De huisbankier RBS en clustermunitie |
|
Bruno Braakhuis (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het rapport «Worldwide Investments in Clustermunitions; a shared responsibility»?1
Ja.
Kunt het bericht bevestigen dat de huisbankier van de Nederlandse staat, de Royal Bank of Scotland, behoort tot de top vijf van de grootste investeerders in producenten van clustermunitie ter wereld? Zo nee, waarom niet?
Wij zijn bekend met het persbericht dat IKV Pax Christi hier op basis van het in vraag 1 genoemde rapport over heeft doen uitgaan. Daarin stelt zij dat RBS behoort tot de top vijf van grootste investeerders in producenten van clustermunitie ter wereld. Wij kunnen de stelling in het persbericht niet bevestigen, omdat wij niet in de gelegenheid zijn de juistheid van het bericht en het rapport vast te stellen.
Herinnert u zich de uitspraak in september 2010 van minister Donner naar aanleiding van de motie El Fassed c.s.2 dat «in overleg met de Royal Bank of Scotland nadere garanties verkregen zijn met betrekking tot de leningen die de bank verschaft en de dienstverlening. De bank heeft daarvan aangegeven dat dit niet zal zijn ten aanzien van bedrijven in clustermunitie»? Welke garanties heeft de Royal Bank of Scotland in overleg met het kabinet gegeven met betrekking tot de leningen en dienstverlening, zoals verstrekken van leningen, helpen bij aandelen- en obligatie-emissies en beleggingen in aandelen en obligaties, die de bank verschaft aan bedrijven die clustermunitie produceren?
Wij herinneren ons de betreffende uitspraak van minister Donner van 22 september 2010. RBS heeft in april 2010 minister De Jager op zijn verzoek reeds het navolgende laten weten:
«RBS Groep handelt in lijn met de strikte regelgeving en het vergunningenstelsel van het Verenigd Koninkrijk, en in lijn met relevante internationale standaarden over hoe zij zich inlaat met ondernemingen die betrokken zijn bij de ontwikkeling, fabricage en ondersteuning van en handel in defensiematerieel. Bij het beschouwen van complexe en zich ontwikkelende defensiegerelateerde zaken, zoals landmijnen en clustermunitie, houden wij ons aan de gedragsleidraad van het Verenigd Koninkrijk alsmede de aangewezen internationale wettelijke standaarden.
Met betrekking tot landmijnen verbiedt de Ottawa Convention de productie en export van alle typen van anti-persoons landmijnen, inclusief de niet waarneembare, naar alle landen. Met betrekking tot clustermunitie verplicht de Convention on Cluster Munitions alle ondertekende staten om de productie, het gebruik en de opslag van clustermunitie te verbieden. RBS zal niet bewust enig verzoek tot het verlenen van financiering of financiële diensten toekennen dat direct indruist tegen deze standaarden en zal er nauwgezet naar streven dat de relaties met klanten niet strijdig zijn met deze principes.»
Hoe beoordeelt u de garanties die de huisbankier heeft gegeven in het licht van de bevindingen van het rapport «Worldwide Investments in Clustermunitions»? Welke gevolgen verbindt u aan deze bevindingen?
Naar aanleiding van het rapport waaraan u in uw vraag refereert, hebben wij RBS geconfronteerd met de bevindingen. RBS heeft in haar reactie aangegeven dat zij de aantijgingen serieus heeft genomen en daarom intern uitgezocht heeft wat er feitelijk aan de hand is. RBS geeft daarbij aan dat zij op basis van het interne onderzoek van mening is dat de berichten van IKV Pax Christi, dat RBS behoort tot de top vijf van de grootste investeerders in producten van clustermunitie ter wereld, onjuist zijn.
RBS stelt dat zij geen ondernemingen ondersteunt noch wil ondersteunen die betrokken zijn bij de directe fabricage van clustermunitie. RBS heeft als beleid dat aan potentiële klanten en aan bestaande klanten bij hernieuwd gebruik van een faciliteit specifiek gevraagd wordt of zij het groepsbeleid van RBS inzake defensiematerieel (zie antwoord vraag 3) willen navolgen. Als die instemming niet gegeven wordt, wordt er geen zaken gedaan. Ten aanzien van de specifieke ondernemingen als bij RBS vermeld in het in vraag 1 genoemde rapport, geeft RBS aan te bevestigen dat deze volledig de Oslo Conventie onderschrijven.
RBS heeft inmiddels contact opgenomen met IKV Pax Christi teneinde de berichten van IKV Pax Christi, waarvan RBS meent dat deze onjuist zijn, te bespreken.
Zijn er bedrijven of instellingen met staatssteun die nog steeds diensten verlenen aan producenten van clustermunitie? Zo ja, welke bedrijven of instellingen zijn dat en bent u bereid hen daarop aan te spreken of zelfs de relatie te verbreken?
Voor zover wij weten houdt geen van de staatsgesteunde financiële instellingen zich direct bezig met dergelijke diensten. Deze instellingen hebben een mvo-beleid dat daaraan in de weg staat. De Staat heeft als kapitaalverschaffer echter geen zicht op de operationele activiteiten van deze instellingen.
Zijn er bedrijven of instellingen waar de staat een financiële relatie mee heeft die nog steeds diensten verlenen of investeren in producenten van clustermunitie? Zo ja, welke bedrijven of instellingen zijn dat en bent u bereid hen daarop aan te spreken of zelfs de relatie te verbreken? Kunt u, in navolging van een toezegging van het vorige kabinet, een overzicht geven?
Indien wij deze vraag interpreteren als hebbende betrekking op bedrijven en instellingen waarmee de staat een overeenkomst heeft op het gebied van financiële dienstverlening, dan betreft het ING Bank, ABN Amro en RBS. Wij zijn bereid om bedrijven en instellingen aan te spreken indien zij diensten verlenen of investeren in producenten van clustermunitie. Echter, de Staat dient zich tevens te houden aan zijn contractuele verplichtingen.
Op welke wijze is bij de keuze voor de huisbankier van de Nederlandse staat maatschappelijk verantwoord ondernemen meegenomen in de selectiecriteria?
In de Europese aanbestedingsprocedure van het binnenlands betalingsverkeer van de ministeries in 2008, toegekend aan RBS, is maatschappelijk verantwoord ondernemen niet meegenomen in de selectiecriteria. In de daarna volgende Europese aanbestedingsprocedures, te weten het gebruik van credit cards door het Rijk (2009) en het betalingsverkeer van de Belastingdienst (2010) is het hebben van een beleid op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en het in het openbaar daarover verantwoording afleggen een selectie-eis geweest.
Op welke manier gaat u uitvoering geven aan de motie Haubrich-Gooskens c.s. over het verbod op investeringen in clustermunititie die door de Eerste Kamer is aangenomen?3
Het kabinet beraadt zich momenteel over een reactie op de motie Haubrich-Gooskens, waarmee wordt opgeroepen tot een verbod zoals dat verwoord is in vraag 9. De Eerste Kamer zal in dit kader schriftelijk geïnformeerd worden.
Bent u bereid in navolging van landen als België, Ierland en Luxemburg investeringen in en financiële dienstverlening aan bedrijven die betrokken zijn bij de productie in clustermunitie te reguleren? Zo ja, op welke wijze? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘KPN zet app-heffing door’ |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «KPN zet app-heffing door»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Wat is uw oordeel over het feit dat KPN deze app-heffingen, tegen de duidelijk uitgesproken wens van een meerderheid van de Kamer in, wil doordrukken?
De wens van de meerderheid van uw Kamer is nog eens verwoord in het amendement Verhoeven c.s. (TK 2010–2011, 32 549, nr. 17). Inmiddels is het gestelde in dat amendement onderdeel geworden van het wetsvoorstel ter wijziging van de Telecommunicatiewet. Vanaf het moment dat deze wet van kracht wordt, moet KPN daar gewoon aan voldoen.
Deelt u de mening dat KPN onverantwoord bezig is en de consument onnodige kosten wil laten betalen? Zo nee, waarom niet?
De grote bloei en innovatie op het gebied van internet van de afgelopen jaren zijn voor een belangrijk deel te danken aan de opkomst van nieuwe diensten en toepassingen. Ik vind het ongewenst dat de opkomst van dergelijke diensten, zoals «Skype» en «What’s app», via een extra heffing belemmerd wordt door de transporteur van deze diensten omdat ze ten koste zouden gaan van zijn bel- en sms-inkomsten. Ik verwijs u verder naar mijn brief van 10 juni jongstleden met als onderwerp «Overwegingen ten aanzien van het amendement Verhoeven c.s. over netneutraliteit» (TK 2010–2011, 32 549, nr. 37).
Bent u bereid om KPN op te roepen om af te zien van deze app-heffingen en erop te wijzen dat deze heffingen niet mogen worden ingevoerd, gezien het feit dat een meerderheid van de Kamer zich hier duidelijk tegen heeft uitgesproken? Zo nee, waarom niet?
Een verbod op dergelijke app-heffingen is inmiddels onderdeel van het wetsvoorstel ter aanpassing van de Telecommunicatiewet.
Het instorten van balkons van een flat in Leeuwarden |
|
Eric Lucassen (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Controleer oude flats» en «Vijftig jaar oude galerij veel dunner»?1
Ja.
Klopt het dat flatgebouwen en appartementencomplexen uit de jaren vijftig en zestig door constructie en leeftijd een verhoogd risico lopen op instorting? Om hoeveel objecten gaat het?
Ik beschik niet over informatie waaruit blijkt dat deze woongebouwen een verhoogd risico lopen op instorting in vergelijking met andere bestaande gebouwen. In de periode 1950–1970 zijn in totaal circa 560 000 woningen in gestapelde woongebouwen gerealiseerd.
Deelt u de mening van de beroepsvereniging van constructeurs dat deze gebouwen gecontroleerd moeten worden op scheuren en beschadigingen?
Ja, in die zin dat deze controle past binnen artikel 1b lid 2a van de Woningwet. Op basis van dit artikel is het niet toegestaan dat een eigenaar een bestaand gebouw onder het veiligheidsniveau laat komen dat volgt uit het Bouwbesluit 2003. Dit impliceert dat een eigenaar moet controleren of haar gebouw nog wel veilig is.
Op welke wijze worden deze gebouwen nu gecontroleerd? Hoeveel worden er jaarlijks gecontroleerd?
Het is mij niet bekend op welke wijze deze gebouwen worden gecontroleerd. De wijze waarop deze controles moeten worden uitgevoerd is niet wettelijk voorgeschreven. Eigenaren mogen hier zelf invulling aangeven. Ook de wijze waarop een gemeente toezicht houdt op de veiligheid van bestaande gebouwen is niet voorgeschreven. Wel moet een gemeente dit vastleggen in handhavingsbeleid en een uitvoeringsprogramma. In het algemeen is het toezicht door gemeenten op de constructieve veiligheid van bestaande bouw beperkt tot het afhandelen van signalen en klachten. Ik beschik verder niet over informatie hoeveel gebouwen er jaarlijks worden gecontroleerd.
Deelt u de analyse van de heer Terwel van de TU Delft, dat ook bij moderne gebouwen vooral balkons en galerijen vaak constructiefouten vertonen?
Nee. Zie verder bij antwoord 6.
Kunt u bevestigen dat bij het meldpunt van het Platform Constructieve Veiligheid de meeste meldingen gaan over balkons? Wat wordt er met deze meldingen gedaan?
Nee. Het is niet juist dat de meest meldingen gaan over balkons. Uit het TNO-rapport «ABC2 – Registratie en analyse van bouwfouten» d.d. 1 maart 2011 volgt dat slechts 3 van 163 meldingen betrekking hebben op balkons. De meldingen worden geanalyseerd door het Platform Constructieve Veiligheid en de resultaten hiervan worden gepubliceerd op www.platformconstructieveveiligheid.nl en in een digitale nieuwsbrief gestuurd aan circa 600 personen, waaronder constructeurs, toezichthouders en bouwers. Doel is het leren van deze meldingen en het zodoende voorkomen van nieuwe incidenten.
Bent u bereid de uitkomsten van het technisch onderzoek naar de oorzaak van de instorting van de Antillenflat in Leeuwarden, voorzien van uw reactie, aan de Kamer te zenden?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoorden op de vragen (2011Z11102) van lid Jansen (SP).
Het verstekken van een wapenexportvergunning aan een verdachte van drugshandel |
|
Jasper van Dijk |
|
Is het waar dat Loek W in 2009 wapenonderdelen aan Egypte heeft verhandeld, ondanks zijn aanhouding in 2008 vanwege drugshandel?1
In december 2009 is een vergunning verleend aan een bedrijf, waarvan de heer W. eigenaar/directeur is, voor de uitvoer van onderdelen van YPR- en M113 APC pantservoertuigen naar Egypte. De waarde op de vergunning bedroeg bijna US $ 1,8 miljoen. Gedurende de looptijd is daarvan iets minder dan US $ 29 000,– gerealiseerd. De facto zijn twee onderdelen geleverd.
Wordt er gekeken naar de achtergrond van aanvragers van vergunningen voor strategische goederen? Indien ja, op welke wijze?
Dat hangt af van het type aanvraag. Onder de aanvragers zijn ook particulieren die een vergunning nodig hebben voor de (tijdelijke) uitvoer van hun vuurwapens voor de jacht of voor sportbeoefening. In zulke gevallen wordt waar het de aanvrager betreft vooral gekeken of deze onder de Wet wapens en munitie gerechtigd is om in Nederland het betreffende wapen te bezitten. Bij (nieuwe) aanvragers die bedrijfsmatig betrokken zijn bij de uitvoer van strategische goederen worden standaard de gegevens van de Kamer van Koophandel gecontroleerd en zal doorgaans een toetsing op de anderszins ter beschikking staande gegevens verricht worden. Soms, als er twijfel bestaat, wordt het in strategische goederen gespecialiseerde Team POSS van de Douane gevraagd om een controle vooraf in te stellen.
