn van toepassing is en dat tevens wordt beargumenteerd waarom deze langere termijn voor geen van de betrokken partijen een onredelijk nadeel oplevert.
Bent u van mening dat handhaving tekortschiet? Kunt u daarom een andere en intensievere vorm van handhaving overwegen? Behoort bestuursrechtelijke handhaving door een publiekrechtelijke toezichthouder tot de mogelijkheden? Zo nee, waarom niet en wat zijn alternatieven?
Civielrechtelijke overeenkomsten zijn geen onderwerp van handhaving van overheidswege. Bedrijven dienen elkaar op de niet-nakoming van hun overeenkomst aan te spreken en met elkaar de dialoog aan te gaan om een einde te maken aan onnodig lange betaaltermijnen en betalingsachterstanden. Worden afspraken niet nagekomen dan staat voor ondernemers de gang naar de civiele rechter open. Ik vind het niet wenselijk om op dit punt publiekrechtelijk toezicht in te voeren. Het verwerven van een effectieve informatiepositie voor de overheid en het uitoefenen van toezicht zou gepaard gaan met grote administratieve lasten en met grote uitvoeringslasten voor de overheid.
In hoeverre is in deze zaken sprake van misbruik van de economische machtspositie (art. 24 Mededingingswet), gezien het gemak waarmee kennelijk eenzijdig de contractvoorwaarden ten koste van de zwakkere partij kunnen worden aangepast? Kunt u de Autoriteit Cosument en Markt (ACM) verzoeken een onderzoek in te stellen?
Er is sprake van een economische machtspositie heeft in de zin van artikel 24 van de Mededingingswet indien een onderneming onafhankelijk van haar concurrenten, leveranciers en afnemers haar marktgedrag kan bepalen. Indien partijen denken dat hier sprake is van overtreding van de Mededingingswet, kunnen zij een klacht indienen bij de ACM.
Indien de ACM op grond van een onderzoek tot het oordeel komt dat sprake is van een economische machtspositie en van een misbruik daarvan, kan zij daartegen optreden.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot zowel de op 16 maart jl. in werking getreden wetgeving, die een betalingstermijn regelt van 30 tot 60 dagen en waarin staat dat een betalingstermijn van langer dan 60 dagen alleen is toegestaan als aangetoond kan worden dat dit voor geen van beide partijen nadelig is?
Zie voor de beantwoording het antwoord op vraag 2.
Is het correct dat meerdere grootbedrijven lange betaaltermijnen hanteren, waaronder Mediamarkt, V&D, Hema en Danone? Zo nee, waar blijkt dit uit? Wat zijn de gemiddelde betaaltermijnen van deze bedrijven?
Zie antwoord op vraag 3.
Is het correct dat andere, veelal kleinere, bedrijven door het trage betalen van facturen in de problemen kunnen komen, in het licht van de hoge kosten van een leverancierskrediet? Zo nee, waarom niet?
Snelle betaling van facturen draagt wezenlijk bij aan een gezonde kaspositie van toeleverende bedrijven. Het omgekeerde is eveneens waar; overschrijding van of het oprekken van contractuele betaaltermijnen is nadelig voor de ondernemer die op betaling moet wachten. Als het oprekken van betaaltermijnen op kortzichtige wijze wordt doorgevoerd kan het leiden tot margeverlies bij leveranciers. Als de leverancier niet kan uitwijken naar andere afzetmogelijkheden kan dit ook ertoe leiden dat het toeleverende bedrijf in zijn voortbestaan bedreigd wordt. Dit onderstreept ook het belang van handhaving door de ACM.
Deelt u de mening dat deze praktijk zeer schadelijk is, en zelfs tot faillissementen kan leiden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Is het correct dat de bovengenoemde wetgeving uitgaat van civiele handhaving, dat wil zeggen een gang naar de rechter van één van beide contractpartijen? Is het correct dat deze om voor de hand liggende redenen zelden plaatsvindt? Zo nee, waarom niet en waar blijkt dit uit?
Over het aantal conflicten tussen ondernemingen dat zich op dit gebied voordoet en het aandeel daarvan dat uitmondt in een individuele procedure bij de civiele rechter heeft de overheid geen informatie. Ik kan derhalve geen uitspraak doen over de mate waarin men afziet van civiele handhaving of de redenen die daaraan ten grondslag zouden kunnen liggen. Een ondernemer die niet zelf naar de rechter wil stappen bijvoorbeeld uit vrees om zijn opdrachtgever kwijt te raken, kan ook via het collectieve actierecht optreden (artikel 3:305a BW). Een vereniging of stichting kan namens ondernemers (anoniem) naar de rechter stappen en vragen om overeenkomsten met onredelijke betaaltermijnen te wijzigen of om nakoming van de overeengekomen betaaltermijn te vorderen. Zoals hiervoor al genoemd, kan een ondernemer als hij meent dat misbruik wordt gemaakt van een economische machtspositie ook een klacht indienen bij de ACM.
Het bericht ‘BTW-nummer moet wel op de website, ook voor de ZZP-er’ |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «BTW-nummer moet wel op de website, ook voor de ZZP-er»?1
Ja.
Deelt u de mening van de auteur, die zich baseert op de Wet bescherming persoonsgegevens, dat het burgerservicenummer (BSN) wel degelijk een persoonsgegeven is? Zo nee, op welk onderdeel acht u zijn argumentatie onjuist?
Ja.
