Het bericht ‘Astronomische rentes, nul toezicht: kasvoorschotten nekken kleine ondernemers’ |
|
André Flach (SGP) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Astronomische rentes, nul toezicht: pinvoorschotten nekken kleine ondernemers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de ontwikkeling dat steeds meer ondernemers gebruik maken van pinvoorschotten met regelmatig financiële problemen voor ondernemers tot gevolg?
Voor ondernemers kan een kasvoorschot een oplossing zijn voor zijn of haar financieringsvraagstuk. Tegelijkertijd brengt een kasvoorschot doorgaans hogere kosten met zich mee, waardoor extra voorzichtigheid geboden is bij het afsluiten van een dergelijke overeenkomst. Ik kan mij voorstellen dat ondernemers aangetrokken worden door de eenvoud en snelheid van kasvoorschotten, en dat het lastig is vooraf in te schatten wat de overeenkomst over een langere periode betekent.
Toch wil ik benadrukken dat kasvoorschotten op zichzelf niet problematisch zijn. Juist door die eenvoud en snelheid kunnen de voorschotten een uitkomst bieden bij een tijdelijke liquiditeitsbehoefte. Ondernemers hebben ook behoefte aan deze manier van financiering, blijkt uit een onderzoek dat de Minister van Financiën heeft laten uitvoeren.2 Daarnaast heeft de ondernemer ook zelf een verantwoordelijkheid in het vinden van de juiste financieringsoptie, mocht een kasvoorschot te duur zijn.
Op korte termijn kunnen Flexibel Krediet van Qredits of factoring een goed alternatief zijn. Bovendien is er de Gedragscode Kort Klein Zakelijk financieren, die vereist dat financiers passend en verantwoord financieren. Zo krijgen ondernemers dus beter zich op financiers die betrouwbaar zijn.
Hoe beoordeelt u de situatie dat er kredieten worden aangeboden tegen een effectieve jaarrente van meer dan 30%, 40% of 50%? In hoeverre vindt u dit wenselijk op de Nederlandse kredietmarkt?
Ik vind dit hoge effectieve jaarrentes. Tegelijkertijd is niet eenvoudig te zeggen of en wanneer een effectieve rente té hoog is. Een ondernemer zal de inschatting moeten maken of de kosten van een lening opwegen tegen de baten die hij of zij verwacht daarmee te ontvangen. In sommige gevallen is urgentie geboden en wil een ondernemer snel geld lenen. Bijvoorbeeld indien een ondernemer eenmalig voorraden moet voorschieten, omdat in de maanden daarop een grote omzet wordt verwacht en met de investering winst gemaakt kan worden. Dit soort leningen zullen vanwege de korte looptijd relatief duur zijn. Een financier verdisconteert daarnaast het risico op wanbetaling in de kosten. Het is aan de ondernemer om op basis van het voorstel en zijn financieringsvraag een beslissing te nemen. Het is van belang dat de ondernemer daarvoor tijdig op zoek gaat naar financiering en eventueel een adviseur in de arm neemt voor een goed advies over financieringsoplossingen. Transparantie over de kredietvoorwaarden bij de start en gedurende het aanvraagproces, waaronder ook de kosten, vind ik namelijk zeer belangrijk.
Welke lessen trekt u uit de situatie in Amerika voor de Nederlandse markt, aangezien deze flitskredieten daar inmiddels controversieel zijn?
De casus in de Verenigde Staten naar aanleiding waarvan rechtszaken worden opgezet zijn zeer ernstig van aard. Daar wordt gesproken van rentes tot aan 800% en zeer agressieve marketing- en incassopraktijken. Ik heb geen signalen dat deze extreme situaties zich ook hier voordoen. De Minister van Financiën schreef in eerdergenoemde Kamerbrieven dat in Nederland wel sprake is van relatief hoge rentes en de voorwaarden onderling moeilijk vergelijkbaar zijn. Dit bleek ook uit de verkenning die de AFM heeft gedaan naar non-bancaire mkb-financiering.3 Stichting MKB Financiering heeft op verzoek van het Ministerie van Financiën naar aanleiding van dit onderzoek een Gedragscode Kort Zakelijk Krediet ontwikkeld, specifiek voor deze markt en in mei jl. zijn de eerste partijen toegetreden. Het doel is dat meer financiers zich zullen aansluiten.
Stichting MKB Financiering beheert de gedragscode en controleert financiers vóór toelating tot de gedragscode en ook periodiek. Aangesloten financiers zijn onder de gedragscode verplicht om een uniform kredietoverzicht te verstrekken aan de ondernemer, om zo inzicht te geven in de kosten van het krediet. Ook dienen financiers kredieten te registreren bij Stichting BKR en het register van BKR te raadplegen voorafgaand aan verstrekking van het krediet, waarmee overkreditering kan worden voorkomen. Deze Gedragscode zal over twee jaar worden geëvalueerd.4
Deelt u de mening dat kredietverstrekkers, op basis van hun wettelijke zorgplicht, de verantwoordelijkheid hebben hun klant te informeren wanneer, onder welke voorwaarden en met welke bijbehorende effectieve rente zij een zakelijk krediet aangaan? Bent u bereid deze verantwoordelijkheid nadrukkelijk onder de aandacht te brengen bij de desbetreffende branche?
Transparantie over de kredietvoorwaarden bij de start en gedurende het aanvraagproces, waaronder ook de kosten, vind ik zeer belangrijk. Daarom steun ik de Stichting MKB Financiering met subsidie sinds 1 juli 2018. Zij heeft een Gedragscode ontwikkeld waar aangesloten non-bancaire financiers aan moeten voldoen. Na een audit kunnen zij in aanmerking komen voor het Keurmerk Erkend MKB Financier. Er zijn 17 financiers aangesloten bij Stichting MKB Financiering. Hiermee stimuleer ik verdere professionalisering en zelfregulering van deze non-bancaire sector. Met de komst van de Gedragscode Kort Zakelijk Krediet, specifiek voor deze markt van online kortlopende kredieten, verwacht ik dat meer kortzakelijke kredietverstrekkers zoals kasvoorschotaanbieders zich hierbij aansluiten. Het is ook in het belang van deze kortzakelijke kredietaanbieders om te laten zien dat zij transparant willen zijn over hun kosten en oog hebben voor passende financiering. Ik doe samen met de Minister van Financiën hierbij een oproep aan de aanbieders op de markt van kortlopende kredieten om zich aan te sluiten bij de Gedragscode Kort Zakelijk Krediet. Ook ga ik samen met de Minister van Financiën in gesprek met de in het nieuwsbericht genoemde aanbieders om hen daartoe op te roepen.
Klopt het dat bij deze vorm van kredietverstrekking geen sprake is van onafhankelijk toezicht door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) of De Nederlandsche Bank (DNB)? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat er toezicht komt op de zakelijke kredietverstrekking?
Het klopt inderdaad dat specifieke regels en financieel toezicht op deze zakelijke financieringsmarkt ontbreekt. Dit is Europees zo gegroeid. Het lijkt, zoals eerder per brief op 30 juni 2021 met uw Kamer gedeeld is, niet mogelijk om bedrijven die uit andere lidstaten krediet verstrekken aan Nederlandse ondernemingen te binden aan nationale regels en toezicht indien wetgeving geïntroduceerd wordt. Ook kunnen Nederlandse partijen n.a.v. wetgeving zich verplaatsen naar het buitenland.5
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 4 zal Stichting MKB Financiering over twee jaar de Gedragscode Kort Zakelijk Krediet evalueren. Ik ga bij de Stichting erop aandringen dat buitenlandse partijen die in Nederland deze producten aanbieden zich ook bij de gedragscode aansluiten.
Welke rol vervult de gedragscode mkb-financiers hierin, en (hoe) zou de toepassing van deze code nog kunnen worden uitgebreid om dergelijke onwenselijke praktijken te voorkomen?
De Gedragscode Erkend MKB Financier, waarbij alle financiers kunnen aansluiten, wordt komend jaar geëvalueerd. Daarnaast is er de Gedragscode Kort Zakelijk krediet, specifiek voor de markt van leningen van maximaal 100.000 euro en een looptijd van maximaal 1 jaar. De focus van de gedragscode ligt op verantwoorde kredietverstrekking en transparantie. De financiers die onder het keurmerk vallen, hebben zich, net als onder het algemene keurmerk Erkend MKB Financier, aangesloten bij het Kifid, het klachteninstituut voor financiële dienstverlening. Ondernemers die een krediet bij deze partijen hebben gesloten kunnen als gevolg daarvan met eventuele klachten naar het Kifid. De erkende financiers zijn ook verplicht om op grond van de gedragscodes na te gaan of de ondernemer voldoende afloscapaciteit heeft alvorens tot kredietverstrekking over te gaan. Gevallen zoals die in het artikel, waarbij ondernemers in zwaar weer nog verder in financiële problemen komen, moeten daarmee worden voorkomen.
Welke mogelijkheden ziet u om deze lucratieve vorm van kredietverstrekking aan banden te leggen? Wilt u in uw antwoord op deze vraag ook reflecteren op de mogelijkheid van een verbod op pinvoorschotten en het vastleggen van een maximale rente voor zakelijke kredietverlening?
Zoals onder antwoord 6 uiteengezet, zie ik geen eenvoudige mogelijkheid om deze vorm van kredietverstrekking te reguleren. Daaronder valt ook het invoeren van een maximale rente. Over het invoeren een maximale rente heeft de Minister van Financiën in zijn brief van 30 juni 2021 uitleg gegeven.6 Een totaalverbod op pinvoorschotten schiet zijn doel voorbij. Omdat hier duidelijk sprake is van een behoefte bij ondernemers voor dit type financiering, lijkt het niet verstandig om deze weg af te sluiten.
Ik zie liever dat financiers zich aansluiten bij de Gedragscode Kort Zakelijk Krediet van Stichting MKB Financiering. Dit reguleert de financieringsmarkt en daarmee kunnen misstanden worden voorkomen. Zoals eerder genoemd roep ik samen met de Minister van Financiën partijen op om zich bij de Gedragscode aan te sluiten en zal ik daartoe ook, samen met de Minister van Financiën, in gesprek gaan met deze partijen.
Kunt u aangeven wat de laatste stand van zaken is ten aanzien van het verbeteren van de financiering voor mkb-ondernemers en het opstarten van de mkb-financieringshub, aangezien velen van hen er tegenaan lopen dat zij geen klein zakelijk krediet kunnen afsluiten bij hun bank?
Op 20 juni heeft uw Kamer het eindrapport van het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering «Kies voor baten» ontvangen. Dit najaar ontvangt u een inhoudelijke kabinetsreactie, tezamen met een kabinetsreactie op het dan gepubliceerde rapport van de gezant mkb-financiering. Op basis van deze twee rapporten zal ik uitgebreid stil staan bij de mogelijke oplossingen voor de geïdentificeerde knelpunten in het mkb-financieringslandschap.
Eén van de huidige oplossingsrichtingen is de oprichting van een financieringshub die hét centrale punt voor de zoektocht naar financiering zal worden. Hier worden ondernemers goed geïnformeerd over geschikte financieringsopties, waaronder de voor- en nadelen van kortlopende kredieten. Met draagvlak van de betrokken stakeholders gaat KvK in opdracht van EZ een financieringshub onder de naam «de FinancieringsGids» realiseren en beheren. Ik streef er naar om de eerste fase van de FinancieringsGids operationeel te hebben eind 2024, conform de motie van Van Dijk.7 In de doorontwikkeling en beheer van de FinancieringsGids is er voor de stakeholders een cruciale rol voorzien. Ik informeer uw Kamer over de verdere invulling van de opdracht en governance na het zomerreces.
Bent u bereid hierover (opnieuw) in gesprek te treden met de Nederlandse banken en kredietverleners?
Zoals hierboven genoemd ga ik samen met de Minister van Financiën in gesprek met de in het artikel genoemde kasvoorschotaanbieders.
Het bericht ‘Meta schort AI-plannen in Europa op na druk toezichthouders’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Meta schort AI-plannen in Europa op na druk toezichthouders»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Hoe lang is bij u al bekend dat Meta werkt aan het plan om foto's en uitingen van miljoenen eindgebruikers te gebruiken om een eigen AI-model te trainen? Is dit wat u betreft acceptabel?
In mei van dit jaar heeft Meta haar (nieuwe) plannen gepubliceerd om onder meer AI-modellen te trainen met publieke en niet-publieke gebruikersdata. Sindsdien zijn deze plannen ook bij het kabinet bekend. Ik begrijp dat u vragen heeft over de plannen van Meta. Het is echter niet aan het kabinet om te beoordelen of deze acceptabel zijn, maar in de eerste plaats aan de toezichthouder. In antwoord 3 wordt nader ingegaan op de relevante wetgeving en eventuele handhavingsmogelijkheden van toezichthouders. Wel deel ik de zorg dat Meta mogelijk vormen van verwerking van persoonsgegevens hanteert die niet in overeenstemming zijn met de regels van het gegevensbeschermingsrecht, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Is het Meta onder de bestaande privacywetgeving, de Digital Services Act, de Digital Markets Act en de aanstaande AI Act, toegestaan om foto's – vaak met herkenbare gezichten in beeld – en uitingen te gebruiken om een AI mee te trainen? Welke gevolgen zijn er als dit in strijd is met bestaande wetten en / of richtlijnen?
Voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens vereist de AVG dat daarvoor een grondslag bestaat. In artikel 6, eerste lid, van de AVG zijn zes limitatieve grondslagen opgesomd. Wanneer een verwerking niet op een van die grondslagen gebaseerd kan worden, is zij onrechtmatig. Het toezicht op de naleving van de AVG is een taak van de onafhankelijke toezichthouder, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP heeft een ruim mandaat en uitgebreide bevoegdheden om te onderzoeken of partijen voldoen aan hun verplichtingen uit de AVG en op grond daarvan de nodige corrigerende en sanctionerende maatregelen te nemen.
Het toezicht op de verschillende digitale verordeningen die worden benoemd is voor een deel nog in ontwikkeling, waardoor het te vroeg is om definitieve conclusies te trekken over de toelaatbaarheid van deze praktijken van Meta in relatie tot haar AI-tools. Hieronder wordt daarom aangegeven welke bepalingen een rol kunnen spelen bij het bepalen of het Meta is toegestaan om haar AI-modellen te trainen met genoemde persoonsgegevens. De praktijk moet de komende periode uitwijzen of deze praktijken in strijd zijn met bepaalde wet- of regelgeving.
De (Digital Markets Act) DMA kent geen specifieke bepalingen voor AI-diensten. Voor de toepassing van de DMA worden kernplatformdiensten technologieneutraal gedefinieerd, zo volgt uit overweging 14 van de DMA. Meta is door de Europese Commissie aangewezen als poortwachter onder de DMA voor verschillende kernplatformdiensten. Zo zijn bijvoorbeeld de online socialemediadiensten van Meta aangewezen als kernplatformdienst vallend onder het toepassingsgebied van de DMA. Dit betekent dat Meta moet zorgen voor effectieve naleving van de maatregelen in de DMA. Zo mag Meta op grond van artikel 5, tweede lid, van de DMA bijvoorbeeld niet zonder toestemming persoonsgegevens van eindgebruikers die zijn verzameld via een kernplatformdienst combineren of gebruiken bij andere diensten die Meta afzonderlijk aanbiedt. Het is denkbaar dat het trainen van AI-modellen met persoonsgegevens verkregen via de kernplatformdiensten van Meta onder het toepassingsbereik van deze bepaling kan vallen. Het is uiteindelijk aan de Europese Commissie om te bepalen of sprake is van strijd met de bepalingen in de DMA. Structurele niet-naleving van de DMA door poortwachters kan bestraft worden met hoge sancties.
Onder de AI-verordening worden er eisen gesteld aan aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden. Het generatieve AI-model van Meta kan hier ook onder vallen. Een van de eisen is dat de aanbieder een voldoende gedetailleerde samenvatting over de content die voor het trainen van het AI-model voor algemene doeleinden is gebruikt, moet opstellen en openbaar maken. Hiermee moet het voor rechthebbenden makkelijker worden om inzicht te krijgen in wat er met hun data is gebeurd.
AI-systemen die worden gebruikt of in de handel worden gebracht die databanken voor gezichtsherkenning aanleggen of aanvullen door ongerichte scraping van gezichtsafbeeldingen van internet of CCTV-beelden, worden door de AI-verordening verboden. Voor de niet-naleving van deze bepalingen kunnen geldboeten worden opgelegd.
De Digital Services Act (DSA) stelt geen regels voor het trainen van een AI-model.
Heeft Meta volgens u een «legitiem belang» om foto's en uitingen van vele miljoenen eindgebruikers te gebruiken voor commerciële doeleinden, zoals de mogelijke integratie van Meta AI in Apple-producten?2 Weegt dit zwaarder dan de belangen van miljoenen eindgebruikers, ook met inachtneming van de eerdere uitspraak van het Europese Hof van Justitie dat Meta geen «legitiem belang» had om gericht te adverteren?3
Een verwerking van persoonsgegevens kan als gezegd alleen rechtmatig zijn als deze voldoet aan ten minste één van de zes gronden die zijn opgesomd in het eerste lid van artikel 6 AVG. Daartoe behoort ook de grondslag «gerechtvaardigd belang», die te vinden is in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG. Op grond hiervan is een verwerking van persoonsgegevens rechtmatig indien en voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
De AP stelt dat een gerechtvaardigd belang een in een wet vastgesteld en/of een tot de wet behorend belang moet zijn. Een commercieel belang behoort daar niet toe, aldus de AP. De rechtbank Amsterdam heeft prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie gesteld om meer duidelijkheid op dit punt te krijgen4. Het Hof heeft deze vragen nog niet beantwoord. Ik wil niet vooruitlopen op de duiding van het Hof.
Is de opvatting van Meta dat zij «legitiem belang» heeft bij het verwerken van foto's en uitingen in lijn met hoofdstuk 3, artikel 5, tweede lid, van de Digital Markets Act, die verbiedt dat persoonsgegevens van verschillende diensten van dezelfde aanbieder gecombineerd worden en stelt dat «legitiem belang», zoals gedefinieerd in artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), geen geldige rechtsgrond is? Wat is hierover de opvatting van de Autoriteit Consument & Markt (als toezichthouder) en de Europese Commissie (als handhaver)?
Ik ben niet op de hoogte op basis van welke rechtsgrond Meta van plan was gebruikersgegevens te verwerken. Het is ook niet aan het kabinet om te beoordelen of Meta een geslaagd beroep kan doen op legitiem belang als rechtsgrond. Het toezien op de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in concrete zaken, is aan de toezichthouder en uiteindelijk de rechter. Ik heb naar aanleiding van uw vraag de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Europese Commissie om hun opvattingen gevraagd.
Volgens de ACM moeten aangewezen poortwachters zich houden aan de verplichtingen inzake persoonsgegevens zoals Artikel 5(2) DMA bepaalt. Een poortwachter behoudt de mogelijkheid om zo nodig een beroep te doen op artikel 6, lid 1, punten c, d en e van de AVG voor wat betreft de mogelijkheid tot het rechtmatig verwerken van persoonsgegevens. Of Meta in dit concrete geval in lijn met de DMA en de AVG een beroep kan doen op een «legitiem belang» bij het verwerken van foto's en uitingen zou moeten volgen uit een eventueel onderzoek.
De Europese Commissie is op het moment in ieder geval in gesprek met Meta over de implicaties van de DMA op haar AI-tool.
Komen er in de plannen van Meta mogelijk online kinderrechten in het geding, gezien de grote hoeveelheid minderjarige gebruikers op sociale media als Facebook en Instagram, die bovendien niet altijd hun leeftijd eerlijk opgeven?
Wanneer posts van minderjarigen of waarop minderjarigen te zien of te horen zijn op sociale media worden gebruikt voor het trainen van AI-modellen, kunnen verschillende kinderrechten in het geding komen.
Kinderen genieten specifieke bescherming als het gaat om het verwerken van hun persoonlijke gegevens. De AVG vereist expliciete toestemming van de ouders of wettelijke voogden voor de verwerking van gegevens van kinderen onder de zestien jaar. Ook kan het gebruiken van posts van kinderen voor dergelijke doeleinden in strijd zijn met hun vrijheid van meningsuiting en kan er sprake zijn van economische exploitatie, wanneer hun data commercieel wordt gebruikt zonder compensatie of toestemming. Het is bekend dat kinderen online vaak een onjuiste leeftijd opgeven. Dit vergroot de kans dat de aanvullende bescherming waar kinderen recht op hebben, niet kan worden geboden en dat daarmee hun rechten worden geschonden. De toezichthouders moeten er op toezien dat deze rechten niet worden geschonden. Dat hebben zij hier ook gedaan, door proactief te hebben gehandeld en hierover met Meta het gesprek te zijn aangegaan.
Weet u voor hoe lang Meta van plan is om de uitrol van de nieuwe dataverzameling te «pauzeren», zoals hen is opgelegd door de Ierse privacywaakhond? Zo niet, kunt u dit navragen en duidelijkheid bieden?
Dit is mij niet bekend. Het kabinet verkeert ook niet in de positie om navraag te doen. Dit is een taak voor de AP als onafhankelijke toezichthouder. Ik heb contact gezocht met de AP hierover. Zij heeft desgevraagd laten weten dat de Ierse toezichthouder (Data Protection Commission, DPC) op dit moment in gesprek is met Meta. Zij houdt het publiek op de hoogte middels persberichten op haar website5. De AP is hierover in direct contact met de Ierse toezichthouder. Aanvullende informatie kan de AP hierover niet verstrekken omwille van vertrouwelijkheid.
Is het volgens u voldoende duidelijk voor gebruikers dat zij het gebruik van hun data voor deze nieuwe functie kunnen afwijzen? Wat kan u doen om gebruikers proactief te wijzen op deze keuze, zodat men maximale regie over de eigen data houdt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 deel ik de zorg dat Meta mogelijk vormen van verwerking van persoonsgegevens hanteert die niet in overeenstemming zijn met de regels van het gegevensbeschermingsrecht, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het is echter niet aan het kabinet om te beoordelen of Meta in dit specifieke geval aan de voorwaarden voor toestemming en de transparantie- en informatieverplichtingen uit de AVG heeft voldaan.
In het algemeen acht het kabinet het van groot belang dat burgers regie hebben op de gegevens die over ze worden verzameld. Het is daarbij onder meer belangrijk dat de toestemming van gebruikers voor het trainen van AI-modellen gebeurt conform bestaande wet- en regelgeving. Wanneer er sprake is van een gerechtvaardigd belang, een van de verwerkingsgronden uit de AVG, moet er de mogelijkheid zijn om via een opt-out mechanisme als gebruiker bezwaar te maken tegen de beoogde gegevensverwerking. De mogelijkheid tot het doen van een opt-out moet eenvoudig en toegankelijk zijn. Hier ligt een belangrijke rol voor de desbetreffende verwerkingsverantwoordelijke. Ook zet de AP zich in om de bewustwording op het gebied van privacy- en gegevensbeschermingsrecht te vergroten.
Is het mogelijk dat u als bewindspersoon namens alle Nederlandse gebruikers grootschalig bezwaar maakt op deze dataverzameling door Meta, gezien het bedrijf heeft toegezegd dat alle bezwaren van Nederlanders ingewilligd zullen worden? Zo ja, bent u bereid dit zo snel mogelijk te doen? Zo nee, welke andere mogelijkheden ziet u om alsnog maximaal op te komen voor de belangen van Nederlandse gebruikers?
Ik ben het met u eens dat het belangrijk is dat gebruikers (collectief) bezwaar kunnen maken als zij van mening zijn dat inbreuk wordt gemaakt op hun rechten. De AVG biedt in artikel 80, eerste lid, de mogelijkheid dat een organisatie namens meerdere betrokkenen (onder meer) een klacht kan indienen bij de toezichthoudende autoriteit of een civiele procedure kan starten tegen de verantwoordelijke of verwerker. Het is echter niet aan bewindspersonen om dit te doen.
Het kabinet kan worden aangesproken op het stelsel van het gegevensbeschermingsrecht, zoals de wetgeving en het beleid op dat terrein, maar het is niet aan het kabinet om in individuele gevallen te interveniëren. Dat is aan betrokkenen zelf en de door hen eventueel aan te wijzen (juridische) vertegenwoordigers.
Acht u een «opt-in-systeem», waar gebruikers actief moeten aangeven als zij wel data willen afstaan voor het trainen van de Meta AI, niet beter in lijn met bestaande privacyregels vanuit de AVG?
Het valt niet op voorhand te zeggen of een dergelijke aanpassing beter in lijn zou zijn met de regels van de AVG. Bovendien is het zoals eerder aangegeven niet aan het kabinet om dat in concrete gevallen te beoordelen, maar aan de toezichthouder.
