Schepenveilingen door de Rabobank aan de Rabobank |
|
Farshad Bashir |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Rabo hoogste bieder op schepenveiling»?1
Ik ben bekend met het artikel in De Schuttevaer van 29 november jl.
De Rabobank geeft desgevraagd aan dat de beschreven werkwijze klopt. Indien de door de Rabobank vooraf gestelde bodemprijs (gebaseerd op een inschatting van de minimale opbrengstwaarde) niet wordt gehaald, koopt de Rabobank via een dochteronderneming dit schip in. De Rabobank hanteert deze werkwijze met het oogmerk om het schip op een later moment alsnog te verkopen, dan wel het te exporteren of demonteren tegen een reële waarde.
De bodemprijs ligt in alle gevallen hoger dan de door deskundige makelaars vastgestelde executiewaarde van het betreffende schip. Dit heeft een gunstige invloed op de restschuld van de schipper.
Klopt het dat de Rabobank middels een eigen of een aan de Rabobank verbonden BV een deel van de schepen die geveild werden en waar zij zelf een hypotheek op had, gekocht heeft? Kunt u deze constructie toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Rabobank vervolgens aanspraak kan maken op een staatsgarantie van 1 miljoen euro per schip? Kunt u dit toelichten? Indien dit klopt, wat vindt u van deze constructie?
Bij het verstrekken van een krediet voor de aankoop van een binnenvaartschip kan gebruik worden gemaakt van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) van het Ministerie van Economische Zaken. De maximum hoogte van het krediet dat onder de regeling gebracht kan worden is regulier € 1 miljoen2.
De verkoop van het schip vermindert de schuld van de ondernemer, ook als de verkoop plaats vindt aan een dochter van de bank. Alleen een eventueel resterend verlies op het deel van het totaal verleende krediet dat onder de BMKB valt kan gedeclareerd worden. Er vindt dus geen dubbele vergoeding aan de bank plaats.
De constructie beoogt een opbrengst onder de door onafhankelijke experts vastgestelde bodemprijs te voorkomen, waardoor zowel de ondernemer als de Staat niet door deze constructie worden benadeeld. Ik heb daarom geen bezwaar tegen deze constructie.
Wordt de schuld van de schipper van het desbetreffende schip dan ook met 1 miljoen euro verminderd of blijft die onverminderd? In het laatste geval, deelt u de mening dat dit onterecht is, als een groot deel van het verlies van de bank al door de Staat gecompenseerd is door de garantieregeling ter waarde van 1 miljoen euro per schip?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, wordt de schuld van de ondernemer verminderd met de opbrengst van de verkoop van het schip. Dit bedrag kan dus niet ook bij de Staat gedeclareerd worden. Als er nog schuld resteert en een deel van het krediet valt onder de BMKB-regeling, krijgt de bank dit vergoed als aan de voorwaarden is voldaan. Om de belangen van de Staat te waarborgen, blijft de ondernemer wel aansprakelijk voor het door de overheid vergoede bedrag.
Deelt u de mening dat er zo een prikkel voor de Rabobank is om een bod op een eigen schip uit te brengen om in ieder geval die 1 miljoen euro te kunnen incasseren?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, wordt de schuld van de ondernemer al verminderd door de verkoop van het schip, en kan de opbrengst van de verkoop niet ook vergoed worden in het kader van de BMKB-regeling. Er is dan ook geen prikkel voor de bank vanuit de BMKB-regeling om zelf een bod uit te brengen bij verkoop van een schip.
Wat vindt u ervan dat vervolgens de schipper van een dergelijk schip weer aan het werk gaat als zogenaamde aflosser om zijn schulden af te lossen?
De Rabobank geeft aan dat schepen in deze constructie uit de vaart gaan en de voormalig eigenaar geen betrokkenheid houdt. De ondernemer zal aansprakelijk blijven voor een eventuele restschuld, zoals gebruikelijk is bij een bedrijfsfaillissement, maar deze niet vereffenen door zonder vergoeding op het schip te blijven werken. Zoals uit het antwoord op vraag 5 blijkt is er ook geen sprake van subsidie aan de Rabobank bij de aankoop van een schip.
Deelt u de mening dat de Rabobank hierdoor een schip in eigendom krijgt met een miljoen euro subsidie en met aan boord een schipper die (een groot deel van zijn leven) gratis «25 uur per dag, 8 dagen per week» aan het werk moet om zijn schulden aan de Rabobank af te lossen? Wat vindt u hiervan? Vindt u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Rabobank met deze gesubsidieerde schepen, met aan boord een aflosser, niet onder de kostprijs gaat varen en zo nog meer schippers in problemen gaat brengen?
Zoals uit het antwoord op vraag 7 blijkt, is geen sprake van gesubsidieerde schepen, of het gratis blijven werken door de binnenvaartschipper. De constructie leidt dus niet tot schepen die onder de kostprijs kunnen varen.
In gesprekken eind 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met de betrokken banken is gebleken dat de banken zich in het algemeen maximaal inspannen om binnenvaartondernemingen in de huidige situatie van langdurige overcapaciteit aan de gang te houden. Faillissementen op grote schaal konden hiermee tot nu toe vermeden worden, maar zijn in individuele gevallen soms onvermijdelijk. Opleggen, exporteren of demonteren van schepen in deze gevallen dragen er wel aan bij dat negatieve effecten voor de markt als geheel voorkomen kunnen worden.
De transitievergoeding voor seizoenwerkers |
|
Johannes Sibinga Mulder |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ontslagvergoeding seizoenwerkers flink hoger»?1
Ja
Klopt het bericht dat werkgevers door de terugwerkende kracht met hoge transitievergoedingen te maken kunnen krijgen?
De regeling van de transitievergoeding heeft onmiddellijke werking (dus geen terugwerkende kracht). Dat wil zeggen, zij geldt in beginsel voor iedere werknemer die op of na 1 juli 2015 wordt ontslagen. Er is geen onderscheid gemaakt tussen vaste en flexibele werknemers. Dus ook voor werknemers van wie de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op of na 1 juli 2015 afloopt (en niet wordt verlengd) geldt dat zij recht hebben op een transitievergoeding als aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan. Daarmee wordt de gelijke behandeling van vaste en tijdelijke werknemers bevorderd en het verschil tussen deze categorieën van werknemers verkleind.
Voor het bepalen van het recht op transitievergoeding (en de omvang hiervan) telt de periode van voor 1 juli 2015 mee. Als een werknemer bijvoorbeeld drie jaar in dienst was – en dus aan het vereiste voor het ontstaan van een recht op transitievergoeding is voldaan, te weten: een dienstverband van ten minste twee jaar – heeft hij recht op een transitievergoeding van 1 maandsalaris (1/3 maandsalaris per dienstjaar). Dat geldt dus ook voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zou het arbeidsverleden van voor 1 juli 2015 niet meetellen voor het bepalen van het recht op transitievergoeding (en de omvang hiervan) dan zou dit tot gevolg hebben dat werknemers die nu al aanspraak kunnen maken op een vergoeding bij ontslag, erop achteruitgaan. Daarom is hier niet voor gekozen.
Daarnaast is geregeld dat als arbeidsovereenkomsten elkaar met een tussenpoos van 6 maanden of minder opvolgen, zij voor het bepalen van het recht op een transitievergoeding (en de omvang hiervan) worden samengeteld. Gevraagd wordt waarom voor de periode tot 1 juli 2015 er niet voor gekozen is deze zogenoemde onderbrekingsperiode te stellen op 3 maanden, waarbij uitgegaan wordt van de veronderstelling dat die periode tot 1 juli 2015 geldt. Dit laatste is echter niet het geval. De regeling van de transitievergoeding is een nieuwe regeling die pas inwerking treedt op 1 juli 2015.
Aangenomen wordt dan ook dat gedoeld wordt op de zogenoemde ketenbepaling die thans een onderbrekingsperiode kent van 3 maanden. Deze periode wordt met de Wet werk en zekerheid op 1 juli 2015 gesteld op 6 maanden. Hierbij wordt voorzien in overgangsrecht om te voorkomen dat arbeidsovereenkomsten die in het verleden elkaar met een tussenpoos van meer dan drie maanden (maar ten hoogste zes) hebben opgevolgd, niet alsnog moeten worden samengeteld. Het kan immers niet zo zijn dat door de wetswijziging met terugwerkende kracht alsnog arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd gaan ontstaan daar waar dat op grond van de oude regeling niet het geval was.
Voor de transitievergoeding geldt geen vergelijkbaar overgangsrecht. De reden hiervoor is dat het hier (anders dan de ketenbepaling) een nieuwe regeling betreft die mede is bedoeld om de grote verschillen tussen vaste en flexibele werknemers te verkleinen, niet om die te laten voortduren. Dat laatste zou (feitelijk) het geval zijn als geregeld was dat voor het recht op transitievergoeding arbeidsovereenkomsten van voor 1 juli 2015 alleen meetellen als zij elkaar met een onderbreking van 3 maanden of minder opvolgen. Voor veel (zo niet welhaast alle) werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst, zou dat betekenen dat alleen tijdelijke arbeidsovereenkomsten die eindigen op of na 1 juli 2015 meetellen voor het recht op transitievergoeding. Dat zou tegengesteld zijn aan het uitgangspunt dat voor het recht op een transitievergoeding geen onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke en vaste werknemers. In dit verband is het goed om op te merken dat een werkgever nu ook niet in alle gevallen een vergoeding verschuldigd is bij het ontslag van een vaste werknemer. Na 1 juli 2015 zal dat wel het geval zijn waarbij ook voor hen perioden gelegen voor deze datum meetellen voor het recht op transitievergoeding. De onmiddellijke werking geldt dus ook ten aanzien van (deze) vaste werknemers. Bovendien zouden tijdelijke werknemers dubbel nadeel ondervinden van een dergelijke regeling. Na eerst in het verleden telkens met onderbrekingen van meer dan 3 maanden steeds opnieuw op tijdelijke arbeidsovereenkomsten werkzaam te zijn geweest, zouden die arbeidsovereenkomsten ook niet meetellen voor de berekening van de transitievergoeding. Dit, terwijl zij net als vaste werknemers gedurende een lange periode werkzaam zijn bij de werkgever.
Ten slotte merk ik op dat als het gaat om het recht op transitievergoeding (en de omvang hiervan) voor kleine werkgevers voorzien is een overgangsregeling. Deze houdt in dat als een arbeidsovereenkomst eindigt (waaronder in dit verband ook moet worden verstaan, het niet voortzetten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst) wegens bedrijfseconomische redenen die het gevolg zijn van een slechte financiële situatie van de werkgever, perioden gelegen voor 1 mei 2013 buiten beschouwing worden gelaten.
Kunt u aangeven waarom er voor gekozen is om het arbeidsverleden van voor de ingangsdatum van de Wet werk en zekerheid mee te nemen bij het toekennen van de transitievergoeding? Waarom wordt er bij de rekenmethode ook voor de arbeidsperiode voor 1 juli 2015 gebruik gemaakt van een onderbrekingsperiode van 6 maanden in plaats van 3 maanden (die tot 1 juli 2015 geldt)?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom er geen overgangsrecht geldt voor deze ondernemers, zodat bedrijven zich hier op voor hadden kunnen bereiden?
Zie antwoord vraag 2.
Is deze uitwerking de bedoeling van de wet? Zo ja, waarom spreekt werkgeversorganisatie AWVN2 dan van een zeer onredelijke uitwerking die iedereen is ontgaan? Zo nee, wat gaat u er aan doen om dit te veranderen?
Uit het hiervoor gegeven antwoord op de vragen 2, 3 en 4 blijkt dat de uitwerking van de regeling overeenkomstig de bedoeling van de wet is. Ik zie dan ook geen aanleiding om de regeling te wijzigen.
Tot welke effecten kan dit leiden? Is het denkbaar dat werkgevers groepen mensen ontslaan en een nieuwe groep in dienst nemen?
Ik ga daar niet vanuit, ook al omdat de opbouw van de transitievergoeding (1/3 maandsalaris per dienstjaar) niet zodanig is dat werkgevers hierdoor voor onoverkomelijke problemen zullen worden gesteld.
Wilt u, nu uit het artikel blijkt dat werkgevers niet goed op de hoogte zijn van deze uitwerking van de wet, hier extra ruchtbaarheid aan geven?
Ja. Dat zal ik doen via websites van de rijksoverheid, alsmede via en in samenspraak met sociale partners.