Hoe beoordeelt u de wisselende opstelling en voorlichting van de Belastingdienst richting ZZP'ers over het al dan niet verplicht vermelden van het BTW-nummer op de website2? Hoe ziet u in dat licht het bericht van de Belastingdienst van 20 augustus 20133, dat nota bene op dezelfde dag bekend werd als uw brief aan de Kamer over dit thema?4
Op de dag dat de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken over dit onderwerp naar de Kamer is gezonden (20 augustus 2013), is informatie hieromtrent geplaatst op de site van de Belastingdienst. Dit om invulling te geven aan de in de brief opgenomen toezegging om de informatie via de gebruikelijke voorlichtingskanalen te verspreiden. Toen bleek dat de fiscaal-juridische uitleg uit de brief nuancering behoefde vanuit civielrechtelijk oogpunt, is de informatie op de site van de Belastingdienst dienovereenkomstig aangepast, juist om te zorgen dat ondernemers over eenduidige informatie konden beschikken.
Is het waar dat een ondernemer verplicht is het BTW-nummer tijdig (dus voordat een schriftelijke overeenkomst wordt afgesloten of, indien er geen schriftelijke overeenkomst is, voordat de dienst wordt verricht) mede te delen of beschikbaar te stellen? Ofwel, is het pas achteraf bij een bestelbevestiging of op de factuur vermelden van het BTW-nummer strijdig met de wet?
Op grond van fiscale regelgeving bestaat voor ondernemers geen verplichting om hun BTW-identificatienummer op een website te vermelden.
Artikel 5 van de Richtlijn elektronische handel (2000/31/EG) is door Nederland geïmplementeerd door middel van artikel 15d van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 5 van de richtlijn elektronische handel heeft geen rechtstreekse werking. In artikel 3:15d BW is aangegeven dat «degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent» een aantal gegevens «gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk» moet maken voor zijn afnemers. Op grond van het eerste lid, onder f, van dat artikel betreft die informatieverplichting mede het BTW-identificatienummer. Het derde lid van artikel 3:15d BW geeft aan wat moet worden verstaan onder «dienst van de informatiemaatschappij». Het betreft – kort gezegd – «elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van de afnemer van de dienst wordt verricht».
Uit het voorgaande volgt dat het kenbaar maken van het BTW-identificatienummer van toepassing is voor zover een ondernemer via zijn website goederen of diensten te koop aanbiedt en het mogelijk is om via die website een overeenkomst te sluiten. Het BW schrijft niet voor op welke wijze dit dient te gebeuren. Het ligt voor de hand dat dit gebeurt door middel van een vermelding op de website, maar van een dwingende verplichting daartoe is geen sprake, mits het BTW-identificatienummer dan wel op andere wijze gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk kenbaar wordt gemaakt. Als een ondernemer die diensten van de informatiemaatschappij aanbiedt pas achteraf bij een bestelbevestiging of op de factuur het BTW-nummer vermeldt voldoet hij niet aan de verplichting in artikel 3:15d BW.
Daarnaast kent de Europese Richtlijn 2006/123/EG (de «dienstenrichtlijn» van 12 december 2006) een soortgelijke bepaling ten aanzien van het kenbaar maken van het BTW-identificatienummer. Deze richtlijn is geïmplementeerd in onder andere de artikelen 230a tot en met 230c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en heeft, anders dan bovengenoemde richtlijn, niet specifiek betrekking op de elektronische handel. Deze wetsartikelen hebben betrekking op de informatieverplichtingen van dienstverrichters in het algemeen. Eén van die verplichtingen betreft het door de dienstverrichter aan zijn afnemer ter beschikking stellen van zijn BTW-identificatienummer. De dienstverrichter kan daartoe kiezen uit vier mogelijkheden (artikel 6:230c BW), onder andere het «gemakkelijk elektronisch toegankelijk maken op een van tevoren medegedeeld elektronisch adres».
Bij een conflict tussen de bepalingen in de Europese richtlijn inzake elektronische handel en de bepalingen in de Europese dienstenrichtlijn (artikel 22 eerste lid, onderdeel d), heeft de Europese richtlijn inzake elektronische handel voorrang. Hierin is bij de implementatie van de Europese dienstenrichtlijn in de Dienstenwet voorzien (artikel 2, derde lid, onderdeel a, onder punt 3, van de Dienstenwet).
Is de stelling van de auteur dat de verplichting om het BTW-nummer «gemakkelijk, rechtstreeks en permanent» toegankelijk te maken voor degenen die gebruik maken van de dienst, ook rechtstreeks voortvloeit uit de Europese richtlijn inzake elektronische handel? Is het waar dat in deze richtlijn verder geen keuzemogelijkheid is opgenomen voor de wijze waarop informatie wordt verstrekt? Is het waar dat bij conflicten tussen bepalingen in de Europese richtlijn inzake elektronische handel en de bepalingen in de Europese dienstenrichtlijn, de Europese richtlijn inzake elektronische handel voorrang heeft? Zo nee, wat is er niet waar?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u inmiddels de conclusie van de heer mr. dr. Paapst die in zijn weblog van 8 november stelt dat: «het in juridische zin meest veilige uitgangspunt is om als ondernemer altijd het BTW-nummer te vermelden op je website»?5
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de verplichting voor ZZP'ers om hun BTW-nummer te baseren op hun BSN terwijl u in de campagne tegen identiteitsfraude burgers oproept hun BSN op kopieën van paspoort of ID-kaart door te strepen?
Zoals eerder aangegeven worden de risico’s bij een zorgvuldig gebruik van het BTW-identificatienummer niet zodanig geacht dat zij opwegen tegen de administratieve last van het moeten hanteren van meerdere nummers door bedrijven die als natuurlijk persoon ondernemen. Daarom wordt, net zoals bij het gebruik van een paspoort, een rijbewijs of een ID-kaart, ingezet op bewustwording bij ondernemers over de wijze waarop zij zorgvuldig met documenten en daarop vermelde persoonsgegevens kunnen omgaan.
