Externe veiligheid in Zuid-Nederland |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Deelt u de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid naar aanleiding van het incident bij Shell Moerdijk, die stelt dat risico’s niet werden onderkend en beheerst en dat er onvoldoende is geleerd van eerdere incidenten?1
Ik zal u vóór het AO Externe Veiligheid van 30 september 2015 nader informeren over de onderzoeken naar het incident bij Shell Moerdijk.
Wat is uw mening over het feit dat Shell al decennia geen onderzoek naar- en het testen van het betrokken veiligheidskritisch proces heeft gedaan, dat medewerkers onvoldoende op de hoogte zijn van processen waar ze mee werken en tijdens de uitvoering door medewerkers niet is gereageerd op alarmen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden toezicht en handhaving op de Moerdijk zich met de relatief hoge frequentie van ongelukken aldaar? Kunt u een overzicht geven van incidenten die over de afgelopen 5 jaar hebben plaatsgevonden?
De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant voert in Moerdijk risicogestuurd toezicht uit. Ongevallen bij bedrijven leiden tot een hogere toezichtfrequentie, niet-naleven tot een stringentere interventie.
Op grond van artikel 17.2 Wet milieubeheer is het Wabo-bevoegd gezag verplicht ongewone voorvallen te registreren. Bedrijven in Moerdijk hebben van 1 januari 2010 tot 15 april 2015 bij het bevoegd gezag 1.742 meldingen gedaan. Onder een ongewoon voorval wordt in de meeste gevallen een kleine lekkage of het verhoogd affakkelen als gevolg van een procesverstoring verstaan.
In Moerdijk hebben de afgelopen vijf jaar drie ongewone voorvallen plaatsgevonden met een grotere maatschappelijke impact, namelijk bij Chemiepack (5 januari 2011), Shell Moerdijk (3 juni 2014) en Remondis Argentia BV (12 mei 2015).
Gaat u Safety Deals afsluiten met bedrijven op de Moerdijk? Zo ja, hoe worden die vormgegeven? Klopt het dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een inspectie van te voren aankondigt? Zo ja, gaat u de ILT aanspreken om ook onaangekondigde inspecties uit te voeren?
Op dit moment ligt er geen voorstel voor een Safety Deal van bedrijven op de Moerdijk. Wanneer een voorstel wordt gedaan, zal het op zijn inhoud en de bijdrage aan de veiligheid worden beoordeeld. Voor de goede orde benadruk ik dat er geen relatie is tussen een Safety Deal en toezicht en handhaving.
BRZO-inspecties zijn overigens de verantwoordelijkheid van het Wabo-bevoegd gVoor de vraag over de inspecties van de ILT verwijs ik u graag naar de beantwoording van uw vragen van 17 augustus 2014, waarin aangegeven is dat de ILT inspecties in beginsel aankondigt. Daarbij noem ik ook de uitzonderingen op die regel.
ezag (dat wil zeggen gemeente c.q. provincie). Deze worden uitgevoerd samen met de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) en de betreffende Veiligheidsregio. Deze inspecties worden zowel aangekondigd als onaangekondigd uitgevoerd.
Hoeveel transporten van gevaarlijke stoffen vonden er de afgelopen jaren plaats en zullen nu en de komende jaren plaatsvinden op de trajecten Dordrecht-Roosendaal en Breda-Tilburg?
De onderstaande tabel bevat de aantallen ketelwagens (kwe) met gevaarlijke stoffen die per jaar in de afgelopen jaren over de door u genoemde trajecten zijn vervoerd. Een specifieke prognose van het aantal ketelwagens met gevaarlijke stoffen dat de komende jaren over deze trajecten vervoerd zal worden, is niet beschikbaar. Wel staat vast dat deze aantallen ketelwagens per jaar moeten passen binnen de risicoplafonds van Basisnet. De aantallen waarop deze plafonds zijn gebaseerd, zijn in de laatste kolom aangegeven; bij die maximale omvang van het vervoer blijven de risico’s voor de omgeving binnen de wettelijke grenzen die daarvoor gelden.
Dordrecht – Lage Zwaluwe
25.850
15.400
15.650
16.000
17.650
60.900
Lage Zwaluwe – Roosendaal
8.750
4.550
5.950
6.250
10.000
50.500
Breda – Tilburg
20.000
21.000
14.650
13.450
12.250
16.350
TABEL: Spoorvervoer gevaarlijke stoffen, aantallen ketelwagens per jaar in beide richtingen samen (afgerond; 1 tankcontainer telt als ½ ketelwagen).
Bron: ProRail
Hoeveel extra geluid en trillingen zal dit teweeg brengen? Is bekend welke fysieke en psychische belasting dit met zich mee brengt? Zo nee, wanneer is dit inzicht wel te verkrijgen?
Het vervoer van gevaarlijke stoffen is gemiddeld circa 10% van het totale goederenvervoer per spoor. Dat gebeurt meestal in zogenaamde «gemengde treinen»: de meeste goederentreinen bevatten wel één of enkele wagens met gevaarlijke stoffen. Er rijden bijna geen goederentreinen die alleen maar gevaarlijke stoffen vervoeren. Daarom is niet specifiek aan te geven welke extra geluids- en of trillingshinder afkomstig is van de wagens met gevaarlijke stoffen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet Basisnet (1 april 2015) staat wel vast dat de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de omgeving (omwonenden) binnen de daarvoor geldende wettelijke grenzen blijven.
