Het artikel ‘Hoge ambtenaren Belastingdienst schonden regels om Uber te bevoordelen’ |
|
Romke de Jong (D66) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Hoge ambtenaren Belastingdienst schonden regels om Uber te bevoordelen»?1
Ja, ik heb hier kennis van genomen.
Bent u het eens dat burgers en bedrijven allemaal gelijk behandeld dienen te worden?
Burgers en bedrijven dienen gelijk behandeld te worden indien er sprake is van gelijke feiten en omstandigheden.
Bent u het eens dat het geen taak is van de Belastingdienst om het vestigingsklimaat van Nederland op peil te houden of bedrijven in Nederland aan te trekken of te behouden? Bent u het eens dat de Belastingdienst zich moet beperken tot haar kerntaak, het innen van belastingen? Kunt u toelichten of er sprake is van beleid binnen de Belastingdienst dat zich richt op het aantrekken of behouden van bedrijven?
De Belastingdienst heeft als taak de uitvoering van en toezicht op het naleven van fiscale wet- en regelgeving. Het heffen en innen van rijksbelastingen en premies volksverzekeringen maakt daar onderdeel van uit. Het is geen taak van de Belastingdienst om het vestigingsklimaat op peil te houden of bedrijven aan te trekken of te behouden. Er is derhalve geen beleid dat daarop ziet. Wel kent de Belastingdienst het aanspreekpunt potentiële buitenlandse investeerders (APBI) voor potentiële buitenlandse investeerders die overwegen in Nederland een reële investering te doen. Het APBI kan binnen de kaders van wet- en regelgeving, jurisprudentie en beleid zekerheid vooraf geven over de fiscale gevolgen van een voorgenomen reële investering. Ter waarborging van de eenheid van beleid en uitvoering zal over de beoordeling van deze aspecten afstemming plaatsvinden binnen het College Internationale Fiscale Zaken waar het APBI-deel van uit maakt en daar waar nodig met de relevante kennis- en coördinatiegroepen. De afspraken tussen het APBI en de buitenlandse investeerder worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst waar een geanonimiseerde samenvatting van wordt gepubliceerd.2
Waarover communiceert de Belastingdienst met andere landen met betrekking tot belastingplichtigen en hun belastingplicht? Hoe gaat dit in zijn werk? Bent u het eens dat het niet aan de Belastingdienst is om te lobbyen voor het al dan niet belastingplichtig zijn in een ander land? Bent u het eens dat de Belastingdienst enkel als taak heeft om te bepalen hoe de winsttoedeling is tussen twee landen op basis van geldende wetten, regels, verdragen en jurisprudentie waarbij voorkoming van dubbele belasting in acht kan worden genomen?
Op basis van nationale wet- en regelgeving beoordeelt de Belastingdienst of sprake is van belastingplicht in Nederland en wat de grondslag is waarover Nederland mag heffen. Hierbij is geen sprake van het lobbyen door de Belastingdienst bij andere landen. Om te voorkomen dat in twee of meer landen belasting wordt betaald sluiten landen belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Als een belastingplichtige wordt geconfronteerd met dubbele belasting, bijvoorbeeld als gevolg van het feit dat hij in twee landen als inwoner wordt aangemerkt of twee of meer landen heffen over dezelfde winst, kan binnen de daarvoor geldende termijnen een beroep worden gedaan op het verdrag. Uiteraard alleen in die gevallen waar met dat land een verdrag is gesloten. Landen gaan in dat geval met elkaar in overleg om binnen de bestaande regelgeving dubbele belasting weg te nemen.
Ook vooraf kunnen landen met elkaar overleggen, onder andere over de vraag welk deel van de winst waar belast mag worden. Dit kan op initiatief van belastingplichtige die verzoekt om een bi- of multilaterale Advance Pricing Agreement (BAPA/MAPA, internationale zekerheid vooraf over verrekenprijzen). Ook kunnen belastingdiensten zelf op basis van internationale afspraken initiatief nemen om samen toezicht uit te oefenen. Dit kan door het opstarten van een bi- of multilaterale controle (MLC).
Op welke wijze is de Belastingdienst omgegaan met informatieverzoeken van andere landen inzake Uber? Hoe lang heeft het geduurd voordat de informatieverzoeken van de andere landen zijn beantwoord en hoe lang duurt het gemiddeld om een informatieverzoek te beantwoorden?
De Belastingdienst doet onderzoek naar deze casus. Dit onderzoek acht ik van belang om de juiste informatie te achterhalen. Vanwege die fiscale geheimhoudingsplicht kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers. Enerzijds is de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een belangrijke bouwsteen in ons fiscale stelsel. Anderzijds vormt het informatierecht van de Kamer van artikel 68 Grondwet één van de pijlers van ons parlementaire stelsel. Onder andere in de brief van 2 februari 2015 is mijn ambtsvoorganger ingegaan op de weging tussen enerzijds de fiscale geheimhoudingsplicht en anderzijds het informatierecht van de Kamer3. Tussen de twee uitersten die hieruit voortvloeien (openbare inlichtingenverstrekking en géén inlichtingenverstrekking), bestaat ook een tussenvorm, namelijk het verstrekken van vertrouwelijke inlichtingen aan de Kamer in een besloten commissievergadering.4 Hoewel het in beginsel niet gebruikelijk is om met de Kamer in discussie te treden over individuele belastingplichtigen, kan dit anders zijn in zaken die tot grote maatschappelijke ophef hebben geleid. Naar mijn mening is daar in dit geval sprake van. Daarom wil ik graag een vertrouwelijke briefing aan u aanbieden over deze casus. In deze briefing kan op deze vraag worden ingegaan.
In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat de behandeling van binnenkomende informatieverzoeken plaatsvindt op basis van de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB) bij de heffing van belastingen. Als een verzoek om inlichtingen wordt ontvangen, beoordeelt de Belastingdienst of dit verzoek voldoet aan de daarvoor internationaal overeengekomen criteria. Hierbij wordt onder andere getoetst of het verzoek voldoende individualiseerbaar is, er mag namelijk geen sprake zijn van een zogenoemde «fishing expedition». Ook wordt beoordeeld of er een belang is voor de belastingheffing in het verzoekende land en of dat land de gebruikelijke mogelijkheden om de informatie in eigen land te verkrijgen heeft benut. Als het verzoek niet aan alle criteria voldoet wordt het verzoek in principe afgewezen. Als het verzoek niet volledig is wordt het verzoekende land verzocht om een nadere toelichting.
Indien het verzoek aan alle criteria voldoet wordt de gevraagde informatie verstrekt indien deze binnen de Belastingdienst aanwezig is. Op basis van de daarvoor internationaal overeengekomen termijnen welke zijn opgenomen in de WIB, dient deze informatie binnen twee maanden te worden verstrekt. Indien dit niet het geval is wordt de informatie door de Belastingdienst opgevraagd bij degene die de informatie wel in het bezit heeft, waarna de informatie aan het verzoekende land wordt verstrekt. In die gevallen bedraagt de termijn voor uitwisseling zes maanden.
Landen kunnen in onderling overleg andere termijnen afspreken. Dit gebeurt in de praktijk bijvoorbeeld bij complexe verzoeken en/of verzoeken waarbij de te verstrekken informatie omvangrijk is. Bij dat soort verzoeken is het van belang de informatiehouder voldoende tijd te geven om de gevraagde informatie zo volledig mogelijk aan te leveren op een wijze zoals gevraagd door het verzoekende land. In overleg met het verzoekende land kan in dergelijke gevallen overigens ook worden besloten dat het efficiënter en effectiever is om de informatie te verkrijgen via een multilaterale controle (MLC). Dit kan een al lopende MLC zijn, maar ook een nieuw op te starten MLC.
In een peer review door het Global Forum (OECD) over de jaren 2014–20175 is Nederland beoordeeld op de kwaliteit en doorlooptijden van de afhandeling van de verzoeken. Geoordeeld is dat Nederland voldoet aan alle gestelde criteria.
Wat is gebruikelijk in communicatie met multinationals die belastingplichtig zijn in Nederland? Is hier beleid voor en kan dit beleid worden gedeeld met de Kamer?
De Belastingdienst heeft als taak de uitvoering van en toezicht op het naleven van fiscale wet- en regelgeving. Het heffen en innen van rijksbelastingen en premies volksverzekeringen maakt daar onderdeel van uit. Voor het vervullen van deze taak is geregelde interactie en communicatie met ondernemingen nodig. Als een organisatie groter en complexer is, is doorgaans ook meer interactie en toezicht nodig, bijvoorbeeld omdat er veel aangiften worden gedaan, meer vooroverleg wordt gevraagd en internationale aspecten spelen. In de Leidraad Toezicht Grote Ondernemingen6 is opgenomen hoe dit toezicht wordt vormgegeven voor de grootste organisaties van Nederland. Voor deze groep organisaties wordt het concept individuele klantbehandeling toegepast. Veel multinationals vallen onder dit concept, mits hun aanwezigheid in Nederland groot genoeg is. Overigens communiceert de Belastingdienst met belastingplichtige indien hij dat nodig acht voor de juiste uitoefening van zijn taak maar ook kan een belastingplichtige de Belastingdienst in dat kader benaderen.
Kan de correspondentie tussen de Belastingdienst en Uber worden verstrekt aan de Kamer?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers. De Belastingdienst doet onderzoek met betrekking tot deze casus. Dit onderzoek acht ik van belang om de juiste informatie te achterhalen. Op voorhand geef ik aan dat ik vanwege artikel 67 AWR de onderzoeksresultaten niet openbaar zal kunnen delen. Ik wil daarom graag een vertrouwelijke technische briefing aan u aanbieden over deze casus.
Kunt u toelichten wat de rol is van de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), welke taken zij verricht, op welke wijze zij Nederland als vestigingsland in de markt zetten, welk contact zij onderhouden met de Belastingdienst en of en welke rol de Belastingdienst daarin heeft?
De NFIA is een uitvoeringsorganisatie, en onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en wordt daarnaast aangestuurd door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS). De NFIA heeft als belangrijkste taak om buitenlandse bedrijven aan te trekken naar Nederland, hen te helpen bij vervolginvesteringen in ons land of hen voor Nederland te behouden bij een heroverweging van de strategie. Dit doet de NFIA door internationale promotie van Nederland als vestigingslocatie en door bedrijven te informeren over het Nederlandse investeringsklimaat. Hieronder valt ook het informeren van bedrijven over het belastingklimaat in Nederland in algemene zin en het introduceren van bedrijven bij relevante partijen die hen van verdere informatie kunnen voorzien. Voor specifieke belastingzaken verwijst NFIA door naar de bevoegde instantie. Bij de Belastingdienst betreft dit het APBI. In het kader van de dienstverlening naar (potentiële) buitenlandse investeerders vinden ook afspraken plaats waarbij zowel een vertegenwoordiger van NFIA (als liaison) als een vertegenwoordiger van de Belastingdienst aanwezig is, zodat binnen de context van de vestigings- of uitbreidingsplannen van een bedrijf direct duidelijkheid gegeven kan worden over de algemene belastingsituatie in Nederland en de EU- belastingregelgeving.
Tijdens deze gesprekken met bedrijven waarbij ook een vertegenwoordiger van de Belastingdienst aanwezig is, wordt gehandeld conform de fiscale geheimhoudingsplicht. Dit wil zeggen dat geen vertrouwelijke fiscale gegevens met NFIA worden gedeeld en dat bespreking van bedrijfsspecifieke fiscale zaken separaat tussen Belastingdienst en het bedrijf plaatsvindt. Voor zover belastingplichtige in gesprekken met de NFIA en het APBI fiscale informatie deelt, geldt ook voor de NFIA artikel 67 AWR.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ik heb de bovenstaande vraag één voor één beantwoord.
Kunt u nader ingaan op de mogelijke problemen dan wel uitdagingen die het kabinet ziet in de uitvoerbaarheid van het aangenomen amendement van de leden Inge van Dijk en Amhaouch, om beheerders van bedrijfscampussen onder de reikwijdte van de wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames te brengen1, waarover u schrijft in de Kamerbrief Beleidsinstrumentarium ten behoeve van de borging van het vestigings- en investeringsklimaat, maatschappelijke langetermijnwaardecreatie en nationale veiligheid?2
Een beheerder van een bedrijfscampus wordt in het aangenomen amendement gedefinieerd als een onderneming die een terrein beheert waarop een verzameling van ondernemingen actief is waar publiek-privaat wordt samengewerkt aan technologieën en toepassingen die van economisch en strategisch belang zijn voor Nederland.
De uitdaging is om een uitleg aan deze definitie te geven, die gefundeerd en bruikbaar is voor de praktijk en voor het toezicht op de wet. Deze uitleg bepaalt in belangrijke mate welke ondernemingen als beheerder wel of juist niet onder het toepassingsbereik van de wet zullen vallen. Relevante vragen hiervoor zijn: wanneer is op een terrein sprake van «technologieën en toepassingen die van economisch en strategisch belang zijn voor Nederland»? Wanneer is normaal gesproken sprake van «beheer» van een terrein voor een bedrijfscampus? En kan beheer van een terrein bijvoorbeeld ook beheer van een gebouw omvatten? Moet een «verzameling van ondernemingen» al snel worden aangenomen of meer substantie hebben? En in hoeverre zijn er campussen met publiek-private samenwerking en om wat soorten samenwerking zijn er? Zonder een deskundig gefundeerd antwoord op dit type vragen bestaat het reële risico dat in de praktijk de wet hierin verschillend wordt uitgelegd waardoor een veel te ruime of juiste te enge uitleg wordt gegeven aan wat een beheerder van een bedrijfscampus is. Een gebrek aan een gefundeerde uitleg en opvatting hierover staat een effectieve toepassing van de wet en het toezicht daarop in de weg.
Een ander aspect is dat een beheerder voldoende inzicht moet hebben of kunnen krijgen in de activiteiten van ondernemingen die actief zijn op de eigen bedrijfscampus. Dit is nodig om als beheerder vast te kunnen stellen of aan de definitie van de wet is voldaan. Welk kennisniveau mag van een beheerder hierin verwacht worden en welke implicaties heeft dat? Dit aspect moet geoperationaliseerd worden voordat het amendement uitgevoerd kan worden.
Wie gaat het externe onderzoek uitvoeren? Wanneer zal het onderzoek van start gaan? Hoe gaat de opzet van het onderzoek eruit zien? Welke partijen worden betrokken bij het onderzoek? Kunt u de precieze onderzoeksopdracht met ons delen?
Het externe onderzoek wordt uitgevoerd worden door Birch Consultants in samenwerking met The Hague Center for Strategic Studies (HCSS). Deze partijen hebben ervaring met het doen van onderzoek en het geven van advies op het terrein van campussen en nationale (economische) veiligheid. Het onderzoek is op 25 juli 2022 van start gegaan.
Het onderzoek heeft als doelstelling het duiden van ondernemingen die beheerders van bedrijfscampussen in de zin van de wettelijke definitie zijn. Het onderzoek is in beweging en streeft ernaar de volgende deelvragen te beantwoorden;
Het onderzoek bestaat uit vier fases;
(1) het ontwikkelen van een analysekader op basis van de begripsonderdelen van de definitie in het amendement. Hierin worden o.a. verschillende typen campussen en beheerdersstructuren meegenomen.
(2) een eerste inventarisatie van relevante campussen aan de hand van het onder (1) ontwikkelde analysekader om toepassingscriteria voor de uitvoering van het amendement vast te stellen, specifiek voor campus beheer organisaties.
(3) verdere toetsing en verificatie door aanwending van het analysekader op de gekozen campussen in onderzoek.
(4) vaststelling van een definitieve set aan criteria waarbij kwaliteitstoetsing met externe experts zal plaatsvinden.
De beantwoording van de gestelde onderzoeksvragen wordt uiteindelijk gepresenteerd in een onderzoeksrapport.
De uitvoerder zal het onderzoek breed uitzetten. Zowel publieke als private partijen, zoals onderzoeksconsortia, kennisinstellingen, vastgoedpartijen en het bredere campuslandschap zullen geconsulteerd worden.
Deelt u de mening dat het van belang is dat het amendement van de leden Inge van Dijk en Amhaouch op een goede manier wordt uitgevoerd en dat daarvoor een oplossingsgericht onderzoek nodig is? Kunt u dit bevestigen?
Ja, het onderzoek is bedoeld om behulpzaam te zijn voor het ontwikkelen van een toepassingskader voor het aangenomen amendement in het licht van de in antwoord op vraag 1 genoemde uitdaging. Daarmee wordt beoogd de toepassing van het amendement en het toezicht daarop te effectueren. Het zal van de uitkomsten van het onderzoek afhangen welke mogelijkheden hiervoor zijn.
Wilt u toezeggen dat het amendement daadwerkelijk gaat worden uitgevoerd?
Uit de opdracht tot onderzoek blijkt dat ik werk maak van de uitvoering van het amendement. De intentie van het kabinet is om op basis van de bevindingen van het onderzoek na te gaan hoe de toepasbaarheid van het amendement gerealiseerd kan worden. Het zal van de uitkomsten van het onderzoek afhangen wat daarvoor de mogelijkheden zijn.
De ‘Uber Files’ |
|
Bart van Kent |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Uber al jarenlang allerlei agressieve (lobby)methoden inzet om bijvoorbeeld wetgeving rondom schijnzelfstandigheid te beïnvloeden?1
Ik heb kennisgenomen van deze berichtgeving. Ik vind het in algemene zin belangrijk dat de overheid in gesprek is met zowel de brede samenleving als met alle belanghebbenden. Het opvangen van zoveel mogelijk signalen is belangrijk om beleid en wetgeving zo goed mogelijk toe te snijden op de praktijk. Meer specifiek geldt dat het vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van belang wordt geacht dat relaties met werkgevenden, werkenden en hun vertegenwoordigden partijen worden onderhouden. Het aanhoren van eventuele aandachtspunten van dergelijke partijen bij beleid en/of wetgeving hoort hierbij.
Dat een bedrijf als Uber, net als andere partijen, belangen kenbaar maakt en behartigt, vind ik op zichzelf dan ook niet problematisch. Het is onderdeel van een overheid die open staat voor relevante signalen vanuit de samenleving.
Het is daarbij echter wel belangrijk dat de verschillende signalen en belangen die in de interactie tussen overheid en praktijk naar voren komen, uiteindelijk zuiver en in balans gewogen worden om het algemeen belang te dienen. Dat vergt in de voorbereiding van wetgeving dat dit algemene belang steeds voor ogen wordt gehouden.
Wat is uw reactie op het feit dat er binnen het bedrijf Uber wordt geopereerd zonder enig respect voor de wet en werknemersrechten?
Ieder bedrijf dat in Nederland activiteiten ontplooit, moet zich houden aan de geldende wet- en regelgeving en daarop gebaseerde jurisprudentie. Dat geldt ook voor de regels in het arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit. Doet een bedrijf dat niet, dan kan na vaststelling daarvan opgetreden worden. Dat geldt voor alle bedrijven.
