Het verwijderen van geldautomaten en het sluiten van bankkantoren, met name in de kleinere gemeenten |
|
Arnold Merkies |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het feit dat er volgens de Bereikbaarheidsmonitor 2013 van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) in de afgelopen vijf jaar zowel ruim 1.000 bankkantoren als ruim 1.000 geldautomaten in Nederland verdwenen zijn?1
Het is mij bekend dat de banken het aantal bankkantoren rationaliseren. Daarnaast laat het aantal bancaire geldautomaten, na een jarenlange periode van groei, sinds 2008 een geleidelijke daling zien. Tegenover deze rationalisaties is er binnen het winkelbedrijf sprake van een toename van (fysieke) bancaire geldservicepunten, bancaire en non-bancaire geldautomaten en mogelijkheden tot het «bijpinnen» van extra contant geld aan de kassa.
De rationalisatie in de fysieke infrastructuur gaat gepaard met een forse uitbreiding van de bancaire dienstverlening via internet- en mobielbankieren. Veel dagelijkse bank- en betaaldiensten, waarvoor consumenten en ondernemers vroeger naar het bankkantoor moesten, kunnen nu worden gedaan via internetbankieren en steeds vaker ook via mobiel bankieren. Banken spelen in op veranderende klantwensen en veranderend klantgedrag, die het gevolg zijn van de digitalisering van de maatschappij.
Meer dan 10 miljoen Nederlanders regelen hun bankzaken via het internet. In minder dan tien jaar is dit aantal met meer dan de helft toegenomen, waarbij vooral ouderen de laatste jaren een inhaalslag hebben gemaakt. De toename van het gebruik van digitale distributiekanalen voor betaaldiensten maakt het vraagstuk of een uitgebreid fysiek bankkantorennetwerk nog van deze tijd is een onderwerp van discussie voor iedere bank. Zeker gezien het feit dat Nederlanders steeds minder vaak een fysiek bankkantoor bezoeken.
Tegelijk valt niet te ontkennen dat contant geld nog altijd een regelmatig gebruikte betaalmethode is in het dagelijkse economische verkeer, waardoor toegang tot geldautomaten voor de meeste klanten van banken relevant blijft.
Het gebruik van internet- en mobielbankieren (ook onder kwetsbare groepen, zoals ouderen en mensen met een functiebeperking) en het betalen met de pinpas is sterk toegenomen. Een analyse van de fysieke betalingsverkeerdienstverlening geeft daarom steeds meer slechts een gedeeltelijk inzicht in de feitelijke bereikbaarheid van de bancaire betaaldienstverlening. Dit komt ook in de resultaten van de Bereikbaarheidsmonitor 2013 naar voren; ondanks de afname van bankkantoren en geldautomaten zijn veruit de meeste mensen in 2013 even tevreden over bank- en betaaldiensten als in 2010 het geval was.
Kunt u bevestigen dat de toegang tot bankkantoren in zestig postcodegebieden (ofwel voor ruim 100.000 huishoudens) in de periode 2010 – 2013 is afgenomen? Zo ja, wat is daarop uw reactie?2
Ik beschik niet over een overzicht van de afname van het aantal geldautomaten op gemeenteniveau. Uit berichtgeving in de media maak ik op dat met name kleine plattelandsgemeenten relatief gezien het sterkst te maken hebben met de afname van bankkantoren en geldautomaten.
Wel stelt de Bereikbaarheidsmonitor elke drie jaar de dekking van de fysieke bancaire betalingsverkeerdienstverlening in Nederland vast door afstandsbepaling tussen fysieke bankvoorzieningen en huishoudens, aanwezig in viercijferige postcodegebieden. Als afstandscriterium wordt een hemelsbrede straal van vijf kilometer gehanteerd.
Ten opzichte van 2010 was er in 2013 sprake van een lichte daling van de dekking van bankkantoren en geldautomaten. In 2013 had 94,9% (in 2010: 96,4%) van de in totaal 4.878 viercijferige postcodegebieden, en daarmee ook de huishoudens die in deze postcodegebieden wonen, binnen een hemelsbrede straal van vijf kilometer toegang tot een bankkantoor. Als deze uitkomsten worden gerelateerd aan het aantal inwoners in deze viercijferige postcodegebieden, betekent dit dat 98,8% van alle Nederlanders binnen een hemelsbrede straal van vijf kilometer van een bankkantoor woont.
Wanneer geldautomaten, afstortfaciliteiten en overige voorzieningen (zoals bancaire geldservicepunten) worden meegenomen, woont 98,9% (in 2010: 99,7%) van de huishoudens in de viercijferige postcodegebieden binnen een hemelsbrede straal van vijf kilometer daarvan.
Uit de Bereikbaarheidsmonitor 2013 blijkt dat net als de bij de metingen in 2007 en 2010, de huishoudens die zich verder dan vijf kilometer van een fysieke bancaire voorziening bevinden, vaak woonachtig zijn in relatief dunbevolkte (natuur)gebieden. Inherent aan het wonen in een dergelijk dunbevolkt gebied is dat de afstand tot voorzieningen groter kan zijn. Voor wat betreft het betalingsverkeer kunnen mensen die wonen in een dergelijk dunbevolkt gebied er profijt van hebben dat steeds meer bankzaken online via internet geregeld kunnen worden.
Kunt u een overzicht geven van de gemeenten die het sterkst te maken hebben met de afname van bankkantoren en geldautomaten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevinding van het MOB dat de respondenten van de vier onderzochte aandachtsgroepen ten opzichte van 2010 een lagere score geven aan de afstand tot bankkantoren en geldautomaten?3
Uit de Bereikbaarheidsmonitor 2013 blijkt dat mensen afkomstig uit de vier onderzochte aandachtsgroepen (ouderen, mensen met een functiebeperking, mensen zonder internet en laagopgeleiden/inactieven) kritischer zijn geworden over de mate waarin de afstand tussen huis en het eigen bankkantoor gemakkelijk te overbruggen is. Respondenten die hier problemen bij ervaren, noemen hierbij hun beperkte mobiliteit en de afstand tot het bankkantoor. Uit tabel 3.7 in de Bereikbaarheidsmonitor 2013 blijkt dat de afstand tot het bankkantoor door de aandachtsgroepen beoordeeld wordt met een 6,7 (in 2010:6,9) tot een 7,2 (in 2010: 7,5). Dit is een lichte daling van de tevredenheid ten opzichte van 2010. Door het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, waarin ook genoemde aandachtsgroepen vertegenwoordigd zijn, worden de ontwikkelingen op dit punt gemonitord.
Deze zelfde aandachtsgroepen beoordeelden de afstand naar de geldautomaat van de eigen bank met rapportcijfers variërend van een 7,0 tot een 7,6 en de afstand naar de geldautomaat van een andere (dichtstbijzijnde) bank met een 7,3 tot 7,9. Dit vind ik aanvaardbare cijfers.
Wat zijn de gevolgen voor kwetsbare groepen van deze daling van het aantal geldautomaten? Kunt u aangeven welke inspanningen banken verrichten om deze groepen alsnog te voorzien van contant geld, en in hoeverre deze succesvol zijn?
Nog steeds wonen vrijwel alle Nederlanders binnen een hemelsbrede straal van vijf kilometer tot een bankkantoor, geldautomaat of andere fysieke bancaire voorziening. Er lijkt dus geen sprake te zijn van een dramatische daling van de mogelijkheden voor consumenten, waaronder de genoemde aandachtsgroepen, om aan contant geld te komen.
Een aantal banken biedt daarnaast de mogelijkheid aan om contant geld (al dan niet tegen een vergoeding) thuis te laten bezorgen. Ook kunnen de aandachtsgroepen gebruik maken van het toegenomen aantal (fysieke) bancaire geldservicepunten, bancaire en non-bancaire geldautomaten en mogelijkheden tot het opnemen van extra contant geld aan de kassa in winkels. Tenslotte wijs ik erop dat ook onder de aandachtsgroepen het gebruik van internet- en mobielbankieren en het betalen met de pinpas is toegenomen, ten koste van het betalen met contant geld.
Deelt u de mening van de ANBO dat binnen een straal van vijf kilometer geld opgenomen moet kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven in hoeverre hierop wordt toegezien?4
Uit de Bereikbaarheidsmonitor 2013 komt naar voren dat het overgrote deel van alle Nederlanders binnen een hemelsbrede straal van vijf kilometer toegang heeft tot een bankkantoor, geldautomaat of andere fysieke bancaire voorziening. Daarnaast bieden winkeliers steeds vaker de mogelijkheid om (extra) contant geld op te nemen aan de kassa of via een in de winkel geplaatste bancaire of non-bancaire geldautomaat geld op te nemen. Uiteraard bieden dergelijke alternatieven een minder hoog niveau van dienstverlening, omdat de dienst niet vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar is, hetgeen bij reguliere geldautomaten in het algemeen wel het geval is. Toch ben ik van mening dat hiermee wel sprake is van een acceptabel evenwicht tussen het bereikbaar maken van (contant) betalingsverkeer voor iedereen en de kosten die hieraan verbonden zijn.
Klopt het dat Nederland per hoofd van de bevolking minder geldautomaten heeft dan andere landen in de eurozone, en dat het aantal geldautomaten in Nederland sneller daalt dan in de ons omringende landen? Kunt u een verklaring voor deze daling geven? Kunt u een overzicht geven van de hoeveelheid geldautomaten afgezet tegen de populatie, in Nederland en de ons omringende landen?5
Uit ECB onderzoek6 blijkt dat Nederland zich ten opzichte van andere landen in de eurozone kenmerkt door een relatief laag aantal geldautomaten per hoofd van de bevolking. Uit hetzelfde onderzoek komt naar voren dat er in Nederland sprake is van een relatief hoog gebruik van pinpassen (en lager gemiddeld bedrag per pintransactie), een relatief hoog aantal betaalterminals en een relatief laag gebruik van contant geld. Nederland behoort tot de dichtstbevolkte EU-landen. Hierdoor is het aannemelijk dat er, ten opzichte van andere EU-lidstaten, relatief gezien minder geldautomaten nodig zijn en dat de aanwezige geldautomaten intensiever gebruikt worden.
Bent u bereid om concrete afspraken te maken met de banken over een minimale aanwezigheid van fysieke bankvoorzieningen (met name in de kleinere gemeenten), indien blijkt dat banken zich momenteel onvoldoende inspannen om goede toegankelijkheid tot bankvoorzieningen te waarborgen?
Het plaatsingsbeleid voor bankkantoren en geldautomaten is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de banken zelf. Om de drie jaar wordt door het MOB een fijnmazig landelijk onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid en toegankelijkheid van betaaldiensten (de Bereikbaarheidsmonitor). De uitkomsten van de Bereikbaarheidsmonitor 2013 zijn duidelijk; er is in 2013 in Nederland geen sprake van een generiek toegankelijkheids- of bereikbaarheidsprobleem. Deze conclusie is onveranderd ten opzichte van de nulmeting in 2007 en tweede meting in 2010. Dit in ogenschouw nemend, zie ik momenteel geen aanleiding tot het maken van afspraken met de banken over een minimale aanwezigheid van fysieke bankvoorzieningen.
Van belang in dit kader is de in 2007 tussen de betrokken maatschappelijke partijen de overeengekomen »Werkafspraak Bereikbaarheid». Deze Werkafspraak beschrijft hoe de partijen vertegenwoordigd in het MOB (dat onder voorzitterschap staat van DNB), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen (LVKK) gezamenlijk met de banken knelpunten op het gebied van bereikbaarheid van het betalingsverkeer aanpakken. Uitgangspunt daarbij is dat afzonderlijke knelpunten zoveel mogelijk door lokale betrokkenen worden opgelost. Wanneer sprake is van een structureel knelpunt, zullen partijen in het MOB naar een oplossing zoeken. Ik zal dit vanuit het MOB, waarin het Ministerie van Financiën als toehoorder is vertegenwoordigd, nauwlettend blijven volgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Betalingsverkeer op 30 januari a.s.?
Ja.
Vermeende privacyschendingen door Samsung |
|
Mei Li Vos (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Samsung weet alles wat je doet op je smart tv» en «CBP: persoonsgegevens via smart tv’s verzameld in strijd met wet»?1 2
Ja.
Is het waar dat het kijkgedrag door smart tv’s mag worden bijgehouden als de consument de algemene voorwaarden heeft geaccepteerd? Zo nee, wanneer mag dat dan wel?
Op grond van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien dat gerechtvaardigd wordt door een van de in die bepaling genoemde gronden. Wanneer de producenten van smart tv-ontvangers gegevens willen verzamelen over het kijkgedrag van de kopers van de ontvangers, en die gegevens als persoonsgegevens kunnen worden aangemerkt, zal dat volgens de Wbp moeten berusten op ondubbelzinnige toestemming van de betrokkene, op de noodzaak de gegevens te verwerken voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokken consument partij is, of op een gerechtvaardigd belang van de producent of een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, en een afweging van dit belang tegen het belang van de betrokkene leidt tot vaststelling dat eerstgenoemd belang prevaleert. Of de gebruiksvoorwaarden die de producenten van de ontvangers hanteren voor de aansluiting van de ontvanger op internet moeten worden gekwalificeerd als een overeenkomst of een vorm van toestemming is niet eenduidig vast te stellen. Dat zal per merk kunnen verschillen. Niettemin moet worden aangenomen dat het verzamelen van persoonsgegevens op één van deze twee gronden gerechtvaardigd lijkt.
Worden consumenten door fabrikanten van smart-tv’s expliciet op de hoogte gesteld dat zij met het instemmen met de algemene voorwaarden toestemming geven voor het bijhouden van hun kijkgedrag? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, deelt u de mening dat dat vanuit het oogpunt van privacybescherming wel noodzakelijk is?
Op grond van artikel 33 van de Wbp behoort de producent voorafgaand aan de verkrijging van persoonsgegevens bij de consument deze in te lichten over diens identiteit, de doeleinden van de gegevensverwerking en de nodige nadere informatie. Een aantal producenten van smart tv-ontvangers geeft die inlichtingen via websites of vergelijkbare middelen. Of alle producenten van smart tv-ontvangers dit voorschrift naleven onttrekt zich aan mijn waarneming.