Hoe beoordeelt u de relatief eenvoudige oplossing om nieuwe ZZP'ers een BTW-nummer te geven dat niet gekoppeld is aan hun BSN en bestaande ZZP'ers de mogelijkheid te geven een nieuw BTW-nummer aan te vragen?
Inmiddels heeft uw Kamer een motie van de leder Oosenburg en Van der Linde aangenomen met dezelfde strekking als deze vraag (motie 33 750 VII, nr.6. Ik laat op dit moment in kaart brengen wat de consequenties van deze motie zijn en zal uw Kamer hierover bij separate brief informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaande aan de behandeling van de begroting van uw ministerie voor het jaar 2014?
Door overdracht van de vragen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is beantwoording van deze vraag niet meer relevant.
De prijzenoorlog in de supermarkten en de brief van Plus Supermarkten aan haar leveranciers |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de brief van Plus Supermarkten aan haar leveranciers, waarin de supermarkt aangeeft het inkomstenverlies als gevolg van de prijzenoorlog door te berekenen aan de leveranciers?
Ja.
Bent u op de hoogte van verzoeken tot margecompensatie door andere retailers, die mondeling aan de fabrikanten zijn medegedeeld?
Van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), de koepelorganisatie van bedrijven en brancheorganisaties in de Nederlandse levensmiddelenindustrie, heb ik begrepen dat ook andere retailers dergelijke verzoeken hebben gedaan aan hun leveranciers. De precieze inhoud en de formulering van die verzoeken ken ik niet.
Deelt u de mening dat dit een exacte herhaling lijkt van de prijzenoorlog van 2003, toen de margeverliezen ook voor kosten van de fabrikanten kwamen?
Anders dan in 2003 lijkt volgens de berichtgeving de huidige verscherpte prijsconcurrentie tussen supermarkten zich te beperken tot A-merken. Dit verschijnsel kan gevolgen hebben voor levensmiddelenfabrikanten, maar in hoeverre dit voor hen tot margeverliezen zal leiden, hangt af van de verhouding tussen leveranciers en afnemers.
Vragen als «Hoeveel andere afnemers heeft de betrokken fabrikant?» en «Hoe afhankelijk is de fabrikant van één specifieke Nederlandse supermarkt?» spelen hierbij een rol. Fabrikanten die relatief veel exporteren zullen minder last hebben van prijsverlagingen in Nederland.
Kan de brief van Plus Supermarkten gezien worden als een overtreding van de gedragscode voor eerlijke handelspraktijken? Zo nee, waarom niet? Zijn mondelinge verzoeken in strijd met deze gedragscode? Zo nee, waarom niet?
Volgens de gedragscode mogen overeenkomsten niet eenzijdig worden gewijzigd (ook niet mondeling), tenzij deze mogelijkheid, en de bijbehorende omstandigheden en voorwaarden, vooraf overeengekomen zijn. Om de vraag te kunnen beantwoorden, of de brieven van Plus Supermarkten aan leveranciers een overtreding vormen van de gedragscode voor eerlijke handelspraktijken, is van belang wat in de overeenkomsten is afgesproken en wat precies in de brief staat. Op 26 september jl. hebben de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik hierover gesproken met de Nederlandse stuurgroep,waarin LTO Nederland, de FNLI en het CBL vertegenwoordigd zijn. Een dag later heeft op ambtelijk niveau een vervolggesprek met de stuurgroep plaatsgevonden. Afgesproken is dat de FNLI een aantal geanonimiseerde klachten van leveranciers met bijbehorende geanonimiseerde contractuele kaders tussen die leveranciers en hun afnemers zal verzamelen. De FNLI zal deze gegevens in geanonimiseerde vorm aan de stuurgroep voorleggen ter bespreking. De stuurgroep zal vervolgens bepalen hoe hiermee wordt omgegaan. De stuurgroep heeft besloten dat het voor de klachtbehandeling van deze zaak op dit moment nog niet noodzakelijk is dat de klagers formeel geregistreerd zijn op de Europese website voor deelname aan de gedragscode.
Deelt u de mening dat met name het Midden- en kleinbedrijf (MKB) getroffen wordt door de prijzenslag onder de supermarkten, omdat het op moet draaien voor het margeverlies op de A-merkproducten?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is vooralsnog niet duidelijk in hoeverre supermarkten het margeverlies ook daadwerkelijk op fabrikanten (weten te) verhalen. Ik heb begrepen dat verschillende supermarkten inmiddels het gesprek zijn aangegaan met hun leveranciers om te bezien hoe het margeverlies het hoofd kan worden geboden.
Bent u van mening dat de Autoriteit Consument en Markt niet alleen moet kijken naar verticale marktwerking, maar ook naar een eerlijke margeverdeling in de keten? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft als één van haar taken de taak de mededingingsregels te handhaven. In dit kader ziet zij toe op de naleving van het kartelverbod en het verbod op misbruik van een economische machtspositie. De marges die ondernemingen in de verschillende geledingen van de keten realiseren, zijn het resultaat van vraag en aanbod en zijn op zichzelf geen voorwerp van het toezicht van de ACM.
Verwacht u dat de pilot een einde gaat maken aan oneerlijke handelspraktijken? Hoe gaat u de pilot het komende jaar evalueren?
Zoals ik in mijn brief van 11 september aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2012/13 22 112, nr. 1687) heb aangegeven heb ik vertrouwen in de opzet van de nationale stuurgroep en de uitvoering van de pilot. Of de gedragscode eerlijke handelspraktijken, als aanvulling op de bestaande regelgeving effectief is, zal moeten blijken uit de evaluatie van de pilot. In mijn brief van 11 september staat welke prestatie-indicatoren ik daarbij zal gebruiken.
