De besteding van de opbrengsten (€ 664 miljoen) van de veilingen van grenscapaciteit op het elektriciteitsnet |
|
Eddy van Hijum (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan Tennet heeft verzocht om duidelijkheid te bieden over de besteding van de opbrengsten (€ 664 miljoen) van de veilingen van grenscapaciteit op het elektriciteitsnet?1
Ja.
Kunt u aangeven welke voorstellen Tennet inmiddels heeft gedaan om de opbrengsten van de veilingen te laten terugvloeien naar consumenten en bedrijven; is dat via tariefsverlaging en/of investeringen? Met welk bedrag gaan de tarieven omlaag, dan wel om welke concrete investeringen gaat het?
Op basis van Europese regels2 is TenneT verplicht om de veilingopbrengsten aan te wenden voor drie doelen. TenneT moet de veilinggelden aanwenden voor de instandhouding en uitbreiding van de interconnectiecapaciteit met andere landen. Als er geen efficiënte besteding aan deze twee doelen mogelijk is, kunnen de veilingopbrengsten alleen worden gebruikt voor het derde doel: tariefsverlaging – onder voorbehoud van goedkeuring door ACM.
TenneT werkt op dit moment aan uitbreiding van de interconnectiecapaciteit: een nieuwe interconnector naar Denemarken (COBRA), een nieuwe interconnector naar Duitsland (Doetinchem-Wesel) en een verzwaring van een bestaande verbinding met Duitsland (Meeden-Dielen). Ten slotte wordt in samenhang met het project Zuid-West380 kV tevens de uitbreidingsmogelijkheid voor de interconnectiecapaciteit met België onderzocht. Voor de financiering van al deze projecten is TenneT voornemens gebruik te maken van de veilingopbrengsten.
De inkomsten van de veilinggelden zijn ondergebracht bij de Stichting Beheer Doelgelden Landelijk Hoogspanningsnet. Eind 2013 beheerde de stichting ongeveer € 600 mln aan veilinggelden. TenneT en ACM kwamen daarom vorig jaar tot het oordeel dat een deel van de opbrengsten van het veilen van haar grenscapaciteit kon worden ingezet voor het verlagen van de nettarieven. In het tarievenvoorstel voor 2014 is 87 miljoen in mindering gebracht op de toegestane tariefinkomsten van TenneT. Als gevolg daarvan zijn in 2014 de nettarieven lager.
In hoeverre overweegt Tennet om met de opbrengsten de leveringszekerheid in de 82 relatief kwetsbare «uitlopergebieden» te verbeteren, die voor hun stroomvoorziening afhankelijk zijn van één hoogspanningsverbinding en bij een stroomstoring niet op een snelle back-up van stroom kunnen rekenen?
Op basis van Europese regelgeving is TenneT verplicht om de veilinggelden aan te wenden voor investeringen die samenhangen met de interconnectiecapaciteit of voor verlaging van de nettarieven. Het versterken van uitlopers kan dus niet worden gefinancierd met opbrengsten uit veilingopbrengsten van grenscapaciteit.
Welke ambitie heeft Tennet om de leveringszekerheid in de uitlopergebieden (waarachter zich 29% van de Nederlandse afnemers bevindt) te verbeteren, in welk tempo en met welke concrete maatregelen?
In de Netcode Elektriciteit zijn eisen gesteld met het oog op o.a. de betrouwbaarheid van 110 kV en 150 kV hoogspanningsnetten. Om aan deze eisen te voldoen heeft TenneT in 2010 elf uitlopers geïdentificeerd die in aanmerking komen voor versterking. Dit programma is gericht op elf uitlopergebieden die nu of in de nabije toekomst een totale vraagbelasting vanaf 100 MW kennen.
Het betrof de uitlopers bij Westwoud, Rotterdam Ommoord, Rotterdam Centrum, Rotterdam Zuidwijk, Dordrecht Zuid, Arkel, Anna Paulowna, Alblasserdam, Tilburg Zuid, Eerde en Budel. Sindsdien is gebleken dat de uitloper bij Budel geen deel van het openbaar net is. Van de elf uitlopers die TenneT in 2010 heeft geïdentificeerd, resteren er dus tien.
TenneT heeft prioriteit gegeven aan uitlopers waar ook andere ontwikkelingen speelden, zoals benodigde uitbreiding van transportcapaciteit door een toename van productie. Het betreft hier de uitlopers bij Westwoud, Rotterdam Ommoord en Anna Paulowna. Daarnaast zijn plannen ontwikkeld en in gang gezet voor de uitlopers bij Alblasserdam, Tilburg Zuid en Eerde.
Het duurt vaak vijf tot zeven jaar voordat een verzwaring feitelijk is uitgevoerd. Hierbij speelt met name een rol dat het verwerven van vergunningen en het onderhandelen over grondposities meerdere jaren duurt. TenneT verwacht dat zij de eerste uitloper uiterlijk in 2017 en de laatste uiterlijk in 2021 heeft verzwaard.
In een aantal gevallen kan de leveringszekerheid in uitlopergebieden worden verbeterd door gebruik te maken van redundantie uit het middenspanningsnet. Deze oplossing wordt gebruikt om de leveringszekerheid op de uitlopers bij Rotterdam Centrum, Rotterdam Zuidwijk, Dordrecht Zuid en Arkel te verbeteren. In al deze gevallen is Stedin de regionale netbeheerder. De netontwerpen van TenneT en Stedin zijn op deze punten reeds met elkaar afgestemd waardoor het net daar voor een groot deel reeds redundant is. TenneT onderzoekt nu samen met Stedin hoe zij het netontwerp verder kan verbeteren.
Het bestaande programma van TenneT zal de leveringszekerheid voor een groot deel van de aangeslotenen op uitlopers in Nederland versterken. Wanneer andere uitlopers worden geïdentificeerd die groter zijn dan 100 MW, pakt TenneT die conform de Netcode Elektriciteit op.
Hoe ver is de uitvoering van het investeringsprogramma gevorderd dat is aangekondigd in 2010 om de kwetsbaarheid van elf uitlopergebieden te verminderen, waardoor het percentage afnemers dat achter een uitloper woont zou worden verlaagd naar 19%? Om welke gebieden gaat het precies?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u een actueel overzicht geven van de resterende uitlopergebieden, de kwetsbaarheid voor stroomuitval en de (potentiële) maatschappelijke schade die daarvan het gevolg is?
Het Kwaliteits- en Capaciteitsdocument van TenneT van 2013 (KCD) geeft een goed beeld hoe het net er inclusief de uitlopers voor staat. Sinds 2010 is één extra uitloper geïdentificeerd die groter is dan 100 MW: een uitloper bij Zaltbommel. TenneT werkt aan een plan om deze uitloper aan te pakken.
Uitlopergebieden zijn voor hun stroomvoorziening afhankelijk van één hoogspanningsverbinding die dubbel is uitgevoerd (conform het N-1 principe). In een uitlopergebied leidt gelijktijdige uitval van twee circuits tot een stroomstoring bij afnemers. Ondanks dat de kans op uitval in een uitlopergebied gelijk is aan andere gebieden, bestaat er een grotere kans dat een incident leidt tot stroomuitval en duurt deze doorgaans langer. Het grootste deel van het hoogspanningsnet bestaat uit ringstructuren. Het netwerk is dan minder kwetsbaar voor stroomstoringen. Deze ringen zorgen namelijk voor vermazing van het net waardoor bij een storing in één dubbelcircuit-verbinding geen langdurige stroomuitval ontstaat.
De maatschappelijke schade van stroomuitval is in de afgelopen jaren verschillende keren onderzocht. In opdracht van TenneT is in 2004 een onderzoek uitgevoerd door Stichting Economisch Onderzoek (SEO) naar de maatschappelijke kosten van stroomuitval in relatie tot het versterken van uitlopergebieden. Het onderzoek is geactualiseerd in 2009. In 2012 is de schade door stroomuitval in opdracht van NMa onderzocht door Blauw. Dit onderzoek gaat overigens niet in op investeringen in uitlopers.
De uitkomst van het onderzoek van SEO is per brief aan uw Kamer toegelicht.3 Het onderzoek van Blauw kunt u terugvinden op de website van Autoriteit Consument en Markt4.
Bent u bereid om zich er bij Tennet voor in te zetten dat een deel van de veilingopbrengsten wordt ingezet voor een aanvullend investeringsprogramma om de leveringszekerheid voor huishoudens en bedrijven in uitlopergebieden te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Modernisering van de liquidatieverliesrekening |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Hoog tijd voor modernisering liquidatieverlies-rekening»?1
Ja.
Wat vindt u van de stelling dat een doorstart van in zwaar weer verkerende activiteiten, en het verstrekken van extra aandeelhoudersfinanciering om een moeilijke periode door te komen, worden ontmoedigd door de huidige regelgeving?
Zie antwoord 4.
Wat vindt u van de uitspraak dat bij de huidige regelgeving een liquidatie van een dochtervennootschap leidt tot een fiscale bonus, en dat bovendien een prikkel bestaat om niet alleen de in zwaar weer verkerende activiteiten te beëindigen, maar ook de eventuele andere activiteiten van de betreffende dochtervennootschap te staken of over te dragen buiten de groep?
Zie antwoord 4.
Deelt u de mening dat onnodige liquidaties niet moeten worden gestimuleerd, maar moeten worden tegengegaan om daarmee onnodige vernietiging van kapitaal en werkgelegenheid te voorkomen?
De liquidatieverliesregeling vormt een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat winsten binnen een concern slechts eenmaal worden belast. Op grond van de deelnemingsvrijstelling worden de voordelen uit een dochtermaatschappij (door de dochtermaatschappij uitgedeelde winsten, alsmede positieve en negatieve waardeveranderingen van die dochtermaatschappij) niet bij de moedermaatschappij in de belastingheffing begrepen, omdat de winsten (of verliezen) reeds bij de dochtermaatschappij in de heffing zijn betrokken. Verliezen van de dochtermaatschappij c.q. negatieve waardeveranderingen van de dochtermaatschappij kunnen op grond van de deelnemingsvrijstelling dus niet bij de moedermaatschappij in aanmerking worden genomen. Met de liquidatieverliesregeling wordt voorkomen dat bij liquidatie een verlies noch bij de ontbonden dochtermaatschappij, noch bij de moedermaatschappij in aanmerking zou kunnen worden genomen en het verlies op een investering dus (fiscaal) voor het concern verloren gaat.2 De aftrekbaarheid van een liquidatieverlies is hierbij gegrond op de gedachte dat bij liquidatie voorgoed de mogelijkheid verloren gaat de verliezen van de geliquideerde maatschappij nog met winsten van haarzelf te compenseren.3 Bij de vormgeving van de liquidatieverliesregeling is bewust gekozen voor een robuuste regeling die goed uitvoerbaar is.
Een wezenlijk onderdeel van de liquidatieverliesregeling vormt het «niet-voortzettingsvereiste». Door dit vereiste kan het liquidatieverlies nog niet worden genomen indien een deel van de onderneming (van de geliquideerde dochtermaatschappij) binnen concern wordt voortgezet. Dit vereiste is opgenomen omdat de liquidatieverliesregeling tot doel heeft een tegemoetkoming te bieden in de situatie «dat de desbetreffende vennootschap wordt geliquideerd omdat de daarin uitgeoefende activiteit niet succesvol is gebleken».4 Indien het niet-voortzettingsvereiste zou worden losgelaten, wordt het aan de vrije keuze van de belastingplichtige overgelaten of hij de bij (gedeeltelijke) voortzetting van de activiteiten normaliter toepasbare verliescompensatiemogelijkheden bij de dochtermaatschappij wil benutten (door de dochtermaatschappij te laten voortbestaan), dan wel of hij «tussentijds» een liquidatieverlies wil nemen (door de dochtermaatschappij te liquideren, terwijl de activiteiten die door de dochtermaatschappij werden uitgevoerd (gedeeltelijk) worden voortgezet binnen het concern). Dit laatste is niet wenselijk, omdat niet de onderneming maar slechts de juridische huls is geliquideerd; materieel gezien is er niets veranderd (de onderneming wordt immers voortgezet).5 Het niet-voortzettingsvereiste is daarom opgenomen om willekeur en misbruik te voorkomen.
Uiteraard deel ik in algemene zin het standpunt dat onnodige liquidaties niet moeten worden gestimuleerd en dat onnodige vernietiging van kapitaal en werkgelegenheid moet worden voorkomen. De liquidatieverliesregeling is een tegemoetkoming voor belastingplichtigen en stimuleert in beginsel werkgelegenheid en investeringen doordat winsten op de investering (voordelen uit de dochtermaatschappij) zijn vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling, terwijl een eventueel verlies bij liquidatie (onder voorwaarden) wel kan worden genomen. Mij is niet gebleken dat het niet-voortzettingsvereiste in de praktijk aanleiding geeft tot veel discussie. Ook hebben mij tot nu toe geen signalen bereikt dat belastingplichtigen zich genoodzaakt zien activiteiten te beëindigen omwille van een liquidatieverlies, terwijl men die activiteiten had willen voortzetten.
In dit verband wijs ik er, wellicht ten overvloede, op dat er tegemoetkomend beleid is ontwikkeld ten aanzien van het niet-voortzettingsvereiste, zodat in gevallen waar minder dan 5% van de activiteiten wordt voortgezet het liquidatieverlies kan worden genomen (mits aan de overige voorwaarden is voldaan).6 Daarnaast is er in artikel 13e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geregeld dat bij voortzetting binnen concern het liquidatieverlies in beginsel niet verloren gaat. Verder kan in geval van een belang van ten minste 95% in een binnenlands belastingplichtige dochtermaatschappij gebruik worden gemaakt van de fiscale eenheid, waardoor de verliezen van een dochtermaatschappij direct bij de moedermaatschappij in aanmerking kunnen worden genomen.7 Het voortzetten van activiteiten binnen fiscale eenheid c.q. in de moedermaatschappij na liquidatie van de dochtermaatschappij binnen de fiscale eenheid vormt daarbij geen beletsel. Mochten bovenstaande mogelijkheden geen soelaas bieden dan kan de belastingplichtige de activiteiten voortzetten in de bestaande vennootschap en als gevreesd wordt dat met deze activiteiten niet de gehele verliezen van de dochtermaatschappij kunnen worden ingelopen, staat het een concern vrij om (binnen de kaders van de wet) andere winstgevende activiteiten in de entiteit te ontplooien.
Wat vindt u van het voorstel om voor het niet-voortzettingsvereiste een pro rata benadering te hanteren, zodat het voortzetten van een deel van de onderneming niet langer een volledig verlies van de aftrek betekent?
Zie antwoord 7.
Waarom is er voor gekozen om het te verrekenen liquidatieverlies afhankelijk te laten zijn van de prijs waarvoor aandelen in de dochtermaatschappij worden verkocht? Deelt u de mening dat dit een veel hogere of lagere tegemoetkoming voor verliezen kan opleveren dan op basis van de daadwerkelijke geleden verliezen het geval zou zijn? Vindt u dit onwenselijk? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
In de eerste plaats wordt aansluiting gezocht bij het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag omdat dit bedrag na aftrek van het totaal van liquidatie-uitkeringen grosso modo het bedrag is waarvoor door het concern een verlies is geleden. Het sluit aan bij de ratio van de deelnemingsvrijstelling dat winsten en verliezen van een concern slechts eenmaal voor de vennootschapsbelasting in aanmerking dienen te worden genomen. Het is mogelijk dat de dochtermaatschappij meer verliezen heeft, maar deze kunnen bijvoorbeeld ook uit interne leenverhoudingen voortvloeien. Indien deze onbetaald blijven zullen de crediteuren van de dochtermaatschappij dit verlies in beginsel fiscaal in aanmerking kunnen nemen. Er is dan geen reden om dit verlies ook bij de moedermaatschappij (nogmaals) in aanmerking te nemen.
