Het bericht 'Rekening geblokkeerd na gift aan kleinzoon, bank belooft beterschap' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Wat vindt u van de handelwijze van de Rabobank dat direct wordt overgegaan tot het automatisch blokkeren van een particuliere rekening na een overboeking aan een bij de bank onbekend rekeningnummer, zoals beschreven in het artikel «Rekening geblokkeerd na gift aan kleinzoon, bank belooft beterschap»?1
Over deze individuele casus kan ik geen uitspraken doen, omdat ik niet bekend ben met de details van de zaak. In het algemeen kan ik wel aangeven dat het automatisch blokkeren van een rekening mij niet proportioneel lijkt vanwege het enkele feit dat de tegenrekening onbekend is.
Is volgens u een overboeking naar een onbekend rekeningnummer een «ongebruikelijke transactie» waarvoor vanuit de poortwachtersrol van de bank dergelijke maatregelen gerechtvaardigd zijn?
Uit de uitspraak van het Kifid2 begrijp ik dat in deze casus de bank niet handelde op grond van verplichtingen als poortwachter uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), maar de rekening heeft geblokkeerd vanwege vermoedens van bancaire fraude. De bank handelde in dit geval dus niet vanuit haar poortwachtersrol. Dit is desgevraagd ook bevestigd door de Rabobank. Banken volgen transacties om bancaire fraude te voorkomen.3 Hierbij kan gedacht worden aan bankhelpdeskfraude, phishing en spoofing. Banken gebruiken verschillende indicatoren om vermoedens van fraude vast te stellen. Deze indicatoren kunnen per bank verschillen. Een van deze indicatoren kan bijvoorbeeld het overboeken naar een onbekend rekeningnummer zijn. Een combinatie van indicatoren kan leiden tot vermoedens van bancaire fraude bij een bank. In zo’n geval kan de bank bijvoorbeeld de transactie tegenhouden of de rekening (tijdelijk) blokkeren. Ik vind het belangrijk dat klanten daarover zo snel mogelijk worden geïnformeerd.
Wat vindt u ervan dat de Rabobank de klant er niet van op de hoogte heeft gesteld dat de rekening werd geblokkeerd?
Indien de bank overgaat tot het blokkeren van een rekening, vind ik het belangrijk dat de bank de klant daarvan tijdig op de hoogte stelt. In de uitspraak van het Kifid lees ik dat de Rabobank inmiddels eraan werkt haar systeem zo in te richten dat rekeninghouders bij een blokkade zo snel als mogelijk worden geïnformeerd.
Bent u van mening dat uit de communicatie van de bank blijkt dat men bezig is met etnische profilering?
Ik vind het uitermate belangrijk dat banken hun (fraudedetectie)systemen zo inrichten dat er geen etnische profilering kan plaatsvinden. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 aangeef, kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Ik lees in de uitspraak van het Kifid dat in dit geval niet is komen vast te staan dat de bank zich schuldig heeft gemaakt aan etnisch profileren.
Kunt u nagaan of het vaker voorkomt dat bankrekeningnummers bij de Rabobank onbekend zijn?
De Rabobank geeft desgevraagd aan dat niet alle rekeningnummers waar een overboeking naar plaats vindt bekend zijn bij de bank. Dat kan zijn doordat het bijvoorbeeld gaat om een zeer recent geopende rekening of om een (buitenlands) rekeningnummer waar nog niet eerder naar is overgemaakt. Of het vaker voorkomt dat bankrekeningnummers bij de Rabobank onbekend zijn kan de Rabobank niet zeggen omdat hierover geen data worden bijgehouden.
Kunt u nagaan of een overboeking aan een onbekend bankrekeningnummer bij de Rabobank altijd automatische blokkering tot gevolg heeft en zo niet, waarom dat in dit geval wel zo was?
De Rabobank geeft desgevraagd aan dat haar transactiemonitoring werkt met indicatoren om fraude bij bancaire transacties te detecteren. Het is volgens de Rabobank bij potentiële fraude afhankelijk van de casus of een alert gegenereerd wordt waardoor de transactie wordt tegengehouden of de rekening van de klant (tijdelijk) wordt geblokkeerd. Verder geeft de Rabobank aan dat indien een alert wordt gegenereerd bij een transactie, een medewerker van de bank de betaling onderzoekt om te bepalen of de transactie uitgevoerd kan worden. Dit betekent dat rekeningen niet automatisch worden geblokkeerd.
Zijn er afspraken met de banken over wanneer men overgaat tot automatische blokkering van een rekening? Zo ja, worden ze naar uw mening dan goed toegepast? Zo nee, deelt u de mening dat hierover afspraken moeten worden gemaakt?
Banken hebben een belangrijke rol in het veilig houden van het betalingsverkeer en nemen daarom maatregelen om fraude te voorkomen om zo hun klanten te beschermen. Dankzij de kennis en kunde die banken hebben over bancaire fraude en hun klanten kunnen zij zelf beslissen wat hun beleid is op het gebied van fraudedetectie via een risicogebaseerde aanpak. Er zijn geen afspraken met de banken over wanneer men overgaat tot automatische blokkering van rekeningen bij de detectie van bancaire fraude. Ik vind het belangrijk dat de bank maatregelen neemt om de klant te beschermen tegen mogelijke fraude. Daarbij kan het voorkomen dat een rekening tijdelijk wordt geblokkeerd als er bepaalde indicatoren of een combinatie van indicatoren worden gesignaleerd die kunnen wijzen op een frauduleuze transactie.
Zijn er afspraken met de banken over het al dan niet gebruik van een algoritme waarop profilering plaatsvindt? Zo ja, worden ze naar uw mening goed toegepast? Zo nee, bent u van mening dat hierover afspraken moeten worden gemaakt?
Ik vind het van belang dat het betalingsverkeer toegankelijk en veilig is. Banken moeten daarom acties ondernemen om mogelijke fraude te detecteren en te voorkomen, met het doel hun klanten te beschermen. Hiervoor is ook regelmatig door uw Kamer aandacht gevraagd. Vooropgesteld moet worden dat banken zich daarbij houden aan het geldende wettelijk kader. Als het gaat om het gebruik van algoritmen en verwerking van persoonsgegevens, geldt het wettelijk kader op het gebied van mensenrechten, waaronder het recht op bescherming van persoonsgegevens. Dit is onder meer uitgewerkt in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en daarop gebaseerde regelgeving. Het is aan de aangewezen toezichthouders of de rechter om te bepalen in hoeverre banken zich aan deze wetgeving houden. Zoals ik ook aangeef in mijn antwoord op vraag 4 vind ik het uitermate belangrijk dat banken hun fraudedetectiesystemen zo inrichten dat er geen etnische profilering kan plaatsvinden. Ik zal daarom bij de uitwerking van de motie van het lid Azarkan (DENK) over de risicoselecties die banken ter implementatie van de Wwft gebruiken ook kijken naar fraudedetectie bij banken.4
Is er naar uw mening een taak voor de Minister van Financiën om te voorkomen dat banken (onbedoeld) etnisch profileren? Zo ja, hoe denkt u deze taak te gaan invullen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘US touts Biden green subsidies to lure clean tech from Europe’ |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «US touts Biden green subsidies to lure clean tech from Europe»?1
Ja.
Herkent u de signalen dat verschillende staten uit de VS, waaronder Michigan, Ohio en Georgia, hun activiteiten om Europese (investeringen van) clean tech bedrijven naar de Verenigde Staten te halen hebben opgeschroefd?
Dergelijke signalen hebben mij niet eerder bereikt, buiten het krantenartikel in de Financial Times om.
De Nederlandse overheid, in samenwerking met onder andere Nederlandse ontwikkelingsmaatschappijen, provincies, steden en gemeenten, is via de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) zelf actief met het werven van buitenlandse bedrijven, waaronder met vestigingen in de VS.
Op eenzelfde wijze hebben landen en regio’s van buiten de EU vertegenwoordigingen in de EU. Deze vertegenwoordigingen geven aan bedrijven informatie over het vestigingsklimaat in hun landen en regio’s. Dit geldt ook voor diverse Amerikaanse staten.
Er kan aangenomen worden dat de Amerikaanse staten daarbij ook informatie verstrekken over de Inflation Reduction Act. De Nederlandse overheid houdt deze activiteiten niet bij.
Ik heb de post in de Verenigde Staten en in het bijzonder de NFIA benaderd met de vraag of zij in hun netwerk in de VS hebben gemerkt dat staten zoals Michigan actief binnen de EU bedrijven proberen aan te trekken. Noch vanuit de post, noch op een andere wijze heb ik het signaal ontvangen dat er een toename zou zijn in het aantal handelsmissies en wervingsactiviteiten van Amerikaanse staatsinvesteringsfondsen in Nederland.
Kunt u aangeven in hoeverre is dit ook in Nederland zichtbaar is, bijvoorbeeld door een toename van het aantal handelsmissies of wervingsactiviteiten van Amerikaanse staatsinvesteringsfondsen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven in welke sectoren of bedrijfstakken deze ontwikkeling het meest zichtbaar is?
Zoals aangegeven lijken dergelijke wervingsactiviteiten, in ieder geval binnen Nederland, beperkt te zijn. Deze zijn zodoende ook niet zichtbaar in specifieke sectoren of bedrijfstakken. We hebben nog geen signalen ontvangen dat bedrijven overwegen te vertrekken naar de VS. Wel is bekend dat een voorgenomen investering is afgeketst. In dit geval ging het om een samenwerking tussen VDL Nedcar en de Amerikaanse autofabrikant Rivian die afgelopen november voor de tweede maal niet door is gegaan. De IRA-subsidies werden als reden genoemd voor Rivian om van de deal af te zien.2 Het gaat hier echter niet om een vertrekkend bedrijf, maar een inkomende investering die niet door is gegaan.
Verschillende Nederlandse bedrijven hebben wel aangegeven grotere investeringen in de VS te overwegen vanwege de IRA. Dit betekent niet dat deze bedrijven Nederland verlaten. Zo is bekend dat het Nederlandse OCI haar fabriek in Beaumont, Texas gaat uitbreiden om blauwe ammoniak te produceren. De IRA heeft een belangrijke rol gespeeld bij dit investeringsbesluit. De blauwe ammoniak zal in Beaumont geproduceerd worden voor lokale en exportmarkten, waaronder de EU. Deze investering gaat gelijk op met een verdriedubbeling van OCI’s ammoniakterminal in Rotterdam.3
Ondernemers zien mogelijkheden om hun toeleveringsketens te diversifiëren, waarbij vestigingen, waardeketens en productiefaciliteiten in Europa van belang blijven. De IRA creëert op die manier ook groeimogelijkheden voor Nederlandse bedrijven, zoals in de offshore wind energie, waarbij Nederlandse bedrijven meegroeien met de snel stijgende sector in de VS. Een aantal bedrijven hebben zich hier ook positief over uitgelaten in de media.4
Het is hierbij relevant om te benoemen dat de EU op financieel terrein niet onderdoet voor de IRA. Zo gaat 30% van het totale EU-budget van € 1,8 biljoen naar klimaatgerelateerde projecten, wat neer komt op € 550 miljard. De EU investeert daarmee meer in klimaatgerelateerde opgaven dan de VS met de IRA en de Infrastructure Investment and Jobs Act (IIJA). Echter, het lijkt in de VS wel makkelijker voor bedrijven om aan de beschikbare middelen te komen. In de EU zijn de beschikbare financiële middelen veel meer versnipperd over lidstaten, fondsen of subsidie-instrumenten. De EU-steun gaat ook doorgaans niet verder dan pre-commerciële steun. De steun wordt in de VS vooral gegeven via belastingkortingen en lijkt daarmee simpel, overzichtelijk en voorspelbaar voor bedrijven. Door de opzet weten bedrijven veelal ex-ante hoeveel steun/toeslag ze kunnen krijgen en dat geeft zekerheid voor het opbouwen van een businesscase.
In de Europese Unie zorgen niet financiën, maar onder andere de lange doorlooptijden voor vergunningen nu voor de meeste vertraging en onzekerheid. Het kabinet bekijkt nu binnen de EU of vergunningsprocedures versneld kunnen worden. Ook zal, zoals aangekondigd in het Green Deal Industrial Plan, gekeken worden hoe bestaande fondsen beter benut kunnen worden voor het versnellen van de energietransitie.
Zijn er concrete gevallen bekend van bedrijven in Nederland die door Amerikaanse functionarissen actief worden geworven met nieuwe Inflation Reduction Act-subsidies (IRA) op zak? Zo ja, hoeveel zijn dit er en in welke sector zijn deze bedrijven actief?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er Nederlandse bedrijven die zich hebben gemeld en overwegen om zelf naar de Verenigde Staten te vertrekken in verband met de ontwikkelingen rondom IRA?
Zie antwoord vraag 4.
Welke invloed heeft deze ontwikkeling volgens u op het Nederlandse vestigingsklimaat?
Ik zie dat Amerikaanse partijen hun investeringen in Europa en Nederland vaker uitstellen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de fabrikanten van elektrische auto’s. Dit creëert de mogelijkheid dat Amerikaanse bedrijven de komende jaren in grotere mate dan voorheen binnen de VS zullen investeren, wat de investeringen in Nederland en de EU kan verminderen. Dit wordt bevestigd door de NFIA. Ik vind dit een reden tot zorg.
Dit laat onverlet dat Nederland en de EU nog steeds een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor bedrijven, mede dankzij de aanzienlijke investeringen die al binnen Nederland en de EU plaatsvinden in de verduurzaming van het bedrijfsleven en de ontwikkelingen en toepassing van nieuwe, groene technologieën. Ondanks de goede uitgangspositie die Nederland heeft, zie ik wel een toenemende druk op het vestigings- en ondernemingsklimaat. Ik heb daarom afgelopen oktober mijn strategische agenda Ondernemingsklimaat aan de Tweede Kamer gestuurd.5 Hiermee versterk en vernieuw ik het ondernemingsklimaat. We brengen de basis op orde en focussen op het stimuleren van bedrijfsactiviteiten die cruciaal zijn voor de transities en de weerbaarbaarheid van de economie op de lange termijn. Binnen de EU bekijken we ook de komende tijd wat mogelijk verder nodig is om de aantrekkingskracht en het concurrentievermogen van Nederland en de EU te versterken. Een voorbeeld hiervan zijn de voorstellen die de Europese Commissie noemt in haar Green Deal Industrial Plan van 1 februari jl.
Wat stelt Nederland tegenover deze toegenomen activiteiten om ervoor te zorgen dat de investeringen in clean tech in Nederland overeind blijven?
Naast de bestaande EU-fondsen investeert Nederland samen met het bedrijfsleven aanzienlijk in bedrijfsverduurzaming en de ontwikkeling en toepassing van duurzame technologieën. Onder andere de maatwerkafspraken (€ 3 miljard uit het Klimaatfonds van € 35 miljard) en de investeringen vanuit het Nationaal Groeifonds (€ 20 miljard) zijn hier voorbeelden van. Met de maatwerkaanpak in het bijzonder biedt het kabinet een belangrijk deel van de industrie een instrument om investeringsrisico’s van duurzame investeringsprojecten in Nederland te verminderen. Het maatwerkinstrument biedt bedrijven die ambitieuze verduurzamingsdoelstellingen hebben de mogelijkheid om in intensief overleg met de overheid te werken aan een toekomstbestendig businessmodel.
Nederland heeft daarnaast een breed scala aan generieke subsidie-instrumenten, zoals de DEI+ waarmee innovatieve technieken om minder CO2 uit te stoten in productieprocessen mogelijk worden gemaakt. In aanvulling hierop zet Nederland zich in voor gerichte verruiming van de Europese staatsteunregels om groene investeringen te bevorderen, omdat gemerkt is dat bepaalde staatssteunregels beperkend werken en dergelijke investeringen vertragen.
Een van de krachten van Nederland is bovendien een goede samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen, fondsen en bedrijfsleven. Samen met bedrijven en andere partners bevorder ik het vestigingsklimaat door onder andere in te zetten op een goede industriële en logistieke infrastructuur en het versterken van de samenhang in onze industrieclusters. Met de relevante stakeholders worden binnen programma’s activiteiten uitgerold om onder andere de circulaire economie, waterstof, groene chemie, carbon capture and storage (CCS) en clean tech te bevorderen. Uw Kamer is over deze samenwerking geïnformeerd.6
Kunt u toelichten of en zo ja hoe in Nederland in gezamenlijkheid met overheid, bedrijfsleven en fondsen op deze ontwikkelingen wordt ingespeeld, om enerzijds kansen voor de industrie te benutten, en anderzijds het Nederlandse vestigingsklimaat te bevorderen?
Zie antwoord vraag 8.
Wanneer wordt er door de Europese Unie een knoop doorgehakt om te komen tot eigen gerichte maatregelen om de Europese economie en industrie concurrerend te houden?
De Europese Commissie heeft op woensdag 1 februari jl. een voorstel gedaan voor een «Green Deal Industrial Plan» (GDIP). Hierin staan meerdere voorstellen om het concurrentievermogen van de Europese economie en industrie te versterken. De Europese Commissie kijkt op vier verschillende onderdelen naar concrete maatregelen: op het gebied van regelgeving, toegang tot financiering, vaardigheden en handel. U bent op 6 februari jl. geïnformeerd over de inhoud van dit plan en de appreciatie van het kabinet. Het plan wordt op 9 en 10 februari a.s. besproken tijdens de buitengewone Europese Raad, waarna de Europese Commissie concrete wetgevende voorstellen zal uitwerken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het volgende debat met de Minister-President over de Europese Top?
Ja.
Het artikel ‘Groene toekomst van Tata Steel allerminst zeker’ |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Groene toekomst van Tata Steel allerminst zeker»?1
Ja.
Hoeveel en welke vergunningen moeten worden aangepast om Tata Steel te vergroenen conform het huidige voorstel?
Voor de transitieplannen van Tata Steel tot 2030, het project Heracless, zijn op hoofdlijnen aan vergunningen nodig:
Bouwvergunningen voor de realisatie van verschillende nieuwe installaties (2 Direct Reduced Iron Plants (DRI) en 3 Reducing Electric Furnace’s (REF)) en voor alle bijbehorende infrastructuur zoals kabels en leidingen en voor de aanleg van bouwvoorzieningen zoals aanlegsteigers en aanvoerwegen;
Milieuvergunningen voor emissies, geluid en veiligheidseffecten van bovengenoemde onderdelen;
Watervergunningen voor de inname en lozing van koel- en proceswater;
Een natuurvergunning (stikstofdepositie) voor de genoemde onderdelen;
Een sloopvergunning voor installaties die verdwijnen zoals voor Kooks- en Gasfabriek 2 en Hoogoven 7;
Het voornemen is om onder de Omgevingswet over ruimtelijke afwijkingen (bestemmingsplannen/omgevingsplannen) te besluiten met een zogenoemd projectbesluit. Ingeval de Omgevingswet nog niet in werking is getreden wordt een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan aangevraagd.
De komende tijd wordt in steeds meer detail duidelijk welke vergunningen precies nodig zijn en wanneer. Tata Steel moet zelf complete en kwalitatief goede vergunningaanvragen indienen. Pas als Tata Steel de vergunningen heeft aangevraagd is er compleet zicht op welke vergunningen nodig zijn. Het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland tezamen met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is uitgebreid met het bedrijf in gesprek over de vergunningen.
Hoeveel elektriciteit en waterstof zal Tata naar schatting nodig hebben in 2030?
Tata Steel Nederland (TSN) geeft aan te verwachten aan elektriciteit ruim 4 terawattuur (TWh) nodig te hebben rond 2030. Voor waterstof is de verwachting dat zo’n 200 duizend ton benodigd zal zijn. In de gesprekken met Tata is de energiebehoefte nadrukkelijk onderwerp van gesprek.
Hoe ver is de planning voor de infrastructuur die nodig is om deze energie aan te voeren, zoals elektriciteitskabels, de waterstofbackbone en een mogelijke importterminal voor waterstof of ammoniak? Wat is nog meer nodig?
Voor de verduurzamingsplannen van Tata is energie-infrastructuur op het gebied van elektriciteit, gas, mogelijk CCS op een DRI-installatie, en waterstof de komende tijd van belang. Mocht aanvullende infrastructuur nodig zijn, dan kan het bedrijf deze behoeften in het Cluster Energie Strategie Noordzeekanaalgebied (CES NZKG) inbrengen.
Op basis van de informatie zoals door TSN is aangereikt en informatie uit de CES NZKG is geen aanvullende energie-infrastructuur meegenomen ten opzichte van wat nu in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) is ogenomen. Voor de fase na 2030 is de informatie van TSN en de CES NZKG nog ontoereikend om een beeld te schetsen over benodigde energie-infrastructuur.
Hoe ziet u de gehele tijdslijn van de maatwerkafspraak en bijbehorende uitvoering met Tata tot 2030 voor u? Waar zitten binnen die tijdslijn de grootste onzekerheden volgens u?
Ik heb de planning om te komen tot een maatwerkafspraak met Tata Steel beschreven in de recente Kamerbrief over de voortgang maatwerkafspraken.2 In deze brief heb ik ook aangegeven dat er geen harde garanties gegeven kunnen worden over het tijdspad voor de maatwerkafspraken met Tata Steel. Het bedrijf is namelijk eerst aan zet om de weg naar groen staal en de specifieke ondersteuningsvraag aan het Rijk helder nader uit te werken.
TSN heeft aan het einde van het afgelopen jaar informatie over hun langetermijn-verduurzamingsplannen, zijnde een DRI-productieproces op waterstof, met ons gedeeld. Als onderdeel van deze informatie heeft TSN een vraag voor financiële ondersteuning neergelegd bij de Staat en heeft TSN de business case van het project ter onderbouwing van die vraag ingediend. De informatie moet echter nog door het bedrijf worden aangevuld met o.a. concrete financieringsplannen en de effecten van de nieuwe installaties op het klimaat en de leefomgeving. Alhoewel ik niet in detail kan treden over de aangeleverde bedrijfsvertrouwelijke informatie, is deze informatie en opvolgende analyses essentieel voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat om de plannen te kunnen beoordelen. Voordat de overheid een maatwerkafspraak met het bedrijf maakt, wil het inzicht hebben van het bedrijf dat de plannen technisch en financieel uitvoerbaar zijn en de risico’s afdoende gemitigeerd worden.
Welke vormen van financiële steun bekijkt u binnen deze maatwerkafspraak? Hoe kijkt u aan tegen garanties, leningen, subsidies en andere instrumenten?
Hoe verlopen de gesprekken met de Europese Commissie over eventuele staatssteun? Waar zitten de grootste punten van discussie? Wat zijn de grootste zorgen van de commissie? Zijn er Europese fondsen die ook ingezet kunnen worden? Indien ja, hoe faciliteert u dit?
Momenteel zijn deskundigen van mijn ministerie, met behulp van externe expertise, de plannen van het bedrijf aan het analyseren en beoordelen. Zodra ik er van overtuigd ben dat TSN’s plannen toekomstbestendig zijn en dat steun nodig is om het project te laten slagen ga ik met TSN in gesprek over mogelijke ondersteuning. Een noodzakelijke voorwaarde voor het geven van ondersteuning is dat de transitie van de staalfabriek een wezenlijke bijdrage levert aan het realiseren van de Nederlandse klimaatdoelstellingen én het verbeteren van de impact op de leefomgeving. Ook dient eerst toestemming van de Europese Commissie verkregen te zijn, vanwege de staatssteunregels van de Europese Unie. Op 21 februari jl. is ook de adviescommissie Maatwerkaanpak Verduurzaming Industrie ingesteld. Met deze externe adviescommissie wordt onafhankelijke advisering vooruitlopend op bindende maatwerkafspraken tussen de overheid en de 20 grootste industriële uitstoters geborgd.
Subsidies, borgstellingen en garantstellingen, kredieten en leningen en fiscale regelingen zijn allemaal instrumenten die mogelijk gebruikt kunnen worden voor eventuele financiële ondersteuning. Gezien de fase in het proces waar we ons nu in bevinden kan ik hier niet meer over mededelen.
Ziet u dezelfde discussiepunten in Europa ook bij uw collega’s in Duitsland of Frankrijk als het aankomt op de verduurzaming van de industrie? Hoe trekt u samen op met uw collega’s?
De gesprekken met de Europese Commissie moeten nog beginnen. Voordat ik in gesprek kan met de Commissie over mogelijke staatssteun aan het bedrijf, zal ik de plannen en onderliggende ondersteuningsvraag van Tata moeten analyseren. Daarvoor is de aanvullende informatie die Tata nog zal aanleveren van belang, zoals de financieringsplannen en de impact van de plannen op het klimaat- en de leefomgeving.
Het Innovation Fund is het belangrijkste EU-fonds dat ingezet kan worden in het geval van Tata Steel. Tata Steel kan hiertoe zelf een aanvraag indienen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal, indien gevraagd door het bedrijf, helpen met het indienen van een aanvraag.
Hoe denkt u dat het aantal medewerkers werkzaam bij Tata Steel al zal veranderen als zij op groene waterstof over zijn? Zou Tata Steel dan meer of minder medewerkers nodig hebben?