In hoeverre voldoet de risicobenadering die ten grondslag ligt aan de Wet Basisnet Spoor aan de vereiste veiligheid langs het spoor in de kernen Zevenbergen, Oudenbosch en Roosendaal? Is er sprake van nadering van het risicoplafond? Kunt u dit toelichten? Hoe is de bevolking hierbij betrokken geweest?
De risicobenadering die ten grondslag ligt aan Basisnet Spoor is voor heel Nederland op een uniforme wijze toegepast. De veiligheid langs het spoor in de kernen Zevenbergen, Oudenbosch en Roosendaal is met Basisnet en de genomen veiligheidsmaatregelen («warme bleve vrij» samenstellen van treinen en installeren van extra beveiliging (ATB-Vv) bij wissels) aanmerkelijk toegenomen ondanks de groei van het aantal treinen vanwege de Betuweroute.
Het huidige vervoer van gevaarlijke stoffen over het traject Lage Zwaluwe – Roosendaal is ongeveer een vijfde van wat binnen het risicoplafond van Basisnet mogelijk is (zie de tabel in het antwoord op vraag 5). De bestuurlijke besluitvorming over Basisnet heeft de afgelopen jaren plaatsgevonden, waarbij enkele gemeente- en provinciebestuurders betrokken waren. Daarnaast hebben zowel de Eerste als de Tweede Kamer ingestemd met het Basisnet.
Het betrekken van de bevolking rond een bepaald traject is de primaire verantwoordelijkheid van de betreffende gemeente. Daarnaast zijn er vanwege de bijzondere situatie van dit traject voorlichtingsbijeenkomsten geweest in West-Brabant en hebben bilaterale gesprekken met ambtenaren van de betreffende gemeenten plaatsgevonden.
Bent u op de hoogte van de relatieve ongerustheid in de regio West-Brabant over ongelukken, daarbij in acht nemend dat er ook toename is van transport van gevaarlijke stoffen ter spoor? Hoe verhoudt deze onrust zich tot de aanbevelingen van eerdere rapporten die stellen dat de bevolking betrokken dient te worden bij de risicobepaling?2
Op 20 april jl. heb ik een werkbezoek gebracht aan Oudenbosch om met bestuurders en bewoners van de gemeenten Halderberge, Moerdijk en Roosendaal te spreken over Basisnet Spoor en de ongerustheid die daarover in de regio bestaat. Daarna zijn medewerkers van het ministerie aanwezig geweest op een bewonersavond om toelichting te geven, vragen te beantwoorden en in gesprek te gaan. De betrokkenheid van de bevolking bij hun woonomgeving is van groot belang. Transparante informatie over de gevolgen van Basisnet is daarom extra belangrijk. Hieraan wordt in overleg met de drie gemeenten extra aandacht gegeven.
De rapporten «Risico gewaardeerd» (RLI, 2014) en «Consistent Maatwerk» (WRR, 2014) zijn uitgebracht nadat de besluitvorming over Basisnet had plaatsgevonden. De bevindingen uit genoemde rapporten worden zeker meegenomen in de modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid (zie Kamerstuk 29 517, nr. 92). Een belangrijk onderdeel van deze modernisering is de betrokkenheid van burgers bij de besluitvorming en de rolverdeling tussen burgers, gemeenten en rijksoverheid.
In hoeverre zijn bij het kantelen van het dak van een naftatank in Geleen, en het daaropvolgend in een woonwijk waaien van naftaschuim, de veiligheidsvoorschriften nageleefd en de risico’s voor omwonenden in kaart gebracht?3
De Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg geeft aan dat er bij de uitgevoerde BRZO-inspecties in 2013 en 2014 geen tekortkomingen zijn vastgesteld aan de tanks en dat de veiligheidsvoorschriften worden nageleefd. Controles van de tanks, waaronder een tank met een uitwendig drijvend dak, hebben steekproefsgewijs plaatsgevonden.
De oorzaak van het kantelen van het drijvend dak van de betreffende tank is op dit moment nog niet bekend. Het onderzoek dat het bedrijf hiernaar heeft ingesteld, loopt nog. Nadat de oorzaken zijn vastgesteld, zal de provincie Limburg een onderzoek instellen om te bepalen of er sprake is van een overtreding van de wet- en regelgeving.
Het kantelen van het dak van de tank heeft tot stankoverlast voor de omwonenden geleid. Dit was aanleiding voor de provincie Limburg voor het uitvoeren van luchtmetingen en analyses benedenwinds van de tank. De GGD Zuid-Limburg komt na beoordeling van de analyseresultaten tot de conclusie dat er geen sprake was van bedreiging van de volksgezondheid.
Om de stankoverlast te beperken, is een schuimlaag op de nafta in de tank aangebracht. Op 19 juli 2015 zijn door de weersomstandigheden schuimvlokken met eventueel restanten nafta in de omgeving terechtgekomen. Ook hier komt de GGD Zuid-Limburg tot de conclusie dat er geen direct risico voor omwonenden is geweest.