Waarom is er jarenlang een pamperbeleid gevoerd richting Uber, bijvoorbeeld omtrent wetgeving rond schijnzelfstandigheid, terwijl er nu opnieuw blijkt dat dit bedrijf geen enkel respect toont voor welke vorm van overheid dan ook?
Als het gaat om wetgeving rondom schijnzelfstandigheid is daar geen beleid op gevoerd met het doel om specifieke bedrijven te bevoordelen. Zoals hiervoor reeds gemeld: alle bedrijven die in Nederland activiteiten ontplooien, dienen zich te houden aan de geldende wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor Uber.
Welke gesprekken heeft u of een afvaardiging van het ministerie de afgelopen negen jaar met een vertegenwoordiging van Uber gevoerd? Kunt u een overzicht geven van de datum, plaats, aanwezigen en onderwerp van alle gesprekken die zijn gevoerd met Uber of een vertegenwoordiger namens Uber?
Zoals bij vraag 1 aangegeven vind ik het van belang dat de overheid bij het ontwikkelen van overheidsbeleid en wetgeving in gesprek is met de samenleving en de relevante belanghebbenden. Als het gaat om beleid en wetgeving die relevant is voor specifieke bedrijven, zijn zij daarbij ook een (potentiële) gesprekspartner. Dat blijft zo. In zoverre verandert het kabinetsbeleid niet naar aanleiding van de Uber-Files. De afgelopen 2 jaar is contact geweest tussen Uber en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid rondom het thema platformwerk. Sinds zomer 2020 is er vanuit het ministerie gewerkt aan het voorbereiden van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst voor platformwerk. In december 2021 is vervolgens een voorstel van de Europese Commissie voor het reguleren van platformwerk gedaan. Over deze onderwerpen zijn meermaals platformbedrijven gesproken, waaronder Uber. Zo is er in dit kader op 20 augustus 2020, 15 januari 2021, 18 juni 2021, 21 januari 2022 en meest recent op 15 september 2022 gesproken over deze thema’s tussen (onder meer) een vertegenwoordiger van Uber en een aantal ambtenaren van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Nogmaals, deze contactmomenten zijn belangrijk om goed in verbinding te staan met de praktijk waar de (voorbereide) regulering zich op richt. In het licht van een evenwichtige weging van belangen zullen wij tegelijkertijd onverminderd kritisch kijken naar het juist wegen en betrekken van de inbreng van specifieke stakeholders. Alleen op die manier kan gekomen worden tot beleid en/of wetgeving die daadwerkelijk is gericht op het algemeen belang. Daar moeten we als kabinet bij de totstandkoming van beleid en wetgeving alert op blijven.
Verandert het kabinetsbeleid ten opzichte van Uber naar aanleiding van de publicaties van de Uber Files? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens dat Uber niet meer als gesprekpartner gezien moet worden?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat u ervoor zorgen dat de handhaving direct start en conform de rechtelijke uitspraken de chauffeurs in loondienst komen? Zo nee, waarom niet?
Het uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken is – voor wat betreft deze civielrechtelijke uitspraken – in beginsel aan de betrokken partijen in een geding. Onlangs heeft het Gerechtshof Amsterdam bepaald dat Uber nog geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank inzake de naleving van de CAO voor chauffeurs, hangende het hoger beroep dat Uber daartegen heeft ingesteld.2
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord toegezegd schijnzelfstandigheid tegen te gaan door betere publiekrechtelijke handhaving. In de brief van 24 juni jl. waarin het kabinet heeft gereageerd op het rapport van de Algemene Rekenkamer (ARK) en de Auditdienst Rijk (ADR) is uw Kamer geïnformeerd dat het kabinet inzet op het verbeteren van toezicht en handhaving op schijnzelfstandigheid.
Vanwege de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67 van de Algemene Wet Rijksbelastingen kan ik over het toezicht en de handhaving door de Belastingdienst bij individuele bedrijven geen mededelingen doen.
Op welke manier heeft Uber geprobeerd druk uit te oefenen op het uitvoeren van de voorliggende rechtelijke uitspraken en de handhaving daarop?
Zie antwoord vraag 7.
Is er, op welke manier dan ook, door Uber druk uitgeoefend de afgelopen negen jaren op ambtenaren of bewindspersonen? Zo ja, kunt u hiervan alle details met de Kamer delen? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
Ik verwijs voor mijn antwoord naar het antwoord (32) van de Staatssecretaris van Financiën Fiscaliteit – Belastingdienst op schriftelijke Kamervragen van de leden Omtzigt c.s. d.d. 5 september 2022 aan de Tweede Kamer waarin wordt aangegeven dat er momenteel een inventarisatie plaatsvindt hiernaar. Zodra deze is afgerond wordt de Kamer geïnformeerd. Voorts doet de Belastingdienst op dit moment onderzoek naar aanleiding van de berichtgeving over de casus Uber.
Leiden de Uber Files ertoe dat het kabinet er eindelijk voor kiest om de fluwelen handschoenen uit te trekken ten aanzien van de behandeling van dit soort bedrijven die doelbewust schijnzelfstandigheid in stand houden en uit zijn op de afbraak van werknemersrechten en wet- en regelgeving? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Al voor het verschijnen van de Uber-files zijn de plannen rondom de aanpak van het zzp-dossier en de bestrijding van schijnzelfstandigheid bekend gemaakt3. Die richten zich onder andere op het tegengaan van schijnzelfstandigheid (zeker bij bedrijven die doelbewust schijnzelfstandigheid in stand houden) en het borgen van werknemersrechten.
Hierin zijn, in lijn met onder andere de aanbevelingen van de Commissie Borstlap en het SER MLT, drie sporen van belang:
Momenteel werken we hard om de inzet op de verschillende sporen uit te werken en daarop voortgang te maken. In het najaar hoop ik uw Kamer hierover uitgebreider te informeren.
Het bericht ‘De Kamer van Koophandel moet meer doen aan fraudebestrijding’. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De Kamer van Koophandel moet meer doen aan fraudebestrijding»?1
Ja.
In hoeverre kan het feit dat op één adres heel veel bedrijven zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel een indicatie zijn dat sprake is van illegale trustdienstverlening?
Het enkel beroeps- of bedrijfsmatig een (post)adres ter beschikking stellen (domicilieverlening) zonder aanvullende werkzaamheden is geen trustdienst als geregeld in de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Domicilieverlening valt wel onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Domicilieverleners zijn zodoende poortwachters in het kader van de Wwft en moeten aan de eisen in de Wwft voldoen. Bureau Toezicht Wwft (BTWwft) van de Belastingdienst houdt toezicht op domicilieverleners.
Als naast het beschikbaar stellen van een post- of bezoekadres er bepaalde aanvullende werkzaamheden worden verleend zoals opgenomen in de Wtt 2018, is sprake van een trustdienst (de zogenoemde trustdienst «domicilie plus»). Deze aanvullende werkzaamheden zijn vaak administratief van aard, zoals het verzorgen van belastingaangiften of het verrichten van werkzaamheden in verband met het opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening.2 Het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van trustdiensten, waaronder de trustdienst domicilie plus, is in Nederland alleen toegestaan wanneer hiertoe een vergunning is verleend door de Nederlandsche Bank (DNB). Uit het onderzoek naar illegale trustdienstverlening van SEO Economisch Onderzoek bleek dat er domicilieverleners zijn die zich schuldig maken aan illegale trustdienstverlening.3 Uit de toezichtspraktijk en uit voorgenoemd onderzoek blijkt dat het voorkomt dat er ondernemingen zijn die bovenop het verlenen van een (post)adres aanvullende werkzaamheden verlenen zonder over een trustvergunning te beschikken: dit kwalificeert als illegale trustdienstverlening.
De constatering dat op één adres heel veel bedrijven staan ingeschreven kan een aanleiding zijn voor onderzoek naar illegale trustdienstverlening, maar vormt niet per se een indicatie daarvan. Immers, een veelvoud aan bedrijven ingeschreven op een adres kan kwalificeren als domicilieverlening: waarvoor geen vergunning of registratie is vereist, maar waarbij men zich wel dient te houden aan de eisen in de Wwft, zoals cliëntenonderzoek en de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties. Een toenemend aantal eenmanszaken waarvan het woonadres zou samenvallen met het adres van de onderneming maakt om privacy-redenen gebruik van de diensten van domicilieverleners. Daarnaast zijn er verschillende andere redenen waarom op één adres een groot aantal bedrijven staat ingeschreven, zo kan er sprake zijn van een bedrijfsverzamelgebouw waar daadwerkelijk een groot aantal bedrijven is gevestigd, of kan het gaan om het adres van een groot concern met meerdere dochterondernemingen (zo gebruiken grote projectontwikkelaars soms per project een afzonderlijke B.V.).
Houdt de Kamer van Koophandel systematisch bij hoeveel bedrijven staan ingeschreven op één adres? Zo ja, wordt deze informatie gedeeld met toezichthouders en opsporingsinstanties?
De Kamer van Koophandel (KVK) houdt niet systematisch bij hoeveel bedrijven er staan ingeschreven op één adres. Deze gegevens kunnen wel uit het Handelsregister worden gehaald. De informatie in het Handelsregister is overwegend openbaar. Daarnaast hebben bevoegde autoriteiten ook toegang tot bepaalde niet openbare data. Zo beschikt de Belastingdienst over een Bronkopie van het Handelsregister. BTWwft kan als toezichthouder op domicilieverleners zoekslagen laten maken waarbij een deel van de gegevens van de KvK kan worden gecombineerd met gegevens uit andere bronnen zoals het Basisregistratie Adressen en Gebouwen register (BAG register of kadaster).
Wordt op dit moment door De Nederlandsche Bank (DNB) gebruik gemaakt van dergelijke data van bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel om onderzoek te doen naar illegale trustdienstverlening?
DNB heeft als bevoegde autoriteit toegang tot de gegevens in het Handelsregister waaronder de besloten gegevens. DNB houdt alleen toezicht op trustkantoren en houdt geen toezicht op domicilieverleners. Dit laatste wordt gedaan door BTWwft. Door gegevens van de KvK te combineren met gegevens uit het Basisregistratie Adressen en Gebouwen register (BAG register of kadaster) krijgt BTWwft inzicht op welke adressen domicilieverleners actief zouden kunnen zijn en kan zij haar controles hierop inrichten.
DNB handhaaft overwegend op basis van signalen van illegale trustdienstverlening die zij ontvangt. Het aantal signalen dat DNB ontvangt van illegale trustdienstverlening is de afgelopen jaren toegenomen. Tevens zoekt DNB samenwerking met verschillende ketenpartners om de informatie over illegaliteit breder te delen en te verbeteren. DNB spreekt hierover met onder meer de Belastingdienst, de FIOD, het Openbaar Ministerie en de collega-toezichthouders van de Belastingdienst zoals BTWwft. Belangrijk te vermelden is dat handhaven op basis van signalen resultaat oplevert: in 2021 heeft DNB twintig onderzoeken naar illegale trustdienstverleners opgestart. In tien gevallen leidde het onderzoek tot de conclusie dat sprake was van illegale dienstverlening en is deze beëindigd. Daarnaast heeft DNB in 2021 een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom opgelegd aan illegale trustdienstverleners. Deze formele maatregelen hadden betrekking op signalen die DNB voor 2021 ontvangen heeft. Het proactief optreden, zonder signalen, tegen illegale trustdienstverlening doet DNB op beperkte schaal. Een voorbeeld hiervan is het project illegale trustdienstverlening van het Financieel Expertise Centrum, waarin DNB participeert. Van belang is dat het toezicht risicogebaseerd, doelmatig en kostenefficiënt plaatsvindt, waarbij de aandacht voor illegalen in verhouding staat tot de toezichtactiviteiten op vergunninghoudende partijen.
DNB geeft aan voldoende toegerust te zijn om het toezicht op trustkantoren risicogebaseerd uit te voeren: toezichtcapaciteit wordt ingezet waar de hoogste integriteitsrisico’s worden gesignaleerd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van diverse data uit verschillende bronnen om zo tot een goede afweging in het toezicht te komen. DNB heeft een afdeling toezicht financiële criminaliteit waarbij één team van 10 fte zich specifiek bezighoudt met trustkantoren. Daarnaast beschikt DNB over een team dat zich toelegt op de handhaving van illegale marktpartijen, waaronder illegale trustdienstverleners. Verder heeft DNB verschillende afdelingen die ondersteunen bij het toezicht op de trustsector zoals de afdelingen juridische zaken, expertisecentrum handhaving en markttoegang en toetsingen.
Klopt het dat DNB alleen onderzoek doet naar illegale trustdienstverlening op basis van meldingen?
Zie antwoord vraag 4.
Is DNB voldoende toegerust om te handhaven op illegale trustdienstverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u een signalerende rol weggelegd voor de Kamer van Koophandel bij het bestrijden van illegale trustdienstverlening, maar ook breder bij de bestrijding van fraude en witwassen? Is de Kamer van Koophandel hier voldoende voor toegerust?
De KVK levert met het beheer van het Handelsregister een bijdrage aan de handhaving door de overheid. De KVK heeft echter geen zelfstandige signalerende rol aangezien de KVK geen toezichthouder is. Het toezicht op domicilieverleners is belegd bij BTWwft. BTWwft heeft als onderdeel van de Belastingdienst toegang heeft tot bepaalde informatie van de KVK. Ook heeft de toezichthouder op trustdienstverleners, DNB, via een datakoppeling toegang tot de gegevens in het Handelsregister. Hetzelfde geldt voor andere bevoegde autoriteiten, waaronder de opsporingsautoriteiten.
In de brief aan uw Kamer inzake het onderzoek naar illegale trustdienstverlening zijn zes aanvullende maatregelen aangekondigd waaronder onderzoek naar een registratieplicht voor domicilieverleners.4 De mogelijkheid is onderzocht of een registratieplicht voor domicilieverleners is in te richten op basis van het Handelsregister om zo scherp in beeld te krijgen welke partijen daadwerkelijk enkel een adres aanbieden (domicilieverleners) en welke partijen feitelijk trustdiensten verlenen (domicilieverlening en aanvullende werkzaamheden). In de praktijk is dit moeilijk. Verkend is of gebruik gemaakt kan worden van de SBI-codes in het Handelsregister waarmee bedrijfsactiviteiten worden gedefinieerd. Dit is een getal van vier of vijf cijfers die de activiteit van een onderneming classificeert. De SBI-code wordt uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek en afgestemd met de Europees NACE-codes: het Europese equivalent van SBI-codes. Momenteel bestaat er geen SBI-code voor domicilieverlening. Het introduceren van een nieuwe SBI-code voor domicilieverlening moet in afstemming gebeuren met het Europese equivalent en betekent een traject van rond de vier jaar. Daarbij geldt dat de juridische entiteit alsdan bij oprichting nog zelf zal moeten aangeven welke SBI-code op diens organisatie van toepassing is. Er gaan dan nog jaren overheen om uiteindelijk een betrouwbaar beeld te kunnen krijgen op grond van een bevraging van het Handelsregister.
Ten aanzien van het bestrijden van fraude en witwassen geldt dat de KVK hier geen zelfstandige rol in heeft. Tegelijkertijd is het Handelsregister van de KVK, waar het register met gegevens van uiteindelijk belanghebbenden (UBO-register) eveneens deel van uitmaakt, wel een belangrijke bron van informatie voor bevoegde autoriteiten, meldingsplichtige instellingen en andere partijen, zoals bijvoorbeeld onderzoeksjournalisten. Deze partijen gebruiken de informatie vanuit hun respectievelijke rol in het voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme en het aanpakken van misstanden. De informatie in het Handelsregister, waaronder de UBO-informatie, is in dat kader openbaar, wat breed maatschappelijk onderzoek mogelijk maakt. Bepaalde privacygevoelige gegevens zoals het BSN en het adres van UBO’s zijn echter niet openbaar, en zijn enkel in te zien voor bevoegde autoriteiten.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe relevante data van de Kamer van Koophandel kunnen worden ontsloten voor bevoegde instanties om op te treden tegen bijvoorbeeld illegale trustdienstverlening?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe kunt u de Kamer van Koophandel ondersteunen om deze signalerende rol te versterken?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is de status van het onderzoek naar de toekomst van de trustsector?
Het onderzoek is inmiddels opgeleverd. Ik zal het onderzoek inclusief mijn appreciatie op korte termijn aan uw Kamer sturen.
Het artikel 'Voor Chinese apparatuur is geen plaats in het stroomnet' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Bedrijfsleven waarschuwt tegen sleutelrol China in energietransitie»?1
Ja.
Welke invloed heeft de Chinese overheid op Chinese staatsenergiebedrijven? Hoe werkt deze invloed door op projecten die de staatsbedrijven in Nederland ondernemen?
Het in het artikel genoemde Chinese bedrijf, Ningbo Orient Cable, is geen Chinees staatsbedrijf, maar een private onderneming. Zoals benoemd in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans» kan de Chinese overheid echter nauw betrokken zijn bij bedrijfsactiviteiten van zowel staatsbedrijven als private bedrijven. Dit geldt zeker voor Chinese bedrijven in de energiesector, aangezien deze sector wordt gezien als cruciaal voor de ontwikkeling en stabiliteit van het land. De invloed van de Chinese overheid op deze bedrijven kent veel vormen en wegen, onder andere via financiering en eigendomsstructuren, maar ook door het belang van goede relaties met de overheid om succesvol te kunnen zijn als bedrijf.
Het kabinet is zich bewust van de risico’s die in het artikel genoemd worden. Het gelijke speelveld kan door inmenging van de staat worden verstoord. Daar waar de EU strikte eisen stelt aan staatssteun, hebben Chinese bedrijven vaak gemakkelijker toegang tot goedkope financiering en subsidies. Conform motie Brekelmans en Mulder, vindt er momenteel meer onderzoek plaats naar de invloed van Chinese (staats)bedrijven in Nederlandse bedrijven.2
In de beantwoording op schriftelijke vragen van de leden Erkens en Van Striengeeft u aan dat de afspraken en kaders voor ongewenste inmenging met onder andere Tennet zullen worden gewijzigd, welke aanpassingen zullen hiervoor worden gemaakt in bijvoorbeeld de nieuwe Energiewet maar ook daarbuiten?2
Alle netbeheerders hebben op grond van de Elektriciteitswet 1998 de verplichting de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast is het een wettelijke taak van netbeheerders de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Deze verplichting wordt overgenomen in de nieuwe Energiewet. Met de recente wijziging van het Ontwikkelkader windenergie op zee is TenneT ook verplicht om bij de aanbesteding van het net op zee erop toe te zien dat toeleverende partijen voor het net op zee, al dan niet onderdeel van een consortium, passen binnen de voorwaarden en doelen die zijn gesteld in de Nationale Veiligheidsstrategie 2019.