De staatssteunregels gelden voor alle Europese lidstaten. Dat wil echter niet zeggen dat ook alle discussiepunten hetzelfde zijn, omdat in verschillende landen verschillende omstandigheden gelden. Zo is het in Zweden bijvoorbeeld makkelijker om groen staal te subsidiëren door de aanwezigheid van waterkracht en heeft Duitsland meerdere staalfabrieken die met elkaar kunnen concurreren. Daar waar mogelijk wordt informatie uitgewisseld over hoe overheden dit soort projecten het beste kunnen ondersteunen. Momenteel is er veel gaande in Europa met betrekking tot de verduurzaming van de industrie. Onlangs is het Green Deal Industrial Plan verschenen, waarin verschillende verruimingen van de staatssteunkaders worden opgenomen. De reactie van het kabinet vindt u in de Kamerbrief van 8 februari jl.3
Hoeveel bedrijven in Nederland zijn afhankelijk van Tata Steel? Hoeveel indirecte werkgelegenheid verschaft dit? Zal dat naar verwachting toenemen of afnemen als Tata Steel verduurzaamt?
TSN verwacht dat in de transitiefase naar Groen Staal Tata Steel juist meer mensen nodig zal hebben, met name om de bouw van de nieuwe installaties te realiseren.
Ten behoeve van de transitie naar DRI-technologie (Direct Reduced Iron) in plaats van de bestaande hoogoventechnologie zullen andere kennis en vaardigheden nodig zijn van de mensen die betrokken zijn bij de productie van ruw ijzer en staal. Onder andere de hoogovens en de kooksgasfabrieken zullen verdwijnen en vervangen worden door DRI-installaties en elektrische ovens. Pas wanneer de gehele transitie is uitgevoerd zal naar verwachting het aantal mensen afnemen. Voor die werknemers die werken bij installaties die worden uitgefaseerd, is recent met de bonden een Sociaal Akkoord Groen Staal afgesloten.
Bent u het met de indiener eens dat de crisis- en herstelwet noodzakelijk is om het vergunningverleningstraject te versnellen gezien de grote mogelijke CO2-winst en andere redenen, zoals het versneld verminderen van de afhankelijkheid van Russisch gas?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel bedrijven afhankelijk zijn van Tata Steel.
Uit een onderzoek4 dat door Oxford Economics in juli 2019 is uitgevoerd, in opdracht van de Europese brancheorganisatie van staalbedrijven (EUROFER), blijkt bij benadering dat bij Tata Steel Nederland het aantal indirecte banen 48.800 en het aantal geïnduceerde banen 28.200 bedraagt. Binnen deze laatste twee categorieën vallen echter ook mogelijk banen die gerelateerd of geïnduceerd zijn door de staalindustrie in andere landen. Tata Steel biedt in Nederland direct werk aan ruim 11.000 personen. Daarvan werken er ongeveer 9000 op de locatie in IJmuiden. Tata Steel verwacht ten behoeve van de verduurzaming ongeveer 700 extra tijdelijke banen te creëren.
Hoe staat het in dat verband met de uitvoering van de motie-Erkens/Boucke over het versnellen van de doorlooptijden (Kamerstuk 36 200-XIII, nr. 37)?
Wij zijn het met de indiener eens dat het belangrijk is om het vergunningverleningstraject zo snel mogelijk te doorlopen, zolang dit zorgvuldig kan en voldoet aan de wet- en regelgeving. De provincie Noord-Holland is het belangrijkste bevoegde gezag voor de vergunningverlening. De provincie Noord-Holland heeft verschillende instrumenten die ingezet kunnen worden voor de vergunningverlening overwogen. De crisis- en herstelwet blijkt echter niet toepasbaar omdat het project Heracless (waar het nu om gaat bij Tata Steel) niet valt onder één van de categorieën van de crisis- en herstelwet.
De verwachting is dat de vergunningverlening van het project Heracless van Tata Steel tot stand komt onder de Omgevingswet. In dat geval is de crisis- en herstelwet al vervallen, want die gaat op in de Omgevingswet. De provincie Noord-Holland is voornemens voor het project Heracless onder de Omgevingswet de projectbesluitprocedure toe te passen en de vergunningverlening te coördineren. Hiermee verloopt het proces van vergunningverlening zo snel mogelijk. Mocht het project Heracless niet onder de Omgevingswet tot stand komen (bijvoorbeeld door verder uitstel of omdat de vergunningen voor 1 januari 2024 kunnen worden aangevraagd) dan is de provincie Noord-Holland voornemens om de vergunningverlening te coördineren via een provinciale coördinatieregeling. Met deze regeling wordt het vergunningverleningstraject ook versneld. Ook bij de toepassing van het projectbesluit of de provinciale coördinatieregeling geldt nog steeds dat het verloop van de gehele procedure voor een belangrijk deel wordt bepaald door de tijdigheid en kwaliteit van de vergunningaanvragen, onderzoeken en andere documentatie die Tata Steel aan moet leveren.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de voortgang van alle maatwerkafspraken? Hoeveel mensen werken hieraan bij het Ministerie van EZK en welke andere overheden worden bij dit proces betrokken?
Op vrijdag 24 maart is uw Kamer per brief geïnformeerd over de uitvoering van deze motie.
Het bericht 'Lightyear stopt productie eerste zonneauto: 'Focus op goedkopere model'' |
|
Romke de Jong (D66), Pim van Strien (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving dat Lightyear stopt met de productie van diens eerste zonneauto en dat er surseance van betaling is aangevraagd voor de dochteronderneming die verantwoordelijk is voor de productie van de Lightyear 0?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het in het artikel beschreven feit dat Lightyear stopt met de productie van het eerste automodel Lightyear 0?
Ik betreur het dat Lightyear uit financiële nood deze stap heeft moeten zetten. Hun vernieuwende concept van een zonne-elektrische auto, gecombineerd met andere innovaties gericht op maximale voertuigefficiëntie, lijkt namelijk veelbelovend.
Op 26 januari is het faillissement uitgesproken over Atlas Technologies B.V., de dochteronderneming die verantwoordelijk was voor de productie van de Lightyear 0. Dit was in de eerste plaats een klap voor de ruim 600 medewerkers wiens contract hierbij werd opgezegd, maar ook voor de betrokken klanten, leveranciers en investeerders.
Inmiddels is bekend dat Lightyear in afgeslankte vorm een doorstart maakt. Met een kapitaalinjectie van 8 miljoen euro en een kleine honderd werknemers kan Lightyear volgens de curator 6 maanden tot een jaar vooruit. Het bedrijf geeft aan zich volledig te richten op de ontwikkeling en productie van de Lightyear 2, eveneens een zonneauto maar dan gericht op een breder publiek. In de komende maanden zal Lightyear ook nieuw investeringsgeld moeten ophalen om die ambitie waar te kunnen maken. Ik hoop dat ze daar in slagen.
Wat betekent dit voor de intellectuele eigendomsrechten van Lightyear?
De afgelopen jaren is in totaal circa 230 miljoen euro geïnvesteerd in Lightyear door een brede, intussen verenigde groep individuele investeerders (de «IIG») en een groep meer institutionele investeerders waaronder Invest-NL en de investeringsmaatschappijen BOM en LIOF (de «G6»). Eind februari werden deze groepen en het management van Lightyear het eens over een plan voor een doorstart, waar op 3 april ook de curator zijn goedkeuring aan heeft gegeven.
Daartoe brengt de IIG de kapitaalinjectie van € 8 miljoen bijeen en is de G6 akkoord gegaan met het onderbrengen van het in haar handen zijnde intellectueel eigendom in het nieuwe bedrijf. Ook Lightyear Layer – de dochteronderneming waar de zonnecellentechnologie was ondergebracht – komt onder het nieuwe bedrijf te vallen, inclusief het intellectueel eigendom dat hier was ondergebracht. Hiermee zijn alle patenten meegenomen naar het nieuwe bedrijf. Met deze doorstart zijn de publieke investeringen via onder meer Invest-NL, BOM en LIOF gegeven de omstandigheden eveneens geborgd.
Hoe waarborgt de overheid dat investeringen die eerder vanuit Nederland zijn gedaan om deze belangrijke technologie te ontwikkelen niet onder de surseance van betaling vallen?
Zie antwoord vraag 3.
Kan het ministerie verduidelijken hoe de eigendomsrechten van deze belangrijke technologie buiten de surseance van betaling gehouden kunnen worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat innovatieve bedrijven essentieel zijn om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan en ons toekomstig verdienvermogen te versterken?
Ik deel deze mening en verwijs daarbij naar de brief Innovatie en impact (Kamerstuk 33 009, nr. 117) die ik op 11 november 2022 met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar uw Kamer heb gestuurd. Daarin geven we aan dat onderzoek en innovatie cruciaal zijn voor de grote vraagstukken van onze tijd en voor een duurzaam verdienvermogen en onze toekomstige welvaart in brede zin. Zonder innovatie is bijvoorbeeld een concurrerende, CO2-neutrale en circulaire economie ondenkbaar. Mijn ministerie zet dan ook vol in op het stimuleren van innovatie in Nederland, onder meer via generiek beleid als de WBSO, Vroege-fase-financiering en het Innovatiekrediet, of specifiek via het missie-gedreven topsectoren en innovatiebeleid of het Nationaal Groeifonds.
Deelt u de mening dat deze technologie kan uitgroeien tot een grote sector en een sleutelrol kan spelen in de verduurzaming van wegmobiliteit?
Ik ga er van uit dat u hiermee doelt op de betekenis van «solar mobility» en de kansen en mogelijkheden voor het Nederlandse solarcluster. In het Commissiedebat Innovatie van 1 november jl. heb ik toegezegd dat ik de Kamer per brief zal informeren over de uitkomst van een marktonderzoek dat ik intussen heb uitgezet om het belang en de potentie van de sector in kaart te brengen, inclusief een inventarisatie van de knelpunten en perspectief op ontwikkeling van de solar mobility sector in Nederland. De brief zal ook ingaan op de vraag of extra stappen nodig en gewenst zijn ter ondersteuning van deze sector en welke beleidsopties dan passend lijken. Ik verwacht de brief voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Overigens heb ik in ronde 3 van het Nationaal Groeifonds recentelijk een breed voorstel ingediend op gebied van circulaire zonnepanelen. Toepassing van zon-PV in vervoersmiddelen is daarbij onderdeel van de scope.
Ziet u kansen om deze technologie verder te stimuleren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe kan er worden voorkomen dat Lightyear obstakels gaat ondervinden in relatie tot de kapitaalkrachtigheid en de toegang tot latere fase financiering?
Voor het aantrekken van kapitaal is een essentiële voorwaarde dat er een positieve business case ligt waarin investeerders bereid zijn te investeren. Om die reden is het nu vooral van belang dat de onderneming een plan uitwerkt en op basis hiervan het gesprek aan gaat met haar huidige en potentiële nieuwe investeerders.
In algemene zin stimuleert de overheid de toegang tot latere fase financiering via de oprichting van Invest-NL en een aantal samen met Invest-NL opgezette fondsen, zoals het Dutch Future Fund en het Deeptech Fund. Zoals aangekondigd werk ik ook aan een visie op durfkapitaal die voor de zomer aan de Kamer wordt aangeboden.
Op welke manier waarborgt de overheid investeringen die vanuit Nederland worden gedaan voor het verder opschalen van de beter betaalbare Lightyear 2, waarvoor al 21.000 bestellingen zijn binnengekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Het vermoeden van het afnemen van Russisch uranium door de Nederlandse kerncentrale in Borssele |
|
Tom van der Lee (GL), Joris Thijssen (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Exploitant kerncentrale Borssele ontkent Russische oorlogskas te spekken» van 11 januari jl.?1
Ja.
Deelt u de mening, gezien het gegeven dat de Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ) contractueel splijtstofelementen afneemt uit Lingen en opgewekt uranium uit Borssele voor hergebruik bewerkt wordt in Rusland, een sterk vermoeden doet creëren dat EPZ via deze weg de Russische oorlogskas ondersteunt? Zo ja, hoe apprecieert u deze gegevens en het ontstane vermoeden? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen doet het kabinet geen uitspraken ten aanzien van bedrijfsvertrouwelijke informatie. EPZ heeft echter via de pers kenbaar gemaakt op dit moment geen directe zaken meer met Rusland te doen. Met het oog op de ontwikkelingen aangaande de Russische agressie in Oekraïne evalueren zij nu de indirecte relatie met Rusland welke dateert van voor de start van de oorlog in de Oekraine.2 Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is op dit onderwerp in contact met EPZ.
Deelt u de opvatting dat al het mogelijke moet worden gedaan om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven, vaak met aandelen in publieke handen, op directe dan wel indirecte wijze handel in nucleaire brandstoffen verrichten met Rusland? Is er een alternatieve leveringswijze voor dergelijke stoffen mogelijk, zo ja welke?
Het kabinet is op doorlopende basis in gesprek met partners binnen en buiten de EU over het verhogen van de druk op Rusland met nieuwe sanctiemaatregelen. Wat het kabinet betreft liggen alle opties voor nieuwe sanctiemaatregelen op tafel. EU-eenheid en leveringszekerheid zijn belangrijk bij besluitvorming over nieuwe sancties. Rusland levert nog aan westerse kerncentrales, die zich nu nog gebonden weten aan leveringscontracten die zijn afgesloten voor 24 februari 2022; de start van de oorlog in Oekraïne. Opzeggen van deze contracten kan vaak niet zonder nadelige consequenties voor de energievoorziening. Urenco heeft via de pers laten weten te werken aan uitbreiding van de productiecapaciteit voor verrijkt uranium3, zodat op termijn alternatieven beschikbaar komen.
In hoeverre kunt u verifiëren of EPZ daadwerkelijk nog grondstoffen ontvangt van het bedrijf Framatome en/of uranium voor bewerking naar Rusland zendt, nu of in de toekomst? In hoeverre heeft u inzicht in de uit Rusland afkomstige vracht(schepen) voor nucleaire brandstoffen en de inhoud en bestemming van de ladingen hiervan?
Zoals blijkt uit de gepubliceerde vergunningen4, ontvangt EPZ verse splijtstofelementen van ANF Lingen (Duitsland), onderdeel van Framatome voor de productie van elektriciteit in de kerncentrale Borssele. Na gebruik gaan de splijtstofelementen naar de opwerkingsfabriek van Orano in La Hague (Frankrijk).
Op grond van de Kernenergiewet is het verboden om zonder vergunning nucleair materiaal van en naar een Nederlandse nucleaire inrichting te vervoeren. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) is bevoegd gezag voor het verlenen van de vergunningen op grond van de Kernenergiewet. De vergunning wordt alleen verleend, indien het transport veilig kan plaatsvinden, de ontvanger gerechtigd is om het materiaal te ontvangen en er geen sprake is van sancties. De vergunning schrijft onder andere voor dat transporten 48 uur van tevoren gemeld dienen te worden bij een aantal instanties, waaronder de ANVS. In de melding dient de vergunninghouder onder andere te vermelden hoeveel materiaal er vervoerd gaat worden, met welk vervoermiddel het materiaal vervoerd gaat worden, de afzender en ontvanger van het materiaal en welke route wordt gevolgd. Er zijn momenteel geen vervoersvergunningen van kracht die het mogelijk maken om nucleair materiaal uit Rusland te vervoeren naar EPZ of vice versa.
Op welke manier draagt het toezicht uitgevoerd door Euratom / het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) al dan niet bij aan het verzwakken van de Russische oorlogskas?
Euratom en het IAEA houden toezicht op het treffen van maatregelen gericht op niet-verspreiding van splijtstoffen die kunnen worden gebruikt voor het ontwikkelen van een kernwapen. Het IAEA heeft in het kader van het Nucleaire Non-Proliferatieverdrag aanvullende afspraken gemaakt met lidstaten, onder andere gericht op het niet verspreiden van kennis die nodig is om een kernwapen te maken. Het geheel aan controle op maatregelen wordt nucleaire safeguards genoemd. Beide organisaties hebben echter geen rol in het beheersen van de inkomsten van de Russische nucleaire industrie.
Welke mogelijkheden ziet u om toezicht te versterken op de leveringsketen van nucleaire brandstoffen van en naar Borssele?
De ANVS is verantwoordelijk voor het toezicht op de veiligheid binnen nucleaire installaties in Nederland. Bij de ANVS zijn er geen signalen bekend over eventuele onregelmatigheden in de leveringsketen van nucleaire brandstoffen van en naar kerncentrale Borssele. Op dit moment bestaat er daarom geen aanleiding om het toezicht op de leveringsketen van nucleaire brandstoffen van en naar Borssele te versterken.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot de situatie uit 2020, toen bekend was dat er verarmd uranium via Nederland naar Rusland werd geëxporteerd en niet kon worden uitgesloten dat de nucleaire stof uitsluitend voor civiele doeleinden werd gebruikt?2 Wat verandert de huidige oorlogssituatie met Oekraïne aan de onzekerheid over de afkomst van het uranium voor Borssele en de levering van uranium voor hergebruik naar Rusland, aangezien het altijd moet gaan om vreedzaam gebruik zoals gesteld door het Non-Proliferatie Verdrag (NPV)?
Vanuit Nederland is sinds 24 februari 2022 geen uranium geëxporteerd naar of geïmporteerd uit Rusland. Er zijn wereldwijd voldoende uraniumvoorraden en er is diversiteit aan leveranciers. Hiernaast is het mogelijk om uranium geruime tijd op te slaan zonder degradatie van het materiaal.
In algemene zin is uranium onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen en (internationaal) toezicht om veiligheid en civiel eindgebruik van het uranium te waarborgen en proliferatie te voorkomen. Dit is onverminderd van kracht.
Hoe garandeert u dat de verarmd uraniumtails, welke in Rusland achterblijven na het verrijken van opgewerkt uranium van EPZ, uitsluitend civiel, en niet militair worden ingezet?
Een exportvergunning voor (verarmd-)uranium kan alleen worden verleend ten behoeve van civiele doeleinden. De vergunningen worden slechts afgegeven onder strikte voorwaarden. Zo worden de vergunningen uitsluitend verstrekt nadat de overheid van het ontvangende land voorafgaand aan de export formele overheidsgaranties heeft gegeven omtrent dit civiel eindgebruik. Deze werkwijze vloeit voort uit de richtlijnen van het exportcontroleregime de Nuclear Suppliers Group (NSG) en uit de EU dual-useverordening. Deze overheidsgaranties zijn formeel bindend. Het materiaal valt bovendien onder het systeem van toezicht van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA).
In hoeverre is er wat dit bericht betreft inzicht in het rechtvaardig verlopen van het vergunningstelsel van het exportcontroleregime de Nuclear Suppliers Group (NSG)?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe apprecieert u het gegeven dat de levering van nucleaire brandstoffen nog niet onder de Europese sancties jegens Rusland valt? Welke positie neemt Nederland in Brussel in bij gesprekken over eventuele Europese sancties op Russisch nucleair?
Het kabinet is op doorlopende basis in gesprek met partners binnen en buiten de EU over het verhogen van de druk op Rusland met nieuwe sanctiemaatregelen. Voor maatregelen tegen de import van uranium uit Rusland is op dit moment onvoldoende draagvlak binnen de EU. Wat het kabinet betreft liggen alle opties op tafel, waarbij oog gehouden dient te worden voor leveringsze-kerheid en EU-eenheid. Het kabinet kan niet ingaan op de onderhandelingspositie van individuele lidstaten.
Acht u het wenselijk dat op grond van EU-verordening 833/2014 van 31 juli 2014 deze internationale sancties voor een exportverbod van en/of naar Rusland wel worden ingesteld, nu er daadwerkelijk sprake is van een oorlogssituatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke sancties en/of sancties specifiek opgelegd aan het Russische Rosatom in te stellen?
Zie antwoord vraag 10.
Indien Europese sancties ervoor zouden zorgen dat EPZ / Framatome niet langer van de diensten van Rosatom gebruik zouden kunnen maken, zou er dan sprake zijn van «overmacht» waardoor EPZ / Framatome niet gehouden zouden zijn een schadevergoeding aan Rosatom te voldoen?
Indien er sprake is van een sanctiemaatregel en/of bedrijven die op de sanctielijst worden geplaatst waardoor het bedrijven in de EU niet langer toegestaan is gebruik te maken van bepaalde diensten, zijn bedrijven in de EU beschermd tegen boetes, schadeclaims en schadevergoedingen overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) nr. 833/2014 indien zij de relevante overeenkomsten opschorten, aanpassen of beëindigen. Dit zou ook het geval zijn indien Rosatom op de lijst geplaatst zou worden.
Het bericht ‘Transportsector is blij, dorpen rond A7 zijn niet overtuigd van afname verkeer na opening Prinses Margriettunnel. Rijgedrag niet te voorspellen’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Transportsector is blij, dorpen rond A7 zijn niet overtuigd van afname verkeer na opening Prinses Margriettunnel. «Rijgedrag is niet te voorspellen»»?1
Ja.
Hoe staat het met de voortgang van het onderzoek van Rijkswaterstaat naar de oorzaak van de schade en de benodigde herstelmaatregelen?
Direct na de calamiteit is Rijkswaterstaat gestart met een onderzoek naar de wijze waarop er op een veilige manier weer verkeer door de tunnel2 zou kunnen rijden en er ook werkruimte voor vervolgonderzoek gerealiseerd kan worden. Op maandag 23 januari jl. is Rijkswaterstaat gestart met de werkzaamheden daarvoor, te weten het vervangen van een gedeelte van de bigbags met zand door stalen rijplaten en betonblokken. Deze werkzaamheden zijn inmiddels afgerond en de tunnel is maandag 6 februari gedeeltelijk opengesteld voor verkeer. Ook is er werkruimte gecreëerd om onderzoek te verrichten aan de fundering (trekstangen en ankers) van de tunnel. Het onderzoek naar de bodemgesteldheid en de grondwaterstanden is al gestart en loopt op dit moment nog. Gelijktijdig met de uitvoering van de onderzoeken naar de fundering en de bodem, onderzoekt Rijkswaterstaat verschillende herstelmethodes. Medio maart 2023 verwacht Rijkswaterstaat aan de hand van deze drie onderzoeken het herstelplan af te kunnen ronden en een keuze te kunnen maken voor een herstelmethode.
Het omhoog gekomen wegdek is door het gewicht van de bigbags weer teruggezakt, in hoeverre durft u met zekerheid te stellen dat de weg niet opnieuw omhoog komt als de Prinses Margriettunnel weer geopend wordt?
Op basis van een uitgebreide stabiliteitsberekening zijn de bigbags met zand in de omhooggekomen tunnelmoot vervangen door stalen rijplaten en betonblokken. De opwaartse druk van het grondwater wordt hiermee gecompenseerd zodat de tunnelmoot op zijn plaats blijft. Deze stabiliteitsberekening is conform de geldende ontwerp en veiligheidsrichtlijnen uitgevoerd. Op alle andere moten is preventief ballast geplaatst om de bestaande fundering te ontlasten en het risico te verkleinen dat er meer moten in beweging komen. De situatie wordt via een 24/7 monitoringssysteem in de gaten gehouden. Indien nodig kan dan snel worden ingegrepen.
Het niet overschrijden van de maximumsnelheid is essentieel, waarom wordt er niet direct gekozen voor een snelheidscontrole?
Het verkeer wordt vanaf de A7 in beide richtingen van twee naar één rijstrook teruggebracht, wat al een snelheidsbeperkende werking heeft. De toegestane maximumsnelheid wordt duidelijk aangegeven op verkeersborden. Er is in deze situatie, in verband met zowel de veiligheid van de weggebruiker als die van de wegwerker, bewust gekozen voor het terugbrengen van de snelheid tot 50 km/uur. In de eerste periode na de openstelling wordt het verkeer gemonitord op snelheid door Rijkswaterstaat. Mocht het nodig blijken, dan gaat Rijkswaterstaat over tot een verzoek aan het Openbaar Ministerie om een mobiele snelheidscontrole in/nabij de tunnel te plaatsen. Handhaving op snelheid en het wel of niet overgaan tot een snelheidscontrole ter plaatse is namelijk een besluit dat niet door Rijkswaterstaat, maar door het Openbaar Ministerie genomen moet worden. Ook op andere locaties op het hoofdwegennet in Nederland wordt dit zo gedaan. Daarbij is het uiteraard wel nodig dat er voldoende capaciteit beschikbaar is aan de zijde van de politie die de handhaving moet uitvoeren.
Hoe is de huidige status van de omliggende bruggen, gezien het feit dat de huidige omleidingsroutes voorlopig blijven bestaan om het verkeer te spreiden?