Gaat volgens u alleen zelfregulering werken of ziet u ook een rol voor de overheid? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Bij de pilot gaat het om zelfregulering, als aanvulling op bestaande wetgeving. Het Ministerie van Economische Zaken heeft een faciliterende rol gespeeld bij de vormgeving van de pilot en doet dat ook bij de uitvoering van de pilot. Ook zal het Ministerie van Economische Zaken gedurende de pilot de vinger aan de pols blijven houden.
Wat adviseert u bedrijven die worden geconfronteerd met oneerlijke handelspraktijken? Wat zou volgens u de ultieme sanctie moeten zijn voor ondernemingen die zich niet aan de gedragscode houden?
Allereerst adviseer ik ondernemingen zich aan de gedragscode te binden door zich te registreren. Een onderneming kan tegen een andere onderneming alleen een klacht indienen met een beroep op de gedragscode, indien zowel zijzelf als die andere onderneming zich aan de gedragscode heeft gebonden. Hoe meer ondernemingen zich aan de gedragscode binden, hoe groter het effect van de gedragscode is. Verder is het ondernemingen aan te raden om in het geval van een klacht zich eerst tot hun brancheorganisatie te wenden voor informatie over de mogelijkheden voor geschillenbeslechtingen en over de vraag of bij de brancheorganisatie vergelijkbare klachten zijn binnengekomen.
In de pilot van de gedragscode eerlijke handelspraktijken voor de agrofoodsector kan een klager bij individuele klachten een procedure bij een mediator, bindend adviseur, arbiter of civiele rechter starten.
Hierbij kan hij een vordering instellen tot het stoppen van de oneerlijke gedraging, het herstellen van de oneerlijke situatie of een vordering tot schadevergoeding. Bij gebundelde klachten kan de Nederlandse stuurgroep de overtreder trachten te bewegen zijn gedrag in overeenstemming te brengen met de gedragscode. Doet hij dat niet, dan kan de Nederlandse stuurgroep zelf een oordeel over de kwestie geven of de kwestie voorleggen aan de Europese stuurgroep, die een algemeen richtsnoer kan opstellen over de desbetreffende gedraging.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 9 oktober, als de vaste commissie voor Economische Zaken verder spreekt over oneerlijke handelspraktijken?
Ja.
De dienstverlening van banken aan het midden- en kleinbedrijf (MKB) bij het afsluiten van rentederivaten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht en het onderliggende onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) «Dienstverlening banken aan midden- en kleinbedrijf bij afsluiten rentederivaten voor verbetering vatbaar» van 25 september jongstleden?1
Ja.
Wat vindt u van de constateringen van de AFM dat banken door onduidelijk communiceren richting ondernemers de zwaardere zorgplicht weten te omzeilen en ondernemers bovendien slecht zijn voorgelicht over de risico’s van derivaten?
Het verkennende onderzoek van de AFM is een belangrijke stap om zicht te krijgen op de risico’s die zich voordoen bij dienstverlening rondom rentederivaten. Ik vind het belangrijk dat alle klanten – ook zakelijke klanten – goed geïnformeerd worden over de dienstverlening en de risico’s die verbonden zijn aan rentederivaten. Uit het verkennend onderzoek van de AFM blijkt dat de dienstverlening van sommige banken aan het MKB bij het afsluiten van rentederivaten voor verbetering vatbaar is. De AFM constateert dat sommige banken hun cliënten onvoldoende duidelijk maken dat zij bij het aanbieden van rentederivaten geen advies geven. Ook heeft de AFM gezien dat de informatieverstrekking over rentederivaten vaak onvoldoende evenwichtig was en dat banken hun MKB-cliënten onvoldoende informeerden of zij als professioneel of als niet-professioneel werden geclassificeerd en welke consequenties dit heeft. Het beeld dat hieruit vooralsnog ontstaat geeft reden tot zorg. De AFM zal aan deze verkenning een vervolg geven. Vanaf de tweede helft van 2013 doet de AFM aanvullend onderzoek naar de dienstverlening van banken aan het MKB met betrekking tot rentederivaten. Daarbij wordt onder andere gekeken naar het type dienstverlening dat feitelijk wordt aangeboden en of hierbij voldaan is aan de (wettelijke) vereisten.
Daarnaast inventariseert de AFM of en zo ja, in hoeverre, er andere problemen spelen bij de financiële dienstverlening aan het MKB.
Een aantal banken heeft op het gebied van rentederivaten stappen ter verbetering aangekondigd. De AFM zal deze veranderingen nauwlettend volgen en met de sector in gesprek gaan over de gewenste dienstverlening. Daarnaast zal de AFM komen met aanbevelingen voor passende dienstverlening op het gebied van rentederivaten aan niet-professionele MKB-cliënten. Deze cliëntgroep heeft ook zelf een verantwoordelijkheid bij het sluiten van rentederivaten. De AFM zal daarom ook met brancheorganisaties in gesprek gaan om aan deze eigen verantwoordelijkheid een verdere invulling te geven.
Ik wacht het vervolgonderzoek af en zal dan bezien of en welke stappen gezet moeten worden.
Bent u het er mee eens dat het onacceptabel is dat banken nog steeds manieren zoeken om de zorgplicht te omzeilen? Wilt u mogelijkheden om de zorgplicht te omzeilen gaan beperken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de AFM onderzoek te laten doen naar de schade die ondernemers en semi-publieke instellingen liepen door verkeerde advisering en de aanschaf van niet passende en risicovolle producten?