Deelt u de mening dat het voor het afwijzen van het bijhouden van kijkgedrag niet genoeg is dat consumenten eenvoudig de optie kunnen uitschakelen in de menu-instellingen op hun smart tv, maar dat er sprake zou moeten zijn van opt-in in plaats van opt-out? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Neen. Waar het om gaat is dat het vragen en geven van toestemming door de consument om persoonsgegevens te verzamelen moet voldoen aan de eisen die de Wbp stelt. Toestemming moet vrij gegeven worden, specifiek zijn gericht op een of meer concreet aan te wijzen verwerkingen en op toereikende informatie berusten. Het is primair aan de producenten van ontvangers te bepalen hoe zij die toestemming willen vragen. Daarnaast mag ook van consumenten verwacht worden dat zij zichzelf goed informeren over het gebruik dat anderen van hun persoonsgegevens maken bij de aankoop van producten of diensten die met internet verbonden zijn, respectievelijk via internet worden aangeboden.
Weten consumenten die een smart tv van Samsung installeren dat zij met het instemmen met de algemene voorwaarden er tevens toestemming voor geven dat hun persoonsgegevens gebruikt worden voor marketingdoeleinden, het organiseren van loterijen, promotionele acties en dat deze gegevens verstrekt kunnen worden aan andere partijen dan Samsung zelf? Zo ja, weten zij dat of hadden zij het kunnen weten? Zo nee, waarom niet?
Samsung Electronics Benelux B.V. heeft mij laten weten dat consumenten die in Nederland een Samsung smart tv-ontvanger aanschaffen worden geïnformeerd over de verzameling en het gebruik van hun persoonlijke gegevens, met inbegrip van de keuzes die ze binnen het gehanteerde privacybeleid hebben. Ik heb van Samsung Electronics Benelux B.V. begrepen dat het gebruik van persoonsgegevens voor marketingdoeleinden, het tonen van advertenties en reclamemateriaal en de deelname aan wedstrijden en loterijen alleen plaatsvindt wanneer de consument daartoe expliciet een keuze maakt in het installatiemenu van de ontvanger. Ik begrijp uit de door Samsung gehanteerde algemene voorwaarden bovendien dat op het recht van verzet bij het gebruik van persoonsgegevens voor directmarketingdoeleinden wordt gewezen.
Wordt een koper van een smart tv die de algemene voorwaarden dan wel de privacyvoorwaarden van zijn tv niet accepteert belemmerd in het volledige gebruik van die tv? Zo ja, in welke mate en was dit de consument ten tijde van de aankoop van die tv duidelijk? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De Wbp stelt aan toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens onder meer de eis dat die toestemming berust op informatie. Wanneer aan die eis wordt voldaan, behoort de consument voldoende kennis te hebben over draagwijdte van zijn instemmende of afwijzende beslissing. In de context van de aankoop van een smart tv-ontvanger behoort de consument voldoende te worden ingelicht over de consequenties voor het gebruik van ontvanger wanneer hij toestemming verleent of weigert. Van Samsung Electronics Benelux B.V. heb ik begrepen dat op de verpakking van de ontvanger een in algemene termen gestelde waarschuwing in het Engels staat die erop neerkomt dat sommige functies van de ontvanger niet kunnen worden gebruikt zonder uitdrukkelijke toestemming voor het gebruik van persoonsgegevens. Ik begrijp echter ook dat het verbinden van een Samsung ontvanger met internet zonder dat enig persoonsgegeven wordt verwerkt niet mogelijk is. Ik kan niet beoordelen of alle smart tv ontvangers die in Nederland worden verkocht op dezelfde manier persoonsgegevens verwerken.
Handelt Samsung, mede gezien de bij vraag één genoemde eerdere uitspraak van het College bescherming persoonsgegevens over het verzamelen van persoonsgegevens door smart-tv’s, in strijd met de wet? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, wat is het verschil met die eerdere zaak?
Het toezicht op de naleving van de Wbp berust bij het College bescherming persoonsgegevens (Cbp). Het Cbp is in deze taak volstrekt onafhankelijk. Het past mij daarom niet zelf een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van het verzamelen van persoonsgegevens door Samsung.
Het bericht schoonmaakgigant stort zich op zorg |
|
Martine Baay-Timmerman (50PLUS) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Schoonmaakgigant stort zich op zorg»?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat een commercieel bedrijf, dat gericht is op winst maken en zichzelf in stand houden, zich gaat bezighouden met het organiseren van hulp en zorg aan diegenen die afhankelijk zijn van hulp en zorg?
Gemeenten zijn op grond van de Wet op de maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de ondersteuning aan de burgers die daarop aangewezen zijn. De wet geeft hen beleidsruimte om deze verantwoordelijkheid in te vullen, ook ten aanzien van het contracteren van aanbieders die deze ondersteuning aan mensen leveren. Het is aan gemeenten om, ook als opdrachtgever van de gecontracteerde aanbieders, er zorg voor te dragen dat mensen passende ondersteuning ontvangen die voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen. Gemeenten waarborgen dit vooral door middel van de inhoud van het contract met de aanbieders en het monitoren van de kwaliteit van de uitvoering. Iedere organisatie dient aan de gestelde kwaliteitseisen te voldoen.
Bent u het ermee eens dat kwaliteit van zorg altijd centraal moet staan? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kwaliteit van zorg, ondersteuning en hulpverlening gegarandeerd blijft als het door een commercieel bedrijf geleverd wordt?
Daar ben ik het mee eens. De Wmo bevat de nodige waarborgen voor een kwalitatief goede uitvoering. Deze worden doorvertaald in overeenkomsten met aanbieders, met en zonder winstoogmerk. Daarbij geldt dat gemeenten de verantwoordelijkheid voor de (kwaliteit van de) uitvoering hebben en daar ook op kunnen worden aangesproken door cliënten. Ook kunnen gemeenteraden het betreffende college van B en W aanspreken op de uitvoering.
Vindt u het wenselijk dat één partij alle zorg en ondersteuning in een gemeente in de hand zou hebben, met het gevaar van bevoordeling van eigen partijen, zoals recentelijk is gebleken bij stichting SDS (die als stichting nog niet eens winstoogmerk heeft) en de serviceflats? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het primair van belang dat mensen ondersteuning krijgen die zij nodig hebben voor hun zelfredzaamheid en participatie. Die ondersteuning moet zo goed mogelijk aansluiten op de kenmerken van de betrokken persoon, diens situatie en persoonlijke voorkeuren. Dit veronderstelt de mogelijkheden van variatie in het aanbod. Deze variatie kan in theorie ook door middel van een overeenkomst van de gemeente met één aanbieder worden geborgd, er zijn echter vaak meerdere aanbieders binnen gemeenten actief. Gemeenten zijn op grond van de Wmo verplicht om burgers die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget. Hiermee wordt de keuzevrijheid van de cliënt geborgd.
Het inkopen van maatschappelijke ondersteuning is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan gemeenten om hierin zorgvuldig, objectief en niet discriminatoir te opereren waardoor er geen sprake zal zijn van een niet-passende bevoordeling van partijen in dit verband.
Kunt u garanderen dat bovengenoemd gevaar van bevoordeling wordt voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt keuzevrijheid voor de cliënt geborgd als één commerciële partij alles in handen heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat een commerciële partij in feite verantwoordelijk zou zijn voor de besteding van een aanzienlijk bedrag aan gemeenschapsgeld?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Zoals ik heb aangegeven is het van belang dat gemeenten er zorg voor dragen dat mensen die daarop aangewezen zijn de ondersteuning krijgen die voor hen passend is en voldoet en ook blijft voldoen aan de daaraan gestelde eisen. Gemeenten zullen deze kwalitatieve eisen doorvertalen in overeenkomsten met aanbieders en daarbij passende afspraken over het tarief maken. Dit kunnen aanbieders met en zonder winstoogmerk zijn.
Het bericht dat het landelijk schakelpunt uitbreidt naar ketenzorg |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Landelijk schakelpunt zet stap naar ketenzorg»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Wat is uw reactie op de uitbreiding van het uitwisselen van medische gegevens via het Landelijk Schakelpunt (LSP) met ketenzorg voor diabetes, cardiologie, astma en COPD, alsmede gegevens betreffende de ouderenzorg, GGZ en 2e lijn?
Ik hecht belang aan goede en veilige (elektronische) informatie-uitwisseling in de zorg. Als zorgaanbieders snel over de juiste informatie kunnen beschikken over hun patiënt en de patiënt op zijn beurt niet meerdere malen hetzelfde verhaal hoeft te vertellen dan draagt dat bij aan de efficiency en kwaliteit van zorg. Ook het principe van ketenzorg, waarbij zorgaanbieders samenwerken rond de zorg van een patiënt met een complexe hulpvraag, ondersteun ik van harte. Efficiënte informatie-uitwisseling tussen de verschillende zorgverleners rond die patiënt is een essentiële voorwaarde voor multidisciplinaire samenwerking.
Uiteraard is het daarbij van groot belang dat de gegevensuitwisseling veilig gebeurt met respect voor de privacy van de patiënt.
Uit de informatie van de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ), de beheerder van het landelijk schakelpunt (LSP), blijkt dat met de ondertekening van een convenant in november 2013 door partijen die een adviserende of toetsende rol (gaan) vervullen (o.m. de patiëntenfederatie NPCF en het Nederlands Huisartsengenootschap) en partijen die als bijvoorbeeld opdrachtgever, beoogd gebruiker of financier belang hebben bij het programma rond ketenzorg (o.m. Nictiz, ZN, HIS-leveranciers) een eerste stap is gezet in de richting van informatie-uitwisseling in de ketenzorg.
Vindt u het wenselijk dat hele groepen zorgverleners, zoals diëtisten, podotherapeuten en pedicures, voortaan ook medische dossiers kunnen inkijken?
Op basis van de huidige wet- en regelgeving (Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) en Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) gelden er regels die een veilige uitwisseling van (medische) patiëntgegevens tussen zorgverleners moeten waarborgen. Dit geldt vanzelfsprekend ook als gegevens worden uitgewisseld in het kader van ketenzorg.
Het is de verantwoordelijkheid van de beheerder van een elektronische uitwisselingssysteem om ervoor te zorgen dat gegevensuitwisseling plaatsvindt conform deze wet- en regelgeving en te borgen dat (medische) gegevens uitsluitend voor inzage beschikbaar zijn voor die hulpverleners die daar op grond van de geldende wet- en regelgeving recht toe hebben.
Wat betekent deze uitbreiding voor de veiligheid van de medische gegevens en de privacy van de patiënten?
De VZVZ geeft aan dat de plannen rond ketenzorg worden getoetst op veiligheid en privacy, om actuele medische informatie beschikbaar te hebben in een behandelrelatie.
Het CBP is de toezichthouder en kan indien nodig handhavend optreden.
Wordt patiënten apart om toestemming gevraagd voor deze uitbreiding?
Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) moet elke zorgaanbieder toestemming vragen aan de patiënt of hij/zij gegevens beschikbaar mag stellen. Ik heb begrepen dat de VZVZ de reikwijdte van de toestemmingsvraag in overleg met de betrokken partijen blijvend zal toetsen.
Wat vindt het College Bescherming Persoonsgegevens van deze uitbreiding?
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens. Als het CBP – al dan niet na een wijziging in een elektronische uitwisselingssysteem – hiertoe aanleiding ziet, zal het CBP handhavend op kunnen treden.
In hoeverre is Nictiz betrokken bij deze uitbreiding? Kunt u dit specificeren?
Om de informatie-uitwisseling van zorgaanbieders die mensen met een chronische ziekte helpen te verbeteren, ontwikkelt Nictiz samen met veld partijen informatiestandaarden. Deze informatiestandaarden beschrijven de informatiebehoefte van dit specifieke deel van het zorgveld, sluiten aan bij de zorgstandaarden en zijn vrij beschikbaar voor veldpartijen om toe te passen. Nictiz werkt samen met het Kwaliteitsinstituut en veldpartijen aan de ontwikkeling van informatiestandaarden, zoals beschreven in mijn eHealth brief van 12 juni 2013.
Nictiz heeft in september 2013 een informatiestandaard opgeleverd voor chronisch zieken (met een accent op cardiometabole aandoeningen) Deze standaard is tot stand gekomen in samenwerking met een veelheid van partijen waaronder de Nierstichting, Nederlands Huisartsen Genootschap en Diabetesvereniging Nederland. Nictiz geeft aan dat er behoefte was aan deze standaard omdat bij de behandeling van chronisch zieken meerdere zorgverleners zijn betrokken en een optimale uitwisseling van medische gegevens belangrijk is voor de kwaliteit van het zorgproces.
De VZVZ heeft – als één van de beheerders van een elektronisch uitwisselingssysteem – besloten deze informatiestandaard te gaan toepassen en is hiertoe een samenwerking aangegaan met een aantal veldpartijen. VZVZ heeft onder andere Nictiz gevraagd hierbij te adviseren. Dit past in de opdracht van Nictiz om het veld te ondersteunen om interoperabiliteit tussen zorgverleners en hun systemen te bevorderen – zoals Nictiz ook andere partijen dan VZVZ adviseert bij interoperabiliteit. VZVZ is geheel zelf verantwoordelijk voor de implementatie, en de afspraken met de leveranciers en de zorgomgevingen om die implementatie te realiseren – zowel financieel als inhoudelijk.
Vindt u het passend dat zorgaanbieders voor de uitbreiding naar ketenzorg een geldelijke beloning krijgen?
Ik kan mij voorstellen dat zorgverzekeraars zorgverleners tegemoet willen komen in een deel van de kosten die zij maken voor aansluiting op en gebruik van het LSP.
Het eerdergenoemde convenant biedt zorgverzekeraars de mogelijkheid afspraken te maken over een tegemoetkoming in die kosten. ZN geeft aan dat zorgverzekeraars in het verlengde van de bestaande regelingen voor huisartsen en apothekers, kunnen bekijken of een tegemoetkoming in de kosten opportuun is. Dit om zorgvuldige informatie-uitwisseling via gebruik van het LSP te bevorderen in het belang van de cliënt. Dit is ook de reden dat zorgverzekeraars middelen ter beschikking stellen om pilots rond ketenzorg uit te voeren.
Verder laat ZN weten dat pas als sprake is van een geslaagde implementatie en bij aantoonbare extra kosten voor een zorgaanbieder een nog nader te bepalen tegemoetkoming in de kosten ter beschikking zal worden gesteld.
Het is niet de bedoeling van zorgverzekeraars om aansluiting bij het LSP verplicht op te leggen aan zorgverleners die dit niet wensen. Wel willen zorgverzekeraars voorkomen dat financiële overwegingen een drempel voor gebruik van het LSP zouden vormen.