In november 1999, niet lang nadat geconstateerd was dat het bedrijf van de heer W. activiteiten ontwikkelde op het gebied van onderdelen van militaire voertuigen, heeft de voorloper van Team POSS, de economische controledienst ECD, een toezichtsonderzoek bij het bedrijf verricht. Er zijn toen geen overtredingen van het toenmalige In- en uitvoerbesluit strategische goederen vastgesteld. Tijdens het onderzoek in 2008 van een rechercheteam van de politie, waarin ook medewerkers van de FIOD-ECD participeerden, is niet alleen gezocht naar bewijzen voor inbreuken op de Opiumwet, maar onder andere ook naar bewijzen voor eventuele inbreuken op het Besluit strategische goederen. Deze werden niet aangetroffen.
Wisten betrokken vergunningverleners van de lopende strafzaak tegen Loek W? Zo ja, hoe is die beoordeeld in deze context? Indien neen, hoe kan in de toekomst voorkomen worden dat deze kennis niet bij het ministerie aanwezig is?
Nee. De vergunning werd in december 2009 verleend. In maart 2010 werden de exportcontrole autoriteiten door het Landelijk Parket benaderd met enkele vragen over de handelsactiviteiten van het bedrijf van de heer W. op het terrein van de strategische goederen. Daarbij kwam de toen lopende strafzaak ter sprake. Eind augustus 2010 berichtte het Landelijk Parket vervolgens over de veroordeling van de heer W.
Noch het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, noch de Douane houdt lijsten bij van personen die voor de rechter moeten verschijnen, maar in de meeste gevallen waarin iemand vervolgd wordt voor een overtreding of misdrijf die verband houdt met het Besluit strategische goederen zal er in een vroeg stadium contact tussen de FIOD, het Openbaar Ministerie en de exportcontrole autoriteiten over zo’n casus zijn geweest. In het onderhavige geval was er geen sprake van een overtreding of misdrijf die verband hield met het Besluit strategische goederen.
Deelt u de mening dat, indien een aanvrager op een dergelijke manier in aanraking is met Justitie, de kans toeneemt dat er malversaties plaatsvinden bij de wapenexport? Indien neen, waarom niet?
Ik kan dat niet uitsluiten, maar heb daar ook geen harde aanwijzingen voor. In dit specifieke geval is daar in elk geval niets van gebleken.
Zijn er mogelijk meer wapenexportvergunningen de afgelopen jaren verleend aan wapenhandelaren die in aanraking zijn gekomen met Justitie? Indien ja, bent u bereid daarvan een overzicht te geven?
Mij zijn zulke gevallen over de afgelopen jaren niet bekend, maar omdat bij de exportcontrole-autoriteiten geen lijsten worden aangehouden van iedereen die met Justitie in aanraking komt, is de mogelijkheid niet uit te sluiten.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, vindt er bij bedrijven die zich voor het eerst aanmelden als aanvrager van uitvoervergunningen standaard een controle van de gegevens van de Kamer van Koophandel plaats en zal doorgaans een toetsing op de anderszins ter beschikking staande gegevens verricht worden. In bepaalde gevallen wordt Team POSS van de Douane gevraagd om een toezichtsonderzoek te verrichten. Een standaard screening op eventuele veroordelingen voor andere delicten dan in samenhang met strategische goederen vindt niet plaats en is ook weinig zinvol omdat zo’n veroordeling op zichzelf niet tot uitsluiting als aanvrager of tot afwijzingsgrond voor een aanvraag leidt. Een aan strategische goederen gerelateerd misdrijf kan er ingevolge artikel 7 van de Wet economische delicten toe leiden dat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon voor bepaalde tijd wordt uitgesloten van handelsactiviteiten op dat terrein, maar dan moet dat als bijkomende straf zijn opgenomen in een vonnis van de rechter. De exportcontrole-autoriteiten kunnen daartoe niet zelfstandig besluiten.
De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOP) ziet niet op wapenexportvergunningen, maar zelfs als de systematiek van de Wet BIBOP op dit terrein gevolgd zou worden, zal een gevonden veroordeling voor een delict op een ander terrein op zichzelf nog steeds geen afwijzingsgrond opleveren. Artikel 3, eerste lid, van de Wet BIBOP legt namelijk een directe relatie tussen de beschikking, in casu de vergunning, en het strafbare feit. Volgens de systematiek van de Wet BIBOP kan een vergunning geweigerd of ingetrokken worden als er aanwijzingen zijn dat de vergunning (ook) gebruikt gaat worden om uit strafbare feiten voortkomende of nog voort te komen middelen te benutten (i.e. witwassen) dan wel als er aanwijzingen zijn dat de vergunning (ook) gebruikt gaat worden om strafbare feiten mee te plegen (i.e. fraude).
Bent u bereid om – in lijn met de wet BIBOB2 – wapenhandelaren te screenen op criminele antecedenten voordat zij een wapenexportvergunning ontvangen? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer komt de brief over wapenexport en bent u bereid om dit onderwerp daarbij te betrekken?
De brief heeft uw Kamer inmiddels bereikt.
De bouw door een Nederlandse werf van tanklandingsschepen voor Venezuela |
|
Jasper van Dijk , Harry van Bommel |
|
Is het waar dat de Nederlandse scheepsbouwfirma DAMEX Shipbuilding & Engineering in Santiago in Cuba schepen van het type Stan Lander 5612 bouwt voor de Venezolaanse marine, die kunnen dienen als tanklandingschepen?1
Nee. Op basis van de informatie die ik van Damen Shipyards heb ontvangen kom ik tot de conclusie dat DAMEX een Cubaanse joint venture is van het Nederlandse Damen Shipyards en de Grupo Industrial de Astilleros (GIA), dat onder het Cubaanse ministerie van Transport valt. Damen Shipyards meldt mij voorts dat de schepen geen landingsvaartuigen in de traditionele zin zijn, met mogelijkheden om op een strand aan te landen, maar RoRo (roll on/roll off) schepen, die een kade nodig hebben om te lossen en te laden. Ten slotte is de deksterkte niet berekend (in casu: te licht) op het vervoer van tanks of zware pantservoertuigen.
Deelt u de analyse dat deze schepen een militaire taak hebben? Indien nee, waarom niet? Zo ja, zijn de schepen ook specifiek voor deze militaire inzet ontworpen?
Nee, ik deel de analyse niet dat deze schepen een militaire taak hebben. De RoRo 5612 schepen zullen geleverd worden aan het logistieke onderdeel van de Venezolaanse marine (de Officina Coordinadora de Apoya Maritime de la Armada, OCAMAR) en regelmatig «verhuurd» worden aan andere ministeries ten behoeve van de infrastructurele ontwikkeling van Venezolaanse eilanden, bevoorradingstaken, humanitaire hulpverlening en – zo nodig – voor hulp bij evacuatie in geval van natuurrampen.
Acht u de kans uitgesloten dat de door Damen geleverde schepen van het Stan Lander type alsnog worden bewapend in Venezuela? Zo ja, wat zijn daarvoor uw aanwijzingen? Is het u bekend dat de Koreaanse tanklandingschepen waarover Venezuela beschikt zijn bewapend?
De RoRo 5612 schepen worden geleverd zonder militaire communicatie- of wapensystemen en beschikken niet over fundaties waarop later wapensystemen kunnen worden gemonteerd. De Koreaanse Capana-klasse schepen zijn voorzien van bewapening, maar hebben mede daardoor minder laadruimte voor bulkgoederen, zoals bouwmaterialen. Dat is een van de redenen waarom OCAMAR de niet-bewapende RoRo 5612 schepen bij Damex heeft besteld.
Is het waar dat Damen in 2007 sleep- en patrouilleschepen voor de Venezolaanse marine leverde? Wat is uw oordeel over de levering van de sleepboten? Wat is uw oordeel over de levering van de patrouilleschepen?
Ten dele. Er zijn twee sleepboten (type STu 2208 en STu 2608) geleverd aan INEA (de Venezolaanse Rijkswaterstaat) en in 2006 is een bouwpakket voor een patrouillevaartuig (type SPa 2606, zonder bewapening) geleverd. Over deze leveringen word ik niet geacht een oordeel te vellen omdat ze niet worden geclassificeerd als militaire vaartuigen in de zin van post ML9 van de Gemeenschappelijke lijst van militaire goederen.
Is het waar dat de levering van de schepen van het type Stan Lander voldoet aan de voorwaarden van het Nederlandse wapenexportbeleid? Zo ja, waarom? Vallen schepen die zijn gebouwd op basis van door Damen Nederland gekochte ontwerpen onder de controle van het Nederlandse wapenexportbeleid ook als ze op een buitenlandse werf worden gebouwd? Valt Damex, omdat het onder een Nederlandse directie werkt, onder het Nederlandse wapenexportbeleid? Zo neen, acht u deze situatie wenselijk? Zo nee, welke maatregelen wilt u treffen om dit te veranderen?
Voor de uitvoer van militaire technologie door Nederlandse bedrijven is een exportvergunning nodig en Nederland controleert daar scherp op. In dit geval zijn de schepen echter geen militaire vaartuigen in de zin van post ML9 van de Gemeenschappelijke lijst van militaire goederen. Deze schepen vallen niet onder het Nederlandse wapenexportbeleid. Damex is een joint venture onder Cubaans recht en valt daarmee evenmin onder het Nederlandse wapenexportbeleid. Via deze joint venture wordt geen militaire technologie of kennis overgedragen.
Deelt u de mening dat Venezuela op deze manier zijn militaire capaciteiten verder uitbreidt? Deelt u tevens de mening dat deze schepen een «verstorende werking zouden kunnen hebben op de regionale stabiliteit en daarmee op de veiligheid van de Nederlandse Antillen en Aruba»?2 Kunt u dat toelichten?
Nee, deze schepen zijn niet gericht op uitbreiding van de militaire capaciteit van Venezuela en vormen geen bedreiging voor het Koninkrijk. Het gaat immers om onbewapende schepen die zijn ontworpen en ingericht voor het vervoer van vracht.
Bent u bereid Damen er op te wijzen dat de Nederlandse overheid de leveringen ongewenst vindt en er op aan te dringen dat Damen verdere samenwerking met de Venezolaanse marine stopt? Zo ja, bent u ook bereid serieuze maatregelen tegen Damen te treffen mocht de scheepsbouwer zijn activiteiten voor de Venezolaanse marine voortzetten? Indien nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid heeft ernstige bedenkingen bij leveranties aan Venezuela van militaire goederen die een bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid van delen van het Koninkrijk of anderszins de regionale stabiliteit kunnen beïnvloeden. Daar is in dit geval geen sprake van.
De gemeente Eindhoven die op onverantwoorde wijze bankier speelt |
|
André Elissen (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Eindhoven steunt PSV met 48,4 miljoen»1 en het fragment «Eindhoven geeft PSV financiële steun»?2
Ja.
Is er volgens u sprake van dat de gemeente Eindhoven professionele topsport subsidieert?
Het is, in het kader van de financiële autonomie van decentrale overheden, aan de gemeente zelf welk beleid zij hanteert met betrekking tot professionele topsport. Daarbij is zij begrensd door de Europese staatssteunregels (zie het antwoord op vraag 5). In dit geval is er volgens de gemeente geen sprake van een subsidie, maar van een grondtransactie.
Vindt u net als wethouder Depla dat PSV een duurzaam en gezond bedrijf is?
Het is niet de rol van de minister van BZK om over de financiële gezondheid van private ondernemingen te oordelen.
Vindt u dat de gemeente Eindhoven hier een financieel avontuur aangaat waar grote risico’s aan kleven? Zo nee, kunt u aangeven waarom niet?
De gemeente Eindhoven is als entiteit van een autonome bestuurslaag zelf verantwoordelijk voor de financiële risico’s die de gemeente wil lopen. Deze risico’s en de wijze waarop deze worden opgevangen dienen inzichtelijk te worden gemaakt in de begroting en te worden vermeld in de paragraaf weerstandsvermogen.
Het financieel toezicht op de gemeenten, zoals dat wordt uitgevoerd door de provincie, is gericht op de financiële positie van de gemeenten. Dit komt tot uitdrukking in een structureel evenwicht op de begroting en/of meerjarenraming, en de ruimte in het weerstandsvermogen. Het toezicht is niet direct gericht op het te voeren beleid van de gemeente betreffende subsidiering van professionele topsport of andere beleidsmatige beslissingen met een financiële consequentie.
Wel toetst de provinciale toezichthouder of bijvoorbeeld de paragraaf weerstandvermogen voldoet aan de eisen in het Besluit begroting en verantwoording gemeenten en provincies (BBV), en of de inhoud daarvan is doorvertaald naar de begroting. Het is allereerst een verantwoordelijkheid van de het College van B&W zelf om zich te verantwoorden richting Gemeenteraad. In die «horizontale keten» is er verder een speciale taak bij de accountant en de rekenkamer belegd. De provinciaal toezichthouder maakt in haar eigen – complementaire – taak en rol (bewaking structureel evenwicht) wel gebruik van de signalen uit de keten.
Vindt u dat er hier sprake is van (verkapte) staatssteun? Zo nee, waarom niet? Acht u dit toelaatbaar?
Het correct naleven van de staatssteunregels, inclusief het oordeel of er al dan niet sprake is van staatssteun, is primair aan de gemeente zelf. Het Rijk bevordert en faciliteert uitsluitend de goede naleving, onder meer door het geven van voorlichting3 en het onderhouden van contacten met de Europese Commissie. Als er naar het oordeel van de steunverlenende overheid (mogelijk) sprake is van staatssteun, dan moet die in beginsel door middel van een meldingsprocedure worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De Commissie beoordeelt of er inderdaad sprake is van staatssteun, en zo ja, of en onder welke voorwaarden die is toegestaan. De meldingsprocedure wordt gecoördineerd door mijn ministerie. In dit geval is er geen melding geweest.
De Europese Commissie heeft Nederland op 27 mei gevraagd om toe te lichten waarom de voorgenomen grondtransactie van de gemeente Eindhoven geen staatssteun omvat. De vraag van de Commissie is door mijn ministerie doorgeleid naar de gemeente. Die heeft aangegeven er alle vertrouwen in te hebben aan te kunnen tonen dat er bij de transactie geen sprake is van staatssteun, omdat marktconform wordt gehandeld.