In hoeverre speelt het programma Veiligheid Voorop een rol in bovengenoemde incidenten?4 Meent u, in het licht van deze recente incidenten, dat dit programma veiligheidsrisico’s nu en in de toekomst afdoende dekt?
Ik stimuleer initiatieven van het bedrijfsleven om de veiligheid te vergroten en geef waar mogelijk steun aan het programma Veiligheid Voorop. Veiligheid in de keten is een initiatief van Veiligheid Voorop om invulling te geven aan ketenverantwoordelijkheid.
Deze initiatieven hebben resultaat wanneer incidenten worden vermeden. Het zal nooit uit te sluiten zijn dat incidenten optreden, maar het streven, ook van het bedrijfsleven, is vermindering van het aantal en beperking van de effecten.
Het bericht over vermeende overtreding van regels rondom de beursgang van ABN Amro |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving over mogelijke overtreding van regels rondom de beursgang van ABN AMRO?1
Ja.
Klopt het dat een medewerker van het staatsagentschap NLFI2, die betrokken is bij de beursgang van ABN AMRO, en een topman van de Amerikaanse zakenbank JP Morgan gezamenlijk hebben gedineerd?
De voorzitter van NLFI, de heer M. Enthoven heeft mij gemeld dat hij eind maart 2015 een uitnodiging van JP Morgan Chase & Co heeft geaccepteerd voor een diner waar circa vijftien bestuurders en commissarissen van grote Nederlandse ondernemingen – waaronder financiële instellingen – aanwezig waren. Bij het diner was ook de heer J. Dimon (Chairman en CEO van JP Morgan Chase & Co) aanwezig. Het diner heeft plaatsgevonden op 30 juni 2015 in Amsterdam.
Indien dit het geval is, is dit contact wettelijk toegestaan of zijn er regels omtrent de beursgang van ABN AMRO overtreden?
Ik heb geen aanwijzing dat gehandeld zou zijn in strijd met een wettelijk voorschrift of regels omtrent de beursgang.
Welke acties heeft u, gezien uw verantwoordelijkheid voor het NLFI, genomen naar aanleiding van de genoemde publicatie?
Naar aanleiding van de publicatie is de heer Enthoven gevraagd om een toelichting te geven op de in de publicatie omschreven zaken. De heer Enthoven heeft in zijn toelichting aangegeven dat hij de uitnodiging voor het diner achteraf gezien beter niet had kunnen accepteren gezien het lopende selectieproces voor zakenbanken bij de voorgenomen beursgang van ABN AMRO.
Uit publicaties in dagbladen3 komt het beeld naar voren dat er Nederlandse banken gepasseerd zijn bij de beursgang van ABN AMRO; vindt u dit een wenselijke situatie, in overweging nemende de eisen die wij nationaal stellen aan banken op onder andere het gebied van beloning?
NLFI heeft een open, transparant en non-discriminatoir proces gevoerd voor de selectie van zakenbanken bij de beoogde beursgang van ABN AMRO. Dat heeft geleid tot de benoeming van drie zakenbanken in de rol van global coordinator, waaronder een Nederlandse bank. NLFI heeft primair geselecteerd op kwaliteit. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om hoge kennis- en ervaringseisen op het gebied van grote effectentransacties, zogenoemde Equity Capital Market (ECM)-transacties, en beursintroducties. Ook zijn hoge eisen gesteld aan onderzoeksvaardigheden van de analisten en de competenties van het voorgestelde core deal team. Het beloningsbeleid is ook meegenomen als een van de selectiecriteria. NLFI heeft bij de selectie geen onderscheid gemaakt naar de vestigingsplaats van de zakenbanken.
Zijn de zaken zoals ze zich nu ontwikkelen rondom de selectie van banken voor de rol van Global Coördinator bij de beursgang van ABN AMRO aanleiding om het proces opnieuw op te (laten) starten?
Nee.
Het bericht van Energieonderzoekscentrum Nederland (ECN) dat de zware industrie nu het energiegebruik moet aanpakken |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zware industrie moet energiegebruik nu aanpakken»?1
Ja.
Deelt u de mening van ECN dat, wanneer de concurrentiepositie een leidend thema blijft om te weinig te doen, de zware industrie niet haar aandeel zal leveren aan de energietransitie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Volgens het artikel van ECN is stimulering van energie-efficiëntie op de lange termijn juist voordelig voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Die mening deel ik. De concurrentiepositie is dan ook geen leidend thema voor de industrie om niets te doen aan energie-efficiëntie, maar juist een drijfveer om het onderwerp op te pakken.
In het Energieakkoord is de bijdrage van de energie-intensieve industrie aan de energietransitie overeengekomen door maatschappelijk middenveld, bedrijfsleven en overheid. Zoals ik uw Kamer in mijn brief over energie-efficiëntie in de industrie van 27 juni jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 346) heb meegedeeld, zijn met het raamwerk voor bedrijfsspecifieke afspraken en de start van het expertisecentrum voor energiebesparing belangrijke stappen gezet om het Energieakkoord uit te voeren en energie-efficiëntie in de industrie te verbeteren.
Ik verwacht dat deze maatrelen de komende jaren tot efficiëntieverbeteringen gaan leiden. Het is nu aan het bedrijfsleven om met concrete projecten te komen voor de bedrijfsspecifieke afspraken.