In het algemeen is het van belang dat iedere verwerking van persoonsgegevens berust op een rechtsgrondslag uit artikel 6 AVG. Als daarvoor de grondslag «toestemming» wordt gehanteerd, moet deze toestemming ondubbelzinnig en in vrijheid gegeven zijn op basis van duidelijke informatie. Ongeacht de specifieke verwerkingsgrondslag gelden ook voor elke verwerking de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens, die zijn neergelegd in artikel 5 AVG. Deze vereisen onder meer dat gegevens ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, transparant en op behoorlijke wijze worden verwerkt en alleen voor welbepaalde en specifiek omschreven doelen. Ook geldt het principe van dataminimalisatie, dat met zich brengt dat altijd moet worden gekozen voor het minst ingrijpende systeem waarvoor zo min mogelijk gegevens worden verwerkt. Het is aan de organisatie die verantwoordelijk is voor verwerking van persoonsgegevens (de verwerkingsverantwoordelijke) om aan te tonen dat zij een wettelijke grondslag heeft om persoonsgegevens rechtmatig te verwerken. Voor zover het gaat om verwerkingen van persoonsgegevens waar de hoofdvestiging van Meta in Ierland verwerkingsverantwoordelijke voor is, is het in de eerste plaats aan de Ierse toezichthouder om de rechtmatigheid van deze verwerkingen te beoordelen. De Ierse toezichthouder werkt daarbij samen met de andere Europese privacy-toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens. In het algemeen geldt voor toestemming dat die niet rechtsgeldig door middel van een opt-out-systeem kan worden verkregen.
Is er reeds overleg geweest tussen de European Data Protection Board, waaronder de nationale toezichthouders, en Meta over dit besluit? Kunt u uitleggen welke bezwaren er zijn geuit en welke verbeteringen Meta heeft toegezegd?
Op dit moment is de Ierse toezichthouder in gesprek met Meta. De Ierse toezichthouder houdt de andere Europese privacy-toezichthouders hiervan op de hoogte. Ook de AP is hierover in direct contact met de Ierse toezichthouder. Aanvullende informatie kan hierover niet worden verstrekt omwille van de vertrouwelijkheid.
Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens een zienswijze op de voorgenomen plannen van Meta? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, kunt u de toezichthouder om een reactie vragen?
De AP volgt de voorgenomen plannen van Meta op de voet. Ook bij de AP zijn klachten binnengekomen over Meta ten aanzien van het mogelijk gebruik van persoonsgegevens voor het trainen van Al. Op dit moment houdt de Ierse toezichthouder de AP en de andere Europese privacy-toezichthouders actief op de hoogte over de voortgang van dit dossier. De verstrekte informatie stelt de AP in staat om ook zelfstandig een, weliswaar voorlopig, oordeel te vormen over de plannen. De AP heeft vertrouwen in een goede samenwerking met haar Europese collega-toezichthouders, in het bijzonder de Ierse toezichthouder, om deze kwestie voortvarend en doelgericht te adresseren.
Is er reeds overleg geweest tussen uzelf en collega-bewindspersonen uit de Europese Unie over de voorgenomen plannen van Meta? Werkt u aan een gezamenlijk standpunt?
Er is geen overleg tussen mij en collega-bewindspersonen geweest over de voorgenomen plannen van Meta. Aan een gezamenlijk standpunt tussen Europese regeringen wordt op dit moment niet gewerkt.
Wat is uw reactie op de zeer korte tijd tussen het moment dat Meta de plannen heeft aangekondigd (10 juni) en het moment dat deze nieuwe vorm van dataverzameling in werking zou treden (26 juni)?4 Geeft dit wat u betreft voldoende tijd voor overheden om adequaat te reageren en voor gebruikers om bezwaar aan te tekenen? Wat kan u samen met Europese collega's doen om niet nogmaals door Meta overvallen te worden door een dergelijk besluit?
Vooropgesteld moet worden dat Meta de plannen voor de uitrol van de nieuwe dataverzameling van EU-gebruikers tot nader order heeft opgeschort. Dit betekent dat de Ierse toezichthouder op dit moment, in goede samenwerking met de andere Europese privacy-toezichthouders, waaronder de AP, met Meta in gesprek kan gaan over de voorgenomen verwerkingen en de plannen nader kan bekijken. Het is niet aan het kabinet om te beoordelen of de plannen van Meta acceptabel zijn, maar in de eerste plaats aan de toezichthouder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en nog voor de «pauze» van Meta voorbij is?
Ja.
Het onderzoeken van de grenseffecten van de accijnsverhogingen op tabak |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat u tijdens de behandeling van het Belastingplan in oktober 2023 de Eerste Kamer hebt toegezegd een onderzoek te doen naar de grenseffecten van de accijnsverhogingen op zowel alcohol als tabak?
Ja dit kan ik bevestigen.
Is dit onderzoek inmiddels al opgestart?
Het onderzoek met betrekking tot grenseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2023 is inmiddels afgerond en naar de Tweede Kamer gestuurd1.
Ten behoeve van het meten van grenseffecten van de accijnsverhoging op alcoholaccijns is in overleg met de brancheverenigingen data aangekocht. Naar verwachting zullen de resultaten van de analyse van deze data op Prinsjesdag naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Hoe wordt dit onderzoek vormgegeven?
De grenseffecten van de verhoging op tabaksaccijns is net als bij de verhoging in 2020 op twee manieren gemeten. De douane heeft een Empty Pack Survey (EPS) uitgevoerd. Hierbij wordt via het rapen van pakjes sigaretten van de straat bekeken welk deel van de pakjes sigaretten uit het buitenland komt, welk deel namaak is en welk deel illicit whites zijn. Het RIVM heeft via een enquête het rookgedrag gemeten. In de vragenlijst van het RIVM wordt ook gevraagd naar hoe vaak mensen tabaksproducten in het buitenland kopen en waar ze deze kopen en welk aandeel ze in het buitenland kopen.
De grenseffecten van de verhoging op de alcoholaccijns wordt geanalyseerd met behulp van aangekochte data. Het betreft data op productniveau van een groot deel van de Nederlandse supermarkten en slijterijen. Hiermee kan de ontwikkeling van het aantal verkochte liters per type drank (bier, wijn, sterk) in de grensregio vergeleken worden met de ontwikkeling in het binnenland. De analyse zal vergelijkbaar zijn met de analyse van de grenseffecten op basis van de microdata bij de brandstofaccijnzen2.
Wordt de productgroep «shag» meegenomen in het onderzoek, aangezien shag het zwaarst belaste product per eenheid is?
De vragen in het onderzoek van het RIVM worden gesteld aan zowel sigarettenrokers als shagrokers. In een bijlage van het rapport zijn de resultaten ook uitgesplitst naar sigarettenrokers en shagrokers. Shag wordt dus meegenomen bij het evalueren van de effecten van de accijnsverhoging. Het EPS is een aanvullend onderzoek waarmee ook iets gezegd kan worden over het aantal namaaksigaretten en illicit whites. Dit heeft alleen betrekking op pakjes sigaretten.
Worden de mogelijke grenseffecten naar aanleiding van de verhoging van tabaksaccijns op dezelfde wijze onderzocht als de effecten van de verhoging van alcoholaccijns?
Nee de onderzoeken zijn niet hetzelfde vormgegeven. Zie voor een toelichting het antwoord op vraag 6.
Zo nee, waarom niet?
Per productsoort wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn om de effecten te meten en welke informatie relevant is. De accijnsverhogingen op tabak hebben een nadrukkelijk gezondheidsdoel (dat mensen stoppen met roken en minder gaan roken). Om het rookgedrag te evalueren is een enquête het meest geschikt. Dit volgt namelijk niet uit verkoopdata van supermarkten. Daarnaast wordt aanvullend een EPS gedaan om ook iets te kunnen zeggen over namaaksigaretten en illicit whites. De verhoging van de alcoholaccijns heeft voornamelijk een budgettair doel. Daarom is het hierbij niet nodig om een uitgebreide enquête te doen rondom drinkgedrag.
Zo nee, bent u bereid om de onderzoeken in samenhang vorm te geven aangezien de stapeling van accijnsmaatregelen leidt tot de meeste weglekeffecten?
Per productsoort is bepaald wat de beste methode is om effecten van het beleid waaronder grenseffecten te meten. Dit verschilt per product. Als de maatregelen stapelen dan zal dit zichtbaar zijn in de uitkomsten van de afzonderlijke onderzoeken. De verhoging van de tabaksaccijns per 1 april 2024 zal ook worden gemonitord via een EPS van de douane en een enquête van het RIVM. De resultaten daarvan worden naar verwachting voor de zomer van 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarnaast laten de grensregio’s periodiek uitgebreide koopstromenonderzoeken uitvoeren waarbij het totaal van het koopgedrag (waaronder grenseffecten) wordt bekeken.
Deelt u de mening dat beperkte onderzoeksmethoden zoals de empty pack survey, die geen verkoopstromen analyseert, geen recht doet aan de toezegging die u gedaan hebt aan de Eerste Kamer?
Ik deel deze mening niet. Het Empty pack survey is een veel gebruikte methode om grenseffecten te meten. Dit onderzoek is met name van waarde om het aandeel illegale sigaretten te meten. Ook is het een goede manier om te bekijken uit welke landen sigaretten afkomstig zijn. Dit kan niet via een koopstromenonderzoek. Het EPS is niet de enige manier waarop grenseffecten worden gemeten. Dit wordt ook via de enquête van het RIVM gemeten.
Bent u bereid de grenseffecten van tabaksaccijns op eenzelfde manier te onderzoeken als de mogelijke grenseffecten van alcoholaccijns?
Nee ik ben niet bereid de grenseffecten van de tabaksaccijns op dezelfde manier te onderzoeken als de grenseffecten van de alcoholaccijns. Zoals in het antwoord op vraag 6 toegelicht wordt per productsoort bekeken wat de mogelijkheden zijn om de effecten te meten en welke informatie nodig is.
Bent u van mening dat een stapeling van accijnsverhogingen van verschillende producten, waaronder tabak (waarvan volgens het RIVM 22% van pakjes uit het buitenland komt), een kaalslag tot gevolg heeft in de grensstreek bij lokale ondernemers en leidt tot een grote verschraling van winkelaanbod en van voorzieningen in de grensstreek?
Tot nu toe blijkt uit de koopstromenonderzoeken van I&O research dat de grensregio per saldo profiteert van grensoverschrijdend verkeer. De resultaten uit de koopstromenonderzoeken worden nauwlettend gevolgd. Het meest recente koopstromenonderzoek is het koopstromenonderzoek Oost-Nederland 20233. Hieruit volgt dat centra in Oost-Nederland in algemene zin en per saldo meer profiteren van Duitse bezoekers dan andersom. Het koopsaldo is positief.
Zo nee, bij welk percentage zou dat wel het geval zijn?
Het is niet bekend bij welk percentage dit wel het geval is.
Bent u het ermee eens dat initiatieven als de winkelbus, wat een businessmodel is gericht op het uitbuiten van grenseffecten, symbool staat voor de hierboven genoemde verschraling?
Ik deel deze mening niet. Een winkelbus hoort binnen de mogelijkheden die een open economie en de Europese Unie biedt.
Bent u van mening dat accijns gebruiken als stoplap voor de begroting een beleid is wat tot gevolg heeft dat weglekeffecten op grotere schaal optreden?
Prijsverhogingen zijn een belangrijke maatregel om ongezond gedrag (roken, alcoholgebruik) terug te dringen. Accijns verhogen is daarmee een belangrijk instrument van de overheid om mee te kunnen sturen. De WHO geeft aan dat een accijnsverhoging op tabak de meest effectieve manier is om tabaksgebruik terug te dringen. Tabaksgebruik vormt de grootste te voorkomen doodsoorzaak en het streven van het kabinet is gericht op het behalen van een rookvrije generatie in 2040.
Daarnaast is de grenseffectentoets een verplichte kwaliteitseis in het beleidskompas4. Grenseffecten maken onderdeel van de beleidsafwegingen die een kabinet maakt en worden meegenomen in de berekening van de budgettaire gevolgen. De effecten worden nauwkeurig gemonitord, zodat de ramingen hierop aangepast kunnen worden en mee kunnen wegen bij de daarmee samenhangende besluitvorming.
Deelt u de mening dat een langetermijnplanning met betrekking tot accijnsverhogingen meer helderheid biedt aan ondernemers en faillissementen van ondernemers in de grensstreek kan tegengaan?
Een langetermijnplanning met betrekking tot accijnsverhogingen kan helderheid bieden aan ondernemers, maar is beleidsmatig en budgettair beperkend. Het streven naar een rookvrije generatie en de maatregelen die daar bij komen kijken zijn reeds in 2018 aangekondigd in o.a. het Nationaal preventie Akkoord.
Heeft u kennisgenomen van het artikel inDe Telegraaf1 waarin pomphouders en branchekoepel Vereniging Particuliere Rijkswegvergunningen van Tankstations (VPR) waarschuwen dat de gedwongen keuze tussen het aanbieden van fossiele brandstof of het aanbieden van snellaadpalen, ten koste zal gaan van de kwaliteit van de verzorgingsplaatsen? Erkent u deze kritiek? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennisgenomen van het artikel. Het beeld dat er sprake is van een gedwongen keuze tussen het aanbieden van fossiele brandstof en snellaadpalen herken ik niet. Onder het huidige beleid kan iedere partij aanspraak maken op een vergunning voor het aanbieden van laadpalen. Dit blijft zo in een nieuwe situatie, zoals beschreven in de beleidsvisie die in december 2022 naar de Kamer verstuurd is.
We zien dat er op dit moment al veel gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid laadpalen te realiseren. De loting van vergunningen voor het zelfstandige laadstation in 2012 heeft geleid tot een groot netwerk van laadstations langs het hoofdwegennet. Ook worden er laadpalen gerealiseerd door tankstationhouders, wegrestauranthouders en door «derde partijen» die enkele laadpalen plaatsen op de verzorgingsplaats, bijvoorbeeld op de parkeervoorziening.
Dit heeft geleid tot meer laadpalen op verzorgingsplaatsen, maar ook tot versnippering omdat palen in kleine aantallen verspreid over het terrein worden geplaatst. Dit komt de overzichtelijkheid, duidelijke inrichting en daarmee de veiligheid van de verzorgingsplaats niet ten goede. Daarnaast bemoeilijkt het de verdere opschaling van laadinfrastructuur die in de toekomst nodig is, omdat het voor ondernemers niet duidelijk is of zij de enige exploitant zijn en blijven. Dat kan de investeringen op (lange termijn) afremmen. Ook is de versnippering belastend voor netbeheerders: die krijgen verschillende (kleine) aanvragen te verwerken voor netverzwaring. Daarom wordt in de beleidsvisie op de verzorgingsplaatsen gekozen voor één grootschalig kavel snelladen per verzorgingsplaats, mogelijk met een shop, dat via een verdeelmethode wordt toegekend aan een exploitant.
Een van de centrale punten van het voorgenomen beleid is dat iedere geïnteresseerde partij gelijke kans heeft mee te dingen naar dat nieuwe laadstation op de verzorgingsplaatsen. Dit betekent dat er geen onnodig hoge toetredingsdrempels worden opgeworpen. Lage toetredingsdrempels betekent dat kleine en innovatieve partijen gemakkelijker een positie kunnen verwerven op de verzorgingsplaats. Dit leidt tot meer keuzevrijheid en betere dienstverlening richting de weggebruiker.
Ook de huidige uitbaters van benzinestations kunnen in het voorgenomen beleid meedingen naar de nieuwe laadstations die op veel verzorgingsplaatsen gerealiseerd moeten gaan worden. Hierop geldt één uitzondering, die alleen in bepaalde situaties wordt toegepast. Als er een laadstation met shop wordt verdeeld naast een bestaand benzinestation met shop, geldt een zogenoemde biedbeperking. De uitbater van het benzinestation kan dan niet meedingen naar het naastgelegen laadkavel. Uit economisch onderzoek2 blijkt dat een biedbeperking in deze situatie nodig is voor een gelijk speelveld, zodat geïnteresseerde partijen gelijke kansen hebben om mee te dingen naar het kavel.
De biedbeperking is een stevige maatregel, daarom wordt deze alleen toegepast in situaties waar dit nodig is om een gelijk speelveld te borgen. Dit zijn situaties waarin het mogelijk is een shop te realiseren bij zowel een benzinestation als een laadstation. Op kleinere verzorgingsplaatsen is dit niet het geval, omdat deze hiervoor onvoldoende ruimte bieden. De uitbater van het benzinestation is overigens vrij om mee te doen aan de verdeling van laadkavels op andere (naastgelegen) verzorgingsplaatsen.
Waarom is ervoor gekozen om eenzelfde ondernemer op eenzelfde verzorgingsplaats in de toekomst niet zowel elektrische laadpalen alsmede fossiele brandstof te laten aanbieden?
Zoals toegelicht onder vraag 1 is er onder het voorgenomen beleid sprake van één grootschalig laadkavel per verzorgingsplaats, dat periodiek via een verdeelmethode wordt toegekend aan een enkele exploitant. De mogelijkheid om laadpalen te realiseren elders op de verzorgingsplaats, door een vergunning voor een aanvullende voorziening aan te vragen, verdwijnt. Het exclusieve laadkavel neemt de plaats in van de zelfstandige laadstations die vanaf 2012 zijn gerealiseerd, en waarvan de bestaande vergunningen vanaf 2028 aflopen.
Onder het voorgenomen beleid blijft snelladen een zelfstandige voorziening, die als zodanig in de markt wordt gezet. Door dit te doen blijven de laadkavels toegankelijk voor een bredere groep ondernemers. Met andere woorden: toetredingsdrempels worden niet onnodig hoog. Dit is in lijn met de wens van de Kamer om ook oog te hebben voor de positie van MKB ondernemers op verzorgingsplaatsen (motie Koerhuis/Van der Plas, 31 305, nr. 400). Bundeling van tanken en laadvoorzieningen in één kavel zou leiden tot een onnodige en niet uitlegbare verhoging van toetredingsdrempels in de laadmarkt; een kavel waarin tanken en laden worden gebundeld is alleen interessant voor partijen die beide gevraagde voorzieningen kunnen aanbieden. Een dergelijke bundeling zou deze groep bevoordelen ten nadele van partijen die alleen actief zijn op de laadmarkt en niet in staat zijn motorbrandstoffen aan te bieden. Dat is in strijd met de vereiste gelijke kansen en proportionaliteit. Daarnaast is dit ook juridisch kwetsbaar in het licht van de Dienstenrichtlijn.
Het blijft uiteraard voor partijen die fossiele brandstoffen aanbieden wel mogelijk om op een andere (dichtbij liggende) verzorgingsplaats laadpalen aan te bieden. Daarmee blijft ook keuzevrijheid voor de weggebruiker geborgd.
Bent u het eens met de stelling dat, vanwege het minderheidsaandeel elektrische auto’s, het aanbieden van enkel elektrische laadpalen nog lang niet rendabel is en dat het aanbieden van enkel fossiele brandstof, vanwege het uitfaseren, op den duur niet meer rendabel zal zijn? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre het aanbieden laadvoorzieningen rendabel is hangt af van verschillende factoren, waaronder de ontwikkeling van het wagenpark, de ondernemer zelf en de ontwikkelingen rondom netcapaciteit. Het lijkt erop dat op dit moment meerdere partijen brood zien in het aanbieden van laaddiensten. In Nederland zijn zelfstandige laadstations op ruim de helft van de verzorgingsplaatsen gerealiseerd. Ook in andere Europese landen zien we verschillende laadaanbieders, o.a. Shell, E.On, Fastned, Tesla en verschillende lokaal actieve partijen.3 Naarmate het aandeel elektrische voertuigen in het wagenpark toeneemt zal het aanbieden van laaddiensten naar verwachting voor een grotere groep ondernemers interessant worden. Het voorgenomen beleid helpt hierbij, met het hanteren van een exclusief kavel per verzorgingsplaats. Ook de ontwikkelingen rondom het «stopcontact op het land» speelt een belangrijke rol. Dit maakt het aantrekkelijker om te investeren in laadinfrastructuur ten opzichte van de huidige situatie, waarin in principe iedere partij een vergunning kan aanvragen voor het plaatsen van een laadpaal.
Naarmate de vraag naar fossiele motorbrandstoffen op verzorgingsplaatsen afneemt, zal de verkoop ervan waarschijnlijk minder rendabel worden. Hoe deze ontwikkeling verloopt is voor een belangrijk deel afhankelijk van de ontwikkeling van het wagenpark. Om er voor te zorgen dat weggebruikers toch, zo lang mogelijk, kunnen blijven tanken, zijn verschillende maatregelen mogelijk. Het is aan het aanstaande Kabinet om te beslissen over hoe met de gevolgen van deze ontwikkeling zal worden omgegaan in het voorzieningenbeleid. Een denkbare strategie is het stapsgewijs verminderen van het aantal tankstations tussen 2028 en 2050.
Bent u het eens met de stelling dat de keuze voor een «fossiele kavel» betekent dat die ondernemers op den duur geen inkomen meer kunnen genereren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 herken ik het beeld niet dat ondernemers moeten kiezen tussen het aanbieden van laden en tanken. Zij hebben de afgelopen jaren, net als alle andere partijen, mee kunnen doen aan de loting voor basisvoorzieningen en ook aanvullende laadvoorzieningen aangevraagd en vergund gekregen. Ondernemers krijgen vergelijkbare kansen als andere ondernemers, of die nu benzinestations hebben of andere voorzieningen, in de uitgifte van nieuwe laadkavels. De biedbeperking die een pomphouder met shop verhindert om ook het laadstation met shop op de verzorgingsplaats uit te baten is een uitzonderingsituatie en weerhoudt deze ondernemer er alleen van te bieden op het naastgelegen laadstation (zie ook vraag 1). Het verbiedt de ondernemer niet om mee te dingen naar een laadkavel op een andere verzorgingsplaats.
Overigens is de verwachte afname van de verkoop van fossiele motorbrandstoffen geen gevolg van de keuze voor een exclusief laadkavel, maar het gevolg een autonome ontwikkeling, namelijk de geleidelijke elektrificatie van het wagenpark.
Waarom mogen bestaande pomphouders, die willen bijdragen aan de energietransitie, op dit moment geen snellaadpunten aanleggen op de bestaande verzorgingsplaatsen?
De mogelijkheden om op oude voet vergunningen te verlenen voor aanvullende voorzieningen of basisvoorzieningen is door een tijdelijke beleidsregel beperkt. In het kort komt het erop neer dat de geldigheidsduur van nieuwe vergunningen voor laadpalen verkort wordt, zodat deze tegelijk met het zelfstandige laadstation aflopen. Als deze verkorte geldigheidsduur neerkomt op minder dan vijf jaar, dan wordt de vergunning geweigerd.
Deze beperking van de geldigheidstermijn geldt voor alle aanvragers. Of het nu gaat om laadpalen op een benzinestation, bij een wegrestaurant, een uitbreiding van een basisvoorziening of laadpalen bij de algemene parkeervoorziening. De positie van bestaande pomphouders onderscheidt zich hierin niet van andere gegadigden voor laadvoorzieningen.
De reden van genoemde beleidsregel is dat een belangrijk uitgangspunt in het nieuwe beleid is, dat het laadstation en het tankstation per verzorgingsplaats ieder worden uitgebaat door maximaal één partij. Dit voornemen komt de verkeersveiligheid op en doelmatige inrichting van de verzorgingsplaats ten goede. Ook biedt het ondernemers op de verzorgingsplaats meer zekerheid over de mate van concurrentie die zij tijdens de looptijd van hun vergunning kunnen verwachten. Dit maakt investeren in meer en betere voorzieningen op de verzorgingsplaats aantrekkelijker, omdat ondernemers langjarige zekerheid hebben dat zij hier ook als enige partij zitten. Dit kan dus juist de energietransitie versnellen.
De beperkingen die worden opgelegd aan vergunningverlening in de vorm van de tijdelijke beleidsregel zijn bedoeld om de verzorgingsplaatsen voor te bereiden op de inwerkingtreding van een nieuw beleid door geen nieuwe vergunningen toe te kennen die nog (te) lang doorwerken in het nieuwe beleid. Door nu pas op de plaats te maken kunnen we het nieuwe beleid later sneller invoeren. Zowel de weggebruiker als de ondernemer profiteert hier uiteindelijk van.
Is het mogelijk dat, in het geval van zowel een laadkavel en een fossiele kavel op dezelfde verzorgingsplaats, beide ondernemers een soortgelijke voorziening exploiteren? Zo ja, zal dit volgens u niet leiden tot onevenredig harde concurrentie langs de kant van de snelweg?
Het laadstation en het benzinestation zijn twee verschillende voorzieningen, die verschillende typen voertuigen bedienen. In deze zin concurreren beide voorzieningen niet direct met elkaar. Een van de uitgangspunten van het voorgestelde beleid op verzorgingsplaatsen is dat concurrentie op de laadmarkt met name plaatsvindt tussen verschillende verzorgingsplaatsen, niet op verzorgingsplaatsen zelf.
Kunt u aangeven of het klopt dat door het Rijksvastgoedbedrijf met een aantal pomphouders contractueel is afgesproken dat zij tot een maximum aantal laadpalen mogen plaatsen? Zo ja, hoeveel van deze pomphouders worden ondanks de overeenkomst gedwarsboomd door de regering?
