Het bericht dat de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT en dat TNT weigert openheid van cijfers te geven |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat de OPTA twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT en dat TNT weigert openheid van cijfers te geven?1
Het gaat hier om een discussie tussen OPTA als toezichthouder op de naleving van de eisen die de Postwet 2009 stelt aan de universele postdienst en TNT Post als leverancier van de universele dienst.
OPTA heeft niet gesteld dat zij twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT Post, maar dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat TNT aan de 95%-norm voldoet. OPTA heeft onder andere gevraagd om een uitsplitsing van de bezorgkwaliteit naar bezorgdagen. TNT geeft aan dat voor de losse post de norm van 95% is gehaald en zij een algeheel overzicht van de uitkomsten van de metingen heeft verstrekt en inzichtelijk heeft gemaakt hoe die uitkomsten zijn gewogen. Het is aan OPTA om te bepalen welke informatie zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taken.
Welke redenering hanteert TNT om de kwaliteit van de postbezorging te berekenen op basis van een gewogen gemiddelde, waarbij zij uitkomt op een kwaliteit van 95,2%? Welke wegingsfactoren worden gebruikt?
De kwaliteitsnorm voor de universele dienstpost is op 95% gesteld. Dat betekent dat gemiddeld per jaar 95% van de brieven die aan de gestelde eisen voldoen binnen 24 uur moeten worden bezorgd.
Het onderzoeksbureau Intomart GfK verstuurt in opdracht van TNT Post elke maand ca. 5 000 proefbrieven; jaarlijks ca. 60 000 brieven. Dit levert ongewogen gemiddelden op. Vervolgens worden de uitkomsten omgewerkt naar een gewogen gemiddelde aan de hand van de werkelijke aantallen brieven per maand, aan de hand van de volgende kenmerken: periodes van het jaar, wijze van adressering (machinegeschreven, handgeschreven) en gewichtsklassen. Er wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de hoeveelheid post die met overnight service wordt verzonden in de maand december, welk volume sterk afwijkt van de andere maanden van het jaar. Zo wordt het gewogen gemiddelde per jaar bepaald.
Waarom wil TNT volgens de OPTA niet inzichtelijk maken hoe ze de weging berekent, terwijl het berekende percentage cruciaal afhangt van de precieze weging, omdat het ongewogen gemiddelde op 94,8% uitkomt?
TNT heeft aan OPTA gerapporteerd hoe zij de weging bepaalt en de meetresultaten weegt. De daadwerkelijke wegingsinformatie heeft TNT volgens OPTA niet geleverd, hetgeen door TNT wordt betwist. TNT wijst daarbij naar eerdere afspraken daarover met OPTA en de controle door de accountant. De verklaring van de accountant, vergezeld van de controleplannen en het controleverslag, is bij de rapportage geleverd.
Met welk significantieniveau komt het door TNT bepaalde gewogen gemiddelde van 95,2% uit boven de limiet van 95%?
Het significantieniveau wordt niet benoemd in de wettelijke definities en de definities van de Europese normen als te rapporteren parameter. TNT Post heeft dan ook niet over het significantieniveau gerapporteerd. In de Europese norm staat vermeld dat een 95%-betrouwbaarheidsinterval dient te worden gegeven dat een nauwkeurigheid dient te hebben van maximaal 1% onder en 1% boven de gemeten waarde. De nauwkeurigheid van het door TNT Post gerapporteerde betrouwbaarheidsinterval bedraagt 0,21%, zodat de meting aanzienlijk nauwkeuriger is dan volgens de norm wordt vereist, volgens TNT.
TNT Post geeft aan dat het betrouwbaarheidsinterval voor de losse post ligt tussen 94,9% en 95,4%, hetgeen betekent dat de kans dat het gewogen gemiddelde daartussen ligt 95% bedraagt.
Op basis van dit betrouwbaarheidsinterval kan volgens OPTA worden geschat dat de standaarddeviatie 0,125 is. Verder ligt het door TNT Post aan OPTA gerapporteerde gewogen gemiddelde op 95,2%. Met deze gegevens, uitgaande van een normaalverdeling, kan volgens OPTA de kans dat het gemiddelde boven de 95% ligt worden geschat op 89%.
Deelt u de mening dat het bericht dat OPTA twijfelt aan de bezorgkwaliteit van TNT en dat TNT weigert openheid van cijfers te geven het zoveelste bewijs is dat de concurrentie in de postsector is mislukt, na de eerdere berichten over de onderbezetting bij TNT, het sjoemelen met post door de leiding, de falende postbezorging, de verhoging van de prijs van de postzegel, werknemers die te maken krijgen met intimidatie op de werkvloer, 15 000 mensen die hun baan dreigen te verliezen en postwerkers die niet eens het minimumloon krijgen?
Neen, OPTA stelt dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat TNT aan de kwaliteitseis voldoet, omdat volgens OPTA op basis van de wettelijk voorgeschreven systematiek, in het bijzonder de te hanteren statistische definities, niet uit te sluiten valt dat de werkelijke uitkomst onder de 95% ligt.
Het gaat hier om het toezicht op de naleving van de eisen die worden gesteld aan de universele postdienst. Deze eisen golden ook de volledige openstelling van de postmarkt. Afgezien van het feit dat het hier om fractionele verschillen gaat, zie ik niet hoe daar de conclusie aan kan worden verbonden dat de concurrentie in de postsector is mislukt.
Het bericht dat vakantieparken kosten verzwijgen |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van de Consumentenbond waaruit blijkt dat vakantieparken kosten niet duidelijk genoeg communiceren?1
Ja.
Deelt u de mening dat hier sprake is van een ontbrekende transparantie voor de consumenten? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik eraan hecht dat consumenten in staat moeten worden gesteld om op basis van juiste en volledige informatie hun koopbeslissing te nemen. Om dit te waarborgen, bestaat reeds wet- en regelgeving. Zo is het aanbieders van producten en diensten op grond van de Wet oneerlijke handelspraktijken verboden onduidelijke, onvolledige of misleidende informatie te geven over de belangrijkste kenmerken van hun product of dienst, waaronder de prijs. Wanneer vakantieparken besluiten de door de betrokken gemeente vastgestelde toeristenbelasting aan de consument in rekening te brengen, dient de hoogte hiervan gelijk te zijn aan het door de gemeente vastgestelde bedrag te zijn. In het geval ondernemingen een hoger bedrag in rekening brengen doordat ze bijvoorbeeld andere kosten onder de post toeristenbelasting scharen, is sprake van onjuiste informatie. Bij collectieve overtredingen kan de Consumentenautoriteit handhavend optreden. Ik heb deze specifieke kwestie dan ook onder de aandacht gebracht van de Consumentenautoriteit.
Ook is sprake van zelfregulering via de Code Reisaanbiedingen, een bijzondere code van de Nederlandse Reclame Code. Deze code verplicht de daarbij aangesloten ondernemingen in reclame-uitingen de prijs te vermelden inclusief de bekende onvermijdbare bijkomende kosten, zoals de toeristenbelasting. De Code Reisaanbiedingen bevat onder andere nadere transparantievoorschriften. Volgens deze code is sprake van misleiding indien de aanbieder het begrip «belasting» gebruikt voor kosten die hij niet aan de overheid hoeft af te dragen. Indien een vakantiepark aangeeft te zijn gebonden aan deze Code, maar er in de praktijk niet naar handelt, kan dit een oneerlijke handelspraktijk opleveren. Consumenten kunnen klachten over het niet naleven van deze code indienen bij de Reclame Code Commissie. Wanneer marktpartijen uitspraken van de Reclame Code Commissie niet naleven, of wanneer er sprake is van recidive, kan de Consumentenautoriteit hiertegen handhavend optreden.
Ook kunnen consumenten een klacht indienen bij ConsuWijzer, het informatieloket van de Consumentenautoriteit, de NMa en de OPTA. De klachten die via ConsuWijzer bij de Consumentenautoriteit terecht komen, vormen belangrijke signalen voor eventuele overtredingen van de betreffende regels. Zij kunnen voor de Consumentenautoriteit reden zijn om een onderzoek te starten. Tot dusverre zijn de meldingen in dit verband echter beperkt gebleven.
Bent u ook van mening dat het afkeurenswaardig is dat parken onder allerlei creatieve benamingen de toerist opzadelt met een veel hogere toeristenbelasting dan het daadwerkelijke bedrag dat de gemeente berekent? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het absoluut onwenselijk is dat bij het boeken van een vakantiebestemming standaard de optie voor een annuleringsverzekering is aangevinkt in de hoop dat de consument dit niet ziet? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik acht het onwenselijk dat bij het boeken van een vakantiebestemming de optie voor een annuleringsverzekering vooraf is aangevinkt. Ik vind het namelijk belangrijk dat consumenten in staat worden gesteld om weloverwogen en bewuste keuzes te maken. Wanneer facultatieve prijstoeslagen, zoals een annuleringsverzekering, vooraf worden «aangevinkt» is dit minder goed mogelijk.
Omdat ik het onwenselijk acht dat consumenten mogelijk ongewild aan verplichtingen gebonden worden die via vooraf aangevinkte hokjes in het aanbod van aanbieders van producten of diensten tot stand komen, heeft Nederland in de onderhandelingen over het richtlijnvoorstel consumentenrechten het voorstel van de Europese Commissie voor een verbod op vooraf afgevinkte hokjes ondersteund.
Deelt u de opvatting dat deze branche de consument voortaan beter moet informeren over gemeentelijke heffingen en reserveringskosten? Zo nee, waarom niet?
Het goed informeren van consumenten in het geval zij een product of dienst willen aanschaffen over onder andere bijkomende kosten, waaronder de gemeentelijke heffingen en reserveringskosten, dient te allen tijde plaats te vinden. In de antwoorden op de vragen 2 en 3 is aangegeven dat bestaande wet- regelgeving dit belang waarborgt. In hoeverre in deze specifieke kwestie door de betrokken ondernemers in overeenstemming met deze wet- en regelgeving is gehandeld, is ter beoordeling aan de Consumentenautoriteit en uiteindelijk aan de rechter.
Mogelijke onregelmatigheden bij de tenders van de transportdienst DVVO in Zeist |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Luchtvrachtbedrijven hekelen inkoopbeleid Defensie»?1
Ja.
Is het waar dat de Dienst Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) de meerderheid van de transportopdrachten aan het bedrijf Fiteline toekent?
Nee, in totaal zijn in 2010 in opdracht van DVVO, met inachtneming van de Europese aanbestedingsregelgeving, 270 opdrachten voor luchttransport uitgevoerd. Daarvan heeft Fliteline 122 opdrachten gerealiseerd. De overige 148 transportopdrachten zijn uitgevoerd door andere vervoerders.
Wat is uw oordeel over de klacht van het vrachtbedrijf Kales Airline Services en anonieme internationale luchtvrachtmakelaars dat zij unfair worden behandeld?
Bij de selectie van de aanbieder gelden criteria die van tevoren bij de vervoerders bekend zijn gemaakt. Het tenderproces van DVVO kent een aantal criteria. Zo dient een aanbieder te beschikken over de NLG-06 vergunning. Dit is een wettelijke eis.
Bij de selectie van de aanbieder wordt ook gekeken naar de prijs. Voor ISAF-vrachtvluchten wordt gekozen voor de aanbieder met de economisch meest voordelige inschrijving.