Visserij voor de kust van de Westelijke Sahara |
|
Harry van Bommel |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Herinnert u zich uw antwoord op een vraag over een onder Nederlandse vlag varend schip dat voor de kust van de Westelijke Sahara vist?1
Ja.
Waarop is het uitgangspunt van onder andere de Europese Commissie gebaseerd dat ten aanzien van niet-zichzelf besturende gebieden economische activiteiten rechtmatig zijn, zolang deze de behoeften, belangen en voordelen ervan voor de bevolking niet veronachtzamen? Is dit ook uw standpunt? Is er een juridische opinie die dit standpunt onderbouwt? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Zoals ook blijkt uit antwoorden op vragen van het Europees parlement is het uitgangspunt van de Europese Commissie gebaseerd op het VN-standpunt waarin Marokko wordt beschouwd als de facto beherende macht in het niet-zichzelf besturende gebied Westelijke Sahara. Ook Nederland deelt het VN standpunt. Het VN standpunt wordt onderbouwd in de opinie van de toenmalig Juridisch Adviseur van de VN in zijn brief aan de President van de Veiligheidsraad van 12 februari 2002. De opinie is openbaar en te raadplegen op http://www.arso.org/Olaeng.pdf.
Is het waar dat dit uitgangspunt van de Europese Commissie afwijkt van eerder ingenomen standpunten van het kabinet hierover?2 Indien ja, waarom is dit het geval?
Nee.
Is het waar dat de in vraag 1 genoemde visserijactiviteiten alleen in lijn met het internationaal recht kunnen zijn als de oorspronkelijke bevolking via zijn vertegenwoordigers toestemming ervoor verleent? Indien neen, waarom niet?
Nee, naar de huidige stand van het internationaal recht is geen toestemming van vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bevolking vereist. Op basis van het internationaal recht zou de exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van een niet-zichzelf besturend gebied, waaronder visserijactiviteiten, wel in overleg met de vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bevolking moeten plaatsvinden. Nederland streeft ernaar dit element gezamenlijk met andere EU-lidstaten in het onderhandelingsmandaat van de Europese Commissie te krijgen. Zie ook de antwoorden op de Kamervragen van het lid Van Bommel van 12 mei 2006 over de visserijverdragen tussen de Europese Unie en Marokko, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2005–2006, nr 1575.
Kunt u aangeven hoe de opbrengsten van de visserijactiviteiten van het Nederlandse schip (en mogelijk andere EU-schepen) concreet ten goede komen aan de oorspronkelijke bevolking van het gebied? Hoe worden de hiermee samenhangende internationaalrechtelijke verplichtingen door Marokko precies geïmplementeerd?
Nederland is van oordeel dat de opbrengsten van de visserij via de EU-afdrachten ten behoeve van toegang tot onder meer de wateren van de Westelijke Sahara, waar Marokko feitelijk gezag uitoefent, ook ten goede moeten komen aan de oorspronkelijke bevolking van de Westelijke Sahara.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 15 oktober 2014 (TK 21 501-32, nr 753) zijn in het protocol alleen afspraken gemaakt over de EU-bijdrage voor de ontwikkeling van de visserijsector. Over de besteding van de financiële vergoeding voor toegang van de visserijvaartuigen van EU-lidstaten zijn geen afspraken gemaakt. De sectorale steun bedraagt € 14 miljoen per jaar. Marokko moet de uitgaven in het kader van de ontvangen steun jaarlijks verantwoorden en hierbij ook de geografische locatie aangeven, alsmede de te verwachte en gerealiseerde sociale en economische impact.
In het Gemengd Comité dat in september jl. bijeenkwam in Rabat heeft Marokko 31 projecten aangemeld op het gebied van infrastructuur, training en onderzoek en daarbij onder meer aangegeven wat de verwachte effecten zijn, zoals de impact op de lokale werkgelegenheid. Van deze projecten zijn er 13 in de Westelijke Sahara en komen 12 projecten ten goede aan de visserijsector in de gehele regio. Het gaat bij deze tweede groep van 12 projecten vooral om projecten op het gebied van onderzoek en visserijcontrole. Marokko moet voor het volgende Gemengd Comité rapporteren over de voortgang van de projecten en aangeven in hoeverre de doelstellingen zijn gerealiseerd. Het volgende Gemengd Comité vindt naar verwachting in september 2015 plaats.
De onwettigheid van de bewaarplicht van telecomgegevens van burgers |
|
Gerard Schouw (D66), Sharon Gesthuizen (GL), Kees Verhoeven (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Wat is uw reactie op het bericht: «Kabinet moet per direct handhaving bewaarplicht stopzetten?1
Ik heb van dit bericht kennis genomen. Voor mijn reactie verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Erkent u dat de huidige Nederlandse Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens in strijd is met het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zoals aangegeven door de Raad van State? Zo ja, hoe verhoudt het laten doorlopen van de huidige Wet bewaarplicht telecomgegevens zich tot artikel 94 van de Grondwet dat stelt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties?
Nee, de voormalige richtlijn dataretentie kan niet op één lijn worden gesteld met de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens, omdat hiermee geen recht wordt gedaan aan de Nederlandse wetgeving op het gebied van de bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden afgeleid dat het gehele wettelijke stelsel rond de bewaarplicht dient te worden beoordeeld om de vraag van de verenigbaarheid met het Handvest afdoende te kunnen beantwoorden. Tot nu toe heeft noch de Europese noch de nationale rechter geoordeeld over de kwaliteit van de Nederlandse regeling als zodanig. Voor die beoordeling is van belang dat de richtlijn dataretentie geen uitgewerkte regels bevatte over de toegang tot de bewaarde gegevens noch over de bescherming en de beveiliging van die gegevens. De nationale wettelijke regeling rond de bewaarplicht van telecommunicatiegegevens omvat die regels echter wel. Op grond van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gelden gedetailleerde regels voor de verstrekking van de bewaarde gegevens aan de officier van justitie (artikel 126na/ua Sv). Ook voorziet de Nederlandse wetgeving in gedetailleerde regels over gegevensbescherming en gegevensbeveiliging. In de reactie van het kabinet op de uitspraak van het Hof van Justitie is hier nader op ingegaan2. Mede naar aanleiding van de voorlichting van de Raad van State stelt de regering voor de nationale wettelijke regeling op enkele onderdelen aan te passen en extra waarborgen in te bouwen zodat buiten twijfel is dat deze regeling in overeenstemming is met het Handvest van de grondrechten, naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie.
Welke rechtsgevolgen kan het doorlopen van de huidige bewaarplicht voor telecomgegevens hebben nu in strijd met het Europees verdrag, het Europees Handvest, EVRM en de Grondwet, gegevens over burgers worden verzameld?
Gelet op het antwoord op vraag 2 zie ik zie geen andere rechtsgevolgen aan het doorlopen van de bewaarplicht dan dat de aanbieders gehouden zijn de verplichtingen van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens na te leven en de in die wet aangewezen telecommunicatiegegevens te bewaren ten behoeve van de opsporing en vervolging van ernstige strafbare feiten.
Klopt het dat providers een vergoeding kunnen eisen van de Nederlandse Staat als de wet toch wordt uitgevoerd?
Providers zouden een gerechtelijke procedure kunnen starten, waarin zij zich op het standpunt stellen dat handhaving van de – rechtmatig tot stand gekomen – Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens onrechtmatig is jegens hen (artikel 6:162 BW). In een dergelijke procedure kan ook schadevergoeding worden gevorderd. Het is aan de rechter om over een dergelijke vordering te oordelen.
Bent u bereid in het licht van het bovenstaande de uitvoering van de huidige wet te bevriezen totdat het parlement de voorgestelde wetswijziging heeft behandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding de uitvoering van de huidige wet te bevriezen totdat het parlement de voorgestelde wetswijziging heeft behandeld. De Nederlandse wetgeving is rechtsgeldig tot stand gekomen, op basis van de daarvoor geldende procedures. Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, volgt uit de Grondwet niet dat de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens ingetrokken of opgeschort moet worden nu de richtlijn door het Hof van Justitie ongeldig is verklaard. Dit klemt temeer daar de regering overtuigd is van het belang en de onmisbaarheid van een bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens, zoals in de reactie is aangegeven3. Hiervoor kan ook worden gewezen naar het rapport van het WODC over de evaluatie van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens4.
Is het waar dat providers door hun klanten voor de rechter gedaagd kunnen worden, waarbij die klanten zich op het standpunt stellen dat het bewaren van gegevens in het kader van de bewaarplicht onrechtmatig is? Bent u bereid om providers te vrijwaren van claims van klanten die hen aansprakelijk stellen voor het onrechtmatig bewaren en beschikbaar stellen van gegevens over die klanten?
Ja, het is in beginsel mogelijk dat providers door hun klanten voor de rechter worden gedaagd, omdat naar het oordeel van die klanten het bewaren en beschikbaar stellen van gegevens onrechtmatig is. Ik ben niet bereid providers voor dergelijke claims te vrijwaren. Wel heeft een provider de mogelijkheid om te proberen eventuele schade die hij moet vergoeden aan een klant vanwege het bewaren en beschikbaar stellen van gegevens van die klant, op de overheid te verhalen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of het verhalen van schade kans van slagen kan heeft.
Kunt u een inschatting maken van de investeringen die de providers hebben gedaan om te kunnen voldoen aan de bewaarplicht?
Nee. Voorafgaand aan de behandeling van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens in de Eerste Kamer is door het Agentschap Telecom een nulmeting (mei 2010) verricht waarbij onder andere de marktpartijen is gevraagd om een reactie op de te verwachten investeringskosten. In de brief van de Minister van Economische Zaken aan de Eerste Kamer van 17 augustus 20105, is aangegeven dat uit deze nulmeting blijkt dat de onderzochte internetaanbieders niet voor onoverkomelijke problemen worden gesteld door de bewaarplichten. De (extra) investeringskosten zijn nadien niet aan een verdere analyse onderworpen.
Bij het analyseren van de (investerings-)kosten is te bedenken dat aanbieders de gegevens om bedrijfseconomische redenen moeten verzamelen, zoals voor het kunnen afwikkelen van het telecommunicatieverkeer of voor het opstellen van een factuur. Bij bewaarplichten gaat het dan in beginsel om het voor een bepaalde termijn moeten bewaren van gegevens. Deze termijn kan afwijken van de termijn die voor de bedrijfsvoering vereist is en deze zal ook per aanbieder kunnen verschillen. De extra investeringskosten hebben dan voornamelijk betrekking op dataopslag. Afhankelijk van bedrijfseconomische afwegingen zullen, door technologische vooruitgang, bij vervangingsinvesteringen de kosten van dataopslag worden beperkt.
Het bericht dat de chemiesector laks omgaat met regels |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Chemiesector laks met regels» en met het proefschrift «Optic Compliance – Enforcement and Compliance in the Dutch Chemical Industry»?1
Ja.
Herkent u de in het bericht en proefschrift geschetste omvang van het probleem?
De conclusies uit het proefschrift bevestigen het beeld dat uit de onderzoeken van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) over Chemie Pack en Odfjell naar voren is gekomen. Het kabinet heeft dat beeld in de reactie op de rapporten van de OvV ook onderkend. Het proefschrift is gebaseerd op inspectiegegevens uit de periode 1999 t/m 2011. Dat beeld over die periode wordt met dit onderzoek wederom bevestigd.
Herkent u het tekortschietende toezicht dat wordt aangekaart in het proefschrift? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat milieu en veiligheid permanente aandachtspunten moeten zijn binnen chemiebedrijven, in plaats van dat het aangekaart wordt na misstanden? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het signaal, dat het toezicht door de Inspectie op de Leefomgeving en Transport op de permanente veiligheid te wensen over laat?
Ja, uiteraard verwacht ik van chemiebedrijven dat zij hun verantwoordelijkheid ten volle nemen. De bedrijven zijn zelf primair verantwoordelijk voor de naleving van de regels voor milieu en veiligheid. De drie kerntoezichthouders voor BRZO (WABO bevoegd gezag, inspectie SZW en Veiligheidsregio’s) zijn verantwoordelijk voor het toezicht op deze naleving. De Inspectie Leefomgeving en Transport ziet op deze voorschriften niet rechtstreeks toe, maar heeft wel vanuit de stelselverantwoordelijkheid een interbestuurlijke toezichtsrol op het bevoegd gezag.