Een laadpaal bij een motorbrandstofverkooppunt is een aanvullende voorziening. RWS beoordeelt de aanvraag voor een aanvullende voorziening op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen conform zijn beleid zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 22 maart 2004, laatstelijk inhoudelijk gewijzigd bij de Kennisgeving zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 17 mei 2022, nummer 7852. In de publiekrechtelijke vergunning die RWS afgeeft, is opgenomen hoeveel laadpalen bij een motorbrandstofverkooppunt mogen komen. Het Rijksvastgoedbedrijf verzorgt na het verlenen van een vergunning de privaatrechtelijke toestemming voor het plaatsen van de laadpalen. Het aantal laadpalen waarvoor het Rijksvastgoedbedrijf privaatrechtelijk toestemming geeft, komt overeen met het aantal in de vergunning van Rijkswaterstaat.
In welk jaar lopen de eerste huidige vergunningen af en zou de beoogde nieuwe verzorgingsplaatsconstructie in gang moeten worden gezet? En in welk jaar zal deze overgang afgerond moeten zijn?
Vanaf 2028 verlopen de eerste huidige laadvergunningen voor basisvoorzieningen laden. Dan staan idealiter nieuwe vergunninghouders klaar om een opgeschaald kavel te realiseren. Afhankelijk van welke strategie het aanstaande Kabinet kiest voor het veilen van laadstations, kunnen dan ook al verzorgingsplaatsen zonder overgangsfase verdeeld worden wanneer de vergunning voor het tankstation afloopt.
Kunt u toezeggen dat u bij het voorbereiden van het wetsvoorstel zorg draagt voor de mogelijkheid dat een ondernemer straks gewoon de keuzemogelijkheid tot het aanbieden van fossiele brandstof én laadpalen samen binnen één verzorgingsplaats heeft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. Dit zal beperkt mogelijk zijn op verzorgingsplaatsen waar geen ruimte is voor een tweede shop. IenW stelt een routekaart op waaruit, onder andere, blijkt waar mogelijkheden voor een tweede shop zijn.
Het bericht ‘Serieus toezicht op webwinkels als Temu ontbreekt: 'Oneerlijke concurrentie'’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Serieus toezicht op webwinkels als Temu ontbreekt: «Oneerlijke concurrentie»»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de Consumentenbond en toezichthouders zoals de Autoriteit Consument en Markt (ACM) over oneerlijke handelspraktijken door met name Chinese webshops als Temu, Shein en AliExpress?
De razendsnelle opkomst van deze online marktplaatsen is voor een belangrijk deel het gevolg van het grote productaanbod, de lage prijzen die zij hanteren en hun grootschalige marketingcampagnes. Zo besteedt Temu naar schatting meer dan 450 miljoen euro per kwartaal aan marketing.1 De berichten van consumentenorganisaties2 dat Temu onveilige producten zou aanbieden, cruciale informatie achterhoudt voor consumenten en manipulatieve online technieken (dark patterns) toepast, vind ik zorgelijk. Deze opkomst van niet-Europese online marktplaatsen beïnvloedt de concurrentiepositie van Nederlandse en andere Europese online marktplaatsen. Ik vind het van belang dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat ze veilig en op basis van betrouwbare informatie hun aankopen kunnen doen. Op Europees niveau zijn er maatregelen genomen om dit te waarborgen. Deze maatregelen licht ik in de antwoorden op uw overige vragen toe.
Deelt u de zorgen dat de razendsnelle opkomst van deze webshops, aangejaagd door het gebruik van oneerlijke handelspraktijken, negatieve gevolgen heeft voor de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse webshops?
Zie antwoord vraag 2.
Vallen verleidingstechnieken op de website en app van Temu, zoals «flitsaanbiedingen» met aftelklokken en het gebruik van spelletjes gericht op kinderen onder verboden dark patterns? Kunt u hier per voorbeeld op ingaan?
Op grond van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (OHP) is het bedrijven niet toegestaan om commerciële dark patterns te gebruiken wanneer deze oneerlijke handelspraktijken zijn, zoals bedoeld in de Richtlijn OHP. Dark patterns zijn manipulatieve of misleidende technieken die consumenten ertoe aan kunnen zetten om keuzes te maken die niet in hun belang zijn. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) geeft in haar Leidraad Bescherming van de Online Consument aan wat volgens haar de normen zijn als het gaat om verschillende dark patterns.
Het gebruik van flitsaanbiedingen met aftelklokken mag consumenten niet misleiden. Het bedrieglijk beweren dat een product slechts voor een zeer beperkte tijd beschikbaar is, met als doel om de consument onder druk te zetten tot het nemen van een aankoopbeslissing, is op grond van de Richtlijn OHP onder geen enkele omstandigheid toegestaan. Het aanbieden van spelletjes gericht op kinderen is op grond van de Richtlijn OHP ook niet toegestaan als deze spelletjes worden ingezet als reclamemiddel met als doel om kinderen geadverteerde producten te laten kopen.
Bij een overtreding van de Richtlijn OHP kan de ACM handhavend optreden. Zo heeft de ACM in juni 2023 tientallen webshops bevolen te stoppen met het gebruikmaken van misleidende countdowntimers.3
Als de genoemde verleidingstechnieken op dit moment niet onder verboden handelspraktijken vallen, bent u bereid om de Europese lijst met verboden handelspraktijken te herzien en aan te vullen met misleidende technieken die door Temu worden gebruikt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kunnen dark patterns op grond van de Richtlijn OHP nu al worden aangepakt. Sommige van de genoemde verleidingstechnieken staan al op de zogenaamde «zwarte lijst» van verboden handelspraktijken.
Verder onderzoekt de Europese Commissie momenteel of de huidige regels consumenten ook online voldoende beschermen (fitness check).4 Mogelijk wordt de Richtlijn OHP herzien op basis van de uitkomsten van de fitness check. De resultaten van de fitness check worden in het najaar van 2024 verwacht.
Wat vindt u van de oproep van de ACM om met nieuwe wetgeving te komen tegen oneerlijke handelspraktijken door webshops? Welke stappen neemt u hierin?
De ACM heeft in het kader van de fitness check van de Europese Commissie op 21 november 2022 een non-paper uitgebracht met haar inzet. 5 De ACM is van mening dat de Europese consumentenregels aangescherpt moeten worden om consumenten online voldoende te beschermen. Zo pleit de ACM voor het expliciet verbieden van bepaalde schadelijke en oneerlijke online handelspraktijken.
Dit standpunt is in lijn met de eerdere oproep van mijn ministerie aan de Europese Commissie.6 Daarbij is benadrukt dat de ontwikkelingen in de digitale economie snel gaan en dat het niveau van consumentenbescherming hierdoor onder druk kan komen te staan, bijvoorbeeld als gevolg van het ontwerp van websites en apps. Het verdient dan ook aanbeveling om consumentenwetgeving te flexibiliseren om hier sneller op te kunnen reageren. Ik wacht de uitkomsten van de fitness check van de Europese Commissie hierover met interesse af.
Klopt het dat Temu, Shein en AliExpress onder de Digital Services Act (DSA) zijn aangewezen als Very Large Online Platforms and Search Engines (VLOPS), waardoor extra regels voor toezicht gelden?
Ja. De Europese Commissie houdt op haar website een openbare lijst bij van de diensten die zijn aangewezen als Very Large Online Platforms en Search Engines.7
Kunt u aangeven of u verwacht dat deze webshops binnen de gestelde termijnen zullen voldoen aan de verplichtingen uit de DSA?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze webshops niet van plan zijn om aan hun verplichtingen uit de DSA te voldoen. Het toezicht op de naleving van de DSA door zeer grote online platforms ligt overigens primair bij de Europese Commissie, en daarnaast (mede) bij de bevoegde autoriteiten uit de lidstaten waar die diensten gevestigd zijn, of waar zij hun wettelijk vertegenwoordiger hebben gekozen. Voor Shein en Temu is dat de digitaledienstencoördinator van Ierland. Voor AliExpress is dat de ACM als digitaledienstencoördinator in Nederland.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie, die uit hoofde van de DSA toezicht houdt op VLOPS, te pleiten voor het openen van onderzoek naar oneerlijke handelspraktijken door Temu en Shein, in lijn met het onderzoek dat naar AliExpress is geopend?
Oneerlijke handelspraktijken zijn gereguleerd door middel van de Richtlijn OHP. Daar wordt toezicht op gehouden door onafhankelijke nationale markttoezichthouders, zoals in Nederland de ACM. Het onderzoek naar eventuele overtredingen van de DSA door AliExpress ziet niet op eventuele oneerlijke handelspraktijken, maar onder meer op de inrichting van het mechanisme voor het melden van illegale inhoud, de interne klachtenprocedure, en de verrichte systeemrisicoanalyse van AliExpress.
Ook het toezicht op de DSA is belegd bij onafhankelijke markttoezichthouders. Het is aan deze markttoezichthouders om al dan niet een onderzoek te starten. Overigens heeft de Europese Commissie recentelijk een informatieverzoek over de verplichtingen uit de DSA verzonden aan Temu en Shein. De ACM is de beoogde Digitale Diensten Coördinator (DDC) in Nederland. Zodra de uitvoeringswet DSA in werking is getreden, kan de ACM, wanneer zij van mening is dat Temu of Shein de DSA overtreedt, de Digitale Diensten Coördinator van de lidstaat van vestiging of de Europese Commissie een onderbouwd handhavingsverzoek sturen.
Bent u bereid om de ACM te verzoeken om hun bevoegdheden als nationale toezichthouder in te zetten om onderzoek te doen naar oneerlijke handelspraktijken door Temu, AliExpress en Shein in Nederland?
De ACM is een onafhankelijke markttoezichthouder. Het besluit om al dan niet een onderzoek te starten naar een bedrijf ligt dan ook bij de ACM.
Wat is uw beeld van de arbeidsomstandigheden in fabrieken waar producten voor Temu worden gemaakt, gezien de lage prijzen van veel producten? Is hier volgens u voldoende zicht op en zo nee, wat wilt u hieraan doen?
Het kabinet houdt geen toezicht op arbeidsomstandigheden in de waardeketens van buitenlandse bedrijven en kan daarom geen uitspraken doen over individuele casussen. Uiteraard kan er in het algemeen een verband zijn tussen lage prijzen van producten enerzijds en gebrekkige arbeidsomstandigheden of niet-leefbare lonen in de keten anderzijds. Het kabinet neemt dit thema serieus en bevordert daarom internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). Het IMVO-beleid heeft als doel dat bedrijven gepaste zorgvuldigheid toepassen om negatieve gevolgen van hun activiteiten, producten of diensten op mens en milieu te identificeren en aan te pakken in hun waardeketens, ongeacht het land waarin die impact zich voordoet.
Op 24 mei jl. is de brede Europese IMVO-wet Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDD) aangenomen. Voor nationale implementatie van de CSDDD zullen de gebruikelijke procedures doorlopen worden. Het vormgeven van onafhankelijk toezicht zal daar ook een belangrijk onderdeel van zijn. De richtlijn gaat gelden voor in de EU gevestigde bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers en een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen, en voor niet in de EU gevestigde bedrijven met een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen in de EU. Dit bevordert een gelijk speelveld met andere bedrijven in de EU en leidt tot een grotere impact bij het Europees en mondiaal bevorderen van arbeids- en mensenrechten. Na publicatie in het EU Publicatieblad en inwerkingtreding hebben lidstaten twee jaar de tijd om de CSDDD om te zetten in nationale wetgeving.
Wat is uw reactie op onderzoeken die laten zien dat producten zoals speelgoed in webshops als Temu vrijwel nooit voldoen aan de Europese eisen voor productveiligheid?
De uitkomsten van de onderzoeken naar productveiligheid op online marktplaatsen zijn zorgwekkend.8 Het is van belang dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Ten aanzien van speelgoed gelden strenge veiligheidseisen in de EU waar bedrijven die ontwerpen, produceren of verhandelen zich aan moeten houden.9 Deze regels gelden ook voor partijen die buiten de Unie zijn gevestigd en hun product op de interne markt aanbieden. De NVWA houdt toezicht op de Speelgoed Veiligheidsrichtlijn. De inwerkingtreding van de Algemene Productveiligheidsverordening per december van dit jaar vormt een belangrijke ontwikkeling op het gebied van productveiligheidsregelgeving. Onder deze verordening worden Europese marktdeelnemers en niet-Europese online marktplaatsen en fabrikanten meer verantwoordelijk voor de veiligheid van producten die niet onder productspecifieke wetgeving vallen, zogeheten niet-geharmoniseerde producten. Voor dergelijke producten moet zo dadelijk een verantwoordelijke partij in de EU gevestigd zijn. Dit kan de fabrikant óf een juridische vertegenwoordiger van de fabrikant zijn. Anders mag een product niet worden aangeboden op de interne markt. Indien de online marktplaats niet in de EU is gevestigd, dan kunnen markttoezichthouders deze via de gemachtigde vertegenwoordiger verplichten om de inhoud (productpagina) van de online-interface te verwijderen of een expliciete waarschuwing bij producten te tonen.
Hebben toezichthouders op dit moment voldoende handvatten om voorraden en/of producten van internationale webshops te inspecteren? Zo nee, wat is daarvoor nodig?
Om goed toezicht te houden is het van belang dat markttoezichthouders met de juiste bevoegdheden kunnen optreden tegen partijen die onveilige producten aanbieden. De realiteit is echter ook dat vorig jaar bijna twee miljoen e-commerce zendingen per dag via Nederland de EU binnen kwamen.10Deze enorme instroom aan goederen maakt het onmogelijk voor markttoezichthouders om alle producten te controleren. Door middel van steekproeven en risico gebaseerd toezicht werken markttoezichthouders – ondanks de hoge volumes – hard aan het weren van onveilige producten. De afgelopen jaren zette mijn ministerie zich in Europa in voor het verbreden van de bevoegdheden van markttoezichthouders om beter toezicht te kunnen houden op online marktplaatsen, zoals bij de totstandkoming van de Algemene Productveiligheidsverordening en de DSA (zie het antwoord op vraag 12). Ook is het beheersbaar maken van de grote stroom van e-commerce zendingen een belangrijke prioriteit van Nederland in de onderhandelingen over het nieuwe Douane Wetboek van de Unie.
Daarom heb ik de Europese Commissie voorgesteld dat de verplichting tot het aanwijzen van een verantwoordelijke persoon, zoals onder de algemene productveiligheidsverordening, ook moet gaan gelden voor producten die reeds onder sectorspecifieke regelgeving vallen maar waarvoor deze (nieuwe) verplichting nog niet geldt. Producten waarvoor al sectorspecifieke regelgeving bestaat zijn te herkennen aan hun CE-markering. Bovendien zijn handvatten voor risico-gebaseerd toezicht hierbij essentieel. Mijn inzet is daarom dat het Digitale Product Paspoort (DPP) voor alle producten verplicht wordt. Het DPP maakt het makkelijker voor autoriteiten om de meest actuele informatie van producten snel in te zien. Daarnaast zet ik in Nederland een uniforme meldwijzer op waar consumenten en ondernemers onveilige producten kunnen melden. Dit draagt bij aan betere data voor markttoezichthouders voor hun risico-gebaseerd toezicht. Deze meldwijzer komt in het najaar online.
Deelt u de mening dat wat niet in Europa geproduceerd mag worden, ook niet in Europa verkocht zou mogen worden? Zo ja, hoe weert u onveilige producten die via Temu verkocht worden van de Europese markt?
Het is belangrijk dat producten die zowel in de winkel als online verkocht worden veilig zijn, of deze nu uit Europa komen of daarbuiten. In de vorige antwoorden licht ik toe welke mogelijkheden de toezichthouder heeft en krijgt om dit te waarborgen.
Wat is uw reactie op de zorgen over de inbreuk op privacy door met name de app van Temu, zoals bijvoorbeeld blijkt uit onderzoek door de Belgische VRT? Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen hier onderzoek naar te doen?
Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is geen taak van het kabinet, maar van de Autoriteit Persoonsgegevens. Deze toezichthouder is onafhankelijk en heeft een ruim mandaat en uitgebreide bevoegdheden om te onderzoeken of partijen voldoen aan hun verplichtingen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Deelt u de mening dat de app van Temu mogelijk een nog grotere «datastofzuiger» is dan TikTok?
De toezichthouder Autoriteit Persoonsgegevens ziet via het stelsel van de AVG toe op het verzamelen en gebruik van persoonsgegevens. Als bewindspersoon beschik ik niet over informatie omtrent dataverzameling door specifieke bedrijven.
Wilt u ervoor zorgen dat de app van Temu net als TikTok niet meer gebruikt kan worden op werktelefoons van Rijksambtenaren?
De Kamer is op 24 november 2023 vertrouwelijk geïnformeerd over technische risicobeperkende maatregelen die genomen zijn in het kader van het appbeleid rijksoverheid. Door deze vertrouwelijkheid kan ik dan ook niet verder ingaan op deze maatregelen. Ik kan u wel melden dat deze maatregelen met enige regelmaat worden geëvalueerd, waarin ook Temu onder de loep is genomen.
Wat is uw reactie op berichten over de banden van Temu met de Chinese overheid? Ziet u risico’s in de opkomst van webshops als Temu voor onze strategische autonomie? Bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Onze strategische autonomie ziet op het borgen en het versterken van de weerbaarheid en de publieke belangen Nederland en de EU. In de berichtgeving over online marktplaatsen als Temu zien deze publieke belangen op privacy-, data- en consumentenbescherming. Ter bescherming van deze factoren kent de EU wetgeving waaraan bedrijven moeten voldoen die actief zijn of willen zijn op de Europese interne markt. Dit geldt ook voor bedrijven die mogelijkerwijs banden hebben met de overheid in hun land van herkomst of voor webshops en e-commerce ondernemingen van buiten de EU die op de interne markt hun producten aanbieden. Bedrijven dienen zich hierbij ook te houden aan het Europese consumentenrecht. Het tegengaan van schendingen hiervan is belangrijk. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in de eerste plaats bij de aangewezen toezichthouder(s), waaronder de ACM.
Wat vindt u ervan dat juist bij de genoemde webshops het gebruik van Buy Now Pay Later wordt gepromoot, bijvoorbeeld via een paginabrede button van Klarna op de website van Temu, terwijl steeds meer duidelijk wordt wat daarvan de schadelijke gevolgen zijn met name voor kinderen en jongeren?
In antwoorden op Kamervragen over Buy Now Pay Later (BNPL)-diensten hebben de Ministers voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, voor Rechtsbescherming en van Financiën hun zorg uitgesproken over het gebruik van BNPL-diensten door jongeren.11 Die zorg deel ik. Ik sta dan ook achter de aangekondigde maatregelen die het gebruik van BNPL-diensten door jongeren tegen moeten gaan. Zo hebben aanbieders van Nederlandse BNPL-diensten, waaronder de Nederlandse tak van Klarna, hun gedragscode op dit punt aangescherpt. Daarnaast gaan vanaf november 2026 voor BNPL-diensten in heel Europa dezelfde strenge regels gelden als voor aanbieders van consumptief krediet op grond van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCD2). Ook onderzoekt het kabinet de mogelijkheden om leeftijdscontrole verplicht te stellen bij BNPL.
Mensen met schulden en zzp’ers die in de knel komen door te strenge regels voor de aanvraag van rechtsbijstand |
|
Michiel van Nispen |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
Klopt het dat mensen met schulden die boven de grens wat betreft de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) zitten, geen recht hebben op rechtsbijstand omdat zij technisch gezien een «te hoog» inkomen hebben voor rechtsbijstand?1
Ja, dat klopt.
Bent u het ermee eens dat er een groot verschil is tussen het belastbaar inkomen, zoals dat in de Wrb gebruikt wordt, en het besteedbaar inkomen, omdat personen bijvoorbeeld bezig zijn met het afbetalen van grote schulden?
Ja, met de nuance dat in het kader van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) voor burgers die aangifteplichtig zijn uitgegaan wordt van het fiscaal verzamelinkomen, niet het belastbaar inkomen, en dat bij de vaststelling van het fiscale inkomen en vermogen door de Belastingdienst tot op zekere hoogte rekening gehouden wordt met schulden.2 Voor burgers die niet aangifteplichtig zijn, wordt uitgegaan van het belastbaar inkomen.
Bent u het met de analyse van de Raad voor Rechtsbijstand eens dat door onvolkomenheden in de wet- en regelgeving mensen tussen wal en schip belanden, waarbij er voor deze mensen vaak geen mogelijkheid is voor juridische bijstand?
De Raad heeft op verzoek van mijn ministerie, in het kader van de Rijksbrede inventarisatie naar aanleiding van de motie Ploumen en Jetten,3 een inventarisatie gemaakt van situaties waarin wetgeving hardvochtig uitpakt.
De inventarisatie van de Raad bevat verschillende hardvochtigheden, waaronder de in deze Kamervragen aangehaalde twee voorbeelden van burgers met schulden (beslag op inkomen en/of vermogen) en zzp’ers. Deze voorbeelden zijn overigens ook ingebracht door het Juridisch Loket (hierna: het Loket) in reactie op de genoemde Rijksbrede inventarisatie.
Eind vorig jaar heeft mijn ministerie, op basis van de voornoemde inventarisaties, samen met de Raad en het Loket nader in kaart gebracht welke situaties tot reële schrijnende gevallen kunnen leiden. Dit heeft tot de conclusie geleid dat dit zich in ieder geval bij inkomens- en/of vermogensbeslag kan voordoen. Momenteel wordt nader verkend of er een tijdelijke grondslag voor de Raad gecreëerd kan worden om in deze gevallen af te wijken van de systematiek voor de draagkrachttoetsing van de Wrb.
De ingebrachte hardvochtigheden ten aanzien van zzp’ers worden meegenomen in een breder onderzoek naar de aard en omvang van de mogelijke kwetsbaarheid van de lagere middeninkomens in de toegang tot rechtsbijstand. Er zijn namelijk bredere signalen dat er een groep rechtzoekenden is die niet onder de Wrb valt, maar ook niet de financiële middelen heeft om alle kosten van rechtsbijstand te kunnen betalen. Mijn ministerie heeft daarom, in samenwerking met de Raad, een onderzoekopdracht uitgezet naar de mogelijke kwetsbaarheid van de lagere middeninkomens in de toegang tot rechtsbijstand. In samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) voert het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand (hierna: Kenniscentrum) momenteel dit onderzoek uit. Voor een uitgebreide weergave van de opzet en voortgang van dit onderzoek verwijs ik u naar de elfde voortgangsrapportage stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand, die eerder aan uw Kamer is verzonden.
Bent u het ermee eens dat het kijken naar het besteedbaar inkomen een betere inschatting geeft van de draagkracht van een persoon en diens recht op rechtsbijstand dan het belastbaar inkomen?
Nee. Ik ben mij ervan bewust dat dit verschil voor bijvoorbeeld mensen met schulden groot kan zijn. Het is echter ingewikkeld en bewerkelijk om het besteedbaar inkomen objectief en volledig vast te stellen.
Bij het hanteren van het belastbaar inkomen wordt altijd gekeken naar het vastgesteld fiscaal inkomen (door de Belastingdienst) van twee jaar daarvoor. Als gerekend zou worden met het besteedbaar inkomen (op het moment van aanvraag van de toevoeging) dan moet uitgegaan worden van schattingen waarvan achteraf de juistheid nog moeten worden vastgesteld. Dit leidt naast administratieve lasten ook tot onzekerheid voor de burger omdat lang onduidelijk blijft of de toevoeging terecht is toegekend en na hercontrole in stand blijft.
Het is mogelijk dat iemand op het moment van het aanvragen van een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand minder inkomen en/of vermogen heeft dan het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of vermogen. Bijvoorbeeld omdat iemand minder is gaan verdienen. Iemand kan dan een verzoek tot een zogeheten «peiljaarverlegging» indienen bij de Raad. In deze gevallen wordt een inschatting gemaakt van het fiscale inkomen over het gehele jaar waarin aangifte wordt gedaan.
In het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand (hierna: Bebr) zijn bepalingen opgenomen over de hoogte van de eigen bijdrage en een aantal situaties waarin afgeweken kan worden van de toetsing aan de hand van het fiscale inkomen en vermogen. Indien de rechtzoekende zich bevindt in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), een minnelijke schuldsaneringsregeling, of in staat van faillissement verkeert, wordt de laagste eigen bijdrage opgelegd.
Klopt het dat tot aan 2006 de Raad voor Rechtsbijstand nog wél de mogelijkheid had om te kijken naar het besteedbaar inkomen in plaats van het belastbaar inkomen?