Ten tweede is destijds aansluiting gezocht bij het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag omdat het aansluiten bij de daadwerkelijk geleden verliezen van de dochtermaatschappij praktische bezwaren oplevert.8 Als wordt aangesloten bij de daadwerkelijk geleden verliezen van de dochtermaatschappij worden mogelijk verliezen overgenomen uit het buitenland die, indien de dochtermaatschappij in Nederland was gevestigd, nooit in aanmerking zouden worden genomen.
Op grond van het bovenstaande zie ik geen aanleiding de liquidatieverliesregeling op dit punt aan te passen.
Hoe beoordeelt u de aanbeveling om verliesneming ook zonder liquidatie mogelijk te maken?
Bij de vormgeving van de liquidatieverliesregeling is gekozen voor een robuuste regeling waarbij een van de uitgangspunten is dat voorkomen moet worden dat een belastingplichtige naar eigen invulling kan bepalen wanneer en op welk niveau het nemen van een fiscaal (liquidatie)verlies gewenst is, terwijl er materieel niets verandert. Het strookt niet met dit uitgangspunt om een pro rata benadering toe te staan dan wel verliesneming zonder liquidatie mogelijk te maken.
Daarbij is de liquidatieverliesregeling zo vormgegeven om misbruik, onder meer in de vorm van dubbele verliesverrekening, te voorkomen. Naar mijn mening zal zowel de mogelijkheid van verliesneming zonder liquidatie als de pro rata benadering misbruik eerder mogelijk maken en de eenvoud van de regeling niet ten goede komen, met extra uitvoeringslasten tot gevolg.
Het mogelijk maken van verliesneming zonder liquidatie is daarbij een inbreuk op de ratio van de deelnemingsvrijstelling. Hierbij wijs ik tevens op het met ingang van 1 januari 2006 afschaffen van artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op grond waarvan het mogelijk was om een afwaarderingsverlies op een deelneming te nemen (gedurende de eerste vijf jaren na de verwerving van de deelneming). Reden voor deze afschaffing was het consequenter en eenvoudiger maken van de deelnemingsvrijstelling en een positief budgettair effect (om daarmee het vennootschapsbelastingtarief te verlagen).9
Bent u bereid om de huidige liquidatieverliesrekening te herzien? Bent u bereid daarbij te onderzoeken hoe de liquidatieverliesrekening zo optimaal mogelijk kan worden vormgegeven om prikkels te geven die het bedrijfsleven stimuleren?
De liquidatieverliesregeling is een tegemoetkoming voor belastingplichtigen in deelnemingssituaties die bij liquidatie van de deelneming een verlies op die deelneming hebben geleden. Bij de totstandkoming van de regeling is een afweging gemaakt tussen enerzijds het in aanmerking nemen van een door een belastingplichtige reëel geleden verlies en anderzijds eenvoud, uitvoerbaarheid en het voorkomen van misbruik. Een verdere verruiming van de tegemoetkoming zou niet alleen tot een budgettaire derving leiden, maar zet ook de deur open voor mogelijk misbruik en het dubbel in aanmerking nemen van verliezen. Ik zie dan ook onvoldoende aanleiding de huidige liquidatieverliesregeling op dit punt te herzien.
Het bezorgen van pakketten op zondag door PostNL |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat PostNL pakketten ook op zondag gaat bezorgen?1
Ja.
Vindt u het een gewenste ontwikkeling dat de zondag steeds meer ingeschakeld wordt als werkdag, waardoor steeds meer mensen op zondag moeten werken en het karakter van de zondag als bijzondere en vrije dag afbreuk wordt gedaan?
Leef- en arbeidspatronen wijzigen, evenals consumentenvoorkeuren, en daarmee kunnen ook de daaraan verbonden afspraken veranderen. Bijzondere werkdagen of werktijden en welke specifieke aanvullende beloningen daarbij passen worden bepaald in collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) door cao-partijen (werkgevers en vakbonden). De overheid is daarbij geen partij. Op grond van de Arbeidstijdenwet heeft arbeid op zondag een bijzondere positie. Arbeid op zondag is alleen toegestaan als dat voortvloeit uit de aard van de arbeid of als de bedrijfsomstandigheden daartoe nopen en er toestemming is van zowel de Ondernemingsraad en/of de personeelsvertegenwoordiging als van de individuele werknemer. In artikel 670 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is expliciet geregeld dat weigering om op zondag te werken, niet mag leiden tot ontslag.
Is het wettelijk toegestaan om gekochte goederen op zondag af te leveren of te laten leveren bij particulieren en hoe verhoudt zich dit tot onder meer artikel 6 van de Zondagswet?
Op grond van artikel 6 van de Zondagswet is het verboden om op zondag door arbeid in beroep of bedrijf zonder genoegzame reden de openbare rust te verstoren. PostNL start, in samenwerking met webwinkel Coolblue, vanaf 31 augustus 2014 met een proef waarbij consumenten kunnen aangeven dat zij hun pakket op zondag willen ontvangen. Of er dan sprake is van verstoring van de zondagsrust in de zin van voornoemde bepaling zal in een voorkomend geval door de rechter moeten worden bepaald. In de Winkeltijdenwet zijn eisen gesteld aan de openingstijden van winkels waar koop en verkoop van goederen plaatsvindt en aan de tijden waarop in de uitoefening van een bedrijf goederen worden aangeboden of verkocht aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren. Pakketbezorging is een vorm van dienstverlening en valt buiten de toepassing van de Winkeltijdenwet.
Hoe verhoudt het voornemen van PostNL zich tot de Winkeltijdenwet, op grond waarvan het in principe verboden is om op zondag in een winkel of op een andere wijze goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan particulieren?
Zie antwoord vraag 3.
Indien er op dit moment onvoldoende wettelijke regels zijn om dit te voorkomen, bent u dan bereid om de wettelijke maatregelen voor te stellen die nodig zijn om het karakter van de zondag als collectieve dag van rust te beschermen?
Nee, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kunnen leef- en arbeidspatronen wijzigen, evenals consumentenvoorkeuren. PostNL denkt dat pakketbezorging op zondag een goede optie kan zijn voor mensen die doordeweeks vaak niet thuis zijn. Ik vind het goed dat consumenten deze optie krijgen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat niet iedereen behoefte heeft aan deze optie.
Wat betekent dit voornemen van PostNL voor de werknemers en onderaannemers die voor dit bedrijf werken?
Op grond van de Postwet 2009 is PostNL verplicht om op maandag rouw- en medische post te bezorgen. Voor een goede uitvoering van deze verplichting is het voor PostNL noodzakelijk om deze poststromen op zondag te collecteren. De voorgenomen pakketbezorging op zondag zal vooralsnog nagenoeg uitsluitend worden verzorgd door de personen die momenteel de rouw- en medische post op zondag collecteren. Voor ZZP’ers heeft het al dan niet werken op zondag geen contractuele gevolgen; ZZP’ers bepalen zelf of zij op zondag willen werken of niet. Voor medewerkers in dienst van PostNL zijn over het werken op zondag afspraken vastgelegd in een cao. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft arbeid op zondag daarbij een bijzondere positie (op grond van de Arbeidstijdenwet) en is in het Burgerlijk Wetboek expliciet geregeld dat weigering om op zondag te werken niet mag leiden tot ontslag.
Welke wettelijke of andere mogelijkheden hebben zij om te weigeren op zondag voor dit bedrijf te werken, zonder dat dit voor hen arbeidsrechtelijke of contractuele gevolgen heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt voorkomen dat werknemers of onderaannemers die niet op zondag willen werken gedupeerd worden, doordat zij niet in dienst genomen worden of er met hen geen contract afgesloten wordt?
Zie antwoord vraag 6.
Indien er geen wettelijke mogelijkheden zijn om het bezorgen van pakketten op zondag tegen te gaan, hoe wordt dan gegarandeerd dat dit voornemen niet ten koste gaat van de gemeentelijke autonome bevoegdheid om de winkeltijden op zondag in hun gemeente vast te stellen?
Op basis van de Winkeltijdenwet zijn gemeenten bevoegd om in hun gemeente regels te stellen over de openingstijden van winkels op zondag. Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 4 is de Winkeltijdenwet niet van toepassing op pakketbezorging, omdat pakketbezorging een vorm van dienstverlening betreft. Er zijn geen algemene regels gesteld over de mogelijkheid tot dienstverlening op zondag. In beginsel kan een gemeente in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) regels stellen met betrekking tot (onder meer) verstoring van de openbare orde of veiligheid. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en is ter beoordeling aan de desbetreffende gemeente. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat een activiteit als pakketbezorging op zondag een zodanige uitstraling heeft in het publieke domein dat dit het stellen van regels bij APV rechtvaardigt. Het is echter aan de rechter om dat in een voorkomend geval te beoordelen.
Welke mogelijkheden hebben gemeenten dan om bezorging op zondag via de algemene plaatselijke verordening, de winkeltijdenverordening of op andere wijze tegen te gaan, omdat zij grote waarde hechten aan het behoud van de zondag als collectieve dag van rust?
Zie antwoord vraag 9.
Welke garanties zijn er dat mensen, die via webwinkels goederen bestellen en die niet willen dat deze goederen bij hen op zondag afgeleverd worden, kunnen aangeven dat zij bezorging op een andere dag willen laten plaatsvinden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 vind ik het goed dat consumenten, indien zij daar behoefte aan hebben, de optie krijgen om op zondag pakketten in ontvangst te nemen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat niet iedereen behoefte heeft aan deze optie. Bij de betreffende proef van PostNL moet een consument bij het bestellen van een product zelf actief aangeven dat hij of zij het product op zondag wil ontvangen. PostNL heeft aangegeven dat, indien een consument die gebruik maakt van deze optie niet thuis is op zondag, het pakket niet bij de buren zal worden bezorgd. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft arbeid op zondag op grond van de Arbeidstijdenwet een bijzondere positie en is in het Burgerlijk Wetboek expliciet geregeld dat weigering om op zondag te werken niet mag leiden tot ontslag.
Bent u bereid in gesprek te gaan met PostNL om te voorkomen dat dit voornemen wordt uitgevoerd danwel dat er goede garanties zijn dat niemand gedwongen kan worden op zondag goederen te bezorgen of in ontvangst te nemen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 20 augustus 2014 te beantwoorden?
Ja.
De oorzaken van het teleurstellend lage aantal deelnemende boeren en tuinders aan de pilot eerlijke handelspraktijken |
|
Bart de Liefde (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe loopt de pilot eerlijke handelspraktijken in de agrofoodsector volgens u tot nu toe?
Zoals in de brief van 6 juni 2014 (Kamerstukken II 2012/13, 22 112 nr. 1862) is aangegeven, is de pilot voor de agrofoodsector van start gegaan op 16 september 2013, tegelijkertijd met het Europese initiatief op dit terrein. De stuurgroep van de pilot is verantwoordelijk voor de voortgang van de pilot. In de stuurgroep voor de agrofoodsector zijn het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI) en de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) vertegenwoordigd. De opzet van de pilot is dat deze via zelfregulering tot stand komt, waarbij partijen zich vrijwillig conformeren aan de gedragscode eerlijke handelspraktijken. De stuurgroep heeft besloten dat voor de Nederlandse uitvoering maximaal aansluiting gezocht wordt bij het Europese Supply Chain Initiative, dat gelijktijdig met de Nederlandse pilot is gelanceerd. Waar de Europese landbouworganisaties niet actief zijn vertegenwoordigd in het Europese initiatief, is dat wel het geval bij de nationale pilot. Ik vind het goed dat LTO is aangesloten bij de nationale pilot gedragscode eerlijke handelspraktijken in de agrofoodsector om de boeren en tuinders hierin actief te vertegenwoordigen.
De pilot wordt serieus opgepakt en de afgelopen periode stond vooral in het teken van het opstarten van de pilot. Alle betrokken brancheorganisaties hebben algemene informatie via websites en nieuwsbrieven verspreid, plaatsten artikelen in vakbladen, bespraken het in de bestuurs- en ledenvergaderingen, organiseerden bijeenkomsten voor hun leden, riepen hun leden op zich te conformeren aan de gedragscode, beantwoordden vragen van leden en maakten handleidingen om dit voor hun leden te vergemakkelijken. De bedrijven die zich hebben gecommitteerd aan de gedragscode of een intentieverklaring hebben getekend om dit te gaan doen, hebben hun interne processen afgestemd op de gedragscode. De bekendheid en het draagvlak nemen toe, aan de implementatie van de gedragscodes wordt gewerkt en betrokken bedrijven worden zich bewust van de mogelijkheden die de gedragscode biedt. Ik wil de pilots tot eind 2015 geven. Zodoende krijgen de pilots voldoende tijd om effectief te kunnen zijn en kunnen de bevindingen van de evaluatie van het Europese initiatief worden meegenomen, waarvan het rapport naar verwachting in het najaar van 2015 gereed zal zijn. Eind 2014 zal de Minister van Economische Zaken een tussenrapportage naar uw Kamer sturen. Eind 2015 worden de pilots geëvalueerd en wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Klopt het dat slechts één coöperatie van de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) zich heeft aangesloten en één andere coöperatie dat overweegt te doen?
Ja. Van LTO-zijde heeft de coöperatie Fruitmasters zich formeel geregistreerd. Fruitmasters is een afzetorganisatie waarbij ruim 400 fruittelers zijn aangesloten. Eén andere coöperatie is in een vergevorderd stadium om zich te registreren. LTO blijft zich inzetten om de pilot onder de aandacht van ondernemers in de land- en tuinbouw te brengen.
Hoeveel leden heeft LTO eigenlijk?
Bij LTO zijn circa 30.000 bedrijven, op een totaal van ruim 67.000 bedrijven (LEB 2014) in de land- en tuinbouwsector, aangesloten. Het gaat om ongeveer 65% van de Nederlandse productieomvang gerekend in Nederlandse grootte-eenheden (nge’s).
Deelt u de mening dat momenteel de LTO te weinig deelnemers aanlevert in deze pilot? Zo nee, waarom niet?
Gelet op alle acties, die door de brancheorganisaties zijn en worden ondernomen, heb ik er vertrouwen in dat de pilots snel aan bekendheid winnen. Zoals door mij toegezegd tijdens het mondelinge vragenuur van 1 april jl. en later door de Minister van Economische Zaken tijdens het Algemeen Overleg Marktwerking, Mededinging en Staatssteun op 19 juni 2014 aangegeven, zal een breed rondje worden gemaakt langs organisaties die boeren en tuinders vertegenwoordigen om ervoor te zorgen dat de pilot aan bekendheid bij hun leden zal winnen. Bij de voortgangsrapportage eind 2014 zal ook worden ingegaan op de bekendheid van en deelname aan de pilot.
Bent u bereid andere belangenorganisaties uit de land- en tuinbouwsector te benaderen voor deelname aan de pilot eerlijke handelspraktijken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke belangenorganisaties gaat u benaderen en op welke termijn verwacht u dat zij actief zullen kunnen deelnemen aan de pilot?
Zoals in antwoord op vraag 1 aangegeven, gaat het hier om zelfregulering en is de stuurgroep verantwoordelijk voor de voortgang van de pilot. In deze stuurgroep zijn nu CBL, FNLI en LTO vertegenwoordigd. In eerste instantie is het aan de stuurgroep om te kijken of dit een juiste vertegenwoordiging is. Wel ben ik bereid om andere organisaties te wijzen op mogelijke deelname.
Ontvangt u ook regelmatig signalen dat boeren en tuinders niet op de hoogte zijn van het bestaan van de pilot, maar wel klachten hebben over oneerlijke handelspraktijken?
Nee.
Deelt u de conclusie dat uw eerdere toezegging nog weinig effect heeft gesorteerd? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 4.
Wat is er uit uw overleg met Greenport Holland gekomen? Welke producentenorganisaties heeft u gesproken en wat is daar uitgekomen?
Waar mogelijk en nodig breng ik in mijn contacten met de land- en tuinbouwsector, waaronder Greenport Holland en producentenorganisaties, de pilot gedragscode eerlijke handelspraktijken onder de aandacht. Daarnaast zal, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, een breed rondje worden gemaakt langs organisaties uit de land- en tuinbouwsector om ervoor te zorgen dat de pilot aan bekendheid bij hun leden zal winnen.