Bent u bereid de zware industrie met gerichte stimuleringsmaatregelen aan te zetten tot snellere stappen richting duurzame productie? Bieden feed-in tarieven hiertoe mogelijkheden?
Dat is nu niet aan de orde. Volgend jaar wordt het Energieakkoord geëvalueerd. Mocht uit de evaluatie blijken dat de energie-intensieve industrie niet op schema ligt om de doelstellingen van het Energieakkoord te halen, dan zal ik overleggen met de aangesloten partijen bij het Energieakkoord hoe dit op te lossen. Dan ben ik vanzelfsprekend ook bereid om nieuwe beleidsinstrumenten te overwegen.
De enquête onder architecten en de toepassing van de Europese regels bij aanbestedingen |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Aanbestedingen vaak in nadeel van architecten» en «Een dialoog vinden ze nu gedoe»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat een meerderheid van de gevraagde architecten vindt dat aanbestedingen leiden tot machtsongelijkheid tussen architecten en opdrachtgevers, dat er vaak geen vergoeding is, en kosten niet kunnen worden verhaald?
Ik ben bekend met de geschetste problematiek. In de Aanbestedingswet 2012 zijn maatregelen genomen om de gevallen tegen te gaan waarin sprake is van disproportionaliteit. Recentelijk is de Aanbestedingswet 2012 geëvalueerd. Over de uitkomsten van de evaluatie heb ik uw Kamer bij brief van 8 juli 2015 geïnformeerd (34 252, nr. 1). Uit de evaluatie blijkt dat de genomen maatregelen ten aanzien van proportionaliteit effect hebben gehad. Er is echter nog ruimte voor verbetering in de toepassing van de (nieuwe) regels. Gelet op de korte periode na inwerkingtreding van de wet is mijn verwachting dat de verbetering verder door zal zetten. Zoals aangekondigd in de brief zet ik in op het stimuleren van beter aanbesteden. Daarbij zal de aandacht liggen op het verbeteren van de toepassing van aanbestedingsregels en zal aandacht worden gevraagd zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau in gemeenten.
Herkent u het beeld dat bij de toepassing van de Europese regels door gemeentebesturen deze strak worden geïnterpreteerd, waarbij het volgens architecten vaak leidt tot grove onrechtvaardigheden waaraan men moeilijk kan ontsnappen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat ziet u daarbij aan mogelijkheden om deze tendens te keren?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het feit dat 97% van de gevraagde architecten de gevraagde inspanningen niet in redelijke verhouding vindt staan tot de opdracht, en het daarnaast schort aan de uitleg van beslissingen en overwegingen van opdrachtgevers?
In de uitkomsten van de enquête van de heer Uytenhaak staat een percentage van 86% weergegeven die de gevraagde inspanningen niet in redelijke verhouding vindt staan tot de opdracht. Dat sluit aan bij de overige uitkomsten van de enquête waarin naar voren komt dat architecten disproportionaliteit ervaren bij aanbestedingen en dat bepalingen uit de Gids proportionaliteit niet worden nageleefd. Voor een reactie daarop verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 en 3.
Verder wordt aangegeven dat het schort aan uitleg van beslissingen en overwegingen van opdrachtgevers. In de evaluatie naar de Aanbestedingswet 2012 is ook naar voren gekomen dat ondernemers klachten hadden over de motivering van afwijzingen. Daarvoor kan ook aandacht zijn bij het stimuleren van beter aanbesteden.
Vindt u het terecht dat bij een eerste fase van het ontwerp om een visie gevraagd wordt die in de praktijk neerkomt op een omvangrijk voorontwerp waarin vaak tientallen tot honderden uren arbeid zitten en waarvoor geen vergoeding wordt gegeven? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Aanbestedingswet 2012 is bepaald dat voor de voorschriften uit de Gids proportionaliteit geldt pas toe of leg uit. In de Gids is het voorschrift opgenomen dat de aanbestedende dienst een vergoeding moet aanbieden wanneer een gedeelte van de te plaatsen opdracht moet worden uitgevoerd om de inschrijving in te kunnen dienen. Wanneer een aanbestedende dienst dit niet doet, moet dat worden gemotiveerd. Als toelichting bij dat voorschrift worden als voorbeeld genoemd visiepresentaties, maquettes en modellen, schetsen of (constructie) doorberekening waarbij verhoudingsgewijs aanzienlijke kosten per inschrijving gemaakt moeten worden. Het is niet terecht als zonder motivering van dit voorschrift wordt afgeweken. Architecten kunnen hierover een klacht indienen bij de aanbestedende dienst. Daarna kan een advies van de Commissie van Aanbestedingsexperts worden gevraagd over de betreffende casus. Ook kan de zaak worden voorgelegd aan de rechter.
Herkent u het feit dat een architect volgens de Europese regels zogeheten referenties moet overleggen om te mogen inschrijven op een opdracht voor bijvoorbeeld een nieuwe school of gemeentehuis, waarbij het er in de praktijk op neerkomt dat men in de drie voorafgaande jaren aan drie soortgelijke of zelfs identieke opdrachten moet hebben meegedaan als uitvoerend architect? Wat vindt u van het feit dat hierdoor bureaus uit de markt worden gestoten?
