De te lange betaaltermijnen van grote bedrijven aan kleine ondernemers |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met van het onderzoek van Graydon Nederland, in opdracht van MKB-Nederland, waaruit blijkt dat de betalingstermijnen van grote bedrijven aan midden- en kleinbedrijven (mkb’ers) juist weer oplopen?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit onder andere blijkt dat de betalingstermijnen zijn opgelopen naar 41,4 dagen?
Dit voorjaar heb ik in uw Kamer gezegd dat de betaaltermijnen aan het mkb moeten verbeteren en dat ik de wet zal aanscherpen als blijkt dat grote bedrijven de huidige maximale termijn van zestig dagen in toenemende mate als norm hanteren. De cijfers van Graydon tot en met juni van dit jaar laten de gewenste verbetering niet zien.
Deelt u de mening dat kleine bedrijven geen bank hoeven te spelen voor grote bedrijven en dat grote bedrijven gewoon netjes hun facturen op tijd dienen te betalen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat juist in economische goede tijden grote bedrijven hun facturen te laat betalen aan mkb’ers? Zo nee, waarom niet?
Een goed draaiende economie geeft minder aanleiding tot lange betaaltermijnen dan een moeizaam draaiende economie. Daarom vind ik het inderdaad zorgelijk dat de betaaltermijnen in het actuele economische klimaat niet de gewenste ontwikkeling laten zien.
Wanneer ontvangt de Kamer de voor de zomer toegezegde evaluatie van de Wet Betalingstermijnen grote bedrijven 2017?
Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Wörsdörfer in mei heb ik aangegeven dat de cijfers over de gerealiseerde betaaltermijnen tussen ondernemingen tot en met medio 2019 beslissend zullen zijn voor een aanscherping van de regeling. Die cijfers zijn in september beschikbaar gekomen en laten niet de gewenste verbetering zien. Verder had ik uw Kamer naar aanleiding van het AO Bedrijfslevenbeleid in april al toegezegd dat ik die aanscherping niet los kan zien van de evaluatie van de Wet betaaltermijnen grote bedrijven, omdat deze evaluatie informatie kan opleveren waarmee rekening gehouden moet worden.
Wanneer ontvangt de Kamer de wetswijziging, zoals gevraagd in de aangenomen motie-Wörsdörfer/Amhaouch (Kamerstuk 32 637, nr. 363) om de betalingstermijnen van grote bedrijven aan mkb’ers terug te brengen van 60 naar 30 dagen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om deze wetswijziging nog voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van EZK naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat juist de handhaving van de Wet Betalingstermijnen een probleem is omdat kleine ondernemers het niet gaan opnemen tegen de legers van advocaten van grote bedrijven of bang zijn op een zwarte lijst te belanden? Zo nee, waarom niet? Hoe kijkt u aan tegen de handhaving van wetgeving rondom de betalingstermijnen van grote bedrijven aan kleine bedrijven?
De handhaving van wetgeving, de mate waarin van partijen mag worden verwacht dat zij daarin zelf een rol spelen en de eventuele knelpunten die zich daarbij in de praktijk voordoen, zijn onderwerp van de evaluatie die ik laat uitvoeren.
Bent u bereid om de mogelijkheid te onderzoeken om grote bedrijven die hun facturen te laat betalen aan mkb’ers te beboeten of te berispen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek ontvangen?
De evaluatie van de Wet betalingstermijnen grote bedrijven is nog in uitvoering. Ik verwacht uw Kamer rond de jaarwisseling te kunnen informeren over de uitkomsten hiervan.
Het duidelijk verslechterde economisch beeld van het midden- en kleinbedrijf (mkb) |
|
Frank Futselaar |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Herkent u het beeld dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) schetst in de conjunctuurklok voor het derde kwartaal van 2019?1
Het mkb is het fundament van de Nederlandse economie. Daarom volg ik het economisch beeld van het mkb op de voet via de «mkb conjunctuurklok». De klok is samengesteld uit factoren die het economisch beeld voor het mkb beïnvloeden. Het bericht waar het lid Futselaar op doelt beschrijft dat de ontwikkeling van onder andere export, ondernemersvertrouwen en aantal vacatures afneemt. Dit zijn belangrijke voorspellende factoren voor de conjunctuur. Sinds het derde kwartaal van 2016 zijn alle indicatoren «boven trend», en liggen daarmee boven het langjarig gemiddelde van de afgelopen 10 jaar. Deze klok zorgt ervoor dat we de conjunctuur ontwikkelingen van het mkb op de voet kunnen volgen.
De resultaten laten zien dat het nog steeds goed gaat met het mkb, maar ook dat de stemming onder ondernemers het afgelopen kwartaal is verslechterd. Dat is ook niet zo gek: na lange tijd van aanhoudende hoge economische groei, ligt een afvlakking binnen de verwachtingen. Dit sluit aan bij andere voorspellingen, zoals de Augustusraming van het CPB die lagere economische groei voor 2020 voorspelt.
Deze afvlakking wordt deels veroorzaakt door binnenlandse factoren: personeelsschaarste zorgt ervoor dat bedrijven minder snel kunnen groeien. Anderzijds wordt deze afvlakking veroorzaakt door ontwikkelingen in het buitenland. De onzekerheid rondom de Brexit, en de handelsoorlog tussen de VS en China raken ook de Nederlandse economie. Zo hebben deze ontwikkelingen een impact op investeringen en de uitvoer.
Sinds 1 oktober staat ook de tool «MKBarometer» online op www.staatvanhetmkb.nl. Dit is een afgeleide van de mkb conjunctuurklok en geeft in één blik weer wat de stand van de conjunctuur van het mkb is (zie figuur 1).
Figuur 1: MKBarometer in het 3e kwartaal van 2019
Deelt u de mening dat de indicatoren die het CBS toont op deze conjunctuurklok een grillig verloop hebben, maar dat het conjunctuurverloop niet louter positief is voor het Nederlandse mkb?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden de algemene conjunctuurklok en de MKB-conjunctuurklok zich tot elkaar? Kan een vergelijkbare conjunctuurklok voor het grootbedrijf worden gemaakt om verschillen in prestaties en resultaten van uw beleid aan te tonen?
Er is bij de uitwerking van de MKB-conjunctuurklok gestreefd om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de methodologie en het conjuncturele gedachtengoed van de bestaande CBS conjunctuurklok voor de hele Nederlandse economie.
De conjunctuurklok beoogt een beeld te geven van de stand van de economie, niet om de prestaties en resultaten van mijn beleid te evalueren. Daarom voer ik regelmatig monitoring, evaluaties en onderzoeken uit naar het ingestelde beleid. Zo kom ik dit najaar met een visie op de financieringsmarkt naar aanleiding van een onderzoek naar de werking van die markt en het ingestelde financieringsinstrumentarium.
Hoe is het huidige conjuncturele beeld voor het grootbedrijf en hoe verschilt dit met dat voor het mkb? Kunt u aangeven of uw beleid hiermee succesvoller het mkb stimuleert of eerder het grootbedrijf?
De conclusie van de conjunctuurklok over het economisch beeld geldt niet alleen voor het mkb, maar voor alle Nederlandse bedrijven. De CBS conjunctuurklok laat namelijk ook zien dat het conjunctuurbeeld minder gunstig geworden is, evenals de ramingen van het CPB. Deze bronnen gaan uit van het hele bedrijfsleven en niet alleen het mkb.
Het generieke deel van het bedrijvenbeleid is zowel ingesteld voor grote als kleine bedrijven. Voor zover er specifiek beleid is, richt zich dat vooral op het mkb.
Zo heb ik vorig jaar het MKB-actieplan gepresenteerd om het mkb te versterken.
Hierin staan verschillende maatregelen op diverse thema’s, waaronder digitalisering, financiering, menselijk kapitaal en internationaal ondernemen. Ik vind het mkb erg belangrijk omdat het de motor is van onze economie. Het is daarom van belang dat het mkb de aandacht krijgt die het verdient. Voor de zomer heb ik u de voortgangsrapportage van het MKB-actieplan toegezonden (Kamerstuk 32 637, nr. 379), waarin de ontwikkelingen op de verschillende thema’s zijn aangegeven. De voortgangsrapportage laat zien dat er het afgelopen jaar mooie resultaten zijn geboekt, zoals de start van MKB!dee, de start van de regionale Smart Industry Hubs en de MKB-werkplaatsen om het mkb te helpen met digitalisering, de invoering van de MKB-toets voor nieuwe wet- en regelgeving. Deze en de andere initiatieven uit het MKB-actieplan zal ik de komende periode verder uitbouwen.
Deelt u de mening dat binnenlandse bestedingen een aanzienlijke factor zijn in de prestaties van het mkb en dat het achterblijven hiervan ten opzichte van de economische groei het mkb ernstig hindert?2
De binnenlandse bestedingen zijn een belangrijke factor in de prestaties van het mkb. Het merendeel van de mkb-bedrijven is georiënteerd op Nederland en exporteert geen goederen of diensten naar het buitenland (Nederland Handelsland, CBS, 2019).
Het is echter voorbarig om te stellen dat het achterblijven van de binnenlandse bestedingen het mkb ernstig heeft gehinderd. Veel mkb ondernemingen bedienen zakelijke markten en daardoor is ook de uitvoer een aanzienlijke factor in de prestaties van het mkb. Deze bedrijven leveren namelijk ook goederen en diensten aan Nederlandse bedrijven die exporteren.
Deze kanttekening geldt ook bij de binnenlandse bestedingen. Hogere binnenlandse bestedingen komen naast goederen en diensten van het mkb ook aan het grootbedrijf toe.
Data van De Staat van het mkb en het CBS laten zien dat de groei van de toegevoegde waarde van het mkb de groei van de totale economie volgt.
Figuur 2: Ontwikkeling van de toegevoegde waarde van het mkb (business economy) index: 2011=100, bron: CBS
Deelt u de mening dat binnenlandse bestedingen het effectiefst gestimuleerd kunnen worden door het besteedbaar inkomen van degenen met de laagste inkomens te vergroten? Zo ja, bent u bereid om een loongolf in Nederland te helpen tot stand te komen om dit te bereiken?
Het CBS heeft recent laten zien dat de consumptie achterblijft bij de groei van het bruto binnenlands product omdat een groter deel van het inkomen van huishoudens naar schuldaflossing is gegaan.3 Gegeven besparingen en aflossing worden binnenlandse bestedingen niet noodzakelijk het sterkst aangewakkerd door het besteedbaar inkomen van huishoudens te vergroten. Overheidsconsumptie kan dan bijvoorbeeld effectiever zijn om de binnenlandse bestedingen te vergroten.
Bij de huidige stand van de conjunctuur en krapte op de arbeidsmarkt hoort een relatief hoge loongroei. Het CPB raamt voor 2019 en 2020 een loongroei van 2,5%. Hierdoor stijgt de arbeidsinkomensquote de komende twee jaar met 1,8%-punt. Daarnaast wordt ook de verwachte economische groei in 2019 en 2020 voornamelijk gedragen door de binnenlandse bestedingen. De Sociale Partners onderhandelen over de lonen. De loonsverhoging die passend is, verschilt per sector.
Het bericht ‘Concurrentiebeding wordt vaak oneigenlijk gebruikt’. |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Concurrentiebeding wordt vaak oneigenlijk gebruikt»?1
Ja.
Wat is het aandeel contracten waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen?
In 2015 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van het concurrentiebeding in arbeidsovereenkomsten. 19% van de ondervraagde werknemers gaf toen aan een concurrentiebeding te hebben. Er is geen direct vergelijkbaar onderzoek bekend, maar het aandeel nieuwe contracten met een concurrentiebeding kan voor 2018 worden benaderd voor vaste en tijdelijke contracten. Hieronder valt het concurrentiebeding, maar bijvoorbeeld ook een relatiebeding.
In de rest van beantwoording wordt de term «concurrentiebeding» gebruikt.
Per contractvorm is gekeken naar het aandeel mensen dat in de enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS aangeeft korter dan een half jaar geleden gestart te zijn met een nieuwe baan, waarbij een concurrentiebeding is opgenomen in het arbeidscontract. Een eerste verkenning laat zien dat van het deel van deze groep werknemers met een vast contract 19 procent een concurrentiebeding heeft opgenomen in zijn of haar arbeidscontract. Van de mensen met een tijdelijk contract is dat 16 procent. Voor beide groepen geldt dat rond een kwart van de mensen niet weet of er sprake is van een concurrentiebeding in hun arbeidscontract.
Wat is het aandeel contracten voor bepaalde tijd waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het bekend hoe vaak werkgevers zich beroepen op deze bepaling in het contract?
Dat is niet bekend. Het opnemen van een concurrentiebeding zegt inderdaad nog niets over in hoeveel gevallen een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding. Dit is in beginsel een zaak tussen werkgever en werknemer. Indien een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding, kan het zijn dat de werknemer dit accepteert. Deze gevallen worden dus niet openbaar. Dit is ook het geval als werkgever en werknemer besluiten een mogelijk geschil hierover te schikken. Er zijn alleen cijfers over het aantal rechtszaken, maar dit geeft geen volledig beeld van het aantal gevallen waarin werkgevers het concurrentiebeding inroepen.
Deelt u het beeld van VNO-NCW dat rechters nu al vaak een vergoeding toekennen? In hoeveel van de gevallen vragen werknemers om een dergelijke vergoeding?
Hier zijn geen recente cijfers over bekend. Uit onderzoek uit 2011 blijkt dat er in de periode tussen 2000 en 2010 92 gepubliceerde uitspraken zijn aangetroffen waarin een vergoeding wordt verzocht door werknemers. In 15 procent van de gevallen werd ook daadwerkelijk een vergoeding toegekend aan de werknemer. Er is geen recent onderzoek bekend waarin is onderzocht of dit in recente jaren anders is.
Op welke manier wordt het criterium van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bij het opnemen van een non-concurrentiebeding bij een contract voor bepaalde tijd gewogen? Kan dat bijvoorbeeld worden gelezen als «weinig gespecialiseerde technici beschikbaar»?
De werkgever dient in het beding zelf te motiveren welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen.2 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een werkgever per geval dient te motiveren welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen een concurrentiebeding vereisen. Daardoor kan volgens de Hoge Raad geen algemene uitspraak worden gedaan over welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen aan de orde moeten zijn om een dergelijk beding te rechtvaardigen. Dit verschilt dus van geval tot geval. Er is nog geen uitvoerig onderzoek gedaan hoe rechters deze belangen in de praktijk wegen. In lagere rechtspraak is wel aangegeven dat krapte op de arbeidsmarkt geen onderdeel uitmaakt van het met een concurrentiebeding rechtens te beschermen belang van de werkgever. Dit betekent dat de rechter krapte niet meeweegt in zijn afweging, en ook niet honoreert als zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.3 In hoeverre dit algemeen geaccepteerd is in de rechtspraktijk is niet bekend.
Hoe vaak wordt er in contracten voor bepaalde tijd toch een non-concurrentiebeding opgenomen, als er eigenlijk geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn?
Dit is niet bekend. De inhoud van arbeidsovereenkomsten is niet bekend, en veel conflicten over bedingen worden geschikt. Er is dus geen totaalbeeld. In de evaluatie van de Wet werk en zekerheid is aandacht voor de motivatie van het opnemen van een concurrentiebeding in een contract voor bepaalde tijd. Of deze motivatie geldt als zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen wordt per geval beoordeeld door de rechter, zoals omschreven in het antwoord op vraag 6.
Bent u het eens met de analyse uit het artikel dat de huidige krapte op de arbeidsmarkt ervoor zorgt dat werkgevers zich vaker beroepen op het non-concurrentiebeding?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het niet bekend hoe vaak werkgevers zich beroepen op het concurrentiebeding en ook niet op welke gronden zij zich beroepen. Er is dus ook geen beeld van de samenhang daarvan met arbeidsmarktkrapte. Zo is niet bekend of werkgevers zich vanwege arbeidsmarktkrapte vaker beroepen op het concurrentiebeding. De krapte op de arbeidsmarkt geldt in de rechtspraak in ieder geval op zichzelf niet als te beschermen belang van de werkgever (zie ook het antwoord op vraag 6).
Heeft het non-concurrentiebeding ook structureel een negatief effect op het aantal baanwisselingen?
Het concurrentiebeding beperkt het recht van de werknemer op vrijheid van arbeidskeuze. Het is mogelijk dat werknemers omwille van het concurrentiebeding in hun contract minder vaak beslissen om van baan te wisselen. Het is niet bekend in hoeverre werknemers in de praktijk ook daadwerkelijk deze afweging maken en de arbeidsmobiliteit wordt beperkt door het concurrentiebeding. Uit onderzoek van CentERdata uit 2015 blijkt dat bijna de helft van de werknemers niet weet of zijn werkgever hem aan het concurrentiebeding gaat houden bij het vinden van ander werk. Ruim 20 procent denkt dat dit wel het geval zal zijn. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat ongeveer 13 procent van de ondervraagde werkenden denkt dat het concurrentiebeding (enige) hinder zal opleveren bij het vinden van een nieuwe baan. Van de groep werknemers die korter dan vijf jaar bij de huidige werkgever werkt en in de vorige functie te maken had met een concurrentiebeding geeft 11 procent aan (enige) hinder te hebben ervaren bij het vinden van een nieuwe baan. Het is niet bekend of dit in de afgelopen 5 jaar is veranderd.
Zou het meenemen van klanten naar een nieuwe werkgever ook als onrechtmatige daad kunnen worden gezien, waardoor de huidige wetgeving de werkgever al bescherming biedt?
Bij het ontbreken van een relatie- of concurrentiebeding is de werknemer in beginsel na dienstverband vrij om dit te doen. Dit kan natuurlijk anders zijn als er al tijdens het dienstverband concurrerende activiteiten worden ontplooid.4 Ook hebben rechters geoordeeld dat een werknemer een onrechtmatige daad tegen zijn werkgever begaat door het kopiëren van de database van kandidaten van een uitzendbureau en deze mee te nemen naar de nieuwe werkgever, of door bedrijfsgeheimen (prijsstellingen) mee te nemen naar de nieuwe werkgever.5 In zoverre beschermt de huidige wet werkgevers al tegen het onrechtmatig handelen van (ex-)werknemers. Dat betekent overigens niet dat in alle gevallen waarbij klanten wisselen van bedrijf doordat een werknemer overgaat naar een andere werkgever, er sprake is van een onrechtmatige daad.
Uiteraard kan een relatiebeding worden opgenomen in plaats van een concurrentiebeding, dat minder vergaande gevolgen heeft voor de werknemer, maar de werkgever wel beschermt tegen het meenemen van klanten. Een relatiebeding valt overigens onder dezelfde wettelijke bescherming als het concurrentiebeding.6
Wat vindt u van het idee om werknemers financieel te vergoeden bij het opnemen van een concurrentiebeding? Zou dit mogelijk kunnen helpen om het aantal contracten met een concurrentiebeding terug te dringen?
Naar aanleiding van de motie van u en het lid Gijs van Dijk die is aangenomen bij de begrotingsbehandeling SZW zal ik onderzoek doen naar de wenselijkheid van het stellen van nadere voorwaarden aan het gebruik van het concurrentiebeding. Hierbij zal ik ook een verplichte vergoeding overwegen.
De Wet modernisering Kleineondernemersregeling (KOR) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Kunt u een update geven van de implementatie van de Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR)? Klopt het dat de implementatie per 1 januari 2020 van kracht zal worden? Zo nee, waarom niet?
De Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR) treedt in werking per 1 januari 2020. Ondernemers kunnen zich sinds 1 juni 2019 reeds aanmelden voor toepassing van de nieuwe KOR.
Op welke manier brengt u de omschakeling van de oude naar de nieuwe KOR onder de aandacht van de kleine ondernemer? Hoe waarborgt u dat voor alle kleine ondernemers duidelijk is wat er zal veranderen op 1 januari 2020? Welke stappen zijn hiertoe gezet?
Per 1 juni van dit jaar kunnen ondernemers zich aanmelden voor de nieuwe KOR en is de informatie over de nieuwe KOR inclusief een keuzehulp opgenomen op de website van de belastingdienst (www.belastingdienst.nl). Op het Forum Fiscaal Dienstverleners is een nieuwsbericht inclusief vlog met een uitleg over de nieuwe regeling geplaatst. Ondernemers die onder de oude KOR zijn ontheven van btw- en administratieve verplichtingen zijn per brief geïnformeerd over de nieuwe KOR en wat deze voor hen gaat betekenen.
Medio september start de publiekscampagne met commercials en (pers)berichten op radio en televisie, Google en Bing Search. De Belastingdienst zal dan ook berichten over de nieuwe KOR plaatsen op sociale media. Parallel daaraan is er overleg met de belangrijkste stakeholders (zoals de Kamer van Koophandel, de zonnepaneelbranche, ZZP-Nederland, fiscaal dienstverleners softwareleveranciers). Zij worden voorzien van communicatiemiddelen voor hun achterban. Verder zal de Belastingdienst tijdens de Intermediairdagen dit najaar de nodige aandacht besteden aan de nieuwe KOR.