Voor de twee Rijksbruggen, Spannenburg en Uitwellingerga, geldt dat er begin 2023 inspecties en kleine onderhoudsmaatregelen zijn uitgevoerd. Daaruit bleek dat beide bruggen groot onderhoud nodig hebben. Uitvoering daarvan kan wachten tot de omleidingsroutes zijn opgeheven. Het groot onderhoud wordt zo spoedig mogelijk daarna ingepland. Voor de brug bij Uitwellingerga geldt daarbij wel als voorwaarde dat het verkeerslicht ter plekke moet blijven staan totdat het groot onderhoud is uitgevoerd. Hierdoor gaat het wegverkeer gedoseerd en langzaam over de brug om zo het beweegbare deel van de brug zoveel mogelijk te ontzien. Rijkswaterstaat blijft beide bruggen nauwgezet monitoren zodat snel kan worden ingegrepen, mocht dat nodig zijn.
Bent u, ook bij gedeeltelijke heropening van de Prinses Margriettunnel, nog steeds bereid om de staat van de omliggende bruggen sneller aan te pakken?
Zoals ik ook in de brief aan de Kamer van 13 januari jl.3 verwoordde, wordt door de calamiteit bij de Prinses Margriettunnel de kwetsbaarheid van de infrastructuur in Friesland zichtbaar. Dat is reden om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak van de Friese bruggen over de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl. Hierbij onderzoekt Rijkswaterstaat mogelijkheden om te versnellen of om bruggen tijdelijk te versterken. De gedeeltelijke heropening van de tunnel doet niets af aan deze situatie.
In hoeverre zorgt de heropening van de Prinses Margriettunnel medio februari voor ontlasting van de verkeersbewegingen in de omliggende dorpen?
Zoals ook in de brief van 23 januari jl.4 aan de Kamer is aangegeven, is de verwachting dat door de gedeeltelijke opening van de A7 tussen Sneek en Joure de druk op de lokale wegen zal verminderen. De huidige omleidingsroutes blijven voorlopig bestaan om het verkeer zoveel mogelijk te spreiden. Op dit moment is niet in te schatten in hoeverre de verkeersbewegingen op de omliggende wegen exact zullen afnemen. Provincie Fryslân, gemeente Súdwest Fryslân, gemeente De Fryske Marren en Rijkswaterstaat blijven de verkeersstromen monitoren om zo te kunnen bepalen of er ingrepen nodig zijn en of omleidingsroutes al dan niet in stand moeten blijven.
Sinds de afsluiting van de A7 vinden er meer verkeersongelukken plaats op de omleidingswegen, wat voor maatregelen neemt u samen met de decentrale overheden om dit zoveel mogelijk te voorkomen?
Rijkswaterstaat staat in nauw contact met provincie Fryslân, gemeente Súdwest Fryslân, gemeente De Fryske Marren en de regionale hulpdiensten. Op basis van verkeersgegevens van deze partijen is het aantal ongevallen niet significant hoger dan anders en is er geen direct verband met de afsluiting van de Prinses Margriettunnel aantoonbaar. Partijen blijven de verkeersstromen monitoren om zo in te kunnen grijpen wanneer dat vanuit veiligheid nodig is of om omleidingsroutes te kunnen optimaliseren.
Exportkredietverzekeringen |
|
Inge van Dijk (CDA), Chris Stoffer (SGP), Jan Klink (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich uw antwoord in uw brief van 23 november 2022 betreffende de schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Economische Zaken en Klimaat op 22 november 2022, waarin u stelt dat er maatregelen genomen zijn die groene export stimuleren doordat hogere risico’s, bijvoorbeeld van nieuwere technologie, geaccepteerd worden?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten op welke maatregelen u doelt?
De exportkredietverzekering (hierna: ekv) is de afgelopen jaren ingezet om groene export te stimuleren. Hieronder worden de diverse maatregelen uiteengezet.
In 2019 is gestart met het verzekeren van risicovolle groene exporttransacties die kleiner zijn dan EUR 5 miljoen. Deze maatregel richt zich op het groene midden- en kleinbedrijf, groene startups en groene scale-ups. Dergelijke bedrijven voldoen niet altijd aan de reguliere ekv-voorwaarden, omdat zij over het algemeen beschikken over een korter trackrecord dan grote bedrijven. Voor ekv-dekking op een exporttransactie worden financiële eisen gesteld aan exporteurs en debiteuren, en deze eisen zijn versoepeld voor kleine groene exporttransacties. Daarnaast kunnen voor leningen onder deze maatregel langere looptijden dan gebruikelijk worden geaccepteerd. Op deze manier is de Nederlandse staat bereid een hoger risico te accepteren. Daarbij geldt wel dat de looptijd van de financiering nooit langer mag zijn dan de economische levensduur van het kapitaalgoed, en dat deze moet voldoen aan de internationale afspraken uit de OESO Arrangement.2 Momenteel staan onder deze maatregel vijf groene polissen en drie groene dekkingstoezeggingen (dt’s, voorlopers van verzekeringspolissen), uit met totaal ongeveer EUR 12 miljoen aan obligo.
Daarnaast verzekert de Nederlandse staat sinds 2019 bij groene projectfinancieringen een groter deel van de transactie dan bij reguliere projecten. Ook kan hierbij een lager eigen risico worden gehanteerd. Daarom geldt dat de omvang van de schadevergoeding in het geval van schade hoger is. Verder is het mogelijk om meer flexibiliteit te bieden in de momenten waarop bij groene projectfinancieringen gebruik kan worden gemaakt van de lening. Door verbetering van de financieringsvoorwaarden kan groene export beter worden ondersteund, wat van belang is voor de energietransitie.
In 2021 is verder een nieuw verzekeringsproduct ontwikkeld om groene ontwikkelingen te stimuleren, de zogenaamde «groendekking».3 Met de groendekking worden bedrijven geholpen om financiering aan te trekken voor investeringen en onderzoek die groene export stimuleren. Er hoeft dus nog geen sprake te zijn van een exporttransactie. Sinds 2022 zijn met de groendekking twee groene dekkingstoezeggingen en twee groene polissen verstrekt. Een voorbeeld van een project dat in aanmerking kwam voor groendekking is de ontwikkeling van innovatieve industriële zeilen waarmee vrachtschepen wereldwijd hun CO2-uitstoot kunnen verminderen.
Tot slot biedt ADSB dekking op fondsen met een groene doelstelling, namelijk Climate Investor One, Climate Investor Two en het Green Shipping Fund.
Op welke wijze worden «hogere risico’s' geaccepteerd door deze nieuwe maatregelen?
Zie antwoord 2.
Welke ruimte biedt u Atradius DSB, die namens de Staat exportkredietverzekeringen (ekv) aanbiedt, om groene ekv’s aan te bieden en bent u bereidt deze ruimte te vergroten, bijvoorbeeld door het toestaan van het nemen van meer marktrisico’s?
Het kabinet biedt de maximale ruimte binnen de vastgestelde nationale en internationale kaders zoals de EU-staatssteunkaders en de OESO Arrangement. De huidige internationale regels staan toe dat groene transacties gedekt worden met kredietlooptijden tot achttien jaar, wat al fors hoger is dan reguliere transacties waarbij de maximale looptijden tien jaar zijn. Nederland zet in op nog betere ondersteuning van groene transacties via verdere verruiming van deze regels en een uitbreiding van de in aanmerking komende groene transacties. Dit loopt via onderhandelingen bij de OESO voor de modernisering van de OESO Arrangement on Officially Supported Export Credits. De insteek daarbij is om de regels toekomstbestendiger te maken zodat tevens beter geconcurreerd kan worden met landen die niet onder de afspraken van de «Arrangement» vallen, zoals China en India.
Welke mogelijkheden ziet u om, naast het uitfaseren van ekv’s, gericht op fossiele activiteiten, groene ekv’s te stimuleren?
De maatregelen genoemd in antwoord 2 zijn gericht op het stimuleren van groene export. In de Kamerbrief van november jl.4 zijn verschillende andere innovatieve maatregelen benoemd in het kader van flankerend beleid voor de uitwerking van de COP26-verklaring. Over de stand van zaken van deze maatregelen zal ik u voor het Commissiedebat van 23 februari a.s. een brief sturen.5
De ekv is een vraaggestuurd instrument, waarbij verzekering de laatste schakel vormt in een investerings- of exporttransactie. De ekv dient daarom ook bekeken te worden in het licht van het totale financieringsaanbod, waar zich ook diverse mogelijkheden voor doen. In de beleidsnota voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking «Doen waar Nederlands goed in is»6, zijn deze mogelijkheden verder uitgewerkt.
Het huidige productenaanbod wordt voortdurend getoetst aan de vereisten van deze tijd. Samen met de uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB) is het kabinet continue op zoek naar manieren om groene export te stimuleren.
Daarnaast zet het kabinet in op het verder verbeteren van de dienstverlening aan bedrijven door intensievere samenwerking tussen ADSB, de ambassades, Invest International, de Rijksdienst voor Ondernemen, Invest NL en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen.
Deelt u de mening dat een goede werking van ekv’s essentieel is voor het Nederlandse bedrijfsleven in een vaak concurrerende en internationale markt en, zo ja, hoe komt dat tot uiting in het kabinetsbeleid?
Ja, deze mening deel ik. De ekv is van belang voor het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven. Met het oog op dit speelveld en de daaraan gerelateerde internationale concurrentiepositie is er vanuit het Nederlandse bedrijfsleven met regelmaat vraag naar nieuwe ekv-maatregelen. Het kabinet komt hieraan tegemoet door de inzet van nieuwe maatregelen ter ondersteuning van groene export, zoals beschreven in de antwoorden op vraag 2 en 3.
Overigens is het aantal door de ekv-verzekerde groene exporttransacties de afgelopen jaren toegenomen, waaruit geconcludeerd kan worden dat de maatregelen om groene export te stimuleren effectief zijn geweest. In 2022 waren 48 groene exporttransacties verzekerd met een ekv. Dit is een forse stijging ten opzichte van 2021 en 2020 waarin respectievelijk 24 en 14 groene transacties waren verzekerd.
Kunt u deze vragen voor 23 februari 2023 beantwoorden?
Ja.
De tekstgenerator ChatGPT |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u de geavanceerde tekstgenerator Generative Pre-trained Transformer (ChatGPT)?
Ja, wij zijn bekend met ChatGPT.
Bent u ervan op de hoogte dat veel leerlingen1 in met name het voortgezet onderwijs gebruik maken van deze geavanceerde tekstgenerator2?
Ja, wij zijn ervan op de hoogte dat gebruik wordt gemaakt van ChatGPT door leerlingen in het (voortgezet) onderwijs.
Bent u ook van mening dat door het gebruik van deze tool leerlingen niet de juiste schrijfvaardigheden leren die van belang zijn voor de rest van hun leven om deel te nemen aan het maatschappelijke leven?
In onze optiek is ChatGPT geen geschikte tool om schrijfvaardigheden bij te brengen. Artificial Intelligence (AI)-toepassingen als ChatGPT zijn weliswaar in staat om in een handomdraai een toelichtende tekst te genereren over een onderwerp, maar ze kunnen geen betekenis of context afleiden uit deze tekst. Daarom zullen vaardigheden als kritisch lezen en kritisch analyseren van teksten, het toepassen van opgedane kennis, mediawijsheid en digitale geletterdheid nog belangrijker worden in de nabije toekomst.
Het is aan scholen en leraren om goed onderwijs aan te bieden en naar eigen inzicht in te richten. Scholen en leraren kunnen hiervoor kiezen uit een divers aanbod van leermiddelen om schrijfvaardigheden bij te brengen. Vanuit het masterplan basisvaardigheden3 worden bovendien kerndoelen ontwikkeld voor de basisvaardigheden zoals taal en digitale geletterdheid. Deze worden wettelijk verankerd in het landelijke curriculum van het funderend onderwijs.
Bent u op de hoogte van het feit dat deze tool, ondanks dat het zeker een geweldige technische ontwikkeling is, ook gevaarlijk kan zijn3 en wist u dat er zelfs wordt gezegd dat we deze «box van Pandora» niet moeten willen openen4?
De technologische ontwikkeling van ChatGPT en vergelijkbare generatieve AI biedt mogelijkheden voor efficiëntie en het verkrijgen van informatie. Zoals blijkt uit de «Verkenning naar het Nederlandse Onderwijslab Artificiële Intelligentie»6 kan AI onderwijs op maat ondersteunen, de competentie en autonomie van leerlingen bevorderen, hun digitale geletterdheid vergroten en de werkdruk van leraren verminderen.
Het kabinet is ervan op de hoogte dat dergelijke technologie risico’s en zorgen met zich meebrengt, zowel binnen als buiten het onderwijs. Deze kunnen voortkomen uit de werking van de tool, waar het ondanks ingebouwde waarborgen mogelijk is om bevooroordeelde of discriminerende antwoorden te krijgen. Ook zijn er risico’s op het gebied van privacy en autonomie van leerlingen. Verder kan generatieve AI zoals ChatGPT ook gebruikt worden voor schadelijke doeleinden, zoals het verspreiden van desinformatie en phishing.
Het is daarom van belang dat er bij de inzet van AI oog is voor zowel de kansen als de risico’s. Een goed voorbeeld is het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI). In NOLAI werken scholen, wetenschappers en bedrijven samen aan de ontwikkeling en evaluatie van verantwoorde en veilige digitale innovaties die tegemoetkomen aan de behoeftes in het funderend onderwijs. In co-creatie werken zij aan een goede inzet van AI in het onderwijs, vanuit een pedagogisch en didactisch verantwoorde basis, met oog voor risico’s als privacy en autonomie van leerlingen en leraren.
Zou u de gevaren van ChatGPT willen onderzoeken en maatregelen kunnen nemen, zodat het gebruik van ChatGPT uit het klaslokaal of de collegezaal verbannen wordt?
Het kabinet verkent reeds de kansen en risico’s van AI binnen het onderwijs. Vorig jaar zijn het rapport «Naar hoogwaardig digitaal onderwijs» van het Rathenau Instituut en de verkenning «Inzet van intelligente technologie» van de Onderwijsraad verschenen. De Onderwijsraad wijst op het belang van een actieve rol voor zowel leraren en docenten als schoolleiders, bestuurders en de overheid bij de inzet van AI. Schoolleiders en bestuurders hebben een belangrijke rol in het borgen dat leerlingen, studenten en docenten digitaal geletterd zijn en AI zinvol en verantwoord inzetten. Voor de overheid ziet de Onderwijsraad een faciliterende rol door kaders te scheppen, algemene leerdoelen te formuleren voor digitale geletterdheid en te stimuleren dat er samen met de beroepsgroep toepassingen van AI worden ontwikkeld.
Binnen het NOLAI is tot 2035 voorzien in een wetenschappelijk onderzoeksprogramma waarbij in een breed perspectief gekeken wordt naar de kansen en risico’s van AI in het onderwijs. Deze breedte levert een unieke samenwerking tussen wetenschappers om de pedagogisch-didactische, sociaal-maatschappelijke en ethische aspecten van AI in onderwijs in kaart te brengen.
Verder houdt het kabinet de ontwikkelingen rond generatieve AI nauwlettend in de gaten. Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 3, zijn onderwijsinstellingen als eerste aan zet om te bepalen of en hoe ChatGPT en AI in den brede wordt ingezet binnen een klaslokaal of collegezaal.
Bent u ervan op de hoogte dat veel hackers deze tool inzetten?5
Ja, wij zijn op de hoogte van de inzet van deze tool door hackers.
Denkt u dat extra lessen over dergelijke tools en mediawijsheid in het algemeen leerlingen en studenten bewuster kan maken van het feit dat gebruik van Chat GPT een rem zet op de ontwikkeling van taal- en schrijfvaardigheden die ze heel hun leven nodig hebben?
Tools zoals ChatGPT vragen van docenten om te doordenken hoe ze op een doordachte manier met AI in het onderwijs omgaan en leerlingen de nodige taal- en schrijfvaardigheden bijbrengen. Van docenten vraagt dit meer op het gebied van didactische en digitale vaardigheden. De sleutel ligt vooral bij de didactische aanpak in de klas, bijvoorbeeld door leerlingen en studenten niet alleen te beoordelen op het eindproduct maar ook op het schrijfproces of door opdrachten in de klas te maken met pen en papier.
Daarnaast is het belangrijk dat scholieren, studenten, leraren en de maatschappij in gesprek blijven over het gebruik van AI in de klas. Van onderwijsinstellingen vraagt dit om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden. OCW draagt hieraan bij door het inrichten van een expertisepunt voor digitale geletterdheid in 2023 waar leraren, schoolleiders en bestuurders terecht kunnen voor hulp en informatie over digitale geletterdheid.
Kunstmatige intelligentie in het onderwijs |
|
Zohair El Yassini (VVD), Hatte van der Woude (VVD), Queeny Rajkowski (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «ChatGPT glipt langs docenten: «Ik gebruik het om snel huiswerk te maken»»1?
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat kunstmatige intelligentie als systeemtechnologie een ingrijpend effect heeft en gaat hebben op het onderwijs?
Ja, wij delen de mening dat artificiële intelligentie (AI) als systeemtechnologie belangrijke gevolgen op het onderwijs kan hebben.
Welke kansen en risico's voor scholen ziet u door het toegankelijker en geavanceerder worden van kunstmatige intelligentie? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kansen om het onderwijs door middel van kunstmatige intelligentie te verrijken optimaal worden benut, terwijl de risico’s en valkuilen adequaat worden getackeld?
De opkomst van AI is een gegeven en heeft impact op de maatschappij en het onderwijs. AI kan het onderwijs verbeteren door het leren motiverender en meer op maat te maken en docenten te ondersteunen. Tegelijkertijd zijn er risico’s en kan de inzet van AI bijvoorbeeld door biases leiden tot grotere verschillen tussen groepen leerlingen en studenten waardoor groepen leerlingen en studenten onterecht benadeeld kunnen worden.2 De ontwikkeling van AI zal een aanpassing vragen van docenten en leerlingen en studenten om goed met intelligente technologieën in het onderwijs om te gaan.
De sleutel ligt vooral bij de didactische aanpak in de klas, bijvoorbeeld door leerlingen niet te beoordelen op het eindproduct maar op het schrijfproces of door opdrachten in de klas te laten maken met pen en papier. Van onderwijsinstellingen vraagt dit om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden.
Aanvullend faciliteren wij een verantwoorde ontwikkeling van AI in het onderwijs, door het benutten van kansen en met oog voor de risico’s. Met behulp van het Nationaal Groeifonds investeren wij substantieel in deze ontwikkelingen tot 2035. Zo is er voor de komende tien jaar € 80 miljoen toegekend aan het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI) in het funderend onderwijs. Leraren en scholen in het funderend onderwijs kunnen deelnemen aan co-creatie projecten waarin zij samen met wetenschappers en leermiddelenmakers werken aan een goede inzet van intelligente technologieën in het onderwijs, vanuit een pedagogisch en didactisch verantwoorde basis, met oog voor risico’s als privacy en autonomie van leerlingen en leraren.
Zijn schoolbesturen en leraren voldoende op de hoogte van de risico's van kunstmatige intelligentie voor het onderwijs?
Het is belangrijk dat schoolbesturen en leraren naast de kansen ook voldoende op de hoogte zijn van de risico’s van AI voor het onderwijs. Van onderwijsinstellingen vraagt de ontwikkeling van AI om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden. Ook hebben Kennisnet, de PO-Raad en de VO-raad een monitor ontwikkeld, MYRA, die scholen inzicht geeft in hoe zij ervoor staan op het gebied van technologie en digitalisering. Bewustwording over kunstmatige intelligentie vormt daar één van de onderdelen van, waaronder het gebruik van chatbots in de klas en computational thinking.
Op welke manier passen scholen zich aan op deze snelle ontwikkeling? Op welke manier wordt het ontwikkelen van vaardigheden voor docenten en leerlingen hierin meegenomen? Hoe ziet u uw eigen rol hierin?
Zie het antwoord op vraag 3.
Aanvullend is het belangrijk dat scholieren, leraren en de maatschappij in gesprek blijven over het gebruik van AI in de klas. Dit vraagt ook iets van docenten op het gebied van didactische en digitale vaardigheden. OCW draagt hieraan bij door het inrichten van een expertisepunt voor digitale geletterdheid in 2023 waar leraren, schoolleiders en bestuurders terecht kunnen voor hulp en informatie over digitale geletterdheid.
Wordt er al onderzoek gedaan naar de manier waarop kunstmatige intelligentie het onderwijs gaat veranderen? Zo ja, welk onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit in gang te zetten?
Ja, binnen het Nationaal Onderwijslab AI is tot 2035 voorzien in een wetenschappelijk onderzoeksprogramma waarbij in een breed perspectief gekeken wordt naar de kansen en risico’s van intelligente technologieën in het onderwijs. Deze breedte levert een unieke samenwerking tussen wetenschappers om de pedagogisch-didactische, sociaal-maatschappelijke en ethische aspecten van AI in onderwijs in kaart te brengen.
Vorig jaar zijn het rapport «Naar hoogwaardig digitaal onderwijs» van het Rathenau Instituut en de verkenning «Inzet van intelligente technologie» van de Onderwijsraad verschenen. De Onderwijsraad wijst op het belang van een actieve rol voor zowel leraren en docenten als schoolleiders, bestuurders en de overheid bij de inzet van intelligente technologie. Schoolleiders en bestuurders hebben een belangrijke rol in het borgen dat leerlingen, studenten, leraren en docenten digitaal geletterd zijn en intelligente technologie zinvol en verantwoord inzetten. Voor de overheid ziet de Onderwijsraad een faciliterende rol door kaders te scheppen, algemene leerdoelen te formuleren voor digitale geletterdheid en te stimuleren dat er samen met de beroepsgroep toepassingen van intelligente technologie worden ontwikkeld.
Bent u bekend met hat artikel «ChatGPT te lijf met pen en papier»2?
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Op welke manier passen onderwijsinstellingen in het mbo, hbo en wo zich aan op deze snelle ontwikkeling? Op welke manier wordt het ontwikkelen van vaardigheden voor docenten en studenten hierin meegenomen? Hoe ziet u uw eigen rol hierin?
Mbo-, hbo- en wo-instellingen zetten AI al in voor bijvoorbeeld het optimaliseren van onderwijsprocessen en het vindbaar maken van leermaterialen. Met de komst van ChatGPT kunnen ook studenten en docenten gebruik maken van dergelijke technologie, om bijvoorbeeld het leerproces te verbeteren. Ten slotte zijn er gevallen bekend dat studenten ChatGPT gebruiken om fraude te plegen.
Docenten en opleidingen zijn als eerste aan zet om in te spelen op de toepassing van ChatGPT, alsook andere vormen van generatieve AI. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 3, kunnen docenten de onderwijsvorm aanpassen, waardoor de inzet van ChatGPT minder gevolgen heeft op het leerproces. Docenten worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die hun kennis delen in de vorm van webinars en artikelen.
Voor de opleidingen geldt dat zij moeten inspelen op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Doordat opleidingen de opleidingscurricula steeds vernieuwen, kunnen studenten binnen de opleidingen de benodigde en relevante (AI-) vaardigheden verwerven.
OCW ziet haar rol vooral als verbinder en facilitator. Met het Nationaal Groeifondsprogramma Digitaliseringsimpuls Onderwijs, investeert het kabinet in digitalisering in het mbo, hbo en wo. Onderdeel van het netgenoemde programma zijn de Centers for Teaching and Learning (CTL), die ervoor zorgt dat de nationale ICT-voorzieningen en kennis beschikbaar is voor docenten en lerenden, op een manier die past bij de eigen context, structuur en cultuur van de opleiding en instelling. Hierbij is ook aandacht voor technologieën zoals AI. Deze CTL dragen dus bij aan kennisdeling waardoor docenten ondersteund worden in hun werk.
Daarnaast biedt OCW een eenmalige subsidie aan de werkgroep Onderwijs van de Nederlandse AI Coalitie (NL AIC). Met deze subsidie wordt gewerkt aan concrete AI-pilots die bijdragen aan beter onderwijs voor leerlingen en studenten en meer ondersteuning voor docenten.
Is voldoende expertise over kunstmatige intelligentie aanwezig op het ministerie en breder binnen de rijksoverheid? Zo ja, op welke manieren ondersteunt u scholen en andere onderwijspartijen? Zo nee, hoe gaat u dat in de (nabije) toekomst alsnog doen?
Binnen de rijksoverheid is expertise aanwezig om de genoemde ondersteuning aan scholen te faciliteren. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Opgave AI: de nieuwe systeemtechnologie» van 7 oktober 2022 wordt de komende jaren verder geïnvesteerd in kennisontwikkeling voor management en medewerkers op het gebied van kunstmatige intelligentie. Op dit moment is voor Rijksambtenaren een up-to-date aanbod aan opleidingen op het gebied van kunstmatige intelligentie beschikbaar, zowel voor beginners als voor gevorderden. De Rijksacademie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO) geeft in 2023 extra aandacht aan dit aanbod en biedt ook de mogelijkheid AI-opleidingen op maat te ontwikkelen, passend bij de context van de verschillende onderdelen van de rijksoverheid.
Voor de wijze waarop het Ministerie van OCW het onderwijs ondersteunt, verwijzen wij u graag naar de beantwoording van de vragen 3, 4, 5, 6 en 8.