Indien EZK het vermoeden heeft dat er mogelijk sprake is van een potentiële inbreuk op de nationale veiligheid bij TenneT dan treedt zij in overleg met TenneT. En wanneer EZK dit nodig acht, wordt daarbij de hulp van andere veiligheidsinstanties ingeschakeld. Andersom wordt van TenneT verwacht dat, wanneer er investeringen gedaan worden waarbij er impact zou kunnen zijn op de nationale veiligheid, dit vooraf afgestemd wordt met EZK.
Tevens wordt er in de nieuwe Energiewet een mogelijkheid gecreëerd voor het breder kunnen toepassen van de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV). Om binnen de reikwijdte van de ADV te vallen, moeten opdrachten bij vitale aanbieders op gerubriceerde gegevens betrekking hebben, gerubriceerde gegevens noodzakelijk maken, of zelf gerubriceerde gegevens bevatten of betrekking hebben op als gevoelig aangewezen processen. Uit de Europese definities blijkt dat rubricering en een aanwijzing van gevoelige processen een wettelijke of bestuursrechtelijke grondslag dan wel bindende aanwijzing vanuit het Rijk vereisen. Deze grondslag met onderliggende algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt gecreëerd in de nieuwe Energiewet. Om tot een AMvB te komen wordt er samen met de netbeheerders gewerkt aan een afwegingskader conform de Nationale Veiligheidsstrategie.
U geeft ook aan dat in 2020 door het kabinet een nationale veiligheidsanalyse voor Tennet is uitgevoerd, kunt u met de Kamer delen welke aanbevelingen hieruit naar voren zijn gekomen? Hoe worden deze aanbevelingen verder opgepakt?
De uitkomsten van de genoemde Nationale Veiligheidsanalyse zijn met de Kamer gedeeld per brief van 19 mei 2020 over de kapitaalbehoefte van TenneT (Kamerstuk 28 165, nr. 325). In de bijlage bij deze brief staan de aanbevelingen voor wet- en regelgeving genoemd die een plek zullen krijgen in de nieuwe Energiewet.
Op welke manier houdt u toezicht op de aanbestedingen en projecten van netbeheerders, in het specifiek van regionale netbeheerders? Hoe wordt voorkomen dat er allerlei verschillende uitzonderingen worden gemaakt op bijvoorbeeld regionaal niveau, of op zee of op het hoogspanningsnetwerk, waardoor er vanwege een opeenstapeling toch een grote invloed en betrokkenheid van China ontstaat in ons elektriciteitsnet?
Netbeheerders houden aanbestedingen binnen de eigen verantwoordelijkheid, hebben zich aan wetgeving te houden en werken samen om te voldoen aan nationale wetgeving. Netbeheerders zijn bijvoorbeeld gebonden aan de Aanbestedingswet 2012 en Europese regelgeving daaromtrent. Bij de tenders die TenneT uitzet, zijn veiligheidseisen een belangrijk onderdeel waarop potentiële aanbieders en hun uiteindelijke aanbiedingen worden beoordeeld. Ook mag TenneT als speciaal sectorbedrijf binnen de huidige aanbestedingswetgeving eisen stellen aan aanbieders, zoals dat 50 procent van de waarde of dienst uit de EU komt.
Daarnaast wordt er door middel van de nieuwe Energiewet samen met de netbeheerders gewerkt aan een afwegingskader conform de Nationale Veiligheid strategie. Dit dient voor de AMvB voor het toepassen van de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV) maar helpt tegelijkertijd de sector beter keuzes te maken en de relatie tussen de landelijke en de regionale netbeheerders, EZK en veiligheidsdiensten te versterken.
Tevens heeft de Minister van Financiën bevoegdheden als aandeelhouder van TenneT. Zoals aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen van de leden Eppink en Eerdmans van 21 juni jl.5 zien de bevoegdheden als aandeelhouder niet op het geven van instructies aan deelnemingen en gaat de Minister van Financiën niet over individuele aanbestedingen en de gunning van specifieke contracten. Wel heeft de Minister van Financiën als aandeelhouder een goedkeuringsrecht bij investeringsvoorstellen die een bepaald drempelbedrag overschrijden. Zoals in de beantwoording toegezegd, zal de Minister van Financiën bij dergelijke investeringen toetsen of TenneT (a) contact heeft gehad met de bevoegde ministeries en veiligheidsinstanties in Nederland en Duitsland over het onderwerp nationale veiligheid en (b) of deze partijen geen bezwaren zien bij deze investeringen. Voor de regionale netbeheerders geldt dit nu niet. De aandelen van de regionale netbeheerders zijn in handen van diverse provincies en gemeenten.
De Elektriciteitswet 1998 verplicht netbeheerders de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen, in hoeverre wordt er ook op andere punten ingezet behalve doelmatigheid? Hoe wordt voorkomen dat er voor de goedkoopste optie en dus Chinese uitvoerders wordt gekozen?
In een aanbestedingsproces is het verstandig om onderscheid te maken tussen kritieke en niet-kritieke producten of diensten. Deze inschatting heeft impact op de risico’s voor het net en voor de nationale veiligheid. Uitgangspunt is dat maatregelen voor het beperken van die risico’s proportioneel zijn. Het is immers niet zo dat per definitie alle producten of diensten van Chinese makelij een bedreiging voor de nationale veiligheid vormen of leiden tot ongewenste strategische afhankelijkheden die risico’s vormen voor het borgen van onze publiek belangen. Bij aanbestedingen voor kritieke producten of diensten kijkt de aanbestedende netbeheerder niet alleen naar prijs en kwaliteit, maar ook naar criteria om de nationale veiligheid te borgen.
In hoeverre is er sprake van een ongelijk speelveld doordat Chinese bedrijven staatssteun krijgen en hierdoor hun producten en diensten goedkoper kunnen aanbieden dan andere bedrijven op de markt? Gezien het belang van strategische autonomie, hoe kan er toch een gelijk speelveld worden gecreëerd?
Oneerlijke concurrentie uit derde landen heeft de bijzondere aandacht van het kabinet. Het is van belang dat er een gelijk speelveld is op de markt voor overheidsopdrachten tussen Europese bedrijven en bedrijven uit derde landen. Aanbestedende diensten en speciale sector bedrijven (nutsbedrijven) hoeven geen inschrijvingen toe te laten van bedrijven uit derde landen (tenzij het een Europese dochteronderneming is). Derde landen zijn landen die niet zijn aangesloten bij de Government Procurement Agreement (GPA) onder de WTO, en/of waarmee de EU geen handelsakkoord heeft gesloten waarin afspraken over toegang tot de markt voor overheidsopdrachten zijn gemaakt, zoals China. Daarnaast mogen speciale sector bedrijven, zoals TenneT, inschrijvingen afwijzen als meer dan 50% van de goederen afkomstig zijn uit derde landen.
In sommige gevallen kunnen ondernemingen uit derde landen producten en diensten aanbieden voor een lagere prijs dan Europese ondernemers. Wanneer dit mogelijk wordt gemaakt door staatssteun kan dit de concurrentie op de aanbestedingsmarkt verstoren. Op basis van de huidige aanbestedingsregelgeving moeten aanbestedende diensten in geval van abnormaal lage inschrijvingen om een toelichting verzoeken (op basis van artikel 2.116 Aanbestedingswet). Als die toelichting tekort schiet, kan een inschrijving terzijde worden gelegd. In sommige gevallen is dat zelfs verplicht, namelijk wanneer de lage inschrijving gevolg is van niet-naleving van verplichtingen op het gebied van milieu, sociaal en arbeidsrecht.
Bij het aanpakken van staatssteun biedt het instrument van abnormaal lage inschrijving echter geen garanties. Daarom is het kabinet ook blij met de initiatieven op Europees niveau die op deze problematiek zien. Het kabinet heeft de laatste jaren in EU-verband ingezet op de (verdere) ontwikkeling van instrumenten die bij moeten dragen aan een gelijker speelveld. Zo heeft de EU in 2017 haar handelsdefensieve instrumentarium gemoderniseerd, waarmee onder andere anti-dumping en anti-subsidie maatregelen kunnen worden getroffen tegen producten uit derde landen die oneerlijke concurrentie op de Europese markt veroorzaken. Het voorstel voor de Verordening buitenlandse subsidies6 ziet op concurrentieverstoring door overheidssteun uit derde landen op de interne markt. Deze Verordening draagt bij aan een gelijker speelveld op de interne markt en daarmee worden bedrijven beter ondersteund als zij oneerlijke concurrentie ervaren als gevolg van overheidssteun uit derde landen. Een onderdeel van het instrument richt zich op het aanpakken van verstorende subsidies van derde landen aan ondernemingen die deelnemen aan aanbestedingsprocedures. Het voorstel zit in de afrondende fase. Afgelopen juni zijn de triloogonderhandelingen afgerond en is er een politiek akkoord bereikt7. Naar verwachting zal het Europees Parlement in november stemmen over het akkoord, waarna het instrument na aanname door de Raad en publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van kracht zal worden.
In deze context is het ook goed om te noemen dat de Verordening voor het Internationaal Aanbestedingsinstrument (IPI)8 op 29 augustus in werking is getreden. Deze verordening heeft als doel om wederkerigheid op de markt voor overheidsaanbestedingen af te dwingen, zodat EU-bedrijven betere toegang krijgen tot aanbestedingen in derde landen. Wanneer de Europese Commissie een IPI-maatregel treft tegen een bepaald derde land, moeten aanbestedende diensten een fictieve scoreopslag toepassen op inschrijvingen uit dat land of in uitzonderlijke gevallen overgaan tot uitsluiting. Hoewel deze verordening zich niet op staatssteun richt, kan het wel bijdragen aan een gelijker speelveld tussen Europese bedrijven en bedrijven in derde landen.
Welke Europese wetgeving is er om bedrijven te ondersteunen in de oneerlijke concurrentie met staatsbedrijven uit China die fors gesubsidieerd worden door de overheid?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe wordt er in de toekomst voor gezorgd dat de wetgeving zo wordt ingericht dat nieuwe technologische ontwikkelingen goed geborgd zijn en dat de wetgeving ook hierop van toepassing zal zijn?
Waar nodig wordt wetgeving geïntroduceerd of geactualiseerd om technologische ontwikkelingen goed te blijven borgen. Voor bijvoorbeeld de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo), die recent is aangenomen en onder andere toeziet op bedrijven op het gebied van sensitieve technologie, kan bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) het toepassingsbereik van de wet voor sensitieve technologieën worden uitgebreid of versmald ten opzichte van de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik en de lijst strategische goederen die het uitgangspunt vormen voor deze wet. Daarmee kan met lagere regelgeving flexibel worden ingespeeld op technologische ontwikkelingen. Deze AMvB wordt regelmatig herzien, zodat technologieën die relevant zijn voor de nationale veiligheid aan de reikwijdte van de wet kunnen worden toegevoegd of er vanaf kunnen worden gehaald.
Daarnaast komen er binnenkort meer mogelijkheden bij het aanbesteden om rekening te houden met risico’s op de nationale veiligheid. In de antwoorden op de Kamervragen van de leden Erkens en Van Strien van 21 juni jl.9 en de antwoorden op de Kamervragen van de leden Eppink en Eerdmans van 21 juni jl.10 heb ik aangegeven dat in de nieuwe Energiewet, die voor advisering bij de Raad van State ligt, er extra mogelijkheden worden gecreëerd zoals het kunnen toepassen van de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied. Hiermee worden meer mogelijkheden geboden om risico mitigerende maatregelen te nemen dan mogelijk is op basis van de Aanbestedingswet 2012 voor risico’s van de nationale veiligheid en bescherming van vitale processen in het stroomnet.
Om de leveringszekerheid te waarborgen is het wettelijk verplicht voor netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te treffen, hoe ziet u hier de rolverdeling tussen de overheid en de netbeheerders? Hoe wordt voorkomen dat de gehele verantwoordelijkheid voor een veilig elektriciteitsnetwerk komt te liggen bij de netbeheerders?
Als beheerders en eigenaars van het elektriciteit- en gasnet zijn netbeheerders verantwoordelijk voor het nemen van veiligheidsmaatregelen. De rol van de overheid en EZK is het maken van de juiste regelgeving die eraan bijdraagt dat netbeheerders het veiligheidsniveau op orde brengen en houden. Vervolgens is het aan de ACM als toezichthouder om dit te controleren. Daarnaast houdt Agentschap Telecom op basis van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) toezicht op de cybersecurity van de netbeheerders. Op deze manier is er een gedeelde verantwoordelijkheid voor een veilig elektriciteit- en gasnet.
Wat betreft het elektriciteitsnet op zee heeft u aangegeven bepaalde onderdelen te benoemen als vitaal of essentieel in het kader van de bescherming van vitale processen voor de nationale veiligheid en vervolgens zal Tennet hier opvolging aan geven bij het contracteren van toeleveranciers, hoe zal de opvolging van Tennet eruit zien? Welke toetsing wordt er gedaan en wordt het ministerie bij de toetsing betrokken? Waarom wel? Waarom niet?
De aanwijzing van het net op zee als vitaal heeft geen directe gevolgen voor TenneT. TenneT beheert het landelijk hoogspanningsnet en dit is al onderdeel van het vitale proces «Landelijk transport, distributie en productie elektriciteit».
Belangrijk bij het net op zee zijn ook de windparken. Elektriciteitsproducenten van tenminste 100MW zijn vitaal verklaard en vallen binnen het vitale proces «Landelijk transport, distributie en productie elektriciteit» en zijn bovendien een aanbieder van een essentiële dienst onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni). Hierbij horen ook de productie-installaties op zee (windparken). Op 19 mei 2021 is dit met de Kamer gedeeld11. Voor productie-installaties van ten minste 250 MW geldt een sectorale investeringstoets voor wijzigingen in zeggenschap over deze productie-installaties. Deze grens wordt in de nieuwe Energiewet naar installaties van 100 MW gebracht.
Zoals ook aangegeven bij vraag 5 zal de Minister van Financiën als aandeelhouder van TenneT bij de beoordeling van investeringsvoorstellen van TenneT toetsen of TenneT (a) contact heeft gehad met de bevoegde ministeries en veiligheidsinstanties in Nederland en Duitsland over het onderwerp nationale veiligheid en (b) of deze partijen geen bezwaren zien bij deze investeringen. En, zoals aangegeven bij vraag 3, is TenneT verplicht om bij aanbestedingen van het net op zee toe te zien op veiligheidsrisico’s verbonden aan partijen die als toeleveranciers ingeschakeld kunnen worden.
Hoe zorgt u ervoor dat u, naast het toezicht op welke buitenlandse bedrijven projecten en/of aanbestedingen worden toegekend, ook zicht houdt op buitenlandse bedrijven die verderop in de keten betrokken zijn door bijvoorbeeld materialen, in het specifiek stroomkabels, te leveren? Hoe wordt voorkomen dat ook middels keteneffecten de Chinese invloed beperkt blijft?
De overheid heeft bij aanbestedingen geen zicht op buitenlandse bedrijven die verderop in de keten betrokken zijn bij het aanleveren van materialen. Wel bevatten de instrumenten waar in het antwoord op vraag 7 en 8 naar verwezen wordt relevante verplichtingen in dit kader. Zo geldt een verplichting om buitenlandse financiële bijdragen te melden onder de aanbestedingscomponent van de verordening buitenlandse subsidies (van toepassing op opdrachten met een geraamde waarde van 250 mln. EUR of hoger) in bepaalde gevallen ook voor hoofdonderaannemers en voor hoofdleveranciers die betrokken zijn bij dezelfde opdracht. Verder kent het Internationaal Aanbestedingsinstrument (IPI) contractuele voorwaarden die van toepassing zijn op opdrachten waarbij een IPI-maatregel van toepassing was, om te voorkomen dat bij de uitvoering van de opdracht alsnog veel bedrijven zijn betrokken uit een land waarvoor een IPI-maatregel geldt. Bij het IPI geldt een drempelwaarde van 5 mln. EUR voor goederen en diensten, en 15 mln. EUR voor werken en concessies.
Strategische afhankelijkheden in de keten, met name op het gebied van grondstoffen en materialen, zijn een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet. Diverse onderzoeken hebben laten zien dat de afhankelijkheden op het vlak van kritieke grondstoffen en materialen groot en geconcentreerd zijn. Dit onderwerp staat dan ook nationaal en internationaal, in het bijzonder in EU-verband, steeds hoger op de agenda. Zoals aangekondigd in de brief «Strategisch en groen industriebeleid»12 vindt het kabinet het belangrijk dat onze bedrijven toegang hebben en houden tot grondstoffen en materialen die nodig zijn om onze publieke belangen, waaronder op het gebied van verduurzaming en veiligheid, te kunnen borgen. Het is nodig dat de overheid op tijd risicovolle afhankelijkheden of systeemrisico’s signaleert en waar nodig maatregelen neemt. Het kabinet investeert daarom in meer kennis van en zicht op concentraties in (o.a.) zeggenschap in de bredere ketens, met als doel de keteneffecten van ongewenste invloed zo veel mogelijk te beperken. Dit vergt immers een diepe kennis van de herkomst van grondstoffen, materialen en eindproducten. Bedrijven hebben hierin zelf ook een belangrijke rol.
Het bericht ‘Financiën moet snel duidelijkheid geven over regels UBO’. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met bericht «Financiën moet snel duidelijkheid geven over regels UBO»?1
Ja.
Klopt het dat de Kamer van Koophandel aankijkt tegen een stuwmeer van aanmeldingen en dat er te weinig capaciteit is om de achterstanden op korte termijn in te lopen? Is hier vooraf voldoende op ingespeeld, aangezien de ervaring leert dat voldoen aan een dergelijke regel uitgesteld wordt tot een laatste moment door inwoners of bedrijven?
Het UBO-register is op 27 september 2020 in werking getreden. Vanaf die datum hebben alle reeds bestaande juridische entiteiten 18 maanden, tot 27 maart jl., gehad om de UBO’s te registreren. In deze periode van 18 maanden zijn diverse inspanningen verricht om juridische entiteiten tot registratie te bewegen, waaronder een tweetal directe aanschrijvingen met de oproep te registreren. Zoals onder meer aangegeven in de Kamerbrief van 14 april jl. over de stand van zaken van het UBO-register2 hebben desalniettemin veel entiteiten tot het allerlaatste moment gewacht met het doen van opgave. Dit heeft een omvangrijke piek in opgaven veroorzaakt, met tijdelijk langere verwerkingstijden tot gevolg. De Kamer van Koophandel (KVK) is momenteel deze piek aan het verwerken. De KVK heeft de capaciteit voor het verwerken van opgaven maximaal uitgebreid en verwerkt op dit moment ongeveer 25.000 opgaven per week. De KVK heeft naar verwachting begin september de meeste opgaven die gedaan zijn voor en op de deadline van 27 maart 2022 verwerkt. Echter ook in de weken na de deadline zijn nog relatief veel opgaven binnengekomen. De huidige verwachting is dat de opgaven die in de weken na de deadline zijn binnengekomen eind oktober is verwerkt. Uiteraard houd ik, in nauw overleg met de KVK, in de gaten of er geen nieuwe pieken ontstaan en of de taak waar de KVK voor gesteld staat, uitvoerbaar blijft. Als laatste merk ik op dat juridische entiteiten die nieuw worden opgericht geen hinder van langere verwerkingstijden ondervinden. Ze dienen direct bij oprichting de UBO’s op te geven en dit wordt door middel van een separaat proces afgehandeld.