Hoe gaat u voorkomen dat zorgverzekeraars informatie-uitwisseling via het LSP als voorwaarde in hun contracten opnemen?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gemeld, verwijzen zorgverzekeraars bij het vaststellen van contracten naar de kwaliteitseisen van de beroepsgroep. Alleen als de beroepsgroep heeft aangegeven dat elektronische gegevensuitwisseling via het LSP als kwaliteitseis wordt gezien, zullen de zorgverzekeraars dit als zodanig in hun contracten opnemen. Het is dus de beroepsgroep zelf die beslist of aansluiting op het LSP als kwaliteitseis voor de beroepsgroep zal gelden.
Deelt u de mening dat dit een ongewenste doorstart van het LSP is en zo ja, wanneer gaat u daar een einde aan maken?
Nee, die mening deel ik niet.
Het bericht de Nederlandsche Bank verliest €6,2 miljard op goudbelegging |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De Nederlandsche Bank verliest € 6,2 miljard op goudbelegging»?1
Ja.
Wat is de huidige waarde van het goud van de Nederlandsche Bank (DNB)? Hoeveel heeft DNB in 2013 verloren op haar goudbelegging ten gevolge van de waardevermindering in 2013?
Ultimo 2013 had de goudvoorraad van DNB een marktwaarde van in totaal € 17,2 mld. Een jaar eerder bedroeg deze marktwaarde € 24,8 mld. Aangezien de omvang van de goudvoorraad van DNB het afgelopen jaar niet is gewijzigd, geeft het verschil tussen beide bedragen, zijnde € 7,6 mld, de marktwaardedaling over 2013 weer.
Wat zijn de gevolgen hiervan voor de dividenduitkering van DNB aan de Staat en voor de begroting van 2014?
DNB stelt haar jaarrekening op overeenkomstig de voor de ECB en het ESCB geldende modellen en grondslagen voor waardering en resultaatbepaling. Als gevolg daarvan worden ongerealiseerde positieve resultaten op herwaardeerbare activa en passiva niet in de winst- en verliesrekening verwerkt maar toegevoegd aan een herwaarderingsrekening op de balans. Negatieve ongerealiseerde resultaten worden ten laste van de herwaarderingsrekening gebracht voor zover het saldo op die rekening daarvoor toereikend is.
De waardedaling van € 7,6 mld wordt opgevangen in de herwaarderingsreserve van DNB en heeft daardoor geen gevolgen voor de dividenduitkering aan de Staat.
In onderstaand overzicht is het verloop van de marktwaarde van de goudvoorraad van DNB en van de bijbehorende herwaarderingsrekening gedurende de afgelopen jaren weergegeven.
2008
2009
2010
2011
2012
20131
Goud en goudvorderingen
12.239
15.090
20.782
23.961
24.834
17.234
Herwaarderingsrekening goud
Verschil
1.127
1.127
1.127
1.127
1.127
1.127
Wanneer heeft er voor het laatst een fysieke controle op het Nederlandse goud plaatsgevonden en wat waren de uitkomsten?
DNB heeft mij laten weten dat jaarlijks een fysieke controle op de goudvoorraad in Nederland wordt uitgevoerd (voor het laatst in januari 2014) en dat ook jaarlijks op roulerende basis één van de buitenlandse bewaarders van het goud van DNB wordt bezocht voor een fysieke controle op de goudvoorraad aldaar (de laatste keer is dit in het derde kwartaal van 2013 gebeurd). Bij deze controles zijn geen verschillen geconstateerd.
In 2011 gaf u in antwoord op vragen aan: «Het goud ligt gespreid op de locaties New York, Ottawa, Londen en Amsterdam»2; is dit nog steeds het geval? Hoeveel ligt op elke locatie opgeslagen?
DNB heeft haar goud nog steeds gespreid over de genoemde locaties opgeslagen. De verdeling van het goud over die locaties is als volgt:
Waarom is het (nog steeds) noodzakelijk om het Nederlandse goud in het buitenland te bewaren? Bent u bereid het goud, in navolging van Duitsland, terug te halen naar Nederland? Zo nee, waarom niet?
DNB voert een locatiebeleid waarbinnen het goud op de vier genoemde locaties wordt bewaard. De spreiding over meerdere locaties vergroot zowel de veiligheid van de opslag als de beschikbaarheid van de goudvoorraad als ultiem reserveactivum. Daarbij evalueert DNB periodiek of de verdeling tussen de locaties aanpassing behoeft. Ik zie geen reden om DNB te verzoeken haar goud terug te halen naar Nederland.
Het ontmoedigingsbeleid |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich nog dat u in het Algemeen overleg op 12 december 2013 over de Raad Buitenlandse Zaken toezegde dat u in het verslag van de reis naar Israël en de Palestijnse gebieden in zou gaan op het afzeggen van het bezoek van Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Mekorot?
Ja.
Deelt u de mening dat u daar niet op in bent gegaan zowel in uw brief als in de antwoorden op vragen, waarnaar u verwijst in het reisverslag?1
Ik verwijs u graag naar de brief aan uw Kamer van 16 januari 2014, met kenmerk 2014.35843, waarin op deze kwestie wordt ingegaan.
Kunt u aangeven waarom de Nederlandse regering heeft afgezien van het aanwezig zijn bij Mekorot en of zij nog steeds achter dat besluit staat? Herkent u de publiekelijke opmerkingen van Vitens dat ambtenaren van uw Ministerie Vitens erop gewezen hebben dat Mekorot investeert in de nederzettingen en dat dit illegaal zou zijn?
Voor de reden voor afzegging van het bezoek van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de Shafdan waterzuiveringsinstallatie verwijs ik u naar de hierboven vermelde brief. Het kabinet herkent zich niet in deze selectieve weergave van de communicatie tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Vitens. Daaraan kan worden toegevoegd dat het kabinet geen bezwaar heeft tegen samenwerking met Mekorot, voor zover die samenwerking betrekking heeft op activiteiten binnen de Groene Lijn of buiten Israël die niet ten gunste van nederzettingen komen. Dit is ook aan Vitens gemeld.
Vind u de politieke stellingname werkbaar als die betekent dat bedrijven die direct investeren in de nederzettingen ontmoedigd worden, terwijl bedrijven die indirect dit doen door Israëlische partners, niet ontmoedigd worden? Deelt u de mening dat dit voor bedrijven onduidelijkheid oplevert?
Het ontmoedigingsbeleid richt zich op activiteiten in nederzettingen, bedrijven in nederzettingen en activiteiten buiten nederzettingen die ten gunste komen aan nederzettingen. Dit is in de visie van het kabinet voldoende duidelijk. Mocht een Nederlands bedrijf in een individueel geval hierover vragen hebben, kan het in contact treden met de ambassade in Tel Aviv of met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tevens raadt het kabinet het bedrijf aan het gesprek aan te gaan met het desbetreffende Israëlische bedrijf.
Hoe verhoudt het ontmoedigingsbeleid van het kabinet zich tot de Oslo-akkoorden aangezien het gezag en beheer over de C-gebieden volgens deze akkoorden toegewezen waren aan Israël totdat er een definitief vredesakkoord zou zijn?
Het ontmoedigingsbeleid stoelt op het standpunt dat de Israëlische nederzettingen in bezet gebied in strijd zijn met het internationaal recht, zoals ook bevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof van 9 juli 2004. De toewijzing van het gezag en beheer over de C-gebieden aan Israël ingevolge de Oslo-akkoorden doet hier niets aan af. Het in artikel 49 van de Vierde Geneefse Conventie (1949) neergelegde verbod op overbrenging van de eigen bevolking naar bezet gebied geldt onverkort voor de staat Israël.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg op 16 januari a.s. over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het bericht ‘PGGM haalt beleggingen uit Israëlische banken’ |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV), Barry Madlener (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «PGGM haalt beleggingen uit Israëlische banken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt dit kabinet het gegeven dat nu ook pensioenuitvoerder PGGM overgaat tot een Israël-boycot?
Het kabinet heeft kennis genomen van het besluit van PGGM om aandelen in een aantal Israëlische banken van de hand te doen. Het betreft een eigenstandig besluit van PGGM op basis van zijn eigen MVO-beleid. PGGM blijft overigens beleggen in Israëlische bedrijven. Van een Israël-boycot door PGGM is dus geen sprake.
Is het kabinet het ermee eens dat het te gek voor woorden is dat de VN zich bemoeit met het al dan niet investeren van Nederlandse bedrijven en/of instellingen in Israël?
Nee.
Kunt u aangeven hoeveel geld PGGM momenteel in de Palestijnse gebieden belegt? Hoeveel geld belegt PGGM in de Arabische regio?
Het kabinet houdt de investeringen van PGGM niet bij. Echter, volgens gegevens van PGGM heeft het bedrijf nu meer dan EUR 60 miljoen aan belegd vermogen in enkele tientallen Israëlische ondernemingen. Hoeveel geld PGGM belegt in de Arabische regio, is het kabinet niet bekend.
Wat gaat het kabinet ondernemen om te voorkomen dat investeerders zich door toenemende negatieve berichtgeving en politieke druk en masse uit Israël terugtrekken?
Het kabinet treedt niet in de beslissingen van individuele bedrijven over hun economische activiteiten, maar verwacht van multinationale ondernemingen dat zij de OESO Richtlijnen als normatief kader hanteren. Het kabinet spant zich in voor nauwere economische samenwerking met Israël en de Palestijnse gebieden en voor verdere verdieping van de bilaterale betrekkingen. Het bilateraal samenwerkingsforum van december jl. heeft hiervoor een goede basis gelegd, waar de komende maanden op zal worden voortgebouwd.
Wat gaat u bijdragen om de toenemende anti-Israël-stemming in Nederland te keren en de bilaterale vriendschap met Israël te versterken?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'accijnzen nekslag pomphouders' |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV), Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «accijnzen nekslag pomphouders»?1
Ja.
Is dit een voldoende signaal om u in te laten zien dat met dit destructieve, door Brussel verordonneerde beleid van lastenverhogingen ondernemers massaal het faillissement en de werkloosheid worden injaagd? Zo neen, waarom niet?
Het is evident dat pomphouders in de grensstreek gevolgen ondervinden van de accijnsmaatregelen. Ik heb begrip voor hun situatie en het in kaart brengen van de gevolgen voor de grensstreek staat dan ook hoog op mijn agenda. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd voor de zomer een rapportage aan de Kamer te zullen zenden. Ik heb inmiddels langs verschillende lijnen onderzoek uitgezet. Met de gevonden versnellingen in het proces kan naar verwachting een beeld worden opgeleverd per half mei 2014, van de eerste uitkomsten van een evaluatie van de effecten van de accijnsverhogingen van diesel en LPG. Het is nu echter nog te vroeg om te kunnen vaststellen wat de uiteindelijke gevolgen van de accijnsmaatregelen voor de totale belastinginkomsten en voor het tankgedrag langs de grens zullen zijn.
Wat is uw boodschap aan al die pomphouders in de grensstreek?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de accijnzen te verlagen tot 1 cent onder het niveau van de omringende landen, zodat er juist meer automobilisten bij de Nederlandse pomphouders komen tanken, zodat de belastinginkomsten juist toe zullen nemen in plaats van afnemen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Een schikking van het Openbaar Ministerie met KPMG |
|
Jan de Wit , Sharon Gesthuizen (GL), Arnold Merkies |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de schikking die het Openbaar Ministerie (OM) heeft getroffen met KPMG naar aanleiding van haar betrokkenheid in een fraude-affaire van Ballast Nedam?1 2
Ja.
Bent u op grond van de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties over de voorgenomen schikking van tevoren geraadpleegd en hebt u hiermee ingestemd? Zo ja, waarom?
Het College van Procureurs-Generaal heeft het voorstel tot deze hoge transactie conform de Aanwijzing hoge transacties en bijzonder transacties aan mij voorgelegd en ik heb daarmee ingestemd. Over deze transactie heeft het Functioneel Parket een persbericht naar buiten gebracht, waarin is toegelicht waarom aan KPMG een hoge transactie is aangeboden. Het gaat om oude feiten, terwijl de voor deze feiten primair verantwoordelijken niet meer bij KPMG werkzaam zijn. Met deze transactie is het onderzoek naar verantwoordelijke natuurlijke personen niet beëindigd; dat onderzoek wordt voortgezet. KPMG betreurt de gang van zaken rondom de controles van Ballast Nedam en heeft aangegeven deze ten sterkste af te keuren. KPMG en de accountants hebben meegewerkt aan het onderzoek en volledige openheid van zaken gegeven. De onderneming heeft lering getrokken uit deze zaak en maatregelen getroffen. Mede naar aanleiding van deze zaak is het compliancebeleid bij KPMG verder aangescherpt en vastgelegd in aanvullende maatregelen om de integriteit van de organisatie te waarborgen. De aanvullende integriteits-, compliance- en kwaliteitsmaatregelen waar KPMG zichzelf aan heeft gecommitteerd zijn van preventieve en repressieve aard. De preventieve maatregelen dienen bijvoorbeeld om problemen tijdig te signaleren en misstanden te voorkomen. De repressieve maatregelen variëren van herschikking van taken tot opzegging van de arbeidsrelatie. Op de naleving daarvan wordt door de Autoriteit Financiële Markten toegezien. Verder is van belang dat ook door de strafrechter aan een rechtspersoon slechts een financiële sanctie kan worden opgelegd en dat eerder ook aan Ballast Nedam een hoge transactie is aangeboden.
Ik ben bekend met het feit dat in de bouwfraude waarover een parlementaire enquête heeft plaatsgevonden schaduwboekhoudingen een prominente rol speelden. Hoewel de context van de schaduwboekhouding in deze zaak een andere is, speelt het een rol in de waardering van de feiten. Het Openbaar Ministerie spreekt dan ook van ernstige strafbare feiten. De clementieregeling die na de parlementaire enquête is ingericht heeft alleen betrekking op de aanpak van kartels door de Autoriteit Consument en Markt en is niet van toepassing op de strafrechtelijke afdoening van een zaak. Dit aspect heeft daarom geen rol gespeeld bij de beoordeling van de hoge transactie.
Ik ben van oordeel dat deze hoge transactie, na afweging van alle belangen, een passende afdoening vormt. Met de aanzienlijke geldboete en ontneming en de publieke bekendheid daarvan worden de strafdoelen repressie en preventie gediend en wordt vervolgingscapaciteit efficiënt ingezet. Met deze afdoening wordt voldoende recht gedaan aan de ernst van de strafbare feiten en de maatschappelijk verontwaardiging daarover.
Hoe hebt u bij uw afweging het feit beoordeeld dat het OM spreekt van zonder meer verwijtbaar ontoereikende accountantscontroles, dat in deze zaak sprake is van een schaduwboekhouding die kennelijk door KPMG werd verhuld en dat er nagenoeg op hetzelfde moment in de Tweede Kamer een parlementaire enquête werd gehouden over de bouwfraude waarin schaduwboekhoudingen een prominente rol speelden?