Is uw verwachting dat 68.000 ondernemers die geen gebruik kunnen maken van de huidige KOR, wel gebruik zullen en kunnen maken van de nieuwe KOR, nog accuraat? Waarop is dit aantal gebaseerd? Klopt het dat dit aantal bovenop de 230.000 kleine ondernemers komt die per eind 2017 onder de KOR vielen?1
De groep gebruikers van de nieuwe KOR bestaat allereerst uit ondernemers die niet ontheven zijn van administratieve verplichtingen en gebruik maken van de huidige KOR (101.000 op basis van gegevens 2017) en uit ondernemers die niet ontheven zijn en geen gebruik (kunnen) maken van de huidige KOR (68.000 op basis van gegevens 2017). De omvang van beide groepen is bepaald aan de hand van individuele gegevens (omzet en btw) en een inschatting van welk deel geen gebruik gaat maken van de nieuwe KOR, b.v. omdat sprake is van levering van prestaties aan aftrekgerechtigde ondernemers (B2B). De verwachting is dat beide groepen op het moment van invoering van de nieuwe KOR in omvang toegenomen zullen zijn, evenredig met de groei van het aantal btw-plichtigen vanaf 2017.
Daarbovenop komt de groep van kleine ondernemers die ontheven is van administratieve verplichtingen (230.000 per eind 2017). Van deze groep is aangenomen dat zij gebruik gaat maken van de nieuwe KOR. In 2018 is deze groep aanzienlijk gegroeid door een toename van het aantal zonnepaneelhouders. Ook in 2019 wordt een aanzienlijke toename van deze groep verwacht.
Klopt het dat alle ondernemers die aan de criteria van de «oude KOR» voldoen ook per direct aan de criteria van de «nieuwe KOR» voldoen? Kunnen er gevallen zijn waarbij een ondernemer die onder de «oude KOR» valt niet voldoet aan de criteria van de «nieuwe KOR»? Om welk soort ondernemers gaat dit en in welke branches zijn zij actief? Kunt u toelichten waardoor niet alle kleine ondernemers onder de nieuwe KOR vallen? Op welke manier worden ondernemers hierover geïnformeerd?
Niet alle ondernemers die onder de oude KOR vallen voldoen per direct aan de nieuwe KOR. De oude KOR kent een btw-afdrachtdrempel en de nieuwe KOR kent een omzetdrempel. Het is mogelijk dat een ondernemer na aftrek van voorbelasting onder de afdrachtsdrempel van de oude KOR blijft, terwijl zijn omzet boven de omzetdrempel van de nieuwe KOR van € 20.000 ligt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij ondernemers die veel goederen exporteren tegen het btw-tarief van 0% of ondernemers met veel voorbelasting.
In beginsel dient iedere ondernemer zelf na te gaan op basis van zijn toekomstverwachtingen of hij aan de voorwaarden voor de nieuwe KOR voldoet en of hij zich voor deze facultatieve regeling wil aanmelden. Wel is het zo dat ondernemers die zich onder de oude KOR hebben aangemeld voor ontheffing van administratieve verplichtingen op basis van het geboden overgangsrecht automatisch worden overgezet naar de nieuwe KOR. Indien een dergelijke ondernemer in 2020 verwacht niet te voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe KOR, bijvoorbeeld vanwege een verwachte hogere omzet dan de omzetgrens van € 20.000, moet de ondernemer zelf een verzoek doen om uitreiking van aangiften als bedoeld in artikel 6 AWR.
Voor de toepassing van de oude KOR en de nieuwe KOR is niet relevant in welke branche de betreffende ondernemer werkzaam is. Daarvoor is alleen van belang wat de omvang is van de verschuldigde btw onderscheidenlijk de behaalde omzet.
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ 29 juli 2019, C-388/18, de zaak «B» (Chiffre d’affaires du revendeur de véhicules d’occasion))?2
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van het Hof van Justitie waarin een ondernemer zijn omzet moet berekenen op basis van alle gedane betalingen/transacties en niet op basis van winstmarges?
Het HvJEU heeft een arrest gewezen waar wordt ingegaan op de vraag welke omzetgrens in het kader van de kleineondernemersregeling (KOR) geldt bij ondernemers die tevens de zogenoemde margeregeling door wederverkopers toepassen. Hiermee geeft het Hof een uitleg aan de Btw-richtlijn 2006. Deze uitleg geldt voor alle lidstaten, waardoor ook Nederland gehouden is deze uitleg te volgen. Op deze manier ontstaat er geen verschil in btw-behandeling tussen lidstaten.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor de Nederlandse invulling van de KOR en welke gevolgen heeft dat voor het aantal kleine ondernemers die hierdoor geen gebruik kunnen maken van de KOR?
Het arrest noopt niet tot aanpassing van de Wet OB 1968. Wel is het noodzakelijk dat het nieuwe artikel 24 Uitvoeringsbeschikking OB 1968, zoals dat in werking zou treden per 1 januari 2020, wordt ingetrokken. Op die manier wordt geregeld dat ondernemers die btw berekenen over de winstmarge, voor toepassing van de nieuwe KOR niet slechts de belaste marge maar de totaal ontvangen bedragen in aanmerking moeten nemen. Als deze ondernemers een hogere omzet hebben dan € 20.000, kunnen zij de nieuwe KOR niet toepassen.
Op basis van welk scenario in relatie tot de genoemde uitspraak is de € 20.000 tot stand gekomen: winstmarge of ontvangen betalingen als jaaromzet? Indien winstmarge, welke implicaties heeft de uitkomst van dit arrest voor de nieuwe KOR?
Bij het ramen van het aantal ondernemers dat gebruik gaat maken van de nieuwe KOR is uitgegaan van de in de aangifte vermelde btw. Voor degenen die gebruik maken van de margeregeling betekent dit dat als omzet de belaste winstmarge is genomen.
Kunt u een overzicht geven van de gehanteerde drempels (in de KOR-regeling) in andere Europese lidstaten? Klopt het dat de drempel in Nederland in vergelijking met andere Europese lidstaten lager ligt? Zo ja, waarom heeft u gekozen voor de drempel van € 20.000 en niet voor een hogere drempel die meer in overeenstemming is met andere EU-lidstaten?
Het kabinet heeft gekozen voor een omzetgrens van € 20.000 per kalenderjaar. De Btw-richtlijn 2006 voorziet in een lagere omzetgrens van € 5.000. Voor een verhoging van de omzetdrempel is daarom een derogatieverzoek ingediend bij de Europese Commissie.
Met de wettelijk vastgestelde omzetgrens van € 20.000 is de wijziging van de KOR budgetneutraal. Dat betekent dat de kosten voor de schatkist van de nieuwe KOR naar verwachting even hoog zijn als de kosten van de oude KOR. Door deze omzetgrens wordt de nieuwe KOR toegespitst op de beoogde doelgroep, namelijk (startende) ondernemers met een beperkte omzet. Deze beoogde doelgroep is ook de groep ondernemers, waarvoor het reguliere btw-proces en de toepassing van de huidige KOR in de praktijk complex is. De omzetgrens is daarnaast gekozen op een niveau dat mogelijke concurrentieverstoring met ondernemers in de belaste sfeer beperkt is.
De gemiddelde omzetgrens, exclusief het Verenigd Koninkrijk, is € 26.000. In België geldt een omzetgrens van € 25.000, in Luxemburg van € 30.000, in Denemarken van DKK 50.000 (ongeveer € 6.700, in Duitsland van € 17.500, in Oostenrijk van € 30.000 en in Verenigd Koninkrijk van £ 83.000 (ongeveer € 95.000).
Deelt u de mening dat de uitspraak van het Hof van Justitie maakt dat er minder ondernemers zijn die gebruik kunnen maken van de KOR na implementatie van de Wet modernisering kleineondernemersregeling en de uitspraak van het Hof van Justitie? Zo ja, wat gaat u eraan doen om te zorgen dat een grotere groep ondernemers onder de nieuwe KOR valt? Zo nee, waarom niet?
Ondernemers die de margeregeling voor wederverkopers of de reisbureauregeling toepassen en een omzet hebben van meer dan € 20.000 zullen de nieuwe KOR niet kunnen toepassen. Daarom zullen minder ondernemers die btw berekenen over hun belaste marge de nieuwe KOR kunnen toepassen. De uitspraak van het HvJEU geeft mij op dit moment geen aanleiding om de geldende omzetgrens, die geldt voor alle ondernemers, te verhogen.
Deelt u de mening dat de KOR een belangrijke meerwaarde vormt voor kleine ondernemers omdat op die manier de administratieve lasten voor deze ondernemers beperkt wordt?
Ja, het doel van de nieuwe KOR is een vereenvoudigde vrijstellingsregeling voor kleine ondernemers, ongeacht de rechtsvorm, om daarmee hun administratieve lasten te verlichten. De modernisering van de KOR levert een flinke vereenvoudiging van het fiscale stelsel en de uitvoering daarvan op.
Bent u bereid om de voorgestelde drempel in relatie tot de uitspraak van het Hof van Justitie te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Het arrest van het HvJEU geeft mij geen aanleiding de drempel van € 20.000, die immers geldt voor alle ondernemers die aanspraak maken op de KOR, te wijzigen. Wel wijs ik erop dat bij de behandeling van het wetsvoorstel door mij is toegezegd dat de nieuwe KOR zal worden geëvalueerd. Bij die evaluatie wil ik kijken naar het aantal meldingen voor toepassing van de nieuwe KOR en het soort ondernemer dat kiest voor toepassing van de nieuwe KOR, zodat een beter beeld wordt gekregen van het daadwerkelijke gebruik van de aangepaste regeling. Mocht de evaluatie daar aanleiding voor geven, dan kan de omzetgrens, zo nodig na het verkrijgen van een derogatie, worden bijgesteld.
Klopt het dat de nieuwe regeling consequenties heeft voor de facturen naar klanten, bijvoorbeeld in geval van lopende contracten of bij vervallen van de KOR als een ondernemer rond de drempel van € 20.000 euro zit of bij het leveren van vrijgestelde diensten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het argument dat de nieuwe regeling tot minder administratieve verplichtingen zal leiden?
Zolang er aan de KOR-voorwaarden wordt voldaan, is de ondernemer vrijgesteld van btw en de daaraan verbonden administratieve verplichtingen. Overschrijding van de omzetdrempel betekent een omslag naar btw-plicht en desbetreffende administratieve verplichtingen. Het is dan ook van belang dat de ondernemer van tevoren een zo goed mogelijke inschatting maakt van zijn verwachte jaaromzet. Hier zit uiteraard een onzekere factor aan en het kan gebeuren dat de ondernemer in de loop van een kalenderjaar onverwachts toch een dusdanig hoge omzet genereert dat hij boven de omzetgrens komt. Mede daarom is ervoor gekozen om bij een eventuele overschrijding van de omzetgrens de vrijstelling niet met terugwerkende kracht te laten vervallen. Dit in tegenstelling tot de oude KOR, die bij overschrijding gedurende het jaar kan leiden tot correcties van de reeds genoten vermindering in eerdere kwartaalaangiften voor dat jaar. Wordt gedurende een jaar de omzetgrens van de nieuwe KOR overschreden, dan heeft dat tot gevolg dat alle leveringen en diensten die worden verricht na die overschrijding en de omzetgrensoverschrijdende handeling zelf niet langer onder de vrijstelling vallen. Van de ondernemer wordt gevraagd dit goed te monitoren en hij zou hier voor lopende contracten op voorhand rekening mee kunnen houden door bijvoorbeeld prijsafspraken exclusief eventueel verschuldigde btw te maken.
Kunt u toelichten of het btw-nummer op de factuur vervalt aangezien in de nieuwe regeling een kleine ondernemer vrijgesteld is van btw? Wat zijn de gevolgen hiervan in de praktijk omdat in deze situatie de rekening niet voldoet aan de factuurvereisten (en daarmee verwarring en twijfel over ondernemerschap)? In hoeverre heeft dit consequenties of leidt dit tot verwarring over de status van de arbeidsrelatie?
De factuurvereisten voor de btw dienen de heffing van btw. Ingeval van toepassing van de nieuwe KOR is er geen btw verschuldigd en is de ondernemer niet gehouden aan vermelding van een geldig btw-nummer op zijn facturen. Dit geldt overigens ook al voor ondernemers die onder de oude KOR hebben gekozen voor ontheffing van administratieve verplichtingen. Toepassing van de nieuwe KOR is alleen aan de orde als voor de btw sprake is van ondernemerschap. Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de hieraan ten grondslag liggende Btw-richtlijn. De beoordeling van ondernemerschap voor de btw en toepassing van de nieuwe KOR zijn niet van invloed op andere, al dan niet fiscale regelgeving.
Kunt u de vragen één voor één en vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
Openheid over betrokkenheid van bedrijven bij illegale Israëlische nederzettingen |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met de herhaalde oproep van meer dan honderd ngo’s voor openheid over de betrokkenheid van bedrijven bij illegale Israëlische nederzettingen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties heeft besloten dat er een overzicht moet komen van betrokkenheid van bedrijven bij illegale Israëlische nederzettingen? Wat is er precies besloten?
De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (VN) heeft in 2016 in resolutie 31/36 over nederzettingen de Hoge Commissaris voor Mensenrechten opgedragen een database te maken van bedrijven die actief zijn in Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden.
Nederland was, samen met de EU, geen voorstander van het instellen van de database, omdat het een voorbeeld is van de disproportionele aandacht voor Israël in VN-fora. Bovendien zijn Nederland en de EU van mening dat de primaire verantwoordelijkheid om bewustzijn van bedrijven over risico’s van betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen te vergroten bij de lidstaten ligt. Samen met de EU onthield Nederland zich daarom van stemming. Echter, aangezien de Mensenrechtenraad de Hoge Commissaris de opdracht heeft gegeven de database te creëren, is het kabinet van mening dat deze uitgevoerd moet worden – zoals te doen gebruikelijk als er besluiten worden genomen in de Mensenrechtenraad. Nederland zal het aan Hoge Commissaris Bachelet overlaten om te bepalen hoe zij het beste invulling aan deze resolutie kan geven. Nederland zal derhalve niet aandringen op publicatie van de betreffende database. Zie tevens de antwoorden op Kamervragen over dit onderwerp, gesteld door het lid Karabulut, d.d. 16 maart 2018, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1574).
Waarom duurt het zo lang voordat het een en ander gepubliceerd wordt? Klopt het dat het niet eerder is voorgekomen dat een verzoek om informatie vanuit de Mensenrechtenraad zo lang op zich laat wachten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, zeker tegen de achtergrond van voortdurende uitbreiding van illegale Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied waardoor een tweestatenoplossing meer en meer buiten beeld raakt, bereid aan te dringen op openheid over betrokkenheid van bedrijven bij illegale Israëlische nederzettingen, zoals in de oproep van de ngo’s wordt bepleit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Oneigenlijk gebruik van het non-concurrentiebeding |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Overlopen naar concurrent leidt vaak tot vage deals?»1
Ja.
Klopt het dat er bij meer dan een miljoen werknemers sprake is van een non-concurrentiebeding in het arbeidscontract?
In 2015 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van het concurrentiebeding in arbeidsovereenkomsten. 19% van de ondervraagde werknemers gaf toen aan een concurrentiebeding te hebben. Er is geen direct vergelijkbaar onderzoek bekend, maar het aandeel nieuwe contracten met een concurrentiebeding kan voor 2018 worden benaderd voor vaste en tijdelijke contracten. Hieronder valt het concurrentiebeding, maar bijvoorbeeld ook een relatiebeding. In de rest van beantwoording wordt de term «concurrentiebeding» gebruikt.
Per contractvorm is gekeken naar het aandeel mensen dat in de enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS aangeeft korter dan een half jaar geleden gestart te zijn met een nieuwe baan, waarbij een concurrentiebeding is opgenomen in het arbeidscontract. Een eerste verkenning laat zien dat van het deel van deze groep werknemers met een vast contract 19 procent een concurrentiebeding heeft opgenomen in zijn of haar arbeidscontract. Van de mensen met een tijdelijk contract is dat 16 procent. Voor beide groepen geldt dat rond een kwart van de mensen niet weet of er sprake is van een concurrentiebeding in hun arbeidscontract.
Kunt u een inschatting geven van hoeveel rechtszaken en schikkingen buiten de rechter om de afgelopen jaren hebben plaatgevonden? In hoeveel gevallen was daarbij sprake van oneigenlijk gebruik? Wat zijn de kosten voor de rechterlijke macht geweest om werknemers te verlossen van het concurrentiebeding?
Via de Raad voor de Rechtspraak zijn cijfers verkregen over het aantal rechtszaken dat jaarlijks wordt gevoerd over het concurrentiebeding. De ontwikkeling over de jaren 2014 tot medio november 2019 wordt hieronder weergegeven.
2014
2015
2016
2017
2018
2019 (tot half november)
Aantal rechtszaken concurrentiebeding
329
359
328
316
291
227
Het aantal gevallen dat een schikking buiten de rechter om wordt getroffen is niet bekend. Dit is een aangelegenheid tussen de werkgever en de werknemer. Er wordt niet geregistreerd in hoeveel gevallen de rechter de werking van het beding heeft ingeperkt. Ook de kosten voor de rechterlijke macht voor de afhandeling van dergelijke zaken zijn niet bekend.
Om welke reden behoort volgens u het criterium «indien uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen»2 alleen tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd? Welke motivatie is er om dit criterium niet ook te laten gelden voor arbeidsovereenkomsten van onbepaalde tijd?
Met de Wet werk en zekerheid is het genoemde criterium in de wet opgenomen voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Er is toen niet voor gekozen dit ook te laten gelden voor arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Voor beide situaties geldt dat de werknemer na afloop van het contract via het concurrentiebeding beperkt wordt in de mogelijkheden om elders een (vast) contract aan te gaan of om als ondernemer aan de slag te gaan in dezelfde branche. Voor werknemers met een tijdelijk contract geldt daarbij echter dat zij een contract hebben waarbij op voorhand al vast staat dat dit beperkt is in duur. Vanwege dit dubbele nadeel was de regering van mening dat het belang van de werkgever bij een concurrentiebeding in een dergelijk geval in beginsel niet opweegt tegen het belang van de werknemer. Naar aanleiding van de motie van u en het lid Van Weyenberg die is aangenomen bij de begrotingsbehandeling SZW zal ik onderzoek doen naar de wenselijkheid van het stellen van nadere voorwaarden aan het gebruik van het concurrentiebeding.
Wat vindt u ervan dat kappers, monteurs en andere beroepen met een non-concurrentiebeding niet zomaar kunnen overstappen naar een andere werkgever? Vindt u het ook oneigenlijk dat een werknemer naar de rechter moet stappen om ergens anders te kunnen werken? Deelt u de mening dat een non-concurrentiebeding de bewegingsvrijheid van werknemers enorm inperkt?
Het beschermen van bijvoorbeeld klantgegevens of bedrijfsgeheimen kan een gerechtvaardigd belang zijn van een werkgever. Het overeenkomen van een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst kan een effectieve manier zijn om deze te beschermen. Inherent aan een concurrentiebeding is echter dat dit een belemmerende werking heeft voor de werknemer. Gezien het belang van de werknemer dient daarom zorgvuldig gebruik te worden gemaakt van het beding. Er kunnen ook voor de werknemer minder verstrekkende manieren zijn om het beschermen van klantgegevens of bedrijfsgeheimen te waarborgen. Zo kan er ook een relatiebeding of geheimhoudingsbeding worden opgenomen. Een relatiebeding valt overigens onder dezelfde wettelijke bescherming als het concurrentiebeding.3
Tevens zijn er via de Wet bescherming bedrijfsgeheimen uit 2018 meer sanctiemogelijkheden voor het schenden van dergelijke bedrijfsgeheimen in de wet opgenomen.
De mogelijkheid om een concurrentiebeding overeen te komen in de arbeidsovereenkomst is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Handhaving is daarmee aan de civiele rechter. Net als bij veel andere bepalingen in het Burgerlijk Wetboek is het aan de werknemer om de rechter te verzoeken om bijvoorbeeld de werking van het beding in te perken.
Welke gerechtvaardigde doelen ziet u om werknemers te verbieden een andere baan te aanvaarden? Deelt u de mening dat een non-concurrentiebeding een werkgever een enorme machtspositie geeft ten opzichte van werknemers?
Zoals ik in antwoord op vraag 5 aangaf kan het beschermen van bijvoorbeeld klantgegevens of bedrijfsgeheimen een gerechtvaardigd belang zijn van een werkgever. Er zijn ook andere manieren om dit te bewerkstelligen, bijvoorbeeld door het overeenkomen van een relatiebeding of een geheimhoudingsbeding. Ik vind dan ook dat aan het overeenkomen van een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, wat de meest vergaande beperking inhoudt voor de werknemer, een zorgvuldige afweging ten grondslag zou moeten liggen. In lagere rechtspraak is aangegeven dat krapte op de arbeidsmarkt geen onderdeel uitmaakt van het met een concurrentiebeding rechtens te beschermen belang van de werkgever. Dit betekent dat de rechter krapte niet meeweegt in zijn afweging, en ook niet honoreert als zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.4 Indien er sprake is van een tijdelijk contract dient de werkgever in het beding zelf te motiveren welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen.5 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een werkgever per geval dient te motiveren welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen een concurrentiebeding vereisen. Daardoor kan volgens de Hoge Raad geen algemene uitspraak worden gedaan over welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen aan de orde moeten zijn om een dergelijk beding te rechtvaardigen. Dit verschilt dus van geval tot geval.
Heeft het non-concurrentiebeding, zoals de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) stelt, wat u betreft ook een economische waarde? Kunt u aangeven wat het bedrag van de kapitaalvernietiging is als gevolg van het feit dat werknemers door een concurrentiebeding niet datgene doen wat ze het beste kunnen?