Gelet op de bijgestelde verwachting dat de werkvoorraad medio oktober zal zijn weggewerkt, is richting alle betrokkenen op 22 juli jl. een verlenging aangekondigd van de tijdelijke regeling omtrent hoe om te gaan met ontbrekende registraties in het UBO-register. Kort gezegd houdt deze in dat meldingsplichtige instellingen bij een ontbrekende registratie in het UBO-register tijdelijk kunnen volstaan met de vaststelling dat de client opgave heeft gedaan met daarbij de uitleg welke gegevens en documentatie zijn opgegeven. Dit voorkomt dat de tijdelijke piek in verwerkingstijden zou leiden tot een belemmering voor het aangaan van een zakelijke relatie. Deze regeling gold aanvankelijk tot 1 september 2022, maar dat is verlengd naar 1 januari 2023. Hierbij is bewust voor een langere termijn gekozen dan naar verwachting nodig zal zijn om voldoende duidelijkheid te bieden. De verlenging is aan een brede groep toezichthouders en (brancheorganisaties van) meldingsplichtige instellingen gecommuniceerd. De regeling zelf is eerder al gecommuniceerd in onder meer de Kamerbrief van 14 april jl. over de stand van zaken van het UBO-register.
Wanneer verwacht u dat de achterstanden zijn ingelopen? Welke mogelijkheden ziet u om dit proces te versnellen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is het volgens u mogelijk dat er in deze fase nog strijd is over de juiste toepassing van de regels die voortvloeien uit het UBO-register? Is de Verenigde Betaalinstellingen Nederland (VBIN) niet vooraf betrokken?
Artikel 4, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bepaalt dat een meldingsplichtige instelling bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie met een cliënt dient te beschikken over een bewijs van inschrijving in het Handelsregister en daarbij dient vast te stellen of de UBO’s in het Handelsregister zijn opgenomen. In de memorie van toelichting wordt bij artikel 4, tweede lid, aangegeven dat dit artikel de verplichting bevat «voor een instelling die een nieuwe zakelijke relatie wil aangaan om, voordat zij deze relatie aan kan gaan, te beschikken over een bewijs van registratie van de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt uit het register.» Daarbij wordt verwezen naar artikel 14, eerste lid, van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn. Deze bepaalt dat meldingsplichtige instellingen bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie met een registratieplichtige juridische entiteit een bewijs van registratie of een uittreksel uit het UBO-register dienen te verzamelen. Als een juridische entiteit niet aan de registratieplicht heeft voldaan, kan de meldingsplichtige instelling niet aan de meldingsplicht voldoen. De interpretatie van de Wwft is derhalve conform de richtlijn, namelijk dat het niet beschikken over UBO-informatie uit het handelsregister een belemmering oplevert voor het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie. Overigens verbindt de wet geen consequenties aan een ontbrekende registratie voor zover het een bestaande zakelijke relatie betreft. In dat geval zal de meldingsplichtige instelling zelf de afweging dienen te maken of en welke consequenties deze verbindt aan het feit dat een client niet aan een wettelijke plicht voldoet.
Voor wat betreft de mate van bekendheid van deze regelgeving en de betrokkenheid van de sector geldt dat de wet in 2020 in werking is getreden en onder meer is geconsulteerd. Daarbij geldt dat de gevolgen van een ontbrekende registratie voor meldingsplichtige instellingen voorafgaand aan het verstrijken van de registratiedeadline van 27 maart 2022 expliciet onder de aandacht is gebracht bij diverse brancheorganisaties en toezichthouders. Ook is hier kort na de deadline in de genoemde Kamerbrief van 14 april jl. expliciet aandacht aan besteed. Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 2 en 3, is evenwel een tijdelijke regeling aangekondigd om te voorkomen dat deze bepaling in het licht van de huidige piek in verwerkingstijden zou leiden tot onevenredige verstoring van nieuwe dienstverlening.
Kunt u definitieve duidelijkheid bieden over de vraag of inschrijving in het UBO-register alleen een extra controlemiddel voor financiële instellingen is of een dwingende regel om toegang tot financiering of het betalingsverkeer te verkrijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Mogen ondernemingen en vrijwilligersorganisaties worden uitgesloten van een betaalrekening op basis van het ontbreken van een UBO-inschrijving?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn de regels voor de financiële sector om te controleren of (potentiële) klanten bonafide zijn niet al voldoende?
Het UBO-register, inclusief bovengenoemde bepalingen, volgt uit de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn. Het speelt een belangrijke rol in de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering. Daarnaast beschermt het instellingen tegen malafide klanten. Meldingsplichtige instellingen zijn verplicht om cliëntenonderzoek te doen en in dat kader de UBO’s vast te stellen. Het UBO-register fungeert hierbij als een belangrijk hulpmiddel. Meldingsplichtige instellingen mogen echter niet enkel op het UBO-register vertrouwen. Daarbij dienen zij en bevoegde autoriteiten discrepanties tussen de gegevens waarover zij beschikken en het UBO-register te melden bij de KVK. Dit «terugmeldmechanisme» helpt de kwaliteit en daarmee de effectiviteit van het UBO-register verbeteren.
Welke stappen neemt u om duidelijkheid te bieden aan de sector en aan ondernemingen en andere entiteiten, zodat iedereen weet wat de regels zijn, hoe deze moeten worden toegepast en wat de consequenties zijn van het niet voldoen aan de regels?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 4, 5 en 6 is de wetgeving reeds in 2020 in werking getreden, en volgt deze uit de in 2018 gewijzigde vierde-anti-witwasrichtlijn. Daarnaast is op diverse wijzen aandacht besteed aan de gevolgen van ontbrekende registraties in het UBO-register. Zowel vanuit de rijksoverheid als vanuit de Kamer van Koophandel is op verschillende wijzen in communicatie over het register voorzien. Daarnaast vinden sinds de start van het register periodieke overleggen met belanghebbenden plaats, waaronder gebruikers, Wwft-instellingen, ondernemingen en anbi’s.
Daarnaast is er in bredere zin informatie beschikbaar ten behoeve van de toepassing van de anti-witwaswetgeving. Om meldingsplichtige instellingen behulpzaam te zijn bij de toepassing van de wettelijke verplichtingen uit de Wwft, publiceren het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie en Veiligheid de Algemene Leidraad Wwft. Deze algemene leidraad heeft betrekking op de algemene aspecten van de Wwft die voor alle Wwft-instellingen gelden. De Algemene Leidraad Wwft wordt momenteel geüpdatet zodat daarin onder meer het UBO-register kan worden meegenomen; deze update is overigens openbaar geconsulteerd. Daarnaast publiceren de Wwft-toezichthouders specifieke leidraden die gericht zijn op bepaalde typen meldingsplichtige instellingen.
Het bericht ‘Overheid schendt eigen regels door cookies van derden toe te laten op websites’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Overheid schendt eigen regels door cookies van derden toe te laten op websites»1?
Ja.
Klopt het bericht dat cookies van derden op talloze websites van provincies, gemeenten en aan de overheid gelieerde organisaties te vinden zijn?
Voor een overheidswebsite gelden dezelfde vereisten voor het plaatsen van cookies als voor andere websites. De voorwaarden voor het gebruik van trackingtechnologieën, waaronder cookies, zijn opgenomen in de Europese ePrivacy richtlijn.2 In Nederland is de ePrivacy richtlijn geïmplementeerd in artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet. De Telecommunicatiewet staat daarom ook wel bekend als de «Cookiewet». Bij het gebruik van cookies die ook persoonsgegevens verzamelen, zoals bij de tracking cookies het geval is, is ook de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing.
De belangrijkste vereisten voor het plaatsen van cookies zijn dat de bezoeker vrij toestemming heeft gegeven voor de gegevensverwerking en dat de bezoeker tijdig en adequaat is geïnformeerd. Technisch noodzakelijke, functionele en niet-privacy gevoelige analytische cookies hebben echter nauwelijks tot geen gevolgen voor de privacy van de bezoekers van een website. Daarom hoeft bij deze cookies geen toestemming gevraagd te worden. De Telecommunicatiewet maakt daarbij geen onderscheid tussen cookies van de aanbieder van de website en cookies afkomstig van derden.
Op de website «Mag een website ongevraagd cookies plaatsen? | Rijksoverheid.nl» wordt nadere toelichting gegeven over het gebruik van cookies. Hier wordt uiteengezet dat websites toestemming moeten vragen voor plaatsing van cookies. Daarbij geldt een uitzondering voor cookies die geen of weinig inbreuk op de privacy maken, zoals bijvoorbeeld analytische cookies of functionele cookies die nodig zijn om een dienst of webshop te laten functioneren. Voor bijvoorbeeld tracking cookies, die individueel surfgedrag bijhouden en profielen opstellen om bijvoorbeeld gerichte advertenties mogelijk te maken, is wel toestemming nodig voor het plaatsen van cookies. Dergelijke tracking cookies zijn meestal van derde partijen.
Ook op de website van zowel de Autoriteit Consument en Markt (ACM) 3 als de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)4 wordt toelichting gegeven. Buiten deze wetgeving zijn er geen specifieke overheidsbrede en/of rijksbrede kaders of richtlijnen voor cookies op overheidswebsites. Het is de verantwoordelijkheid van iedere overheidsorganisatie die een website maakt om in lijn met de wetgeving te handelen.
Omdat ik het belangrijk vind dat de overheidswebsites voldoen aan geldende wet- en regelgeving, zal ik medeoverheden en rijksoverheidsorganisaties per brief wijzen op het belang hieraan te voldoen, en te verzoeken dit voor hun websites na te gaan. In overleg met de medeoverheden zal ik verder met hen verkennen of het wenselijk is een handreiking te ontwikkelen over hoe deze regelgeving ook voor nieuwe websites goed is te implementeren.
Zo ja, waarom gebruiken provincies, gemeenten en aan de overheid gelieerde organisaties deze cookies van derden?
Zie antwoord vraag 2.
Aan welke cookie-eisen, met betrekking tot cookies van derden, moet een overheidswebsite voldoen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat cookies van derden niet wenselijk zijn op overheids- en op aan overheid gelieerde websites? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om deze cookies te weren van overheids- en aan overheid gelieerde websites? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat burgers veilig gebruik kunnen maken van de websites van de overheid, en dat hun privacy daarbij wordt verzekerd. Het plaatsen van trackingcookies door derden staat daarmee op gespannen voet. De overheid moet natuurlijk het goede voorbeeld geven. Het is daarom vanzelfsprekend en noodzakelijk dat overheidswebsites in ieder geval voldoen aan de huidige wetgeving. Daarom zal ik zoals bij het vorige antwoord aangegeven met de medeoverheden een handreiking opstellen voor het goed implementeren van de relevante wetgeving bij overheidswebsites. In het overleg over de handreiking zal ik in overleg met de overheden ook het gesprek aangaan over de wenselijkheid van het gebruik van (tracking) cookies door de overheid.
In hoeverre acht u het mogelijk om, zoals de onderzoekers voorstellen, de inhoud die overheden nodig hebben op hun websites niet te halen van commerciële sites en media, maar van eigen publieke servers?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Achterstanden Kamer van Koophandel frustreren financiële sector’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Achterstanden Kamer van Koophandel frustreren financiële sector»?1
Ja.
Klopt het dat financiële instellingen vanaf 1 september 2022 alleen een zakelijke relatie mogen aangaan met bedrijven die in het UBO-register zijn opgenomen?
Artikel 4, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bepaalt dat een meldingsplichtige instelling bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie met een cliënt dient te beschikken over een bewijs van inschrijving in het Handelsregister en daarbij dient vast te stellen of de UBO’s in het Handelsregister zijn opgenomen. In de memorie van toelichting wordt daarbij aangegeven dat dit artikel de verplichting bevat «voor een instelling die een nieuwe zakelijke relatie wil aangaan om, voordat zij deze relatie aan kan gaan, te beschikken over een bewijs van registratie van de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt uit het register». Daarbij wordt verwezen naar artikel 14, eerste lid, van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn. Deze bepaalt dat meldingsplichtige instellingen bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie met een registratieplichtige juridische entiteit een bewijs van registratie of een uittreksel uit het UBO-register dienen te verzamelen. Als een juridische entiteit niet aan de registratieplicht heeft voldaan, kan de meldingsplichtige instelling niet aan deze plicht voldoen. De interpretatie van de Wwft is derhalve conform de richtlijn dat het niet beschikken over UBO-informatie uit het handelsregister een belemmering oplevert voor het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie.
Het voorgaande geldt vanaf het verstrijken van de registratiedeadline van 27 maart 2022. Doordat veel juridische entiteiten pas tegen de deadline opgave deden, ontstond een piek in de verwerking van opgaven bij de Kamer van Koophandel (KVK). Om te voorkomen dat dienstverlening wordt verstoord bij partijen die wel al opgave hebben gedaan, maar waarvan de opgave nog niet is verwerkt, is in een tijdelijke regeling voorzien. In de Kamerbrief over de stand van zaken van het UBO-register van 14 april 20222 schreven wij dat tot 1 september 2022 meldingsplichtige instellingen kunnen volstaan met de vaststelling dat de nieuwe client opgave heeft gedaan aan de hand van bijvoorbeeld de bevestigingsmail van de KVK, met de uitleg van de client welke UBO-gegevens en onderliggende documentatie daarbij zijn opgegeven. De datum van 1 september 2022 is gekozen omdat naar inschatting van de KVK de ingediende opgaven voor 27 maart 2022 dan zijn verwerkt en de verwerkingstijden weer aanzienlijk korter zullen worden. Vanaf dat moment geldt dat een juridische entiteit die niet aan de registratieplicht heeft voldaan alsnog op relatief korte termijn de UBO’s kan registreren om een nieuwe zakelijke relatie aan te gaan. In dat geval wordt de dienstverlening niet of slechts beperkt verstoord. Met bovenstaande regeling is dus juist voorzien in continue dienstverlening voor partijen die opgave van hun UBO’s hebben gedaan.
Ten overvloede merk ik op dat indien de juridische entiteit wel aan de registratieplicht heeft voldaan, maar de meldingsplichtige instelling bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie van oordeel is dat de juridische entiteit onjuiste of onvolledige informatie geregistreerd heeft, het aan de meldingsplichtige instelling is om te beoordelen of dit een belemmering vormt voor het aangaan van een zakelijke relatie. Wel moet hiervan dan melding worden gedaan bij de KVK.
Kunt u precies aangeven waarop deze regel (zoals verwoord in vraag 2) is gebaseerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het standpunt van de Verenigde Betaalinstellingen Nederland (VBIN), namelijk dat betaalinstellingen risicogebaseerd een nieuwe zakelijke relatie kunnen aangaan, ook wanneer de betreffende prospect nog niet staat ingeschreven in het UBO-register?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het beeld dat er grote achterstanden zijn bij de Kamer van Koophandel (KvK) met betrekking tot de vulling van het UBO-register, waardoor onder andere financiële instellingen in de problemen dreigen te komen en hoe worden deze problemen opgelost?
Graag verwijs ik naar het antwoord op vragen 2, 3 en 4. Zoals onder meer aangegeven in onze brief over de stand van zaken van het UBO-register van 14 april jl. hebben alle organisaties die verplicht zijn een UBO-opgave te doen hiervoor 18 maanden de tijd gehad. In deze periode zijn zij op verschillende wijzen verzocht om de UBO-registratie te doen, bijvoorbeeld via directe aanschrijfbrieven. De inzet hierbij was om, gelet op het zeer grote aantal organisaties dat de UBO’s diende in te schrijven (destijds ca. 1,6 miljoen), de inschrijving gefaseerd te laten plaatsvinden. Opgaven die na aanschrijving, of althans ruim voor de deadline, zijn gedaan zijn snel en overwegend probleemloos verwerkt. Ondanks de aanschrijvingen hebben vele organisaties gewacht met het doen van opgave tot rond de deadline van 27 maart jl. Hierdoor is er rond die datum een enorme piek ontstaan. De KVK is momenteel deze piek, alsmede de nieuwe opgaven die nog steeds binnenkomen, aan het verwerken. De KVK heeft de capaciteit voor het verwerken van opgaven uitgebreid en verwerkt op dit moment ongeveer 25.000 opgaven per week. De werkvoorraad wordt met de dag kleiner. De verwachting is dat uiterlijk 1 september 2022 de werkvoorraad is ingelopen. Dit is gelet op de omvang van de piek, de diverse inspanningen van de KVK, alsmede zaken zoals krapte op de arbeidsmarkt waar ook de KVK mee te maken heeft, een hele prestatie. Uiteraard houd ik, in nauw overleg met de KVK, in de gaten of er geen nieuwe pieken ontstaan en of de taak waar de KVK voor gesteld staat, uitvoerbaar blijft. Mocht eventuele verlenging van voornoemde regeling nodig zijn, dan zal dit minimaal een maand voor 1 september 2022 worden aangekondigd.
Ik herken niet het beeld dat financiële instellingen in de problemen komen door de verwerkingstijd bij de KVK. Zoals in antwoord op de vragen 2, 3 en 4 is toegelicht, is in dit verband juist voorzien in de mogelijkheid dat financiële instellingen gedurende de verwerking van de piek kunnen volstaan met een bewijs van opgave en de ingediende documentatie. Daarmee kan de dienstverlening blijvend worden aangeboden aan nieuwe cliënten en vormt de verwerking van de opgaven geen belemmering.
Is het mogelijk de overgangstermijn die loopt tot 1 september 2022, te verlengen, en bent u bereid dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de diverse problemen die ontstaan zijn sinds de invoering en inwerkingtreding van het UBO-register, zoals de trage vulling van het register, de negatieve privacy-gevolgen voor ondernemers, de enorme impact op (vrijwilligers)organisaties en ANBI-instellingen, het feit dat UBO’s zelf geen overzicht kunnen opvragen waar zij als Ultimate Beneficial Owner (UBO) staan geregistreerd, de matige kwaliteit van de vulling van het UBO-register en de mogelijk belemmerde werking voor de financiële sector en bent u bereid om, zo nodig in EU-verband, de opzet van het UBO-register te heroverwegen?
Graag verwijs ik voor de beantwoording deels naar de beantwoording op de voorgaande vragen.