Ja, dat klopt. Tot 2006 moesten rechtzoekenden een verklaring omtrent inkomen en vermogen invullen, voordat zij in aanmerking konden komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. De gemeenten hadden de taak deze verklaring te controleren aan de hand van door de burger te overleggen bewijsstukken. Nadat zij de verklaring hadden afgegeven, kon de burger zich met de verklaring wenden tot de Raad. De Raad kon vervolgens een actieve controle uitvoeren en bewijsstukken opvragen bij andere instanties (Belastingdienst, SVB, en gemeentelijke sociale dienst). De draagkracht in het inkomen werd op maandbasis vastgesteld, waarbij werd uitgegaan van de maand voorafgaand aan het verzoek om rechtsbijstand (artikel 5 Bebr). Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Bebr kon dit maandinkomen worden verminderd met onder andere betalingen met een duurzaam karakter ten behoeve van partner of kinderen of ziektekostenpremies. Het tweede lid van artikel 7 bevatte een uitzonderingsbepaling die het onder omstandigheden mogelijk maakte rekening te houden met buitengewone uitgaven die een aanzienlijke vermindering van de vast te stellen draagkracht veroorzaakten.
Om welke reden is deze mogelijkheid destijds afgeschaft?
De afschaffing van de mogelijkheid om te kijken naar het besteedbaar inkomen ten gunste van het belastbaar inkomen werd ingevoerd om de administratieve lasten voor rechtzoekenden en rechtsbijstandverleners te verminderen, de betrouwbaarheid van de gegevens te vergroten en te zorgen voor een uniformer en transparanter systeem voor de beoordeling van de financiële draagkracht bij het toekennen van sociale voorzieningen.4
Bent u het ermee eens dat het ook onrechtvaardig is dat zzp’ers voor zakelijke geschillen bijna niet in aanmerking komen voor rechtsbijstand terwijl er veel zzp’ers zijn die op basis van hun inkomen recht zouden hebben op rechtsbijstand?
Bij zzp’ers met een zakelijk geschil heeft het rechtsbelang betrekking op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. In dat geval is het uitgangspunt dat er geen gesubsidieerde rechtsbijstand wordt verleend. De wet kent wel een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld als er sprake is van een bedrijfsbedreigend geschil.5
Het zelfstandig ondernemerschap komt met een zeker ondernemersrisico. Dit ondernemersrisico omvat verschillende facetten van het zelfstandig ondernemerschap waaronder ook rechtsbijstandskosten die voortvloeien uit bedrijfsvoering. Het is niet primair de taak van de overheid om die risico’s af te dekken en het is daarmee ook niet onrechtvaardig om zakelijke geschillen in beginsel uit te sluiten van gefinancierde rechtsbijstand.
Dat laat onverlet dat wij onze ogen niet moeten sluiten voor situaties waarin zzp’ers serieus in de knel komen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan zogenaamde schijnzelfstandigen of «gedwongen» zzp’ers die maar in zeer beperkte mate inkomen genereren en geen rechtsbijstandverzekering hebben afgesloten.
Voor deze groep zzp’ers is goede voorlichting en advies nodig, op maat en passend bij de doelgroep. Hier wordt in geïnvesteerd door de Kamer van Koophandel, Instituut voor Midden- en Klein Bedrijf en initiatieven als Geldfit zakelijk (Nederlandse Schuldhulproute), Over Rood en Ondernemersklankbord.
Bent u bereid om de Raad voor de Rechtsbijstand een discretionaire bevoegdheid te geven, zodat hij middels maatwerk kan kijken welke personen die financieel in de knel zitten, recht zouden mogen krijgen op rechtsbijstand?
Zoals in mijn antwoord op vraag 3 aangegeven, onderzoekt mijn ministerie op dit moment de mogelijkheden om in geval van beslag op inkomen en/of vermogen af te wijken van de draagkrachttoets in artikel 34 Wrb. Het Kenniscentrum is belast met de monitoring en evaluatie van de tijdelijke regeling. Het doel van deze tijdelijke regeling is om meer inzicht te krijgen in de categorie rechtzoekende die, vanwege de toepassing van de draagkrachttoets, in situaties zoals bij beslag op het op inkomen en/of vermogen, uitgesloten zijn van gesubsidieerde rechtsbijstand wat mogelijk resulteert in een ontzegging van de toegang tot het recht. Gedurende de looptijd van deze tijdelijke regeling wordt nauwlettend gevolgd in hoeverre een discretionaire bevoegdheid voor de Raad de benodigde juridische ondersteuning en rechtsbescherming biedt aan mensen die te maken hebben met inkomens- en/of vermogensbeslag, en welke kosten, uitvoeringslasten en neveneffecten hiermee gepaard gaan. Op basis van de uitkomsten van de monitoring en evaluatie zal worden bezien of een discretionaire bevoegdheid voor de Raad de juiste oplossing is, en zo ja, hoe deze structureel kan worden vormgegeven.
Daarnaast heeft mijn ministerie een onderzoeksopdracht uitgezet naar de mogelijke kwetsbaarheid van de lagere middeninkomens in de toegang tot rechtsbijstand. Het Kenniscentrum voert daartoe in samenwerking met het CBS momenteel onderzoek uit naar de aard en omvang van dit probleem. Ik wacht voor het bezien van een bredere grondslag voor een discretionaire bevoegdheid voor de Raad ook de uitkomsten van dit onderzoek af.
Bent u het ermee eens dat met deze discretionaire bevoegdheid beter kan worden ingeschat wie er wel of niet rechtsbijstand nodig hebben en zo meer mensen kunnen worden geholpen die nu buiten de boot vallen?
Zie mijn antwoorden op de vragen 3 en 8.
Bent u bereid om de Wrb en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria zo aan te passen dat individuen met grote schulden en zzp’ers wél de mogelijkheid kunnen krijgen om rechtsbijstand aan te vragen?
Zie mijn antwoord op vraag 8. Ik acht het van belang dat eerst goed zicht op de omvang van deze groepen en de mate waarin zij problemen ervaren in de toegang tot het recht komt, voordat ik – los van de vraag of er financiële dekking voor is – overweeg om de wet- en regelgeving hierop aan te passen.
Het artikel 'Schuldhulpverlening ziet fors meer bedrijven met geldzorgen' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Schuldhulpverlening ziet fors meer bedrijven met geldzorgen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat steeds meer kleine ondernemers (met name eenmanszaken) schuldhulpverlening aanvragen?
Ja, ik ben bekend met de toename van het aantal kleine ondernemers, met name eenmanszaken, die schuldhulpverlening aanvragen. Dit is een ontwikkeling die mijn aandacht heeft.
Herkent u het probleem dat stijgende kosten zoals personeelskosten, huur en energie tot betalingsproblemen leidt?
Ja, ik herken dit probleem. Stijgende kosten voor personeel, huur en energie kunnen aanzienlijk bijdragen aan de betalingsproblemen die ondernemers ervaren. Deze kostenstijgingen kunnen de financiële draagkracht van bedrijven, vooral kleine bedrijven en eenmanszaken, onder druk zetten.
In september 2023 verscheen het rapport Activeren en faciliteren van de aanjager aanpak problematische schulden ondernemers. Bij een aantal van deze adviezen is een pilot gestart zoals bij het waarborgfonds saneringskredieten en de Wet schuldsanering natuurlijke personen(Wsnp). Is het mogelijk aan de hand van tussentijdse evaluaties conclusies te verbinden en stappen te nemen?
Ja, het is mogelijk om aan de hand van tussentijdse evaluaties conclusies te trekken en passende stappen te ondernemen.
De pilot Saneringskredieten voor ondernemers, uitgevoerd door het Waarborgfonds Saneringskredieten en de NVVK, loopt goed. Monitoring vindt ook in de komende periode nog plaats op risico’s en effectiviteit. De eerste resultaten laten zien dat het een waardevolle aanvulling lijkt op het instrumentarium van de schuldhulpverlener. De NVVK geeft aan dat voor de ondernemer, de schuldhulpverlener en de schuldeiser de kredietvorm rust en duidelijkheid biedt.
De voortgang van de pilots wordt nauwlettend gevolgd en tussentijdse evaluaties zullen inzicht geven in de effectiviteit van de maatregelen. Zodra die beschikbaar zijn zullen we die naar de Kamer sturen. Indien nodig kunnen op basis van deze evaluaties verdere stappen worden ondernomen om de schuldhulpverlening aan ondernemers te verbeteren.
Wat is de stand van zaken van het toegangspunt dat het rapport adviseert?
De ontwikkeling van het toegangspunt zoals geadviseerd in het rapport is in volle gang. Er wordt gewerkt aan een centraal punt waar ondernemers terecht kunnen voor ondersteuning en informatie over schuldhulpverlening. Dit toegangspunt moet bijdragen aan een efficiëntere en toegankelijkere dienstverlening voor ondernemers met financiële problemen.
Daarnaast ben ik momenteel volop bezig met de Actieagenda MKB-dienstverlening die tot doel heeft om de komende jaren een vraag gestuurd stelsel van publieke dienstverlening te creëren dat ondernemers beter bereikt, activeert en ondersteunt bij het toekomstbestendig maken en behouden van hun bedrijf. Ik zal de Kamer in Q1 2025 middels een Kamerbrief verder informeren hierover.
Zou het, ondanks uw negatieve appreciatie van het advies uit het rapport om een voucherregeling om ondernemers in staat te stellen hun boekhouding op orde te krijgen, toch beter zijn deze regeling te maken zodat deze ondernemers in staat zijn hun boekhouding bij te laten werken? Zo nee, waarom niet?
Hoewel het advies voor een voucherregeling voor het bijwerken van de boekhouding van ondernemers begrijpelijk is, blijft mijn standpunt negatief. Het belang van bijgewerkte administratie staat niet ter discussie. Op basis hiervan wordt immers de levensvatbaarheid van een onderneming vastgesteld. Echter, het bijhouden van een goede administratie is in beginsel een ondernemersverantwoordelijkheid, daar heeft de overheid geen rol in. Voorts ligt het probleem van financiële administratie vaak dieper dan enkel een tijdelijk gebrek aan middelen om de boekhouding bij te werken. Daarnaast voorziet de markt voldoende in informatie en scholing over dit onderwerp. Het is belangrijk om structurele oplossingen te bieden die ondernemers helpen bij het duurzaam verbeteren van hun financiële management, bijvoorbeeld door educatie en langdurige ondersteuning in plaats van eenmalige vouchers.
Wat is de stand van zaken van een verbeterde publieke dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf? Hoe zouden andere gemeentes het goed lopende initatief Ondernemer Centraal uit Utrecht kunnen volgen om tot een goed ecosysteem te komen?
Gemeentes doen meer op het gebied van schuldhulpverlening en betalingsachterstanden dan vaak bekend is bij ondernemers. De ondernemersdienstverlening richt zich zowel op preventie als op actieve ondersteuning en begeleiding bij financiële moeilijkheden, zowel op persoonlijk als op zakelijk vlak. Ondernemers kunnen bij hun gemeente terecht voor tijdelijke inkomenssteun, het herfinancieren van schulden of investeringen via het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), of een minnelijk schuldhulpverleningstraject.
De verbetering van de publieke dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf (mkb) is een doorlopend proces. Er zijn verschillende initiatieven en projecten gestart om de ondersteuning van het mkb te versterken. Gemeentes kunnen succesvolle initiatieven zoals Ondernemer Centraal uit Utrecht volgen door kennis en best practices te delen, samen te werken met lokale ondernemersorganisaties en specifieke behoeften van lokale ondernemers te inventariseren. Door een op maat gemaakte benadering kunnen gemeentes bijdragen aan een gezond en ondersteunend ecosysteem voor ondernemers. De VNG ondersteunt gemeentes hierbij via diverse ondersteuningsproducten, zoals een Handreiking Ondernemers met financiële zorgen en een toolkit communicatie met ondernemers in zwaar weer (samen ontwikkeld met de KVK, het Digitaal Ondernemersplein en de Belastingdienst).
Daarnaast is het de doelstelling van de actieagenda mkb-dienstverlening om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren door deze logischer te ordenen en makkelijker vindbaar te maken. Hierin werken we intensief samen met onder andere gemeentes.
Tot slot hebben het kabinet, de VNG, de NVVK en Divosa op 21 maart 2024 hun handtekening gezet onder een gezamenlijk plan om de schuldhulpverlening in Nederland nog verder te versterken. Onder de basisdienstverlening schuldhulpverlening2 valt onder andere een hulpaanbod dat toegespitst is op verschillende doelgroepen, waaronder ondernemers.3
De bijschrijfplicht in de horeca |
|
Judith Tielen (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat op basis van de Alcoholwet horecaondernemingen nog altijd verplicht zijn elke dagleidinggevende bij te schrijven op de vergunning?
Ja, dat klopt.
Het lid Bolkestein (VVD) heeft een amendement1 ingediend met als doel om de verplichting tot het bijschrijven van dagleidinggevenden op het aanhangsel bij de horecavergunning te schrappen: waarom is aan dit amendement nog geen uitvoering gegeven?
Met de wijziging van het Alcoholbesluit in verband met de bijschrijfplicht van dagleidinggevenden heeft het kabinet wel degelijk uitvoering gegeven aan het amendement van het lid Bolkestein. De verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden in slijterijen is per 1 april 2024 vervallen. Dagleidinggevenden van horecabedrijven zijn als categorie aangewezen, waardoor de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden van horecabedrijven in stand is gehouden. Hiermee is, zoals de Staatssecretaris van VWS in de brief van 2 december 20222 reeds heeft aangekondigd, gebruik gemaakt van de ruimte die het amendement biedt om categorieën aan te wijzen waarvoor de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden in stand blijft. Op die manier is uitvoering gegeven aan het amendement.
De verplichte bijschrijving zorgt ervoor dat gemeenten een zedelijkheids- en een levensgedragstoets uit kunnen voeren – waarin naast het strafrechtelijk verleden, ook op andere aspecten beoordeeld wordt of een persoon van onbesproken levensgedrag is – om openbare ordeproblemen te voorkomen. Ook zorgt de bijschrijving ervoor dat – indien nodig – een Bibob-toets uitgevoerd kan worden om te voorkomen dat gemeenten criminele activiteiten faciliteren.
Kunt u een stand van zaken geven van de motie-Heerema (VVD)2?
Op dit moment ben ik samen met de Staatssecretaris van VWS in gesprek met gemeenten en met Koninklijke Horeca Nederland (KHN) over de administratieve lasten van de bijschrijfplicht. Wij streven ernaar uw Kamer voor de zomer nader te informeren over de uitwerking van de motie.
Hoeveel bijschrijvingen vinden er in Nederland plaats?
In de toelichting bij het amendement van het lid Bolkestein4 wordt aangegeven dat KHN toen (2020) het aantal bijschrijvingen schatte op 60.000 per jaar, gebaseerd op een schatting van 30.000 horecaondernemingen die gemiddeld twee keer per jaar bijschrijven.
Het is echter niet precies bekend hoeveel bijschrijvingen er totaal plaatsvinden in Nederland. Dit wordt niet bijgehouden. Een bijschrijving wordt aangevraagd bij de gemeente die de vergunning heeft verleend.
Klopt het dat een persoon minimaal 21 jaar moet zijn om bijgeschreven te kunnen worden? Is het niet zo dat een afgestudeerd mbo’er op zijn 19e reeds bij een kleinere horecagelegenheid een leidinggevende functie kan hebben? In hoeverre vindt u leeftijd een relevant criterium?
Een leidinggevende van een horeca- of slijtersbedrijf moet, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, van de Alcoholwet, de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Een leidinggevende heeft op bepaalde momenten de dagelijkse leiding over een horeca- of slijtersbedrijf en is dan verantwoordelijk voor verantwoorde alcoholverstrekking en het bewaken van orde in de zaak. Openbare orde- problemen (overmatig drank- en drugsgebruik, (geluids-)overlast en geweld) spelen vooral in het nachtleven een grote rol in en rondom horecaondernemingen. Het is daarom van belang dat een leidinggevende deze verantwoordelijkheid kan dragen. In het algemeen wordt aangenomen dat dit van personen van 21 jaar en ouder verwacht mag worden.
Is u bekend in hoeverre de sociale hygiëne in de praktijk (dus aan de bars en in andere horecaetablissementen) verbeterd is sinds de bijschrijfplicht van kracht is? Zo ja, kunt u daar cijfers over delen?
Het in stand houden van de bijschriftplicht heeft niet het primaire doel om de sociale hygiëne in de praktijk te verbeteren en wordt daarmee als zodanig niet gemeten. Zoals is toegelicht bij de wijziging van het Alcoholbesluit in verband met de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden5 heeft het in stand houden van de verplichte bijschrijving het primaire doel om op voorhand te kunnen controleren wie de ondernemer(s), bedrijfsleider en dagleidinggevenden in een horeca- of slijtersbedrijf zijn. De verplichte bijschrijving zorgt er in eerste instantie voor dat getoetst kan worden of alle leidinggevenden van een horeca- of slijtersbedrijf niet van slecht levensgedrag zijn. Hiervoor worden een zedelijkheids- en een levensgedragstoets uitgevoerd, waarin naast het strafrechtelijk verleden, ook op andere aspecten beoordeeld wordt of een persoon van onbesproken levensgedrag is.
Hoe beoordeelt u het risico van dagleidinggevenden in de horeca? Wat is de inhoudelijke noodzaak om deze groep bij te schrijven op de vergunning en dus aan de Bibob-toets te onderwerpen?
Uit de Alcoholwet vloeit voort dat een bestuursorgaan zicht moet hebben op degenen die een horecaonderneming exploiteren of daar dagelijks leiding aan geven. In het Alcoholbesluit zijn eisen omtrent het (zedelijk) gedrag van deze exploitanten en dagleidinggevenden opgenomen. Zij hebben immers veel invloed op de gang van zaken in en rondom de horecaonderneming en een bijzondere verantwoordelijkheid in verband met (het toezicht op) de verstrekking van alcohol. Op basis van die eisen voeren gemeenten zedelijkheid- en slecht levensgedrag-onderzoeken naar de exploitant en de dagleidinggevende(n) uit en kunnen zij een vergunningaanvraag of de wijziging van (het aanhangsel van) een vergunning weigeren.
De verplichte bijschrijving is – naast de onderzoeken op grond van de Alcoholwet – ook van belang voor de toepassing van de Wet Bibob. De horeca is een kwetsbare branche voor criminele activiteiten en valt daarom binnen het toepassingsbereik van deze wet.6
Op grond van de Wet Bibob hebben bestuursorganen de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de betrokkene7 en derden uit de zakelijke omgeving van de betrokkene. Wanneer uit dat onderzoek naar voren komt dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten, kan het bestuursorgaan een vergunningaanvraag weigeren of een al verleende vergunning intrekken. Dagleidinggevenden in een horecaonderneming kunnen deel uitmaken van de zakelijke omgeving van de betrokkene. Alleen door de dagleidinggevenden te laten bijschrijven op de vergunning krijgen bestuursorganen inzicht in de identiteit van de dagleidinggevenden en de feitelijke zeggenschapsverhoudingen rondom de vergunningaanvrager. Zo wordt het risico op het gebruik van versluieringsconstructies (c.q. stromanconstructies) zo klein mogelijk gehouden.
Hoe vaak is een vergunning ingetrokken door een negatief Bibob-advies na een bijschrijving c.q. wijziging van een dagleidinggevende?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak een vergunning op grond van de Wet Bibob wordt ingetrokken door bestuursorganen naar aanleiding van een (wijziging van een) dagleidinggevende. Mede afhankelijk van het eigen onderzoek van een bestuursorgaan of het advies van het LBB kan een aangevraagde bijschrijving worden geweigerd. Dat hoeft niet (direct) tot intrekking van de vergunning te leiden.
Is het mogelijk om bij algemene plaatselijke verordening de verplichting om dagleidinggevenden in de horecasector te screenen, op te nemen, zodat er differentiatie/maatwerk ontstaat en gemeenten expliciet kunnen besluiten of screening van dagleidinggevenden nodig is? Zo nee, waarom niet?
Naast de Alcoholwetvergunning kunnen bestuursorganen ervoor kiezen om een exploitatievergunning te vereisen voor het exploiteren van een horecazaak en daarmee is er dus al sprake van maatwerk. Wanneer zo’n vergunning vereist is en onder welke voorwaarden deze wordt afgegeven, bepaalt het bestuursorgaan zelf. Dit volgt uit lokale regels, voortvloeiend uit de algemene plaatselijke verordening. Ook de exploitatievergunning vereist nu vaak het bijschrijven van de dagleidinggevende(n), zodat inzichtelijk is wie er betrokkenheid heeft bij de exploitatie van de onderneming. Of vervolgens een integriteitstoets in de vorm van de slecht levensgedrag-toets of de Bibob-toets wordt gedaan is afhankelijk van de regels en de inzichten van het bestuursorgaan zelf. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de aanvraag van de vergunning en/of indien vraagtekens bestaan rondom de integriteit van de dagleidinggevende.
Is het mogelijk om een VOG-verplichting of andere extra screeningsverplichting op te leggen in plaats van een Bibob-toets?
Een werkgever kan van zijn medewerkers momenteel al een VOG verlangen, maar een VOG is niet verplicht voor leidinggevenden in de horeca. Een dergelijke VOG-verplichting vergt een wetswijziging.
Bij een VOG-aanvraag voor leidinggevenden in de horeca wordt, anders dan bij een Bibob-toets, enkel onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van de desbetreffende persoon, waarbij het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, wordt afgewogen tegen het belang van de aanvrager. Met een Bibob-toets wordt de achtergrond van bedrijven en personen met wie zij zakendoen, gescreend. Daarbij kunnen meer bronnen worden gebruikt dan bij een VOG-screening, waarmee het een volledig beeld geeft over het risico dat een vergunning wordt misbruikt voor criminele doeleinden. De integriteit van de overheid wordt zo beschermd. Een Bibob-toets is daarom qua omvang en doel van screening niet één-op-één te vervangen door een VOG-verplichting voor leidinggevenden in de horeca.
Andere screeningsmogelijkheden bestaan in de vorm van de zedelijkheid- en slecht levensgedrag-toetsen die kunnen worden ingezet bij het verstrekken van een vergunning op basis van de Alcoholwet. Ook bij het verstrekken van een exploitatievergunning kan een bestuursorgaan een slecht levensgedrag-toets doen. De slecht levensgedrag-toets houdt in dat leidinggevenden van horecabedrijven niet «in enig opzicht van slecht levensgedrag» mogen zijn. Zo wordt onder meer de veiligheid en de openbare orde gewaarborgd. Door het doen van de minder ingrijpende slecht levensgedrag-toets kan de zwaardere Bibob-toets in een groot deel van de gevallen buiten beschouwing blijven.
Is het mogelijk voor een gemeente om te differentiëren in de kosten voor een Bibob-aanvraag, bijvoorbeeld voor de aanvraag van een nieuwe vergunning versus de wijziging op een bestaande vergunning? Zo ja, welke gemeente hanteert een gedifferentieerd tarief? Zo nee, waarom niet?
Het is een bestuursorgaan niet toegestaan om de kosten van een Bibob-onderzoek door te belasten aan de persoon of de onderneming die de vergunningaanvraag doet. Een Bibob-toets wordt namelijk uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.8 Een vergunningaanvrager betaalt enkel de leges voor de vergunning zelf. Een bestuursorgaan heeft de eigen bevoegdheid om deze leges te heffen en neemt in een legesverordening op voor welke activiteiten welke leges in rekening worden gebracht. Het gaat hierbij namelijk om hun eigen taken die moeten worden bekostigd. Zij zijn daarbij vrij om te bepalen welke leges worden geheven, wat de hoogte is van de gehanteerde tarieven en hoe de kosten worden toegerekend, waarbij het enkel kan gaan om kostendekkendheid. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld de aanvraag van een vergunning en de bijschrijving van een dagleidinggevende.
Klopt het dat een aantal gemeenten heeft aangegeven met extra eigen maatregelen te komen indien de verplichte bijschrijving voor horecaondernemingen vervalt? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen dit zijn? Nemen deze de regeldruk en extra kosten voor ondernemers volgens u weg?
Ja, dat klopt. Gemeenten hebben de Staatssecretaris van VWS nadrukkelijk verzocht de verplichte bijschrijving in stand te houden. Het is van belang om op voorhand te kunnen controleren wie de dagleidinggevenden van een horecaonderneming zijn. Dit is onder andere een belangrijk instrument voor gemeenten om openbare ordeproblemen te voorkomen. Als de verplichte bijschrijving op het aanhangsel bij de Alcoholwetvergunning komt te vervallen, zouden gemeenten er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de bijschrijving op de exploitatievergunning te verplichten, zodat inzichtelijk blijft wie als dagleidinggevende van een onderneming fungeert. In dat geval blijven de extra kosten in stand en zal de regeldruk voor horecaondernemers ook niet afnemen.
Het moratorium om te handhaven op schijnzelfstandigheid |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Hoe verhoudt de uitspraak die u, de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, deed in het commissiedebat Belastingdienst van 15 februari 20241, namelijk dat de wijziging van het arbeidsrecht nodig is om het moratorium er af te krijgen, zich tot eerdere uitspraken die u, de Minister van Sociale Zaken en Werklgelegenheid, heeft gedaan in brieven zoals dat de aanpak rondom zelfstandigen zonder personeel (zzp) op drie parallelle sporen berust (het creëren van een gelijker speelveld, het creëren van duidelijkheid en de handhaving op schijnzelfstandigheid) en in debatten dat de situatie niet meer zo is dat er pas gehandhaafd kan worden als gezag duidelijker is (zoals in het commissiedebat arbeidsmarktbeleid van 20 oktober 20222)?