Een concurrentiebeding heeft verschillende mogelijke effecten op de arbeidsmarkt en economie, die zowel positief als negatief kunnen zijn. Ten eerste is het inderdaad, zoals gesteld door de FNV, mogelijk dat een concurrentiebeding een drukkend effect heeft op de lonen, doordat werknemers niet of minder makkelijk kunnen overstappen naar de concurrent. De werkgever heeft daardoor minder prikkel om de arbeidsvoorwaarden, zoals het loon, te verbeteren. Ook kunnen lonen lager uitvallen doordat vertrekkende werknemers in sectoren terechtkomen waar zij minder productief zijn. Daarnaast kan een verminderde arbeidsmobiliteit leiden tot minder innovatie, doordat er minder kennisverspreiding plaatsvindt.
Hier staat tegenover dat werknemers met een voldoende sterke onderhandelingspositie de nadelen van een concurrentiebeding kunnen laten omzetten in betere arbeidsvoorwaarden, zoals een hoger loon. Ook kunnen concurrentiebedingen ervoor zorgen dat werkgevers meer investeren in scholing en training van hun werknemers en in innovatie. Een werkgever loopt namelijk niet het risico dat de opgedane kennis wordt benut door een concurrent via een overgestapte werknemer, waardoor de werkgever niet (volledig) zou kunnen profiteren van de investering. Een concurrentiebeding draagt in dat geval bij aan de productiviteit van de werknemers en het bedrijf, wat kan leiden tot een verhoging van de lonen. Ook kan een duurzame(re) arbeidsrelatie de productiviteit verhogen doordat de werkgever en werknemer een vertrouwensband hebben opgebouwd en bedrijfsspecifieke kennis (beter) wordt benut. Het is niet bekend of en hoe deze effecten in de praktijk zichtbaar zijn, en zo ja, welke omvang zij hebben.
Overigens is het zo dat wanneer een concurrentiebeding wordt gebruikt om mensen vast te houden in tijden van krapte, de situatie die FNV schetst, dit gebruik van het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk als oneigenlijk kan worden beoordeeld door de rechter. In lagere rechtspraak is aangegeven dat krapte op de arbeidsmarkt geen onderdeel uitmaakt van het met een concurrentiebeding rechtens te beschermen belang van de werkgever.
Vindt u ook dat een non-concurrentiebeding in een arbeidscontract niet meer nodig is, als hetzelfde bereikt kan worden middels een geheimhoudingsafspraak en een verbod op het meenemen van klanten? Geeft bovendien de Wet bescherming bedrijfsgeheimen niet al voldoende waarborgen om bedrijfsgeheimen te beschermen?
Zoals ik in antwoord op vraag 5 aangaf kan het beschermen van bijvoorbeeld klantgegevens of bedrijfsgeheimen een gerechtvaardigd belang zijn van een werkgever. Er zijn, zoals eerder aangegeven, ook andere manieren zijn om bedrijfsgeheimen en relaties te beschermen, bijvoorbeeld door het overeenkomen van een relatiebeding of een geheimhoudingsbeding en de mogelijkheden die de Wet bescherming bedrijfsgeheimen inderdaad biedt. Ik vind dan ook dat aan het overeenkomen van een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, een zorgvuldige afweging ten grondslag zou moeten liggen. Het concurrentiebeding beperkt het recht van de werknemer op vrijheid van arbeidskeuze. De werkgever dient in het beding zelf te motiveren welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen.6
Hoe kijkt u aan tegen Duitsland, waar een werkgever de vertrekkende werknemer die aan een clausule gebonden is een vergoeding te betalen voor de periode waarin het beding geldt?
Uit onderzoek van 2011 over 23 Europese landen blijkt dat 12 van de 23 onderzochte landen voor de geldigheid van een concurrentiebeding een financiële compensatie verplicht hebben gesteld.7 Duitsland is hier inderdaad één van. Hieruit blijkt dat veel landen een financiële compensatie vereisen, maar er ook landen zijn die het concurrentiebeding op andere wijze wettelijk reguleren. Bij het eerdergenoemde onderzoek zal ik ook een verplichte vergoeding overwegen.
Bent u bereid om de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek uit 1907 rond het non-concurrentiebeding te moderniseren, door het non-concurrentiebeding voor alle werknemers af te schaffen of door te kijken naar het Duitse voorbeeld?
Als onderdeel van de evaluatie van de Wet werk en zekerheid wordt onderzocht hoe de beperking van het opnemen van een concurrentiebeding in een tijdelijk contract heeft uitgewerkt. Naar aanleiding van de motie van Van Weyenberg en Gijs van Dijk die is aangenomen bij de begrotingsbehandeling SZW zal ik onderzoek doen naar de wenselijkheid van het gebruik van het concurrentiebeding en het stellen van nadere voorwaarden aan een dergelijk gebruik.
De hernieuwde stijging van de postzegelprijs |
|
Frank Futselaar |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het besluit van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) dat de tariefruimte voor PostNL met 16,4% wordt verruimd en dat de postzegelprijs hiermee boven de € 1 uit mag komen?1
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) berekent jaarlijks vóór 1 september op grond van artikel 14b, eerste lid, van de Postregeling 2009 de tariefruimte voor de universele postdienst (UPD) voor het komende kalenderjaar. In dezelfde regeling is vastgelegd dat de ACM bij deze berekening rekening houdt met inflatie, volumeontwikkeling en eventueel gerealiseerd overrendement in geval dat meer dan 10% was (bijlage 3, onderdeel C). Deze regels moeten enerzijds zorgen voor de betaalbaarheid van de UPD door consumenten en bedrijven niet teveel te laten betalen voor de postbezorging. Anderzijds moet ook de continuïteit van de UPD geborgd worden door te zorgen dat PostNL de UPD rendabel kan uitvoeren.
In dit geval heeft de ACM berekend dat de tariefruimte voor de UPD voor 2020 16,4% hoger ligt dan de tariefruimte voor 2019. De verhoogde tariefruimte is te verklaren door aanhoudende daling van het aantal poststukken. In 2018 bedroeg de volumedaling van de enkelstuks UPD-diensten 18,1% ten opzichte van 2017. Deze krimp in combinatie met de schaalvoordelen die kenmerkend zijn voor deze markt en gelijkblijvende kwaliteitseisen voor de UPD zorgen voor toenemende kosten per stuk. Het is uiteindelijk aan PostNL om te besluiten binnen de kaders van de Postregeling in welke mate zij gebruik maakt van de tariefruimte en te bepalen wat de postzegelprijs in 2020 wordt.
Deelt u de constatering dat sinds de liberalisering van de postmarkt in 2009 een permanente stijging van de postzegelprijs plaatsvond die ten koste gaat van de betaalbaarheid voor burgers, die in veel gevallen afhankelijk zijn van de postbezorging?
Nederland heeft het afgelopen decennium kunnen profiteren van de dynamiek die de liberalisering van de postmarkt in 2009 tot stand heeft gebracht. Dankzij de invoering van concurrentie heeft PostNL zich weten te transformeren van een verlieslatend staatsbedrijf naar een efficiënte logistieke dienstverlener. Postdiensten in Nederland hebben een hoge kwaliteit en een – vergeleken met andere Europese landen – gemiddelde prijs, ondanks het feit dat de krimp in Nederland sneller gaat dan in de meeste andere EU-lidstaten. Grote verzenders profiteren van keuzevrijheid en een uitstekend prijs-kwaliteitniveau. Deze factoren hebben bijgedragen aan efficiënte dienstverlening en het behoud van de waarde die post had en heeft in de samenleving. Kostenbesparingen behaald onder druk van concurrentie hebben via het kostentoerekeningssysteem ook tot kostenbesparingen voor de UPD-gebruiker geleid, omdat UPD-post en zakelijke post gebruik maken van hetzelfde netwerk.
De stijging in de postzegelprijs is dan ook niet het resultaat van de liberalisering, maar is te verklaren door een aanhoudende en sterke daling van het aantal poststukken. Deze krimp is een op zichzelf staande ontwikkeling als gevolg van digitalisering.
Hoeveel mensen zijn voor contact op langere afstand, in het bijzonder met overheidsinstanties, afhankelijk van postbezorging?
De mate waarin post bijdraagt aan sociale inclusie is moeilijk uit te drukken in cijfers. Het kabinet ziet dat post belangrijk is voor sociale inclusie. Uit onderzoek blijkt dat 2,5 miljoen Nederlanders het moeilijk vinden om met digitale apparaten om te gaan2. Ook hebben 1,2 miljoen mensen nog nooit internet gebruikt3. Het kabinet wil daarom dat de keuzemogelijkheid om per post met de overheid te communiceren behouden blijft en de universele postdienst op het platteland en in krimpregio’s op het huidige kwaliteitsniveau blijft.4 Ik houd de ontwikkelingen op de postmarkt nauwlettend in de gaten om te zorgen dat post deze functie kan blijven vervullen. Ik ben voornemens om later dit jaar een wijzigingsvoorstel voor de Postwet bij de Tweede Kamer in te dienen om dit ook voor de langere termijn te borgen (Kamerstuk 29 502, nr. 158).
Hoe verhoudt de stijging van de postzegelprijs sinds 2009 zich tot de prijsontwikkeling in de zakelijke postbezorging en hoe groot was de gemiddelde prijsstijging in de zakelijke postbezorging in 2018?
De prijs van enkelstuks UPD-post is hoger dan de prijs die grote zakelijke gebruikers betalen voor de diensten van postvervoerders. De gemiddelde opbrengst per stuk zakelijke post was in 2018 € 0,38. De gemiddelde opbrengst per stuk consumentenpost (de postzegelprijs) was € 0,89 in 2018. De prijs van 48- uurs en 72-uurs zakelijke post is niet goed vergelijkbaar met de prijs van 24-uurs consumentenpost. Het verschil in prijs tussen 24-uurs en de langzamere 48-uurs en 72-uurs (partijen)post wordt onder andere veroorzaakt door volumekortingen als gevolg van de sterke positie die zakelijke afnemers, zoals banken of verzekeraars, bij de contract- en tariefonderhandelingen met postvervoerders hebben. Ook de verschillen in de collectie en sortering en de verschillende mogelijkheden om post te plannen spelen hierin een rol, dat maakt de verwerking van deze post goedkoper. Als 24-uurs consumentenpost wordt afgezet tegen 24-uurs zakelijke post is het tariefverschil aanzienlijk kleiner.
Wordt bij de berekening van de tariefruimte voor de universele postdienst (UPD) rekening gehouden met de ontwikkelingen in de zakelijke postbezorging? Zo nee, waarom wordt de UPD als onafhankelijk gezien terwijl de bezorging veelal via dezelfde kanalen gaat?
De totale tariefruimte bestaat uit de basistariefruimte en de aanvullende tariefruimte. Bij het bepalen van de aanvullende tariefruimte houdt ACM rekening met inflatie, volumeontwikkeling van enkelstuks UPD-diensten en eventueel gerealiseerd overrendement op de UPD-diensten. In de basistariefruimte worden ook de kosten van het netwerk van PostNL meegenomen. In antwoord op vraag 4 heb ik de verschillen tussen UPD-poststukken en zakelijke poststukken toegelicht. Door deze verschillen worden deze poststukken onafhankelijk van elkaar gezien. Wel delen beide stromen hetzelfde netwerk. De efficiëntie die hierdoor ontstaat ten aanzien van de verwerking en bezorging komen uiteindelijk ook ten goede aan de UPD tarieven.
Gaat de consolidatie van de postsector door de aanstaande overname van Sandd door PostNL aanleiding vormen voor de ACM om de tariefruimte te herzien?
ACM dient op basis van de Postregeling 2009 jaarlijks uiterlijk op 1 september de aanvullende tariefruimte voor het komende kalenderjaar te bepalen. Met de publicatie van het Besluit tariefruimte universele postdienst 2020 heeft ACM aan deze verplichting voldaan. Ik kan nog niet vooruitlopen over mogelijke consolidatie. Uiteraard zal ik in elk scenario bezien welke effecten ontwikkelingen in de markt hebben en of dit aanleiding vormt om actie te ondernemen.
Deelt u de mening dat een verdere stijging van de postzegelprijzen tot een nog sterkere daling van de postvolumes gaat leiden en dat het voortbestaan van de postbezorging voor burgers hiermee in gevaar wordt gebracht?
Zoals in antwoord op vraag 1 en 2 aangegeven is de verhoogde tariefruimte met de systematiek die we kennen een direct gevolg van de autonome krimp van volumes. Het is goed voorstelbaar dat de prijsontwikkeling die de postzegel de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt zich bij ongewijzigd beleid en aanhoudende krimp de komende tien jaar nog een keer voordoet. Om dit te voorkomen en de betaalbaarheid en beschikbaarheid van de UPD te borgen heb ik vorig jaar ook een beleid- en wetgevingsagenda voor de postmarkt naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 29 502, nr. 158). Het wijzigingsvoorstel voor de Postwet dat ik later dit jaar wil aanbieden is een belangrijke uitwerking van deze agenda en moet dit scenario mede helpen voorkomen.
Is de aanstaande consolidatie in de postsector, die effectief een private monopolist creëert, voor u aanleiding om de liberalisering in de postsector terug te draaien, die in het overgrote deel van de Europese landen nooit heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom verkiest u een slechts gedeeltelijk gereguleerde monopolist boven een sterkere overheidsinmenging?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de afgelopen jaren uitvoerig onderzoek gedaan naar de verschillende opties om de UPD betaalbaar en beschikbaar te houden. Naar aanleiding van deze analyse zijn verschillende opties onderzocht hoe met deze tendens omgegaan kan worden. Het deels terugdraaien van de liberalisering («deprivatisering») is hierbij ook als optie meegenomen.5 Daaruit bleek dat deprivatisering weinig zou opleveren, in tegendeel zelfs.
Op 4 april 2019 heeft de ACM een vergunningsaanvraag ontvangen van PostNL om Sandd over te nemen. ACM heeft op 5 september jl. haar besluit gepresenteerd inzake deze voorgenomen overname. Zij heeft besloten geen vergunning te verlenen voor de overname van Sandd door PostNL. Als reactie op dit besluit heb ik van PostNL een aanvraag ontvangen in het kader van artikel 47 van de Mededingingswet. Op dit moment bestudeer ik deze aanvraag en het besluit van ACM. Hier zal ik op korte termijn, en uiterlijk binnen de wettelijk gestelde termijn van 12 weken, een besluit over nemen.
Het bericht ‘Apple deelde herleidbare, persoonlijke gegevens bij opnames Siri-gebruikers’ |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Apple deelde herleidbare, persoonlijke gegevens bij opnames Siri-gebruikers»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Waren de signalen uit het bericht, over vermeende schending van de privacy door Apple, al eerder bekend bij de Autoriteit Persoonsgegevens, die toezicht houdt op het gebruik van persoonsgegevens door organisaties?
Het fenomeen van afluisteren via smart speakers was bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) bekend.
Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens actie(s) ondernomen richting Apple nadat vorige maand al naar buiten kwam dat Apple-medewerkers meeluisteren naar persoonlijke informatie van gebruikers, zoals medische gegevens?2 Zo ja, welke actie(s)?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) kent het zogeheten één-loketmechanisme. Dit houdt in dat organisaties die grensoverschrijdende verwerkingen van persoonsgegevens uitvoeren nog maar met één privacytoezichthouder zaken hoeven te doen. Die wordt de «leidende toezichthouder» genoemd. De Ierse privacytoezichthouder is de leidende toezichthouder voor Apple. De AP is zogeheten «betrokken toezichthouder». Ik heb begrepen van de AP dat zij regulier contact heeft met de Ierse privacytoezichthouder, zowel bilateraal als binnen de (European Data Protection Board (EDPB) en dat de Ierse privacytoezichthouder op de hoogte is van deze kwestie (evenals vergelijkbare recente kwesties). De AP heeft overigens de mogelijkheid om kwesties onder de aandacht te brengen van de leidende toezichthouder als deze daarvan nog niet op de hoogte is.
Deelt u de mening dat, indien de berichtgeving klopt, het zeer kwalijk is dat herleidbare, persoonlijke gegevens, afkomstig van gebruikers van in dit geval een spraakherkenningssysteem, worden gedeeld met derden?
Het delen van persoonsgegevens met derden is niet per definitie een kwalijke zaak. Het is van belang dat bedrijven binnen de geldende wet- en regelgeving persoonsgegevens kunnen delen met derde partijen, zodat zij deze gegevens kunnen analyseren om bepaalde producten of bedrijfsprocessen te optimaliseren.
Blijkens de berichtgeving en de reactie die Apple daarop heeft gegeven zijn er, naast de opnamen van de gesprekken, ook gegevens meegestuurd die maken dat de opnames herleidbaar werden tot een specifiek natuurlijk persoon, waardoor er sprake is van verwerking van persoonsgegevens. Indien deze verwerking zonder juiste rechtsgrondslag plaatsvindt -zoals de berichtgeving suggereert- dan is dat niet alleen kwalijk, maar ook onrechtmatig.
Is bij het op deze wijze delen van persoonsgegevens volgens u sprake van inbreuk op de privacy?
De privacy van personen kan worden geraakt wanneer er op onrechtmatige wijze persoonsgegevens worden gedeeld. Het is echter aan de AP om te bepalen of de verwerking van persoonsgegevens in kwestie onrechtmatig was.
Kunt u – in het kader van de juridische bescherming van burgers – uitleggen welke regelgeving hier primair van toepassing is? Is dat de Algemene verordening gegevensbescherming (inclusief alle daarbij behorende wet- en regelgeving) of is dat het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder de artikelen 139a en volgende? Tot welke instantie zouden burgers en/of bedrijven zich primair moeten richten bij (vermeende) situaties van stiekem afluisteren zoals bedoeld in deze Kamervragen, de Autoriteit Persoonsgegevens dan wel de politie en/of het openbaar ministerie?
De AVG betreft de relevante regelgeving om het gedrag van Apple aan te toetsen. De kernvraag daarbij is of Apple zich kan beroepen op een geldige verwerkingsgrondslag als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de AVG. De uiteindelijke beoordeling van deze vraag in een feitelijke situatie is aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
Nederlandse ingezetenen kunnen bij de AP een klacht indienen over de wijze waarop een verwerkingsverantwoordelijke omgaat met jouw persoonsgegevens. De AP is vervolgens op grond van de AVG verplicht om ofwel zelf deze klacht in behandeling te nemen of deze door te sturen naar de leidende toezichthouder in Ierland. De Ierse toezichthouder treedt in overleg met de andere betrokken toezichthouders. Als zij van mening zijn dat er sprake is van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, dan kunnen er verschillende maatregelen worden getroffen, waaronder het opleggen van een bestuurlijke boete (waarbij deze boete kan oplopen tot 20.000 euro of voor een onderneming tot 4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorafgaande boekjaar). De Ierse toezichthouder stuurt vervolgens zijn besluit naar de AP en de AP zorgt voor doorgeleiding aan de Nederlandse klager. Als deze niet tevreden is over de klachtafhandeling of het besluit van de Ierse toezichthouder, dan kan de betrokkene in Nederland in bezwaar gaan en uiteindelijk beroep instellen bij de Nederlandse bestuursrechter.
Het heimelijk afluisteren van gesprekken is in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld in de artikelen 139a en verder. Bij de vraag of sprake is van strafbare handelingen is onder meer van belang waar de desbetreffende handelingen hebben plaatsgevonden en of aan alle bestanddelen van de strafbaar gestelde handeling is voldaan. Het is aan het Openbaar Ministerie en in voorkomend geval de strafrechter om hierover te oordelen.
Bent u bereid Apple om een reactie op de berichtgeving te vragen, daar het bedrijf dat afgaande op het artikel van de NOS tot dusver niet heeft willen doen?
Apple heeft inmiddels een reactie op de berichtgeving op zijn eigen website geplaatst. Die houdt, kort gezegd, in dat het bedrijf voorlopig geen audio opnames meer beluistert, maar alleen computer gegenereerde transcripties van gesprekken verwerkt. Na een software-update zal Apple het beluisteren van audiofragmenten voortzetten, maar alleen van betrokkenen die zich hier vrijwillig voor hebben aangemeld. Het beluisteren van de fragmenten zal alleen worden gedaan door medewerkers van Apple. Deze medewerkers zullen onbedoelde Siri-aanvragen direct verwijderen.
Bent u bereid van Apple te eisen dat het bedrijf per direct maatregelen neemt om de privacy van gebruikers van zijn producten/diensten, waaronder spraakherkenning, te waarborgen? Welke (juridische) mogelijkheden hebt u daartoe?
Het is aan de bevoegde privacytoezichthouders in de EU om een onderzoek te starten naar het handelen van Apple. Indien er onderzoek wordt gedaan, is het wederom aan de desbetreffende toezichthouder om op basis van dat onderzoek te bepalen of Apple al dan niet maatregelen dient te nemen. Het is dan ook niet aan het kabinet om een dergelijk verzoek aan Apple te richten, noch om eisen te stellen aan het handelen van Apple.
Overigens heeft Apple in zijn reactie wel aangegeven dat het een aantal maatregelen heeft genomen en nog zal nemen, zie daarvoor het antwoord op vraag 7.
Wijzen incidenten als die bij Apple, maar ook bij andere techbedrijven, volgens u op het bestaan van een «privacyprobleem» in deze sector?
