Het adviesrapport van Actal over de Voorjaarsrapportage regeldruk |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het adviesrapport van Actal over de Voorjaarsrapportage regeldruk dat op 5 november 2014 naar de Kamer is gestuurd?
Ja.
Deelt u de mening van Actal dat de verslaglegging in de Voorjaarsrapportage te weinig solide is omdat het tekortkomingen en onduidelijkheden kent? Welke maatregelen gaat u nemen om verslaglegging over de reductiedoelstelling volledig en solide te maken?
Ik ben het niet eens met de mening van Actal dat de verslaglegging over de reductiedoelstelling weinig solide is. Voornaamste argument van Actal is dat de éénmalige kosten en de Europese nalevingskosten niet worden meegenomen. De doelstelling die het kabinet heeft geformuleerd is een structurele reductiedoelstelling. Eénmalige kosten worden hierin logischerwijze niet meegenomen. Europese inhoudelijke nalevingskosten vallen buiten de doelstelling omdat het kabinet hier namelijk geen invloed op kan uitoefenen en de Europese Commissie geen beleid heeft om nalevingskosten te verminderen. Eénmalige kosten worden niet meegenomen omdat ze geen structurele impact hebben waardoor de vergelijkbaarheid van de cijfers over de jaren heen niet meer goed mogelijk is. Het kabinet hanteert dezelfde berekeningswijze als eerdere kabinetten en is niet van plan halverwege de spelregels te veranderen. Ik heb dit ook in diverse overleggen met uw Kamer gemeld.
Verder zou de bijlage volgens Actal een aantal incompleetheden bevatten. Dit wordt geïllustreerd met één voorbeeld: de wet aanpak fraudetoeslag en fiscaliteit, waar een te laag bedrag van regeldrukverhoging voor zou zijn geboekt (€ 0,15 miljoen i.p.v. € 1 miljoen). Dit is juist en terug te voeren op het feit dat de regeldrukeffecten en de bijbehorende toenames deels neerslaan bij andere departementen (SZW, BZK). Het opgenomen bedrag (€ 0,15 miljoen) betreft slechts het aandeel van Ministerie van Financiën, de eerste ondertekenaar van de wet. Per abuis zijn de overige kosten niet in de bijlage terechtgekomen. Dit zal worden gecorrigeerd in de voorjaarsrapportage.
Tenslotte meldt Actal dat voor één dossier is aangegeven in de voorjaarsrapportage dat de gevolgen na 2017 optreden. Het betreft hier de afschaffing van het dierenrechtenstelsel in het kader van de mestwetgeving. Deze maatregel zal inderdaad niet worden gehaald binnen deze kabinetsperiode en zal dus niet kunnen worden meegeteld voor de reductiedoelstelling. Dus zal gezocht moeten worden naar alternatieven. Om dit zichtbaar te maken is ervoor gekozen om dit dossier wel in de bijlage te laten staan. Er wordt binnen het agro-domein naar compensatie gezocht.
Deelt u de mening van Actal dat het op basis van de Voorjaarsrapportage moeilijk is om de voorgestelde maatregelen die optellen tot 2,2 miljard euro te reconstrueren? Stelt u naar aanleiding van het advies van Actal het cijfer van 2,2 miljard euro aan voorgestelde maatregelen regeldrukvermindering van het kabinet, dat genoemd wordt in de Voorjaarsrapportage, ter discussie of kunt u de cijfers inmiddels beter onderbouwen?
Ik ben het niet met Actal eens dat het aan de hand van de voortgangsrapportage moeilijk zou zijn om de € 2,2 miljard te reconstrueren. Iedere maatregel wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht en gekwantificeerd. In de bijlage van de brief die op 17 november naar uw Kamer is gestuurd en in de najaarsrapportage worden nieuwe en gerealiseerde dossiers specifiek te benoemd. De najaarsrapportage regeldruk ontvangt de Kamer voor het eind van het jaar.
Kunt u aangeven waarom in de Voorjaarsrapportage niet alle dossiers zijn opgenomen die gevolgen hebben voor de regeldruk? Bent u bereid om in toekomstige rapportages over regeldruk wel alle dossiers op te nemen die gevolgen hebben voor de regeldruk?
Alle dossiers met regeldrukeffecten worden opgenomen in de bijlage bij de voortgangsrapportage met uitzondering van nieuwe dossiers – zowel reducties als toenames- onder € 1 miljoen. Die worden niet meer meegenomen in het totale beeld. De reden hiervoor is dat deze in feite een te verwaarlozen invloed hebben op het totale cijferbeeld. Dit betekent evenwel niet dat de kwantitatieve effecten van deze dossiers niet meer in beeld worden gebracht. Dit dient gewoon te gebeuren in de regeldrukparagraaf die voor iedere maatregel moet worden gemaakt.
Bent u bereid de inhoudelijke nalevingskosten van wet- en regelgeving met een Europese of internationale oorsprong kwantitatief in beeld te brengen?
De inhoudelijke nalevingskosten van Europese regelgeving dienen conform afspraak door de departementen in beeld te worden gebracht in de memories van toelichting bij de betreffende wetgeving, maar vallen buiten de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 miljard (zie ook antwoord op vraag 2).
Bent u bereid om de EU Commissaris voor betere regelgeving, de heer Timmermans, op te roepen om in Europa reductiedoelstellingen te gaan hanteren voor inhoudelijke nalevingskosten en deze kosten in beeld te brengen?
Het kabinet heeft er al eerder bij de Europese Commissie op aangedrongen om met kwantitatieve reductiedoelstellingen te gaan werken, onder andere in de Nederlandse reactie op het REFIT programma. Ook is de Nederlandse inzet er steeds op gericht geweest om de kwantitatieve elementen van de Europese Impact Assessments te verbeteren.
Waarom heeft het kabinet zich slechts in de helft van de gevallen gehouden aan de vaste verandermomenten en minimale invoeringstermijnen (VVM-systematiek), inclusief de uitzonderingsgronden die deze systematiek biedt om van de vaste verandermomenten en minimale invoeringstermijnen af te wijken? Waarom heeft het kabinet niet toegelicht waarom is afgeweken van de VVM-systematiek? Wat gaat u doen om u wel aan deze systematiek te houden, zodat wet- en regelgeving minder vaak verandert? Bent u van plan om bij alle wet- en regelgeving expliciet te vermelden wat de datum van inwerkingtreding is en of de minimale invoeringstermijn is gehanteerd?
Het is de verantwoordelijkheid van ieder departement zelf om de Vaste Verander Momenten en de minimale invoeringstermijn van 2 maanden goed toe te passen. Daarbij hoort ook een verantwoorde toepassing van de legitieme uitzonderingsgronden die bij de start van het systeem zijn vastgesteld.
VVM is vastgelegd in de Aanwijzingen voor de regelgeving. Legitieme uitzonderingsgronden zijn onder meer spoedwetgeving of de implementatie van Europese wetgeving.
Controle op naleving van deze Aanwijzingen vindt plaats bij de wetgevingstoets door het verantwoordelijke Ministerie van Veiligheid en Justitie voordat een voorstel wordt besproken in de ministerraad. Op dat moment is nog niet altijd zeker of het wenselijk of mogelijk is dat de VVM-systematiek nageleefd kan worden of dat afwijking nodig is, want er zijn ook andere factoren die de inwerkingtreding van wet- en regelgeving bepalen.
In de officiële toelichting op nieuwe wetten en regels van de rijksoverheid wordt verantwoording afgelegd over toepassing of afwijking van VVM. Als dit op dat moment nog niet in te schatten is, vindt de verantwoording plaats in de koninklijke besluiten waarmee de regelgeving in werking treedt.
Hoe gaat u er voor zorgen dat op systematische en transparante wijze in voortgangsrapportages inzicht wordt gegeven in de omvang van de eenmalige veranderkosten van nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving?
De voortgangsrapportages regeldruk richten zich wat betreft de kwantitatieve doelstelling € 2,5 miljard regeldrukvermindering op de structurele regeldrukeffecten van wet- en regelgeving (zie antwoord op vraag 2).
De eenmalige veranderkosten worden door departementen in de toelichtingen bij wet- en regelgeving opgenomen. Hierbij wordt ingegaan op de vraag of desbetreffende wet- en regelgeving gepaard gaat met eenmalige veranderkosten en zo ja met welke omvang. Dit is conform de afspraken in het Integraal Afwegingskader en de Bedrijfseffectentoets. Op deze wijze kunnen deze kosten ook worden meegenomen in de (politieke) besluitvorming.
Hoe komt het dat in de Voorjaarsrapportage niet altijd duidelijk is of de gepresenteerde cijfers in euro’s of in uren luiden? Worden in toekomstige voorgangsrapportages de regeldrukgevolgen alleen in euro’s vermeld? Zo nee, waarom niet?
De regeldrukeffecten van maatregelen hebben steeds zowel een tijds- (tijd benodigd om te voldoen aan de verplichting) en een out-of-pocket kostencomponent (kosten die gemaakt moeten worden om aan de verplichting te voldoen). Het kabinet heeft de netto reductiedoelstelling geüniformeerd naar euro’s. Voor burgers waar het bij de tijdscomponent gaat om vrije tijd wordt deze component anders beleefd dan bij bedrijven waar de tijdscomponent steeds om arbeidstijd gaat. Om ook in de rapportage aan te sluiten bij de beleving van de regeldrukeffecten door burgers wordt daarom de tijdscomponent ook in uren uitgedrukt. Dit sluit tevens aan bij de rapportages over de regeldrukeffecten voor burgers onder de vorige kabinetten. Uiteindelijk worden uren omgerekend in euro’s met een vaste omrekenfactor voor burgers van € 15 per uur. Het totaal aan kosten en uren vermenigvuldigd met dit uurtarief wordt vervolgens gerapporteerd aan de kamer. Het sluit daarmee aan bij de kwantitatieve doelstelling van het kabinet in euro’s.
Bent u bereid om in toekomstige voortgangsrapportages per maatwerktraject aan te geven welke bewindspersoon voor die wijziging verantwoordelijk is?
In de bijlage bij de voortgangsrapportage staat reeds opgenomen welk ministerie verantwoordelijk is voor welke maatwerkaanpak.
Zou u de vragen voor 19 november 2014 kunnen beantwoorden, zodat de antwoorden kunnen worden betrokken bij het Algemeen overleg ondernemen en bedrijfsfinanciering waar de Voorjaarsrapportage regeldruk op de agenda staat?
Ja.
Nadelige gevolgen voor werkgevers van de wetgeving bij ziekte van werknemers |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
Bent u bekend met de Nieuwsuur-uitzending «Kleine bedrijven zwaar belast bij verzuim»?1
Ja.
Deelt u de visie dat de bestaande Nederlandse wetgeving zeer nadelig is voor werkgevers, zeker wanneer het gaat om het midden- en kleinbedrijf? Zo neen, waarom niet?
Ik deel deze visie niet. De huidige wet- en regelgeving heeft de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen van ca. 100.000 in het begin van deze eeuw teruggebracht naar 40.000 nu. Ook de kosten van arbeidsongeschiktheid zijn fors afgenomen.
Ik heb uw Kamer toegezegd het CPB een doorrekening te laten maken van de economische effecten van het inkorten van de loondoorbetalingplicht van twee naar één jaar. Het CPB verwacht dat het deze doorrekening omtrent maart-april gereed kan hebben. In 2012 heeft het Ministerie van SZW zelf berekend dat verlenging van de loondoorbetaling van één naar twee jaar, volgens de beschikbare modellen, ervoor gezorgd heeft dat jaarlijks ruim 13.000 mensen minder in de arbeidsongeschiktheidsregeling instromen. Die mensen blijven behouden voor de arbeidsmarkt en zijn daardoor niet afhankelijk geworden van een uitkering.
In hoeverre deelt u de mening dat de kosten bij ziekte van een werknemer niet evenwichtig verdeeld zijn over werkgever, werknemer en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)?
Ik deel deze mening niet. Zowel werkgevers als werknemers hebben verplichtingen tijdens de eerste twee ziektejaren. Werkgevers moeten twee jaar lang minimaal 70 procent van het loon doorbetalen bij ziekte en zijn verplicht om arbobeleid te voeren om uitval te verminderen.
Ook voor werknemers bestaan er wettelijke financiële prikkels (twee wachtdagen bij aanvang van ziekte en maximaal 30 procent loonderving), ook moet een werknemer meewerken aan de eigen re-integratie. Wanneer de werknemer onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie kan de werkgever de loondoorbetaling opschorten of kan dit effect hebben op zijn WIA-uitkering.