Hierbij wordt ook rekening gehouden met additionele kosten zoals boetes bij het eventueel niet doorgaan van geplande vluchten. Defensie herkent zich dan ook niet in het beeld zoals geschetst in genoemd artikel.
Wat is uw oordeel over de klachten dat er sprake zou zijn van obstructie bij het verlenen van bepaalde vergunningen en het maken van prijsafspraken met Russische vrachtoperators?
Voor vrachtvluchten verleent het ministerie van Buitenlandse Zaken de diplomatieke klaring. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu verleent de vergunning voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen, de zogenaamde NLG-06. De luchtvaartmaatschappijen zijn zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van de benodigde vergunningen. Hierover zijn bij Defensie geen klachten ingediend. Er zijn geen afzonderlijke prijsafspraken met vervoerders gemaakt.
Is het waar dat Fliteline NAVO-codes voor vluchten in Afghanistan verleent?
Nee.
Kunt u aangeven welke criteria er worden gehanteerd bij het tenderproces van DVVO?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat Fliteline materiaalvluchten uit Afghanistan uitvoert?
Ja.
Kunt u aangeven wat de transportkosten hiervan zijn?
De transportkosten van de door Fliteline uitgevoerde vluchten zijn commercieel vertrouwelijk.
Is er daarbij een verschil tussen de begrote kosten en de daadwerkelijke kosten?
Ja, de daadwerkelijke kosten liggen circa € 3 miljoen onder de raming.
Bent u bereid het tenderproces bij DVVO te onderzoeken? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Defensie voert bij de verlening van transportopdrachten voorafgaand financieel toezicht uit, waarbij de rechtmatige uitvoering van de verwerving wordt gecontroleerd. Ook beschikt Defensie over een interne auditdienst die regelmatig achteraf de correcte uitvoering van verwervingsprocessen controleert in het kader van de controle op het financiële beheer. Bij het tenderproces van DVVO voor luchttransport zijn in 2010 geen onrechtmatigheden geconstateerd. Het genoemde artikel geeft geen aanleiding voor nader onderzoek.
Het alternatieve voorstel van de Nederlandse Vereniging van Banken en de verzekeraars voor tophypotheken |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Helft hypotheken moet afgelost?1
Ja.
Deelt u de mening van de Autoriteit Financiële Markten dat er geen onverantwoorde kredieten mogen worden verstrekt?
Ja.
Deelt u ons beeld dat de betalingsproblemen die tot gedwongen verkoop van huizen leiden zich met name voordoen bij de lagere huizenprijzen die nog vallen onder de NHG-norm?
De meeste woningen die gedwongen worden verkocht hebben een prijs die onder de kostengrens van de NHG ligt. Er werden in 2010 in totaliteit 2 086 huizen gedwongen verkocht op veilingen, waarvan 400 onder NHG. Volgens gegevens van het Kadaster valt zo’n 80% van de geveilde woningen binnen de prijscategorie tot € 200 000 en 90% binnen de prijscategorie tot € 250 000.
Weet u dat de NHG als norm stelt dat de helft van de hypotheek moet worden afgelost binnen een looptijd van 30 jaar?
Ja.
Wat vindt u ervan dat banken en verzekeraars hebben aangedrongen op uitstel van regelgeving omdat zij met een alternatief plan zouden komen en dat zij nu de bestaande NHG-normen als oplossing presenteren?
De NVB heeft mij een Gedragscode Hypothecaire Financieringen doen toegekomen welke door bancaire sector en het Verbond van Verzekeraars wordt onderschreven. Ik ben, mede na onderhoud met de Autoriteit Financiële Markten, van mening dat deze nieuwe gedragscode een vergelijkbaar niveau van consumentenbescherming biedt als het besluit toetskader hypothecaire kredietverlening. De banken hebben overigens niet NHG- normen als oplossing gepresenteerd. Zij hebben echter wel een bepaling opgenomen in de gedragscode waarbij ook maar maximaal 50% van de marktwaarde van de woning aflossingsvrij geleend mag worden.
Tot hoeveel onnodige huizenverkopen heeft dit uitstel geleid?
Er is mij geen relatie tussen het aantal huisverkopen en het invoeren van de aangescherpte hypotheekregels bekend.
Uiteenlopende eisen voor drogistenexamens en over het feit dat het Drogisterijcollege geen toezicht houdt op het deugdelijke afnemen van het drogisterijexamen |
|
Johannes Sibinga Mulder , Erik Ziengs (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen1 waarin u aangeeft de wens te hebben dat de drogisterijsector meer werk moet maken van opleidingen en examens voor het beroep van (assistent)drogist, en dat met dit doel door uw voorganger, naast de examenorganisatie Pharmacon een extra examenorgaan is ingesteld? Deelt u de mening dat dergelijke diploma’s van door u aangewezen exameninstanties aan minimum examen- en kwaliteitseisen zouden moeten voldoen?
Ja.
Is het u bekend dat er verschillen bestaan tussen de examen- en kwaliteitseisen van de twee, als examenbevoegd aangewezen, instanties?
Er bestaan verschillen tussen de exameneisen. Er zijn ook verschillende opleiders en opleidingen. Waar het om gaat is dat opleidingen en examens een goede afspiegeling vormen van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de beroepsuitoefening. De wet bepaalt in artikel 62 dat de consument duidelijk moet worden ingelicht over de aard en het doel van het geneesmiddel, en over de gevolgen en risico’s voor zijn gezondheid. Dit moet het richtsnoer zijn bij opleiding en examens.
Drogisterijcollege wil meer nadruk leggen op adviesvaardigheden. Het is goed dat nieuwe en andere accenten worden gelegd en dat meer diversiteit ontstaat. Het consistente beeld van de afgelopen jaren is immers dat opleidingen en examinering niet hebben geleid tot goede advisering in drogisterijen. Dit blijkt uit periodieke mystery-shop onderzoeken van de Consumentenbond en laatstelijk ook van TROS Radar.
Deelt u de mening dat deze minimumeisen uniform moeten zijn? Zo ja, hoe? Op welke termijn denkt u ervoor te zorgen dat er uniforme examen- en kwaliteitseisen komen?
De Geneesmiddelenwet, die op 1 juli 2007 in werking is getreden, beoogde onder meer deregulering en liberalisering van de drogisterijsector. Bij de wetsbehandeling in de Tweede Kamer in 2006 heeft mijn ambtsvoorganger duidelijk aangegeven dat de minister van VWS geen bemoeienis heeft met de opleiding, examinering en examenprocedures. Een amendement dat ertoe strekte om de minister van VWS hier mee te laten instemmen, is destijds met klem door mijn ambtsvoorganger ontraden2. Het amendement is ingetrokken.
De minister van VWS heeft dus geen zeggenschap over opleidingen en examens. Dit is overgelaten aan zelfregulering. De minister van VWS kan volgens de wet slechts examenorganisaties aanwijzen.
Ik vind het wel wenselijk dat er een minimaal niveau wordt gewaarborgd. Ik heb Pharmacon en Drogisterijcollege verzocht zich hierover gezamenlijk te buigen. Tot dusver stuit dit op de weigering van Pharmacon. Ik zal er met klem op aandringen dat dit overleg nu voortvarend tot stand komt.
Ook ben ik voornemens een beleidskader op te stellen dat in acht wordt genomen bij de beoordeling van organisaties die de minister van VWS verzoeken te worden aangewezen als exameninstantie. Ik wil dit doen in samenwerking met de desbetreffende veldpartijen.
Bent u op de hoogte van het feit dat één van de als examenbevoegd aangewezen exameninstanties, het Drogisterijcollege, deze examens online afneemt, waarbij er geen waterdichte controle plaatsvindt van de identiteit van de kandidaat die het examen aflegt?
Zowel Pharmacon als Drogisterijcollege nemen hun examens online af. Bij online examinering moet er extra gelet worden op goede (identiteits)controle. Voorzover nodig zal ik er op aandringen dat dit ook wordt gerealiseerd. Er moet geen twijfel zijn over de identiteit van examenkandidaten. Ik zal dit punt meenemen bij het opstellen van het eerdergenoemde beleidskader.
Deelt u de mening dat het voor eigenaren van een drogisterij die personeel in dienst willen nemen hierdoor onduidelijk is of de bezitter van het (assistent)drogistendiploma daadwerkelijk de vereiste kennis bezit?
Examenorganisaties moet zelf zorgdragen voor waterdichte identiteitscontrole. Het moet voor drogisterijen en hun eigenaren zonder meer duidelijk zijn wie het drogistendiploma heeft behaald, en ook dat men de vereiste kennis daadwerkelijk bezit.
Naast het opnemen in het eerdergenoemde beleidskader is een ander middel om hierover uitsluitsel te geven het (online) openbaar maken van de namen van gediplomeerden en het actueel houden van deze lijst. Deze lijst zou ook bekend moeten zijn bij de farmaceutische groothandel in verband met een rechtmatige belevering van detaillisten. Drogisterijcollege heeft hierin reeds toegestemd.
Deelt u de mening dat hierdoor situaties kunnen ontstaan waarbij de geëxamineerde niet dezelfde persoon is als de persoon die het diploma ontvangt, en dat dit onwenselijk is, en hierdoor immers situaties kunnen ontstaan waarin consumenten onvolledig of onjuist advies ontvangen bij het aankopen van bepaalde medicijnen omdat de verkoopmedewerker onvoldoende verstand van zaken heeft?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er een waterdichte controle op de identiteit van de geëxamineerde moet zijn? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit bewerkstellingen?
Zie antwoord vraag 5.
Vermeende schijnzekerheid van pensioenoverzicht |
|
|
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het artikel «Pensioenen niet altijd waardevast»1 en de daarin besproken brief van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA)?2
Ja.
Deelt u de mening van het NBA dat het inzicht in onzekerheden van pensioenfondsen moet verbeteren? Wat is uw reactie op het advies om kansverdelingen van pensioenuitkomsten (procentuele kans op waardevast pensioen en procentuele kans op onderdekking) te analyseren en communiceren? Bent u bereid om verplichte communicatie hiervan op te nemen in de verwachte wetswijzigingen naar aanleiding van het pensioenakkoord?
Ja, ik deel deze mening. Eerlijke en transparante communicatie over onzekerheden van pensioenuitkomsten acht ik van belang en ik waardeer derhalve dit advies van de NBA. Op dit moment worden de informatiebepalingen uit de Pensioenwet geëvalueerd. Bij de besluitvorming over deze evaluatie zal het advies van NBA worden betrokken. Ook in het kader van de nieuwe contracten zullen de informatieverplichtingen relevant zijn. Uiteindelijk zal dit resulteren in een aanpassing van de informatiebepalingen uit de pensioenregelgeving.
Klopt het dat als pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 100% niet korten, er meer dan evenredig wordt uitgekeerd aan gepensioneerden? Kunt u in de aanstaande wetswijziging opnemen dat deze pensioenfondsen deze consequentie expliciet moeten communiceren aan hun deelnemers?
Ja, dit klopt. Op basis van de evaluatie van de informatiebepalingen in de Pensioenwet zal bezien worden of het wenselijk is een dergelijke informatieverplichting in de wet op te nemen.
Bent u bereid om bij de verdere ontwikkeling van www.mijnpensioenoverzicht.nl een sterkere nadruk te leggen op de communicatie van risico’s? Bent u bereid om hierin ook de eerder genoemde kansverdeling van de pensioenuitkomst in op te nemen?