Vindt u dat de gemeente Eindhoven hier op oneigenlijke wijze concurreert met commerciële geldverstrekkers?
Een oordeel hierover is niet aan de minister van BZK. Zie ook het antwoord op vraag 7 c).
Gaat u maatregelen tegen de gemeente Eindhoven treffen omdat ze a) onnodige financiële risico’s neemt b) (verkapte) staatssteun aan een commerciële onderneming verleent en c) financiële instellingen beconcurreert?
De miljoenenfraude en massale belastingontduiking in de vastgoedsector |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Wanneer is het grootschalig onderzoek in de vastgoedsector op basis waarvan nu € 330 miljoen aan boetes en naheffingen is opgelegd, gestart?1
Dit onderzoek is gestart in 2007.
Is het waar dat bij al deze onderzoeken en deze grootschalige fraudes slechts in acht gevallen de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) is ingeschakeld voor een strafrechtelijk onderzoek? Hoe kan dit? In hoeveel van de ruim zeshonderd geconstateerde fiscale onregelmatigheden is het Openbaar Ministerie ingeschakeld en zijn strafrechtelijke onderzoeken gestart?
Naar aanleiding van diverse signalen over onregelmatigheden in de bouwsector en als vervolg op een in 1997 gestart project is de Belastingdienst in 2007 gestart met een nieuwe projectmatige aanpak van deze sector. Door middel van een thematische aanpak waarin alle belastingmiddelen, alle vormen van toezicht en alle segmenten zijn betrokken heeft de Belastingdienst in afgelopen vier jaar een groot aantal verschijnselen onderzocht. Daarbij zijn risicosignalen geselecteerd op basis waarvan verder onderzoek is verricht. Er is dus geen sprake van één fraude of één enkele fraudemethodiek. Dit dieper gaande onderzoek leidde in de helft van het aantal gevallen tot fiscale correcties. Bij deze correcties kon in bijna alle gevallen worden volstaan met het opleggen van (navorderings)aanslagen en boetes. De Belastingdienst hanteert voor al deze activiteiten de naam «Nokvorst».
In een beperkt aantal gevallen werd fraude vermoed van een zodanige aard of omvang dat deze viel binnen het bereik van de aanmeldings- transactie en vervolgingsrichtlijnen (ATV-richtlijnen). De bespreking van deze gevallen in het tripartiete overleg (overleg onder leiding van het Openbaar Ministerie, met de FIOD en de Belastingdienst) leidde ertoe dat uiteindelijk acht gevallen voor strafrechtelijk onderzoek in aanmerking zijn gekomen binnen het thema Nokvorst. In het tripartiete overleg worden gevallen besproken waarvan vermoed wordt dat opzet in het spel is. In het overleg wordt bepaald welke van de betrokken rechtspersonen en/of natuurlijke personen in aanmerking komen voor strafrechtelijke handhaving. Bij deze keuze spelen diverse factoren een rol, zoals de strafrechtelijke bewijsbaarheid, de omvang van het nadeel, de persoon van verdachte, de betrokkenheid van een facilitator, recidive en de beschikbare capaciteit bij de aan het overleg deelnemende partijen. Als algemeen uitgangspunt geldt dat het fiscale nadeel minimaal € 125 000 moet bedragen, hoewel dat geen absolute grens is. De absolute ondergrens voor strafrechtelijke vervolging bedraagt € 10 000 voor particulieren en € 15 000 voor ondernemers.2 Uiteraard blijft voor gevallen die daaronder zitten wel het fiscale boete-instrumentarium beschikbaar. Tussen de deelnemers aan het tripartiete overleg is sprake van een goede en nauwe samenwerking.
Dit soort zaken wordt primair fiscaal aangepakt. Het fiscale boete-instrumentarium is toegepast en is met name in de strafmaat (speciale preventie en vergelding) effectief. Bovendien moet uiteraard altijd de verschuldigde belasting alsnog worden voldaan. Daarnaast heeft de Belastingdienst met het oog op efficiënte inzet van schaarse capaciteit diverse andere activiteiten ingezet (bijvoorbeeld voorlichting en samenwerking met andere toezichthouders) die de compliance in de vastgoedsector hebben bevorderd. Ook is het thema vastgoed nog steeds een prominent onderdeel binnen het toezicht en in het handhavingsarrangement tussen het OM en de Belastingdienst.
Ten aanzien van de afdoening van strafzaken die betrekking hebben op Nokvorst hebben mij geen signalen bereikt van een gebrekkige samenwerking tussen de Belastingdienst, FIOD en Openbaar Ministerie.
Er is naar onze mening bij deze aanpak zodoende sprake van een passende inzet van en verhouding tussen het fiscale en strafrechtelijke instrumentarium.
Onder welke voorwaarden worden zaken overgedragen aan het Openbaar Ministerie? Hoe groot moet een zaak zijn om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen?
Zie antwoord vraag 2.
Zou niet bij iedere belastingfraude van enige omvang de afweging moeten worden gemaakt of het strafrecht moet worden ingezet, omdat slechts het terugbetalen van de verschuldigde belasting en eventueel een boete onvoldoende afschrikwekkend zijn als sanctie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u dat bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt bij iedere belastingfraude van enige omvang ook de vraag gesteld of niet alleen de rechtspersoon moet worden aangesproken door middel van een naheffing en een boete, maar welke personen feitelijk leiding hebben gegeven aan deze strafbare feiten en derhalve in persoon vervolgd kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak is dat gebeurd?
Bij het nemen van een vervolgingsbeslissing weegt het Openbaar Ministerie af of het aangewezen is om naast of in plaats van een rechtspersoon (ook) de betrokken natuurlijke personen te vervolgen.
In de eerdergenoemde acht gevallen die voor strafrechtelijk onderzoek in aanmerking kwamen, zijn op dit moment 17 natuurlijke personen als verdachte aangemerkt. Ten aanzien van 9 van hen is het besluit genomen hen te vervolgen; deze procedures zijn nog niet afgerond. Ten aanzien van 6 andere verdachten is nog geen vervolgingsbeslissing genomen. De overige 2 verdachten hebben een transactie geaccepteerd van respectievelijk 120 uur werkstraf en € 15 000.
Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vragen 2 tot en met 4.
Hoeveel mensen zijn er tot nu toe bestraft? Hoeveel schikkingen zijn er getroffen? Hoeveel strafrechtelijke onderzoeken zijn nog niet afgerond? Hoeveel gevangenisstraffen zijn er bijvoorbeeld opgelegd? Bent u van mening dat er in dergelijke zaken voldoende gebruik wordt gemaakt van het strafrecht en dat de uitgesproken sancties er toe leiden dat anderen zich van zaken als belastingfraude zullen weerhouden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe hoog is de pakkans voor het verzwijgen van omzet en het ontduiken of ontwijken van belasting? Hoe hoog is de kans dat, indien je hiervoor al gepakt wordt, er ook een straf wordt opgelegd die hoger is dan het terugbetalen van de verschuldigde belasting?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoe hoog de pakkans is voor belastingontduiking. Dat zou alleen mogelijk zijn wanneer de Belastingdienst elke belastingaangifte volledig zou controleren en dan nog is het niet eenvoudig om onderscheid te maken tussen fraude en vergissing. Ook cijfers over de theoretische fraudeomvang zijn niet beschikbaar. De Belastingdienst heeft een beperkte capaciteit en werkt dus risicogericht. Wanneer duidelijk is dat het gaat om fraude, zal de Belastingdienst gewoonlijk een boete opleggen bovenop het bedrag aan ontdoken belasting dat moet worden terugbetaald.
Het is duidelijk dat de Belastingdienst in de vastgoedsector veel zaken heeft ontdekt die niet klopten. Overigens worden boekenonderzoeken alleen ingesteld wanneer er aanwijzingen zijn dat er iets niet in orde is. Het is daarom onjuist om het genoemde percentage van ongeveer 50% als algemeen foutpercentage toe te kennen aan de sector. Dat heb ik ook niet uit willen dragen.
Ik reken erop dat de activiteiten van de Belastingdienst en andere toezichthouders eraan bijdragen dat het zelfreinigend vermogen van de sector toegenomen is. Daarom ben ik ook ingenomen met de gesprekken die op dit moment plaats vinden tussen de branche organisaties die binnen de vastgoedsector werkzaam zijn en de bij het toezicht op de sector betrokken overheidsorganisaties, waaronder de Belastingdienst. In deze gesprekken staat de bevordering van het zelfreinigend vermogen centraal. Desondanks heb ik de Belastingdienst opdracht gegeven om de vastgoedsector voorlopig een prominente plek te blijven geven in het toezichtprogramma. Dit houdt in dat de Belastingdienst op diverse manieren blijft interveniëren in de sector, waar mogelijk via vormen van horizontaal toezicht (afspraken met branches, convenanten), maar ook door stevig repressief toezicht. Rapportage over deze toezichtactiviteiten vindt plaats via het jaarlijkse beheersverslag.
Nu er in de helft van het aantal bedrijfsonderzoeken fiscale onregelmatigheden zijn geconstateerd, wat zegt dit volgens u over de moraal of het gebrek daaraan in een groot deel van de vastgoedsector? Kunt u hier een beschouwing over geven? Welke gevolgen zou dit volgens u moeten hebben voor de intensiteit van het toezicht op deze sector?
Zie antwoord vraag 7.
Wat houdt uw opdracht aan de Belastingdienst om de vastgoedsector scherp te blijven controleren, precies in? Op welke wijze zal het toezicht en de controle op deze sector geïntensiveerd gaan worden?
Zie antwoord vraag 7.
Investeringen van Shell in Syrië |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Harry van Bommel |
|
![]() |
Deelt u de conclusie dat Europese olie- en gasmaatschappijen belangrijke investeerders zijn in de Syrische olie- en gasproductie, die bovendien de enige sector van de Syrische economie is waarin door Europese bedrijven aanzienlijke investeringen zijn gedaan?1 Indien nee, hoe zijn dan de feiten of wat is uw interpretatie daarvan?
Deelt u de conclusie dat Shell door middel van dochtermaatschappij SSPD (Syria Shell Petroleum Development) de tweede grootste Europese maatschappij is in de Syrische olie- en gasindustrie? Indien nee, hoe zijn dan de feiten of hoe interpreteert u de feiten?
Is het waar dat naast Shell ook andere Europese firma’s als Total (Frankrijk), Gulfsands Petroleum (Verenigd Koninkrijk), INA (Kroatië), Saipem (Italië) en Maurel & Prom (Frankrijk) actief zijn in olie- en/of gasproductie? Indien nee, hoe zijn dan de feiten of hoe interpreteert u de feiten?
Deelt u de analyse dat de olie- en gasproductiesector in Syrië een belangrijke economische sector is die voor 5% bijdraagt aan het Bruto Binnenlands Product en dat de olie- en gasproductiebedrijven relatief hoge belastingrevenuen voor de Syrische staat opbrengen? Indien neen, hoe zijn dan de feiten of hoe interpreteert u de feiten?
Deelt u tevens de analyse dat het grootste deel van olieproducten in Syrië zelf wordt geraffineerd en gebruikt en dat het daarom waarschijnlijk is dat een deel ervan door de Syrische krijgsmacht, politie en andere veiligheidsdiensten wordt gebruikt? Indien neen, hoe zijn dan u feiten of hoe interpreteert u de feiten?
Kunt u aangeven wat de stand van overleg is met de Europese partners op dit terrein? Vindt overleg plaats met de Europese olie- en gasproducerende bedrijven in Syrië? Wat is de stand van zaken van dit overleg?
Deelt u de opvatting van de president-directeur van Shell Nederland, Benschop, dat Shell zich als commerciële onderneming niet met politieke zaken kan bezighouden in landen waar het werkt? Zo ja, waarom?2 Indien nee, wat betekent dat voor de actuele situatie in Syrië?
Acht u het een uiting van maatschappelijk verantwoord ondernemen dat Shell zaken doet in Syrië wetende dat de Syrische krijgsmacht en andere veiligheidsinstellingen gebruik maken van olieproducten om steden af te sluiten en burgers aan te vallen? Indien neen, bent u bereid Shell hierop te wijzen?
Kunt u aangeven op welke wijze Nederlandse maatschappijen die in Syrië werken gevolg geven aan de boycotmaatregelen van de EU?3 Deelt u de opvatting dat Shell bijvoorbeeld geen zaken meer moet doen met de hooggeplaatste Syrische functionarissen die op de zwarte lijst zijn geplaatst? Zo ja, op welke wijze wordt daaraan gevolg gegeven? Indien nee, waarom niet?
Acht u het wenselijk Nederlandse maatschappijen te bewegen hun productiewerkzaamheden in Syrië te staken tot de mensenrechtenschendingen zijn gestopt en politieke hervormingen in Syrië zijn afgekondigd? Zo ja, welke stappen onderneemt u daartoe? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Deep Packet Inspection door telecomproviders en de aantasting van privacy |
|
Jhim van Bemmel (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «KPN past deep packet inspection toe op mobiel internetverkeer»1, KPN blijkt deep packet inspection uit te besteden»2 en «KPN inspecteert dataverkeer diep, mag dat?»3
Ja.
Klopt het dat er sprake is van een aantasting van de privacy en het mogelijk plegen van strafbare feiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u dan een strafrechtelijk onderzoek instellen?
In het antwoord op de vragen 2, 3 en 6 van het lid Thieme van 17 mei jl. (2011Z10094) zijn de techniek van deep packet inspection (DPI) en het toepasselijke wettelijke kader uitgebreid uiteen gezet. In het kort komt het hierop neer dat het gebruik van de techniek DPI op zichzelf is toegestaan, maar dat het wettelijke beperkingen kent. De rechtmatigheid van het gebruik hangt onder meer af van de toepassing van de techniek, van de gegevens die worden verkregen en van het doel waarvoor de techniek wordt gebruikt. Een afweging of het toepassen van DPI wettelijk is toegestaan, zal per geval gemaakt moeten worden. Het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie verricht op dit moment een oriënterend onderzoek naar deze kwestie. Aan de hand van de resultaten daarvan zal het Openbaar Ministerie beoordelen of een strafrechtelijk onderzoek geïndiceerd is.