Het feit dat zich een aantal incidenten bij verschillende bedrijven heeft voorgedaan, wijst niet direct op een «privacyprobleem» in de gehele sector.
Specifieke incidenten met het analyseren van spraakgegevens voor productverbetering wijzen er wel op dat er meerdere bedrijven lijken te zijn die hierbij niet binnen de wettelijke kaders zijn gebleven. Gelet op hun onafhankelijkheid, is het aan de verschillende Europese toezichthouders zelf om te bepalen of zij ambtshalve optreden tegen bedrijven die de fout in gaan en hoe zij met eventuele klachten van betrokkenen omgaan.
Bent u van mening dat wet- en regelgeving op dit moment voldoende toereikend zijn om de privacy van consumenten van techproducten en -diensten te beschermen? Waar schiet deze wet- en regelgeving mogelijk nog tekort?
De wet- en regelgeving acht ik op dit moment in het algemeen inderdaad toereikend om de privacy van consumenten van techproducten en -diensten te beschermen.
In lijn met de kabinetsvisie op horizontale privacy ziet het kabinet in dit verband evenwel twee onderwerpen waar het juridisch kader mogelijk nog tekortschiet en die het kabinet aan de orde wil stellen bij de evaluatie van de AVG, die uiterlijk mei 2020 moet zijn afgerond.3
Ten eerste is het kabinet van mening dat grote techbedrijven, ook als zij rechtmatig handelen, enorme hoeveelheden gegevens kunnen verzamelen en gebruiken. Het kabinet wil kijken of de hoeveelheid gegevens die deze bedrijven verzamelen, kan worden beteugeld. Ten tweede wil het kabinet dat wordt geëvalueerd of de normen uit de AVG wel voldoen om de risico’s van profilering tegen te gaan, specifiek wanneer profilering leidt tot prijsdiscriminatie of zelfs tot uitsluiting van bepaalde groepen voor sommige producten of diensten.
Wat kunt u doen om consumenten van techproducten en -diensten beter bewust te maken van de risico’s die zij lopen bij het gebruik ervan ten aanzien van privacy, maar bijvoorbeeld ook spionage (via zogeheten «spyware»)?
Het kabinet vindt het belangrijk om het privacybewustzijn van burgers te vergroten en zal daarom in het voorjaar van 2020 een publiekscampagne starten over de privacyrisico’s bij het gebruik van digitale applicaties. In deze campagne wordt aandacht besteed aan de risico’s die burgers lopen als ze persoonlijke data delen.
Verder werkt Tilburg University aan een rapport over eventuele verdere regulering van «spyware» en de vermindering van de privacyrisico’s die aan deze producten kleven. Dit rapport wordt in het voorjaar van 2020 verwacht en zal hopelijk inzichtelijk maken in hoeverre er verdere maatregelen genomen moeten worden om de privacyrisico’s bij deze producten verder in te dammen.4
Het bericht ‘VVD wil één loket voor vergunningen van strandtenthouders’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «VVD wil één loket voor vergunningen van strandtenthouders»?1
Ja.
Heeft u vergelijkbare signalen ontvangen van strandtenthouders en andere strandondernemers over de wirwar aan overheidsloketten voor de aanvraag van vergunningen en het verkrijgen van informatie? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen om deze onnodige administratieve lasten te voorkomen?
Ik heb geen vergelijkbare signalen ontvangen.
Wat moeten ondernemers aanleveren om alle vergunningen aan te vragen die benodigd zijn voor het kunnen ondernemen aan het strand? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen (bijvoorbeeld) ingevulde formulieren, uittreksels, bouwtekeningen en dergelijke?
Een ondernemer heeft in ieder geval een horecavergunning, een omgevingsvergunning en watervergunning nodig. Afhankelijk van de lokale situatie kunnen soms ook nog andere vergunningen nodig zijn, denk aan een evenementenvergunning voor een groot strandfeest. De omgevingsvergunning en watervergunning kunnen gelijktijdig online aangevraagd via het Omgevingsloket Online (OLO).
Bij de horecavergunning is het invullen van een Bibob-formulier (Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) en bijbehorende bijlagen vereist. Nodig daarvoor zijn:
een bedrijfs- of ondernemingsplan met informatie over het soort werkzaamheden, de producten, de exploitatievorm en de doelgroep;
een document waaruit blijkt wat de juridische relatie is van de ondernemer met het pand. Denk aan een huurovereenkomst, eigendomsbewijs of pachtovereenkomst;
een plattegrond van het pand met de ligging, indeling, de bestemming van de te onderscheiden ruimten en de grenzen van het terrein van de horeca-inrichting;
een kopie van een geldig legitimatiebewijs van alle leidinggevenden die in loondienst zijn;
een kopie van de arbeidsovereenkomst van alle leidinggevenden die in loondienst zijn;
jaarrekeningen, winst- en verliesrekeningen en balansen van de laatste twee boekjaren;
een situatietekening, kaart of foto van de precieze locatie van de activiteiten ten opzichte van de omgeving.
Welke van deze bescheiden moeten ondernemers aanleveren bij meerdere overheidsorganen, zoals de gemeente, de provincie, het waterschap, de rijksoverheid en eventuele anderen?
De gemeente is bevoegd gezag voor de meeste vergunningen. Een plattegrond van het pand en een situatietekening dienen tweevoudig te worden verstrekt aan respectievelijk de gemeente en het bevoegd gezag voor de Watervergunning.
Wat is doorgaans de looptijd van de verschillende vergunningen die strandondernemers moeten aanvragen? Hoe vaak lopen deze synchroon? Bent u van mening dat het wenselijk is en goed voor het ondernemersklimaat als vergunningen vergelijkbare looptijden hebben?
Doorgaans is de doorlooptijd van een horecavergunning (inclusief Bibob) 13 weken. Voor reguliere aanvragen voor een Omgevingsvergunning geldt een termijn van acht weken. De gemeente mag de termijn altijd één keer met maximaal zes weken verlengen. Voor een Watervergunning geldt een termijn van acht weken.
Ik deel de mening dat de doorlooptijden zo kort mogelijk en geüniformeerd dienen te zijn. Soms zijn bepaalde onderdelen echter gebonden aan Europese bepalingen met een uitgebreide procedure. Zo kan het zijn dat bijvoorbeeld een natuurvergunning onderdeel uitmaakt van de aanvraag, die op grond van het Verdrag van Aarhus (Tractatenblad 2001, 73) dan een uitgebreide procedure kent.
In de vraag ligt besloten dat één aanvraag voor alle vergunningen wenselijk is voor de ondernemer. Het kan echter zijn dat een ondernemer met het oog op de onzekerheid van investeringen de voorkeur geeft aan het starten met een vergunning met de hoogste kans op afwijzing van de aanvraag. Meestal is dit de vergunning die de meest complexe afweging met zich meebrengt.
Ziet u mogelijkheden om de overheidslagen bij de aanvragen door strandondernemers samen te laten werken? Zo ja, welke mogelijkheden tot samenwerken ziet u en op welke wijze zou dit tot stand kunnen worden gebracht? Zo nee, waarom niet?
De huidige WABO (Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht) voorziet al in samenwerking van de overheidslagen doordat één omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten kan worden aangevraagd. Ook kunnen zoals hierboven vermeld de Omgevingsvergunning voor Wateractiviteiten en Omgevingsvergunning bij één loket worden aangevraagd.
De Omgevingswet gaat verder en voorziet in een verdergaande bundeling van activiteiten in één omgevingsvergunning. Daarbij kan de initiatiefnemer voor zijn omgevingsvergunning altijd terecht bij één loket: de gemeente. De Omgevingswet treedt 1 januari 2021 in werking, dan kan een ondernemer er ook direct gebruik van maken.
Bent u van mening dat het aanvragen van de vergunningen voor een strandtent onnodig veel tijd, energie, geld kost en bedrijfsonzekerheid oplevert? Zo nee, waarom niet?
Aanvragen van vergunningen kosten tijd en moeite. Streven moet altijd zijn om deze werkbaar te houden en daarmee de lasten voor aanvragers tot een minimum te beperken. De borging van de door de vergunning gedekte belangen zoals rust, veiligheid en natuur is echter ook belangrijk. Bij het periodiek opnieuw aanvragen is de bedrijfsonzekerheid zo ver mij bekend beperkt. Onder de Omgevingswet bepaalt de initiatiefnemer zelf of hij alle vergunningen in één keer aanvraagt of dat hij ze los aanvraagt. Daarmee kan hij er bijvoorbeeld voor kiezen om de vergunning die de grootste kans op afwijzing heeft als eerste aan te vragen, bijvoorbeeld de vergunning vanwege de natuurbescherming. Daarmee voorkomt hij dat hij onnodige kosten maakt en moeite doet voor andere vergunningaanvragen.
Bent u bereid met collega’s van andere overheidslagen in overleg te gaan – indien daar bijvoorbeeld door de provincie Zuid-Holland om gevraagd wordt – om te bezien of genoemde papierwinkel gestroomlijnd kan worden, waarbij er één overheidsorgaan is dat als aanspreekpunt gaat gelden? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven vermeld wordt er reeds in de WABO voorzien in samenwerking tussen en bundeling van procedures. Daarnaast wordt in het kader van de stelselherziening Omgevingswet gewerkt aan verdergaande bundeling.
Bent u bereid daarbij de nieuwste digitale technologieën in te zetten? Zo nee, waarom niet?
In de huidige situatie worden al digitale technologieën ingezet: www.ruimtelijkeplannen.nl (voor bestemmingsplannen), het Omgevingsloket online (voor aanvragen en meldingen) en de Activiteiten Internet Module (voor de algemene Rijksregels). Onder de Omgevingswet vervangt het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) bij de inwerkingtreding van de wet de bestaande toepassingen. Hiervoor in de plaats komt voor de initiatiefnemer één centrale ingang, één nieuw Omgevingsloket.
Burgers en bedrijven kunnen dan via een vragenboom vaststellen of ze een vergunning moeten aanvragen of melding moeten maken van hun plannen. Daarna kunnen ze direct online een aanvraag of melding opstellen en indienen.
Het bericht ‘Ondernemers dupe van kwijtgeraakte pakketjes’ |
|
Arne Weverling (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Ondernemers dupe van kwijtgeraakte pakketjes: «Kost me 1.000 euro per maand»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het kwijtraken van pakketjes terecht een ergernis van webshops en consumenten is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat er een oplossing voor dit probleem moet worden gezocht?
Ik kan mij voorstellen dat verzenders en ontvangers van pakketten ontevreden zijn wanneer de dienstverlening van pakketvervoerders niet van het niveau is dat zij verwachten. Tegelijkertijd ben ik van mening dat in een voldoende concurrerende en dynamische markt zoals de pakketmarkt een terughoudende positie van de overheid op zijn plaats is, zeker zolang klanten meerdere keuzes hebben en er verschillende manieren zijn om zo nodig verhaal te halen (zie ook het antwoord onder de vragen 5–13). Ook bieden pakketvervoerders verschillende serviceniveaus aan, waaronder aanvullende diensten waar ondernemers voor kunnen kiezen om eventuele schade door te late levering, beschadiging of zoekraken te verzekeren.
Klopt het dat ondernemers opdraaien voor de kosten van kwijtgeraakte pakketjes?
Dat hangt af van de contractuele bepalingen zoals overeengekomen tussen verzender en pakketvervoerder en het serviceniveau waarvoor de ondernemer heeft gekozen. Ook in de algemene voorwaarden van de pakketvervoerder zijn normaliter bepalingen opgenomen over aansprakelijkheid. Het BW vormt in dit verband het wettelijke kader.
Klopt het dat het voor ondernemers lastig is om de kosten van kwijtgeraakte pakketjes vergoed te krijgen? Zo ja, deelt u de mening dat dit zorgelijk is?
Mij zijn hierover geen signalen bekend.
Kunt u een overzicht geven van het totaal aantal pakketjes dat op jaarbasis kwijtraakt? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel van deze pakketjes van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb’ers) afkomstig zijn?
Kunt u aangeven wat de oorzaken zijn van het kwijtraken van pakketjes? Zo nee, waarom niet?
Kunt u per bezorgbedrijf en/of postbedrijf aangeven hoeveel pakketjes er per jaar kwijtraken? Zo nee, waarom niet?
Wat kost het kwijtraken van pakketjes een Nederlandse webshop gemiddeld op jaarbasis?
Kunt u aangeven hoeveel pakketjes die worden verzonden met een Track & Trace-code op jaarbasis kwijtraken?
Hoeveel procent van het totaal aantal pakketjes dat met een Track & Trace-code wordt verzonden raakt op jaarbasis kwijt?
Kunt u aangeven hoeveel pakketjes die zonder Track & Trace-code worden verzonden op jaarbasis kwijtraken?
Hoeveel procent van het totaal aantal pakketjes dat zonder Track & Trace-code wordt verzonden raakt op jaarbasis kwijt?
Is er bij pakketbezorgbedrijven en/of postbedrijven een speciaal klachtenloket waar ondernemers terecht kunnen als een door hen verstuurd pakketje is kwijtgeraakt?
Op de sites van alle grote pakketvervoerders in Nederland staat een procedure beschreven voor klachten over pakketbezorging. Daarnaast kunnen ook bij de geschillencommissie Post en Telecom, ACM, de Consumentenbond en via sociale media klachten worden ingediend over de pakketafhandeling.
Zijn pakketbezorgbedrijven en/of postbedrijven verplicht om het aantal klachten over kwijtgeraakte pakketjes bij te houden? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel klachten er het afgelopen jaar zijn geweest over kwijtgeraakte pakketjes? Zo nee, waarom niet?
Nee, er zijn geen wettelijke eisen die pakketvervoerders verplichten tot het bijhouden van dergelijke informatie. Wel heeft PostNL gereageerd op berichtgeving van de Consumentenbond van maart dit jaar over de toename van klachten over de postbezorging. Volgens de Consumentenbond waren er in 2018 4600 klachten ontvangen over de bezorging van pakketten. PostNL heeft in reactie daarop aangegeven te werken aan verbetering van de dienstverlening en daarbij gemeld dat zij in 2018 over 0,06% van de 251 miljoen door haar bezorgde pakketten een klacht heeft ontvangen.
Wat kunnen ondernemers zelf doen om zich te wapenen tegen de kosten van kwijtgeraakte pakketjes?
Bij het aangaan van een zakelijk contract ligt het raadplegen en vergelijken van de algemene voorwaarden van pakketvervoerders, contractuele bepalingen en aansprakelijkheidsbedingen voor de hand. Voorts bieden alle pakketvervoerders verschillende diensten aan, zoals track & trace en verzekerd verzenden, waarbij eventuele risico’s en schade kunnen worden afgedekt.
Het bericht ‘Verkoop personenauto’s zakt flink in eerste halfjaar 2019’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Verkoop personenauto’s zakt flink in eerste halfjaar 2019»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de verkoop van personenauto’s over de afgelopen vijf jaar (uitgesplitst per half jaar en uitgesplitst naar de verschillende brandstofsoorten die worden onderscheiden in de motorrijtuigenbelasting (mrb), te weten benzine, diesel, lpg, elektrisch, overig)?
Het gevraagde overzicht is als bijlage bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen gevoegd.
Kunt u toelichten waarom de verkoop van personenauto’s met ongeveer 10% achterblijft bij vorig jaar?
Vanuit de autobranche ontvangt het kabinet berichten over een daling van de verkoopaantallen van nieuwe auto’s met ca. 10% in het eerste halfjaar van 2019, ten opzichte van het eerste halfjaar van 2018. Het is lastig om specifieke oorzaken aan te wijzen voor een daling of stijging van nieuwverkopen. Een dergelijke ontwikkeling moet volgens het kabinet ook niet worden bezien vanuit één half jaar. Zo waren de autoverkopen in zowel de eerste helft van 2017 als 2018 juist weer met ruim 10% gestegen. De totale nieuwverkoop van auto’s in Nederland fluctueert overigens al jaren tussen ca. 380.000 à 450.000 auto’s per jaar. Een stijging of daling van bijvoorbeeld 10% is daarom, gelet op de afgelopen jaren, geen uitzonderlijke ontwikkeling.
Klopt het dat het de bpm in het eerste half jaar van 2019 met gemiddeld 15% is gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2018? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u daar een toelichting op geven?
De BPM-opbrengst over de eerste helft van 2019 is min of meer gelijk aan de BPM-opbrengst van de eerste helft van 2018. Wel is het aantal nieuwverkochte auto’s over de eerste helft van 2019 gedaald. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3 zijn dergelijke fluctuaties in het aantal nieuwverkochte auto’s niet ongebruikelijk. Dat de BPM-opbrengst gelijk blijft ondanks een daling van het aantal nieuwverkopen is het gevolg van het feit dat de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwverkochte auto’s is gestegen. Dit komt doordat nieuwe auto’s in 2019 gemiddeld zwaarder en duurder (catalogusprijs exclusief BPM) zijn dan in voorgaande jaren. Dit blijkt ook uit onderzoek van TNO.2 Een hogere CO2-uitstoot betekent een hogere BPM. Hier komt bij dat de BPM een zeer progressieve belasting is. Door de progressieve BPM-tarieven kan een relatief kleine stijging van de gemiddelde CO2-uitstoot al snel een flink hogere BPM-opbrengst met zich meebrengen. In 2019 bedraagt de BPM voor een benzineauto met een CO2-uitstoot van 100 g/km € 2.597. Een toename van die CO2-uitstoot naar 120 g/km leidt al tot een verdubbeling van de BPM naar € 5.212. Relatief kleine verschuivingen in de CO2-uitstoot van personenauto’s en de samenstelling van de nieuwverkopen kunnen dus tot aanzienlijke fluctuaties in de totale BPM-opbrengst leiden. Overigens is de totale BPM-opbrengst over een langere termijn bezien nog altijd relatief laag. In 2007 was de totale BPM-opbrengst namelijk nog zo’n € 3,6 miljard. In 2018 was de BPM-opbrengst zo’n € 2,3 miljard.
Herinnert u zich dat u in antwoord op Kamervragen aangaf zich in te zetten om de bpm-opbrengst niet te laten stijgen als gevolg van de Worldwide Harmonised Light Vehicle Test Procedure (WLTP)?2
Op dit moment is de CO2-uitstoot vastgesteld conform de NEDC-testmethode nog altijd de heffingsgrondslag van de BPM. In de brief van 11 juli 2019 heeft het kabinet aangegeven dat per 1 juli 2020 de CO2-uitstoot vastgesteld conform de WLTP-testmethode de heffingsgrondslag wordt van de BPM.4 De CO2-uitstoot vastgesteld conform de WLTP-testmethode is gemiddeld hoger dan de CO2-uitstoot vastgesteld conform de NEDC-testmethode. Een hogere CO2-uitstoot betekent ook een hogere BPM. Het kabinet heeft echter zowel richting de Tweede Kamer als de autosector aangegeven dat deze verandering van heffingsgrondslag niet moet leiden tot een stijging van de totale BPM-opbrengst. Aan deze toezegging geeft het kabinet gevolg door, gelijktijdig met de aanpassing van de heffingsgrondslag, de BPM-tarieven en CO2-schijflengtes aan te passen om te compenseren voor de hogere WLTP CO2-uitstoot. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat deze aanpassing van de BPM-tarieftabel wordt uitgevoerd aan de hand van het gemiddelde verschil tussen NEDC CO2-uitstoot en WLTP CO2-uitstoot. Voor sommige auto’s is dit verschil echter groter dan dit gemiddelde. Voor andere auto’s is het verschil weer kleiner dan het gemiddelde. Hierdoor is het mogelijk dat, als gevolg van de nieuwe BPM-tarieftabel, de BPM op sommige auto’s stijgt of daalt. Dit is een logisch gevolg van de nieuwe WLTP-testmethode, omdat de nieuwe testmethode de CO2-uitstoot in de praktijk beter benadert. Auto’s die in de praktijk daadwerkelijk CO2-zuiniger zijn komen gunstiger uit de WLTP-test en omgekeerd. Deze aanpassingen in de BPM worden meegenomen in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020.
Kunt u toelichten waarom de bpm-opbrengst in de eerste helft van 2019 dan toch met vier miljoen euro is gestegen ten opzichte van de dezelfde periode vorige jaar terwijl er minder auto’s zijn verkocht en wetende dat de verkoop van elektrische auto's vanwege de vrijstelling geen bpm-opbrengst oplevert?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich dat u tijdens het algemeen overleg over autogerelateerde belastingen op 13 februari 2019 heeft aangegeven dat de aanpassing van de bpm-tabellen een afspraak is die u ook met de sector heeft gemaakt en waar u zich aan gaat houden?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer wordt gevolg gegeven aan deze eerdere toezeggingen om te komen tot aanpassing van de bpm-tabellen?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt de sector betrokken bij deze aanpassing, heeft u overleg met de sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, graag een toelichting op dit proces en de bespreekpunten.
Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van de WLTP op de CO2-uitstoot van personenauto’s heeft het kabinet TNO gevraagd om uitgebreid onderzoek te doen. Dit heeft geresulteerd in drie onderzoeksrapporten. Het derde onderzoeksrapport is op 11 juli 2019 aan uw Kamer gestuurd.5 Op dit moment werkt TNO, in aanvulling op dit derde onderzoeksrapport, aan een aanvullende analyse over de gevolgen van de WLTP voor plug-in hybride auto’s. Deze analyse wordt zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voor Prinsjesdag, aan uw Kamer gestuurd. De autosector is gedurende het onderzoek naar de WLTP uitvoerig geconsulteerd. Zo heeft de sector punten onder de aandacht kunnen brengen, bijvoorbeeld met betrekking tot de onderzoeksvragen. Mede op verzoek van de autosector is door TNO bijvoorbeeld uitvoerig onderzoek gedaan naar de NEDC CO2-uitstoot van WLTP-auto’s. Daarnaast is de sector tweemaal uitgenodigd bij de TNO-presentaties van de onderzoeksresultaten. Bij deze presentaties zijn er gesprekken gevoerd over de onderzoeksresultaten van TNO. De autosector is bijvoorbeeld van mening dat de BPM op dit moment al is gestegen als gevolg van de WLTP. Deze conclusie is echter ontkracht door de onderzoeksresultaten van TNO. Uit het onderzoek van TNO komt namelijk het beeld naar voren dat de nieuwverkochte auto’s gemiddeld zwaarder en duurder zijn en over meer motorvermogen beschikken. Dat verklaart een stijging van de CO2-uitstoot en dus ook een stijging van de BPM. De huidige ontwikkelingen rondom de BPM-opbrengst kunnen dan ook niet worden gezien als een gevolg van de nieuwe WLTP-testmethode, de grondslag van de BPM is momenteel immers nog de CO2-uitstoot op basis van de NEDC-uitstoot. Daarnaast is tijdens deze bijeenkomsten uitvoerig van gedachten gewisseld over een logisch moment om de omzetting naar een op WLTP-uitstootcijfers gebaseerde BPM-tarieftabel op te nemen in de wet BPM. Uit deze gesprekken is gebleken dat de omzettingsdatum van 1 juli 2020 voor de betrokken partijen acceptabel is. Om die reden heeft het kabinet ervoor gekozen deze invoeringsdatum te hanteren.
Kunt u het tweede TNO-rapport over de bpm, waarover u tijdens het algemeen overleg over Autogerelateerde belastingen op 13 februari 2019 aangaf dat dit in mei 2019 zou volgen, delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Vanwege de onderlinge samenhang is ervoor gekozen enkele vragen gezamenlijk te beantwoorden.
3
138.807
1.169
1.084
45.005
0
7.320
0
767
7.639
201.794
0
112.927
2.391
2.180
61.566
2
7.230
0
391
4.604
191.291
2
140.118
1.757
307
46.214
6
4.391
0
236
10.218
203.249
1
119.596
1.681
364
84.990
13
11.537
0
232
30.158
248.572
1
151.281
1.846
166
34.382
1
4.058
0
372
2.649
194.756
1
124.315
2.208
506
38.679
6
7.330
1
567
15.970
189.583
0
172.059
3.323
467
40.663
4
9.840
0
685
545
227.586
0
140.663
4.736
817
33.230
1
9.698
1
554
585
190.285
1
194.944
8.020
772
36.872
0
13.307
1
571
1.517
256.005
1
143.375
16.413
446
21.779
13
9.703
0
411
2.019
194.160
0
174.180
17.212
101
20.338
65
14.310
0
439
3.021
229.666
Duizenden gedupeerden door het faillissement van de Zoetermeerse verkeersschool Aalbregt |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Rijschool Zoetermeer failliet: duizenden gedupeerden en eigenaar bedreigd»?1
Ja.
Vindt u ook dat het faillissement een drama is voor al die leerlingen en rijschoolinstructeurs?
Ja.
Zien de gedupeerden nog iets terug van hun al betaalde rijlessen of rijexamens? Kunnen zij gebruik maken van een waarborgfonds van een van de brancheorganisaties?
Of de gedupeerden iets terugkrijgen van hun vooruitbetaalde rijlessen en/of examens is afhankelijk van de afhandeling van het faillissement door de curator. De rijschool is weliswaar aangesloten bij een brancheorganisatie, maar deze kent geen waarborgfonds voor gedupeerde leerlingen.
Kunnen de leerlingen waarvan het rijexamen al gepland was nog afrijden? Bent u bereid om gezamenlijk met het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) te kijken of er een oplossing te vinden is voor de gedupeerden? Zijn er eventueel nog andere manieren waarmee u de gedupeerden kunt ondersteunen?
Een faillissement is eerst en vooral een privaatrechtelijke aangelegenheid. De overheid heeft hier geen rol in. Geplande examens worden door het CBR afgenomen zolang er dekking is. Conform de motie2 van Dijk (PvdA) ben ik over deze situatie in gesprek gegaan met de branchepartijen BOVAG/FAM/VRB. Ik heb begrepen dat er op verzoek en tegen betaling lesautos beschikbaar zijn gesteld voor zover de betrokken leerling over voldoende aantoonbare rijkwaliteiten beschikte en veilig een praktijkexamen kon afleggen.
Deelt u de mening dat dit faillissement laat zien dat er een wildgroei is aan rijscholen en dat daar iets aan gedaan moet worden?
Nee. Deze verkeersschool bestond al vele jaren en stond tot voor het faillissement niet ter discussie.
Hoe komt het dat de aangenomen motie-Kuiken uit 2014 om te komen tot een overkoepelend kwaliteitskeurmerk en klachtenmeldpunt in de rijscholenbranche nog steeds niet is uitgevoerd?2 Gaat u ervoor zorgen dat dit overkoepelende keurmerk en klachtenmeldpunt er dit jaar nog is?
In reactie op de motie is de ontwikkeling van een keurmerk destijds nadrukkelijk overgelaten aan de marktpartijen zelf. De oplossing voor de motie Kuiken 4 is door mijn voorganger gevonden door de Rijscholenkiezer van Stichting TeamAlert te lanceren in samenwerking met de branche en het CBR. Stichting TeamAlert had een online platform ontwikkeld met subsidie van mijn departement. Zoals bekend is deze Rijscholenkiezer door rechtszaken uit de lucht gehaald. Verder overleg met de branche, CBR en IBKI hebben geleid tot een door het CBR gelanceerde app en facebookcampagne, met op hoofdlijnen dezelfde strekking, echter zonder reviewmogelijkheid voor consumenten.
Ik ben continu in gesprek met de branche om gezamenlijk te zoeken naar de mogelijkheden om de kwaliteit van de rijschoolbranche te verbeteren.
Bent u bovendien bereid om, in deze vechtmarkt met rijscholen die niet voldoen aan de kwaliteit, extra eisen te stellen aan rijschoolhouders? Hoe kijkt u aan tegen het pleidooi van brancheorganisatie BOVAG?
Ik ben in gesprek met de branche, CBR en IBKI om te bezien op welke aspecten de branche een extra kwaliteitsimpuls nodig heeft. Bij die gesprekken betrek ik ook het verzoek in de motie van het lid Sienot4. De BOVAG pleit voor meer eisen voor mensen die een rijschool willen beginnen. Ook die oproep zal ik betrekken in mijn overleg met de branche.
De verkoop en distributie van pakketjes door Alibaba in Nederland |
|
Arne Weverling (VVD), Wybren van Haga (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u zich uw antwoorden op de eerdere gestelde Kamervragen over de verkoop en distributie van pakketjes door Alibaba in Nederland herinneren?1
Ja.
Hoe reëel is het om van Nederlandse ondernemers in de e-commercesector te verwachten dat zij hun webwinkels nog innovatiever en klantgerichter inrichten, wanneer sprake is van oneerlijke concurrentie door staatssteun, productie tegen lagere standaarden en onevenredig gunstige verzendingstarieven?
Het creëren van een gelijk speelveld in de handelsrelatie met China en het tegengaan van oneerlijke handelspraktijken door China zijn belangrijke doelstellingen van het kabinet, zoals ook geformuleerd in de Chinanotitie2. Zoals in de antwoorden op de vorige set Kamervragen van de VVD (Aanhangsel Handelingen 2018–2019, nr. 2958, 11 juni 2019) aangegeven hebben de aandachtspunten voor de Nederlandse overheid in dat kader vooral betrekking op verschil in regelgeving ten aanzien van milieu en kwaliteitseisen. Daarnaast worden maatregelen genomen tegen onevenredig gunstige verzendingstarieven. De tarieven voor de afhandeling van Chinese pakketjes zijn sinds 2018 met 26% gestegen. Het totale verschil is in 2021 opgeheven: dan zijn de geldende tarieven voor China en geïndustrialiseerde landen geharmoniseerd (zie verder antwoord bij vraag 6). Bovendien zijn de servicekaders waar we het over hebben onvergelijkbaar. De overkomstduur van een pakket binnen Europa betreft enkele dagen, vanuit China zijn dit meestal meerdere weken. Ook verschilt de kwaliteit en beschikbaarheid van diensten als track & trace sterk.
Ook brancheorganisatie Thuiswinkel.org constateert dat de overeengekomen tariefaanpassingen in Wereldpostunie-verband en het afschaffen van de BTW vrijstelling leiden tot een gelijker speelveld. Thuiswinkel.org stelt wel dat export bevorderende subsidies die de Chinese overheid hanteert een aandachtspunt zijn. Daarnaast zijn voor Europese bedrijven de kwaliteits- en milieueisen waaraan producten moeten voldoen omvangrijker dan voor Chinese, wat ook een effect heeft op de prijs. In de China-strategie heeft het kabinet aangegeven in te zetten op het tegengaan van oneerlijke handelspraktijken en daarbij te streven naar meer evenwicht en wederkerigheid in de handelsrelatie met China. Dat doet het kabinet door via de WTO, de EU en door in samenwerking met gelijkgezinde landen internationale druk uit te oefenen om China aan te sporen zich te houden aan internationale spelregels. Striktere handhaving en het gebruik van geschilbeslechting binnen de WTO horen daarbij.
Kan PostNL de bevestiging dat het aantal brievenbuspakjes uit China de afgelopen jaren is toegenomen, zoals vermeld in het antwoord op vraag vijf, kwantificeren?
Dit betreft bedrijfsvertrouwelijke informatie. Daarnaast is de afhandeling van de bezorging van pakketpost in Nederland verdeeld over meerdere pakketvervoerders. De Thuiswinkel Marktmonitor van april 2019 geeft wel informatie over totale online bestedingen in euro’s (25,7 mld) en het deel wat daarvan in Chinese webwinkels wordt besteed (namelijk 31% van de 880 mln die Nederlandse consumenten uitgeven aan online aankopen via anderstalige websites).3
Welk deel van de voor Nederland bestemde zendingen wordt door PostNL afgehandeld, aangezien volgens het door u genoemde persbericht sprake is van een belangrijk deel?2
Het aangehaalde persbericht betrof de klant AliExpress die er voor gekozen heeft om een deel van haar bestellingen door PostNL te laten verzorgen. Uit de Post- en Pakketmonitor van de ACM kan worden afgeleid dat het totaal volume van voor Nederland bestemde pakketten uit het buitenland in 2018 47 mln stuks bedroeg. Qua marktaandelen werd het grootste deel daarvan afgehandeld door UPS (25–30%), gevolgd door DPD en PostNL. Daarnaast is PostNL als UPD verlener 100% verantwoordelijk voor de stroom die op basis van de Wereldpostunie afspraken wordt afgehandeld (omdat de Wereldpostunie afspraken alleen gelden voor poststromen die worden bezorgd door de nationale postvervoerder die is aangewezen als UPD verlener).
Is PostNL, ongeacht het feit dat sprake is van een commercieel contract, bereid toe te lichten hoeveel zij gemiddeld ontvangt voor de distributie van een zending van Alibaba/AliExpress en in hoeverre de vergoeding proportioneel is in relatie de gemaakte kosten, aangezien enkel wordt vermeld dat de vergoeding positief bijdraagt aan het resultaat van PostNL?
Informatie over commerciële afspraken tussen partijen zijn bedrijfsvertrouwelijk en het publiek maken daarvan zou de internationale concurrentiepositie van PostNL schaden. Uit navraag bij PostNL blijkt dat de tarieven die worden gehanteerd voor zendingen van opdrachtgever Alibaba/AliExpress positief bijdragen aan het totale resultaat.
Welke inhoudelijke mededelingen kunt u doen over de uit het Wereldpostunie Verdrag voortvloeiende afspraken tussen PostNL en China Post? Kunt u, indien deze afspraken vertrouwelijk zijn, toelichten hoe of in hoeverre de Nederlandse overheid de inhoud en de mate van overeenstemming met de afspraken binnen de Wereldpostunie kan verifiëren en monitoren?
De afspraken die tussen postvervoerders op basis van het Wereldpostunie Verdrag gelden, zijn openbaar. De Wereldpostunie afspraken van 2016 hebben er toe geleid dat tussen 2018 en 2021 de tarieven die PostNL van ChinaPost ontvangt hoger zijn dan wat PostNL andersom afdraagt aan ChinaPost. Bovendien stijgen de tarieven die ChinaPost moet betalen jaarlijks met 13%. Alle afspraken die deel uitmaken van het Wereldpostunie Verdrag zijn bekrachtigd door de lidstaten.
China zit op dit moment in landengroep III van de Wereldpostunie, zoals uitgelegd in de antwoorden op de eerdere vragen van de VVD over dit onderwerp van 11 april 2019. Nederland behoort tot groep I. Het tariefsysteem bestaat uit een plafond (cap) en een bodem (floor) en is gerelateerd aan het geldende binnenlandse tarief. Op basis van de wijziging van de tariefafspraken die begin 2018 zijn ingegaan betaalt PostNL aan ChinaPost een vergoeding die ligt op het niveau van het zgn «floortarief» (de rode lijn in de onderstaande figuur). Dat tarief stijgt jaarlijks met 2,8%. ChinaPost betaalt PostNL op basis van het zgn. «captarief» dat geldt voor de groep III landen (de stippellijn). Dit tarief stijgt in vier jaar tijd met jaarlijks 13% totdat de captarieven van zowel de groep I als groep III landen op hetzelfde niveau liggen. Dit betekent dat het tarief dat ChinaPost aan de landen in groep I moet betalen voor het afhandelen van post in die landen tot 2021 op een hoger niveau ligt dan andersom (de rode lijn versus de stippellijn). In 2021 zijn zowel het plafondtarief als het bodemtarief voor alle landen geharmoniseerd, behalve voor de groep IV landen (ontwikkelingslanden). De tarieven die deze landen moeten betalen liggen op een lager niveau.
Hoe vaak is sprake geweest van strafrechtelijke onderzoeken op het gebied van vervalsing of inbreuk op merkrecht, zoals beschreven in het antwoord op vraag vier, en hoe vaak is er opgetreden?
In de afgelopen jaren heeft het OM zich in de strafrechtelijke onderzoeken voornamelijk gericht op handelaren in merkvervalste goederen die hun handel vanuit Nederland dreven. In 2017 zijn door het Openbaar Ministerie 128 zaken op grond van artikel 337 Sr afgedaan, in 2018 waren dat er 100. In de vraag gaat het over brievenbuspakketten. Bij (kleine) postpakkethoeveelheden, die veelal aan particulieren zijn gericht, wordt in het algemeen niet strafrechtelijk ingegrepen. Dit heeft te maken met de door de wetgever gekozen vrijstelling van artikel 337 lid 2 Sr voor het in voorraad hebben van enkele vervalste waren/merken voor eigen gebruik. In die gevallen heeft de merkhouder een eigenstandige rol om zijn merkrechten te beschermen.
In hoeverre hebben Nederland of de Europese Unie (EU) gebruik gemaakt van de mogelijkheid binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) om nadere afspraken te maken of signalen af te geven over inbreuk op rechten, al dan niet specifiek in relatie tot China?
Op moment van schrijven lopen formele consultaties tussen de EU en China in WTO-verband over de vermeende gebrekkige bescherming van intellectueel eigendom door China. Consultatie is de stap die doorlopen moet worden voordat een panel kan worden ingesteld dat zich uitspreekt over het geschilpunt. De consultaties zijn gestart op 1 juni 2018.5
Hoeveel duurder is het vanuit China versturen van e-commercepost geworden sinds 1 januari 2018?
Voor niet-Wereldpostunie-stromen betreffen dit bedrijfsvertrouwelijke tarieven, die alleen bekend zijn bij de pakketvervoerder en hun klanten. Voor wat betreft de Wereldpostunie-stroom stijgen de tarieven voor China vanaf 2018 tot 2021 elk jaar met 13%. Inmiddels bedraagt de stijging dus 26%. Voor aangetekende post is sprake van een nog sterkere verhoging. In 2018 bedroeg deze 64% en daarna stijgt het tarief dat ChinaPost moet betalen voor aangetekende post met 8% per jaar. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit enkel de kosten van de distributie in Nederland betreft. De ontwikkeling van collectie-, handling- en transportkosten die in China worden gemaakt, is hierin niet meegenomen.
Wat wordt bedoeld met de op China betrekking hebbende bijzin «voor zover zijn (sic) nog lagere tarieven betalen»? Is daar thans wel of geen sprake van?
De gefaseerde tariefhervorming die in 2016 is afgesproken betekent dat China jaarlijks tot 2021 een steeds hoger tarief betaalt (zie het antwoord op vraag 6). Dit proces is pas in 2021 afgerond en tot die tijd ligt het tarief dus nog op een lager niveau dan het afgesproken doel van 2021.
In hoeverre deelt u het Amerikaanse standpunt dat China nog steeds oneigenlijk profiteert van het huidige systeem, zoals geparafraseerd in het antwoord op vraag tien? Kunt u uitgebreid toelichten in hoeverre dit, in het licht van de nieuwe maatregelen, nog steeds het geval is of zal zijn?
In het geval van landen waar de binnenlandse bezorgkosten op een hoger niveau liggen dan de vergoeding die geldt tussen dat land en China is er sprake van een onevenwichtige situatie. Het kan daardoor voorkomen dat de vergoeding die landen ontvangen voor het bezorgen van de post daardoor niet altijd kostendekkend is. Veel landen zijn daarom voorstander van hogere tarieven. Daarom hebben de lidstaten van de Wereldpostunie in 2016 gestemd voor de afspraken waarbij het tarief dat Groep II en III landen betalen, waaronder dus ook China, gefaseerd gelijk wordt getrokken met de tarieven die de Groep I landen betalen. Hierdoor wordt de tariefongelijkheid tussen landen weggenomen en zal ook China meer gaan betalen. Een aantal landen, waaronder de VS, stelt nu dat dit proces niet ver genoeg gaat. Nederland is niet in staat om voor andere landen te beoordelen of en in hoeverre daarbij sprake is van een onredelijke situatie. Daarbij spelen namelijk allerlei factoren een rol, zoals de geografische omstandigheden in een land, de efficiëntie van de postvervoerder, of er sprake is van netto-import of -export van e-commerce pakketjes en de internationale commerciële positionering van de postvervoerder. Wel kan worden vastgesteld dat Nederland op deze factoren goed scoort, zoals eerder ook bleek uit de benchmarkstudie van de Wereldpostunie.6 In 2016 heeft Nederland voor de hervorming van de tariefafspraken gestemd, omdat de inkomende volumes vanuit China dusdanig toenamen, dat ook voor PostNL de te ontvangen vergoeding te laag dreigde te worden om de binnenlandse bezorgkosten op te vangen. Door de tariefverhoging van inmiddels 26% voor brievenbuspakjes en 64% voor aangetekende post is dit probleem in de Nederlandse situatie opgelost. De verhoging van de tarieven leidt in Europees kader tot een verbetering van het gelijk speelveld voor e-commerce aanbieders.
Welke «zeer verregaande hervorming van de eindkostenvergoedingen» hebben de Verenigde Staten (VS) voorgesteld en waarom wordt de impact hiervan als ingrijpend ervaren?
Het voorstel van de VS maakt het mogelijk dat de nationale postvervoerder ervoor kiest om zelf tarieven vast te stellen (zgn. «self declared rates») in plaats van het hanteren van de vastgestelde Wereldpostunie-tarieven. De enige regel die zou gelden is dat er per land een plafond wordt ingesteld op basis van de geldende binnenlandse losse posttarieven, om excessieve tarieven te voorkomen (eindkosten die in rekening worden gebracht mogen niet hoger zijn dan de geldende binnenlandse tarieven). Voorts zou dit nieuwe systeem al vanaf 1 januari 2020 moeten ingaan.
Het voorstel van de VS heeft een aantal negatieve consequenties:
In een studie naar het systeem van self declared rates stellen onderzoekers vast dat in geval van een forse stijging van de totale bezorgkosten (vanwege hogere tarieven, transactiekosten en het verleggen van handelsstromen), deze kosten zullen worden doorberekend aan de consument.
Als gevolg daarvan is de verwachting dat consumenten minder grensoverschrijdende e-commerce aankopen zullen doen.7
Wanneer wordt er over de drie opties, zoals beschreven in het antwoord op vraag tien, gestemd? Bent u bereid de Kamer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen en de Nederlandse positie in dezen?
De Wereldpostunie-leden hebben besloten om eind september dit jaar tijdens een buitengewoon congres te stemmen over de voorliggende opties. Nederland heeft tot nu toe een voorkeur uitgesproken van de optie die uitgaat van versnelling van de in 2016 overeengekomen transitieafspraken waarbij de tarieven voor groep II en III landen (waaronder China) gelijkgetrokken worden met die van de groep I landen. Tweede onderdeel van deze optie is om verdere afspraken over gewenste tariefhervormingen pas te maken tijdens het reguliere congres in 2020, zodat zorgvuldige besluitvorming op basis van een gedegen impactanalyse kan plaatsvinden. Te drastische stappen tijdens het buitengewone congres van 24-26 september 2019 kunnen negatieve consequenties, die zijn geschetst in het antwoord op vraag 12, als gevolg hebben. Ik zal de Kamer informeren over de voortgang van dit proces.