De verantwoordelijkheid voor de verdere ontwikkeling van www.mijnpensioenoverzicht.nl ligt bij de Stichting pensioenregister, een samenwerkingsverband van de pensioenkoepels, het Verbond van verzekeraars en de Sociale Verzekeringsbank. Ik ga ervan uit dat de Stichting bij de verdere ontwikkeling van het pensioenregister ook aandacht zal besteden aan de communicatie over risico’s.
Hoe ver bent u met de uitwerking van de motie Koşer Kaya3 die verzoekt om pensioenfondsen die corrigerende maatregelen moeten nemen te verplichten om binnen twee weken openheid van zaken te geven?
De uitwerking van deze motie wordt betrokken bij de uitvoering van de brede aanpak met betrekking tot de aanvullende pensioenen. In de brief van 7 april 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 30 413, nr.142) en in de brief van 14 september 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 32 043, nr.8) zijn de contouren van de brede aanpak met betrekking tot de aanvullende pensioenen geschetst.
De pensioensector is zich overigens bewust van het belang van goede communicatie als corrigerende maatregelen aan de orde zijn. Zo heeft de Pensioenfederatie op 10 januari jl. een brief gestuurd aan alle besturen van pensioenfondsen met als doel de communicatie over de evaluatie van herstelplannen aan de gepensioneerden, deelnemers en slapers zowel tijdig als goed te laten verlopen.
Een exportbeperking van middelen die in de Verenigde Staten worden gebruikt bij het uitvoeren van de doodstraf |
|
Harry van Bommel |
|
Is het u bekend dat de VS een tekort heeft aan het middel natrium-thiopental dat wordt gebruikt bij het uitvoeren van de doodstraf door middel van dodelijke injecties?1
Het is mij bekend dat in verschillende staten in de VS een tekort is ontstaan aan het middel natrium-thiopental sinds de Amerikaanse leverancier Hospira Inc. eind 2009 de productie van het middel heeft gestaakt. Toen Hospira de productie van het middel in de Italiaanse vestiging wilde voortzetten, stuitte dat op bezwaren van de Italiaanse overheid. Deze heeft geen exportverbod opgelegd maar heeft ingezet op het maken van afspraken met de Italiaanse vestiging van Hospira. Ingevolge deze afspraken mag natrium-thiopental enkel voor medische toepassingen worden geproduceerd en verkocht en worden er contractuele waarborgen opgenomen om eindgebruik bij executies te voorkomen. Uiteindelijk heeft Hospira besloten de productie niet op te starten in Italië.
Duitsland heeft geen uitvoerverbod opgelegd maar een dringend beroep gedaan op haar farmaceutische industrie om het middel niet te leveren aan de Verenigde Staten. Het Verenigd Koninkrijk heeft op 29 november 2010 een exportverbod voor uitvoer van natrium-thiopental naar de Verenigde Staten opgelegd.
Is het u bekend dat Italië de export van natrium-thiopental voor de doodstraf in de VS uit ethische overweging heeft verboden en dat dit ook in Duitsland wordt overwogen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het u bekend dat de regering van het Verenigd Koninkrijk overweegt beperkingen op te leggen aan de export van natrium-thiopental?2
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u garanderen dat de Nederlandse vestiging van de firma Hospira, die de natrium-thiopental maakte in VS, geen natrium-thiopental produceert en/of uitvoert naar de VS? Kunt u tevens garanderen dat ook andere firma's die soortgelijke producten maken, die niet uitvoeren naar de VS als ze gebruikt worden voor het uitvoeren van executies?
De Nederlandse vestiging van Hospira (Hospira Enterprises) produceert geen natrium-thiopental en voert het middel ook niet uit. De uitvoer van natrium-thiopental en andere intraveneuze anesthetica staat niet onder controle, maar op Europees niveau zet Nederland zich actief in voor de invoering van een vergunningplicht voor de uitvoer van natrium-thiopental naar bestemmingen buiten de Europese Unie. Vergunningaanvragen kunnen dan worden getoetst op de eindgebruiker en het eindgebruik. Hierdoor kan uitvoer voor medische doeleinden doorgang blijven vinden, terwijl toepassing voor executies, zowel in de VS als in andere landen, voorkomen kan worden. Een algeheel uitvoerverbod is niet gewenst nu natrium-thiopental wereldwijd een belangrijk geneesmiddel is, ook in Nederland. Het middel wordt onder meer toegepast om patiënten na een ernstig ongeluk of met een status epilepticus te beademen of in een thiopental coma te brengen en de hersenfunctie tijdelijk stil te leggen om verdere schade te beperken.
Indien de invoering van een vergunningplicht op Europees niveau niet gerealiseerd kan worden zal ik nationaal een vergunningplicht voor uitvoer introduceren. Daarnaast zal Nederland zich uiteraard in internationaal verband blijven inzetten voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf.
Bent u bereid een Europees exportverbod te bepleiten van natrium-thiopental, indien dat voor de doodstraf wordt gebruikt? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat het old boys network nog volop bestaat |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Old boys zoeken elkaar weer op»?1
Ja.
Is het waar dat uit het Nationaal Commissarissen Onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat commissarissen langer op hun plek blijven zitten?
De uitkomsten van het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010 hebben betrekking op de commissarissen die aan het onderzoek hebben deelgenomen. Ten aanzien van deze groep commissarissen hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de gemiddelde commissaris zijn functie gedurende elf jaar vervult. Dat is een lichte stijging ten opzichte van 2009, zo vermeldt het onderzoek (p. 11 en 13. Overigens ligt de periode gedurende welke commissarissen volgens het onderzoek in functie zijn onder de maximumperiode van de Code. Best practice bepaling III.3.5. bepaalt daaromtrent namelijk dat een commissaris maximaal driemaal voor een periode van vier jaar zitting kan hebben in de raad van commissarissen. De maximale zittingstermijn van een commissaris volgens de Code komt daarmee op twaalf jaar.
Is het waar dat het gemiddeld aantal commissariaten per persoon is gestegen van 2,6 naar 3,3?
Ten aanzien van die commissarissen die hebben deelgenomen aan het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010, stellen de onderzoekers vast dat het gemiddeld aantal commissariaten is gestegen van 2,6 naar 3,3.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als de kring van commissarissen beperkt blijft tot een kleine kring en dat dit de kwaliteit van het toezicht niet ten goede komt, waardoor de doorstroming van vrouwen en jongeren naar deze bestuursfuncties belemmerd wordt?
In 2010 deden 440 commissarissen mee aan het Nationaal Commissarissen Onderzoek. In 2009 waren dat 432 commissarissen. Hoewel het aantal deelnemers een lichte stijging kent van ongeveer 2%, vormen de deelnemers aan het onderzoek slechts een gedeelte van het totaal aantal commissarissen en leden van raden van toezicht dat in Nederland actief is. Uit een ander onderzoek volgt dat het aantal commissarissen bij Nederlandse bedrijven enkele jaren geleden nog ruim 4 000 bedroeg, leden van raden van toezicht daaronder niet begrepen (vgl. Peij/Van Hezewijk, De wederopstanding van de commissaris, Goed Bestuur 2008/3).
Uit het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010 komt naar voren dat commissarissen in 2010 in 60% van de gevallen aangaven hun commissariaat te hebben verkregen via hun eigen netwerk, ten opzichte van 58% in 2009. De stijging ten opzichte van 2009 is licht en bedraagt ook 2%. Tegenover de lichte stijging van het aantal commissarissen dat hun functie heeft verkregen via het eigen netwerk, staat een eveneens lichte stijging van het aantal commissarissen dat hun commissariaat heeft verkregen door tussenkomst van een headhunter of openbare werving. De onderzoekers menen dat dit wijst op een professionalisering van de markt voor toezichtfuncties en op het volwassen worden van de manier waarop toezichthouders en organisaties elkaar vinden.
Ik zie geen aanleiding voor nadere regelgeving op dit punt. Een diverse samenstelling van de raad van commissarissen kan bijdragen aan de kwaliteit van het door haar uitgeoefende toezicht en de bruikbaarheid van het gegeven advies vergroten. Of de samenstelling van een raad van commissarissen in een concreet geval voldoende divers is wanneer een commissaris wordt benoemd die ook deel uitmaakt van het netwerk van één of meerdere andere commissarissen, kan niet in algemene zin worden aangegeven. Aan welke kandidaat behoefte bestaat zal onder meer afhangen van de samenstelling van de raad van commissarissen, van de vraag aan welke kennis en ervaring behoefte bestaat en van de kennis en ervaring die de andere commissarissen inbrengen.
Welke maatregelen neemt u om dit «old boys» netwerk open te breken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid bij de Eerste Kamer aan te dringen op spoed bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen2 waarin het amendement Irrgang is opgenomen over maximering van het aantal commissariaten?
Bij brief van 27 januari 2011 heeft de voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie eraan herinnerd dat de commissie in afwachting is van de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (31 763). Ik begrijp daaruit dat er geen reden is om aan te nemen dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel niet zal behandelen zodra de memorie van antwoord aan haar is aangeboden.
Bij brief van 14 februari 2011 heb ik de Eerste Kamer bericht dat de memorie van antwoord in voorbereiding is. Mede naar aanleiding van de vragen van de commissie is in de afgelopen periode onderzocht welke gevolgen een aantal amendementen van de Tweede Kamer in de praktijk zal hebben.
Het kansspelbeleid |
|
|
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het dat u op korte termijn al licenties voor internetgokken gaat veilen?1 Zo nee, op welke termijn dan wel?
Bij brief van 19 maart 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 557, nr. 124) heb ik de Tweede Kamer, mede namens de staatssecretaris van Financiën, mijn visie op het kansspelbeleid doen toekomen. In die brief heb ik de verwachting uitgesproken dit najaar een voorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen ter advies voor te leggen aan de Raad van State, dat voorziet in de invoering van een vergunningstelsel voor kansspelen via internet. Uit dat voorstel zal blijken op welke wijze dergelijke vergunningen zullen worden verleend. Voorts heb ik in die brief aangegeven een onderzoek te zullen instellen naar de mogelijkheden meer marktwerking in te voeren bij (onder andere) speelcasino’s. Bij Holland Casino zal ook het pseudo-staatsaandeelhouderschap onderwerp van onderzoek zijn.
Zijn er door u, of namens u, gesprekken gevoerd over het vrijgeven van internetgokken met de lobbyorganisatie Stichting Online Gaming Nederland onder leiding van de heer Linschoten? Zo ja, wanneer en hoe vaak? Zo nee, met wie zijn er wel gesprekken gevoerd over dit onderwerp?
Ten behoeve van de voorbereiding van nieuw beleid, onder andere op het gebied van kansspelen via internet, hebben ambtenaren van mijn ministerie de afgelopen maanden gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders op het gebied van kansspelen. In dat kader is ook gesproken met vertegenwoordigers van genoemde organisatie.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot aangiftes die door het ministerie van Veiligheid en Justitie zijn gedaan tegen de aanbieders van illegale goksites?
In dit soort zaken is bijna altijd sprake van een internationale component waardoor het Openbaar Ministerie (OM) afhankelijk is van internationale rechtshulp. Het ontbreken van rechtshulpverdragen en/of de dubbele strafbaarheid staat succesvolle vervolging echter veelal in de weg. Het OM heeft de toenmalige minister van Justitie daarom eind 2009 laten weten de aangiften, mede gelet op de beperkt beschikbare opsporingscapaciteit, niet verder in behandeling te nemen.