Zie antwoord vraag 2.
Moet de reactie van het OM nu niet zijn dat KPMG wordt vervolgd en zich voor de rechter in het openbaar dient te verantwoorden nu zij kennelijk haar betrokkenheid bij deze schaduwboekhouding niet eerder zelf heeft gemeld en zij ook geen gebruik heeft gemaakt van de na de bouwenquête door de Nederlandse mededingingsautoriteit ingestelde clementieregeling, conform de toezegging die destijds de regering de Tweede Kamer deed in het kader van de totstandkoming van deze clementieregeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt door deze schikking nog wel recht gedaan aan de in de samenleving naar aanleiding van deze affaire ontstane verontwaardiging over de handelwijze van Ballast Nedam en over de handelwijze van haar accountant KPMG? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u mogelijkheden om deze schikking terug te draaien? Zo ja, bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hiervoor in antwoord op de vragen 2 tot en met 5 aangegeven waarom ik heb ingestemd met deze hoge transactie. Ik sta achter die beslissing en de afwegingen die ik daarbij heb gemaakt. Van het terugdraaien hiervan kan geen sprake zijn.
De gaswinning in Groningen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «gasproductie ruim boven afspraak»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het productievolume van 54 tot 55 miljard kuub in 2013 in relatie tot het productieplafond van gemiddeld 42,5 miljard kuub per jaar dat in januari 2011 door u werd vastgesteld?
Het productieplafond voor de productie van gas uit het Groningenveld is geregeld in artikel 55 van de Gaswet. Dit artikel is op 1 juli 2004 in werking getreden en kwam in de plaats van het tot die tijd jaarlijks door de Minister van Economische Zaken vast te stellen nationale productieniveau2.
Het productieplafond geeft aan van welke hoeveelheid Groningengas GasTerra mag uitgaan bij de taken die aan haar zijn opgedragen in de Gaswet, artikel 54, eerste lid, onderdelen a. en b. Het gaat hier om de op GasTerra rustende innameplicht voor aardgas afkomstig uit andere Nederlandse gasvelden dan het Groningenveld. Het doel en de grondslag van het productieplafond is dus het kleine velden beleid dat erop is gericht de gaswinning uit de Nederlandse kleine velden zoveel mogelijk te bevorderen. Dit onder meer door enerzijds te voorkomen dat dit gas wordt «verdrongen» door het gas uit het Groningenveld en anderzijds de balansrol van het Groningenveld te waarborgen.
Het eerste productieplafond is eind 2005 vastgesteld voor de periode 2006 t/m 2015 en houdt in dat GasTerra in die periode in totaal 425 miljard m3 mag afnemen uit het Groningenveld, hetgeen neerkomt op een gemiddelde afname van 42,5 miljard m3 per jaar.
Conform artikel 55 van de Gaswet is in januari 2011 een tweede productieplafond vastgesteld, nu voor de periode 2011 t/m 2020, waarbij het volgende is geconstateerd:
Voor het vaststellen van het productieplafond voor de periode 2011 t/m 2020 is wederom 425 miljard m3 als uitgangspunt genomen. Deze hoeveelheid is vermeerderd met de 23,5 miljard m3 die GasTerra in de periode 2006 t/m 2010 minder heeft afgenomen uit het Groningenveld dan de hoeveelheid waarvan zij in die periode op basis van het gemiddelde per jaar mocht uitgaan. Daarmee komt het plafond over deze periode uit op 448,5 miljard m3, oftewel jaarlijks gemiddeld bijna 45 miljard m3. Hierdoor zal over de gehele periode 2006–2020 de gemiddelde productie niet meer bedragen dan 42,5 miljard m3 per jaar.
Met inbegrip van de productie in 2013 is sinds de instelling van het eerste plafond 334 miljard m3 gas onttrokken aan het Groningenveld, oftewel gemiddeld 41,8 miljard m3 per jaar. Daarmee blijft de afname onder de hoeveelheid die met het productieplafond is vastgesteld.
Voor de tweede plafondperiode (2011 t/m 2020) geldt dat de gemiddelde afname in de periode 2011 t/m 2013 weliswaar op 48,4 miljard m3 per jaar ligt, maar dat in deze plafondperiode de totale hoeveelheid niet meer mag bedragen dan 448,5 miljard m3, waardoor voor de jaren 2014 t/m 2020 de gemiddelde productie ongeveer 43 miljard m3 mag bedragen.
Overigens is in deze cijfers geen rekening gehouden met de in te stellen productiebeperking als gevolg van de aardbevingen.
Uit het voorgaande volgt tevens dat het productieplafond op Groningen geen instrument is om sturing te geven aan de productie van Groningengas, anders dan noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het kleine velden beleid. Voor het eventueel gevolg geven aan het advies van Staatstoezicht op de Mijnen om de productie te verminderen in verband met te verwachten zwaardere bevingen, biedt het productieplafond dan ook geen grond.
Voor wat betreft de relatie met de energietransitie merk ik op dat het huidige productieplafond er voor zorgt dat er minder gas uit het veld wordt geproduceerd dan technisch en economisch mogelijk is. Verder geldt ook hier dat het productieplafond alleen kan worden ingezet ten behoeve van een goede uitvoering van het kleine velden beleid.
Hoe beoordeelt u deze productieomvang in het licht van het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen uit 2013 om de productie te verminderen vanwege te verwachte zwaardere bevingen in het gebied?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de volumegroei in het licht van de noodzakelijke energietransitie? Deelt u de mening dat het snel leeghalen van het Groningenveld op gespannen voet staat met de inzet van gas als back-up in de periode van energietransitie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom de exportcijfers geheim zijn? Bent u bereid deze gegevens openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Deze cijfers zijn niet geheim. In het Jaarverslag van GasTerra over 2012 staan de volgende gegevens over de afzet en de export van Nederlands gas door GasTerra (hoeveelheden in miljard m3):
Nederland
34,8
38,1
België
4,7
4,7
Duitsland
19,3
18,8
Frankrijk
6,1
6,7
Italië
8,2
7,1
Verenigd Koninkrijk
9,6
10,6
Zwitserland
0,7
0,7
Deze hoeveelheden omvatten zowel laagcalorisch als hoogcalorisch gas en daarmee ook al het Groningengas dat door NAM wordt geproduceerd en door GasTerra wordt verkocht. Cijfers over de export van Groningengas zijn niet te geven aangezien er geen export van specifiek Groningengas plaatsvindt. Dit gas wordt in het transportnet eerst vermengd tot laagcalorisch gas en aangevuld met geconverteerd hoogcalorisch gas alvorens het uiteindelijk wordt verbruikt.
Overigens is GasTerra niet de enige onderneming die Nederlands gas exporteert. Ook anderen exporteren dit gas. In de jaren 2011 en 2012 ging het daarbij om respectievelijk 4,3 en 8,6 miljard m3.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over het volume van de gasproductie?
Ja.
Een importverbod op foie gras |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek «Foie Gras, een onderzoek naar de mogelijkheden voor een Nederlands importverbod», dat in december 2013 is uitgegeven door Wakker Dier?1
Ja.
Erkent u dat aspecten van de productie van foie gras in strijd zijn met Richtlijn 58/98/EG?
Hoewel ik geen voorstander ben van de gepraktiseerde wijze van dwangvoedering van eenden voor de foie grasproductie, gaat een importverbod in tegen de ruimte die de aanbevelingen van de Raad van Europa bieden om te werken aan alternatieve methoden.
Richtlijn nr. 98/58/EG heeft tot doel basisbeginselen voor de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren vast te stellen. De richtlijn bevat welzijnsvoorschriften die gelden voor de bescherming van dieren die worden gehouden voor productiedoeleinden ongeacht het doel, dus ook voor de productie van foie gras. In de aanbevelingen van de Raad van Europa, waar Richtlijn nr. 98/58/EG naar verwijst, wordt de productie van foie gras niet verboden. Wel wordt in de aanbevelingen aangegeven dat landen die foie grasproductie toestaan onderzoek moeten aanmoedigen naar de welzijnsaspecten en naar alternatieve methoden. De Commissie heeft eerder in haar communicatie met het Europees Parlement aangegeven dat noch richtlijn nr. 98/58/EG noch de genoemde aanbevelingen een verbod op dwangvoeding bevatten. Het is aan de communautaire rechter, namelijk het Europese Hof van Justitie of de nationale rechter, om een juridisch bindende uitleg te geven van richtlijn nr. 98/58/EG. De communautaire rechter heeft zich tot op heden niet uitgesproken over de vraag hoe de productiewijzen van foie gras zich verhouden tot de bepalingen in richtlijn 98/58/EG. De Europese Commissie heeft overigens met de Franse autoriteiten afgesproken dat zij er voor zorgdragen dat vóór 2016 naar een nieuw kooisysteem wordt overgeschakeld.
Het instellen van een nationaal importverbod op grond van dierenwelzijn is Europeesrechtelijk bovendien niet mogelijk. Vanwege de geharmoniseerde dierenwelzijnsnormen van Richtlijn 98/58/EG kan Nederland geen beroep doen op artikel 36 van het VWEU om een verbod op de import van foie gras vanuit het oogpunt van dierenwelzijn te rechtvaardigen. Ik verwijs u hierbij voorts naar brief 28 286 nr. 590 van Staatssecretaris Bleker, van 17 september 2012.
Bent u bereid, op basis van de niet-naleving van Richtlijn 58/98/EG en de Aanbevelingen door foie-gras-producerende lidstaten, een beroep te doen op artikel 36 EU-Verdrag en de import van producten geproduceerd met dwangvoederen te verbieden of te beperken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat Frankrijk de Europese dierenwelzijns-richtlijn 58/98 in combinatie met de Aanbevelingen van het Standing Comité in 1999, ten aanzien van huisvesting en voedering, door de wijze van productie van foie gras al jarenlang overtreedt? Hoe beoordeelt u deze overtredingen? Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie eerder heeft erkend dat Frankrijk de richtlijn 58/98/EG overtreedt, maar zij verzuimt hier tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u de Aanbevelingen van The Standing Committee uit 1999, welke zijn overgenomen door de Europese Unie (EU), waarbij individuele huisvesting vanaf 2005 bij ver- en nieuwbouw niet meer is toegestaan en eind 2010 alle individuele kooien voor eenden verdwenen hadden moeten zijn? Bent u bekend met het onderzoek, waarnaar Wakker Dier in haar rapport verwijst, waarin staat dat in 2012 in Frankrijk nog 80% van de gedwangvoederde dieren in individuele kooien leven? Hoe beoordeelt u deze wijze van huisvesting en het hoge percentage hiervan?
Nederland heeft ingestemd met de Europese Conventie voor de bescherming van dieren, gehouden voor veehouderijdoeleinden, en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen. Deze aanbevelingen, alsook Richtlijn 98/58/EG, bevatten echter geen strikt verbod op individuele huisvesting voor muskus-eenden en hybriden. De informatie van Wakker Dier dat in 2012 in Frankrijk nog slechts 20% van de betreffende eenden niet meer in individuele kooien gehouden wordt, komt naar mijn informatie voort uit een artikel in het medium «Sud Ouest», van 6 oktober 2012. Er wordt niet gerefereerd aan een onderzoek.
Inzake de eisen aan de huisvesting van deze eenden uit de aanbevelingen van de Raad van Europa heeft de Europese Commissie met de Franse autoriteiten ingestemd dat zij er voor zorgdragen dat vóór 2016 naar een nieuw kooisysteem wordt overgeschakeld. Ik ben, mede gelet op de bevindingen van het wetenschappelijk Comité voor Diergezondheid en Dierenwelzijn van 16 december 1998 zeker geen voorstander van de gepraktiseerde wijze van productie met dwangvoedering bij de foie grasproductie. Nederland heeft al eerder bij de Europese Commissie aangedrongen op een verbod op deze wijze van foie grasproductie. Ik zal de Europese Commissie verzoeken erop toe te zien dat de Franse autoriteiten er met ingang van 2016 strikt op handhaven dat deze dieren niet meer in individuele kooien worden gehuisvest en erop toe te zien dat zij onderzoek laten uitvoeren naar de welzijnsaspecten en naar alternatieve methoden.
Verder zal ik de Europese Commissie ten algemene verzoeken aan te geven wat de stand van zaken in de EU-productielanden van foie gras is voor wat betreft het naleven van de aanbevelingen van de Raad van Europa en de Richtlijn 98/58/EG.
Erkent u dat, op basis van de Aanbevelingen van The Standing Committee kan worden geconcludeerd dat de individuele kooien en het dwangvoederen afgeschaft moeten worden om overeen te stemmen met de Aanbevelingen en Richtlijn 58/98/EG? Zo ja, bent u bereid om te pleiten voor een Europees verbod op individuele kooien en dwangvoederen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de verplichting in Frankrijk om te dwangvoederen bij de productie van foie gras? Erkent u dat deze verplichting tegen Richtlijn 58/59/EG ingaat? Bent u bereid uw Franse collega’s hierop aan te spreken? Bent u bereid om op Europees niveau aan te dringen op een Europees onderzoek naar alternatieven voor dwangvoederen (gavage)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen 2 tot en met 4, heeft de communautaire rechter zich tot op heden niet uitgesproken over de vraag hoe de productiewijzen van foie gras zich verhouden tot de bepalingen in richtlijn 98/58/EG. Het is aan de communautaire rechter om een juridisch bindende uitleg in dezen te geven.
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 6 zal ik de Europese Commissie verzoeken erop toe te zien dat onderzoek wordt uitgevoerd naar de welzijnsaspecten en alternatieven methoden.
Het kabinetsstandpunt ratificatie ILO verdrag 170 |
|
Sjoerd Potters (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 mei 2012?1
Ja.
In hoeverre staat u nog steeds achter het onderzoek door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat in deze brief wordt genoemd en waar uit blijkt dat ratificatie van dit verdrag kan leiden tot een lastenverzwaring van tientallen euro’s per order voor een bedrijf?
In de door u bovengenoemde brief van 9 mei 2012 is inderdaad het bedoelde RIVM onderzoek vermeld. Mede op basis van dat onderzoek is indertijd afgezien van ratificatie. Uit nader onderzoek bleek echter dat ratificatie van dit verdrag niet leidt tot een lastenverzwaring voor bedrijven omdat de huidige regelgeving voldoet aan de verplichtingen uit het verdrag. Het SER-advies van 30 september 2013 bevatte dezelfde conclusie. Er is dus geen additionele (Nederlandse) regelgeving nodig. In mijn brief van 18 december 2013 aan de Kamer heb ik dat nader toegelicht.