Deelt u de mening dat er binnen de chemiesector een cultuuromslag moet plaatsvinden, waarbij de sector zelf ook verantwoordelijkheid gaat dragen voor de veiligheid? Zo ja, op welke wijze gaat u hieraan bijdragen?
Ik ben van mening dat een chemisch bedrijf zelf primair verantwoordelijk is voor de veiligheid. Dit uitgangspunt is ook geformuleerd in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de onderzoeken van de OvV over Chemie Pack en Odfjell. Het bedrijfsleven onderneemt ook zelf actie om de veiligheidsprestatie te verbeteren onder andere in het programma Veiligheid Voorop.
Dergelijke initiatieven stimuleer en faciliteer ik bijvoorbeeld in de vorm van Safety Deals.
Deelt u de conclusie van het proefschrift dat bevindingen regelmatig niet gearchiveerd worden? Zo ja, wat voor maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
In het verleden kwam het inderdaad voor dat toezichthouders niet al hun bevindingen vastlegden dan wel dit op verschillende manieren deden. BRZO+ (WABO bevoegd gezag, inspectie SZW, Veiligheidsregio’s, Inspectie Leefomgeving en Transport, OM en Rijkswaterstaat) heeft dit aandachtspunt opgepakt door afspraken te maken over uniforme vastlegging van bevindingen en overtredingen in de gemeenschappelijke rapportages.
Deelt u de conclusie van het proefschrift dat het beleid voor toezicht op de chemiesector te vaag en versnipperd is en dat er vaker en steviger toezicht nodig is om de veiligheid te waarborgen? Bent u bereid een gezamenlijke en heldere strategie voor handhaving van de regelgeving op te stellen?
De door het kabinet ingezette maatregelen richten zich onder andere op het versterken van het toezicht op de majeure risicobedrijven. Zo is er verregaande samenwerking tussen de verschillende toezichthouders in BRZO+ en is de landelijke BRZO-handhavingstrategie vastgesteld. De handhavingstrategie wordt ook al gebruikt door de toezichthouders.
Welke conclusies zijn getrokken in het gezamenlijk overleg dat de inspecties zouden voeren om het versnipperde beleid tegen te gaan, zoals door u aangegeven in het debat over de veiligheid bij Odfjell van vorig jaar?
Sinds 1 januari 2014 is BRZO+ actief waarin de drie kerntoezichthouders (WABO bevoegd gezag, Inspectie SZW en de Veiligheidsregio’s) nauw samenwerken. BRZO+ heeft zich in 2014 gericht op de nadere invulling van integraal toezicht onder andere door middel van de uitrol en toepassing van de landelijke BRZO-handhavingstrategie.
Deelt u de conclusie van het proefschrift dat de chemiesector duidelijker de risico’s en gevaren voor de omgeving openbaar moeten maken? Bent u bereid de bedrijven te verplichten deze informatie te delen met een website als http://www.risicokaart.nl/ zodat omwonenden bekend zijn met de gevaren in hun omgeving?
Het is belangrijk dat de risico’s voor de omgeving voldoende duidelijk zijn. De risicokaart bevat informatie over risicovolle bedrijven. Deze informatie is verstrekt door de bedrijven aan bevoegd gezag. Bevoegd gezag levert deze informatie aan voor de risicokaart. Voorts worden juist om de omgeving te informeren publieksvriendelijke samenvattingen van inspectierapporten openbaar gemaakt.
Wat gaat u doen met de suggesties in de initiatiefnota van de D66-fractie «Veiliger omgaan met chemie»?2
In de brief van 4 december 20133 is uitvoerig ingegaan op de initiatiefnota van de D66-fractie. Daarin is aangegeven of en hoe de in de initiatiefnota genoemde punten worden meegenomen in de maatregelen die door kabinet en bedrijfsleven zijn ingezet.
Ten behoeve van het komende AO Externe Veiligheid zal ik u een actuele stand van zaken doen toekomen.
Het artikel ‘Twentse bedrijven op weg naar Duitse grond’ |
|
Han ten Broeke (VVD), Michiel van Veen (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Twentse bedrijven op weg naar Duitse grond»?1
Ja.
Is het waar dat alleen dit jaar al zes Twentse bedrijven naar Gildehaus zijn verhuisd of daar hebben uitgebreid en dat het erop lijkt dat meerdere Twentse en Achterhoekse bedrijven naar Duitsland zullen verhuizen?
Zie mijn brief van 20 januari 2015 (Kamerstuk 32 637, nr. 164) over het vestigingsklimaat Twente en de sluiting van de Philips-vestiging in Emmen.
Wat zegt dit bericht over het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u de ontwikkeling dat Nederlandse bedrijven in de grensregio’s aan de andere kant van de grens gaan investeren? Zo ja, welke signalen heeft u daarover ontvangen? Welke gevolgen heeft het voor de werkgelegenheid in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het gemiddelde verschil in grondprijs tussen de grensgemeenten in Nederland en in Duitsland?
Grondprijzen worden mede door de markt bepaald; ze hangen o.a. samen met de economische ontwikkeling van de regio, de aanwezige fysieke en digitale infrastructuur, beschikbaarheid van arbeid en verkopersbelangen. De situatie verschilt sterk per regio. De grondprijzen kunnen in Duitsland significant, circa factor 5/6 oftewel 80–130 euro per m2, lager zijn ten opzichte van de regio Twente/Achterhoek.
Is bekend hoeveel internationale bedrijven Duitsland als vestigingslocatie verkiezen boven Nederland en waarom?
Over 2013 is van zes projecten bekend dat Duitsland boven Nederland is verkozen.2 In twee gevallen betrof het bedrijven die al een link met Duitsland hadden, in twee gevallen gaf de Duitse afzetmarkt de doorslag, in één geval speelden lagere kosten (een combinatie van energie-, arbeids-, grondkosten en kosten voor levensonderhoud) een rol en in één geval was het acquisitietraject met Duitsland al te ver doorlopen om alsnog de keuze voor Nederland te maken.
Benaderen Nederlandse ambtenaren ook Duitse en Belgische bedrijven over de grens met het aanbod om zich in Nederland te komen vestigen, net zoals het Duitse Bundesamt Nederlandse bedrijven benadert met aantrekkelijke voorwaarden?
Nee, er is geen actieve ambtelijke lobby om Duitse bedrijven naar Nederland te lokken. Verzoeken van Duitse bedrijven die zich oriënteren om zich in Nederland te vestigen worden uiteraard wel opgepakt. De NFIA richt zich bijvoorbeeld op de acquisitie van buitenlandse bedrijven en investeerders in Nederland. Ook de participatie-activiteiten van de regionale ontwikkelingsmaatschappijen hebben buitenlandse ondernemers in het vizier.
Bent u bereid om in kaart te brengen hoe het Nederlandse vestigingsklimaat in de grensregio’s verschilt van Duitsland en België en daarbij de verschillen te duiden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de rol van de regionale steunkaart in het aantrekken van bedrijven?
De regionale steunkaart maakt het mogelijk om in enkele vooraf aangewezen gebieden, waaronder de Achterhoek, beperkte staatssteun te geven. De regio’s die zijn aangewezen op de steunkaart kunnen op basis van de kaart zelf een regeling opstellen, die een extra stimulans is voor bedrijven om zich te vestigen of om zich uit te breiden. De uitvoering van deze regeling vindt vervolgens decentraal plaats, onder verantwoordelijkheid van de betreffende provincie of gemeente. Een goed voorbeeld is de subsidieregeling Regionale Investeringssteun Groningen, ten behoeve van ondernemingen in vooral het Eemsdelta-gebied.
Het bericht “Alleen Duitsers straks nog baas op Facebook” |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Alleen Duitsers straks nog baas op Facebook»?1
Ja.
Is het waar dat Duitsers straks een unieke positie hebben doordat zij als enige Europeanen Facebook voor de rechter kunnen dagen als hun naam, foto’s en video’s gebruikt worden en gebruikers in andere landen, waaronder Nederland, dit recht niet hebben? Zo ja, hoe en waarom kunnen Duitsers dit recht wel blijven behouden en hoe kan het dat er specifieke voorwaarden gelden die alleen op Duitsland van toepassing zijn? Zo nee, wat is er dan niet waar?2
Facebook heeft eind november aangekondigd per 1 januari 2015 wereldwijd nieuwe privacyvoorwaarden door te voeren. Het CBP gaat onderzoeken welke gevolgen dit heeft voor de privacy van Facebook-gebruikers in Nederland, onder meer hoe toestemming wordt verkregen voor het gebruiken van hun persoonsgegevens. Ik zal dit onderzoek afwachten en acht daarom de vraag hoe de positie van Nederland ten aanzien van Facebook zich verhoudt tot die van Duitsland, nu nog niet aan de orde.
Is het waar dat de Europese activiteiten van Facebook, door het hoofdkantoor in Dublin, onder de Ierse wet en privacyvoorwaarden vallen? Zo ja, wat betekent dit voor de bescherming van de privacy in Nederland van Nederlandse gebruikers van Facebook en de toepasselijkheid van Nederlands recht? Zo nee, welke wettelijke en privacyvoorwaarden zijn dan wel van toepassing?
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft aangegeven dat Facebook een vestiging heeft in Nederland, persoonsgegevens van inwoners in Nederland verwerkt en dat het CBP bevoegd is om als toezichthouder op te treden. Dit is in lijn met een uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak Google tegen Spanje van 13 mei 2014.
Is de inhoud van het genoemde bericht voor u aanleiding om de vernieuwde Facebook voorwaarden te laten onderzoeken door het College bescherming persoonsgegevens (CBP) of ziet u aanleiding om andere stappen te ondernemen? Zo ja, waar richt het onderzoek zich dan op of welke andere acties overweegt u? Zo nee, waarom niet?
Het CBP is een onafhankelijke toezichthouder en bepaalt zelf waarnaar het onderzoek doet. Het CBP heeft op 16 december 2014 aangekondigd het door Facebook aangekondigde nieuwe privacybeleid te onderzoeken. De aanleiding is de recente aankondiging van het bedrijf dat per 1 januari 2015 nieuwe privacyvoorwaarden zullen gelden voor Facebook-gebruikers. De privacyvoorwaarden geven Facebook onder meer het recht om gegevens en foto’s uit Facebook-profielen te gebruiken voor commerciële doeleinden. Het CBP heeft Facebook in een brief verzocht te wachten met het doorvoeren van het nieuwe privacybeleid tot de resultaten van het onderzoek bekend zijn.
Deelt u de mening dat de privacybescherming van Nederlandse gebruikers van Facebook minimaal gelijk moet zijn aan de bescherming van gebruikers uit andere EU-landen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Alle EU-landen dienen zich in ieder geval minimaal aan de EU-richtlijnen inzake privacy-bescherming te houden. Voor verdere inhoudelijke oordelen wacht ik de resultaten van het door het CBP aangekondigde onderzoek af. Ik verwijs ook naar de antwoorden op de vragen 1 en 4.
Vertraging bij de uitvoering van het cohesiebeleid 2014-2020 |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de vertraging die is opgelopen in de uitvoering van het cohesiebeleid voor de periode 2014–2020?1
Ja.
Wat vindt u van deze vertraging? Welke lidstaten blijven met name achter in de uitvoering van operationele programma's (OP's)? Waarom is dat? Ziet u in deze vertraging een desinteresse van lidstaten voor het cohesiebeleid en een extra reden om de omvang van het cohesiebeleid in de toekomst stevig te beperken?
De vertraging die het cohesiebeleid heeft opgelopen, kent hoofdzakelijk twee oorzaken. Dit betreft de late inwerkingtreding van het wetgevingspakket en de aangepaste programmeringssystematiek. Door de late inwerkingtreding van de cohesieverordeningen eind december 2013 waren lange tijd belangrijke onderdelen onduidelijk. Gedetailleerde regelgeving die voortvloeit uit de verordeningen en die vereist is voor het opzetten van programma’s, werden als gevolg hiervan pas in de loop van 2014 besproken. Hierdoor konden programma’s niet eerder ter goedkeuring worden ingediend bij de Europese Commissie.