Bij de invoering van de loondoorbetalingplicht is gekozen voor een strikte scheiding tussen private en publieke verantwoordelijkheden. In de eerste twee jaar van ziekte zijn primair de werkgever en werknemer verantwoordelijk. Als uitvoeringsinstelling laat UWV – conform deze scheiding – zoveel mogelijk over aan de werkgever en werknemer. UWV komt in beeld wanneer er geen werkgever meer is (uitvoering van de Ziektewet) en UWV kan een deskundigenoordeel verstrekken. Daarnaast heeft UWV slechts een controlerende taak aan het eind van de loondoorbetalingperiode.
Begrijpt u dat een groot deel van de problematiek opgelost kan worden wanneer de inkomstenbelasting fors omlaag gaat en werknemers – die dan meer financiële ruimte hebben – een verzekering afsluiten tegen ziekte die langer dan vier weken duurt? Zo neen, waarom niet?
De loondoorbetaling bij ziekte is een onderdeel van een groter geheel, namelijk het financieringstelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid, dat op zijn beurt weer in een breder licht kan worden gezien.
Deze bredere context is van belang. Recent2 heb ik de onderzoeken naar loondoorbetaling bij ziekte aan uw Kamer gestuurd. In het voorjaar zal ook het IBO zzp naar de Kamer gestuurd worden. Ook de herziening van het belastingstelsel is een kapstok om te kijken of er aanvullende mogelijkheden zijn om dynamiek, groei, werkgelegenheid en zekerheid op de arbeidsmarkt van de toekomst veilig te stellen.
Zoals in de begrotingsbehandeling aangegeven wil het kabinet de effecten van maatregelen in samenhang bezien. Gezien de samenhang tussen deze trajecten wil ik op dit moment niet vooruitlopen op de bredere discussie. Ik verwacht dat uw Kamer voor de zomer hierover nader geïnformeerd kan worden.
Bent u bereid te bevorderen dat de wetgeving zo aangepast wordt dat bedrijven zieke werknemers slechts een maand hoeven door te betalen, zoals dit ook in België geregeld is? Zo neen, waarom bent u van mening dat Nederlandse werkgevers extra zwaar belast moeten worden?
Zie antwoord vraag 4.
Het door de Nederlandse Kamer van Koophandel georganiseerde seminar over buitenlandse uitzendkrachten |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Is u bekend dat de Kamer van Koophandel (KvK) in samenwerking met diverse ambassades een seminar organiseert voor land- en tuinbouwbedrijven over het naar Nederland halen van goedkope buitenlandse uitzendkrachten?1
Het genoemde seminar werd niet georganiseerd de Nederlandse Kamer van Koophandel, maar door «The Netherlands Chamber of Commerce in The Slovak Republic», de private bilaterale Nederlandse Kamer van Koophandel in Slowakije. Deze organisatie heeft als doel bevorderen van commerciële en andere relaties tussen de twee landen.
Staat de KvK borg voor de kwaliteit en het bonafide karakter van de aanbieders van buitenlandse uitzendkrachten? Zo ja, hoe controleert men de kwaliteit en het bonafide karakter van deze aanbieders?
De Nederlandse Kamer van Koophandel heeft geen wettelijke rol in het toetsen van het karakter of de activiteiten van dergelijke organisaties. In Nederland kan iedereen in het Handelsregister nagaan of een ondernemer is ingeschreven om zaken te mogen doen. Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven is hier echter geen sprake geweest van een activiteit van de Nederlandse KvK.
Kunt u aangeven of de KvK ook dergelijke seminars organiseert over Nederlandse werknemers?
De Nederlandse Kamer van Koophandel organiseert geen seminars over Nederlandse werknemers. Via het digitaal Ondernemersplein wordt wel informatie aan ondernemers verstrekt over het werklandbeginsel.
Draagt de KvK enige aansprakelijkheid als sprake blijkt van bijvoorbeeld onderbetaling? Zo nee, in hoeverre vindt u dat dit wel het geval zou moeten?
Zie het antwoord op vraag 1
Bent u het ermee eens dat het niet wenselijk is dat het zo goedkoop mogelijk uitbesteden van werk het enige doel van dit seminar lijkt te zijn, omdat dit leidt tot een «race to the bottom» en het risico van uitbuiting, verdringing en oneerlijke concurrentie in zich draagt? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend is Nederland binnen de EU één van de pleitbezorgers van het «werklandbeginsel» om «social dumping» te voorkomen. Het werklandbeginsel wil zeggen dat werknemers uit andere lidstaten die in ons land komen werken, recht hebben op hetzelfde loon als hun Nederlandse collega’s. Hiervoor wil het kabinet het werklandbeginsel beter tot uitdrukking laten komen in de Europese regelgeving. Dit principe is al ten dele terug te vinden in de detacheringsrichtlijn, waarin is bepaald dat werknemers die hier gedetacheerd zijn recht hebben op de» harde kern« van de Nederlandse arbeidsvoorwaarden. Desondanks blijven aanzienlijke loonverschillen mogelijk. De Nederlandse inspanningen zijn er onder meer op gericht om deze verschillen te verkleinen.
In lijn met de Nederlandse opvattingen op dit punt heeft de voorzitter van de nieuwe Europese Commissie in een «mission letter» de nieuwe Eurocommissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit verzocht om een «targeted review» van de detacheringsrichtlijn.
Deelt u de mening dat het ronduit schandalig is dat de Nederlandse KvK een seminar organiseert dat wordt gepromoot met teksten als «Gratis personeel uit Slowakije» en «Er worden 10 uitzendkrachten verloot door een van de sprekers tijdens het seminar»?
Zie het antwoord op vraag 1. De Nederlandse Kamer van Koophandel was niet betrokken bij het seminar en heeft zich direct van de uitspraken gedistantieerd.
Hoe verhoudt het organiseren van dit seminar door de KvK zich tot de aanpak van schijnconstructies en de aangekondigde Wet Aanpak Schijnconstructies?
Zie het antwoord op vraag 1.
Het bericht van de Groninger bodem beweging 'Dit kan echt niet' |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Jan Vos (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht: «Dit kan echt niet»?1
Ja.
Klopt het dat deze mevrouw met twee kinderen al twee jaar in een vervangende woning woont? Waarom duurt dat zo lang en wie is daar verantwoordelijk voor?
Ten algemene is het niet acceptabel dat bewoners meer dan twee jaar in onzekerheid over hun woning verkeren. In dit specifieke geval is het zo dat deze familie niet twee jaar in een vervangende woning verbleef, zoals in het artikel gesteld wordt, maar in haar eigen woning woonde. Het gezin kon vanaf half december tijdelijk in een vervangende woning trekken, die ten tijde van het bericht werd opgeknapt. Er is door NAM een aantal opties aangedragen voor hoe om te gaan met de huidige woning. De familie zal naar alle waarschijnlijkheid binnenkort een keuze maken. Deze afspraak is in overleg tussen de bewoonster en NAM tot stand gekomen. Verder wil ik als Minister van Economische Zaken terughoudend zijn met het delen van informatie over individuele gevallen, omwille van de privacy.
Vanaf 1 januari 2015 draagt NAM gefaseerd de afhandeling van schade, preventief versterken en waardevermeerdering over aan het Centrum voor Veilig Wonen (CVW). Ik heb begrepen dat NAM de afronding van lopende complexe gevallen niet zal overdragen aan het CVW, maar deze in eigen beheer zal houden en oplossen. In het afgelopen half jaar heeft het team bij NAM dat zich bezighoudt met de afhandeling van complexe gevallen 75 van de 250 complexe gevallen opgelost, een verdere 75 in de aanpak preventief versterken opgenomen en met de overige 100 wordt versneld progressie geboekt. Ik constateer dan ook dat NAM op dit moment stappen zet om het oplossen van complexe gevallen versneld te verbeteren. Ik dring er bij NAM op aan dat zij ook deze casus met prioriteit oppakken.
Klopt het bericht dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) ondanks eerdere toezeggingen alsnog een taxatie van de woning wil doen? Zo nee, wat is dan de situatie? Zo ja, deelt u de mening dat een dergelijke gang van zaken ontoelaatbaar is?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat dit soort gevallen onder de commissie bijzondere gevallen moet worden gebracht? Zo nee, waarom niet?
De Commissie Bijzondere Gevallen is bedoeld voor die gevallen die een uitzondering vormen en waarvoor speciale behandeling nodig is vanwege psychische of financiële nood, mede veroorzaakt door aardbevingsschade. Bewoners kunnen op voordracht van de burgemeester in aanmerking komen voor behandeling in deze commissie. Bij mijn weten is dat in dit geval niet gebeurd.
Bewoners kunnen ook raadsman Leendert Klaassen benaderen als zij ontevreden zijn over de schadeafhandeling. De functie van raadsman is bedoeld om klachten over lopende schadeafhandelingsprocedures te verzamelen en behandelen, onder andere door ze onder de aandacht te brengen van het CVW. De raadsman kijkt hierbij niet alleen naar afzonderlijke schademeldingen, maar ook of er sprake is van trends zoals het toenemen van doorlooptijden, aantal complexe gevallen, etc.
Op basis daarvan denkt de raadsman met het CVW mee over de verbetering van de schadeafhandelingsprocedure.
Kunt u de verantwoordelijke instantie op dit soort zaken aanspreken zodat dit in de toekomst niet meer voorkomt?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Een extra drempel die Rabobank opwerpt voor mkb-ondernemers die krediet willen |
|
Selçuk Öztürk (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de Rabobank, die wil dat alle ondernemers die een krediet tot 1 miljoen euro willen, eerst een online vragenlijst invullen, die tot directe afwijzing kan leiden?1
Ja.
Klopt het dat de Rabobank geen tijd meer wil vrijmaken voor persoonlijke gesprekken met mkb-ondernemers?
Ik heb hierover navraag laten doen bij Rabobank. Rabobank geeft aan dat het hier om een aanvullende service voor ondernemers gaat. Steeds meer ondernemers werken digitaal: om op de behoeften van die ondernemers in te spelen heeft Rabobank de mogelijkheid geopend van een digitale aanvraag. Die komt naast de mondelinge/papieren aanvraagprocedure.
Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraken van de nieuwe voorzitter van de Raad van Bestuur Draijer, die in de media heeft aangeven persoonlijk contact van groot belang te vinden?2
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven betreft dit een extra service voor ondernemers die liever digitaal werken en is er geen tegenspraak met de uitspraken van de heer Draijer.
Daarom is er geen reden om opheldering te vragen bij de Raad van Bestuur van de Rabobank.
Kunt u hierover opheldering vragen bij de Raad van Bestuur van de Rabobank?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de positie van de Rabobank, en uw eigen reactie daarop, aan de Kamer doen toekomen voor het Algemeen overleg Ondernemen en bedrijfsfinanciering op 19 november 2014?
Ja.
Waarom wordt op deze manier nog een extra drempel opgeworpen voor mkb-ondernemers?
Zoals uit mijn vorige antwoorden blijkt, wordt geen extra drempel opgeworpen voor mkb-ondernemers, maar juist een extra service geboden.
Klopt het dat Nederland volgens onderzoek van de Europese Centrale Bank samen met Griekenland de slechtste kredietverstrekking van Europa heeft?
Uit het onderzoek van de Europese Centrale Bank blijkt dat Nederland qua percentage afwijzingen van bankleningen op het niveau van Griekenland zit. Dit betekent niet dat daarmee sprake is van de slechtste kredietverlening. Uit het rapport van De Nederlandsche Bank, dat ik u samen met de Minister van Financiën op 8 juli jl. heb toegezonden, blijkt dat relatief veel kredietaanvragen in Nederland afkomstig zijn van bedrijven met een zwakke financiële positie. Het afwijzen van dergelijke kredietaanvragen duidt niet op een slechte kredietverstrekking.
Hoe kan het dat in Nederland slechts 32% van de kredietaanvragen van mkb’ers wordt toegekend, terwijl dat in het vergelijkbare Duitsland 87% is? Kunt u hier een goede verklaring voor geven?
Naast de in het vorige antwoord gegeven verklaring dat in Nederland relatief veel aanvragen afkomstig zijn van bedrijven met een zwakke financiële positie geldt dat de economische ontwikkeling in Duitsland duidelijk beter was dan in Nederland. De binnenlandse vraag die met name voor het mkb van belang is, heeft zich in Duitsland veel positiever ontwikkeld. Mkb bedrijven in Nederland hadden daardoor slechtere vooruitzichten en soms een aangetaste financiële positie. Dat tast hun kredietwaardigheid aan.
Als uw verklaring is dat het Duitse mkb er veel beter voor zou staan dan het Nederlandse mkb, hoe verklaart u dát dan? Dit is toch geen afdoende verklaring?