Indien blijkt dat KPN strafbare feiten heeft gepleegd, gaat u daar consequenties aan verbinden bij nieuwe aanbestedingen en/of gaat u lopende contracten opzeggen? Zo nee, waarom niet?
Bij aanbestedingen door de overheid worden de daarvoor geldende regels in acht genomen.
Deelt u de mening dat KPN de deuren wagenwijd heeft opengezet voor (bedrijfs)spionage nu blijkt dat het bedrijf in het buitenland deep packet inspection heeft laten uitvoeren en/of een in het buitenland gevestigd bedrijf de mogelijkheid heeft gegeven dit te doen? Zo ja, welke consequenties gaat u daar aan verbinden?
Naast het in antwoord op vraag 2 genoemde oriënterend onderzoek door het Openbaar Ministerie is er naar aanleiding van deze zaak een onderzoek gestart door de OPTA. Na kennisneming van de bevindingen van OPTA zal het College bescherming persoonsgegevens bezien welke verdere stappen het zal nemen als toezichthouder op de Wet bescherming persoonsgegevens. Zie hierover het antwoord op de vragen 2, 3 en 6 van het lid Thieme van 17 mei jl. (2011Z10094) en het antwoord op vraag 5 van de leden Schaart en Van der Steur van 19 mei jl. (2011Z10365). Hangende deze onderzoeken kan ik niet zeggen of er sprake kan zijn geweest van (bedrijfs)spionage, het onderscheppen van overheidscommunicatie, of het misleiden van consumenten.
Gaat u onderzoeken of er vertrouwelijke overheidscommunicatie onderschept is (die eventueel privé is verzonden), nu blijkt dat telecomproviders middelen inzetten waarmee alle verzonden berichten gelezen kunnen worden?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat u beleid ontwikkelen om bedrijven te verplichten klanten goede en begrijpelijke informatie te geven over hoe met de privacy omgegaan wordt? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de artikelen 33 en 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna Wbp) zijn verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens, in dit geval de telecomaanbieders, verplicht om degene van wie zij persoonsgegevens verwerken – dat zijn hun klanten én derden – duidelijk in te lichten over de noodzakelijke verwerking van persoonsgegevens. De Wbp verplicht telecomaanbieders om gebruikers daarover uit eigen beweging te informeren. De aanbieders stellen daartoe privacyverklaringen op die op de website geraadpleegd kunnen worden. Daarnaast kunnen gebruikers in de algemene voorwaarden bij de overeenkomst nagaan hoe wordt omgegaan met hun persoonlijke gegevens en hoe daarover nadere informatie ingewonnen kan worden. Gezien deze wettelijke verplichtingen zie ik op dit moment geen aanleiding om hieromtrent verdere stappen te ondernemen.
Hebt u kennisgenomen van de verklaring van KPN: «KPN houdt niet bij welke websites je bezoekt»? Is hier sprake van misleiding van de consument? Zo ja, welke consequenties gaat u hier aan verbinden?
Zie antwoord vraag 4.
De provincie Utrecht die een bedrijf opricht |
|
André Elissen (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Provincie pakt bedrijventerreinen aan met ontwikkelingsmaatschappij Utrecht»1 en het rapport «Nadere risicoanalyse en conceptstatuten Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht N.V.»?2
Ja.
Bent u voornemens goedkeuring te verlenen aan de oprichting van de NV? Zo ja, wat zijn de overwegingen om een provincie een NV op te laten richten? Zijn er andere provincies die ook NV’s oprichten of daartoe aanvragen hebben ingediend?
Op 9 mei jl. heb ik goedkeuring verleend aan de provincie Utrecht om de Ontwikkelingsmaatschappij NV op te richten. Bij het verlenen van goedkeuring wordt getoetst of het besluit van de provincie niet in strijd met het recht of het algemeen belang is. Het privaatrechtelijke instrument van een NV biedt de provincie de mogelijkheid om samen met gemeenten en private partijen de herstructurering van bedrijventerreinen ter hand te nemen zonder daar grote (financiële) risico’s bij te lopen. Provincies kiezen er om diverse redenen voor om publieke taken onder te brengen bij privaatrechtelijke rechtsvormen zoals stichtingen en vennootschappen. Een privaatrechtelijke rechtsvorm wordt met name gekozen voor taken die uitvoering, dienstverlening of beheer betreffen. Alle provincies in Nederland hebben in de afgelopen jaren gekozen om bepaalde taken onder te brengen in een privaatrechtelijke rechtsvorm.
Dat betekent niet dat alle publieke taken door decentrale overheden ondergebracht kunnen worden in een privaatrechtelijke rechtsvorm. De overheid heeft een bijzondere positie vanwege de publiekrechtelijke bevoegdheden waarover zij beschikt. Dat vraagt om een zorgvuldige afweging bij de oprichting van of deelneming in een privaatrechtelijke rechtsvorm door decentrale overheden. Gemiddeld krijg ik op jaarbasis ongeveer 10 aanvragen van provincies voor goedkeuring voorgelegd.
Waar komt het geldbedrag van vijf miljoen euro vandaan dat in de Ontwikkelmaatschappij Utrecht wordt gestoken? Wordt dit bedrag bovenop het provinciefonds verstrekt?
In het Convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 dat is vastgelegd tussen het Rijk, het IPO en de VNG is vastgelegd dat verouderde bedrijventerreinen duurzaam moeten worden geherstructureerd. Hiervoor heeft het Rijk middelen gereserveerd. Deze middelen zijn toegevoegd aan het provinciefonds.
Gaat u dit bedrag inhouden op het provinciefonds wanneer het onzekere ondernemersavontuur dat de provincie aangaat tot verlies lijdt?
Nee.
Vindt u dat de provincie Utrecht zich op glad ijs begeeft omdat bestuurshandelingen kunnen leiden tot (financiële) aansprakelijkheid en de provincie Utrecht toch toezicht zal moeten houden op de NV omdat ze daar 15 miljoen euro belastinggeld in heeft gestoken?
De Provincie Utrecht is 100% aandeelhouder van de Ontwikkelingsmaatschappij NV. Daardoor heeft de provincie de mogelijkheid via de Raad van Commissarissen invloed uit te oefenen op de besluiten van de NV. De financiële risico’s zijn overzichtelijk en beperkt tot het bedrag dat de provincie aan de NV beschikbaar heeft gesteld.
Vindt u dat hier sprake is van staatssteun?
Nederlandse decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de correcte naleving van de staatssteunregels. De beoordeling of er al dan niet sprake is van staatssteun is in dit geval dan ook aan de provincie zelf, niet aan de minister van BZK. Die heeft in decentrale staatssteunzaken vooral een coördinerende rol, met name bij meldings- en klachtprocedures.
In het kader van de goedkeuringsprocedure van art. 158 Provinciewet (zie ook antwoord 2) is nagegaan of de provincie aandacht had besteed aan de staatssteunregels. Gebleken is dat de provincie de oprichting van de Ontwikkelingsmaatschappij, uitgebreid aan die regels heeft getoetst, en daarbij onder meer externe deskundigen heeft ingeschakeld. De provincie heeft vervolgens geen melding bij de Europese Commissie gedaan, waaruit mag worden geconcludeerd dat zij van mening was dat er geen sprake was van (meldingsplichtige) staatssteun.
Vindt u dat er sprake is van eerlijke concurrentie wanneer de provincie Utrecht een bedrijf opricht dat zich op de vastgoedmarkt gaat begeven?
Ja. In lijn met het advies van de Taskforce (her)ontwikkeling bedrijventerreinen (september 2008) is de verzakelijking van de bedrijventerreinenmarkt een belangrijke strategische lijn voor een succesvolle aanpak van de bedrijventerreinenproblematiek. Een kenmerk van de huidige bedrijventerreinenmarkt is echter dat dit een overheidsmarkt is waar de vastgoedmarkt slechts beperkt aanwezig is. De Taskforce (her)ontwikkeling bedrijventerreinen adviseert om Regionale Ontwikkelingsbedrijven op te zetten en te versterken als voertuig voor de regionale uitvoering van de (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen. Met de Ontwikkelingsmaatschappij NV kan volgens de provincie Utrecht de herstructurering van zowel het publieke domein als van private kavels en panden stimuleren door strategisch in te grijpen, daar waar de markt het niet (voldoende) oppakt.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat provincies eigen bedrijven oprichten en zich daarmee aan de democratische controle van de Provinciale Staten onttrekken?
Nee. Het besluit tot oprichting van of deelneming in een privaatrechtelijke organisatie neemt een provincie op grond van artikel 158 van de Provinciewet. Het besluit van Gedeputeerde Staten wordt voor wensen en bedenkingen voorgelegd aan Provinciale Staten. Via tenminste de jaarstukken, in het bijzonder de paragraaf Verbonden Partijen en de in de paragraaf weerstandsvermogen opgenomen eventuele risico’s, legt Gedeputeerde Staten jaarlijks verantwoording af aan Provinciale Staten over de resultaten van de deelneming en of privaatrechtelijke organisatie.
Wat vindt u als medefinancier van de grote overhead die gevormd wordt door het bestuur, de directie en de commissarissen van de NV?
De provincie Utrecht voert op dit punt zijn eigen beleid binnen de landelijke kaders. Dit betekent dat de provincie een eigen verantwoordelijkheid als aandeelhouder bezit om het beleid ten aanzien van de samenstelling van het bestuur te bepalen. De democratische controle ligt bij Provinciale Staten.
Het ontbreken van een restitutieregeling voor de strippenkaart |
|
Farshad Bashir |
|
Is het waar dat de informatie dat reizigers, die nog in het bezit zijn van een geldige (gedeeltelijk gebruikte) strippenkaart, geen enkele mogelijkheid hebben om geld terug te krijgen voor hun aangeschafte strippenkaart wanneer een vervoersregio met uw toestemming besluit om diezelfde geldige strippenkaart (nationaal vervoersbewijs) ongeldig te verklaren?1
Ja. Op elke strippenkaart staat dat deze kaart zijn geldigheid verliest na invoering van de OV-chipkaart. Op die strippenkaart wordt verwezen naar de berichtgeving van de vervoerders of naar www.ov-chipkaart.nl. Overigens hebben strippenkaarten altijd al een verloopdatum gehad. Ze zijn geldig tot één jaar na de volgende tariefstijging. Sinds jaar en dag staat dit vermeldt op iedere strippenkaart. Daarnaast staat op iedere strippenkaart ook dat er nooit restitutie wordt verleend.
Klopt de informatie dat in vervoersregio’s vaak tot tien dagen voor het ongeldig verklaren van de strippenkaart (oftewel het uitzetten NVB) er nog gewoon onbeperkt strippenkaarten gekocht kunnen worden? Zo ja, is het dan niet bijzonder klantonvriendelijk dat er geen enkele vorm van restitutie mogelijk is?
De verkoop van strippenkaarten stopt ongeveer 10 dagen voor het uitzetten van de strippenkaarten. Ongeveer 6 tot 8 weken voor de uitzetdatum begint de communicatie dat de strippenkaarten na een bepaalde datum niet meer geldig zijn. Enkele maanden daarvoor is de chipkaartapparatuur aangezet en is bekend dat de strippenkaart op termijn gaat verdwijnen. Het uitzetten van de strippenkaarten hoeft dus voor de reizigers niet als een verrassing te komen.
Kunt u aangeven hoeveel strippenkaarten ongeldig worden verklaard zonder dat er een mogelijkheid is tot restitutie en hoe groot is de gezamenlijke waarde van die strippenkaarten? Indien u niet over deze cijfers beschikt; kunt u een onderbouwde schatting maken?
Nee dat is niet bekend. Gemiddeld genomen koopt een reiziger die met een 15 strippenkaarten voltarief reist 1,5 strippenkaart per maand. Omdat de communicatie twee maanden voor het uitzetten start, heeft de reiziger in het algemeen genomen dus de tijd om de strippenkaart op te gebruiken. Daarnaast voeren verschillende overheden acties om niet opgebruikte strippenkaart in te leveren voor een goed doel of voor korting op attracties.
Acht u het wenselijk dat mensen die eerlijk betaald hebben voor een strippenkaart straks buiten hun schuld om al hun overgebleven strippen in de prullenbak moeten gooien en daarmee (een gedeelte van) hun aankoopbedrag moeten zien verdampen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2 en 3
Deelt u de opvatting dat het ongeldig verklaren van de strippenkaart zonder enige vorm van restitutie gelijk staat aan het bestelen van de reiziger aangezien zij een wettig betaalmiddel dachten te hebben aangeschaft, dat mede door uw toedoen ongeldig wordt verklaard? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2 en 3.
Bent u bereid alsnog te zorgen voor een landelijke restitutieregeling voor (gedeeltelijk gebruikte) strippenkaarten? Zo ja, kunt u toezeggen om dit te regelen voordat er in een (nieuwe) vervoersregio daadwerkelijk wordt overgegaan tot het ongeldig verklaren van de strippenkaart? Zo nee, waarom niet? Wat gaat u dan doen met al dat geld dat u in uw zak steekt van deze (gedeeltelijk) niet gebruikte strippenkaarten? Gaat u dit geld uitbetalen aan vervoersbedrijven en waarom zouden zij recht hebben op dat geld?
Een landelijke restitutieregeling ligt niet voor de hand. De opbrengsten van een verkochte strippenkaart worden op het moment van aankoop verdeeld over de vervoerders waar de strippenkaart zal worden gebruikt. Dit is gebeurd met sleutels die zijn vastgesteld na een landelijk onderzoek naar het gebruik van strippenkaarten (WROOV). Van strippenkaarten die in het bezit van reizigers zijn, kan niet worden achterhaald wie de opbrengsten van deze kaart heeft ontvangen.
