Het bericht dat NPO televisietoestellen gaat afluisteren |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «NPO-app kan televisietoestel afluisteren»?1
Ja.
Klopt het dat de NPO-app2 vanaf deze week kan registreren welke programma’s worden bekeken en dat op basis daarvan reclames worden aangeboden?
Het klopt dat de NPO-app kan registreren welke programma’s worden bekeken. De NPO-app herkent namelijk een technische code in het geluidssignaal van de programma’s op NPO 1, 2 en 3. Nadat een programma is herkend kan er in de app allerlei informatie worden getoond die synchroon loopt met de uitzending op televisie. Het gaat bijvoorbeeld om het bekijken van reacties op social media. De app slaat niet op welk programma is herkend. Met de app worden ook reclames herkend, maar de reclames hebben geen verband met het eerder uitgezonden programma (geen personalisatie richting consument). Enkel – en alleen – als er op televisie een commercial te zien is dan kan – als er afspraken met de adverteerder zijn gemaakt – op datzelfde moment op het second screen extra informatie of een zogenoemde call-to-action («bestel hier») worden weergegeven. Deze extra informatie is afkomstig van dezelfde adverteerder als op het lineaire televisiekanaal. Overigens blijft de app tijdens de reclame voor de gebruiker bedienbaar. Men kan dus tijdens de reclame ook andere handelingen binnen de app uitvoeren (zoals een ander programma op NPO Gemist bekijken of de elektronische programmagids (EPG) doorbladeren etc.).
In hoeverre past het ontwikkelen en gebruiken van zo een functie binnen de NPO-app binnen de (vernieuwde) taakopdracht van de NPO?
De NPO heeft als wettelijke taak om te innoveren en het media-aanbod op verschillende manieren toegankelijk te maken voor het publiek. Deze nieuwe functie past goed bij het veranderende medialandschap waarin kijkers op second screens zoals de smartphone of tablet tijdens het bekijken van een programma vaak verdiepende (en andere) informatie zoeken. Ook zijn er veel kijkers die willen interacteren met het programma en andere kijkers door bijvoorbeeld publieksreacties achter te laten. In de brief over de toekomst van de omroep heb ik geschreven dat ik vind dat de publieke omroep in het aanbod moet blijven aansluiten bij de wijze waarop mensen media gebruiken. Zij moeten blijven innoveren. En uiteraard binnen de kaders van de Mediawet.
Vindt u het juist dat de NPO zijn commerciële activiteiten uitbreidt ten koste van de privacy van mensen?
Ik deel de mening niet dat er met deze functie door de NPO inbreuk gemaakt wordt op de privacy van mensen. Er is geen relatie tussen de getoonde commercials en de bekeken programma’s. Daarnaast heeft de NPO mij ervan verzekerd dat conform de wet- en regelgeving op het gebied van privacy de gebruiker vooraf toestemming wordt gevraagd voor het gebruiken van deze functie. Het Cbp en de ACM zien hier op toe. De gebruiker kan de functie bovendien te allen tijde alsnog uitschakelen. Daarnaast wordt binnen deze functie niet opgeslagen waar de gebruiker naar kijkt.
Hoeveel belastinggeld is en wordt gebruikt voor ontwikkeling en exploitatie van deze functie binnen de NPO-app?
De ontwikkelkosten voor deze functie bedragen € 20.000 waarvan € 5.000 is besteed aan de integratie van de watermerktechnologie in de uitzendstraat. Daarnaast zijn er de jaarlijkse licentiekosten voor het gebruik van de watermerktechnologie. Deze bedragen € 110.000 en zijn onderdeel van de exploitatiekosten van de uitzendstraat.
Is het mogelijk deze functie aan of uit te zetten binnen de NPO-app? Zo nee, bent u bereid in gesprek te gaan met NPO om te zorgen dat dit mogelijk wordt?
Ja, de gebruiker kan op elk gewenst moment zowel in de app via het besturingssysteem (OS) de functie aan- of uitzetten.
Op welke manier worden gebruikers van de app geïnformeerd over deze nieuwe functie?
De gebruiker wordt allereerst in de voorwaarden en toelichting bij de app gewezen op deze functie. Vervolgens wordt de gebruiker bij het updaten van de app expliciet om toestemming gevraagd om deze functie te mogen uitvoeren. Daarnaast vraagt ook het besturingssysteem aan de gebruiker om toestemming om de microfoon voor deze functie te mogen inzetten. De gebruiker moet dus twee keer expliciet akkoord gaan.
Kunt u toelichten wat wordt bedoeld met het «relevant maken van reclame»?
Het gaat hier om het verrijken van reclame. Zoals onder vraag twee uiteengezet wordt er alleen extra informatie weergegeven bij de reclame die op dat moment op een van de publieke zenders wordt getoond. Als de gebruiker hiervoor kiest kan hij vervolgens interacteren met de reclame. De watermerktechnologie zorgt ervoor dat de app weet welke reclame er op dat moment wordt uitgezonden en toont hierbij passende informatie. Het tonen van extra informatie bij een commercial, maar zonder het gebruik van de watermerktechnologie, was al mogelijk via de Ster-extra-app, maar dit wordt nu ook ondersteund in de NPO-app.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het wetgevingsoverleg over de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2015, onderdeel Media op 24 november 2014?
Bij dezen.
Fouten van banken bij het omzetten van adresboeken van klanten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de uitzending van Kassa van 18 oktober 2014?1
Ja.
Klopt het dat banken fouten hebben gemaakt bij het omzetten van adresboeken van klanten naar IBAN-nummers?
Per 1 augustus 2014 is Nederland in het kader van de migratie naar één uniforme betaalmarkt voor de euro, de Single Euro Payments Area – SEPA, over op IBAN. Om de overgang op IBAN voor de Nederlandse consument te vergemakkelijken, hebben de banken de rekeningnummers die klanten vóór de SEPA-migratie in hun adresboek hadden staan, in 2013 omgezet naar de corresponderende IBAN rekeningnummers.
De Nederlandsche Bank heeft geen onregelmatigheden gesignaleerd bij de omzetting van de adresboeken door de banken. Indien er door de banken fouten worden gemaakt bij de omzetting, dan resulteert dit vrijwel altijd in onjuiste IBAN’s. Het IBAN kent namelijk een controlegetal en dat ondervangt type- of schrijffouten. zodat er geen geld overgemaakt kan worden naar een (verkeerde) persoon.2 Het is wel mogelijk dat klanten verkeerde rekeningnummers in de adresboeken hadden staan en dat deze rekeningnummers zijn omgezet naar bestaande IBAN’s.
Wie is ervoor verantwoordelijk als er in dergelijke gevallen geld naar een verkeerde rekening wordt overgeboekt; de bank of de klant?
Rekeninghouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de invoering van de juiste rekeningnummers in het adresboek en de invoering van de correcte gegevens bij een betaalopdracht. Banken zijn er voor verantwoordelijk dat opdrachten conform de ingevoerde gegevens verwerkt worden.
In de aanloop naar de SEPA-migratie en in het kader van hun zorgplicht hebben de banken het publiek tevens regelmatig gevraagd om hun adresboek up-to-date te houden en bij het geven van een betaalopdracht te controleren of de correcte gegevens zijn ingevuld.
Banken zijn er wel toe verplicht redelijke inspanningen te verrichten om bij consumenten te helpen het geld terug te krijgen bij incorrecte overboekingen. Banken bemiddelen daarom tussen klanten en verkeerde begunstigden, wanneer hun klanten daarom vragen. Om het terugvorderen van onjuiste overboekingen voor klanten te faciliteren hebben banken bijvoorbeeld het (interbancaire) proces «onverschuldigde betalingen» ingericht.3
Als betalingen echter door toedoen van de bank foutief worden uitgevoerd, is deze mede aansprakelijk richting haar klanten en verantwoordelijk voor terugboeking van het bedrag van de foutief uitgevoerde betaling.4
Deelt u de mening dat als het adresboek door toedoen van de bank onjuist blijkt te zijn, de bank verantwoordelijk is voor het terugboeken van de overgemaakte gelden?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zicht op de omvang van het aantal verkeerde overboekingen door het abusievelijk gebruik van een verkeerd IBAN-nummer? Om hoeveel gevallen gaat het en welke bedragen zijn ermee gemoeid? Weet u hoeveel procent van de mensen het geld uiteindelijk terugkrijgt?
In mijn antwoord op eerdere Kamervragen van het Kamerlid Nijboer heb ik een voorzichtige inschatting gegeven van de omvang (ongeveer 4.500 betaalopdrachten per maand) van het aantal verkeerde overboekingen tijdens de «duale periode» – de periode waarin oude Nederlandse rekeningnummers via automatische conversiediensten in internetbankieren worden omgezet naar een IBAN.5 Per 1 augustus 2014 is Nederland volledig over op IBAN en sindsdien worden oude korte Nederlandse bankrekeningnummers niet langer in de internetbankieromgeving automatisch naar IBAN rekeningnummers geconverteerd.
De verwachting is dat met de overstap op IBAN het aantal door consumenten gedane verkeerde overboekingen op een aanzienlijk lager niveau dan het niveau van tijdens de duale periode zal komen te liggen.
Het uitblijven van informatie over de nadere vormgeving van ketenverantwoordelijkheid in de chemische sector |
|
Eric Smaling |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Waarom heeft u besloten1 het samenwerkingsverband Veiligheid Voorop meer dan de met de Kamer afgesproken tijd te geven om te komen met een visie op de vormgeving van de ketenverantwoordelijkheid in de chemische sector in plaats van invulling te geven aan de dringende vragen van de Kamer over dit onderwerp, die tijdens het Algemeen overleg Externe veiligheid / Handhaving op 12 december 2013 gesteld zijn?
De primaire verantwoordelijkheid voor veiligheid, en daarmee ook voor veiligheid in de keten, ligt bij het bedrijfsleven. Ik krijg signalen dat hier op het niveau van individuele bedrijven invulling aan wordt gegeven. Aan een overkoepelende visie wordt op dit moment door het samenwerkingsverband voor veiligheid in de chemiesector (Veiligheid Voorop) gewerkt, en deze wordt binnen afzienbare tijd gepubliceerd. Dat zijn positieve ontwikkelingen waar ik niet op vooruit wil lopen om helder te houden waar de verantwoordelijkheid ligt.
Betekent de stellingname van het samenwerkingsverband Veiligheid Voorop dat zij sinds 12 december 2013 – de dag van het algemeen overleg Externe veiligheid / Handhaving – nog niet het begin van een visie op de vormgeving van de ketenverantwoordelijkheid had?
Het uitgangspunt: geen zaken doen met bedrijven die het met de veiligheid niet nauw nemen, is onderschreven in het actieplan van Veiligheid Voorop. Het is een complex proces om dit – op zichzelf heldere – uitgangspunt concreet handen en voeten te geven. Die slag wordt nu sectorbreed gemaakt. Daarnaast is het essentieel dat voor de visie, als basis voor het handelen van individuele bedrijven, draagvlak bestaat. Het gaat om een cultuuromslag, die niet vanzelf tot stand komt. De bij Veiligheid Voorop aangesloten bedrijven realiseren zich dat terdege en bereiden maatregelen voor om die omslag tot stand te brengen.
Kan de Kamer voorafgaand aan de behandeling van de begroting 2015 Infrastructuur en Milieu een meer inhoudelijke brief ontvangen over de stand van zaken van zowel de inhoud van de ketenverantwoordelijkheid, de reden waarom het samenwerkingsverband Veiligheid Voorop meent meer tijd te kunnen nemen om te komen tot een visie, de stand van zaken rond het commitment bij bedrijven, en uw visie over de ketenverantwoordelijkheid, zodat tenminste een begin van een inhoudelijke discussie kan worden gemaakt?
Zie mijn antwoord op de voorgaande vragen. Ik zal u in het eerste kwartaal van 2015 over de door het bedrijfsleven voorgestane visie informeren, er van uitgaande dat deze dan is afgerond.
Het bericht ‘Cogas gooit Ziggo van de kabel, abonnees moeten naar Caiway’ |
|
Agnes Mulder (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht bericht «Cogas gooit Ziggo van de kabel, abonnees moeten naar Caiway»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat tienduizenden bestaande ZIGGO-abonnee’s in Twente, die jarenlang hun vaste telefoon- en internetaansluitingen via de Cogas-kabel bij ZIGGO hadden ondergebracht, door Cogas min of meer verplicht worden om over te stappen naar Caiway als zij een vaste telefoon- en internetaansluiting via de kabel willen houden?
Ja.
Bent u op de hoogte dat de keuze voor het nieuw aangelegde glasvezelnet voor alle klanten vooralsnog eveneens beperkt is tot Caiway en dat pas in de loop van 2015 alternatieven op glasvezel ontstaan?
Ja.
Vindt u het gewenst dat een netwerkbeheerder de keuze voor een provider op deze wijze aan de klant oplegt? Bent u bereid om de Autoriteit Consument en Markt (ACM) te vragen in hoeverre het belang van de klant hiermee wordt geschaad?
Het is op grond van het Europese telecomkader aan de ACM om binnen het kader van de Telecommunicatiewet te beoordelen wat de noodzakelijke toegangsregulering is om effectieve concurrentie op de Nederlandse telecommunicatiemarkten te borgen. De ACM heeft geconcludeerd dat het niet mogelijk is om op het kabelnetwerk dezelfde vorm van toegang te bieden als op het koper- en glasvezelnetwerk van KPN. Op grond van het marktanalysebesluit ontbundelde toegang wordt alleen KPN verplicht om toegang te bieden. Daarmee staat het de beheerder van een coaxkabelnetwerk vrij om zelf te kiezen welke provider hij toegang biedt tot zijn netwerk, op basis van commerciële contractonderhandelingen. De klant behoudt wel de mogelijkheid om te kiezen voor een van de alternatieve providers die hun diensten aanbieden via het koper- en glasvezelnetwerk van KPN, en voor tv ook voor aanbieders via satelliet of Digitenne. Cogas biedt op het glasvezelnetwerk dat het aanlegt ook de mogelijkheid aan alternatieve providers om diensten aan te bieden. Overigens zou het kabinet het aantrekkelijk vinden wanneer ook kabelbedrijven de verplichting zou kunnen worden opgelegd om concurrenten toe te laten op hun netwerk2. Gezien eerder genoemde conclusie van de ACM vereist dit aanpassing van het Europese ex-ante marktreguleringskader.
Welke mogelijkheden heeft u om een grotere keuzevrijheid voor de klant af te dwingen, bijvoorbeeld door te eisen dat een verplichte overstap naar Caiway op de reguliere kabel pas aan de orde kan zijn als er alternatieven voor deze provider via de glasvezel beschikbaar zijn?
Ik heb daartoe geen mogelijkheden. Zoals onder vraag 4 werd opgemerkt staat het de kabelnetwerkbeheerder vrij om zelf te kiezen welke provider hij toegang biedt. Wel kunnen klanten voor verschillende aanbieders op de netwerken van KPN kiezen, en voor TV-diensten ook voor aanbieders via satelliet of Digitenne. Overigens is het zo dat Caiway verschillende pakketten aanbiedt. Zo kunnen consumenten alleen een TV-dienst afnemen bij Caiway of andere combinaties van diensten.