Hoe zorgt u ervoor dat u onderwijsinstellingen in het gehele onderwijs voldoende kunt ondersteunen als het gaat om omgang met kunstmatige intelligentie?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat de kennis in de samenleving, en dus ook in het onderwijs over AI moet worden vergroot, zoals ook de WRR adviseert en dat de nationale AI cursus hier een mooi instrument voor kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel mensen hebben de gratis AI cursus gedaan en wat kan er nog gebeuren om deze meer bekendheid te geven?3
Ja, het is van groot belang dat de kennis over AI in de samenleving en in het onderwijs wordt vergroot. Dat wordt op verschillende manieren gedaan, zoals het ontwikkelen van verantwoorde AI-innovaties in het primair en voortgezet onderwijs door het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI).
Ook de nationale AI cursus draagt bij aan bewustwording en kennisoverdracht bij burgers en professionals te vergroten. Daarvoor hebben zich tot nu toe 364.000 mensen aangemeld.
Daarnaast zijn er ook sectorspecifieke AI cursussen via de Nederlandse AI Coalitie gekomen voor o.a. zorg, energie en onderwijs, met een bereik van 50.000 mensen tot nu toe. Door de komst van ChatGPT is er een grote stijging in deelnemers van de AI cursus voor het onderwijs geweest. De komende tijd wordt de AI cursusaanpak doorontwikkeld en wordt ingezet op bredere bekendheid, o.a. via de inzet van de Nederlandse AI Coalitie en haar partners, zowel online als via events.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Nederlandse AI-coalitie over kansen en risico’s van kunstmatige intelligentie voor het onderwijs?
Ja, we zijn reeds in gesprek met de NLAIC. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 8 subsidieert OCW de werkgroep Onderwijs van de NLAIC. Ook zijn de ministeries van OCW en van EZK en deze werkgroep nauw betrokken bij de realisatie van het nieuwe innovatielab NOLAI. Het kabinet investeert € 80 mln uit het Groeifonds in NOLAI om samen met onderwijspartijen op AI gebaseerde lesmaterialen voor het onderwijs te ontwikkelen, die verantwoord en veilig zijn.
De aanwezigheid van de Nederlandse kabinetsdelegatie op het World Economic Forum in Davos |
|
Lilian Marijnissen |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Met welk doel gaat de Nederlandse kabinetsdelegatie naar het World Economic Forum 2023 in Davos?1
De jaarlijkse vergadering van het World Economic Forum biedt een goede gelegenheid om in gesprek te gaan met politici, academici, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, ngo’s en het bedrijfsleven over belangrijke en actuele thema’s. De vergadering biedt een mooie kans om nieuwe inzichten te delen en ervaringen uit te wisselen bij de aanpak van wereldwijde vraagstukken.
Welke afweging heeft het kabinet gemaakt om überhaupt naar het World Economic Forum te gaan?
Het kabinet heeft de jaarlijkse vergadering bijgewoond omdat het World Economic Forum een nuttig platform is voor de uitwisseling van kennis en ideeën.
Welke afwegingen zijn er gemaakt om met deze kabinetsdelegatie te gaan?
De kabinetsleden die zijn afgereisd naar Davos hebben een uitnodiging ontvangen van het World Economic Forum om de jaarvergadering bij te wonen.
Op welke manier en tijdens welke momenten zijn deze afwegingen gemaakt? En door wie? Kunt u de stukken die ten grondslag liggen van deze afwegingen meesturen? Zo nee, waarom niet?
De uitgenodigde bewindspersoon beslist over het al dan niet aannemen van een uitnodiging van het WEF. Deze uitnodigingen zijn eerder met Uw Kamer gedeeld2.
Kunt u een overzicht geven welke bewindslieden tijdens welke sessies aanwezig zijn op het World Economic Forum?
In de bijlage treft u de volledige programma’s aan van de Nederlandse bewindspersonen die bij de vergadering van het World Economic Forum aanwezig waren.
Kunt u de verslagen van deze sessies toezenden inclusief een lijst van andere aanwezigen van de sessies waar een Nederlands bewindspersoon aanwezig was? Zo nee, waarom niet?
Van de programmasessies van het World Economic Forum worden in de regel geen verslagen gemaakt. De meeste sessies werden gelivestreamed en zijn terug
te kijken via de website van het World Economic Forum3. Daarop staat bij elke sessie ook de deelnemerslijst vermeld. Enkele sessies hadden een vertrouwelijk karakter. Het WEF deelt de inhoud en deelnemerslijst om die reden niet.
Kunt u een overzicht geven van de ontmoetingen van de Nederlandse bewindslieden met collega’s, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en economen?
In de bijlage treft u de volledige programma’s aan van de Nederlandse bewindspersonen die bij de vergadering van het World Economic Forum aanwezig waren.
Kunt u een overzicht geven van de totale kosten die de reis naar Davos van de Nederlandse kabinetsdelegatie met zich meebrengt? Gelieve uitgesplitst naar bewindspersoon.
In onderstaande tabel treft u de kosten voor verblijf van de delegatieleden aan. Voor de overige kosten, te weten de kosten omtrent de lijnvluchten van de Minister voor BHOS, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verwijs ik u naar de bestuurskosten.
Een deel van de kabinetsdelegatie heeft voor de heen- en terugreis gebruik gemaakt van het regeringstoestel. Alle departementen hevelen sinds 2014 budget over naar I&W om de kosten van het regeringstoestel te dekken. Deze kosten worden dan ook niet meegenomen in de beantwoording van deze vraag.
De Staatssecretaris van IenW is per dienstauto naar Davos afgereisd. De kosten hiervan zijn niet meegenomen. Op de terugweg vloog de Staatssecretaris mee met het regeringstoestel.
De Minister van SZW en de Minister voor BHOS waren vanwege hun verantwoordelijkheden en afspraken langer aanwezig in Davos en vlogen daardoor niet mee met het regeringstoestel. De Minister van Buitenlandse Zaken vertrok eerder dan de rest van de delegatie vanwege een parlementaire verplichting waardoor hij voor de terugweg een lijnvlucht heeft genomen.
Rutte (AZ)
Hotel (1 overnachting)
€ 594,00
Kaag (FIN)
Hotel (1 overnachting)
€ 594,00
Hoekstra (BZ)
Hotel (1 overnachting)
€ 594,00
Schreinemacher (BZ)
Hotel (3 overnachtingen)
€ 1.462,0
Ollongren (DEF)
Hotel (1 overnachting)
€ 594,00
Van Gennip (SZW)
Hotel (3 overnachtingen)
€ 1.137,94
Heijnen (IenW)
Hotel (2 overnachtingen)
€ 796,00
Heeft u kennis genomen van het nieuwe rapport van Oxfam Novib «Survival of the Richest»2 dat is gepubliceerd op dezelfde dag als de start van het World Economic Forum?
Ja.
Wat is uw reactie op dit nieuwe rapport «Survival of the Richest»?
We zien dat de wereld sterk verandert. In 2019 waren wereldwijde armoede, ongelijkheid, kindersterfte en analfabetisme al bijna dertig jaar aan het dalen, maar mede door de COVID-19 pandemie, de oorlog in Oekraïne en de gevolgen van klimaatverandering nemen bestaande ongelijkheden weer toe.
Rapporten zoals «Survival of the Richest», maar ook analyses van de Wereldbank en OESO onderstrepen dat beeld en zijn voor het kabinet een belangrijke bron van kennis om invulling te geven aan het beleid.
Het kabinet onderschrijft de conclusie dat belastingen een belangrijke rol spelen in het adresseren van ongelijkheid. Daarom is ons beleid ook gericht op het aanpakken van onwettige geldstromen en belastingontwijking.
Erkent u dat de groeiende ongelijkheid tussen aan de ene kant de rijkste 1% procent en aan de andere kant de rest van de wereldbevolking een probleem is? Zo nee, waarom niet?
Verminderen van armoede en ongelijkheid is één van de lange termijn hoofddoelen van het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) van Nederland, zoals onder andere is vastgelegd in de beleidsnota «Doen waar Nederland goed in is» 5.
Ongelijkheid kent een grote diversiteit aan oorzaken en verschijningsvormen, denk aan ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, inkomensongelijkheid, ruraal-urbane verschillen, ongelijke toegang tot dienstverlening en digitale middelen/het internet (de «digital divide»). Als gevolg van COVID-19 zijn deze ongelijkheden op veel plaatsen toegenomen, en ontstaan nieuwe vormen, zoals ongelijke toegang tot vaccins. Het kabinet beoogt dergelijke ontwikkelingen gericht te adresseren.
Zo heeft Nederland bijvoorbeeld haar inzet vergroot op het versterken van sociaaleconomische weerbaarheid van mensen in lage en middeninkomenslanden. Dat doen we o.a. via cash transfer en safety net-programma’s.
Erkent u dat deze groeiende ongelijkheid een politieke keuze is? Zo ja, welke politieke keuze bent u bereid te nemen om deze groeiende ongelijkheid in Nederland tegen te gaan?
Ongelijkheid staat breed in de schijnwerpers, niet alleen wereldwijd maar ook in Nederland. Het heeft ook de nadrukkelijke aandacht van het kabinet. Kansengelijkheid is een van prioriteiten van het kabinet binnen de brede welvaart.
Qua inkomensongelijkheid constateert het rapport «Inkomen verdeeld»6 dat sinds 1990 de inkomensongelijkheid vrijwel gelijk is gebleven, terwijl de ongelijkheid in primaire inkomens (marktinkomens) groter is en is toegenomen. De politieke invloed op de primaire inkomensongelijkheid is beperkt, terwijl de invloed daarvan op de inkomensongelijkheid groot is. Het is een politieke keuze om de secundaire inkomensongelijkheid beperkt te houden. Overigens heeft een bepaalde mate van scheefheid van de verdeling ook positieve effecten voor de samenleving als geheel. De scheefheid biedt een prikkel; het is een stimulans om te werken, talenten te benutten en te investeren in je eigen ontwikkeling. Mensen die hard werken, risico nemen of mooie innovaties bedenken, mogen daarvoor ook worden beloond.
Qua vermogensverdeling is er meer ongelijkheid dan bij inkomens. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli naar uw Kamer is gestuurd heeft laten zien dat dit ten dele verklaarbaar is uit het feit dat vermogen gedurende de levensloop wordt opgebouwd: 40% van de scheefheid kan hiermee verklaard worden. Ook laat het rapport zien dat een scheve vermogensverdeling de negatieve effecten op kansenongelijkheid in onze samenleving kan versterken.
Het kabinet treft maatregelen om ongelijkheid in inkomens en vermogens tegen te gaan zoals door de ophoging van het wettelijk minimumloon met ruim 10%7 en het aanpakken van belastingconstructies.8
Het kabinet zet ook in op kansengelijkheid in de toekomst door het op peil houden en verbeteren van sociale voorzieningen, waarbij onder meer de kwaliteit van onderwijs wordt verbeterd via ondersteuning voor docenten en de onderwijsketen. Om ervoor te zorgen dat elk kind optimaal kansen kan pakken, trekt het kabinet de komende jaren in totaal € 1 miljard uit. Het kabinet werkt aan een reactie op de motie Van Baarle9 waarin de regering verzocht wordt om interdepartementaal de samenhang te bewaken in de aanpak om tot kansengelijkheid te komen, en tevens hierbij indicatoren te gebruiken waarmee de kansengelijkheid in de tijd kan worden gevolgd.
Heeft u – of andere leden van uw kabinet – deze ongelijkheid geagendeerd op het World Economic Forum? Zo ja, welke bewindspersonen hebben dit gedaan en op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het thema ongelijkheid is bij verschillende sessies waaraan ik heb deelgenomen aan de orde geweest. Ook in diverse bilaterale ontmoetingen van diverse bewindspersonen is het onderwerp besproken. Specifiek ging het daarbij onder meer over leefbaar loon, het creëren van een inclusieve arbeidsmarkt, de toegang tot schoon drinkwater en inclusieve handel en economische ontwikkeling.
Wat is uw reactie op het voorstel van Oxfam Novib om de rijkste 1% bijvoorbeeld tenminste 60% van hun inkomen aan belasting te laten betalen?
Het kabinet neemt de uitkomsten van het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) over fiscale onevenwichtigheden en de relatie met ongelijkheid tussen huishoudens serieus. Het kabinet heeft met het Belastingplan 2023 reeds een forse stap gezet en zet komende periode verdere stappen naar een evenwichtiger en neutraler belastingstelsel.
Een van de belangrijkste conclusies uit het IBO Vermogensverdeling is dat een onevenwichtig belastingstelsel bijdraagt aan ongelijkheid tussen huishoudens. Zo laat het IBO zien dat het inkomen uit vermogen relatief laag wordt belast ten opzichte van inkomen uit arbeid en op welke manier dit bijdraagt aan ongelijkheid tussen huishoudens. Het inkomen van de top 1% bestaat – anders dan het inkomen van andere huishoudens – voornamelijk uit inkomen uit vermogen.
Bij de voorjaarsbesluitvorming in 2022 heeft het kabinet reeds stappen gezet in het gelijker belasten van arbeid en vermogen en volgende stappen zijn gezet bij de besluitvorming richting Miljoenennota 2023. Dit heeft geleid tot een heel pakket aan maatregelen in het Belastingplan 2023, die de lasten op vermogen verzwaren, de lasten op arbeid verlichten, en daarmee de belastingdruk van verschillende type werkenden en type inkomen dichter bij elkaar brengen. Vanwege de samenstelling van het inkomen van de top 1% rijkste huishoudens ten opzichte van andere huishoudens is het zeer aannemelijk dat met de maatregelen van het Belastingplan 2023 de lastendruk van de top 1% meer toeneemt dan die van andere huishoudens.
Daarnaast zet het kabinet in op het aanpakken van belastingconstructies waarvan met name de rijkste huishoudens kunnen profiteren. Hiertoe heeft het kabinet een taakopdracht van € 550 miljoen structureel ingeboekt. In de Voorjaarsnota 2023 wordt de eerste invulling van de aanpak van belastingconstructies gepresenteerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het stelsel van werkelijk rendement voor het vermogen in box 3, wat er voor zorgt dat inkomen uit box 3-vermogen gelijker wordt belast met ander inkomen. In de kabinetsreactie op de evaluatie van de Bedrijfsopvolgingsregelingen (BOR) is vervolgonderzoek aangekondigd. Dit vervolgonderzoek loopt momenteel en wordt uiterlijk voor de zomer afgerond. Tussentijdse conclusies neemt het kabinet mee in de voorjaarsbesluitvorming.
Wat is uw reactie op het voorstel van Oxfam Novib om een eenmalige solidariteitsbelasting en belasting op excessieve winsten door bedrijven die profiteren tijdens wereldwijde crises in te voeren?
Winst is reeds belast met vennootschapsbelasting, waarbij bij een hogere winst ook meer vennootschapsbelasting is verschuldigd. In de huidige zeer uitzonderlijke omstandigheden heeft de Europese Commissie zich genoodzaakt gezien in te grijpen. Hiervoor was breed draagvlak onder de lidstaten. Het kabinet onderschreef deze noodzaak en heeft daarom voor de fossiele sector de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage ingevoerd voor 2022 en in het Belastingplan 2023 de cijns in de Mijnbouwwet voor 2023 en 2024 verhoogd.
Een algemene wettelijke grondslag creëren voor een overwinstbelasting is niet mogelijk. Een belasting bestaat in de basis uit een subject (belastingplichtige), een object (de grondslag waarover wordt geheven) en een tarief. De grondslag voor een belasting is de formele wet waarin dit alles duidelijk staat. Dat volgt ook uit artikel 104 van de Grondwet, dat voorschrijft dat belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Zonder dat duidelijk is (1) welke doelgroep moet worden belast, (2) welke overwinst moet worden belast en vervolgens (3) tegen welk tarief het moet worden belast, is het niet mogelijk een wettelijke grondslag te creëren. Daarmee kent het creëren van een grondslag dezelfde bezwaren ten aanzien van de afbakening van belastingplichtigen, de vraag wat overwinst is en de uitvoerbaarheid, als eerder al uitgebreid toegelicht in brieven aan de Tweede Kamer op 29 september 2021 en 1 juli 2022 ten aanzien van een solidariteitsheffing.10
Heeft u kennis genomen van het volgende artikel uit de Volkskrant: «Samenzwering in de Alpen»: hoe de Great Reset een mondiale complottheorie over werelddominantie werd»?3
Ja.
Erkent u dat het World Economic Forum een broedplaats is voor neoliberale ideeën?
Het doel van het World Economic Forum is om kennis en ideeën uit te wisselen in de aanpak van wereldwijde problemen, zoals armoede, ongelijkheid, klimaatverandering of de Russische invasie in Oekraïne. De ideeën worden uitgewisseld tussen politici, academici, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven. Omdat de deelnemers verschillende achtergronden, kennis, en overtuigingen hebben, zijn de ideeën uiteenlopend en niet gebaseerd op één specifiek gedachtegoed.
Kunt u begrijpen dat de Nederlandse kabinetsdelegatie op het World Economic Forum veel ergernis oproept bij de Nederlandse bevolking, omdat het immers gaat om een willekeurig gezelschap dat zich met hoge (reis)kosten afzondert in een luxe Zwitsers resort?
Het is begrijpelijk dat mensen willen weten wat er bij de jaarlijkse vergadering van het World Economic Forum gebeurt en waarom een Nederlandse kabinetsdelegatie daaraan deelneemt.
Voor de reden waarom een kabinetsdelegatie aan de jaarvergadering van het World Economic Forum heeft deelgenomen, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1.
De meeste sessies waaraan leden van het Nederlandse kabinet hebben deelgenomen werden gelivestreamed en zijn terug te kijken via de website van het World Economic Forum (zie ook het antwoord op vraag 6).
In de bijlage treft u de volledige programma’s aan van de Nederlandse bewindspersonen die bij de vergadering van het World Economic Forum aanwezig waren.
Wat is democratische legitimiteit van deze top?
De jaarlijks vergadering van het World Economic Forum is bedoeld voor de uitwisseling van kennis en ideeën over actuele maatschappelijke vraagstukken tussen politici, academici, journalisten en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, internationale organisaties en ngo’s. Tijdens de jaarlijkse vergadering van het World Economic Forum vindt geen politieke besluitvorming plaats.
De rol van notarissen bij dubieuze grondhandel |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Tienduizenden Nederlanders slachtoffer van dubieuze grondhandel»?1
Ja
Herkent u de geschetste problematiek waarbij dubieuze grondhandelaren stukken grond opknippen en deze verkopen met de belofte dat hier spoedig gebouwd mag worden?
Ja, al strookt het gestelde in de vraag over de «belofte dat er op korte termijn gebouwd mag worden» niet met de praktijk waarbij deze handelaren dit omzichtiger formuleren dan een «belofte».
Het opknippen van deze percelen is een uitwas van grondspeculatie. Wat gaat u doen om grondspeculatie verder tegen te gaan?
Bij het opknippen van percelen wijst het artikel erop dat het vaak gaat om percelen waarop geen concrete bouwbestemming is voorzien en dat de handelaren die percelen opknippen en deze snippers aanbieden, veelal een te positief beeld schetsen van de potentie. De kopers zijn ingegaan op een speculatieve mogelijkheid in de hoop hiermee geld te verdienen. Dat mensen ingaan op zulke speculatieve mogelijkheden is geen nieuw fenomeen. Nieuwe regelgeving moet echter afgewogen worden tegen de hinder die andere markttransacties hiervan kunnen ondervinden. Zo zijn er geen instrumenten om het opknippen van agrarische percelen zonder meer tegen te gaan. Over hoe kan worden omgegaan met versnippering als toekomstige ruimtelijke doelen zoals woningbouw toch geraakt worden, heeft de Minister van Financiën eerder geantwoord op de vragen van lid Van Eijs (18 maart 2021). De overheid kan met het voorkeursrecht versnippering voorkomen als zij een bouwmogelijkheid voorziet, en zij kan tevens op reeds versnipperde grond een eerste recht van koop vestigen. Daarnaast staat haar onteigening ter beschikking wanneer de eigenaren van de snippers niet bereid en/ of in staat zijn het plan met bouwmogelijkheden dat de overheid voor ogen staat te realiseren.
Hoe beoordeelt u de rol van notarissen en de zorgplicht die bij hun beroep hoort in het licht van deze grondhandel?
De Minister voor Rechtsbescherming hecht een groot belang aan de naleving van de zorgvuldigheidsnormen zoals deze gelden voor het notariaat. De beoordeling van de rol van notarissen en de daarbij behorende zorgplicht in het licht van grondhandel is voorbehouden aan de notariële tuchtrechter. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de omstandigheden van het geval een grote rol spelen. Die omstandigheden dient een notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen waakt de tuchtrechter.
In dat kader kan worden gewezen op drie recente tuchtuitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 20222, 12 juli 20223 en 22 november 20224 waarin de tuchtrechter heeft geoordeeld dat de notaris bij de koop van grond in lijn heeft gehandeld met de vereiste informatieplicht en zorgplicht. Tevens wijst de Minister voor Rechtsbescherming op de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2021, waarin is geoordeeld dat er sprake is van een zeer ernstige tekortkoming van de betrokken notaris en van structureel laakbaar handelen gedurende een langere periode. Het Gerechtshof heeft, gelijk aan de uitspraak in eerste aanleg de maatregel van ontzetting uit het notarisambt opgelegd. In een andere (civiele) uitspraak over grondinvesteringen heeft het Gerechtshof Amsterdam op 21 januari 2020 geoordeeld dat zich geen situatie voordeed op grond waarvan de betrokken notaris zijn ministerieplicht had moeten weigeren en dat geen schending van de zorgplicht van de notaris werd vastgesteld. Ook in de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Amsterdam van 22 april 20145 en de civiele uitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 20156 is geoordeeld dat de betrokken notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden.
Over dubieuze grondhandel en de rol die notarissen hierbij spelen zijn eerder vragen gesteld door het lid Van Eijs («Particuliere beleggers slepen notarissen voor de rechter vanwege rol in dubieuze grondhandel», 10 februari 2021). Toen gaf het kabinet aan zich niet te herkennen in de signalen dat notarissen particulieren onvoldoende beschermen tegen de risico’s bij grondinvesteringen. Hoe kijkt u hier nu naar?
Het beeld over dubieuze grondhandel en de rol van notarissen dienaangaande is ongewijzigd. Onder verwijzing naar mijn antwoord onder vraag 4 zal er bij de beoordeling van dit soort zaken altijd sterk naar de omstandigheden van het geval moeten worden gekeken en de rol die de notaris daar bekleedde. Die omstandigheden dient de notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen zal de tuchtrechter waken. In de drie recente tuchtuitspraken van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 24 mei 2022, 12 juli 2022 en 22 november 2022 is geoordeeld dat de notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden.
In de eerdere beantwoording kwam naar voren dat om aan de zorgplicht te voldoen‘actieve wilscontrole, kritische beoordeling van de onderliggende transacties, doorvragen, onafhankelijke advisering en alertheid op onverklaarbare prijsstijgingen» hierbij van belang zijn. In de praktijk wordt bij de levering van de grond vaak gebruik gemaakt van een volmacht. Hoe beoordeelt u de mogelijkheden van notarissen om te voldoen aan deze zorgplicht bij een (schriftelijke) volmacht? Zou een verplichte voorlichting van de kopers door de notaris bij dit soort zaken wenselijk zijn?
De informatieplicht en zorgplicht van de notaris bij een (schriftelijke) volmacht wordt aan dezelfde maatstaven beoordeeld als wanneer een koper zelf verschijnt bij het verlijden van de akte.
De notaris moet de koper informeren over het speculatieve karakter van de koop en de risico’s daarvan en moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil. De notaris geeft die informatie altijd in een rechtstreeks contact met de koper. De notaris kan dit schriftelijk of mondeling doen. Het heeft de voorkeur dat de koper daartoe wordt uitgenodigd op het kantoor van de notaris. De zorgplicht van de notaris brengt met zich mee dat hij in zijn dossier schriftelijk vastlegt dat en op welke wijze hij de koper heeft geïnformeerd en dat de koper zich bewust is van het speculatieve karakter van de transactie, en dat de koper deze transactie wil. Die zorgplicht brengt ook met zich mee dat de notaris een en ander schriftelijk bevestigd aan de koper. De notaris geeft de koper tijdig tevoren de gelegenheid van de inhoud van de akte van levering kennis te nemen door hem een ontwerp van de akte toe te sturen. De notaris volgt deze handelwijze ook als de koper niet zelf wil verschijnen bij het verlijden van de akte, maar daarvoor een volmacht wil geven7. Deze omschreven handelwijze is met voldoende waarborgen omkleed om de notariële zorgplicht uit te voeren, ook wanneer de koper middels een volmacht het verlijden van een akte laat plaatsvinden.