Het verkennende onderzoek van de AFM richtte zich primair op mogelijke gebreken in het dienstverleningsproces van banken aan semipublieke instellingen en het professionele MKB bij het afsluiten van rentederivaten. Niet passende dienstverlening kan zowel voor de professionele cliënten als voor de banken ongewenste risico’s opleveren. Wanneer de dienstverlening niet-passend is geweest hoeft dat echter nog niet te betekenen dat het afgesloten product ook tot «schade» bij de afnemer leidt. Het rapport van de AFM geeft geen inschatting van de schade die MKB-cliënten of semipublieke instellingen hebben geleden.
In het vervolgonderzoek is de AFM voornemens zich met name te richten op de beoordeling en verbetering van de passendheid van de dienstverlening en niet op de omvang van de eventuele schade. De reden hiervoor is dat dit moeilijk is vast te stellen omdat eventuele schade afhankelijk is van verscheidene factoren, waaronder de toekomstige waardeontwikkeling van het rentederivaat en de individuele afspraken tussen bank en klant. Het vervolgonderzoek van de AFM behelst in dit opzicht vooral een verbreding van het onderzoek, waarbij ook gekeken wordt naar de kwaliteit van andere financiële dienstverlening aan het MKB en de ernst van de gebreken die hieruit voort kunnen vloeien.
In hoeverre zijn banken aansprakelijk voor de schade van gedupeerde ondernemers en semi-publieke instellingen? Op welke wijze wordt voor bestaande problemen een oplossing gezocht en bent u bereid het vinden van oplossingen te bevorderen?
De AFM heeft nog niet onderzocht in hoeverre de afgesloten producten passend zijn voor de betreffende cliënten. De dienstverlening op het gebied van rentederivaten verschilt per bank. De door de AFM geconstateerde verbeterpunten gelden voor bijna alle banken, maar niet alle banken presteren in dezelfde mate op alle geconstateerde verbeterpunten.
Uit het verkennende onderzoek van de AFM is onder meer naar voren gekomen dat de informatievoorziening met betrekking tot rentederivatendienstverlening onvoldoende is geweest en dat aan concrete voorschriften niet is voldaan. Aanbieders van deze producten lijken dit ook te erkennen. Of banken aansprakelijk kunnen worden gehouden voor eventuele schade van ondernemers of semipublieke instellingen is aan het oordeel van de civiele rechter en zal afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het geval. De vaststelling van deze aansprakelijkheid zal onder meer afhangen van de aard van de dienstverlening en de handelswijze van de bank met betrekking tot informatieverstrekking over de bijbehorende risico’s inclusief de mogelijkheden van de cliënt om de bijbehorende risico’s en de passendheid van het product voor hem goed in te kunnen schatten. Dit hangt onder andere af van zijn kennis en ervaring op het gebied van rentederivaten.
De AFM zal de door een aantal banken aangekondigde stappen ter verbetering van het dienstverleningsproces op het gebied van rentederivaten nauwlettend volgen en met de sector in gesprek gaan over de gewenste dienstverlening. Of de AFM handhavend optreedt op het gebied van rentederivatendienstverlening en mogelijk ook andere dienstverlening aan het MKB, is onder andere afhankelijk van de keuze en invulling van de daadwerkelijk gehanteerde dienstverlening door banken, het effect dat met de handhaving kan worden bereikt, de toezichtmogelijkheden en de mate van ernst van de mogelijk te constateren misstanden.
Hoe beziet u de toegang van het MKB tot het klachteninstituut Kifid in het licht van de slechte communicatie en voorlichting vanuit banken richting ondernemers over derivaten?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Nijboer en Mei Li Vos (PvdA) van 8 mei 2013 over de mogelijkheid voor financieel dienstverleners om adviezen van het Kifid als niet-bindend te aanvaarden, ben ik nagegaan bij de koepelorganisatie van het midden- en kleinbedrijf of er behoefte is om de toegang tot het Kifid te verbreden.2 Ik heb hieruit niet kunnen opmaken dat er op dit moment behoefte bestaat aan een dergelijke verbreding. Klachten van ondernemers ten aanzien van financiële dienstverlening worden vaak op andere wijze geadresseerd, bijvoorbeeld middels een interne klachtenprocedure bij banken en verzekeraars. Het rapport van de AFM over dienstverlening bij het afsluiten van rentederivaten geeft mijns inziens dan ook geen directe aanleiding om de toegang tot Kifid uit te breiden naar het MKB.
Privacy schendingen door middel van de bonuskaart van Albert Heijn |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Bonuskaart zo lek als mandje»?1 2
Ja.
Deelt u de mening van de Consumentenbond dat Albert Heijn de aankoopgeschiedenis van hun klanten moet behandelen als privacygevoelige informatie en net zo moet beveiligen als persoonsgegevens? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid geldt dat (aankoop)gegevens pas persoonsgegevens zijn op het moment dat ze op zichzelf, in onderlinge combinatie of in samenhang met uit andere bron bekende informatie, herleidbaar zijn naar een persoon. In dat geval is het bijbehorende beschermingsregime van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing.
Albert Heijn heeft mij desgevraagd het volgende medegedeeld over de privacy-aspecten van hun Bonuskaart. Het Bonuskaartnummer geeft binnen de Appie-functionaliteit toegang tot de aankoophistorie die bij dit Bonuskaartnummer hoort. Daarbij worden geen persoons-identificerende kenmerken getoond. Als iemand zijn Bonuskaart verliest, is voor bijvoorbeeld de vinder dus niet te achterhalen wie die persoon is. De tot een persoon herleidbare gegevens (zoals naam, adres en woonplaats) zijn uitsluitend beschikbaar na inloggen en dus in combinatie met aanvullende inloggegevens.
Het finale oordeel over de vraag of aankoopgegevens van consumenten als persoonsgegevens moeten worden beschouwd en of winkels als Albert Heijn deze dienovereenkomstig moeten beschermen is aan het College bescherming persoonsgegevens.