Op welke wijze is de onafhankelijkheid van de netwerkbeheerder bij de selectie van providers in het huidige stelsel gewaarborgd? Acht u die waarborgen afdoende met het oog op het klantbelang?
De beheerder van een coaxkabelnetwerk mag zelf kiezen welke provider hij toegang biedt tot zijn netwerk. Caiway probeert zijn aanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten bij het aanbod van Ziggo, zodat consumenten zo min mogelijk nadeel ondervinden. De klant heeft ook de mogelijkheid om te kiezen voor een van de alternatieve providers die hun diensten aanbieden via het koper- en glasvezelnetwerk van KPN, en voor tv ook voor aanbieders via satelliet of Digitenne. Het klantbelang is daarmee afdoende gewaarborgd.
Naheffingen door de Belastingdienst over de afdrachtvermindering onderwijs |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Transportbedrijven failliet door naheffingen»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de criteria zijn voor het opleggen van naheffingen bij bedrijven die achteraf onrechtmatig gebruik hebben gemaakt van de WVA2 en of dit landelijk beleid is, of op initiatief van lokale afdelingen van de belastingdienst?
Een naheffingsaanslag wordt opgelegd als de Belastingdienst constateert dat de afdrachtvermindering onderwijs (AV Onderwijs) ten onrechte is toegepast. Voor de constatering of daarvan sprake is toetst de Belastingdienst of voldaan is aan de in de wet gestelde voorwaarden voor de AV Onderwijs. Het gaat daarbij om de voorwaarden uit Wet vermindering afdrachten loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). Het opleggen van de naheffingsaanslagen is niet lokaal of regionaal geïnitieerd, maar een gevolg van een landelijk aanpak.
Kunt u aangeven hoeveel er tot nu toe is opgehaald door de naheffing bij bedrijven en hoeveel er naar schatting nog zal worden teruggevorderd?
In alle sectoren tezamen zijn naheffingsaanslagen opgelegd voor een bedrag van circa € 70 miljoen. Bij nog lopende onderzoeken zijn correcties van de AV Onderwijs aangekondigd voor een bedrag van circa 80 miljoen euro. In hoeverre deze aanslagen daadwerkelijk tot betaling leiden is op dit moment niet aan te geven.
Kunt u aangeven welke sectoren naast de genoemde transportsector geraakt zullen worden door de naheffingen en hier dus de zware gevolgen van zullen kennen?
Van relatief veel voorkomende naheffingen is sprake in de zorgsector, de uitzendbranche en de bouwsector.
Erkent u dat om te beoordelen of er op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de gemaakte afspraken ten aanzien van het opleidingsprogramma, er specifieke kennis van onderwijs moet zijn?
De Belastingdienst toetst of voldaan is aan de in de WVA neergelegde voorwaarden. Dit houdt ondermeer in of voldaan is aan een aantal formele vereisten, zoals de aanwezigheid van een rechtsgeldige praktijkovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.2.8 van de WEB. Verder kan de Belastingdienst controleren of het gevolgde onderwijsprogramma dat de deelnemer volgt voor een erkend kwalificerend diploma overeenstemt met het volledige onderwijsprogramma van de opleiding zoals opgenomen in het officiële register, het CREBO-register.
De beoordeling voert de Belastingdienst zelfstandig uit. Mocht er onderwijskundige kennis nodig zijn, dan kan de Belastingdienst een advies vragen aan de Inspectie van het Onderwijs.
Bent u van mening dat de belastingdienst genoeg kennis van onderwijs heeft om te kunnen oordelen over de uitvoering van de gemaakte afspraak?
Zie antwoord vraag 5.
Ten bate van welke instanties zijn de naheffingen en heeft de belastingdienst «het incentive» om een negatief oordeel te geven ten bate van het kunnen vorderen van naheffingen?
De opbrengst van de naheffingen komen, als onderdeel van de belastingheffing, ten bate van de algemene middelen van het Rijk.
In acht nemend het feit dat veel bedrijven te goeder trouw hebben gehandeld maar nu wel hoge naheffingen krijgen, bent u van mening dat economische gevolgen van de omzetting van de WVA naar een subsidieregeling voor bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de WVA terecht zijn en binnen het redelijke liggen?
Het doel van de subsidieregeling praktijkleren is werkgevers te stimuleren leerwerkplekken aan te bieden, zodat zij over de gehele linie van de arbeidsmarkt kunnen beschikken over beter opgeleid personeel. Een subsidieregeling op de begroting van OCW kan beter worden gericht en onbedoeld gebruik van de regeling veel effectiever tegengaan. Door een juiste focus van beoogde doelgroepen van de nieuwe subsidieregeling, zal zij niet averechts werken, maar juist het aantal leerwerkplekken bevorderen daar waar ze het hardst nodig zijn (zoals bij mbo-bbl opleidingen waarin praktijkleren een substantieel deel uitmaakt van de opleiding of voor sectoren waarin knelpunten in de personele voorziening worden verwacht).
Bent u van mening dat er genoeg actie is ondernomen om de financiële en economische impact op te vangen bij bedrijven die niet bewust onrechtmatig gebruik hebben gemaakt van de WVA en om de naheffing geen schadelijke neveneffecten te laten hebben voor de economie, die na een zware recessie een zeer broos herstel kent?
De AV Onderwijs is vormgegeven als onderdeel van de loonheffingen. Door deze keuze valt de afdrachtvermindering onder de regels die gelden voor de wijze van heffing, waaronder de regels rond de handhaving. Dit houdt onder meer in dat in het geval de Belastingdienst onregelmatigheden constateert er naheffing bij de inhoudingsplichtige plaatsvindt. Ook bij de AV onderwijs is deze werkwijze gevolgd. Indien een dergelijke naheffing bij bedrijven tot financiële problemen leidt kan hieraan tegemoet worden gekomen door het bedrijf binnen de grenzen van het gebruikelijke invorderingsbeleid van de Belastingdienst een betalingsregeling aan te bieden. Bedrijven kunnen zich hiervoor melden bij hun belastingkantoor.
Gaat u verdere actie ondernemen om te voorkomen dat transportbedrijven en andere bedrijven failliet gaan door de omzetting van de WVA naar een subsidieregeling en de onverwachte financiële gevolgen hiervan? Zo ja, wat voor actie zal dit zijn?
De naheffingsaanslagen AV onderwijs die aan transportbedrijven worden opgelegd waardoor sommige van deze bedrijven volgens Transport en Logistiek Nederland in financiële problemen komen, staan geheel los van de omzetting van de afdrachtvermindering onderwijs naar een subsidieregeling. De naheffingsaanslagen hebben betrekking op de periode voor invoering van de subsidieregeling praktijkleren.
Compensatie voor slachtoffers van de ramp bij de kledingfabriek Rana Plaza in Bangladesh |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Bram van Ojik (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Wat is het resultaat van de oproep van u en uw collega's van Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland, Spanje en Denemarken om verantwoordelijke bedrijven aan te sporen de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp te compenseren?1 2
Sinds de oproep en de Statement on Compensationvoor de Rana Plaza slachtoffers (26 juni 2014, tijdens OESO Global Forum in Parijs) is er een additionele 2 mln USD in het compensatiefonds gestort. Het totaal bedrag komt hiermee op 19,4 mln USD, de helft van het benodigde bedrag van 40 mln USD.
Op welke wijze spant u zich in voldoende donaties in het Rana Plaza-fonds te krijgen, aangezien het fonds nog niet voor de helft is gevuld?
Het is belangrijk dat het resterende bedrag voor het compensatiefonds zo snel mogelijk wordt betaald. Die verantwoordelijkheid ligt zowel bij de bedrijven die afnamen in Rana Plaza als bij de Bengaalse overheid en fabriekseigenaren.
De zes mede-ondertekenaars van het statement, Italië, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Denemarken en Spanje, hebben per brief een appèl voor het betalen van deze compensatie aan bedrijven, gevestigd in hun landen, gedaan. Het gaat hier om bedrijven waarvan sterke aanwijzingen bestaan dat zij zaken deden met Rana Plaza ten tijde van de ramp. Ik blijf dit onderwerp bij mijn collega’s en de overheid in Bangladesh agenderen.
Daarnaast heb ik op 13 oktober jl. de textielbrancheorganisaties en het Veiligheidsakkoord voor brand- en gebouwveiligheid gevraagd of zij bij hun achterbannen kunnen aandringen op het betalen van compensatie. Hierbij moet in acht worden genomen dat er geen aanwijzingen zijn dat Nederlandse bedrijven inkochten bij Rana Plaza. Het gaat hier dan ook om een vrijwillige bijdrage aan het fonds.
Ook tijdens de EU bijeenkomst voor de evaluatie van het Sustainability Compact voor Bangladesh op 20 oktober heeft Nederland in sterke bewoordingen ongenoegen uitgesproken over de ontbrekende middelen in het compensatiefonds.
Welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat bedrijven die op de Nederlandse markt kleding afzetten, zoals Benetton, een bijdrage aan het fonds leveren, en anderen, zoals Mango en C&A, hun bijdrage voor de slachtoffers verhogen? Gaat u deze bedrijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat alle Nederlandse bedrijven die in Bangladesh kleding inkopen (zoals Mexx, Hunkemöller en Scapino) het Bangladesh Veiligheidsakkoord moeten tekenen? Wat bent u voornemens te doen tegen bedrijven die weigeren het Bangladesh Veiligheidsakkoord te ondertekenen?
Bedrijven geven op verschillende manieren invulling aan hun keten-verantwoordelijkheid. Het ondertekenen van het Veiligheidsakkoord is één van de instrumenten. Inmiddels hebben 23 Nederlandse bedrijven het Veiligheidsakkoord getekend. Ik blijf alle achterblijvende textielbedrijven in Nederland maar ook internationaal oproepen om het Veiligheidsakkoord te tekenen.
Op welke manier valt het recht op compensatie binnen het convenant dat u van plan bent af te sluiten voor de kledingindustrie?
Op dit moment wordt met textiel- en kledingsector gesproken over de inhoud van het IMVO convenant. Een van de gespreksonderwerpen is het opnemen van een bepaling over het herstellen van de negatieve effecten op mensenrechten als gevolg van bepaalde bedrijfsactiviteiten. De verwachting is dat het IMVO convenant begin 2015 wordt gefinaliseerd. Uw kamer wordt hierover geinformeerd.
Wat vindt u van het gebrek aan verantwoordelijkheid voor compensatie van slachtoffers bij andere bedrijfsrampen, zoals de fabrieksbrand bij Tazreen Fashions in Bangladesh en fabrieksbrand bij Ali Enterprises in Pakistan?
Het is schrijnend om te moeten constateren dat het bij deze rampen moeilijk is om de bedrijven te traceren die via hun keten medeverantwoordelijk zijn voor het leed dat is aangericht. In de EU en in mijn overleg met het bedrijfsleven breng ik daarom nadrukkelijk het belang van ketentransparantie aan de orde. Direct na de instorting van het Rana Plaza complex is er gestart met het traceren van de bedrijven die in Rana Plaza afnamen. Mede daarom is het onbegrijpelijk en teleurstellend dat anderhalf jaar later het compensatiefonds nog maar voor de helft gevuld is.
Overigens heeft de Bengaalse overheid ook een verantwoordelijkheid om grip te krijgen waar, en met betrokkenheid van welke partijen, zich misstanden voordoen. In Bangladesh werkt de ILO daarom samen met de Bengaalse overheid en de werkgeversorganisatie BGMEA aan een sociaal zekerheidsstelsel om schrijnende omstandigheden, zoals we zien bij o.a. Rana Plaza, in de toekomst te kunnen ondervangen.
Ziet u de uitgangspunten en opzet van het Rana Plaza Arrangement als een mogelijk model voor andere gevallen van nalatigheid van bedrijven voor due diligence binnen de toeleveringsketen?
Het Rana Plaza Arrangement is een belangrijk instrument, in het leven geroepen na de ramp van Rana Plaza, met nauwe betrokkenheid van de ILO. Het arrangement is een voorbeeld voor de organisatie van compensatie na rampen als Rana Plaza. Het arrangement bevat positieve aanknopingspunten waaronder het monitoren van compensatiestromen en het in kaart brengen van de slachtoffers, inclusief de hen toekomende financiële compensatie, die wordt vastgesteld op basis van ILO-normen.
Echter, het arrangement raakt niet direct aan due dilligence. Het arrangement stelt namelijk dat doneren aan het compensatie fonds los staat van iedere vorm van betrokkenheid. Oftewel: het betalen van compensatie na een ramp kan ofwel uit liefdadigheid als ook uit een daadwerkelijke verantwoordelijkheid komen. Hiermee legt het arrangement geen directe link met de (nalatigheid van) due diligence van bedrijven.
Deelt u de mening dat er een vangnet moet komen voor arbeiders die op het moment van non-compliance in de kledingfabriek op het gebied van fabrieksonveiligheid, kinderarbeid en andere arbeidsrechtenschendingen hun baan verliezen?
Ja, een vangnet is belangrijk. Het Veiligheidsakkoord en Amerikaanse Alliance hebben een goed voorbeeld gesteld met hun vangnet voor het doorbetalen van lonen ten tijde van gebouwrenovaties. Het vangnet is in dit geval de verantwoordelijkheid van zowel de inkopende merken als de lokale fabrikanten.
Deelt u de mening dat consumenten recht hebben op informatie over de totstandkoming van de kleding die zij kopen en over de mensenrechtensituatie in de fabrieken? Deelt u de mening dat de verbeterplannen in de kledingindustrie die voort moeten komen uit de sectorrisicoanalyse, alleen kunnen slagen als bedrijven transparant zijn over hun toeleveringsketen?
Transparantie is een goed middel om de arbeids- en milieuomstandigheden in de internationale textiel- en kledingketen te verbeteren. Bedrijven hebben hierin een belangrijke verantwoordelijkheid, zoals ook is vastgelegd in de OESO-Richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Consumenten willen informatie over de totstandkoming van de kleding die zij kopen. Er zijn al bedrijven die openbaar maken met welke fabrieken zij werken, als onderdeel van hun business case. Het is goed dat er steeds meer kleding op de markt komt waarover die openheid wordt gegeven.
Het in surseance verkerende staalbedrijf Nedstaal |
|
Jan Vos (PvdA), Roos Vermeij (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat het in surseance verkerende staalbedrijf Nedstaal denkt in afgeslankte vorm een doorstart te kunnen maken?1
Ja.
Bent u bereid in contact te treden met Nedstaal over hun plannen om in afgeslankte vorm verder te gaan?
Naar aanleiding van berichtgeving over surseance van Nedstaal is er sinds donderdag 16 oktober jl. vanuit EZ meerdere malen contact geweest met de directie van Nedstaal, de curator en B&W van de gemeente Alblasserdam.
De directie van Nedstaal en de curator gaven aan in samenspraak druk bezig te zijn om de mogelijkheden voor een doorstart te bekijken en het werkgelegenheidsbelang daarbij scherp in het vizier te hebben.