In het recente verleden werden al een aantal keren tuchtzaken aanhangig gemaakt tegen notarissen met betrekking tot (speculatieve) grondhandel. De tuchtrechters oordeelden in vergelijkbare zaken zeer verschillend. Hoe beziet u het feit dat tuchtrechters hierin niet uniform oordelen? Is een aanscherping van de wet noodzakelijk om meer uniformiteit in de beoordeling door tuchtrechters te bewerkstelligen?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 en 5 ook al is aangegeven is de beoordeling door de tuchtrechter van de rol van notarissen met betrekking tot (speculatieve) grondhandel sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat houdt in dat de notaris in elke zaak door de tuchtrechter aan dezelfde maatstaf wordt getoetst of deze heeft voldaan aan zijn informatieplicht en zorgplicht die voortvloeit uit het notarisambt, maar dat de beoordeling van de rol van de notaris door de omstandigheden van het geval een andere uitkomst kunnen hebben. Dit houdt dus niet in dat tuchtrechters niet uniform oordelen, maar dat de aan hen voorgelegde gevallen niet gelijk zijn. Een aanscherping van de wet is derhalve niet aan de orde.
Uit de beantwoording van de eerdere vragen bleek verder dat de ACM en de AFM toezicht houden op de naleving van de regels omtrent het beschermen van particulieren tegen misleidende informatie bij verkoop, waaronder de verkoop van grond. Toen waren er nauwelijks meldingen bij de ACM en AFM bekend over dit onderwerp. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft meldingen bij ACM en AFM hieromtrent? Mochten er wederom weinig meldingen bekend zijn, hoe kunnen ACM en AFM proactief particulieren beschermen bij de verkoop van grond?
De ACM ontvangt nog steeds nauwelijks meldingen over dit onderwerp. Via de website ACM ConsuWijzer geeft de ACM proactief voorlichting over de rechten van consumenten. Het betreft praktisch advies gericht op algemene onderwerpen (zoals misleiding bij verkoop) en een aantal specifieke onderwerpen (zoals de energietransitie). Consumenten kunnen bellen of de website raadplegen.
Ook de AFM ontvangt nauwelijks signalen over dit onderwerp. Daarnaast blijkt bij het beoordelen van een dergelijk signaal regelmatig dat de aanbieding waarover dit signaal gaat buiten haar toezicht valt, aangezien deze aanbieding bijvoorbeeld niet voldoet aan de criteria die gelden voor een beleggingsobject. De AFM en ACM blijven individuele casussen op dit terrein beoordelen en op grond van hun mandaat daartegen optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Natuurlijk gebruiken leerlingen ChatGPT. Het onderwijs kan maar beter anticiperen op de robots»1 (Volkskrant, 16 januari 2023) en «ChatGPT glipt langs docenten: «Ik gebruik het om snel huiswerk te maken»»2 (NOS, 16 januari 2023)? Zo ja, hoe beoordeelt u de desbetreffende berichten?
Ja, we zijn bekend met deze berichten. Wat deze ontwikkelingen uiteindelijk voor het onderwijs gaan betekenen weten we nu nog niet zeker. Wat we wel weten, is dat sommige docenten zich nu geconfronteerd zien met de risico’s van deze recente ontwikkelingen op het gebied van artificiële intelligentie (AI) en zich daarover zorgen maken. Die zorgen begrijpen wij. Ook zijn er docenten die kansen zien om met AI hun onderwijs te verbeteren. Er is veel behoefte aan een gesprek over de impact van AI op het onderwijs. Van onderwijsinstellingen vraagt dit om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden.
Het is belangrijk om te vermelden dat het onderwijs niet stil staat. De inzet van AI en in bredere zin digitalisering is al langer een belangrijk thema in het onderwijs. Dit zien we terug in goede initiatieven zoals de programma’s Doorpakken op Digitalisering en het Versnellingsplan. Ook in de komende tijd blijft het onderwijs hier aandacht aan besteden. Vanuit OCW wordt in 2023 een expertisepunt voor digitale geletterdheid opgericht als centraal online informatiepunt, loket voor scholen en als ondersteuningsstructuur waar leraren, schoolleiders en bestuurders terecht kunnen voor hulp en informatie over digitale geletterdheid. Hierover zijn we op dit moment in gesprek.
AI is echter niet de eerste technologie die zijn intrede doet in het onderwijs die een impact achterlaat. Zo hadden de rekenmachine en computers bijvoorbeeld ook veel gevolgen, maar worden deze nu veelvuldig gebruikt in de klas. AI kan het onderwijs verbeteren door het leren motiverender te maken, het onderwijs beter af te stemmen op de behoefte van de lerende en docenten te ondersteunen.
Wat vindt u van de recente ontwikkelingen rondom kunstmatige intelligentie en in het bijzonder ChatGPT? Deelt u de zorgen van de vragenstellers over de gevolgen ervan op het onderwijs?
Zoals aangegeven bij vraag 1 geldt dat we nog niet weten wat AI uiteindelijk gaat betekenen voor het onderwijs. Wij begrijpen zowel de kansen als de risico’s die vanuit het onderwijs worden genoemd.
Het kabinet ziet aan de ene kant de positieve waarde van generatieve AI, waar ChatGPT een voorbeeld van is. Zo hebben deze systemen de potentie om efficiëntie en productiviteit te verbeteren. ChatGPT kan bijvoorbeeld teksten schrijven makkelijker maken, en kan zelfs bijdragen bij programmeren. Individuen zijn er ook relatief makkelijk mee in staat tekst te genereren voor doeleinden als vermaak of taalverwerving. Naast ChatGPT zijn afbeeldingen gegenereerd door AI, zoals wordt gedaan door DALL-E, daar een goed voorbeeld van.
Het kabinet ziet anderzijds ook diverse negatieve effecten van generatieve AI en deelt de zorgen van de vragenstellers. AI kan bijvoorbeeld leiden tot biases, waardoor groepen leerlingen en studenten om onterechte redenen benadeeld kunnen worden3, 4. Ook kunnen AI-toepassingen als ChatGPT ingezet worden door lerenden om fraude te plegen bij schrijfopdrachten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3, vraagt dit van het onderwijs om goed te doordenken hoe zij het onderwijs organiseren. ChatGPT is weliswaar in staat om in een handomdraai een toelichtende tekst te genereren over een onderwerp, maar het kan geen betekenis of context afleiden uit deze tekst. Daarom zullen vaardigheden als kritisch lezen, het kritisch analyseren en in context plaatsen van teksten, en het toepassen van opgedane kennis nog belangrijker worden in de nabije toekomst.
ChatGPT kan ook op andere wijzen en in andere domeinen negatieve effecten hebben. Deze effecten kunnen voortkomen uit de werking van de tool, waar het ondanks ingebouwde waarborgen mogelijk is om bevooroordeelde of discriminerende antwoorden te krijgen. Generatieve AI zoals ChatGPT kan ook gebruikt worden voor schadelijke doeleinden. Zoals het makkelijker maken van desinformatie en phishing. Bovengenoemde effecten omvatten niet alle zorgen die er zijn, en niet alle gevolgen zijn op dit moment al goed te overzien, zoals ook de WRR in het algemeen over AI schrijft in het rapport ‘Opgave AI. De Nieuwe systeemtechnologie’5.
Naast de ontwikkelingen in het onderwijs houdt het kabinet de algemene ontwikkelingen rond ChatGPT en dit soort breed toepasbare AI nauwlettend in de gaten. Waar bestaande kaders en maatregelen onvoldoende blijken, zullen we kijken naar wat eventueel aanvullend nodig is.
Welke handvaten hebben leraren en scholen om om te gaan met kunstmatige intelligentie?
De ontwikkeling van AI vraagt van zowel docenten als leerlingen om op een doordachte manier met deze technologie in het onderwijs om te leren gaan. Daarbij is het belangrijk dat scholieren, leraren en de brede maatschappij in gesprek blijven over het gebruik van AI in de klas. Van docenten vraagt dit ook meer op het gebied van didactische en digitale vaardigheden. OCW draagt hieraan bij door het inrichten van een expertisepunt voor digitale geletterdheid in 2023 waar leraren, schoolleiders en bestuurders terecht kunnen voor hulp en informatie over digitale geletterdheid. Van onderwijsinstellingen vraagt dit om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden.
Hoe voorkomen we negatieve effecten op de kwaliteit van het onderwijs?
Wij nemen hiervoor verschillende stappen. Wij zullen in de beleidsreactie op het rapport «Naar hoogwaardig digitaal onderwijs» van het Rathenau Instituut en de verkenning «Inzet van intelligente technologie» van de Onderwijsraad nader ingaan op onze visie op AI in het onderwijs en hoe we de kansen die AI biedt voor beter onderwijs op een veilige en verantwoorde manier kunnen benutten. Daarnaast heeft de Europese Commissie recent een handreiking gepubliceerd voor leerkrachten over hoe om te gaan met AI en data6.
Met behulp van het Nationaal Groeifonds investeren wij substantieel in het realiseren van digitale innovaties die het onderwijs verder helpen, met oog voor de risico’s. Er is € 80 miljoen beschikbaar voor het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI) tot 2035. In het NOLAI werken scholen, wetenschappers en bedrijven samen aan de ontwikkeling en evaluatie van verantwoorde en veilige digitale innovaties die tegemoet komen aan de behoeftes in het funderend onderwijs. In co-creatie projecten werken zij aan een goede inzet van AI in het onderwijs, vanuit een pedagogisch en didactisch verantwoorde basis, met oog voor risico’s als privacy en autonomie van leerlingen en leraren. Zoals blijkt uit de haalbaarheidsstudie van NOLAI kan AI onderwijs op maat ondersteunen, de competentie en autonomie van leerlingen bevorderen, hun digitale geletterdheid vergroten en de werkdruk van leraren verminderen.
Met behulp van het Groeifondsprogramma digitaliseringsimpuls investeren we ook substantieel in de digitalisering van het mbo en ho. Onderdeel van dit programma is de transformatiehub docentondersteuning. Het doel van deze transformatiehub is om docenten evidence-informed te ondersteunen en te professionaliseren, zodat zij over de juiste kennis en vaardigheden beschikken om de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering (waaronder AI) bij te houden. Een ander belangrijk onderdeel van het programma zijn de Centers for Teaching and Learning (CTL). De CTL zorgen ervoor dat nationale ontwikkelingen – zoals wetenschappelijke kennis en de bouw van nationale ICT-infrastructuren – doorgeleid worden naar de instellingen. Daarnaast ondersteunen de CTL docenten bij digitaliseringsvraagstukken.
Uiteraard blijven wij in gesprek met het onderwijsveld over de impact van AI op het onderwijs en houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Zo hebben Kennisnet, de PO-Raad en de VO-raad een monitor ontwikkeld, MYRA, die scholen inzicht geeft in hoe zij ervoor staan op het gebied van technologie en digitalisering. Bewustwording over AI vormt daar één van de onderdelen van, waaronder het gebruik van chatbots in de klas en computational thinking.
Welke stappen gaat u zetten om negatieve effecten te voorkomen en scholen te ondersteunen? En welke positieve gevolgen en kansen voor het onderwijs ziet u?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het bericht: «We gaan een interessant jaar rondom AI-ontwikkeling tegemoet»3 (Dutch IT Channel) van 7 januari? Zo ja, bent u het ermee eens dat 2023 een cruciaal jaar wordt voor kunstmatige intelligentie en het ethische gebruik daarvan door bedrijven?
Ja we zijn ben bekend met de berichten. De ontwikkelingen op het gebied van AI volgen elkaar snel op. Dit is ook door de WRR benadrukt in hun rapport «Opgave AI».
Gezien het toenemende mondiale gebruik van AI, is het ook voor het Nederlandse bedrijfsleven van groot belang dat zij inspeelt op nieuwe technologische mogelijkheden. Dit is niet alleen relevant voor onze concurrentiepositie en welvaart maar ook voor de aanpak van grote uitdagingen zoals de klimaattransitie, verduurzaming van de landbouw en personeelstekorten in de zorg en het onderwijs.
In het Nederlandse bedrijfsleven is al langer aandacht voor de mogelijkheden van AI. Gemiddeld 13% van het Nederlandse bedrijfsleven zet AI in, ten opzichte van gemiddeld 8% in het Europese bedrijfsleven.8 AI-toepassingen worden door snelle
ontwikkelingen op het gebied van analytics en machine learning steeds interessanter voor bedrijven.
Om ervoor te zorgen dat het gebruik van AI door bedrijven op een ethische manier plaatsvindt, is de aanpak van het kabinet gericht op de ontwikkeling van mensgerichte AI. Deze AI moet veilig zijn, transparant en met respect voor fundamentele rechten. Via het investeringsprogramma AiNed wordt er bijna 230 miljoen euro voor AI kennis, innovatie en talent vrijgemaakt. Onder andere de zogenaamde ELSA labs (ethical, legal, societal aspects)
verrichten onderzoek op het gebied van mensgerichte AI en helpen bedrijven bij de toepassing.
Welke nieuwe kansen en bedreigingen voorziet u voor bedrijven op het gebied van kunstmatige intelligentie naar aanleiding van de meest recente ontwikkelingen? Is de huidige inzet nog actueel in het ondersteunen van bedrijven in het gebruik van kunstmatige intelligentie voor innovatie, verduurzaming en diens productieprocessen?
Zie ook de beantwoording op vraag 6 met betrekking tot de kansen voor bedrijven. Nederland staat klaar om in te spelen op de kansen van AI. Aan de ene kant biedt AI kansen voor de aanpak van grote uitdagingen zoals de kilmaattransitie, verduurzaming van de landbouw en personeelstekorten in de zorg en het onderwijs. Daarnaast kan AI onze concurrentiepositie versterken en welvaart vergroten. AI kan voor een economische groei van 1,4 procent van het bbp per jaar zorgen als we de ontwikkeling en het gebruik van AI op grote schaal weten te adopteren.9
In de Strategie Digitale Economie10 zetten we uiteen hoe we het huidige fundament kunnen versterken en daarmee de kansen van AI zo goed mogelijk kunnen benutten. Het is belangrijk dat we blijven investeren in AI zelf en de randvoorwaarden voor de ontwikkeling en het gebruik van deze systemen. Hiermee voorkomen we ook dat we als Nederland te afhankelijk worden van grote technologiebedrijven van buiten de Europese Unie.
Een eerste belangrijke randvoorwaarde waar Nederland al een goede uitgangspositie heeft, is een goed opgeleide beroepsbevolking en internationaal toonaangevende kennisinstellingen. Het kabinet zet zich ervoor in om deze positie te behouden en waar nodig te versterken.11 Het AiNed programma focust zich onder andere op de arbeidsmarkt en zet zich in om de capaciteit voor AI opleidingen en trainingen van werknemers te verhogen. Ook werkt de Nederlandse AI Coalitie (NL AIC) aan het (bij)scholen van werknemers via gratis AI-cursussen met certificering. Daarnaast investeert het kabinet in het versterken van digitale vaardigheden in het algemeen, onder andere via het Actieplan Groene en Digitale Banen.
Een andere belangrijke voorwaarde voor een tech-ecosysteem is de beschikbaarheid van een goede digitale infrastructuur. Nederland beschikt al over een betrouwbare, hoogwaardige digitale infrastructuur en het kabinet heeft dan ook de ambitie om deze positie te behouden en verder te versterken.
Daarnaast bestaat er in Nederland al een sterke Publiek-Private Samenwerking op AI. De NL AIC speelt een belangrijke rol als facilitator van Publiek-Private Samenwerking (PPS). Kennis wordt daar ontwikkeld en gedeeld, ook naar het MKB. Deze samenwerking vindt onder andere plaats met de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen. Onder de NL AIC vallen verschillende werkgroepen die ook sectorale kennis met elkaar delen. Om praktische oplossingen te ontwikkelen voor toepassing van mensgerichte AI door organisaties, zijn er door de NL AIC 22 ELSA labs georganiseerd. Dit stimuleert de mensgerichte toepassing van AI in sectoren als de zorg of bij de energietransitie.
Het kabinet heeft de ambitie om het gebruik van geavanceerde digitale technologieën (waaronder AI) binnen het MKB te verhogen tot tenminste 75% in 2030. Dit gebeurt onder andere via bredere programma’s, waaronder de Versnelling Digitalisering MKB en Smart Industry. Ook worden er Europese Digitale Innovatiehubs (EDIHs) opgericht die het MKB ondersteunen om digitale technologieën, waaronder AI, als gebruikers toe te passen.
Naast het stimuleren van het gebruik van AI, zet het kabinet zich ook in om de ontwikkeling van deze systemen in Nederland te bevorderen. Nederland neemt deel aan Europese Test- en experimenteerfaciliteiten waarin een goede infrastructuur wordt geboden voor het ontwikkelen en gebruik van AI voor specifieke sectoren. Ook gaat het kabinet ontwikkelaars ondersteunen in het voldoen aan regelgeving, zoals de aankomende AI-verordening, via regulatory sandboxes.
Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat de kansen van AI op een verantwoordelijke manier zo goed mogelijk benut kunnen worden, met name bij grote maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie en in innovatieve sectoren zoals de maakindustrie.
Op welke wijze heeft u de impact van kunstmatige intelligentie op de arbeidsmarkt in kaart gebracht?
Zowel internationaal (o.a. OESO12, Eurofound13) als nationaal (o.a. CPB, TNO) doen meerdere partijen onderzoek naar de toepassingen van AI in het arbeidsdomein. Deze onderzoeken richten zich bijvoorbeeld op monitoring en surveillance op de werkvloer en op de effecten van de inzet van AI op gezond en veilig werken.
Zo heeft het CPB recent het rapport «Technologie, de arbeidsmarkt en de rol van beleid»14 uitgebracht. Hierin worden de technologische veranderingen voor de Nederlandse arbeidsmarkt geanalyseerd. In een samenwerking tussen TNO en RIVM wordt daarnaast gewerkt aan een beeldvormende toekomstverkenning op het gebied van gezond en veilig werken. AI komt daarin aan de orde. Daarnaast doet TNO op dit moment een ander onderzoek over wat de mogelijke impact kan zijn van AI op het gebied van gezond en veilig werken. Het College voor de Rechten van de Mens heeft tevens de risico’s en effecten van AI op het gebied van discriminatie bij werving en selectie onderzocht en heeft enkele aanbevelingen gedaan in hun onderzoek genaamd «Recruiter of computer?»15.
Als het gaat om de regulering van de toepassing van systemen voor AI wordt op EU-niveau ingezet op de AI-verordening. Specifiek in het arbeidsrecht wordt een belangrijke stap gezet met het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie gericht op een verbetering van arbeidsvoorwaarden in platformwerk. Het richtlijnvoorstel bevat, in aanvulling op de Algemene Verordening Gegevensbescherming, o.a. regels over de toepassing van algoritmes en zien op de transparantie over en het gebruik van geautomatiseerde monitoring- en besluitvorming en de verplichting van menselijke tussenkomst.
Conform de met Uw Kamer gemaakte informatieafspraken wordt Uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen over dit richtlijnvoorstel.
De ontwikkelingen gaan snel. Het kabinet acht het van belang om deze ontwikkelingen goed te volgen. Het kabinet acht het van belang te bezien of de resultaten van onderzoeken gericht op het in kaart brengen van zowel de kansen als uitdagingen rondom AI kunnen worden meegenomen in de beleidsontwikkeling. Dit kan door nationale beleidsontwikkeling, Europese standpuntbepaling en of regulering, al dan niet op Europees niveau. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft als coördinerend toezichthouder op de toepassing van algoritmes ook een rol als het gaat om de toepassing van algoritmes in het arbeidsrecht.
Bent u bereid dat met de Kamer te delen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u dieper ingaan op de kansen en bedreigingen die kunstmatige intelligentie en technologie zoals ChatGPT bieden voor de arbeidsmarkt?
ChatGPT geeft het volgende antwoord: «het effect van ChatGPT op de Nederlandse arbeidsmarkt is momenteel onbekend omdat het model nog relatief nieuw is en nog niet op grote schaal is toegepast. Het kan echter worden gebruikt in verschillende sectoren, zoals customer service, waardoor het potentieel heeft om de efficiëntie en productiviteit te verhogen en de kosten te verlagen. Dit kan leiden tot veranderingen in de arbeidsmarkt, zoals automatisering van bepaalde taken en een grotere vraag naar vaardigheden die gericht zijn op het werken met deze technologie.»
In het algemeen kan AI taken en processen optimaliseren, hierdoor kunnen bedrijven efficiënter werken. Door AI kunnen banen en taken verdwijnen maar kunnen ook nieuwe ontstaan. Daarvoor zijn nieuwe vaardigheden nodig. Digitale vaardigheden en gekwalificeerd ICT-personeel zijn een belangrijke randvoorwaarde voor een succesvolle digitale transitie en voor ons toekomstig verdienvermogen. Het is daarom belangrijk om technische, digitale en sociale vaardigheden te verbeteren bij werkenden en te blijven investeren in Leven Lang Ontwikkelen. Het kabinet heeft daarom, in samenwerking met sociale partners, het Actieplan Groene en Digitale banen met de Kamer gedeeld.
Het effect van AI op de Nederlandse arbeidsmarkt zien we bijvoorbeeld bij platformwerk. AI kan hierbij worden gebruikt om werkenden te matchen met klanten, tarieven te bepalen, maar ook om werkenden aan te sturen. AI kan bijdragen aan het efficiënter en «slimmer» maken van platformbedrijven. Bovendien liggen er kansen om de algoritmes, die platformen gebruiken nadrukkelijker in lijn te brengen met overheidsbeleid onder andere op het gebied van gezond en veilig werken. Op deze manier kunnen zowel de platforms, werkenden als klanten profiteren. Maar het levert ook vragen op over onder andere algoritmisch management, zoals of er wel of geen sprake is van gezagsuitoefening, en of werkenden voldoende inzicht en inspraak hebben in de werking van deze algoritmes. Deze vraagstukken zijn onderdeel van de het richtlijnvoorstel over platformwerk.
Het gebruik van AI bij o.a. werving en selectie kan discriminatie met zich meebrengen. Als werkgevers kiezen voor de inzet van een algoritme bij werving en selectie, dan dienen zij volgens het College voor de Rechten van de Mens te controleren of er nog steeds een inzichtelijke, controleerbare en systematische procedure wordt gebruikt.16 Deze aanbevelingen worden meegenomen in de verdere uitwerking van het wetsvoorstel toezicht gelijke kansen bij werving en selectie. Ook worden landelijke en Europese ontwikkelingen op AI (en het tegengaan van de risico’s ervan) nauw gevolgd.
AI kan op veel manieren effect hebben op gezond en veilig werken. Een eenduidig effect is daardoor niet te benoemen. Het gaat daarbij vaak om risico’s die al bestaan, maar door de innovatieve technologie op een andere manier versterkt worden. Daarnaast is nog niet alle beschikbare technologie ook daadwerkelijk wijdverbreid geïmplementeerd op de werkvloer. AI heeft zeker de potentie om werk veiliger te maken. Er moet wel aandacht komen voor mogelijke ongewenste effecten die zulke technologie kan hebben, zoals bijvoorbeeld psychosociale belasting.
Is het Strategisch Actieplan voor Artificiële Intelligentie bestendig genoeg gezien de recente ontwikkelingen? Bent u bereid om de Nederlandse inzet op kunstmatige intelligentie te herzien naar aanleiding van de snelle ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie?
In het Strategisch Actieplan voor Artificiële Intelligentie van 8 oktober 2019 is de basis gelegd voor de overkoepelende Nederlandse AI-inzet. In de voortgangsrapportages van de Nederlandse Digitalisering Strategie zijn de ontwikkelingen rondom deze inzet jaarlijks meegenomen.
Ook dit kabinet vindt het belangrijk goed zicht te houden op de ontwikkelingen rondom AI, en wat dit betekent voor haar inzet. De recente Kamerstukken de Strategie Digitale Economie17, Werkagenda Digitalisering18 en kabinetsreactie op het WRR-rapport AI19 beschrijven de actuele inzet op AI door dit kabinet. Om integraal zicht te houden op de ontwikkelingen rond AI, en bij te sturen waar nodig heeft dit kabinet daarnaast een Ambtelijke Commissie Digitalisering (ACD) ingesteld die de ontwikkelingen van deze technologie in context van de bredere digitaliseringsopgave beziet.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Commissiedebat Kunstmatige Intelligentie van 25 januari?
Wij hebben geprobeerd de vragen te beantwoorden voor het commissiedebat, maar dit is helaas niet gelukt.
Handelen van DGB Energie |
|
Renske Leijten |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
Wat is uw reactie op de reconstructie van de werkwijze van DGB Energie, zelfs nadat zij een boete van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft gekregen?1
Ik heb kennis genomen van de reconstructie van de werkwijze van DGB Energie. Ik vind dat DGB Energie zich net als elke leverancier aan de regels moet houden, zoals de regel dat bij het aanbieden van leveringscontracten, direct of via een tussenpersoon, de voorwaarden verbonden aan de leveringsovereenkomst transparant en eerlijk moeten zijn voor de consument. De ACM heeft als onafhankelijke toezichthouder de bevoegdheid om bij het overtreden van de wettelijke regels te handhaven. Ik vind het belangrijk dat de toezichthouder scherp let op eventuele overtredingen van deze regels en zo nodig optreedt wanneer die niet nageleefd worden.