Kunnen klanten het nummer van een bonuskaart van een andere klant achterhalen door gebruik te maken van informatie op niet meegenomen kassabonnen?
Albert Heijn heeft mij laten weten dat om te voorkomen dat derden makkelijk de beschikking krijgen over een Bonuskaartnummer de eerste 5 cijfers van het Bonuskaartnummer niet op de kassabon worden geprint.
Weet u of andere winkelbedrijven klantenkaarten hebben met vergelijkbare risico’s voor de privacy als de bonuskaart? Zo ja, welke winkelbedrijven betreft dit?
Er zijn meerdere winkels die een klantenkaart uitgeven. Ik heb geen overzicht van hoe de beveiliging van klantgegevens bij deze kaarten is geregeld. Het spreekt voor zich dat winkelbedrijven die een dergelijke kaart gebruiken de wettelijke bepalingen ter bescherming van de privacy van betrokkenen in acht moeten nemen.
Zijn aankoopgegevens van consumenten als persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens te beschouwen?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat de kans dat Albert Heijn door aankoopgegevens van klanten niet beter te beschermen de Wet Bescherming Persoonsgegevens overtreedt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Techneuten gezocht in buitenland; Fugro lijdt onder tekort aan hoogopgeleid personeel’ |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het nieuwsbericht «Techneuten gezocht in buitenland; Fugro lijdt onder tekort aan hoogopgeleid personeel»?1
Ja.
Bent u in gesprek met Fugro over de moeilijkheden die bedrijf ervaart? Zo nee, bent u bereid dit op korte termijn te doen?
Ja. Fugro heeft een groeistrategie aangekondigd («groei op eigen kracht») en verwacht daardoor in de komende jaren meer personeel aan te trekken, met name technisch specialisten.
Weet u of Fugro in gesprek is met instellingen om samen het tekort aan technici in de regio op te lossen? Zo nee, kunt u zo’n gesprek initiëren? Zo ja, kunt u daar een helpende hand bij bieden?
Fugro werkt intensief samen met het regionale onderwijs: Fugro onderhoudt zeer nauw contact met de TU Delft over de aansluiting van hun onderwijs op de behoeftes van de arbeidsmarkt en verder werkt Fugro ook samen met regionale hbo en mbo/ROC’s. Daarnaast heeft Fugro regelmatig contact met basisscholen in de regio in het kader van voorlichting. Ook is er een Fugro Academy voor training en ontwikkeling van het eigen personeel.
Fugro heeft aangegeven op dit moment, naast de lopende inzet rondom het Techniekpact en het bedrijvenbeleid, geen specifieke hulp van het Rijk te verwachten wat betreft het terugdringen van het tekort aan technici.
Wel onderstreept Fugro het belang van gespecialiseerde wetenschappelijke technische opleidingen.
De overheid ondersteunt het proces van samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijsinstellingen, ondermeer door het wegnemen van belemmeringen bij publiekprivate samenwerking op gebied van onderwijs en arbeidsmarkt. En de overheid hecht aan het behoud van technische opleidingen, door het zorgen voor de juiste randvoorwaarden zoals de bekostiging van technische opleidingen.
Deelt u de mening dat Fugro behouden moet blijven voor Nederland? Wat kan het kabinet doen om het uitwijken van Fugro naar Italië te voorkomen?
Het kabinet wil een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden voor bedrijven om zich hier te huisvesten en om bedrijven als Fugro voor Nederland te behouden. Een bedrijf als Fugro is van groot belang voor de Nederlandse economie en voor de werkgelegenheid. Het kabinet zet daarom in op het creëren van de juiste randvoorwaarden via het bedrijvenbeleid en door de inzet van het Techniekpact, onder meer door te investeren in voldoende en goed opgeleide (technische) mensen. En het kabinet wil in samenwerking met de sociale partners arbeidsmarktknelpunten op korte en middellange termijn terugdringen. Daarom kunnen sinds 1 oktober van dit jaar werkgevers- en werknemersorganisaties cofinanciering aanvragen als zij gezamenlijke (sector)plannen maken om mensen aan het werk te krijgen en te houden.
De bekendheid en toepassing van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BBZ) voor ZZP’ers |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De zelfstandige sappelt liever zonder steun«?1
Ja.
Hoeveel ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) zijn de afgelopen 12 maanden in financiële problemen gekomen en welk deel heeft een beroep gedaan op het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BBZ)?
Het ontbreekt aan gegevens over hoeveel zzp» ers de afgelopen 12 maanden in financiële problemen zijn gekomen. Gemiddeld deden in 2012 iets meer dan 3.600 personen een beroep op de Bbz-regeling. In grofweg de helft van de gevallen is sprake van een gevestigde ondernemer.
Heeft u gegevens over het percentage ZZP’ers dat bekend is met de BBZ-regeling? Zo nee, bent u bereid dat te laten onderzoeken?
Onderzoek onder het zzp-panel2 in 2010 liet zien dat ongeveer een kwart van de zzp’ers met onvoldoende financiële middelen (destijds 14% van het totaal) heeft overwogen om enige vorm van extra inkomensondersteuning te vragen. Zo'n 16% van degenen die inkomensondersteuning heeft overwogen, was bekend met inkomensondersteuning door gemeenten. Bij deze cijfers moet worden aangetekend dat het onderzoek van enige tijd geleden dateert en dat de percentages betrekking hebben op zeer kleine aantallen en dus als indicatief moeten worden beschouwd.