Wat is de stand van zaken in de gesprekken met in Nederland opererende banken om te stoppen met het faciliteren van illegale kansspelen via internet en het daarmee overtreden van de Wet op de kansspelen?
Het overleg over het beëindigen van het faciliteren van illegale kansspelen via internet wordt niet met individuele banken maar met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) gevoerd. Vorig jaar heeft de toenmalige minister van Justitie de NVB een zwarte lijst verstrekt waarop illegale aanbieders van kansspelen via internet staan vermeld. Met de NVB was afgesproken dat zij deze lijst zou verspreiden onder haar leden, opdat dezen vervolgens geen betalingen meer laten plaatsvinden – al dan niet via iDEAL – aan illegale kansspelaanbieders. Bij de NVB bestond echter nog enige twijfel over de legitimiteit van deze lijst. Deze twijfel is inmiddels weggenomen. Met de NVB is onlangs afgesproken dat zij de zwarte lijst binnenkort alsnog aan haar leden stuurt. Ik heb geen reden aan te nemen dat individuele banken – waaronder ABN AMRO Bank – of iDEAL – dat bestaat uit een samenwerkingsverband van verschillende banken – zich niet zullen houden aan de met de NVB gemaakte spraken. Overigens nemen banken waarvan de Staat in het kapitaal deelneemt geen bijzondere positie in ten opzichte van andere banken; wet- en regelgeving gelden in gelijke mate voor alle ondernemingen.
Heeft de ABN AMRO-bank inmiddels alle medewerking aan het faciliteren van illegale kansspelen op internet beëindigd, zowel van aanbieders als van spelers? Zo nee, hoe is het mogelijk dat een bank die volledig in handen is van de Nederlandse Staat de Wet op de kansspelen blijft overtreden?
Zie antwoord vraag 4.
Is het nog steeds mogelijk om via Ideal deel te nemen aan illegale kansspelen via internet? Zo ja, welke maatregelen zijn er genomen door het vorige kabinet om hier een eind aan te maken en wat is de stand van zaken in dezen?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke termijn zal u duidelijkheid geven over de mogelijke verkoop van Holland Casino?2
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat de raad van commissarissen (RvC) van Crucell een persoonlijk belang heeft bij de overname |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat de vennootschap conform de code Frijns moet worden gezien als een langetermijnsamenwerkingsverband van diverse bij de onderneming betrokken partijen, zoals onder andere werknemers, toeleveranciers en de overheid?1
De wet bepaalt dat de taak van het bestuur is het besturen van de vennootschap (artikel 2:129 lid 1 BW). De taak van de raad van commissarissen is het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en het met raad terzijde staan van het bestuur (artikel 2:140 lid 2 BW). Uit artikel 2:9 jo. 2:149 BW volgt dat bestuurders en commissarissen zijn gehouden tot een behoorlijke vervulling van hun taak. Een belangrijk element van deze behoorlijke taakvervulling is dat zij zich bij de uitoefening van hun taken richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Ten aanzien van commissarissen is dit thans al uitdrukkelijk in de wet bepaald (artikel 2:140 lid 2 BW). Ook voor bestuurders geldt dit beginsel nu al, maar het zal expliciet in de wet worden vastgelegd wanneer het wetsvoorstel bestuur en toezicht (Kamerstukken I, 31 763, nr. A) tot wet wordt verheven (vgl. het voorgestelde artikel 2:9 lid 5).
De Nederlandse corporate governance code (hierna: de Code) bevat nadere uitwerkingen van hetgeen in de wet is bepaald. Uit punt 7 van de preambule van de Code volgt dat deze is gebaseerd op het uitgangspunt dat de vennootschap een lange termijn samenwerkingsverband is van diverse bij de vennootschap betrokken partijen. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn verantwoordelijk voor een doorgaans op de continuïteit van de onderneming gerichte afweging van de betrokken belangen. De raad van commissarissen zal er dus op moeten toezien dat het bestuur van de vennootschap bij het nemen van beslissingen rekening houdt met alle relevante deelbelangen, waaronder het belang van aandeelhouders, het belang van de werknemers en voor de onderneming relevante maatschappelijke aspecten.
Deelt u de mening dat de raad van commissarissen rekening behoort te houden met de belangen van alle verschillende voor de onderneming relevante maatschappelijke aspecten en dat hierbij betrokken dient te worden de belangen van onder andere zowel de aandeelhouders als de werknemers? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe dient in het licht van uw antwoord op bovenstaande vraag het antwoord op eerdere vragen geïnterpreteerd te worden, waarin u aangeeft: «De raad van commissarissen van een naamloze vennootschap dient zich bij zijn taakvervulling te richten naar het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming»?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uw antwoord op de derde vraag van 18 oktober 2010, waarin u aangeeft: «Een vennootschap kan echter valide redenen hebben om een variabele beloning (een beloning in de vorm van aandelen of opties op aandelen) toe te kennen, bijvoorbeeld omdat op deze wijze hun betrokkenheid bij de onderneming wordt vergroot», toelichten? Bij welke bij de vennootschap betrokken partijen wordt de betrokkenheid precies vergroot?
Het is de vennootschap die bepaalt hoe zij haar commissarissen wil belonen. Gelet op het «pas toe of leg uit»-principe van de Code moet de vennootschap die haar commissarissen in aandelen beloont uitleggen waarom zij afwijkt van het beginsel dat aan commissarissen geen aandelen worden toegekend bij wijze van beloning (best practice bepaling III.7.1). Met een beloning in aandelen kan worden beoogd de betrokkenheid van bestuurders en commissarissen te vergroten omdat zij voor een gedeelte «eigenaar» van de vennootschap worden. Het is aan de algemene vergadering om te bepalen of zij met deze uitleg instemt. Overigens laat de omstandigheid dat commissarissen een beloning in aandelen ontvangen onverlet de verantwoordelijkheid van die commissarissen om zich bij de uitoefening van hun taken naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. artikel 2:140 lid 2 BW).
Valt te stellen dat een stijging van de beurskoers altijd voordelig is, niet alleen voor de aandeelhouders maar voor alle bij de vennootschap betrokken partijen? Valt dit ook te stellen indien de beurskoers stijgt als gevolg van massaontslag bij de vennootschap? Zo nee, wordt het voor commissarissen dan niet moeilijker om het aandeelhoudersbelang te scheiden van het vennootschappelijk belang indien de commissarissen een variabele beloning in aandelen krijgen? Zo nee, waarom niet en waarom is het dan nodig om de betrokkenheid van commissarissen bij de onderneming te vergroten door middel van een beloning in aandelen?
Het beleid van de vennootschap is doorgaans gericht op de continuïteit van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en het creëren van aandeelhouderswaarde op lange termijn, zo volgt uit de preambule van de Code (punt 7). Best practice bepaling III.7.2. van de Code bepaalt in dit kader dat het eventuele aandelenbezit van een commissaris ter belegging op de lange termijn is. Het ligt in de rede dat het bestuur beziet of de beslissing die wordt genomen voordelig is voor de continuïteit van die vennootschap op lange termijn, ook indien de beslissing op korte termijn kan leiden tot een stijging van de beurskoers. De taak van de raad van commissarissen is erop toe te zien dat het bestuur het lange termijnbelang en het korte termijn belang voldoende tegen elkaar afweegt.
Het ontslag van een groot aantal werknemers kan aangewezen zijn om de continuïteit en de winstgevendheid van de vennootschap op de lange termijn te verzekeren. In dit geval zal het tot de taak van de raad van commissarissen behoren om erop toe te zien dat de belangen van de werknemers voldoende zijn meegewogen in het lange termijnbelang van de vennootschap. Ook zal de raad van commissarissen erop moeten toezien dat een sociaal plan wordt opgesteld en dat de verplichtingen uit de Wet op de Ondernemingsraden worden nageleefd. De omstandigheid dat commissarissen een beloning in aandelen ontvangen doet aan deze verantwoordelijkheid niet af.
Deelt u de mening dat een commissaris altijd betrokken moet zijn bij de onderneming waar die commissaris toezicht houdt, ongeacht de beloningsvorm?
Ja.
Welke bij de vennootschap betrokken partij heeft in de aandeelhouderscirculaire ten behoeve van de aandeelhoudersvergadering het oordeel «appropriate» geveld over de vraag of de belangen van de vennootschap, haar aandeelhouders, bestuurders en commissarissen parallel lopen? Kunt aan toelichten of de mogelijkheid bestaat dat deze partij beloond wordt met aandelen en/of opties op aandelen? Bent u van mening dat dit oordeel als onafhankelijk en objectief kan worden gekwalificeerd?2
Uit pagina 25 tot en 28 van de aandeelhouderscirculaire waarnaar in deze vraag wordt verwezen, volgt dat bepaalde bestuurders en commissarissen van Crucell in aandelen of opties worden beloond. Op pagina 24 en 25 van de aandeelhouderscirculaire is door de beide «boards» van Crucell, dat wil zeggen het bestuur en de raad van commissarissen, opgemerkt dat de bestaande regelingen als «appropriate» werden beschouwd. Geconcludeerd is dat de belangen van Crucell, haar aandeelhouders, bestuurders en commissarissen parallel lopen. Het is aan de aandeelhouders om te bepalen of zij dit oordeel van de bestuurders en commissarissen delen.
Onderschrijft u de mening van de Monitoring Commissie Corporate Governance dat de toegenomen standaardisering in de uitleg van de Corporate Governance Code een ongewenste ontwikkeling is? Past het argument dat een afwijking op de Code gangbaar is in de sector waarin het desbetreffende bedrijf opereert in de door de Monitoring Commissie geschetste ontwikkeling? Zo ja, bent u bereid daar maatregelen tegen te nemen? Zo nee, waarom niet? Wat zijn naar uw mening motivaties die passen binnen deze ontwikkeling van standaardisatie?
De Code is een systeem van zelfregulering, waarbij de regels zijn ontwikkeld door marktdeelnemers. Indien de door de marktdeelnemers ontwikkelde regels tekortschieten dan wel niet voldoende worden nageleefd, is het in de eerste plaats aan die marktdeelnemers om deze regels aan te passen.
Naleving van de Code is verplicht vanwege de wettelijke verankering van de Code in artikel 2:391 lid 5 BW. Bij de naleving wordt uitgegaan van het «pas toe of leg uit-principe». Dit houdt in dat een codebepaling wordt nageleefd wanneer deze door een onderneming wordt toegepast of wanneer daarvan gemotiveerd wordt afgeweken. In haar rapport van december 2010 heeft de Monitoring Commissie Corporate Governance Code opgemerkt dat zij ervoor wil waken dat corporate governance een «afvink-onderwerp» wordt waarbij het kunnen «vinken» belangrijker wordt dan het daadwerkelijk handelen in de geest van de Code. De Monitoring Commissie heeft in haar werkprogramma voor 2011 aangekondigd aandacht te zullen besteden aan de kwaliteit van de uitleg. Uit het rapport van de Monitoring Commissie van december 2010 volgt niet dat de gegeven uitleg altijd een standaarduitleg is. De omstandigheid dat een afwijking van de Code gangbaar is in de sector waarin de betreffende onderneming opereert, kan deel uitmaken van de motivering waarom van een bepaling van de Code wordt afgeweken. Het is aan de aandeelhoudersvergadering van de betreffende onderneming om te bepalen of zij de gegeven verantwoording over de naleving van de Code, waaronder de uitleg van een afwijking voldoende vindt. Indien dat niet zo is, is het ook aan de aandeelhoudersvergadering om te bepalen welke consequenties ze daaraan verbindt.