Deelt u de mening dat het op de websites van de LTO, Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) lastig is informatie te vinden over de pilot, bijvoorbeeld de wijze van aanmelding of het emailadres waarop ondernemers anoniem klachten kunnen indienen? Zo nee, waarom niet?
Deze informatie is te vinden op de websites van LTO, FNLI en CBL. Op de ene website mogelijk wat makkelijker dan op de andere. Alle leden van deze brancheorganisaties zijn, zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, daarnaast via verschillende andere kanalen geïnformeerd over de pilot en het deelnemen hieraan.
Vindt u dat de drempel voor boeren en tuinders om zich aan de sluiten bij de pilot laag of hoog is en waarom?
Via de brancheorganisaties hoor ik dat het met name voor kleinere ondernemers ingewikkeld kan zijn om zich te registreren, omdat zij minder capaciteit hebben om zich te verdiepen in bijvoorbeeld de self-assessment die hoort bij deelname aan de pilot. Bij de self-assessment moeten ondernemers hun overeenkomsten evalueren en zo nodig wijzigen om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming zijn met de gedragscode. Tegelijkertijd kunnen ondernemers altijd met vragen hierover terecht bij hun brancheorganisatie.
Hoe heeft u de toezegging van de minister van Economische Zaken om toe te zien op de bescherming van anonimiteit in de pilot uitgewerkt?
In het geval van een ernstige overtreding van een norm uit de gedragscode waardoor verschillende ondernemingen worden getroffen, kunnen de getroffen ondernemingen anoniem klagen via hun brancheorganisatie. De brancheorganisatie van de getroffen ondernemingen kan hun klachten «bundelen» en voorleggen aan de Nederlandse stuurgroep voor de agrofoodsector. Hierin zijn LTO, FNLI en CBL vertegenwoordigd. Deze stuurgroep wordt geacht neutraal te zijn en de anonimiteit van de klagers te borgen.
Deze nationale opzet waarbij een stuurgroep wordt ingesteld die zich buigt over gebundelde klachten is gelijk aan die van het Europese Supply Chain Initiative (waarbij boeren en tuinders overigens niet zijn vertegenwoordigd in de «»Governance Group»») en de procedureregels zijn van overeenkomstige toepassing. Dit houdt onder meer in dat de stuurgroepleden handelen met collectieve verantwoordelijkheid, vertrouwelijkheid, naleving van de van toepassing zijnde regelgeving, wederzijdse steun en respect. Tevens oefenen de leden van de stuurgroep hun mandaat te goeder trouw uit en erkennen zij dat het niet hun taak is om bepaalde belangen te verdedigen, maar om de gedragscode effectief toe te passen.
Waar kan men anoniem klagen? Is er een onafhankelijke geschillencommissie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de namen en functies geven van de leden van de geschillencommissie?
Zie antwoord vraag 11.
Is de geschillencommissie een neutrale instantie conform het kabinetsstandpunt op het groenboek inzake oneerlijke handelspraktijken?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u van mening dat gezien de opzet en samenstelling van de geschillencommissie, anonieme klachten ook anoniem blijven? Zo ja, waaruit blijkt dat in de samenstelling of werkwijze van de geschillencommissie? Zo nee, welke risico’s van dubbele petten of mogelijke belangenverstrengeling ziet u en hoe kunnen die worden weggenomen?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u de Kamer in september 2014 informeren middels een concreet stappenplan met tijdsschema hoe u de pilot denkt te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zoals door de Minister van Economische Zaken aangegeven tijdens het Algemeen Overleg Marktwerking, Mededinging en Staatssteun op 19 juni 2014 zal hij uw Kamer eind 2014 een voortgangsrapportage van de pilots sturen. In deze voortgangsrapportage zal ook aandacht zijn voor de bekendheid van de pilot en de deelname van verschillende partijen hieraan.
Het uitwijken van schepen van de haven van Rotterdam naar Antwerpen |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Lading wijkt uit naar Antwerpen»?1
Ja.
Klopt het dat «deepsea»-rederijen steeds meer lading in Antwerpen in plaats van Rotterdam lossen en laden als gevolg van de congestieproblemen in de Nederlandse haven? Zo ja, wat is de oorzaak hiervan, om hoeveel lading gaat het en deelt u de mening dat dit een zorgelijke situatie is, waar onmiddellijk actie op moet worden ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Uit informatie die ik heb ingewonnen bij het Rotterdamse havenbedrijfsleven maak ik op dat de conclusies in het aangehaalde artikel niet worden gedeeld. Er is weliswaar sprake van congestie bij enkele Rotterdamse containerterminals, maar dat geldt ook voor de terminals in andere Noord-Europese havens waaronder Antwerpen en Hamburg. Deze congestie wordt veroorzaakt door een samenloop van omstandigheden, waaronder juist een toegenomen ladingaanbod en het feit dat containerschepen niet op de afgesproken tijd binnen komen, wat consequenties heeft voor de terminalplanning. Daarbij speelt in Rotterdam de aanpassingen aan een bestaande terminal om grotere containerschepen snel en efficiënt te kunnen afhandelen. Dit geeft tijdelijk beperkingen.
Fluctuaties in ladingstromen zijn als gevolg van marktwerking aan de orde van de dag. Alhoewel er zeker zorgen zijn onder de verladers en cargadoors wordt op dit moment door geen van de partijen een wezenlijke uitwijk van lading naar Antwerpen waargenomen. Betrokken partijen in de Rotterdamse haven doen er daarbij alles aan om de congestie terug te dringen. In dat verband wijs ik ook op de opening van de nieuwe terminals van RWG en APMT op Maasvlakte 2 dit najaar. Daarmee zal de overslagcapaciteit voor containers in de Rotterdamse havens aanzienlijk toenemen.
Volledigheidshalve merk ik op dat van congestie op de achterlandverbindingen (weg, spoor, binnenvaart en short sea) in de Rotterdamse haven geen sprake is.
De Parex-bank |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u schrijft «De put optie is niet opgenomen in de nationale rekeningen van Letland, omdat dit een garantie is en garanties volgens ESA95 niet worden meegeteld in de nationale rekeningen»?1
Ja.
Klopt het dat indien de verkoop van de Parex-bank met een put optie geboekt wordt als garantie, de opbrengst zou leiden tot verlaging van de staatsschuld?
Ja. Ingeval de Letse overheid deze bank zou verkopen kan dit leiden tot een daling van de staatsschuld als de (positieve) verkoopopbrengst aangewend wordt voor aflossing van de schuld. Aangetekend zij dat deze schulddaling los staat van de put optie tussen EBRD en Latvian Privatisation Agency (LPA).
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «ESA95 manual on government deficit and debt Securisation operations undertaken by general government (Part V)» van de Europese Commissie uit 2003, waarin precies uitgelegd wordt hoe omgegaan moet worden met ingewikkelde contracten zoals securitisatie en put opties?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van paragraaf 4.3 van deze publicatie waarin staat: «For instance a put option could give the right to sell back to government assets in some occasions («non-performing» assets, no possibility of resale). Other kinds of financial derivatives would also be covered by this provision, such as «credit default swaps» where government is «seller of protection» for assets previously transferred to a specific entity or, more simply, under the form of a swap contract in which government would pay or receive the difference of the initial price of an asset and the price at which it would be realised by the securitisation unit. In any case, where the government originator (or another government unit) enters into a derivative contract such that it could possibly bear final risks on behalf of the securitization unit, the transaction should be classified as government borrowing»?
Ja, met de kanttekening dat bovenstaande tekst van paragraaf 4.3 integraal onderdeel was van de eerste editie uit 2003 van de Manual on Government Deficit and Debt. Op dit moment is de zesde editie 2013 van de manual van kracht. Hoofdstuk 5 van deze manual over «securitisation operations undertaken by general government» is ten opzichte van de eerste editie behoorlijk aangepast. Bij de beoordeling van securitisatie door de overheid staat in de actuele tekst bij beoordeling het principe van risks and rewards centraal. Ingeval risks and rewards bij securisatie niet worden overgedragen van de overheid naar een partij buiten de overheid, dan kunnen de opbrengsten van securisatie niet ten gunste van het EMU-saldo gebracht worden. Paragraaf 4.3 uit de eerste editie is komen te vervallen, inclusief de passages over put options.
Klopt het dus dat volgens de ESA95 regels, de verkoop met put optie dus geclassificeerd moet worden als een lening en dat Letland de ESA95 niet correct heeft toegepast en op die wijze dus een te lage schuld heeft gepubliceerd waardoor het gemakkelijker de eurozone kon binnenkomen?
Nee. Voor zover mij bekend zijn de ESA95 regels correct toegepast bij de diverse transacties rondom Parex. Bij de beoordeling van de transacties rondom Parex is vooral de ruling van Eurostat over de financiële crisis van belang. Deze ruling dateert uit 2009 en is nog steeds van kracht2. Tussen de Europese Commissie (Eurostat) en de autoriteiten van Letland is veelvuldig contact geweest over de correcte verwerking conform deze ruling van de transacties rondom de Parex in het EMU-saldo en in de EMU-schuld van Letland. Zo hebben de Letse autoriteiten in 2009 op eigen initiatief aan Eurostat advies gevraagd over de statistische verwerking van onder meer de overname van de aandelen Parex. Eurostat heeft in hetzelfde jaar advies afgegeven over de gevolgen voor saldo en schuld van Letland. Zo zijn verwachte verliezen van het herstructureringsplan ten laste van het EMU-saldo gebracht. Voorts is nadien in de diverse dialoogbezoeken van de Europese Commissie aan de Letse autoriteiten – inclusief de EDP Pre-euro Accession visit van april 2013 – uitgebreid ingegaan op de budgettaire consequenties van transacties rondom Parex.
Bent u bereid om bij Eurostat en de Europese Commissie na te vragen of zij de nationale rekeningen van Letland zal herzien of nadere uitleg zal vragen over deze put optie, die niet vermeld werd in de nationale rekeningen van Letland?
Nee. Ik zie daar geen aanleiding toe. Zie de antwoorden op de vragen 4 en 5.
Deelt u de mening dat dit soort put opties kan leiden tot verkeerde nationale rekeningen en zelfs tot een verkeerde voorstelling van zaken over begrotingstekorten en staatsschulden en verkeerde besluiten over bijvoorbeeld maatregelen bij excessieve tekorten, en dat dit soort contracten gewoon openbaar dienen te zijn?
Nee. Zie de antwoorden op de vragen 4 en 5.
Bent u bereid om nogmaals bij de EBRD navraag te doen naar alle transacties die hebben plaatsgevonden in Parex, Citadele en Reverta, inclusief aandelen en opties en de datum van de transacties, en het resultaat van de navraag aan de Kamer te sturen, omdat deze van belang kan zijn voor de juistheid van statistische gegevens op basis waarvan belangrijke besluiten genomen zijn zoals het toelaten van Letland tot de eurozone?
Nee. Deze navraag heb ik reeds gedaan. De EBRD heeft aangegeven geen verdere specifieke informatie openbaar te kunnen maken. Als financiële instelling, met het merendeel van haar activiteiten in de private sector, is het belangrijk de vertrouwensrelatie met klanten en cofinanciers te respecteren.
Indien de put optie transacties via de EBRD niet openbaar zijn en Letland ze niet juist in de boeken zet, op welke wijze kunnen parlementariërs en het publiek zich er dan van vergewissen dat zij de juiste cijfers te zien krijgen op basis waarvan zij besluiten dienen te nemen over zaken als toelating tot de eurozone?
De diverse transacties inzake de Parex zijn conform de ESA95 verwerkt in de berekening van het EMU-saldo en de EMU-schuld van Letland.
Was de Europese Commissie op de hoogte van de put optie toen zij in 2010 toestemming gaf voor de herstructuringsoperatie van Parex?
Ja, de Europese Commissie was op de hoogte van de transactie met de EBRD ten tijde van de herstructureringsoperatie van Parex.
Op welke wijze wordt op dit moment gecontroleerd of landen ingewikkelde financiële transacties op de juiste wijze verantwoorden in hun nationale rekeningen?
Met het oog op betrouwbare en vergelijkbare cijfers over de overheidsfinanciën (EMU-saldo en EMU-schuld) van de lidstaten is de volgende governance van de statistiek in EU-verband afgesproken. Lidstaten dienen de EMU-cijfers in, maar de Europese Commissie (Eurostat) stelt de EMU-cijfers vast. Daarbij beschikt de Europese Commissie over onder meer de navolgende bevoegdheden en instrumenten:
Er is een code of best practice betreffende de statistical governance afgesproken. Deze gaat onder meer over het vergroten van de onafhankelijkheid van de statistiek. Zo wordt de onafhankelijke positie van de DG Statistiek van elk van de lidstaten aangescherpt, inclusief de positie van de DG Eurostat.
Heeft u enige informatie waaruit afgeleid zou kunnen worden dat EU-landen de afgelopen 10 jaar zaken niet volgens ESA95 in hun boeken verantwoord hebben? Zo ja, kunt u daarover dan meer informatie verschaffen?
Voor zover mij bekend gaat het hierbij om een heel beperkt aantal gevallen. Gelet op de omvang, is er sprake van één grote casus: dit is de bekende casus van de fraude van Griekenland met de EMU-cijfers.
De sponsoring van provincies en gemeenten door de tabaksindustrie |
|
Manon Fokke (PvdA), Marith Volp (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de tabaksindustrie verschillende gemeenten sponsort?1
Ja.
Deelt u de mening van de auteurs van het bericht dat lokale overheden door de samenwerking aan te gaan met de tabaksindustrie in strijd handelen met artikel 5.3 van de Framework Convention on Tobacco Control (het FCTC-verdrag)?2
Artikel 5.3 van het FCTC-verdrag bepaalt dat Partijen, bij de vaststelling en uitvoering van hun volksgezondheidsbeleid met betrekking tot tabaksontmoediging, maatregelen nemen om dit beleid te beschermen tegen commerciële en andere gevestigde belangen van de tabaksindustrie.
Ik deel de mening van de auteurs dat ook lokale overheden zijn gebonden aan artikel 5.3 van het FCTC-verdrag, Nederland is immers verantwoordelijk voor de naleving van het FCTC-verdrag op haar grondgebied. Het verdrag schrijft echter niet voor op welke wijze dit moet geschieden. De verdragspartijen hebben op dit punt een grote mate van vrijheid. De richtlijnen bij artikel 5.3 van het FCTC-verdrag zijn juridisch niet-bindend.
Navraag bij betrokken gemeenten en provincie heeft opgeleverd dat ik op dit moment geen redenen heb om aan te nemen dat in de genoemde gevallen sprake is van strijdigheid met het verdrag. De beide campagnes komen niet voort uit (lokaal) tabaksontmoedigingsbeleid. Zo gaat de campagne «Laat je peuk niet alleen» over het schoonhouden van de stranden en de campagne «Er gaat niets boven Groningen» is bedoeld ter promotie van de stad Groningen.
Dit neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat gemeenten en provincies beter bekend worden met de verplichtingen die voortvloeien uit het FCTC-verdrag en de Tabakswet, het tabaksreclameverbod in het bijzonder. Om die reden heb ik inmiddels een brief aan gemeenten en provincies gestuurd, die kan worden meegenomen bij de afwegingen om wel of niet de samenwerking met deze industrie aan te gaan.