Daarnaast is ook de programmeringssystematiek gewijzigd. Zo moeten programma’s in partnerschap tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden worden opgesteld. Daarnaast zijn heldere, meetbare resultaten aanzienlijk belangrijker geworden. Tijdens de onderhandelingen over de cohesieverordeningen heb ik mij ook sterk gemaakt voor meer resultaatgerichtheid (o.a. Kamerstuk 21 501-08, nr.493). Het kost tijd om deze twee aspecten goed in de nieuwe programma’s te verwerken. Lidstaten zijn samen met de Europese Commissie hard aan de slag om deze programma’s spoedig af te ronden maar, zoals ik in mijn geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 19 november jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1426) aangaf, mag snelheid niet ten koste gaan van kwaliteit.
Het is op dit moment niet duidelijk of specifieke lidstaten achterblijven. De Europese Commissie werkt momenteel hard aan het goedkeuren van programma’s en zal in het begin van 2015 met een tussenstand komen. Vorige maand gaf zij aan te verwachten dat de helft van de cohesieprogramma’s voor het einde van het jaar is goedgekeurd.
Hoe staat het met de uitvoering van het cohesiebeleid in Nederland? Welke OP’s zijn goedgekeurd en welke nog niet? Kunt u een overzicht geven van de stand van zaken van alle OP’s?
Voor Nederland geldt dat vier EFRO-programma’s worden opgesteld, vier INTERREG-programma’s en één ESF-programma. Momenteel zijn de EFRO-programma’s Oost, Noord en Zuid goedgekeurd, evenals het INTERREG-programma voor Duitsland – Nederland en het ESF-programma. Het vierde EFRO-programma voor West en het tweede INTERREG-programma (Vlaanderen – Nederland) worden naar verwachting nog voor het kerstreces goedgekeurd. Naar verwachting worden de twee overige programma’s (Twee Zeeën en Euregio Maas Rijn) in de eerste helft van 2015 goedgekeurd. Voor de INTERREG-programma’s geldt in het algemeen dat meer tijd nodig is om te komen tot een programma, omdat met meer partners uit binnen en buitenland wordt samengewerkt. Wel kan ik melden dat Europese Commissie het INTERREG-programma van Duitsland – Nederland als eerste INTERREG-programma heeft goedgekeurd. Het Nederlandse ESF-programma is als vierde van alle Europese ESF-programma’s goedgekeurd.
De Europese Commissie heeft geen informatie vrijgegeven over de stand van zaken van programma’s in andere lidstaten.
Voor zover OP’s nog niet zijn goedgekeurd in Nederland, kunt u per OP aangeven waarom dat zo is? Welke maatregelen kunt u nemen om ervoor te zorgen dat goedgekeurde OP’s zo spoedig mogelijk tot uitvoering komen?
Zie antwoord op vraag 3.
Zijn er in Nederland onbetaalde rekeningen uit de programmeringsperiode 2007–2013? Zo ja, waarom is dat het geval en wat kunt u daar aan doen?
Betaling van de begunstigde door de managementautoriteit (MA) tijdens de uitvoering van een project vindt altijd achteraf plaats. Eerst moet een begunstigde kosten maken alvorens deze (halfjaarlijks) bij een managementautoriteit te kunnen declareren. Vervolgens dient een MA deze declaratie eerst te controleren, waarna de MA op haar beurt die declaratie bij de Europese Commissie kan declareren. Wanneer de EC uitbetaalt aan de MA, kan de MA aan de begunstigde uitbetalen.
Over een vrouwenquotum |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bussemaker wars van vrouwenquotum»?1
Ja.
Is het waar dat u heeft gedreigd met een vrouwenquotum zoals in Duitsland, als Nederlandse bedrijven volgend jaar niet meer vrouwen in de top aanstellen?
Ik heb gezegd dat ik een quotum een paardenmiddel vind en dat ik er alles aan zal doen om dit te voorkomen. Maar er moeten volgend jaar wel noemenswaardige stappen zijn gezet. Gebeurt dit niet, dan zal de politieke druk toenemen om met een quotum te komen.
Gelooft u werkelijk dat er bedrijven zijn waar vrouwen moedwillig buiten topfuncties worden gehouden? Zo ja, om welke bedrijven zou dat dan gaan?
Ik heb niet gezegd dat vrouwen moedwillig buiten topfuncties worden gehouden. Ik constateer wel dat vele bedrijven de wettelijke rapportageverplichtingen niet nakomen.
Deelt u de visie dat niet het geslacht van een werknemer bepalend moet zijn voor een aanstelling, maar de kwaliteit? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het (voor mannen) discriminerende voornemen een vrouwenquotum in te stellen?
Voor elke functie staan kwaliteitseisen uiteraard voorop. Gelukkig zijn er voldoende, getalenteerde vrouwen voor topfuncties beschikbaar en een aanzienlijke groei is zeker mogelijk.
Hoe duidt u de uitkomsten van de Emancipatiemonitor 20122, waarin staat dat slechts 10% van de vrouwen een topfunctie ambieert?
Deze uitkomst staat niet in de Emancipatiemonitor 2012. In het algemeen geldt dat niet alle vrouwen en evenmin alle mannen een topfunctie nastreven.
Deelt u de mening dat uw neiging tot staatsdwang haaks staat op de vrijheid van zowel vrouwen als ondernemers? Zo nee, waarom niet?
De Wet Bestuur en Toezicht, gericht op grote vennootschappen, kent rapportage-verplichtingen. Het is belangrijk om de handhaving hiervan en de voortgang van het aantal vrouwen aan de top scherp te volgen.
Bent u bereid van uw ideologisch gedreven plannen af te stappen en vrouwen en het bedrijfsleven vrij te laten om zelf invulling te geven aan hun leven en organisatie? Zo nee, waarom niet?
Het parlement heeft ingestemd met de Wet Bestuur en Toezicht. Zie ook vorig antwoord.
Het bericht “Gebrek aan MKB-krediet remt groei Nederland” |
|
Aukje de Vries (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Gebrek aan MKB-krediet remt groei Nederland» met de informatie van de OESO dat tekortschietende kredietverlening aan het MKB de economie afremt?1
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Deelt u de analyse en conclusies van het OESO-rapport op dit punt? Wat vindt u van het feit dat de economische groei in Nederland wordt geremd door MKB-krediet? Wat zou de groei kunnen zijn indien de kredietverlening aan het MKB niet tekortschiet (prognose voor 2015 en 2016 is nu 1,4% en 1,6%)?
De zakelijke kredietverlening daalt sinds augustus 2013. Zoals de brief over het «Aanvullend Actieplan MKB-financiering»2 van 8 juli jl. ook aangeeft, is een belangrijke verklaring hiervoor vraagfactoren in samenhang met de verzwakte financiële positie van het MKB. Door de afgenomen binnenlandse vraag is de kredietvraag vanuit het MKB sterk afgenomen. Verder is als gevolg van de crisis de financiële positie van veel ondernemers aangetast, zodat de risico’s van kredietverlening zijn toegenomen. Banken hebben sinds de crisis de acceptatiecriteria aangescherpt en wegen deze hogere risico’s mee bij het honoreren van kredietaanvragen. In het OESO-rapport missen wij een onderliggende analyse. De conclusie van de OESO dat de economische groei wordt geremd door een gebrek aan MKB-krediet kunnen wij zonder onderbouwing dan ook niet delen. Wel delen wij de conclusie van de OESO dat er aanwijzingen zijn voor knelpunten bij de financiering van het Nederlandse MKB. Voor het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is geanalyseerd welke knelpunten er zijn in de kredietverlening aan het MKB. In de Kamerbrief Aanvullend Actieplan MKB-financiering van juli dit jaar wordt hier nadrukkelijk aandacht aan besteed en zijn maatregelen gepresenteerd die de overheid neemt om de kredietverlening aan het MKB te bevorderen.
Welke conclusies trekt u uit het feit dat nu wellicht één van de vier begin dit jaar gepresenteerde scenario’s werkelijkheid wordt?2
In de studie van DNB «Kredietverlening en bancair kapitaal»4 waarnaar in de vraag verwezen wordt, is in een viertal scenario’s gekeken naar de vraag naar en het aanbod van bancair krediet gebaseerd op aannames over de economische groei, de ontwikkeling van bankwinsten en de mogelijkheden voor uitgifte van hybride kapitaal. Het betreft hier een verkenning, geen voorspelling, van de vraag hoe de aangescherpte kapitaal- en andere eisen aan banken kunnen worden verwezenlijkt en welke gevolgen dit kan hebben voor de kredietverlening. Het basisscenario extrapoleert het herstel van de economie zoals dat op het moment van de analyse is voorzien door DNB. In dit basisscenario is het potentiële kredietaanbod groot genoeg om aan de geraamde kredietvraag te voldoen. Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat de economische groei of de positie van banken dusdanig zijn gewijzigd dat dit niet het geval is.
Wat doet u in het licht van dit bericht met de bij de behandeling van de Tijdelijke Wet Resolutieheffing 2014 aangenomen motie De Vries-Van Hijum (Kamerstuk 33 653 nr. 9), waarin de regering wordt verzocht in te grijpen om de kredietverlening minder te belasten als de groei van de kredietverlening aan het MKB enkele opeenvolgende kwartalen negatief is en/of acuut krimpt?
Het kabinet houdt de ontwikkelingen met betrekking tot de kredietverlening nauwlettend in de gaten en acht het van groot belang dat voldoende financiering beschikbaar is voor het MKB met een gezond bedrijfsplan. Zoals hiervoor al aangegeven, heeft het kabinet in juli dit jaar aanvullende maatregelen gepresenteerd om de financiering aan het MKB te bevorderen. De effecten hiervan zullen met name vanaf medio volgend jaar te zien zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat de eerder genoemde verzwakte financiële positie van het MKB en de afgenomen binnenlandse vraag vanuit vraag- en aanbodperspectief een belangrijke verklaring vormt voor de daling in de kredietverlening. Bovendien laat DNB zoals hierboven aangegeven in de studie «Kredietverlening en bancair kapitaal»5 zien dat banken in het basisscenario in staat zijn om aan alle eisen (inclusief de 4% leverage ratio) te voldoen en daarbij de kredietvraag kunnen accommoderen die hoort bij de geraamde economische ontwikkeling.
Wat vindt u van het feit dat een ECB-survey «on the access of finance in the eurozone» van 12 november 2014 aangeeft dat het netto-percentage van afwijzing van MKB-leningen in Nederland het hoogste is met 39%, na Griekenland met 27%?3 Wat is daarvan de oorzaak?
Uit het onderzoek van de Europese Centrale Bank blijkt dat Nederland qua percentage afwijzingen van bankleningen op het niveau van Griekenland zit. Dit betekent niet dat daarmee sprake is van de beperkte toegang tot krediet. Uit de voorgenoemde studie van DNB blijkt dat relatief veel kredietaanvragen in Nederland afkomstig zijn van bedrijven met een zwakke financiële positie. De jaarlijkse Risicorapportage Financiële Markten van het CPB wees er dit voorjaar op dat aanbodbeperkingen daarbij onwaarschijnlijk zijn.
Bent u het eens met de Europese Centrale Bank (ECB), die bij de presentatie van de resultaten van de Comprehensive Assessment van de grote Europese banken heeft aangegeven dat de bankbalansen geen beperkende factor meer zijn voor de kredietverlening? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van de Comprehensive Assessment laten zien dat de Nederlandse banken voldoende gekapitaliseerd zijn. Hierdoor zijn zij, in lijn met de eerder genoemde DNB-studie, in staat om de groeiende economie van krediet te voorzien bij de huidige groeiramingen.
Welke mogelijkheden en welke maatregelen zijn er (mogelijk) om te zorgen dat banken meer MKB-krediet kunnen gaan verstrekken c.q. welke (koppen op) Nederlandse regels (of gebruik van lidstaatopties) beperken het verlenen van MKB-krediet op dit moment? In hoeverre heeft het eenzijdig verhogen van de hefboomratio naar 4% voor alleen Nederlandse banken een extra negatief effect op de mogelijkheden voor banken om krediet te kunnen verstrekken?
Zoals reeds aangegeven stelt DNB dat banken in staat zijn om in het basisscenario aan alle eisen (inclusief de 4% leverage ratio) te voldoen en gelijktijdig de verwachte kredietvraag in het basisscenario te kunnen accommoderen. Ook hangt de daling van de kredietverlening in sterke mate samen met een daling van de binnenlandse vraag en de verzwakte financiële positie van het MKB. Het kabinet zal de Kamer op korte termijn informeren over de effecten van de stapeling van regelgeving op de bancaire sector en de kredietverlening.