Hoe verhoudt dit zich dit tot de brief die u op 18 december 2013 aan de Kamer heeft gestuurd met daarin uw standpunt over het ILO-verdrag 170?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Bent u nog steeds van mening dat additionele (en overbodige) Europese regelgeving die leidt tot extra lasten voor bedrijven voorkomen moeten worden? Zo ja, hoe valt het gewijzigde kabinetsstandpunt dan uit te leggen?
Bij voorstellen voor Europese regelgeving die leiden tot extra lasten voor bedrijven zal altijd heel kritisch gekeken worden naar de meerwaarde van die Europese regelgeving.
Het kabinetsstandpunt met betrekking tot ratificatie van dit verdrag is gewijzigd omdat bij nader inzien bleek dat ratificatie niet leidt tot extra lasten voor bedrijven (zie verder mijn antwoord op vraag2.
Wat waren de inhoudelijke gronden van de SER om te komen tot een herzien standpunt van het kabinet? In hoeverre bent u bereid deze met de Tweede Kamer te delen?
De inhoudelijke gronden van het SER-advies staan in «Ratificatie ILO-verdrag 170» (Advies 13/05 van september 2013) en dit advies is openbaar.
In algemene zin heeft de SER aangegeven dat de huidige Nederlandse regelgeving voldoet aan de verplichtingen van het verdrag (blz 14 en 15 van het advies). Meer specifiek is de SER ingegaan op de verplichtingen van artikelen 12 en 19 van het verdrag (blz 11–14 van het advies). Daarover zegt zij het volgende:
In hoeverre bent u in de toekomst verder bereid om eerder genomen standpunten achteraf te laten terugdraaien door de SER?
Adviezen die door de SER worden gegeven, worden door het kabinet altijd worden meegenomen in de te maken beleidskeuzes. Hierbij is het mogelijk dat een eerder ingenomen standpunt wordt bijgesteld.
Het bericht “Europese accountantsregels wijken af van de Nederlandse wet” |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Europese accountantsregels wijken af van de Nederlandse wet»?1
Ja
Op 17 december 2013 sloten het Europees Parlement en de Europese Raad een akkoord over nieuwe wetgeving voor accountants. Wat is de exacte inhoud van het akkoord c.q. welke afspraken zijn er precies gemaakt? Welke ruimte laat de verordening voor lidstaten om zelf aanvullende eisen te stellen?
De voorstellen van de Europese Commissie voor de hervorming van de accountantsmarkt omvatten een nieuwe verordening en een herziening van Richtlijn 2006/43/EG2. Afgelopen december hebben de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie een akkoord bereikt over de teksten van de verordening en de herziene richtlijn in het kader van de zogenaamde triloog onderhandelingen. De formele besluitvorming voor definitieve vaststelling van deze regelgeving in het Europees Parlement en de Raad moet nog plaatsvinden. Tijdens de onderhandelingen over de voorstellen ging vooral veel aandacht uit naar de bepalingen over een verplichte kantoorroulatie, de scheiding van controle en advies en de mogelijke rol van de European Securities and Markets Authority(ESMA) bij het toezicht op de accountancysector. De genoemde aspecten zijn neergelegd in de verordening die uiteindelijk rechtstreeks van toepassing zal zijn in de nationale rechtsorde. Hieronder schetsen we de belangrijkste afspraken die hierover in het kader van het akkoord zijn gemaakt.
Wat betreft de verplichte kantoorroulatie houdt het afgelopen december bereikte akkoord in dat organisaties van openbaar belang (OOB’s) de wettelijke controleopdracht maximaal tien jaar door dezelfde accountantsorganisatie mogen laten uitvoeren. Daarbij biedt het akkoord lidstaten de mogelijkheid om te bepalen dat deze maximale duur van de initiële opdracht voor de wettelijke controle mag worden verlengd tot maximaal twintig jaar in het geval er na het verlopen van de initiële duur van de opdracht een aanbesteding van de wettelijke controleopdracht plaatsvindt. Wanneer er sprake is van een zogenaamde joint audit door twee of meer accountants(organisaties) kan een lidstaat bepalen dat de maximale duur van de initiële opdracht mag worden verlengd tot maximaal vierentwintig jaar. De feitelijke verlenging van de maximale duur van de initiële controleopdracht vindt volgens het akkoord overigens onder bepaalde voorwaarden plaats.
Na afloop van de toepasselijke maximale roulatietermijn geldt voor de betreffende accountantsorganisatie een afkoelingsperiode van vier jaar gedurende welke de betreffende wettelijke controle niet mag worden uitgevoerd bij dezelfde controlecliënt. Voor het overige is in het akkoord neergelegd dat na het verstrijken van de toepasselijke maximale roulatietermijnen een OOB bij wijze van uitzondering bij de bevoegde autoriteit het verzoek mag indienen om een verlenging van de opdracht met nog eens maximaal twee jaar toe te staan.
Wat betreft de scheiding van advies en controle bevat het akkoord een uitgebreide «zwarte» lijst met diensten die niet in combinatie met de wettelijke controle bij dezelfde controlecliënt mogen worden verricht als die controlecliënt een OOB betreft. Het verbod op het verlenen van de op deze lijst genoemde diensten geldt vanaf het begin van de periode waarop de wettelijke controle ziet tot aan het afgeven van de accountantsverklaring. Daarnaast geldt het verbod ook gedurende het financiële jaar dat voorafgaat aan de hiervoor bedoelde periode met betrekking tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van de interne beheersings- of risicobeheerprocedures die verband houden met de opstelling en/of controle van financiële informatie of financiële informatietechnologiesystemen. Verder mogen niet verboden aan de controle gerelateerde diensten worden verricht tot een maximumplafond van zeventig procent van de gemiddelde kosten die in de voorafgaande drie opeenvolgende jaren voor de wettelijke controle in rekening werden gebracht bij de gecontroleerde entiteit en, waar van toepassing, bij haar moederonderneming, de door haar gecontroleerde ondernemingen en voor de geconsolideerde jaarrekening van de betreffende groep van ondernemingen. In nationale of Europese wetgeving verplicht gestelde aan de controle gerelateerde diensten zijn uitgesloten van het genoemde maximumplafond. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de waarmerking van staten ten behoeve van de toezichthouder zoals bedoeld in de Pensioenwet en de Wet op het financieel toezicht.
Wat betreft de mogelijke rol van ESMA was Nederland samen met vier andere lidstatenvoorstander van het bij ESMA beleggen van de samenwerking tussen de nationale toezichthouders op het terrein van audit. Op aandringen van een grote meerderheid van lidstaten is evenwel gekozen voor het opzetten van een nieuw comité, de Committee of European Auditing Oversight Bodies(CEAOB). ESMA mag wel iemand aanwijzen als lid van de CEAOB. Dit lid wordt tevens voorzitter van een subgroep waarvan de bedoeling is dat de CEAOB deze in het leven roept met het oog op internationale samenwerking tussen de lidstaten en derde landen. Daarnaast is een review clauseopgenomen op grond waarvan het opereren van de CEAOB over enkele jaren wordt heroverwogen.
De teksten van de verordening en de herziening van Richtlijn 2006/43/EG3 waarover een akkoord is bereikt bevatten nog de nodige mogelijkheden voor lidstaten om zelf aanvullende eisen te stellen. Zo is wat betreft de verplichte kantoorroulatie in de verordening voor lidstaten de mogelijkheid neergelegd om de maximale duur van de initiële opdracht voor de wettelijke controle op minder dan tien jaar vast te stellen. Wat betreft de scheiding van controle en advies biedt de verordening lidstaten de mogelijkheid om naast de diensten genoemd op de zwarte lijst ook andere diensten te verbieden die een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van degene die de controle uitvoert. Daarnaast wordt lidstaten de mogelijkheid geboden om onder bepaalde voorwaarden enkele op de zwarte lijst genoemde verboden diensten wel toe te staan.
Hoe wijken de Nederlandse regels af van de nu in afgesproken EU-regels? In hoeverre zijn de Nederlandse regels strenger dan de EU-regels?
Uit het in de Wet op het accountantsberoep opgenomen door uw Kamer aangenomen amendement Van Vliet vloeit voort dat met ingang van 1 januari 2016 OOB’s verplicht worden elke acht jaar van accountantsorganisatie te wisselen4. In de Nederlandse wet is neergelegd dat na een periode van acht aaneengesloten jaren een afkoelingsperiode van twee jaar geldt gedurende welke de betreffende wettelijke controle niet mag worden uitgevoerd door dezelfde accountantsorganisatie. De tekst van de Europese verordening waarover een akkoord is bereikt biedt voldoende ruimte om de maximale roulatieperiode van acht jaar in Nederland aan te houden. Wel wijkt de in de Nederlandse wet neergelegde afkoelingsperiode van twee jaar af van de in de verordening neergelegde afkoelingsperiode van vier jaar. Op dit punt behoeft de Nederlandse wetgeving aanpassing om niet in strijd te komen met de Europese regels.
In het in de Wet op het accountantsberoep opgenomen door uw Kamer aangenomen amendement Plasterk c.s. is de regel dat een accountantsorganisatie die wettelijke controles verricht bij een OOB, naast de in de toelichting bij het amendement genoemde controlediensten geen andere werkzaamheden voor die organisatie verricht5. Dit uitgangspunt is in zekere mate strenger dan het in de tekst van de Europese verordening neergelegde principe van een zwarte lijst met diensten die in ieder geval niet naast de wettelijke controle mogen worden verricht. Tegelijkertijd biedt het akkoord lidstaten de mogelijkheid om naast de diensten genoemd op de zwarte lijst ook andere diensten te verbieden die een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van degene die de controle uitvoert. Hierbij is als enige voorwaarde gesteld dat lidstaten de Europese Commissie van voorkomende aanvullingen op de hoogte stellen. De tekst van de verordening waarover een akkoord is bereikt biedt aldus ook voldoende ruimte om de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies te handhaven. Tegelijkertijd moet wel rekening worden gehouden met een tweetal uit het akkoord voortvloeiende extra eisen. Zo mag een accountantsorganisatie die de wettelijke controle uitvoert gedurende het financiële jaar dat voorafgaat aan de periode waarop de wettelijk controle betrekking heeft bij dezelfde OOB geen diensten verrichten met betrekking tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van de interne beheersings- of risicobeheerprocedures die verband houden met de opstelling en/of controle van financiële informatie of financiële informatietechnologiesystemen. Verder mogen niet verboden aan de controle gerelateerde diensten worden verricht tot een maximumplafond van zeventig procent van de gemiddelde kosten die in de voorafgaande drie opeenvolgende jaren voor de wettelijke controle in rekening werden gebracht.
Welke nadelen ondervindt de accountantsbranche van de niet gelijkluidende regels in Nederland en Europa? Hoeveel administratieve lasten brengt dit met zich mee?
In het afgelopen december bereikte akkoord over de Europese voorstellen zijn in ieder geval de kaders vastgelegd waarbinnen in alle lidstaten de verplichte kantoorroulatie en de scheiding van controle en advies van toepassing gaan zijn. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat lidstaten binnen deze kaders nog de nodige mogelijkheden hebben om aanvullende eisen te stellen. Op dit moment is nog niet bekend in hoeverre de diverse lidstaten van deze optionele bepalingen gebruik gaan maken. Wel staat op basis van het akkoord vast dat in alle lidstaten de duur van de initiële opdracht voor de wettelijke controle bij een OOB maximaal tien jaar kan zijn en dat na afloop van die termijn in principe een aanbesteding van de controleopdracht moet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een joint audit. Ook zal op basis van het akkoord in alle lidstaten het uitgangspunt zijn dat in ieder geval de diensten genoemd op de in het akkoord opgenomen zwarte lijst niet in combinatie met de wettelijke controle bij een OOB mogen worden verricht.
De diverse in het akkoord opgenomen maatregelen (zoals de verplichte aanbesteding en kantoorroulatie) zullen in alle Europese lidstaten extra kosten met zich meebrengen. Deze extra kosten zullen volgens de Europese Commissie worden gecompenseerd door de positieve effecten, zoals een grotere onafhankelijkheid van accountants die de kwaliteit van de controle ten goede moet komen6. Daar komt bij dat in Nederland de door het amendement Plasterk c.s. geïntroduceerde scheiding van controle en advies al sinds 1 januari 2013 van toepassing is en dat Nederlandse OOB’s vooruitlopend op de feitelijke invoering van de verplichte kantoorroulatie per 1 januari 2016 al de nodige aanbestedingen van de wettelijke controles hebben uitgevoerd of nog uitvoeren7. In die zin zijn de uit het akkoord voortvloeiende maatregelen in Nederland al voor een groot deel geïmplementeerd. Hiermee zouden ondernemingen in Nederland mogelijk een voorsprong kunnen hebben op ondernemingen in andere lidstaten waar betreffende maatregelen op dit moment nog niet van kracht zijn.
Vastgesteld kan worden dat in ieder geval de in de Nederlandse wetgeving opgenomen maximale roulatieperiode van acht jaar en de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies passen binnen het afgelopen december bereikte akkoord. Nu nog niet bekend is in hoeverre de diverse lidstaten invulling gaan geven aan de in het akkoord opgenomen optionele bevoegdheden, kan moeilijk wordt ingeschat welke nadelen de accountantsbranche ondervindt van niet gelijkluidende regels in Nederland en de rest van Europa.
Bent u bereid om de evaluatie van de voorstellen van verplichte roulatie en scheiding van advies en control in 2015 naar voren te halen gelet op alle ontwikkelingen in Europa en de praktijk van dit moment in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De in de Wet op het accountantsberoep door het amendement Plasterk c.s. geïntroduceerde scheiding van controle en advies is al sinds 1 januari 2013 van toepassing. Tijdens het debat met de Eerste Kamer over de Wet op het accountantsberoep op 27 november 2012 heb ik de intentie uitgesproken om de verplichte roulatie echt op 1 januari 2016 van kracht te laten worden. In dit verband heb ik aangegeven een halfjaar van tevoren in een brief aan de Kamer te rapporteren over de stand van zaken in Brussel en de voortgang op weg naar 1 januari 2016 in Nederland8. Zodra de Europese regels definitief vaststaan, zullen we nationale regelgeving moeten vaststellen om deze te implementeren. In dat kader moet hoe dan ook worden bezien in hoeverre de nationale regelgeving aanpassing behoeft om in ieder geval niet in strijd te komen met de Europese regelgeving. Op basis van het afgelopen december gesloten akkoord tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie kan in ieder geval worden vastgesteld dat de in de Nederlandse wetgeving opgenomen maximale roulatieperiode van acht jaar en de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies passen binnen de Europese regels. Om definitief te worden zullen de Europese regels in ieder geval nog officieel door het Europees Parlement en door de Raad moeten worden aangenomen. Met het oog op de aanstaande verkiezingen voor het Europees Parlement is de verwachting dat dit binnen nu en een paar maanden gaat plaatsvinden.