Op 23 oktober jl. is overeenstemming bereikt over een doorstart van Nedstaal waarbij de Andus Groep uit Vianen Nedstaal overneemt. Andus Groep biedt een degelijke financiële basis en zal een groot deel van de bedrijfsactiviteiten voortzetten.
De Ministers van EZ en SZW zijn verheugd met deze uitkomst waarmee een groot deel van de industriële activiteit behouden is gebleven en de werkgelegenheid voor 200 van de huidige 280 medewerkers van Nedstaal behouden blijft.
Deelt u de mening dat maximaal moet worden geprobeerd de werkgelegenheid in de regio zoveel mogelijk te behouden en zult u daar in het contact met Nedstaal op aandringen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of door het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) wordt geanticipeerd op een onverhoopte toename van werkzoekenden in de betreffende regio, en is het mogelijk om in dit geval het UWV extra inspanningen te laten verrichten om mensen zo snel mogelijk van werk naar werk te helpen?
Met de doorstart van Nedstaal behouden 200 werknemers hun baan. Helaas blijft er sprake van een verlies aan banen: 80 werknemers komen zonder werk te zitten. Het is van belang dat zij zo snel mogelijk weer aan het werk zijn.
Nedstaal behoort tot de Metalektro. Met het sectorplan Metalektro zijn maatregelen genomen om werknemers te scholen en van werk naar werk te begeleiden binnen of buiten de sector Metalektro. Samen met de sector wordt onderzocht of er ondersteuning geboden kan worden aan de werknemers van Nedstaal vanuit het sectorplan en waaruit deze ondersteuning bestaat.
Voorts is op initiatief van de gemeente Alblasserdam een stuurgroep ingericht naar aanleiding van het faillissement van Nedstaal. Naast UWV nemen hieraan uitzendbureaus, vakbonden, opleidingsfondsen en ondernemers(verenigingen) deel. De stuurgroep houdt zicht op de lokale en regionale werkgelegenheid. Het eerste beeld is dat de perspectieven gunstig zijn. Er hebben zich reeds werkgevers met vacatures gemeld die mogelijk geschikt zijn voor de werknemers van Nedstaal.
Daarnaast zal UWV in overleg met Nedstaal bepalen welke dienstverlening gewenst is, zoals collectieve voorlichting aan de werknemers over de wijze waarop zij een WW-uitkering kunnen aanvragen.
De overname van Ziggo door Liberty Global (UPC) |
|
Bart de Liefde (VVD), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «KPN voelt zich benadeeld bij fusie van Ziggo en UPC»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de overname van Ziggo door Liberty Global en de mogelijke gevolgen voor respectievelijk de (vaste) telefonie-, TV- en internetmarkt, dus zowel voor de gehele triple play markt als de deelmarkten die daar onderdeel van zijn?
De overname van Ziggo door Liberty Global past in de Europese consolidatieslag die zichtbaar is in de telecommunicatiesector. Schaalgrootte levert bedrijven kostenvoordelen op, wat van belang is in een markt waar grote investeringen in netwerken gedaan moeten worden om de groeiende vraag naar capaciteit aan te kunnen. Met de overname transformeert de Nederlandse consumentenmarkt zich van een structuur met één sterke speler en twee sterke regionale spelers, naar een markt met twee spelers die beiden op nationaal niveau actief zijn.
Voor Nederland betekent de overname dat er een sterke speler naast KPN ontstaat op de (vaste) telefonie-, televisie- en internetmarkt. Dat er naast KPN een tweede sterke nationale speler ontstaat, is op zichzelf een goede zaak. De Europese Commissie heeft op 10 oktober 2014 haar besluit bekendgemaakt met daarin haar onafhankelijk oordeel over de gevolgen van de overname. De Europese Commissie heeft geconcludeerd dat er, met een aantal voorwaarden die de Europese Commissie stelt aan Liberty Global, geen extra mededingingsproblemen zijn te verwachten als gevolg van de overname. Het is aan de ACM om, gegeven het besluit van de Europese Commissie, te beoordelen welke regulering onder de huidige marktomstandigheden nodig is.
De ACM heeft op 31 oktober 2014 haar onafhankelijk oordeel bekend gemaakt over de vraag welke ex-ante marktregulering in de komende jaren nodig is, om te borgen dat de Nederlandse telecommunicatiemarkt effectief concurrerend is. In dat oordeel heeft de ACM de gevolgen van de overname van Ziggo door Liberty Global meegewogen. De ACM heeft geconcludeerd dat er een risico is dat een gefuseerd Ziggo/UPC en KPN niet voldoende met elkaar concurreren. Daarnaast constateert de ACM dat er een risico is dat KPN op de zakelijke markten over aanmerkelijke marktmacht beschikt. De ACM constateert verder dat op de kabelnetwerken geen vorm van toegang mogelijk is, die vergelijkbaar is met de «ontbundelde» toegang tot het netwerk van KPN. Omdat regelgeving vraagt om concurrentieproblemen op deze markten allereerst op het niveau van de «ontbundelde toegang» op te lossen, oordeelt de ACM dat de verplichting voor KPN om die «ontbundelde toegang» te leveren in de komende drie jaar gecontinueerd moet worden. De ACM komt tot de conclusie dat met het reguleren van de toegang tot de netwerken van KPN, er voldoende andere aanbieders op de internetmarkt zijn die concurreren met KPN en Ziggo/UPC. Met die ontbundelde toegang kunnen concurrenten van KPN en Ziggo/UPC zelf bepalen welke diensten zij aanbieden over de aansluitnetwerken van KPN.
Het is aan de ACM om binnen het kader van de Telecommunicatiewet te beoordelen wat de noodzakelijke toegangsregulering is om effectieve concurrentie op de Nederlandse telecommunicatiemarkten te borgen in de komende jaren. Het kabinet zou het wenselijk vinden dat niet alleen KPN, maar ook kabelbedrijven zoals Ziggo en UPC direct worden geprikkeld door het toelaten van concurrenten op hun netwerk. Gezien de conclusies van de ACM is daar, onder de huidige marktomstandigheden, een aanpassing van het Europese ex-ante marktreguleringskader voor nodig.
Kunt u aangeven hoe de nieuwe marktstructuur op deze markten er uit zal zien? Welke marktaandelen ontstaan er? Is straks in één of meerdere van deze markten sprake van een economische machtspositie in de zin van art. 24 van de Mededingingswet? Kunt u de Autoriteit Consument en Markt (ACM) verzoeken hier onderzoek naar te doen? Op welke termijn kan de Kamer deze analyse tegemoet zien?
Op de consumentenmarkten ontstaat na de overname van Ziggo door Liberty Global een marktstructuur met twee sterke, vergelijkbare partijen. Onderzoeksbureau Telecompaper rapporteert over het tweede kwartaal van 2014 de volgende marktaandelen in de onder vraag 2 genoemde markten.
Televisie
Internet
Vaste Telefonie
Triple play
Ziggo/UPC
59,8%
44,1%
41,4%
61%
KPN
20,9%
39,9%
41,8%
21%
Overig
19,3%
16%
16,8%
18%
Marktaandelen consumentenmarkten (bron: Telecompaper)
Daarnaast zijn de verhoudingen in de zakelijke en mobiele markten van belang. De ACM concludeert dat er zonder regulering een risico bestaat dat KPN een machtspositie op de zakelijke markten heeft. De ACM rapporteert over de zakelijke markten en de mobiele markt de volgende marktaandelen.
Bedrijfsnetwerken
Tweevoudige telefoonaansluitingen
Meervoudige telefoonaansluitingen
Mobiele Telefonie
Ziggo/UPC
5–10%
10–15%
5–10%
0–5%
KPN
55–60%
80–85%
45–50%
30–35%
Overig
25–40%
5–10%
35–40%
65–70%
Marktaandelen zakelijke en mobiele markten (bron: ACM)
De ACM heeft in het marktonderzoek dat ten grondslag ligt aan het ontwerpbesluit dat zij op 31 oktober 2014 heeft bekendgemaakt, rekening gehouden met de overname van Ziggo door Liberty Global. Dat betekent dat de ACM in haar bevindingen rekening heeft gehouden met bovenstaande marktverhoudingen. De ACM concludeert dat KPN op de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang beschikt over aanmerkelijke marktmacht. Om de uit die machtspositie voortvloeiende mededingingsproblemen op te lossen, legt de ACM regulering op aan KPN.
Het begrip aanmerkelijke marktmacht uit de Telecommunicatiewet komt overeen met het begrip economische machtspositie uit het mededingingsrecht. Omdat deze begrippen overeenkomen, ligt het niet voor de hand om de telecommunicatiemarkten die de ACM op grond van de Telecommunicatiewet heeft onderzocht en gereguleerd, vervolgens te onderzoeken op basis van artikel 24 van de Mededingingswet. De ACM kan desondanks, wanneer zij daartoe aanleiding ziet, een onderzoek starten naar de vraag of een partij misbruik maakt van een economische machtspositie. Die aanleiding kan liggen in bijvoorbeeld een klacht van een concurrent. Het is op zichzelf niet verboden om te beschikken over een economische machtpositie. Wel is het verboden voor een partij met een economische machtspositie om misbruik te maken van die sterke positie. Van misbruik kan sprake zijn als een dominante partij bijvoorbeeld concurrenten uitsluit ten koste van de consument. Het is aan de ACM om te beslissen of zij aanleiding ziet een onderzoek te starten. De ACM heeft desgevraagd aangegeven daar op dit moment geen aanleiding toe te zien.
Kan de nieuwe marktstructuur zo spoedig mogelijk meegenomen worden in nieuwe en lopende marktanalyses? Wanneer kunnen deze analyses verwacht worden? Bent u bereid met ACM af te spreken dat zij daarbij ook kijken naar de effecten op de markt voor analoge TV, digitale TV, snel internet en telefonie? Zo nee, waarom niet?
De ACM heeft de nieuwe marktstructuur en de gevolgen van de overname van Ziggo door Liberty Global al meegewogen in het door haar op 31 oktober 2014 gepubliceerde ontwerpbesluit. Dat betekent dat de effecten van de overname van Ziggo op de geanalyseerde markten voor internet, telefonie en de zogenaamde zakelijke netwerkdiensten door de ACM zijn geanalyseerd, en ten grondslag liggen aan de door de ACM bekendgemaakte voorgenomen regulering van KPN. De ACM heeft de televisiemarkt niet afzonderlijk geanalyseerd. In december 2011 heeft de ACM geconcludeerd dat deze markt naar haar oordeel niet langer in aanmerking komt voor regulering. Dat oordeel is door het College van Beroep voor het bedrijfsleven geaccepteerd. De ACM heeft aangegeven op dit moment geen aanleiding te zien om haar oordeel over de televisiemarkt te heroverwegen.
Acht u de gestelde voorwaarden bij de overname, namelijk het afstoten van Film1 en het creëren van meer ruimte voor TV via internet, afdoende? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u of de ACM hier nog maatregelen aan toevoegen? Hoe beziet u in dit licht de positie van andere partijen die met de kabelaanbieders concurreren en:2 hun eigen diensten over het kabelnetwerk zouden willen aanbieden en/of3 diensten van de fusiecombinatie zouden willen wederverkopen als onderdeel van hun eigen bundels?
Ik merk allereerst op dat de Europese Commissie tot een onafhankelijk oordeel is gekomen over de vraag wat de gevolgen voor de concurrentie zijn van de overname van Ziggo door Liberty Global. In de door de haar gestelde voorwaarden onderkent de Europese Commissie het belang van het ongehinderd kunnen leveren van televisiediensten over het internet. Netneutraliteit is voor Nederland een belangrijke pijler die de concurrentiemogelijkheden van dienstenaanbieders over het internet moet borgen. De Europese Commissie laat zien dat ook zij daarvoor aandacht heeft.
De Europese Commissie concludeert dat, omdat Ziggo en UPC actief zijn in verschillende geografische gebieden en niet met elkaar concurreren om dezelfde eindgebruikers, de overname de concurrentie in de televisie, internet en telefoniemarkt niet aanzienlijk beperkt. De Europese Commissie onderkent daarnaast weliswaar een risico dat de Nederlandse marktstructuur onvoldoende concurrentie borgt, maar heeft niet kunnen vaststellen dat dit door de overname van Ziggo door Liberty Global wordt veroorzaakt of versterkt. Gezien de wijze waarop de Europese Commissie de overname heeft beoordeeld, is deze uitkomst niet onverwacht.
De ACM is de onafhankelijke autoriteit die, gegeven het besluit van de Europese Commissie, op grond van de Telecommunicatiewet beoordeelt welke regulering onder de huidige marktomstandigheden nodig is. Op grond van die bevoegdheid kan de ACM, wanneer er sprake is van een of meer partijen met aanmerkelijke marktmacht op een relevante markt, passende toegangsregulering opleggen.
De conclusie die de ACM op 31 oktober 2014 heeft bekendgemaakt, is dat KPN beschikt over aanmerkelijke marktmacht op de markt voor ontbundelde toegang en gereguleerd wordt.
De conclusies van de Europese Commissie en de ACM betekenen dat andere partijen die hun diensten via het kabelnetwerk van Ziggo/UPC willen aanbieden dit over het internet kunnen doen (zogenaamde «over the top» diensten). Voor andere mogelijkheden, zoals het wederverkopen van de diensten van Ziggo/UPC of het aanbieden van eigen diensten over het kabelnetwerk, geldt dat partijen hierover commercieel zullen moeten onderhandelen met Ziggo/UPC. Wel kunnen andere partijen gebruik maken van de gereguleerde toegang op de netwerken van KPN en op die wijze concurreren met Ziggo/UPC.
Deelt u nog steeds de mening dat «two is not enough» omdat hiermee sprake is van onvoldoende concurrentie en innovatie op de telecom, TV en internetmarkten? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen en op welke termijn mogen die stappen verwacht worden?
Ja, die mening deel ik nog steeds. Dat betekent wat mij betreft dat er structureel sprake moet zijn van toegangsmogelijkheden tot deze netwerken. Ik heb ook aangegeven dat het wat mij betreft logisch zou zijn om beide netwerken te reguleren.
Ik heb onder andere in de middellangetermijnvisie op telecommunicatie, media en internet aangegeven, zorgen te hebben over de vraag of het Europese kader voldoende is toegerust om concurrentie te waarborgen in convergerende telecommunicatiemarkten. Twee grote spelers is wat mij betreft niet genoeg voor een duurzaam concurrerende markt. Dat betekent dat toegangsregulering wat betreft het kabinet ook nodig is in een markt met twee grote spelers. Het kabinet zou het wenselijk vinden dat niet alleen KPN, maar ook kabelbedrijven direct worden geprikkeld door het toelaten van concurrenten op hun netwerk. Gezien de conclusies van de ACM is daar, onder de huidige marktomstandigheden, een aanpassing van het Europese ex-ante marktreguleringskader voor nodig. Om dat te realiseren is het noodzakelijk om anderen in Europa te overtuigen van ons standpunt dat het onder dit soort marktomstandigheden wenselijk is beide netwerken te reguleren. Dat betekent dat wat betreft Nederland de lat voor het reguleren van beide netwerken lager moet worden gelegd, zodat het makkelijker wordt om twee partijen te reguleren.