De Europese aanbestedingsregels verplichten aanbestedende diensten niet om referenties te vragen. Ze bieden wel de mogelijkheid dat te doen. In de Aanbestedingswet 2012 is geregeld dat niet naar soortgelijke of precies gelijke opdrachten mag worden gevraagd als referenties, maar alleen op onderdelen van de opdracht naar eerder verrichte vergelijkbare opdrachten. Daarnaast is in de Gids proportionaliteit geregeld dat per kerncompetentie maximaal één referentie mag worden gevraagd. Wanneer bureaus worden geconfronteerd met een dergelijke eis staan voor bureaus de mogelijkheden open die in de vraag hierboven zijn omschreven. In het najaar zal het wetsvoorstel tot implementatie van de Europese aanbestedingsrichtlijnen in de Aanbestedingswet 2012, dat momenteel voor advies bij de Raad van State ligt, naar uw Kamer worden gestuurd. In dit wetsvoorstel wordt aanbestedende diensten de mogelijkheid geboden ook opdrachten in aanmerking te nemen over een langere periode dan drie jaar als er anders niet voldoende gegadigden zijn om een toereikend niveau van mededinging te waarborgen. Dit kan voorkomen in branches zoals de architectenbranche waarin sprake is van langdurige opdrachten waardoor relatief weinig opdrachten per jaar worden uitgevoerd en het goed mogelijk is dat ondernemers niet over voldoende passende referenties beschikken die in de afgelopen drie jaar zijn uitgevoerd.
Is het u bekend dat door de zogenaamde referentie-eis bureaus gedwongen zijn in te schrijven op bouwprojecten ook al ontbreekt een vergoeding? Bent u bereid hiervoor een oplossing aan te dragen waarmee voorkomen wordt dat hele generaties jonge architecten, tussen de twintig en vijfendertig jaar, gaan behoren tot een verloren generatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om bij zogenaamde «open opdrachten» die verder gaan dan een eenvoudige offerte een richtlijn te ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met een redelijke vergoeding van tenminste de gemaakte kosten? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid om de afgenomen enquête te bestuderen en om samen met het veld te werken aan de in het artikel geschetste zorgen over de kwaliteit en innovatie van ontwerpen en aan het funest gebrek aan transparantie bij beoordelingen van het ingestuurde werk? Zo nee, waarom niet?
Ik zal in gesprek gaan met de heer Uytenhaak om de uitkomsten nader te bespreken. Ook ben ik bereid samen met het veld te werken aan het stimuleren van beter aanbesteden, zoals aangegeven in reactie op vraag 3. Dit zal zien op de hele breedte van het aanbesteden en niet alleen op architectenopdrachten.
Bent u van mening dat de gewijzigde Wet op de architectentitel, die ziet op beroepservaring, bij – en nascholingsregeling voor stedenbouwkundigen, en voor tuin – en interieurarchitecten, en die per 20 juli 2015 is ingegaan, slechts de architectentitel volgens de Europese richtlijn beschermt, maar geen soelaas biedt voor de geschetste problematiek? Zo nee, waarom niet?
De werking van de (gewijzigde) Wet op de architectentitel is enerzijds gericht op vakbekwaamheid en deskundigheid van architecten, zodat de keuze voor een architect voldoende waarborg biedt voor de gewenste kwalitatieve uitvoering van een opdracht. Anderzijds wordt met de wet de positie van Nederlandse architecten in Europees verband – en daarmee hun kansen voor de Europese markt – versterkt.
Aldus draagt de wet ertoe bij dat bij de selectie voor een uit te voeren publieke ontwerp/bouwopdracht uit moet worden gegaan van gekwalificeerde – en volgens het Register ingeschreven – architecten. Deze wet is er niet op gericht de wijze van selectie en vergoeding voor te schrijven.
Het bericht 'Afrikaanse voetballers verhandeld in Azie' |
|
Marith Volp (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichtgeving over het verhandelen in Azië van Afrikaanse voetballers? Zo ja, wat is uw opvatting daarover? 1
Van de berichtgeving op de BBC- website heb ik kennisgenomen. Op basis van één persartikel kan ik geen oordeel geven over specifieke situaties die daarin wordt beschreven. Wel kan ik aangeven dat ik handel in jonge spelers verwerpelijk vind.
Zijn er voor zover u bekend naast de schatting van Culture Foot Solidaire dat er zo'n 15.000 kinderen verhandeld zijn voor het voetbal, andere betrouwbare schattingen van het aantal slachtoffers? Indien het u niet bekend is, bent u bereid dit nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals uit het artikel blijkt is de FIFA bezig met het verzamelen van alle informatie om deze zaak te beoordelen en de belangen van de betrokkene minderjarigen te behartigen. Aanvullend onderzoek naar aantallen is naar mijn oordeel dan ook niet nodig.
Zijn er sinds de antwoorden op eerdere2 signalen geweest dat er jonge spelers op een verkeerde manier in Nederland terecht zijn gekomen? Zo ja, wat is de omvang hiervan? Bent u bereid dit (nader) te onderzoeken met uw Europese collega's?