Tijdens het commissiedebat Belastingdienst van 15 februari 2024 heb ik, de Staatssecretaris van Fiscaliteit en Belastingdienst, aangegeven dat het opheffen van het handhavingsmoratorium als randvoorwaarde kent dat daarnaast ook de wetgeving op het terrein van het arbeidsrecht moet worden verduidelijkt.3 Dit is overeenkomstig de boodschap van het kabinet dat voor de aanpak rondom schijnzelfstandigheid maatregelen langs 3 lijnen nodig zijn. Daarbij geldt: de voortgang op de ene lijn kan niet wachten op de andere; elk van de drie is urgent om stappen op te zetten. Daarom wachten we voor het opheffen van het handhavingsmoratorium niet tot de wijziging van wetgeving op het terrein van het arbeidsrecht is ingevoerd. Een wettelijke verduidelijking biedt opdrachtgevers en opdrachtnemers meer duidelijkheid om een arbeidsrelatie te beoordelen. Ook biedt de beoogde verduidelijking van wetgeving uitvoeringsorganisaties, toezichthouders en de rechtspraak handvatten bij het kwalificeren van arbeidsrelaties en de handhaving daarop.
Onduidelijke regelgeving heeft een negatief effect op de naleving van regelgeving en daarmee op de handhaving. Handhaving start daarom met duidelijke wetgeving zodat burgers en bedrijven zich aan de regels kunnen houden. Dit is (de basis voor compliance en) in lijn met de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van de Belastingdienst. Die strategie gaat ervan uit dat burgers en bedrijven «zoveel mogelijk uit zichzelf regels naleven, zonder dwingende en kostbare acties van de zijde van de Belastingdienst.» Een wettelijke basis draagt bij aan de naleving van regels door burgers en bedrijven.
Met een wetsvoorstel dat een wettelijk toetsingskader aanreikt en verduidelijkt wanneer sprake is van werknemerschap en wanneer sprake is van werk dat door een zelfstandige kan worden verricht, wordt schijnzelfstandigheid tegengegaan. Daarnaast wordt het makkelijker voor burgers en bedrijven om de regelgeving na te leven, wordt handhaving daarop beter hanteerbaar én wordt meer grip geboden aan diegenen die als of met zelfstandige(n) willen werken.
De relevante doelgroep is dusdanig groot dat de Belastingdienst de naleving van de wet- en regelgeving niet bij iedereen kan afdwingen, niet in de huidige situatie, niet onder de nieuwe wetgeving en ook niet als het handhavingsmoratorium is komen te vervallen.
Momenteel wordt er al gehandhaafd. De uitvoering van de handhaving op de kwalificatie arbeidsrelatie voor de loonheffingen vindt op dit moment plaats binnen de kaders van het handhavingsmoratorium dat het kabinet heeft ingesteld. Er kan alleen gecorrigeerd worden op kwaadwillende onjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie of indien aanwijzingen van de Belastingdienst, dat sprake is van een dienstbetrekking, niet binnen redelijke termijn zijn opgevolgd. Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de handhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst. Dit is voor het laatst gebeurd in de voortgangsbrief werkprogramma PNIL die op 24 januari jl. met uw Kamer is gedeeld en onder meer een overzicht van bedrijfs- en boekenonderzoeken bevat.4 Het kabinet heeft de ambitie om het handhavingsmoratorium op 1 januari 2025 volledig op te heffen. Dit wordt zorgvuldig voorbereid binnen het programma Handhaving arbeidsrelaties van de Belastingdienst (lijn 3 uit de voortgangsbrief werken met en als zelfstandige van 16 december 20225). Op 28 februari 2024 is het Handhavingsplan arbeidsrelaties tranche 2024 gepubliceerd.6 Deze tranche gaat over de weg naar het opheffen van het handhavingsmoratorium.
Wat zou vertraging van de inwerktreding van de wet bedoeld om arbeidsrelaties te verduidelijken betekenen voor de opheffing van het handhavingsmoratorium?
Het kabinet blijft voornemens om per 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium op te heffen. Zoals aangekondigd in de voortgangsbrief van 16 december 2022 zal wat betreft het opheffen van het handhavingsmoratorium naast een uitvoeringstoets door de Belastingdienst ook een MKB-toets plaatsvinden. Verder zullen het UWV en de Arbeidsinspectie de gevolgen van de opheffing voor hen in kaart brengen. De uitkomsten zullen aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het Ministerie van SZW en het Ministerie van Financiën/Belastingdienst zetten daarnaast de komende maanden extra communicatie in met specifieke aandacht om stakeholders op tijd te informeren over de ambitie tot opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025.
De ambitie tot opheffing van het handhavingsmoratorium is al meerdere malen gecommuniceerd in Kamerbrieven7, het handhavingsplan arbeidsrelaties 2023 en 2024, presentaties waarin de Belastingdienst toelichting geeft op activiteiten in relatie tot handhaving arbeidsrelaties waaronder de Intermediair Dagen 2023 en podcasts waaraan de programmamanager handhaving arbeidsrelaties een bijdrage heeft geleverd.
Schijnzelfstandigheid bij YoungOnes |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ook Arbeidsinspectie stelt; wie via YoungOnes bij H&M werkt is geen zzp’er maar uitzendkracht»?1
Ja.
Hoe gaat u bij de invoering van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten voorkomen dat zelfstandigen worden ingezet waar het eigenlijk zou moeten gaan om uitzendkrachten?
Binnen het toekomstige toelatingsstelsel moeten ondernemingen of rechtspersonen die arbeidskrachten ter beschikking stellen een toelating of ontheffing hebben. Ik ben me bewust van het risico op een verschuiving naar schijnzelfstandigheid. De Arbeidsinspectie zal daarom in haar toezichts- en handhavingsactiviteiten in het kader van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aandacht hebben voor het onderkennen en blootleggen van schijnconstructies. Onderzoek bij een inlener of een uitlener kan het startpunt zijn van een onderzoek naar de feitelijke omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht. Als de Arbeidsinspectie vaststelt dat arbeid die op papier door zelfstandigen wordt verricht, feitelijk het ter beschikking stellen van arbeidskrachten betreft, zal zij handhavend optreden vanwege overtreding van de regels van het toelatingsstelsel.
Welke acties heeft de Belastingdienst uitgevoerd om hierop te handelen? Klopt het dat de Belastingdienst een brief heeft gestuurd dat er mogelijk sprake is van werkgeverschap, maar dat er verder geen actie is ondernomen?
De Belastingdienst doet over individuele belastingplichtigen geen uitspraak op grond van zijn geheimhoudingsplicht (artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
In het algemeen geldt dat de Belastingdienst onder het handhavingsmoratorium een verscherpt uitvoeringsprotocol moet volgen alvorens een correctie kan worden opgelegd. Als een boekenonderzoek uitwijst dat sprake is van een onjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie en de arbeidsrelatie moet worden aangemerkt als een dienstbetrekking, kan de Belastingdienst een aanwijzing geven. De Belastingdienst laat dan aan de opdrachtgever weten dat deze zijn werkwijze moet aanpassen. Doet de opdrachtgever dat niet binnen een redelijke termijn (meestal 3 maanden), dan corrigeert de Belastingdienst de loonaangifte van de opdrachtgever.
De opdrachtgever moet dan alsnog loonheffing en premies werknemersverzekeringen betalen voor de schijnzelfstandige die voor hem werkt.
Door het handhavingsmoratorium kan de Belastingdienst niet verder teruggaan in de tijd dan tot het moment waarop hij de aanwijzing gaf, tenzij sprake is van kwaadwillendheid.
Kunt u toezeggen dat de Belastingdienst naar aanleiding van het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie direct bij YoungOnes gaat handhaven op schijnzelfstandigheid?
De Belastingdienst doet over individuele belastingplichtigen geen uitspraak op grond van zijn geheimhoudingsplicht (artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). In het algemeen geldt dat wanneer de Belastingdienst bij een boekenonderzoek constateert dat sprake is van een onjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie, de Belastingdienst onder het handhavingsmoratorium kan overgaan tot naheffingen voor de loonheffingen bij kwaadwillendheid of na een aanwijzing.
Het nieuwsbericht ‘Winkelstraat loopt verder leeg: al 433.000 vierkante meter niet meer gebruikt’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Winkelstraat loopt verder leeg: al 433.000 vierkante meter niet meer gebruikt» in het Algemeen Dagblad van 25 april 2024?
Ja.
Hoe kijkt u naar de toenemende leegstand in de winkelstraat, met name in vooral kleine stadscentra?
Voor Corona was sprake van een duidelijke trend; groeiende populariteit van de grote winkelsteden als populaire shopbestemming, ten koste van kleinere stadscentra, die langzaam hun regionale centrumfunctie kwijt raakten. Tijdens Corona zette deze trend zich niet door en leken de kleinere stadscentra juist weer aan populariteit te winnen. Dat gold zeker ook voor de verspreid liggende winkelcentra op wijkniveau. Volgens de laatste gegevens van Locatus is dit Corona-effect nu echt uitgewerkt. De drukte in de grote winkelsteden is weer op het niveau van voor Corona, terwijl de drukte in de kleinere stadscentra achterblijft. Het lijkt erop dat we daarmee weer terug zijn bij de trend van voor de Corona-periode. In algemene zin is daarom de verwachting dat kleinere stadscentra in de toekomst steeds verder onder druk zullen komen te staan.
Wat is volgens u de reden dat vooral kleine stadscentra het extra zwaar hebben?
De afgelopen decennia hebben de stadscentra, ook de kleinere, geprofiteerd van de steeds verder toenemende vraag van consumenten naar retail-producten. Door een strikt ruimtelijk beleid nam het aantal winkels in vooral de non-food in stadscentra gestaag toe. Middelgrote steden profiteerden als regionaal centrum sterk van deze groei. De vraag van consumenten is echter aan het veranderen. Bijvoorbeeld door de opkomst van online winkelen, de vergrijzing van het winkelpubliek en de veranderende behoefte aan vrijetijdsbesteding. En als gekozen wordt voor een dagje shoppen, dan wordt steeds vaker de voorkeur gegeven aan de grote steden, die naast meer en een grotere verscheidenheid aan winkels, ook meer te bieden hebben op het gebied van horeca en cultuur. Het gevaar bestaat dat kleinere centra hierbij in een negatieve spiraal raken, die lastig te doorbreken is. Dit vraagt om een integrale aanpak, waar alle stakeholders bij betrokken worden en waarbij een waaier van elkaar versterkende instrumenten wordt ingezet. Zo is het belangrijk om een breed gedragen visie te ontwikkelen als gemeenschappelijke leidraad voor de toekomst van de binnenstad en te investeren in een gezamenlijke aanpak.
Soms is het nodig om delen van het binnenstedelijk winkelgebied te herstructureren en te transformeren, omdat zowel de kwaliteit van de openbare ruimte, als dat van het privaat eigendom achterblijft. Herstructurering en binnenstedelijke transformatie zijn echter kostbaar en complex, onder meer vanwege de verdeelde eigendomssituatie en de noodzakelijke maatwerkaanpak. De Impulsaanpak Winkelgebieden maakt een integrale, publiek-private aanpak mogelijk van zowel de plint als de bovenliggende woonlagen. Hierdoor wordt zowel leegstand teruggedrongen, als plaats gemaakt voor andere functies zoals wonen. Met de Impulsaanpak worden nu al 87.000 m2 winkelmeters gesaneerd en worden meer dan 2.000 woningen gerealiseerd. De vierde en laatste openstellingsronde is 21 mei geopend. Eind november zullen de laatste beschikkingen worden afgegeven.
Hoe vindt u ervan dat veel ondernemers de coronabeperkingen nog niet te boven zijn en de hogere lonen, inkoopkosten en huren nu alsnog hun tol eisen?
Het terugbetalen van te veel ontvangen steunmaatregelen is voor veel retail-ondernemers lastig, zeker in combinatie met de gestegen kosten, die niet alle ondernemers (snel) konden doorberekenen aan hun klanten. De verwachte faillissementsgolf na Corona is echter uitgebleven. Een economische crisis is na de inval in Oekraïne en de daaropvolgende periode met sterke inflatie eveneens uitgebleven en de drukte in de winkelstraten gaat langzamerhand weer naar de niveaus van voor Corona. De vooruitzichten voor de sector als geheel lijken daarom redelijk positief. Vanuit macro-economisch perspectief is het toegenomen aantal faillissementen geen directe reden tot zorg. Ook al omdat het aantal faillissementen de afgelopen jaren historisch laag was. Een stijging moet dus gezien worden ten opzichte van deze bijzondere periode. Maar ik zie ook dat op individueel niveau een faillissement vaak een drama is voor de betrokkenen. Een faillissement gaat altijd gepaard met schade, voor eigenaren en toeleveranciers, verhuurders, klanten, maar ook voor de werknemers.
Maakt u zich zorgen over de stijgende leegstand in de Nederlandse winkelstraten?
De stijgende leegstand in vooral de kleinere stadscentra is een belangrijk signaal om lokaal aan de slag te gaan met alle betrokken stakeholders, omdat oude oplossingsrichtingen niet langer werken. Dat betekent dat nagedacht moet worden over nieuwe ontwikkelrichtingen, die passen bij lokale kansen en mogelijkheden. Maatwerk is daarbij het uitgangspunt, waarbij gemeenten elkaar zeker kunnen inspireren. Het negeren van het signaal van stijgende leegstand kan stilstand en uiteindelijk een fase van verloedering inluiden.
Hoe kijkt u tegen de rol van gemeentes aan?
De gemeenten spelen een uiterst belangrijke rol door lokaal de regie te nemen en alle stakeholders bij elkaar te brengen. Daarnaast spelen ze een belangrijke rol bij het scheppen van de voorwaarden om noodzakelijke veranderingen in gang te zetten om binnensteden toekomstbestendig te maken.
Zijn gemeentes zich bewust van hun urgente rol in het leefbaar houden van de binnensteden?
Ja, het is mijn overtuiging dat gemeenten zich bewust zijn van de urgentie van hun rol. Dat wil niet zeggen dat alle gemeenten in dezelfde ontwikkelfase verkeren. Juist daarom kunnen gemeenten veel van elkaar leren.
Ben u op de hoogte van het feit dat startende ondernemers met nieuwe concepten vaak tegen het probleem aanlopen dat het bestemmingsplan op bepaalde winkelpanden niet past bij hun activiteiten en zij daarom niet kunnen starten, maar dat gemeentes een afwachtende houding lijken te hebben voor nieuwe concepten? Hoe kijkt u hier tegenaan?
Uit de aard van de zaak is het logisch en niet te vermijden dat gemeenten «achterlopen» op nieuwe ontwikkelingen. En het is ook niet verkeerd dat gemeenten een zekere prudentie in acht nemen. Niet elke nieuwe ontwikkeling is per se een verrijking, zoals de razendsnelle opkomst van de flitsbezorging liet zien. Waar veel gemeenten de afgelopen jaren gekozen hebben voor een brede «binnenstadsbestemming» die nieuwe ontwikkelingen weinig in de weg legde, betreuren veel van deze gemeenten nu dat ze daarmee ook de mogelijkheden hebben ingeleverd om te sturen op ontwikkelingen die nu als ongewenst worden gezien. Zo is het belangrijk om het kernwinkelgebied compact te houden en niet te veel te «verdunnen» door de komst van (te veel) (dag)horeca en dienstverleners als kappers en nagelstudio’s. Dit soort ontwikkelingen laat zich slecht reguleren met een brede binnenstadsbestemming. Bestemmingsplannen geven in het algemeen een bestemming op hoofdlijnen, dat wil zeggen een bepaald type gebruik. Het ligt niet in de rede om de bestemming voor een bepaald gebied (telkens) aan te passen wanneer één mogelijke gebruiker niet in het gekozen bestemmingsprofiel past. In het verleden hebben we echter gezien dat er veel mogelijk is wanneer de nieuwe gebruiker en gemeente echt met elkaar in gesprek gaan over maatwerkoplossingen.
Is er al zicht op een eerste evaluatie van de Impuls Winkelgebieden? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten?
In 2027 zal de eerste wettelijk verplichte tussenevaluatie van de Impulsaanpak plaatsvinden, 5 jaar na de start van de regeling. De eindevaluatie zal plaats vinden na het beëindigen van de regeling in 2032. Na afgifte van de beschikking hebben gemeenten namelijk 7 jaar de tijd om hun project te realiseren. Eind dit jaar zullen de beschikkingen voor de 4e en laatste openstellingsronde worden afgeleverd.
Daarnaast is ervoor gekozen om gemeenten elk jaar voortgangrapportages op te laten stellen, die de basis vormen voor de jaarlijkse voortgangsgesprekken. Op die manier kunnen de projectplannen, binnen kaders, meebewegen met wijzigingen in de omstandigheden. Op deze manier wordt ook de voortgang van de projecten als geheel gemonitord. De voortgangsrapportages en -gesprekken vormen daarnaast een belangrijke informatiebron voor de communicatie van opgedane ervaringen en inzichten naar andere gemeenten.
Het bericht 'Mkb’ers verliezen bankrekening door strikte anti-witwasregels: ‘Onacceptabele toestanden’' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Wat vindt u van de voorstellen in het vijfpuntenplan van VNO-NCW en MKBNederland, waardoor mkb-ondernemers in hun dagelijks werk minder last moeten krijgen van strenge anti-witwasregels voor banken, notarissen en makelaars?1
De doelstellingen van het vijfpuntenplan van VNO-NCW en MKB-overlappen deels met de beleidsagenda aanpak witwassen en het wetsvoorstel plan van aanpak witwassen.2 Het vijfpuntenplan stelt de volgende zaken voor: een doeltreffender en doelmatiger aanpak van witwassen, het invoeren van een cashlimiet, het invoeren van een basisbetaalrekening voor zakelijke klanten, duidelijke en uitvoerbare regels en het aanstellen van een nationaal coördinator.
Het vijfpuntenplan bevat een aantal acties waar het kabinet al mee bezig is. Zo is het wetsvoorstel plan aanpak witwassen op 21 oktober 2022 ingediend bij uw Kamer. Dit voorstel bevat een verbod voor beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen om transacties vanaf € 3.000 in contanten te verrichten. Op 13 februari 2024 informeerde ik uw Kamer, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, over het destijds op handen zijnde akkoord op het pakket met Europese wetgevende voorstellen op het terrein van het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering (AML-pakket).3 Het AML-pakket heeft gevolgen voor een groot deel van de onderdelen van het wetsvoorstel plan van aanpak witwassen. Wel laat het AML-pakket ruimte voor de invoering van een limiet op contante betalingen. Daarom heb ik, samen met de Minister van Justitie en Veiligheid, op 16 april 2024 voorgesteld om via een nota van wijziging het wetsvoorstel aan te passen, om de limiet op contante betalingen boven € 3.000 voor goederen zoveel mogelijk in lijn te brengen met de AML-verordening.4 Het gaat hier alleen om betalingen voor goederen, en niet voor betalingen voor het verlenen van diensten. Dit laatste behoeft namelijk nadering bestudering en vergt daardoor meer tijd.
In de beleidsagenda aanpak witwassen heeft het kabinet een prioriteit gemaakt van het borgen van de toegang tot betalingsverkeer. In mijn brief van 25 april heb ik uw Kamer laten weten dat ik momenteel verschillende opties uitwerk met voor-en nadelen om de toegang tot betalingsverkeer te borgen. Hierbij kijk ik ook specifiek naar de invoering van een basisbetaalrekening voor zakelijke klanten.5 Ik streef ernaar om uw Kamer rond de zomer hierover nader te informeren.
In het algemeen wil ik aangeven dat ik uiteraard voor een doelmatige aanpak van witwassen ben en uitvoerbare regels. Poortwachters hebben op basis van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) veel ruimte om zelf hun poortwachtersrol in te richten. De Wwft verplicht banken en andere poortwachters om cliëntenonderzoek te doen. Dit onderzoek dient risicogebaseerd te zijn. Zijn de risico’s op witwassen of financieren van terrorisme hoog, dan zal het onderzoek diepgaander moeten zijn dan als de risico’s laag zijn.
De Nederlandsche Bank (DNB), als toezichthouder van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) op banken, concludeert dat de beheersing van integriteitsrisico’s op een hoger niveau is, maar dat een aantal banken nog steeds in een herstelfase zitten en dat in de risicoanalyses van banken ruimte voor verbetering is.6 Ik begrijp dat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) handvatten geboden heeft aan banken in de vorm van standaarden, waaronder standaarden over hoe om te gaan met bepaalde sectoren. Deze zijn samen met deze sectoren opgesteld. Banken kunnen deze standaarden gebruiken. Omdat een aantal banken nog in de herstelfase zitten en daarbij ook de risicogebaseerde benadering onvoldoende toepassen, ligt de bal nu bij hen. De prioriteit moet bij die verbeteringen liggen.
Kunt u zich vinden in de mening van deze organisaties dat de werkwijze bij het toezicht «ineffectief en inefficiënt» is en dat bedrijven eronder lijden door volgens hen afwijkend beleid van Nederland dat ervoor zorgt dat banken hen het hemd van het lijf vragen over hun geldstromen?
Banken hebben verplichtingen op grond van de Wwft. DNB houdt hier toezicht op. Banken zijn poortwachter en dienen te voorkomen dat het financieel stelsel wordt gebruikt voor witwassen en het financieren van terrorisme. Het beleggen van de poortwachtersfunctie bij banken, andere financiële ondernemingen en verschillende beroepsbeoefenaars wordt internationaal gezien als de meest effectieve manier om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. Dit volgt niet alleen uit de Europese anti-witwasregelgeving, maar ook uit de standaarden van de Financial Action Task Force (FATF), waarop de Europese anti-witwasrichtlijnen zijn gebaseerd. Een bank dient onder andere te weten wie hun klanten zijn, door individueel cliëntenonderzoek te doen en daarbij een inschatting te maken van mogelijke witwasrisico’s van de klant. Dit moeten banken doen op basis van een risicogebaseerde benadering, waarbij de hoge risico’s van de lage worden onderscheiden. Afhankelijk van de risico’s moeten zij passende beheersmaatregelen doorvoeren in de relatie met de individuele klant. DNB constateert dat de risicogebaseerde aanpak in de praktijk beter kan. De beheersmaatregelen die banken nu nemen staan soms niet in verhouding tot het daadwerkelijke risico op witwassen dat een klant met zich meebrengt.7 Ik zie dat dit effectiever en efficiënter kan en ook moet.
De afwijking waar in het artikel aan wordt gerefereerd, doelt opdat er in Nederland van banken gevraagd wordt om ongebruikelijke transacties in plaats van verdachte transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit (FIU-NL). De FATF noemt in haar evaluatie van het Nederlandse stelsel de systematiek van werken met ongebruikelijke transacties als een belangrijke verworvenheid en succesfactor. Het meldsysteem in Nederland is bewust zo laagdrempelig mogelijk ingericht, om alle poortwachters (niet alleen banken) zoveel mogelijk te ontlasten in het verrichten van onderzoek naar ongebruikelijke transacties. Het melden van verdachte transacties brengt namelijk extra lasten met zich mee voor poortwachters. Immers, poortwachters dienen in zo’n systeem diepgravend onderzoek te doen naar transacties om vast te stellen of er meer aan de hand is dan enkel een ongebruikelijkheid. De inrichting van dit systeem is dus juist bedoeld om de poortwachter te ontlasten en moet dus niet leiden tot inefficiëntie of ineffectiviteit. Over de vragen die banken soms stellen aan hun klanten in het kader van de Wwft, verwijs ik naar mijn eerdere antwoord op vraag 1, waarbij ik aangeef dat banken de risicogebaseerde aanpak die de Wwft van hen vraagt nog steeds niet voldoende geïmplementeerd hebben.
Herkent u het signaal dat vooral kleine en middelgrote ondernemers door het strenge regime in de knel zitten en daardoor niet of nauwelijks toegang krijgen tot relatief kleine kredieten, veel administratieve rompslomp hebben en aan «disproportionele» eisen voldoen als zij contant geld aannemen?