Kunt u, gezien het belang van de reiziger, en gezien de waslijst van regio’s die u helaas toestemming zult geven voor het afschaffen van de strippenkaart, deze vragen beantwoorden vóór 19 mei 2011 (datum voor regio’s Haaglanden en Zuid-Holland)?
Het is helaas net niet haalbaar gebleken de vragen vóór 19 mei 2011 te beantwoorden.
Workshops sociale media georganiseerd door Syntens |
|
Afke Schaart (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Syntens workshops zuid nederland in mei» op de website www.ondernemerinbreda.nl?
Ja, daarmee ben ik bekend.
Deelt u de mening dat workshops over het gebruik van sociale media ook door veel commerciële partijen aangeboden worden? Zo ja, kunt u aangeven waarom het dan noodzakelijk is dat een organisatie als Syntens dit soort workshops gratis of tegen een kleine vergoeding aanbiedt door gebruik te maken van belastinggeld?
De workshops van Syntens zijn gericht op het voorlichten en bewust maken van ondernemers van de mogelijkheden die nieuwe ontwikkelingen in hun omgeving bieden voor innovatie. De financiering vanuit de overheid voor deze eerstelijnsvoorlichting voor het mkb is nodig om deze voorlichting laagdrempelig te houden, dus gratis of tegen een kleine vergoeding. De workshops van Syntens zijn een allereerste, globale kennismaking met nieuwe onderwerpen en ontwikkelingen, en passen goed in de bewustwordingstaak van Syntens. Workshops van commerciële partijen, voor zover beschikbaar, gaan veel dieper in op de materie en zijn een goede volgende stap voor ondernemers die actief aan de slag willen met de sociale media.
Vind u niet ook dat het leren omgaan met sociale media een verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf is en hier geen taak voor de overheid weggelegd is? Zo nee, waarom ligt hier in uw ogen wel een taak voor de overheid?
Om het innovatievermogen van het mkb te vergroten heeft de overheid een belangrijke rol te vervullen als het gaat om voorlichting over en bewustmaking van nieuwe en snelle ontwikkelingen, zoals in dit geval de sociale media. Zo heeft Syntens eerder een rol gespeeld bij de opmars van het internet met een landelijk voorlichtingsprogramma voor het mkb. Net als bij de bewustwording rondom internet, zal er ook bij de bewustwording rondom de waarde van sociale media sprake zijn van een tijdelijke rol.
Zie ook mijn antwoord op vraag 5 en 6.
Hoe dient Syntens in uw ogen invulling te geven aan haar taakstelling ondernemend Nederland verder te helpen door innovatie te stimuleren en te versnellen?
De missie van Syntens is het versterken van het innovatievermogen van mkb-ondernemingen, hen aan te zetten tot succesvol innoveren en daarmee zichtbaar een bijdrage te leveren aan duurzame groei in Nederland.
Dit wordt in de praktijk ingevuld door verschillende activiteiten, zoals:
Syntens mag daarbij maximaal 16 uur per jaar per ondernemer besteden.
Syntens houdt middels effectmetingen en tevredenheidsonderzoek bij hoe de ondernemers de dienstverlening van Syntens waarderen en welk effect die sorteert. Daaruit blijkt dat het mkb baat heeft bij deze activiteiten. Uit de evaluatie die in 2007 gehouden is over Syntens (EIM, december 2007) is bovendien gebleken dat overheidsfinanciering van Syntensactiviteiten legitiem is. Als financier van Syntens houd ik de vinger aan de pols waar het gaat om het effect bij de mkb-ondernemers en op basis daarvan bespreek ik jaarlijks met Syntens de activiteiten.
Deelt u de mening dat het geven van workshops twitteren en Linkedin niet binnen deze taakstelling past? Zo nee, kunt u toelichten waarom u het daar niet mee eens bent?
Zoals uit mijn antwoorden op vragen 2 en 3 blijkt, ben ik van mening dat het stimuleren van het gebruik van sociale media op dit moment een zinvolle bijdrage kan leveren aan het innovatievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven. Zo heb ik op 17 mei de Digitale Agenda geïntroduceerd en daarbij het belang van e-skills benadrukt. De digitale agenda besteedt veel aandacht aan het digibewust en digivaardig maken van ondernemers.
Ik ben het evenzeer met u eens dat de overheid zich bij besteding van belastinggeld steeds moet afvragen of middelen vanuit de overheid – in aanvulling op de activiteiten vanuit de markt – noodzakelijk zijn om de vruchten van dit soort activiteiten te plukken. Hier toets ik dan ook geregeld op middels evaluaties.
Op dit moment werkt mijn departement aan het vormgeven van het concept Ondernemerspleinen. Op deze Ondernemerspleinen wordt de relevante dienstverlening van Syntens, Kamers van Koophandel en AgentschapNL geïntegreerd. Het perspectief hierbij is meer en vooral ook betere dienstverlening aan ondernemers voor substantieel minder geld. Taken en activiteiten zullen vanuit het perspectief van de ondernemer opnieuw worden ingericht. Hierbij zal ook worden bezien welke van de huidige taken en activiteiten niet meer zullen worden uitgevoerd. Nut en noodzaak van workshops sociale media zullen meelopen in deze exercitie. Het uitgangspunt is in ieder geval dat, net als nu, de activiteiten niet mogen leiden tot marktverstoring ten opzichte van commerciële dienstverleners.
Deze zomer zal ik een brief aan uw Kamer sturen, waarin het concept van de Ondernemerspleinen verder uitgewerkt is.
Deelt u de mening dat innovatie enorm belangrijk is voor Nederland en dat daarom het geld dat vanuit de overheid beschikbaar is efficiënt en zinvol besteed dient te worden? Zo ja, kan dit geld niet beter besteed worden aan andere zaken dan een workshop sociale media? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit in de toekomst wordt aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het dreigende faillissement van de Nederlandse vissersvloot |
|
Richard de Mos (PVV), Karen Gerbrands (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van EenVandaag «Garnalenvissers halen verhaal bij staatssecretaris»1 en het bericht «Europese vissers gaan plastic vissen»?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de oorspronkelijke Nederlandse vissersvloot niet kan concurreren met grote megaschepen die de zeeën nu in een rap tempo leeg vissen? Zo ja, wat gaat u doen om de oorspronkelijke vissersvloot voor een naderende ondergang te behoeden?
Visserijstatistieken maken geen indelingen op basis van «oorspronkelijke vloot» of «megaschepen». Het EU- en Nederlandse visserijbeleid heeft als belangrijkste doelstellingen het duurzame beheer van de visbestanden. Via vangstrechten, zeedagen en toegestane vistechnieken wordt dit beheer ingevuld. Het tonnage van vaartuigen is daarbij geen criterium.
De vraag of een visserijonderneming toekomst heeft, is primair de verantwoordelijkheid van de visserijondernemer, niet van de overheid. Wel faciliteert de overheid met maatregelen uit het Europees Visserijfonds de verduurzaming en economische versterking van de gehele visserijsector.
Bent u op de hoogte van het feit dat zeer strenge (Europese) milieu-eisen één van de redenen vormen voor het dreigende faillissement van de Nederlandse vissersvloot? Zo ja, kunt u onderzoeken waar deze regelgeving soepeler kan worden gemaakt, zodat deze werkbaar is voor de branche en kunt u de Kamer daar voor de zomer over berichten?
De huidige problemen in de Nederlandse visserij vinden hun voornaamste oorzaak in de hoge brandstofkosten in combinatie met de lage marktprijzen voor vis. De «milieu-eisen» voor een duurzaam beheer van de visbestanden zijn in het kader van het Europese Gemeenschappelijk Visserijbeleid opgesteld. De milieu-eisen aan brandstoffen en motoren van vissersschepen zijn in internationaal en Europees kader bepaald. Er zijn geen mogelijkheden om daar nationaal van af te wijken. Ik zie derhalve geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar versoepeling van milieueisen.
Bent u op de hoogte van het feit dat er buiten de klimaatgelden, die naar de stimulering van duurzame energie (de SDE+ regeling) gaan nog overige klimaatgelden zijn? Zo ja, wilt u de Kamer een overzicht doen toekomen van alle gelden die de Nederlandse belastingbetaler neerlegt voor klimaatbeleid, ook van die gelden die vanuit Nederland naar onder andere Europees klimaatbeleid gaan?
Voor de besteding van financiële middelen voor het klimaatbeleid verwijs ik naar de Begroting IX 2011 van het Ministerie van VROM, artikel 3 (Klimaat en luchtkwaliteit).
Bent u op de hoogte van het feit dat het opvissen van plastic in de toekomst een winstgevende nieuwe bron van inkomsten voor vissers kan worden? Zo ja, heeft u de bereidheid om tot die tijd vissers die naar plastic vissen met klimaatgeld, niet komende van de regeling, te betalen, zodat het klimaatgeld aan tastbaar milieubeleid wordt uitgegeven?
Op initiatief van de Europese Commissie vindt in de Middellandse Zee een pilot plaats voor het opvissen van plastic. De uitkomsten zullen dit najaar beschikbaar komen. De staatsecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft reeds toegezegd met de Europese Commissie te spreken over een mogelijke pilot voor Nederlandse vissers.
Klimaatgelden zijn conform de begroting niet voor dit doel bestemd.
Het bericht "Plastic lucratieve bijvangst voor vissers" en het rapport "Plasticverontreiniging van de Oceanen" |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het bericht «Plastic kan lucratieve bijvangst voor vissers worden» en het rapport «Plasticverontreiniging van de Oceanen»?12
Ja.
Kunt u toelichten hoe dit voorstel tot stand is gekomen? Is het geïnitieerd door het directoraat-generaal Milieu of het directoraat-generaal Maritieme zaken en Visserij van de Europese Commissie?
Op 8 april jongstleden organiseerden de Eurocommissarissen van DG Milieu en DG Maritieme zaken en Visserij samen een ronde tafel discussie over de vervuiling van de Middellandse Zee. Nadien startte het pilot project «Waste Free Ocean» in Frankrijk.
Kunt u aangeven of dit initiatief voornamelijk is bedoeld ter ondersteuning van de levensvatbaarheid van (een deel van) de visserijsector of dat het uitgangspunt de milieuoplossing is?
Uit de toespraak3 van Eurocommissaris Damanaki kan opgemaakt worden dat de zorg om het milieu een belangrijke drijfveer is.
Kunt u toelichten hoe de door Eurocommissaris Damanaki aangekondigde financiële steun vorm zal krijgen? Welke omvang acht u proportioneel voor een dergelijke inzet door Nederlandse vissers, gelet op haar verwijzing naar nadere uitvoering door de lidstaten? Is de financiële steun voor plasticvangst beschikbaar voor de gehele Nederlandse visserijvloot?
Lidstaten die dergelijke initiatieven willen ondersteunen met cofinanciering uit het Europees Visserijfonds kunnen dat nu doen op vrijwillige basis. Op voorspraak van Eurocommissaris Damanaki zullen voorstellen voor collectieve acties voor de opruiming van plastic afval in de Operationeel Plannen ruimhartig worden beoordeeld. Het Nederlandse Operationele Plan is onderwerp van overleg tussen de Commissie en Nederland.
Nederland voert al sinds 2000 het project «fishing for litter» uit. Een tiental vissers doet hieraan mee op vrijwillige basis. Hierbij gooien vissers het opgeviste afval niet terug in zee maar plaatsen het in een «big bag» waarna het gratis kan worden afgegeven en verwerkt. Ook in andere OSPAR (regionale zeeconventie ter bescherming van de Noordoostelijke Atlantische Oceaan) landen lopen dergelijke initiatieven. Jaarlijks wordt er in Nederland en België op deze wijze ongeveer 300 000 kg afval aan land gebracht. Financiering van de «big bags» en de verwerking komt uit diverse bronnen (overheden, havenbeheerders maar ook afvalverwerkers).
Op basis van de opgedane ervaringen kan geconcludeerd worden dat het een goed initiatief is om vissers meer te betrekken bij de afval-op-zee problematiek, maar dat er ook een behoefte is aan een aanpak van de bron van de vervuiling. Deze ligt niet alleen op zee, maar ook op het land.
Ik zal in overleg met de Commissie kijken naar de mogelijkheden op de Noordzee. Ook haalbaarheid en doelmatigheid zullen daarbij aan de orde komen. Bij mijn weten zijn er in de zuidelijke Noordzee geen afvalbergen zoals in de Middellandse Zee. Een incidentele pilot kan hier meer inzicht in geven.
Daarnaast wil ik samen met mijn collega van Infrastructuur en Milieu bezien of de huidige «fishing for litter» initiatieven verder gestimuleerd, uitgebreid en eventueel verbeterd kunnen worden.
Indien de bestaande middelen in het Europees Visserijfonds niet toereikend zijn en niet kunnen worden opgehoogd, ten koste van welke andere begrote uitgaven zullen de vergoedingen dan gaan?
Een pilot zal moeten uitwijzen of de middelen toereikend zijn en of de afspraken nageleefd worden.
Kunt u aangeven hoe de risico’s op misbruik of fraude op basis van de regeling zullen worden beperkt?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland invulling gegeven heeft aan haar verplichtingen conform Verordening (EG) nr. 1198/2006 om het grote publiek, de eventuele begunstigden en alle belanghebbenden in te lichten over de door het Europees Visserijfonds aangeboden mogelijkheden? Kunt u toelichten hoe de nieuwe mogelijkheden voor steun uit het visserijfonds voor plasticvangst wordt bekend gemaakt?
Voor de openstellingen in het kader van het Europees Visserijfonds worden begunstigden en alle belangstellenden via de gebruikelijke communicatiemiddelen op de hoogte gesteld.
Met welke techniek zal het plastic uit het water worden verwijderd? Zijn de vissersboten voldoende uitgerust om het plastic, ook de kleine plastic deeltjes, effectief te verwijderen? Zo nee, zijn er middelen beschikbaar om de boten aan te passen om alsnog een effectieve plasticvangst te garanderen?