Concurrentie op de parkeermarkt |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Conflict over parkeermarkt»?1
Ja.
Voldoet het in het artikel omschreven model, waarbij gemeenten een coöperatie oprichten om parkeerbeheer uit te voeren, aan de mededingingseisen? Bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) hierover om advies te vragen?
Het is niet aan mij om in individuele gevallen over de toepasselijkheid van en de verenigbaarheid met het mededingingsrecht een uitspraak te doen. Die beoordeling is in eerste instantie aan de partijen zelf aan de hand van de geldende wetgeving, de beleidsregels die op de NMa van toepassing zijn en de uitvoeringsregels van de NMa en de Europese Commissie. De NMa, die op de hoogte is van de berichtgeving, is de bevoegde instantie om tegen overtredingen van de mededingingsregels op te treden. Hiertoe heeft zij een zelfstandige onderzoeks- en handhavingsbevoegdheid. Bij de keuze ten aanzien van mededingingsonderzoeken baseert zij zich op verschillende signalen, waaronder formele klachten van gedupeerde marktpartijen. Vooralsnog zijn er geen formele klachten over deze kwestie bij de NMa binnengekomen. De NMa is op de hoogte van de berichtgeving en blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen. Als zij daartoe aanleiding ziet, kan zij een mededingingsrechtelijk onderzoek starten.
In hoeverre is het gunnen door gemeenten van het parkeerbeheer aan een coöperatie waarvan zij zelf lid zijn strijdig met marktwerking? Krijgen andere marktspelers volgens u een eerlijke kans?
Er kan niet in algemene zin worden gesteld dat dit in strijd is met wet- en regelgeving die een goede marktwerking beoogt, te weten de mededingingsregels, de aanbestedingsregels en de staatssteunregels. Voor de verenigbaarheid met de mededingingsregels verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Uit het krantenartikel blijkt dat de parkeerbedrijven zich verzetten tegen het feit dat bij het op afstand plaatsen van het parkeerbeheer door de betrokken gemeenten geen aanbestedingsprocedure is georganiseerd. Volgens de aanbestedingsregels is het onder voorwaarden mogelijk dat gemeenten ervoor kiezen bepaalde taken van algemeen belang uit te voeren met eigen middelen zonder dat zij via een aanbestedingsprocedure een beroep doen op marktpartijen («inbesteden»). In dat verband kan het voor gemeenten mogelijk zijn het parkeerbeheer over te dragen aan een gezamenlijke coöperatie. De vraag of sprake is van overtreding van de aanbestedingsregels kan alleen door de burgerlijke rechter worden bepaald. Het krantenartikel meldt ook dat de parkeerbedrijven een kort geding tegen de betreffende gemeente overwegen.
Voorts mag een gemeente de concurrentie niet verstoren door haar eigen coöperatie in een gunstigere positie te brengen dan marktondernemingen, door middel van een steunmaatregel die in strijd komt met de staatssteunregels. Bij een vermoeden van overtreding van de staatssteunregels kan een klacht worden ingediend bij de Europese Commissie.
In hoeverre hebben gemeenten die parkeerbeheer laten uitvoeren door henzelf opgerichte coöperaties invloed op het door de coöperatie gevoerde beleid, in het bijzonder het prijsbeleid? Beschikt u over gegevens waaruit blijkt dat parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren?
De zeggenschap van de gemeenten in coöperaties hangt af van de wijze waarop dit in de statuten van de coöperatie is geregeld. Dit kan van geval tot geval verschillen. Over gegevens waaruit blijkt de parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren, beschik ik niet.
Wat is uw opvatting over de in het artikel gesignaleerde tendens dat gemeenten steeds meer diensten uitbesteden? Bent u het met ons eens dat bepaalde kerntaken, zoals het innen van belastingen, niet op afstand zou moeten worden geplaatst omdat gemeenten hier direct op aanspreekbaar moeten zijn en blijven? Zo ja, kunt u deze taken omschrijven?
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om taken op afstand te plaatsen. Veel gemeenten besteden bijvoorbeeld om efficiencyredenen het heffen en invorderen van belastingen uit aan een samenwerkingsverband. Daar is niets op tegen, zolang de wijze waarop dat gebeurt in lijn is met de daarvoor geldende regelgeving, zoals de hierboven bedoelde regelgeving op het gebied van aanbesteding, mededinging en staatssteun. Het al dan niet op afstand plaatsen van taken valt onder de autonome bevoegdheid van de gemeenten. Ook als een gemeente taken op afstand plaatst, blijft deze direct aanspreekbaar. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de taakuitvoering. Daarom acht ik beleid vanuit de Rijksoverheid op dit punt dan ook niet nodig en niet wenselijk.
Misleidende cijfers van Shell over olielekkages in de Nigerdelta |
|
Pauline Smeets (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het persbericht «Shell misleidt met cijfers olielekkages»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Shell misleidende informatie verschaft door te zeggen dat in de huidige cijfers bijna alle olielekkages (98%) zouden worden veroorzaakt door sabotage, terwijl Shell in 2009 heeft gezegd dat 50% van de olielekkages veroorzaakt was door sabotage?
In zijn jaarlijkse «Sustainability report» rapporteert Shell over lekkages en gelekte volumes op groepsniveau en specifiek over de operaties van Shell Petroleum Development Company (SPDC), de operator van de joint-venture met de Nigeriaanse overheid, Total en Agip in de Nigerdelta. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar verschillende oorzaken. In het «Sustainability report» over 2009 wordt het cijfer 98% genoemd met betrekking tot de hoeveelheid olie die verloren gaat bij lekkages die te wijten zijn aan sabotage en diefstal2. In hetzelfde rapport wordt melding gemaakt van een bijstelling in negatieve zin van de cijfers over 2008 van de hoeveelheid gelekte olie die te wijten is aan operationele oorzaken, dit naar aanleiding van een onderzoek dat in 2009 werd voltooid. Er zijn ons geen gegevens bekend dat 50% van de lekkages veroorzaakt wordt door sabotage.
Op 25 januari jl. hebben Amnesty International en Friends of the Earth (internationaal en nationaal) formeel melding gemaakt bij het Nationaal Contact Punt (NCP) van vermeende schending door Shell van de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen. In de melding wordt betoogd dat Shell misleidende informatie geeft over de oorzaken van olielekkages in Nigeria. Het NCP beraadt zich over de behandeling van de melding. Na de eventuele behandeling van de melding door het NCP zal de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een NCP verklaring ontvangen. Wij onthouden ons op dit moment van een oordeel en wachten vooralsnog de resultaten af van de behandeling van deze melding door het NCP.
Gaat u Shell aanspreken op het inzichtelijk maken van de basis waarop het bedrijf de gepubliceerde cijfers baseert? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u dit punt aankaarten tijdens het gesprek met Shell-topman Peter Voser dat binnenkort op de agenda staat? Zo nee, waarom niet?
Het gesprek met Shell-topman Voser heeft reeds plaatsgevonden. Minister Verhagen heeft zijn zorgen over de milieu-impact van olielekkages en gasaffakkeling uitgesproken en aangedrongen op een actieve inzet van Shell om – samen met de overige betrokkenen – tot een oplossing te komen voor de geconstateerde problemen. De vraag naar de basis van de door Shell gepubliceerde cijfers vormt onderdeel van de melding, waar het onafhankelijke NCP zich over buigt.
Deelt u de mening van Amnesty International dat onafhankelijk onderzoek naar de oorzaken van olielekkages volledig ontbreekt? Zo ja, gaat u Shell daarop aanspreken?
Op dit moment vindt op verzoek van de Nigeriaanse overheid een onafhankelijk onderzoek plaats door het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) naar de impact van oliewinning op het milieu in Ogoniland. Naar verwachting zal UNEP de definitieve uitkomst van dit onderzoek in de eerste helft van dit jaar aan de Nigeriaanse overheid aanbieden.
Zoals ook Shell in het rondetafelgesprek van 26 januari jl. heeft aangegeven, worden de oorzaken en omvang van de olielekkages door een gezamenlijk team, bestaande uit SPDC, relevante Nigeriaanse overheidsinstanties en vertegenwoordigers van de getroffen gemeenschap, vastgesteld. Sinds 1 januari jongstleden publiceert SPDC op Shell’s website informatie over de oorzaak van individuele olielekkages, inclusief onderzoeksrapportage en foto’s3. Het is aan de Nigeriaanse overheid om te bepalen of in aanvulling hierop ondersteuning en onderzoek door externe deskundigen nodig wordt geacht. In haar contacten met de Nigeriaanse overheid zal de Nederlandse overheid mogelijkheden bespreken om de transparantie omtrent melding van oorzaken van olielekkages te verbeteren.
Welke maatregelen treft u om Shell te dwingen tot volledige openheid en transparantie over de gevolgen van de oliewinning in de Nigerdelta, zodat de ernstige mensenrechtenschendingen in het gebied tot het verleden gaan behoren?
De overheid vraagt bedrijven transparant te zijn over hun MVO-beleid en activiteiten en hierover verantwoording af te leggen aan hun belanghebbenden. Door de Transparantiebenchmark biedt het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie inzicht in de mate waarin Nederlandse bedrijven verslag doen van hun MVO-activiteiten en belanghebbenden betrekken bij het MVO-beleid. Ook Shell is opgenomen in de Transparantiebenchmark. Door alle scores openbaar te maken via de nieuwe website www.transparantiebenchmark.nl wil het ministerie de dialoog over MVO bevorderen. Uit de resultaten van de Transparantiebenchmark 2010 blijkt dat Shell relatief hoog scoort in de categorie «betrokkenheid van belanghebbenden» (18 van de 20 punten).
De score op de Transparantiebenchmark heeft betrekking op het wereldwijde trackrecord van Shell, inclusief – maar niet specifiek gericht op – de activiteiten van Shell in de Nigerdelta. Wat betreft de Nigerdelta geldt dat Shell aanspreekbaar is op zijn wijze van opereren in het gebied. Shell’s activiteiten kunnen echter niet los gezien worden van de bestuurlijke context in Nigeria. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag vijf worden de oorzaken van olielekkages vastgesteld door een samengesteld team. Initiatieven gericht op het verhogen van de transparantie omtrent olielekkages dienen afgestemd te worden met de Nigeriaanse overheid. In contacten met Shell én de Nigeriaanse overheid zal de Nederlandse regering het belang van transparantie, in het bijzonder over de activiteiten in de Nigerdelta, blijven benadrukken.
De invoer van bont en uitvoering van de motie over verplichte etikettering |
|
Henk van Gerven |
|
Kan de regering, nu gebleken is dat maar liefst 93% van de mensen een label wenst om te weten of de bontkraag van de jas die ze kopen echt is of nep, uiteenzetten wat zij de afgelopen periode heeft ondernomen om te zorgen dat deze mensen snel helderheid krijgen?1
In antwoord op de motie Gerkens over een etiketteringsplicht voor bont (kamerstukken 30 826, nr.19) is uw Kamer in een brief van 25 november 2009 (kamerstukken 30 826, nr. 27) toegezegd dat het kabinet aan deze motie invulling geeft door het draagvlak voor een etiketteringsplicht op Europees niveau te onderzoeken.