Ik onderschrijf het achterliggende belang van deze vraag, namelijk voldoende bekendheid met het Bbz onder de beoogde doelgroep. Hiermee kunnen mogelijk faillissementen worden voorkomen van zzp’ers die in de knel zitten. In de antwoorden op de vragen 5 en 6 wordt aangegeven welke activiteiten zijn ondernomen of inmiddels gepland staan om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Deelt u de mening dat aanzienlijke maatschappelijke kosten, door onnodige faillissementen en bedrijfsopheffingen, én persoonlijk leed (deels) voorkomen kunnen worden als ZZP’ers eerder en beter bekend zijn met de BBZ-regeling? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Ik deel niet onverkort deze mening. Genoemde negatieve effecten hadden zich ook kunnen voordoen als bedoelde zzp’ers wel op de hoogte waren geweest van de Bbz-regeling. Bekend zijn met een regeling staat niet gelijk aan het gebruik (willen) maken van de regeling. Ondersteuning van zzp’ers onder gebruikmaking van het Bbz is bovendien slechts mogelijk als sprake is van een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep. Wel deel ik uiteraard de mening dat een grotere bekendheid met het Bbz kan bijdragen aan het voorkomen van bijvoorbeeld faillissementen en daarmee samenhangend persoonlijk leed.
Deelt u de mening dat extra voorlichting, zowel gericht op de ZZP’ers als op gemeenten, geïntensiveerd moet worden? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Ik ben met u van mening dat goede voorlichting van belang is. Recent zijn al verschillende maatregelen genomen om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Voorbeelden hiervan volgen uit de brief die de toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 januari 2012 heeft verzonden naar de Eerste Kamer3. In bedoelde brief is aangegeven dat de teksten over het Bbz op websites als www.antwoordvoorbedrijven.nl en www.rijksoverheid.nl zijn verbeterd. Verder zijn gesprekken gevoerd met organisaties voor zelfstandigen om het Bbz bij hen onder de aandacht te brengen. Naar aanleiding hiervan heeft het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) zijn serie infobladen uitgebreid met een infoblad over het Bbz en een infoblad over de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Daarnaast is informatie over het Bbz onder genoemde organisaties verspreid, aan de hand waarvan zij zelfstandigen kunnen wijzen op de mogelijkheden van het Bbz.
Met de publicatie «Haal meer uit het Bbz; meer rendement voor gemeenten bij de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 », waarover de Tweede Kamer bij brief van 3 juli 2012 is geïnformeerd4, gaven VNG en SZW de aanzet tot het stimuleren van ondernemerschap en het vergroten van het rendement dat gemeenten uit het Bbz kunnen halen. In het door het Ministerie van SZW gesubsidieerde programma Vakmanschap van Divosa en VNG wordt hier op praktische wijze nadere invulling aan gegeven. In het kader van dit programma is een serie werkwijzers verschenen over de uitvoering van het Bbz die Divosa in 2012 en 2013 heeft gepubliceerd. Deze werkwijzers zijn onder meer te vinden op de websites van Divosa, VNG en het Gemeenteloket van het Ministerie van SZW.
Via het Ondernemersklankbord (OKB) worden jaarlijks ruim 3.000 ondernemers begeleid die zich melden met een hulpvraag. In 2012 was daarbij in 1.100 gevallen sprake van een faillissementspreventietraject. In 2013 zal dat aantal naar verwachting oplopen tot 1.200 ondernemers. Voor deze begeleiding wordt door het Ministerie van EZ subsidie verstrekt aan het OKB. Van de faillissementspreventies, die veelal ondernemingen betreffen die feitelijk al insolvent zijn, wordt ruim de helft met succes afgerond.
In het antwoord op vraag 6 volgt informatie over de geplande maatregelen om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Bent u bereid met de gemeenten in overleg te treden om de (doelstelling van de) BBZ-regeling extra onder de aandacht te brengen en uitwisseling van best practices te stimuleren?
Ik ben vanuit dit departement voornemens subsidie te verlenen aan Divosa en VNG om in het najaar van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014 diverse activiteiten te organiseren die meer bekendheid aan het Bbz zullen geven.
Er zullen regiobijeenkomsten worden georganiseerd door Divosa en gemeenten voor de uitvoerders van de Bbz-regeling bij gemeenten en hun leidinggevenden. Het thema is verdere professionalisering en vakmanschap bij het uitvoeren van de Bbz-regeling. Kennisdeling is het primaire doel van de bijeenkomsten.
In dezelfde periode zal de VNG bijeenkomsten voor bestuurders houden waarbij de bredere maatschappelijke voordelen van de Bbz-regeling naar voren worden gebracht. Het gaat daarbij om het stimuleren van actief gebruik en inzet van het Bbz door gemeenten, mede aan de hand van inzicht in maatschappelijke opbrengsten zoals behoud en stimulans van lokale en regionale werkgelegenheid. De focus zal daarbij ook liggen op samenwerking tussen gemeenten en andere partijen en het verbinden van het sociale en economische terrein om ondernemerschap in bredere zin te bevorderen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 10 oktober 2013?
Mijn streven is gericht geweest op een zo spoedige mogelijke beantwoording.
Het bericht AH Veendam bood kwart miljoen voor zondagopenstelling |
|
Eddy van Hijum (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «AH Veendam bood kwart miljoen voor zondagopenstelling»?1
Ja.
Is het u bekend of dergelijke praktijken, waarbij ondernemers sponsordeals willen sluiten met lokale bestuurders in ruil voor tegenprestaties zoals zondag openstelling, vaker plaatsvinden?
Nee, dat is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat er sprake is van omkoping als bedrijven op deze manier invloed willen krijgen op besluitvorming?
Indien een gemeente wordt benaderd door een bedrijf met het verzoek op een bepaalde wijze van zijn bevoegdheden gebruik te maken, dient deze gemeente te waken voor belangenverstrengeling en partijdigheid.