Er zijn geen aanwijzingen dat banken onnodig risico avers zijn. Kijkend naar de periode na de financiële crisis, zijn er sterke aanwijzingen dat aanbodbeperkingen bij banken van invloed zijn geweest op de kredietverlening (naast de afgenomen vraag naar krediet). Toegenomen kredietrisico's zijn daarbij de voornaamste reden voor banken het kredietaanbod te beperken
De ontwikkeling van de kredietverlening is afhankelijk van velerlei bedrijfsspecifieke en landenspecifieke factoren. Duitsland heeft duidelijk een andere financiële infrastructuur. Dat kan zijn effect hebben op de kredietverlening op dit moment. Het is niet gezegd dat landen die op dit moment beter scoren dat later ook nog doen. Bovendien zijn de verschillende vormen van financiële infrastructuur historisch gegroeid en niet eenvoudig te kopiëren.
In het Aanvullend Actieplan MKB financiering, dat ik op 8 juli aan uw Kamer zond zijn 3 actielijnen opgenomen: versterking van het risicodragend vermogen, mkb-financiering rendabeler maken en verbreding en vergroting van het aanbod aan mkb-financiering. Op 30 oktober heb ik een oproep in de Staatscourant gepubliceerd om met betrekking tot dit laatste punt voorstellen te doen. Hiervoor is een garantiebudget van € 400 mln beschikbaar. Het kabinet acht dit in de Nederlandse context de beste en snelste oplossing om mkb-financiering in Nederland te stimuleren.
Heeft het grote verschil te maken met een grotere risicoaversie van Nederlandse banken? Hoe verklaart u dat dan? Bent u bereid met de banken hierover in overleg te gaan?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft het grote verschil te maken met de grotere invloed van staatsbanken in Duitsland, zoals de Kreditanstalt für Wiederaufbau (KfW), die een andere risicoafweging maken?
De Isla raffinaderij in verhouding tot internationale milieuverdragen |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe verhoudt de stellingname van de regering dat de milieuvervuiling en CO2-uitstoot van de Isla raffinaderij een puur Curaçaose aangelegenheid is, zich tot de internationale verplichtingen die in verdragen zoals het Montreal protocol en het biodiversiteitsverdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden zijn aangegaan?
Het Montreal Protocol en het biodiversiteitsverdrag gelden beide voor het gehele Koninkrijk. Curaçao heeft medegelding gewenst en heeft hiervoor ook de nodige uitvoeringswetgeving ingevoerd. Echter binnen het Koninkrijk is elk land zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van het milieubeleid. Zo betekent dit voor Curaçao dat het als autonoom land een eigen verantwoordelijkheid heeft om te zorgen dat de interne wetgeving conform die beide verdragen blijven, om die wetgeving uit te voeren en de verdragsverplichtingen na te leven.
In de 5e nationale rapportage over het Nederlandse biodiversiteitsbeleid wordt wel ingegaan op Curaçao, maar wordt met geen woord gerept over de Isla raffinaderij; waarom komt de Isla raffinaderij niet in deze rapportage voor, terwijl het toch een van de grootste problemen voor het behoud van biodiversiteit op en in de buurt van het eiland is?
In de CBD rapportage is het effect van de olieraffinaderij niet ter sprake gekomen. De focus van de CBD-rapportage is het zogenaamde «groene» milieu, dus natuur en biodiversiteit. Hoewel niet ontkend kan worden dat de raffinaderij ook effect kan hebben op het groene milieu is er voor gekozen dat niet in deze rapportage mee te nemen. Er zijn weinig gegevens bekend over de effecten van de raffinaderij op het groene milieu.
Sommige internationale verdragen op het gebied van milieu, klimaat en natuur, zoals het bovengenoemde Montreal protocol en het biodiversiteitsverdrag, gelden voor het hele Koninkrijk, maar andere verdragen, zoals bijvoorbeeld het Kyoto protocol, zijn alleen van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden; kunt u aangeven waarom die verdragen niet voor het hele Koninkrijk gelden, en of de Isla raffinaderij daar een rol bij speelt?
Wanneer een verdrag ter parlementaire goedkeuring wordt overgelegd, wordt in de goedkeuringsstukken per land aangegeven of medegelding door de regering van dat land wenselijk wordt geacht. Uit de goedkeuringsstukken bij een verdrag blijkt dus voor welke delen van het Koninkrijk dat verdrag op enig tijdstip zal gaan gelden. Na goedkeuring door het parlement wordt in de akte van ratificatie aangegeven welke delen binnen het Koninkrijk aan het verdrag worden gebonden. Binding aan een verdrag is pas mogelijk als ook de benodigde uitvoeringswetgeving gereed is. Het opstellen van deze uitvoeringswetgeving is een aangelegenheid van het land zelf.
Het is dus mogelijk dat het ene verdrag, zoals het Montreal Protocol, geldt voor alle delen van het Koninkrijk, en dat het andere verdrag, zoals het Kyoto Protocol, alleen geldt voor het Europese deel van het Koninkrijk.
Hoewel het Kyoto Protocol is goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk en regeringen van de overzeese landen inmiddels hebben laten weten medegelding van het Protocol voor hun onderscheiden landen te wensen, kan het Protocol nog niet voor de overzeese landen worden geratificeerd omdat de uitvoeringswetgeving aldaar nog niet gereed is.
Op dit moment bent u bezig met de voorbereidende onderhandelingen voor een nieuw internationaal klimaatverdrag; zullen de verplichtingen die te zijner tijd worden aangegaan in deze onderhandelingen voor het hele Koninkrijk der Nederlanden gelden, of alleen voor het Europese deel, en waarom?
Aan de regeringen van de landen zal te zijner tijd de vraag worden voorgelegd of zij medegelding van het verdrag voor hun respectieve landen wensen.
De Isla raffinaderij in relatie tot de EU-sancties |
|
Wassila Hachchi (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Venezuela buys 2 Russian crude cargoes for Curaçao refinery-sources» d.d. 17 oktober 2014?1
Ja.
Bent u van mening dat de verwerking van aardolie uit Rusland, in de door de Venezolaanse PDVSA geëxploiteerde Isla raffinaderij op Curaçao, in overeenstemming is met de EU-sancties jegens de Russische federatie?
De energiesancties jegens Rusland betreffen een exportverbod van bepaalde apparatuur, technologie en diensten voor diepwater olie-exploratie en -productie, Arctische olie-exploratie en -productie en schalieolieprojecten in Rusland. Er is geen importverbod van kracht. Verwerking van aardolie uit Rusland valt buiten de reikwijdte van de EU-sancties jegens Rusland.
Zijn er andere samenwerkingsverbanden tussen de Isla raffinaderij op Curaçao en Russische bedrijven bij u bekend die op gespannen voet staan met de EU-sancties jegens de Russische federatie, en zo ja, welke?
Het Kabinet heeft geen informatie over economische samenwerkingsverbanden tussen de Isla raffinaderij op Curaçao en Russische bedrijven. Dergelijke samenwerking behoort tot de autonome bevoegdheid van Curaçao. Indien van bedrijvigheid sprake is die op gespannen voet staat met de EU-sancties jegens Rusland, komt het Koninkrijksbelang in het geding en dient het Ministerie van Buitenlandse Zaken hierover te worden geïnformeerd. Tot nu toe heeft het Kabinet geen signalen in deze richting ontvangen.
De sanctiewet is onlangs door de Staten van Curaçao verworpen, waardoor Curaçao, tot de tijd dat de Rijksanctiewet in werking treedt, de juridische ruimte heeft genomen om zelf te beslissen bij welke EU-sancties zij zich wel of niet zal aansluiten; heeft de Curaçaose regering zich naar uw mening bereid getoond om zich wel bij de EU-sancties richting de Russische federatie aan te sluiten en ervoor te zorgen dat bedrijven op Curaçao, met de Isla raffinaderij in het bijzonder, in lijn met die EU-sancties handelen?
Alle informatie over EU-sancties ten aanzien van de Russische Federatie wordt direct met de drie Caribische landen van het Koninkrijk gedeeld, ook met Curaçao. Er is uitgebreide kennisoverdracht geweest over EU-sancties en de sanctiesystematiek. Daarnaast heeft Nederland de Caribische landen van het Koninkrijk expertise aangeboden voor het implementeren van EU- en VN-sancties. Zolang er in Curaçao geen Sanctielandsverordening is aangenomen die automatische overname van EU-sancties regelt, is de Rijkssanctiewet het aangewezen instrument om automatische overname van EU-sancties te bewerkstelligen. De Rijkssanctiewet ligt momenteel voor aan uw Kamer.
Op welke manier spreekt u de Curaçaose regering aan op de politiek-morele verplichting dat bedrijven op Curaçao, waaronder de Isla raffinaderij, zich ook houden aan de EU-sancties jegens de Russische federatie?
Het principe van eenheid van buitenlands beleid is essentieel in de relatie tussen de landen van het Koninkrijk en de positie van het Koninkrijk naar buiten toe. Zowel op politiek als op ambtelijk niveau is herhaaldelijk gewezen op het belang van automatische overname van EU-sancties om de eenheid van buitenlands beleid te garanderen. Omdat het handelen van de Isla raffinaderij niet ingaat tegen de EU-sancties is er in dit specifieke geval geen aanleiding om de regering van Curaçao aan te spreken op een politiek-morele verplichting.
Het rapport Web en Winkel |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport Web & Winkel dat Detailhandel Nederland op 6 november jl. heeft gepubliceerd?
Ja.
Bent u bereid om samen met provincies en gemeenten een afwegingskader op te stellen waarmee gemeenten en provincies kunnen beoordelen of winkelgebieden al dan niet toekomstbestendig zijn?
Op dit moment werk ik met marktpartijen, waaronder Detailhandel NL, Thuiswinkel.org, aan de Retailagenda. Als hiervoor voldoende draagvlak bestaat bij de betrokken partijen, waaronder nadrukkelijk ook gemeenten en provincies, zal worden bezien hoe tot een dergelijk afwegingskader te komen.
Welke kansen ziet u ten aanzien van de beleveniseconomie en op welke manier gaat u hier in de Retailagenda op in?
Wanneer we kijken naar de toekomst van de retail, dan is het evident dat deze sector niet op zichzelf staat, maar verbonden is met allerlei andere thema’s, zoals de vraag van consumenten en burgers naar vitale en aantrekkelijke binnensteden. Vanuit de Retailagenda werk ik samen met tal van partijen vanuit zowel de markt als overheden, om te bezien op welke wijze we ruimte kunnen creëren voor nieuwe concepten en kansrijke initiatieven. Hierover maken we afspraken om in 2015 mee aan de slag te gaan. In het eerste kwartaal van 2015 kan ik u hierover nader informeren.
Is het waar dat mobiele pinautomaten regelmatig niet functioneren doordat er in landelijke gebieden geen netwerkdekking is? Zo ja, kunt u aangeven hoe groot het probleem is?
Het is mij niet bekend dat mobiele pinautomaten niet zouden functioneren doordat er in landelijke gebieden niet voldoende netwerkdekking zou zijn. Uit cijfers van de Europese Commissie uit januari 20141 blijkt dat Nederland internationaal gezien juist een hoge netwerkdekking kent, namelijk een dekking van 99%. Toch kunnen er plaatsen zijn waar geen mobiele dekking is. Een 100% mobiel dekkend netwerk is alleen technisch al niet realiseerbaar. Er zullen altijd plaatsen zijn waar geen mobiel bereik is zoals in parkeerkelders en in bosrijk gebied. In de grensregio’s speelt bovendien dat er afspraken zijn gemaakt met buurlanden over de maximale sterktes van de signalen van de netwerken. Dit is noodzakelijk om verstoringen van elkaars netwerk te voorkomen.
Het bericht van onderbetaling van uitzendkrachten bij bouwprojecten die door de gemeente Groningen zijn aanbesteed |
|
John Kerstens (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «FNV: Bouwvakkers Groninger Forum onderbetaald»?1
Ja.
Bent u bereid naar aanleiding van deze signalen de Inspectie SZW onderzoek te laten verrichten naar de mogelijke uitbuiting en onderbetaling van uitzendkrachten die meewerken aan de bouw van het Groninger Forum en de Sontbrug in Groningen? Zo nee, waarom niet?
Toezicht op de naleving van cao’s is in eerste plaats een zaak van cao-partijen. De Inspectie SZW kan alleen zelfstandig onderzoek doen naar vermeende ontduiking van het minimumloon. Zodra cao-partijen bij de Inspectie aangeven dat zij een gegrond vermoeden hebben dat er sprake is van ontduiking van een algemeen verbindend verklaarde cao dan kunnen zij de Inspectie om een aanvullend onderzoek vragen (art. 10 Wet AVV). De inspectie zelf doet geen uitspraken maar geeft de uitkomst van haar onderzoek door aan cao-partijen, die de uitkomst voor hun eigen onderzoek kunnen gebruiken.