Deelt u de mening van de auteurs dat uit de aanbevelingen bij de richtlijnen, voortgekomen uit artikel 5.3 van het FCTC-verdrag, voortvloeit dat de overheid, daaronder begrepen lokale overheden, geen contact mag hebben met de tabaksindustrie, tenzij dit strikt noodzakelijk is voor het effectief reguleren van het tabaksbeleid?3
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de geplande activiteiten van lokale overheden in samenwerking met tabaksfabrikanten in strijd zijn met bovengenoemde aanbevelingen nu in de aanbevelingen 6.2, 6.3 en 6.4 van de richtlijnen bij het FCTC verdrag specifiek wordt uitgelegd dat overheden zich op geen enkele manier mogen inlaten met samenwerkingsverbanden of activiteiten die door de tabaksindustrie worden omschreven als maatschappelijk verantwoord (6.2), dat overheden niet is toegestaan om de tabaksindustrie zich publiekelijk te laten uiten over zogenaamd maatschappelijk verantwoorde activiteiten (6.3) en dat overheden geen financiële bijdragen van de tabaksindustrie accepteren (6.4)?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u er aan doen om er voor te zorgen dat de betrokken lokale overheden hun samenwerking met de tabaksindustrie stopzetten?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ’Poolse chauffeurs raken op’ |
|
Paul Ulenbelt |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Poolse chauffeurs raken op», waarin wordt gesteld dat er een schaarste is aan goede chauffeurs die lange internationale ritten willen rijden, waardoor bedrijven wel gedwongen zijn om chauffeurs buiten de Europese Unie te zoeken?1
Binnen de Europese Unie is voldoende aanbod van mensen die graag willen werken. Het is daarom niet nodig hiervoor derdelanders aan te trekken.
Het is wel belangrijk om ook in Nederland chauffeurs te blijven opleiden. Hier wordt met het sectorplan ook op ingezet.
Klopt het dat deze chauffeurs van buiten de EU een werkvergunning krijgen en hoe zet u dat af tegen het feit dat in Nederland ook chauffeurs werkloos thuis zitten?
Sinds het ingaan van het vrij werknemersverkeer voor mensen uit Midden- en Oost-Europa in mei 2007 is slechts een enkele aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor de functie van chauffeur ingediend. Er zijn de afgelopen jaren dan ook vrijwel geen tewerkstellingsvergunningen verstrekt voor de functie van chauffeur.
Overigens merk ik op dat de Wet arbeid vreemdelingen met ingang van 1 januari 2014 is aangescherpt. Voor chauffeurs worden geen tewerkstellingsvergunningen meer afgegeven, omdat er voldoende prioriteitgenietend aanbod aanwezig is.
Kunt u aangeven hoeveel werkvergunningen zijn afgegeven voor chauffeurs van buiten de EU?
Er is de afgelopen jaren één tewerkstellingsvergunning verleend voor een chauffeur uit Turkije. Daarnaast is er één tewerkstellingsvergunning verleend voor een chauffeur uit Wit Rusland. Deze vergunning is later ingetrokken. Één aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor een chauffeur uit Armenië is geweigerd omdat er prioriteitgenietend aanbod beschikbaar was voor de functie.
Deelt u de mening van FNV Bondgenoten dat er sprake is van »sociale dumping», doordat bedrijven telkens op zoek zijn naar nog goedkoper personeel, ten koste van Nederlandse werknemers? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De signalen over oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden in de transportsector zijn ons bekend. Bij de aanpak van schijnconstructies wordt ook speciaal aandacht besteed aan de transportsector.
In de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) zal een aantal voorstellen worden gedaan die ook helpen schijnconstructies in de transportsector aan te pakken. De belangrijkste zijn:
Bij kamerbrief van 4 juli 2014 (Kamerstukken II, 2013–2014, 17 050, nr 484)
heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang in de aanpak van schijnconstructies. Daarin is de WAS, dat nu voor advies voorligt bij de Raad van State, op hoofdlijnen beschreven.
Vindt u het een wenselijke situatie dat een groep chauffeurs de weekendrust doorbrengt op parkeerplaatsen in en rondom de vrachtwagen?
In zijn algemeenheid is het niet wenselijk dat vrachtwagenchauffeurs de weekendrust doorbrengen op verzorgingsplaatsen langs de snelwegen, omdat deze in beginsel bedoeld zijn voor een korte rust en omdat het voorzieningenniveau van deze verzorgingsplaatsen niet is afgestemd op een langer verblijf.
Deelt u de mening dat er spoedig een verbod moet komen op het doorbrengen van de weekendrust op parkeerplaatsen en dat dit ook moet worden gehandhaafd? Zo ja, op welke termijn gaat u dit invoeren? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Europese Verordening 561/2006 is het een chauffeur toegestaan alléén zijn dagelijkse en verkorte wekelijkse rusttijden in het voertuig door te brengen, indien het voertuig over behoorlijke slaapfaciliteiten beschikt en het voertuig stil staat. Indien bij wegcontroles een vermoeden ontstaat dat een chauffeur deze regel overtreedt, wordt waarschuwend opgetreden en bij administratieve controles het desbetreffende bedrijf erop aangesproken. De chauffeur mag zijn rusttijd doorbrengen waar hij wil. Het is derhalve niet goed mogelijk om te controleren of een chauffeur de wekelijkse rust in de cabine heeft doorgebracht. De bepaling uit de Europese Verordening is ook vooral bedoeld als stimulans voor werkgevers om chauffeurs voor hun wekelijkse rust naar huis te laten terugkeren.
Het is een verplichting van de werkgever om het werk zodanig te organiseren dat de rij- en rusttijden kunnen worden nageleefd. Een bedrijf dient hier ook controle op uit te oefenen. Indien bij administratieve controles door de ILT wordt geconstateerd dat de normale wekelijkse rusttijden structureel in het voertuig worden doorgebracht, wordt handhavend opgetreden indien voldoende kan worden aangetoond dat in strijd met de rij- en rusttijden regels is gehandeld.
In het komend najaar zal een gesprek plaatsvinden tussen FNV bondgenoten en de ILT over door het FNV gesignaleerde knelpunten.
Het bericht 'Moldaviërs halen Roemenen in' |
|
Barry Madlener (PVV), Machiel de Graaf (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Moldaviërs halen Roemenen in»?1
Ja.
Hoeveel Nederlandse transportbedrijven bedienen zich van het zogenaamde uitvlaggen? In hoeverre heeft u er zicht op dat de aansturing bij het uitvlaggen daadwerkelijk gebeurt vanuit het andere land?
Het is niet bekend hoeveel Nederlandse transportondernemingen zich in het buitenland hebben gevestigd en daarmee zijn «uitgevlagd».
De Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft hiervoor navraag gedaan bij de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO). Echter, de NIWO heeft alleen gegevens van de in Nederland gevestigde bedrijven. Indien zich in dit bestand wijzigingen voordoen, bijvoorbeeld wanneer het aantal vergunningbewijzen bij een onderneming daalt, kan dit verschillende oorzaken hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan bij wegcontroles situaties aantreffen, waarbij het vermoeden ontstaat dat de aansturing nog steeds gebeurt door een Nederlandse vestiging. Dit kan bijvoorbeeld op basis van de vrachtbrief, overlegde contactgegevens of een internetadres. Bij een dergelijk vermoeden doet de ILT, in samenwerking met de Inspectie SZW, nader onderzoek.
Hoeveel Nederlandse vrachtwagenchauffeurs hebben sinds de openstelling van de arbeidsmarkt voor Roemenen, Bulgaren en Polen hun baan verloren?
Het is niet bekend hoeveel Nederlandse vrachtwagenchauffeurs sinds de openstelling van de arbeidsmarkt voor Roemenen, Bulgaren en Polen hun baan hebben verloren. In het kader van de aanpak van schijnconstructies laat ik onderzoek doen naar de omvang van verdringing in meerdere sectoren, waaronder de transportsector.
Hoeveel Moldaviërs kunnen aanspraak maken op een Roemeens paspoort of werkvergunning, hoeveel Macedoniërs op Bulgaarse paspoorten en werkvergunningen en hoeveel Oekraïeners op Hongaarse en/of Roemeense paspoorten en werkvergunningen? Hoeveel chauffeurs uit deze landen werken voor Nederlandse bedrijven?
Het is ons niet bekend hoeveel personen van buiten de EU aanspraak kunnen maken op een paspoort van een EU-lidstaat. Nationaliteitswetgeving is geen bevoegdheid van de Europese Unie en iedere lidstaat heeft derhalve eigen wetgeving op basis waarvan vastgesteld wordt wie recht heeft op de betreffende nationaliteit. Datzelfde geldt voor de toelating tot de arbeidsmarkt en het verstrekken van tewerkstellingsvergunningen voor personen van buiten de EU.
Hoeveel chauffeurs uit Moldavië, Macedonië en Oekraïne werkzaam zijn voor Nederlandse bedrijven is niet bekend.
Bent u, door de ervaringen in het genoemde artikel, eindelijk overtuigd van het feit dat paspoorten en rijbewijzen gewoon te koop zijn in Oost-Europa?2 Zo neen, waarom niet?
Paspoorten worden verleend op basis van de nationaliteitswetgeving van de door u genoemde landen. Bij de Nederlandse ambassades van de door u genoemde landen zijn geen gevallen van gekochte rijbewijzen bekend.
Deelt u de mening dat parkeerplaatsen voor vrachtwagenchauffeurs geen campings zijn en dat het koken op gascomfoors grote gevaren met zich meebrengt? Bent u van plan aan deze praktijken een einde te maken en streng te handhaven? Zo neen, waarom niet?
Verzorgingsplaatsen langs de snelwegen zijn bedoeld voor het doorbrengen van een korte rust. Het voorzieningenniveau van deze verzorgingsplaatsen is niet afgestemd op langer verblijf. Daarnaast wordt er ook binnen de bebouwde kom door vrachtwagenchauffeurs gebruik gemaakt van locaties om te overnachten en de weekenden door te brengen. Het is aan de desbetreffende gemeenten te bepalen of dit kan worden toegestaan of niet. Bekend is dat in de gemeenten Vlaardingen en Spijkenisse vanwege de geconstateerde overlast inmiddels maatregelen zijn genomen om dit aan banden te leggen.
Het koken op gascomfoors is een zaak van openbare orde en veiligheid. Het handhaven hiervan is geen taak van de ILT of Rijkswaterstaat. Het handhaven van de openbare orde is de verantwoordelijkheid van politie en justitie.
Bent u bereid om de Nederlandse beroepschauffeur te beschermen tegen oneerlijke concurrentie, o.a. door veel meer capaciteit bij politie en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vrij te maken voor controles en handhaving? Zo neen, waarom niet?
Bij brief van 5 maart jl. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 468) heeft de Minister van I&M het inventariserend onderzoek van de ILT naar overtreding van de cabotageregels aangeboden. Daarbij heeft de Minister van I&M aangegeven, in elk geval tijdelijk de extra inzet van de ILT, die was ingezet in het kader van dit onderzoek, te continueren.
Sinds 2011 werkt de Inspectie SZW nauw samen met de ILT bij de aanpak van schijnconstructies in de transportsector. In 2013 heeft de Inspectie SZW in samenwerking met de ILT 23 transportbedrijven geïnspecteerd op naleving van de verschillende wetten op het gebied van arbeidsmarktproblematiek en wegvervoer. Deze risicogestuurde inspecties richtten zich op transportbedrijven die zich voornamelijk bezig houden met internationaal transport.
De samenwerking van de Inspectie SZW met de ILT is in 2014 voortgezet. De focus ligt op het beroepsgoederenvervoer over de weg. De Inspectie SZW, ILT en Belastingdienst wisselen gegevens uit ten behoeve van een integrale risicoanalyse voor de aanpak van schijnconstructies in de transportsector.
Het speciale team van de Inspectie SZW ondersteunt ook de sociale partners bij de handhaving van de cao-voorwaarden. Om deze rol goed te kunnen vervullen heeft de Inspectie SZW vanaf eind 2013 diverse vertegenwoordigers van de sociale partners geïnformeerd over de rol en taken van de Inspectie bij de ondersteuning van cao-handhaving en zijn zij uitgenodigd om meldingen te doen. Dit heeft tot op heden geleid tot twaalf verzoeken om ondersteuning. Het eerste rapport van bevindingen is inmiddels afgerond en overgedragen aan de verzoekende instantie, die de resultaten van dit onderzoek kan gebruiken in een civiele procedure om daarmee correcte naleving van de cao-voorwaarden af te dwingen. Dit betreft een zaak in het internationale wegtransport.
Bent u bereid alsnog de grenzen voor werknemers uit Oost-Europa te sluiten en daarmee de Nederlandse arbeidsmarkt te beschermen? Zo neen, waarom niet?
Nee. Met zijn open en internationaal georiënteerde economie profiteert Nederland van de Europese Unie en de bijbehorende verworvenheden. Bovendien zou het sluiten van de arbeidsmarkt voor werknemers uit Oost-Europa de instemming van alle 28 EU-leden vergen. Dit is geen reële optie. Het kabinet heeft echter wel oog voor de schaduwkanten van het vrij verkeer van personen. De vaak slechtere sociaaleconomische positie van migranten uit Midden- en Oost-Europa kan leiden tot onwenselijke sociale situaties en maatschappelijke overlast. Arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa mag niet leiden tot oneerlijke concurrentie en een race naar de bodem voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden. Daarom zijn er in de afgelopen jaren veel acties in gang gezet. Kabinet en gemeenten werken onder meer aan het aanpakken van schijnconstructies, het verbeteren van de registratie van EU-burgers, het voorlichten van EU-arbeidsmigranten en het aanpakken van malafide uitzendbureaus.
De bevindingen van FNV Bondgenoten, dat op de Nederlandse wegen opmerkelijk veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU zijn aangetroffen |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Herkent u zich in de bevindingen van FNV Bondgenoten, dat tegenwoordig opmerkelijk veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU – voornamelijk Moldaviërs, Oekraïners en Macedoniërs – op de Nederlandse wegen rondrijden?1
Er zijn geen cijfers beschikbaar waaruit blijkt dat opmerkelijk veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de Europese Unie op de Nederlandse wegen rondrijden.
Kunt u uitzoeken in hoeverre het klopt dat veel van deze chauffeurs een Poolse werkvergunning hebben? Kunt u eveneens uitzoeken of hier sprake is van een schijnconstructie?
In 2013 zijn in Polen voor werkzaamheden in de transport- en opslagsector 2123 tewerkstellingsvergunning afgegeven voor de transportsector voor Oekraiëners (1926), Moldaviërs (191) en Macedoniërs (13). Daarnaast werden in 2013 ruim vier duizend aanvragen ingediend voor korte werkzaamheden in de transport- en opslagsector voor Oekraïeners (90%) en Moldaviërs (10%). Het is niet bekend hoeveel mensen daarvan in Nederland hebben gewerkt.
Het feit dat chauffeurs een tewerkstellingvergunning hebben in Polen ontheft de werkgever niet van het aanvragen van een tewerkstellingsvergunning indien arbeid in Nederland wordt verricht tenzij de vrijstelling van artikel 1 lid 1 onder b van het BuWav van toepassing is. Er is geen tewerkstellingsvergunning nodig indien: de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft, geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer.
Herinnert u zich de antwoorden op mondelinge vragen, waarin de minister van Infrastructuur en Milieu aangaf dat wat betreft het aanpakken van misstanden het haar voorkeur heeft «om dat direct te doen bij de vrachtauto's die je aanhoudt, daar waar de overtreding ook wordt begaan»?2
Ja.
Bent u bereid om, mede op basis van deze bevindingen van FNV Bondgenoten, de controles van de Inspectie Leefomgeving en Transport uit te breiden?
Bij brief van 5 maart jl. heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) u geïnformeerd over de resultaten van het inventariserend onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ILT naar overtreding van de cabotageregels. De Minister van I&M heeft u daarbij aangegeven in elk geval tijdelijk de extra inzet van de ILT, welke was ingezet in het kader van dit onderzoek, te continueren.
Bent u in het kader van naleving eveneens bereid nauw(er) te gaan samenwerken met sociale partners c.q. vakbonden?
Over de aanpak van schijnconstructies in het transport vindt onder andere met sociale partners overleg plaats in de Werkgroep transport.