Er is gebleken dat een meerderheid van het Europees Parlement voorstander is van dergelijke etikettering in het kader van de herziening van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende textielbenamingen en de desbetreffende etikettering van textielproducten. Het Europees Parlement heeft daartoe een amendement ingediend dat vraagt om het opnemen van een verplichting voor producenten om de aanwezigheid van dierlijke materialen in textielproducten op het etiket aan te geven. De letterlijke tekst van dit amendement luidt: «Om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, moeten consumenten bij de aankoop van een textielproduct weten of dat product delen bevat die niet van textiel zijn, maar een dierlijke herkomst hebben. Het is daarom van wezenlijk belang dat de aanwezigheid van dierlijke materialen op het etiket wordt aangegeven.»
Zoals door mijn voorganger ook al in debat met uw Kamer is aangegeven, steunt Nederland opname van deze verplichting en brengt deze positie in de relevante Brusselse overleggen en informele contacten naar voren.
De betreffende verordening zal eind maart voor tweede lezing in het Europees Parlement voorliggen. Daarna zal ook de Raad zich opnieuw over de voorstellen buigen. Binnen de Raad maakt Nederland zich, zoals aangegeven, sterk voor het aanvaarden van het parlementaire amendement over etikettering. Tot op heden lijkt er in de Raad echter geen meerderheid voor opname van een etiketteringsverplichting te zijn. Nederland zal zijn positie actief blijven uitdragen en actief op zoek blijven gaan naar steun. Uiteindelijk neemt de Raad echter een meerderheidsbeslissing en zijn de mogelijkheden voor het opvoeren van druk op andere lidstaten voor Nederland dus beperkt. Uiteraard zal ik u van de ontwikkelingen in dit dossier op de hoogte houden.
Waarom is de aangenomen motie Gerkens (Kamerstuk 30 826, nr. 19) over etikettering van bont nog steeds niet uitgevoerd?2 Bent u bereid om de druk op te voeren in Brussel zodat die verplichte labeling van bont in jassen er nu komt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel bont komt jaarlijks Nederland binnen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u garanderen dat hier geen illegaal bont bij zit van bijvoorbeeld ijsberen, zeehonden of katten?
De gevraagde informatie is niet voorhanden: binnen de EU bestaat er vrij verkeer van goederen, daardoor is er geen zicht op handelsstromen vanuit EU-lidstaten. Bij de import van bont uit derde landen worden alleen producten van 100% bont geregistreerd. Zodra het bont als onderdeel verwerkt is in bijvoorbeeld kleding, is hiervan geen separate registratie.
Kunt u toelichten op welke wijze en hoe intensief hierop is gecontroleerd het afgelopen jaar en hoeveel overtredingen zijn geconstateerd?
Bij de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) bestaat het sterke vermoeden dat producten gemaakt van honden- en kattenbont niet op de Nederlandse markt worden verhandeld, gebaseerd op onderzoek dat in 20053, 20064 en meer recentelijk in 2009 en 2010 is uitgevoerd. De nVWA verricht inspecties inzake het verhandelen van (producten met) honden- en kattenbont in Nederland. Ten aanzien de import van honden- en kattenbont wordt een tweesporenbeleid gevoerd. Op verzoek van de nVWA neemt de douane in haar reguliere controles de inspectie op bontproducten mee. Indien er twijfel aan de herkomst van bontproducten bestaat, wordt de nVWA geïnformeerd door de douane. Door deze aanpak is het mogelijk om een relatief groot aantal partijen bij binnenkomst te screenen. In 2010 is er één melding geweest vanuit de douane. Deze partij bleek geen honden- en kattenbont te bevatten.
In 2010 zijn door de nVWA inspecties verricht om vast te stellen of er producten verhandeld worden in Nederland waarin gebruik gemaakt is van honden- en kattenbont. Tijdens deze inspecties zijn 47 producten bemonsterd die (voor een deel) uit bontachtig materiaal bestonden. Deze monsters zijn door de nVWA onderzocht om vast te stellen of er in deze producten gebruik gemaakt is van honden- en kattenbont.
Wanneer er een vermoeden bestaat dat in een product honden- of kattenbont is verwerkt, wordt dit door middel van onderzoek in 3 stappen geverifieerd.
Door middel van microscopisch onderzoek is goed vast te stellen of het dierlijk bont of kunstbont betreft.
Middels microscopisch onderzoek kan vervolgens vast worden gesteld of het dierlijke bont afkomstig is van konijn of wasbeerhond (veel gebruikte bontsoorten) of dat het bont een andere dierlijke herkomst heeft. Wanneer het bont een dierlijke herkomst heeft, maar geen konijn of wasbeerhond, wordt het monster aangeboden voor onderzoek middels de SIAM-methode. Dit geeft in alle (tot nu toe bekende) gevallen uitsluitsel over de dierlijke herkomst.
Van de 47 in 2010 onderzochte monsters bevatten 16 monsters konijnenbont, 3 monsters bevatten wasbeerhondenbont, 2 monsters bevatten alleen veren en 26 monsters bestonden uit kunststofvezels. De nVWA doet geen specifiek onderzoek naar ijsberenbont en zeehondenbont, maar is deze bontsoorten bij inspecties naar honden- en kattenbont niet tegengekomen.
Hoe effectief is controle op bont naar het oordeel van de Voedsel en Warenautoriteit?
Zie antwoord vraag 5.
Het vangnet voor zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Zzp-ers zoeken een bed»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de directeur van het Centraal planbureau dat er veel verborgen leed zit onder de groep zzp-ers die vorig jaar de klap van de crisis opvingen, waardoor officiële werkloosheidscijfers relatief laag bleven?
Zoals mijn voorganger in antwoord op dezelfde vraag van 15 januari 2010 reeds heeft aangegeven2 is het inherent aan ondernemerschap dat het inkomen van de zelfstandige «meeademt» met de conjunctuur. Als het slecht gaat met de economie krijgen zzp’ers te maken met minder opdrachten en/of een verlaging van uurtarieven om de concurrentie aan te kunnen. Ze profiteren over het algemeen ook als eerste als de economie weer aantrekt.
Alhoewel dit bij de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers hoort, kunnen dergelijke financiële klappen hard aankomen. Gegevens van het CBS laten zien dat het gemiddeld persoonlijk inkomen van de gehele groep zelfstandigen in 2009 inderdaad is gedaald, maar gemiddeld nog altijd hoger is dan dat van werknemers in particuliere bedrijven. In hoeverre het inkomen van zzp’ers is gedaald, is niet bekend. De omzetdaling van zzp’ers bedroeg in 2009 volgens het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) circa 6,5%; dat is min of meer gelijk aan de omzetdaling in Midden- en Kleinbedrijf (MKB) als geheel. Niet alle zzp’ers werden in gelijke mate getroffen door de crisis. Circa één op de vijf zzp’ers had in 2009 een omzetdaling van 10% of meer.
De overgrote meerderheid van de ondernemers blijkt een aanzienlijke financiële buffer te hebben. Op 1 januari 2010 hadden zelfstandigen een doorsneevermogen van € 154 000. Uiteraard is sprake van een aanzienlijke spreiding in de hoogte van het vermogen. Niettemin had 75% van de zelfstandigen op 1 januari 2010 meer dan € 20 000 aan vermogen beschikbaar.
Sinds 2010 heeft de economie een voorzichtig herstel ingezet. De verwachting is dat zzp’ers hiervan profiteren.
Kunt u inzichtelijk maken waarom het niet-gebruik van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) hoog is en bent u bereid hierop actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen informatie bekend over de mate van niet-gebruik van het Bbz. Wel zijn er signalen dat zelfstandigen niet altijd op de hoogte zijn van het bestaan van het Bbz. Hieruit kan overigens niet worden afgeleid dat zelfstandigen de weg naar het Bbz niet weten te vinden als dat nodig is. Zolang er immers geen financiële problemen zijn is er ook geen reden om naar informatie over het Bbz te zoeken. Wanneer problemen zich dreigen aan te dienen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om te zoeken naar oplossingsrichtingen of ondersteuningsmogelijkheden, waarbij het Bbz als vangnet kan dienen wanneer andere vormen van ondersteuning (bijvoorbeeld via een bank) niet mogelijk zijn. Gemeenten zijn – als uitvoerder van het Bbz – primair verantwoordelijk voor de bekendheid van het Bbz onder de (potentiële) doelgroep. Gemeenten zijn via de verzamelbrief van februari 2009 (in beginperiode van de crisis) en in december van datzelfde jaar opgeroepen om de mogelijkheden van het Bbz, met name in nijpende situaties, optimaal te benutten. Daarnaast heeft het kabinet het initiatief genomen om op de website antwoordvoorbedrijven.nl een digitaal informatieloket voor zzp’ers op te zetten waarop alle regels en faciliteiten vanuit de overheid – waaronder het Bbz – overzichtelijk worden gepresenteerd.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat een zelfstandige gedwongen wordt om te teren op zijn opgespaarde pensioenvoorziening alvorens hij/zij in aanmerking komt voor de BBZ? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Het kabinet zal hier uitgebreid op ingaan in zijn reactie op het advies van de SER over de positie van zzp’ers. Deze reactie zal voor 1 april aan de Kamer worden gezonden.
Kunt u uiteenzetten waarom een zelfstandige, bij problematische schulden, geen gebruik kan maken van de minnelijke schuldhulpverlening?
Het is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om een oplossing te vinden voor eventuele financiële problemen waarin het bedrijf verkeert. Als er sprake is van een in principe levensvatbaar bedrijf dat tijdelijk in moeilijkheden verkeert is ondersteuning via het Bbz mogelijk. In die gevallen waarin het bedrijf niet levensvatbaar is (en het Bbz dus niet van toepassing is), kan de zelfstandige het bedrijf of beroep beëindigen. Daarna kan hij evenals andere burgers een beroep doen op de schuldhulpverlening. Het staat gemeenten overigens vrij om schuldhulpverlening aan te bieden aan zelfstandigen met een nog functionerende onderneming. Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten op dit vlak is het niet aan mij om hierin verdere stappen te ondernemen.
Deelt u de mening dat de mogelijkheden qua schuldhulpverlening voor zelfstandigen zeer beperkt zijn en vaak in een (te) laat stadium toegankelijk zijn en dat deze niet zijn gericht op de voorzetting van de onderneming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat China (onderdelen van) ballistische raketten levert aan de Islamitische Republiek Iran |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Roland van Vliet (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
![]() |
Kent u het nieuwsbericht «China levert Iran raketten»?1
Hoe beoordeelt u het WikiLeaks-bericht dat meldt dat China de belangrijkste leverancier is van cruciale componenten voor het illegale militaire raketprogramma van de verklaarde doodsvijand van het vrije Westen, de Islamitische Republiek Iran?
Ervan uitgaand dat het bericht op waarheid berust, welke internationale verbodsbepalingen worden daar dan door geschonden? Wat gaat u ter zake ondernemen richting de Chinese regering? Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederlandse rakettechnologie via Chinese bedrijven in Iraanse handen valt?
Kunt u aangeven of de vier in het bericht genoemde Chinese bedrijven in Nederland actief zijn? Hebben Nederlandse ondernemingen aan deze Chinese bedrijven single-use of dual-use goederen geleverd waarvoor een exportvergunning vereist is? Zo ja, bent u dan bereid te controleren of de op de exportvergunningen opgegeven eindgebruikersverklaringen kloppen?
Een Ivoriaanse exportban op cacao |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Ouattara roept op tot exportverbod cacao»?1
Ja
Hoe staat u tegenover het voorstel van de democratisch gekozen president van Ivoorkust om de export van cacao vanuit Ivoorkust aan banden te leggen? Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat het met de export verdiende geld gebruikt wordt door het bewind van de heer Gbagbo?