Bent u het ermee eens dat de overheid als opdrachtgever een voorbeeldfunctie heeft en er medeverantwoordelijk voor is dat bij door haar aanbestede projecten de juiste collectieve arbeidsovereenkomsten worden nageleefd? Bent u bereid de gemeente Groningen aan te spreken op haar verantwoordelijkheden als opdrachtgever?
De overheid heeft als opdrachtgever inderdaad een voorbeeldfunctie. Zoals hierboven al vermeld is toezicht op de naleving van cao’s is in de eerste plaats een zaak van cao-partijen. In Groningen is het de FNV geweest die bij de gemeente Groningen melding heeft gemaakt van onderbetaling van uitzendkrachten bij de bouw van bovengenoemde bouwprojecten. Of er daadwerkelijk sprake is van onderbetaling kan ik niet beoordelen. Het is aan cao-partijen en,indien zij er niet uitkomen, uiteindelijk aan de rechter om hier een uitspraak over te doen. Wel ben ik van mening dat een gemeente bij het aanbesteden van projecten aandacht moet besteden aan het correct naleven van de toepasselijke cao in de gehele keten.
Kunt u aangeven op welke wijze de aangekondigde Wet aanpak schijnconstructies onderbetaling van uitzendkrachten tegengaat?
Zoals ik eerder heb aangegeven is een belangrijk doel van het wetsvoorstel WAS om onderbetaling van werknemers in de keten tegen te gaan. Ik verwacht dat het wetsvoorstel binnenkort bij uw Kamer kan worden ingediend.
Het bericht ‘Zorgen om lichtere norm voor aardbevingsschade’ |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met dit artikel en/of het besluit van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)?1
Ja.
Wat is de precieze redenatie van de NAM om de pga-norm (peak ground acceleration-norm) te verlagen?
NAM gaat in de opzet van de pilotregeling preventief versterken uit van een maximale grondversnelling van 0.2g in Loppersum en 0.12g daarbuiten. Deze waarden (met een 10% overschrijdingskans voor de komende drie jaar) worden ook gehanteerd in het instemmingsbesluit met het winningsplan, dat ik op 29 januari 2014 naar uw Kamer heb gestuurd. NAM heeft de normen niet verlaagd in de opzet van de pilotregeling en is binnen de kaders van het besluit gebleven. Er heeft hierover dan ook geen overleg met EZ en de Dialoogtafel plaatsgevonden.
In de interim-norm, gepubliceerd door het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) van 15 mei 2014 is een grondversnelling van 0.32g genoemd. Deze grondversnelling is hoger dan de grondversnelling die NAM hanteert. Vooralsnog ga ik ervan uit dat dit komt doordat bij de berekening conservatieve schattingen zijn gebruikt. Zoals aangekondigd in mijn Kamerbrief van 16 december jl. (Kamerstuk 33 529 nr. 91), komt er een vervolg op deze interim-norm. Begin februari presenteert NEN de eerste versie van de Nationale Praktijk Richtlijn (NPR). Ik zal uw Kamer hier in de eerste week van februari over informeren.
Is de aanpassing van deze norm met u overlegd? En met de Dialoogtafel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het besluit van de NAM om een lichtere pga-norm te hanteren voor het vaststellen en het eventueel herstellen van aardbevingsschade, en wat gaat u doen met dat besluit?
Zie antwoord vraag 2.
Welke pga-norm is minimaal noodzakelijk voor het Groningse aardbevingsgebied?
De te hanteren van pga-norm in een bepaald gebied is afhankelijk van de afstand tot de kern van het risicogebied. Zo zal de maximale grondversnelling in Loppersum groter zijn dan aan de rand van het risicogebied. Daarom is er geen sprake van één te hanteren grondversnelling (pga) die voor alle gebouwen toepasbaar is. De te hanteren pga-norm speelt een belangrijke rol bij het aardbevingbestendig maken van gebouwen. In de eerste week van februari zal ik uw Kamer informeren over de normen voor aardbevingbestendig bouwen. Dan zal ik ook nader ingaan op de pga-norm.
In het artikel wordt vermeld dat er gewerkt wordt aan een definitieve pga-norm; kunt u in verband met de (rechts)zekerheid van de inwoners uit het aardbevingsgebied toelichten hoe en wanneer deze wordt vastgesteld?
Zie antwoord vraag 5.
De langetermijncontracten en gasverkoop |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoeveel laagcalorisch gas Gasterra in de periode 10/2013 – 09/2014 heeft beleverd ten behoeve van lange termijn contracten?
In genoemde periode heeft GasTerra aan afnemers onder lange termijn exportcontracten ongeveer 25 miljard m3 laagcalorisch gas geleverd. Daarvan is 21 miljard m3 geleverd op zich op de grens bevindende exitpunten voor laagcalorisch gas en bijna 4 miljard m3 op de TTF, zie in dat verband ook mijn beantwoording van vraag 3 en 4.
Is voor de periode 10/2013 – 09/2014 het maximum aan laagcalorisch gas, 34,5 miljard kuub (tabel 4 pagina 6 van het rapport Aardgasbeleid in Nederland: Actuele ontwikkelingen, documentnr.2014D35449) geleverd ten behoeve van buitenlandse contractuele verplichtingen van Gasterra of volstond een hoeveelheid dichter bij de minimale leveringsverplichting?
Zie het antwoord op vraag 1. In genoemde periode is minder geleverd dan
34,5 miljard m3. Aangezien het in genoemde periode relatief warm is geweest, was de vraag naar laagcalorisch gas navenant lager.
Kunt u aangeven hoeveel laagcalorisch gas uit het Groningenveld Gasterra in de periode10/2013 – 09/2014 u heeft verkocht via de virtuele handelsplaats TTF?
Zoals hiervoor aangegeven vindt de handel via de TTF plaats in energie-eenheden. De kwaliteit van het gas (hoog- c.q. laagcalorisch) speelt daarbij geen rol en er valt bijgevolg ook geen onderscheid naar herkomst of bestemming van het gas te maken.
In de periode 10/2013 – 09/2014 heeft GasTerra ongeveer 270 miljard kWh gas verkocht via de TTF. Ter vergelijking: dit komt overeen met de energiewaarde van ongeveer 25 miljard m3 hoogcalorisch gas of ongeveer 28 miljard m3 laagcalorisch gas.
Kunt u aangeven hoeveel laagcalorisch gas uit het Groningenveld Gasterra in de periode10/2013 – 09/2014 u heeft verkocht aan Nederlandse afnemers, specifiek aan huishoudens en klein zakelijke gebruikers, aan kantoren, instellingen en winkels, aan elektriciteitscentrales, en aan Warmte krachtkoppeling (WKK) en industrie?
In de periode 10/2013 – 09/2014 heeft GasTerra ruim 44 miljard m3 gas uit het Groningenveld afgenomen, waarvan 15 miljard m3 in 2013 en 29 miljard m3 in 2014. GasTerra heeft deze hoeveelheid ingevoed in het landelijk transportnet. Het is niet te herleiden wat het aandeel Groningengas is in het laagcalorisch gas dat eindverbruikers in Nederland ontvangen.
Kunt u aangeven hoeveel hoogcalorisch gas is in de periode 10/2013 – 09/2014 is omgezet in laagcalorisch gas?
In de betreffende periode is 4,4 miljard m3 hoogcalorisch gas toegevoegd aan het Groningengas en zo omgezet naar laagcalorisch gas.
Er is nauwelijks hoogcalorisch gas omgezet naar laagcalorisch gas door toevoeging van stikstof.
Klopt het dat in 2000 21,3 miljard kubieke meter laagcalorisch Groningengas is geproduceerd, en dat de rest dus hoogcalorisch gas uit andere velden was, dat met grote hoeveelheden stikstof moest worden «verdund» tot laagcalorisch gas? Klopt het dat toen toch wel aan alle gasleverantieverplichtingen kon worden voldaan en waarom is dat nu dan niet meer mogelijk? Is de stikstofproductiecapaciteit nu kleiner dan in 2000 of zijn de leveringsverplichtingen nu hoger dan in 2000?
Het verschil in hoogte van de Groningenproductie tussen 2000 en vandaag de dag kent de volgende oorzaken:
Aangezien de dalende productie van Duitsland en Nederlandse kleine velden niet heeft geleid tot een dalende vraag naar laagcalorisch gas heeft dit een groter beroep op het Groningenveld tot gevolg gehad.
In mijn brief van 17 januari 2014 (Kamerstuk 33 529, nr. 28) heb ik aangegeven dat een maximale inzet van de conversie-installaties het mogelijk maakt om de productie uit het Groningenveld terug te brengen tot 30 miljard m3 per jaar. Dit echter onder de voorwaarde dat de flexibiliteit van het Groningenveld volledig mag worden benut en er meer dan 30 miljard m3 mag worden geproduceerd indien de omstandigheden (met name temperatuur) daartoe aanleiding geven.
Is volgens u de 30 miljard m3 per jaar Groningengas waaraan wordt gerefereerd in de brief van 17 januari 2014 (Kamerstuk 33 529, nr. 28) de minimale hoeveelheid Groningengas is die nodig is om alle afspraken te kunnen voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is volgens u de hoeveelheid Groningengas die minimaal nodig is om in de behoefte aan laagcalorisch gas te voorzien?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt hetgeen gesteld wordt op pagina 6 van het rapport «Aardgasbeleid in Nederland: actuele ontwikkelingen» horende bij het onderzoek «Groningengas op de Noordwest-Europese Gasmarkt» dat enkele langlopende contracten eerder aflopen? Deelt u de mening dat langlopende contracten die nu aflopen niet moeten worden verlengd?
Zoals ik in de bijlage bij mijn brief over het aardgasbeleid in Nederland (Kamerstuk 29 023, nr. 176) heb aangeven, lopen enkele langetermijncontracten eerder af dan 2020. In diezelfde bijlage heb ik aangegeven dat de Staat als aandeelhouder van GasTerra zal borgen dat voorlopig geen nieuwe langetermijncontracten worden afgesloten.
Dit wil zeggen dat bestaande langetermijncontracten niet worden verlengd of in volume worden verhoogd en ook dat er geen nieuwe contracten met een looptijd van langer dan vijf jaar zullen worden gesloten.1
Het bericht dat Nederland door Rusland als grote illegale vleessmokkelaar wordt genoemd |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Pork from EU disguised as mushrooms, bubble gum busted by Russia»?1
Ja.
Kunt u de berichten uit Rusland bevestigen waarbij grote partijen vlees uit Nederland zijn omgekat naar oorsprong dan wel inhoud, waarbij Nederlands vlees zelfs geëxporteerd zou worden onder de noemer «champignons uit China»?
Sinds eind januari 2014 accepteert de Russische Federatie geen varkensvlees meer uit de EU. Nederlandse bedrijven produceren daarom niet meer voor de Russische Federatie en bieden ook geen partijen aan voor exportcertificering voor de Russische Federatie bij de NVWA. Sinds eind januari 2014 heeft de NVWA geen certificaten voor de export van varkensvlees(producten) naar de Russische Federatie afgegeven.
Eind oktober 2014 heeft de Russische veterinaire dienst de Europese Commissie CVO geïnformeerd over de vondst van varkensvlees(producten) uit een aantal EU-lidstaten en een derde land in een 26-tal zeecontainers op schepen afkomstig uit een aantal Europese havens. De Europese Commissie heeft op haar beurt de Nederlandse CVO hierover geïnformeerd. In mijn antwoord beperkt ik mij tot het vlees dat in Nederland is geproduceerd.
In een aantal containers heeft de Russische veterinaire dienst varkensvlees(producten) uit Nederland aangetroffen. Deze producten waren verborgen onder niet-veterinaire producten. Navraag bij de betrokken bedrijven, NVWA en de Nederlandse douane heeft de volgende informatie opgeleverd: Van de 26 containers, blijken er 25 niet te bestaan in de internationale registers voor zeecontainers. De containers zijn ook niet, zoals gebruikelijk, aangemeld voor een transportbeweging.
Op basis van de foto’s van de Russische veterinaire dienst heeft gemaakt van de bewuste partijen vlees kan duidelijk worden opgemaakt dat het originele dozen en producten betreft. De partijen vlees zijn niet omgekat als vlees afkomstig uit een ander land. De Nederlandse bedrijven in kwestie hebben deze partijen niet aangeboden voor exportcertificering naar een ander derde land. De Nederlandse producenten hebben deze partijen verkocht aan verschillende Nederlandse en buitenlandse handelaren. Volgens opgave van de handelaren hadden deze partijen een ander EU-land als bestemming, en gelden de regels van de interne markt. De partijen Nederlands vlees zijn niet vanuit een Nederlandse haven naar Rusland verscheept.