De houdgreep waarin makers van closed source software gemeenten houden |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Licence fine forces town to drop move to alternative office tools»1, waarin staat dat de gemeente Arnhem, bij wijze van boete voor het ongelicentieerd gebruik van office-software, gedwongen zou zijn een licentie van drie jaar te kopen voor € 600.000?
Binnen de gemeente Arnhem wordt Office-software gebruikt waarvan een deel toe was aan vervanging. In de begroting voor 2014 zijn de kosten van vervanging begroot, maar is ten onrechte het aantal thuiswerkplekken niet meegeteld. Dit is in overleg met de leverancier duidelijk geworden en gecorrigeerd. Samen met een te lage inschatting van vervangende software (de nieuwe software bleek duurder dan verwacht), verklaren de extra licenties voor de thuiswerkplekken de extra kosten die gemaakt moesten worden, te weten 600.000 euro. Er is geen sprake van een boete die zou zijn opgelegd.
Is het waar dat de gemeente Arnhem dit bedrag heeft moeten betalen om verdere juridische stappen te voorkomen ten gevolge van onrechtmatig gebruik in het verleden en daarmee voor de komende jaren een licentie heeft op het betreffende softwarepakket? Zo nee, wat is de feitelijke situatie?
Deelt u de mening dat deze werkwijze leidt tot gedwongen winkelnering door de leverancier van de software, doordat de gemeente gedwongen wordt om nieuwe licenties voor de huidige software te kopen en de overstap naar open source software onvoordelig wordt? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Nee. Gebruikers van software weten dat aan het gebruik van de software gebruiksvoorwaarden zijn verbonden en, in het geval van closed source software, dat daaraan ook licentiekosten verbonden zijn. Licentiekosten kunnen een reden zijn om over te stappen op open source software, maar, als men een dergelijke overstap wil doen, gaat dat niet van stel op sprong gezien de onderlinge verwevenheid van de binnen de organisatie gebruikte ICT systemen. Bij de gemeente Arnhem is geen sprake van gedwongen winkelnering om vast te houden aan de gesloten software.
Herkent u het beeld dat gemeenten die aankondigen over te willen stappen naar open source software extra streng gecontroleerd worden door hun huidige aanbieders van closed source software? Wilt u inventariseren hoeveel gemeenten hiermee geconfronteerd zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat er sprake is van een handelspraktijk die onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunnen gemeenten of u hiertegen doen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat gemeenten in optimale vrijheid de keus moeten kunnen maken tussen closed en open source software? Zo ja, hoe wilt u gemeenten helpen om de dreiging met boetes wegens ongeoorloofd gebruik tot redelijke proporties terug te brengen, en zodanig vorm te geven dat ze de toekomstige keus voor software niet beïnvloeden?
Gemeenten hebben hun eigen verantwoordelijkheid in aankoopbeleid. De overheid hanteert een pas-toe-of-leg-uit-beleid ter stimulering van het gebruik van open standaarden die vrij zijn om te gebruiken en door iedere leverancier in software kunnen worden ingebouwd. Dit leidt tot een eenvoudiger uitwisseling van gegevens, vergroot de keuzevrijheid van overheden en stimuleert de marktwerking. Het Forum Standaardisatie – dat uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, de wetenschap en de overheid bestaat – adviseert de overheid over de te gebruiken open standaarden.
Het bericht dat de techniek faalt in de zogenaamde combi-tunnel in Nijverdal |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de techniek faalt in de zogenaamde combi-tunnel in Nijverdal?1
Ja.
Kunt u aangeven welke maatregelen en acties ondernomen zijn, en wanneer, sinds geconstateerd is dat de technische installaties in de tunnel kennelijk niet goed functioneren?
In de wegtunnel zitten circa 50 tunneltechnische installatiesystemen. Pas recent, in oktober, is bij de uitvoering van de laatste testen gebleken dat de datacommunicatie tussen de verschillende systemen nog niet goed functioneert. Deze datacommunicatie is onder meer nodig voor de bediening van de tunnel vanuit de verkeerscentrale. Op dit moment worden de systemen grondig geanalyseerd. Waar nodig worden aanpassingen gedaan in de software. Nadat alle maatregelen zijn genomen, moeten de systemen wederom uitgebreid worden getest.
Kunt u aangeven wat de oorzaak is van de technische problemen en op welke termijn deze opgelost zullen zijn?
Het is nog niet duidelijk wat het probleem precies is. Hier wordt nog onderzoek naar gedaan. Totdat duidelijk is welke aanpassingen precies moeten worden gedaan, is niet bekend wanneer de tunnel volledig kan worden opengesteld. Rijkswaterstaat en de gemeente Hellendoorn onderzoeken of een beperkte openstelling van de tunnel op korte termijn wel mogelijk is.
Kunt u aangeven of vergelijkbare ICT gebruikt wordt in andere tunnels en, zo ja, of dat leidt tot aanpassingen?2
De systemen (het voorzieningenniveau) die in deze wegtunnel worden gerealiseerd zijn hetzelfde als in andere wegtunnels die langer zijn dan 500 meter. De ICT die wordt gebruikt om deze systemen te bedienen en te besturen is functioneel ook vergelijkbaar met de ICT in andere tunnels en verkeercentrales. Dit wil niet zeggen dat de problemen die zich in Nijverdal voordoen zich per definitie ook bij andere tunnels voor zullen doen. Wanneer duidelijk is wat het probleem in Nijverdal exact is, kan ook vastgesteld worden of, en zo ja in welke mate, deze problemen zich mogelijk ook bij andere tunnels voor kunnen doen. Dan zullen vervolgens ook bij die betreffende tunnels maatregelen worden genomen om deze problemen te voorkomen en/of op te lossen.
De geheime malware die aangetroffen is binnen de systemen van de Europese Unie en bedrijven in Europese lidstaten |
|
Gerard Schouw (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Secret malware in European Union attack linked to U.S. and British intelligence»1 en «Researchers uncover government spy tool used to hack telecoms and Belgian Cryptographer»?2
Ja.
Was u, of een van uw diensten zoals de AIVD of het NCSC, op de hoogte van het bestaan en functioneren van de specifieke malware, ook wel «Regin» genoemd, die kennelijk wordt gebruikt voor infecties van ICT-systemen? Zo ja, wanneer was u hier van op de hoogte?
Zoals ik heb aangegeven richting uw Kamer op 14 oktober 2013, bij de beantwoording van Kamervragen van de leden Schouw en Verhoeven, naar aanleiding van berichtgeving van de Duitse krant Der Spiegel en de Belgische krant de Standaard, heeft de AIVD onderzoek verricht en destijds geen aanwijzingen aangetroffen dat Nederland een direct doelwit was van deze aanval (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 254).
Kunt u bevestigen of het in de gevallen van de Europese Unie en Belgacom, gaat om de specifieke malware «Regin», zoals beschreven in het artikel van The Intercept?
Daarover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
Kunt u garanderen dat ICT-systemen van de Nederlandse overheid niet geïnfecteerd zijn door schadelijke malware van buitenlandse inlichtingendiensten of veiligheidsdiensten? Zo nee, welke stappen onderneemt u ter beperking van het risico op aanvallen met malware?
In het algemeen zijn geen garanties te geven. Nederland heeft een nationale cyber security strategie, waarbij diverse organisaties samenwerken om dreigingen op het gebied van digitale veiligheid tegen te gaan. In dit kader is ook de pilot Nationaal Detectie Netwerk gestart, waar de AIVD aan deelneemt.
Kunt u verifiëren of «Regin» malware of vergelijkbare malware afkomstig is van Amerikaanse of Britse inlichtingen- of veiligheidsdiensten zoals wordt gesuggereerd in de genoemde artikelen? Zo nee, gaat u hierover contact zoeken met betrokken Amerikaanse en Britse overheidsinstanties?
In het algemeen zullen Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten buitenlandse diensten aanspreken indien sprake is van geconstateerde inbreuken op Nederlandse belangen. Over de inhoud van dergelijke contacten kan ik in het openbaar geen mededelingen doen.
Kunt u aangeven of Nederland werkt aan het aanpakken van dit soort malware en het achterhalen van de makers van de genoemde en vergelijkbare malware? Zo ja, wordt hierbij samengewerkt met andere landen of in Europees verband?
Heimelijk uitgevoerde inlichtingenactiviteiten in en tegen Nederland zijn niet toelaatbaar. Er zijn nationaal en internationaal initiatieven ontplooid om digitale dreigingen tegen te gaan.
Vanuit de EU is er de Working Group on data protection. Ook is er aansluiting gezocht bij het acht-punten-programma van de Duitse Bondskanselier Merkel.
Gaat u dit aankaarten in internationaal verband, bijvoorbeeld op een internationale top over cyber security, nu de mogelijkheid bestaat dat deze malware is gemaakt door inlichtingendiensten van westerse landen waar Nederland een goede verstandhouding mee heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Een onderneemster met een arbeidsongeschiktheidsuitkering |
|
Grace Tanamal (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Rotterdamse onderneemster werkte 2 jaar lang «voor niets»»?1
Ja
Kunt u uiteenzetten of de in vraag 1 genoemde casus een incident betreft of krijgt het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) vaker vergelijkbare klachten? Kunt u, als er vaker klachten zijn, aangeven hoeveel dit er jaarlijks zijn?
De klachtenregistratie van UWV is niet zodanig gedetailleerd dat daaruit valt te herleiden hoeveel klachten over dit specifieke onderwerp zijn ingediend. Uit navraag bij de uitvoering is de indruk ontstaan dat het om een incidentele klacht gaat.
Klopt het dat het UWV mensen die met behoud van een Ziektewetuitkering een eigen bedrijf zijn gestart, er niet op wijst dat de voorwaarden veranderen zodra diegene in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) terecht komt, omdat de verantwoordelijkheid bij de uitkeringsgerechtigde ligt? Zo ja, bent u het ermee eens dat het UWV hierin wel degelijk een verantwoordelijkheid heeft?
Allereerst kan ik mij niet mengen in individuele gevallen. Voor zover de betrokken onderneemster meent dat UWV een onjuiste beslissing heeft genomen, staat het haar vrij hiertegen bezwaar te maken, dan wel beroep in te stellen.
In zijn algemeenheid geldt dat UWV de uitkeringsgerechtigde altijd wijst op de inlichtingenplicht. In de voorlichting over de rechten en plichten bij een uitkering krachtens de ZW of de WIA wordt de uitkeringsgerechtigde er op gewezen dat direct vanaf het begin doorgegeven moet worden of er inkomsten zijn en hoe hoog die zijn. Verder stuurt UWV een attenderingsbrief als iemand vanuit de ZW over gaat naar de WIA en wordt aangeraden om contact te zoeken met UWV indien er vragen of onduidelijkheden zijn.
Door de inwerkingtreding van de Wet wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld is overigens met ingang van 1 juli 2011 artikel 31 lid 2 Ziektewet gewijzigd. Met deze wijziging is in de Ziektewet de kortingsmethodiek uit de Wet WIA overgenomen en wordt er bij de ZW en de WIA gelijk omgegaan met inkomsten als zelfstandige. Het voor die datum bestaande verschil in verrekeningssystematiek, doet zich sedertdien (voor nieuwe gevallen) niet meer voor.
Deelt u de mening dat het kwalijk is dat het UWV mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst stimuleert om als zelfstandige te beginnen, maar vervolgens gebrekkig voorlicht waardoor zij geconfronteerd kunnen worden met forse naheffingen? Wat gaat het UWV eraan doen om dergelijke gevallen in de toekomst te voorkomen? Is het UWV voornemens om de onderneemster in de bovengenoemde casus, evenals andere gevallen waarin de voorlichting vanuit het UWV gebrekkig is gebleken, coulant tegemoet te treden?
Zie antwoord vraag 3.
Welk berekeningsmodel hanteert het UWV voor het verrekenen van de inkomsten uit een eigen bedrijf met de arbeidsongeschiktheidsuitkering? Klopt het dat wordt verrekend op basis van de brutowinst? Zo ja, kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om met de brutowinst te verrekenen en bijvoorbeeld niet met de bij de Belastingdienst bekende nettowinst?