Deelt u de mening dat de Nederlandse wetgeving in lijn gebracht moet worden met de Europese wetgeving om te zorgen voor eerlijke concurrentiepositie en een gelijk speelveld in de Europese Unie? Is het kabinet voornemens om de Nederlandse regels aan te passen aan de Europese verordening wanneer deze in werking treed? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op eerder gestelde vragen door uw Kamer heb ik aangegeven, dat wanneer er strijdigheid zou ontstaan tussen de Nederlandse en de Europese regelgeving we de betreffende wetgeving uiteraard zullen moeten aanpassen9. Op dat moment kan ook worden overwogen in hoeverre aanpassingen nodig zijn met het oog op een eerlijke concurrentiepositie en een gelijk speelveld in de Europese Unie. Zodra de Europese verordening en de herziening van Richtlijn 2006/43/EG10 definitief zijn vastgesteld, zullen we zeker moeten stellen dat onze nationale regelgeving hiermee in overeenstemming is en waar nodig de nationale wetgeving hierop moeten aanpassen. Op basis van het afgelopen december gesloten akkoord tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie kan in ieder geval worden vastgesteld dat de in de Nederlandse wetgeving opgenomen maximale roulatieperiode van acht jaar en de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies passen binnen de nieuwe Europese regels. Op andere punten zal onze wetgeving in ieder geval wel aanpassing behoeven, bijvoorbeeld waar het gaat om de in het antwoord op vraag 3 genoemde afwijkende afkoelingsperiode.
De toename van het aantal winkelopenstellingen op Eerste Kerstdag |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht dat dit jaar meer dan honderd supermarkten open zijn op Eerste Kerstdag?1
Ja.
Deelt u de mening dat Eerste Kerstdag een officiële, nationale feestdag is en dat in de detailhandel werknemers en klein zelfstandigen het recht moeten hebben en moeten kunnen gebruiken om op die dag vrij te zijn van werk?
Ik deel de mening dat Eerste Kerstdag een officiële, nationale feestdag is. Het is daarom in beginsel verboden op die dag een winkel open te hebben tenzij in de desbetreffende gemeente vrijstelling is verleend op grond van de Winkeltijdenwet. Ook in dat geval is het aan kleine zelfstandigen te besluiten of ze al dan niet open gaan en de bescherming van werknemers voor dergelijke gevallen is wettelijk geregeld. Voor een besluit winkelopening op Eerste Kerstdag toe te staan, dienen gemeenten een zorgvuldige belangenafweging te maken. Onder deze belangen vallen ook de zondagsrust en de belangen ten aanzien van de werkgelegenheid en economische bedrijvigheid, waaronder wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel.
Hoe gaat u die werknemers, aan wie de werkgever verplicht stelt om op deze feestdag toch te werken, beschermen?
De Arbeidstijdenwet staat het werken op feestdagen als zodanig niet in de weg. Het is, vanuit het beginsel van goed werkgeverschap, zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, echter wel belangrijk dat hierover goede afspraken worden gemaakt tussen werkgever en werknemer. Ook op grond van de Arbeidstijdenwet heeft de werkgever de plicht om bij het opstellen van roosters, voor zover dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van zijn werknemers. Dit alles uiteraard naast de (kader-)afspraken die er bestaan op cao-niveau en die ook gerespecteerd dienen te worden. Werknemers die onder druk worden gezet om op feestdagen te werken, kunnen zich op genoemde wetten en eventuele cao-afspraken beroepen. Indien gewenst kan de vakbond of belangenorganisatie hierbij een ondersteunende rol spelen.
Erkent u dat het voor kleine zelfstandigen niet mogelijk is om alle dagen van het jaar hun winkel te openen en dat er vanwege het feit dat grote winkeliers vaak wel personeel kunnen inzetten en open kunnen zijn er een concurrentievoordeel ontstaat voor grote winkeliers ten opzichte van de kleine zelfstandigen?
De mogelijkheden voor het grootbedrijf om langer open te zijn, zijn over het algemeen groter dan voor kleine(re) bedrijven. Ook kleine(re) bedrijven kunnen echter belang hebben bij ruimere openingstijden, doordat zij daardoor meer mogelijkheden hebben op de wensen van consumenten in te spelen. Gemeenten moeten op basis van de Algemene wet bestuursrecht een zorgvuldige belangenafweging maken ten aanzien van de winkelopening op zon- en feestdagen. Dat betekent dat zij ook het belang van kleine winkeliers in hun afweging moeten betrekken. De VNG heeft gemeenten daar, bij brief van 19 juni 2013, nog extra op gewezen.
Erkent u dat uit de Winkeltijdenwet artikel 2, lid 1, sub b en artikel 3, lid 1 blijkt dat een gemeentebestuur dat de winkeliers in zijn gemeente de mogelijkheid willen geven op Eerste Kerstdag hun deuren te openen, hiervoor een aparte ontheffing moet verlenen en dat een ontheffing voor louter koopzondagen niet afdoende is? Erkent u dat hierbij tevens een procedure nodig is waarbij het gemeentebestuur het draagvlak onder de inwoners, de winkeliers en de werknemers binnen de gemeente onderzoekt en dat een ontheffing welke wordt verleend zonder een dergelijk draagvlakonderzoek niet rechtsgeldig is? Is onze veronderstelling juist dat in veel gemeenten van een dergelijke separate en onderbouwde ontheffing geen sprake is?
Op grond van de Winkeltijdenwet kan de gemeenteraad bij verordening vrijstelling verlenen van het verbod om een winkel geopend te hebben op zondag, op een aantal feestdagen (waaronder Eerste Kerstdag) en op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur. Gemeenten kunnen hier zelf invulling aan geven. Zo kan een gemeente alleen vrijstelling verlenen voor koopzondagen, maar een gemeente kan er ook voor kiezen om vrijstelling te verlenen voor koopzondagen én feestdagen. Als een gemeente voor bepaalde dagen vrijstelling heeft verleend in de verordening, mogen de winkels op die dagen open gaan. Het is dan niet nodig om hier nog een aparte ontheffing voor te verlenen. Indien een gemeente geen vrijstelling heeft verleend (om bijvoorbeeld op feestdagen geopend te zijn), maar wel in de winkeltijdenverordening heeft opgenomen dat burgemeesters en wethouders een ontheffing mogen verlenen aan winkels die op feestdagen open willen zijn, kunnen burgemeesters en wethouders een dergelijke ontheffing verlenen. Of burgemeesters en wethouders deze mogelijkheid hebben gekregen, zal per gemeente verschillen. Ik heb geen overzicht over hoe de verschillende gemeenten hier invulling aan geven.
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt dat bestuurlijke besluiten zorgvuldig moeten worden voorbereid, dat betrokken belangen moeten worden afgewogen en dat besluiten moeten berusten op een deugdelijke motivering. Hoe in dit geval de belangen tegen elkaar worden afgewogen en welke onderzoeken gemeenten hiervoor verrichten, is de verantwoordelijkheid van de betreffende gemeenten. De Algemene wet bestuursrecht en de Winkeltijdenwet bevatten geen specifieke vereisten over hoe deze belangen in kaart moeten worden gebracht en/of dat er een draagvlakonderzoek moet worden gedaan.
Bent u van plan te handhaven om te voorkomen dat zonder ontheffing van de Winkeltijdenwet openstelling van winkels plaatsheeft?
Zoals hierboven aangegeven, mogen winkels in een gemeente open gaan op koopzondagen, feestdagen en op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur indien er door de gemeente een vrijstelling of ontheffing is gegeven. Indien een dergelijke vrijstelling of ontheffing niet is gegeven en een winkel gaat toch open, dan dient de gemeente daar handhavend tegen op te treden. De gemeente kan bijvoorbeeld bestuursdwang toepassen of een last onder dwangsom opleggen. Indien een gemeente niet handhavend optreedt, kunnen belanghebbenden een handhavingsverzoek doen bij de gemeente. Indien de gemeente het handhavingsverzoek afwijst en dus niet alsnog gaat handhaven, kunnen belanghebbenden daartegen in beroep gaan bij de bestuursrechter om handhaving door de gemeente af te dwingen. Ik heb zelf geen middelen tot mijn beschikking om de naleving van de Winkeltijdenwet te handhaven.
Het ROAD CCS demonstratie project |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de brief van de burgemeester van Rotterdam en de Commissaris van de Koning van Zuid-Holland aan E.ON en GDF SUEZ, waarin wordt aangedrongen op een snelle investeringsbeslissing inzake het ROAD CCS (C02 opvang en afslag) demonstratie project?
Ja.
Klopt het dat bij de vergunningverlening destijds harde toezeggingen zijn gedaan door E.ON en GDF SUEZ, om te investeren in het ROAD CCS demonstratie project? En klopt het dat daarbij geen voorwaarden zoals een hoge CO2-prijs zijn gesteld? Zo ja, waarom worden deze toezeggingen nu niet nagekomen?
Of er daadwerkelijk harde toezeggingen zijn gedaan is mij niet bekend. In de brief van de burgemeester van Rotterdam en de Commissaris van de Koning van Zuid-Holland aan E.ON en GDF SUEZ wordt verwezen naar afspraken in het kader van de bouw van de twee nieuwe kolencentrales. In deze is het Rijk niet het bevoegd gezag. Het Rijk is dan ook niet betrokken geweest bij eventuele afspraken over de bouw van een CO2 afvanginstallatie.
Deelt u de mening dat CCS een noodzakelijke techniek is om de klimaatdoelstellingen te halen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat investeringen in een project zoals ROAD kunnen leiden tot kennis over CCS die vervolgens door Nederlandse bedrijven en instellingen in het buitenland te gelde gemaakt kan worden?
Een grootschalig demonstratieproject als ROAD is in de eerste plaats bedoeld om meer ervaring op te doen met CCS en zo de kosten te laten dalen. Daarmee wordt brede toepassing van CCS in de toekomst mogelijk. De Nederlandse kennisinstituten maken nu al hun kennis over CCS in het buitenland ten gelde. Indien het ROAD project doorgaat valt te verwachten dat dit verder zal toenemen.
Bent u bereid om met de betrokken partijen in gesprek gaan om te bevorderen dat de investeringsbeslissing op korte termijn, voor 31 januari 2014, genomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik ben reeds geruime tijd met alle betrokken partijen in gesprek om te bevorderen dat het ROAD project daadwerkelijk van de grond komt. De gesprekken zijn in een beslissend stadium aangeland. Op 31 januari is er op initiatief van de Europese Commissaris voor Energie de heer Oettinger een bijeenkomst in Brussel om het ROAD project te bespreken. Ik verwacht op korte termijn, maar wel na 31 januari 2014, een besluit over de investeringsbeslissing van ROAD.
Wat is uw reactie op het bericht «Minister rekent verkeerd»?1
In het artikel wordt de link gelegd tussen de haalbaarheidsstudie windenergie binnen de 12 mijlszone en de afspraken over de veertig procent kostendaling in het SER-akkoord. Ik wil dit graag ophelderen.
Het is juist dat ik samen met de Minister van IenM de haalbaarheid van windmolens binnen de 12 nautische mijl onderzoek. Het uitgangspunt voor deze studie is de veronderstelling dat windenergie binnen de 12 nautische mijl goedkoper is dan windenergie buiten de 12 nautische mijl. De haalbaarheidsstudie bevindt zich in de afrondende fase. Ik hoop de Kamer in de eerste helft van 2014 over de resultaten te kunnen informeren.
Daarnaast is het juist dat er in het SER-akkoord een afspraak is gemaakt over een kostenreductie van veertig procent. Zoals ik al eerder heb aangegeven, heeft de windenergiesector zelf aangegeven een kostenreductie van veertig procent in 2020 te kunnen realiseren. Dit zijn de partijen die de windmolenparken in de praktijk moeten gaan bouwen. Ik hecht veel waarde aan het inzicht van de sector en de ondertekening van dit energieakkoord.
Het is echter onjuist dat verondersteld wordt dat deze veertig procent kostenreductie geheel gerealiseerd moet worden door het bouwen van windenergie binnen de 12 nautische mijl.
De veertig procent kostenreductie moet plaats vinden op basis van meerdere facetten. Zo speelt innovatie hier een grote rol. Er is dan ook een belangrijke rol weggelegd voor het Topconsortium van Kennis en Innovatie voor Wind op Zee (TKI WOZ).
Kunt u aangeven hoeveel kostenreductie er behaald wordt door windturbines op zee op 6 km afstand van de kust te plaatsen, in plaats van uit het zicht op minimaal 50 km afstand?
Onderdeel van de haalbaarheidsstudie windenergie binnen de 12 nautische mijl is een Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Hierin worden alle voor- en nadelen van een investering in geld uitgedrukt («gemonetariseerd»). De MKBA is gebaseerd op de nu beschikbare gegevens. Dit betekent dat uiteindelijke kostenvoordelen lager of hoger kunnen uitvallen wanneer er meer details van gebieden bekend zijn. Zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag 1 is de haalbaarheidsstudie op dit moment in de afrondende fase. Ik kan daarom geen precieze uitspraken doen over hoeveel kostenreductie er behaald wordt. Wel kan ik aangeven dat de veronderstelling dat het realiseren van windenergie dichter bij de kust voordeliger is dan verder weg op zee, wordt ondersteund door de eerste uitkomsten van de MKBA.
Klopt het dat u de cijfers over de 40% kostenreductie heeft ontvangen van de industrie en, specifieker nog, van Siemens? Zo nee, kunt u aangeven wat de bron is van deze berekening?
In de beantwoording van eerdere vragen van het lid Leegte (VVD) ben ik reeds ingegaan op de veertig procent kostenreductie. Zoals hierboven is aangegeven, heeft de sector zelf aangegeven veertig procent kostenreductie te kunnen halen. Daaraan heeft zij zich ook gecommitteerd. Het Energieakkoord is door verschillende onafhankelijke organisaties doorgerekend, waaronder ECN. Uit de doorrekening is gebleken dat de gestelde doelstellingen voor duurzame energie binnen bereik zijn met de afspraken uit het SER-akkoord. ECN heeft zijn eigen aannames gehanteerd waarin diverse aspecten en ervaringen zijn meegenomen die representatief zijn voor de ontwikkelingen in de komende jaren.