Op dit moment wordt plastic afval bijgevangen bij de reguliere visserijpraktijken. Het gaat dan vooral om grof afval als plastic zakken, stukken netten, flessen, jerrycans, handschoenen, kratten, etc. Het grove afval geeft vooral fysieke problemen, niet alleen voor het ecosysteem, maar ook voor de scheepvaart. Evenzeer zorgwekkend zijn de kleine deeltjes (zogenaamde «micro-plastics»). Opname door mariene organismen kan leiden tot verstopping van het maag-darm kanaal, verhongering of vergiftiging. Deze kleine deeltjes worden doorgaans niet opgevist.
Hoe worden de gebiedsverdelingen en vaarroutes van de vissers voor de plasticvangst gecoördineerd tussen de EU lidstaten? Op welke manier en door welke instantie zal de effectiviteit getoetst worden?
Zie antwoord 4.
Klopt het dat de plasticindustrie meewerkt door het opgehaalde plastic te recyclen? Heeft u al in uw overleggen met de Nederlandse recyclingsector gesproken over de gevolgen van dit nieuwe Europese beleid? Hoe wordt gewaarborgd dat ingezameld plastic waar mogelijk wordt teruggebracht voor hergebruik in de grondstoffen keten?
Van 20 tot 25 maart 2011 heeft in Honolulu de 5e International Marine Debris Conference plaatsgevonden. Tijdens die bijeenkomst is de Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter ondertekend door 47 branche-organisaties in de kunststof industrie. Hierin verklaren de ondertekenaars zich te zullen inzetten voor de recycling van plastics tot grondstoffen waar dat mogelijk is. Ook de Nederlandse federatie van brancheverenigingen voor de rubber, recycling en kunststofindustrie (NRK) heeft deze verklaring ondertekend4. Daarbij moet worden aangetekend dat in bepaalde gevallen opgevist plastic dermate vervuild kan zijn dat hergebruik als grondstof niet mogelijk is. In dat geval is energieterugwinning bij verbranding in een AVI (Afval Verbrandingsinstallatie) de aangewezen weg. Op dit moment heeft er nog geen overleg plaatsgehad met de Nederlandse federatie van brancheverenigingen voor de rubber, recycling en kunststofindustrie NRK.
Eurocommissaris Damanaki geeft aan dat ze de organisatie van dit initiatief zal overlaten aan de industrie en de EU-lidstaten. Kunt u aangeven hoe dit initiatief op nationaal niveau vorm zal krijgen? Welke stappen zullen worden ondernomen om tot een werkzaam en doeltreffend beleid te komen? Wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit proces?
Zie antwoord 4.
Speculatie met grondprijzen |
|
Ronald Plasterk (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Deelt u de inschatting van De Nederlandsche Bank (DNB)1 dat de in 2010 fors toegenomen omvang van grondstofgedreven handelsactiviteiten met gebruik van hefboom strategieën een risico vormt voor de financiële stabiliteit?
DNB geeft aan dat er toenemend gebruik wordt gemaakt van complexe financiële strategieën en producten voor grondstoffenhandel. Het gebruik van een hefboomstrategie kan over het algemeen leiden tot uitvergroting van volatiliteit van rendementen en daarmee leiden tot grotere risico’s, zo ook in dit geval. Ik deel dit inzicht.
Heeft u inzicht in de posities van Nederlandse financiële instellingen (banken, verzekeraars, pensioenfondsen, vermogensbeheerders en hedgefondsen) op de diverse grondstoffenmarkten? Zo ja, kunt u de Kamer inzicht geven in de ontwikkeling hiervan tot nu toe en de verwachtingen voor de toekomst? Zo nee, in hoeverre belemmert dit u bij het maken van een inschatting van de financiële stabiliteit in Nederland?
DNB en AFM zijn de toezichthouders op onder toezicht staande financiële instellingen en markten in Nederland. Zij zijn dan ook de instanties met toegang tot de posities van Nederlandse financiële instellingen. Zij informeren mij indien nodig over relevante ontwikkelingen op geconsolideerde wijze.
Hoe beoordeelt u de recente scherpe prijsdaling in veel grondstoffenmarkten? In hoeverre ziet u dit als een indicatie van een mogelijke financiële zeepbel in deze markten?
Begin mei 2011 daalden prijzen over een breed scala van grondstofderivaten. De afgelopen maanden worden markten voor grondstofderivaten gekenmerkt door relatief hoge volatiliteit. In vergelijking met de prijsschommelingen over deze periode vormt de prijsdaling in mei geen uitzondering. Voor een aantal grondstoffen, waaronder olie, lijkt de prijsdaling een reflectie te zijn van verwachtingen over onderliggende marktfactoren als vraag of aanbod. Voor andere grondstoffen, waarvan onderliggende marktfactoren grotendeels onveranderd bleven, was de daling van korte duur en zijn prijzen inmiddels hersteld. De recente prijsdaling of de relatief hoge volatiliteit zijn op zichzelf geen indicatie van een financiële zeepbel.
Hoe beoordeelt u de risico’s die de Nederlandse financiële instellingen, en daarmee het Nederlandse financiële systeem, lopen vanwege deze blootstelling aan de grondstoffenmarkten? Bent u van plan maatregelen te nemen om deze risico’s te verminderen? En zo ja, welke maatregelen zijn dat?
Hoewel het aandeel van grondstoffen in de portfolio’s van Nederlandse instellingen is toegenomen is dit aandeel volgens DNB nog steeds relatief klein. Ik acht het financieel toezicht uitgevoerd door DNB en AFM voldoende om de risico’s te adresseren. Ik ben momenteel niet van plan additionele maatregelen te treffen.
Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de volatiliteit van de grondstoffenmarkten in de laatste jaren waarin de puur financiële speculatie op deze markten sterk is toegenomen?
Volatiliteit in grondstofmarkten is de afgelopen jaren toegenomen. In een recente studie naar volatiliteit concluderen Calvo-Gonzalez, Shankar en Trezzi (2010)2 dat het te vroeg is om te zeggen of het hier om een structurele verandering gaat.
In een recent rapport voor de G20, dat is opgesteld door o.a. OESO, FAO, Wereldbank en IMF3, wordt aangegeven dat er op basis van de bestaande studies geen eenduidige conclusie getrokken kan worden over de bijdrage van financiële activiteit aan prijsvolatiliteit.
Wat is hiervan het effect op ontwikkelingslanden die in hoge mate afhankelijk zijn van de export van grondstoffen en gebaat zijn bij een hoog, maar vooral stabiel prijspeil?
Sterke volatiliteit in grondstoffenprijzen levert onzekerheden op voor ontwikkelingslanden die voor hun inkomsten in hoge mate afhankelijk zijn van export van grondstoffen. Sterke prijsstijgingen en -dalingen beïnvloeden de betalingsbalans en overheidsinkomsten. Sterke volatiliteit brengt daarnaast onzekerheid met zich mee en heeft daarom mogelijk een negatief effect op investeringen, efficiënte benutting van capaciteit en uitvoerbaarheid van beleid.
Hoe beoordeelt u het dat de afgelopen jaren zoveel geld is gegaan naar het speculeren op de prijsontwikkeling van grondstoffen? Is het maatschappelijk gezien niet wenselijker dat dit geld geïnvesteerd wordt in de landbouw zelf?
De groei van grondstofgerelateerde producten als investeringsklasse is een feit. Gezien het belang van derivatenmarkten voor het afdekken van risico en efficiënte prijsvorming kunnen deze investeringen bijdragen aan het functioneren van de landbouwsector. Aan zowel investeringen in financiële markten als landbouw zelf kunnen in beginsel dus maatschappelijke baten verbonden zijn.
Hoe verhoudt de regulering en het toezicht (mandaat van toezichthouder om prijs- en positielimieten te stellen, bij de toezichthouder aanwezige kennis van financiële en fysieke markten) op de Europese grondstoffenmarkten zich tot die in de VS (zoals dat momenteel is georganiseerd en zoals dat in de VS volgens de in de Dodd-Frank Act aangegeven lijnen momenteel verder aangescherpt wordt)?
Zie antwoord op vraag 9.
In hoeverre vormen de recente waarschuwing van DNB en extreme prijsontwikkelingen een aanleiding voor het kabinet om zijn huidige positie2 aan te scherpen en te pleiten voor scherper toezicht? Is het kabinet bereid om zich hard te maken voor een regulering en toezicht in de EU die minimaal gelijk is en blijft aan die in de VS?
In Europa wordt momenteel onder andere gesproken over regulering en het toezicht op de grondstofderivatenmarkt. Bijvoorbeeld in het kader van de herziening van de MiFID richtlijn. Eurocommissaris Barnier heeft onlangs aangegeven dat de Europese Commissie bezig is met regelgeving voor grondstofderivaten waarbij nauw gelet zal worden op aansluiting met de regelgeving in de VS. Ik wacht de voorstellen van de Europese Commissie op dit terrein met belangstelling af.
Het bericht 'Klimaatdoelen kosten Rotterdam miljarden' |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Klimaatdoelen kosten Rotterdam miljarden»?1
Ja.
Is het waar dat er naar schatting nu 11,3 miljard euro tot 2025 wordt geraamd om de klimaatdoelen in de Rotterdamse haven te halen? Zo ja, kunt u gespecificeerd aangeven hoe deze kosten tot stand zijn gekomen en welke middelen door het Rijk worden gedekt?
Uw vraagstelling refereert aan beleid geformuleerd in het Duurzaamheids Programma van de gemeente Rotterdam. Dit betreft geen beleid van het Rijk. De gemeente Rotterdam geeft aan dat de stelling dat er naar schatting 11,3 miljard euro tot 2025 wordt geraamd om de klimaatdoelen in de Rotterdamse haven te halen onjuist is. De genoemde 11,3 miljard euro betreft een doorrekening van de directe economische impact van de maatregelen die het Rotterdam Climate Initiative, het publiek-privaat samenwerkingsverband van het Havenbedrijf Rotterdam, het industriële bedrijfsleven (Deltalinqs), de DCMR Milieudienst Rijnmond en de gemeente Rotterdam inzet bij de uitvoering van het klimaatbeleid Dit samenwerkingsverband heeft ingezet op duurzame economische groei via het realiseren van de Rotterdamse klimaatdoelen.
Deelt u de mening dat dit bedrag megalomaan is en beter besteed kan worden aan het aanleggen van de Derde Maasvlakte?
Nee. De gemeente Rotterdam heeft in mei jl. het economisch programma Duurzaam: «Investeren in Duurzame Groei» gepresenteerd. De Rotterdamse duurzaamheidsaanpak voor de komende jaren streeft naar een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving van de stad en moet leiden tot meer economische groei, werkgelegenheid en welvaart in de stad.
Kunt u specifiek voor de Rotterdamse situatie een kosten-batenanalyse geven? Met hoeveel meter zakt de zeespiegel in de Rotterdamse haven en hoeveel graden wordt het kouder aldaar na een investering van 11,3 miljard euro?
Er is geen kosten-batenanalyse beschikbaar specifiek voor de Rotterdamse situatie. Overigens is het klimaatbeleid erop gericht om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging richting 2050 onder de 2 graden Celsius te houden.
Kunt u aangeven wat de economische consequenties zullen zijn van deze hoge klimaatkosten en welke invloed deze hebben op de internationale positie van de Rotterdamse haven?
Zie beantwoording vraag 2 en 3.
Mensenrechtenschendingen in de elektronicasector |
|
Joël Voordewind (CU), Bruno Braakhuis (GL), Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Problematische arbeidsomstandigheden bij productie iPads en iPhones»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek van arbeidsrechtenorganisatie Students and Scholars Against Corporate Misbehavior (SACOM) «Foxconn and Apple Fail to Fulfill Promises: Predicaments of Workers after the Suicides», waaruit blijkt dat bij de productie van Apple elektronica door Foxconn arbeidsrechten van werknemers worden geschonden?
Schendingen zoals in het rapport van SACOM omschreven keuren wij af. Ook voor bedrijven uit de Verenigde Staten gelden de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, en daarmee de daaraan ten grondslag liggende ILO-verdragen, als referentie voor hun internationaal opereren. Van vermeende schendingen kan melding gedaan worden bij het Nationaal Contactpunt van de VS.
Een aantal spelers in de markt signaleert de problematiek rondom de productie van elektronica. Apple neemt deel in het Global E-sustainability Initiative, dat zich (ondermeer) richt op het identificeren van sleutelgebieden waar de ICT-sector de grootste bijdrage aan verduurzaming kan bewerkstelligen. Daarnaast werkt een aantal bedrijven uit de elektronicasector samen in het in oprichting zijnde multistakeholder Elektronicaprogramma van het Initiatief Duurzame Handel (IDH). Dit Elektronicaprogramma in oprichting richt zich op verbetering van de ketenregie om zo sociale en milieuproblemen bij toeleveranciers aan te kaarten. Het elektronicaprogramma van IDH is bij Apple onder de aandacht gebracht.
Het rapport van SACOM geeft verder aan dat er nog onvoldoende effecten zichtbaar zijn van de maatregelen die Apple ruim een jaar geleden heeft genomen naar aanleiding van een serie zelfmoorden bij Foxconn. Hierover heeft een gesprek plaatsgevonden met Apple. Apple heeft een Supplier Code of Conduct, die toeleveranciers opdraagt te zorgen voor veilige werkomstandigheden, werknemers met respect te behandelen en milieuvervuiling bij het productieproces te voorkomen. In zijn voortgangsrapport geeft Apple de resultaten van de audits die het op de naleving van deze code laat uitvoeren. Wanneer de code niet wordt nageleefd, wordt aangedrongen op wijziging van het beleid van de toeleveranciers. Bij voortdurende schendingen van de code wordt de relatie met de leverancier beëindigd, aldus Apple. In gesprek met de Nederlandse overheid heeft het bedrijf aangegeven niet op alle rapporten van NGO’s afzonderlijk te willen reageren. Mede op grond van signalen van de betrokken NGO’s houden wij vragen over de invulling door Apple van de MVO-elementen «transparantie» en «dialoog». Hierover zal later dit jaar een nader gesprek worden gevoerd met vertegenwoordigers van het bedrijf uit de VS.