UWV hanteert als uitgangspunt voor het vaststellen van de belastbare winst uit onderneming het bedrag dat als winst aan de Belastingdienst is opgegeven en door deze is aanvaard. Als de Belastingdienst de (fiscale) winst over het kalender- (of boek)jaar al heeft vastgesteld (de definitieve aanslag), gaat UWV daarvan uit. Wanneer de winstopgave van de zelfstandige nog niet door de Belastingdienst is geaccepteerd, stelt UWV zelf de winst vast. Dat gebeurt door uit te gaan van het bedrag aan winst dat betrokkene aan de Belastingdienst heeft opgegeven (maar waarop nog geen aanslag door de Belastingdienst is afgegeven) of van het bedrag dat aan de Belastingdienst als winst zal worden opgegeven.
Voor zelfstandigen geldt als basis voor het inkomen de belastbare winst uit onderneming op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze wordt vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling bedoeld in artikel 3.74 en 3.79a van die wet. De bestanddelen van de winst bedoeld in artikel 3.78, lid 3, onderdelen a, b en c worden geacht niet tot de winst te behoren. Dit betreft stakingswinst, onteigeningswinst en eindafrekeningswinst.
De strijdigheid van KOMO-keurmerken met Europese regels voor vrij handelsverkeer |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de artikelen in Cobouw van 20 november 2014 over KOMO?1 2
Ja.
Is het waar dat de KOMO-keurmerken (en keurmerken van andere certificerende instituten) voor bouwproducten al sinds 1 juli 2013 in strijd zijn met Europese regels voor vrij handelsverkeer? Zo ja, kunt u aangeven waar die strijdigheid precies in zit en waarom daar nog niet eerder handhavend tegen is opgetreden?
De huidige kwaliteitsverklaringen voor bouwproducten die betrekking hebben op producten waarop de CE-markering van toepassing is, zijn op verschillende punten strijdig met de Europese regels. De voornaamste oorzaken zijn de private eisen die worden gesteld aan de productkenmerken en beoordelingen die onder de geharmoniseerde Europese normen vallen en de omschrijving van prestaties van het bouwproduct die vallen onder de CE-markering (en prestatieverklaring). Eveneens is het niet toegestaan een privaat keurmerk aan te brengen op het product zolang de kwaliteitsverklaringen gaan over de productkenmerken die vallen onder de verplichte CE-markering, wat nu nog vaak het geval is.
Sinds de inwerkingtreding van de Verordening bouwproducten per 1 juli 2013 is het toezicht op de CE-markering op bouwproducten geïntensiveerd. Er wordt op toegezien dat fabrikanten, importeurs en andere actoren in de toeleveringsketen de juiste informatie en documenten aanleveren bij het product. De kwaliteitsverklaringen hebben in het kader van het toezicht op de CE-markering wel degelijk aandacht gehad. Bij reguliere inspecties zijn de marktdeelnemers waarbij de regels van de Verordening bouwproducten niet werd nageleefd gemaand om hun CE-markering op orde te brengen. Ook in het kader van handhaving, in reactie op handhavingverzoeken aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vanwege vermeende concurrentie-vervalsing, is in individuele gevallen ingegrepen en zijn fabrikanten gemaand om maatregelen te treffen om te kunnen voldoen aan de geldende regels.
Verwacht u dat de oplossingsrichting die KOMO heeft voorgesteld voor aangepaste kwaliteitsverklaringen, die zich toch ook nog uitspreken over producten en aanvullende eisen stellen aan producten, juridisch houdbaar is? Zo ja, verwacht u dat alle beoordelingsrichtlijnen voor alle aan te passen verklaringen voor het einde van dit jaar gereed zijn, voor 100% aan de wet voldoen en een eventuele toets door het Europees Hof zullen doorstaan? Kunt u dit toelichten? Zo nee, wat gaat u dan ondernemen tegen de keurmerken van KOMO en andere certificerende instituten?
Stichting Komo heeft mij verzekerd dat de beoordelingsrichtlijnen voor bouwproducten zodanig worden gewijzigd dat de strijdigheid met de Europese regels wordt weggenomen. Gekozen is het «attest-met-productcertificaat» te splitsen in verschillende documenten. Een erkend attest voor de aansluiting op de nationale regelgeving (te weten: het Bouwbesluit 2012 en het Besluit Bodemkwaliteit) en een private kwaliteitsverklaring. De Stichting Bouwkwaliteit (SBK) controleert of de nieuw op te stellen beoordelingsrichtlijnen en erkende kwaliteitsverklaringen (erkende attesten) voldoen aan de voor beoordeling vastgestelde criteria. Pas na goedkeuring door SBK zal het attest de status van erkenning krijgen en gepubliceerd worden op de website van SBK. De private kwaliteitsverklaringen worden opgesteld onder verantwoordelijkheid van een Certificerende Instelling. Of de aangepaste beoordelingsrichtlijnen juridisch houdbaar zijn, moet nog blijken in de praktijk. Daarmee is voor mij ook nog niet duidelijk of deze documenten een toets door het Europese Hof kunnen doorstaan. In het geval het Komo en de Certificerende Instellingen niet lukt om een specifieke beoordelingsrichtlijn op tijd aan te passen, zullen de kwaliteitsverklaringen die onder die beoordelingsrichtlijn vallen worden ingetrokken. Wanneer partijen in de markt vanaf 1 januari 2015 nog steeds gebruik maken van kwaliteitsverklaringen die niet voldoen aan de Europese regels, zal de ILT in haar toezicht op de CE-markering in de betreffende situatie handhavend optreden.
Deelt u de mening dat, nu er geen nationale verklaringen meer mogen zijn daar waar de CE-markering een verklaring geeft over producteigenschappen, er alleen nog maar een verklaring over delen van bouwwerken (niet tevens een product zijnde) en bijbehorende verwerkingsvoorschriften van de daarmee verbonden producten door uw ministerie erkend kunnen worden, en dat dit dus niet meer kan voor de bouwproducten zelf?
Private kwaliteitsverklaringen mogen zich inderdaad niet uitspreken over de prestaties van het product op de productkenmerken die vallen onder de CE-markering. Het is wel mogelijk om een verklaring op te stellen voor het bouwproduct wanneer de CE-markering (nog) niet van toepassing is op het product of op het specifieke toepassingsgebied van het product in het bouwwerk. De private kwaliteitsverklaringen kunnen altijd worden gebruikt voor bouw-/constructiedelen die niet vallen onder de Verordening bouwproducten en de geharmoniseerde Europese normen.
Met de erkende kwaliteitsverklaring kan door marktpartijen in de bouw worden aangetoond dat wordt voldaan aan bijvoorbeeld de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Aangezien de CE-markering niet gaat over de eisen die worden gesteld aan het gebouw of bouwwerk is er nog ruimte voor de erkende kwaliteitsverklaringen om een aansluiting te maken tussen de prestatieverklaring van de fabrikant en de eisen uit het Bouwbesluit 2012.
De erkende kwaliteitsverklaring kan onder strikte voorwaarden zowel voor bouwproducten alsook voor bouwdelen worden gebruikt.
Bent u bekend met het standpunt van de NVTB dat de Europese verordening veel administratieve rompslomp voorkomt, dat de NVTB geen behoefte heeft dat via een achterdeur toch weer productcertificaten in stand worden gehouden en dat zij pleit voor certificering van complete bouwsystemen en bouwconcepten? Deelt u de mening dat dit standpunt in vergaande mate wijst naar de erkende technische oplossingen?3
Ik ben bekend met het standpunt van de NVTB. De CE-markering op bouwproducten biedt kansen voor de fabrikanten om te communiceren over de kwaliteit van bouwproducten en toepassing ervan met minder documenten en vaak ook tegen lagere kosten dan met een privaat productcertificaat. Verder ben ik het met de NVTB eens dat de fabrikant de keuze moet hebben hoe hij zijn afnemer wil informeren over de verwerkingsvoorschriften, maar ook over de producteigenschappen die niet onder de CE-markering vallen. Hij kan daarvoor productcertificaten hanteren, maar hoeft dat niet. In aanvulling op de CE-markering kan hij ook technische documentatie en attesten opstellen, behorende bij de CE-markering, die hij meelevert met het product. In het kader van kwaliteitsborging in de bouw verdient het inderdaad de voorkeur om de certificatie vooral te richten op bouwdelen, bouwsystemen en bouwconcepten, omdat de CE-markering daarover niet gaat en daarbij ook meerwaarde oplevert voor de markt. Een mogelijke uitwerking kan zijn de erkende technische oplossingen.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is de bakens te verzetten in de richting van deze erkende technische oplossingen als basis voor het toekomstige stelsel van kwaliteitsborging in de bouw, waarbij zowel kwaliteitseisen zijn vastgelegd als het voldoen aan de prestatie-eisen uit het Bouwbesluit? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor het wettelijke kader van het toekomstige stelsel van kwaliteitsborging in de bouw. De sector zelf moet daarbij het initiatief nemen voor de ontwikkeling van instrumenten die hieraan invulling geven. Of er in de markt behoefte bestaat aan erkende technische oplossingen is dus aan marktpartijen zelf.
Bent u bereid om KOMO en andere certificerende instituten te adviseren hun eigen, naar verwachting juridisch doodlopende, oplossingsrichting te verlaten en hun kennis en ervaring samen met anderen in te zetten om technische toepassingen voor erkenning voor te dragen en op die manier bij te dragen aan een eenduidiger en goedkoper kwaliteitsborgingssysteem?
Het is aan marktpartijen om te bezien in hoeverre zij bij de vormgeving van hun instrumenten van beproefde technische toepassingen gebruik willen maken.
Kunt u toelichten welke positie de erkende technische oplossingen in de concept-stelselwijziging zijn toebedeeld en hoe deze oplossingen door de kwartiermakers in alle transitiepublicaties en bijhorende congressen, bijeenkomsten en evenementen voor het voetlicht komen?
Ik laat momenteel over de positie van erkende technische toepassingen onderzoek verrichten. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan nader worden bezien in hoeverre deze toepassingen gebruikt kunnen worden binnen het stelsel van kwaliteitsborging in de bouw. Dit onderzoek is naar verwachting binnenkort gereed, en zal daarna openbaar worden gemaakt.
Het transport bij COAX en bij glasvezel door Caiway |
|
Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat Caiway per 01-01-2015 bij coax- en glasvezelkabel zowel zorgt voor het transport als ook voor alle diensten? Wordt op de coaxkabel hiermee concurrentie niet effectief voorkomen doordat Caiway als transporteur van diensten bepaalt wie wel of geen diensten aan mag bieden?1
Cogas Kabel Infra B.V. (Cogas) is de eigenaar van het coaxnetwerk en het nieuwe glasvezelnetwerk (in opbouw). Cogas heeft op grond van het ex-ante telecomkader geen verplichting om andere dienstenaanbieders toe te laten op zijn netwerk. Dat betekent dat Cogas zelf kan bepalen welk bedrijf diensten aanbiedt over het coaxnetwerk. Cogas heeft er voor gekozen zijn kabelnetwerk open te stellen voor een andere dienstenaanbieder. Dat is op dit moment nog Ziggo.
Vanaf 1 januari 2015 tot 1 maart 2015 wordt per wijk de dienstverlening van Ziggo over het coaxnetwerk beëindigd. Cogas heeft een overeenkomst gesloten met dienstenaanbieder Caiway. Dat betekent dat Caiway vanaf 1 januari 2015 het transport en de diensten over het netwerk van Cogas verzorgt.
Het aan te leggen glasvezelnetwerk van Cogas bestaat uit twee glasvezels per aansluiting. Cogas stelt de tweede glasvezel open voor andere aanbieders. Dat maakt het mogelijk dat per aansluiting ook een andere aanbieder het transport van diensten gaat verzorgen en er op die wijze keuze ontstaat voor eindgebruikers. Of dat gebeurt moet nog blijken. Daarnaast stelt Caiway de glasvezels die zij gebruikt open voor alternatieve aanbieders. Inmiddels is bekend geworden dat er naast Caiway, ten minste drie andere dienstenaanbieders beschikbaar komen op het glasvezelnetwerk.
Is het waar dat ADSL maar over een beperkte afstand kan worden getransporteerd? Zo ja, klopt het dat voor sommige inwoners in de regio Twente ADSL daarom geen redelijk alternatief is en daarom per 01-01-2015 min of meer verplicht bij Caiway terechtkomen?