Het speciale team van de Inspectie SZW dat is opgezet naar aanleiding van het sociaal akkoord, ondersteunt ook de sociale partners bij de handhaving van de cao-voorwaarden. Om deze rol goed te kunnen vervullen heeft de Inspectie SZW vanaf eind 2013 diverse vertegenwoordigers van de sociale partners geïnformeerd over de rol en taken van de Inspectie bij de ondersteuning van cao-handhaving en zijn zij uitgenodigd om meldingen te doen. Dit heeft tot op heden geleid tot twaalf verzoeken om ondersteuning. Het eerste rapport van bevindingen is inmiddels afgerond en overgedragen aan de verzoekende instantie, die de resultaten van dit onderzoek kan gebruiken in een civiele procedure om daarmee correcte naleving van de cao-voorwaarden af te dwingen.
Wat doet u in EU-verband om de misstanden in de transportsector aan te pakken? Ziet u mogelijkheden om de samenwerking te intensiveren?
Onlangs hebben een groot aantal voor de transportsector verantwoordelijke EU-Ministers een gezamenlijke verklaring uitgebracht, gericht aan de Europese Commissie, waarin aangedrongen wordt op een meer uniforme interpretatie en handhaving van de bestaande voorschriften, met name op het gebied van cabotage. Speciale aandacht wordt gevraagd voor het verschijnsel van postbusbedrijven en het ontduiken van de regelgeving. Ook de Nederlandse Minister van I&M heeft deze verklaring ondertekend.
Daarnaast vindt samenwerking plaats tussen de inspectiediensten in het kader van de Euro Control Route (ECR), waarin initiatieven worden genomen om ten behoeve van een uniforme handhaving te komen tot een eenduidige interpretatie en toepassing van cabotageregels.
Gaat de aangekondigde Wet Aanpak Schijnconstructies helpen om de de misstanden in de transportsector aan te pakken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u dan de naleving van wet- en regelgeving in de transportsector verbeteren?
In de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) zal een aantal voorstellen worden gedaan die ook helpen schijnconstructies in de transportsector aan te pakken. De belangrijkste zijn:
Bij kamerbrief van 4 juli 2014 (Kamerstuk 17 050, nr. 484) heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang in de aanpak van schijnconstructies. Daarin is de WAS, dat nu voor advies voorligt bij de Raad van State, op hoofdlijnen beschreven.
Kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Eddy van Hijum (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Europese Centrale Bank vanaf september 2014 een bedrag van 400 miljard euro beschikbaar stelt ten behoeve van kredietverlening door banken aan bedrijven, en dit bedrag in 2015 en 2016 wellicht verder laat oplopen tot 1000 miljard euro?1
Ja. De ECB heeft in juni jl. aangekondigd tegen gunstige voorwaarden langer lopende financiering te verstrekken aan alle banken in het eurogebied. De hoeveelheid die banken kunnen lenen is afhankelijk van hun uitstaande en nieuwe kredietverlening aan bedrijven en consumenten, uitgezonderd hypotheekleningen. De ECB beoogt hiermee de financieringscondities voor banken te versoepelen en kredietverstrekking aan de reële economie te stimuleren. De omvang van de door de ECB verschafte liquiditeit hangt uiteindelijk af van de vraag ernaar van de bankensector.
Hoe verklaart u dat de kredietverlening van banken aan het bedrijfsleven in de afgelopen jaren afnam, ondanks eerdere steunprogramma's van de Europese Centrale Bank? In hoeverre zullen deze steunmaatregelen naar uw verwachting nu wel doorwerken naar de kredietverlening in Nederland?
Met monetair beleid kan een centrale bank de financieringskosten van banken beïnvloeden. Het monetair beleid van de afgelopen jaren heeft een drukkend effect gehad op de inleenkosten, waarmee beoogd is ook de uitleenkosten van banken te drukken. Dat kan de kredietverlening bevorderen.
Een inschatting van het effect van de nieuwe Targeted Longer-Term Financing Operations (TLTROs) van de ECB is op dit moment moeilijk te geven. Ook dit programma zal naar verwachting een drukkend effect hebben op de financieringskosten van banken. Daarnaast is de hoeveelheid en de looptijd van de financiering die banken via dit nieuwe programma bij de ECB kunnen lenen gekoppeld aan hun uitstaande en nieuwe kredietverlening aan bedrijven en huishoudens (uitgezonderd hypotheken), wat banken een prikkel geeft tot additionele kredietverlening. Deze prikkel wordt sterker wanneer marktrentes stijgen, omdat de ECB-leningen een vast laag tarief hebben. Deze prikkels zijn voor Nederlandse banken mogelijk echter minder sterk dan voor andere Europese banken, omdat ze gemiddeld genomen een goede toegang hebben tot de kapitaalmarkten en in Europees perspectief reeds lage financieringskosten hebben. Toch profiteren ook zij van de grotere hoeveelheid liquiditeit in de markt en het drukkende effect hiervan op hun financieringskosten. Enkele banken hebben aangegeven te overwegen direct van de faciliteiten gebruik te maken.
De ontwikkeling van de kredietverlening in Nederland wordt de afgelopen jaren echter met name door andere factoren gedreven dan de financieringskosten voor banken (zie het antwoord op vraag 3). Het kabinet speelt met het 8 juli jl. aan u toegezonden Aanvullend Actieplan mkb-financiering2 in op deze factoren.
Kunt u aangeven in hoeverre de beperkte kredietverlening door banken aan het MKB wordt veroorzaakt door 1) minder vraag naar krediet, dan wel 2) beperking van het kredietaanbod door banken vanwege balansversterking, scherpere risicotaxaties en de verzwakte vermogenspositie van ondernemingen?
Op de dag dat deze vragen gesteld werden, is uw Kamer middels het hiervoor genoemde Aanvullend Actieplan mkb-financiering geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot de beperking van de kredietverlening aan het mkb. Volgens dit Actieplan zijn zes factoren van invloed op de ontwikkeling van mkb-financiering.
De eerste bevinding is dat de krimp in de kredietverlening in belangrijke mate samenhangt met de daling van de vraag naar krediet van het mkb als gevolg van de laagconjunctuur. Ten tweede wordt kredietverlening bemoeilijkt doordat het mkb dat nog wel krediet aanvraagt, vaak een zwakke financiële positie heeft. Ten derde zijn banken strenger geworden bij het toezeggen van kredieten, geconfronteerd met de toegenomen risico’s. Ten vierde zijn er structurele factoren die financiering van het mkb moeilijker maken dan van het grootbedrijf. Voor verschaffers van financiering is het relatief kostbaar om een goede risico-inschatting te maken in het mkb. Ten vijfde is het Nederlandse mkb, net als het mkb in veel andere Europese landen, voor externe financiering sterk afhankelijk van banken en zijn alternatieve financieringsbronnen (nog) te beperkt van omvang om de kredietverlening door banken aan te vullen. Ten zesde zijn de banken in het proces van balansversterking, wat een invloed kan hebben op de kredietverlening. Het drukkende effect hiervan op de kredietverlening is echter beperkt, zo blijkt uit het onderzoek.
Het Aanvullend Actieplan mkb-financiering bevat een uitgebreide toelichting op bovenstaande bevindingen.
Bent u het er mee eens dat de kredietwaardigheid van bedrijven in het MKB verbeterd kan worden door de eigen vermogenspositie te versterken? Bent u bereid te verkennen hoe het verstrekken van risicodragende leningen door familieleden, (oud-)ondernemers en dergelijke aan MKB-bedrijven kan worden gestimuleerd door – eventueel tijdelijk – de (fiscale) Tante Agaathregeling opnieuw te introduceren?
Zoals in de Kamerbrief over het Aanvullend Actieplan mkb-financiering is aangegeven, hecht het kabinet sterk aan een gezonde financieringstoegang van het Nederlandse mkb. Op korte termijn is het van belang dat met name het kleinste mkb de kans krijgt zijn eigen vermogenspositie te verbeteren.
Het kabinet heeft daarom besloten marktpartijen te gaan ondersteunen bij het oprichten van een achtergestelde leningenfonds (AGL)-fonds en een extra impuls van € 100 miljoen te geven aan investeringen via business angels en participatiemaatschappijen. Voor innovatieve starters en mkb in een vroege ontwikkelingsfase wordt de regeling Vroege Fase Financiering permanent gemaakt. Op deze manier wordt het aanbod van risicodragend vermogen voor het mkb vergroot, zodat het mkb meer mogelijkheden krijgt om zijn eigen vermogen te versterken.
Zoals de brief over het Aanvullend Actieplan tevens meldt, zal het kabinet fiscale maatregelen, zoals ook voorgesteld in de Agenda StartUpNL van het lid Lucas, op onder meer effectiviteit beoordelen, maar blijft het terughoudend met het invoeren van (nieuwe) fiscale maatregelen. In de brief over de voortgang van het Bedrijfslevenbeleid, zult u dit najaar nader geïnformeerd worden over dit onderwerp.
Beloningen bij netbeheerder Liander |
|
Jan Vos (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bij Liander verdienden vorig jaar 34 mensen (veel) te veel»?1 Herinnert u zich de eerdere vragen en antwoorden over beloningsbeleid bij netbeheerders?2
Ja.
Is het waar dat 34 mensen in dienst bij Liander in 2013 meer verdienden dan de WNT-norm?3 Hoeveel van deze mensen vallen onder de WNT en voor hoeveel van deze 34 mensen was het overgangsrecht uit de WNT van toepassing? Is het waar dat er elf gouden handdrukken (van meer dan € 75.000) zijn uitgekeerd in 2013? Passen deze handdrukken binnen de WNT?
Uit het jaarbericht van Liander over 2013 blijkt dat er zeven topfunctionarissen (de directeur en de voorzitter en leden van de Raad van Commissarissen) en 17 andere functionarissen een bezoldiging hadden boven het wettelijk bezoldigingsmaximum. Tevens ontvingen elf niet-topfunctionarissen een ontslagvergoeding die naar rato van de omvang van het dienstverband het wettelijk bezoldigingsmaximum van € 228.599 te boven gaat. Aan topfunctionarissen zijn in 2013 geen ontslagvergoedingen toegekend. Voor de topfunctionarissen geldt normering; voor de andere groep alleen openbaarmaking. De zeven topfunctionarissen vielen volgens het jaarbericht allen onder het overgangsrecht. Drie leden van de Raad van Commissarissen voldoen overigens vanaf 27 maart 2013 aan de WNT-norm.
Wat zegt het grote aantal salarissen dat boven de WNT-norm ligt over de organisatiecultuur van deze netbeheerder? Deelt u de mening dat deze beloningen absoluut niet passen bij een publiek bedrijf met gebonden klanten en gereguleerde tarieven? Zo nee, waarom niet?
Het aantal salarissen boven de WNT-norm op dit moment is een gevolg van de historische ontwikkeling van salarissen in de publieke en semipublieke sector. Deze ontwikkeling was de aanleiding tot de WNT, die ook bij regionale netbeheerders tot een gematigder beloningsbeleid zal leiden. Daar zal de sector in de toekomst op worden afgerekend.
Wat is het verschil tussen de berekening van salaris volgens de WNT en de berekening volgens internationale accountantsregels, die Liander in het jaarverslag zegt te volgen?4 Leidt dit verschil tot hogere salarissen bij netbeheerders? Hoe zit dit bij andere instellingen die onder de WNT vallen?
Liander gebruikt in het jaarbericht over 2013 het bezoldigingsbegrip van de WNT, dat nader wordt toegelicht in de Regeling bezoldigingscomponenten WNT (Staatscourant 2014, nr. 6628) en de Beleidsregels toepassing WNT (Staatscourant 2014 nr. 6629). Alliander (waar Liander een onderdeel van is) gebruikt voor het weergeven van de bestuurdersbeloningen in het jaarverslag over 2013 de richtlijnen van de International Financing Reporting Standards (IFRS). Bij IFRS vindt waardering en boekhouding plaats volgens fair value of actuele waarde. Dit betekent dat kosten en baten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben en niet op het kasmoment. Deze methode leidt niet tot een andere salariëring, het gaat alleen om een boekhoudkundig verschil in toerekeningssytematiek.
Is de volgende bewering van de zegsvrouw van Liander juist: «Volgens de WNT mag je nu nieuwe topmannen aannemen met een salaris boven de norm»?5 Zo nee, kunt u Liander hierop aanspreken?
Deze bewering is niet correct. Uit navraag blijkt echter dat de zegsvrouw onjuist zou zijn geciteerd. Zij sprak over «medewerkers» en niet over «topmannen». Voor medewerkers die geen topfunctionaris zijn, is de uitspraak wel correct. Overigens bevestigt Liander geen nieuwe medewerkers aan te nemen boven de WNT-norm.
Heeft u inzicht in het effect van de WNT op de arbeidsmobiliteit van topfunctionarissen in deze sector? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
De WNT-gegevens over het verslagjaar 2013 van de organisaties uit deze sector konden tot 1 augustus worden doorgegeven. Voor het einde van 2014 zal op basis van alle verzamelde gegevens een rapportage naar de Kamer worden gestuurd. Hoewel bij deze eerste rapportage nog geen vergelijkingsmateriaal uit voorgaande jaren beschikbaar is, streef ik ernaar om hierin een eerste indicatie van de effecten van de WNT te kunnen geven.
Het bericht ”Flitsfaillissement zoals bij Neckermann is illegale variant van reorganiseren” |
|
John Kerstens (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Flitsfaillissement zoals bij Neckermann is illegale variant van reorganiseren»?1
Ja.
De in het bericht besproken «flitsfaillissementen» betreffen faillissementen van ondernemingen die in ernstige financiële problemen zijn geraakt waardoor zij niet langer in hun bestaande vorm en omvang voort konden gaan. Bij deze faillissementen werd gebruik gemaakt van een rechtens aanvaarde praktijk die inmiddels door acht van de elf rechtbanken wordt toegepast – zoals recentelijk ook het geval was bij créchebedrijf Estro. In navolging van een Engelse regeling waarmee deze enige gelijkenissen vertoont, wordt deze praktijk ook wel aangeduid met de term «pre-pack». Alvorens ik overga tot de beantwoording van de vragen die naar aanleiding van het bericht zijn gesteld, lijkt het mij goed om eerst kort uiteen te zetten wat die praktijk precies inhoudt en tegen welke achtergrond deze is ontstaan.
Wanneer een onderneming niet langer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, kan de rechtbank het faillissement uitspreken. Daarbij wordt door de rechtbank een curator aangesteld die het beheer en de beschikking van de tot de gefailleerde onderneming behorende activa overneemt om ze te gelde te maken en de opbrengst te verdelen onder de crediteuren. Zijn er nog rendabele bedrijfsonderdelen, dan kunnen deze net als de andere activa (zoals de bedrijfsinventaris) verkocht worden en doorstarten met een nieuwe eigenaar. Daarbij kan het voorkomen dat het oude management van de gefailleerde onderneming betrokken blijft, bijvoorbeeld ter borging van de continuïteit van de bedrijfsvoering. De praktijk laat zien dat de onderneming na de faillietverklaring zeer waarschijnlijk te maken zal krijgen met negatieve publiciteit die ertoe leidt dat een onbeheersbare situatie ontstaat; financiers gaan over tot het uitwinnen van zekerheden, leveranciers weigeren nog langer te leveren, werknemers gaan op zoek naar een andere baan en klanten verliezen het vertrouwen. Dit kan ertoe leiden dat de onderneming vrijwel tot stilstand komt en dat de nog rendabele bedrijfsonderdelen in korte tijd veel van hun waarde en potentiële rendement verliezen waardoor het lastig wordt om hiervoor nog een koper te vinden die een doorstart wil wagen. Ook is het dan nog maar de vraag of een goede verkoopprijs kan worden gerealiseerd.
In reactie op dit probleem is er in de rechtspraktijk een oplossing ontwikkeld die eruit bestaat dat de rechtbank, op verzoek van een onderneming die in ernstige financiële problemen verkeert, al voor een mogelijke faillietverklaring in stilte aanwijst wie als curator en rechter-commissaris zullen worden aangesteld mocht het daadwerkelijk tot een faillissement komen. Bedoeling daarbij is de onderneming de gelegenheid te geven het aanstaande faillissement in relatieve rust, onder het toeziend oog van de toekomstig curator, voor te bereiden zodat de schade bij crediteuren (waaronder leveranciers en afnemers) en werknemers zoveel mogelijk beperkt kan worden en de kansen op een verkoop en daarop volgende doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen tegen een maximale opbrengst worden vergroot.