Wat is uw reactie op het onderzoek van arbeidsrechtenorganisatie SACOM, waaruit blijkt dat bij de productie van elektronica arbeidskrachten slecht behandeld worden, bijvoorbeeld door het schenden van arbeidsnormen en het uitbetalen onder de grens van een leefbaar loon? Wat is uw reactie op de misstanden bij de winning van grondstoffen, de productie van elektronica en bij het dumpen van elektronisch afval waardoor mens en milieu gedupeerd worden, genoemd in rapporten van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), makeITfair en internationale partners? Welke maatregelen wilt u nemen om deze mensenrechtenschendingen terug te (laten) dringen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de conclusie dat Apple problemen op het gebied van arbeidsomstandigheden en milieuvervuiling wel constateert, maar dat er geen actie wordt ondernomen om de problemen op te lossen? Op welke manier kan er een omslag komen waarbij bedrijven wel die verantwoordelijkheid nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de consument onvoldoende inzicht heeft in de totstandkoming van producten, in dit geval de productie van elektronica? Zo ja, op welke manier wilt u dat transparantie in de productieketen wordt verbeterd, in het bijzonder voor mobiele telefoons, iPads en andere elektronica?
In de praktijk blijkt de consument verreweg de meeste belangstelling te hebben voor informatie over functievervulling en prijs2. Extra informatie over de totstandkoming van (elektronische) producten wordt door een kleine groep consumenten op prijs gesteld. De gemiddelde consument wenst er op te kunnen vertrouwen dat een product dat in de winkel ligt fatsoenlijk tot stand gekomen is. Het is aan de bedrijven, in dialoog met hun stakeholders, om er voor te zorgen dat zij dit vertrouwen waard zijn.
Wilt u zich in Europees verband inzetten om te komen tot bindende wet- en regelgeving waarin minimumnormen gesteld worden aan bedrijven op het gebied van duurzaamheid en de naleving van mensenrechten? Wilt u zich in navolging van de Amerikaanse «Dodd Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act» (met name pag. 838 e.v. van deze wet) inzetten voor bindende Europese eisen als het gaat om verantwoording en transparantie van wat zich afspeelt in productieketens?
Nederland zet zich in voor de versterking van de internationale economische rechtsorde. Door middel van internationale verdragen wordt het level playing field voor een wereldwijde naleving van normen op het vlak van arbeidsomstandigheden, milieu- en mensenrechten bevorderd. Daarnaast zet Nederland zich in voor de bevordering van het respecteren van mensenrechten door het bedrijfsleven. Het VN-mandaat van prof. Ruggie op het vlak van bedrijfsleven en mensenrechten steunt Nederland inhoudelijk en financieel. Ook heeft Nederland een belangrijke rol gespeeld bij de update van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. Daarin is een hoofdstuk over mensenrechten opgenomen en wordt bedrijven nadrukkelijk op hun ketenverantwoordelijkheid gewezen.
Europese wet- en regelgeving die Europese bedrijven bindt aan minimumnormen in hun extraterritoir handelen heeft juridische nadelen, met name op het vlak van handhaving. Nederland steunt het initiatief van de Europese Commissie om te onderzoeken of een voor bepaalde Europese bedrijven verplichte herkomstaanduiding van conflictmineralen een zinvolle bijdrage kan leveren aan de oplossing van problemen in Centraal-Afrika.
Deelt u de mening dat Nederland in de Europese Unie een voortrekkersrol moet nemen als het gaat om eisen van transparantie van bedrijven over wat zich afspeelt in productieketens? En wilt u daarom weer initiatief nemen tot een Wet Openbaarheid Ketens waardoor consumenten daadwerkelijk inzicht krijgen in de productieketen en een verantwoorde keus kunnen maken?
Nederland speelt al een voortrekkersrol in de EU waar het gaat om bevordering van «due diligence» in de keten. Daarbij is gepleit voor wederzijdse versterking van de nationale contactpunten voor naleving van de geactualiseerde OESO-richtlijnen.
In 2008 heeft het kabinet een onderzoek laten uitvoeren naar de haalbaarheid van de Wet Openbaarheid Ketens (WOK)3. Uit het onderzoek bleek dat de WOK alleen uitvoerbaar is tegen aanzienlijke economische kosten. «Transparantie over wat zich afspeelt in productieketens» is een heel breed en ongedefinieerd begrip. Het is onmogelijk om eenduidig vast te stellen wat eronder valt en wat niet, en of dat volgende maand nog hetzelfde is. Nog afgezien van de concurrentieverstorende effecten leiden dergelijke algemene eisen tot disproportionele kosten. Ik zie daarom de WOK niet als een proportionele of effectieve maatregel om bedrijven aan te zetten tot zorgvuldige «due diligence».
Bedrijven dienen wel open te zijn over kwesties die hun stakeholders bij hen agenderen. Apple en andere elektronicafabrikanten dienen zich dan naar onze mening open en coöperatief op te stellen ten aanzien van de zorgen die hun stakeholders bij hen agenderen. In dialoog kan worden vastgesteld dat specifieke informatie nodig is (en wellicht monitoring, gedurende enige tijd) om beleid te formuleren en de effectiviteit van maatregelen te kunnen meten. In vele multistakeholderinitiatieven wordt langs deze weg constructief en kosteneffectief gewerkt aan versterking van ketenverantwoordelijkheid.
Koopt de overheid producten van Apple of andere bedrijven in die met genoemde toeleverancier te maken hebben, zoals Dell, HP en Sony? Zo ja, kunt u aantonen dat deze producten voldoen aan de criteria van duurzaam inkopen?
Bij de ministeries zijn het afgelopen jaar tien aanbestedingen voor elektronica afgerond. De aanbestedingsregels verbieden het vragen naar of uitsluiten van specifieke merken. Bepaalde aanbestedingen hebben geleid tot de aanschaf van apparatuur van merken die in de vraag zijn genoemd. Het is de betreffende aanbestedende diensten niet bekend of de firma Foxconn toeleverancier is bij hun contracten. In 2010 waren voor Duurzaam Inkopen alleen milieucriteria beschikbaar. De monitor 2010, die u onlangs is toegestuurd van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, biedt u inzicht in de mate waarin deze zijn gehanteerd.
Op welke manier wordt bij overheidsinkoop van elektronica naleving van fundamentele arbeidsrechten bij de productie geëist, inclusief het betalen van een leefbaar loon? Op welke manier wordt gecontroleerd of internationale standaarden daadwerkelijk worden nageleefd? Zijn er voortgangsafspraken opgenomen in het contract tussen de inkopende overheid en Apple? Zo ja, welke zijn dat?
Om de overheidsinkoop gestructureerd te kunnen inzetten, zijn de sociale voorwaarden van Duurzaam Inkopen ontwikkeld (Kamerstuk 30196.82). Het inkoopinstrumentarium hiervoor is inmiddels gereed en zal binnenkort door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu worden gepubliceerd. Sinds begin dit jaar wordt het reeds toegepast in rijksbrede aanbestedingen, waaronder de lopende aanbesteding voor werkplekapparatuur en afdrukdiensten. Het is nog onbekend aan welke partij(en) deze aanbesteding zal worden gegund.
Omdat de internationale productieketens wijdvertakt zijn en de sociale situatie vaak onbekend is en moeilijk te beïnvloeden, is in het genoemde beleid een focus aangebracht. Voor elektronica ligt de focus op de vier fundamentele arbeidsnormen en de mensenrechten. De arbeidsnorm inzake leefbaar loon is als voorwaarde gesteld voor enkele producten waar reeds een multistakeholderketeninitiatief bestaat dat leveranciers kan ondersteunen bij hun inspanningen de situatie in de productieketen te verbeteren. In dit beleid wordt als voorwaarde een redelijke inspanning gesteld, die in lijn is met internationale richtlijnen op het vlak van MVO.
De eerste stap is kennis verwerven van de productieketen en nagaan of er risico’s op schending van de normen zijn. Zijn die aanwezig, dan dient de leverancier zich in te spannen voor verbeteringen en daarover openbaar te rapporteren (tenzij hij reeds is aangesloten bij een gekwalificeerd keteninitiatief). Daadwerkelijke naleving kan in vele sectoren niet worden gegarandeerd en leveranciers hebben geen juridische mogelijkheden dit af te dwingen. De controle door de aanbestedende overheid vindt primair plaats door beoordeling van de redelijke inspanning, op basis van de rapportages en van signalen die derden over de uitvoering van het betreffende contract afgeven. Zo nodig kunnen nadere stappen worden gezet, zoals een gesprek met de opdrachtnemer of een onderzoek of audit. Het rapport waarop deze kamervragen zijn gebaseerd, is een voorbeeld van een signaal dat aanleiding is de leveranciers om uitleg te vragen.
Bent u bereid uw steun uit te spreken voor de actie «makeITfair»?2
Ja, via MakeITfair kunnen misstanden worden geagendeerd bij de betreffende bedrijven. Initiatieven zoals «makeITfair» maken deel uit van de maatschappelijke dialoog zoals het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie deze heeft over maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Betere uitleg van de overheid over rookvrije horeca |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Overheid had rookvrije horeca moeten uitleggen»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het International Tobacco Control Policy Evaluation Project (ITC Project) dat de Nederlandse overheid in 2008 niet heeft uitgelegd waarom het rookverbod in de horeca werd ingevoerd, en dat een duidelijke campagne waarin wordt uitgelegd dat meeroken schadelijk is voor de gezondheid een heleboel problemen had kunnen voorkomen?
In 2008 is uitvoerig aandacht besteed aan de invoering van de rookvrije horeca en de communicatie daaromtrent. De publiekscampagne was onderdeel van een bredere communicatiestrategie, waarbij aan verschillende doelgroepen gerichte informatie en voorlichting werd verstrekt. Er is gekozen voor een campagne met een zogenaamde humoristische en positieve inslag, met als centrale gedachte de roker los te koppelen van de sigaret; de roker is nog steeds welkom in de horeca, de sigaret niet meer. Daaraan lag ten grondslag dat ongeveer 70% van het publiek al op de hoogte was van het feit dat er een rookvrije horeca werd ingevoerd.
Waarom heeft Nederland geen van de vier aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) (1. geen rookruimtes, 2. geen uitzonderingen, 3. strikte naleving en 4. in een campagne uitleggen waarom het rookverbod wordt ingevoerd) overgenomen?
Nederland voldoet grotendeels aan de aanbevelingen die de WHO doet. Zo heeft Nederland in 2005 de rookvrije werkplek geïntroduceerd. Sinds 2008 geldt dit uitgangspunt ook voor de horeca. Daarnaast stelt de nVWA op dit moment alles in het werk voor een efficiënte en risicogerichte handhaving van de rookvrije horeca. Om de naleving van het rookverbod te verbeteren worden de boetes voor overtreding van het rookverbod verdubbeld. Het is van belang dat de WHO aanbevelingen doet en dat op nationaal niveau eigen afwegingen worden gemaakt. Het Kabinet hecht eraan dat op nationaal politiek niveau uiteindelijk in overleg met het parlement besluiten worden genomen. Die beleidsvrijheid delegeren wij noch aan de EU noch aan de WHO.
Kunt u met terugwerkende kracht stellen dat het verstandiger was geweest om de aanbevelingen van de WHO wel over te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke strategie zat er achter de Postbus 51 spot over een man die verkleed als sigaret de horeca werd uitgetrapt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat naar aanleiding van de onderzoeksresultaten in dit rapport het noodzakelijk is om alsnog een publiekscampagne te lanceren, waarin duidelijk wordt uitgelegd dat er schadelijke gezondheidseffecten zijn van meeroken? Zo ja, wanneer kan een nieuwe publiekscampagne worden verwacht?
Die mening deel ik niet. Onlangs heb ik de landelijke nota gezondheidsbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin stel ik dat de beschikbaarheid van betrouwbare, toegankelijke en doelgerichte informatie essentieel is. Generieke massamediale campagnes passen hier niet in.
De door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) opgelegde miljoenenboete aan thuiszorginstellingen |
|
Renske Leijten |
|
Wat is uw reactie op de miljoenenboetes die de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) heeft opgelegd aan de stichtingen Careyn Zuwe Aveant en Vierstroom? Vindt u dat de NMa hiermee adequaat heeft gehandeld en wilt u uw antwoord toelichten?1
Ik heb kennis genomen van de door de NMa opgelegde boetes. De NMa is in de beoordeling van individuele zaken zelfstandig en een reactie mijnerzijds doet aan de opgelegde boete niets toe of af.
Kunt u uitleggen welk voordeel de zorgbehoevenden en het personeel hebben bij het financieel verzwakken van genoemde zorginstellingen door de NMa?
De boetes die de NMa heeft opgelegd zijn het directe gevolg van overtredingen van de Mededingingswet. Zoals eerder aangegeven in antwoorden op Kamervragen (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 599) is deze wet van wezenlijk belang voor het waarborgen van de keuzevrijheid voor de patiënt. Naleving van de Mededingingswet is van belang omdat daarmee de keuzevrijheid voor patiënten nu en in de toekomst wordt geborgd en zorgaanbieders voldoende gestimuleerd worden om doelmatig te werken, de kwaliteit te verhogen en te blijven innoveren. Omgekeerd zou het zonder consequenties laten van inbreuken op de Mededingingswet betekenen dat aan zorgaanbieders een vrijbrief wordt gegeven om de concurrentie en keuzevrijheid van de patiënt te beperken. Dit is niet in het belang van de Nederlandse gezondheidszorg in het algemeen en ook niet van de zorgbehoevenden en het personeel van deze twee instellingen in het bijzonder.
Kunt u aangeven welk nadeel de zorgbehoevenden en het personeel heeft gehad, door de vermeende «marktverstorende» afspraken van deze twee thuiszorginstellingen?