Nee, die signalen hebben mij niet bereikt. Op basis van de FIFA Regulations on the Status and Transfer of Players kunnen geen internationale overschrijvingen van spelers onder achttien jaar plaatsvinden behoudens de daarin vastgestelde uitzonderingen. Met ingang van 1 maart jl. hebben alle clubs toestemming nodig van de FIFA als ze spelers vanaf tien jaar uit het buitenland willen halen. Zonder deze toestemming kan een speler niet uitkomen voor zijn nieuwe club in een ander land. Daar bovenop heeft de KNVB als vast beleid dat spelersmakelaars zich moeten onthouden van activiteiten en werkzaamheden voor zover het spelers jonger dan zestien jaar betreft.
Indien er inderdaad nauwelijks sprake lijkt van enige vooruitgang in de bestrijding van de handel in jonge spelers, wat is daarover uw opvatting?
Zoals ook vermeld in het antwoord op vraag 1 vind ik elke vorm van handel in jonge spelers verwerpelijk. Als er sprake is van schending van de regelgeving zoals door de FIFA opgesteld, moet dit door betrokken partijen (te weten de ouders, de clubs, de makelaars en de (inter)nationale federaties en bonden) worden bestreden, waarbij FIFA moet optreden tegen nationale voetbalbonden en individuele clubs als die de regels overtreden. Recent is dit gebeurd met de bestraffing van F.C. Barcelona en de Spaanse voetbalbond voor de transfer van een aantal jeugdspelers waarbij ze niet voldeden aan de uitzonderingsvoorwaarden. De Spaanse voetbalbond en F.C. Barcelona zijn hier voor beboet. F.C. Barcelona heeft hiernaast ook een nog lopend transferverbod van een jaar gekregen.
Kunt u aangeven op welke manier(-en) voetbalbonden de handel in kinderen voor het voetballen effectiever kunnen bestrijden? Zo nee, bent u bereid hierover op kort termijn onderzoek naar te doen? Doen naar uw mening de KNVB, UEFA en FIFA hier voldoende tegen? Is het u bekend of de FIFA en UEFA voldoende zicht hebben op de bewegingen van jonge spelers wereldwijd? Zo nee, bent u bereid hier actie op te ondernemen? Zo ja, welke?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4 is het aan de betrokken partijen om schending van de regelgeving binnen de voetbalwereld tegen te gaan. De KNVB heeft over transfers van jonge voetballers vaker contact met de FIFA. Specifiek hebben ze in dit geval bij FIFA aangekaart dat de grens van 12 jaar voor het verkrijgen van een International Transfer Certificate (ITC) te hoog zou zijn, en deze is, zoals in het antwoord op vraag 3 ook is aangegeven recentelijk verlaagd naar 10 jaar. Door het Transfer Matching System van de FIFA (een digitaal systeem voor internationale overschrijvingen) en het daarbij behorende ITC systeem hebben nationale voetbalbonden en de FIFA goed zicht op de beweging van jonge spelers omdat elke grensoverschrijdende transfer moet worden goedgekeurd door de FIFA.
Op welke manier kunnen overheden de handel in kinderen voor het voetballen effectiever bestrijden? Hoe gaat u zich daar in Europees en internationaal verband voor inzetten?
In mei 2014 is een Raadsbijeenkomst van de EU Sportministers een resolutie aangenomen betreffende het werkplan van de Europese Unie voor sport voor de jaren 2014–2017 (2014/C 183/03). Eén van de thema’s is de integriteit in de sport, in het bijzonder de bestrijding van doping en wedstrijdvervalsing, de bescherming van minderjarigen, goed bestuur en gendergelijkheid.
Slachtoffers van mensenhandelaren blijven vaak met schulden achter als zij vervroegd teruggaan naar hun eigen land als beloften niet worden nagekomen; kunt u aangeven op welke wijze is te voorkomen dat zij daardoor opnieuw in de problemen komen? Hoe zal dat in het geval van de voetballertjes die naar Laos zijn gegaan worden opgepakt? Welke maatregelen bent u eventueel bereid te nemen om deze slachtoffers bij te staan?
Op basis van de informatie in het BBC-bericht valt niet op te maken of het voorval voldoet aan alle elementen van de definitie van mensenhandel. Blijkens het artikel is in het voorval dat door de BBC wordt beschreven reeds actie ondernomen door FIFPro en FIFA, hetgeen ertoe leidde dat de meeste jonge spelers naar hun land terugkeerden, terwijl een aantal ervoor koos in Laos te blijven. Ik zie derhalve geen aanleiding voor Nederlandse instanties om in dit specifieke geval te interveniëren.
Een conflict tussen PostNL en zijn pakketbezorgers |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over een conflict tussen PostNL en zijn pakketbezorgers?
Ja.
Wat is de aard en inhoud van dit conflict? Welke rol spelen hierin de vergunning van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO-vergunning), het onderhandelingsakkoord, de voorgestelde tarieven, de voorwaarden voor indiensttreding en de kosten van de bestelbussen?
Het is een conflict tussen PostNL en een aantal pakketbezorgers. Het kabinet is hierin geen partij. Het is aan de betrokken partijen zich uit te spreken over de aard en inhoud van het conflict en om te zoeken naar een oplossingsrichting. Van de betrokken partijen heb ik begrepen dat de door u genoemde onderwerpen daarbij een rol spelen.
Waarom is dit conflict geëscaleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u betrokken geweest bij de totstandkoming van het onderhandelingsakkoord? Zo ja, op welke manier?