De toekomstig curator – die in de media vaak «stille bewindvoerder» wordt genoemd – wordt dus betrokken bij het voorbereidingstraject, dat in de regel niet langer duurt dan een paar weken. Hij kijkt mee, laat zich informeren en vormt zich een oordeel over de gang van zaken binnen de onderneming en over het verkoopproces dat door de onderneming is ingezet en praat in dit kader eventueel ook met potentiele overnamekandidaten.
Mocht er inderdaad een overnamepartij gevonden worden, dan is het aan de curator in het faillissement om te beslissen of hij wil meewerken aan de verkoop en zal ook de rechter-commissaris hiermee moeten instemmen. Zij zullen dit doen wanneer zij ervan overtuigd zijn dat met de voorbereide verkoop de hoogst mogelijke opbrengst voor de gezamenlijke crediteuren kan worden gerealiseerd. Ook zal er oog zijn voor het behoud van werkgelegenheid voor het personeel van de gefailleerde onderneming. Doordat de curator en de rechter-commissaris – door hun betrokkenheid in het voorbereidingstraject – al goed geïnformeerd zijn, zullen zij hierover snel kunnen beslissen en kan de verkoop en de daarop volgende doorstart van de bedrijfsonderdelen relatief kort na de faillietverklaring plaatsvinden. Daarmee kan worden voorkomen dat een onbeheersbare situatie optreedt die invloed heeft op de kansen op een doorstart en de verkoopprijs van de rendabele bedrijfsonderdelen.
Tijdens het mondelinge vragenuurtje in de Tweede Kamer van 18 juni 2013 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie – naar aanleiding van een verzoek daartoe van het lid Recourt – toegezegd dat ik een wetsvoorstel zou voorbereiden waarin ten behoeve van de rechtszekerheid de «pre-pack» een uitdrukkelijke grondslag in de wet wordt geboden. Inmiddels is dit wetsvoorstel (voor de zgn. Wet continuïteit ondernemingen I) voor advies naar de afdeling Advisering van de Raad van State gezonden.
Acht u het mogelijk dat een onderneming die financieel sterk genoeg is om boventallig personeel met een sociaal plan te laten afvloeien, een faillissement aanwendt om goedkoop van dat personeel af te komen? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit hoogst ongewenst is en wat kunt u daar tegen doen? Zo nee, waarom kan dit niet?
Ik acht de kans hierop gering. In de eerste plaats om de praktische reden dat het bestuur van de onderneming na de faillietverklaring vrijwel buiten spel komt te staan. De faillietverklaring leidt er immers toe dat de curator per direct het beheer en de beschikking over de onderneming overneemt van de (voormalig) bestuurders en dat zij daardoor de gang van zaken binnen de onderneming niet langer in eigen hand hebben. Bovendien ontstaat bij een faillietverklaring doorgaans de hierboven beschreven onbeheersbare situatie met alle negatieve gevolgen voor de continuïteit van de levensvatbare onderdelen van de onderneming van dien.
Daarnaast geldt dat wanneer de bevoegdheid tot het doen van een faillissementsaanvraag wordt gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld – bijvoorbeeld om het personeelsbestand snel en «goedkoop» te kunnen terugbrengen – dit volgens vaste jurisprudentie misbruik van recht oplevert.2 De rechtbank zal in dat geval het verzoek tot faillietverklaring afwijzen. Na invoering van de Wet continuïteit ondernemingen I zal deze regel onverkort blijven gelden. Daarom zal de rechtbank ook bij de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing van de toekomstig curator in de eerste plaats moeten beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van ernstige financiële problemen en een dreigend faillissement. Heeft het er alle schijn dat het verzoek tot aanwijzing van een toekomstig curator onderdeel is van een traject waarin het bestuur van de onderneming aanstuurt op een faillissement om de onderneming snel en «goedkoop» te kunnen saneren, dan zal de rechtbank hier niet aan mee willen werken. De rechtbank zal in dat geval het verzoek afwijzen.
Mocht het uiteindelijk toch op een faillietverklaring uitdraaien, dan zou het doelbewust laten aankomen op een faillissement, terwijl er reële alternatieven aanwezig zijn om de financiële problemen op te lossen, kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurders voor de schade die als gevolg daarvan is ontstaan (vlg. artikelen 2:138 of 248 BW). In de toekomst – na inwerkingtreding van de aangekondigde nieuwe regeling betreffende het civielrechtelijk bestuursverbod3 – zou dit gedrag ook kunnen uitmonden in de oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod aan de bestuurders of feitelijk leidinggevenden van de onderneming.
In hoeverre worden crediteuren door flitsfaillissementen benadeeld?
Crediteuren hebben doorgaans juist baat bij de hiervoor beschreven «pre-pack»-praktijk.
Het doel van de aanwijzing van de toekomstig curator is om de schade bij crediteuren en werknemers als gevolg van een eventueel faillissement zoveel mogelijk te beperken en om de kansen op een verkoop – tegen een zo een hoog mogelijke prijs – en een daarop volgende doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen te vergroten. Het resultaat dat wordt beoogd is een hogere boedelopbrengst ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren in het faillissement en behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid. De Radboud Universiteit heeft onlangs in samenwerking met BDO Consultants een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de huidige «pre-pack» praktijk op de hoogte van de boedelopbrengst. Naar verluidt gaan de onderzoekers er op basis van hun eerste bevindingen vanuit dat bij de huidige praktijk sprake is van een meeropbrengst voor de boedel die varieert van 10 tot 30%.4 Wordt een hogere boedelopbrengst gerealiseerd dan hebben de individuele crediteuren een grotere kans dat in ieder geval een deel van hun vordering in faillissement zal kunnen worden voldaan.
De Wet continuïteit ondernemingen I zal de positie van crediteuren in «pre-pack»-trajecten nog verbeteren. In die wet zullen de rol en de taken en bevoegdheden van de toekomstig curator en rechter-commissaris5 worden vastgelegd. Zo zal ten aanzien van de toekomstig curator worden bepaald dat hij in de «stille voorbereidingsfase» voorafgaand aan de faillietverklaring niet optreedt als adviseur van de onderneming, maar dat hij in die fase – net als in faillissement – tot taak heeft de belangen van de crediteuren (waaronder ook de werknemers) te behartigen. Ook zal in de wet worden bepaald hoe de toekomstig curator over de vervulling van die taak verantwoording aflegt aan de toekomstig rechter-commissaris, die toezicht op hem houdt, en na afloop van het voorbereidingstraject ook aan derden, waaronder in het bijzonder de crediteuren en de werknemers. De toekomstig curator zal kort na de faillietverklaring – die tevens het einde van het voorbereidingstraject markeert – een eindverslag moeten uitbrengen waarin hij in ieder geval zal moeten ingaan op:
De informatieverstrekking naar de crediteuren en de werknemers vindt weliswaar achteraf plaats, maar daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat het hierboven beschreven resultaat alleen bereikt kan worden wanneer het treffen van de daarvoor benodigde voorbereidingen in stilte kan plaatsvinden. Zodra bekend wordt dat een onderneming zich in financiële moeilijkheden bevindt en een faillissement aanstaande is, zal de onderneming zeer waarschijnlijk te maken krijgen met de hierboven beschreven onbeheersbare situatie die bij een «klassiek» onvoorbereid faillissement vrijwel altijd optreedt. Deze situatie zou een verkoop van bedrijfsonderdelen tegen een zo hoog mogelijke verkoopprijs, en een daarop volgende doorstart met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid, illusoir maken en daarmee leiden tot een uitkomst met vooral verliezers.
Houdt de rechter-commissaris rekening met de vraag of een faillissement gebruikt wordt voor het goedkoop ontslaan van boventallig personeel en het benadelen van schuldeisers? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het in eerste instantie aan de rechtbank die een faillissementsaangifte of een daaraan voorafgaand verzoek tot aanwijzing van de toekomstig curator beoordeelt, om vast te stellen of het verzoek is gedaan op juiste gronden. Vindt er een aanwijzing van de toekomstig curator plaats en komt pas nadien aan het licht dat de onderneming nog wel alternatieven heeft om haar financiële problemen buiten faillissement op te lossen, maar dat het bestuur er desalniettemin voor kiest om het aan te laten komen op een faillissement dan zal dit in de regel aanleiding zijn voor de toekomstig rechter-commissaris om de rechtbank te verzoeken haar aanwijzing in te trekken. Het stille voorbereidingstraject komt daarmee tot een einde en de rechtbank is direct gewaarschuwd mocht nadien alsnog een faillissementsaanvraag volgen. Zij zal een faillissementsaanvraag die onder bovengenoemde omstandigheden wordt gedaan, op grond van misbruik van recht afwijzen.
Deelt u de mening dat er een spanning kan zitten tussen enerzijds een gewenste doorstart van een onderneming en anderzijds het belang van een zorgvuldige afvloeiing van boventallig personeel en een afwikkeling van schulden? Zo ja, waaruit bestaat die spanning? Welke rol hebben de rechter-commissaris en de curator om tot een zorgvuldige afweging te komen? Zo nee, waarom niet?
Het aangekondigde wetsvoorstel met betrekking tot de introductie van een civielrechtelijk bestuursverbod biedt de rechtbank de mogelijkheid om (voormalig) bestuurders of feitelijk leidinggevenden die zich tijdens of in de drie jaar voorafgaand aan een faillissement schuldig maken aan – kort gezegd – wanbeleid voor maximaal vijf jaar een bestuursverbod op te leggen. De wet zal er voorts in voorzien dat opgelegde bestuursverboden in een openbaar register zullen worden geregistreerd. Bijgevolg wordt de betrokken bestuurder als zodanig uitgeschreven en wordt tevens gewaarborgd dat hij voor de duur van het bestuursverbod noch bestuurder noch commissaris bij een andere vennootschap kan worden. Daarmee wordt voorkomen dat hij opnieuw als bestuurder van een onderneming derden kan benadelen. Dat geldt uiteraard ook in doorstartsituaties. Over de voortgang van alle wetsvoorstellen die in het kader van het programma herijking van het faillissementsrecht worden voorbereid – waaronder het wetsvoorstel tot introductie van een civielrechtelijk bestuursverbod – wordt u geïnformeerd in de voortgangsbrief van de zomer 2014.
Met de oprichting van een centraal aandeelhoudersregister wordt geregistreerd wie de aandeelhouders zijn van besloten vennootschappen (BV's) en niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen (NV's). Het centraal aandeelhoudersregister wordt onder het beheer van de Kamer van Koophandel ingericht. De Minister van Economische Zaken zal daarvoor naar verwachting in het najaar een wetsvoorstel indienen. Het is de bedoeling dat het aandeelhoudersregister eind 2015 operationeel is. Het register bevat informatie die relevant is voor de uitoefening van controle, toezicht en opsporingstaken. Die informatie biedt aanknopingspunten voor nader onderzoek, bijvoorbeeld als er een verdenking van malafide transacties is. Daarbij moet gedacht worden aan financieel-economische fraude. Bij misbruik van rechtspersonen met het doel financieel-economische fraude te kunnen plegen is het niet ongewoon dat binnen een BV eerst flinke schulden worden gemaakt om die BV vervolgens te laten «ploffen» en dat daarna dezelfde list in een nieuwe BV wordt herhaald. Het register zal kunnen bijdragen aan de bestrijding van dit type financieel-economische fraude.
Wat is de stand van zaken omtrent de invoering van een register van malafide bestuurders van vennootschappen? Wat is de stand van zaken omtrent de invoering van een centraal aandeelhoudersregister van besloten vennootschappen? Kunnen deze registers van nut zijn om doorstarts van ondernemingen te voorkomen waarbij personeel of schuldeisers worden gedupeerd? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Experimenten waarbij Facebookgebruikers betrokken zijn en de privacy van social mediagebruikers |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het experiment dat social mediadienst Facebook in 2012 uitvoerde op 689.000 gebruikers?
Ik heb kennisgenomen van berichten in de pers dat een dergelijk experiment heeft plaatsgevonden.
Hoe beoordeelt u het genoemde experiment, waarin Facebook testte of het de emotie van gebruikers kan sturen door een selectie te maken in de berichten die vrienden van gebruikers posten? Hoe beoordeelt u het feit dat gebruikers hierdoor slechts berichten te zien kregen die Facebook selecteerde?
Het ligt niet op mijn weg om een algemeen oordeel te geven over de wijze waarop Facebook diensten aanbiedt en persoonsgegevens gebruikt.
Bent u van mening dat social mediadiensten expliciet toestemming moeten vragen aan gebruikers voordat ze een dergelijk experiment uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Dit hangt ervan af of er een overeenkomst is tussen de aanbieder en de gebruiker van de sociale mediadienst. Doorgaans vindt verwerking van persoonsgegevens plaats krachtens een overeenkomst tussen de aanbieder en de gebruiker. De grondslag voor de gegevensverwerking is dan gelegen in artikel 8, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het is afhankelijk van de overeenkomst of de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van experimenten mogelijk is gemaakt. Voor zover de overeenkomst tekortschiet, moet er zijn voldaan aan een van de andere rechtvaardigingsgronden uit artikel 8 Wbp. Toestemming van de betrokkene kan dan een rechtvaardigingsgrond zijn (artikel 8, onder a).
Deelt u de mening dat de selectiecriteria die social mediadiensten en zoekmachines gebruiken bij het selecteren van berichten die gebruikers te zien krijgen, openbaar moeten zijn? Zo ja, wat doet u om deze openbaarheid te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Uit de artikelen 33 en 34 van de Wbp volgt dat de aanbieders van sociale mediadiensten en zoekmachines verplicht zijn om de betrokkene te informeren over de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is. Zij dienen bovendien nadere informatie te verstrekken voor zover dat nodig is om een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen jegens de betrokkene, gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder de gegevens worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, (artikel 33, derde lid, en 34, derde lid). De verantwoordelijken dienen dus royaal aan hun informatieverplichtingen invulling te geven. Onder omstandigheden kan dus ook het informeren over de selectiecriteria onder de informatieverplichtingen vallen.
Acht u experimenten zoals beschreven, ethisch verantwoord als er minderjarigen bij betrokken worden? Zo niet, wat gaat u doen om minderjarigen te beschermen tegen dit soort experimenten van social media?
Het is niet mijn rol om hier een ethisch oordeel over te geven, omdat een dergelijke beoordeling en de vraag of hieraan consequenties moeten worden verbonden, bij de ouders dient te liggen. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wbp is de toestemming van ouders vereist indien minderjarigen jonger zijn dan 16 jaar. Verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens, zoals sociale media-aanbieders, moeten dus de toestemming van de ouders hebben. Hiermee is voorzien in een rol voor de ouders.
Is de wijze waarop Facebook telefoonnummers, adresgegevens, e-mailadressen en andere persoonsgegevens van gebruikers doorgeeft aan deurwaarders, toezichthouders, banken, online dienstverleners, advocaten, gerechtelijke instanties en marketingpartijen mogelijk in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Om hierover een oordeel te kunnen vellen, is onderzoek nodig naar de wijze waarop Facebook persoonsgegevens van betrokkenen verwerkt. Dit staat niet aan mij ter beoordeling.
Bent u van mening dat Facebook-gebruikers ondubbelzinnig toestemming geven voor dergelijke doorgifte van gegevens door de voorwaarden te accepteren? Zo ja, hoe blijkt dit uit de gebruikersvoorwaarden? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Indien de gebruiksvoorwaarden voldoende duidelijk omschrijven dat dergelijke gegevens kunnen worden doorgegeven, dan is toestemming niet nodig. Of de gebruiksvoorwaarden hieraan voldoen en op welke manier Facebook hiermee omgaat, is aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP). De wetgever heeft het onafhankelijke CBP belast met het toezicht op de naleving en de handhaving van de Wbp.