Het kabinet heeft in het afgelopen jaar op nationaal niveau gesproken met de sector over de wenselijke en noodzakelijke aanpassingen in het huidige marktreguleringskader. Daarnaast heeft het kabinet zich ingezet om een evaluatie en de discussie over de noodzakelijk aanpassingen in het Europese kader op de Europese agenda te krijgen. De Europese Commissie start mogelijk in 2015 met het proces van herziening van de Europese telecommunicatierichtlijnen. Een evaluatie en herziening van het Europese kader is een proces dat een aantal jaren in beslag zal nemen.
Ik zal in 2015 in Europa aandacht blijven vragen voor de noodzaak om het Europese kader te heroverwegen en geschikt te maken voor convergerende markten. De ACM zal de marktontwikkelingen nauwlettend monitoren en ik heb de ACM verzocht mij een jaar na haar definitieve besluit te informeren over de ontwikkelingen in de internet-, televisie- en vaste telefoniemarkt.
Is uw mening over toegangsregulering ongewijzigd gebleven, namelijk dat de toegang tot het netwerk van KPN in stand moet blijven zoals het nu is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord gedetailleerd toelichten?
Ik vind het van groot belang dat effectieve toegang tot het netwerk van KPN verzekerd blijft. Of deze in stand moet blijven zoals dat het geval was, is aan de ACM om te beoordelen. Daarbij moet de ACM een afweging maken tussen de effectiviteit van de toegangsregulering en de mogelijkheden voor KPN om met Ziggo/UPC te concurreren. Ik vind het van belang dat beide goed geborgd zijn.
Wat vindt u van de uitspraken van KPN in de media, namelijk dat deregulering van KPN nu voor de hand zou liggen? Hoe beoordeelt u die roep om deregulering?
Ik ben van mening dat de Nederlandse telecommunicatiemarkt gebaat is bij open netwerken en dat een marktstructuur met twee partijen voldoende aanleiding vormt om te reguleren.
Na het bekendmaken van de voorlopige bevindingen van de ACM, volgt nu allereerst een nationale consultatie. KPN kan in de nationale consultatie haar zienswijze geven op de conclusies van de ACM. De ACM zal daar vervolgens op reageren, waarna een Europese consultatie volgt. Uiteindelijk is het aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven om, indien daarom wordt gevraagd, zich een oordeel te vormen over het besluit van de ACM.
Kunt u een analyse geven van de overeenkomsten en verschillen tussen KPN en de fusiecombinatie op de telecom, TV en internetmarkten? Zo ja, wilt u dan ook ingaan op de verschillen in markt- en machtspositie met betrekking tot de consumenten-, business tot business-, retail- en wholesalemarkt? Wilt u per markt aangeven of, en zo ja, en welke vorm van regulering wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs voor de marktposities naar mijn antwoord op vraag 3. Uit de marktaandelen blijkt dat de posities van KPN en de fusiecombinatie Ziggo/UPC op de telefonie-, internet- en televisiemarkten voor consumenten in toenemende mate vergelijkbaar zijn. De fusiecombinatie kent een sterkere positie op televisie, de verhouding op de internetmarkt is vrijwel gelijk en KPN heeft een sterkere positie op vaste telefonie. Op de zakelijke markten en mobiele markten heeft KPN een significant sterkere positie dan Ziggo/UPC. De ACM constateert dat er in de zakelijke markten een risico bestaat dat KPN over een machtspositie beschikt.
De ACM concludeert in haar onderzoek dat de kabel, omdat zij geen vergelijkbaar toegangsproduct kan bieden, niet actief is op de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang. Dat is de markt voor het leveren van aansluitingen aan concurrerende aanbieders, die daarmee hun eigen diensten kunnen aanbieden aan eindgebruikers. KPN heeft op die wholesalemarkt een marktaandeel van nagenoeg 100 procent.
Op grond van de geldende regelgeving is het voorbehouden aan de ACM om zich een onafhankelijk oordeel te vormen over de vraag welke regulering, gezien deze marktverhoudingen, op welke markt noodzakelijk is. De ACM heeft dat nu gedaan voor de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang en heeft geconcludeerd dat regulering van KPN noodzakelijk is. De ACM zal ook binnen enkele maanden bekendmaken welke regulering op de telefoniemarkt zij noodzakelijk acht.
Acht u het wenselijk dat beide netwerken onder dezelfde regelgeving vallen om zo tot eerlijke concurrentie te komen? Zo ja, hoe gaat u dat bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Ik acht dat zeker wenselijk. Beide netwerken vallen ook onder dezelfde regelgeving. De ACM is de bevoegde autoriteit om relevante telecommunicatiemarkten te onderzoeken, en, indien dat nodig is, daar maatregelen op te leggen. De ACM heeft dat inmiddels gedaan.
Het is de vraag of de uitgangspunten van het Europese ex-ante marktreguleringskader in de toekomst ongewijzigd gehandhaafd moeten blijven. Zo is in het Europese kader een voorkeur neergelegd voor het reguleren van de zogenaamde «ontbundelde toegang» tot netwerken. Dat is een vorm van toegang waarbij een aanbieder een aansluitlijn huurt van bijvoorbeeld KPN, en die aansluit op zijn eigen netwerk. Het kader heeft die voorkeur, omdat concurrenten met die toegang worden gestimuleerd hun eigen infrastructuur aan te leggen en zich goed kunnen onderscheiden in hun dienstenaanbod. Het Europese kader sorteert daarmee voor op regulering van die netwerken die technisch geschikt zijn om die vorm van toegang te bieden. Het is de vraag of dat uitgangspunt in de toekomst gehandhaafd moet blijven. Ik ben van plan dat Europees ter discussie te stellen. Ik vind het meer voor de hand liggen om de concurrentiesituatie op de retailmarkten leidend te laten zijn, voor het beantwoorden van de vraag op welke netwerken regulering nodig is. Dat kan dan zijn op één netwerk of op meerdere netwerken. Het is aan de toezichthouders om op basis van de marktverhoudingen in de retailmarkten te bepalen op welke netwerken regulering nodig is. Vervolgens, bij het formuleren van de toegangsverplichtingen op die netwerken, kan de toezichthouder dan rekening houden met de technische mogelijkheden van een netwerk.
Daarnaast geldt er op grond van het Europese kader voor de ACM een additionele bewijslast wanneer de ACM aanleiding zou zien de televisiemarkt te onderzoeken. De televisiemarkt is niet door de Europese Commissie vooraf aangemerkt als een verplicht te onderzoeken telecommunicatiemarkt. De ACM moet in dat geval aantonen dat deze markt in aanmerking komt voor ex-ante regulering door deze aan drie criteria te toetsen. Alleen als de markt aan die drie criteria voldoet, komt deze voor ex-ante regulering in aanmerking en kan de ACM onderzoeken of er sprake is van effectieve concurrentie of dat een of meer partijen beschikken over aanmerkelijke marktmacht. De ACM heeft in 2011 geoordeeld dat de televisiemarkt niet aan deze drie criteria voldoet en daarmee niet voor ex-ante regulering in aanmerking komt. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft dit oordeel bevestigd.
Het is de vraag of dit onderscheid tussen de televisiemarkt en de traditionele telecommunicatiemarkten voor internet en telefonie gehandhaafd moet blijven, gezien de mate waarin deze inmiddels met elkaar verweven zijn. Ik zal bij de nog te starten herziening van het regelgevend kader in Europa pleiten voor een vereenvoudiging van het systeem en mogelijk een ander reguleringsmodel. Ik zal eveneens aan de orde stellen dat, in geval van het handhaven van het huidige systeem, bovenstaande uitgangspunten heroverwogen worden.
Kunt u of de ACM toegang tot de kabel van de fusiecombinatie afdwingen? Welke bevoegdheden staan u of de ACM daarbij ter beschikking? Welke bevoegdheden bent u of de ACM voornemens in dit dossier concreet in te zetten en op welke termijn mag die inzet verwacht worden? Indien verdere regulering van de kabel niet mogelijk is, welke Europese danwel nationale wetgeving staat dat niet toe? Wat vindt u daarvan?
Op 29 oktober 2014 heb ik, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van wet tot wijziging van de Telecommunicatiewet en de Mediawet 2008 omtrent verplichtingen voor aanbieders van programmadiensten aan de Kamer gestuurd(Kamerstuk 33 991, nr. 5)Daarin geef ik aan dat uit de uitspraak van het Hof van Justitie van 7 november 2013 (C-518, UPC/Hilversum, PvEU 2014 C9) volgt dat het elektronisch transport over het kabelnetwerk als een elektronische communicatiedienst moet worden gekwalificeerd. Dat betekent dat de levering van internettoegang, televisiediensten en vaste telefonie door kabelbedrijven onder het Europese telecommunicatiekader vallen en alleen gereguleerd kunnen worden op basis van het Europese regime dat in hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet is opgenomen. In het Europese kader is eveneens bepaald dat de taken benoemd in hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet moeten worden uitgevoerd door een onafhankelijke nationale regelgevende instantie, die dit op onpartijdige en transparante wijze uitvoeren. In Nederland is dit de ACM. In het Europese kader zijn voorts regels neergelegd om een zorgvuldige procedure te borgen. Deze zijn in hoofdstuk 6b van onze Telecommunicatiewet opgenomen. Zo moet de ACM wanneer een voorgenomen besluit aanzienlijke gevolgen heeft voor de desbetreffende markt, haar voornemen volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht nationaal consulteren.
De ACM is in Nederland de bevoegde autoriteit die op grond van hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet toegang tot de kabel kan afdwingen. Aan een dergelijk besluit van de ACM dient op grond van artikel 6a.1 van de Telecommunicatiewet een bepaling van de relevante markt en een onderzoek naar de concurrentiesituatie op die relevante markt ten grondslag te liggen. Wanneer uit dat onderzoek blijkt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, legt de ACM de onderneming of ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht passende verplichtingen op. De ACM is nu tot een oordeel gekomen over de noodzakelijke regulering en dat onafhankelijk oordeel respecteer ik. Zoals gezegd, zal ik in Europa pleiten voor aanpassing van het Europese ex-ante marktreguleringskader.
Bent u van plan de Europese Commissie en de lidstaten een voorstel te doen om de regulering van de kabel gelijk te stellen aan die van het telecomnetwerk? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik zal pleiten voor een snel te starten herziening van het regelgevend kader. Ik heb al eerder bij Eurocommissaris Kroes aandacht gevraagd voor de wijze waarop het Europese ex-ante telecomkader uitpakt in de Nederlandse marktstructuur. Het is mijn inzet om aan de Europese Commissie en lidstaten een alternatief reguleringsmodel voor te leggen. Het is mijn inzet is om te komen tot een eenvoudiger reguleringsmodel waarbij het makkelijker wordt om toegangsregulering bij twee, technologisch verschillende, vaste netwerken, te realiseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg Telecom voorzien op 12 november a.s.?
Ja.
Misbruik van EU subsidie voor de kweek van meervallen |
|
Henk Leenders (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht van KRO Reporter: Vissen naar Subsidie?1
Ja.
Klopt het dat de Europese Unie nu de subsidie terugvordert van Nederland?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de Kamerbrief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur die gelijktijdig aan uw Kamer is verzonden.
Deelt u de mening dat het verkeerd is dat er subsidie is verstrekt voor het kweken van tilapia, welke vervolgens gebruikt wordt om meerval/clarresse te kweken, waardoor kwekers van meerval die geen subsidie krijgen oneerlijk beconcurreerd worden?
Nee. Ik deel uw mening dat dit verkeerd zou zijn geweest, maar dit is hier niet aan de orde. De rechtbank Oost-Brabant heeft in 2013 hierover geoordeeld. Kortheidshalve verwijs ik naar het antwoord op de vragen 9 en 10 van het lid Van Gerven (SP) die gelijktijdig aan uw Kamer is verzonden.
Gaat u deze subsidie verhalen op de ontvanger? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de Kamerbrief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur die gelijktijdig aan uw Kamer is verzonden.
Op welke wijze gaat (met terugwerkende kracht) gecontroleerd worden of de overige subsidies voor kweekvis juist zijn toegepast?
Zie antwoord vraag 4.
Dit was niet de eerste keer dat de EU onjuist verstrekte subsidies op gebied van landbouw en visserij heeft teruggevorderd; kunt u een totaaloverzicht geven over de afgelopen 5 jaar met de onterecht verstrekte bedragen? Zijn deze onterecht verstrekte bedragen teruggevorderd?
Ik verwijs u hiervoor naar de Kamerbrief van 20 december 2013 (TK 21 501, nr. 762) over de in 2013 opgelegde correcties en naar de Kamerbrief van 12 mei 2012 over de in de periode 2002–2012 opgelegde correcties (TK 28 625, nr. 150).
Welke initiatieven gaat u nemen om de controle op subsidies te versterken?
Zie antwoord vraag 4.
Verspilde miljoenenvissubsidies in de Peel |
|
Henk van Gerven |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
Bent u bekend met de uitzending van «KRO Reporter «Vissen naar subsidie»?1
Ja.
Wat is uw gevoel bij het bekijken van deze uitzending?
In de brief die ik gelijktijdig aan uw Kamer heb verstuurd inzake subsidie innovatie aquacultuur heb ik mijn zienswijze over deze kwestie uiteengezet.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van ondernemer Van Rijsingen bij het Innovatieplatform Aquacultuur en het ontvangen van een dergelijk grote subsidie van het ministerie voor het Tilapiaproject van Van Rijsingen terwijl het ministerie ook betrokken is bij het Innovatieplatform?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de Kamerbrief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur die gelijktijdig aan uw Kamer is verzonden.
Hoe verklaart u dat de controle op de besteding van de subsidie voor het kweken van tilapia ondermaats is gebleken? Hoe beoordeelt u de rol van het ministerie?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is er geen marktanalyse-rapport gevraagd bij de subsidiebeschikking? Wat is het beleid in deze van het ministerie? Heeft u het idee dat de intakeprocedures voor het aanvragen van subsidie grondig genoeg zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen hoe de controle op de subsidieverstrekkingen aan Van Rijsingen plaats heeft gevonden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid het Openbaar Ministerie te vragen om te onderzoeken of er vervolging ingesteld kan worden wegens fraude tegen de ondernemer Van Rijsingen?
In het algemeen geldt dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland het beleid heeft altijd aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er aanwijzingen zijn dat er sprake is van fraude. Op het moment dat ik aanwijzingen heb dat er sprake is van strafbare feiten, zal ik vanzelfsprekend niet aarzelen om de zaak onder de aandacht te brengen van het Openbaar Ministerie.
Kunt u uitleggen hoe aan de intake en controle bij subsidieverstrekkingen in zijn algemeenheid vorm is gegeven?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de Kamerbrief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur die gelijktijdig aan uw Kamer is verzonden.
Wat is uw reactie op het faillissement van 18 meervalkwekers? Is hier naar uw mening geen sprake van oneerlijke concurrentie?