Privacy was een belangrijk onderwerp in zowel de ontwerpfase als tijdens de parlementaire behandeling van het UBO-register. Binnen het kader van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn zijn diverse maatregelen genomen om de privacy-impact te beperken. Bovendien wordt de privacy-impact respectievelijk één en vier jaar na de vulling van het register geëvalueerd volgend op onder meer de motie Ronnes en Bruins3 en de motie Stoffer.4 Specifiek voor (vrijwilligers)organisaties en ANBI’s merk ik op dat dergelijke organisaties in de regel geen UBO’s zullen hebben op basis van eigendom of zeggenschap en derhalve de leden van het hoger leidinggevend personeel dienen te registreren. Dit betreft een vereenvoudigd proces, en deze gegevens staan ook reeds openbaar in het Handelsregister. Daarbij is ter opvolging van de motie-Bruins5 de situatie bij ANBI’s voor raadplegers reeds verduidelijkt, namelijk dat zij in de regel geen echte UBO zullen hebben. Daarbij zullen de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid een onderzoek laten uitvoeren naar de achterliggende oorzaken van de ervaren regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en goede doelen. Het UBO-register wordt hierin ook betrokken.
Voor wat betreft de vulling van het register is de verwachting dat dat na verwerking van alle opgaven tot 1 juni jl. de vulgraad op ca. 64 procent zal uitkomen. De komende tijd zal de achterblijvende vulling nader worden geanalyseerd en zal worden bezien hoe juridische entiteiten alsnog bewogen kunnen worden om opgave te doen, bijvoorbeeld middels gerichte informatie of ondersteuning. Deze analyse is onder meer afhankelijk van de verwerking van de werkvoorraad. Daarbij zijn er ook signalen dat een deel van de registratieplichtige entiteiten mogelijk wacht met het doen van opgave tot de uitspraak van het Hof van Justitie naar aanleiding van de prejudiciële vragen uit Luxemburg over het UBO-register.6
Een matige kwaliteit van het register herken ik niet. Er zijn relatief veel meldingen van discrepanties gedaan door meldingsplichtige instellingen («terugmeldingen») tussen de eigen gegevens en de gegevens in het UBO-register. Slechts een beperkt aantal meldingen leidt echter tot wijzigingen in het register. De meldingen kunnen namelijk ook duiden op onjuiste informatie bij de melder, of zien op een niet-materiele discrepantie. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar het grote aantal terugmeldingen dat niet tot wijzigingen in het register leidt en mogelijke oplossingen daarvoor. Daarbij is het van belang te benadrukken dat de verplichting om een juiste en volledige UBO-opgave te doen rust op de juridische entiteit. Bij verwerking van deze opgave worden de opgegeven gegevens door de KVK gecontroleerd op volledigheid en interne consistentie. Een deel van de opgaven wordt op basis van deze controle afgewezen. De gegevens in het UBO-register zijn echter, anders dan de gegevens in het Handelsregister, geen authentieke gegevens. Het UBO-register is weliswaar een belangrijk hulpmiddel, maar meldingsplichtige instellingen mogen hier niet enkel op vertrouwen en moeten eigen cliëntenonderzoek blijven doen.
Ten aanzien van de opzet van het UBO-register en het al dan niet heroverwegen in EU-verband geldt het volgende. Het UBO-register volgt uit de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn en de Nederlandse implementatie volgt dit kader. Dat gezegd hebbende heeft de Europese Commissie op 20 juli 2021 een pakket met voorstellen op het gebied van het tegengaan van witwassen en financieren van terrorisme gepubliceerd. Onderdeel hiervan is een nieuwe anti-witwasrichtlijn (AMLD6), en een anti-witwasverordening (AMLR). Deze bevatten ook bepalingen die gevolgen hebben voor de UBO-registers. Thans vinden hierover onderhandelingen plaats. Zoals aangegeven in het BNC-fiche7 over deze voorstellen staat het kabinet positief tegenover eventuele verbeteringen op het gebied van vaststellen van UBO’s en het functioneren van de UBO-registers, maar zal kritisch worden gekeken naar wijzigingen die eventueel gevolg kunnen hebben voor de administratieve lasten of de privacy van ondernemers.
Een onderzoek dat uitwijst de bedrijvenlobby het Europese IMVO voorstel heeft beïnvloed |
|
Jasper van Dijk |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Heeft u het rapport «Inside Job» van Europese lobbywaakhond Corporate Europe Observatory (CEO) gelezen?1
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de rol, taken en doelen van de Regulatory Scrutiny Board (RSB), die volgens dit onderzoek een essentiële rol heeft gespeeld in het afzwakken van regels omtrent het Europese beleid voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)?
De RSB is een raadgevend orgaan dat de Europese Commissie ondersteunt bij effectbeoordelingen en evaluaties. De RSB brengt adviezen uit over de kwaliteit van effectbeoordelingsverslagen bij de voorbereiding van nieuwe (wetgevings)initiatieven waarvan aanzienlijke economische, sociale of milieugevolgen worden verwacht. Daarnaast brengt de RSB adviezen uit over de kwaliteit van verslagen met betrekking tot belangrijke evaluaties van afzonderlijke beleidsmaatregelen of EU-wetgeving. Verder publiceert de RSB adviezen over de kwaliteit van verslagen met betrekking tot evaluaties waarbij verschillende maatregelen samen worden geanalyseerd («fitness checks»). De adviezen van de RSB bevatten aanbevelingen voor de Europese Commissie om de verslagen te verbeteren. Het RSB-oprichtingsbesluit2 bepaalt dat de leden van de RSB en het ondersteunend personeel bij de uitvoering van hun taken worden geacht onafhankelijk te handelen en dat zij geen instructies mogen vragen of aanvaarden.
Elk (wetgevings)initiatief met een effectbeoordeling moet vergezeld gaan van een positief advies van de RSB over de kwaliteit van het effectbeoordelingsverslag.3 Bij een negatief advies moet het effectbeoordelingsverslag herzien worden en opnieuw aan de RSB worden voorgelegd voordat de Commissie verdere stappen zet. Als de RSB tweemaal een negatief advies heeft gegeven, mag alleen de vicevoorzitter voor Interinstitutionele Betrekkingen en Prognoses het (wetgevings)initiatief aan het College van commissarissen voorleggen. Het college besluit over het al dan niet doorgaan met het initiatief.4
Welke partijen en belangen vertegenwoordigt het RSB volgens u in de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de constatering van CEO dat de Europese Commissie onder andere heeft aangegeven dat het sterk verkleinen van de reikwijdte een direct gevolg was van de negatieve opinies van de RSB?
In overeenstemming met zijn taak, bevatten de adviezen van de RSB aanbevelingen voor de Europese Commissie om de effectbeoordelingsverslagen te verbeteren. In het geval van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) heeft de Commissie ervoor gekozen het voorstel toch door te zetten, ondanks twee negatieve opinies van de RSB. In de toelichting bij het richtlijnvoorstel motiveert de Commissie deze keuze. De Commissie geeft in het voorstel en het begeleidende Staff Working Document 5 weer welke wijzigingen zij op basis van het advies van de RSB heeft doorgevoerd. Het is aan de Europese Commissie om te bepalen in hoeverre zij de adviezen van de RSB opvolgt voor het verbeteren van de effectiviteitsbeoordelingsverslagen en de daaruit volgende (wetgevings)initiatieven.
Wat vindt u van de constatering van CEO dat de RSB ook grote invloed heeft gehad op onderdelen van het voorstel van de Europese Commissie, waaronder de gevestigde zakenrelaties en grote ruimte voor vrijwillige initiatieven, audits en contractclausules, wat heeft geresulteerd in zwakkere artikelen over aansprakelijkheid, plichten voor bestuurders en Klimaat dan oorspronkelijk gepland?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het verzoek van het Deense Ministerie van Economische Zaken aan bedrijvenorganisatie Danish Industry in maart 2021 om via zusterorganisatie VNO-NCW Nederlandse ministeries te belobbyen om steun van het Nederlandse kabinet te vergaren voor het Deense non-paper over het Sustainable Corporate Governance-initiatief van de Europese Commissie?2 Hoe beoordeelt u dit verzoek van het Deense ministerie? Hoe hebben Nederlandse ministeries hierop gereageerd?
Het kabinet heeft over IMVO en (Europese) IMVO-wetgeving regelmatig contact met alle stakeholders, waaronder VNO-NCW. Het is niet bekend met het verzoek van het Deense Ministerie van Economische Zaken, noch het evenement voor ambtenaren van EU-lidstaten in maart 2021. Wel heeft het kabinet het verzoek ontvangen van de Deense overheid om het non-paper te ondertekenen, waarvan is afgezien.
Is het Ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken of aanwezig geweest bij een bijeenkomst over het voorstel van de Europese Commissie die bedrijvenorganisaties, waaronder Danish Industry en VNO-NCW, hebben georganiseerd voor ambtenaren van EU-lidstaten in maart 2021? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u de constatering van CEO dat het bedrijfsleven de RSB succesvol heeft belobbyd? Is de RSB volgens u in deze situatie nog goed in staat geweest om de verschillende belangen bij de totstandkoming van IMVO-wetgeving goed te wegen?
In vraag 2 en 3 is reeds aangegeven dat bij de uitvoering van hun taken de leden van de RSB en het ondersteunend personeel volgens het RSB-oprichtingsbesluit geacht worden onafhankelijk te handelen en dat zij instructies vragen noch aanvaarden. Het kabinet kan niet beoordelen in hoeverre het bedrijfsleven al dan niet succesvol bij de RSB heeft gelobbyd, noch in hoeverre de RBS in staat is geweest verschillende belangen af te wegen.
Wilt u zich ervoor inzetten om openbaarheid te verkrijgen over de gesprekken en andere uitwisseling tussen de RSB en lobbyorganisaties van het bedrijfsleven?
Nederland zet zich sinds lange tijd samen met een aantal gelijkgezinde lidstaten in voor meer transparantie omtrent de totstandkoming van wet- en regelgeving in de EU. In 2019 presenteerde Nederland samen met negen andere lidstaten het non-paper «increasing transparency and accountability of the EU» met daarin concrete suggesties ter modernisering van transparantie in de Raad en het EU-besluitvormingsproces. Deze inzet heeft een aantal concrete resultaten opgeleverd, waaronder vergrote transparantie van trilogen. In september 2021 heeft Nederland samen met Duitsland en Denemarken een transparency pledge gelanceerd en in maart 2022 een online evenement als opvolging van de pledge georganiseerd. De pledge is door alle lidstaten, de bij de Conferentie over de toekomst van Europa betrokken Commissarissen, de EU Ombudsman en 50 Europarlementariërs ondertekend. De aanbevelingen uit de Conferentie over de toekomst van Europa kunnen de beleidsagenda op dit terrein verder voeden. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de punten die nog niet gerealiseerd zijn uit het non-paper van 2019: herziening van de transparantieverordening; herziening van de interne Limité-richtsnoeren van de Raad, zodat minder Raadsdocumenten de Limité-markering krijgen en de Limité-markering van documenten tijdig wordt opgeheven; en toezien op snelle totstandkoming en ingebruikname van de inter-institutionele wetgevingsdatabase (One-stop IT-shop).
De RSB stelt specifiek in zijn jaarverslag van 20217 dat hij bij de uitvoering van zijn mandaat als een intern, onafhankelijk en objectieve adviseur geen adviezen zoekt of accepteert van interne of externe stakeholders of lobbygroepen. Verder is de RSB gehouden aan een aantal bepalingen die ook voor andere onderdelen van de EU gelden. Zo moet de RSB een openbaar register van zijn documenten hebben en publiceert de RSB tevens een lijst van de conceptadviezen die zijn behandeld. Onder andere via dit jaarverslag communiceert de RSB ook over zijn activiteiten en voortgang.
Kunt u in dat licht toelichten waarom het Adviescollege Toetsing en Regeldruk (ATR) voor de derde keer om advies wordt gevraagd over IMVO-wetgeving, na de eerdere adviezen over hetzelfde onderwerp in 2020 en 2021?3
Naast het adviseren over wetgeving kan het ATR op verzoek van het Parlement of regering ook adviseren over beleid en regelgeving. Bij de totstandkoming van het nieuwe IMVO-beleid in 2020 en de ontwikkeling van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving in 2021 heeft het kabinet advies gevraagd aan het ATR. De adviesaanvragen gingen in op de vraag in welke mate de regeldruk voor ondernemingen van het nieuwe IMVO-beleid en de bouwstenen IMVO-wetgeving proportioneel zouden zijn. Het is de wens van het kabinet om belanghebbenden en adviesinstanties vroegtijdig mee te nemen in de ontwikkeling van beleid en wet- en regelgeving zodat de kwaliteit ervan versterkt kan worden.
Het ATR zal wederom worden betrokken bij de totstandkoming van nationale IMVO-wetgeving. Advisering van het ATR is een vaststaand element in nationale wetgevingstrajecten. Momenteel wordt een nationaal wetsvoorstel voorbereid. Rond de zomer van 2023 wordt het voorstel naar verwachting aan uw Kamer aangeboden.
Hoe kan het ATR volgens u een afgewogen advies geven over de wenselijkheid van IMVO-wetgeving, als het college in zijn eigen woorden de regering en Staten-Generaal per definitie «adviseert [...] om de regeldruk voor bedrijven, burgers, en beroepsbeoefenaren in de zorg, onderwijs, veiligheid en sociale zekerheid, zo laag mogelijk te maken» ?4 Heeft het kabinet niet juist besloten tot de invoering van IMVO-wetgeving, omdat juist door het ontbreken van bindende regeldruk de naleving van de OESO-richtlijnen door bedrijven ver onder de maat is?
Het mandaat van het ATR bepaalt dat het toetst op de transparantie van regeldrukeffecten. Hierbij toetst het niet op de wenselijkheid van wetgeving, maar op de vraag of ten opzichte van de doelstelling gekozen is voor de optie met de laagste regeldrukkosten. Daarnaast beziet het ATR of voldoende aandacht is besteed aan de werkbaarheid voor de doelgroep. Het is aan het kabinet om een advies van het ATR al dan niet over te nemen. Daarbij zal de regeldruk en uitvoerbaarheid voor het MKB goed in het oog worden gehouden
Hoe kan het ATR gezien de partijpolitieke kleur van de collegeleden een afgewogen, objectief en gebalanceerd advies geven over IMVO-wetgeving?
Het ATR is een onafhankelijk adviescollege. Het college wordt samengesteld op basis van bestuurlijke ervaring, relevante kennis en ervaring met regeldruk zoals die door de doelgroepen wordt ervaren. Het ATR beoordeelt of de juiste beslisinformatie voorhanden is, of in het voorstel op een juiste manier de regeldrukkosten in beeld zijn gebracht en of daarbij gekozen is voor de optie met de laagste regeldrukkosten ten opzichte van het gestelde doel. Het ATR levert hierdoor een bijdrage aan de kwaliteit van voorgestelde wetgeving.
Deelt u de mening dat het ook verstandig zou zijn dat betreffende Nederlandse IMVO-wetgeving er een organisatie moet zijn die die het kabinet adviseert of wetgeving effectief is om misstanden tegen te gaan, de toegang tot recht voor slachtoffers verbetert en in lijn is met de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)?
Dit is heden het geval, zoals eerder bericht aan uw Kamer zal na de zomer van 2022 de internetconsultatie starten voor het nationale IMVO-wetsvoorstel. Deze consultatie staat open voor iedereen. Ook adviesinstanties zoals de Raad voor de Rechtspraak en het ATR zullen advies uitbrengen. Voordat het kabinet het wetsvoorstel aan uw Kamer doet toekomen zal de Raad van State een advies uitbrengen. Ook de Raad van State bekijkt de effectiviteit van het nationale wetsvoorstel.
Naast het betrekken van adviesinstanties worden bij de ontwikkeling van nationale IMVO-wetgeving stakeholders en experts betrokken. Het gaat om experts uit het bedrijfsleven, maatschappelijk middenveld en de wetenschap. Onder andere via formele en informele consultaties wordt advies ingewonnen over de effectiviteit van toekomstige IMVO-wetgeving ten aanzien van het tegengaan van misstanden en het verbeteren van toegang tot herstel voor slachtoffers. Dat laatste was ook een belangrijk onderwerp bij de herziening van het Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten en de bijbehorende consultaties. Dit plan wordt deze zomer aan uw Kamer aangeboden. Bovendien wordt op ambtelijk niveau regelmatig kennis uitgewisseld met het secretariaat van het Centre for Responsible Business Conductvan de OESO. Ook de SER heeft geadviseerd over IMVO-wetgeving, met aandacht voor de verwachte effectiviteit en coherentie met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.
Bent u bereid de komende maanden in de discussies over de Europese IMVO-richtlijn de Europese Commissie te wijzen op de niet objectieve rol van het RSB in de uiteindelijke invulling van de richtlijn?
De RSB speelt de komende maanden geen rol meer bij de totstandkoming van de Europese richtlijn. Momenteel wordt het CSDDD-voorstel besproken in de Raad en het Europees Parlement. Daarna starten de trilogen tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie.
Het bericht dat autofabrikanten alleen nog grote auto’s willen bouwen |
|
Lammert van Raan (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Einde nadert voor het «autootje voor de boodschappen»»?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Herkent u het geschetste beeld dat (Europese) autofabrikanten geen kleine auto’s meer willen bouwen vanwege winstbejag? Wat is uw reactie daarop?
Nee. De automarkt is onderverdeeld in de segmenten A tot en met E, waarbij de kleinste modellen vallen in A en de grootste in E. Fabrikanten hebben moeite om op rendabele wijze aan alle veiligheids- en emissie-eisen te voldoen in het A-segment. In het B-segment is er veel aanbod, zowel conventioneel als elektrisch. Het aandeel van elektrische auto’s in het hoogste segment (E) neemt af, terwijl het in de middensegmenten (B t/m D) juist toeneemt (zie de meegestuurde bijlage trendrapport 2022, figuur 13). De zakelijke doelgroep koopt met name elektrische auto’s in de segmenten C en D. De particuliere doelgroep in de segmenten B en C.
Deelt u de mening dat het vanuit maatschappelijk oogpunt onwenselijk is dat auto’s steeds groter en zwaarder worden?
Nee. Vanuit het duurzaamheidsperspectief leg ik onder andere de nadruk op de transitie van brandstofauto’s naar emissievrije auto’s. Elektrische auto’s zijn zwaarder dan vergelijkbare conventionele auto’s, maar wel schoner en daarom vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk. Daarnaast werkt IenW aan veiligheid, waarbij vooral nieuwere auto’s veiliger zijn dan oudere (los van grootte en gewicht) en aan bereikbaarheid. De kanttekening is dat grote en zware conventionele auto’s vaak minder zuinig zijn dan kleinere auto’s van dezelfde leeftijd. Daarom worden deze auto’s zwaarder belast in de motorrijtuigenbelasting en in de BPM. Op die manier zijn kleinere auto’s aantrekkelijker voor de consument.
Deelt u de mening dat de openbare ruimte (zeker in stedelijke gebieden) schaars is en al sterk onder druk staat? Vindt u het wenselijk dat per auto nog meer van die schaarse openbare ruimte in beslag genomen gaat worden?