Bent u bereid bij de European Food and Safety Agency (EFSA) aan te dringen op strengere controles? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, de bevoegdheid tot controle op de naleving van de Europese wetgeving ten aanzien van voedselveiligheid ligt bij de lidstaten en niet bij de EFSA.
Het bericht dat de G20 landen dicht bij een deal zijn om de ‘Patent Box’ af te schaffen |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Germany, Britain expect patent box deal at G20 meeting»?1
Ja.
Klopt het dat de G20 landen dicht bij een deal zijn om de «patent box» (in Nederland de Innovatiebox) af te schaffen? Is Nederland betrokken bij deze discussie?
De OESO- en G20-landen zijn sinds de aanvang van het Base Erosion & Profit Shifting-project van de OESO met elkaar in gesprek over de vaststelling van een substancecriterium ter beoordeling van belastingregimes voor immateriële activa in verschillende landen. De gesprekken en voorgestelde wijzigingen dienen ter voorkoming van misbruik met dergelijke regimes. Uiteraard is Nederland betrokken bij deze gesprekken. Het afschaffen van deze regimes (en dus ook de Nederlandse innovatiebox) is geen onderwerp van gesprek.
Bent u van plan de innovatiebox zo snel mogelijk af te schaffen indien de bovengenoemde deal bereikt wordt tijdens de G20 vergadering?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, indien de innovatiebox wordt afgeschaft, daarvoor in de plaats een fiscale maatregel in te voeren die investeringen in startups aantrekkelijker maakt, zoals de Small Enterprise Investment Scheme?
De innovatiebox wordt niet afgeschaft. Met het Duits-Britse compromis wordt juist erkend dat een innovatiebox een belangrijk en legitiem instrument is om onderzoek en ontwikkeling in Europa te stimuleren. Nederland streeft naar het behoud van een aantrekkelijke innovatiebox. Voor zover het Duits-Britse compromis ook na de door Nederland gewenste uitwerking leidt tot een beperking van de innovatiebox, dan zal een eventuele vrijval ingezet worden voor het aantrekkelijk houden van het Nederlandse vestigingsklimaat voor het innovatieve bedrijfsleven.
Het bericht dat op bouwplaatsen van de NAM en Shell mogelijk sprake is van het ontduiken van de cao in de steigerbouwsector |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de berichten «FNV: Misstanden bij uitbreiding gasopslag Langelo»1 en «Vakbond FNV signaleert misstanden in de steigerbouwbranche»2?
Ja.
Hoe oordeelt u over de door de uitzendbureaus in kwestie gehanteerde constructies en deelt u de mening dat sprake is van een schijnconstructie wanneer wordt geshopt tussen cao’s om de tarieven te drukken, terwijl de werkingssfeer van de desbetreffende cao's helder is?3
Als de cao inderdaad wordt ontdoken in de steigerbouwsector is dat een zeer kwalijke zaak. De controle op de naleving van cao’s is primair de verantwoordelijkheid van sociale partners. Het is belangrijk dat zij de cao-naleving bevorderen en op de naleving toezien. Dat bevordert de eerlijke concurrentie tussen bonafide bedrijven en werkt corrigerend indien werknemers worden onderbetaald door malafide bedrijven. In hoeverre er in de specifieke casus door de uitzendbureaus in kwestie gebruik wordt gemaakt van schijnconstructies door te shoppen tussen cao’s is niet aan mij om te beoordelen. De cao-partijen kunnen de Inspectie SZW verzoeken om een aanvullend onderzoek te doen naar naleving van de cao-voorwaarden op grond van artikel 10 van de Wet Avv. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven of de Stichting Naleving Cao's voor Uitzendkrachten (SNCU) controles heeft uitgevoerd bij uitzendbureaus in de steigerbouw? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten en zijn er maatregen genomen tegen uitzendbureaus?
De SNCU heeft laten weten dat zij een tiental uitzendondernemingen in onderzoek heeft of in onderzoek heeft gehad die actief zijn in de steigerbouw. Een deel van de onderzoeken is gestart op basis van meldingen, een ander deel op basis van risicoselectie. Bij een deel van de ondernemingen is een (indicatieve) benadeling van uitzendkrachten vastgesteld (in totaal voor ruim € 1.000.000,-). Er zijn herstelbetalingen afgedwongen en er loopt een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Enkele ondernemingen zijn uit de markt verdwenen. Een doorstarter is opnieuw in onderzoek genomen.
Heeft de Inspectie SZW signalen ontvangen over het ontduiken van de cao in de steigerbouwsector op bouwplaatsen van de NAM en Shell? Zo ja, wat heeft de Inspectie met deze signalen gedaan? Zo nee, bent u bereid de Inspectie SZW onderzoek te laten doen?
Tot op heden heeft de Inspectie geen formeel verzoek om ondersteuning op grond van artikel 10 Avv ontvangen aangaande het ontduiken van de cao in de steigerbouwsector op bouwplaatsen van de NAM en Shell.
Ziet u mogelijkheden om de beschreven problematiek in de sector samen met sociale partners aan te pakken?
De Inspectie SZW ondersteunt de cao-partijen bij de civielrechtelijke handhaving van de cao met nalevingsonderzoek. De capaciteit van de Inspectie SZW voor de aanpak van schijnconstructies is uitgebreid, onder meer voor dergelijke ondersteuning van cao-partijen. Samen met de sociale partners werk ik in het kader van de aanpak van schijnconstructies aan het versterken van de publiekprivate samenwerking bij de cao-naleving en handhaving. In het advies van de Stichting van de Arbeid «Naleving en handhaving van de cao» van 27 juni 2014 roept de Stichting de decentrale cao-partijen – met name in risicosectoren – op om de naleving en handhaving actief op te pakken. Om de publiekprivate samenwerking bij de cao-handhaving te versterken heeft de Inspectie SZW een speciaal team opgericht voor de aanpak van schijnconstructies en ondersteuning van de cao-partijen bij de handhaving van de cao-voorwaarden. Dit team werkt nauw samen met cao-partijen.
Naast handhaving wordt ook ingezet op aanpassing van wetgeving. Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies zal enkele maatregelen bevatten om de publiekprivate samenwerking bij de cao-handhaving verder te versterken, bijvoorbeeld door meer mogelijkheden te creëren voor informatie-uitwisseling. Tevens zal een regeling van ketenaansprakelijkheid voor loon onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies.
In dit geval zijn Shell en de NAM opdrachtgever; kunt u aangeven in hoeverre de aangekondigde Wet aanpak schijnconstructies verandering brengt in de verantwoordelijkheid c.q. aansprakelijkheid voor hen als opdrachtgever?
Zie antwoord vraag 5.
Een lek in DigiD |
|
Manon Fokke (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het item over beveiligingsproblemen bij Digid in de Uitzending van Opgelicht?1
Ja
Is het waar dat er een lek in de beveiliging van Digid bij meerdere gemeenten en instanties is of was? Zo nee, hoeveel en welke gemeenten en andere organisaties waren gevoelig voor dit lek?
Nee, er was geen lek in de beveiliging van DigiD. In september van dit jaar is bij Logius door een softwareleverancier melding gemaakt van een kwetsbaarheid in een specifieke versie van hun ContentManagementSysteem (CMS). Na onderzoek van Logius bleek bij 12 gemeenten de koppeling van het betreffende CMS met DigiD zodanig te zijn opgebouwd dat er een potentieel risico bestond dat DigiD misbruikt kon worden.
Logius heeft de namen van de betrokken gemeenten en andere organisaties niet bekend gemaakt omdat het aan de betrokken organisaties zelf is om daar wel of geen mededelingen over te doen. Het betrof immers een kwetsbaarheid in een CMS dat door die organisaties wordt gebruikt.
Kunt u uitleggen hoe het lek ontstaan is, op welke wijze er gebruik van gemaakt kon worden en welke informatie daarmee verkregen kon worden?
Het betrof een kwetsbaarheid in een specifieke versie van een ContentManagementSysteem. Hackers zouden deze kwetsbaarheid hebben kunnen misbruiken om kwaadaardige software te plaatsen en daarmee in theorie de mogelijkheid hebben om allerlei gegevens en handelingen van bezoekers aan betreffende gemeentesites af te vangen.
Sinds wanneer zijn de betrokken gemeenten en Logius op de hoogte van het lek? Wat is in de tussentijd gedaan om het lek te dichten en te onderzoeken of er daadwerkelijk mensen slachtoffer zijn geworden van dit lek?
Op 25 september van dit jaar is bij Logius door een softwareleverancier melding gemaakt van een kwetsbaarheid in hun ContentManagementSysteem (CMS). De kwetsbaarheid was volgens de softwareleverancier van het CMS binnen 24 uur na ontdekking (18 september) gedicht. De softwareleverancier heeft een patch ontwikkeld en toegepast bij de getroffen gemeenten om de specifieke kwetsbaarheid te verhelpen. De softwareleverancier heeft de gemeenten daarover geïnformeerd.
Naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door de softwareleverancier, met ondersteuning van een gerenommeerd beveiligingsbureau, zijn geen sporen aangetroffen die aannemelijk maken dat de systemen gecompromitteerd zijn.
Logius heeft het Nationaal Cyber Security Center (NCSC), de informatiebeveiligingsdienst voor gemeenten (IBD) en het Ministerie van BZK geïnformeerd over de kwetsbaarheid en de gekozen oplossing. De betreffende gemeenten zijn ook onverwijld geïnformeerd door hun leverancier en door Logius.
Hetzelfde gespecialiseerde beveiligingsbureau heeft in opdracht van Logius de kwaliteit van de oplossing van de kwetsbaarheid onderzocht alsook de toepassing op de systemen. Daarbij is vastgesteld dat de kwetsbaarheid door middel van de oplossing is verholpen en niet meer op de getroffen systemen aanwezig is.
Afrondend is ook onderzoek gedaan door Logius naar mogelijke aan deze kwetsbaarheid te relateren onregelmatigheden bij DigiD gebruik. Ook daar is geen reden gevonden te vrezen dat DigiD gegevens in handen van derden zijn gevallen. Dit onderzoek is bij alle 12 gemeenten uitgevoerd. Omdat er in dit geval geen enkele concrete aanwijzing was van exploitatie van deze kwetsbaarheid is van nader onderzoek verder afgezien.
Zijn alle mensen waarvan de gegevens kwetsbaar geweest zijn door dit lek door de desbetreffende gemeenten en instanties geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wordt hun aangeraden om maatregelen te nemen naar aanleiding van dit lek?
Het al dan niet informeren van burgers is een verantwoordelijkheid van de organisaties zelf.
Naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door de softwareleverancier, met ondersteuning van een gerenommeerd beveiligingsbureau, zijn geen sporen aangetroffen die aannemelijk maken dat de systemen gecompromitteerd zijn.
Afrondend is ook onderzoek gedaan door Logius naar mogelijke aan deze kwetsbaarheid te relateren onregelmatigheden bij DigiD gebruik. Ook daar is geen reden gevonden te vrezen dat DigiD gegevens in handen van derden zijn gevallen. Dit onderzoek is bij alle 12 gemeenten gedaan.
Voor wat betreft wachtwoorden is het regelmatig wijzigen daarvan een standaardadvies dat Logius continu geeft, onder meer via de website www.digid.nl. Ook zijn de eisen voor DigiD-wachtwoorden sinds mei 2014 verscherpt, waardoor gebruikers met een zwak wachtwoord een nieuw – sterker – wachtwoord moeten aanmaken. Voor nieuwe aanvragen gold deze eis al langer. Deze casus is geen aanleiding geweest om daar gericht nog meer aandacht aan te geven dan al voortdurend wordt gedaan.
Deelt u de mening dat zeer grondig onderzocht moet worden of er mensen slachtoffer zijn geworden van dit lek in DigiD? Zo ja, klopt het bericht van Fox-IT dat niet bij alle kwetsbare gemeenten en instanties onderzoek is gedaan naar misbruik van het lek? Wilt u alsnog opdracht geven om bij alle betrokken gemeenten en instanties onderzoek te doen naar misbruik van het lek, om een maximale inspanning te doen om alle slachtoffers te achterhalen?
Naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door de softwareleverancier, met ondersteuning van een gerenommeerd beveiligingsbureau, zijn geen sporen aangetroffen die aannemelijk maken dat de systemen gecompromitteerd zijn. Dit onderzoek is onder een aantal gemeenten uitgevoerd.
Afrondend is ook onderzoek gedaan door Logius naar mogelijke aan deze kwetsbaarheid te relateren onregelmatigheden bij DigiD gebruik. Ook daar is geen reden gevonden te vrezen dat DigiD gegevens in handen van derden zijn gevallen. Dit onderzoek is bij alle 12 gemeenten uitgevoerd.