Wat vindt u ervan dat energieleveranciers een andere partij inhuren om de klantenservice te verzorgen?
De vergunninghoudende leverancier blijft te allen tijde aansprakelijk voor het handelen van de wederverkoper en ook bij het uitbesteden van diensten verplicht zich aan de daartoe geldende wettelijke regels te houden. Het is mogelijk om als leverancier diensten uit te besteden, zoals het verzorgen van de klantenservice. Het uitbesteden van diensten kan zorgen voor bijvoorbeeld meer en/of flexibelere capaciteit of een gerichtere dienstverlening bij de klantenservice. Consumenten kunnen hierdoor sneller en beter geholpen worden, bijvoorbeeld door verbetering van de wachttijd en bereikbaarheid. De leverancier blijft in alle gevallen eindverantwoordelijk om ervoor te zorgen dat er een goede klantenservice wordt geleverd.
Vindt u het wenselijk dat energieleveranciers andere bedrijven inhuren om telefonisch mensen over te halen om over te stappen? Wat zegt dit u over het bedrijfsmodel van een energieleverancier? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een wederverkoper (tussenpersoon) mag namens een vergunninghoudende leverancier leveringscontracten aan kleinverbruikers aanbieden. In het contract dat hij namens de energieleverancier aan de kleinverbruiker aanbiedt, moet de naam van de vergunninghoudende leverancier vermeld staan als de contracterende partij, zodat transparant is met wie de overeenkomst gesloten wordt. De vergunninghoudende leverancier blijft altijd verantwoordelijk voor het naleven van de wettelijke regels, ook indien diensten worden uitbesteed. In de bemiddelingsovereenkomst tussen de vergunninghoudende leverancier en de wederverkoper of intermediair dient geborgd te zijn dat de laatste zich houdt aan de verplichtingen waar de leverancier aan onderworpen is bij het verkopen van leveringsovereenkomsten.
Zijn er afspraken gemaakt, bijvoorbeeld in het kader van het prijsplafond, om te voorkomen dat energieleveranciers andere partijen inhuren om mensen telefonisch te misleiden om over te stappen? Zo ja, welke precies? Zo nee, waarom niet?
Er zijn hierover geen aanvullende afspraken gemaakt in het kader van het prijsplafond. Telefonische misleiding is ook al wettelijk verboden. Energieleveranciers moeten duidelijk zijn over het contract dat zij aanbieden. Consumenten met onjuiste en onvolledige informatie aanzetten tot het sluiten van een energiecontract is niet toegestaan. Zo moet het bijvoorbeeld voor de consument direct duidelijk zijn dat een bedrijf belt om een energiecontract te verkopen. Deze regels gelden onafhankelijk van de vraag of een energieleverancier zelf mensen belt of dat hiervoor een externe partij inhuurt. Als een energieleverancier niet aan de wettelijke eisen voldoet, is het aan de ACM om hierop te handhaven.
Hoe garandeert u dat energieleveranciers voldoende bereikbaar zijn, zonder lange wachtlijsten, en binnen een redelijke termijn reageren?
Energieleveranciers zijn wettelijk verplicht om helder te communiceren over hoe zij bereikbaar zijn.2 De ACM ziet toe op de naleving van deze verplichting. Tijdens het vragenuurtje op 17 januari heb ik toegezegd dat ik de ACM, voor zover nodig, zal vragen hoe zij invulling geeft aan deze toezichtstaak, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder de introductie van het prijsplafond. Ook heb ik toegezegd dat ik de energieleveranciers actief zou wijzen op hun verplichtingen rondom bereikbaarheid in de reguliere gesprekken die ik met hen heb. In een eerste voortgangsrapportage over het prijsplafond in dit kwartaal zal ik aangeven wat mijn gesprekken met de ACM en energieleveranciers daarover hebben opgeleverd.
Verder verwijs ik u, onder meer voor een uitgebreidere uitleg over de oorzaak van de slechte bereikbaarheid van energieleveranciers, naar de beantwoording van de Kamervragen van de leden Kops en Wilders (beiden PVV) over de onbereikbaarheid van energiebedrijven (kenmerk: 2023Z00022; ingezonden 4 januari 2023 en beantwoord op 16 januari 2023).
Erkent u dat een energieleverancier een belangrijke rol speelt in de levering van een primaire levensbehoefte en dat daar een goede en betrouwbare service en dienstverlening bij hoort? Wat hoort volgens u en volgens de wet bij betrouwbare service en dienstverlening?
Ja. Daarbij horen onder meer duidelijke en heldere communicatie en redelijke wachttijden wanneer de consument contact opneemt met de leverancier. In de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is geregeld dat een vergunninghoudende leverancier de plicht heeft op een betrouwbare wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden zorg te dragen voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers.3
Deelt u de opvatting dat er ook eisen aan de dienstverlening gesteld moeten worden? Zo ja, wanneer gaat u dat regelen?
Consumenten worden in Nederland beschermd door regels over onder meer precontractuele informatieverplichtingen, verkoop aan de deur, op straat en aan de telefoon, en het verbod op oneerlijke en agressieve handelspraktijken. De ACM ziet ook toe op de naleving van deze regels door energieleveranciers en kan handhavend optreden als ze overtreden worden. Desalniettemin blijf ik alert op signalen uit de markt en bekijk ik waar verdere aanscherping van de bescherming van energieconsumenten nodig is.
Hoe reageert u op de boete van de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) opgelegde boete aan DGB Energie voor misleiding van consumenten?2
Het is de taak van de ACM om op te treden als de regels overtreden worden. Dat is in het belang van de consument. Het is dus aan de ACM om te beoordelen of er voldoende reden is om een leveringsvergunning in te trekken.
Vindt u het wenselijk dat wanneer een energieleverancier het gedrag waarvoor zij beboet is, de vergunning behoudt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Wilt u de ACM vragen om alles uit de kast te trekken om de vergunning van DGB Energie in te trekken om de klanten te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het beter is om vanuit het voorzorgprincipe een vergunning (tijdelijk) in te trekken dan af te wachten tot een partij failliet gaat? Hoe ziet de ACM dit? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM kan een leveringsvergunning intrekken als de vergunninghouder niet meer aan de eisen voor een vergunning voldoet. Een vergunning wordt niet enkel ingetrokken bij faillissement, dit kan ook aan de organisatorische, financiële en technische vereisten van de vergunning liggen.
Erkent u dat een bedrijfsmodel dat er uitziet als een kerstboom met allemaal BV’tjes een signaal is om op de hoede te zijn voor de continuïteit van dienstverlening? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de ACM om toe te zien of de vergunninghouder voldoet aan de organisatorische, financiële en technische kwaliteiten voor een leveringsvergunning. De ACM let bij het toezicht ook op signalen zoals een intransparante bedrijfsstructuur. De eisen voor wat betreft de financiële regelgeving zijn vorig najaar aangescherpt.
Bent u bereid met de ACM in overleg te gaan om de bedrijfsstructuur ook een onderdeel te laten zijn van de vergunningverlening, ten einde te voorkomen dat energieleveranciers op papier financieel solide zijn, maar door hun bedrijfsconstructie gemakkelijk onderdelen failliet kunnen laten gaan, dat niet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een vergunninghoudende leverancier moet aantoonbaar beschikken over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten voor een betrouwbare levering van energie. In de aangescherpte beleidsregel welke op 29 september 2022 in werking is getreden, zijn de eisen voor vergunningverlening aangescherpt.5 Een onderdeel hiervan is dat de aanvrager een ondernemingsplan met daarin de vastgelegde hoofdzaken met het oog op de beheersing en beperking van bedrijfsrisico’s en financiële risico’s voor de betrouwbare levering moet indienen. Daarnaast moet de aanvrager de inkoopstrategie beschrijven, met daarin onder andere de wijze waarop de aanvrager van plan is de energievolumes in te kopen die de aanvrager verwacht te zullen leveren. Verder wordt de financiële positie van de aanvrager of vergunninghouder getoetst. Het gaat hierbij om zowel de solvabiliteit als de liquiditeit. Ook moet de aanvrager aangeven hoe het risicomanagement is belegd binnen de organisatie. Tot slot moet de aanvrager, ook in het kader van risicomanagement, kunnen aantonen over deugdelijke procedures te beschikken voor het treffen van herstelmaatregelen, indien zijn financiële positie daar aanleiding toe geeft.
Krijgt DGB Energie op dit moment voorschotten in het kader van het prijsplafond? Hoe worden het aantal klanten en hun gebruik getoetst?
DGB Energie heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de CEK23 en krijgt daarom geen voorschotten in het kader van het prijsplafond. DGB geeft aan dat het wel de tarieven voor afnemers zal aanpassen in lijn met het prijsplafond.6
In het algemeen geldt dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland de ontvangen voorschotaanvragen toetst met data uit het centraal aansluitingenregister (CAR).
Erkent u dat het werven van nieuwe klanten door het prijsplafond extra aantrekkelijk is geworden? Houdt de ACM toezicht op hoe marktpartijen omgaan met klantenwerving?
Nee, in principe maakt het prijsplafond het niet meer of minder aantrekkelijk om nieuwe klanten te werven. Ik heb ook geen informatie waaruit een dergelijke ontwikkeling zou blijken. Het staat een leverancier, net als in andere jaren, vrij om klanten te werven. De ACM kan beoordelen of de consument eerlijke en juiste informatie heeft gekregen bij de keuze voor de leverancier en het afsluiten van een contract. Naast de wettelijke verplichtingen voor leveranciers om op betrouwbare en redelijke wijze te handelen (zie antwoord op vraag 6) en het toezicht van ACM daarop, hanteren de energieleveranciers een Gedragscode Consument en Energieleverancier welke gaat over verkoop van contracten en het werven van nieuwe klanten door energieleveranciers.
Hoe krijgt de overheid het voorschot van het prijsplafond terug als een energieleverancier failliet gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er wordt in eerste instantie aan de voorkant bij het verstrekken van het voorschot gecontroleerd of een aanvrager niet failliet is of in surseance van betaling verkeert. Daarnaast zijn er verschillende waarborgen bij faillissement van een energieleverancier. Zo wordt het subsidievoorschot voor een betreffende maand pas twee weken voorafgaand aan die maand verstrekt door de RVO. Dit bedrag wordt zo snel mogelijk meteen doorberekend aan de consument. Omdat het voorschot maandelijks wordt verstrekt, blijft de uitkering per energieleverancier per maand relatief beperkt. Er blijft een risico voor de overheid als een energieleverancier failliet gaat in de periode tussen de uitkering van het subsidievoorschot en de levering van energie aan de consument. Voor consumenten blijft het energieplafond altijd gelden, ook bij faillissement van hun leverancier.
Het bericht ‘In de slag om glasvezel blijft geen tegel onberoerd’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «In de slag om glasvezel blijft geen tegel onberoerd»?1
Ja.
Is bij u bekend in welke gemeenten op dit moment sprake is van de situatie dat meerdere aanbieders bezig zijn met of plannen hebben voor de aanleg van een glasvezelnetwerk? Zo nee, wilt u dit monitoren en deze informatie met de Kamer delen?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft een interactief dashboard en geografische kaart beschikbaar, waarmee per Nederlands postcodegebied inzichtelijk is hoeveel glasvezelexploitanten in een gebied actief zijn.2 Dit dashboard en de kaart maken onderdeel uit van de structurele Telecommonitor, waarbij de ACM elk kwartaal gegevens opvraagt bij glasvezelexploitanten over het aantal gerealiseerde en geplande glasvezelaansluitingen. Om redenen van bedrijfsgevoeligheid worden daarbij alleen de gerealiseerde aansluitingen gepubliceerd in het dashboard en op de kaart, en niet de geplande aansluitingen. Gelet op de (on)beschikbaarheid van voornoemde informatie, ben ik niet van voornemens om de (geplande) aanleg van glasvezel in gemeenten zelf actief te monitoren.
Deelt u de mening dat het vanuit economisch oogpunt onwenselijk is dat twee of zelfs meer glasvezelnetwerken worden aangelegd in gebieden waar mogelijk onvoldoende potentiële klanten wonen? Geldt dit wat u betreft ook specifiek voor de plaats Winsum?
Het is aan de markt om te bepalen waar het economisch wenselijk wordt geacht om één of meerdere glasvezelnetwerken aan te leggen. Deze keuze wordt onder meer worden ingegeven door zaken als verwacht bezettingspotentieel (consumenten die een internetabonnement nemen) op het aan te leggen netwerk en de kosten voor de aanleg van het netwerk. De ACM schreef eerder in haar glasvezelmarktstudie3 dat, met het oog op een gezonde infrastructuurconcurrentie en voldoende keuzevrijheid voor de eindgebruiker, het wenselijk is dat ten minste één open glasvezelnetwerk wordt gerealiseerd in gebieden waar ook kabel ligt, maar dat er in bepaalde gebieden ruimte is voor meerdere glasvezelnetwerken. Bijvoorbeeld in bepaalde stedelijke gebieden waar de marginale aanlegkosten per adres zo laag zijn dat twee of meer glasvezelnetwerken naast kabel mogelijk zijn.4 Consumenten profiteren daarvan met keuzevrijheid en scherpe tarieven. Het hangt dus van de specifieke situatie af of marktpartijen het economisch wenselijk vinden om in hetzelfde gebied meerdere glasvezelnetwerken aan te leggen. De ACM houdt markttoezicht op de uitrol van glasvezel en heeft oog voor bijvoorbeeld het vlak na elkaar aanleggen van glasvezelnetwerken in hetzelfde gebied (of het voeren van procedures hiertegen), die evident gericht is op het verstoren van de concurrentie op de glasvezelmarkt.
Is het binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk om iets te doen tegen de dubbele aanleg van glasvezelnetwerken in gebieden waar dit vanuit economisch en maatschappelijk perspectief onwenselijk is?
Nee, in eerste aanleg niet, omdat gemeenten vanuit de Europese Telecomcode (richtlijn (EU)2018/1972) en implementatie daarvan in de Telecommunicatiewet moeten gedogen dat elke aanbieder van een openbaar telecomnetwerk (waaronder een glasvezelnetwerk) een dergelijk netwerk mag aanleggen in de openbare grond. Dit uitgangspunt van infrastructuurconcurrentie in de Telecomcode is belangrijk voor goede concurrentie en keuzevrijheid voor de consument. Wel heeft de gemeente op basis van deze wet bepaalde bevoegdheden om te sturen op een ordelijke uitrol van telecomnetwerken en op het beperken van de impact op de ruimtelijke en ondergrondse ordening.
Zo kan de gemeente voorschriften opnemen in het instemmingbesluit om overlast en de impact op de ondergrond te beperken.5 Dit ziet onder andere op het afstemmen van (gelijktijdige) civiele werkzaamheden tussen telecomaanbieders onderling of het hanteren van een bepaalde periode van graafrust. Verder kan de gemeente van een telecomaanbieder verlangen dat deze bij de aanleg van zijn netwerk gebruik maakt van door hem of een derde ter beschikking gestelde ondergrondse voorzieningen.6 Dit met het oog op en binnen de grenzen van het redelijke, om zo min mogelijk hinder in het gebruik van en verandering aan de openbare grond teweeg te brengen. Ten slotte heeft de gemeente de mogelijkheid om in specifieke gebieden en onder bepaalde voorwaarden aan aanbieders van openbare telecomnetwerken een verplichting tot colocatie of gedeeld gebruik van bestaande (passieve en actieve) netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten op te leggen.7 Daarmee wordt het maatschappelijk belang gediend dat schaarse publieke ruimte en infrastructuur efficiënt wordt gebruikt en de impact op het milieu en de ruimtelijke ordening zo min mogelijk zijn.
Belangrijk te vermelden is dat de voornoemde bevoegdheden van de gemeente gericht zijn op het beschermen van bepaalde maatschappelijke belangen en geenszins bedoeld zijn om de aanleg van meerdere glasvezelnetwerken in een bepaald gebied te verbieden. Vanuit het oogpunt van infrastructuurconcurrentie is exclusiviteit van één glasvezelaanbieder op de lange termijn namelijk onwenselijk en naar Europees en nationaal recht niet toegestaan.
Deelt u de mening dat het kort na elkaar aanleggen van meerdere glasvezelnetwerken leidt tot overlast voor bewoners en ondernemers met mogelijk economische schade tot gevolg?
Ja, ik kan me voorstellen dat het door bewoners en ondernemers als hinderlijk wordt ervaren als de straat kort achter elkaar weer open en dicht wordt gemaakt voor de aanleg van glasvezelnetwerken.
Overigens is wel mijn beeld dat de aanleg van glasvezelnetwerken doorgaans een zeer snelle doorlooptijd heeft, waarbij in de ochtend de straat wordt opengebroken en in de middag weer is dichtgemaakt.
Zoals ik beschrijf in mijn antwoord op vraag 4 en 10/11, hebben gemeenten de mogelijkheid om een periode van graafrust in te roepen om overlast als gevolg van snel op elkaar volgende graafwerkzaamheden te beperken.
Vormen de nieuwe berichten over concurrentie op het gebied van glasvezel tussen verschillende aanbieders in onder andere de plaatsen Winsum, Reusel-De Mierden en Heerlen aanleiding voor u om opnieuw de verschillende mogelijkheden te bezien die door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in hun marktstudies uit 2019 en 2021 zijn geschetst om de uitrol van glasvezel beter te stroomlijnen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de ACM om te bezien of ze, op grond van de huidige marktontwikkelingen, een nieuwe update van hun marktstudie nodig achten. Uit mijn gesprek met de ACM is gebleken dat de toezichthouder de glasvezelmarkt nauwlettend volgt en regelmatig vragen krijgt van gemeenten en marktpartijen over mededingingsrechtelijke aspecten bij de coördinatie van de uitrol van glasvezel, maar vooralsnog geen aanleiding ziet om op korte termijn de studie te actualiseren. Naar het oordeel van de ACM zijn de denkrichtingen uit de studie nog steeds actueel. Samen met de ACM blijf ik de ontwikkelingen in de glasvezelmarkt nauwlettend volgen en blijf ik hierover in gesprek met gemeenten en marktpartijen. Daarnaast zal ik gemeenten actief informeren over hun regierol en sturingsmogelijkheden om de uitrol van glasvezelnetwerken in goede banen te leiden. Onder andere door de genoemde acties in het antwoord op vraag 8/9.
Bent u het met de ACM eens dat co-investering een goede oplossing is om snelle uitrol te waarborgen, met minder overlast voor bewoners en onnodige aanleg van dubbele netwerken? Wilt u de bereidheid bij de aanbieders voor co-investering opnieuw bekijken? . Ziet u voor uzelf een grotere rol weggelegd om regie op de uitrol van glasvezel te houden, bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met de belangrijkste aanbieders en met hen afspraken te maken over de uitrol van glasvezel?
Zoals eerder in de Kamerbrief van 6 mei 2021 door de toenmalige Staatssecretaris van EZK werd aangegeven, juich ook ik vrijwillige co-investeringen door marktpartijen en de handvatten die de ACM op haar verzoek heeft aangereikt zeer toe.8 Echter, zoals destijds aangegeven, lijken grootschalige co-investeringen in Nederland geen haalbare weg te zijn, wat nogmaals wordt bevestigd door marktpartijen in de gesprekken die in het kader van deze Kamervragen met hen zijn gevoerd. Dit laat onverlet dat de uitrol van glasvezel ook op andere manieren kan worden gestimuleerd, zoals via het afstemmen van graafwerkzaamheden ervan door een gemeente. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief van 6 mei 2021 en het antwoord op vraag 4.
Hoe helpt u gemeenten die met deze situatie te maken krijgen? Zijn gemeenten voldoende op de hoogte van de wettelijke mogelijkheden die zij hebben om voorschriften op te nemen in het instemmingsbesluit, bijvoorbeeld het afkondigen van «graafrust' voor maximaal 12 maanden?
Nee, ik zie voor mezelf geen grotere rol weggelegd anders dan de faciliterende en voorlichtende rol die ik nu reeds vervul met de werkzaamheden rond lokaal (telecom)beleid. Het is immers de gemeente die een instemmingsbesluit verleent voor de uitrol van glasvezel. Deze werkzaamheden zien vooral op het wisselen van praktijkbeelden tussen gemeenten en markt (via overleggremia), informatievoorziening via rijkswebsites en -nieuwsbrieven (o.a. overalsnelinternet.nl) en het maken van gemeentelijk voorbeeldbeleid ten behoeve van meer harmonisatie van lokaal (telecom)beleid. In de komende tijd zal ik daarbij specifieke aandacht besteden aan het duiden van de regierol en sturingsmogelijkheden van gemeenten die in de beantwoording van deze Kamervragen worden genoemd. Onder meer door het publiceren van informatiemateriaal (factsheet, best practices, FAQ, jurisprudentie, etc.) op de website overalsnelinternet.nl, en het actief kenbaar maken van de beantwoording van deze Kamervragen onder gemeenten via een (nieuws)brief.
Zou er wat u betreft niet een wettelijke standaardperiode van graafrust moeten komen, bijvoorbeeld zes maanden, als het niet mogelijk blijkt om graafwerkzaamheden voldoende af te stemmen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om vanuit uw regierol opvolging te geven aan het advies van de ACM om te komen tot een breed gedragen convenant of handboek met richtlijnen voor uniform beleid tussen gemeenten, provincies, waterschappen en/of marktpartijen?
Het verankeren van een wettelijke standaardperiode van graafrust is naar mijn oordeel niet nodig, omdat het huidige wettelijke kader al voldoende waarborgen biedt aan gemeenten om een periode van graafrust op te leggen als het afstemmen van graafwerkzaamheden geen uitkomst biedt. Daarbij kunnen gemeente om zwaarwichtige redenen van publiek belang een langere periode van graafrust voorschrijven.9 Bovendien is het doeltreffender, gelet op het tempo waarin momenteel glasvezel wordt uitgerold in Nederland en de tijd die het kost om een dergelijke wetswijziging door te voeren, om in te zetten op de genoemde activiteiten in het voorgaande antwoord. Datzelfde geldt ook voor het advies van de ACM om te komen tot een breed gedragen convenant of handboek, Dit neemt overigens niet weg dat ik me blijf inzetten om te komen tot meer harmonisatie van lokaal (telecom)beleid. Bijvoorbeeld via het opstellen van een leidraad leges, zoals aangegeven tijdens het commissiedebat digitale infrastructuur en economie op 22 maart jl.10
Wat is de status van de verschillende overleggremia, zoals de taskforce digitale connectiviteit en de werkgroep vaste connectiviteit, die zich bezighouden met het lokale beleid rondom de aanleg van telecomkabels?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bekend met het bericht VS verbieden producten Huawei en andere Chinese bedrijven: «Onacceptabel risico voor nationale veiligheid»?1
Ja.
Bent u ook ook bekend met de op 13 december 2022 ingediende wetgeving in de Verenigde Staten om de toegang van Huawei tot banken te beperken?2
Ja.
Wat vindt de u van de ontwikkelingen in de Verenigde Staten om Huawei en andere Chinese bedrijven te beperken in het risico dat zij vormen ten aanzien van de nationale veiligheid? Acht u het ook wenselijk om in Nederland bedrijfsgebonden beleid te voeren gezien de geconstateerde veiligheidsrisico’s van het land van herkomst?
Het kabinet deelt de zorgen van de Verenigde Staten over veiligheidsrisico’s ten aanzien van China. Nederland is voortdurend over deze risico’s in contact met bondgenoten, waaronder de VS. De maatregelen die het kabinet treft om onze veiligheid te beschermen worden nationaal dan wel in Europees verband ingevoerd, via de daarvoor bestaande wettelijke kaders. Dit gebeurt altijd op een case-by-case benadering, voor zowel exportcontrole, investeringstoetsing als kennisveiligheidsmaatregelen. Dit is andere een aanvliegroute dan het bedrijfsgebonden beleid dat de VS voert, maar kent wel een eenzelfde doel: de bescherming van de nationale veiligheid tegen risico’s van (bedrijven uit) derde landen.
Huawei is geweerd uit het vitale kernnetwerk en tevens zijn bij ministeriële regeling nadere eisen opgelegd ten aanzien van te treffen technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen om de weerbaarheid van hun netwerk te verhogen. In de ministeriële regeling is opgenomen dat deze maatregelen op 1 oktober 2022 geïmplementeerd moeten zijn. Kunt u aangeven of deze maatregelen inmiddels geïmplementeerd zijn?
De ministeriële regeling veiligheid en integriteit telecommunicatie verplicht de mobiele netwerkaanbieders om op 1 oktober 2022 aan de in de regeling genoemde beheersmaatregelen te voldoen. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur is als aangewezen toezichthouder bezig met controle op het voldoen aan deze verplichting.
Kunt u inzichtelijk maken welke rol Huawei nu inneemt in de rest van het vaste en mobiele telecommunicatienetwerk? Is er bekend of daarbij nog gebruik gemaakt wordt van technologie van Huawei?