Ja, ik deel uw mening dat de openbare ruimte in stedelijk gebieden schaars is. De verantwoordelijkheid voor ruimtegebruik in de stedelijke gebieden ligt bij medeoverheden. Veel gemeenten voeren daar ook actief beleid op door bijvoorbeeld het aantal openbare parkeerplaatsen op straat terug te dringen, delen van de stad autoluw te maken en/of te werken met een lagere parkeernorm in combinatie met stimulering van deelmobiliteit (zie ook de Evaluatie City Deal Elektrische Deelmobiliteit)2. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid om de parkeertarieven te differentiëren op basis van de grootte van een parkeerplek.
Kunt u bevestigen dat grotere en zwaardere auto’s meer energie verbruiken per gereden kilometer (ook als ze elektrisch zijn)? Deelt u de mening dat het, om efficiënt met energie om te gaan, wenselijk is om auto’s niet groter te laten zijn dan noodzakelijk? En zelfs idealiter kleiner (en veiliger) te laten zijn?
Nee, die mening deel ik niet. Ten eerste zijn elektrische auto’s zwaarder dan conventionele auto’s, maar circa 3 keer efficiënter (dus met dezelfde hoeveelheid energie kunnen elektrische auto’s 3 keer zo veel kilometers afleggen dan een vergelijkbare conventionele auto). Daarnaast geldt binnen de groep van elektrische auto’s dat niet in alle gevallen een grotere en zwaardere auto meer verbruikt aangezien dit van meerdere aspecten afhankelijk is. Zo is het verbruik van bijvoorbeeld een Hyundai Kona lager dan van een Fiat 500e. Wat «noodzakelijk» is, is een persoonlijke keuze.
Herkent u het beeld dat er in Nederland steeds grotere en zwaardere auto’s komen? Zo nee, kunt u de gemiddelde gewichtsklassen over de afgelopen 30 jaar laten zien?
Ik herken het beeld. Auto’s zijn om verschillende redenen zwaarder geworden. De meeste CO2-reducerende technologieën maken voertuigen zwaarder, zoals hybrides zonder stekker (mild/full HEV’s), plug-in hybrides. Deze voertuigen krijgen steeds grotere batterijpakketten en actieradius. Volledig elektrische auto’s zijn door hun batterijpakket over het algemeen 300 tot 600 kg zwaarder dan vergelijkbare brandstofvoertuigen. Naast elektrificering van het voertuigaanbod is het aandeel SUV’s en crossovers sterk gestegen in de verkopen. Dit aandeel is de laatste jaren ongeveer verdubbeld naar bijna 50% in 2021. SUV’s zijn gemiddeld iets zwaarder en minder zuinig dan de meer traditionele hatchback en sedan uitvoeringen van dezelfde leeftijd.
Deelt u de stelling van het Internationale Energie Agentschap dat in relatie tot de uitstoot stelde dat «de groei van zuinige voertuigen, waaronder elektrische auto’s, volledig teniet gedaan wordt door de stijgende verkoop van SUV’s»2? Wat vindt u daarvan?
Ja, die stelling deel ik, waarbij ik opmerk dat het IEA bij de uitstoot de wereldwijde verkoop van conventionele SUV’s tegenover de groei van zuinige (zoals elektrische auto’s) zet. Voor Nederland klopt dit wereldwijde beeld niet. In Nederland is de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte auto’s sinds 2017 gaan dalen tot 79gr/km in 2021 (zie bijlage trendrapport 2022). Deze daling is te verklaren door de gestegen verkoop van volledig elektrische personenauto’s sinds 2017 door het ingezette fiscale beleid. Anders zou de CO2-uitstoot vergelijkbaar zijn met de CO2-uitstoot in 2015. Nederland zit daarmee binnen Europa in de kopgroep.
Deelt u de mening dat grotere en zwaardere auto’s ook niet passen binnen de doelstellingen van de circulaire economie, waarbij gestreefd wordt naar het minimaliseren van het grondstofgebruik?
Nee, die mening deel ik niet. Qua gebruik kunnen bijvoorbeeld zwaardere auto’s (zoals elektrische auto’s) zuiniger zijn dan lichtere (conventionele) auto’s (zie ook vraag hierboven). Ook vindt innovatie plaats bij de productie van batterijen die al in de praktijk wordt toegepast waardoor de vraag naar grondstoffen daalt (bijv. geen/minder kobalt en nikkel, zie vraag 9 hieronder). Tenslotte zet ik me (ook in Europees verband) in voor de recyclebaarheid van de gebruikte stoffen. Bij elektrische auto’s geldt bijvoorbeeld de verplichting dat batterijen die niet meer geschikt zijn om in een auto te gebruiken (en ook niet meer geschikt zijn voor statisch gebruik) moeten worden teruggenomen door autofabrikanten en importeurs ter recycling. Op het ogenblik is het wel zo dat er nog weinig afgedankte accu’s zijn van elektrische auto’s omdat de verwachte levensduur circa tussen de 15 en 25 jaar betreft4). Daardoor is er nog weinig praktijkervaring met het recyclen. Veel gespecialiseerde bedrijven werken daarom reeds samen met autofabrikanten om een efficiënt en milieuvriendelijk recyclingproces te ontwikkelen, waarmee zo veel mogelijk van de accu kan worden hergebruikt.
Kunt u zich herinneren dat uw voorganger het rapport van Metabolic, Universiteit Leiden en Copper 8 – waarin wordt geconcludeerd dat Nederland naar rato recht heeft op grondstoffen voor grofweg één miljoen elektrische auto’s in 2030 – niet onderschreef met als argument dat er in het rapport te weinig rekening werd gehouden met «nieuw innovatiepotentieel»?3
Ja.6 Een circulaire economie kan bijdragen aan het verminderen van de benodigde grondstoffen voor de elektrificatie van de mobiliteit. Ook kan innovatie een belangrijke rol spelen bij het verminderen van kritieke metalen. Het latere rapport van Metabolic, Copper8, Polaris Sustainability en Quintel7 onderschrijft dat verschillende technologieën verschillende grondstoffen vergen. Zo is de in het rapport genoemde LFP (lithium-ijzer-fosfaat) batterij aan een opmars bezig in elektrische mobiliteit. Bij deze samenstelling is geen kobalt of nikkel nodig.
Herkent u in dit «innovatie-optimisme» dezelfde mechanismen die de landbouw en de luchtvaart nu de das om hebben gedaan, nu gebleken is dat het veel teveel vertrouwen op innovatie misplaatst bleek? Zo nee, waarom niet?
Nee dat herken ik niet, omdat de innovaties al in de praktijk worden gebracht. De doorontwikkeling van batterijen voor elektrische auto’s is in volle gang. Zo hebben de nieuwe generaties batterijen al minder grondstoffen nodig zoals kobalt en nikkel (bijvoorbeeld bij Tesla model Y, zie vraag hiervoor) en worden de batterijen steeds efficiënter (en goedkoper).
Vindt u het verstandig om te blijven streven naar bijvoorbeeld negen miljoen of meer elektrische auto’s wanneer voor de grondstoffen voor die andere acht miljoen auto’s vertrouwd moet worden op nog niet bestaande innovaties?
Het kabinet zet zowel in op de verduurzaming van de auto als ook op de alternatieven van de auto. We bieden mensen duurzame keuzes en stimuleren fietsgebruik, OV en deelmobiliteit als alternatief voor de eigen auto. Het gebruik van deelmobiliteit groeit, we zien bijvoorbeeld steeds meer (elektrische) deelauto’s8. Voor een vervolg van de Green Deal Autodelen II en de City Deal Elektrische Deelmobiliteit, werk ik momenteel met de regio’s aan een nationaal samenwerkingsprogramma deelmobiliteit. Daarnaast tref ik voorbereidingen voor een informatiecampagne om de bekendheid van het concept autodelen te vergroten. Verder ben ik met de werkgevers in gesprek om het aantal gereden autokilometers in 2030 met 1 miljard te verminderen.
Wanneer en hoe gaat u sturen op a) het verminderen van het autogebruik, b) het verminderen van de grondstof- en energieconsumptie per gereden autokilometer en c) het versterken van de fiets en het openbaar vervoer?
Veel mensen zijn in het dagelijks leven afhankelijk van de auto, en zullen dat ook in de toekomst blijven. Naast het zorgen voor de verduurzaming van het wagenpark ben ik, zoals in antwoord 11 aangegeven, aan de slag met het versterken van fietsgebruik en het OV. Ik heb recentelijk mijn ambitie voor het versterken van het fietsgebruik uiteengezet in een brief aan uw Kamer9 en heb o.a. de ambitie om 100.000 extra forenzen op de fiets te krijgen via de aanpak met fietsambassadeurs en uitbreiding van de campagne «Kies de Fiets!». Ook ga ik structureel mee-investeren in goede doorfietsroutes. Verder ben ik met de werkgevers in gesprek om het aantal gereden autokilometers in 2030 met 1 miljard te verminderen. Dit levert een bijdrage aan de vermindering van de energie- en grondstofconsumptie. Daarnaast wordt de energieconsumptie door de overstap van conventionele naar elektrisch auto’s verminderd, aangezien een elektrische auto circa 3 keer efficiënter is dan een conventionele auto. Op locaties in heel Nederland pakken we de komende jaren stations(gebieden) en fietsenstallingen aan om OV en fiets aantrekkelijke te maken. Stations zoals Nijmegen en Amsterdam Lelylaan worden geheel verbeterd. Daarnaast gaan we door met verbeteringen op het spoor zoals de reistijdverbetering tussen Zwolle en Enschede of de verbinding tussen Eindhoven, Venlo en Düsseldorf. Deze investeringen zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIRT).
Fouten in energienota bij teruglevering zonnepalenen. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Fouten ontdekt in energienota’s bij teruglevering zonnepanelen»?1
Ja.
Klopt het dat er signalen zijn dat sommige energieleveranciers niet meer over een heel jaar salderen, maar over een kwartaal of een andere periode? Is dat volgens de wet toegestaan?
Zowel mijn ministerie alsook de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben dergelijke signalen ontvangen. In artikel 31c, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 is opgenomen dat de leverancier het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de leveringskosten berekent door de aan het net onttrokken elektriciteit te verminderen met de op het net ingevoede elektriciteit, waarbij de vermindering maximaal de hoeveelheid aan het net onttrokken elektriciteit bedraagt. Uit de wet volgt niet expliciet over welke periode de saldering van de hoeveelheid ingevoede en onttrokken elektriciteit dient plaats te vinden, maar dit blijkt wel duidelijk uit het amendement waardoor de salderingsregeling in 2004 van kracht is geworden.2
De intentie van de salderingsregeling is dat de hoeveelheden op jaarbasis gesaldeerd moeten worden, zodat het overschot aan opwekking in de zomer kan worden gesaldeerd tegen het overschot aan afname in de winter. Dit blijkt ook uit de wijze waarop de salderingsregeling tot voor kort werd uitgevoerd: de ingevoede en onttrokken elektriciteit werden gesaldeerd op de jaarnota. Indien er na saldering sprake is van meer afname dan invoeding, dan wordt het meerdere gefactureerd aan de klant. De wet doet daarbij geen uitspraak tegen welk tarief de voor facturering in aanmerking komende kWh’s moeten worden gefactureerd. Indien er sprake is van meer invoeding dan afname, dan betaalt de energieleverancier de klant over dat meerdere een vergoeding. Deze moet op grond van artikel 31c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 redelijk zijn. De ACM houdt toezicht hierop.
In uw Kamer ligt het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers3 ter behandeling, met daarin het voorstel dat de salderingsregeling in de periode 2025 – 2031 stapsgewijs wordt afgebouwd tot nul. Totdat de regeling volledig is afgebouwd, is het de bedoeling dat de regeling wordt toegepast zoals deze oorspronkelijk was beoogd én zoals deze sinds 2004 ook consequent is toegepast. Dit houdt in dat de onttrokken elektriciteit en een percentage van de hoeveelheid ingevoede elektriciteit op jaarbasis gesaldeerd moet worden. Ik ben dan ook van plan dit expliciet te maken door via een nota van wijziging in het voorliggende wetsvoorstel artikel 31c van de Elektriciteitswet 1998 hierop aan te passen.
Klopt het dat er geen heldere regels zijn over welk tarief een energieleverancier als uitgangspunt mag gebruiken bij de saldering? Indien dergelijke regels wel bestaan, wat zijn deze regels en waar kunnen consumenten deze terugvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het een correcte uitleg van de salderingsregeling dat zonnestroom die wordt gesaldeerd vergoed moeten worden door de energieleverancier tegen het tarief dat op het moment van opwekken en terugleveren aan het elektriciteitsnet door dezelfde leverancier in rekening zou worden gebracht wanneer er sprake zou zijn van verbruik?
Salderen is het tegen elkaar wegstrepen van de hoeveelheid ingevoede en onttrokken elektriciteit zonder het tarief hierbij te betrekken. Het aantal kWh dat resteert na saldering, onttrokken dan wel ingevoed, wordt gefactureerd. Op dit moment is wettelijk niet geregeld tegen welk tarief het saldo na dit salderen moet worden gefactureerd in een situatie waarbij het tarief in de factuurperiode varieert. In het antwoord op de vragen 2 en 3 heb ik aangegeven dat ik via een nota van wijziging zal expliciteren dat saldering op jaarbasis dient plaats te vinden. In deze nota van wijziging heb ik tevens opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de berekening van de jaarlijkse leveringskosten.
Zie verder ook de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Hoe moet de salderingsregeling worden toegepast wanneer er sprake is van een energiecontract op basis van variabele (uurlijkse) tarieven?
Eérst dienen op jaarbasis de hoeveelheid ingevoede en de hoeveelheid onttrokken elektriciteit tegen elkaar weggestreept te worden. Het aantal kWh dat resteert, onttrokken dan wel ingevoed wordt, wordt gefactureerd. Op dit moment is niet wettelijk vastgelegd op welke wijze dit dient te gebeuren in een situatie waarbij het tarief in de factuurperiode varieert. In een nota van wijziging die ik uw Kamer zal toesturen, wordt opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de berekening van de jaarlijkse leveringskosten.
Het risico op een overval op tabaksspeciaalzaken. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de eigenaresse van een tabakswinkel zwaar getraumatiseerd is als gevolg van een gewapende overval?1
Ja.
Hebt u gezien dat zowel het raam als de voordeur van de betreffende winkel volledig zijn geblindeerd waardoor niemand van buiten kan zien wat er binnen gebeurt en andersom?
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van deze winkeliers eist dat zij ramen en voordeur volledig afplakken om aan de regel te voldoen dat rookwaren van buitenaf niet zichtbaar zijn?
Nee, dat klopt niet. De NVWA eist niet van winkeliers dat zij hun ramen en voordeur volledig afplakken.
Voor verkooppunten van tabaks- en aanverwante producten geldt een uitstalverbod. Het uitstalverbod geldt onder voorwaarden niet voor bepaalde uitgezonderde speciaalzaken2. De wetgeving eist van hen dat te koop aangeboden tabaks- en aanverwante producten van buiten de speciaalzaak niet zichtbaar zijn. Daar houdt de NVWA toezicht op.
Uitgezonderde speciaalzaken hebben een aantal opties om aan deze wetgeving te voldoen en het is aan hen om daar zelf keuzes in te maken. Zo kunnen ze bijvoorbeeld besluiten de producten zodanig af te schermen dat deze niet van buitenaf zichtbaar zijn, of de opstelling in hun winkel hieraan aanpassen.
Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs van de NVWA of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken. De inspecteur van de NVWA verplicht niet tot het afdekken van de ramen, die keuze is aan de ondernemer zelf. Dit wordt ook zo gecommuniceerd via de website van de NVWA en door de inspecteurs die de controles uitvoeren.
Is het juist dat deze regel alleen geldt voor een beperkte groep tabaksspeciaalzaken die vanwege de strikte definitie van tabaksspeciaalzaak en de daaraan verbonden vereisten niet onder het uitstalverbod vallen?
Nee, er is geen regel die verplicht tot het afplakken van ramen en deuren. Uitgezonderde (tabaks)speciaalzaken hoeven niet te voldoen aan het uitstalverbod en zijn (onder voorwaarden) vrijgesteld van het verbod op reclame in de winkel mits tabaksproducten en aanverwante producten en reclame niet van buitenaf zichtbaar zijn.
Wat vindt u van de praktische vuistregel van brancheorganisatie NSO Retail dat het voor tabaksspeciaalzaken volstaat als voorbijgangers die op het trottoir langs de winkel lopen en een blik naar binnen werpen geen rookwaar zien?
Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken
Realiseert u zich dat, wanneer mensen met hun neus tegen de etalage staan of op de drempel van de ingang staan om naar binnen te gaan, het niet altijd te vermijden is dat tabaksproducten van buitenaf zichtbaar zijn?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat tabakswinkels behoren tot een risicosector als het gaat om gewapende overvallen?
Voor retail-winkels in algemene zin geldt dat de risico’s mede bepaald worden door de verkoop van aantrekkelijke en gemakkelijk te verhandelen buit, in combinatie met al dan niet genomen preventieve maatregelen, zoals het alleen cashless betalen of het hebben van camera’s in een winkel.
Weet u dat het Platform Criminaliteitsbestrijding (NPC) het advies geeft dat winkels in het kader van beperking van overvalrisico’s transparant moeten zijn?
Het NPC3 bespreekt op bestuurlijk niveau thema’s die landelijke, regionale en lokale aanpakken kan ondersteunen. Het NPC geeft geen dergelijke concrete adviezen.
Door de politie wordt in het algemeen aan retail-winkels het advies gegeven ervoor te zorgen dat er zichtlijnen zijn, ofwel wordt transparantie bepleit, zodat een eventuele overval zichtbaar is en omstanders, andere winkelmedewerkers of mensen die langs lopen zo spoedig mogelijk alarm kunnen slaan.
Op verzoek van het Ministerie Justitie en Veiligheid zal vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie worden meegedacht met tabakswinkeliers hoe zij de tabakswaren zodanig kunnen opstellen dat zij voldoen aan voornoemde wetgeving en er tegelijkertijd zichtlijnen blijven houden voor de veiligheid van winkelier, medewerkers, klanten en andere omstanders.
Vindt u het gerechtvaardigd om van kleine winkeliers te eisen dat ze zichzelf en hun medewerkers in gevaar brengen vanwege de strikte afplakeis van de NVWA?
De NVWA stelt geen afplakeis aan kleine winkeliers.
Uitgezonderde speciaalzaken hebben een aantal opties om aan de wetgeving te voldoen en het is aan hen om daar zelf keuzes in te maken.