Nederland respecteert president Ouattara’s keuze om op te roepen tot maatregelen die hij nodig acht om de heer Gbagbo te bewegen de uitslag van de verkiezingen te accepteren. De inkomsten uit cacao en met name de exportbelasting die daarop wordt geheven zijn een belangrijke inkomstenbron voor de niet-wettige regering van de heer Gbagbo. Het is begrijpelijk dat de nieuwe president Ouattara deze inkomsten wil afsnijden. Anderzijds is het van belang dat een dergelijke maatregel de Ivoriaanse bevolking niet onevenredig treft.
Bent u voornemens de oproep van de heer Ouattara te ondersteunen om zo de (illegale) geldstromen van de heer Gbagbo te blokkeren? Zo ja, hoe denkt u te kunnen bijdragen? Hoe ziet u hierbij de rol van Nederland – en in het bijzonder de Amsterdamse haven – als ’s werelds belangrijkste overslaghaven van Cacao?
Nederland heeft recent in EU-verband diverse sanctiemaatregelen ondersteund die gericht zijn op het blokkeren van de geldstromen van de heer Gbagbo en zijn aanhangers. Deze maand zal de EU zich opnieuw uitspreken over het sanctieregime tegen Ivoorkust. Het blijft hierbij van belang dat de sancties effectief zijn in het afsnijden van de inkomsten van de heer Gbagbo en zijn aanhangers maar dat tegelijkertijd de Ivoriaanse bevolking zo veel mogelijk wordt ontzien. Daarnaast moet ook worden gekeken naar de effecten op de wereldhandel in cacao, inclusief de positie van de haven van Amsterdam en andere betrokken partijen.
Zou u deze vragen op korte termijn kunnen beantwoorden gezien de urgentie van de oproep van de heer Ouattara?
Ja.
Het maximaal faciliteren en ruimte bieden aan regionale clusters |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat in het regeerakkoord «Vrijheid en Verantwoordelijkheid» is vastgelegd dat, naast topgebieden, clustering van bedrijven en kennisinstellingen – al dan niet regionaal – maximaal worden gefaciliteerd?
Kunt u in dit licht verklaren waarom het stimuleren van deze gerichte en verduurzamende innovatie en economische ontwikkeling niet als zodanig wordt vermeld in uw brief van 8 december 2010 aan de Eerste Kamer, noch in de voortgangsbrief aan de Tweede Kamer van 19 januari 2011 (Kamerstuk 27 406, nr. 191)?
Onderstreept u het belang van businessplannen vanuit de clusters en topgebieden, waarin – van onderop – wordt aangegeven, hoe, door samenwerking in de «gouden driehoek», het verschil kan worden gemaakt vanuit economisch en maatschappelijk perspectief ?
Deelt u de mening dat het maximaal faciliteren en ruimte bieden aan regionale clusters, tevens van groot belang is voor de ontwikkeling en toekomstkansen van de regio’s?
Bent u bereid om in de toegezegde uitwerking van het innovatiebeleid, die medio februari 2011 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, zowel het beleid ten aanzien van topgebieden als de (regionale) clustering uit te werken, waarbij tevens wordt ingegaan op de wijze waarop maximale facilitering vorm zal krijgen?
Commissarissen |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Ewout Irrgang |
|
![]() |
Deelt u de mening dat commissarissen en toezichthouders voldoende tijd voor hun taak moeten vrijmaken en een diverse achtrond moeten hebben, zodat ze zo onafhankelijk mogelijk kunnen opereren, ongeacht binnen welke sector het bedrijf of instelling actief is? Zo nee, waarom niet? Waarom zouden deze algemene eisen aan commissarissen en andere toezichthouders niet voor alle soorten bedrijven en instellingen gelden?
De raad van commissarissen van een rechtspersoon heeft een toezichthoudende en adviserende rol. Voor NV’s en BV’s bepalen de artikelen 2:140 lid 2 en 3 en 250 lid 2 en 3 BW het volgende. De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hij staat het bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en zijn leden bevatten.
Vanzelfsprekend moeten commissarissen voldoende tijd vrijmaken om hun taak goed te kunnen vervullen. Daarnaast moet de raad van commissarissen zodanig zijn samengesteld dat voldoende kennis en ervaring kunnen worden ingebracht om invulling te geven aan de toezichthoudende en adviserende taak van de raad. Diversiteit in de samenstelling kan daaraan bijdragen. Of de samenstelling van een raad van commissarissen voldoende divers is, is een vraag die van geval tot geval moet worden beantwoord, bijvoorbeeld wanneer de algemene vergadering het functioneren van de raad bespreekt (vgl. het antwoord op vraag 6).
Daarnaast is de onafhankelijkheid van commissarissen van belang. De leden van de raad van commissarissen moeten ten opzichte van elkaar en het bestuur onafhankelijk en kritisch kunnen opereren. Een en ander geldt onafhankelijk van de sector waarin een bedrijf of instelling actief is.
Vindt u het – in het kader van voldoende tijdbesteding – wenselijk dat het gemiddeld aantal toezichthoudende functies dat een toezichthouder bekleed met bijna 30% is gestegen naar 3,3 per persoon?1 Zo ja, waarom is dat wenselijk?
Of een commissaris voldoende tijd besteedt aan zijn functie, kan uitsluitend van geval tot geval worden beoordeeld. Daarbij is van belang dat toezichthoudende functies in zwaarte kunnen verschillen. Een voorzitterschap van de raad van commissarissen van een beursvennootschap die bij een overname is betrokken, zal in de regel meer tijd vergen dan een commissariaat in een relatief klein bedrijf. In het algemeen kwalificeren toezichthoudende functies niet als een full-time functie, zodat het cumuleren van verschillende functies in beginsel toelaatbaar is. Voor beursvennootschappen geldt de Nederlandse corporate governance code, die voorschrijft dat het aantal commissariaten zodanig beperkt moet zijn dat een goede taakvervulling gewaarborgd is. Meer concreet schrijft de code voor dat één persoon niet meer dan vijf commissariaten bij Nederlandse beursvennootschappen mag hebben, waarbij het voorzitterschap van een raad van commissariaten dubbel telt (best practice bepaling III.3.4). Een gemiddeld aantal functies van 3,3 per persoon acht ik in algemene zin niet bezwaarlijk.
Kunt u aangeven hoeveel van de ruim vierhonderd ondervraagde commissarissen en toezichthouders meer dan vijf toezichthoudende functies bekleden?
Het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010 heeft betrekking op 440 commissarissen. Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer 21% van die commissarissen meer dan vijf toezichthoudende functies bekleedt. Naast commissarissen van beursvennootschappen en niet-beursvennootschappen deden aan het onderzoek ook commissarissen mee van zorginstellingen, woningbouwcorporaties en onderwijs- en culturele instellingen. Ik beschik niet over cijfers welke commissarissen de meeste nevenfuncties hebben. Uit de rapportage van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code uit 2008 blijkt dat de beperking tot vijf commissariaten bij beursvennootschappen goed wordt nageleefd.
Vindt u het – in het kader van een voldoende divers samengesteld toezichtorgaan – wenselijk dat nog steeds 60% van de functies binnen het eigen netwerk gekregen wordt? Zo ja, waarom is dat wenselijk?1
In 2010 deden 440 commissarissen mee aan het Nationaal Commissarissen Onderzoek. In 2009 waren dat 432 commissarissen. Het aantal deelnemers kent dus een lichte stijging van ongeveer 2%. Uit het onderzoek komt naar voren dat commissarissen in 2010 in 60% van de gevallen aangaven hun commissariaat te hebben verkregen via hun eigen netwerk, ten opzichte van 58% in 2009. De stijging ten opzichte van 2009 is licht en bedraagt ook 2%.
Tegenover de lichte stijging van het aantal commissarissen dat hun functie heeft verkregen via het eigen netwerk, staat een eveneens lichte stijging (1%) van het aantal commissarissen dat hun commissariaat heeft verkregen door tussenkomst van een headhunter of openbare werving. De onderzoekers menen dat dit wijst op een professionalisering van de markt voor toezichtfuncties en op het volwassen worden van de manier waarop toezichthouders en organisaties elkaar vinden.
Ik zie geen aanleiding voor nadere regelgeving op dit punt. Of de samenstelling van een raad van commissarissen voldoende divers is wanneer een commissaris wordt benoemd die ook deel uitmaakt van het netwerk van een of meerdere andere commissarissen, kan niet in algemene zin worden aangegeven. Wie als commissaris wordt benoemd zal afhangen van de samenstelling van de raad van commissarissen, van de vraag aan welke kennis en ervaring behoefte bestaat en van de kennis en ervaring die de andere commissarissen inbrengen.
Duidt het percentage uit vraag 4 er volgens u op dat het zogenaamde «old boys network» inmiddels is doorbroken? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid maatregelen te nemen om het «old boys network» te doorbreken?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de stelling van de onderzoekster, prof. dr. Mijntje Lückerath, dat commissarissen onvoldoende informatie geven en te gesloten zijn? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om ervoor te zorgen dat commissarissen transparanter worden?
Commissarissen oefenen hun taak uit in het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Wanneer de raad van commissarissen goed verslag doet van zijn werkzaamheden, maakt dat het voor de algemene vergadering mogelijk om in te schatten of de raad van commissarissen zijn taak goed heeft vervuld. Indien de verslaglegging te wensen overlaat, ligt het op het pad van de algemene vergadering om daarover vragen te stellen aan de raad van commissarissen, bijvoorbeeld wanneer de raad van commissarissen verzoekt om decharge voor de verrichte werkzaamheden. Ik zie in dat verband geen aanleiding voor nadere regelgeving.
Overigens houdt de Nederlandse corporate governance code voor beursvennootschappen in dat een verslag van de raad van commissarissen deel uitmaakt van de jaarstukken van de vennootschap. De raad van commissarissen doet daarin verslag van zijn werkzaamheden in het boekjaar en er moeten specifieke opgaven en vermeldingen worden opgenomen indien de Code deze voorschrijft (best practice bepaling III.1.2). Zo moeten bijvoorbeeld gegevens over het geslacht, de leeftijd, het beroep, de hoofdfunctie, de nationaliteit, nevenfuncties, tijdstip van eerste benoeming en de lopende termijn waarvoor de commissaris is benoemd, worden vermeld (best practice bepaling III.1.3).
De bankiersverklaring |
|
Wouter Koolmees (D66), Bruno Braakhuis (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bankierseed is gemiste kans»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie in het artikel dat de huidige bankierseed een wassen neus is?
De moreel-ethische verklaring is onderdeel van de Code Banken (principes 3.2.3 en 3.2.4). Deze code is wettelijk verankerd. Mede hierdoor is de moreel-ethische verklaring niet vrijblijvend. Bestuurders van banken dienen te verklaren dat ze hun beroep op een integere manier zullen uitoefenen. In aanvulling hierop dienen ze hierover verantwoording af te leggen in hun jaarverslag.
De voorrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken (hierna: de monitoring commissie) laat zien dat vrijwel alle bestuurders van banken de verklaring hebben ondertekend. Hiermee hebben zij verklaard dat zij naar eer en geweten aan hun (maatschappelijke) verplichtingen zullen voldoen. Dit is belangrijk. Het is van belang dat de banken laten zien dat ze de gewenste gedrag- en cultuurverandering kracht bijzetten en dat ze het gedachtegoed achter de moreel-ethische verklaring uitdragen binnen de hele organisatie. De monitoring commissie toetst de naleving van de Code Banken, ook op dit punt, en rapporteert hierover eind 2011. Ik houd dit in de gaten.