De nationale openstellingen van Europese Fondsen worden gepubliceerd en zijn voor iedere ondernemer toegankelijk. Hiermee zijn de doelen en voorwaarden voor iedereen duidelijk en kan er geen sprake zijn van concurrentievervalsing.
Het is altijd te betreuren dat bedrijven failliet gaan. Voor de suggestie die in de uitzending is gedaan dat in dit specifieke geval het verstrekken van een innovatiesubsidie tot het faillissement van een groot aantal meervalkwekers heeft geleid, verwijs ik u naar de rechterlijke uitspraken. De rechtbank Oost-Brabant heeft in 2013 geoordeeld dat de meervalkwekers geen cijfermatige onderbouwing hebben gegeven van hun stelling dat hun omzetderving te wijten is aan de gesubsidieerde claressekweek door de stichting. De rechtbank concludeert ook dat niet is aangetoond dat de stichting de volledige meervalmarkt heeft overgenomen en elke concurrentie onmogelijk heeft gemaakt (zie uitspraak Rb Oost-Brabant 8 mei 2013).
Wat doet u/gaat u doen om te voorkomen dat bij subsidieverstrekking sprake is van concurrentievervalsing?
Zie antwoord vraag 9.
Is er sprake van bestedingsdruk bij subsidies voor viskweek?
In het nieuwe visserijfonds (EFMZV) wordt € 7 mln beschikbaar gesteld voor aquacultuur voor een periode van 7 jaar. De openstellingen zijn bedoeld voor innovaties, waarbij ondernemers in de aquacultuur, zoals schelp- en schaaldierkweek, viskweek en zilte teelten zich kunnen aanmelden.
Kunt u een overzicht geven van de subsidiebedragen die beschikbaar zijn voor viskweek?
Zie antwoord vraag 11.
Waarom wordt er subsidie gegeven voor commerciële viskweek? Welke duurzaamheidseisen worden er gesteld bij subsidies voor viskweek?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de Kamerbrief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur die gelijktijdig aan uw Kamer is verzonden.
Transportbedrijven, bij welke massaal de WVA wordt teruggevorderd, waardoor zij financieel in de problemen komen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Hoeveel bedrijven in de transportsector hebben een beroep gedaan op de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) in de jaren 2008–2013 en voor hoeveel geld? Bij hoeveel bedrijven wordt er nu teruggevorderd en voor welk bedrag?1
In de periode 2008 – 2013 hebben circa 1.100 bedrijven in de transportsector een beroep gedaan op de afdrachtvermindering onderwijs (AV Onderwijs), voor een totaalbedrag van circa € 53 miljoen. Bij 36 bedrijven heeft terugvordering van de AV onderwijs plaatsgevonden, voor een totaalbedrag van circa € 3,5 miljoen. Bij een vergelijkbaar aantal bedrijven in deze sector is het onderzoek nog onderhanden. De mogelijkheid bestaat om bedrijven met financiële problemen tegemoet te komen door hen binnen de grenzen van het gebruikelijke invorderingsbeleid van de Belastingdienst een betalingsregeling aan te bieden. Bedrijven kunnen zich hiervoor melden bij hun belastingkantoor.
Kunt u aangeven of terugvordering plaatsvindt bij alle belastingkantoren of dat het zich concentreert bij een aantal belastingkantoren? Indien de terugvorderingen zich concentreren bij een paar belastingkantoren, welke zijn dat dan en hoe komt dat?
De terugvorderingen zijn niet plaats- of regiogebonden, maar vinden gespreid over het land plaats.
Hoeveel bedrijven in de transportsector staan onder horizontaal toezicht en bij hoeveel van de bedrijven onder horizontaal toezicht wordt nu geld teruggevorderd?
In de transportsector vallen 570 bedrijven onder horizontaal toezicht. Bij 2 bedrijven heeft terugvordering van de AV- Onderwijs plaatsgevonden, bij 2 andere bedrijven is het onderzoek nog niet afgerond.
Bent u bekend met het feit dat er vanuit het bekostigd MBO-onderwijs een actief (commercieel) aanbod is gedaan aan diverse ondernemingen, o.a. in de sector Transport en Logistiek, om code 95 nascholing te combineren met een regulier MBO (BBL) traject, waarbij door de ROC's de garantie werd gegeven op subsidiegeld via WVA?
Nee, het is mij niet bekend dat er specifiek vanuit de bekostigde onderwijsinstellingen een actief commercieel wervingsbeleid heeft plaats gevonden.
Wie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs dat gegeven wordt op een MBO-onderwijsinstelling voor bekostigd onderwijs?
De onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de kwaliteit van een opleiding. Als het een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) betreft, dan is de onderwijsinstelling samen met het bedrijfsleven verantwoordelijk voor zover het de beroepspraktijkvorming (bpv) betreft, aangezien het leerbedrijf de dagelijkse begeleiding verzorgt.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) houdt toezicht op de kwaliteit van de opleiding dat is het onderwijs inclusief de beroepspraktijkvorming.
Door wie dient de inhoud van de hierboven omschreven onderwijsprogramma's te worden gecontroleerd? Is deze kwaliteit ook op adequate wijze gecontroleerd?
In eerste instantie is de onderwijsinstelling zelf verantwoordelijk voor de invulling van het onderwijsprogramma. De inspectie voert risicogericht onderzoek uit naar de kwaliteit van het onderwijs, ook wel een regulier onderzoek genoemd. De inspectie voert daarnaast op basis van signalen ook onderzoek uit, dan betreft het een specifiek onderzoek.
De inspectie controleert tijdens een regulier onderzoek of de kwaliteit, waaronder de programmering, voldoet. Daar waar de inspectie onderzoek heeft verricht is dat adequaat gebeurd.
Daarnaast kan de Belastingdienst bij het bedrijf toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van de WVA. Zie ook de antwoorden op de vragen 8 en 10.
Hierbij gebruikt de Belastingdienst de «Handreiking WVA onderwijs», die in samenwerking met de inspectie is ontwikkeld. De Handreiking is gepubliceerd op de website www.rijksoverheid.nl.
Als uit de informatie van de Belastingdienst duidelijk wordt dat bijvoorbeeld een praktijkovereenkomst ontbreekt, dan wel geen beroepspraktijkvorming (bpv) wordt gevolgd, dan betrekt de Belastingdienst die informatie bij zijn oordeel of terecht van de AV-onderwijs gebruik wordt gemaakt.
In hoeverre kan de werkgever verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van het onderwijs, als de opleiding te goeder trouw is aangegaan omdat deze gebaseerd is op een kwalificatiedossier, met een crebo-nummer dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is afgegeven?
De instelling is eindverantwoordelijk voor de inhoud, vorm en uitvoering van de opleiding. De bpv is een onderdeel van de opleiding. Afspraken over de bpv worden in de bpv-overeenkomst vastgelegd en mede ondertekend door het bedrijf waar de praktijkvorming wordt uitgevoerd en de onderwijsinstelling die de opleiding aanbiedt. Daarnaast behoort de werkgever de werknemer de gelegenheid te bieden om de opleiding ook naar behoren te kunnen volgen. Het crebonummer en het kwalificatiedossier zijn voor een opleiding leidend. Het beschrijft de eisen waaraan de opleiding moet voldoen. De werkgever kan zich daar zelf van op de hoogte stellen.
Is het uitgangspunt voor het rechtmatig toepassen van de afdrachtvermindering onderwijs dat de werknemer van de belastingplichtige de beroepsbegeleidende leerweg van een erkende MBO-opleiding volgt en dat deze opleiding is opgenomen in het Centraal Register Beroepsonderwijs?
De genoemde uitgangspunten gelden inderdaad voor de rechtmatige toepassing van de AV- onderwijs met dien verstande dat er sprake moet zijn van het volgen van het volledige onderwijsprogramma. Een enkele module volstaat niet.
In het Centraal Register Beroepsonderwijs zijn de erkende MBO-opleidingen vermeld; ook worden daar de deelkwalificaties van de betreffende MBO-opleiding genoemd; mag een inhoudingsplichtige erop vertrouwen dat een opleiding uit het Centraal Register Beroepsonderwijs, dan wel één of meerdere deelkwalificaties van die betreffende beroepsopleiding, zich kwalificeert om daarvoor de afdrachtvermindering onderwijs toe te passen?
Zie antwoord bij vraag 8, met die toevoeging, dat het CREBO-register nog enkele eindtermgerichte opleidingen kent die zijn opgebouwd uit deelkwalificaties. Op deze opleidingen kon tot 1 augustus 2012 worden ingeschreven.
Er is slechts sprake van een opleiding als deze alle deelkwalificaties omvat. Voor het afronden van de opleiding behoort aan alle deelkwalificaties te zijn voldaan.
Daarnaast zijn er sinds 2012 opleidingen, ook wel beroepsgerichte kwalificaties geregistreerd in het CREBO-register. Deze opleidingen kennen geen deelkwalificaties. Bij een enkele opleiding zijn certificaten vastgesteld en opgenomen in het kwalificatiedossier, maar dit is niet het geval voor de opleidingen in de Transport en Logistiek.
In de antwoorden op eerdere vragen2 is aangegeven dat de Belastingdienst niet de kwaliteit van de opleidingen beoordeelt en dat dat de verantwoordelijkheid van de Inspectie van het Onderwijs is; indien de Inspectie geen oordeel heeft gegeven over een opleiding mag de Belastingdienst dan stellen dat er geen beroepsopleiding is gevolgd of dat slechts een deel van de opleiding is gevolgd?
De Belastingdienst toetst of voldaan is aan de in de WVA neergelegde voorwaarden. Dit houdt ondermeer in of voldaan is aan een aantal formele vereisten, zoals de aanwezigheid van een rechtsgeldige praktijkovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.2.8 van de WEB. Verder kan de Belastingdienst controleren of het gevolgde onderwijsprogramma overeenstemt met het volledige onderwijsprogramma zoals opgenomen in het officiële register, het CREBO-register.
De beoordeling voert de Belastingdienst zelfstandig uit, waarbij in voorkomende gevallen een advies kan worden gevraagd aan de inspectie.
Wanneer een leerling gedurende een MBO-opleiding afhaakt, een schoolverlater wordt of andere opleiding gaat volgen, volgt er dan terugvordering van en/of boete voor de afdrachtvermindering onderwijs bij de belastingplichtige?
Een voorwaarde voor het toepassen van de AV Onderwijs voor de beroepsbegeleidende leerweg is dat een werknemer de beroepspraktijkvorming van een diploma gerichte volledige beroepsopleiding volgt. Als de werknemer stopt met de opleiding wordt niet meer voldaan aan de voorwaarden en kan de werkgever vanaf dat moment de afdrachtvermindering niet meer toepassen. Voor de periode dat wel voldaan is aan de voorwaarden kan de afdrachtvermindering wel toegepast worden.
De Belastingdienst controleert de procedurele en administratieve vereisten die aan een opleiding worden gesteld; mag de Belastingdienst meer controleren dan de voorwaarden die gelden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs? Zo ja, wat mag zij dan meer controleren en op welk wetsartikel is dat gebaseerd?
Zie antwoord bij vraag 10.
Er is een «Convenant Samenwerking Regionale Opleidingscentra Afdrachtvermindering Onderwijs» tussen een aantal ROC’s en de Belastingdienst gesloten; wat is het doel en de reikwijdte van dit convenant voor onderwijsinstellingen, voor de Belastingdienst en voor de cliënten van de onderwijsinstellingen?
In het convenant waar in de vraag naar wordt verwezen, zijn de uitgangspunten en de wijze waarop de Belastingdienst en de samenwerkende ROC’s met elkaar om wensen te gaan vastgelegd. Doelstelling van deze afspraken is het bevorderen van het op juiste wijze toepassen en optimaal gebruikmaken van de AV Onderwijs door de betrokken ondernemingen en/of non-profit organisaties. Het vanaf 1 januari 2008 geldende convenant is in 2011 voor onbepaalde tijd verlengd en is te vinden op de site van de Belastingdienst.
Indien de Inspectie heeft geoordeeld dat een opleiding niet voldoende is, heeft de betreffende onderwijsinstelling dan de kans gehad om alsnog de kwaliteitsvoordelen te realiseren en door te voeren? Kan het oordeel van de Inspectie een extrapolatie naar eerdere jaren, waarin de inhoudingsplichtige de afdrachtvermindering heeft toegepast, tot gevolg hebben?
Een herstelperiode is door de onderwijsinstelling niet met terugwerkende kracht uit te voeren. Het oordeel van de inspectie gaat over het uitgevoerde herstel nadat (ernstige) tekorten zijn geconstateerd en een waarschuwing eerder was afgegeven.
Indien de Inspectie heeft geoordeeld dat een opleiding niet voldoende is wat vindt u dan van het standpunt van Transport en Logistiek Nederland dat reparatie van het onderwijstraject mogelijk moet zijn, zodat de betreffende leerling zich alsnog kwalificeert als een opleiding waarvoor afdrachtvermindering toegepast kan worden?
Een onderwijsinstelling krijgt voor een opleiding die niet voldoet altijd een periode waarin ze de mogelijkheid heeft de opleiding te herstellen. Doel van de herstelperiode die de inspectie instelt, is niet om AV Onderwijs te kunnen toepassen door de werkgever, maar om een deelnemer op te leiden en te toetsen of de deelnemer (werknemer) aan alle eisen uit het kwalificatiedossier voldoet om zo een diploma te kunnen behalen. De Belastingdienst toets of de werkgever aan de voorwaarden uit de WVA heeft voldaan in het tijdvak dat deze de afdrachtvermindering heeft toegepast. Als bijvoorbeeld geen sprake is van het volgen van een opleiding maar slechts een onderdeel van een opleiding kan in die periode de afdrachtvermindering niet worden toegepast. Dit kan niet achteraf hersteld worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden in samenhang met de afgesproken schriftelijke beantwoording van de vragen die in het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2015 voorzien op 27 oktober 2015 gesteld gaan worden?
Ja. De in het wetgevingsoverleg van 27 oktober jl. gestelde vragen zijn in de beantwoording van deze en de andere Kamervragen over dit onderwerp3 meegenomen.
Het artikel ‘Gemalen kunnen veel energie besparen’ |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Gemalen kunnen veel energie besparen»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de genoemde onderzoeken?
Beide rapporten2 laten besparingsmogelijkheden zien voor poldergemalen. Een gemaal bij waterschap Rivierenland zou 20% besparingen kunnen opleveren. Bij de gemalen bij het waterschap Zuiderzeeland is een besparing van 8–10% mogelijk. Het anders inregelen kan leiden tot energiebesparing en daarmee tot een verlaging van de kosten.
In de onderzoeken wordt benadrukt dat nader onderzoek noodzakelijk is, omdat onder meer de onderzoeksperiode beperkt is.
De resultaten zijn aansprekend. Nadere onderzoeksresultaten zie ik graag tegemoet.
Kan met de voorgestelde energiebesparende maatregelen het doel van 30% energie-efficiënter en zuiniger werken bij de gemalen in 2020 worden bereikt? Zo ja, bent u bereid om op korte termijn samen met de waterschappen om de tafel te gaan zitten om met een concreet plan te komen om deze maatregelen door te voeren? Zo nee, zijn daar meer maatregelen voor nodig?