Omdat in beide onderzoeken geen enkele concrete aanwijzing is gevonden van exploitatie van deze kwetsbaarheid ben ik nog steeds van mening dat nader onderzoek niet nodig is.
Is het waar dat DigiD gebruik maakt van certificaten die niet voldoen aan de moderne beveiligingseisen? Zo ja, wanneer wordt dit opgelost en waarom zijn deze certificaten niet eerder vervangen?
In de uitzending werd gesteld dat DigiD gebruik zou maken van een certificaat dat niet zou voldoen aan de moderne beveiligingseisen. Dat is niet juist. De in de uitzending getoonde cryptografie maakt geen onderdeel uit van het certificaat. De cryptografie waarmee DigiD wordt beveiligd staat in het certificaat zelf onder het tabblad bij het veld «handtekening hash-algoritme». Het certificaat van DigiD maakt gebruik van het moderne en veilige algoritme SHA256 en niet zoals in de uitzending werd gesuggereerd het minder veilige SHA1 algoritme.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat gemeenten belangrijke onderdelen van de infrastructuur voor de digitale overheid zo slecht beheren? Is dit voor u reden om de decentrale infrastructuur, waarbij iedereen verantwoordelijk is voor de beveiliging van zijn eigen systemen, te heroverwegen en bijvoorbeeld een standaard (kern)website voor gemeenten te ontwikkelen?
Nee, ik deel deze mening niet. Er is geen sprake van een zorgelijke situatie. De gemeenten hebben juist een goed informatieveiligheidsbeleid opgezet. In november 2013 hebben gemeenten onderling goede afspraken gemaakt over informatieveiligheidsbeleid in de resolutie Informatieveiligheid, randvoorwaarde voor de professionele gemeenten. De in januari 2013 opgerichte gemeentelijke Informatiebeveiligingsdienst (IBD), ondersteunt gemeenten in bewustwording en met het op een hoger plan tillen van hun informatieveiligheidsbeleid. De IBD heeft, zoals het tot haar taak behoort, adequaat gereageerd op kwetsbaarheden, die er nu eenmaal kunnen zijn in ICT.
Het kwaliteitsinstituut voor Nederlandse Gemeenten (KING) onderzoekt momenteel de mogelijkheid om gemeenten gebruik te kunnen laten maken van een meer gestandaardiseerde (kern)website.
Welke van de getroffen gemeenten en instanties heeft een positieve audit uit laten voeren op zijn DigiD-systemen? Wat zegt dit over de waarde en de betrouwbaarheid van de audits en welke conclusies verbindt u hieraan?
Gemeenten zijn, net als alle afnemers van DigiD, gehouden te voldoen aan een DigiD beveiligingsassessment. Bij dit beveiligingsassessment worden een selectie van beveiligingsnormen uit de ICT-beveiligingsrichtlijnen voor webapplicaties van het NCSC, door gecertificeerde auditors getoetst. Dat is ook gedaan bij de betrokken organisaties. Deze kwetsbaarheid is niet gebleken in het assessment traject. Logius heeft inmiddels overleg gevoerd met NOREA, de beroepsorganisatie van IT-auditors. Naar aanleiding hiervan is NOREA gestart met een verkennend onderzoek. Overigens is de betreffende kwetsbaarheid door een beveiligingsaudit ontdekt. Dit onderschrijft het nut en de noodzaak voor het uitvoeren van audits.
De investeringsbescherming (ISDS) in het handelsverdrag tussen de VS en de EU (TTIP) |
|
Jasper van Dijk |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over de berichten «Er komt geen verdrag als Frans niet akkoord gaat» en «Veto Timmermans moet linkse partijen winnen voor akkoord VS»?1 2
De Voorzitter van de Europese Commissie Juncker heeft de heer Timmermans, in de hoedanigheid van Eerste viceVoorzitter verantwoordelijk voor Rechtsstaat en het Handvest voor de Grondrechten, verzocht hem te adviseren over het opnemen van het geschillenbeslechtingsmechanisme voor investeringsgeschillen (Investor-State Dispute Settlement – ISDS) in het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) tussen de EU en de VS. Voorzitter Juncker heeft in zijn toespraak voor het Europees parlement op 22 oktober jl. eveneens aangegeven dat de rechtsmacht van rechtbanken in de EU-lidstaten door het uiteindelijke TTIP-voorstel dient te worden gerespecteerd.
Kunt u bevestigen dat Eurocommissaris Timmermans een vetorecht krijgt over ISDS? Zo nee, wat bedoelde voorzitter van de Europese Commissie Juncker dan met de opmerking: «Er komt geen geschillenregeling in TTIP zonder goedkeuring van Frans»?
Op grond van de EU-verdragen neemt de Europese Commissie, als college, besluiten bij meerderheid van stemmen van haar leden. Bij de introductie van de nieuwe Commissie heeft Voorzitter Juncker duidelijk gemaakt dat de heer Timmermans als Eerste Vicevoorzitter zijn rechterhand zal zijn en hem waar nodig en gewenst zal vervangen.
Tevens heeft de Voorzitter van de Commissie duidelijk gemaakt dat het oordeel van viceVoorzitter Timmermans over ISDS in TTIP bij de beraadslagingen van het college doorslaggevend zal zijn.
Hoe oordeelt u over deze opmerking die erop duidt dat één Eurocommissaris zoveel beslissingsmacht krijgt? Over welke zaken krijgt Timmermans nog meer een vetorecht?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat ISDS in TTIP in feite is afgeschreven door deze opmerking van de heer Juncker: «Het uiteindelijke verdrag dat aan het parlement zal worden voorgelegd, zal niet toelaten dat geheime rechtbanken het laatste woord hebben in geschillen tussen investeerders en staten»? Zo nee, hoe interpreteert u deze opmerking?
Nee, die mening deel ik niet.
Inzet voor TTIP is om onder meer te onderhandelen over hoge standaarden van investeringsbescherming met het daarbij behorende ISDS-mechanisme.
Het onderhandelingsmandaat stelt dat opname van ISDS in TTIP afhankelijk is van in hoeverre een bevredigend resultaat is bereikt.
Ook staat daarin aangegeven dat er in de ISDS-bepalingen een gepaste relatie moet bestaan tot nationale rechtsprocedures.
De uiteindelijke beleidslijn op dit punt hangt ook af van de analyse van de Commissie over de uitkomsten van publieke consultaties over ISDS in TTIP, waarop 150.000 reacties zijn gekomen. Die analyse wordt eind van dit jaar verwacht. Daarnaast wordt het uiteindelijke besluit hierover genomen door de instellingen van de Europese Unie, waarbij zowel de Raad als het Europees parlement zich hierover zullen uitspreken in het kader van de uiteindelijke goedkeuringsprocedure van het toekomstige handelsakkoord.
Uit de uitspraken van de heer Juncker leid ik wel af dat hij de vormgeving van ISDS, zoals op dit moment is vastgelegd in de bilaterale investeringsbeschermingsakkoorden tussen verschillende EU-lidstaten en derde landen, wil verbeteren en dat meer transparantie van cruciaal belang is. Nederland zit op dezelfde lijn.
Deelt u de mening dat geschillenbeslechting (ISDS) zeer omstreden is? Staakt u uw pogingen om ISDS in TTIP te krijgen?
Over de huidige vormgeving van investeringsbescherming en het geschillenbeslechtingsmechanisme bestaan uiteenlopende opvattingen. Het is van belang dat alle opvattingen goed worden meegewogen. Nederland heeft een onderzoek laten uitvoeren naar ISDS in TTIP. De onderzoeksresultaten en aanbevelingen zijn bij brief van 25 juni jl. met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1397). Hierbij is een aantal belangrijke aanbevelingen gedaan voor verbetering van het ISDS-instrument. Nederland zet erop in dat die verbeteringen in het ISDS-instrument in TTIP worden verwerkt. Ik ben hierover in gesprek met mijn Europese collega’s.
Is het waar dat de Nederlandse regering één van de grootste voorstanders is van TTIP in Brussel? Zo nee, wie zijn dat dan wel?
TTIP wordt in Brussel breed gedragen door zowel de Raad als de Europese Commissie. Het handelsakkoord zal veel economisch voordeel opleveren voor Nederland en de EU en is tevens van politiek-strategische waarde. In een wereld die snel verandert, is een nauwere trans-Atlantische samenwerking een kans om onze gezamenlijke strategische positie te verbeteren. Ook het Nederlandse kabinet heeft daarom zich van het begin af aan – met steun van uw Kamer – uitgesproken voor een ambitieus vrijhandelsakkoord met de VS.
Juist Nederland kan met zijn open en export-georiënteerde economie profiteren van TTIP. Niet alleen zijn de Nederlandse en de Amerikaanse economieën al nauw met elkaar verbonden, ook vormt een aantrekkende wereld- en Europese economie de stuwende kracht achter de groei van de Nederlandse economie via een toenemende export. Bijna de helft van de Nederlandse werknemers is in dienst bij een bedrijf dat exporteert. Trekt de internationale handel aan, dan is dat voor deze bedrijven snel merkbaar. Nederland streeft er daarom naar dat TTIP voor een aantal specifieke topsectoren de handelsbelemmeringen sterk vermindert en de handelsmogelijkheden dientengevolge fors worden vergroot.
Deelt u de mening dat ingrijpende verdragen, zoals het TTIP-verdrag met de VS en het CETA-verdrag met Canada, ter goedkeuring aan de parlementen van de lidstaten moeten worden voorgelegd? Zo ja, wat onderneemt u om dit te realiseren?
Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is de Europese Unie exclusief bevoegd op het beleidsterrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek en de douane-unie. Op grond van het Verdrag van Lissabon vallen sinds 1 december 2009 ook buitenlandse directe investeringen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek. CETA en TTIP bestrijken terreinen die niet geheel onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen. Dit is met name het geval voor specifieke onderdelen op het gebied van diensten en investeringen.
CETA en TTIP hebben daardoor een gemengd karakter. Dit betekent dat de akkoorden door zowel de EU als de lidstaten goedgekeurd zouden moeten worden. Het kabinet zet daarop in samen met andere lidstaten. Ik zie mij daarin gesteund door het initiatief van uw Kamer om samen met andere nationale parlementen de Commissie te verzoeken om TTIP aan te merken als gemengd akkoord. Zie ook mijn antwoorden van 11 juni 2014 op de schriftelijke vragen van het lid Jasper van Dijk over dit onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2193).
Tijdens het Trade Policy Committee(TPC) van 30 oktober jl. heeft de Commissie aangekondigd dat het college van Commissarissen besloten heeft het handelsakkoord tussen de EU en Singapore aan het EU-Hof voor te leggen voor een advies over de al dan niet gemengde aard van dat akkoord. Een Hof-advies hierover zal mogelijk ook voor CETA en TTIP meer duidelijkheid scheppen.
De verplichte overstap van Cogas-klanten van Ziggo naar Caiway |
|
Mei Li Vos (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de ogenschijnlijk verplichte overstap van Cogas-klanten van Ziggo naar Caiway?1 2
Ja.
Waarom verdwijnt Ziggo van de kabel? Waarom wil Ziggo geen medewerking geven aan glasvezelkabel in de regio rondom Almelo?
Cogas wil zijn netwerk verglazen en klanten laten overstappen van kabel naar glas. Cogas heeft Ziggo daarom gevraagd naast diensten over de kabel ook diensten over glas aan te bieden. Ziggo heeft aangegeven dat niet te willen. Het geschikt maken van de diensten zou van Ziggo een investering vergen die op het aantal klanten in de regio rondom Almelo niet terugverdiend kan worden. Cogas heeft vervolgens Caiway bereid gevonden dit wel te doen.
Is het waar dat mensen op kosten worden gejaagd,doordat onder andere e-mail adressen moeten worden aangepast en andere apparatuur, zoals een router, moet worden aangesloten? Gaat Cogas deze kosten vergoeden?
Caiway poogt zijn aanbod naar eigen zeggen wat betreft prijs en inhoud zo goed mogelijk te laten aansluiten op het bestaande aanbod van Ziggo. E-mailadressen zullen moeten worden aangepast. Er moet andere apparatuur (modem, router) worden aangesloten, maar deze wordt door Caiway gratis verstrekt.
Is het waar dat allerlei diensten wegvallen, zoals Ziggo mobiel bellen, gratis bellen tussen Ziggo klanten onderling, Ziggo Pluspakket, Ziggo on demand en Ziggo Wifi Spots en daarnaast alarmlijnen voor ouderen?
Doordat Ziggo niet langer de provider is op het netwerk van Cogas, zullen de diensten die Ziggo over dit netwerk levert wegvallen. Ziggo mobiel bellen blijft wel beschikbaar, bij deze dienst wordt immers geen gebruik gemaakt van de kabel.