Wat bedoelt u met de zin dat de zorgen die Nederland had met betrekking tot de eindvergoedingensystematiek goeddeels zijn weggenomen? Welke zorgen zijn met de nieuwe afspraken nog niet weggenomen? Kunt u dit toelichten?
De in 2016 gemaakte afspraken over de hervorming van het systeem van eindvergoedingen heeft de zorgen van Nederland over de disbalans van tarieven weggenomen. De nieuwe afspraken brengen het eindvergoedingensysteem in lijn met de impact van de sterke groei van de Chinese e-commerce markt op de bezorgkosten van de nationale postvervoerders. De eerdere zorgen van PostNL over de netto kosten die werden veroorzaakt door Chinese pakketjes zijn hierdoor inmiddels vrijwel weggenomen, maar omdat deze afspraken gefaseerd worden ingevoerd, zijn de problemen pas in 2021 geheel weggenomen. Het is wel belangrijk dat de gemaakte afspraken ook daadwerkelijk worden uitgevoerd en niet worden vertraagd.
Kunt u toelichten waaruit blijkt dat de in 2016 overeengekomen maatregelen nu reeds effect sorteren? Kunt u dit toelichten en indien mogelijk ook kwantificeren?
Ik verwijs u hiervoor naar de antwoorden op vragen 6, 9 en 10.
Waarom zijn er geen gegevens beschikbaar over het aantal e-commercepakketjes dat jaarlijks vanuit Nederland naar China wordt verzonden en kan tegelijkertijd wel worden geconstateerd dat die stroom, zij het bij tijd en wijle, zeer substantieel is? Over welke gegevens hieromtrent beschikt u wel?
De pakketmarkt is een concurrerende markt. Hierop zijn meerdere pakketvervoerders actief die om concurrentiële redenen geen of weinig informatie hierover publiek maken. Volgens de Post- en Pakketmonitor van ACM van 2018 bedroeg het totale volume grensoverschrijdende pakketten in 2018 153 mln stuks. Een onderscheid naar bestemming wordt niet gemaakt. Wel kan PostNL op individuele basis uitspraken doen over uitgaande e-commerce pakketstromen die door PostNL worden afgehandeld naar bepaalde landen. Op basis van een vergelijking tussen deze stromen wordt vastgesteld dat de Chinese e-commerce volumes in bepaalde perioden substantieel zijn.
Welke gevolgen zouden bewijzen van directe of indirecte – naar Europese maatstaven ongeoorloofde – staatssteun vanuit China ten gunste van Alibaba hebben voor diens activiteiten binnen de Europese markt? Beschikken Nederland of de EU over instrumenten om dit te sanctioneren? Zo ja, welke?
Ik veronderstel dat u in uw vraag ongeoorloofde in plaats van geoorloofde staatssteun bedoelt. Alibaba kan gewoon op de Europese markt opereren als zij van een Chinese overheid staatssteun zou hebben gekregen. Vanuit het staatssteunrecht zoals geregeld in het VWEU (artikel 107/108) kan dat niet worden tegengehouden. De regel in het VWEU dat staatssteun in beginsel verboden is, richt zich namelijk tot de lidstaten van de EU en niet tot overheden van derde landen buiten de EU. Op dit moment regelt het EU mededingingsrecht (artikel 101/102 VWEU) wel dat ondernemingen uit derde landen die op de Europese interne markt economische activiteiten verrichten zich aan het EU mededingingsrecht moeten houden (kartelverbod, misbruik van economische machtspositie, concentratietoezicht) en kan de EC de in het EU mededingingsrecht geregelde bevoegdheden toepassen op ondernemingen uit derde landen bij verstoring van de mededinging op de interne markt.
De EU kan ook in WTO-verband bepaalde acties starten als blijkt dat China oneerlijke subsidies heeft gegeven aan haar ondernemingen voor zover deze subsidies onder de Agreement on subsidies and countervailing measures (ASCM) vallen.
Welke resultaten heeft de Nederlandse inzet op het versterken van de monitoringsfunctie van de WTO op het gebied van subsidies aan bedrijven reeds opgeleverd? Welke winst valt er volgens u nog op dit vlak te behalen en hoe groot is de kans dat hierover overeenstemming wordt bereikt?
De Nederlandse en EU-inzet ten aanzien van het versterken van de monitoringsfunctie van de WTO heeft nog niet geresulteerd in multilaterale afspraken. Het is gebruikelijk dat dit soort multilaterale onderhandelingen tijdrovend zijn; immers de WTO besluit bij unanimiteit en bestaat uit 164 leden. De winst van de voorliggende voorstellen is dat het secretariaat van de WTO meer ruimte krijgt om zich uit te spreken over in hoeverre WTO-leden bestaande notificatieverplichtingen naleven. Betere notificaties, bijvoorbeeld over industriële subsidies, dragen bij aan meer feitelijke discussies over de maatregel in kwestie en kan voorkomen dat WTO-leden zich genoodzaakt voelen een WTO-zaak te starten om de maatregel aan te vechten. De kans dat overeenstemming wordt bereikt is onzeker, maar de EU zet erop in om bij de 12e Ministeriële Conferentie in Nur-Sultan, Kazachstan (8-11 juni 2020) tot strengere notificatieregels te komen.
Zet de EU zich, in het kader van eerlijke concurrentie, ook buiten de WTO in voor meer transparantie over de relatie tussen de Chinese overheid en bedrijven als Alibaba en China Post? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Transparantie, openheid, eerlijke concurrentie en non-discriminatie zijn onderdeel van de voortgaande dialoog tussen de EU en China. Tijdens de EU-Chinatop van dit jaar is afgesproken dat deze (en andere) principes de basis dienen te zijn van de economische relatie tussen de EU en China. Daarbij is tevens afgesproken dat de EU en China zich zullen inspannen om te komen tot oplossingen voor een aantal belangrijke handelsbarrières. De EU wil een meer gebalanceerde en wederkerige economische relatie opbouwen met China door subsidies en gedwongen technologieoverdracht te verminderen en een bilateraal investeringsverdrag te sluiten. Om eerlijke concurrentie te bevorderen voeren de EU en China tevens een Competition Policy Dialogue.
Kunt u toelichten waarom post- en e-commerce weinig tot geen expliciete aandacht hebben gekregen in de recent door het kabinet gepubliceerde Chinanotitie?3 Kunt u desondanks toelichten welke (nieuwe) maatregelen het kabinet als gevolg van de Chinanotitie voornemens is te treffen op deze terreinen?
De Chinanotitie beschrijft in brede zin de kabinetsinzet binnen de bilaterale relatie met China gebaseerd op de Nederlandse doelstellingen van buitenlands beleid, en hoe deze inzet gerealiseerd gaat worden. Ook komen e-commerce en aanverwante zaken zoals intellectueel eigendom en productiestandaarden aan de orde in de notitie (p.76). De notitie gaat niet specifiek in op verschillende industrieën.
Het creëren van een gelijk speelveld in de handelsrelatie met China en het tegengaan van oneerlijke handelspraktijken door China zijn belangrijke doelstellingen van het kabinet, zoals ook geformuleerd in de Chinanotitie. De aandachtspunten voor de Nederlandse overheid in dat kader hebben vooral betrekking op verschil in regelgeving ten aanzien van milieu en kwaliteitseisen. Het kabinetsbeleid is er verder op gericht om bij het maken van afspraken met China op het gebied van intellectueel eigendom in EU-verband op te trekken. Markttoegang en productiestandaarden en -veiligheid (waaronder ook e-commerce) vallen onder competentie van de EU.
Het bericht ‘Nederlands mkb heeft last van marktmacht grootbanken’ |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het rapport «Mkb-bankfinanciering in Europees perspectief» van het Centraal Plan Bureau (CPB)1 en het daarop gebaseerde bericht «Nederlands mkb heeft last van marktmacht grootbanken»?2
Ja, ik ben bekend met het rapport en het daarop gebaseerde bericht.
Herkent u de conclusie van het CPB dat het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (mkb) minder vaak bankleningen ontvangt dan het mkb elders in de eurozone? Zo ja, waarom deelt u de conclusie van het CPB en welke aanvullende stappen acht u noodzakelijk om de in het CPB rapport geschetste situatie te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennis genomen van het CPB-rapport. Dit rapport beschrijft mogelijke redenen waarom mkb bedrijven moeizamer aan bankfinanciering kunnen komen ten opzichte van vergelijkbare bedrijven in de Eurozone. Deze redenen zijn divers en acht ik plausibel. Het onderzoek is echter breed en het is niet mogelijk gebleken om op basis van de data oorzakelijke verbanden te leggen. De mkb-financieringsmarkt verschilt ook sterk per eurozoneland. Het één op één vergelijken van landen is dan ook niet mogelijk (zie ook antwoord op vraag 4).
Deelt u de stelling van het CPB dat de winstgevendheid van bedrijven, ook van kleine en middelgrote, in Nederland relatief goed is in vergelijking met andere eurozonelanden en dat daarbij het mediane eigen vermogen van kleine Nederlandse bedrijven eerder hoger dan lager is dan in andere landen? 3 Zo ja, hoe verhoudt deze stelling zich tot de uitspraak in de financieringsmonitor dat een van de redenen voor de hogere kosten van Nederlandse kredieten de zwakkere financiële positie van kleine Nederlandse bedrijven die krediet aanvragen ten opzichte van het Europees gemiddelde is?4
Ik deel deze stelling. Het rapport van het CPB geeft aan dat de meeste Nederlandse mkb bedrijven financieel gezond zijn. Dit rapport is mede gebaseerd op BACH5 data en CBS bewerkte microdata. Hieruit blijkt dat Nederlandse mkb bedrijven ook net zo winstgevend te zijn ten opzichte van soortelijke bedrijven elders in de Eurozone; bovendien beschikken ze ook over een gemiddeld niveau aan eigen vermogen.
De financieringsmonitor geeft aan dat één van de verklaringen van de hogere kosten van met name kleine leningen in vergelijking met het Europees gemiddelde de zwakkere financiële positie van het mkb is ten opzichte van het Europees gemiddelde. De financieringsmonitor van het CBS baseert zich hier op het IMF country report van 2018. Dit is echter een analyse over 2017, en een andere databron dan het CPB-rapport.
Verder accentueert het CPB-rapport ook dat niet alle afwijzingen door banken een probleem vormen. Want nieuwe bedrijfsleningen worden soms, gezien de bedrijfseconomische vooruitzichten, gerechtvaardigd afgewezen door banken. In het najaar 2019 zal ik in een Kamerbrief mijn beleidsvisie nader toelichten.
Kunt u uw appreciatie delen van de uitspraak van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) dat banken tegelijkertijd scherp kijken naar risico’s en alleen gezonde bedrijven met goede plannen in aanmerking voor financiering komen, in relatie tot de stelling van het CPB dat de winstgevendheid van het Nederlandse mkb in relatie tot andere eurozonelanden relatief goed is?
Ja, voor zover mij bekend heeft de NVB tot op heden alleen gereageerd met een bericht op hun website. De NVB geeft redenen aan waarom de vergelijking van de mkb-financieringsmarkt tussen verschillende landen moeilijk te maken is.
De NVB noemt de mate van digitalisering, een traditie van relatie-bankieren of transactiebankieren en de mate waarin schuld aangaan gebruikelijk is. Deze aspecten zijn inderdaad relevant om rekening mee te houden in de vergelijking. Om deze reden ben ik tevens gestart met een exercitie met de Europese Commissie en de lidstaten om te komen tot goede voorbeelden van beleid en instrumenten om de mkb-financieringsmarkt te verbeteren. Dit zal ik delen met uw Kamer in een brief over de beleidsvisie mkb-financiering (zie antwoord vraag 3 en 14).
Bent u bekend met wat banken onder gezonde bedrijven verstaan, aangezien de NVB stelt dat alleen gezonde bedrijven met goede plannen in aanmerking komen voor financiering? Wordt daarbij gekeken naar de historie of naar de vooruitzichten?
Banken hebben eigen modellen voor inschatting van de financiële gezondheid van bedrijven en bijhorende risico’s. Deze inschatting wordt per financieringsaanvraag gedaan. Ik kan dan ook niet zeggen wat banken precies verstaan onder gezonde bedrijven. Wel kan ik aangeven waar banken op beoordelen. Dit is onder andere de rentabiliteit (winstgevendheid) van het bedrijf dan wel de investering waar financiering voor wordt gevraagd, de solvabiliteit van het bedrijf (terugbetaalcapaciteit) en cashflowontwikkeling. Hierbij zijn zowel de historische cijfers als de prognoses belangrijk. Naast financiële gegevens beoordeelt een bank ook niet-financiële informatie. De NVB geeft in haar «position paper» van 4 april jl. aan welke factoren meespelen in de beoordeling van een krediet.
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat de tarieven voor leningen aan het mkb in Nederland hoger liggen dan elders in de eurozone? Zo ja, wat is daarvan de reden? Welke mogelijkheden heeft u om bancaire financiering aantrekkelijk te maken voor het mkb en zo het Nederlandse mkb op een eerlijke wijze te kunnen laten concurreren met Europese bedrijven?
De bevinding op basis van analyse – en dus geen stelling – van het CPB is dat marktrentes voor bedrijfsleningen tot 5 jaar zowel voor het mkb als voor het grootbedrijf boven het Eurozone gemiddelde liggen. Een mogelijke verklaring die CPB opwerpt is dat hier wellicht sprake is van marktmacht. Andere verklaringen waardoor er verschillen zijn per land zijn de beschikbaarheid van informatie waarop banken het kredietrisico bepalen. De mate van standaardisatie van financiële verslaglegging verschilt, evenals de beschikbaarheid van kredietratings voor het mkb. De uitkomsten van de financieringsmonitor wijzen ook uit dat de rentes voor mkb bedrijfsleningen afnemen met de bedrijfsomvang en met de bedrijfsleeftijd. Ook tussen sectoren verschillen de rentepercentages. Er worden hogere rentes betaald in de meer risicovolle sectoren (zoals zakelijke dienstverlening en ICT) en lagere rentes in onroerend goed en reparatie, bouw en landbouw. Over mijn beleid informeer ik u nader in de Kamerbrief over de beleidsvisie MKB-financiering (zie antwoord op vraag 14).
Onderschrijft u de cijfers van het CPB dat Nederlandse mkb’ers 16%-punt minder vaak een banklening ontvangen dan vergelijkbare bedrijven in andere landen in de eurozone? Zo ja, welke aanvullende stappen acht u wenselijk om ervoor te zorgen dat meer Nederlandse mkb’ers een banklening ontvangen?
Ik neem kennis van deze bevindingen. Zoals CPB ook aangeeft vormt niet alle afwijzingen een probleem. Een deel wordt terecht afgewezen omdat er bijvoorbeeld onvoldoende marktperspectief is. In de Financieringsmonitor worden de belangrijkste redenen van afwijzing opgesomd. Wat een gezond afwijzingspercentage is valt niet te zeggen. Het CPB benadrukt in de Policy brief dat cultuurverschillen ook een rol kunnen spelen in het aanvraaggedrag van ondernemers in Nederland. Sinds de laatste financiële crisis lijken Nederlandse ondernemers meer leenavers dan Europese ondernemers elders. Het is belangrijk om te benadrukken dat het bedrijfsleven gezond gefinancierd dient te zijn en dat banken een belangrijke selectiefunctie hebben om bedrijven te financieren met een financieringsbehoefte die dit ook financieel kunnen dragen. Om mkb-financiering te bevorderen zijn verschillende financieringsinstrumenten reeds beschikbaar (zie antwoord op vraag 13).
Onderschrijft u de cijfers van het CPB dat Nederlandse mkb’ers 15%-punt minder vaak een aanvraag doen voor een banklening dan vergelijkbare bedrijven elders in Europa? Zo ja, heeft u vergelijkbare signalen ontvangen en zicht op de mogelijke redenen voor afwijzing? Zo ja, welke stappen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat in Nederland zo veel mogelijk mkb’ers, die behoefte hebben aan financiering, een aanvraag doen voor een banklening?
Zie antwoord vraag 7.
Welke stappen heeft u tot nu toe ondernomen om ervoor te zorgen dat mkb’ers die behoefte hebben aan financiering, daadwerkelijk een aanvraag doen voor een banklening en niet vooraf al de handdoek in de ring gooien?
Het CPB benadrukt in haar rapport dat de meeste mkb-bedrijven in Nederland die geen behoefte hebben om een lening bij een bank aan te vragen, dit doen omdat zij adequate eigen middelen hebben. Daarnaast lijkt ook de verwachting van het mkb om afgewezen te worden bij een financieringsaanvraag een belangrijkere rol te spelen in Nederland dan elders in de Eurozone. EZK stimuleert ondernemers om gebruik te maken van verschillende financieringsinstrumenten die uitgevoerd worden door RVO6. Daarnaast kunnen ondernemers ook terecht bij het ondernemingsplein7 en de KvK8 voor vragen en ondersteuning omtrent financiering. Om inzichten uit te wisselen met de eurozonelanden met betrekking tot leenaanvragen heeft Nederland met andere lidstaten en de Europese Commissie afgesproken om «best practises» uit te wisselen. Desalniettemin is het belangrijk om te benadrukken dat elk land in de eurozone een ander financieringsmarktsysteem heeft, waardoor verschillen onvermijdelijk zijn (zie antwoord vraag 4).
Onderschrijft u de cijfers van het CPB dat leenaanvragen in Nederland 14%-punt minder vaak volledig worden toegekend dan elders? Zo ja, welke aanvullende stappen neemt u om dit verschil met andere landen uit de eurozone te verkleinen?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u aanvullende stappen wenselijk om bancaire financiering meer te laten aansluiten op de behoefte van mkb’ers en het bestaande financieringsinstrumentarium? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet?
Ik moedig meer concurrentie op de mkb-financieringsmarkt aan. Zowel bij banken als bij alternatieve financiers zoals leasing, factoring en crowdfunding. Hier voer ik ook actief beleid op. De kredietverlening aan het mkb ondersteun ik met de garantie-instrumenten BMKB en GO. In juli 2017 is de BMKB na een tijdelijke openstelling vanaf 2012, permanent opengesteld voor niet-banken, die zich voor de regeling kwalificeren. Het stimuleren van de risicokapitaalmarkt doe ik met instrumenten zoals DVI en SEED. Deze risicokapitaalinstrumenten worden bij uitstek door alternatieve financiers, zijnde niet banken, in de markt aangeboden. Deze instrumenten dragen in belangrijke mate bij aan het oplossen van marktfalen wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een tekort aan zekerheden of behoefte aan risicodragend vermogen bij financiering van innovaties of groei van startups of scale-ups.
Welke stappen worden door de overheid gezet om alternatieve financiering een reëel en aantrekkelijk alternatief te maken voor bankfinanciering bij mkb’ers?
Zie antwoord vraag 11.
Acht u extra aanvullende stappen wenselijk om alternatieve financiers een welkome aanvulling te laten blijven op het bestaande financieringsinstrumentarium? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet? Aan welke types van financiering denkt u hierbij?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u de in het wetgevingsoverleg over Jaarverslag en Slotwet Ministerie van Economische Zaken en het Diergezondheidsfonds (XIII) (deel EZK) voor het jaar 2018 van 12 juni 2019 toegezegde appreciatie van het CPB rapport «Mkb-bankfinanciering in Europees perspectief» voor het einde van het zomerreces aan de Kamer zenden?
De appreciatie van het CPB rapport «Mkb-bankfinanciering in Europees perspectief» betrek ik in mijn Kamerbrief over de beleidsvisie Mkb-financiering waarin ik de meta-analyse aanbied naar aanleiding van de 5 evaluaties van de risicokapitaalinstrumenten en waarin ik ter beantwoording van de motie Graus9 een internationale vergelijking maak van de mkb-financieringsmarkt. Om relevante onderwerpen integraal aan de Kamer aan te kunnen bieden stuur ik de brief met appreciatie van het CPB-rapport niet voor het eind van zomerreces, maar in het najaar 2019 naar de Kamer.
Het bericht 'Tientallen kleine bedrijven failliet door hoge kosten crowdfunding' |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tientallen kleine bedrijven failliet door hoge kosten crowdfunding»?1 Wat is uw reactie daarop? Hoe verhouden de feiten in het artikel zich tot de regelgeving rond crowdfunding?
Ja. Mijn reactie op het artikel ligt besloten in de beantwoording van de overige vragen.
Deelt u de mening dat crowdfundingplatforms een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de bestaande financieringsmogelijkheden?
Crowdfunding is een waardevolle toevoeging aan het aanbod van financiering voor vooral het midden- en kleinbedrijf. Doordat crowdfunding relatief laagdrempelig is, is het voor ondernemers gemakkelijker om investeerders te bereiken die via meer traditionele financieringsvormen niet bereikt zouden worden.
Bedrijven in de Europese Unie zijn momenteel voor hun financiering grotendeels afhankelijk van banken. Door de inzet van andere financieringsvormen, zoals crowdfunding, worden bedrijven minder afhankelijk van bankfinanciering. Door de spreiding van financiële risico’s over verschillende financieringsvormen kunnen economische schokken vervolgens beter worden opgevangen. Crowdfunding is daarom ook met het oog op een Europese kapitaalmarktunie een belangrijke vorm van alternatieve financiering.