Zo kunnen ze bijvoorbeeld besluiten de producten toch af te schermen of de opstelling in hun winkel zodanig aan te passen dat de producten niet van buitenaf zichtbaar zijn. Als men dat ook niet wil of niet kan zal men iets met een andere afscherming moeten doen. Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken. Er wordt door de inspecteur van de NVWA niet verplicht tot het afdekken van de ramen, die keuze is aan de ondernemer zelf.
Weegt het volledige gebrek aan doeltreffendheid van deze eis van de NVWA wat u betreft op tegen de substantiële verhoging van het risico dat winkeliers en hun medewerkers lopen op een gewapende overval en het gevaar en potentiële trauma’s die hiermee gepaard gaan?
Zie het antwoord op vraag 9
Wilt u hierover snel met de branche in gesprek gaan?
Op verzoek van het Ministerie Justitie en Veiligheid zal vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie worden meegedacht met tabakswinkeliers hoe zij de tabakswaren zodanig kunnen opstellen dat zij voldoen aan de wetgeving en er tegelijkertijd zichtlijnen blijven houden voor de veiligheid van winkelier, medewerkers, klanten en andere omstanders.
Bent u bekend met het bericht «Postchaos in ’s-Heer Arendskerke nog niet voorbij: «Het is nu tijd om verdere stappen te nemen»»?1
Ja.
Was u voor deze berichtgeving op de hoogte van problemen met de postbezorging in ’s-Heer Arendskerke? Zo ja, hoe lang bent u al bekend met dit probleem?
Nee.
Kunt u zich de schriftelijke Kamervragen over het bericht «Weer geen post in Kattendijke: «We noemen het hier al postgate»» nog herinneren?2
Ja.
Bent u bereid, aangezien u in de antwoorden op deze eerdere vragen aangaf de mening te delen dat de postbezorging overal in Nederland op orde dient te zijn, conform de eisen aan de Universele Postdienst (UPD), en dat inwoners er dus van verzekerd moeten kunnen zijn dat hun post wordt bezorgd, het probleem met de postbezorging in ’s-Heer Arendskerke te bespreken met PostNL (uitvoerder van de UPD) en te zorgen, zo nodig in samenspraak met de gemeente en inwoners van ’s-Heer Arendskerke, voor een structurele oplossing?
Inderdaad is het uitgangspunt dat de postbezorging overal in Nederland op orde moet zijn, conform de eisen aan de UPD. Incidentele problemen met de postbezorging zijn niet altijd te voorkomen. Alhoewel het kwaliteitsniveau van de postbezorging in Nederland tot de hoogste ter wereld behoort, kan er sprake zijn van omstandigheden die ook PostNL niet geheel in de hand heeft of kan voorzien. Krapte op de arbeidsmarkt, winterse omstandigheden, disfunctioneren van individuele postbezorgers, COVID-19 zijn daar voorbeelden van. Dergelijke omstandigheden kunnen leiden tot tijdelijke problemen bij de bezorging van post. Het is aan PostNL om hier zo snel mogelijk actie op te ondernemen, zodat weer wordt voldaan aan de eisen van de Postregelgeving. Het is aan ACM om hier toezicht op te houden en om zo nodig handhavend op te treden.
Voor wat betreft de situatie in de regio Goes heb ik van PostNL begrepen dat zij in direct, persoonlijk contact zijn met betrokkenen in ’s-Heer Arendskerke om bezorgfouten te voorkomen. Verder is het bedrijf druk bezig om nieuwe postbezorgers te werven, zodat de bezorging snel weer op het niveau is dat van PostNL verwacht mag worden. Het is in deze regio echter erg lastig om personeel te krijgen.
Bent u bereid verder te onderzoeken of er meer gemeenten zijn waar dit probleem zich voordoet, dit eventueel in samenwerking met PostNL, gezien het feit dat dit in korte tijd in twee Zeeuwse gemeenten aan de orde is, en de Kamer hierover te informeren?
PostNL dient jaarlijks aan ACM te rapporteren over de kwaliteit van de postbezorging. ACM heeft een toezichthoudende rol op het terrein van de wettelijke kwaliteitsnormen voor postbezorging. Zij kan handhavend optreden indien PostNL in gebreke blijft. Over het jaar 2021 heeft ACM ook een boete opgelegd aan PostNL, die overigens door PostNL wordt aangevochten. Verder heeft het kabinet op 24 juni maatregelen aangekondigd om de problemen op de arbeidsmarkt aan te pakken.
Mbo-studenten die niet worden toegelaten in Utrechtse cafés, andere uitgaansgelegenheden en sportfaciliteiten |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u dat mbo-studenten meermaals zijn geweigerd bij Utrechtse horecagelegenheden, terwijl studenten van de hogeschool en de universiteit daar wel werden binnengelaten?1 Erkent u dat hier sprake is van discriminatoire gronden?
Het onnodig onderscheid maken in opleidingsniveau is ongewenst. Het mbo vormt samen met het hbo en wo een brede waaier aan opleidingsmogelijkheden, ieder met zijn eigen waarden en unieke kwaliteiten. Duidelijk moet zijn dat mbo’ers onmisbaar zijn voor onze samenleving. Het vakmanschap en de innovatiekracht van de mbo’ers verdient waardering. Ik zet me daarom nadrukkelijk in voor een gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten ten opzichte van ho- en wo-studenten.
In antwoord op de vraag of er sprake is van discriminatoire gronden verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
In hoeverre heeft u überhaupt zicht op de manieren waarop mbo-studenten in onze samenleving zoal worden uitgesloten, bijvoorbeeld ook bij studentenkortingen?
Ik zet me in voor een gelijkwaardige behandeling van álle studenten in Nederland, hierin zie ik nog vele mogelijkheden voor verbetering. Dat zit ook in bewustwording van taalgebruik, waarbij soms nog onnodig onderscheid wordt gemaakt tussen mbo-, ho- en wo-studenten.
De betrokkenheid van mbo-studenten in het studentenleven kan eveneens gelijkwaardiger. Ik ben daarom blij dat sinds dit jaar ook een groep mbo-studenten welkom is bij de algemene introductieweek in Utrecht. Ik hoop dat bestuurders van andere steden het goede voorbeeld van Utrecht overnemen.
Een gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten is ook een prioriteit en onderdeel van de Werkagenda mbo waar ik de Kamer dit najaar over zal informeren. Het JOB MBO, de organisatie die mbo-studenten vertegenwoordigt, werkt mee in de totstandkoming van deze Werkagenda. Zo spreken we niet alleen over jongeren en studenten, maar vooral ook met hen en houden we dankzij de signalen die zij afgeven zicht op de gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten.
Zijn er inmiddels gesprekken gevoerd met de café-eigenaar? Zo ja, wat hebben deze gesprekken opgeleverd?
Ik heb samen met wethouder Dennis de Vries op 5 juli een gesprek gevoerd met de café-eigenaar in kwestie. Waar studenten van het hbo en de universiteit beschikken over een fysieke studentenkaart, is dat voor een deel van de mbo-studenten niet het geval. Voorwaarde om de kroeg binnen te komen volgens de eigenaar is het laten zien van een fysieke studentenkaart.
Op dezelfde avond is er door mij samen met wethouder Dennis de Vries een positief en constructief gesprek gevoerd met studenten van de Utrechtse mbo-studentenraad SR030. Er zijn in Utrecht ook veel positieve ontwikkelingen rond de inclusiviteit van mbo-studenten, zoals deelname aan de introductieweek voor studenten, de mogelijkheid om te sporten bij de studentensportverenigingen en de eerste mbo-studentenvereniging in de stad.
Klopt het dat het wettelijk niet verboden is om mbo-studenten te weigeren?
Dat klopt inderdaad. Het staat een café-eigenaar vrij een doelgroepenbeleid te voeren waarbij het café op bepaalde momenten of structureel alleen toegankelijk is voor studenten die staan ingeschreven bij een hoger onderwijsinstelling. Personen die niet tot de doelgroep behoren kunnen dan de toegang worden geweigerd. Hoewel het wettelijk niet verboden is, hoop ik door in gesprek te gaan met de betrokken personen, wel een maatschappelijke norm te stellen en duidelijk te maken dat het weigeren van mbo-studenten op basis van hun opleidingsniveau onwenselijk is.
Zou discriminatie bij horecagelegenheden naar opleidingsniveau niet moeten vallen onder «of op welke grond ook» in artikel 1 van onze Grondwet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Artikel 1 van de Grondwet verbiedt álle mogelijke vormen van discriminatie, ook discriminatie naar opleidingsniveau. Artikel 1 van de Grondwet ziet echter in de eerste plaats op verticale rechtsverhoudingen, dat wil zeggen op de relatie tussen overheid en burgers. De burger die meent door een andere burger te worden gediscrimineerd vanwege zijn opleidingsniveau, kan daarom niet rechtstreeks een beroep doen op artikel 1 van de Grondwet.
In horizontale rechtsverhoudingen, waarmee de relatie tussen burgers onderling wordt bedoeld, kunnen burgers wel een beroep doen op verschillende gelijke behandelingswetten die op een aantal belangrijke maatschappelijke terreinen tot stand zijn gekomen, zoals de arbeidsmarkt en het aanbieden van diensten. Een voorbeeld hiervan is de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb).
In deze gelijke behandelingswetten wordt het recht op gelijke behandeling afgewogen tegen andere grondrechten, zoals de vrijheid van vereniging en de godsdienstvrijheid. Die afweging is voor een aantal belangrijke persoonskenmerken zoals geslacht, ras en godsdienst gemaakt, maar niet ten aanzien van onderscheid naar opleidingsniveau. Dit betekent dat de burger die meent door een andere burger te worden gediscrimineerd vanwege zijn opleidingsniveau geen beroep kan doen op de gelijke behandelingswetten.
Dit neemt niet weg dat ik een gelijkwaardige behandeling van studenten op basis van hun opleidingsniveau een belangrijk onderwerp vind. Dat is de reden dat ik over deze situatie het gesprek ben aangegaan, in de hoop dat het een bredere maatschappelijke discussie op gang brengt over hoe wij opleidingen erkennen en waarderen.
Het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Het World Economic Forum (WEF) stuurt, zo is inmiddels bekend dankzij de correspondentie die het afgelopen half jaar door de regering is vrijgegeven, regelmatig brieven en uitnodigingen naar leden van het kabinet, brieven die echter zelden (lijken te) worden beantwoord door het kabinet. Is dit correct?
Uitnodigingen van het WEF zijn niet rechtstreeks beantwoord aan de organisatie van het WEF. Dit verliep via de Permanente Vertegenwoordiging (PV) van Nederland te Genève. De PV Genève vormt de tussenschakel voor de ministeries en het WEF, en verzorgt de ondersteuning bij het coördineren van het bezoek van de Nederlandse bewindspersonen aan het WEF.
Of heeft de Kamer (nog) niet alle antwoorden die vanuit het kabinet naar het WEF zijn gestuurd ontvangen? Indien dit het geval is, kan de Kamer ook de antwoorden van het kabinet aan het WEF alsnog ontvangen?
Het verzoek dat destijds is gedaan, is geïnterpreteerd als direct contact tussen Den Haag en het WEF, niet het contact met de PV. De communicatie met en van de PV is wel opvraagbaar (zie het antwoord op vraag 3).
Tot slot, in de brief van 9 februari 20221 wordt Minister Kaag uitgenodigd door het WEF voor de jaarlijkse WEF bijeenkomst van 22 tot en met 26 mei in Davos. Heeft de Minister deze uitnodiging beantwoord? Indien dit niet het geval is, hoe kon het WEF in dat geval weten dat Minister Kaag naar deze bijeenkomst zou komen? Indien dit wel het geval is, kan de Kamer het antwoord van het kabinet op deze brief en uitnodiging van het WEF (alsnog) ontvangen?
Zoals hierboven beschreven, is dit via de PV Genève gecommuniceerd aan het WEF. In de bijlage treft u de bevestigingsmail van het Ministerie van financiën aan de PV Genève. De PV heeft dit mondeling medegedeeld aan het WEF.
De grote belangstelling voor de regeling ‘impulsaanpak winkelgebieden’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Fonds aanpak noodlijdende winkelgebieden fors overtekend: 16 miljoen meer dan beschikbaar is»?1
Ja.
Bent u van mening dat, met het oog op de snelle veranderingen in de winkelstraat, de urgentie hoog is om winkelgebieden klaar te maken voor de toekomst?
Ja.
Bent u voornemens om, conform de toezegging van de voormalig Staatssecretaris van Economische Zaken, met de Tweede Kamer te kijken hoe geld uit de impulsregeling naar voren kan worden gehaald als er ruim meer goede aanvragen zijn ingediend dan er budget beschikbaar is?2
Wanneer veel meer goede projectaanvragen zijn ingediend dan kunnen worden gehonoreerd met het beschikbare budget voor deze openstellingsronde, dan zal ik dat zeker overwegen. Dat is nu echter nog niet aan de orde.
Bent u bereid om het geld uit de impulsaanpak dat gereserveerd staat voor de vierde en laatste tranche (2024) naar voren te halen en te verdelen over de tweede (2022) en de derde tranche (2023)?
Daarvoor zie ik op dit moment geen aanleiding. Er zijn in de eerste openstellingsronde 16 projecten ingediend die gezamenlijk 38 miljoen euro subsidie vragen. Er is voor deze ronde 22 miljoen euro beschikbaar.
Momenteel wordt de businesscase van de projectaanvragen beoordeeld op validiteit. Wanneer de projectaanvragen in financieel-technische zin akkoord zijn, dan worden de aanvragen inhoudelijk beoordeeld door de Adviescommissie Impulsaanpak Winkelgebieden. De commissie stelt een ranking op, waarbij de beste projecten het hoogst zullen eindigen. Deze projecten komen het eerst in aanmerking voor subsidie, tot het beschikbare budget is uitgeput. In de maand augustus zullen de beschikkingen worden afgegeven. Dan wordt ook duidelijk welke projectaanvragen niet voor subsidie in aanmerking komen. Het valt te verwachten dat nog enkele projectaanvragen worden afgewezen. Gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun aanvragen, zonodig na een verbeterslag, opnieuw in te dienen voor een volgende openstellingsronde.
Hoe gaat u de projecten die onder deze regeling uitgevoerd gaan worden, gebruiken om andere gemeenten en private partijen te inspireren ook te investeren in transformatie en revitalisering van winkelgebieden?
Nieuwe kennis en inzichten worden actief opgehaald en gedeeld om gemeenten en andere geïnteresseerde partijen te activeren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een breed scala aan communicatiemiddelen als websites, nieuwsbrieven, informatiebijeenkomsten en publicaties. We laten betrokkenen aan het woord, zodat hun persoonlijke ervaring en motivatie gaat leven. Hierbij werken we nauw samen met allerlei partijen, waaronder de partijen achter de Retailagenda, die dicht bij de verschillende relevante doelgroepen staan. Voorbeelden zijn de brancheorganisaties in retail en vastgoed en organisaties van gemeenten als VNG en G40, maar ook bijvoorbeeld Platform 31 en De Nieuwe Winkelstraat.
Hoe wilt u, naast de uitvoering van de regeling «impulsaanpak winkelgebieden», die door het vorige kabinet in het leven is geroepen, invulling geven aan het door dit kabinet in het regeerakkoord geformuleerde ambitie om leegstand tegen te gaan en samenwerking tussen retail, cultuur en horeca te stimuleren?
Om leegstand verder tegen te gaan werkt mijn ministerie nauw samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de gemeenten, onder andere op het terrein van transformatie. Bijvoorbeeld bij de uitwerking van het Nationaal Transformatieplan en de Verkenning Binnensteden van de G6-gemeenten. Binnen de Retailagenda wordt samengewerkt met alle partijen die actief betrokken zijn bij de transitie van de retail en de vitale binnensteden. Daarbij wordt uitdrukkelijk ingezet op het nog beter aansluiten van cultuur en horeca.
Het ‘Memorandum of Understanding’ tussen het WEF en Denemarken |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het «Memorandum of Understanding» tussen het World Economic Forum (WEF) en Denemarken?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Heeft Nederland met het WEF ook een dergelijk Memorandum of Understanding gesloten?
Nee, Nederland heeft geen dergelijk Memorandum of Understanding afgesloten.
Kan de Kamer alle «Memoranda of Understanding» toegestuurd krijgen die het WEF (mogelijk) met de Nederlandse staat heeft gesloten?
Die zijn er niet.
Het bericht dat PostNL een nieuwe digitale kloof creëert door afschaffing van papieren ‘niet-thuisberichtjes’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Niet thuis om een pakketje aan te nemen? PostNL laat geen briefje meer achter, maar mailt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schrappen van papieren «niet-thuisberichtjes» tot problemen kan leiden voor mensen die niet van online diensten gebruik kunnen maken?
De papieren berichten worden niet volledig geschrapt. Bij pakketverzendingen die vallen onder de universele postdienst (UPD) en bij medische en aangetekende post krijgen mensen nog steeds een papieren «niet-thuisbericht» indien PostNL geen e-mailadres of telefoonnummer heeft gekregen van de ontvanger van het pakket. Bij UPD-pakketverzendingen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan pakketten die mensen sturen naar familie of vrienden. Ook mensen die geen e-mailadres of mobiel nummer hebben, behouden daarom de mogelijkheid om UPD-pakketjes te ontvangen.
Pakketjes die worden besteld via webwinkels vallen niet onder de UPD. Het online bestellen van producten veronderstelt ook dat de besteller voldoende digitaal vaardig is en beschikt over een e-mailadres zodat hij of zij op de hoogte kan worden gesteld van de status van de bestelling. Bij veel webwinkels kan de consument van tevoren aangeven op welke wijze en waar een pakket bezorgd moet worden.
Ondanks dat mensen voor het ontvangen van UPD-pakketten de mogelijkheid van een fysiek «niet-thuisbericht» behouden, ziet het kabinet dat digitalisering een belangrijk onderdeel is van onze samenleving. Voor het online bestellen van producten moet iemand over bepaalde vaardigheden beschikken en is het hebben van een e-mailadres vaak vereist. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen kan deelnemen aan deze samenleving. Via het programma Digitale inclusie zet de rijksoverheid zich daarom op allerlei manieren in om mensen te helpen bij het regelen van zaken waarbij digitale systemen een rol spelen.
Vindt u ook dat de gekozen oplossing, het versturen van een sms-bericht, tot problemen kan leiden voor mensen die geen mobiele telefoon hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het daarom ook zorgwekkend dat grote groepen mensen hiermee nog verder op afstand komen te staan van de samenleving, doordat zij onvoldoende mogelijkheden hebben om gebruik te maken van online diensten en daardoor mogelijk geen pakketjes meer kunnen ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens van mening dat het ontvangen van pakketten een cruciale functie vervult voor veel mensen, zeker mensen die slecht ter been zijn?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 vindt het kabinet het belangrijk dat iedereen kan deelnemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer. Dat geldt ook voor het ontvangen van pakketten. PostNL geeft, mede met het oog op groepen die minder digitaal vaardig zijn, nog steeds papieren «niet-thuisberichten» af bij UPD-pakketten. Via het programma Digitale inclusiezet ook de overheid zich in voor een samenleving waarin iedereen kan deelnemen.