ADSL kent beperkingen. Naarmate de afstand tot de telefooncentrale groter is, neemt de snelheid van de internetverbinding af. Voor het afnemen van televisiediensten over DSL gaat de regel op dat als de afstand tot de telefooncentrale groter is dan ongeveer 2,5 km het lastiger wordt kwalitatief goede televisiediensten aan te bieden. De ACM heeft in de regio Twente een controle per postcodegebied uitgevoerd. Uit die controle blijkt dat in de meeste wijken waar het netwerk van Cogas ligt, ADSL kan worden afgenomen met voldoende snelheid voor TV-diensten. In gebieden met lange kabelafstanden geldt dat soms geen snelle internetverbinding mogelijk is over het bestaande kopernetwerk. In die gebieden zijn de inwoners voor hun televisiediensten aangewezen op de diensten van Caiway, een satellietaanbieder of televisie via de digitale ether. Voor snel internet zijn die eindgebruikers aangewezen op internetdiensten die Caiway levert over het coaxnetwerk. Zodra het glasvezelnetwerk door Cogas is aangelegd, ontstaat volgens Cogas keuze uit meerdere aanbieders.
Kunt u aangeven of het bericht van Caiway, waarin zij aangeven dat in het tweede kwartaal van 2015 klanten meer keuze hebben op het glasvezelnetwerk van Caiway, waar is? Indien dit in het tweede kwartaal van 2015 niet het geval blijkt te zijn, zou dit aanleiding voor de Autoriteit Consument en Markt kunnen zijn om een onderzoek in te stellen of het belang van de klant wordt geschaad?
Caiway biedt andere partijen de mogelijkheid om over het door haar van Cogas gehuurde glasvezelnetwerk diensten aan te bieden. Caiway heeft onlangs bekend gemaakt dat vanaf 1 januari 2015 naast Caiway nog drie aanbieders hun diensten zullen leveren via de vezel die Caiway huurt. Vanaf 1 april 2015 komt daar nog een vierde aanbieder bij. Het gaat om twee aanbieders voor de consumentenmarkt en twee aanbieders voor de zakelijke markt. Daarnaast biedt Cogas per aansluiting toegang tot de tweede glasvezel. Bedrijf Fiber heeft zich aangediend als potentieel geïnteresseerde partij en onderzoekt nu of er voldoende vraag is bij consumenten. Er zal dus sprake zijn van concurrentie tussen meerdere aanbieders en keuze voor gebruikers. Daardoor is er op dit moment geen aanleiding voor de ACM om een onderzoek in te stellen.
Kunt u aangeven of nieuwe abonnementen van Caiway niet duurder zullen zijn dan de bestaande abonnementen van Ziggo als wordt gekeken naar gelijke diensten?
Caiway heeft ernaar gestreefd haar dienstverlening zoveel mogelijk gelijk te maken aan die van Ziggo. De prijzen voor de televisie-, internet- en telefoniepakketten heeft Caiway gelijk getrokken met die van Ziggo. Het aanbod is niet identiek. Of het aanbod van Caiway beter of slechter uitvalt voor eindgebruikers, hangt af van het gebruikersprofiel. Caiway biedt bijvoorbeeld geen mobiele telefonie aan in haar bundels. Ziggo klanten konden ook een mobiel abonnement afnemen met 10 euro korting per maand. Caiway biedt tevens geen tweede telefoonlijn aan klanten, wat Ziggo wel deed. Caiway biedt daarentegen haar basispakket ongecodeerd aan, waardoor geen smartcard nodig is.
Welke alarmeringsdiensten kunnen na de overgang van Ziggo naar Caiway geen gebruik meer maken van het kabelnetwerk, aangezien Caiway stelt dat vrijwel de meeste alarmeringsdiensten gebruik kunnen blijven maken van het kabelnetwerk? Kan dit tot problemen leiden voor de veiligheid van de inwoners in de regio Twente?
Alarmeringsdiensten die een tweede telefoonlijn nodig hebben, kunnen geen gebruik meer maken van het kabelnetwerk. Caiway heeft de techniek die daarvoor nodig is niet beschikbaar. Overige alarmdiensten zullen gewoon blijven werken. Als een tweede telefoonlijn vereist is, dan kan men een telefoondienst afnemen over het kopernetwerk van KPN. Dankzij de beschikbaarheid van dit alternatief hoeft de overgang van Ziggo naar Caiway niet tot problemen voor de veiligheid te leiden.
Is er sprake van e-mailretentie? Zo ja, wie gaan de kosten van e-mailretentie betalen?
Onder e-mailretentie wordt de mogelijkheid verstaan om via internet nog bij de webmail te kunnen komen voor een bepaalde periode. In de overstapafspraken die marktpartijen onderling hebben gemaakt, is vastgelegd dat de oude aanbieder minstens 1 maand gratis e-mailretentie aanbiedt. Ziggo biedt een dergelijke e-mailretentiedienst vooralsnog niet aan. De ACM spreekt Ziggo in marktoverleggen over overstapdrempels hierop aan. ACM kan echter niet handhavend optreden, daar het hier om zelfregulering gaat.
Neemt u de problemen omtrent voldoende concurrentie inzake de kabel in de regio Twente mee in uw betoog bij de Europese Commissie om de urgentie van openstelling van de kabel in Nederland te bepleiten?
Ja.
Het SOMO-onderzoek naar misstanden op bouwprojecten waarvan Rijkswaterstaat de opdrachtgever is |
|
Duco Hoogland (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het in opdracht van FNV-Bouw door SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen) uitgevoerde onderzoek «overheid en de bouwvakker»1 en het bericht «Rijkswaterstaat schiet flink tekort»2.
Ja, hiervan heb ik kennisgenomen.
Klopt het dat Rijkswaterstaat als opdrachtgever, maar ook hoofdaannemers als VolkerWessels en Heijmans, geen controles uitvoeren op naleving van wet- en regelgeving en arbeidsvoorwaarden en -bescherming in de keten van onderaannemers? Kunt u aangeven in hoeverre er daadwerkelijk belemmeringen bestaan om dergelijke controles uit te voeren, zoals door Rijkswaterstaat en genoemde bouwondernemingen wordt beweerd?
Rijkswaterstaat verlangt van opdrachtnemers dat zij wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege naleven. Zo geldt dit voor vreemdelingenregelgeving (waaronder de Wet Arbeid Vreemdelingen – WAV) en voor regelgeving op het gebied van arbeidsbescherming (waaronder de Arbeidsomstandighedenwet). Afhankelijk van de hierin vervatte wettelijke bepalingen toetst Rijkswaterstaat de naleving daarvan door zijn opdrachtnemers. Op dit punt zijn er geen belemmeringen.
Voor arbeidsvoorwaardelijke afspraken die vervat zijn in algemeen verbindend verklaarde cao’s (dusdoende materiële wetgeving) geldt een nalevingsverplichting. Naleving van arbeidsvoorwaardelijke afspraken is een verantwoordelijkheid van cao-partijen, en – indien van toepassing – het in de betreffende cao aangewezen sectorale handhavingsorgaan. Rijkswaterstaat is bij de totstandkoming van arbeidsvoorwaarden geen (cao-)partij. Afspraken over arbeidsvoorwaarden onttrekken zich aan het zicht van Rijkswaterstaat als opdrachtgever. In het verlengde hiervan heeft Rijkswaterstaat evenmin handhavende of controlerende bevoegdheden, deze berusten bij de Inspectie SZW (Wet Minimumloon) en bij sectorale toezichthoudende organen. Cao-partijen kunnen de Inspectie SZW wel verzoeken om te helpen bij cao-nalevingsonderzoeken.
In hoeverre let Rijkswaterstaat bij aanbestedingen, naast onder meer duurzaamheid, gebruik van duurzame materialen, energieverbruik et cetera, ook op sociale aspecten zoals betaling van het minimumloon of het naleven van de (juiste) collectieve arbeidsovereenkomst (cao)? Klopt het dat in standaardcontracten van Rijkswaterstaat in ieder geval niet specifiek verwezen wordt naar wet- en regelgeving rond het minimumloon en naleving van de (juiste) cao? Zo ja, bent u bereid de standaardcontracten hier op aan te passen?
Rijkswaterstaat verplicht zijn opdrachtnemers in algemene zin om wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege na te leven. Dit betreft dus ook – ondanks dat hiernaar niet expliciet wordt verwezen – naleving van de Wet Minimumloon en van algemeen verbindend verklaarde cao’s (zijnde materiële wetgeving en dus een wettelijk voorschrift). Echter, zoals hiervoor in antwoord 2 is aangegeven, is Rijkswaterstaat niet betrokken bij de totstandkoming, en heeft Rijkswaterstaat geen handhavende of controlerende bevoegdheden. Om die reden is een meer specifieke verwijzing in standaardcontracten niet functioneel.
Het is niet nodig om de standaardcontracten hierop aan te passen, omdat het naleven van wettelijke voorschriften en beschikkingen in algemene zin al wordt vereist en in Nederland cao-partijen elkaar op naleving aanspreken. Daarnaast is het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies ingediend bij de Tweede Kamer, dat zal leiden tot aanpassingen in standaardcontracten vanwege de hierin vervatte wettelijke aansprakelijkheid van opdrachtgevers voor loondoorbetaling.
Deelt u de mening dat de overheid, in dit geval Rijkswaterstaat, een voorbeeldfunctie heeft en voorop zou moeten lopen bij het borgen van, of maximaal inzetten op, naleving van toepasselijke regelgeving op het terrein van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden?
Ik vind inderdaad dat de overheid maximaal moet inzetten op naleving van toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen, waaronder die op het terrein van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Om deze reden werk ik nauw samen met mijn ambtgenoot de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de totstandkoming van de nieuwe Wet aanpak Schijnconstructies.
Deelt u de mening dat Rijkswaterstaat haar verantwoordelijkheid als (grote) opdrachtgever beter zou moeten nemen door bij aanbestedingen meer aandacht te besteden aan fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden? Zo ja, hoe gaat u daar voor zorgen?
Het nemen van verantwoordelijkheid gebeurt al door naleving van toepasselijke regelgeving op te leggen.
De wetgeving die nu in de maak is voor de aanpak van schijnconstructies voegt daar een dimensie aan toe. Hierdoor krijgen opdrachtgevers meer ruimte om effectief toe te zien op betaling van verschuldigd loon.
Tijdens het AO arbeidsomstandigheden op 30 oktober jl. heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het belang van goed opdrachtgeverschap op het gebied van arbeidsomstandigheden benadrukt. Hij verkent daarom de mogelijkheden tot het bevorderen van goed opdrachtgeverschap op dit terrein. Begin 2015 zal hij de Kamer informeren over de uitkomsten van deze verkenning.
Welke maatregelen heeft Rijkswaterstaat genomen om misstanden zoals geconstateerd bij de aanleg van rijkswegen A2 en A4 te voorkomen?
Rijkswaterstaat kan bij ontbrekende bevoegdheden geen preventieve maatregelen treffen als het gaat om arbeidsvoorwaarden. Ingeval er signalen worden ontvangen spreekt Rijkswaterstaat meteen zijn opdrachtnemers aan, zodat deze als cao-partij hun verantwoordelijkheid nemen en passende maatregelen treffen.
Bent u bereid de huidige projecten van Rijkswaterstaat te screenen op naleving van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden?
Als het gaat over arbeidsomstandigheden is dergelijke screening niet nodig, want Rijkswaterstaat toetst hierop, voortvloeiend uit de Arbeidsomstandighedenwet. Zie mijn antwoord op vraag 2. Aangaande arbeidsvoorwaarden ligt dit veel moeilijker omdat, zoals aangegeven, een hoogste opdrachtgever zoals Rijkswaterstaat geen cao-partij is bij arbeidsvoorwaardelijke afspraken. Ik ben daarentegen van harte bereid om bevoegde instanties te ondersteunen indien zij projecten, waarvan Rijkswaterstaat opdrachtgever is, willen screenen.
Nep-kortingen die misleidend zijn voor consumenten |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van berichtgeving over nep-kortingen die misleidend zijn voor consumenten, waarbij gesuggereerd wordt dat er een korting is op een eerdere hogere prijs, die er nooit geweest is?1
Ja.
Is het waar dat met name Bol.com, Wehkamp, Intertoys, Bart Smit, Blokker zich hieraan schuldig maken?