Is de regelgeving op dit moment voldoende adequaat om mkb’ers te laten profiteren van de voordelen van crowdfunding, maar te beschermen tegen uitwassen? Kunt u uiteenzetten hoe mkb’ers nu precies beschermd zijn?
Ondernemers verschillen in omvang, draagkracht en kennis- of opleidingsniveau. De mate van zelfredzaamheid verschilt ook per ondernemer. Bij sommige zakelijke klanten kan bescherming wenselijk zijn, terwijl dit bij andere zakelijke klanten kan worden ervaren als een onnodige belemmering voor het verkrijgen van adequate financiering. De wettelijke bescherming van zakelijke klanten in de Wet op het financieel toezicht (Wft) verschilt dan ook per financieel product en type klant. Dit vindt zijn oorsprong in Europese sectorale regelgeving, waarbij veelal per producttype is bepaald welk type klant beschermd wordt. Voor kredietverlening geldt dat louter consumenten beschermd worden. Indien een financiële onderneming een financiële dienst verleent aan een natuurlijk persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, kwalificeert deze persoon als ondernemer en wordt deze niet beschermd door de regels ter bescherming van consumenten. De gedachte hierachter is dat een bewuste keuze is gemaakt om te ondernemen en er voor ondernemers, vergeleken met consumenten, een grotere adviesmarkt beschikbaar is.
In het najaar van 2016 heeft een openbare consultatie plaatsgevonden over de effectiviteit en gewenste mate van bescherming voor zzp-ers en mkb-ers, zogenaamde kleinzakelijke klanten, bij financiële diensten en producten.2 U bent bij brief van 12 april 2018 geïnformeerd over de uitkomsten daarvan.3 Uit de consultatie kwam naar voren dat een effectievere bescherming van kleinzakelijke klanten wenselijk is, met name op het gebied van kredietverlening. Tegelijkertijd gaven veel marktpartijen aan dat dit niet hoeft te betekenen dat er direct aanleiding is om één en ander in wetgeving neer te leggen. Vooralsnog is door het kabinet daarom ingezet op verbetering van de bescherming van kleinzakelijke klanten door middel van zelfregulering. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft de gedragscode Kleinzakelijke Financiering ontwikkeld t.b.v. kredietverlening aan kleinzakelijke klanten. De gedragscode Kleinzakelijke Financiering is op 1 juli 2018 in werking getreden. De stichting MKB-financiering – waarin verschillende niet-bancaire kredietverleners, zoals enkele crowdfundingplatformen – zijn verenigd, heeft de gedragscode MKB Financiers opgesteld. Deze gedragscode is per 1 juli jongstleden in werking getreden.
Wat betreft de stand van zaken omtrent het juridisch kader voor crowdfunding wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.
Welke stappen zet de overheid om crowdfunding een reëel alternatief te maken voor bankfinanciering bij mkb’ers?
Het kabinet ondersteunt de verdere professionalisering van de non-bancaire financieringssector. Dit gebeurt onder meer door middel van een financiële bijdrage aan de Stichting MKB Financiering voor activiteiten waarbij het publiek belang wordt gediend, zoals het opstellen van een gedragscode en voorlichting over non-bancaire financieringsvormen vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarnaast wordt in Europees verband onderhandeld over een nieuw regelgevend kader voor crowdfundingdienstverleners. Verder is binnen het huidige instrumentarium de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) opengesteld voor non-bancaire financiers. Verschillende risicokapitaalinstrumenten zoals de Seed Capital regeling en het Dutch Venture Initiative (DVI) zijn bij uitstek instrumenten die door non-bancaire financiers worden gebruikt. Daarmee wordt wat betreft overheidsstimulering een zo gelijk mogelijk speelveld nagestreefd.
Deelt u de mening dat de door deze crowdfundingplatforms gehanteerde woekerrentes niet wenselijk zijn voor kwetsbare midden- en kleinbedrijven en het mkb onnodig op kosten jagen?
Het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of een financiering en de bijbehorende voorwaarden, inclusief het rentepercentage, passend zijn. Dit zal afhangen van zaken als omvang en duur van de financiering, beschikbare zekerheden, de financiële positie van de klant en het bestedingsdoel. Het is aan de financier en de klant om in een concrete situatie onderling af te spreken welk rentepercentage (en overige leenvoorwaarden) als passend worden gezien. De gedragscodes waarnaar bij de beantwoording van vraag 3 werd verwezen, bieden partijen handvatten om hier goede afspraken over te maken. Indien een kleinzakelijke klant (later) toch niet tevreden is, voorzien de gedragscodes in een laagdrempelige klachtenprocedure via het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
Welke expliciete stappen onderneemt de overheid om kwetsbare mkb’ers te beschermen tegen woekerrentes, zoals de in het artikel gestelde rentes van 15 tot 20 procent? Zijn deze maatregelen afdoende?
Zoals in de beantwoording op vraag 3 is aangegeven, zet het kabinet wat betreft de verbetering van de bescherming voor kleinzakelijke klanten in op zelfregulering. Dit heeft onder meer geleid tot de gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de stichting MKB-financiering. De uitgangspunten van deze gedragscode zijn een zorgvuldige dienstverlening aan de kleinzakelijke klant en het bieden van een passende financiering. De Gedragscode MKB Financiers bevat een specifieke bepaling rond het maximaal te hanteren rentepercentage; er wordt uitgegaan van de wettelijke rente met een opslag van maximaal 12%.
Is het waar dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) stelt dat wettelijke regels rondom crowdfunding nodig zijn om misstanden te kunnen aanpakken?2 In hoeverre is toezicht van AFM vereist op eerder genoemde crowdfundingplatforms?
Crowdfunding vindt plaats in verschillende vormen, waarvan er bij twee vormen sprake is van een financiële tegenprestatie in de vorm van bijvoorbeeld rente of dividend. Het gaat hierbij om crowdfunding door de uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties, en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening. De AFM houdt toezicht op deze twee vormen. Bij crowdfunding in effecten dient het crowdfunding platform te beschikken over een vergunning om beleggingsdiensten te verlenen. De regels die hiervoor gelden, vloeien voort uit de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, ook wel bekend als MiFID II.5 Het gaat om regels met betrekking tot de bescherming van consumenten, informatieverstrekking en een beheerste en integere bedrijfsvoering.
In het geval van crowdfunding in onderhandse leningen, dienen platformen te beschikken over een ontheffing van de AFM. Om een dergelijke ontheffing te krijgen, dient een platform zich aan bepaalde regels uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft te houden. Deze regels zijn in 2016 uitgebreid specifiek ten aanzien van crowdfunding en zijn vooral gericht op het borgen van een beheerste en integere bedrijfsvoering en de continuïteit van het platform.
De AFM heeft eerder haar zorgen geuit over het ontbreken van een duidelijk uniform wettelijk kader voor crowdfunding (in onderhandse leningen). Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven die zorgen te delen.6 Er heeft daarom eind 2017 een openbare consultatie plaatsgevonden over de (mogelijke) elementen van een juridisch kader voor crowdfunding in onderhandse leningen.7 Tijdens de consultatie bleek echter, in tegenstelling tot eerdere signalen, dat de Europese Commissie regelgeving voor crowdfunding in voorbereiding had. In maart 2018 heeft de Europese Commissie voorstellen gedaan voor een regelgevend kader voor crowdfundundingdienstverleners. Het voorstel introduceert een vergunningsplicht en doorlopend toezicht voor crowdfundingplatformen en bevat eisen betreffende de bedrijfsvoering van platformen en bepalingen omtrent de bescherming van investeerders. Uw Kamer is op 13 april 2018 per BNC-fiche over de voorstellen geïnformeerd.8
Het is de vraag in hoeverre het wenselijk en mogelijk is om naast het Europese kader een aanvullend nationaal regelgevend kader op te stellen. Vooralsnog wordt daarom ingezet op het Europese traject. Wanneer het Europese traject is afgerond zal worden bezien of het mogelijk en zinvol is om aanvullende nationale regels voor crowdfunding in onderhandse leningen op te stellen.
Kunt u uiteenzetten hoe de zorgplicht van banken zich verhoudt tot de door crowdfundingplatforms gehanteerde rentetarieven aan kwetsbare mkb’ers?
In de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de NVB wordt vastgelegd wat kleinzakelijke klanten mogen verwachten van een bank wanneer zij een financiering afnemen. Zorgvuldige behandeling van de kleinzakelijke klant is het leidend principe. De Gedragscode Kleinzakelijke Financiering bevat geen specifieke bepalingen wat betreft de hoogte van de gehanteerde rente. Of een financiering en de bijbehorende voorwaarden, inclusief het rentepercentage, passend wordt geacht, zal afhangen van de concrete situatie en afhankelijk zijn van zaken als omvang en duur van de financiering, beschikbare zekerheden, de financiële positie van de klant en het bestedingsdoel. Een bank dient bij een aanvraag volgens hoofdstuk 5.2 van de gedragscode naar dergelijke zaken te kijken.
Alternatieve financiers zijn niet aangesloten bij de NVB en derhalve niet per se gebonden aan de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering. Wel biedt de gedragscode de mogelijkheid voor andere financiers om zich aan te sluiten bij de gedragscode.
Kunt u uiteenzetten hoe de Code Banken zich verhoudt tot de door crowdfundingplatforms gehanteerde rentetarieven aan kwetsbare mkb’ers?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van initiatieven om alternatieve financiers zich te laten aansluiten bij de Code Banken?
Het belangrijkste initiatief op dit terrein is de vaststelling van de gedragscode MKB financiers door de Stichting MKB Financiering die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Hiermee is het aansluiten van alternatieve financiers bij de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de NVB minder relevant geworden. Overigens zullen beide gedragscodes worden geëvalueerd; de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering in 2021 en de gedragscode MKB financiers in 2020.
Bent u bereid te onderzoeken of het openstellen van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) voor mkb’ers met klachten over alternatieve financiering die niet afkomstig is van partijen die de gedragscode MKB Financiers hebben ondertekend, wenselijk is?
Het klachtenloket voor alternatieve financiering bij Kifid is een initiatief van de Stichting MKB Financiering en maakt deel uit van de Gedragscode MKB Financiers. Om klachten af te handelen is een zeker kader nodig dat in dit geval wordt geboden door de gedragscode. Het is daarom moeilijk voor te stellen dat ten aanzien van financieringsovereenkomsten die niet onder de gedragscode zijn gesloten klachtenbeslechting bij het klachtenloket voor alternatieve financiering plaats kan vinden. Daarbij kan aansluiting bij de gedragscode als onderscheidend element in de financieringsmarkt werken: kleinzakelijke klanten weten dat ze meer bescherming genieten indien financiering wordt verkregen van bij een bij de Stichting MKB financiering aangesloten financier.
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is uiteengezet, wordt vooralsnog ingezet op zelfregulering ten aanzien van de verbetering van de bescherming van kleinzakelijke klanten. Daar de gedragscode MKB Financiers zeer recentelijk in werking is getreden, zie ik op dit moment geen noodzaak om aanvullende maatregelen op het gebied van klachtenbeslechting te overwegen.
Acht u aanvullende stappen wenselijk om crowdfundingplatforms een welkome aanvulling te laten blijven op het bestaande financieringsinstrumentarium? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet?
Naast de initiatieven die genoemd zijn in de beantwoording op vraag 4 werkt de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat momenteel aan een onderzoek naar de werking van de MKB-financieringsmarkt, waarin ook de evaluaties van de financieringsregelingen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden meegenomen. Dit onderzoek kan aanleiding vormen voor eventuele aanpassingen van voornoemde regelingen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat organiseert begin juli 2019 in het kader van dit onderzoek een aantal expertbijeenkomsten. In het najaar van 2019 worden de uitkomsten van het onderzoek naar de werking van de MKB-financieringsmarkt, aangeboden aan uw Kamer.
Een gelijk speelveld voor alternatieve kredietverleners en banken bij de financiering van het midden- en kleinbedrijf |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Creatief geld zoeken als de bank nee zegt»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat alternatieve, niet-bancaire kredietverleners ongeveer 1,5 miljard euro aan het midden- en kleinbedrijf (mkb) hebben verstrekt, terwijl de drie Nederlandse grootbanken gezamenlijk maar liefst 127 miljard euro bij het mkb hebben uitstaan?2
Ik heb kennis genomen van de cijfers in dit artikel, waaruit naar voren komt, dat voor het mkb bancaire financiering nog steeds de belangrijkste bron van externe financiering is. Non-bancaire financiering, waaronder leasing, factoring, crowdfunding private equity en venture capital, vormt vooralsnog een relatief beperkt deel van de mkb-financieringsmarkt. In de meest recente CBS Financieringsmonitor 2018 is evenwel te lezen dat leasing, factoring, private equity en crowdfunding tussen 2013 en 2017 fors zijn gegroeid. De mogelijkheden tot non-bancaire financiering voor het mkb nemen dus toe.
Wat zegt dit verschil in totale kredietverstrekking volgens u over de mogelijkheden tot alternatieve kredietverlening aan het mkb in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er door verschillende publieke instanties zoals de rijksoverheid, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Centraal Planbureau (CPB) en De Nederlandsche Bank (DNB) met verschillende definities voor mkb wordt gewerkt? Wat zegt dit over onze kennis van mkb-financiering? Bent u bereid om met deze instanties tot één geharmoniseerde definitie te komen van mkb?
Het klopt dat er verschillende definities zijn voor mkb. Door genoemde instanties wordt er naar gestreefd om dezelfde, internationale, definitie van het mkb te gebruiken. Deze definitie houdt in: bedrijven met maximaal 250 werkzame personen en een omzet kleiner dan of gelijk aan 50 miljoen euro ofwel een balanstotaal kleiner of gelijk aan 43 miljoen EUR. Hier kan in specifieke gevallen om verschillende redenen van worden afgeweken.
Een voorbeeld hiervan is de Financieringsmonitor van het CBS, die gebruikt deze mkb definitie en richt zich daarbinnen op de «business economy», ook een internationale definitie; het bedrijfsleven. Dit is in de Financieringsmonitor uitgebreid met de landbouwsector. De Financieringsmonitor van het CBS geeft inzicht in de financieringsbehoefte en toegang tot financiering van het Nederlandse mkb. Het is niet wenselijk om af te stappen van de huidige situatie waarin de genoemde instanties streven naar het gebruik van dezelfde internationale definitie waarbij het in gevallen nodig is hier van afwijken.
Hoe beoordeelt u de mate van professionaliteit van de alternatieve kredietverleningssector, mede gelet op de recente oprichting van de Stichting MKB Financiering, de door deze stichting opgestelde gedragscode en de opening van een onafhankelijk klachtenloket bij het Kifid?3
De alternatieve kredietverleningssector kenmerkt zich door grote verschillen tussen de aanbieders en de producten. Het gaat bovendien in sommige gevallen om (relatief) nieuwe initiatieven. Uit de CBS financieringsmonitor waar in het antwoord op vraag 3 naar wordt verwezen blijkt evenwel dat de markt voor non-bancaire financiering groeit. Hier past ook professionalisering van de sector bij. De oprichting van de stichting MKB Financering in 2018 met ondersteuning van het Ministerie van EZK en de werkzaamheden die zij ontplooit dragen hieraan bij. Zo heeft de stichting een gedragscode opgesteld met bepalingen over onder meer deskundigheid, professionaliteit, betrouwbaarheid en integriteit waaraan haar leden moeten voldoen en kunnen kleine ondernemingen die een klacht hebben over alternatieve financiers die de gedragscode hebben ondertekend hiervoor vanaf 1 juli 2019 terecht bij Kifid.
Kunt u in dit kader aangeven in hoeverre de motie-Sneller/Snels reeds is uitgevoerd en wanneer u verwacht deze motie geheel te hebben uitgevoerd?4
Ik ben bezig met een onderzoek naar de MKB-financieringsmarkt dat wordt uitgevoerd door middel van deskresearch en ook deels door interviews met vertegenwoordigers van onder meer mkb’ers, niet-bancaire financiers en toezichthouders. Dit onderzoek ziet primair op de beschikbaarheid van financiering, maar de voorwaarden waaronder die financieringen verstrekt worden houden hier nauw verband mee. In de interviews wordt daarom, mede met het oog op de motie Sneller/Snels, ook aandacht besteed aan excessieve voorwaarden die verbonden zijn aan niet-bancaire financieringen. Dit onderzoek zal op korte termijn afgerond zijn. Mede op basis van de resultaten zal worden bezien welk nader onderzoek nodig is ter uitvoering van de motie. De Minister van Financiën zal u naar verwachting in de tweede helft van dit jaar hierover kunnen rapporteren.
Zou u nader kunnen toelichten waarom het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat enerzijds zegt alternatieve financiers te willen stimuleren, maar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) anderzijds de meeste subsidie- en financieringsregelingen verplicht via een bank laat lopen?5
In de diverse financieringsregelingen van EZK wordt samengewerkt met marktpartijen. Voor een aantal regelingen, zoals de BMKB en de GO zijn dit voornamelijk banken en voor andere regelingen zijn dit andere financiers. Zo wordt in de Seed Capital regeling samengewerkt met Venture Capital fondsen en in de Seed Business Angel regeling met business angels. De Groeifaciliteit wordt vooral gebruikt door private equity partijen. De BMKB is sinds 2017 permanent is opengesteld voor niet-bancaire financiers, die hiervoor in aanmerking komen.
Zo maakt een niet-bancaire partij als Qredits actief gebruik van de BMKB. De verschillende financieringsregelingen sluiten aan op de verschillende levensfasen van bedrijven en verschillende categorieën financiers met de daarbij behorende risico’s.
Kunt u voorts verklaren waarom bij de stimuleringsregeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor nieuwe vormen van wonen en zorg voor ouderen de regering wederom expliciet een rol voor de banken ziet en niet voor alternatieve kredietverleners?6
De Stimuleringsregeling Wonen en Zorg is sinds 4 april 2019 opengesteld. Ambitie was om de regeling zo snel als mogelijk open te stellen, en daarmee bewonersinitiatieven en sociale ondernemers zo snel mogelijk de kans te bieden om projecten financierbaar te krijgen. Er is daarbij in eerste instantie gekozen om de Regeling alleen open te stellen voor de banken. De banken worden door toezichthouders nauwlettend gevolgd waardoor de toetreding tot de regeling relatief eenvoudig is en in een kort tijdsbestek kon worden gerealiseerd. De toetreding van alternatieve financiers vraagt een uitgebreider voorbereidings- en toetredingstraject, waarvoor meer tijd nodig is. Het Ministerie van VWS verkent de mogelijkheden om de regeling open te stellen voor niet-bancaire financiers. In dat licht zijn inmiddels gesprekken gestart.
Deelt u de mening dat – waar mogelijk – een gelijk speelveld voor alternatieve kredietverleners en banken zou moeten worden nagestreefd? Hoe verhouden de voorgaande voorbeelden van overheidsbeleid zich volgens u tot dat streven?
Van belang is dat mkb’ers een voldoende divers financieringslandschap ter beschikking staat dat voorziet in hun legitieme kredietbehoeften. Het kabinet zet onder meer in op de kapitaalmarktenunie die hieraan zal bijdragen. Zoals omschreven in het antwoord op vraag 7 wordt er binnen de financieringsregelingen met verschillende financiers samengewerkt.
Wat betreft stimulering van mkb-financiering wordt er waar mogelijk een gelijk speelveld nagestreefd, daarbij zal ook rekening worden gehouden met de financiële risico’s voor de Staat. Op dit moment werk ik, zoals vermeld in het antwoord 6, aan een onderzoek naar de werking van de mkb-financieringsmarkt, waarin ook de evaluaties van de EZK financieringsregelingen worden meegenomen, dit onderzoek kan aanleiding vormen voor eventuele aanpassingen van deze regelingen. Binnenkort wordt het onderzoek afgerond. EZK organiseert begin juli 2019 in het kader van dit onderzoek een aantal expertmeetings. Deze expertgesprekken dienen als input voor de EZK analyse van de mkb-financieringsmarkt en wat nodig is voor een optimale werking van die markt. In het najaar 2019 wordt deze analyse samen met het onderzoek naar de werking van de mkb-financieringsmarkt, aangeboden aan uw Kamer.
Bent u bereid alle huidige regelingen door te lichten op een gelijk speelveld voor bancaire en niet-bancaire kredietverleners?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in de toekomst meer rekening te houden met de potentiële rol van alternatieve financiers bij subsidie- en financieringsregelingen van het Rijk? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe de sterke zekerheidsrechtelijke positie van banken alternatieve financiers belemmert |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Waarom banken bij faillissementen altijd aan het langste eind trekken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat alternatieve kredietverleners een belangrijke rol kunnen vervullen in de financiering van ondernemers en dat een gelijk speelveld voor alternatieve kredietverleners en banken in beginsel het uitgangspunt zou moeten zijn?
Zoals ook benadrukt in de agenda Financiële Sector, hecht dit kabinet aan voldoende diversiteit in de financiële sector. Van belang is dat MKB bedrijven een voldoende divers financieringslandschap ter beschikking staat, dat voorziet in hun legitieme kredietbehoeften. Het kabinet zet onder meer in op de kapitaalmarktunie, die hieraan zal bijdragen.