Hiernaast is van belang dat het omkopen van ambtenaren strafbaar is: degene die een ambtenaar een gift, belofte of dienst aanbiedt met het doel hem te bewegen tot enig ambtelijk handelen of nalaten, is strafbaar. Hetzelfde geldt voor de ambtenaar die een dergelijke gift, belofte of dienst aanneemt. Of sprake is van omkoping dient van geval tot geval te worden bepaald op basis van de concrete feiten en omstandigheden. Uitgaand van het hierboven genoemde artikel, heb ik geen aanleiding te veronderstellen dat in het onderhavige geval sprake is geweest van omkoping.
Het aanbesteden van onderhoud en reparatie |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat bij Europese aanbestedingen verschillende begrippenlijsten (nomenclaturen) worden gehanteerd, zoals onder andere de NACE-nomenclatuur en de CPV-nomenclatuur?
Ja.
Klopt het dat in de Aanbestedingswet 2012 twee (vrijwel identieke) bepalingen uit de Europese aanbestedingsrichtlijnen niet zijn overgenomen, te weten de Richtlijn 2004/17/EG (voor speciale sectoren), tweede alinea van artikel 1 lid 13, dat stelt dat bij het indelen van opdrachten in werken, leveringen en diensten de NACE-nomenclatuur voorrang heeft boven de CPV-nomenclatuur en Richtlijn 2004/18/EG (voor overheden), tweede alinea van artikel 1 lid 14?
Opdrachten voor werken en opdrachten voor diensten zijn in de Aanbestedingswet 2012 afgebakend door de omschrijving in artikel 1.1. In die omschrijving wordt verwezen naar bijlagen bij beide aanbestedingsrichtlijnen (2004/17/EG en 2004/18/EG). In tabellen in die bijlagen worden werken en diensten omschreven aan de hand van de NACE-nomenclatuur en de CPV-nomenclatuur.
De tabellen geven ook aan welke nomenclatuur voorrang heeft. In deze opzet is een (aparte) implementatie van de in de vraag genoemde bepalingen niet nodig. De bijlage voor werken gaat primair uit van NACE-codes; verder wordt in die bijlage aangegeven dat bij verschillen tussen CPV en NACE, NACE van toepassing is. Indien de aanbestedingsrichtlijn activiteiten met bepaalde NACE-codes duidt als werk dienen deze ook als een opdracht voor werken te worden behandeld. Een aanbestedende dienst is onder de Europese aanbestedingsdrempel voor werken dan niet verplicht die opdrachten Europees aan te besteden. Hij mag dit, mits het proportioneel is, wel doen. In gevallen waarin buitenlandse bedrijven mogelijk interesse zouden hebben in de opdracht is er sprake van een zogenoemd »grensoverschrijdend belang» en is de aanbestedende dienst zelfs verplicht tot het hanteren van een Europese aanbestedingsprocedure.
Volgens de NACE-nomenclatuur worden verschillende vormen van reparatie en onderhoud geclassificeerd als werken, terwijl die volgens de CPV-nomenclatuur als diensten zouden gelden. Voor werken geldt een veel hogere drempelwaarde om tot Europees aanbesteden over te moeten gaan dan voor leveringen en diensten. Bent u ook van mening dat door deze foutieve categorisering veel opdrachten op het gebied van onderhoud en reparatie Europees worden aanbesteed terwijl dat volgens de richtlijnen niet zou hoeven?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat door het niet implementeren van onder vraag 2 genoemde bepalingen de mogelijkheid onbenut blijft om opdrachten enkel nationaal aan te besteden of onderhands te gunnen? Bent u van mening dat dit ongunstig kan zijn voor het Nederlandse Midden- en Kleinbedrijf (MKB), omdat zij hierdoor extra buitenlandse concurrentie kunnen ervaren?
Zoals aangegeven in het hiervoor gegeven antwoord wordt de reikwijdte van de bepalingen inzake werken en diensten boven de Europese aanbestedingsdrempels bepaald door de begripsomschrijvingen in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012 en de daarin opgenomen verwijzingen naar de Europese regels. Op grond van de Aanbestedingswet 2012 moet een aanbestedende dienst de keuze voor de te hanteren procedure op basis van objectieve gronden maken. Bovendien geeft voorschrift 3.4 A van de Gids proportionaliteit aan dat een aanbestedende dienst per opdracht moet bezien welke procedure geschikt en proportioneel is, waarbij een opsomming wordt gegeven van 6 elementen waarop de aanbestedende dienst in ieder geval acht moet slaan bij het maken van die keuze. Ik verwacht dat aanbestedende diensten op basis van deze elementen tot een goede keuze voor de te hanteren aanbestedingsprocedure kunnen komen, waarbij het midden- en kleinbedrijf niet onnodig wordt uitgesloten.
Deelt u de mening dat de ongelijke speelveld voor bedrijven in de onderhouds- en reparatiebranche in strijd met de doelstelling van de Nederlandse aanbestedingswet 2012 om de kansen van het Nederlandse MKB te bevorderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Is het u bekend dat in de voorstellen van de Europese Commissie voor nieuwe aanbestedingsrichtlijnen de voorkeur van NACE boven CPV wordt omgekeerd? Vindt u dit wenselijk? Bent u bereid om zich in Europa in te zetten voor het behouden van de huidige voorrangsregel?
In Richtlijnen 2004/17 en 2004/18 moeten aanbestedende diensten en ondernemingen rekening houden met drie verschillende nomenclaturen: CPC, de NACE en de CPV. Nederland zet zich in voor vereenvoudiging van regelgeving. Op basis daarvan ben ik voorstander van het gebruik van één classificatiesysteem. Aangezien de CPV speciaal voor het verstrekken van overheidsopdrachten is opgesteld, is voor dat systeem gekozen. Ik steun die keuze.