Telecomoperators hebben een diversiteit aan leveranciers in hun netwerken. Zij zijn daarbij gehouden de geldende maatregelen, zoals genomen onder de algemene maatregel van bestuur (AMvB) Veiligheid en Integriteit Telecommunicatie3, uit te voeren. De Rijksdienst voor de Digitale Infrastructuur houdt hier toezicht op.
Veiligheidsbeleid is maatwerk. Maatregelen moeten proportioneel zijn, passend bij de te beschermen belangen en de dreiging, en rekening houdend met de continuïteit van de dienstverlening. Op basis van een analyse van de Taskforce Economische Veiligheid naar de risico’s op telecommunicatienetwerken zijn eerder de benodigde maatregelen genomen om geïdentificeerde risico’s aan te pakken (Kamerstuk 26 643, nr.143).
De mobiele netwerk operators (MNO’s) zijn bij beschikking verplicht om in de kritieke onderdelen van hun netwerken uitsluitend gebruik te maken van producten en diensten van andere partijen dan de daarin genoemde leveranciers. Voor zover de MNO’s momenteel gebruik maken van producten of diensten van laatstbedoelde leveranciers in de kritieke onderdelen, is in deze beschikkingen met het oog op de continuïteit van dienstverlening een termijn opgenomen waarbinnen deze reeds in gebruik zijnde producten of diensten dienen te worden vervangen respectievelijk beëindigd. Gedetailleerde informatie over wie waar welke leverancier gebruikt, en welke uitfaseringstermijnen gelden wordt gezien als bedrijfsvertrouwelijke informatie. Deze informatie kan niet openbaar gemaakt worden in verband met toezeggingen die door de overheid zijn gedaan aan de telecomaanbieders omtrent de vertrouwelijkheid van de individuele beschikkingen en van de ten behoeve van die beschikkingen door hen aan de overheid verstrekte informatie.
Bent u bereid er bij telecomoperators op aan te dringen Huawei te weren uit het volledige telecommunicatienetwerk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om ook de toegang van Huawei tot Nederlandse banken te beperken? Zo nee, waarom niet?
Nederland maakt een zelfstandige afweging ten aanzien van veiligheid. Als we informatie verkrijgen die erop zou kunnen wijzen dat aanvullende actie nodig is, zullen we daar naar handelen. Het kabinet houdt het beleid van andere landen daarin nauwlettend in de gaten.
Het melden en afhandelen van mijnbouwschade in Zuid-Limburg |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat reeds in 2015 door de toenmalig Minister is toegezegd dat er een regeling zou komen voor de afhandeling van mijnbouwschade als gevolg van de voormalige steenkoolwinning in Zuid-Limburg, maar dat deze regeling zeven jaar later nog steeds niet gereed is? Hoe kan het dat dit proces zo lang heeft geduurd, zonder dat dit vooralsnog tot resultaat heeft geleid?
Op 20 juni 20141 heeft de toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat bekend gemaakt dat er een tijdelijk fonds zal worden ingericht voor burgers met ernstige mijnbouwschade in Limburg. Het Calamiteitenfonds Mijnwaterschade is in 2015 opgericht en is nog steeds actief. Op 23 september 20202 heeft de toenmalige Minister de Kamer geïnformeerd dat hij streeft naar een regeling waarbij burgers met schade als gevolg van mijnbouw recht wordt gedaan en vindt dat mijnbouwschade op een uniforme en onafhankelijke wijze moet worden afgehandeld waarbij de burger wordt ontzorgd. De toenmalige Minister gaf aan dat hij de behandeling van mijnbouwschade ten gevolge van de voormalige steenkolenwinning zal onderbrengen bij de landelijke aanpak van mijnbouwschade en de uniforme werkwijze van de daarvoor ingestelde Commissie Mijnbouwschade.
Op 6 december 2021 heeft de toenmalige Minister de Tweede Kamer geïnformeerd3 dat het proces om te komen tot een uniforme schadeafhandeling in Limburg meer tijd zal gaan vergen. De nog bestaande rechtsopvolgers willen zich nog niet committeren aan een uniforme aanpak en zijn van mening dat de mijnbouwschade in Limburg is verjaard. Er zijn met de rechtsopvolgers verschillende gesprekken gevoerd. Tot nu toe zijn de rechtsopvolgers nog niet zo ver om zonder voorwaarden deel te nemen aan gesprekken over het schadeprotocol.
Er wordt nu gewerkt aan een schadeprotocol en vergoedingsregeling waarbij de schadeclaim van de burger door het ministerie wordt overgenomen. Dit betekent, dat wanneer een schadegeval is veroorzaakt door de voormalige steenkoolwinning, het ministerie de schade aan de burger zal vergoeden. Het gaat hierbij om een onverplichte tegemoetkoming. Vervolgens zal het ministerie het bedrag claimen bij een rechtsopvolgers indien deze nog bestaat. Naar verwachting zal medio 2023 het schadeprotocol gereed zijn en kunnen in de tweede helft van 2023 de eerste casussen in behandeling worden genomen. Overigens blijft de uitnodiging staan aan de rechtsopvolgers om zich aan te sluiten bij het protocol.
Kunt u aangeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot het instellen van een schaderegeling voor mijnbouwschade in Zuid-Limburg? Wanneer verwacht u deze regeling gereed te hebben? Welke rol hebben o.a. de provincie Limburg, gemeenten, de Commissie Mijnbouwschade en de Stichting Calamiteitenfonds Mijnwaterschade bij het verder uitwerken van de regeling?
Ik verwacht het benodigde schadeprotocol medio 2023 gereed te hebben. Naar verwachting kunnen in de tweede helft van 2023 de eerste casussen in behandeling worden genomen. Ik werk samen met de provincie Limburg aan het realiseren van de schadeafhandeling aangezien de provincie de wensen van de gemeenten ook goed kent. De uitgangspunten van de schadeafhandeling zijn dan ook in samenwerking met de provincie opgesteld. Daarnaast heb ik op 1 november 2022 gesproken met de Stichting Calamiteitenfonds. Op 11 januari 2023 is ook op ambtelijk niveau verder met de stichting en de provincie gesproken. De stichting heeft haar ervaring met het herstellen van de schadegevallen in Limburg gedeeld. De stichting werkt volgens de zogenoemde aannemersvariant waarbij geen schadevergoeding wordt uitgekeerd maar de schade aan het pand wordt hersteld.
Mogelijk zal de schadeafhandeling in Limburg verlopen conform de landelijk aanpak met advisering van de Commissie Mijnbouwschade (CM). De CM zal de schadeclaims van bewoners onderzoeken en mij adviseren of deze in aanmerking komen voor een vergoeding. Ik overweeg een variant waarbij, wanneer bewoners dat willen, zij geholpen worden bij het zelf organiseren van schadeherstel. De CM heeft zich in het afgelopen jaar al voorbereid op de schadegevallen in Limburg. In juni 2022 heeft de Commissie een aantal locaties bezocht en is er overleg geweest met de provincie Limburg en de stichting Calamiteitenfonds. Gedachte is in ieder geval om te komen tot een laagdrempelig loket om de inwoners van Limburg te ondersteunen en te ontzorgen.
In oktober 2022 heeft TNO een kennisbijeenkomst georganiseerd over de mijnbouwschade in Limburg en causaliteit. Hierbij waren de Commissie Mijnbouwschade, Staatstoezicht op de Mijnen, het informatiecentrum Nazorg Steenkoolwinning, de provincie Limburg, de gemeente Kerkrade en de Technische Commissie Bodembeweging aanwezig. Tijdens deze bijeenkomst is gesproken over de na-ijlende gevolgen van de steenkoolwinning en mijnbouwschade.
Hoe kan het dat nog steeds voor veel bewoners niet duidelijk is bij wie zij terecht kunnen om mijnbouwschade te melden?
Mensen met schade kunnen zich op dit moment melden bij de Technische Commissie Bodem Beweging (Tcbb)4. Deze commissie onderzoekt de schade en geeft een advies of het door de steenkoolwinning is veroorzaakt. Als dat zo is, dan kan de burger met het advies naar het voormalige mijnbouwbedrijf en daar een claim indienen. Helaas leidt dat vaak niet tot een vergoeding van de schade omdat de voormalige mijnbouwbedrijven zich beroepen op verjaring van de schadeclaim of het advies van de Tcbb niet onderschrijven.
Als het Mijnbouwbedrijf niet meer bestaat dan kan men een claim indienen bij het Waarborgfonds Mijnbouwschade. Dit is een fonds dat ik beheer. Als er sprake is van ernstige schade of een schrijnende situatie dan kan de burger beroep doen op het Calamiteitfonds Mijnwaterschade5. Deze stichting zal de claim beoordelen en zal de schade laten herstellen als er sprake is van mijnbouwschade.
De huidige manier van schadeafhandeling, waarbij men zich tot verschillende instanties moet wenden, is te complex en weinig behulpzaam. Dit is de reden waarom reeds enkele jaren geleden is ingezet op een uniforme en landelijke schadeafhandeling met de Commissie Mijnbouwschade. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat bewoners worden ontzorgd en niet zelf moeten aankloppen bij de mijnbouwbedrijven om de toegekende schadevergoeding te krijgen.
Deelt u de mening dat de overheid bij dit soort schadegevallen als gevolg van mijnbouw naast en niet tegenover de burger zou moeten staan en dat het van belang is dat er voor inwoners één loket komt waar zij terecht kunnen om schades te melden? Hoe gaat u ervoor zorgen dat een dergelijk loket er zo snel mogelijk komt?
Daar ben ik het mee eens. Ik streef er naar om de schaderegeling voor Limburg onder te brengen in de landelijke schadeafhandeling met de Commissie Mijnbouwschade en tegelijkertijd maatwerk te organiseren passende bij de specifieke situatie in Limburg. Juist over de exacte invulling ben ik momenteel met de provincie en de stichting calamiteitenfonds in overleg. Via deze aanpak worden bewoners ontzorgd en er komt één loket.
Deelt u tevens de mening dat moet worden voorkomen dat het afhandelen van de mijnbouwschade leidt tot onnodig veel bureaucratie en hoge administratieve kosten?
Daar ben ik het mee eens. Ik probeer bureaucratie en hoge administratieve lasten zeker te voorkomen. Het schadeprotocol moet zo zijn opgesteld dat maatwerk mogelijk is en dat bijvoorbeeld de Commissie Mijnbouwschade de mogelijkheid heeft om desgewenst geen onderzoek maar een lichtere toets te doen.
Hoe kijkt u in dit kader naar de door de Stichting Calamiteitenfonds gehanteerde methode waarbij inwoners worden ontzorgd, doordat zij voor het repareren van schade kunnen kiezen tussen drie aannemers, waarna schade direct hersteld wordt? Welke mogelijkheden ziet u om deze werkwijze ook in te zetten bij toekomstige regeling voor de afhandeling van mijnbouwschade in Limburg en te borgen dat de ervaring, kennis en kunde blijvend wordt ingezet en regionaal beschikbaar is?
Ik vind het een interessante methode. Het heeft in de afgelopen jaren, op kleine schaal, een oplossing geboden voor een aantal ernstige schadegevallen. Ik heb de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om een advies gevraagd omtrent de uitvoerbaarheid van deze methode op grote schaal. RVO heeft aangegeven dat men deze methode op een grotere schaal onuitvoerbaar vindt. Aan de provincie heb ik gevraagd of het Gegevenshuis in Landgraaf een dergelijke afhandeling kan uitvoeren. De provincie heeft dit laten onderzoeken en aangegeven dat de organisatievorm van het Gegevenshuis (zijnde een gemeentelijke regeling) hiervoor niet geschikt is. Ook is gebleken dat het op een grotere schaal organiseren van de zogenoemde aannemersvariant via een stichting in opdracht van de overheid complex is, omdat er veel contracten moeten worden afgesloten en de aansprakelijkheid voor iedere stap in het schadeherstel bij de Staat komt te liggen. Ik denk daarom aan een variant waarbij de schade wordt vergoed en waarbij bewoners die dat willen kunnen worden geholpen bij het vinden van een aannemer of het organiseren van het schadeherstel. Het geeft bovendien de bewoners de mogelijkheid om het herstel te combineren met andere aanpassingen (uitbreiding of verduurzaming) in de woning. Daar waar de veiligheid van de woning in het geding is overweeg ik om de schadevergoeding via een soort bouwdepot uit te keren. Hierdoor kan geborgd worden dat de vergoeding ook daadwerkelijk wordt gebruikt voor het herstel van de woning en het oplossen van de onveilige situatie.
Ik vind het daarbij belangrijk dat de kennis en kunde in de regio bewaard blijft. Het informatiecentrum Nazorg Steenkoolwinning bewaart alle kennis en kaarten op dit gebied en zal door bijvoorbeeld de Commissie Mijnbouwschade worden gevraagd om per casus de aldaar bekende gegevens over de mijnbouw van destijds te leveren. Daarnaast zal TNO verder werken aan het onderzoek om zoveel mogelijk risico’s in kaart te brengen. TNO zal hierover voor de betrokken partijen twee keer per jaar een kennisbijeenkomst organiseren.
Klopt de stelling van uw voorganger uit december 2021 dat het exacte aantal woningen of panden met schade ten gevolge van de voormalige steenkoolwinning in Limburg niet bekend is? Zo ja, hoe kan dat en welke stappen zet u om de omvang van de mijnbouwschade in Limburg wel goed in beeld te brengen?
Ja dat klopt. Het aantal is niet exact in kaart gebracht omdat voor ieder pand geldt dat het zonder onderzoek niet is vast te stellen of de schade is veroorzaakt is door de voormalige steenkoolwinning of niet. Als ik kijk naar de circa 70 schadegevallen die door de Tcbb sinds 2012 zijn afgehandeld, dan blijkt dat er bij ongeveer een derde van die schademeldingen er een verband is met de voormalige steenkoolwinning.
Ik verwacht dat op het moment dat de schaderegeling operationeel wordt er veel schademeldingen binnen zullen komen. Ik kan pas enige tijd daarna aangeven hoeveel van deze schadegevallen zijn veroorzaakt door de voormalige steenkoolwinning.
Kunt u tevens aangeven hoe het toezicht op na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning is geregeld? Wie is daarvoor verantwoordelijk en welke rol ziet u hierbij voor bijvoorbeeld de rijksoverheid en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?
Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) is toezichthouder. Voor wat betreft de nog niet verlaten mijnbouwwerken waarvoor nog winningsvergunningen6 van kracht zijn houdt SodM toezicht op de vergunninghouder of haar rechtsopvolgers. In de overige delen van de mijnstreek in Zuid-Limburg waar geen winningsvergunningen van kracht zijn treedt SodM op als adviseur. De rijksoverheid is het bevoegd gezag bij mijnbouw en heeft daarmee ook regie in handen wat betreft de rolverdeling.
Op welke wijze zult u invulling geven aan het advies van SodM om ervoor te zorgen dat het toezicht op de partijen die eindverantwoordelijk zijn voor de regie en uitvoering van nazorgactiviteiten wettelijk wordt vastgelegd?
Op 20 januari 2023 heb ik uw Kamer per brief7 geïnformeerd over de contourennota aanpassingen Mijnbouwwet. Ik heb het voornemen om de Mijnbouwwet op het gebied van nazorg aan te passen. Ik wil hierbij de rol van SodM aangaande nazorg helder vastleggen. Wat mij betreft gaat SodM toezicht houden op alle nazorgactiviteiten in de verschillende mijnbouwsectoren. Ik heb als bevoegd gezag de regierol over mijnbouwactiviteiten.
Het bericht ‘Covid raast door Peking: uitgestorven straten en volle crematoria’ |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Heeft u er kennis van genomen dat in China van diverse medicijnen en pijnstillers tekorten lijken te zijn ontstaan als gevolg van de huidige coronagolf?1
Ja.
Heeft u inzicht in welke medicatietekorten zijn ontstaan in China?
Ik heb geen gedetailleerd inzicht in alle specifieke geneesmiddelentekorten in China. Dit geldt overigens voor veel landen, dit type informatie wordt in de regel niet breed gedeeld. Uit signalen leid ik af dat er met name tekorten lijken te zijn (geweest) aan koortsverlagende- en pijnstillende medicatie zoals ibuprofen en paracetamol vanwege een verhoogd gebruik. Ook heb ik signalen ontvangen dat er tijdelijk tekorten waren van bepaalde geneesmiddelen die in China worden gebruikt bij de behandeling van Covid-19 patiënten.
Weet u of dit medicijnen zijn waarbij Nederland en/of de EU (grotendeels) afhankelijk is van de import uit China? Zo ja, welke medicijnen zijn dit? Zo nee, zou u hier een inventarisatie van kunnen laten maken?
Ik heb geen inzicht in de specifieke medicijntekorten in China en daarmee ook niet in de exacte afhankelijkheden van Nederland en/of de EU van de geneesmiddelen die daar in tekort zijn.
In algemene zin geldt dat Nederland en ook andere landen binnen de Europese Unie voor bepaalde producten afhankelijk kunnen zijn van een beperkt aantal toeleveranciers en producerende landen voor werkzame stoffen (zogenaamde active pharmaceutical ingredients, API’s) en hulpstoffen, zie ook mijn onlangs aan u toegezonden Kamerbrief² en bijbehorende onderzoeksrapporten hierover. Deze landen en toeleveranciers kunnen zich buiten Europa bevinden, zoals in China. Desbetreffende werkzame stoffen en hulpstoffen zijn nodig voor de productie van de eindproducten, het uiteindelijke geneesmiddel. Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd verken ik dit jaar of ik kan identificeren voor welke medische producten Nederland specifiek kwetsbaar is2. In dit kader zal ik ongewenste afhankelijkheid, bijvoorbeeld als grondstoffen afkomstig zijn uit een zeer beperkt aantal landen, zoals China en India, als criterium meenemen.
Is Nederland voorbereid op een eventueel Chinees exportverbod van medicatie? Zo ja, op welke wijze?
Ik heb op dit moment geen signalen dat er in China sprake zou zijn van een (gepland) exportverbod van geneesmiddelen. Op het gebied van tekorten wordt er op Europees niveau in diverse gremia overlegd en samengewerkt, waaronder in de Executive Steering Group on Shortages and Safety of Medicinal Products (MSSG3). In de MSSG van 11 januari jl. is de situatie in China besproken en daaruit volgde de conclusie dat er geen sprake lijkt te zijn van exportrestricties. Ook werd geconcludeerd dat de situatie in China voor nu geen kritische impact lijkt te hebben op de beschikbaarheid van geneesmiddelen in Europa. Afgesproken is dat de MSSG de situatie nauw blijft monitoren, onder andere door middel van overleggen met lidstaten, derde landen en industrie. Eventuele nieuwe bevindingen worden in de toekomstige MSSG ‘s besproken, waarbij dan besproken wordt of aanvullende acties nodig zijn.
Ook in Europa zijn er, los van de situatie in China, signalen van een verhoogde vraag naar koortsverlagende- en pijnstillende geneesmiddelen, zoals paracetamol en ibuprofen. In Nederland is er geen sprake van kritische tekorten aan koortsverlagende- en pijnstillende geneesmiddelen.
Mochten er concrete geneesmiddelentekorten dreigen, dan gelden de reguliere procedures rondom het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten. Handelsvergunninghouders zijn verplicht verwachte leveringsonderbrekingen hier van te voren te melden. Of er vervolgens daadwerkelijke tekorten optreden met impact voor patiënten wordt nauwlettend gevolgd door het CBG. Indien nodig worden oplossingsrichtingen verkend om deze tekorten te mitigeren.
Is het volgens u verstandig om van bepaalde medicijnen tijdelijk grotere voorraden aan te leggen als voorbereiding op een eventueel Chinees exportverbod van bepaalde medicijnen? Zo nee, waarom is dat volgens u niet nodig?
Zoals aangegeven in vraag 4 zijn er op dit moment geen signalen van een (gepland) exportverbod. Ik zie geen noodzaak om, aanvullend op het reeds geldende voorraadbeleid waarover ik uw Kamer heb geïnformeerd4, op dit moment aanvullende noodvoorraden aan te gaan leggen. Hierbij wil ik ook benadrukken dat het nu plots gaan aanleggen van noodvoorraden ook juist voor onrust op de markt kan zorgen en eventuele beschikbaarheidsproblemen in andere landen kan veroorzaken.
Op welke termijn zou eigen productie van geneesmiddelen binnen Nederland of de EU opgeschaald kunnen worden in het geval dat China (tijdelijk) stopt met exporteren van medicijnen?
Dit is sterk afhankelijk van het type geneesmiddel waar een mogelijk tekort aan zou ontstaan. Daarbij is het niet realistisch om voor alles in Nederland en Europa volledig zelfvoorzienend te zijn. Op het moment dat er sprake zou zijn van (dreigende) tekorten zijn er primair andere oplossingsrichtingen die verkend worden en die naar verwachting ook sneller realiseerbaar zijn. Zoals het extra leveren door een ander bedrijf, het uitwijken naar een alternatief geneesmiddel of het nemen van een tekortenbesluit.
Ziet u mogelijkheden om – analoog aan artikel 12bis van de Belgische Wet op de geneesmiddelen – de mogelijkheden te verruimen voor apothekers om aan patiënten een apotheekbereiding ter hand te stellen als die apotheker niet zelf meer het middel kan bereiden? Zo ja, zou een dergelijke verruiming met spoed doorgevoerd kunnen worden om eventuele medicijntekorten op korte termijn tegen te kunnen gaan?
Ik heb uw Kamer naar aanleiding van het plenair debat Verzamelwet 2022 op 18 januari 2023 hierover een brief doen toekomen5. Hierin staat toegelicht waarom een dergelijke uitbreiding op basis van artikel 3 lid 1 en 2 van de Europese richtlijn 2001/83/EG niet mogelijk is. Het doorleveren van apotheekbereidingen van een bereidende apotheek naar een andere apotheek is – voor geneesmiddelen waarvoor geen geregistreerd alternatief beschikbaar is – op dit moment geborgd door middel van gedoogbeleid. Zo is er onder voorwaarden ook toegang voor patiënten die niet bij een bereidende apotheek zitten. Op dit moment verken ik, samen met de IGJ, of deze inrichting nog passend en toekomstbestendig is. Hier kan ik op dit moment niet op vooruitlopen.
Het bericht ‘20 euro subsidie per container die van weg naar water gaat’ |
|
Mahir Alkaya |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «20 euro subsidie per container die van weg naar water gaat»?1
Ja
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is dat meer transport van de weg naar de binnenvaart gaat en niet andersom?
Het verplaatsen van goederenvervoer van de weg naar spoor en water wordt gestimuleerd. Dit is onderdeel van het vigerende mobiliteitsbeleid, dat op dit punt zijn basis vindt in het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst».
Deelt u de mening dat het dreigende wegvallen van kleine schepen dit doel niet dient en dat deze schepen nodig blijven voor een fijnmazig transportsysteem over water?
In de brief aan de Kamer van 30 november 2022 over de toekomst van de binnenvaart2 staat dat verladers en bevrachters aangeven dat kleinschalig vervoer over de binnenwateren belangrijk is en blijft. In dat verband wordt ingegaan op het lopende onderzoek naar de effecten van het aflopen van de zogenaamde overgangsbepalingen3 op de afname van het aantal (kleine) schepen. Dat onderzoek zal onder andere in kaart brengen of de afname van het aantal kleine schepen een negatief effect heeft op het verplaatsen van goederenstromen van de weg naar het water en wat de impact daarvan is op de bedrijvigheid die nu actief gebruik maakt van deze schepen. In het voorjaar van 2023 wordt uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek.
Bent u bereid om in het door u aangekondigde onderzoek naar de toekomstperspectieven van kleine binnenvaartschepen tevens de vraag op te nemen hoeveel bedrijven aan kleine vaarwegen voor hun leveranties afhankelijk zijn van het voortbestaan van de vloot schepen met een klein tonnage en kunt u daarbij tevens onderzoeken hoeveel banen hiermee gemoeid zijn?2
Zoals bij de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, zal het lopende onderzoek ook in kaart brengen wat de impact is van de afname van kleine schepen op de bedrijvigheid die nu actief gebruik maakt van deze schepen. Voor de belangrijkste binnenhavens voor kleine schepen wordt een inschatting gemaakt van de effecten op de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid voor deze havens.
Bent u tevens bereid om in dat onderzoek uit te zoeken hoeveel bedrijven, die nu per schip bevracht kunnen worden, dat niet meer kunnen na het niet langer beweegbaar maken van bruggen?
De vraag in hoeverre bedrijven die nu per schip bevracht kunnen worden, dat niet meer kunnen na het niet langer beweegbaar maken van bruggen, maakt geen onderdeel uit van het onderzoek. Het onderzoek richt zich op het verkrijgen van inzicht in het effect van het aflopen van de overgangsbepalingen op het aantal schepen, de vervoerscapaciteit, de mogelijke knelpunten in dat verband en wie van deze knelpunten nadeel/schade ondervinden.
Is u bekend, of kunt u inventariseren, met welke technische aanpassingen bestaande casco’s van kleine schepen toekomstbestendig kunnen worden gemaakt nu er nauwelijks nog kleinere transportschepen worden geproduceerd?