Vormt de huidige financieringspraktijk waarbij banken veelvuldig gebruikmaken van de bankhypotheek, het bankpandrecht en de verzamelpandakte, in uw optiek een belemmering voor alternatieve kredietverleners, die in ruil voor kredietverschaffing ook zekerheid behoeven? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmering wettelijk zou kunnen worden tegengegaan?
De vragen 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke beantwoording. Om te beoordelen of het wenselijk is beleidsvoornemens op dit terrein te ontwikkelen, in welke richting dan ook, is het noodzakelijk om een onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de Nederlandse financieringspraktijk nu werkt. Wij zijn bereid om een opdracht tot een onderzoek daarnaar te geven, waarbij tevens, mede gelet op de op 18 juni door Uw Kamer aangenomen motie,2 de zekerheidsstelling bij MKB-financiering aan de orde zal komen. Ik zal Uw Kamer mededelen hoe de onderzoeksopdracht luidt en aan wie een dergelijke opdracht zal worden verstrekt, en Uw Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van het onderzoek.
Hoe kunnen alternatieve kredietverleners volgens u nog voldoende zekerheid voor kredietverstrekking verkrijgen, als potentiële kredietnemers reeds – overeenkomstig de huidige praktijk – pand- en hypotheekrechten op al hun bestaande en toekomstige activa hebben moeten vestigen ten behoeve van een bank?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de positie van alternatieve kredietverleners meegenomen binnen het wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht, meer in het bijzonder bij uw overweging of de positie van banken en andere crediteuren in faillissement aan herijking toe is?
In het kader van het laatste wetsvoorstel van het programma herijking faillissementsrecht is met vertegenwoordigers uit de faillissementspraktijk gesproken over voorstellen om de effectiviteit en de doelmatigheid van de afwikkeling van een faillissement te bevorderen.3 Er wordt onder meer bezien of de positie van zekerheidsgerechtigde schuldeisers herijkt moet worden. U zult binnenkort in de voortgangsbrief van het programma herijking faillissementsrecht door de Minister voor Rechtsbescherming worden geïnformeerd over de laatste stand van zaken.
Kunt u voorts aangeven of u nog voornemens bent het wetsvoorstel Wet opheffing verpandingsverboden in te dienen, nu de consultatieperiode van dit wetsvoorstel al ruim een half jaar gesloten is? Zo ja, wanneer bent u voornemens om dit voorstel in te dienen?
Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de verwerking van de reacties die tijdens de consultatie en de daarop volgende expertmeeting van 23 mei jl. op het voorontwerp naar voren zijn gebracht. Het streven is om het wetsvoorstel aan te bieden aan de Afdeling advisering van de Raad van State kort na het zomerreces.
Kunt u uiteenzetten in welke Europese landen een verpandingsverbod wel respectievelijk niet is toegestaan, en welke redenen daaraan steeds ten grondslag liggen?
Op deze termijn bleek een uitputtend rechtsvergelijkend overzicht zonder uitvoerig onderzoek niet haalbaar. Wel is navraag gedaan bij andere Europese lidstaten naar de situatie in hun land. Dit levert het volgende beeld op. In verschillende lidstaten zijn beperkingen gesteld aan de mogelijkheid onoverdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen overeen te komen. Dit geldt in ieder geval voor Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk. Als reden hiervoor wordt met name gegeven dat ondernemingen door dergelijke bedingen worden beperkt in hun financieringsmogelijkheden.
In o.a. Bulgarije, Malta en Spanje zijn dergelijke bedingen, op grond van de contractvrijheid, wel onbeperkt toelaatbaar. Dit geldt ook voor Tsjechië, maar wetgeving om hier voor bepaalde vorderingen verandering in te brengen, wordt overwogen.
Het feit dat onoverdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen inmiddels in meerdere lidstaten aan banden zijn gelegd of wetgeving daartoe wordt overwogen, is een extra reden om ook in Nederland wetgeving op dit punt te entameren. Voorkomen moet worden dat Nederlandse bedrijven minder financieringsmogelijkheden ten dienste staan dan bedrijven in de ons omringende landen.
De gevolgen van de arresten van het Europese Hof over doorstroom-bv’s van februari 2019 |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Europees Hof legt bom onder Nederland als fiscale vrijhaven»1, «Belastingdienst laat doorstroom-bv's vooralsnog met rust»2 en «Deense fiscus mag heffen over dividend dat vanuit Schiphol-Rijk naar Cyprus gaat»?3
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op vragen tijdens het algemeen overleg Belastingontwijking op 28 maart 2019 hierover, waarbij u aanfag dat: «[b]ij de uitwerking van de conditionele bronbelasting zal ik terugkomen op de gevolgen van dit arrest voor onze eigen wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel komt rond Prinsjesdag naar uw Kamer»?
Ja.
Waarom is handhaving van het antimisbruikleerstuk, zoals thans ingevuld door het Europese Hof, op een zo kort mogelijke termijn niet passend en geboden? Waarom liet uw ministerie aan het Financieele Dagblad weten dat «de arresten niet betekenen dat de zekerheid die de Belastingdienst multinationals heeft geboden in zogeheten rulings «per direct vervallen of moeten worden heroverwogen»»? Betekent deze toelichting aan het FD dat u de «rulings», waarin vergelijkbare constructies als de «Deense constructie» zijn opgenomen, per definitie niet zal heroverwegen (zie ook vraag 4 en 5 hierna)?
De aanpak van belastingontwijking is een van de speerpunten van dit kabinet. De mogelijkheden die Nederland hierin heeft, zijn niet onbeperkt en worden mede begrensd door het EU-recht.4 In de arresten van 26 februari 20195 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) beslist dat er voor de lidstaten een Unierechtelijke plicht bestaat om de voordelen van een fiscale richtlijn, zoals bijvoorbeeld de EU-Moeder-dochterrichtlijn6 en de EU-Interest- en royaltyrichtlijn7 te weigeren ingeval sprake is van fraude of misbruik. Voorts geeft het HvJ EU opnieuw een nadere invulling aan het misbruikbegrip. In tegenstelling tot de conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) hanteert het HvJ EU hierbij een meer materiële benadering. Het kabinet bestudeert deze arresten grondig, maar stelt in ieder geval nu al vast dat de nationale bevoegdheid om misbruik te bestrijden zeker niet onbegrensd is. Hoewel het HvJ EU in de genoemde arresten met een reeks aanwijzingen het misbruikbegrip weliswaar nader heeft ingevuld, betekent dit niet dat na de arresten precies duidelijk is in welke situatie er op basis van het EU-recht wel en wanneer er geen sprake is van misbruik. Daarom ga ik van de volgende kaders uit.
In de arresten van 26 februari 2019 oordeelde het HvJ EU onder andere dat lidstaten met een beroep op het leerstuk van misbruik van recht ook zonder nationale wettelijke bepaling een beroep op de voordelen van de EU-Moeder-dochterrichtlijn en de EU-Interest- en royaltyrichtlijn door belastingplichtige kunnen blokkeren. Dit kan echter ook al op basis van de antimisbruikbepalingen zoals opgenomen in onze vennootschaps- en dividendbelasting. Deze antimisbruikbepalingen zijn van toepassing als er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om belastingheffing te ontgaan. Deze bepaling is naar de mening van het kabinet in lijn met de EU-Moeder-dochterrichtlijn en de implementatie van de Principal Purpose Test (PPT) uit actiepunt 6 van het BEPS-project8. Momenteel zijn voor de toepassing van de vennootschaps- en dividendbelasting voorwaarden in de vorm van substance-eisen opgenomen waaraan een tussenhoudster met een schakelfunctie9 dient te voldoen om te kunnen spreken van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Er is dan geen sprake van een kunstmatige constructie.10 Als gevolg van een arrest van het HvJ EU bestaat sinds 1 januari 2019 voor de belastingplichtige (vennootschapsbelasting), onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige en de opbrengstgerechtigde (dividendbelasting), nog een aanvullende mogelijkheid om op andere wijze aannemelijk te maken dat sprake is van de hiervoor bedoelde zakelijke redenen.11 Toch lijkt hiermee na de arresten van het HvJ EU de kous niet af.
De arresten lijken aanleiding te geven tot een verdere aanpassing in de bestaande vormgeving van de antimisbruikbepalingen in de vennootschaps- en dividendbelasting. Omdat niet is uit te sluiten dat in een situatie waarin is voldaan aan de substance-eisen – beoordeeld naar alle feiten en omstandigheden – toch sprake kan zijn van misbruik zoals uiteengezet in de arresten, zullen in het op Prinsjesdag in te dienen wetsvoorstel voor de introductie van een bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties ook wijzigingen in de vennootschaps- en dividendbelasting worden voorgesteld. Hierdoor zal de rol van de huidige substance-eisen per 1 januari 2020 wijzigen en zullen deze substance-eisen van belang worden bij de bewijslastverdeling.
Door de voorgestelde wijzigingen zal ook in situaties waarin is voldaan aan de substance-eisen, de Belastingdienst – anders dan nu het geval is – misbruik kunnen aanpakken door aannemelijk te maken dat sprake is van misbruik. Er is echter een overlap tussen de huidige substance-eisen en de aanwijzingen in de arresten van het HvJ EU. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de aanwijzingen die zien op de werkelijk gemaakte kosten, het personeel en de beschikking hebben over kantoorruimte. De huidige substance-eisen betreffen naast een aantal objectieve ook een aantal meer subjectieve eisen. Hierbij moet tevens worden bedacht dat de loonsomeis van minimaal € 100.000 een vergoeding moet vormen voor de relevante werkzaamheden. In het geval van de dividendbelasting betreft dit een vergoeding die verband houdt met het houden van een deelneming en het vervullen van een schakelfunctie. De salariskosten die samenhangen met andere werkzaamheden worden hierbij dus niet in aanmerking genomen. Hierdoor zal in misbruiksituaties waarin een lichaam wordt tussengeschoven om de Nederlandse dividendbelasting te ontgaan in de regel niet worden voldaan aan de substance-eisen. Op grond van het voorgaande acht ik het nog steeds goed verdedigbaar dat de huidige Nederlandse antimisbruikbepalingen op hoofdlijnen in overeenstemming zijn met de arresten van 26 februari 2019. Het is daarom niet de verwachting dat veel vaker met succes het standpunt kan worden ingenomen dat sprake is van misbruik. In tegenstelling tot hetgeen hierna in enkele vragen lijkt te worden gesuggereerd, is dit niet anders voor enkele – in die vragen genoemde – specifieke landen.
Desalniettemin zal de praktijk nauwlettend worden gevolgd. De Belastingdienst zal uitgesproken gevallen aan de rechter voorleggen. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan situaties waarin in zakelijke verhoudingen loonkosten van € 100.000 niet in verhouding staat tot de omvang van de door een tussenschakel ontvangen en betaalde dividenden, renten of royalty’s. Daarnaast kan worden gedacht aan situaties waarin op basis van de feiten en omstandigheden blijkt dat een tussenschakel in het algemeen heel snel de ontvangen dividenden, renten of royalty’s (door)betaalt. Via nadere jurisprudentie, nationaal of internationaal, zal op dit punt verdere duidelijkheid moeten worden gecreëerd. Ik zie dan ook geen acute aanleiding om verdere maatregelen te nemen.
Rulings zien op de toepassing van op dat moment geldende wetgeving, beleid en jurisprudentie. Een ruling vervalt wanneer er een voor die ruling relevante wijziging is van de wet- en regelgeving. Dit is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst.12 Of sprake is van een relevante wetswijziging hangt in een aantal situaties nauw samen met de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Rulings die zijn afgegeven in situaties waarin voldaan is aan de substance-eisen, maar die onder de nieuwe wetgeving kwalificeren als misbruik, zullen in beginsel per de beoogde datum van inwerkingtreding van de wetswijziging, 1 januari 2020, van rechtswege vervallen. In die gevallen bewerkstelligt de wetswijziging namelijk dat dit misbruik voortaan kan worden bestreden als de Belastingdienst dit misbruik aannemelijk maakt. Indien na de voorgestelde wetswijziging bij een afgegeven ruling geen sprake is van misbruik is er geen relevante wetswijziging en vervalt de ruling daarmee niet van rechtswege. Zoals hiervoor aangegeven, verwacht ik niet dat er veel vaker met succes het standpunt kan worden ingenomen dat sprake is van misbruik. Dit rechtvaardigt eerbiedigende werking voor de resterende looptijd van de afgegeven rulings. Daarom bevestig ik dat belastingplichtigen vertrouwen aan lopende rulings kunnen blijven ontlenen tot het moment dat de Belastingdienst aan de belastingplichtige te kennen heeft gegeven dat de ruling vervalt. Dit past bij de aard van de wetswijziging waarbij de verruiming van het misbruikbegrip gepaard gaat met een bewijslast die zal rusten bij de Belastingdienst. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een relevante wetswijziging zullen lopende rulings die gebaseerd zijn op de huidige misbruikbepalingen worden herbeoordeeld waarbij risicogericht te werk zal worden gegaan. Hierbij zal de Belastingdienst zich richten op uitgesproken gevallen zoals hiervoor vermeld.
Voorts gaat per 1 juli aanstaande het beleid dat ziet op de vernieuwde rulingpraktijk in. Hierdoor worden strengere eisen gesteld aan de afgifte van rulings. Bij de afgifte van nieuwe rulings zullen de aanwijzingen uit de arresten van 26 februari 2019 worden meegenomen in de beoordeling of een ruling kan worden afgegeven.
Bent u van plan de arresten aan te grijpen om aanslagen op te leggen aan bedrijven die via tussenschakels in Nederland dividenden, rente en royalty's de EU uitsluizen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u in het bijzonder van plan de arresten aan te grijpen om alsnog en zo spoedig mogelijk over te gaan tot heffing van dividendbelasting op dividend dat door een Nederlands bedrijf is of wordt uitgekeerd aan een Luxemburgse of Ierse doorstroomvennootschap die louter en alleen van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting ex artikel 4, tweede lid, Wet op de dividendbelasting 1969 profiteert omdat die voldoet aan de zogenoemde substance-eisen, waaronder het hebben van een kantoor voor minimaal 24 maanden en een salariskostenpost van 100.000 euro of meer?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan bij de herbeoordelingen prioriteit te geven aan alle belastingrulings waarbij Ierse en Luxemburgse brievenbusvennootschappen betrokken zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Onderkent u risico’s van Europeesrechtelijke aard indien een EU-lidstaat niet tot het bestrijden van misbruik van doorstroomvennootschappen overgaat?
Zie antwoord vraag 3.
Binnen welke termijn bent u van plan te voldoen aan de opdracht van het Europese Hof aan de belastingdienst(en) om na te gaan of er misbruik wordt gemaakt van de vrijstellingen van bronbelasting voor bedrijven binnen de EU?
Zie antwoord vraag 3.
Kun u bij benadering aangeven wat de orde van grootte is van de uitgaande stromen dividenden, rente en royalty’s die door deze uitspraken geraakt worden? Zo niet, kunt u de Kamer daar later over berichten?
Wat betreft uitgaande dividenduitkeringen wordt misbruik op basis van de bestaande antimisbruikbepalingen naar de huidige inzichten nog steeds in vrijwel alle situaties al effectief bestreden. De recente arresten vormen wel aanleiding om enige accenten in de bestaande antimisbruikbepaling te verleggen. Ik verwacht echter niet dat dit zal leiden tot substantiële verschillen ten opzichte van de huidige situatie.
De aangekondigde bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties per 1 januari 2021 is er op gericht te voorkomen dat Nederland primair wordt gebruikt om de belastinggrondslag van andere landen uit te hollen. De bestrijding van dit misbruik vindt dus met name plaats door de invoering van de aangekondigde bronbelasting, en niet zozeer door de recente arresten van het HvJ EU. Ik ben in overleg met De Nederlandsche Bank over de wijze waarop we jaarlijks kunnen rapporteren hoe de financiële stromen door bijzondere financiële instellingen zich ontwikkelen. Ik ben van plan uw Kamer hierover vóór de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2020 nader te informeren.
Het kweken van medicinale wiet in het Westland |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Westland wil cannabis gaan kweken»?1
Ja hiervan heb ik kennisgenomen.
Hoe beoordeelt u de situatie dat landen, zoals Canada en bepaalde staten in de Verenigde Staten, waar recreatief gebruik van cannabis is gereguleerd, volop gebruik maken van kennis en vaardigheden van Nederlandse kwekers? Begrijpt u de klacht van de tuinders dat «het buitenland» er met de Nederlandse kennis vandoor gaat, die deze tuinders niet hier in Nederland te gelde kunnen maken?
Het is goed te horen dat de ontwikkelingen in Canada en de VS leiden tot een toename in een beroep op de expertise van Nederlandse tuinders en toeleveranciers van materialen. Het Enkelvoudig Verdrag inzake Verdovende Middelen van 1961 stelt dat indien een land de teelt van cannabis voor medicinale doeleinden toelaat er een nationaal bureau moet zijn die alle oogsten opkoopt en het alleenrecht heeft op verkoop. Met het Bureau medicinale cannabis (BMC) houdt Nederland zich aan dit verdrag. Middels een Europese aanbesteding wordt een teler gecontracteerd, het staat alle bedrijven die aan de eisen voldoen vrij zich hiervoor in te schrijven.
Wat is er precies aan de orde geweest in het gesprek dat deze tuinders hadden over het kweken van medicinale cannabis met de Minister-President? Wat was de uitkomst van dit gesprek?
Er zijn naar aanleiding van een benefietactie drie ondernemers langs geweest bij de Minister-President. Deze ondernemers zijn verwelkomd en hebben de gelegenheid gebruikt om te laten weten welke onderwerpen hen bezighouden.
Gelet op de aard van het gesprek heeft de Minister-President kennisgenomen van de gedachten van de ondernemers en geen toezeggingen gedaan.
Welke regels knellen of belemmeren grootschalige productie van medicinale cannabis door meerdere aanbieders voor de export?
Er zijn interne beleidsregels opgesteld die een limiet stellen aan de export van medicinale cannabis. Wij exporteren maximaal 100 kilo per jaar per land. Wil een land meer dan 100 kilo importeren dan moet hiervoor een formeel verzoek komen van de autoriteiten. Tevens exporteren wij maar een gelimiteerde periode meer dan 100 kilo per jaar. Wij verwachten van landen die zo’n grote hoeveelheid medicinale cannabis nodig hebben dat zij zelfvoorzienend worden en een eigen teeltlocatie inrichten. Het BMC kan op verzoek landen hierbij adviseren en toelichting geven op het Nederlandse model en de wet- en regelgeving. O.a. Duitsland en Denemarken hebben hier gebruik van gemaakt.
Bent u bereid de mogelijkheid te verkennen om medicinale cannabis (onder strikte voorwaarden en mits zij aan strikte eisen voldoen, zoals dat ook bij andere geneesmiddelen het geval is) te laten kweken door meerdere aanbieders? Zo nee, waarom niet? Waarom kiest u in deze niet voor een gelijk speelveld?
Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de Europese aanbesteding voor een teler van medicinale cannabis. De intentie is om twee partijen te contracteren.
Het artikel 'MKB-Nederland: Grote bedrijven betalen facturen nog steeds te laat' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «MKB-Nederland: Grote bedrijven betalen facturen nog steeds te laat»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat grote bedrijven de laatste jaren steeds langer doen over het betalen van facturen? Wat zijn de redenen van de langere termijnen?
Hoewel de meest recente cijfers van financieel dienstverlener Graydon over de betaaltermijnen in het eerste kwartaal van 2019 een lichte verbetering laten zien ten opzichte van het voorgaande kwartaal, is er geen sprake van een positieve tendens over het afgelopen jaar. Ik vind dat zorgelijk. De redenen die ondernemingen mogelijk kunnen hebben voor het hanteren van lange betaaltermijnen zijn niet bekend.
Wat is het effect van de lange betaaltermijnen voor midden- en kleinbedrijven?
Voor mkb-ondernemers betekenen lange betaaltermijnen dat zij lang moeten wachten totdat een succesvolle transactie zich vertaalt in liquide middelen, met mogelijke tekorten in kasgeld tot gevolg. Dit tekort leidt tot kosten wanneer er sprake is van financieringsbehoefte en deze financiering extern moet worden gevonden. Ook kan het leiden tot uitstel van voorgenomen investeringen. Hoe dan ook gaat er een negatief effect op de onderneming van uit.
Vindt u het ook wenselijk dat grote bedrijven midden- en kleinbedrijven zo snel mogelijk uitbetalen?
Ik vind het in het algemeen wenselijk dat rekeningen worden betaald binnen de overeengekomen termijn en dat de overeengekomen termijn redelijk is. Dit geldt uiteraard ook voor betalingen aan kleine en middelgrote ondernemers.
Bent u bereidt om de wettelijke norm voor betaaltermijnen in het zakelijk verkeer te verlagen naar 30 dagen?
In juli is de Wet betaaltermijnen grote bedrijven één jaar volledig in werking. Op dat moment wordt het evaluatieonderzoek gestart. Ik verwacht u de resultaten van de betaaltermijnen tot en met juni in september te kunnen melden. Daarmee wordt ook duidelijk of de wettelijke betaaltermijn moet worden aangescherpt naar 30 dagen. Als nader onderzoek aanleiding geeft tot flankerende maatregelen zal ik u daarover voor het einde van 2019 te kunnen rapporteren.