Ik herken de signalen van ondernemers die lastig toegang tot het betalingsverkeer verkrijgen of behouden. Dit vind ik zorgelijk. Dat de problemen met de toegang tot het betalingsverkeer met name door de Wwft zou komen wil ik overigens nuanceren. Onderzoek van DNB laat zien dat slechts voor een relatief klein deel van de klanten die door een bank geweigerd worden geldt dat dit voorkomt uit de Wwft.8 Van de zakelijke klanten die door banken geweigerd zijn in 2021, is 18% geweigerd op basis van een Wwft-reden. Het gaat dan vaak om afwijzing als gevolg van onvolledige of foutieve documentatie, het niet willen meewerken aan informatieverzoeken, het niet passen binnen de risicobereidheid van de bank of onvoldoende binding hebben met Nederland. Wel is het zo dat van klanten waarvan de dienstverlening beperkt is, dit wel hoofdzakelijk een Wwft-reden kent. Beperking van dienstverlening vindt plaats wanneer er een witwasrisico geconstateerd wordt en is mitigerende maatregel om het risico op witwassen te verkleinen. Een eventuele beperking van de chartale dienstverlening als risicomitigerende maatregel moet proportioneel zijn, mag het legitieme gebruik van contant geld niet onnodig belemmeren en moet toegesneden zijn op het risico en de specifieke omstandigheden van de cliënt. In ieder geval kan de cliënt ook zelf kijken of het gebruik van contant geld nodig is, gelet op de witwasrisico’s die hiermee gaan gepaard. Maatregelen zoals categorale uitsluiting van het gebruik van contant geld, of categorale limieten aan het gebruik daarvan voor hele sectoren voldoen in ieder geval niet aan het doel van de Wwft en de risicogebaseerde benadering.9
De andere 82% van de reden waardoor een zakelijke klant geen betaalrekening kan openen kent dus een andere reden dan de Wwft. De redenen betreffen dan o.a. fraude, reputatierisico’s voor de bank, commerciële redenen en milieugerelateerde of maatschappelijke factoren. Juist omdat het hierbij gaat om andere factoren dan alleen de Wwft ben ik aan het kijken naar het duurzaam borgen van de toegang tot betalingsverkeer, ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1.
Voor zover uw vraag betrekking heeft op kredietverlening aan het MKB is een verband tussen de Wwft en het verlenen van het krediet moeilijker te vinden. Ik herken de signalen dat er een dalende trend is in verstrekking van klein bancair krediet aan het MKB. Er zijn echter meerdere factoren die hier invloed op hebben en een causaal verband tussen de Wwft en de terugloop in kredietverlening is dan ook niet direct te maken. In het lopende Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering wordt nader onderzoek gedaan naar mogelijke knelpunten in het bedrijfsfinancieringslandschap en hoe deze – indien nodig – kunnen worden verbeterd.10
Herkent u het signaal dat bonafide ondernemers in het uiterste geval zelfs geen bankrekening kunnen krijgen, omdat zij actief zijn in branches waar het risico op witwassen groot is?
Ik herken deze signalen. Ik heb uw Kamer laten weten dat niet uit de Wwft volgt dat klantengroepen categoraal geweigerd mogen worden.11 Dit mag dus niet gebeuren. Dit staat ook in de Leidraad Wwft van DNB en de algemene leidraad Wwft van het Ministerie van Justitie & Veiligheid en het Ministerie van Financiën. Het is een eigen verantwoordelijkheid van een Wwft-instelling om een inschatting te maken van de relevante risico’s en daar vervolgens voldoende mitigerende maatregelen tegenover te stellen, dit dient op individuele basis plaats te vinden. DNB toetst of de risicogebaseerde aanpak van banken conform de Wwft plaatsvindt. Daarnaast ben ik momenteel bezig, zoals ik al aangaf in het antwoord op vraag 1, met het uitwerken van verschillende opties om de toegang tot betalingsverkeer te borgen.
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van 23 februari 2024 en uw antwoorden daarop, over het artikel: «Bank vraagt klantgegevens aan ondernemers bij contante betaling» van Radar.nl, die over dezelfde problematiek gaan en welke acties heeft u sindsdien ondernomen?
Ja. Zoals ik toen heb aangegeven in de beantwoording, lopen er verschillende trajecten om de risicogebaseerde benadering van banken te verbeteren. Die lopen nog steeds en het is aan banken om hier vaart achter te zetten. Daarnaast heeft de NVB aangekondigd dat zij in overleg met de sector zal bespreken welke stappen er genomen kunnen worden om de communicatie met cliënten te verbeteren. De NVB is daarmee bezig. DNB heeft op 8 mei haar Q&A en Good Practices gepubliceerd waar DNB meer aandacht besteed aan de risicogebaseerde invulling van de Wwft verplichtingen.12 DNB zal met de banken, via de NVB, in gesprek blijven over het verbeteren van de risicogebaseerde aanpak en of dit voldoende handvatten biedt.
Zoals ik eerder heb aangegeven ben ik voor een effectieve en efficiënte aanpak van witwassen, maar ligt de bal momenteel bij de banken om aan de gang te gaan met de verschillende handvatten die hen zijn geboden.
Deelt u de conclusie dat in Nederland het toezicht zo zwaar is uitgelegd dat dit heeft geleid tot enorme investeringen in controle en massaal zoeken naar spelden in hooibergen, die doodnormale, goedwillende ondernemers heel veel last opleveren?
Nee, die conclusie deel ik niet. De FATF heeft in 2022 een evaluatierapport gepubliceerd over het Nederlandse beleid tegen witwassen, terrorismefinanciering en financiering van de verspreiding van massavernietigingswapens.
Uit de evaluatie blijkt dat Nederland de afgelopen jaren grote vooruitgang geboekt in zijn aanpak van witwassen en financiering van terrorisme. De FATF betitelt de Nederlandse aanpak van witwassen als een robuust systeem en beschouwt de binnenlandse samenwerking en coördinatie op zowel beleids- als operationeel niveau als kernkwaliteiten.13 Uiteraard zijn er verbeterpunten, waaronder de verbetering van de risicogebaseerde aanpak bij banken. De risicogebaseerde aanpak, de invulling en verbetering daarvan ligt bij poortwachters. Een meer risicogebaseerde aanpak kan ervoor zorgen dat banken klantrisico's op een adequatere en meer gebalanceerde manier inschatten en dat er geen sprake is van overcompliance. Bij overcompliance doet de poortwachter meer dan nodig en dat kan deels komen door een onjuiste risico-inschatting. Een verkeerde inschatting kan twee kanten op werken. Enerzijds kan een te lage inschatting van de risico’s ertoe leiden dat een bank te weinig risicobeheersende maatregelen neemt. Anderzijds kan een te hoge inschatting van de risico’s ertoe leiden dat een bank te veel en te intensieve maatregelen neemt. Dit kan ten onrechte de toegang tot bancaire dienstverlening beperken. En het zadelt de klant op met soms vergaande vragen om informatie en documentatie.14
Bent u bereid het voorstel te onderzoeken voor een wettelijke plicht voor banken om ondernemers een basisbetaalrekening te verstrekken, net zoals dit geldt voor particulieren?
Ja. Zoals aangeven in het antwoord onder vraag 1 informeer ik uw Kamer rond de zomer over opties voor het borgen van de toegang tot het betalingsverkeer met daarbij voor- en nadelen, waarbij ik ook specifiek kijk naar de mogelijk voor een basisbetaalrekening voor zakelijke klanten.
Bent u het met de ondernemersverenigingen eens dat er vaart gemaakt moet worden met een zinnige aanpak van witwassen en dat het niet helpt dat de nieuwe plannen momenteel in de ijskast staan?
Ik ben het eens met dat er voortgang moet komen op de verbeteringen ten aanzien van de aanpak van witwassen. Als ik terugkijk en verwijs naar het antwoord op vraag 1 is er door het kabinet de afgelopen jaren gewerkt aan het wetvoorstel Plan van Aanpak witwassen en de Beleidsagenda aanpak witwassen. De Tweede Kamer is van de voorgang van deze trajecten verschillende malen op de hoogte gesteld. Het afgelopen half jaar zijn deze, omwille van de demissionaire status van het kabinet, controversieel verklaard door uw Kamer. Uw Kamer heeft onlangs besloten het voorstel niet langer controversieel te verklaren.
Daarnaast zal in de komende jaren ook het nieuwe Europese AML-pakket geïmplementeerd en uitgevoerd moeten gaan worden. Dit pakket zal in de komende weken formeel vastgesteld worden. Dit AML-pakket heeft gevolgen voor Nederland. Met dit pakket wordt beoogd de effectiviteit van het anti-witwasraamwerk van de Europese Unie te verbeteren door de regelgeving meer te harmoniseren. Dit pakket dient, voor het grootste gedeelte, binnen drie jaar nadat het formeel is vastgesteld geïmplementeerd te worden.
Het bericht 'Tandarts en andere mkb’ers wacht nog een berg bureaucratie' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Tandarts en andere mkb’ers wacht nog een berg bureaucratie»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen alle regeldruk waarmee ondernemers te maken hebben?
Met regelgeving komt regeldruk. In een complexe maatschappij zijn spelregels nodig om met elkaar samen te leven en gedeelde doelstellingen te realiseren. De afweging of de regeldruk die met een nieuwe regeling gepaard gaat, opweegt tegen de inhoudelijke beleidswens, is een politieke, of het nu gaat over bijvoorbeeld de gezondheidszorg, de bescherming van werknemers of het klimaat.
Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat de ondernemers uit de voeten kunnen met de verplichtingen die we ze opleggen. Zijn die werkbaar? Ook is relevant of de kosten die ermee gepaard gaan niet te hoog worden. Voor kleine bedrijven kan generieke regelgeving een te grote last zijn. Daarmee heeft de overheid rekening te houden. Het is de kunst om de balans te vinden tussen regels die werken en de lasten die met die regels gemoeid zijn.
Om de verplichtingen waar ondernemers in de praktijk mee te maken hebben in kaart te brengen, heb ik recent in zes sectoren het MKB-indicatorbedrijvenonderzoek laten uitvoeren. Daarbij is onderzocht welke verplichtingen zij als meest belastend ervaren. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek bekijk ik welke maatregelen mogelijk zijn om knelpunten op te lossen of regeldrukkosten te verminderen. In het najaar wordt u hier nader over geïnformeerd via de jaarlijkse voortgangsrapportage van het Programma vermindering regeldruk ondernemers.
Wat zijn de gevolgen van de toenemende regeldruk voor ondernemers voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
De geluiden hierover wisselen. Enerzijds zijn er bronnen die de noodklok luiden over de gevolgen van regeldruk voor het Nederlandse vestigingsklimaat, terwijl anderzijds de concurrentiepositie van het Nederlandse vestigingsklimaat op het internationale toneel sterk lijkt.
Zo is aan de ene kant naar buiten gekomen dat naast de fiscale druk en de betrouwbaarheid van de overheid, de toenemende regeldruk een belangrijke oorzaak is voor het vertrek van ondernemers uit Nederland2. Aan de andere kant blijkt uit de Burden of Government Regulation indicator van het World Economic Forum3 (WEF) dat regeldruk als gevolg van overheidsverplichtingen in Nederland vooralsnog geen negatieve invloed heeft op het vestigingsklimaat. Deze indicator is onderdeel van de Global Competitiveness Index en komt tot stand door een enquête onder zowel grote als kleine ondernemingen waarbij respondenten wordt gevraagd in welke mate het belastend is om aan overheidsverplichtingen te voldoen. Nederland staat op plaats 16 van 141 landen in de ranking van de Burden of Government Regulation indicator.
Hoewel de berichten dus tweezijdig zijn, deel ik de zorgen die in de media komen. Daarom zet ik mij voortdurend in om de effecten van regeldruk te verminderen en te mitigeren. Ik ben hierover doorlopend in gesprek met brancheorganisaties en mijn collega bewindspersonen.
Hoe kijkt u aan tegen de stijgende kosten die gemoeid zijn bij het implementeren van nieuwe regels voor ondernemers?
Uit het eerder genoemde onderzoek naar MKB-indicatorbedrijven is naar voren gekomen dat ondernemers te maken hebben met veel verplichtingen en dat de regeldrukkosten die zij ervaren direct van invloed kunnen zijn op de winstgevendheid. De verplichtingen die de meeste regeldrukkosten voor bedrijven veroorzaken hangen samen met generieke werkgeversverplichtingen. Niet alle regeldrukkosten kunnen echter voorkomen worden. Wel moet een ondernemer er zo min mogelijk last van hebben. Het onderzoek biedt voor diverse verplichtingen die tot hoge kosten leiden suggesties om de regeldrukkosten te reduceren. De wijze waarop deze regeldrukkosten kunnen worden aangepakt in een nieuw programma, is aan een volgend kabinet.
De regeldrukmonitor (www.regeldrukmonitor.nl) laat zien dat een goot deel van de regeldrukkosten die ondernemers ervaren, wordt veroorzaakt door Europese regelgeving. De Europese Commissie werkt momenteel aan een reductieprogramma om de regeldrukkosten als gevolg van Europese rapportageverplichtingen met 25% te verminderen.
Het gegeven dat we wel enige invloed op de totstandkoming van Europese regelgeving hebben, maar deze invloed beperkt is, is een aanleiding om kritischer te kijken naar de voorstellen die uit Brussel komen. Vandaar dat ik in de concept-Instellingswet van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heb opgenomen dat ATR ook een rol heeft bij de beoordeling of de regeldruk van EU-voorstellen goed in beeld is gebracht.
Zijn er mogelijkheden voor ondernemers om nieuwe wet- en regelgeving voor ondernemers kostenneutraal te implementeren? Zo ja, bent u bereid hier handvaten voor aan te leveren?
Alle wetgeving gaat gepaard met regeldrukkosten. Daarom is het van belang dat departementen bij het vormgeven van nieuwe wet- en regelgeving goed nadenken over de mogelijke gevolgen voor bedrijven. De mogelijkheid om nieuwe regelgeving kostenneutraal te implementeren of in ieder geval tegen zo gering mogelijke kosten, wordt per voorstel door de betrokken bewindspersoon getoetst en toegelicht. Vervolgens toetst het Adviescollege toetsing regeldruk de voorgenomen regeling op nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, werkbaarheid en inzichtelijkheid van de regeldrukkosten. Verder worden vanuit mijn ministerie de nodige instrumenten geboden die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals de Bedrijfseffectentoets (BET) en de MKB-toets. Mijn ambtenaren zijn in samenspraak met de beleidsambtenaren op andere departementen voortdurend op zoek naar mogelijkheden om regeldruk aan te pakken.
Wat vindt u van het bericht dat wantrouwen vanuit de overheid de reden is dat bedrijven over van alles en nog wat moeten rapporteren? Deelt u de mening dat ondernemers meer vertrouwen verdienen?
Wantrouwen is geen goede drijfveer voor beleid. Het is goed om scherp op elkaar te zijn en spelregels te stellen. Rapportageverplichtingen zijn er om zicht te krijgen en te houden op beleidseffecten en bedrijfshandelen in het kader van het realiseren van beleidsdoelen. Vertrouwen staat in deze niet gelijk aan onbeperkte handelingsvrijheid of het ontbreken van controle- en handhavingsinstrumenten.
In het artikel worden een paar voorbeelden van regelingen genoemd die direct of indirect voor onnodig veel regeldruk gaan zorgen, de Regeling openbare jaarverantwoording WMG, de Carbon Border Adjustment Mechanism, Rapportageplicht werkgebonden mobiliteit en de Corporate Sustainability Reporting Directive. Wat kunt u concreet doen om de regeldruk die voortkomt uit deze regels voor ondernemers zo minimaal mogelijk te houden?
Met de implementatie en naleving van nieuwe regels zijn kosten gemoeid. Bij de totstandkoming van nieuwe regelgeving is het de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon de incidentele en structurele regeldrukkosten inzichtelijk te maken. Ook is de betrokken bewindspersoon verantwoordelijk voor een toelichting op de subsidiariteit en proportionaliteit van de berekende regeldrukkosten in relatie tot de te realiseren beleidsdoelen. Dit geldt voor de totstandkoming van alle regelgeving, dus ook voor de voorbeelden die in het artikel en de vraag hierboven worden genoemd.
Ik neem mijn verantwoordelijkheid hierin door met mijn collega bewindspersonen het gesprek te blijven voeren over de regeldrukeffecten van voorgenomen regelgeving. Via de website Regeldrukmonitor geeft de overheid inzicht in de ontwikkeling van de regeldrukkosten in voorgenomen regelgeving, en wat zij doet om deze zoveel mogelijk te beperken.
Als dit speelt bij andere departementen, bent u dan bereidt om in gesprek te gaan met collega-ministers om de regeldruk voor ondernemers minimaal te houden?
Vanuit mijn ministerie wordt er, middels het periodieke interdepartementale regeldrukcoördinatoren overleg, regeldruk gerelateerde ontwikkelingen gedeeld. Bovendien zijn er binnen EZK accounthouders die voor ieder departement fungeren als aanspreekpunt.
Gesprekken over regeldruk met betrekking tot individuele voorstellen voor regelgeving worden gevoerd met dossierhouders en in de ambtelijke voorportalen die leiden naar de ministerraad. Ook waar het gaat over Europese voorstellen zijn de verschillende betrokken departementen met elkaar in overleg, mede over regeldruk, in de procedure Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Binnen het kabinet draag ik de coördinerende verantwoordelijkheid voor onze inzet om regeldruk voor ondernemers zoveel mogelijk te verminderen. Uiteraard spreek ik over dit onderwerp waar nodig met andere Ministers. Zo spreek ik eind mei en begin juni met de collega bewindslieden van Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dus de bereidheid is er en die blijft er.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk krijgt een prominentere plaats in het tegengaan van regeldruk voor ondernemers. Denkt u dat dit voldoende is om de continue komende stroom aan regels voor onze ondernemers te doorbreken of is daar meer voor nodig?
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) adviseert Staten-Generaal en kabinet en ziet toe op een juiste, transparante informatievoorziening zodat het kabinet en Staten-Generaal onderbouwd kunnen beslissen over regelgeving. ATR kijkt onder andere naar de vraag of nut en noodzaak van een nieuwe regeling voldoende is onderbouwd. Als dat onvoldoende kan worden aangetoond dan adviseert ATR doorgaans om de regeling niet in te dienen. Als een departement er toch toe overgaat om de regeling in te dienen, dan is het aan de Kamer om te bepalen of de regeling alsnog moet worden gehandhaafd. Ik zie hier dus ook een duidelijke verantwoordelijkheid van de Kamer zelf.
Door de extra versterking zoals beoogd in de concept-Instellingswet kan ATR nog beter toe zien op transparantie in regelgeving ten aanzien van regeldruk en de werkbaarheid. De beslissing is echter aan de Staten-Generaal en kabinet bij regelgeving. Derhalve zal de ontwikkeling in regeldruk ook afhangen van de wijze waarop de Staten-Generaal en kabinet om gaan met de adviezen van ATR.
De uitzending van Kassa over kermissen die onder druk staan van 20 april 2024. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 20 april waarin onder andere ingegaan wordt op de situatie van de kermis in Wijchen en oplossingen om de kermis betaalbaar te houden?1
Ja, ik ben bekend met de uitzending van Kassa waarin de situatie van de kermis in Wijchen en mogelijke oplossingen om de kermis betaalbaar te houden aan bod kwamen.
Deelt u de mening dat de kermis bijdraagt aan gemeenschapszin en zeker in kleine kernen belangrijk is voor de leefbaarheid?
Ik deel zeker de mening dat kermissen kunnen bijdragen aan gemeenschapszin, ook in kleine kernen. Voor bewoners en ondernemers heeft de kermis ook een maatschappelijke waarde; dat uit zich in economische zin (bestedingen in horeca en winkels), sociale zin (plezier, ontmoeting leefbaarheid) en culturele zin. De erkenning van de kermiscultuur is in 2022 versterkt door opname van de kermis in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland in 2022. Dit benadrukt nog eens extra de culturele waarde en het belang van het behoud van deze traditie.
Herkent u het landelijke beeld dat kermissen in kleine dorpskernen onder druk staan?
Ja, ik herken het beeld dat kermissen in kleine dorpskernen onder druk staan.
Herkent u het beeld dat grote attracties in kleine kernen financieel niet meer uitkunnen, waardoor deze steeds vaker afhaken waardoor de totale aantrekkelijkheid van de kermissen onder druk komt te staan?
Het klopt dat grote attracties in kleine kernen financieel steeds moeilijker haalbaar zijn, wat de totale aantrekkelijkheid van kermissen kan, maar niet hoeft te verminderen.
Hoeveel procent van de kosten die exploitanten moeten maken zijn het gevolg van lokaal of landelijke beleid?
Het is lastig om een specifiek percentage te geven van de kosten die exploitanten moeten maken als gevolg van lokaal of landelijk beleid, aangezien dit afhankelijk is van verschillende factoren en per situatie kan verschillen.
Kunt u hier een inschatting van maken voor zowel een grote als kleine kermis uitgesplitst naar lokaal en landelijk beleid?
Een inschatting maken van de kosten uitgesplitst naar lokaal en landelijk beleid vergt nader onderzoek en overleg met betrokken partijen. Of dit wenselijk en haalbaar is zou een agendapunt kunnen zijn in een overleg met stakeholders zoals u dat voorstelt onder vraag 8.
Welk stimulerend beleid is nodig om kermissen ook in kleine kernen overeind te houden en hoe zou dit eruit kunnen zien?
Stimulerend beleid om kermissen ook in kleine kernen te behouden kan verschillende vormen aannemen. Omdat in Nederland kermisbeleid over het algemeen geregeld wordt door lokale overheden zoals gemeenten, heeft EZK een rol gespeeld in de totstandkoming van een wegwijzer voor gemeenten specifiek voor kermisbeleid, te weten de «wegwijzer gemeentelijk kermisbeleid» (2023). Deze wegwijzer2, opgesteld met financiering van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ondersteunt gemeenteambtenaren die verantwoordelijk zijn voor kermiszaken. Zij hebben een centrale rol in het verlenen van vergunningen, het handhaven van regels en voorschriften, en het behandelen van klachten. Deze wegwijzer is een belangrijk instrument omdat de manier waarop de kermis door gemeenten wordt georganiseerd een knelpunt is gebleken in het behoud van de kermistraditie en -cultuur in Nederland. Deze wegwijzer is tot stand gekomen als gevolg van overleg met de sector en deelt bijvoorbeeld «best practices». Verder zie ik ook dat voor de sector duurzaamheid en samenwerking met lokale gemeenschappen steeds belangrijker worden. Milieubewustzijn wordt steeds belangrijker in onze maatschappij, en lokale samenwerkingen bieden een kans om de banden te versterken en de betrokkenheid van de bewoners te vergroten, en daarmee draagvlak voor de kermissen, ook in kleine kernen te behouden. Door samen te werken met lokale bedrijven, verenigingen en vrijwilligers kunnen kermissen een gevoel van trots en gemeenschapszin bevorderen. Ook organisatoren kunnen streven naar duurzamere praktijken, zoals het gebruik van biologisch afbreekbare materialen, afvalvermindering en recycling. De eerder genoemde wegwijzer benoemt hier «best practices» op. Daarnaast kan ik mij voorstellen, dat net zoals voor andere evenementen, ook voor kermisondernemers digitalisering een kans biedt in het moderniseren van kermissen. Het biedt ondernemers kansen voor groei door middel van online promotie, ticketverkoop en het integreren van digitale technologieën op de kermis zelf, zoals cashless betalingssystemen en mobiele apps.
Bent u bereid een overleg te initiëren met MKB-brancheorganisaties, VNG en een afvaardiging van de kermisbranche om met elkaar te verkennen welk stimulerend beleid nodig is om kermissen de komende jaren overeind te houden?
Samenwerking tussen verschillende belanghebbenden is essentieel om tot passende oplossingen te komen. Ik zal vanuit EZK contact laten leggen met De Nederlandse Kermisbond (NKB), de Nationale Bond van Kermisbedrijfhouders (BOVAK) en de VNG om te inventariseren of er vanuit die partijen behoefte is aan een overleg op korte termijn. Voor lokale problematiek is het uitgangspunt dat de brancheorganisaties en/of individuele ondernemers zich rechtstreeks tot betreffende gemeenten en eventueel de VNG wenden.
De toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de agrarische sector. |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat er in de agrarische sector veelvuldig gebruik wordt gemaakt van het ruilen van gronden, bijvoorbeeld in het kader van vruchtwisseling en bodemkwaliteit?
Ja, dat is mij bekend.
Klopt het dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) ook van toepassing is op onroerende zaken (in casu los land), indien sprake is van een teeltpachtovereenkomst en dus uit gebruik is gegeven?
Ja, het is juist dat de BOR van toepassing kan zijn op los land dat op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst ter beschikking is gesteld aan een ander, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 396, eerste lid onderdelen a tot en met c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (vergelijk artikel 4.17, tiende lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 en artikel 35c, negende lid van de Successiewet 1956).
Klopt het dat de Grondkamer beoordeelt of sprake is van een teelt waarvoor teeltwisseling vereist is?
Teeltpachtovereenkomsten worden ter registratie aan de grondkamer gezonden (art 7:396 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Bij een teeltpachtovereenkomst moet het gaan om een pachtovereenkomst betreffende los land die is aangegaan voor een teelt waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is voor de duur van ten hoogste één onderscheidenlijk twee jaar (art 7:396 eerste lid onderdeel b en c van het Burgerlijk Wetboek1). Om een overeenkomst te kunnen registreren als teeltpachtovereenkomst dient de grondkamer daarom de vraag te beantwoorden of voor de teelt die genoemd wordt in de overeenkomst vruchtwisseling noodzakelijk is.
Hoe wordt beoordeeld of er sprake is van een teeltpachtovereenkomst die is aangegaan voor teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is?