Deelt u de analyse van de bewonersplatformen dat het plaatsen van windturbines voor de kust zal resulteren in verlies van 15.000 banen in de toeristische sector? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er inderdaad windmolens dichtbij de kust worden geplaatst, kan dat effect hebben op het toerisme en de daarbij behorende werkgelegenheid.
Een eerste onderzoek in het kader van de haalbaarheidsstudie laat in ieder geval een negatief effect zien op de beleving en de bezoekintenties voor die locatie. Dit onderzoek maakt deel uit van de eerder genoemde haalbaarheidsstudie. Het onderzoek geeft alleen percentages, dus het verlies van 15.000 banen is door het Bewonersplatform Leefbare Kust zelf gekwantificeerd, waarbij naar ik aanneem gebruik is gemaakt van de eerste resultaten van het onderzoek. Een afvaardiging van het Bewonersplatform Leefbare Kust zat hierbij in de begeleidingsgroep.
Graag merk ik op dat de in het onderzoek gepresenteerde effecten gebaseerd zijn op vragen over de bereidheid tot een toeristisch bezoek aan kustlocaties bij mogelijke plaatsing van windmolens op verschillende afstanden van de kust en niet op metingen van daadwerkelijke effecten. Zoals het rapport zelf ook stelt, zal in de praktijk doorgaans een (veel) kleiner percentage mensen het voorgenomen gedrag daadwerkelijk vertonen. Ten slotte wordt bij de maatschappelijke kosten en baten gekeken naar de effecten van het plaatsen van windmolens in de 12 mijlszone op nationaal niveau en niet alleen naar de regionale effecten.
Bent u bereid om bij ieder windturbineproject met een mogelijk negatieve invloed op het toerisme het dreigende verlies van banen te onderzoeken, en de Kamer hierover te informeren?
De mogelijke effecten op toerisme en recreatie zijn reeds onderdeel van de milieueffectrapportage (MER), dat verplicht is voor vrijwel elk nieuw windmolenpark. In het besluitvormingsproces zijn bij wet verschillende inspraakmomenten voorzien. Om de Kamer apart te informeren over dit aspect bij elk voornemen, van welk formaat dan ook, lijkt mij dan ook onnodig.
Het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 15 september 2010 afstand nam van de methode datamining, maar de minister van Defensie daarvoor juist de voorbereidingen trof |
|
Ronald van Raak |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Deelt u de opvatting dat het ARGO II systeem, dat gebruikt wordt of gaat worden door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), onderdeel is van een proces van «datamining»?
Nee. ARGO II vervangt ARGO I, het huidige verwerkingssysteem van SIGINT (Signals Intelligence – verbindingsinlichtingen) van de MIVD. Het betreft de verwerking van dergelijke inlichtingen, niet het vergaren ervan. Deze worden verwerkt binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. ARGO II vereenvoudigt het zoeken voor de analist. De geautomatiseerde verwerking met ARGO II voorkomt dat de analist zelf veel data moet bekijken. Zo kan het onderzoek zich richten op data die voor het onderzoek van de MIVD en de AIVD relevant zijn.
Herinnert u zich de volgende uitspraken van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdens een algemeen overleg in de Tweede Kamer van 15 september 2010, in reactie op de vraag van het lid Van Raak over datamining: «Ik ben het met de heer Van Raak eens. Het ongericht exploiteren van enorme databestanden is niet zinvol.» En «We doen het dus niet»?1
Ja.
Hoe rijmt u deze uitspraak van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de uitspraak van het hoofd van de MIVD tijdens een openbare briefing in de Tweede Kamer van 18 december 2013 dat het ministerie van Defensie op dat moment al lang bezig was (sinds 2009) met de voorbereidingen voor de aanbesteding van ARGO II?
De beide uitspraken zijn goed met elkaar te rijmen. De AIVD en de MIVD verwerken informatie binnen de kaders die de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 stelt. Ook met ARGO II worden databestanden niet ongericht geëxploiteerd.
Het EU-visserijakkoord met Marokko |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat de Europese Unie deze week een visserijakkoord heeft gesloten met Marokko? Klopt het dat de gemaakte afspraken zowel betrekking hebben op Marokkaans territorium als op door Marokko bezet gebied in de Westelijke Sahara?
Nee. In december 2013 hebben zowel het Europees Parlement als de Raad van Ministers ingestemd met een nieuw protocol in het kader van het bestaande visserijakkoord tussen de Europese Unie (EU) en Marokko. Dit betekent dat, zodra ook aan Marokkaanse zijde de instemmingsprocedure is afgerond, de visserijactiviteiten kunnen starten. Het protocol bevat geen rechtstreekse verwijzing naar de Westelijke Sahara, maar sluit toepassing op de Westelijke Sahara in de praktijk niet uit.
Erkent de EU de soevereiniteit van de Westelijke Sahara? Is de Marokkaanse bezetting van de Westelijke Sahara en haar territoriale wateren volgens de EU illegaal, of erkent de EU de Marokkaanse jurisdictie over de gebieden in kwestie?
De voormalige Spaanse kolonie Westelijke Sahara is het enige gebied in Afrika dat nog wordt bestuurd onder toezicht van de Verenigde Naties in afwachting van de uitoefening van het recht op zelfbeschikking door de (oorspronkelijke) bevolking van het gebied. Het gebied van de Westelijke Sahara wordt door de Verenigde Naties beschouwd als niet-zichzelf besturend gebied («non-self-governing territory») in de zin van het Handvest van de VN. Dit is zo sinds 1963 toen de Algemene Vergadering de Westelijke Sahara op de lijst van niet-zichzelf besturende gebieden plaatste. Ook Nederland en de EU beschouwen het als zodanig.
In navolging van het advies van het Internationaal Gerechtshof (1975) erkent de EU de Marokkaanse claims over het gebied niet. Marokko wordt door de EU beschouwd als de facto beherende macht («de facto administering power»). Vanwege de status van de Westelijke Sahara als een niet-zichzelf besturend gebied als bedoeld in het Handvest van de VN kunnen de beginselen voor de uitoefening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden door de beherende macht analoog worden toegepast op Marokko als de facto beherende macht. Dit is de lijn die gevolgd is door de juridisch adviseur van de VN in zijn brief aan de President van de Veiligheidsraad van 29 januari 2002 en die, in navolging daarvan, ook is overgenomen door de EU.
Klopt het dat EU-richtlijnen verbieden Europees belastinggeld uit te geven in bezette gebieden? Gelden die EU-richtlijnen ook voor Europese betrokkenheid bij de exploitatie van grondstoffen in bezet gebied? Hoe verhoudt het deze week gesloten akkoord zich tot EU-regelgeving en internationaal recht?
Er is geen algemene Europese richtlijn inzake de besteding van Europese middelen in bezette gebieden.
Ten aanzien van niet-zichzelf besturende gebieden hanteren de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger het uitgangspunt dat economische activiteiten rechtmatig zijn, zolang deze de behoeften, belangen en voordelen ervan voor de bevolking niet veronachtzamen. Dit betekent dat economische activiteiten in de Westelijke Sahara, dus ook de activiteiten die voortvloeien uit het visserijprotocol tussen de EU en Marokko, niet per definitie in strijd zijn met het internationaal recht. Belangrijke voorwaarde is dat de opbrengsten ten goede komen aan de oorspronkelijke bevolking van het gebied. De rechtmatigheid van de activiteiten hangt af van de wijze waarop die internationaalrechtelijke verplichting door Marokko wordt geïmplementeerd.
Klopt het dat de door Marokko bezette Westelijke Sahara uitgesloten is van het EU-vrijhandelsverdrag met Marokko?
Nee. Het beoogde diepgaand en veelomvattend vrijhandelsakkoord, waarover de onderhandelingen nog niet zijn afgerond, zal betrekking hebben op het grondgebied van Marokko. Dat staat niet in de weg dat Marokko – als de facto beherende macht – afspraken uit het akkoord kan toepassen op de Westelijke Sahara, mits de in het antwoord op vraag 3 genoemde voorwaarde in acht wordt genomen.
Indien de EU-richtlijnen consequent worden toegepast, zou dat er dan toe moeten leiden dat de Marokkaanse bezetting van de Westelijke Sahara niet dient te worden ontzien?
Zie de antwoorden op vraag 2,3 en 4.
Hoe beoordeelt u het EU-beleid inzake de Westelijke Sahara in het licht van het beleid aangaande bezette gebieden elders en in het algemeen?
Als de facto beherende macht is het Marokko in beginsel toegestaan afspraken te maken met derde staten met betrekking tot economische activiteiten in de Westelijke Sahara, bijvoorbeeld op het gebied van handel of visserij. Die afspraken dienen dan wel in overeenstemming met eerdergenoemde voorwaarde ten aanzien van de behoeften, belangen en voordelen van de oorspronkelijke bevolking te worden uitgevoerd. Het huldigen van dit principe is van belang om het recht op zelfbeschikking van oorspronkelijke bewoners te kunnen respecteren. In dit kader zet het kabinet bij overeenkomsten tussen de EU en Marokko in op concrete afspraken die verzekeren dat de activiteiten in overeenstemming met het internationaal recht zullen worden uitgevoerd.
De gevolgen van het onderzoek dat de curatoren van het failliete Econcern hebben uitgevoerd voor de directie van Typhoon |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het onderzoeksverslag van de curatoren van het failliete Econcern dat op woensdag 11 december 2013 werd gepubliceerd en de berichtgeving hierover?1
Ja.
Deelt u de mening dat de uitkomst van dit onderzoeksverslag en de in dit verslag door beide curatoren van Econcern aangekondigde vervolgonderzoeken mogelijk schadelijk kunnen zijn voor het huidige management van Typhoon, dat bijna geheel uit ex-managers van Econcern bestaat? Zo nee, waarom niet?
Over het onderzoeksverslag van curatoren heb ik geen mening. Het behoort tot de zorgplicht van curatoren om de boedel van Econcern te vereffenen. Over hun bevindingen gaan zij zelf. Op hun handelen is toezicht van de zijde van de rechter-commissaris. Curatoren zullen zich ongetwijfeld bij betrokkenen melden indien zij van mening zijn dat voormalig bestuurders of commissarissen aansprakelijk gesteld moeten worden.
Wat is uw reactie op het door beide curatoren ingestelde diepgaand onderzoek naar de gangen van de toenmalige directeur van Econcern, waaruit is gebleken dat deze een gedeputeerde van de Provincie Noord Holland heeft omgekocht in een poging geld van de provincie los te krijgen om het bedrijf Darwind gunstig bij de Provincie te stemmen?
Zie antwoord vraag 2.
De ex-directeur van Econcern is nu directeur van het door hem opgerichte bedrijf Typhoon, dat bouwplannen heeft om ten noorden van Schiermonnikoog twee windmolenparken te bouwen; bent u bereid door het Openbaar Ministerie of de FIOD bij Typhoon een uitvoerig forensisch financieel onderzoek te laten verrichten naar mogelijk vergelijkbare omkopingsgevallen door leden van het managementteam van Typhoon? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er is geen reden voor een bijzonder onderzoek.
Overigens blijkt uit mediaberichten2 dat het belang dat Typhoon Offshore B.V. heeft in de vennoten van Buitengaats CV en ZeeEnergie CV naar verwachting binnenkort zal worden afgestoten bij het bereiken van de zogenaamde financial closure.
In hoeverre komt de toegezegde subsidie van 4,5 miljard euro in gevaar indien blijkt dat één of meerdere managers van Typhoon, die voorheen de directie voerden bij Econcern, zich mogelijk te buiten zijn gegaan aan het plegen van strafbare feiten en daarmee hun integriteit te grabbel hebben gegooid?
De toegezegde subsidie komt niet in gevaar.
In de periode van 4 januari 2010 tot 1 maart 2010 konden partijen die over een Wbr-vergunning (vergunning in het kader van de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken) beschikten voor de realisatie van een windpark op zee een aanvraag indienen voor de SDE tender Windenergie op Zee 2009. In totaal zijn er voor twaalf locaties vergunningen afgegeven aan Nederlandse ondernemingen en ondernemingen gevestigd in andere EU-landen. Op 1 maart zijn er 16 aanvragen voor SDE-subsidie ontvangen voor 10 locaties. Na rangschikking van de aanvragen is bij datum van 12 mei 2010 ten behoeve van twee windparken een subsidiebeschikking afgegeven aan Buitengaats CV en ZeeEnergie CV. De subsidiebeschikkingen maken het mogelijk dat Buitengaats CV over een periode van maximaal 15 jaar nadat de productie van duurzame elektriciteit is gestart een subsidie ontvangt tot maximaal € 2.188.926.689 en dat ZeeEnergie CV een subsidie ontvangt van maximaal € 2.206.852.320.
Uiteraard is mij bekend dat de aandelen in de vennoten van de beide CV’s door Bard, een Duitse ondernemer, in augustus 2011 zijn overgedragen aan Typhoon Offshore BV en N.V.HVC, beide Nederlandse vennootschappen. Deze aandelentransactie heeft echter geen enkel gevolg voor de SDE-subsidie; de subsidiegerechtigden blijven derhalve ongewijzigd Buitengaats CV en ZeeEnergie CV.
De subsidie wordt alleen verstrekt bij productie en levering van duurzaam geproduceerde elektriciteit. De subsidiestroom komt zoals het er nu naar uit ziet voor het eerst op gang in 2016. Mocht de installatie niet worden voltooid en er geen stroom geleverd worden dan zal er geen subsidie naar de betrokken CV’s vloeien.
Bent u bereid, hangende de uitkomst van een onderzoek naar mogelijke malversaties door leden van het management van Typhoon, alle subsidieverlening aan het bedrijf op te schorten totdat onomstotelijk is vastgesteld dat zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan? Zo nee, waarom niet?
De subsidiebeschikkingen zijn verstrekt op 12 mei 2010 aan ZeeEnergie CV en Buitengaats CV. Er is op dit moment geen reden om deze subsidiebeschikkingen aan te passen. Zoals hierboven aangegeven vindt daadwerkelijke uitkering van subsidiegeld waarschijnlijk vanaf 2016 plaats.
Deelt u de mening, gezien het belang van het recht voor de samenleving, dat het recht in dit geval moet prevaleren boven dwingend opgelegde klimaatregels uit Brussel? Zo nee, waarom niet?
Indien er voor Nederland dwingend regels voortvloeien uit het Europees recht maken deze deel uit het Nederlands recht.