Is het waar dat de nieuwe abonnementen ook duurder zullen zijn dan de bestaande? Is het waar dat er sprake is van alles-in-1 pakketten waardoor de kosten in de praktijk hoger zullen zijn dan nu?
Het is waar dat Caiway alles-in-1 pakketten aanbiedt. Ook kunnen consumenten alleen een TV-dienst afnemen bij Caiway of andere combinaties van diensten. Er kan niet eenduidig worden gesteld dat kosten hoger zullen zijn dan nu, doordat abonnementen niet alleen verschillen in prijs, maar ook in de diensten die worden geleverd (o.a. ten aanzien van het aantal televisiezenders en de video-on demand diensten).
Welke alternatieven zijn er voor de consument op het gebied van TV, bellen en internet? Hoe kan informatie worden verkregen over de mogelijkheden om over te stappen?
De consument kan overstappen naar diverse providers die gebruik maken van het koper- en glasvezelnetwerk van KPN, en voor tv ook naar aanbieders via satelliet of Digitenne. Er bestaan diverse commerciële vergelijkssites die informatie geven over deze alternatieve providers.
Wat zijn de voor- en nadelen van het (voor de provider verplichte) behoud van het e-mailadres bij overstap, de «e-mail portabiliteit», zoals er voor telefoonnummers ook nummerportabiliteit is?
Behoud van het e-mailadres bij overstap maakt thans geen deel uit van de verplichtingen die zijn opgenomen in de Telecommunicatiewet. De voordelen voor de klant die zijn e-mailadres kan behouden zijn evident. De nadelen zijn de kosten voor de aanbieder van het oude e-mailadres, die betrekking hebben op extra servercapaciteit, beheersactiviteiten en administratieve handelingen.
Kunt u de Autoriteit Consument en Markt verzoeken om een onderzoek te starten naar de plannen van Cogas? Is hier sprake van misbruik van economische machtspositie (art. 24 Mededingingswet)?
Navraag bij de ACM leert dat zij geen aanleiding ziet voor een onderzoek naar de vraag of er sprake is van een mogelijke overtreding van artikel 24 Mededingingswet.
Het terugvorderen van de kosten van gestolen elektriciteit |
|
René Leegte (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het arrest van het hof Arnhem in hoger beroep inzake de poging van Liander (en Continuon, een van haar rechtsvoorgangers) tot vordering van schadevergoeding inzake illegaal afgetapte stroom ten behoeve van een illegale hennepkwekerij?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van het gerechtshof dat alle grieven falen, oftewel dat Liander niet gerechtigd is om over illegaal afgetapte elektriciteit terug te vorderen: de btw over de kosten van de feitelijk geleverde elektriciteit, de btw over de kosten van het transport daarvan en de btw over de Regulerende energiebelasting (REB) over de feitelijk geleverde elektriciteit? Hoe kan deze schade wel met succes worden gevorderd?
De rechter geeft aan dat er geen btw verschuldigd is over illegaal afgetapte elektriciteit. Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn rechtspraak2 bepaald dat diefstal van een goed voor de btw-heffing geen belaste levering van een goed is. Dit geldt voor ieder geval van diefstal, zowel voor elektriciteit als voor ieder ander goed of consumptiegoed.
Hierdoor kan geen btw worden geheven over elektriciteit die gestolen is.
Er is ook geen sprake van schade voor de netbeheerder wat betreft de btw.
De netbeheerder is geen btw verschuldigd over de illegaal afgetapte elektriciteit. De kale elektriciteitsprijs kan de netbeheerder wel als schade terugvorderen, evenals de kosten van het transport van elektriciteit. De netbeheerder is ook geen energiebelasting verschuldigd in geval van illegaal afgetapte elektriciteit. Deze belasting is verschuldigd door degene die de stroom illegaal heeft afgetapt.
Deelt u de mening dat deze uitspraak een stimulans is om elektriciteit illegaal af te tappen, aangezien de dief door het niet te hoeven betalen van bovengenoemde kosten goedkoper uit is dan degene die eerlijk voor zijn nutsvoorziening betaalt (en dus wel gewoon de onder vraag 2 genoemde kosten afdraagt)? Hoe verhoudt zich dit met uw rechtsgevoel?
Of het nu gaat om elektriciteit of een willekeurig ander goed: over gestolen goederen wordt geen btw geheven omdat diefstal van goederen geen belastbaar feit is in de zin van artikel 3 van de wet op de omzetbelasting 1968.3 Het feit dat er geen btw kan worden geheven betekent niet dat diefstal in Nederland wordt geaccepteerd. Diefstal is immers een misdrijf waarvoor door de rechter een gevangenisstraf kan worden opgelegd van ten hoogste vier jaar of een boete van de vierde categorie (tot € 20.250). Iemand die illegaal stroom aftapt loopt dus het risico op strafrechtelijke vervolging. Dat is geen stimulans om illegaal stroom af te tappen.
Wat vindt u in het licht van deze uitspraak van de taak die netbeheerders hebben om fraude te bestrijden en diefstal van elektriciteit en gas tegen te gaan? Worden zij door deze uitspraak naar uw mening voldoende gesteund? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Het feit dat de netbeheerder geen btw in rekening kan brengen betekent niet dat de netbeheerders niet worden gesteund bij het terugdringen van het illegaal aftappen van stroom. Het illegaal aftappen van stroom leidt tot schade voor de netbeheerder. Als hij deze schade niet kan verhalen dan moeten de kosten hiervan door alle afnemers in Nederland gedragen worden. Het is daarom goed dat netbeheerders in samenwerking met het politie en justitie maatregelen hebben genomen om het illegaal aftappen van stroom zoveel mogelijk te beperken. Dit doen zij onder andere door het monitoren van netverliezen en het zo snel mogelijk afsluiten van fraudeurs. Netbeheerders werken met politie en justitie samen in het Platform Energie Diefstal. Dit samenwerkingsverband heeft onder meer geleid tot de introductie van een hennepgeurkaart om mensen kennis te laten maken met de geur van hennep. Zo worden burgers betrokken bij het opsporen van illegale hennepkwekerijen.
Daarnaast proberen netbeheerders altijd om schade te verhalen en kan het OM strafrechtelijke vervolging instellen tegen illegale afnemers van elektriciteit.
Wat vindt u ervan dat de netbeheerder niets anders kan doen dan de gemaakte kosten die volgens deze uitspraak niet kunnen worden verhaald op de dief om te slaan over alle afnemers van elektriciteit? Vindt u het te verdedigen dat andere afnemers van elektriciteit meebetalen aan de kostenpost van illegale aftap? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Het feit dat de netbeheerder geen btw kan vorderen betekent niet dat deze kosten worden omgeslagen over alle afnemers. Een netbeheerder draagt namelijk geen btw af over gestolen elektriciteit. Er is dus geen sprake van kosten die de netbeheerder via de tarieven over afnemers socialiseert.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat elektriciteitsdieven (en gasdieven) voortaan alle gemaakte kosten, inclusief btw, moeten terugbetalen? Bent u bereid daartoe de wet te wijzigen of andere actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat elektriciteitsdieven (en gasdieven) alle gemaakte kosten, terugbetalen aan de netbeheerder. De btw behoort niet tot die kosten. De btw-regelgeving kan op dit punt niet worden aangepast. De nationale btw-regels zijn gebaseerd op de btw-richtlijn, die iedere lidstaat verplicht is om te zetten in nationale wet- en regelgeving. Er bestaat binnen dit EU-kader geen ruimte om diefstal wel te belasten met btw.
Het bericht dat de EU ervan afziet om teerzandolie te labelen |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Jasper van Dijk , Eric Smaling |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe oordeelt u over het feit dat de Europese Unie (EU) in een recent voorstel afziet van de labeling van teerzandolie, een grondstof die meer broeikasuitstoot veroorzaakt dat gewone olie?1 2
Het klopt dat er geen aparte categorie onconventionele olie meer in het voorstel staat. De constatering dat er ook onconventionele oliën in de EU brandstofmix zitten, heeft er echter wel toe geleid dat de gemiddelde waarde van de keten fossiele transportbrandstoffen naar boven toe is bijgesteld. Bovendien is in het voorstel helder gemaakt welke brandstofsoorten zijn meegewogen bij de berekening van de standaardwaarde voor benzine en diesel. Hierbij wordt teerzandolie expliciet genoemd en is ook de broeikasgasintensiteit gedurende de levenscyclus weergegeven. Deze bedraagt 107 gram CO2 equivalent per megajoule. Overigens is ook olieschalie opgenomen in het voorstel met een waarde van 131 gram CO2 equivalent per megajoule. Het is dus niet zo dat het effect van onconventionele oliën op de gemiddelde CO2-waarde van de keten transportbrandstoffen in de EU geheel onzichtbaar is. Het voorstel zorgt echter niet voor een stimulans om oliën in te kopen met een lagere CO2-emissie in de keten.
Ik begrijp dat dit teleurstellend is gezien de zorgen in de Tweede Kamer over de negatieve milieueffecten van de winning van onconventionele oliën, zoals teerzandolie.
Herinnert de Minister voor Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking de uitspraken over de inzet inzake de Nederlandse en Europese doelstellingen om te streven naar minder CO2-uitstoot en een volledige duurzame energievoorziening op de langere termijn? In hoeverre ondermijnt de huidige beslissing van de EU inzake teerzand deze ambities?3
Ja. In de beantwoording op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2388) van de leden Jasper van Dijk en Smaling over schaliegas in het vrijhandelsverdrag TTIP heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aangegeven bereid te zijn om versterking van het EU-emissiehandelssysteem aan de orde te stellen in de Raad Buitenlandse Zaken Handel om tot een adequate beprijzing van de uitstoot van broeikasgassen te komen.
Recent zijn de EU-ambities op het gebied van klimaat en hernieuwbare energie vastgelegd in de Raadsconclusies die tijdens de Europese Raad van 23-24 oktober jl. zijn vastgesteld. Dit Europese ambitieniveau wordt niet naar beneden bijgesteld vanwege de import van teerzandolie. Mocht het zo zijn dat na 2020 de CO2-intensiteit van de keten transportbrandstoffen in de EU stijgt door grotere importen van teerzandolie, dan betekent dit dat er elders grotere inspanningen geleverd zullen moeten worden om de afgesproken klimaatdoelen in de EU te bereiken.
Is onder het handelsverdrag genaamd Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) de import van teerzandolie uit Canada naar de Europese Unie, en daarmee naar Nederland, thans een voldongen feit? Geldt dit ook op voor Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP)? Erkent u dat door het vastleggen van de import van teerzandolie uit de Verenigde Staten en Canada in deze verdragen de teerling geworpen is? Baart dat u zorgen?
Teerzandolie is, zolang het voldoet aan de geldende EU-regelgeving, een product dat legaal ingevoerd kan worden in de EU. Hierdoor is het op dit moment mogelijk dat teerzandolie naar de EU en naar Nederland komt. Het vrijhandelsverdrag tussen de EU en Canada heeft geen invloed op de eventuele import van of een verbod op het verschepen van teerzandolie naar de Europese Unie.
Tevens staat CETA los van eventuele aanpassingen in de Europese Richtlijn Brandstofkwaliteit. De in CETA vastgelegde waarborgen ter behoud van beleidsvrijheid op het gebied van milieu zorgen ervoor dat de EU te allen tijde de mogelijkheid behoudt om hier veranderingen in aan te brengen. De basis EU-wetgeving op het gebied van milieu staat hierin niet ter discussie. Ook in het Transatlantic Trade and Investment Partnership (het TTIP-verdrag) wordt gestreefd naar opname van deze waarborgen.
Kunt u aangeven wat de vorderingen zijn van de door de EU gewenste toevoeging van een energiehoofdstuk aan TTIP?4
De EU zet zich in voor de opname van een energiehoofdstuk in TTIP. Afspraken in TTIP in dit kader zouden een basis kunnen vormen voor een open, stabiel, voorspelbaar, duurzaam, transparant en niet-discriminerend kader voor de handel in energie en grondstoffen. De onderhandelingen zijn nog gaande.
Kunt u een overzicht geven van de totale milieukosten die gepaard gaan met winning, transport en gebruik van teerzandolie in vergelijking met de winning van andere fossiele brandstoffen?
Er is geen overzicht hiervan beschikbaar. Er zou een individuele vergelijking plaats moeten vinden met alle soorten fossiele brandstoffen die verhandeld worden, aangezien er grote verschillen zijn in de milieuimpact van winning van verschillende soorten fossiele brandstoffen. Ook zonder een uitgebreide vergelijking is het helder dat de milieuimpact in Canada van de winning van teerzandolie aanzienlijk is. Het is echter van belang te bedenken dat er ook conventionele olie is waarvan de winning een grote impact op het milieu heeft.