Er is sprake van een open norm, die door de grondkamer op basis van zijn deskundigheid wordt ingevuld.
Voor welke gewassen geldt dat vruchtwisseling noodzakelijk is, om in aanmerking te komen voor artikel 7:396 lid 1 sub c Burgerlijk Wetboek (BW)?
De grondkamers beoordelen slechts die overeenkomsten (en de daarin vermelde gewassen) die ter registratie worden toegezonden. Er is dus geen uitputtende lijst van gewassen waarvoor naar het oordeel van de grondkamer vruchtwisseling noodzakelijk is. De grondkamers hebben geoordeeld dat er geen sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling bij de volgende teelten:
Klopt het dat grassen en maïs hier niet voor in aanmerking komen?
Bij de totstandkoming van de teeltpacht is door de wetgever bepaald dat het regime niet bedoeld is voor mais en gras (Handelingen II 1994, p. 21–1216 en Handelingen I 1995, p. 2–42). De grondkamers wijzen het verzoek tot registratie van een teeltpachtovereenkomst dan ook af als in die overeenkomst maïs of gras de overeengekomen teelt is.
In hoeverre is de gemaakte uitzondering, op de hoofdregel dat alles wat uit gebruik wordt gegeven niet kwalificeert voor de BOR, dan toereikend voor diegenen die bodemkwaliteit en milieubeheer als onderdeel van hun bedrijfsexploitatie meewegen, indien voor bijvoorbeeld gras en maïs geen rechtsgeldige teeltpachtovereenkomst kan worden gesloten?
De bedrijfsopvolgingsregeling voorziet in een voorwaardelijke vrijstelling van de schenk- en erfbelasting voor het ondernemingsvermogen bij bedrijfsopvolgingen (BOR). Aan een ander ter beschikking gestelde onroerende zaken komen met ingang van 1 januari 2024 niet langer voor de BOR en de doorschuiffaciliteit voor het aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting (DSR ab) in aanmerking. Daarvan zijn uitgezonderd pachtovereenkomsten betreffende los land die zijn aangegaan voor teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is zoals is geregeld in artikel 396, eerste tot en met derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De agrarische ondernemer kan zodoende, maar alleen dan, het land voor die vruchtwisseling verpachten en voor dit land ondanks de ter-beschikking stelling ervan aan een derde toch de BOR op dit land toepassen.
De vraagstelling is door het noemen van gras en maïs met name gericht op situaties waarbij grond van veehouders in gebruik gegeven is aan telers van andere gewassen. Meer specifiek wordt -naar ik begrijp- gevraagd waarom die situaties niet in aanmerking komen voor de genoemde uitzondering voor de terbeschikkingstelling van onroerende zaken aan anderen. In momenteel staande landbouwpraktijk worden onder andere regelmatig percelen van melkveehouders via niet geregistreerde teeltpacht in gebruik gegeven (niet geruild via wederzijdse pacht) aan telers van bloembollen en van pootaardappelen. Deze vaak niet- geregistreerde pacht is niet ingegeven door vruchtwisseling voor een goede landbouw-bedrijfspraktijk maar als uitbreiding van de teeltmogelijkheden voor de bollen- of pootgoedteler, waarvoor de melkveehouder een financieel gunstige pachtprijs ontvangt. Dit is hoofdzakelijk een financieel gedreven praktijk.
Vanuit het oogpunt van een duurzame goede landbouwpraktijk kan in elk geval het hierbij regelmatig voorkomende scheuren van grasland niet als een gewenste en daarom extra te faciliteren praktijk worden aangemerkt. Zowel vanuit klimaatbeleid als vanuit het oogpunt van duurzaam bodembeheer en waterkwaliteit is het niet gunstig om (blijvend) grasland van een veehouderijbedrijf te scheuren. Bij scheuren vervliegt jarenlang vastgelegde organische stof tot een stabiel hoog gehalte in korte tijd als CO2 naar de atmosfeer; op gescheurd grasland komt in korte tijd veel minerale stikstof vrij die niet in alle gevallen door het gewas kan worden opgenomen en dan de waterkwaliteit negatief beïnvloedt.
Bent u bereid om, voor teeltpachtovereenkomsten waarbij voor één partij sprake is van een teelt waarvoor teeltwisseling noodzakelijk is en bij de andere partij niet, de teeltpachtovereenkomst bij beide partijen te laten kwalificeren voor de BOR?
Deze vragen van uw Kamer zijn erop gericht om op korte termijn wijzigingen door te voeren in de pachtregelgeving in verband met een specifieke doorwerking in de BOR en DSR ab, waarbij een aantal dilemma-afwegingen ten aanzien van vruchtwisseling in een duurzame landbouwpraktijk spelen. Ik ben om meerdere redenen van mening dat het niet verstandig is om dat nu te doen:
Ten eerste wordt er gewerkt aan een herziening van de Pachtwet. Onder andere wordt daarin gekeken naar de mogelijkheid van (tijdelijke) grondruilovereenkomsten, waarbij ten behoeve van duurzame landbouwpraktijk landbouwers qua omvang vergelijkbare percelen grond voor een of twee jaar uitwisselen.
Ten tweede kunnen in het kader van die regelgeving zorgvuldige integrale afwegingen worden gemaakt ten aanzien van de gewenste te bevorderen vruchtwisselingen ook in relatie tot de in antwoord op vraag 7 geschetste aspecten van het scheuren van (blijvend) grasland. Vooruitlopend daarop wijzigingen doorvoeren ten behoeve van teeltpachtovereenkomsten die ook gebruikt kunnen worden om grond (tijdelijk) aan een andere landbouwer in gebruik te geven zonder wederzijdse grondruil en/of tweezijdig noodzakelijke vruchtwisseling vind ik niet wenselijk. Eerst na een eventuele wijziging van de pachtregelgeving zal worden gekeken naar een specifieke doorwerking in de BOR.
Indien u hiertoe niet bereid bent, welke oplossing voorziet u voor het probleem dat de eigenaar van de grond (de verpachter) de BOR niet kan toepassen op een deel van zijn vermogen en dientengevolge in mindere mate bereid zijn om grond uit gebruik te geven aan een pachter?
Zoals in de voorgaande antwoorden is vermeld, komen aan een ander ter beschikking gestelde onroerende zaken met ingang van 1 januari 2024 niet langer voor de BOR in aanmerking met uitzondering van los land op grond, dat op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst voor de duur van één respectievelijk twee jaar ter beschikking is gesteld aan een ander voor teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is zoals is geregeld in artikel 396, eerste tot en met derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De voorbereiding en planning van een bedrijfsopvolging kost enige jaren. Een ondernemer in een veehouderijbedrijf heeft bij schenking van de onderneming enige ruimte om binnen de kaders van de wet en regelgeving een teeltpachtovereenkomst op te stellen waarmee wordt voldaan aan de uitzonderingsgrond voor de zogenoemde vastgoedmaatregel van de BOR en DSR ab. Op duurzame landbouwpraktijk gerichte samenwerking tussen landbouwers met tijdelijke uitruil van grond wordt, zoals in antwoord op vraag 8 is aangegeven, meegenomen in de voorbereiding van de herziening van de Pachtregelgeving.
Het bericht ‘Veel ergernis over rechtszaken over verplicht pensioen: ’Dit is niet te doen voor ondernemers’’ |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Veel ergernis over rechtszaken over verplicht pensioen: «Dit is niet te doen voor ondernemers»»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht.
Kunt u een lijst geven van alle verschillende criteria die worden gebruikt door pensioenfondsen in verplichtstellingsbesluiten, zoals omzet, loonsom, gewerkte uren of andere criteria? En kunt u daarbij aangeven hoe vaak deze criteria gebruikt worden?
Sociale partners definiëren de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds en de bijbehorende criteria. Omdat deze criteria in verschillende verplichtstellingen, als gevolg van bewuste keuzes van sociale partners, op hele verschillende manieren worden gebruikt, geeft een opsomming naar mijn mening geen betrouwbaar en vergelijkbaar beeld. Om die reden heb ik een dergelijke lijst niet opgesteld. Ik zal hieronder wel de aard en het gebruik van verschillende criteria illustreren.
Om de werkingssfeer te beschrijven, benoemen de sociale partners de bedrijfsactiviteiten die toebehoren aan de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd.
In het verplichtstellingsbesluit wordt de werkingssfeer omschreven door ondernemingen te definiëren en activiteiten te beschrijven. Een werkingssfeer kan één of meerdere bedrijfstakken binnen een bedrijfstakpensioenfonds omvatten of betrekking hebben op een deel van een bedrijfstak. Sociale partners kiezen daarbij een beschrijving die het beste past bij hun (deel van de) bedrijfstak. Dat maakt dat de manier waarop de werkingssfeer is omschreven varieert per verplichtstellingsbesluit.
Zoals aangegeven is het aan sociale partners om de werkingssfeer te definiëren. Zij bepalen welke criteria worden gehanteerd om de reikwijdte te bepalen. Een voorbeeld is een omschrijving van de werkzaamheden en de bepaling dat als de onderneming deze werkzaamheden in meerderheid uitvoert, de onderneming onder de werkingssfeer valt. Deze meerderheid kan dan weer gekoppeld zijn aan bijvoorbeeld een percentage van het sociale verzekeringsloon, de omzet of de arbeidsuren. Soms kiezen sociale partners er ook voor om alleen de activiteiten van een onderneming die onder de werkingssfeer valt te beschrijven.
Sociale partners maken derhalve keuzes in criteria en daardoor ontstaan ook verschillende combinaties van criteria.
Welke afwegingskaders worden door u gebruikt bij een besluit om een verplichtstelling af te geven?
Als sociale partners afspraken hebben gemaakt over de arbeidsvoorwaarde pensioen bij een bedrijfstakpensioenfonds dan kunnen zij een verzoek indienen om de Minister de deelname in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds verplicht te laten stellen.
Verplichtstelling kan dus uitsluitend plaatsvinden op aanvraag van (een voldoende representatieve vertegenwoordiging van) het georganiseerde bedrijfsleven. Op het moment dat een verplichtstellingsbesluit is afgegeven, vallen ook bedrijven uit het niet georganiseerde bedrijfsleven, die activiteiten uitvoeren die onder de verplichtstelling vallen onder deze verplichtstelling. Het instrument van verplichtstellen draagt daarmee bij aan het verkleinen van witte vlekken op het terrein van de aanvullende pensioenen.
Het wettelijke criterium om een verplichtstelling af te geven is in de Wet Bpf 2000 als volgt geformuleerd: «Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.»
Omdat een verplichtstelling voor lange tijd geldt, is het van belang dat er voldoende draagvlak is voor het besluit tot verplichtstellen. In de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000 is aangegeven hoe deze representativiteit wordt aangetoond en getoetst.2 Nadat een verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is, dient het georganiseerde bedrijfsleven iedere vijf jaar aan te tonen nog steeds de belangrijke meerderheid te vertegenwoordigen.
Dit betekent overigens niet dat er helemaal geen inhoudelijke toets plaatsvindt. Onderdeel van de procedure van het aanvragen of wijzigen van een verplichtstelling is de mogelijkheid voor derden om zienswijzen in te dienen tijdens de tervisielegging. Deze zienswijzen kunnen bijvoorbeeld zien op werkingssfeeroverlap, de duidelijkheid van de werkingssfeer of de berekening van de representativiteit. Wanneer uit zienswijzen blijkt dat er overlap bestaat tussen twee verplichtgestelde fondsen wordt aan sociale partners gevraagd om een oplossing te vinden voor de overlap. Zolang deze niet is opgelost wordt geen (gewijzigde) verplichtstelling afgegeven.
In welke mate speelt de wens tot uniformiteit tussen verschillende verplichtstellingsbesluiten daarbij op dit moment een rol?
De verplichtstellingen worden niet inhoudelijk op uniformiteit beoordeeld. De totstandkoming en de inhoud van de werkingssfeer is aan sociale partners. Het afgeven van een verplichtstelling heeft tot doel de verantwoordelijkheid van sociale partners te ondersteunen en te beschermen. Daarbij speelt ook mee dat sociale partners zicht hebben op de kenmerken van de sector en daardoor ook invulling kunnen geven aan de werkingssfeer. Als gevolg van deze elementen past een terughoudende inhoudelijke opstelling die ook terug te zien is in het stelsel.
De eerdergenoemde Beleidsregels stellen in algemene zin voorwaarden aan sociale partners bij het omschrijven van de werkingssfeer. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven dat bedrijfsactiviteiten moeten zijn omschreven. De Beleidsregels bevatten daarnaast enkele voorschriften over de inhoud van de werkingssfeer namelijk hoe naar wetten verwezen wordt of in welke gevallen namen van concrete werkgevers opgenomen mogen worden. De Beleidsregels bevatten geen voorschriften over het gebruiken van uniforme begrippen.
Hoe vaak is in de afgelopen tien jaar geprocedeerd om verplichtstelling aan een werkgever op te leggen? Hoe vaak is hierin het fonds in het gelijk gesteld en hoe vaak de werkgever?
Een verplichtstelling is van toepassing vanaf het moment dat een werkgever activiteiten verricht die onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen. Het pensioenfonds is verplicht om bedrijven die onder zijn werkingssfeer vallen aan te sluiten en zal daar dan ook actie toe ondernemen. Een werknemer heeft immers vanaf het moment dat hij onder de werkingssfeer valt, recht op pensioenopbouw conform het reglement van het pensioenfonds. Ook als daar geen pensioenpremie voor is betaald. In dat geval worden de kosten voor het toekennen van pensioenopbouw gedragen door het collectief van deelnemers, slapers en gepensioneerden in het betreffende bedrijfstakpensioenfonds. Door dit principe «geen premie, wel recht» heeft het bedrijfstakpensioenfonds er alle belang bij dat de verschuldigde pensioenpremie wordt afgedragen door de betreffende werkgever zodat de kosten niet ten laste van het collectief aan deelnemers gaat.
De werkgever kan het standpunt van het bedrijfstakpensioenfonds dat hij onder de werkingssfeer zou vallen, voorleggen aan de rechter.
Ik beschik niet over informatie waaruit volgt hoe vaak over verplichtstellingen geprocedeerd wordt. Procedures die worden gevoerd tussen een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds en een werkgever zijn procedures waar mijn ministerie geen partij bij is. Bovendien worden niet alle rechtszaken gepubliceerd. Om die reden heeft mijn ministerie ook geen zicht op de omvang en inhoud van dergelijke procedures. De voor publiek toegankelijk gemaakte uitspraken zijn via de databank op de website Rechtspraak.nl in te zien.
Hoe vaak is het voorgekomen dat twee verschillende fondsen beide procederen om een verplichtstelling op te kunnen leggen aan dezelfde werkgever?
Zoals ik al in het antwoord op de vorige vraag aangaf is deze informatie niet bij mijn ministerie bekend omdat dergelijke procedures tussen een werkgever en een bedrijfstakpensioenfonds worden gevoerd. Mijn ministerie heeft ook geen zicht op de omvang en inhoud van dergelijke procedures.
Tot hoe ver terug in de tijd kan verplichtstelling – op basis van jurisprudentie – met terugwerkende kracht worden opgelegd aan werkgevers?
Een verplichtstelling is van toepassing vanaf het moment dat een werkgever activiteiten verricht die onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen.
Het gevolg is dat de werkgever gehouden is de verschuldigde pensioenpremie te voldoen vanaf het moment dat hij onder de werkingssfeer viel. In een procedure kan een rechter evenwel concluderen dat een dergelijke premievordering (deels) verjaard is als een lange periode is verstreken.
Hoe verhoudt een lange periode van terugwerkende kracht zich volgens u tot het principe van rechtszekerheid? Bent u van mening dat enige vorm van afbakening van deze terugwerkende kracht wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag aangaf, geldt de verplichtstelling vanaf het moment dat een werkgever activiteiten verricht die onder de werkingssfeer vallen. Er is dus als zodanig geen sprake van terugwerkende kracht. Een werkgever is premieplichtig vanaf het moment dat hij onder de werkingssfeer valt. De werknemers krijgen vanaf dat moment recht op pensioen conform het pensioenreglement van het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds. Als hiervoor door de werkgever geen premie wordt afgedragen dan worden de kosten gedragen door het collectief van deelnemers, slapers en gepensioneerden binnen het bedrijfstakpensioenfonds. Ik vind het op voorhand matigen van premienota’s in alle gevallen daarmee niet wenselijk omdat het deelnemerscollectief daardoor benadeeld wordt. In een individuele casus kan een rechter wel oordelen dat de premienota vanwege het tijdsverloop gematigd moet worden. Naar mijn mening doet dat veel meer recht aan de omstandigheden van het geval dan een generieke beperking van de betalingsverplichting.
Is het voorgekomen dat een dergelijke verplichtstelling met terugwerkende kracht een belangrijke factor was in een faillissement van een werkgever? Zo ja, hoe vaak?
Deze informatie is niet bij mijn ministerie bekend omdat dergelijke faillissementsprocedures tussen de werkgever en de schuldeisers worden gevoerd. Mijn ministerie is daar geen partij bij.
Ten overvloede merk ik nog op dat een faillissement wordt aangevraagd als er minimaal twee schuldeisers zijn. Met andere woorden, als een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds al van oordeel is dat een faillissement de voorkeur heeft, dan is er ook een andere schuldeiser die het faillissement wil aanvragen.
In hoeveel gevallen is er volgens een rechter sprake geweest van een onvolkomenheid in verplichtstellingsbesluiten, waardoor werkgevers niet in staat waren om te beoordelen of ze onder een werkingssfeer vallen?
Deze informatie is niet bij mijn ministerie bekend omdat dergelijke procedures tussen een werkgever en een bedrijfstakpensioenfonds worden gevoerd. Mijn ministerie is daar geen partij bij noch is er zicht op de omvang en inhoud van dergelijke procedures.
Hoeveel fondsen hanteren een hoofdzakelijkheidscriterium in verplichtstellingsbesluiten? Welke doen dat niet?
Net als bij het antwoord op vraag 2 kan ik hier geen sluitend antwoord op geven vanwege de verscheidenheid aan omschrijvingen.
Sociale partners omschrijven de werkingssfeer van de verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen.
De 39 verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen omschrijven samen de werkingssferen van 82 bedrijfstakken. Er zijn verschillende manieren om een meerderheid te omschrijven, bijvoorbeeld via het hoofdzakelijkheidscriterium. Er is geen uniform gebruik van deze begrippen. De verscheidenheid aan omschrijvingen maakt het niet mogelijk om aantallen te noemen. Bovendien moet worden opgemerkt dat deze omschrijvingen verschillend geformuleerd worden. Ze worden zowel gebruikt om werkgevers onder de werkingssfeer te laten vallen of om ze er juist van uit te sluiten.
Vindt u dat het toepassen van een hoofdzakelijkheidscriterium in principe door alle pensioenfondsen gedaan zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Een heldere omschrijving van de werkingssfeer vind ik van groot belang. Zo weten werkgevers en werknemers waar ze aan toe zijn. Daarom is het van belang dat derden zienswijzen in kunnen dienen in het kader van een verplichtstellingsprocedure zodat partijen hun werkingssfeer zo nodig kunnen verduidelijken. Sociale partners gaan over de omschrijving van de werkingssfeer en beschrijven daarbij tevens de grenzen van de werkingssfeer. Een hoofdzakelijkheidscriterium alleen is niet voldoende en bovendien niet in alle bedrijfstakken even toepasbaar. In sommige bedrijfstakken kan een andere wijze van omschrijven van de werkingssfeer passender zijn. Dat is een weging die niet vanuit het ministerie gemaakt kan worden. Dat is echt aan sociale partners.
Deelt u de opvatting dat meer uniformiteit in verplichtstellingen en betere domeinafbakening noodzakelijk is, om te voorkomen dat werkgevers niet weten of en onder welke werkingssfeer ze vallen en er voor werknemers onbedoeld geen premie afgedragen wordt? Zo ja, hoe bent u voornemens om dit te bereiken?
Ik ben het met u eens dat een goede domeinafbakening belangrijk is zodat ondernemers weten waar ze aan toe zijn. De opvatting dat dit (alleen) via een uniforme omschrijving van de werkingssfeer dient te geschieden, deel ik niet.
De sociale partners moeten de ruimte hebben om een werkingssfeer zo te kiezen dat deze passend bij de bedrijfstak(ken) is. Door geen kader voor te schrijven kunnen sociale partners hier maatwerk leveren.
Er zijn al verschillende mogelijkheden die kunnen helpen bij het vaststellen van een verplichte deelname in een pensioenregeling. Een pensioenadviseur die een werkgever adviseert over een pensioenregeling dient onderzoek te doen of een verplichte deelname van toepassing is. Daarnaast kan een werkgever via de website www.bijwelkpensioenfondshoorik.nl zoeken op SBI-code, sectorcode, activiteit en tekst om te bezien of hij mogelijk onder een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds valt.
De reactie van de minister over de landelijke uitrol van de Streetwise-methodiek |
|
Henk Vermeer (BBB), Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Erkent u dat innovatieve initiatieven zoals Streetwise van grote meerwaarde zijn om met name in middelgrote steden te werken aan leefbare en bloeiende binnenstad met perspectief voor ondernemers?1
Ja, innovatieve initiatieven zoals Streetwise dragen bij aan de noodzakelijke vernieuwing van de sector en de transitie van binnensteden, in reactie op de technologische ontwikkelingen en de veranderende wensen van de consument.
Hoe beoordeelt u de resultaten van Streetwise, waarmee onder andere 550 ondernemingen zijn begeleid naar vestiging en ruim 80.000 m2 leegstaande winkelruimte is ingevuld?
Ik beoordeel deze resultaten als positief. De hands on begeleiding door Streetwise van startende ondernemers voldoet duidelijk aan een behoefte van deze ondernemers. De suggesties voor gemeentelijk beleid die Streetwise op basis van opgedane ervaring afgeeft aan gemeenten zijn eveneens waardevol, ook al leiden deze in de praktijk nog (te) weinig tot lokale beleidsaanpassingen.
Deelt u de mening dat de methodiek van Streetwise succesvol is gebleken en er dus kansen zijn voor een landelijke uitrol?
Ja. In de kern lijkt de Streetwise-aanpak niet specifiek-Limburgs en zou ze dus ook in andere delen van Nederland moeten kunnen werken. Naast de inhoudelijke aanpak is vooral een goede politiek-bestuurlijke inbedding van groot belang.
Klopt het dat u in eerste instantie het initiatief heeft genomen om Streetwise te benaderen met de vraag of de Streetwise methodiek ook in andere provincies ingezet zou kunnen worden?
Naar aanleiding van vragen van het lid Amhaouch heb ik tijdens het commissiedebat Ondernemen en Bedrijfsfinanciering van 6 april 2022 toegezegd best practices bespreekbaar te willen maken en te kijken wie daarin het voortouw zou kunnen nemen. Dat heeft eind augustus 2022 geleid tot een uitnodiging vanuit mijn ministerie aan Streetwise om in gesprek te gaan over hun plannen en ambities, met als achterliggend idee om te onderzoeken of het Streetwise-concept ook in andere delen van Nederland zou kunnen werken.
Deelt u de mening dat de pilot in Overijssel de start kan vormen voor de landelijke uitrol en dat het dus gewenst is dat u als Minister van EZK actief bijdraagt aan deze uitrol? Zo ja, hoe wilt u zich hiervoor inzetten?
De Overijsselse pilot zou een waardevolle stap kunnen zijn bij het onderzoeken van de vraag of het Streetwise-concept ook in andere delen van Nederland zou kunnen werken. Daartoe dient deze stap door de partijen nader te worden geconcretiseerd in een uitgewerkt projectplan, dat inzicht geeft in de doelen, de partijen die meewerken en de invulling van rollen, de werkwijze, het tijdpad en de financiële onderbouwing. Belangrijk is ook dat goede afspraken gemaakt worden over de monitoring van het project, zodat op basis van het project eventueel inhoudelijk kan worden bijgestuurd. De Overijsselse pilot zou daarmee mede de basis kunnen leggen voor een concreet uitrol-draaiboek.
Klopt het dat de plannen van Streetwise inmiddels «een vastomlijnde vorm» hebben aangenomen en zo ja, wat zijn uw vervolgstappen?
Nee, de plannen voor de uitrol van het Streetwise-concept hebben nog geen vastomlijnde vorm. De Overijsselse pilot zou een eerste stap kunnen zijn in het vormgeven van de inhoudelijke aanpak, maar daarnaast is het belangrijk dat er uitzicht is op een vervolg en onder welke voorwaarden een dergelijk vervolg plaats kan vinden. Daarvoor is het nodig om ook andere provincies en daarbinnen andere gemeenten te betrekken en te enthousiasmeren om te participeren in een vervolgtraject. Daarvoor hoeven niet direct alle andere provincies aan te haken, maar wel een substantieel aantal, bijvoorbeeld een drietal, zodat momentum kan worden gecreëerd. Zoals ook in de provincie Limburg is gebleken zijn de provincies belangrijk vanwege hun stimulerende en regievoerende rol richting hun gemeenten. Om echt stappen te kunnen zetten richting een landelijke uitrol is stevig politiek-bestuurlijk commitment noodzakelijk voor een gedragen stappenplan.