Het bericht dat de aanleg van glasvezel in Caribisch Nederland twee keer duurder is dan begroot en volledig door de Nederlandse belastingbetaler wordt betaald |
|
André Bosman (VVD), Aukje de Vries (VVD), Bart de Liefde (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kan de regering toelichten waarom de aanleg van internet in Caribisch Nederland twee keer duurder is dan begroot in 2008? Kan de regering toelichten waarom er zo slecht begroot is?1
De uiteindelijke kosten liggen met € 8,9 mln. hoger dan de begrote aanlegkosten ($ 8,8 mln. / € 6,4 mln.), er is geen sprake van een verdubbeling van het budget.
BZK heeft naast de aanlegkosten tevens middelen beschikbaar gesteld voor de zekerstelling van de kabel (snelle reparatie bij bijvoorbeeld kabelbreuken) en het operationeel werkend opleveren van de kabelinfrastructuur. Zonder deze investeringen zou de kabel er wel liggen maar zou deze nog niet of nauwelijks kunnen worden gebruikt. Daarbij zou het kapitaalvernietiging zijn indien de kabel in de toekomst door schade niet meer bruikbaar zou zijn. De structurele beheer- en ontwikkelingskosten van de zeekabel worden in de exploitatie van Saba Statia Cable System (SSCS) B.V. gedekt.
Met de extra middelen is onder meer een dubbele aanlanding gerealiseerd op ieder eiland om zo de betrouwbaarheid van het systeem (extra redundantie) te vergroten. Verder is geïnvesteerd in een betere bescherming van de kabel. Ook is de route van de kabel gewijzigd om de impact op het milieu te minimaliseren. Met deze middelen zijn eveneens reserveonderdelen aangeschaft. Verder zijn enkele noodzakelijke aanpassingen bekostigd in de infrastructuur op de eilanden zelf om de lokale verbindingen tussen de zeekabel en betrokken operators tot stand te brengen.
In de begroting van BZK van 2011, 2012 en 2013 zijn de uitgaven aan de zeekabel opgenomen. De uitgaven aan de zeekabel zijn ten laste gekomen van begrotingsartikel 2.2 (bevorderen autonomie) van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties.
Ook bent u middels de jaarverslagen van BZK over 2011, 2012 en 2013 hierover geïnformeerd. Met mijn brief van 9 december 2013 (kenmerk 2013–0000741393) heb ik u meer specifiek geïnformeerd over de uitgaven aan de zeekabel en de projecten en investeringen die zijn gedaan.
Waarom heeft Nederland, in afwijking met de afspraken uit 2008, aanvullende werkzaamheden c.q. uitgaven voor zijn rekening genomen? Is de Kamer hierover geïnformeerd c.q. om toestemming gevraagd? Uit welke stukken blijkt dat?
Zie antwoord vraag 1.
Is de regering van mening dat een verdubbeling van het beschikbare budget een wel erg grote overschrijding is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft de regering dit budget dan toch verdubbeld?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel bestaande internetaansluitingen profiteren van deze investering van € 8,9 mln? Hoeveel nieuwe aansluitingen verwacht de regering in de komende vijf jaar?
Allereerst dient te worden gezegd dat het doel van de zeekabel is om de eilanden als geheel een betere breedbandige aansluiting te geven tot het internet. Daarbij wordt een strategische en fundamentele impuls gegeven aan de maatschappelijke, sociale en economische ontwikkeling van Saba en Sint Eustatius.
Het betreffen geografisch gezien redelijk geïsoleerde eilanden, waar de inwoners beperkte mogelijkheden hebben om kennis en informatie te delen/verwerven of (online) economische activiteiten te ontwikkelen. Verdere ontsluiting kan in deze situatie verbetering brengen. Daarnaast is er sprake van ligging in de orkaanzone die goede en betrouwbare telecommunicatie cruciaal maakt voor hulpverlening in noodsituaties.
Het verder brengen van het voordeel van de zeekabel naar de burgers en bedrijven op de eilanden is een zakelijke afweging en ligt primair bij de lokale aanbieders zelf. In theorie zouden in totaal 2.000 tot 2.500 internetaansluitingen op beide eilanden van de zeekabel kunnen profiteren. Met de voorgenomen infrastructurele verbeteringen en mogelijke ontwikkelingen op dit terrein (vast en mogelijk ook mobiel) kan het aantal aansluitingen de komende jaren toenemen. Over het aantal aansluitingen kan echter (nog) niets worden gezegd.
Daarnaast is internettoegang slechts een deel van het potentieel dat de kabel te bieden heeft. Het gaat ook om het vergroten van de betrouwbaarheid van andere communicatie-middelen zoals vaste en mobiele telefonie en televisie. Ook wordt de zeekabel door de rijksoverheid zelf gebruikt bij het uitvoeren van haar taken op de eilanden. Een goed voorbeeld hiervan is de recent gehouden hurricane exercise (oefening) onder regie van Defensie.
Welke jaarlijkse exploitatiekosten verwacht de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als 100% aandeelhouder van staatsbedrijf Saba Statia Cable System (SSCS BV) te maken? Welke opbrengsten staan daar tegenover?
De exploitatiekosten worden gefinancierd met de opbrengsten van de kabel. Een deel van het kabelsysteem is reeds operationeel. Hiervoor worden inmiddels operationele kosten gemaakt. Deze kosten worden momenteel via de administratie van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) verrekend. Inschatting van deze kosten over 2013 is circa € 365.000. De geplande inkomsten zijn de vergoedingen van de gebruikers van de kabel en die zijn geraamd op eveneens € 365.000 over 2013. De administratie hiervan wordt overgedragen aan de SSCS BV.
De SSCS B.V. heeft geen winstoogmerk. Op basis van de kosten zullen jaarlijks de verrekentarieven voor IP transit (gebruik van de kabel) worden aangepast. Het voorziene kostenniveau tot en met 2015 wordt gedekt met de geplande inkomsten uit het leveren van IP transit aan de gebruikers.
Is de regering van mening dat alle inwoners van het Koninkrijk recht hebben op toegang tot breedbandinternet, onafhankelijk van hun woonplaats? Zo ja, is de regering dan bereid financieel bij te dragen aan de aanleg van een breedbandinternetverbinding van minimaal 1,5 Mb in de buitengebieden van Nederland, waar zo’n 167.000 huishoudens nog niet zijn aangesloten? Zo nee, waarom niet?
De regering acht het belang van toegang tot breedbandverbindingen vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt groot voor Nederland. Nederland heeft een goede uitgangspositie voor de ontwikkeling naar (super) snelle breedbandtoegang.
In uw vraag legt u echter een relatie tussen de situatie in de Nederlandse buitengebieden en de bijzondere positie (met eigen wet- en regelgeving) van de eilanden. Deze zaken zijn op een aantal essentiële punten niet te vergelijken en dienen separaat van elkaar te worden bezien.
Voor de Nederlandse buitengebieden geldt in de praktijk dat iedereen reeds toegang heeft tot basisbreedband van gemiddeld 10 Mb, via de vaste infrastructuur, draadloos via mobiele netwerken maar ook via de satelliet. Provincies en gemeenten hebben een taak om toegang tot snellere netwerken te stimuleren in hun regio. Dat doen ze ook. Uitgebreider wordt op de situatie in de buitengebieden ingegaan in de brief over breedband van 16/12/13 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 637, nr. 97).
De inwoners van Saba en Sint Eustatius kunnen in de praktijk door het Besluit opgedragen diensten voor vaste telefonie op dit moment via de vaste infrastructuur beschikken over een internetaansluiting van 1Mb (dit was zonder de zeekabel 512 kb). De lokale aanbieders werken reeds zelf aan het verbeteren van hun vaste infrastructuur waardoor de internetsnelheden kunnen toenemen. Daarmee kan de VN doelstelling van 1.5 Mb op termijn worden gehaald.
De zeekabel biedt een opmaat voor het behalen van voorgenomen resultaten zoals goede, breedbandige internetverbinding en continuïteit. Zoals bij het antwoord op vraag 4 aangegeven ligt het verder brengen van het voordeel van de zeekabel naar de eindgebruikers (aansluitingen van huishoudens) bij de lokale aanbieders zelf. De regering is dan ook niet van plan financieel bij te dragen aan de aanleg van breedbandinternetverbindingen. Wel is de regering bereid mee te denken over oplossingen om eventuele knelpunten in de (deels nog sterk verouderde) netwerken op te lossen.
Heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overleg gevoerd met de minister van Economische Zaken over het «gratis» aansluiten van Caribisch Nederland op breedbandinternet? Zo ja, wanneer in de afgelopen 6 jaar is dat gebeurd? Welke besluiten zijn in deze tijd genomen en waarom?
Er is geen sprake van gratis aansluiten van Caribisch Nederland op breedbandinternet. Voor het gebruik van de capaciteit van de zeekabel wordt gewoon betaald door de telecomaanbieders en (uiteindelijk ook) de eindgebruikers.
In de startfase van het project (2009) is op ambtelijk niveau tussen BZK en EZ besproken dat de prioriteit ligt bij het ontsluiten van de eilanden op het internationale netwerk. Over het verder brengen van het potentieel van de zeekabel naar de huishoudens zijn geen afspraken gemaakt daar dat een primaire verantwoordelijkheid is van de lokale operators (concessiehouders).
Waarom is het aangaan van een nieuwe deelneming niet conform de Comptabiliteitswet door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het parlement voorgelegd? Kan deze minister toezeggen dit alsnog conform de normale procedure te doen?
De aandelen zouden in de eerste instantie kort na de aanleg van de kabel en de oprichting van de BV worden overgedragen aan de openbare lichamen. Materieel zou er dan geen sprake zijn van het (doen) oprichten door de staat. Inmiddels is gebleken dat de overdracht van de aandelen aan de openbare lichamen vertraging heeft opgelopen. Daardoor is ten onrechte artikel 34 CW niet juist toegepast. Met mijn brief van 9 december jl. heb ik beoogd zoveel mogelijk, zij het achteraf, aan te sluiten bij de normale procedure van artikel 34.
Waarom is of wordt in dit geval gekozen voor een deelneming, hoewel het kabinet zelf vindt dat het aandeelhouderschap niet het eerst aangewezen instrument is om publieke belangen te borgen?
De wet- en regelgeving die op de eilanden geldt is door de internationale aard van de zeekabel niet van toepassing. Daarbij is gebleken dat bestaande lokale (markt)partijen op dit moment nog onvoldoende in staat zijn een internationale zeekabel te beheren en exploiteren.
Het belang van de kabel voor de openbare lichamen, de rijksoverheid en de burgers van de eilanden is dusdanig groot dat ik een verantwoorde overdracht van de aandelen aan de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius tot mijn verantwoordelijkheid reken. Tijdens het aandeelhouderschap van de Staat zullen de toekomstige aandeelhouders (zijnde de eilandgebieden Saba en St Eustatius) worden getraind en opgeleid in het beheer en exploitatie van de onderneming. Op basis van concrete (publieke) doelstellingen zoals internetpenetratie en betaalbaarheid van breedbandverbindingen conform de ITU2015 targets zal het tempo van overdracht nader worden vastgesteld.
Verder is de dienstverlening van RCN in belangrijke mate afhankelijk van het goed functioneren van de telecommunicatie infrastructuur.
Tot slot worden de structurele beheer- en ontwikkelingskosten van de zeekabel zoals eerder beschreven, in de exploitatie van SSCS B.V. gedekt.
Waarom kunnen de publieke belangen in dit geval niet op andere manieren, zoals via wet- en regelgeving, geborgd worden?
Zie antwoord vraag 9.
Welke aantoonbaar dwingende redenen zijn er in dit geval voor het participeren in een vennootschap nu, niet alleen in het recent bekend gemaakte staatsdeelnemingenbeleid, maar ook in het staatsdeelnemingenbeleid van 2007, de lijn is dat er aantoonbaar dwingende redenen moeten zijn om de staat risicodragend te laten participeren in vennootschappen?
Naast het ontsluiten van Saba en Sint Eustatius op de internationale zeekabel infrastructuur gebruikt de rijksoverheid de zeekabel zelf ook voor de uitoefening van haar taken op de eilanden. Momenteel wordt in overleg met eilanden en de overige gebruikers zoals Defensie de beheersorganisatie vormgegeven. Pas nadat is gebleken dat de zeekabel zowel in financiële als technische zin in voldoende mate stabiel opereert, zal een overdracht van de verantwoordelijkheden aan de orde zijn. Daarnaast moet, zoals eerder vermeld bij antwoord 10, aan een aantal voorwaarden worden voldaan alvorens de overdracht plaatsvindt. Het onderbrengen van de zeekabel infrastructuur in een separate entiteit vergroot de transparantie en vergemakkelijkt de toekomstige (al dan niet) gefaseerde overdracht van de verantwoordelijkheid middels het overdragen van de aandelen in deze entiteit. In de nadere uitwerking wordt aangesloten bij de Nota Deelnemingenbeleid.
In hoeverre is in dit geval de volgende passage uit het staatsdeelnemingenbeleid van het kabinet van toepassing: «Een staatsdeelneming moet als vennootschap in staat zijn om een rendement te behalen op zijn producten of diensten, passend bij de risico's die met de ondernemingsactiviteiten gepaard gaan en waarbij de (financiële) continuïteit van de onderneming wordt gewaarborgd. Dit wil zeggen dat een zodanig rendement wordt behaald waarbij de onderneming zijn waarde behoudt, kan blijven investeren en zich zelfstandig kan financieren tegen acceptabele rente en voorwaarden. Als aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan ligt het onderbrengen van de activiteiten in de vennootschapsvorm niet voor de hand.»? Hoe moet dit gezien worden in relatie tot het feit dat SSCS BV geen winstoogmerk heeft?
De tarieven die de SSCS B.V. hanteert zijn kosten-georienteerd. Hierbij zal een opslag worden gehanteerd om de continuiteit van de zeekabel infrastructuur en de entiteit te waarborgen. Halfjaarlijks kunnen de gebruikertarieven worden aangepast aan de kostenontwikkeling. Geen winstoogmerk houdt voor de SSCS entiteit in dat er geen surplus naast de door de aandeelhouders vereiste opslag zal worden gehanteerd. Hierbij zal in de nadere uitwerking worden aangesloten bij de Nota Deelnemingenbeleid, waarin het aspect rendement nader is gedefinieerd.
Is de regering bereid deze vragen tijdig te beantwoorden, en uiterlijk één week voor het notaoverleg over het nieuwe staatsdeelnemingenbeleid op 3 februari 2014?
Ja