Ik ben geen partij bij de totstandkoming van het onderhandelingsakkoord. Ik acht dit een zaak van individuele partijen. Om de ontwikkelingen in de pakketsector beter te kunnen volgen, heb ik een verkenner aangesteld. Het rapport van de verkenner stuur ik u heden toe.
Wanneer wordt het toegezegde rapport over de pakketmarkt naar de Kamer gestuurd?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat pakketbezorgers die op allerlei manieren gebonden zijn aan PostNL geen zelfstandigen zijn? Hoe vertaalt dit zich door in het al dan niet verlenen van een Beschikking Geen Loonheffingen (BGL)?
Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval of een pakketbezorger als zelfstandige wordt aangemerkt. Het is aan de Belastingdienst om te toetsen of van zelfstandig ondernemerschap sprake is. Ook kan een belanghebbende de rechter om een oordeel vragen.
Het voorstel om te komen tot een Beschikking Geen Loonheffingen is ingetrokken en vervangen door het inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Deregulering beoordeling arbeidsrelaties.
Het bericht ‘TNO minder actief op topsectoren en maatschappelijke thema’s’ |
|
Henk van Gerven , Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel «TNO minder actief op topsectoren en maatschappelijke thema’s»1?
Ja.
Wat is uw reactie op dit artikel?
De bezuinigingen bij TNO volgen uit taakstellingen die al in 2010 zijn vastgelegd in het regeerakkoord en vastgesteld in de begrotingen van respectievelijk de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (tot 2011), Economische Zaken (vanaf de overheveling in 2011) en Defensie. Ze zijn dan ook al enkele jaren bij TNO bekend.
Ik heb enkele kanttekeningen bij dit artikel. Ten eerste wordt in dit artikel gesproken over een bezuiniging van 17 miljoen euro. Dit betreft een optelsom van een structurele daling van de vaste rijksbijdrage en het wegvallen van incidentele middelen die de afgelopen jaren bovenop die vaste bijdrage zijn toegekend. Er zijn in de afgelopen jaren onder meer middelen toegekend om de activiteiten van een aantal Technologische Topinstituten (TTI’s) bij TNO op te laten nemen, om het opstarten van het topsectorenbeleid aan te jagen en om de samenwerking tussen TO2»s op maatschappelijke thema’s te bevorderen. De daling van structurele middelen per 2016 bedraagt ongeveer 6 miljoen euro ten opzichte van 2015, ofwel ruim 4%. Ten tweede heeft het kabinet besloten om TNO te compenseren voor beperkingen op het recht van btw-aftrek voor inkoopkosten (zie vraag 6). Ten derde heeft deze bezuiniging uitsluitend betrekking op de vaste rijksbijdrage van TNO. TNO kan daarnaast in aanmerking komen voor financiering uit andere publieke bronnen, zoals de TKI-toeslag, EFRO en Horizon2020. In de nabije toekomst kan TNO waarschijnlijk ook gebruik maken van het matchingsfonds voor participatie in Horizon2020 (regeling Stimulering Europees Onderzoek) en het Toekomstfonds.
Het past in de bekostigingsfilosofie van het kabinet dat de instituten minder vaste financiering ontvangen en dat ze extra middelen kunnen verwerven naarmate het missie-gedreven onderzoek beter aansluit bij vragen vanuit de maatschappij. Hiermee stimuleren en versterken we vraagsturing (zie ook de Visie op het Toegepast Onderzoek, Kamerstukken 2012/2013, 32 637, nr. 68).
Bent u van mening dat TNO een belangrijke rol heeft in het onderzoek naar arbeidsomstandigheden en volksgezondheid?
TNO heeft een jarenlange ervaring met het in kaart brengen en beheersen van de risico’s van arbeid. TNO doet dit door wetenschappelijke inzichten te vertalen naar de praktijk van bedrijven. Daarnaast heeft TNO op het terrein van Gezond en Veilig Werken ook een belangrijke functie als kennisinstituut en vraagbaak voor de overheid. Het belang van de onderwerpen Arbeid en Gezondheid blijkt bij TNO niet alleen uit haar inzet op dit maatschappelijk thema, maar ook uit projecten voor de langetermijnkennisbasis en de inzet op de topsectoren Life Sciences&Health (LSH) en Agri&Food (zie ook vraag 7).
Er is niet zozeer sprake van een koerswijziging, als wel van een bezuiniging die zowel bij onderzoek op het terrein van de topsectoren als bij de maatschappelijke thema’s neerslaat. De overheid heeft er bij TNO op aangedrongen om de benodigde kennis op de voor de overheid prioritaire onderzoeksthema’s op het terrein van Arbeid en Gezondheid beschikbaar te houden. TNO heeft aangegeven dat een kwalitatief hoogwaardige kennisbasis zal worden aangehouden waardoor de kwaliteit van deze onderzoeksthema’s verzekerd is. De rijksoverheid zal het komende jaar zorgvuldig monitoren of de gewenste kwaliteit nog steeds wordt geboden.
Zo ja, hoe ziet u de koerswijziging van TNO waarbij zij aangeeft minder in te gaan zetten op de maatschappelijke thema’s Arbeid en Gezondheid?
Zie antwoord vraag 3.