Recentelijk is in de media aandacht besteed aan kleine schepen waarin Stage V of Euro VI motoren worden geplaatst met subsidie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.5 Met steun van de verlader varen deze schepen bovendien op 100% hernieuwbare brandstof. Dat is een zeer goede ontwikkeling. Deze schepen hebben immers een enorme sprong gemaakt richting toekomstbestendigheid. Uit eerdergenoemd onderzoek zal blijken in hoeverre deze schepen nog tegen knelpunten in de regelgeving aanlopen. Mocht dit inderdaad het geval zijn, dan zal het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de eigenaren van dergelijke schepen ondersteunen bij een beroep op de hardheidsclausule van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
Welke acties onderneemt u verder om te voorkomen dat het aantal (kleine) binnenvaartschepen afneemt?
Hier ligt ook een opgave voor de markt zelf. De overheid kan niet in marktomstandigheden treden. Dat neemt niet weg dat in het kader van het lopende onderzoek naar de effecten van het aflopen van de overgangsbepalingen op het aantal (kleine) schepen ook bezien zal worden welke kansen er zijn voor (innovatieve) kleinschalige binnenvaartconcepten. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de invloed van nieuwe vervoersconcepten, hoe verladers hierop inspelen en initiatieven op het gebied van smart shipping.
Bent u bereid om de scope van subsidieregeling Modal Shift te verbreden door deze mede in te zetten voor het toekomstbestendiger en duurzamer maken van de bestaande kleine binnenvaartvloot en het verhelpen van knelpunten op het vaarwegennet, zodat verladers ook in de toekomst een beroep op de kleine vloot kunnen blijven doen?
Zoals beschreven in de brief de Kamer van 15 november 2022 over de modal shift aanpak6 is de subsidieregeling Modal Shift een regeling die specifiek bedoeld is om meer goederen over het water (binnenvaart) of via het spoor te laten vervoeren in plaats van over de weg. De regeling richt zich daarbij op de opdrachtgevers van dergelijke transporten. Voor het toekomstbestendiger en duurzamer maken van de bestaande kleine binnenvaartvloot en het verhelpen van knelpunten op het vaarwegennet bestaan andere specifieke regelingen en maatregelen. Ondernemers kunnen voor verduurzaming een beroep doen op de «Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021 – 2025». Voor het verhelpen van knelpunten op het vaarwegennet worden ook maatregelen genomen. In het coalitieakkoord is structureel € 1,125 miljard per jaar en € 1,25 miljard per jaar vanaf 2038 uitgetrokken voor de instandhouding van de wegen, het spoor, de bruggen, de viaducten en de vaarwegen. Een uitbreiding van de scope van de subsidieregeling Modal Shift is tegen deze achtergrond niet aan de orde.
Wat kunt u ondernemen om obstakels op kleine vaarwegen weg te nemen en bijvoorbeeld spitssluitingen van bruggen te voorkomen?
Het Rijk is beheerder van de Rijksvaarwegen, dit betreft veelal grote doorgaande hoofdtransportassen en hoofdvaarwegen. Veel van de kleine vaarwegen, die niet onder de categorie hoofdtransportassen en -vaarwegen vallen, zijn in beheer van decentrale overheden. Het Rijksbeleid is erop gericht obstakels te verminderen in het belang van vlotheid en veiligheid. Dit doet IenW niet alleen, maar samen met de provincies, waterschappen en gemeenten. Succesvolle projecten zijn ook samen met medeoverheden opgezet, denk aan de 7x24 uursbediening op de Maas en Brabantse Kanalen van de afgelopen 10 jaar. In dit kader is recentelijk in het BO-MIRT 2022 afgesproken dat het Rijk de € 187.500 aan bedieningskosten van de Brabantse kanalen, waar het budget voor het jaar 2023 nog niet gedekt was, eenzijdig financiert.
Ook beoogt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met Rijkswaterstaat om obstakels als gevolg van bijvoorbeeld spitssluitingen van bruggen te beperken. Vaarwegbeheerders maken in onderling overleg met spoor- en wegbeheerders afspraken om de hinder voor de verschillende modaliteiten zoveel mogelijk te voorkomen.
Welk effect op de CO2-uitstoot wordt verwacht, als door afname van kleine binnenvaartschepen minder vracht per schip vervoerd kan worden?
Ervan uitgaande dat de schepen in CEMT-klassen I en II in aantal zullen afnemen, is nog niet te zeggen of de lading ook naar het wegvervoer zal gaan of dat deze wordt overgenomen door grotere schepen of dat verladende bedrijven hun activiteiten verplaatsen. Eerdergenoemd onderzoek moet daarover meer duidelijkheid geven. Tot die tijd kan niet worden ingeschat welk effect op de CO2-uitstoot wordt verwacht, omdat nog niet bekend is wat de gevolgen betekenen voor de modal split. Daarbij moet worden opgemerkt dat in het kader van het Fit for 55-pakket maatregelen worden genomen om de CO2-uitstoot van het wegverkeer verder te beperken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan toepassing van hernieuwbare brandstoffen via de Richtlijn hernieuwbare energie.
De berichten ‘Twitter heft adviesraad op die platform veilig moest houden’ en ‘Elon Musk daalt op zijn Twitter steeds dieper af in het konijnenhol’ |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Twitter heft adviesraad op die platform veilig moest houden»1 en het bericht «ElonMusk daalt op zijn Twitter steeds dieper af in het konijnenhol»?2
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de mening dat de veiligheid op Twitter sinds de overname door Elon Musk steeds verder verslechtert, onder andere door het opheffen van de Trust & Safety council en het ontslag van medewerkers die berichten beoordeelden en verwijderden?
De ontwikkelingen binnen de Twitter organisatie volgen elkaar momenteel snel op. De berichtgevingen over de effecten hiervan voor gebruikers lopen uiteen.
Het is van belang dat mensenrechten en democratische waarden door online platforms worden gewaarborgd, en dat platforms als Twitter hierover verantwoording afleggen.
Wat vindt u van de tweets van Musk over wetenschapper Anthony Fauci, waarin wordt opgeroepen tot strafrechtelijke vervolging van deze wetenschapper? Wat vindt u van het blokkeren van Twitter-accounts van verschillende Amerikaanse journalisten?
De persoonlijke tweets van de heer Musk zullen onder Amerikaans recht beoordeeld moeten worden door de toezichthoudende instanties aldaar. De journalisten die hun account zagen geblokkeerd na een (vermeende) overtreding van het privacy-beleid zijn weer toegelaten op het platform. Het spreekt voor zich dat ik elke onrechtvaardigde inbreuk op de journalistieke vrijheid afkeur.
Deelt u de mening dat dergelijke acties, van iemand die eigenaar is van Twitter en zelf 121 miljoen volgers heeft, schadelijke en ernstige gevolgen kunnen hebben in de fysieke wereld?
Uiteraard keur ik haatzaaiende berichten – in welke vorm dan ook – af. Hierover maakten we reeds in EU-verband afspraken met verschillende social media platforms3. Onder artikel 34 en 35 van de nieuwe Digitale Dienstenverordening4 die dit jaar voor online platforms in werking treedt, zullen platforms met meer dan 45 miljoen gebruikers in de EU de impact van hun dienstverlening op fundamentele rechten, waaronder vrijheid van de pers, het publieke debat en non-discriminatie in kaart moeten brengen en passende maatregelen moeten nemen om deze te beschermen. Met 61,9 miljoen gebruikers in de EU eind 20225 ziet het er naar uit dat Twitter aan deze wettelijke verplichting moet gaan voldoen en anders boetes moet betalen. De Europese Commissie houdt hier toezicht op. Het is heel goed dat alle zeer grote online platforms nog dit jaar aan deze regels zullen moeten voldoen.
Hoe kijkt u naar deze ontwikkeling in de wetenschap dat Twitter met 3,5 miljoen actieve gebruikers een van de grootste social media platforms van Nederland is en daarmee een podium biedt aan het publieke debat in Nederland?
Het kabinet heeft er mee ingestemd dat een platform met een bereik van meer dan >10% van de EU bevolking zal worden aangemerkt als een zeer groot online platform en daarmee aan aanvullende verplichtingen zal moeten voldoen onder de herziene Digitale Dienstenverordening. Platforms zullen risico’s in kaart brengen van hun (algoritmische) dienstverlening op fundamentele rechten en het publieke debat en deze moeten mitigeren.
Hoe wilt u het Nederlandse publieke debat beschermen tegen een verdere verslechtering van de veiligheid op Twitter dat zich manifesteert in een slechtere controle op racistische berichten, complottheorieën, bedreigingen en andere vormen van hate speech?
Nog dit jaar zullen zeer grote online platforms moeten voldoen aan de verplichtingen uit de herziene Digitale Dienstenverordening en zullen ze de eerste rapportage aan de Europese Commissie, die toezicht houdt, moeten toezenden. Wanneer het platform inbreuk pleegt op de bepalingen uit de verordening kan de Europese Commissie geldboeten opleggen die niet meer bedragen dan 6% van zijn totale wereldwijde jaaromzet.
Bent u in overleg met uw collega’s in andere EU-lidstaten en in Brussel over een gezamenlijke aanpak om Twitter hierop aan te spreken en ervoor te zorgen dat Twitter zich aan de Europese regels houdt?
De Europese Commissie zal optreden als onafhankelijke toezichthouder bij zeer grote online platforms. Leden van de Commissie hebben aangegeven dat Twitter zich aan de regels zal moeten houden6.
De explosieve uitkomsten van het onderzoek van de Amerikaanse House Committee on Oversight and Reform naar de klimaatontwrichtende investeringsplannen van de liegende fossiele industrie |
|
Lammert van Raan (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het onderzoek naar de fossiele industrie van het House Committee on Oversight and Reform in de VS en de nieuwe documenten die in december 2022 is vrijgegeven?1
Ja.
Erkent u dat uit het onderzoek blijkt dat de onderzochte fossiele bedrijven plannen maken om nog decennialang fossiele brandstoffen op te pompen?2
Ik heb het onderzoek gezien en kennis genomen van de conclusies.
Erkent u hoe problematisch dat is in het licht van de Parijs-doelstelling om de opwarming van de aarde tot 1,5 graden te beperken?
Voor het kabinet is het belangrijk dat we de doelen van Parijs halen en de opwarming van de aarde beperken tot 1,5⁰C. Het kabinet informeert u regelmatig over haar inzet en maatregelen op nationaal en internationaal niveau om de Parijs-doelstelling te halen, en de rol die bedrijven daarbij spelen.
Het is waar dat de investeringen van veel olie- en gasbedrijven niet in lijn zijn met het beperken van de mondiale opwarming tot 1,5⁰C. Het kabinet is van mening dat ook bedrijven zich moeten committeren aan de doelen van Parijs en daarnaar moeten handelen. Bedrijven hebben daarbij hun eigen verantwoordelijkheid. Dat geldt ook voor de olie- en gasbedrijven.
Tegelijkertijd is het beperken van de CO2-uitstoot een bredere verantwoordelijkheid dan alleen die van olie- en gasbedrijven en vergt bijdragen van een ieder. Het is bijvoorbeeld ook aan overheden en burgers om de juiste prikkels te geven aan bedrijven, zodat die hun investeringsgedrag aanpassen.
Op basis van internationale afspraken is het Europese en nationale klimaatbeleid gebaseerd op nationale emissies, waarvoor landen juridisch ook verantwoordelijk zijn. In het nationale klimaatbeleid vertaalt dat zich in klimaatdoelen om de uitstoot in Nederland en aan de schoorsteen te verminderen in 2030 en 2050.
In Nederland en de EU zijn bedrijven gehouden aan ambitieuze verduurzamingsdoelstellingen. Deze doelstellingen komen voort uit het Fit for 55-pakket van de Europese Unie en het Klimaat- en coalitieakkoord in Nederland. Het Europese Emission Trading System (ETS) en de Nederlandse aanvulling daarbovenop, de CO2-heffing, vormen de basis van het klimaatbeleid voor de industrie.
Daarnaast heeft dit kabinet ingezet op het maken van maatwerkafspraken met de 10–20 grootste industriële uitstoters en is de ambitie daarbij te komen tot substantiële additionele emissiereductie. Met een aantal van hen is inmiddels een Expression of Principles (EoP) getekend. Recent heb ik een brief gestuurd aan de Kamer over de voortgang van de maatwerkafspraken.3
De overheid stimuleert met subsidieregelingen, beprijzing, normering, aanleg van infrastructuur, stimulering van innovatie, versnelde opschaling en bevordering van internationale samenwerking van industriële (met name Europese) consortia (o.a. via de Important Projects of Common European Interest (IPCEI)).
Bij overheidssteun verwacht het kabinet wederkerigheid van gesteunde bedrijven. Bijvoorbeeld: naast emissiereductie behoud van de economische activiteiten en zoveel mogelijk van de bijhorende werkgelegenheid en verbetering van de leefomgeving (o.a. reductie van stikstofemissies).
Het kabinet rekent de verduurzamingsprestaties van bedrijven af op resultaten, en dat geldt ook ten aanzien van de activiteiten van raffinaderijen in Nederland. Het kabinet verwacht van deze bedrijven versnelde investeringen in hun verduurzaming, bijvoorbeeld als onderdeel van de maatwerkafspraken.
Wat is uw reactie op de interne uitwisseling tussen de CEO en de «Board of Directors» van Chevron waaruit blijkt dat het bedrijf de concurrentie in de energiesector zich ziet terugtrekken uit olie en gas, maar ervoor kiest vast te houden aan de strategie om te blijven investeren in fossiele brandstoffen om zo hun positie binnen de sector te consolideren?
Chevron is een Amerikaans bedrijf dat internationaal opereert. Het kabinet kan internationale bedrijven geen strategie voorschrijven en buiten Nederland dwingen maatregelen te nemen.
Wat is uw reactie op het interne verslag van BP uit 2017 waaruit blijkt dat het bedrijf, in weerwil van hun publieke steun voor het Parijsakkoord, plannen maakte om nieuwe olievelden te ontwikkelen en zich daarnaast te richten op de meest winstgevende bestaande velden?
Zie ook de strekking van mijn reactie op vraag 4.
Ook met BP ben ik in gesprek over hun inzet voor verduurzaming in Nederland.
Het is aan bedrijven om te bepalen waar ze in investeren; de doelstellingen voor verduurzaming zijn leidend voor dit kabinet.
Bedrijven die in Nederland opereren, moeten in Nederland investeren om de uitstoot van CO2 snel naar beneden te brengen. Als bedrijven dat niet doen, lopen bedrijven tegen hoge kosten aan door de Nederlandse CO2-heffing en de emissiehandel in de EU.
Zoals in het regeerakkoord is opgenomen, zet het kabinet in op ambitieuze, bindende maatwerkafspraken met grote uitstoters, zoals BP, om hun uitstoot verder naar beneden te brengen en de verduurzaming van productie in Nederland te versnellen.
Wat is uw reactie op de interne correspondentie van BP waaruit blijkt dat de bedrijfsleiding vindt dat ze geen verplichting hebben om minder broeikasgassen uit te stoten en dat ze alleen minder zullen gaan uitstoten wanneer dit vanuit commercieel oogpunt een logische stap zou zijn?
In het kader van de maatwerkafspraken is het kabinet ook met BP in gesprek om hun investeringen in verduurzaming naar voren te halen en tot een versnelde en additionele reductie van CO2 te komen.
Zie ook mijn antwoord bij vraag 5.
Erkent u dat uit het onderzoek blijkt dat deze fossiele bedrijven geen echte plannen hebben om hun broeikasgasemissies te reduceren in lijn met het Parijsakkoord en over te stappen naar duurzame energiebronnen?
De voorwaarde van het kabinet om te komen tot maatwerkafspraken met de grootste uitstoters, waaronder de raffinaderijen, is dat ze komen met een transitieplan om op termijn (uiterlijk in 2050) in Nederland netto-nul emissies te bereiken, naast aandacht voor de vermindering van ketenemissies (scope 3).
Wat is uw reactie op de interne correspondentie van BP waaruit blijkt dat hun strategie is om weerstand te bieden aan klimaatmaatregelen of ze in het geheel te blokkeren?
Met BP ben ik in gesprek over hun inzet voor verduurzaming in Nederland en ben ik voornemens tot maatwerkafspraken te komen. BP is in onze gesprekken constructief en ambitieus.
Zie ook mijn reactie op vraag 5.
Wat is uw reactie op het feit dat Shell en BP weten dat een belangrijk onderdeel van hun «klimaatplan» de uitstoot niet daadwerkelijk omlaag zal brengen?
Shell en BP zijn internationaal opererende bedrijven. Het kabinet kan internationale bedrijven geen strategie voorschrijven en buiten Nederland dwingen maatregelen te nemen. Bedrijven in Nederland moeten investeren om de uitstoot van CO2 snel naar beneden te brengen. Als bedrijven dat niet doen, lopen bedrijven tegen hoge kosten aan door de Nederlandse CO2-heffing en de emissiehandel in de EU.
Zoals in het regeerakkoord is opgenomen, ben ik in gesprek met de grootste uitstoters om via bindende maatwerkafspraken de uitstoot verder naar beneden te brengen.
Wat vindt u daarvan in het kader van de exorbitante winsten die deze fossiele bedrijven maken terwijl burgers de rekening krijgen gepresenteerd?
De markt reageert op vraag en aanbod en wordt tevens beïnvloed door tal van zaken, zoals bijvoorbeeld geopolitieke ontwikkelingen. Dat zijn kenmerken van een vrije markt. Echter, het kabinet vindt het tegelijkertijd belangrijk dat de energierekening voor huishoudens betaalbaar blijft en neemt daarom mitigerende maatregelen, zoals het verlagen van de btw op brandstoffen en de koopkrachtreparatie via de energierekening.
Het kabinet verwacht van deze bedrijven versnelde investeringen in hun verduurzaming, bijvoorbeeld als onderdeel van de maatwerkafspraken.
Erkent u dat deze fossiele bedrijven nog steeds investeren in desinformatie campagnes over het klimaat? Zo nee, waarom niet?
Ik veroordeel uiteraard het verspreiden van desinformatie. In hoeverre de door u aangehaalde bedrijven zich daar schuldig aan maken kan ik niet beoordelen.
Erkent u dat uit het onderzoek blijkt dat deze fossiele bedrijven zich groen voordoen terwijl ze dat niet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik beoordeel bedrijven op hun prestaties om de klimaatdoelstellingen van Nederland en Europa te halen. Ik laat mij daarbij leiden door feiten. Veel bedrijven werken hard aan de transformatie naar duurzame circulaire processen. Dat bedrijven hun investeringen en inspanningen op het gebied van verduurzaming aandacht geven, vind ik niet opmerkelijk.
Wat vindt u ervan dat deze fossiele bedrijven informatie hebben achtergehouden voor het Amerikaanse onderzoek?
Ik kan helaas niet alle bronnen en details verifiëren. Uiteraard dienen bedrijven zich aan de wet te houden en mee te werken aan wettelijk voorgeschreven onderzoeken.
Hoe beoordeelt u in het algemeen de handelwijze van deze fossiele bedrijven? Bent u bereid deze bedrijven naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek op het matje te roepen? Zo nee, waarom niet?
Ik zal deze bedrijven naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek niet op het matje roepen. Met bedrijven die in Nederland opereren, ben ik in gesprek over hun inzet voor duurzaamheid in Nederland. Het kabinet rekent bedrijven af op resultaten om de doelen te halen.
Erkent u dat de tactieken die de fossiele industrie hanteert eerder door de tabaksindustrie werden gebruikt om te voorkomen dat hun dodelijke producten aan banden zouden worden gelegd? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, waarom niet?
De fossiele industrie en de tabaksindustrie zijn twee verschillende sectoren. Voor de fossiele industrie bestaan in elk geval mogelijkheden om te verduurzamen door om te schakelen naar schone energie en chemie.
In hoeverre is het Nederlandse klimaatbeleid gehinderd of vertraagd door dit soort gedrag van fossiele en andere klimaatvervuilende bedrijven?
In hoeverre het klimaatbeleid in het verleden door bedrijven is gehinderd of vertraagd is niet bekend. Het klimaatbeleid is nu wettelijk verankerd, zowel nationaal als Europees. De doelen richting 2030 en 2050 staan vast. Daarbinnen probeert dit kabinet de verduurzaming van de industrie te versnellen en extra CO2-winst te behalen.
Bent u bereid onderzoek te doen naar in welke mate fossiele bedrijven dit gedrag ook in Nederland vertonen? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ga ik geen onderzoek naar doen. Prioriteit van dit kabinet is het halen van de wettelijke verankerde klimaatdoelen en verduurzaming van de industrie.
Welk bewijs heeft u dat deze fossiele bedrijven in Nederland en in de EU niet dezelfde tactieken hanteren om de energietransitie te vertragen?
Dat bewijs heb ik niet.
Acht u deze bedrijven betrouwbare onderhandelingspartners in het kader van het halen van de Nederlandse klimaatdoelen, bijvoorbeeld bij de steun voor carbon capture and storage (CCS) of bij het maken van de maatwerkafspraken? Zo ja, waar baseert u dat vertrouwen op? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
Ja. Mijn inzet is om met grote uitstoters bindende maatwerkafspraken te maken.
Waarom krijgen deze liegende bedrijven van u subsidie om hun praktijken te «verduurzamen», opgehoest door de Nederlandse belastingbetaler, terwijl ze al decennialang financieel profiteren van het vernietigen van de aarde, nu nog steeds gigantische winsten maken en plannen maken om te blijven investeren in fossiele brandstoffen?
De inzet van mijn beleid is dat bedrijven met een ambitieuze verduurzamingsagenda hun productie in Nederland houden en in Nederland verduurzamen. Daarmee creëren we nieuw verdienvermogen voor Nederland en kan Nederland tot de koplopers behoren in de verduurzaming van de industrie. Dit vraagt ambitieuze verduurzamingsplannen van de bedrijven en stimulerende randvoorwaarden van de overheid.
Bedrijven die willen verduurzamen, worden door de overheid ondersteund om de transitie te maken met subsidies voor verduurzaming en innovatie, door in te zetten op het tijdig beschikbaar maken van hernieuwbare energie en de daarvoor benodigde infrastructuur. Dat betekent niet dat alle bedrijven de verduurzaming zullen meemaken. Ik verwijs voor de details naar mijn Kamerbrief over de verduurzaming van de industrie4.
Heeft u in de gesprekken met Shell, ExxonMobil en BP over steun voor CCS en de maatwerkafspraken als harde randvoorwaarde voor subsidie op zijn minst geëist dat hun internationale investeringsplannen in lijn zijn met de 1,5 graden doelstelling van Parijs? Zo nee, waarom niet?
Nee. Shell, Ex1xonMobil en BP zijn internationaal opererende bedrijven. Ik kan internationale bedrijven niet dwingen en een strategie voorschrijven voor hun internationale investeringsplannen.
Op basis van internationale afspraken is het Europese en nationale klimaatbeleid gebaseerd op nationale emissies, waarvoor landen juridisch ook verantwoordelijk zijn.
In het nationale klimaatbeleid vertaalt dat zich in klimaatdoelen om de uitstoot in Nederland en aan de schoorsteen te verminderen in 2030 en 2050. Daarover zijn in het Coalitieakkoord afspraken gemaakt, ook voor de industrie, en in het beleidsprogramma zijn daarvoor maatregelen uitgewerkt om de uitstoot van bedrijven te verminderen, o.m. via de aangescherpte CO2-heffing en de maatwerkafspraken.
Door eerder dan anderen in te zetten op duurzaamheid en duurzaam produceren, kunnen bedrijven een koploperspositie innemen en zich door innovatie blijvend onderscheiden.
De overheid stimuleert met subsidieregelingen, normering, innovatie, versnelde opschaling en bevordering van internationale samenwerking van industriële (met name Europese) consortia (o.a. via de IPCEI).
Hoe vaak heeft u het afgelopen jaar met deze fossiele bedrijven gesproken? Wat waren bij deze ontmoetingen de onderwerpen die werden besproken?
Ik spreek regelmatig met de grote uitstoters, waaronder fossiele bedrijven. Ik heb gesprekken met deze bedrijven over hun strategie en verduurzamingsplannen. Daarbij draag ik de inzet van dit kabinet uit, zoals in mijn reactie bij vraag 3 beschreven.
Kunt u vanaf nu al uw gesprekken met deze fossiele bedrijven openbaar maken en aangeven welke onderwerpen werden besproken? Zo nee, waarom niet?
De agenda is openbaar dus u kunt zien wanneer ik met bedrijven spreek. De inhoud van die gesprekken is regelmatig bedrijfsvertrouwelijk; in die gevallen is de inhoud derhalve niet openbaar te maken. Daar waar meer algemene (niet bedrijfsspecifieke) bespreekpunten aan de orde komen, geldt die restrictie niet. Het kabinet is vanzelfsprekend gehouden aan de Wet open overheid (Woo).
Kunt u al deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.