Heeft u kennisgenomen van de aanbevelingen 1.13, 1.14 en 1.15 in het rapport «Naar herstel van vertrouwen»2, waarin met betrekking tot de bankiersverklaring nadrukkelijk een rol voor De Nederlandsche Bank (DNB) wordt voorzien?
Ja.
Is het waar dat DNB ervan af heeft gezien een coördinerende rol op zich te nemen met betrekking tot deze verklaring? Wat zijn hiervoor de redenen?
De Code Banken betreft zelfregulering van banken zelf. Gelet hierop leek het opnemen van een koppeling van de moreel-ethische verklaring aan het toezicht van DNB (regulering) in de Code (zelfregulering) niet opportuun. Mede omdat de Code een (aanvullend) geheel vormt met wet- en regelgeving en het toezicht door DNB en de AFM dat daaruit voortvloeit.
Bent u van mening dat DNB een dergelijke rol alsnog op zich dient te nemen? Kunt u dit toelichten?
Evenals Uw Kamer vind ik de moreel-ethische verklaring van groot belang. Ik hoor bemoedigende geluiden uit de sector, zoals ondertekening van de moreel-ethische verklaring in het bijzijn van de raad van commissarissen om bij te dragen aan de inbedding van de verklaring binnen de gehele onderneming. Dit is positief. Het is van belang dat bankiers zich bewust zijn van de (maatschappelijke) verantwoordelijkheid die ze dragen. Iedere gelegenheid om dit bewustzijn te versterken moet worden aangegrepen. Mede gelet hierop zal ik met de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de NVB), DNB en de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM) in overleg treden over een meer formele status van de moreel-ethische verklaring. Hierbij zal worden gekeken naar diverse opties, waaronder ook de mogelijkheid om de moreel-ethische verklaring te koppelen aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van banken door DNB3 alsmede de tijdens het Notaoverleg met de vaste Kamercommissie van Financiën van 7 maart 2011 naar voren gebrachte optie van een register. Ik zal Uw Kamer informeren over de uitkomst van dit overleg.
Bent u van mening dat de bankierseed onderdeel zou moeten uitmaken van een verklaring van geen bezwaar? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat de bankiers van DNB de verklaring zelf niet ondertekenen? Wat is hiervoor de reden?
De Code Banken is van toepassing op banken die beschikken over een bankvergunning verleend op grond van de Wet op het financieel toezicht en derhalve niet op DNB. De inhoud van de moreel-ethische verklaring is gericht op bankiers werkzaam bij deze instellingen. Zo dient een bankier te verklaren dat hij een zorgvuldige afweging zal maken tussen alle belangen die bij de bank betrokken zijn, te weten die van klanten, aandeelhouders, werknemers en de samenleving waarin de bank opereert, en dat hij in die afweging het belang van de klant centraal zal stellen. Bestuurders van DNB zijn gebonden aan eigen (integriteits)regelingen.
Deelt u de mening dat de bankierseed serieus moet worden genomen en niet eenzelfde status verdient als het formuliertje voor de bijdrage aan de personeelsvereniging dat eveneens bij indiensttreding wordt ondertekend?
Ja.
Bent u bereid om hiertoe de noodzakelijke maatregelen te treffen?
Ja. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vragen 5, 6 en 11.
Wat is uw reactie op de Voorrapportage Implementatie Code Banken3 met betrekking tot de moreel-ethische verklaring?
De monitoring commissie signaleert in haar voorrapportage dat de moreel-ethische verklaring in vrijwel alle gevallen is ondertekend, maar dat er nog aandachtsgebieden zijn, zoals bijvoorbeeld het attenderen van nieuwe medewerkers op de inhoud van de principes van de verklaring. Uit de voorrapportage volgt verder dat een kleine 60% van de banken heeft aangegeven de verklaring te hebben doorvertaald naar principes die gelden als leidraad voor het handelen van de medewerkers van de banken. Ruim 25% van de banken is ten tijde van het onderzoek van de monitoring commissie voornemens dit nog in 2010 te gaan doen, aldus de monitoring commissie.
Hieruit volgt dat banken momenteel stappen in de goede richting zetten, maar dat er nog meer werk verricht moet worden. Een optimale naleving van de Code op alle onderdelen is noodzakelijk. Ik verwacht dan ook dat banken in hun jaarverslagen over boekjaar 2010 duidelijke resultaten laten zien.
Deelt u de mening van de commissie dat doorvertaling van de code in de organisatie zich goed leent voor het uitwisselen van best practices? Bent u bereidt deze uitwisseling te bevorderen wat betreft de bankierseed? Ziet u hier een rol voor DNB?
Ja, ik ben van mening dat de doorvertaling van de moreel-ethische verklaring uit de Code zich goed leent voor het uitwisselen van best practices. Ik zie hierin – mede gelet op het zelfregulerende karakter van de code en de verantwoordelijkheid die bij de sector ligt – met name een rol weggelegd voor de NVB. Ik zal dit meenemen in het overleg met de NVB, DNB en de AFM.
De berichten dat een Nederlands bedrijf dat gesteund wordt door de overheid betrokken is bij 'slavernij' |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat een Nederlands bedrijf is betrokken bij «slavernij» in Argentinië?1
De beschuldiging in de media van betrokkenheid bij «slavernij» is een ernstige aanklacht tegen een Nederlands bedrijf, welke tot op heden niet is onderbouwd door een formele aanklacht. De berichten over «slavernij» kwamen juist op het moment dat het debat tussen de Argentijnse regering en de verenigde landbouworganisaties over interventies in de tarwe- en maïshandel een hoogtepunt bereikte. Aan het begin van dit verkiezingsjaar is de Argentijnse regering door de recente berichten in staat geweest de arbeidsomstandigheden als een nieuw thema te agenderen en in de betrekkingen op te voeren. De in de media gebruikte termen als «slavernij», «mensenhandel» en «concentratiekampen» zijn afkomstig van de Argentijnse krant Página/12. Ik beschik niet over informatie die erop wijst dat deze omstandigheden aan de orde zouden zijn bij dit bedrijf.
De berichten vormden evenwel aanleiding voor mijn ministerie om in gesprek te gaan met het bedrijf. Het bedrijf werpt de beschuldigingen verre van zich en onderbouwt deze ontkenning met uitgebreide documentatie2; hieruit komt naar voren dat het bedrijf de lokale wetgeving naleeft en procedures toepast om adequate arbeidsomstandigheden bij de rurale seizoensarbeid te bewerkstelligen. De wet regelt tot in detail de verschillende aspecten van seizoensarbeid. Het bedrijf geeft aan dat het betere arbeidsvoorwaarden hanteert dan in de sector gebruikelijk is. Wat betreft beschuldigingen over werkomstandigheden, zoals overtredingen van de Hygiëne Code, kan ik geen oordeel geven. Mocht er op dit punt een overtreding zijn begaan, dan zal die resulteren in een administratieve sanctie.
Wat is uw reactie op het bericht dat dit bedrijf zich hieraan schuldig maakt, terwijl het een «lening» kreeg van de overheid via de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), die onderdeel is van de instrumenten waarmee de Nederlandse overheid Nederlandse bedrijven die in het buitenland zaken doen, ondersteunt?2
Voorwaarde voor het verstrekken van een lening door de FMO aan een bedrijf in een ontwikkelingsland is dat de klant van de FMO aan bepaalde sociale en milieucriteria voldoet, dan wel bereid is daaraan te voldoen. In dit geval heeft het Argentijnse dochterbedrijf dat de lening heeft ontvangen zich bereid verklaard aan deze sociale en milieucriteria te voldoen4. De FMO houdt toezicht op de uitvoering. De FMO heeft, naar aanleiding van de berichten in de pers, een nieuw onderzoek laten uitvoeren door een onafhankelijke consultant. Het rapport van dit onderzoek is naar verwachting medio maart 2011 beschikbaar.
Voor de volledigheid merk ik op dat de betreffende lening aan de Argentijnse dochteronderneming geen directe lening van de overheid betreft. De staat bezit 51 procent van de aandelen in de FMO. De FMO steunt bedrijven in ontwikkelingslanden door middel van leningen, participaties, garanties en andere investeringen.
Hoe strookt de betrokkenheid bij «slavernij» van dit bedrijf met de verwachting van de Nederlandse regering dat bedrijven de invloed die zij hebben op de bedrijfsvoering van henzelf en hun partners in de keten in het buitenland ruimhartig aanwenden om Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) zoveel mogelijk in de praktijk te brengen?
Wat betreft betrokkenheid bij «slavernij» verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Met het Nederlandse moederbedrijf is gesproken over de manier waarop hun MVO-beleid is vormgegeven, ook richting de Argentijnse dochteronderneming. Het bedrijf heeft aangegeven geschrokken te zijn van de beschuldigingen en dat deze hard zijn aangekomen bij zowel het management als de werknemers. De directie heeft laten weten sociale verantwoordelijkheid, integriteit en goede zorg voor de werknemers van groot belang te achten, en dat het bedrijf hiertoe zorgvuldige procedures hanteert, zoals ook blijkt uit de documentatie. Een geformaliseerd MVO-beleid, opgesteld in overleg met de stakeholders, ontbreekt nog bij het Nederlandse moederbedrijf. De directie heeft aangekondigd dit op te stellen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de informatie en instrumenten die beschikbaar zijn bij o.a. MVO Nederland.
Heeft dit bedrijf in het kader van de ontvangen overheidssteun, of in het kader van andere overheidssteun, een MVO-verklaring ondertekent? Zo ja, welke gevolgen zal het schenden van de MVO-verklaring hebben?
Ja, het bedrijf heeft een MVO-verklaring ondertekend voor een project in Rusland uitgevoerd in 2001–2002 onder het toenmalige PSO-programma. Er is geen direct verband tussen de beschuldigingen in de media en de in 2001 ondertekende MVO-verklaring. Deze MVO-verklaring is niet van toepassing op de lening van de FMO aan het Argentijnse dochterbedrijf uit 2010. Het bedrijf heeft voor zover bekend geen andere MVO-verklaringen ondertekend.
Bent u bijvoorbeeld bereid om de steun in te trekken en reeds verleende steun terug te vragen?
Indien sprak is van grove schending van contractuele afspraken, dan kan de FMO zijn investering terug trekken. Dit is contractueel vastgelegd.
Bent u bereid om het bedrijf een stevige boete op te leggen, conform de strekking van de motie Gesthuizen,3 alsmede het standpunt van het voormalig Kabinet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u verder bereid om actiever toe te zien op de naleving van de MVO-verklaring door bedrijven die deze hebben ondertekend?
Nee, ik zie geen directe aanleiding om mijn beleid op dit punt te veranderen. Eind 2007 is door het onafhankelijke onderzoeksbureau Berenschot een evaluatieonderzoek gedaan naar MVO in het financieel buitenlandinstrumentarium. Uit het onderzoek komt naar voren dat het MVO-toetsingskader, dat bestaat uit de inspanningsverklaring ten aanzien van de OESO-richtlijnen en concrete toegangseisen op terrein van milieu en sociaal, voldoende waarborg vormt voor het MVO-niveau bij de aanvragers6.