Ik keur iedere vorm van misleiding af. Ik vind het belangrijk dat consumenten op basis van volledige en juiste informatie hun koopbeslissing kunnen nemen. De regels over oneerlijke handelspraktijken (afdeling 3a van titel 3 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gebieden handelaren om transparant en volledig te zijn in de informatieverstrekking over bijvoorbeeld de prijs van een product. Ook is het handelaren op grond van deze wetgeving niet toegestaan om consumenten te misleiden over het bestaan van een specifiek prijsvoordeel. Consumenten dienen aan de hand van de verstrekte informatie in staat te worden gesteld om een weloverwogen aankoopbeslissing te nemen. Het is niet aan mij om te beoordelen of in dit specifieke geval sprake is van misleiding die in strijd is met wettelijke bepalingen. Dit is aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als toezichthouder op deze regels en uiteindelijk aan de rechter. Wel merk ik op dat de aandacht van de Consumentenbond en de media voor de genoemde praktijken handelaren scherp houdt. Ten minste één handelaar heeft in reactie aan de Consumentenbond al aangegeven zijn praktijken aan te zullen passen.
Wat is uw oordeel in het algemeen over nep-kortingen die misleidend zijn voor consumenten, waarbij gesuggereerd wordt dat er een korting is op een eerdere hogere prijs, die er nooit geweest is? Is er sprake van oneerlijke handelspraktijken?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel in het specifieke geval van bovengenoemde bedrijven? Is er sprake van oneerlijke handelspraktijken?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bovengenoemde specifieke gevallen voorleggen aan de Autoriteit Consument en Markt?
De ACM is op de hoogte van de berichtgeving en de daarin genoemde specifieke gevallen.
Het bericht dat TenneT een tracé voor hoogspanningskabels plotseling verlegt |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Nieuwe 380 kV hoogspanningslijn: «Aantasting leefklimaat Oosterhout»» en «Oosterhout blijft zich verzetten tegen hoogspanningstracé 380kV»? 1 2
Ja.
Kunt u aangeven hoe het kan dat TenneT zo laat pas conclusies trekt ten aanzien van de net-veiligheid van het eerder gekozen tracé?
Een werkgroep bestaande uit medewerkers van Economische Zaken, TenneT en Netbeheer Nederland heeft in 2012/2013 geanalyseerd welke investeringen in enkelvoudige storingsreserve (ook wel: redundantie) in het hoogspanningsnet doelmatig en wenselijk zijn. De aanleiding was dat de normen in de Netcode en de normen in de Elektriciteitswet 1998 op dit punt uiteenlopen. Conclusie van deze analyse was dat het eisen van enkelvoudige storingsreserve voor hoogspanningsmasten zou leiden tot disproportionele investeringen. Gezien de kleine kans dat een mast omvalt als gevolg van bijvoorbeeld extreme weersomstandigheden of impact van buitenaf, is het eisen van enkelvoudige storingsreserve voor hoogspanningsmasten niet wenselijk. Hiermee is echter nog niets gezegd over de aanvaardbaarheid van de gevolgen van een omvallende mast en een falende verbinding. Wat de impact van een falende verbinding is verschilt per situatie.
De bovenstaande analyse is voor TenneT aanleiding geweest om te laten onderzoeken door DNV KEMA wat de gevolgen zijn van een falende mast met daarop 4 circuits EHS (4x380) zodat kan worden bepaald in welke situatie het totale verlies van een 4-circuit verbinding nog acceptabel zou zijn uit oogpunt van leveringszekerheid en uit hoofde van internationale verplichtingen. Het falen van een verbinding, bijvoorbeeld als een mast omvalt waardoor alle lijnen breken, zou kunnen leiden tot een opeenstapeling van effecten (cascade-effecten) zelfs buiten Nederland. De kans hierop is klein, maar de gevolgen kunnen zeer groot zijn (grootschalige black out).
Naar aanleiding hiervan heeft TenneT in juli 2014 geconstateerd dat de toepassing van 4-circuitverbindingen in de nationale 380 kV-ring en in de verbindingen die deel uitmaken van het Europese net (interconnectie) zeer ongewenst is. Dit betekent dat het voorgenomen tracé uit 2011 niet langer aanvaardbaar is omdat op dit tracé werd uitgegaan van een dergelijke verbinding.
Klopt het dat bij de beslissing tot een ander tracé geen bewoners en lokale bestuurders zijn betrokken? Zo ja, waarom niet?
In juli 2014 heeft TenneT conclusies getrokken op basis van het door haar uitgevoerde onderzoek. Vanwege de onzekerheid over de uitkomsten van het onderzoek naar de toepassing van 4x380 is niet eerder over een mogelijke wijziging met bestuurders en de omgeving gecommuniceerd. In augustus hebben de Minister van Infrastructuur en Milieu en ik op basis van de beschikbare informatie een afweging kunnen maken om te komen tot een alternatief voorgenomen tracé. Besloten is om deze wijziging gelet op de grote impact direct na de zomervakantie te communiceren. Op 27 augustus 2014 heb ik contact opgenomen met de verantwoordelijke gedeputeerde. Direct daarna zijn alle bestuurders van de betrokken gemeenten gebeld en zijn alle omwonenden van zowel het oude als het nieuwe tracé per brief op de hoogte gesteld.
Klopt het dat informatieavonden over de beslissing tot het aanpassen van het tracé zijn afgelast? Zo ja, waarom?
Ja. Deze informatieavonden heb ik helaas moeten afzeggen omdat de openbare orde en de veiligheid van de daar aanwezige mensen niet te garanderen was. Over het zelfde onderwerp is op 23 september wel een informatievond in Etten-Leur geweest.
Klopt het dat de bewoners en lokale bestuurders meer dan twee maanden na bovenstaand bericht nog niet helder geïnformeerd zijn over de aanpassing van het tracé? Zo ja, deelt u de mening dat dit voor de bewoners en lokale bestuurders uitermate vervelend is?
Nee, dit klopt niet. In de afgelopen periode is gesproken met bestuurders, onder meer door mijzelf. Daarnaast is veel tijd besteed aan het beantwoorden van de vragen die via mail en brieven zijn gesteld aan het ministerie en TenneT en is de informatie op de projectwebsite aangevuld (www.zuid-west380kV.nl). Het is natuurlijk vervelend dat door het moeten afzeggen van twee van de drie avonden mensen op dat moment niet persoonlijk te woord konden worden gestaan. Inmiddels vinden nieuwe informatieavonden plaats en is het aantal bijeenkomsten verhoogd naar vijf gezien de grote belangstelling.
Is de regering bereid er zorg voor te dragen dat op zeer korte termijn de bewoners en lokale bestuurders antwoord krijgen op hun vragen over het nieuwe tracé?
Zoals aangegeven gaat het om uitstel van de informatieavonden, niet om afstel. Er zijn vijf nieuwe informatieavonden georganiseerd waarvan de eerste inmiddels hebben plaatsgevonden. In overleg met de betrokken overheden is gekeken hoe de informatievoorziening op een goede wijze plaats kan vinden zodat geïnteresseerden en belanghebbenden de mogelijkheid hebben om vragen te stellen over het voorgenomen gewijzigde tracé aan medewerkers van de ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu en van TenneT en om met hen in gesprek te gaan.
Het bericht “Koper breekijzer in regio Ede krijgt aandacht politie” |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Koper breekijzer in regio Ede krijgt aandacht politie»?1
Ja.
Is het waar dat de politie in de regio Ede camerabeelden en verkoopregistratiegegevens van bouwmarkten gaat controleren met betrekking tot kopers van specifiek gereedschap? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De betreffende politie-eenheid is een samenwerking aangegaan met de plaatselijke bouwmarkten. De deelnemende bouwmarkten zagen het als hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om de politie informatie te verschaffen over aankopen die naar hun inschatting verdacht zijn en mogelijk te maken hebben met de voorbereiding van een inbraak. Het is dus niet zo dat de politie beelden of gegevens vordert. De bouwmarkten bepalen zelf welke voorvallen zij onder de aandacht van de politie willen brengen naar aanleiding van verdacht gedrag en/of verdachte interesse voor (onlogische combinaties van) gereedschap. Zo blijkt uit ervaringen van de bouwmarkten onder meer dat de grootste exemplaren voorhamers slechts enkele keren per jaar bij een vestiging worden verkocht en dat een aanzienlijk deel van die aankopen verdacht is. De politie beoordeelt of zij de aangedragen situaties ook verdacht vindt en bekijkt vervolgens de betreffende beelden.
Op welk gereedschap gaat de politie concreet controleren? Hoe wordt bepaald of een bepaalde soort gereedschap al dan niet geschikt is om inbraken mee te plegen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zegt het in strafrechtelijke zin als iemand die eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld een grote schroevendraaier in een bouwmarkt in Ede koopt? Wat kan de politie concreet doen met dergelijke informatie?
Dit project is gericht op het opwerpen van barrières voor het aanschaffen van gereedschap met als doel om dit te gebruiken bij het plegen van woninginbraken. Dit project is dus niet rechtstreeks gericht op opsporing in strafrechtelijke zin. Als op de camerabeelden personen te zien zijn die de politie herkent als actieve inbrekers, dan kan zij deze personen hierop aanspreken. Dit kan op zichzelf al een preventieve werking hebben. Ook kunnen uit dit contact al dan niet gecombineerde met informatie uit andere bronnen aanwijzingen naar voren komen dat er sprake is van strafbare (voorbereidings)handelingen. In dat geval zal verdere actie volgen.
Hoe vaak is – of wordt naar verwachting – een koper van een gereedschap door de politie aangesproken in verband met zijn aankoop? Op welke manier vindt dat contact plaats?
Dit is tot op heden nog niet voorgekomen.
Op grond van welke bevoegdheid mag de politie de administratie van winkels gebruiken om te zien wie welke bouwmaterialen heeft gekocht zonder concrete aanwijzingen voor een misdrijf?
Het gaat bij dit project niet om de inzet van een opsporingsmiddel, maar om het kennisnemen van informatie over verdachte situaties die de deelnemende bouwmarkten uit eigen initiatief onder de aandacht van de politie brengen. De politie is op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 bevoegd, en zelfs verplicht, om dergelijke tips te onderzoeken. Onder deze algemene politietaak wordt immers ook begrepen het voorkomen van strafbare feiten, in dit geval het tegengaan van inbraken in woningen.
Is er bijzondere aanleiding om te veronderstellen dat inbrekers hun inbrekerstuig bij bouwmarkten in de regio Ede kopen en dan daarmee ook nog in die regio inbraken plegen? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, wat zegt dat over de noodzaak en de effectiviteit van het nakijken van camerabeelden en het doorzoeken van administratie?
Fenomeenonderzoek wijst uit dat circa 80% van de inbraken gepleegd wordt door lokale daders. Uit opsporingsonderzoek is meermaals gebleken dat verdachten van misdrijven gereedschappen bij (één of meer van) deze bouwmarkten hebben gekocht die gebruikt zijn bij het plegen van dergelijke strafbare feiten.
In hoeverre wordt door het bekijken van camerabeelden en het gebruiken van verkoopgegevens de privacy van vele klanten van bouwmarkten geschonden?
De bouwmarkten hebben, net als veel andere winkeliers, een privacyreglement dat mede omvat het houden van toezicht met camera’s en een registratie van betaalgegevens. De politie is op grond van de Wet politiegegevens bevoegd om kennis te nemen van informatie die in de vorm van tips wordt aangeboden. Van een ongeoorloofde schending van de privacy is dan ook geen sprake. Overigens worden door de politie geen gegevens in de vorm van kassabonnen of camerabeelden meegenomen. Hoe effectief deze aanpak in de praktijk is, ook in relatie tot de benodigde inspanning, zal een evaluatie over een langere periode moeten uitwijzen.
Hoeveel tijd en fte zijn er gemoeid met deze manier van opsporen? Is dit in verhouding met het resultaat van deze opsporingsmethode?
Zie antwoord vraag 8.
Acht u dit middel proportioneel ten aanzien van enerzijds het doel van het opsporen van inbrekers en anderzijds de effectiviteit van dat middel en de schending van de persoonlijke levenssfeer? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat de hoop van de politie in Ede dat hun plannen landelijk navolging krijgen voorbarig is zolang niet duidelijk is of die plannen noodzakelijk, effectief en proportioneel ten opzichte van privacyschendingen zijn? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat de plannen van Ede landelijk worden nagevolgd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en krijgt de nationale politie dan de opdracht om het voorbeeld van Ede te volgen?
Ik volg deze aanpak met belangstelling. Hoe effectief deze aanpak in de praktijk is en in hoeverre het de gewenste resultaten oplevert, zal zoals gezegd evaluatie over een langere periode moeten uitwijzen. Voorts is het aan de lokale bouwmarkten in overleg met het lokale gezag om deze aanpak al dan niet verder te ontplooien.