Wat kunt u verder doen om Streetwise te steunen, ook als dit initiatief niet direct past binnen een bestaand beleidsprogramma?
Op dit moment speelt mijn ministerie een stimulerende rol bij het totstandkomen van een gedragen stappenplan door partijen bij elkaar te brengen en ze te overtuigen van de noodzaak van een dergelijk plan. Zonodig wil ik een stimulerende rol spelen richting politiek-bestuurlijke betrokkenen vanuit de provincies.
Het bericht 'Zonder opgeleide werknemers staat de groene staalfabriek in 2030 stil' |
|
Jimmy Dijk |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van de banen die verdwijnen bij Tata Steel zoals gemeld in het artikel in Trouw?1
Ja, ik ben bekend met het artikel van Trouw en de aankondiging daarin over het verdwijnen van de banen bij Tata Steel Nederland.
Bent u op de hoogte van het aantal banen dat mogelijk zal verdwijnen?
Op 14 maart jl. is bekend geworden dat na gesprekken tussen Tata Steel Nederland en de vakbonden de gedwongen ontslagen van de baan zijn. In plaats van 800 zullen er 581 banen verdwijnen. Dit wordt ingevuld door natuurlijk verloop, het niet invullen van openstaande vacatures, het niet verlengen van de contracten van inhuurpersoneel en het begeleiden van medewerkers van werk naar werk.
Heeft u kennisgenomen van Het Sociaal Contract Groen Staal? Op wat voor manier ondersteunt het ministerie dit plan?
Het Sociaal Contract Groen Staal is mij bekend. Dit betreft een overeenkomst tussen Tata Steel Nederland en de vakbonden. Mijn ministerie heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van de overeenkomst.
Bent u van mening dat het verduurzamen van Tata Steel juist banen zou moeten opleveren?
Tata Steel Nederland geeft aan deze maatregelen te nemen om concurrerend en winstgevend te kunnen blijven zodat er kan worden geïnvesteerd in groen staal. Het is aan het bedrijf om haar eigen keuzes te maken en om de bedrijfsvoering aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Tata Steel Nederland verwacht in de transitiefase naar groen staal meer mensen nodig te hebben, met name om de bouw van de nieuwe installaties te realiseren. Ten behoeve van de transitie naar groen staal zullen andere kennis en vaardigheden nodig zijn. Pas wanneer de gehele transitie is uitgevoerd, zal naar verwachting het aantal mensen afnemen. Voor de werknemers die werken bij installaties die worden uitgefaseerd, is met de vakbonden Het Sociaal Akkoord Groen Staal afgesloten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Tata Steel opgeleide werknemers gaat behouden? Bent u in overleg met de FNV hoe dat kan?
Het is primair aan bedrijven en vakbonden om hierover afspraken te maken, waarbij de belangen van de werknemers door de vakbonden worden behartigd. Het Sociaal Contract Groen Staal is het product van goed overleg tussen werknemers en werkgevers.
Met Het Sociaal Contract Groen Staal borgt Tata Steel Nederland zelf het behoud van opgeleide werknemers door het bieden van baangaranties aan de werknemers van de fabrieken die op termijn zullen sluiten en het bieden van begeleiding richting nieuwe functies in de overgang naar groen staal.
Hoe zorgt u dat Tata Steel democratiseert zodat Het Sociaal Contract Groen Staal plan juist banen schept?
Zie antwoord vraag 5.
Komt Het Sociaal Contract Groen Staal overeen met uw visie op maakindustrie?
Zoals eerder benoemd ben ik bekend met Het Sociaal Contract Groen Staal, maar niet betrokken geweest bij het opstellen ervan. Het Sociaal Contract Groen Staal biedt werknemers persoonlijke begeleiding en opleidingsmogelijkheden voor het vinden van een nieuwe passende functie binnen Tata Steel Nederland.
Het kabinet voert een actief industriebeleid om de industrie in Nederland te vergroenen en te ontwikkelen. Dit vraagt om een goed opgeleide beroepsbevolking. Nieuwe duurzame technologieën vereisen het blijven ontwikkelen van nieuwe kennis en vaardigheden van de werknemers in de transitie. Gegeven het stijgende tekort aan technisch geschoold personeel en hun belangrijke rol in de energietransitie is het behoud van technische personeel op de arbeidsmarkt cruciaal. Mijn ministerie heeft in samenwerking met de ministeries van OCW en SZW het Actieplan Groene en Digitale Banen opgesteld. Hiermee wordt onder andere ingezet op het behoud van technisch personeel op de arbeidsmarkt door mogelijkheden te bieden tot het blijven ontwikkelen en omscholen van personeel. Deze ontwikkelingsmogelijkheden en ondersteuning bij het vinden van een nieuwe passende functie komen ook terug in Het Sociaal Contract Groen Staal.
Deelt u de mening dat een gedemocratiseerd staalbedrijf dat groen staal produceert een geweldig voorbeeld zou zijn voor de klimaattransitie in Nederland en elders in de wereld?
Het is van belang dat werknemers goed betrokken worden bij transities die bedrijven door moeten maken. Hierbij spelen ondernemingsraden, maar ook vakbonden een rol. Ook in de transitie naar groen staal is het van belang dat er goede afspraken worden gemaakt tussen werknemers en werkgevers. Het Sociaal Contract Groen Staal is hier een mooi voorbeeld van.
Nederland wil koploper zijn in de verduurzaming van de industrie. Hiertoe voert het kabinet een actief industriebeleid om te werken aan het toekomstige duurzame verdienvermogen van Nederland. De staalindustrie is van strategisch en economisch belang voor Nederland, maar het staal moet wel op een duurzame en schone manier geproduceerd worden. Zoals ik u heb laten weten in de Kamerbrief van 28 maart jl. is het snel realiseren van een duurzame en schone staalindustrie essentieel voor alle belanghebbenden. Om deze reden zet ik in op het maken van een ambitieuze maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland op korte termijn.
Deelt u de mening dat Tata Steel een valse tegenstelling creëert tussen de werkgelegenheid enerzijds en klimaatverandering en de volksgezondheid in de IJmond anderzijds?
Tata Steel Nederland heeft een concreet plan bij mij ingediend waaruit blijkt dat zij de volksgezondheid en het tegengaan van klimaatverandering belangrijk vinden. Met Het Sociaal Contract Groen Staal biedt Tata Steel Nederland haar werknemers duidelijkheid en perspectief over hun rol en belang in de transitie naar groen staal.
Onder het credo «liever groen hier dan grijs elders» zet het kabinet zich in om bedrijven de mogelijkheid te bieden hier te verduurzamen. Dit is in belang van zowel klimaatverandering als het behoud van werkgelegenheid in ons land. In de casus Tata Steel Nederland zet ik in op een maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland met versnelde overlastreductie, waarover ik u ook in de Kamerbrief van 28 maart jl. heb geïnformeerd. Hiermee worden de economische activiteiten behouden, maar het moet wel schoon en groen. In de maatwerkafspraak waarvoor ik me inspan staan de gezondheid van werknemers en omwonenden en behoud van staalproductie en verduurzaming van Tata Steel Nederland naast elkaar.
Exportkredietverzekeringen in veehouderij |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Gerrit van Leeuwen |
|
![]() |
Bent u bekend met de «Beleidsverklaring dierenwelzijn» ten aanzien van exportkredietverzekeringen welke sinds 2020 van kracht is?
Ja.
Bent u zich bewust van het feit dat er in de beleidsverklaring staat aangegeven dat hierin onder andere wordt gespecificeerd dat geen verzekering zal worden afgegeven voor «Accommodatie van legkippen: leveringen aan en met betrekking tot stallen waarin onverrijkte kooien voor legkippen worden toegepast» en ook «Accommodatie van vleeskippen: leveringen aan stallen waarin vleeskippen worden gehouden met een grotere dichtheid dan 42 kg/m2»?
Ja.
Gegeven bovengenoemd beleid, kunt u uitleggen waarom sinds 2021 de volgende exportkredietverzekeringen zijn uitgegeven voor legkippen en vleeskippen? Kunt u dit per casus individueel beantwoorden?
Alle genoemde exportprojecten zijn door uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB) onderworpen aan een milieu- en sociale beoordeling voordat een ekv-polis werd verstrekt. Onderdeel van deze beoordeling is dat de projecten worden getoetst aan het Nederlandse dierenwelzijnsbeleid voor exportkredietverzekeringen (ekv). Bij geen van deze projecten is er een ekv afgegeven voor leveringen aan en met betrekking tot stallen waarin onverrijkte kooien voor legkippen worden toegepast of leveringen aan stallen waarin vleeskippen worden gehouden met een grotere dichtheid dan 42 kg/m2.
Bent u zich bewust van het feit dat in de beleidsverklaring staat aangegeven dat «Alle leveringen aan de intensieve veehouderij en aan slachterijen worden behandeld als «gevoelige sector» transacties», wat «betekent dat een milieu en sociale beoordeling zal worden uitgevoerd voor deze transacties, inclusief het onderzoeken van het dierenwelzijnsaspect, ongeacht de omvang van de transactie en proportioneel aan de risico’s van het project»?
Ja.
Gegeven bovenstaand beleid, kunt u uitleggen waarom sinds 2021 de volgende exportkredietverzekeringen zijn uitgegeven aan de intensieve veehouderij en aan slachterijen zonder enige toetsing op dierenwelzijn? Kunt u dit per casus individueel beantwoorden?
Het klopt niet dat deze projecten niet zijn getoetst op dierenwelzijn. Voor de levering van een mengvoederfabriek aan Canada is geen milieu- en sociale beoordeling uitgevoerd, omdat de levering niet direct raakt aan dierenwelzijn. Alle overige genoemde exportprojecten zijn door uitvoerder ADSB onderworpen aan een milieu- en sociale beoordeling voordat een ekv-polis werd verstrekt. De projecten voldoen aan het mvo-beleid en de dierenwelzijnsverklaring voor de ekv.
Vindt u het wenselijk dat projecten in de zogenoemde categorie «M» überhaupt geen enkele vorm van toetsing ondergaan, omdat het een uitbreiding van een bestaand project aangaat, ook niet als deze niet eerder zijn getoetst op dierenwelzijn omdat de beleidsverklaring nog niet van kracht was bij start van het project? Zo ja, hoe verklaart u dit? Zo nee, waarom wordt deze uitzondering dan nog altijd gemaakt?
Het klopt niet dat projecten in de categorie «M» geen enkele vorm van toetsing ondergaan. Projecten die gecategoriseerd worden als «M» worden altijd aan een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling onderworpen. Hierin wordt de inzet van de exporteur en de afnemer op milieu- en sociaal-vlak, waaronder ook dierenwelzijn, beoordeeld. Daarnaast kan aanvullende informatie over de keten opgevraagd worden.
Gegeven bovenstaande uitzondering, wat vindt u ervan dat sinds 2021 exportkredietverzekeringen zijn verstrekt zonder enige toetsing op dierenwelzijn aan:
Alle genoemde exportprojecten zijn door uitvoerder ADSB onderworpen aan milieu- en sociale beoordeling voordat een ekv-polis werd verstrekt. De projecten voldoen aan het mvo-beleid en de dierenwelzijnsverklaring voor de ekv.
Bent u zich bewust van het feit dat deze beleidsverklaring is opgesteld, omdat, zoals in de beleidsverklaring ook is opgenomen, «In veel landen waar onder de EKV verzekerde export heen gaat is het dierenwelzijnsbeleid en de handhaving ervan soms zwak of ontbreekt zelfs»?
Ja.
Bent u het eens met de constatering dat het zeer zorgwekkend is dat de Nederlandse staat bijdraagt aan de levering van producten voor intensieve veehouderij zonder enige controle op dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom staat het kabinet toe dat dit nog steeds gebeurt?
Het kabinet kan zich niet vinden in de constatering dat de Nederlandse staat bijdraagt aan de levering van producten voor intensieve veehouderij zonder enige controle op dierenwelzijn. Transacties in de intensieve veeteeltsector worden altijd aan een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling onderworpen.
Bent u zich bewust van het feit dat in de beleidsverklaring staat aangegeven dat «In overeenstemming met wetenschappelijke denkwijzen neemt ADSB het standpunt in dat dieren wezens met gevoel zijn die in staat zijn om plezier en pijn te ondervinden»?
Ja.
Deelt u de mening dat het leven van een dier in de intensieve veehouderij ervoor zorgt dat een dier per definitie pijn ondervindt en geen plezier zal hebben in het leven? Zo nee, op welk moment denkt u dat een dier in de intensieve veehouderij plezier beleeft?
De principes die bekend staan als de «Vijf Vrijheden», die de (wereldwijde) internationale uitgangspunten voor dierenwelzijn vormen bij onder meer de World Organisation for Animal Health (OIE) en de OECD-FAO, geven aan dat een dier gevrijwaard moet zijn van honger, dorst en onjuiste voeding; fysiek en fysiologisch ongerief; pijn, verwondingen en ziektes; angst en chronische stress en het dier moet zijn natuurlijke gedrag kunnen vertonen. Veehouderijsystemen en -praktijken die hier niet verenigbaar mee worden geacht zijn daarom uitgesloten van de ekv.1
Vindt u het wenselijk dat het kabinet door het verstrekken van exportkredietverzekeringen aan intensieve veehouderij in landen met zeer lage of geen standaarden voor dierenwelzijn een groei in ernstig dierenleed faciliteert? Zo ja, waarom? Zo nee, is het kabinet bereid het verstrekken van exportkredietverzekeringen aan de intensieve veehouderij per direct af te schaffen? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet kan zich niet vinden in de stelling dat het kabinet dierenleed faciliteert. Juist door ekv-aanvragen te toetsen aan de hand van internationale kaders en een aanvullende dierenwelzijnsverklaring kan worden geëxporteerd naar landen waar wettelijke dierenwelzijnsstandaarden lager of zelfs afwezig zijn.2 Het hanteren van internationale standaarden is ook belangrijk voor een gelijk speelveld voor Nederlandse exporteurs. Met de dierenwelzijnsverklaring en de daar uit volgende uitsluitingslijst gaat Nederland al verder dan andere landen.
Het kabinet doet momenteel onderzoek naar de reikwijdte en consequenties van de aangenomen motie Teunissen c.s. die oproept om te stoppen met exportkredietverzekeringen voor projecten met een lagere dierenwelzijnsstandaard dan de Nederlandse. De resultaten van dit onderzoek zullen met uw Kamer worden gedeeld.3
Het bericht 'Uitvoerder waarschuwt: Ondernemers raken gefrustreerd en haken af' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de zorgen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de complexiteit van programma’s en regelingen voor ondernemers en de gevolgen voor het verdienvermogen van Nederland?1
Ja, ik heb uw Kamer daarom ook het rapport Stand van RVO 2023 (hierna: de Stand) op 18 januari jl. gestuurd.2
Wordt van alle 700 regelingen die door de RVO worden uitgevoerd structureel dan wel incidenteel bijgehouden welke signalen er van ondernemers binnenkomen over knelpunten? Zo ja, hoe wordt dit gedeeld met uw departement en wat wordt er gedaan met de knelpunten?
RVO heeft dagelijks contact met ondernemers. Zo is er contact met individuele ondernemers over praktische zaken rond subsidies en regelingen, maar ook met ondernemers en brancheverenigingen over knelpunten die ondernemers raken in hun bedrijf. Dit vindt zowel op incidentele basis als op structurele basis plaats. Structureel vindt er bij grootschalige regelingen een klanttevredenheidsonderzoek plaats, voert RVO bij regelingen waar signalen van knelpunten zijn steeds vaker de invoeringstoets3 toe en verzamelt en monitort RVO klantsignalen. Ondernemers weten RVO goed te vinden via klantcontact en deze signalen worden structureel teruggekoppeld binnen de organisatie. Daar waar het signalen over knelpunten in beleid betreft, worden deze teruggekoppeld naar de betrokken departementen. Daarnaast heeft RVO een klachtencoördinator en bestaat er een meldpunt regelgeving waar ondernemers terecht kunnen als ze last hebben van tegenstrijdige of onduidelijke regels of onnodige administratieve lasten. Ook als er uit deze contacten knelpunten naar voren komen dan worden deze gedeeld met het departement. Niet alle regelingen die RVO uitvoert, zijn regelingen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Naast EZK heeft RVO nog vele andere opdrachtgevers, zoals andere departementen, de EU en decentrale overheden.
Een voorbeeld van het terugkoppelen van knelpunten naar departementen is de rapportage over de Subsidiemodule brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv)4, die RVO op 23 januari jl. heeft opgeleverd naar aanleiding van signalen over knelpunten vanuit de sector. Een ander voorbeeld is de terugkoppeling over de Brexit Adjustment Reserve (BAR) die in de Stand is opgenomen.
Worden de signalen van RVO zelf over de uitvoeringspraktijk structureel met de beleidsdepartementen besproken en zo ja, kunt u concreet aangeven op welke wijze dat gebeurt?
Ja, de signalen van RVO over de uitvoeringspraktijk worden structureel met de beleidsdepartementen besproken. De werkwijze is dat RVO bij nieuwe beleidsvoornemens op een vroeg moment betrokken wordt om mee te denken over de vormgeving van beleid en de impact daarvan op de uitvoering. Eventuele signalen over bestaande regelingen worden in eerste instantie besproken op dossierniveau tussen de dossierhouder bij het ministerie en de contactpersoon bij RVO. Daarnaast zijn er verschillende structurele overleggen tussen opdrachtgevers en RVO waarbij mogelijke signalen uit de uitvoering besproken worden, zoals kwartaaloverleggen per Directoraat-Generaal, het opdrachtgeversoverleg per ministerie en het opdrachtgeversberaad met alle opdrachtgevers en RVO. Dat neemt echter niet weg dat deze samenwerking op alle niveaus nog beter kan. Door de grote hoeveelheid regelingen die RVO uitvoert en de grote hoeveelheid opdrachtgevers en stakeholders, is het een grote uitdaging om een volledig totaalbeeld te hebben. Uiteraard is daarbij het streven wel om zo compleet mogelijk te zijn.
Is de hartenkreet van RVO voor u een teken dat hun signalen nog veel serieuzer genomen moeten worden door de beleidsdepartementen?
De oproep van RVO is al langere tijd bekend. Vorig jaar heb ik hierover ook de Stand van RVO 2022 aan uw Kamer gestuurd5 en daar ook op aangegeven hier graag het gesprek met uw Kamer over aan te gaan. Zowel rijksbreed als binnen mijn departement wordt aan dit vraagstuk gewerkt, zoals ook gegeven onder vraag 3. Rijksbreed wordt via het programma Werk aan Uitvoering (WaU) eraan gewerkt om uitvoeringsorganisaties toekomstbestendiger te maken en om de samenwerking tussen beleid, uitvoering en politiek te verbeteren
Binnen EZK wordt, mede aan de hand van de WaU, gewerkt aan verbetering van de samenwerking tussen uitvoering en beleid. Zo is, voor agentschappen, diensten en zbo’s van EZK de afgelopen twee jaar de benodigde overlegstructuur verbeterd en geïntensiveerd. Hierdoor weten medewerkers elkaar steeds beter te vinden en worden signalen vanuit de uitvoering sneller opgepakt.
In de Stand wordt, evenals in bijvoorbeeld het rapport de Staat van de Uitvoering6 aangegeven dat dergelijke signalen niet alleen tussen beleid en uitvoering opgepakt en opgelost kunnen worden. Ook de politiek heeft hierin een rol te spelen. Het vroegtijdig inroepen en gebruik maken van expertise en signalen uit de uitvoering zou daarom juist in de driehoek van beleid, uitvoering en politiek gezamenlijk moeten komen.
Deelt u de mening van de RVO dat in een veel vroeger stadium van beleidsvorming getoetst zou moeten worden of regelingen uitvoerbaar zijn voor de RVO en werkbaar voor ondernemers? Zo ja, hoe wilt u dit vormgeven?
Zeker. Ik vind het belangrijk dat RVO meedraait bij de totstandkoming van nieuwe regelgeving, zodat het uitvoeringsperspectief bij het opstellen van nieuwe regelgeving al meteen goed wordt meegenomen. Zoals onder vraag 4 aangegeven weten beleid en uitvoering elkaar steeds beter te vinden. Om dit te bevorderen heeft RVO de afgelopen 1,5 jaar aan een nieuwe strategie gewerkt en is hier nog steeds mee bezig. Een belangrijk onderdeel van die strategie is dat RVO opgavegericht gaat werken. RVO heeft als publieke dienstverlener goed zicht op hoe individuele regelingen uitpakken in de praktijk en welk maatschappelijk effect bereikt wordt (of niet). Ook kan het zijn, zoals RVO benoemd in de Stand, dat regelingen onbedoeld tegenstrijdig werken. Daarom wil ik gezamenlijk met opdrachtgevende departementen en RVO naar de maatschappelijke opgave kijken en daar passende regelingen voor maken, in plaats een (nieuwe) regeling voorop te stellen als instrument. Zo kan RVO ook, vanuit hun ervaring en met het overzicht over alle bestaande regelingen, aangeven met welk instrument een opgave het beste vormgegeven kan worden. Overigens geldt ook hiervoor dat het gesprek met uw Kamer eveneens van belang is.
Hoe kunnen mensen uit het veld hier nog veel beter bij betrokken worden, zoals ondernemers, ambtenaren van RVO, brancheorganisaties of het Adviescollege Toetsing Regeldruk?
Op dit moment worden relevante partijen al op verschillende manieren betrokken bij de totstandkoming van wet- en regelgeving. Om dit in de toekomst beter te doen wordt het Beleidskompas gehanteerd bij het ontwikkelen van nieuw beleid. In het Beleidskompas wordt de vraag: «Wie zijn belanghebbend?» centraal gesteld. Door deze vraag in iedere fase opnieuw te stellen, wordt het belang ervan onderstreept en is de verwachting dat de samenwerking met verschillende partijen, zoals uitvoeringsorganisaties, koepelorganisaties, toezichthouders, NGO’s, burgers en bedrijven wordt versterkt7. Ook wordt het Adviescollege Toetsing Regeldruk vaak betrokken bij de vroege fase van regelgeving. Van deze mogelijkheid (zogenaamde «pré-consultatie») wordt steeds meer gebruik gemaakt door departementen.
Daarnaast heb ik het Actieprogramma mkb-dienstverlening 2024–2026 aan u aangeboden8 (november 2023). Dit is opgesteld met partners op regionaal en landelijk niveau, waaronder RVO. In dit Actieprogramma is de ambitie neergelegd dat de ondernemerdienstverlening gaat functioneren als een vraaggericht stelsel van publieke dienstverlening. Deze stelselbenadering is een nieuw perspectief dat je niet van het ene op het andere moment of met simpele ingrepen kunt realiseren. De Actieagenda kent een zestal actielijnen waaronder het optimaliseren van de inbreng vanuit ondernemerscommunities en het versterken van de rol van publieke dienstverleners als partners van beleid. Hiertoe worden momenteel plannen van aanpak ontwikkeld met betrokkenheid van de RVO. In het voorjaar volgt er een brief waarin u geïnformeerd wordt over voortgang van deze plannen van aanpak.
Deelt u de mening van de RVO dat er teveel regelingen bij verschillende ministeries liggen die met elkaar kunnen botsen? Zo ja, kunt u hier voorbeelden van geven naast de voorbeelden die door RVO zijn genoemd?
Er is in de loop der jaren een veelheid aan regelingen ontstaan en dit verhoogt het risico dat deze op sommige vlakken kunnen botsen. Dit is uiteraard nooit de insteek. Zodra dergelijke conflicterende regelgeving wordt gesignaleerd, worden er passende maatregelen getroffen. Op dit moment ben ik niet op de hoogte van aanvullende conflicterende regelingen. Zoals onder vraag 3 aangegeven, is het echter een grote uitdaging om hier te allen tijde een compleet overzicht van te hebben. Daarom werkt mijn departement, samen met andere opdrachtgevers en RVO, er via de genoemde overlegstructuur aan om dergelijke signalen zoveel mogelijk op te pakken en daar oplossingen voor te zoeken.
RVO geeft aan dat er bij de vorming van nieuwe regelingen een taak ligt voor beleid, uitvoering en politiek om gezamenlijk tot betere resultaten te komen. Het komt nog te vaak voor dat de uitvoering niet tijdig kan mee praten én beslissen bij de totstandkoming van plannen.
Daar is, zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, ook de samenwerking met uw Kamer voor nodig.
Hoe werkt u aan het afbreken van muren tussen departementen en het bevorderen van samenwerking en coördinatie tussen departementen? Gebeurt dat volgens u voldoende?
Zie antwoorden 4, 5 en 7
Bent u bereid om voor een urgent vraagstuk als regeldruk een centrale coördinator én een coördinator per departement aan te stellen die samenwerken aan verbetering?
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Verdienvermogen van Nederland?
Bij dezen.