Bent u daarom ook van mening dat een bedrijf als PostNL ook een verantwoordelijkheid heeft om mensen die niet van online diensten gebruik kunnen maken nu en in de toekomst te ondersteunen?
PostNL geeft aan dat zij een verantwoordelijkheid ervaart om mensen die niet digitaal vaardig zijn te ondersteunen. De fysieke post is immers een belangrijk communicatiemiddel voor deze doelgroep. Mede met het oog op deze groep mensen heeft PostNL er bij de invoering van de digitale kennisgeving voor gekozen om ook de optie van fysieke kennisgeving te behouden voor ontvangers van UPD-pakketten.
Deelt u daarom ook de mening dat PostNL er, in navolging van de aangenomen motie-Kathmann c.s.2, voor dient zorg te dragen dat er ten allen tijde een offline mogelijkheid beschikbaar dient te zijn?
De motie-Kathmann heeft betrekking op overheidsdiensten, zorgverzekeraars en woningbouwcorporaties. De pakketverzending van PostNL is geen overheidsdienst en valt daarom buiten de reikwijdte van deze motie.
Ondanks dat de pakketverzending geen overheidsdienst is, geeft PostNL wel aan dat zij een verantwoordelijkheid ervaart om mensen die niet digitaal vaardig zijn te ondersteunen. PostNL biedt daarom ook de mogelijkheid van een papieren «niet-thuisbericht» voor ontvangers van UPD-pakketten. Verder neemt PostNL in voorkomende gevallen deel aan landelijke overleggen met belangenorganisaties, de overheid en andere stakeholders over hoe de toegankelijkheid van dienstverlening voor mensen die minder digitaal vaardig zijn kan worden geborgd en/of verbeterd.
Welke mogelijkheden heeft u om van PostNL te verwachten dat niet-digivaardigen ook ondersteund worden?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 geldt voor de wettelijk vastgelegde UPD-diensten dat PostNL de optie van een fysieke kennisgeving blijft hanteren, waardoor ook niet-digitaal vaardigen ondersteund worden.
De pakketten van zakelijke verzenders (zoals online bestellingen bij webwinkels) vallen niet onder de wettelijk vastgelegde UPD-diensten. Hier is sprake van een vrije markt, waarbij verschillende pakketbezorgers concurreren op prijs en dienstverlening. De consument heeft vaak keuze tussen pakketvervoerders, tijdstip van aflevering en manier van aflevering. Het is niet aan mij om te bepalen hoe die dienstverlening eruit moet zien, maar in de strijd om een klant te behouden zullen pakketvervoerders hun dienstverlening wel moeten afstemmen op de behoeften van de consument.
Bent u bereid om het probleem van niet-digivaardigen met PostNL te bespreken en gezamenlijk met hen tot een oplossing te komen voor mensen die van de afschaffing van de papieren «niet-thuisberichtjes» de dupe zijn?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 behoudt PostNL de mogelijkheid voor ontvangers van pakketten om papieren «niet-thuisberichtjes» te ontvangen. Daarnaast geeft PostNL aan dat zij ook een verantwoordelijkheid ervaart om pakketbezorging toegankelijk te houden voor mensen die niet digitaal vaardig zijn. PostNL voert daar ook gesprekken over met ouderenbonden en andere stakeholders. Ik zie daarom geen noodzaak om nu zelf een gesprek met PostNL te voeren over dit onderwerp.
Door de Nederlandse regering erkende MTCS-certificaten |
|
Laura Bromet (GL), Tom van der Lee (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de in Maleisië aangespannen rechtszaak door houtkapbedrijf Samling tegen de inheemse ngo «SAVE Rivers» en inheemse leiders, naar aanleiding van de melding op de website van SAVE Rivers over twee bij Malaysian Timber Certification Scheme (MTCS) formeel ingediende klachten van inheemse gemeenschappen met betrekking tot door de Nederlandse regering erkende MTCS-certificaten?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Bent u bekend met het feit dat het bedrijf Samling in voornoemde rechtszaak – een Strategic Lawsuit Against Public Participation (SLAPP)2 pur sang – circa 1 miljoen euro aan schadevergoeding eist van SAVE Rivers en inheemse leiders?
Ik ben ervan op de hoogte dat een rechtszaak is aangespannen door het bedrijf Samling en dat er een schadevergoeding van circa 1 miljoen euro wordt geëist.
Bent u van mening dat de Malaysian Timber Certification Council (MTCC) hiermee een effectieve klachtenprocedure toepast, conform criterium 2.5 van het Nederlandse houtinkoopbeleid, dat voorschrijft dat conflicten over bosbeheer en -gebruik, arbeidsomstandigheden en sociale voorzieningen worden opgelost?
Of een effectieve klachtenprocedure is toegepast kan ik niet beoordelen. Ik zal TPAC verzoeken om, naar aanleiding van de door mij ontvangen signalen over MTCS, in gesprek te gaan met PEFC International3 over de signalen en de wijze waarop deze zijn opgepakt. Dit staat los van de hierboven genoemde rechtszaak.
Welke stappen neemt u om genoemde rechtszaak te stoppen, opdat in overeenstemming met de eisen van het Nederlandse houtinkoopbeleid belanghebbenden een dergelijk significant conflict oplossen?
Zoals hiervoor benoemd zal ik TPAC vragen om, naar aanleiding van de door mij ontvangen signalen over MTCS, in gesprek te gaan met PEFC International over de signalen en de wijze waarop deze zijn opgepakt. Voor de volledigheid hecht ik er aan op te merken dat Nederland zich niet mengt met de interne rechtsgang in andere landen. Dat laat onverlet dat de ambassade het verloop van de rechtszaak in de gaten houdt.
Heeft de MTCC de Nederlandse regering voorafgaand aan het verlopen van de vijfjarige erkenningstermijn tijdig verzocht om een herbeoordeling, mede gezien het feit dat de MTCC in 2020–2021 een nieuwe standaard heeft aangenomen die reeds wordt toegepast?3 Zo ja, waarom heeft er nog geen herbeoordeling plaatsgevonden? Zo nee, werd de erkenning van MTCS per 18 januari 2022 effectief ingetrokken c.q. opgeschort?
Nee, de Malaysian Timber Certification Counsil (MTCC) heeft de Nederlandse regering niet verzocht om een herbeoordeling. De MTCC is daartoe ook niet verplicht. MTCS is in 2021 door de Programme for the Endorsement of Forest Certification International (PEFC International), een mondiaal keurmerk voor duurzaam bosbeheer, goedgekeurd («endorsed») als landensysteem binnen PEFC. MTCS hout wordt alleen geleverd met een PEFC keurmerk en is niet herkenbaar als MTCS. MTCS is toegelaten tot het Rijksinkoopbeleid, zolang PEFC International is toegelaten tot het Rijksinkoopbeleid. PEFC International is in april 2020 door TPAC positief beoordeeld.
Heeft de Toetsingscommissie Inkoop Hout (TPAC) van de overheid op basis van de klachtenprocedure van Stichting Milieukeur het expliciete mandaat van de regering om lopende erkenning van een certificeringssysteem te schorsen? Zo ja, op welke gronden kunnen belanghebbenden een dergelijke corrigerende interventie bewerkstelligen?
TPAC handelt op basis van de TPAS en de TPAC User Manual. Conform deze stukken beperkt TPAC zich tot het op verzoek van het Ministerie van IenW uitbrengen van advies aan de Staatssecretaris van IenW. Een eventuele uitsluiting van een certificeringssysteem in het kader van het Rijksinkoopbeleid is ter beoordeling van de overheid zelf.
Bent u bereid tot een onmiddellijke schorsing van MTCS, zoals gevraagd door een Maleisische delegatie van inheemsen die van 11 tot en met 13 mei een bezoek aan Nederland bracht, een verzoek dat ook is benadrukt door vier Nederlandse ngo’s in een brief aan u van 22 april 2022? Zo ja, welke status heeft het hout met MTCS-label dat na januari 2022 naar Nederland verscheept is?
TPAS en de TPAC User Manual beschrijven welke stappen van toepassing zijn. Zoals benoemd zal ik TPAC verzoeken om in gesprek te gaan met PEFC International over de signalen en de wijze waarop deze zijn opgepakt. Pas na dat gesprek wordt bezien of eventuele volgende stappen genomen moeten worden.
Bent u bekend met het in december 2020 door de Internationale Tropisch Hout Organisatie (ITHO) geaccepteerde projectvoorstel voor duurzaam bosbeheer en bosherstel in de Upper Baram Forest Area (UBFA), dat een van de laatste resterende boscomplexen in Sarawak vormt – met een vitale rol voor biodiversiteit, leefomgeving van inheemse gemeenschappen en als klimaatbuffer? Bent u ermee bekend dat, naast een bijdrage van de deelstaatregering van Sarawak aan bovengenoemd voorstel, ook door vier andere financiers reeds een bijdrage is toegezegd? Bent u bereid het openstaande bedrag op het projectbudget (USD 258.045,40 ofwel 27,6% van het totale ITHO-budget) te financieren?4
Voor de beantwoording van deze vraag is overleg geweest met het Ministerie van LNV. Dit projectvoorstel is bekend. Het projectvoorstel is geaccepteerd door de Internationale Tropisch Houtraad, het hoogste orgaan van de ITHO, het uitvoerend orgaan van de Internationale Tropisch Houtovereenkomst waar Nederland en de andere EU-lidstaten partij in zijn.
Naast de verplichte contributie kunnen aangesloten partijen aanvullende vrijwillige bijdragen aan de ITHO leveren voor de uitvoering van projecten. Ook hebben andere partijen, waaronder een niet-gouvernementele organisatie, bijdragen toegezegd aan het projectvoorstel. Er wordt geen aanleiding gezien om het openstaande bedrag te financieren.
Was artikel 3.13 in het inkoopbeleid geldig gedurende de loopduur van de erkenning? Of klopt de stelling van de TPAC dat hun het mandaat was ontnomen om te monitoren en actie te ondernemen conform dit artikel?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 6 handelt TPAC op basis van de TPAS en de TPAC User Manual. Conform deze stukken handelt TPAC alleen op mijn verzoek en heeft het binnen het Rijksinkoopbeleid geen eigenstandige bevoegdheid om te handelen.
Het bericht ‘Sociaal ondernemen groeit (te) langzaam naar volwassenheid’. |
|
Romke de Jong (D66), Jan de Graaf (CDA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Sociaal ondernemen groeit (te) langzaam naar volwassenheid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat wordt geschetst, dat er aan aandacht voor sociale ondernemingen geen gebrek is, maar dat het macro-economisch «nog niet bijster veel» voorstelt?
Een erg goed zicht op de bijdrage van maatschappelijke ondernemingen2 aan de economie in Nederland ontbreekt, mede vanwege uiteenlopende definities. In vergelijking met andere landen in Europa lijkt die bijdrage in Nederland relatief beperkt te zijn, mede verband houdend met de door de Europese Commissie en Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling gehanteerde begrip «sociale economie», waartoe vertaald naar de Nederlandse situatie een goed deel van het maatschappelijk middenveld (waaronder scholen, verzorgings- en verpleeghuizen en woningcorporaties) kan worden gerekend.
Overigens merk ik daarbij op dat het economisch aandeel van Nederlandse maatschappelijke ondernemingen zich niet tot Nederland beperkt. Een deel van de deze ondernemingen richt zich op de waardeketen en daarmee samenhangend op betere prijzen voor producenten in ontwikkelingslanden.
Herkent u de geluiden dat financiering moeilijk is aan te trekken, omdat het bij sociale ondernemingen vaak gaat om nieuwe, onbekende verdienmodellen maar juist ook omdat bij een sociale onderneming die winst maakt wordt getwijfeld of die wel werkelijk sociaal is?
Uit de Social Enterprise Monitor 2020–2021 blijkt dat maar een klein deel van de maatschappelijke ondernemingen (4%) niet succesvol is na haar financieringsaanvraag in het verkrijgen van de financiering. Dit is relatief laag vergeleken met de constatering uit de meest recente financieringsmonitor dat 23% van het mkb niet succesvol is in het verkrijgen van de financiering na de aanvraag.
De meeste maatschappelijke ondernemingen maken gebruik van een mix van financieringsvormen (waaronder emissie van aandelen, kredietfinanciering, crowd funding, publieke financiering, social impact bonds, etcetera). Ook kunnen ze gebruik maken van financieringsinstrumenten als de BMKB-regeling en via Stichting Qredits Microfinanciering. Voor advies bij het vinden van financiering kunnen maatschappelijk ondernemers terecht bij de Kamer van Koophandel.3
In Nederland zijn er diverse private fondsen die zich richten op de financiering van maatschappelijke ondernemingen. Grofweg zijn er twee type investeringsfondsen: «impact venture»-fondsen en «venture philanthropy»-fondsen. Beide type fondsen zijn goed bekend met de verdienmodellen van maatschappelijke ondernemingen. In geval van onzekerheid over het verdienmodel van een onderneming, bijvoorbeeld vanwege de onderbouwing hiervan, zijn laatstgenoemde fondsen doorgaans bereid wat meer risico te nemen dan de eerstgenoemde fondsen. Naast deze private investeringsfondsen zijn er ook publiek-private investeringsfondsen. In het FD-artikel wordt hiervan een voorbeeld gegeven: het Brabant Outcomes Fund.
Het maken van winst vormt voor genoemde fondsen en andere investeerders zoals maatschappelijk geëngageerde business angels geen enkel beletsel zolang het realiseren van maatschappelijke impact maar voorop staat.
Deelt u de mening dat het versterken van (lokale) sociale ondernemingen gemeenten kan helpen te voldoen aan vergaande duurzame en sociale doelen, maar dat lokale overheden maar mondjesmaat de weg weten?
Met het wetsvoorstel voor de maatschappelijke BV (BVm) dat momenteel in voorbereiding is, beoogt het kabinet het voor lokale en provinciale overheden makkelijker te maken de door een BVm gedreven onderneming als een maatschappelijke onderneming te herkennen.
Lokale en provinciale overheden kunnen zich voor advies over maatschappelijk verantwoord inkopen wenden tot PIANOo.4 Dit expertisecentrum biedt op dit vlak hulp aan aanbestedende diensten en hoe zij in contact kunnen komen met maatschappelijke ondernemingen. Zo heeft het expertisecentrum een zakboek en routekaart ontwikkeld die helpen de twee verschillende werelden van de beleidsmakers en maatschappelijke ondernemers, dichter bij elkaar te brengen.
Het maatschappelijk ondernemerschap kan meer vleugels krijgen indien gemeenten en provincies maatschappelijk verantwoord inkopen en bereid zijn in zee te gaan met maatschappelijke ondernemingen, ook als deze voor hun diensten of producten een iets hogere prijs in rekening brengen.
Dat gemeenten, provincies en maatschappelijke ondernemingen elkaar kunnen versterken bij het voldoen aan vergaande duurzame en sociale doelen wordt in de City Deal Impact Ondernemen ten volle onderkend. Zo richt de City Deal zich op de versterking van het impact ecosysteem, door netwerkvorming te stimuleren, verdienmodellen op maatschappelijke opgaven te ontwerpen, in te zetten op doorgroei en opschaling van maatschappelijke ondernemingen en door financieringsstromen voor deze ondernemingen toegankelijker te maken.
Welke manieren ziet u om lokale en provinciale overheden te stimuleren om te kiezen voor sociale ondernemingen, bijvoorbeeld in inkoop- en aanbestedingsbeleid, maar ook door het doen van impactinvesteringen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met specifieke drempels die sociaal ondernemers ervaren bij opschaling van hun onderneming? Ziet u noodzaak of toegevoegde waarde om in het start- en scale-upbeleid specifiek aandacht te besteden aan sociale ondernemingen?
Belangrijk kenmerk van een maatschappelijke onderneming is dat het verdienmodel van de onderneming niet op zichzelf staat maar een middel is voor het realiseren van maatschappelijke impact. Maatschappelijke impact staat dus voorop. Dit betekent dat investeerders in de regel genoegen moeten nemen met een lager financieel rendement op hun investeringen dan gebruikelijk. Maatschappelijke ondernemingen in de scale-upfase kunnen problemen ondervinden als zij voor hun verdere groei zijn aangewezen op reguliere investeerders.
De Europese Commissie heeft in het Actieplan Sociale Economie aangekondigd in 2022 nieuwe financiële producten te zullen ontwikkelen in het kader van het InvestEU programma, dit met het oog op het stimuleren van private financiering naar de behoeften van maatschappelijke ondernemingen in alle fases van hun ontwikkeling. Daarbij zal een rol zijn weggelegd voor InvestNL als uitvoeringspartner van InvestEU.
Bent u bekend met het in bredere zin ontbreken van herkenning en erkenning van sociale ondernemingen, zowel in wetgeving als in beleid?
Al lange tijd vragen maatschappelijke ondernemers om herkenning en erkenning voor wat zij doen. Dit speelt niet in Nederland maar ook in het buitenland. Aan deze vraag komt het kabinet tegemoet door een wettelijke regeling te treffen waardoor Nederland op dit punt niet langer een witte vlek zal zijn op de Europese kaart. In voorbereiding is een wetsvoorstel voor de maatschappelijke BV (BVm). Eind dit jaar, mogelijk begin 2023 zal het wetsvoorstel in consultatie worden gegeven. Dit betekent dat niet eerder dan in de loop van 2023 het wetsvoorstel voor behandeling naar de Kamer zal kunnen worden gestuurd.
De BVm beoogt een heldere en eenduidige rechtsstructuur te bieden die het voor investeerders en opdrachtgevers makkelijker maakt de door de BVm gedreven onderneming te herkennen als een maatschappelijke onderneming. Nu is dit voor de investeerders en opdrachtgevers vaak een opgave omdat de ondernemingen die claimen een maatschappelijke onderneming te zijn, dit op uiteenlopende wijze hebben geborgd door middel van bijvoorbeeld combinaties van entiteiten, uiteenlopende regelingen in statuten, eventuele contracten met stakeholders en/of door middel van een of meer van de mogelijkheden van certificering (o.a. pso-ladder, B corp en Code Sociaal Ondernemen).
Herkent u het beeld dat geschetst wordt dat Nederland een «witte vlek» is op de Europese kaart van sociaal ondernemen, omdat het ten opzichte van andere Europese landen ontbreekt aan een wettelijk kader?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de invoering van de besloten vennootschap met maatschappelijk doel (BVm) tegemoet kan komen aan de schroom bij opdrachtgevers en investeerders om meer met sociale ondernemingen zaken te doen, maar ook tegemoet kan komen aan dat ontbreken van herkenning en erkenning? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer bent u van plan om de wet die de invoering van de BVm mogelijk maakt naar de Tweede Kamer te sturen? Bent u bereid om dit nog in 2022 te doen?
Zie antwoord vraag 7.