Wat zijn de mogelijkheden om teerzandolie te labelen, waardoor de consument kan afzien van het gebruik ervan?
Voor de consument is teerzandolie in pure vorm niet beschikbaar. Consumenten tanken alleen benzine en diesel waar mogelijk teerzandolie in verwerkt is. Teerzandolie komt Nederland binnen in verwerkte producten, met name uit de VS. Om te weten wat daarvan de oorsprong is, zouden raffinaderijen in andere landen informatie moeten laten meereizen over de door hen verwerkte oliesoorten in de diesel. Op dit moment gebeurt dit niet. Bovendien wordt brandstof veelvuldig vermengd voordat het in Nederland geïmporteerd wordt. Ook in Nederland kan er nog vermenging plaatsvinden. Het is ook goed mogelijk dat er diesel uit andere delen van de wereld in de mix zit. Bij invoer in Nederland is dus niet meer duidelijk wat exact de herkomst is van de ruwe olie die verwerkt is in de brandstof.
Mocht teerzandolie wel in ruwe vorm in Nederland geïmporteerd worden, dan wordt deze vervolgens verwerkt in een raffinaderij tot brandstoffen en andere producten. Hierbij zullen ook andere ruwe oliën als input worden gebruikt. Er is op dit moment geen systeem dat er voor zorgt dat voor de bewerkte producten bekend is wat precies de gebruikte ruwe olie is. Zelfs als er een systeem zou worden opgezet waarbij dit wel bekend was, dan gaat deze informatie verloren doordat brandstoffen uit verschillende raffinaderijen samen met geïmporteerde brandstoffen worden vermengd en verhandeld voordat deze uiteindelijk bij een tankstation voor de consument beschikbaar zijn. Ik zie daardoor geen mogelijkheid teerzandolie te labelen, waardoor de consument af zou kunnen zien van het gebruik ervan.
U ontvangt binnenkort een rapport dat is opgesteld door Ecorys naar aanleiding van de motie Jan Vos (Kamerstuk 33 834, nr. 17) met daarin een beschrijving van de juridische en economische obstakels voor het realiseren van meer transparantie in de brandstofketen.
Verwacht u onder het TTIP een soortgelijke influx van schaliegas en -olie uit de Verenigde Staten? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2388)) van de leden Jasper van Dijk en Smaling over schaliegas in het vrijhandelsverdrag TTIP, kan olie en gas niet zonder expliciete toestemming van het Bureau of Industry and Security (BIS) uit de VS geëxporteerd worden. Hiervoor gelden zeer strenge eisen, namelijk het aanleveren van onweerlegbaar bewijs dat de verkoopprijs in de VS niet haalbaar is, uitvoer ten bate van de VS is en dat de leveringen op elk moment stopgezet kunnen worden indien er sprake is van een nationaal tekort. In TTIP streeft de EU naar het creëren van een gelijk speelveld op de energiemarkt. Dit zou kunnen leiden tot een stijging van de import vanuit de VS met betrekking tot schaliegas en -olie. Als er gas uit de VS zou worden geïmporteerd, zal de prijs daarvan waarschijnlijk nauwelijks lager komen te liggen dan de huidige gasprijs. Dat komt door de hoge kosten van transport, inclusief de kosten van het vloeibaar en weer gasvormig maken van het gas.
Wat zijn de te verwachten prijseffecten van teerzandolie en wat zijn de consequenties voor het marktaandeel van duurzaam opgewekte energie?
Aangezien het aandeel teerzandolie in de Nederlandse energiemix op dit moment klein is, is er geen prijseffect te verwachten. Het aandeel duurzame energie in transport wordt bovendien bepaald door de huidige EU doelstellingen voor duurzame energie in transport uit de EU Richtlijn hernieuwbare energie en de CO2-reductiedoelstelling uit de Richtlijn Brandstofkwaliteit, en niet zozeer door de prijs van de hernieuwbare energie.
Wat voor invloed heeft de import van teerzandolie op de Nederlandse en de Europese ambities om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen terug te brengen?
De import van teerzandolie door private oliehandelaren heeft geen invloed op de ambities van het Nederlandse kabinet ten aanzien van het terugdringen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. In het SER-Energieakkoord zijn de
Nederlandse ambities vastgelegd met betrekking tot energiebesparing en het stimuleren van hernieuwbare energie. Beide zaken dragen bij aan het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. In de EU zijn, zoals u weet, tijdens de Europese Raad van 23 en 24 oktober jl. de Europese ambities vastgelegd ten aanzien van energiebesparing en hernieuwbare energie in de raadsconclusies over het Klimaat- en Energiepakket 2020–2030. Tijdens het bepalen van het ambitieniveau heeft teerzandolie geen rol gespeeld.
Heeft u plannen om teerzandolie uit Nederland te weren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen plannen om teerzandolie te weren uit Nederland. Ik deel de zorgen over de negatieve impact die teerzandolie heeft op het milieu in Canada en op het klimaat. Dat betekent echter niet dat het zonder meer mogelijk is de Nederlandse grenzen voor teerzandolie te sluiten. Een importverbod voor teerzandolie zou een grote handelsverstorende werking hebben. Dat effect wordt nog versterkt omdat het aandeel teerzandolie in geïmporteerde producten niet te traceren is. Daardoor zou een Nederlands importverbod niet alleen de import van ruwe olie raken, maar alle producten waarvan het vermoeden bestaat dat deze teerzandolie zouden kunnen bevatten.
Bent u bereid de vriendschappelijke relatie met Canada te benutten om via bilateraal overleg in te zetten op een versterking van de handel in met name producten en diensten die het milieu niet belasten? Zo nee, waarom niet?
De eventuele versterking van de handel in goederen en diensten, waaronder goederen en diensten die het milieu niet belasten, loopt niet op bilateraal niveau, maar in EU-verband. Binnen de EU zet Nederland in op de opname van speciale bepalingen ter bevordering van duurzame handel, zo ook in het vrijhandelsverdrag met Canada.
Specifiek is in het vrijhandelsverdrag met Canada een uitgebreid hoofdstuk opgenomen ter bevordering van duurzame handel en ontwikkeling. Beide partijen benadrukken de wederzijdse inachtneming van onder andere ILO-conventies, de Verklaring van Johannesburg over duurzame ontwikkeling en de Verklaring van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling. Specifiek wordt ingegaan op de wederzijdse inzet op de bevordering van duurzame handel door middel van de verbeterde coördinatie en integratie van arbeids-, milieu en handelsbeleid. Om toezicht te houden op de implementatie, coördinatie en monitoring van deze bepalingen zal een aparte instantie worden opgericht.
Wanneer u zegt dat het handelsverdrag met Canada bindend is en Nederland zich daar, onder het juk van de Europese Unie, aan gecommitteerd heeft, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat we naar een toekomst moeten die grotendeels, zo niet louter drijft op duurzaam opgewekte energie, wie van u is dan Dr. Jekyll en wie Mr. Hyde? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de beantwoording van deze vragen blijkt dat het akkoord met Canada geen bedreiging vormt voor een toekomst gebaseerd op duurzaam opgewekte energie.
Louche asbestverwijderaars |
|
Yasemin Çegerek (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ministerie kan niets doen tegen louche asbestverwijderaars»?1
Ja, het artikel is mij bekend.
Is de informatie in het artikel correct, te weten «de overheid kan niets doen tegen frauderende asbestverwijderingsbedrijven die na het kwijtraken van een certifering via een andere rechtspersoon opnieuw een vergunning aanvragen respectievelijk verkrijgen»? Zo ja, vindt u dat ook onaanvaardbaar? Hoe vaak is een en ander bij uw weten voorgekomen?
De informatie in het artikel, dat een aantal bedrijven probeert om de regels te omzeilen door het oprichten van een andere rechtspersoon, is correct. De problematiek spitst zich toe op het aanvragen van een (nieuw) certificaat, bij een andere cki, op het moment dat het eerdere certificaat nog niet is ingetrokken. Op basis van de op dit moment beschikbare gegevens hebben ongeveer 5 bedrijven geprobeerd om de regels op dit punt te omzeilen, waarbij een bedrijf onder andermans certificaat doorwerkte en een andere onder een nieuwe rechtspersoon een doorstart probeerde te maken. In Nederland zijn op dit moment 308 gecertificeerde asbestverwijderings-bedrijven actief.
Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft regels voor de weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een certificaat wanneer sprake is van onjuiste gegevens of omstandigheden. Ook bij het niet (meer) voldoen aan wettelijke verplichtingen of wanneer de werkzaamheden ernstig gevaar veroorzaken of kunnen veroorzaken. Dit is uitgewerkt in certificatieschema’s. Wanneer een nieuwe rechtspersoon voldoet aan de criteria uit het certificatieschema, is er formeel nog geen weigeringgrond om een certificaat af te geven.
Bent u bereid op de kortst mogelijke termijn de benodigde actie te ondernemen om misstanden als hierboven bedoeld effectief tegen te gaan? Zo ja, bent u bereid om in overleg met de branche in gevallen zoals hierboven bedoeld per direct geen certificaten meer af te geven dan wel deze in te trekken? Ziet u andere mogelijkheden om in gevallen als deze reeds afgegeven certificaten in te trekken?
Ik vind het onaanvaardbaar dat bedrijven of personen na het intrekken van een certificaat onder een ander certificaat hun werkzaamheden op dezelfde manier voortzetten. Ik zet mij in om dit gedrag, wat enkele bedrijven hebben vertoond, maximaal te voorkomen. Ik ben bezig de mogelijkheden daartoe te verkennen en overleg daarbij ook met de branche. Momenteel wordt in samenwerking met de beheersstichting en het college van deskundigen bepaald welke maatregelen verder getroffen worden in gevallen waarin de huidige regelgeving nog niet voldoende voorziet. De Inspectie SZW blijft onverminderd en intensief inspecteren. Met name op bedrijven die structureel de wet niet naleven: notoire overtreders en niet-nalevers.
Bent u bereid tot een wetsaanpassing op de kortst mogelijke termijn, zodat misstanden als hier aan de orde snel tot het verleden gaan behoren? Zo nee, op welke wijze gaat u dat dan realiseren?
Ik bereid aanpassing van de regelgeving voor. Dit zal leiden tot aanpassing van het certificatieschema. Hiertoe zoek ik de samenwerking met de branche, waaronder beheersstichting Ascert, en met de cki’s. Indien blijkt dat een wetsaanpassing een oplossing kan bieden in die gevallen waarin bedrijven misbruik maken om onder sancties uit te komen, dan ben ik daar toe bereid.
Bent u bereid om op korte termijn met de Kamer in overleg te treden over een andere wijze van certificering van en toezicht op de asbestverwijderingsbranche met daarin een grotere rol van de overheid, nu niet voor het eerst sprake is van misstanden in deze branche? Zo nee, waarom niet?
Juist omdat bij het toezicht meer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden binnen het huidige stelsel (bevel tot preventieve (bedrijfs)stillegging in verband met recidive, intrekken certificaat, verhoogde boetes) ontstaat grote druk op bedrijven die zich niet aan de regels houden, die daardoor naar nieuwe uitwegen zoeken. Het ontduiken van regels wil ik zoveel mogelijk voorkomen door de regels voor het verkrijgen van het certificaat op dit specifieke punt aan te scherpen. Zoals ik uw Kamer eerder meldde, heb ik de teugels aangetrokken binnen het huidige systeem. Ik zie dat dit zijn vruchten begint af te werpen. Ik wil niet overstappen op een ander systeem (met bijbehorende beperkingen) zonder de mogelijkheden te hebben benut die het huidige systeem biedt.
Deelt u de mening dat zelfregulering in deze branche al jaren zorgt voor dit soort praktijken en daarom een strenger toezicht en handhaving essentieel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u de branche aanpakken zodat dergelijke misstanden fors worden teruggedrongen? «Ministerie kan niets doen tegen louche asbestverwijderaars»
Ik heb geen aanwijzing dat zelfregulering zorgt voor dit soort praktijken. Het gaat nu om een klein aantal bedrijven dat de randen van de wetgeving opzoekt. Dat zullen zij onder druk van dreigende zware sancties altijd proberen te doen, ook wanneer er geen zelfregulering zou zijn.
Ik deel wel uw mening dat streng toezicht en strenge handhaving essentieel is. Om die reden is er ook een forse inzet van Inspectie SZW op deze branche. Elke gecertificeerde verwijderaar kan meerdere keren per jaar worden geïnspecteerd, en niet-nalevers en notoire overtreders worden extra in de gaten gehouden. Ook zijn sancties verzwaard en wordt recidive hard aangepakt. Dit toezicht van Inspectie SZW staat naast het toezicht dat door de cki’s op de certificaathouders wordt gehouden.