Ik ben daar zeker toe bereid.
Sinds 2008 zijn alle waterschappen voor het zuiveringbeheer toegetreden tot het energieconvenant «Meerjarenafspraak energie-efficiency 2001–2020». Vanuit de Unie van Waterschappen is voorgesteld om ook bemaling van de waterschappen hierin mee te nemen. De gehele bedrijfsvoering van de waterschappen wordt hierdoor in de convenantaanpak meegenomen. Bemaling maakt ongeveer 10 procent van het energiegebruik binnen de waterschappen uit. Met de Unie van Waterschappen zal ik het gesprek aangaan om te onderzoeken in hoeverre bemaling hieraan kan worden toegevoegd.
Deelt u de mening dat de voorgestelde energiebesparende maatregelen voor waterschappen het energieverbruik voor verscheidene gemalen kan reduceren met 20%?
De onderzoeken geven aanleiding tot nader onderzoek en vervolgoverleg, echter zijn de huidige onderzoeken te beperkt geweest om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarnaast is de onderzoeksperiode bij de gemalen beperkt geweest.
Weet u wat de totale kosten en baten zouden zijn het doorvoeren van de voorgestelde maatregelen? Zo niet, bent u bereid dit te laten doorrekenen?
De huidige onderzoeken hadden een beperkte opzet. De eerste bevindingen zijn echter interessant.
Kunt u toelichten wie er zullen profiteren en wie de kosten moeten dekken indien er energiebesparende maatregelen voor de gemalen worden toepast en energienota’s voor de Nederlandse gemalen en waterschappen lager zullen zijn?
De duurzame investeringen die waterschappen doen, verdienen zich doorgaans in 7 – 10 jaar terug. De voordelen vertalen zich in de belastingtarieven van de waterschappen.
Het bericht ‘ICT-adviseur wil gemeenten helpen aan Big Brother 2.0’ |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «ICT-adviseur wil gemeenten helpen aan Big Brother 2.0»?1
Ja
Wat vindt u van de mogelijkheden die in het artikel worden geschetst?
In het bericht wordt de video «Informatie: adviseur van de toekomst» besproken zoals gepubliceerd door het bedrijf PinkRoccade. De video schetst een mogelijk toekomstscenario op basis van de mogelijkheden die de technologie biedt. Dergelijke toekomstscenario’s kunnen behulpzaam zijn om discussie te voeren over wat wenselijk is.
Het geschetste scenario biedt enerzijds mogelijkheden voor een effectievere en efficiëntere lokale overheid en het meer betrekken van de burger daarbij. Anderzijds kan het scenario bedreigend zijn omdat potentieel mensen beperkt worden in hun vrijheid en groepen mensen kunnen worden gestigmatiseerd. Voor elk scenario geldt dat realisatie zal moeten plaatsvinden binnen geldende wet- en regelgeving.
Het kabinet zet zich in voor een veilig digitaal domein waarin de kansen van digitalisering worden benut, dreigingen het hoofd worden geboden en fundamentele rechten en de internetvrijheid optimaal worden beschermd. Dit is eveneens verwoord in de notitie «vrijheid en veiligheid in de digitale samenleving» die mede namens mij aan Uw kamer is gestuurd (Kst 2013/2014, 26 643 nr. 298). In deze notitie is gesteld dat er op sommige thema’s vraagstukken zijn die verder doordacht moeten worden. Het gaat daarbij om zaken die onder het overkoepelende thema «big data, veiligheid en privacy vallen». Het kabinet heeft daartoe een adviesaanvraag gedaan bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Deelt u de zorg dat het steeds meer delen van gegevens door gemeenten als positieve ontwikkeling wordt gezien door deze «belangrijke ICT-adviseur van veel Nederlandse gemeenten»? Zo ja, voert u actief het gesprek over dergelijke ontwikkelingen met de Nederlandse gemeenten en kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het staat bedrijven en gemeenten binnen de geldende wettelijke grenzen vrij kansen te signaleren ten aanzien van het gebruik van gegevens in het publieke domein. Het is aan de wetgever te bepalen binnen welke wettelijke kaders dit kan geschieden en te borgen dat zaken als privacy en beveiliging gelijke tred kunnen houden met het toenemend gebruik van data.
Vindt u dat er een afdoende kader bestaat voor afwegingen in het spanningsveld tussen privacy en veiligheid? Hoe is het principe van dataminimalisatie in dit kader gewaarborgd?
De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) biedt een adequaat kader, inclusief het vereiste van dataminimalisatie, voor een zorgvuldige afweging tussen veiligheid en privacy.
Op dit moment zijn er meerdere wetten die gemeenten van een kader voorzien bij het verzamelen en gebruiken van gegevens van burgers; bent u van plan hierop aanpassingen te doen na het advies van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) d.d. 1 juli 2014? Zo ja, welke en op welke termijn? Zo nee, wat gaat u dan met het advies doen?
Het door u genoemde advies refereert aan de «beleidsvisie zorgvuldig en bewust: gegevensverwerking en privacy in een gedecentraliseerde domein» (Kst 2013/2014, 32761 nr.2. In deze visie heeft het kabinet geconcludeerd dat het huidige juridische kader toereikend is om de noodzakelijke gegevensuitwisseling te kunnen realiseren en tegelijkertijd de privacy te borgen. Het CBP waarschuwt in haar advies dat gemeenten de naleving van de Wbp niet kunnen opschorten in het kader van een «lerende praktijk». Dit advies van het CBP is in lijn met de kabinetsvisie, waarin het kernpunt is dat de Wbp leidend is, en dat binnen de Wbp via een gedegen afweging, waarbij onder meer het vereiste van dataminimalisatie wordt betrokken, de mogelijkheden dienen te worden benut. Los van de geldende toezichthoudende rol van het CBP, heb ik de gemeentebesturen per brief gewezen op hun verantwoordelijkheid voor het goed inregelen en borgen van het recht op privacy.
Hoe houdt u zicht op de trends en mogelijkheden van informatie-uitwisseling door overheden (in het bijzonder gemeenten) en welke mogelijkheden ziet u om ongewenste ontwikkelingen te stoppen? Vindt u deze mogelijkheden voldoen?
Gelet op de autonomie van gemeenten, ook op het gebied van informatie-uitwisseling, is er geen toezicht door de rijksoverheid. Gemeenten dienen informatie-uitwisseling in te regelen binnen de wettelijke kaders van de Wbp. Toezicht is op adequate wijze geborgd via de onafhankelijk toezichthouder (in casu het CBP).
Deelt u de opvatting van de heer Jacob Kohnstamm in zijn toespraak voor het expertforum van de nationale denktank (d.d. 3 oktober 2014), dat een groot maatschappelijk debat moet worden gevoerd over de risico’s en ongewenste gevolgen van big data? Zo ja, hoe denkt u dit debat te entameren en welke rol heeft uw ministerie daarin? Zo nee, waarom niet?
De in vraag 2 aangehaalde notitie «vrijheid en veiligheid in de digitale samenleving» beoogt een aanzet te zijn voor een verdergaand maatschappelijk debat over dit thema, waarin de overheid zich zal moeten herbezinnen op haar rol bij het beschermen en respecteren van de persoonlijke levenssfeer, ook in het digitale domein. Dit debat gaat echter niet alleen over het hoofd bieden aan bedreigingen, maar het debat biedt ook juist veel kansen om veiligheid, vrijheid en maatschappelijke groei op een hoogst mogelijk niveau in samenhang met de risico’s te bespreken. Het kabinet zal in haar reactie op het eerder genoemde WRR advies hierop ingaan.
Het pleidooi van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om het hoofdrailnet op te splitsen |
|
Farshad Bashir |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Wat vindt u van het pleidooi dat een bestuurslid van de ACM bij Mobiliteitspoort een pleidooi heeft gehouden om een nader onderzoek te verrichten naar het opsplitsen van het hoofdrailnet?1 Kunt u de bewuste wetsartikelen noemen die het mogelijk maken dat ACM zich hier in het politieke debat mengt?
De heer Don heeft in Mobiliteitspoort met name benadrukt dat een eventuele splitsing van het hoofdrailnet een zorgvuldige objectieve analyse van voor- en nadelen vergt. Dit beschouw ik als ondersteuning van het beleid van het kabinet. Er is vorig jaar onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar de impact van het vierde spoorpakket op de Nederlandse situatie. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er voor de reizigers negatieve effecten wat betreft de kwaliteit, betrouwbaarheid en efficiency kunnen zijn van het opknippen van het netwerk (vooral tijdens de transitiefase).2 Het kabinet heeft op basis van dat onderzoek zijn standpunt over het vierde spoorpakket bepaald en tracht in Europa medestanders te vinden tegen het verplicht opknippen en aanbesteden van het netwerk.
ACM is een zelfstandig bestuursorgaan in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Deze status heeft zij omdat Europese regelgeving vereist dat zij onafhankelijk van de politiek haar wettelijke taken kan uitvoeren. Met het oog daarop is de verantwoordelijkheid voor de wet- en regelgeving (de Minister van Economische Zaken of de Minister van Infrastructuur en Milieu) en de verantwoordelijkheid van het toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving (de ACM) gescheiden. Deze scheiding brengt mee dat de ACM zich in het openbaar kan en mag uitlaten over de uitvoering van haar wettelijke taken. Dat doet zij onder meer via haar jaarverslag en haar website, waarop zij haar besluiten en onderzoeken publiceert. Daarnaast kan zij dat doen in presentaties en lezingen op conferenties, seminars, workshops etc. De lezing van de heer Don bij Mobiliteitspoort kan in dat licht worden gezien.
Als het gaat om de mening van de ACM over onderwerpen die niet tot haar wettelijke toezichtstaken, maar tot de beleidsverantwoordelijkheid van een Minister behoren, is de ACM beperkt in haar vrijheid om zich te mengen in het publieke debat. Dat is de andere zijde van de scheiding tussen beleid en uitvoering. Dat betekent echter niet dat de ACM helemaal geen rol heeft bij de totstandkoming van beleid. Het beleid dient immers uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn door de ACM. Zij is zelf het best in staat om dat te beoordelen. Daartoe wordt de ACM door de beleidsverantwoordelijke ministeries betrokken bij de vormgeving van nieuw beleid. Bovendien wordt de ACM gevraagd om een uitvoeringstoets uit te brengen op voorstellen voor nieuw beleid. Dat is vastgelegd in artikel 6 van de Regeling gegevensuitwisseling ACM en ministers (Stcrt. 2013, 8155). In uitvoeringstoetsen gaat de ACM in op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de voorgestelde regelgeving, en op de gevolgen voor de ACM in termen van personeel, organisatie en financiën. Deze uitvoeringstoets wordt in beginsel openbaar op het moment dat het voorstel voor nieuw beleid openbaar wordt.
Recentelijk heeft het Ministerie van Economische Zaken afspraken gemaakt met de ACM over de wijze waarop de ACM zich publiekelijk kan uitspreken over beleidsvoornemens en lopende beleidstrajecten. Naast de uitvoeringstoetsen op specifieke voorstellen voor nieuw beleid, stelt de ACM eenmaal per jaar, rondom de publicatie van haar jaarverslag, een document op met haar visie op en wensen ten aanzien van het beleid. Dit document, het «Signaal», zal door de Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu, vergezeld van hun reactie op het Signaal, aan de Tweede Kamer worden gezonden. Momenteel wordt bezien of de werkwijze rondom het Signaal een plaats zou moeten krijgen in de onderlinge werkafspraken in het Relatiestatuut ACM en ministers 2013 (Stcrt 2013, 9237).
Deelt u de mening dat het bestuurslid van ACM zijn boekje te buiten gaat door politieke uitspraken te doen bij Mobiliteitspoort? Zo ja, bent u bereid de ACM hier op aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1. Het optreden van de heer Don past binnen de bevoegdheden die de ACM als zelfstandig bestuursorgaan heeft.
Deelt u de mening dat het opsplitsen van het hoofdrailnet vergaande gevolgen zal hebben voor de kwaliteit van het spoorvervoer en dat de belangen van de treinreiziger hier niet mee worden gediend? Kunt u het antwoord toelichten?
Ik deel die mening. Uit het eerder genoemde onafhankelijke onderzoek naar de impact van het 4e spoorpakket op de Nederlandse situatie, komt duidelijk naar voren dat er voor de reizigers negatieve effecten kunnen zijn van het opknippen van het netwerk (vooral tijdens de transitiefase).
Wiens belang moet de ACM volgens u dienen? Vindt u dergelijke uitspraken om buitenlandse staatsbedrijven meer ruimte te geven op het Nederlandse spoor daarbij passen?
De ACM ziet toe op de naleving van wetten en regels op het gebied van vervoer. Hierbij gaat het veelal om de betaalbaarheid, kwaliteit, en beschikbaarheid van bepaalde producten en diensten in het belang van de reiziger. De heer Don heeft in Mobiliteitspoort niet gepleit voor het geven van ruimte aan buitenlandse staatsbedrijven op het Nederlandse spoor. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, heeft hij benadrukt dat een eventuele splitsing van het hoofdrailnet een zorgvuldige objectieve analyse van voor- en nadelen vergt. Dit kan gezien worden als ondersteuning van het kabinetsbeleid. Vorig jaar is zo’n analyse immers uitgevoerd. Bij deze analyse stond het effect voor de reiziger voorop.
Kunnen in de toekomst nog meer van dit soort politieke uitspraken van de ACM verwacht worden? Zo ja, passen deze politieke stellingnames bij een toezichtorganisatie als ACM?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 1 behoren politieke stellingnames tot de verantwoordelijkheid van de bewindspersonen, niet tot die van de ACM.
Het bericht ‘Eis Haagse politiek ontmoedigt vervroegd aflossen hypotheek’ |
|
Roald van der Linde (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Eis Haagse politiek ontmoedigt vervroegd aflossen hypotheek»?1 Wat vindt u van dit artikel en deelt u de conclusies in het artikel?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het artikel stelt dat de introductie van de Nederlandse ongewogen kapitaaleis – een leverage ratio van minimaal 4% voor systeemrelevante banken – er voor zorgt dat banken minder onderscheid zullen gaan maken tussen verschillende risico’s, waardoor renteverschillen tussen minder en meer risicovolle bankleningen kleiner kunnen worden. Dit zou voortvloeien uit het feit dat bij de risicogewogen kapitaaleisen de hoogte van de kapitaaleisen afhangt van de risico’s gerelateerd aan de onderliggende activa, terwijl de leverage ratio eis geen onderscheid maakt naar verschillen in onderliggende risico’s. Als voorbeeld wordt de mogelijkheid aangehaald dat banken geen renteverlagingen meer zouden bieden aan klanten wanneer deze vervroegd zouden aflossen op hun hypotheek, wat de prikkel tot vervroegd aflossen zou ontmoedigen.