Kunt u garanderen dat Facebook geen persoonsgegevens van minderjarige gebruikers verwerkt, zonder dat hier toestemming van de ouders voor is verkregen? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Ingevolge artikel 5, eerste lid, Wbp dienen sociale media-aanbieders de toestemming van de ouders te hebben voordat minderjarigen die jonger zijn dan 16 jaar, deelnemen aan sociale media. Of in het concrete geval sprake is van verwerking van persoonsgegevens, en of in dat geval voldaan is aan de Wbp, is aan het CBP om te beoordelen. Het is vervolgens aan het CBP om te beoordelen of in specifieke gevallen in strijd met de Wbp wordt gehandeld.
Wat is uw visie over de gedragssturende rol die aanbieders van social media en zoekmachines steeds meer innemen? Hoe ziet u de rol van de overheid hierin?
Het ligt niet op mijn weg om een oordeel te geven over de manier waarop aanbieders van sociale media en zoekmachines hun klanten tegemoet treden. Zolang zij zich aan de wet houden, is er geen reden daartegen op te treden.
De verlening van erkenningen aan bedrijf Halliburton B.V. te IJmuiden |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat u aan een aantal, bij Halliburton B.V. te IJmuiden werkzame personen een erkenning heeft verleend om explosieven toe te passen in boorgaten voor de opsporing en winning van koolwaterstoffen? Zo ja, wat houden deze erkenningen precies in en voor welke doeleinden kunnen deze explosieven worden aangewend.
Ja, op 17 juni 2014 heb ik aan 4 medewerkers van Halliburton B.V., gevestigd te IJmuiden, een erkenning verleend zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Wet explosieven voor civiel gebruik (hierna: WECG).
De erkenningen houden in dat het de betreffende werknemers van Halliburton B.V. is toegestaan om werkzaamheden met explosieven ten behoeve van mijnbouwactiviteiten te verrichten. Dit betekent overigens niet dat het Halliburton B.V. of haar medewerkers is toegestaan zelf koolwaterstoffen (olie en gas) op te sporen en te winnen. Het opsporen en winnen van koolwaterstoffen is voorbehouden aan mijnondernemingen die in het bezit zijn van een opsporings- en winningsvergunning.
Explosieven worden in de mijnbouw met name toegepast in boorgaten of putten, o.a. voor het zogenaamde «perforeren» van de verbuizing ter hoogte van ondergrondse formaties waarin koolwaterstoffen aanwezig zijn, zodat deze koolwaterstoffen gewonnen kunnen worden door de hierna verkregen geperforeerde kanalen. Ook worden explosieven gebruikt voor het ondergronds afsnijden van verbuizingen in boorgaten en putten, indien deze verbuizingen verwijderd moeten worden.
Klopt het dat het hier om de winning van schaliegas gaat? Zo ja, deelt u de mening dat deze erkenningen vooruitlopen op de definitieve besluitvorming over de (on)wenselijkheid van schaliegaswinning? Zo nee, waarom niet?
Nee.
De WECG heeft tot doel om het misbruik van ontplofbare stoffen te voorkomen. Met de afgegeven erkenningen is het de betreffende medewerkers van Halliburton B.V. toegestaan om explosieven te gebruiken ten behoeve van mijnbouwactiviteiten.
Gebruik van explosieven bij mijnbouw vindt altijd plaats in opdracht van een mijnonderneming, als houder van een opsporings- of winningsvergunning. Zoals aangegeven bij vraag 1 is Halliburton B.V. zelf geen houder van een dergelijke vergunning en derhalve dus niet bevoegd om koolwaterstoffen op te sporen of te winnen.
Zoals met uw Kamer afgesproken, zullen er – vooruitlopend op de definitieve besluitvorming in de structuurvisie schaliegas – geen activiteiten plaatsvinden door mijnondernemingen voor de opsporing en winning van schaliegas. Het gebruik van explosieven bij mijnbouw is dan ook bedoeld voor de opsporing en winning van conventionele olie- en gasvoorkomens.
Hoe kwalificeert u de bedrijfsvoering van Halliburton? Welke beoordeling heeft plaatsgevonden van dit bedrijf? Kan de Kamer daarvan een afschrift krijgen?
Voordat een erkenning aan een bedrijf of persoon wordt afgegeven, wordt eerst beoordeeld of aan het bedrijf of de persoon «het onder zich hebben van explosieven» kan worden toevertrouwd en of er geen vrees voor misbruik bestaat. De door mij op 17 juni jl. afgegeven erkenningen aan de medewerkers van Halliburton B.V. zijn getoetst aan bovengenoemde vereisten die de WECG stelt.
Op basis van deze toetsing en op basis van de prestaties van en ervaringen met Halliburton B.V. is er geen reden om te vermoeden dat deze onderneming de erkenning zal misbruiken.
Wat is ervan waar dat Halliburton betrokken is geweest bij het welbewust vernietigen van informatie over de werkelijke toedracht rond de catastrofale olieramp in de Golf van Mexico en de ramp met de Deepwater Horizon? Is er een financiële zekerheidsstelling geëist voor eventuele milieuschades? Zo ja, tot welk bedrag beloopt deze financiële zekerheidsstelling?
Ik ben niet in een positie om uitlatingen te doen over onderzoeken en juridische procedures die momenteel gaande zijn in een andere natie, waaronder de onderzoeken naar de ramp met de Deepwater Horizon in de Verenigde Staten.
Er wordt geen financiële zekerheidsstelling geëist in de WECG, waarop deze erkenningen zijn gebaseerd. Werkzaamheden met explosieven bij mijnbouwactiviteiten worden in Nederland altijd uitgevoerd in opdracht van een mijnonderneming, als houder van een opsporings- of winningsvergunning van koolwaterstoffen. Voor eventuele milieuschade die is ontstaan door het gebruik van explosieven zal de betrokken mijnonderneming in eerste instantie aansprakelijk worden gesteld.
Kunt u aangeven welke risico’s verbonden zijn aan het gebruik van explosieven bij de winning van koolwaterstoffen in de ondergrond en hoe heeft u deze risico’s betrokken bij uw besluit om deze erkenningen te verlenen?
In eerste instantie bestaat er het risico dat er misbruik gemaakt zou kunnen worden van de toe te passen explosieven. Zoals ook aangegeven bij vraag 3 is er, op basis van de prestaties van en ervaringen met Halliburton B.V., geen reden om te vermoeden dat deze onderneming de erkenning zou misbruiken.
Een ander risico bij het gebruik van explosieven is met name het onbedoeld ontsteken hiervan tijdens mijnbouwactiviteiten. Indien dit bovengronds zou plaatsvinden (bijvoorbeeld tijdens de voorbereiding van werkzaamheden in boorgaten of putten) dan kan dit leiden tot ernstige ongevallen bij werknemers en schade aan de installatie, met eventuele milieuschade tot gevolg. Explosieven worden echter al vele jaren toegepast in de mijnbouw, waarbij gedegen werkwijzen en veiligheidsprocedures worden toegepast. Er worden hierbij tevens veiligheidssystemen toegepast ter voorkoming van onbedoelde ontsteking. Deze beheersmaatregelen hebben ervoor gezorgd dat er in Nederland bij het gebruik van explosieven in de mijnbouw geen ernstige ongevallen met grote milieuschade zijn voorgekomen.
Heeft u bij de verlening van deze vergunningen ook het veiligheidsverleden van het wereldwijd opererende bedrijf Halliburton betrokken? Deelt u de mening dat de omgang van Halliburton met kwetsbare ecosystemen en het veiligheids- en milieubewustzijn tekortschieten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe voorkomt u dat dit soort incidenten in Nederland veroorzaakt kunnen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 5 heb ik mij gebaseerd op de veiligheidsprestaties van het in Nederland werkzame bedrijf Halliburton B.V. Mede gelet op deze veiligheidsprestaties, alsmede dat van mijnondernemingen ten aanzien van het gebruik van explosieven bij mijnbouwactiviteiten, was er geen aanleiding om de erkenning van Halliburton B.V. te weigeren. Ik deel daarom niet de mening dat het veiligheids- en milieubewustzijn van Halliburton B.V. tekortschiet.
Bent u bereid om deze erkenningen in te trekken met het oog op het voorkomen van onomkeerbare beslissingen en de definitieve besluitvorming rond schaliegaswinning af te wachten? Zo nee, waarom niet?
De WECG biedt niet de mogelijkheid om de erkenningen in te trekken met het oog op het voorkomen van onomkeerbare beslissingen en het afwachten op de definitieve besluitvorming rond schaliegaswinning. Naast het feit dat de WECG niet de mogelijkheid biedt de erkenningen op grond hiervan in te trekken, is het ook niet nodig. Zoals aangegeven bij vraag 2 is namelijk met uw Kamer afgesproken dat er -vooruitlopend op de definitieve besluitvorming in de structuurvisie schaliegas- geen activiteiten zullen plaatsvinden door mijnondernemingen voor de opsporing en winning van schaliegas.
Het bericht dat ING overweegt delen van haar hoofdkantoor te verhuizen naar Londen of Frankfurt |
|
Arnold Merkies |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Bent u bekend met het artikel: «ING broedt op verhuizen delen hoofdkantoor naar buitenland; Oorzaken zijn streng Nederlands bankbeleid en komst Europese bankenunie»?1
Ja.
Kunt u bevestigen of het bericht klopt dat ING overweegt delen van haar hoofdkantoor te verplaatsen naar het buitenland?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Ik heb naar aanleiding van de berichtgeving in het FD contact gehad met ING en de bank heeft mij laten weten geenszins te overwegen het hoofdkantoor of delen daarvan naar het buitenland te verplaatsen.
Zo ja, hoe bent u daarvan op de hoogte gesteld en wat is daarop uw reactie?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat De Nederlandsche Bank (DNB) op de hoogte is van deze plannen?
Zoals hiervoor aangegeven, is een verhuizing van het hoofdkantoor van ING of delen daarvan niet aan de orde.
Behoort DNB er volgens u van op de hoogte te zijn indien een bank draaiboeken maakt om onderdelen van het hoofdkantoor naar het buitenland te verplaatsen?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het wenselijk dat een bank die staatssteun heeft gekregen, aanstalten maakt om Nederland (deels) te verlaten? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Geen progressie in open data' |
|
Perjan Moors (VVD), Bart de Liefde (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Geen progressie in open data»?1
Ja
Wat heeft u sinds uw brief van 1 november 2013, waarin u aan de Kamer beterschap heeft beloofd bij het ter beschikking stellen van open data door de overheid, ondernomen voor het actief beschikbaar maken van gegevens als open data?
Ik heb in die brief een aantal acties aangekondigd voor de periode 2014–2015 die bedoeld zijn om het aanbod en het hergebruik van open data te bevorderen.
Er is een top-50 samengesteld van datasets die met voorrang zou kunnen worden ontsloten. Op basis van deze lijst worden de eigenaren van datasets benaderd om deze als open data beschikbaar te stellen. Dat heeft inmiddels geleid tot de ontsluiting van 5 nieuwe datasets en er zullen er meer volgen.
Zijn er sindsdien meer dan wel minder datasets openbaar gemaakt? Kunt u exacte cijfers geven van het aantal datasets dat de verschillende ministeries en andere overheden openbaar hebben gemaakt?
Dit is niet bekend. Via data.overheid.nl bestaat nog niet de mogelijkheid om exacte cijfers per ministerie of andere overheden te monitoren. Daarom wordt gewerkt aan een upgrade hiervan waarmee dat wel mogelijk wordt. Het verbeterde portaal zal in 2014 worden opgeleverd.
Is het waar dat het ministerie van BZK slechts 13 datasets als open data aanbiedt? Zo ja, bent u tevreden over het aantal datasets dat als open data wordt aangeboden?
Nee, het Ministerie BZK ontsluit 18 datasets via data.overheid.nl. De verwachting is dat in de periode 2014/2015 nog 10 datasets zullen worden ontsloten.
Op welke manier tracht u open data tot de standaard te maken? Deelt u de mening dat in principe alle gegevens, die met belastinggeld verzameld of gegenereerd zijn, als open data beschikbaar moeten worden gesteld, volgens het beginsel van «ja, tenzij…»? Hoe komt het dat het in de praktijk nog steedse een uitzonderlijke situatie is als er een dataset openbaar wordt gemaakt?
Door daarvoor heldere kaders te geven, te stimuleren dat overheden hier actief werk van maken en door de technische faciliteiten voor het beschikbaar stellen en hergebruik van open data aan te bieden. Ik onderschrijf het beginsel van «ja, tenzij...» van harte.
Het beeld dat het uitzonderlijk is als er een open data set openbaar wordt gemaakt, deel ik niet. Mijn beeld is dat veel overheidsorganisaties met het thema bezig zijn, wat ongetwijfeld op afzienbare termijn tot meer open data zal leiden.
Wordt er, zoals u in uw brief van 1 november 2013 meldt, inderdaad actief gewerkt om meer datasets beschikbaar te stellen? Op welke manier werkt u hier aan? Is er een overheidsbrede werkwijze of is dit per ministerie verschillend? Kunt u de Kamer informeren over deze werkwijze?
Ja, daar wordt actief aan gewerkt. Het gaat daarbij om een overheidsbrede benadering die wordt gekenmerkt door stimulering, facilitering en kennisoverdracht. Daadwerkelijke ontsluiting van open data per ministerie is een eerste verantwoordelijkheid van de betrokken minister. Het Kabinet zal eind september aangeven op welke wijze aan dat proces een extra impuls kan worden gegeven.
Het bericht dat de lange arm van de VS bestuurders nerveus maakt |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Lange arm VS maakt bestuurders nerveus»?1
Ja.
Klopt het dat de Amerikaanse Foreign Corrupt Practices Act (FCPA) een bestuurder aansprakelijk kan stellen voor corruptie in zijn bedrijf als hij niet kan aantonen voldoende maatregelen te hebben genomen om corruptie tegen te gaan, ook wanneer de corruptie niet in de Verenigde Staten maar in het buitenland heeft plaatsgevonden?
Dit klopt voor zover het hier gaat om corruptie in de vorm van omkoping van buitenlandse ambtenaren. Met het OESO-Verdrag inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties is omkoping van buitenlandse ambtenaren strafbaar gesteld in de landen die partij zijn bij het verdrag. Nederland kent net als de Verenigde Staten (VS) uitgebreide wetgeving ter bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren.
Indien een onderneming gepaste maatregelen heeft getroffen en adequate procedures heeft geïmplementeerd ter bevordering van de integriteit van haar werknemers en contractanten, kan dit een mogelijk verweer zijn tegen aantijgingen van buitenlandse omkoping, ook onder de Amerikaanse wetgeving. Het corruptiehoofdstuk in de OESO-Richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen maakt op dit punt duidelijk wat de Nederlandse overheid (en 45 andere landen, waaronder de VS) van bedrijven verwacht bij het internationaal zakendoen om corruptie te voorkomen. Transparantie staat hierbij centraal.
Wat zijn volgens u de mogelijke gevolgen voor Nederlandse CEO’s (Chief Executive Officers) en ondernemers van de FCPA en van het feit dat de wet zo ver gaat dat bedrijven die zakendoen met landen die door de VS eenzijdig zijn getroffen door een handelsembargo, in Amerika kunnen worden aangeklaagd? Wat gaat u doen om negatieve effecten van FCPA te verminderen?
De FCPA heeft tot gevolg dat Nederlandse CEO’s en ondernemers – net als CEO’s en ondernemers uit andere landen – in de VS strafrechtelijk kunnen worden vervolgd als zij of hun bedrijf buitenlandse ambtenaren hebben omgekocht en er een connectie is met de VS. Dat geldt overigens ook in Nederland en in andere OESO- (en enkele niet-OESO-) lidstaten. De FCPA lijkt evenwel een meer vergaande rechtsmacht te kennen. Er is bij mijn weten echter geen verband tussen de FCPA en eenzijdige handelsembargo’s van de VS.