Zorgbehoevenden hebben mogelijk minder keuzemogelijkheden gehad dan wanneer de markt gewoon gefunctioneerd had. Voor het personeel zou hetzelfde kunnen gelden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Heeft de NMa bij het bepalen van de hoogte van de boetes ook rekening gehouden, naast de financiële gezondheid van de instelling, met zaken als de kwaliteit van de zorgverlening, de personeelsbezetting en de werkdruk? Zo ja, op welke wijze heeft de NMa deze aspecten beoordeeld? Zo nee, waarom niet?
De NMa heeft naar haar mening rekening gehouden met de financiële gezondheid van de betrokken instellingen, zodat de boetes de continuïteit van de instelling niet in gevaar brengen. Zorginstellingen hebben een bedrijfsvoering, waarbij ze zelf verantwoordelijk zijn voor zaken als kwaliteit van zorgverlening, personeelsbezetting en werkdruk. Bedrijfsvoeringsaspecten spelen bij het bepalen van de hoogte van de boete niet mee. Wel laat de NMa meewegen dat sprake is van een sector in transitie en hanteert zij op die titel een afslag van 25%. Gelet op de onafhankelijkheid van de NMa heb ik geen invloed op de hoogte van de boetes in deze zaak.
Hoe beoordeelt de NMa precies of een instelling niet failliet zal gaan door het opleggen van een boete?
Een boete van de NMa mag het faillissement van een overtreder niet waarschijnlijk maken. De beoordeling of dit het geval is, geschiedt aan de hand van de meest recente financiële gegevens van de instelling. Van belang is namelijk de vraag of een faillissement van de instelling waarschijnlijk is op het moment dat aan deonderneming de boete wordt opgelegd. Er moet dan wel sprake zijn van een causaal verband tussen de boete en het (eventuele) faillissement van de onderneming.
Bij de beoordeling wordt in elk geval gekeken naar de liquiditeit en de solvabiliteit van de instelling. Ook andere factoren kunnen in aanmerking genomen worden om een nauwkeurig beeld te vormen van het toekomstperspectief van de instelling in kwestie. Het is aan de instelling om haar verzoek tot matiging van de boete (voldoende) te onderbouwen. Een externe deskundige beoordeelt of de boete rechtstreeks kan leiden tot een faillissement.
Deelt u de mening dat het opleggen van een (miljoenen)boete per definitie het risico op een faillissement vergroot omdat de financiële staat van een instelling wordt verzwakt? Zo ja, vindt u dit wenselijk aangezien het hier om zorg voor mensen gaat? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven aangegeven houdt de NMa bij het opleggen van boetes rekening met de financiële gezondheid van een instelling. Indien door een boete een faillissement waarschijnlijk wordt, wordt de boete gematigd. Op deze manier wordt door een boete de continuïteit van de instelling niet in gevaar gebracht.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere Kamervragen waarin u stelde dat door NMa-boetes de continuïteit van zorg niet in gevaar komt? Kunt u toelichten waar de 1,3 en 3 miljoen euro voor Careyn Zuwe Aveant respectievelijk Vierstroom vandaan moet komen als het geen afbreuk mag doen aan het zorgproces? Worden er bij de genoemde instellingen zulke grote bedragen opgepot?2
Omdat een boete het faillissement van een overtreder niet waarschijnlijk mag maken kan de continuïteit van zorg niet in gevaar komen. Een boete kan wel effect hebben op het zorgproces, maar dat is wat anders dan de continuïteit van zorg. De instellingen kunnen de boetes betalen uit de lopende exploitatie dan wel uit het eigen vermogen. De keuze daartussen is aan de instelling. Bij het bepalen van de hoogte van de boete wordt, als onderdeel van het begrip «financiële gezondheid» de hoogte van het eigen vermogen meegewogen.
Bent u bereid, gelet op de financiële overschrijdingen en tekorten in de zorg, de door de NMa geïncasseerde boetes volledig ten goede te laten komen aan de thuiszorg? Zo nee, waarom niet?
In de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat bestuurlijke boetes van bestuursorganen de Staatskas invloeien. Dit geldt dus voor de boetes van de NMa, maar ook de boetes van onder meer de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) vloeien zonder oormerk in de algemene middelen. Ik zie geen aanleiding om voor boetes van de NMa een sectorspecifieke uitzondering te maken.
Hoe is het afgelopen met het beroep dat andere thuiszorginstellingen hebben aangespannen tegen eerder uitgedeelde boetes?3
De bezwaarzaken zijn nog in behandeling bij de NMa en de beroepszaken zijn nog niet op zitting geweest bij de rechtbank Rotterdam. Er is in beide gevallen dus nog geen uitkomst.
Op welke grond baseert de NMa dat de thuiszorginstellingen nu voldoende concurrentiebewust zijn geworden? Wat doen zij nu niet meer fout?
De NMa heeft begin dit jaar gesprekken gevoerd met verschillende thuiszorginstellingen in Nederland. Op basis van onder meer deze gesprekken is door de NMa geconcludeerd dat thuiszorginstellingen de Mededingingswet op dit moment als een realiteit beschouwen waaraan zij zich willen en moeten houden. Uit de gesprekken blijkt dat er sprake is van een tendens naar een meer competitieve cultuur waarbij ook meer wordt geïnvesteerd in compliance, bijvoorbeeld door het inwinnen van juridisch advies vóór het aangaan van samenwerkingsverbanden. Gelet op deze positieve trend, waarbij thuiszorginstellingen laten zien dat zij belang hechten aan eerlijke concurrentie, heeft de NMa besloten de thuiszorg niet langer als prioriteit te beschouwen.
Hoe denkt de NMa over thuiszorgorganisaties die via een hoofdaannemer zorg toegewezen krijgen en dat onderverdelen in een kerstboom aan BV’tjes? Is zo een constructie niet in strijd met de «markt»?
De Minister van EL&I heeft voor de mededingingsrechtelijke beoordeling van combinatieovereenkomsten beleidsregels opgesteld (zie Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2009, Staatscourant 2009, nr. 14082). Deze beleidsregels zien op de vorming van combinaties bij aanbestedingsprocedures. In randnummer 32 van deze beleidsregels wordt expliciet ingegaan op onderaannemingsovereenkomsten. Deze worden in het licht van het kartelverbod in beginsel op dezelfde wijze beoordeeld als combinatieovereenkomsten.
De onuitvoerbaarheid van de nieuwe Europese meldpicht voor Nederlandse traditionele zeilschepen |
|
Sharon Dijksma (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de nieuwe Europese aanmeldverplichtingen (zgn. New Inspection Regime voor Port State Control) waarbij schippers hun schip 24 uur en in sommige gevallen 3 dagen van te voren moeten aanmelden bij een haven op straffe van hoge boetes?1
Ja ik ben bekend met de nieuwe Europese regelgeving die betrekking heeft op aanmeldingen van schepen. Van nieuwe Europese aanmeldverplichtingen is hier echter geen sprake.
Op grond van de EU-richtlijn betreffende een monitorings- en informatiesysteem voor de scheepvaart (2002/59), geldt sinds augustus 2002 een plicht voor schepen om zich 24 uur voor aankomst in de haven te melden. Deze meldplicht is niet gewijzigd.
De plicht voor schepen die in aanmerking komen voor een uitgebreide inspectie om zich 72 uur voor aankomst te melden, neergelegd in richtlijn 2009/16/EG inzake havenstaatcontrole, geldt sinds januari 2002 op grond van de in 2001 gewijzigde richtlijn 95/21/EG inzake havenstaatcontrole. Deze laatste is vervangen door richtlijn 2009/16/EC.
Wel is met de nieuwe richtlijn havenstaatcontrole het type schepen waarop de 72-uurs meldplicht van toepassing is, uitgebreid met de categorie schepen met een hoog risico profiel. Verschil is ook dat deze meldplicht voorheen pas 12 maanden na de laatste inspectie inging. Op grond van de nieuwe richtlijn moeten schepen die in aanmerking komen voor een uitgebreide inspectie zich, afhankelijk van hun risicoprofiel, vanaf 5, 10 of 24 maanden na de laatste inspectie melden.
Deelt u de mening dat deze nieuwe Europese aanmeldverplichtingen onuitvoerbaar zijn voor zeilschepen omdat hun vaarschema onvoorspelbaar is en hun koers volledig afhankelijk is van de wind?
Ik deel deze mening niet. Ten aanzien van de 72-uurs meldplicht moet, evenals voorheen op grond van richtlijn 95/21/EG, de exploitant, agent of kapitein van een schip dat in aanmerking komt voor een uitgebreide inspectie, zich melden bij de haven waarheen hij op weg is of gaat. De melding moet worden gedaan:
Het gaat hier om het «vermoedelijke» tijdstip van aankomst. Als een schip door bijv. veranderde weersomstandigheden eerder arriveert (en dus niet 72 uur vóór aankomst is gemeld), dan nog kan betoogd worden dat aan de meldplicht is voldaan.
Voor wat betreft de 24 uurs meldplicht geldt dat, de meeste van deze zeilschepen zijn vrijgesteld van deze meldplicht omdat zij kleiner zijn dan 300 GT. Bovendien zijn er ten aanzien van de 24-uurs melding eveneens enkele clausules van toepassing die flexibiliteit bieden.
Deelt u de mening dat de verplichting om de verwachte aankomsttijd en plaats elektronisch (via het internet) aan te melden voor de traditionele zeilschepen onuitvoerbaar is?
Van de branchevereniging BBZ hoor ik dat het voor de meeste traditionele zeezeilschepen onmogelijk is zich via internet te melden omdat zij op zee geen of beperkte internetmogelijkheden hebben. De kosten van aanschaf en gebruik van de hiervoor benodigde apparatuur zouden voor de meeste van deze schepen bedrijfseconomisch gezien niet te dragen zijn. Dit laatste is voor mij moeilijk te beoordelen.
Uit artikel 9.3 van richtlijn 2009/16/EG inzake havenstaatscontrole blijkt dat de 72-uurs meldingen «indien mogelijk» elektronisch» dienen te geschieden. Overweging 10 uit richtlijn 2002/59, heeft met betrekking tot de 24-uurs meldingen een gelijksoortige strekking. Verder geldt dat de meeste van deze zeilschepen zijn vrijgesteld van deze meldplicht omdat zij kleiner zijn dan 300 GT.
In het kader van verhoging van efficiency in het inspectieproces (vooral bij planning en communicatie), en vermindering van administratieve lasten voor bedrijven en overheden, is het Europese streven wel dat alle schepen in de gehele Europese Unie hun verplichte meldingen elektronisch doen.
Ik ben van mening dat wanneer, in uitzonderingsgevallen, bepaalde schepen niet de mogelijkheid hebben om elektronisch te melden, nader moet worden bekeken op welke wijze deze schepen voorlopig wel aan de meldplichten kunnen voldoen. Daarom heb ik dit mogelijke knelpunt gemeld bij de Europese Commissie. Zie verder vraag 5.
Wat is uw oordeel over het feit dat Nederlandse zeilschepen op dit moment niet aan de meldplicht kunnen voldoen?
Zie mijn antwoorden op vraag 2 en 3.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat Nederlandse zeilschepen in het buitenland alsnog in de problemen komen door het niet kunnen nakomen van de meldplicht?
Ik heb de door de BBZ aangegeven problematiek betreffende melden via internet, onder de aandacht van de Europese Commissie (EC) gebracht via het EU Committee on Safe Seas (COSS). De EC inventariseert momenteel knelpunten die zich voordoen rond de invoering van het 3e Maritieme Pakket.
Daarnaast inventariseer ik zelf de knelpunten die zich in Nederland rondom de invoering van het 3e maritieme pakket voordoen. Ik zal deze knelpunten per brief aan de EC melden met het verzoek om duidelijkheid te verschaffen. In deze brief zal ik nogmaals aandacht vragen voor het melden via internet.
Overigens is het op dit moment moeilijk in te schatten in hoeverre er in de praktijk echt grote problemen zullen optreden, aangezien de richtlijn per 1 januari 2011 in werking is getreden, en voor veel zeilschepen het vaarseizoen pas net begonnen is.
Ook is de dagelijkse uitvoering door havenstaatinspecteurs in andere lidstaten hierin bepalend. Mochten er zich in de praktijk ernstige problemen voordoen dan zal mijn inspectie, als vertegenwoordiger van de vlaggenstaat, via de gebruikelijke kanalen contact opnemen met betreffende havenstaatautoriteiten.
Hoe verlopen tot dusver de gesprekken in het Committee on Safe Seas (COSS) over de erkenning van Nederlandse certificaten in het buitenland en bieden die gesprekken mogelijkheden voor een goede oplossing voor de internationale zeilvaart?
In Brussel is via het EU Committee on Safe Seas (COSS), vorig jaar een werkgroep aan de slag gegaan met als opdracht onder andere het opstellen van nieuwe regelgeving voor zeilschepen. Daarbij is de Nederlandse inzet er op gericht om het voor onze bruine vloot mogelijk te maken dat zonder belemmeringen internationaal kan worden gevaren. De Europese Commissie (EC) komt binnenkort
met een tekstvoorstel voor aanpassing van de bestaande richtlijn passagiersschepen, of mogelijk een aparte richtlijn voor zeilschepen. Planning van de EC is om medio 2012 deze regelgeving rond te hebben.
Denkt u dat een oordeel van de Europese Commissie over de klacht van de BBZ (vereniging voor Beroepschartervaart), die zij twee jaar geleden indienden tegen het optreden van Denemarken2, van invloed kan zijn op de gesprekken in het COSS?
Ja. Een voor Nederland positief oordeel zal onze onderhandelingspositie in het COSS traject versterken. Een voor Nederland negatief oordeel zal onze onderhandelingspositie in het COSS traject juist verzwakken.
Deelt u de mening dat het niet mag gebeuren dat dadelijk uitsluitend de Nederlandse schepen moeten voldoen aan de nieuwe eisen en de andere lidstaten hun schepen ervan uitsluiten?
Mijn inzet tijdens de onderhandelingen in het COSS is er op gericht om eensluidende definities te hanteren om interpretatieverschillen tussen lidstaten in de toekomst te voorkomen.