Vooraleerst wil ik hier in herinnering roepen waarom ik een voorstander ben van een hogere leverage ratio. Ondanks de verbeterde kapitaalpositie van banken is de zogenaamde hefboom, de verhouding tussen de totale activiteiten van een bank en het eigen vermogen, nog steeds relatief hoog. Dit maakt banken kwetsbaar voor verliezen en (sterk) afhankelijk van de precieze risicoweging van de bezittingen van banken. Een hogere leverage ratio eis garandeert een hoger niveau van beschikbaar verliesabsorberend vermogen bij banken: het minimale ongewogen kapitaal dat banken beschikbaar moeten hebben wordt substantieel verhoogd. Dit vermindert de kans dat banken in problemen komen in het geval dat risico’s door banken te optimistisch worden ingeschat en draagt daarmee nadrukkelijk bij aan een stabieler bancair systeem. Gegeven deze voordelen is er daarom voor gekozen om in elk geval voor de systeemrelevante banken een hogere leverage ratio eis van 4% te stellen, in samenhang met de stijging van de risicogewogen kapitaaleisen.
De aanname bij de voornoemde stelling in het artikel is dat de leverage ratio voor de betreffende banken altijd zal uitstijgen boven het totaal van de risicogewogen kapitaaleisen, en dat dit bij banken vervolgens tot ongewenste gedragseffecten zal leiden. In de Kabinetsvisie Nederlandse bankensector is echter expliciet aangegeven dat het kabinet een hogere leverage ratio van minimaal 4% nastreeft in samenhang met de stijging van de risicogewogen kapitaaleisen. Op deze manier zorgt een leverage ratio van 4% er voor dat het risicogewogen kapitaaleisenraamwerk niet structureel buitenspel wordt gezet en de voordelen van zowel de ongewogen als de risicogewogen aanpak beide tot hun recht komen.
Ook het Britse Financial Policy Committee, dat op 31 oktober de vormgeving van de leverage ratio eis in het Verenigd Koninkrijk heeft gecommuniceerd, benadrukt deze complementariteit en samenhang tussen de risicogewogen en ongewogen kapitaaleisen.2 De stelling dat renteverschillen tussen relatief veilige en relatief risicovolle leningen per definitie veel kleiner worden door introductie van een leverage ratio van 4%, onderschrijf ik dus niet. Daarbij speelt ook een rol dat een bank ongeacht de verhouding tussen de risicogewogen en ongewogen kapitaaleisen, omwille van goed risicomanagement normaliter zal willen differentiëren tussen hypotheken met meer en hypotheken met minder risico.
Wat vindt u van het ongewenste effect dat vervroegd aflossen van de hypotheek minder aantrekkelijk wordt, gelet op de al hoge private schulden in Nederland?
Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is nadrukkelijk rekening gehouden met de samenhang tussen de ongewogen en risicogewogen kapitaaleisen, om eventuele negatieve effecten van een hogere leverage ratio eis te mitigeren. Ik verwacht dan ook niet dat banken als gevolg van de leverage ratio eis vervroegd aflossen minder aantrekkelijk gaan maken.
Het is daarnaast van belang te realiseren dat kapitaaleisen niet de enige factor zijn die invloed hebben op het aanbieden van rentekortingen door banken bij vervroegde aflossingen van hypotheken. Factoren als concurrentieverhoudingen en het belang van duurzame klantrelaties spelen hierbij ook een rol. Ook kan het voor banken makkelijker zijn om voor hypotheken met een lagere loan-to-value ratio – zoals hypotheken waarop meer is afgelost – financiering aan te trekken. Dit kan ook doorwerken in de prijs van hypotheken. Daarnaast spelen voor de hypotheeknemer, naast rentekortingen, ook andere factoren een rol bij de beslissing om al dan niet over te gaan tot (vervroegde) aflossingen. Gedacht kan worden aan het algehele economische klimaat en de rentestand, de situatie op de woningmarkt en (wijzigingen in) fiscale arrangementen.
In hoeverre vindt u het een gewenst effect dat er een hogere hypotheekrente blijft, ook al wordt er afgelost en is er minder risico, terwijl de hypotheekrente in Nederland al hoog is? In hoeverre deelt u de mening dat risico juist ingeprijsd moet worden en het verhogen van de leverage ratio daarop juist een nadelig effect heeft?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is er bij het eenzijdig verhogen van de leverage ratio door Nederland rekening gehouden met dit effect?
Zie antwoord vraag 2.
Welke effecten en gevolgen heeft het eenzijdig verhogen van de leverage ratio nog meer, onder andere ook op welke producten?
Bij de verhoging van de leverage ratio kan voor banken een prikkel ontstaan om verhoudingsgewijs meer te investeren in relatief risicovolle activa. De leverage ratio eis maakt immers geen onderscheid naar de risico’s gerelateerd aan de verschillende activaportefeuilles, terwijl tegelijkertijd de verwachte rendementen van relatief risicovolle activa hoger liggen dan bij minder risicovolle activa. Zoals reeds aangegeven, is bij de vormgeving van de leverage ratio eis echter expliciet rekening gehouden met het risico op en het voorkomen van mogelijke ongewenste gedragseffecten, doordat een adequate samenhang is behouden tussen de ongewogen en gewogen kapitaaleisen. Daarom verwacht ik geen substantiële ongewenste gedragseffecten bij de banken die aan de hogere leverage ratio eis moeten voldoen. Daarbij geldt dat de hogere leverage ratio wel zal bijdragen aan de financiële stabiliteit, omdat banken met veel activa met een gemiddeld laag risicoprofiel een sterkere buffer hebben voor het geval zich onverwachts een grote schok voordoet die deze activa raakt.
Pretium en het schriftelijkheidsvereiste |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de manier waarop het bedrijf Pretium (niet) omgaat met het schriftelijkheidsvereiste bij telefonische verkoop?1
Ja, ik ben op de hoogte van de betrokken berichtgeving.
Klopt het dat het schriftelijkheidsvereiste niet kan worden ingevuld met alleen een klik op een telefoontoets, zoals Pretium beweert?
Op grond van het recent inwerking getreden artikel 230v lid 6 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst die het gevolg is van een telefonisch gedaan aanbod alleen schriftelijk tot stand komen. Dit vereiste geldt voor overeenkomsten betreffende het geregeld afleveren van diensten en overeenkomsten betreffende de levering van water, gas, elektriciteit en stadsverwarming. Met de invoering van het schriftelijkheidsvereiste is beoogd consumenten te beschermen tegen het ongewild overgezet worden naar een nieuwe aanbieder. Bovengenoemde overeenkomsten zijn immers niet direct zichtbaar voor een consument, hetgeen ook genoemd is in de parlementaire behandeling als één van de problemen van telemarketing (Kamerstuk 33 520, nr. 3 op p. 52 en nr. 7 op p. 4–6).
In de parlementaire behandeling (o.a. Kamerstuk 33 520, nr. 3 en 7) is een aantal voorbeelden gegeven hoe aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan kan worden.
Zo is aangegeven dat aan dit voorschrift in de praktijk voldaan kan worden doordat de handelaar een aanbod tot het aangaan van een overeenkomst in schriftelijke vorm opstelt en aan de consument toestuurt. De consument zal dit aanbod moeten aanvaarden om de uiteindelijke overeenkomst tot stand te brengen. Deze aanvaarding zal doorgaans blijken uit de ondertekening van de schriftelijke overeenkomst. Voorts kan aan het schriftelijkheidsvereiste worden voldaan wanneer de overeenkomst op elektronische wijze wordt gesloten en de overeenkomst raadpleegbaar is, de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd is, het moment van totstandkoming met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld en de identiteit van de partijen voldoende kan worden vastgesteld. In de memorie van toelichting (Kamerstuk 33 520, nr. 3, p. 52) is het voorbeeld gegeven van het sturen van de overeenkomst per e-mail. De consument zal vervolgens per e-mail zijn instemming moeten geven, voordat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan.
Of een loutere klik op een telefoontoets voldoende is om aan het schriftelijkheidsvereiste te voldoen is niet aan mij om te beoordelen. Dit is aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) – als toezichthouder op dit voorschrift – en uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen. Het is mij niet bekend waarop Pretium haar eigen uitleg baseert.
Waarop baseert Pretium deze uitleg van art. 6:227a en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een klik op en telefoontoets niet voldoende is om aan het schriftelijkheidsvereiste te voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de Autoriteit Consument en Markt (ACM) te verzoeken het bovenstaande duidelijk op de website van ConsuWijzer te vermelden?
Ik heb van de ACM vernomen dat zij op de website van het informatieloket ConsuWijzer voorbeelden zal geven op welke wijze in ieder geval aan het schriftelijkheidsvereiste kan worden voldaan.
Bent u bereid om de ACM te verzoeken om te gaan handhaven op de juiste uitvoering van het schriftelijkheidsvereiste?
Ik heb de ACM op de hoogte gesteld van de betrokken berichtgeving. De ACM doet geen mededelingen over al dan niet lopende onderzoeken.
De toelating van eieren van Avangardco op de Europese interne markt |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Oekraïense eiergigant krijgt exporttoelating naar EU»?1
Ja.
Klopt het dat Avangardco toestemming heeft gekregen om verwerkte eierproducten op de Europese interne markt te brengen? Zo ja, welke instanties zijn betrokken geweest bij de besluitvorming en welke rol hadden zij?
Ja. Imperovo Food Ltd, een onderdeel van Avangardco, heeft toestemming om eieren en eiproducten naar de EU te exporteren.
De besluitvorming over toestemming van Oekraïense eierproducenten tot de Europese markt vindt plaats volgens de algemeen geldende procedure om te bepalen of een land en/of bedrijf toestemming krijgt om te exporteren naar de EU. Besluitvorming vindt plaats door de Europese Commissie met een belangrijke rol voor de «Food and Veterinary Office» (FVO). Nadat een land een aanvraag heeft ingediend en uitgebreide informatie heeft verstrekt over het toezichts- en controlesysteem op voedselveiligheid-, volksgezondheid- en diergezondheidaspecten, vindt een controle plaats door de FVO om te controleren of dit systeem op orde is.
Wanneer de FVO het toezichts- en controlesysteem goedkeurt moet de toezichtautoriteit van het betrokken land een lijst samenstellen van bedrijven die mogen exporteren naar de EU en deze lijst bij de FVO indienen.
Hoe beoordeelt u de toelating van de verwerkte eierproducten van Avangardco?
Over de precieze productieomstandigheden van Avangardco heb ik geen informatie. Aangezien er geen twijfel is over de rechtmatigheid van de toelating van producten van Avangardco tot de EU, is er mijns inziens geen reden voor nader onderzoek. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 5 en 6.
Kunt u bevestigen dat Avangardco leghennen houdt in legbatterijen en deze voorzieningen niet aan de Europese minimum normen voldoen? Zo nee, bent u voornemens dit nader te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u voornemens bij de volgende Landbouw- en Visserijraad of bij een andere geschikte gelegenheid de Europese Commissie op te roepen de ongelijke concurrentie door de toelating van Avangardco te stoppen? Zo ja, schat u in dat uw verzoek gehoor krijgt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 17 oktober jl. heb ik in de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober jl. opgemerkt dat ik mij in algemene zin zorgen maak over het gelijke speelveld voor Europese landbouwers op het terrein van dierenwelzijn in het relatie tot bilaterale en multilaterale onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden. In het kader van de WTO moet er dan ook op worden ingezet om dierenwelzijn als zogeheten «non-trade concern» erkend te krijgen. Als voorbeeld heb ik de invoer van eieren en eiproducten uit de Oekraïne genoemd. In het vrijhandelsakkoord met Oekraïne is vastgelegd dat Oekraïne zich zal inspannen om zijn wetgeving op één lijn te brengen met die van de EU, onder andere ook op het terrein van dierenwelzijn. Deze afspraak is met de huidige eenzijdige toepassing van het akkoord door de EU echter nog niet formeel van kracht. Aangezien Oekraïne er nu formeel niet aan gebonden is om zich in te spannen om zijn dierenwelzijnswetgeving op één lijn te brengen met die van de EU, heeft de Nederlandse vertegenwoordiger in het beheerscomité op mijn instructie tegen de heffingsvrije toelating van eieren uit Oekraïne gestemd.
Hierbij heeft Nederland toegelicht tegen heffingsvrije import te zijn van eieren en eiproducten uit Oekraïne die niet voldoen aan de EU-dierenwelzijnsnormen. Helaas was Nederland de enige met dit standpunt. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober jl. heb ik de Europese Commissie opgeroepen om bij de Oekraïne aan te dringen op hervorming van de wet- en regelgeving ten aanzien. Waar nodig is de EU daarbij bereid Oekraïne te ondersteunen bij het verbeteren van dierenwelzijn, onder meer in de eiersector. Tegelijkertijd moeten we dit probleem ook in proportie zien. Jaarlijks mag er in totaal 3.000 ton eieren en 1.500 ton eiproducten uit Oekraïne heffingsvrij worden ingevoerd in de EU. De hoeveelheid eiproducten wordt in jaarlijkse stappen verhoogd naar uiteindelijk 3.000 ton in 2020. Dit zijn zeer bescheiden hoeveelheden in vergelijking met de 7.25 miljoen ton eieren die de EU jaarlijks produceert. Commissaris Çiolos gaf tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober jl. ook aan dat bij de samenstelling van het quotum voor eieren en eiproducten uit de Oekraïne rekening is gehouden met het gelijke speelveld in de EU. Hij verwacht geen grote instroom in de EU.
Bent u van mening dat wanneer Avangardco in welke omvang dan ook leghennen houdt die niet op z’n minst in een verrijkte kooi leven zij geen toegang mogen hebben tot de Europese interne markt? Zo nee, hoe worden de Europese normen dan gehandhaafd? Zo ja, welke stappen gaat u verder zetten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of uw toezegging bij de viering van het 10-jarig bestaan van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders om te komen tot een masterplan voor de legsector al inhoud heeft gegeven? Hoe staat dit proces er nu voor?
Zoals ik eerder heb aangegeven in antwoord op Kamervragen van het lid Lodders (VVD) van 9 september 2013 (Aanhangsel 2012–2013, 3191) is de slechte marktsituatie voor de legpluimveesector het gevolg van overaanbod door de hoge eierproductie in de Europese Unie en zal de markt zelf voor een nieuw evenwicht tussen vraag en aanbod moeten zorgen. Ik verwijs u ook naar de antwoorden op de Kamervragen van het lid Geurts van 3 oktober jl. (Aanhangsel 2014–2015, 174). Gelet hierop zie ik het niet als mijn rol om vanuit de overheid een masterplan op te stellen voor de legpluimveesector. Ik heb dit ook kenbaar gemaakt in mijn brief aan de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders van 13 januari 2014, waarvan ik een afschrift naar uw Kamer heb gestuurd (2014D00773 en 2014D00774). Wanneer de sector zelf met een plan komt ben ik uiteraard bereid om te bezien hoe ik uitvoering hiervan kan faciliteren en ondersteunen.
Het bericht ‘Nederland blijft achter met Europese subsidies’ |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederland blijft achter met Europese subsidies»?1
Ja.
Is het waar dat van de 2.666 subsidie-aanvragen er 108 door Nederlandse midden- en kleinbedrijven (MKB's)zijn ingediend in de eerste aanvraagronde van het innovatie bevorderende Small and Medium-sized Enterprises (SME)-instrument en dat slechts vier van de 108 aanvragen (4%) zijn goedgekeurd?