De Nederlandse overheid erkent het belang om Nederlandse bedrijven voldoende bewust te maken van de consequenties van internationale anti-corruptiewetgeving en ontplooit verschillende initiatieven op dit terrein. In het evaluatierapport van de OESO Anti-corruptiewerkgroep over de Nederlandse aanpak van buitenlandse omkoping van december 2012 complimenteerde de OESO Nederland dan ook met zijn inspanningen op het gebied van awareness raising. Nederland gaat uiteraard door met deze inspanningen en met het aanmoedigen van ondernemingen, met name het MKB, om effectieve programma’s en maatregelen voor interne controle, ethiek en naleving te ontwikkelen en aan te wenden ten behoeve van het voorkomen en opsporen van omkoping in het buitenland.
Deelt u de mening dat Nederland, conform de aanbeveling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), fraude en corruptie beter moet aanpakken, mede om te voorkomen dat Nederlandse CEO’s worden aangeklaagd onder de Amerikaanse wet?
Het kabinet hecht veel belang aan zuivere internationale handel en de bestrijding van corruptie. Corruptie ondermijnt economische ontwikkeling, verstoort het (internationale) gelijk speelveld voor zakendoen en is strijdig met maatschappelijk verantwoord ondernemen. Corruptie moet dan ook internationaal daadkrachtig worden bestreden. Het kabinet zal naar vermogen en volledig rekening houdende met Nederlandse rechtsprincipes uitvoering geven aan de aanbevelingen van de OESO.
In december 2013 heeft Nederland zich in de OESO Anti-corruptiewerkgroep tussentijds verantwoord over de mate en wijze van opvolging van een deel van de aanbevelingen uit het OESO-evaluatierapport uit 2012. De leden van de werkgroep oordeelden positief over de recente inspanningen die Nederland heeft gepleegd, onder andere op het terrein van opsporing en vervolging van buitenlandse omkoping. Voor details over de opvolging van de OESO-aanbevelingen verwijs ik naar de aan uw Kamer voor aankomend najaar toegezegde integrale beleidsreactie op de verschillende internationale anti-corruptie evaluaties2 3.
Heeft het Openbaar Ministerie volgens u voldoende kennis en mankracht om fraude en corruptie in Nederland aan te pakken en tevens om te kunnen toezien op handhaving, ook in internationaal verband? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke maatregelen zullen hiertoe worden genomen?
Ik heb uw Kamer reeds eerder gemeld dat strafzaken over buitenlandse omkoping uitzonderlijk ingewikkeld zijn.4 Sinds 2013 werken het Functioneel Parket en het Landelijk Parket nauw samen met respectievelijk de FIOD en de Rijksrecherche in alle onderzoeken naar omkoping van buitenlandse ambtenaren. Deze samenwerking is de expertise en de capaciteit voor de aanpak van fraude en corruptie zeer ten goede gekomen. Dat blijkt onder meer uit het stijgende aantal strafrechtelijke onderzoeken naar buitenlandse omkoping en de eerste resultaten daarvan.
Zoals ook vermeld in antwoord op vragen 3, 4 en 6, zijn de recente Nederlandse inspanningen op het terrein van corruptiebestrijding, onder meer t.a.v. opsporing en vervolging van buitenlandse omkoping, positief gewaardeerd. Op de aanbevelingen die in deze OESO-evaluatie, alsmede de andere internationale anti-corruptie evaluaties, zijn gedaan, zal ik nader ingaan in de toegezegde integrale beleidsreactie.
Bent u van mening dat aanvullende maatregelen nodig zijn om fraude en corruptie in Nederland sneller en effectiever aan te pakken? Zo ja, waarom en welke maatregelen gaat u hiertoe nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat Barclays wordt beticht van misleiding van institutionele beleggers |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat meerdere banken zich hebben teruggetrokken uit de dark pool van Barclays en dat Barclays er van wordt beticht institutionele beleggers te hebben misleid?1
Ja.
Zijn er signalen dat ook Nederlandse institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen, benadeeld zijn door het Britse Barclays? Zo ja, wat bent u dan van plan te ondernemen?
Er hebben mij geen signalen bereikt dat Nederlandse institutionele beleggers zijn benadeeld door de praktijken van Barclays waaraan wordt gerefereerd in het door het lid Nijboer aangehaalde artikel.
Zijn er ook in Nederland dark pools aanwezig? Zo ja, hoe is het toezicht daarop geregeld? Zijn er voldoende waarborgen om misleidende praktijken, oplichting en malversaties te voorkomen?
Dark pools zijn – kort samengevat – handelsplatformen waarop wordt gehandeld in financiële instrumenten, zoals aandelen, waarop geen verplichting tot transparantie voor de handel (pre trade transparency) geldt of waarop een dergelijke verplichting wel geldt, maar in bepaalde situaties kan worden gehandeld onder gebruikmaking van een ontheffing (waiver) van de verplichting tot transparantie voor de handel. De verplichting tot transparantie voor de handel houdt in dat exploitanten van handelsplatformen de via hun systemen meegedeelde actuele bied- en laatprijzen en de omvang («diepte») van de markt tegen die prijzen openbaar maken.
Dark pools komen in Europa in verschillende verschijningsvormen voor. Grofweg kunnen twee categorieën van (multilaterale) handelsplatformen worden onderscheiden waarop in het «donker» in aandelen kan worden gehandeld. In de eerste plaats de zogenoemde multilaterale handelsfaciliteiten (MTFs) waarop een verplichting tot transparantie voor de handel geldt, maar waarop in bepaalde gevallen met toepassing van een ontheffing van die verplichting kan worden gehandeld, en in de tweede plaats de zogenoemde Broker Crossing Systems (BCSs) waarop geen (gestandaardiseerde) pre trade transparency verplichting geldt. Op dit moment worden er geen dark pools in Nederland geëxploiteerd.
Voor de wijze waarop het toezicht op beide categorieën van dark pools is geregeld, verwijs ik naar het antwoord op de laatste vraag.
Hoe kijkt u in zijn algemeenheid aan tegen het bestaan van dark pools? Zijn deze de afgelopen jaren in omvang toegenomen? Wat vindt u van deze ontwikkeling? Hoe verhouden dark pools zich tot transparante, eerlijke en open handel?
Wat betreft de vraag naar het bestaansrecht van dark pools onderschrijf ik het
uitgangspunt van de richtlijn markten in financiële instrumenten (MiFID) en van de (nieuwe) verordening markten in financiële instrumenten (MIFIR) dat er bij de handel in aandelen sprake dient te zijn van transparantie voor de handel.2 Die transparantie is van groot belang met het oog op het bevorderen van een eerlijke markt en een efficiënte prijsvorming op die markt. Handelen in het «donker» kan in bepaalde nauwkeurig omschreven situaties ook een nuttige functie hebben. Ik doel daarbij op enkele situaties waarin volledige transparantie negatieve impact kan hebben op het efficiënt functioneren van de markt. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat een institutionele belegger een hele omvangrijke order, een zogenoemde large-in-scale order, inlegt. Vanwege de omvang van een dergelijke order kan volledige transparantie voor handel het prijsvormingsproces ernstig verstoren. Vandaar dat zowel het huidige als het nieuwe MiFID-regime voorziet in de mogelijkheid om in bepaalde gevallen in het «donker» te handelen.3
Het aantal transacties op Europese dark pools in eigenvermogensinstrumenten (equities), zoals aandelen, is in de periode van januari 2014 tot juli 2014 afgenomen van 6.8% tot 4.7%.4 Om de handel op dark pools verder terug te dringen en daarmee de transparantie voor de handel te vergroten, introduceert het nieuwe MiFID-regime enkele maatregelen.
In de eerste plaats introduceert MiFIR een handelsverplichting voor aandelen die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt («beurs») of die op een handelsplatform worden verhandeld. Die handelsverplichting houdt in dat beleggingsondernemingen in beginsel alle transacties in aandelen – daaronder begrepen transacties voor eigen rekening en transacties ter uitvoering van cliëntorders – moeten uitvoeren op een beurs, een mulilaterale handelsfaciliteit (MTF), een vergelijkbaar handelsplatform in een derde land of door een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling.5
In de tweede plaats introduceert MiFIR volumebeperkingen (volume caps) voor enkele van de hiervoor bedoelde pre trade transparency waivers. Deze volume caps beperken niet de omvang van de hiervoor genoemde large-in-scale orders, maar zij beperken het totale volume van de handel die met gebruikmaking van pre trade transparency waivers kan plaatsvinden. De volume caps dienen te voorkomen dat het gebruik van deze waivers toeneemt hetgeen een negatieve impact kan hebben op het prijsvormingsproces. Om te waarborgen dat de pre trade transparency waivers in alle lidstaten op dezelfde (uniforme) wijze worden toegepast, houdt de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) daarop toezicht.
Ten slotte wordt ook de handel op BCSs onder het bereik van de MiFID pre trade transparency verplichting gebracht. Op deze BCSs, die op grond van het huidige MiFID-regime reeds onder toezicht staan als beleggingsonderneming, gelden dergelijke verplichtingen nog niet. Marktpartijen maken om verschillende redenen gebruik van BCSs. Zo bieden zij marktpartijen de mogelijkheid om anoniem te handelen en kunnen zij – anders dan MTFs – de toegang tot het handelsplatform voor bepaalde categorieën marktpartijen, bijvoorbeeld high frequency traders, beperken. Voorts kunnen marktpartijen in bepaalde gevallen goedkoper handelen op een BCSs hetgeen relevant is vanwege de op die marktpartijen rustende plicht jegens hun cliënten tot best execution.
Als gevolg van de hiervoor geschetste maatregelen zullen BCSs hun business model moeten aanpassen en een vergunning moeten aanvragen als een gereguleerd handelsplatform, zoals een MTF, of als een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling.
Welke betrokkenheid en rol hebben De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) ten aanzien van in Nederland actieve dark pools?
Indien in Nederland MTFs, waarop onder een pre trade transparency waiver wordt gehandeld, dan wel BCSs zouden worden geëxploiteerd dan wordt op die handelsplatformen toezicht gehouden door de AFM. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat het hiervoor aangehaalde artikel over Barclays ziet op de Amerikaanse tak van die Britse Bank. Op een (eventueel) door die bank in het Verenigd Koninkrijk geëxploiteerde dark pool houdt de Britse Financial Conduct Authority (FCA) toezicht.
Parkeergarages |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Parkeergarage voldoet allang niet meer aan de eisen van deze tijd»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het praktijkonderzoek van Grontmij waaruit blijkt dat 90% van de ontwerpen van parkeergarages niet goed zijn op het gebied van veiligheid en toegankelijkheid?2
Ik heb navraag gedaan bij Grontmij over dit onderzoek. Grontmij is een adviesbureau dat adviseert over parkeren en parkeergarages. Het persbericht is slechts gebaseerd op de ervaringen van Grontmij bij dit advieswerk. Er is geen landelijk onderzoek uitgevoerd door Grontmij. Ook kon Grontmij mij geen rapport overleggen van haar bevindingen. Volgens Grontmij zijn veel parkeergarages te krap ontworpen waardoor het parkeren lastig is en er vaak schade ontstaat aan auto’s. De reactie van de ANWB bevestigt de ervaringen van Grontmij. Het is niet aan de rijksoverheid om schade aan auto’s in parkeergarages te voorkomen. Het is aan marktpartijen om parkeergarages te bouwen of aan te bieden die voldoen aan de wensen van automobilisten en de eigen verantwoordelijkheid van de autobestuurder om voorzichtig te zijn bij het rijden en parkeren in parkeergarages, zeker als deze beschikt over een grote auto.
Hoe vindt u de reactie van de ANWB, die stelt dat auto’s breder worden en daardoor niet goed passen, in verhouding staan tot de bevinding van Grontmij dat ook ontwerpen van nieuwe parkeergarages niet voldoen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre deelt u de mening dat gezien het vaak hoge parkeertarief een automobilist mag verwachten dat men de auto veilig en op een prettige manier kan parkeren zonder een verhoogde kans op schade?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is er gebeurd met de constatering uit 2007 van het Nederlands Normalisatie-instituut, luidende «te krappe parkeerplekken leidt tot parkeerschades met alle gevolgen van dien», door het ontbreken van de parkeergaragenorm (NEN 2443)?
De betreffende constatering staat in het NEN-rapport «Vereenvoudiging NEN-normen Bouwbesluit» uit 2007. De norm NEN 2443 is in dit rapport slechts genoemd als een norm die eenvoudig leesbaar is en zodoende een voorbeeld kan zijn voor de vereenvoudiging van NEN-normen die in het Bouwbesluit worden aangewezen. In dat rapport staat het volgende over NEN 2443 opgenomen:
NEN heeft met die zinsnede alleen de reden willen aangeven waarom deze NEN 2443 veel wordt gebruikt zonder dat deze verplicht is op grond van het Bouwbesluit. NEN heeft dus niet beoogd om NEN 2443 alsnog onderdeel te laten zijn van het Bouwbesluit.
Op welk manieren kunt u de veiligheid en de toegankelijkheid van parkeergarages en -vakken garanderen en welke wettelijke kaders gelden hiervoor?
Het is niet aan mij om de veiligheid en toegankelijkheid van auto’s in parkeervoorzieningen te garanderen of wettelijk te regelen. Zoals ik bij het antwoord op de vragen 2, 3 en 4 heb geantwoord, beschouw ik het voorkomen van schade aan auto’s in parkeergarages niet als een taak voor de rijksoverheid. Wel kunnen er door gemeenten middels de bouwverordening of een bestemmingsplan parkeernormen worden vastgelegd. De parkeernorm bepaalt het aantal te realiseren parkeerplekken bij nieuwbouwprojecten. Behalve het aantal kan de gemeente hierbij ook de minimale afmetingen van de parkeervlakken vastleggen. Deze gelden dan ook voor de parkeervlakken in parkeergarages.
De veiligheidsvoorschriften die in het Bouwbesluit aan parkeergarages worden gesteld beogen de bescherming van personen en niet die van auto’s. Deze voorschriften hebben onder andere betrekking op de brandveiligheid. Bouwers, eigenaren of exploitanten van parkeergarages zijn verantwoordelijk dat hieraan wordt voldaan. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. De brandveiligheidsvoorschriften in het Bouwbesluit 2012 zijn deels geformuleerd als functionele voorschriften, waarvan de invulling ter beoordeling van de gemeente is. Mijn streven is om deze veiligheidsvoorschriften nader uit te werken in specifiekere prestatievoorschriften. Ik heb daartoe reeds een oriënterend onderzoek in gang gezet, waarbij ook de brandbaarheid van moderne auto’s wordt beschouwd.
Bent u bereid om in navolging van de aanbeveling van de Vereniging Eigen Huis in 2011, de NEN 2443-norm, of een afgeleide hiervan die minimale afmetingen voor parkeerplaatsen vaststelt, op te nemen in het Bouwbesluit? Zo nee, op welke wijze gaat u dan zorgen dat parkeergarages voldoen aan de eisen van deze tijd? En zo ja, per wanneer?
De Vereniging Eigen Huis (VEH) heeft in 2011 deze aanbeveling gedaan in het kader van het opstellen van het nieuwe Bouwbesluit 2012. Deze aanbeveling is toen niet overgenomen. Enerzijds omdat het Bouwbesluit 2012 een beleidsneutrale omzetting was van het Bouwbesluit 2003, dat ook geen eisen stelde aan parkeerplaatsen. Anderzijds omdat het ook toen als de primaire verantwoordelijkheid van marktpartijen werd gezien om te zorgen voor een daadwerkelijk bruikbare parkeergarage als onderdeel van een te bouwen woning of woongebouw. Deze argumenten gelden nu nog steeds en ik zal daarom geen nieuwe voorschriften opnemen in het Bouwbesluit.
Wel werk ik aan de verbetering van de kwaliteitsborging in de bouw en de bescherming van de bouwconsument. Meest recent heb ik u hierover op 16 juni 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 32 757) geïnformeerd. Deze verbeteringen beogen eveneens te borgen dat als men een woning laat bouwen met garage, deze garage dan ook daadwerkelijk bruikbaar is om een auto in te parkeren.