De Europese Commissie geeft in het document «SME Instrument Phase 1: Results after cut-off» van 18 juni 2014 aan dat er 2.662 voorstellen zijn ontvangen. Vanuit Nederland zijn inderdaad 108 voorstellen ingediend waarvan 4 gehonoreerd.
Hoe beoordeelt u deze cijfers alsmede de opmerking van de schrijvers van het artikel dat dit een «wake-up call» voor Nederland zou moeten zijn?
Het SME-instrument is één van de instrumenten om het mkb bij Horizon 2020 te betrekken. Het instrument beoogt het mkb te stimuleren om tot introductie van innovatieve producten op de markt te komen die een doorbraak betekenen. Het instrument kent 3 fasen: fase 1 is de haalbaarheidsfase (subsidie € 50.000), fase 2 is de demonstratie- en marktintroductiefase (subsidie € 1 mln tot € 3 mln) en fase 3 de commercialisatiefase (risicofinanciering).
De score waar het artikel in FD over gaat betreft de eerst ronde van aanvragen van het mkb voor fase 1 waarin de mkb’er de technische en commerciële potentie van een «doorbraakinnovatie» op haalbaarheid moeten uitwerken.
In deze eerste ronde zijn er van de 108 Nederlandse voorstellen 4 gehonoreerd. Dit betekent een slagingspercentage van 3,7%. Het gemiddelde slagingspercentage van de gehele call lag op 5,8% (2.662 proposals en 155 gehonoreerd).
In deze eerste call ligt Nederland qua slagingskans weliswaar onder het Europese gemiddelde, maar het is nog te vroeg om hier conclusies aan te verbinden.
Het betreft immers de start van een nieuw instrument waarin, anders dan bij de R&D-projecten in het Zevende Kaderprogramma, de focus ligt op het ontwikkelen van innovatieve producten door een mkb’er die tot een doorbraak op de markt leiden. Daarbinnen betreft het een eerste call voor de haalbaarheidsstudie.
Het nieuwe SME-instrument richt zich op een nieuwe doelgroep, die zijn weg naar het instrument moet vinden. Met RVO.nl vindt overleg plaats op welke wijze de doelgroep het best benaderd en geholpen kan worden en hoe geleerd kan worden van de diverse strategieën van de verschillende lidstaten.
Ook met de Europese Commissie vindt hier overleg over plaats.
Welke van de zes redenen die in het document «SME Instruments Phase 1: Results after cut-off» worden genoemd om subsidieaanvragen af te wijzen, waaronder onvoldoende focus op business-kansen en onvoldoende overtuigende uitleg bij de beschrijving van het voorstel, werden over het algemeen gebruikt bij het weigeren van de subsidie-aanvragen van 104 Nederlandse MKB's? Werden er ook andere redenen aangevoerd dan de zes argumenten die in het bovenstaande document worden genoemd?
In de eerste algemene evaluatie noemt de Commissie 6 leerpunten om de kwaliteit van de voorstellen te verbeteren. Dit betreft echter geen selectiecriteria.
De subsidieaanvraag voor de projecten zijn beoordeeld op de selectiecriteria: «excellentie» (is het projectidee innovatief genoeg), «impact» (is er aandacht besteed aan de business-kansen) en «kwaliteit van de implementatie» (projectmanagement). De individuele evaluatierapporten bevatten slechts scores voor deze drie criteria en een totaalscore. Een project wordt afgewezen als het onvoldoende scoort op één van de criteria. Uit de evaluatieformulieren valt te herleiden dat 91 aanvragers om die reden zijn afgewezen. 17 van de aanvragers voldeden aan alle drie de selectiecriteria. 13 daarvan zijn in de ranking toch niet hoog genoeg geëindigd om gehonoreerd te worden.
Is er een verband tussen het matige succes van het Nederlandse MKB in de eerste aanvraagronde van het SME-instrument en de constatering in uw brief over het Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (TK 21 501-31 nr. 343) dat het aandeel Nederlandse MKB en grote bedrijven die financiering wisten te verwerven lager was dan gemiddeld?
In het Zevende Kaderprogramma was Nederland met een retour van 7,4% (t.o.v. 5% budget bijdrage) koploper. In Nederland zijn vooral de technologische instituten en universiteiten succesvol geweest in deelname. De participatie van het Nederlandse mkb in KP7 bleef met 13% echter achter ten opzichte van het Europese gemiddelde (15%).
Het is nog te vroeg om een uitspraak te doen of dit beeld hetzelfde is voor Horizon 2020.
Welke rol hebben de overheden van Spanje, Engeland en Italië gespeeld bij de succesvolle aanvragen van MKB'ers in deze landen, aangezien uit het document «SME Instruments Phase 1: Results after cut-off» blijkt dat deze landen beter scoren op het binnenhalen van financiële middelen bij deze regeling?
Er vindt overleg plaats met de Europese Commissie en met de verschillende lidstaten. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over nationale begeleiding aan de hand van de uitkomsten van deze eerste call.
Bent u bereid te onderzoeken hoe het Nederlandse MKB in de toekomst meer kan profiteren van het SME-instrument? Wilt u de Kamer hierover informeren?
Ja. Er wordt bekeken wat de juiste doelgroep is voor dit instrument en op welke wijze deze doelgroep het best benaderd en geholpen kan worden. Hierover vindt ook overleg plaats met de verschillende lidstaten en de Europese Commissie.
Ik zal de Kamer op de hoogte houden van de verdere aanpak en de resultaten daarvan.
Het bericht 'Akzo Nobel overweegt Chloortransport' |
|
Yasemin Çegerek (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Akzo Nobel overweegt chloortransport»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de risico's zijn bij dit transport en wie de verantwoordelijkheid draagt in het geval er iets mocht misgaan?
Chloor is een zeer giftig gas, dat in vloeibare toestand wordt vervoerd. De kans dat er iets misgaat bij het transport is klein. Voor het vervoer van chloor gelden strenge voorschriften op basis van de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Voor het vervoer van chloor geldt naast het pakket van internationale voorschriften het zogenaamde chloorregime. Deze houden onder meer in dat met dezelfde trein geen andere gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd, een rangeerverbod en beperking van de rijsnelheid.
Primair is het bedrijfsleven zelf verantwoordelijk voor de veiligheid. De ILT houdt toezicht op het vervoer. Bij incidentele chloortransporten is er sprake van 100% controle wat inhoudt dat alle chloortransporten op de van toepassing zijnde regelgeving worden gecontroleerd.
Kunt u toelichten welke criteria precies gelden voor het toestaan van incidentele chloortransporten?
Incidentele transporten in opdracht van Akzo Nobel Nederland te Rotterdam worden uitgevoerd op basis van het «Convenant Akzo chloortransporten» dat is afgesloten in 2002. Het convenant staat Akzo Nobel Nederland toe incidenteel chloortransporten uit te voeren onder bijzondere omstandigheden tot een maximum van 10.000 ton per jaar. Op grond van het convenant moet schriftelijk verslag worden gedaan over de uitgevoerde transporten, onder opgave van reden, hoeveelheden en data.
Hoe kijkt u aan tegen de noodzaak van dit transport, afgewogen tegen de oorzaak van het chloortekort in de Botlek, namelijk een loonconflict tussen Akzo Nobel en haar werknemers?
Het in 2002 gesloten convenant stelt Akzo Nobel Nederland in staat om in bepaalde gevallen incidentele transporten uit te laten voeren om voorziene (bijvoorbeeld groot onderhoud), onvoorziene vermindering en uitval van lokale productie op te vangen. Deze bepaling is opgenomen om bestaande afnamecontracten te kunnen blijven honoreren en economische vervolgschade te voorkomen. Akzo Nobel Nederland heeft zich verplicht door middel van goede planning en afspraken met afnemers de transporten zoveel mogelijk te beperken. Staking op de locatie in Rotterdam kan leiden tot een zodanige (onvoorziene) uitval van productie dat een transport noodzakelijk is om de afnamecontracten te kunnen blijven honoreren. Het loonconflict en de hieruit voortvloeiende staking is een kwestie tussen werkgevers en werknemers waarbij het rijk geen partij is.
Online drugswinkels |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Hoe online coffeeshops een miljoenenomzet draaien» en de reactie van het Openbaar Ministerie op dat bericht?1
Ja.
Acht de schatting in het genoemde bericht van de omvang van de verkoop van drugs van 30 miljoen euro via webwinkels correct? Zo nee, wat is dan wel de omvang van die verkoop?
Ik kan het realiteitsgehalte van de schattingen uit het bericht niet beoordelen. De precieze omvang van de (omzet uit de) verkoop van drugs op internet is namelijk niet bekend. Het gaat veelal om anonieme, besloten netwerken, die bovendien gebruik maken van versleutelingstechnieken waardoor het ook niet eenvoudig is om de omvang van de handel die zij bedrijven in kaart te brengen.
Acht u het mogelijk dat de omzet van de grootste webwinkels vier à vijf keer zo groot is als die van de succesvolste «echte» coffeeshops in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt een beeld schetsen van de aard, omvang, doelgroep van de verkoop van drugs via webwinkels vanuit Nederland, zowel qua leeftijd als geografische afzetmarkt?
De gegevens die beschikbaar zijn, zijn de volgende.
Wat betreft de Nederlandse markt geeft het DIMS (Drugs Informatie en Monitoring Systeem) van het Trimbos-instituut aan, dat van de (potentiële) gebruikers die een drugsmonster lieten testen in 2013 circa 1% aangaf hun drugs online gekocht te hebben. Het ging daarbij overigens om synthetische drugs, niet om cannabis.
In 2014 heeft het Trimbos-instituut aangegeven dat er sprake is van een stijging van de aanschaf van vooral synthetische drugs via internet. Desalniettemin zou de online verkoop van drugs aan Nederlandse gebruikers nog relatief klein zijn.
In het kader van het project ITOM (Illegal Trade on Online Marketplaces), dat is opgezet door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie (OM), heeft TNO getracht enig zicht te geven op het gebruik en de gebruikers van het TOR-netwerk. Daaruit blijkt dat het TOR-netwerk voor het overgrote deel voor handel wordt gebruikt, waaronder handel in drugs. In het kader van dit project is tevens een inschatting gemaakt van het aantal gebruikers. In mei 2014 waren circa 16.000 unieke usernames op de website Silk Road 2 en circa 8.000 op Agora actief. Naast deze grote marktplaatsen zijn kleinere actief.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat de verkoop van hard- en softdrugs zoveel mogelijk via gescheiden kanalen moet plaatsvinden waarbij de verkoop van harddrugs bestreden dient te worden en de verkoop van softdrugs zoveel mogelijk via gecontroleerde coffeeshops dient plaats te vinden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een van de belangrijkste grondvesten van het Nederlandse coffeeshopbeleid is de scheiding der markten. Harddrugs zijn dan ook ten strengste verboden in een coffeeshop. Dit is echter niet het enige criterium waar een coffeeshop aan moet voldoen. Onder meer verkoop aan minderjarigen en reclame zijn ook niet toegestaan. Handhaving van alle criteria waaraan een vergunde coffeeshop moet voldoen vindt in eerste instantie via bestuursrechtelijke weg plaats.
De in de media beschreven handelaren op internet vallen absoluut niet onder het geldende gedoogbeleid. Dit houdt dus ook in dat hier inderdaad een groter gevaar van uit gaat. Hier zal dan ook strafrechtelijk tegen worden opgetreden. Daarbij moet opgemerkt worden dat criminelen die illegale producten op internet aanbieden, doorgaans gebruik maken van geavanceerde anonimiseringstechnieken en encryptie van de communicatie. Bovendien is internet al snel grensoverschrijdend. Dat maakt het voor de opsporing arbeidsintensief en complex om deze criminelen aan te pakken. De politie en het OM maken gebruik van de mogelijkheden om drugshandel via internet aan te pakken zoals blijkt uit onder meer acties tegen Utopia en Silk Road, twee aanbieders van drugs op het internet.
Bovendien is er de afgelopen jaren bij de opsporingsdiensten stevig geïnvesteerd in de digitale opsporing. Het Team High Tech Crime van de Nationale Politie groeit dit jaar naar 119 voltijd medewerkers en ook de regionale eenheden van de politie investeren in digitale expertise. De komende jaren zal de capaciteit van de digitale expertise bij de Nationale Politie verder groeien. Dit is ook opgenomen in de Veiligheidsagenda 2015–2018. Er zijn bovendien gespecialiseerde officieren van justitie voor cybercrime opgeleid.
Deelt u de mening van het succes c.q. de positieve kant van het Nederlandse gedoogbeleid vooral bestaat uit het gescheiden houden van de markten van hard- en softdrugs? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat hieruit volgt dat webwinkels in beide soorten drugs krachtig bestreden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat ondanks de arrestatie van enkele onlinehandelaren afgelopen jaar de grootste webwinkels al jaren buiten zicht van Justitie blijven? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waar blijkt het tegendeel uit?
Nee. Er wordt wel degelijk opgetreden tegen (grote) aanbieders van drugs via internet. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de hiervoor genoemde recente acties tegen Utopia (een online marktplaats) en twee aanbieders van drugs op de marktplaatsen Silk Road en Black Market Reloaded. Onlangs zijn voor drugshandel op internet via deze marktplaatsen straffen opgelegd variërend van een werkstraf van 240 uur en een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf tot zes jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk.
Aangezien de communicatie ten behoeve van illegale handel vaak over landsgrenzen heen plaatsvindt, en de fysieke afhandeling ook, is internationale samenwerking essentieel. Daarom heeft het Openbaar Ministerie het initiatief genomen om de internationale samenwerking structureler vorm te geven middels het project ITOM (Illegal Trade on Online Marketplaces). In dit verband wordt internationale opsporing (met betrokkenheid van alle EU lidstaten en enkele daarbuiten) vorm gegeven en worden preventieve interventies geoperationaliseerd.
Is het waar dat de genoemde webwinkels alle regels waaraan coffeeshops zich wel aan moeten houden aan hun laars lappen, zoals het niet verkopen van harddrugs, het niet verkopen aan minderjarigen, het houden van een beperkte voorraad of betalen van belasting? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat deze webwinkels veel strafbaarder gedrag vertonen dan coffeeshops?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het gevaar dat van deze webwinkels uitgaat veel groter is dan in het geval van coffeeshops? Zo ja, wat betekent dat voor de inspanningen ten aanzien van opsporing en vervolging van die webwinkels? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat als webwinkels van drugs niet gestuit worden, daarmee de discussies over het Nederlands gedoogbeleid, de achterdeurproblematiek, coffeeshops of het maximeren van het THC-gehalte snel achterhaald wordt door de realiteit van de grotere dreiging die van die webwinkels uitgaat? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat de nadruk ten aanzien van opsporing en vervolging van drugsdelicten ten minste gedeeltelijk verschoven moet gaan worden van coffeeshops naar webwinkels? Hoe en op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de tweede termijn van het Algemeen overleg over coffeeshopbeleid op 16 oktober 2014?
Ja.