Welk advies heeft u afgegeven inzake de vermindering van inzet op deze maatschappelijke thema’s en het gelijk laten blijven van de inzet op de topsectoren High Tech Systemen en Materialen (HTSM) en ICT?
TNO is een zelfstandige organisatie met een eigen mandaat om strategische afwegingen te maken. In de Visie op het Toegepast Onderzoek (Kamerstukken 2012/2013, 32 637, nr. 68) heeft het kabinet aangegeven dat de vaste financiering daalt. Tegelijkertijd komen andere bronnen van financiering (zoals de TKI-toeslag) beschikbaar, waarmee het kabinet wil bereiken dat de maatschappelijke en bedrijfsmatige vraag en het private commitment meer worden gevolgd. Zo stimuleren we dat de instituten zich richten op de domeinen waar de grootste economische en maatschappelijke impact kan worden gerealiseerd.
In lijn met het kabinetsbeleid heeft TNO criteria ontwikkeld om tot een conceptverdeling van de bezuinigingen te komen. Het belangrijkste criterium is (economische en maatschappelijke) impact. Daarnaast is er aandacht voor focus en massa in het portfolio, levenscyclus van de technologie, etc. Zo is TNO gekomen tot een conceptverdeling die momenteel met alle betrokkenen (topsectoren, departementen en andere belanghebbenden) wordt besproken. Ik steun die aanpak omdat die gericht is op het versterken van de profilering en de levensvatbaarheid van het instituut. Het zijn moeilijke keuzes, die niet lichtvaardig gemaakt worden, maar die naar mijn overtuiging uiteindelijk wel zullen leiden tot een scherper geprofileerd en sterker TNO.
Kunt u aangeven hoe deze bezuiniging bij TNO mede wordt veroorzaakt door tegenvallers op het gebied van BTW?
De taakstellingen uit het regeerakkoord staan geheel los van de veranderingen op het gebied van btw. Als gevolg van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie krijgen kennisinstellingen, waaronder TNO, te maken met een beperking op het recht van aftrek van btw op inkoopkosten. Het kabinet acht het ongewenst dat TNO hier onbedoeld nadeel van ondervindt. Zoals bij vraag 2 is aangegeven heeft het kabinet besloten om TNO te compenseren voor beperkingen op het recht van btw-aftrek voor inkoopkosten.
Kunt u aangeven welke gevolgen deze bezuiniging heeft voor de toekomst van het onderzoek naar de genoemde maatschappelijke thema’s bij TNO?
TNO heeft aangegeven dat deze afname van middelen niet ten koste zal gaan van de kwaliteit van het onderzoek. Wel zal de omvang van de onderzoeksactiviteit beperkter en meer gefocust worden. Ik streef mede daarom samen met TNO naar maximale synergie tussen de verschillende onderdelen van het portfolio van TNO: onderzoek voor topsectoren, op maatschappelijke thema’s, voor de langetermijnkennisbasis, en de wettelijke taken. Er zijn in veel gevallen dwarsverbanden tussen de verschillende onderdelen en thema’s. In dat verband wil ik u er ook op wijzen dat TNO als onderdeel van de rijksbijdrage een budget ontvangt van ca. 19 miljoen euro voor de instandhouding en ontwikkeling van een langetermijnkennisbasis (de zogeheten Early Research Programmes). Dit betreft onder meer projecten over «Personalized Food» en «Human Enhancement» die ook raken aan het maatschappelijke thema Arbeid en Gezondheid en aan de topsectoren Life Sciences en Health en Agri&Food. Vooralsnog is voor deze middelen geen bezuiniging ingezet. Ik zet mij er dan ook voor in dat die onderdelen zo met elkaar verbonden worden dat de langtermijnkennisbasis aansluit bij de kennisbehoeften van de gebruikers van de kennis die ontwikkeld wordt in Arbeid en Gezondheid en de betreffende topsectoren, zonder dat de kennisbasis verkokert of het langetermijnkarakter ervan wordt aangetast.
Kunt u aangeven of met de aangekondigde bezuinigingen onderzoek zal worden stopgezet en, zo ja, op welke vlakken dit het geval zal zijn?
Er zal inderdaad onderzoek worden stopgezet. TNO onderzoekt momenteel welke gevolgen deze taakstelling heeft voor de werkgelegenheid in de verschillende onderzoeksthema’s.
Het Ministerie van Economische Zaken draagt er, als stelselverantwoordelijke voor het toegepaste onderzoek, zorg voor dat TNO alle drie haar hoofdtaken adequaat kan vervullen. Deze drie hoofdtaken betreffen (I) het ontwikkelen en toepassen van kennis voor maatschappelijke vraagstukken en overheidsbeleid, (II) het ontwikkelen en toepassen van kennis ten behoeve van innovatie en concurrentievermogen, in het bijzonder voor topsectoren, en (III) het beheer van strategische onderzoeksfaciliteiten (Kamerstukken 2012/2013, 32 637, nr. 68). Hiermee zal dan ook rekening worden gehouden als de verdeling van de middelen wordt vastgesteld (zie ook vraag 9).
Kunt u aangeven hoe de verdeling van de rijksbijdrage aan TNO over de thema’s zal zijn na definitieve vaststelling van het in het bericht genoemde beleid?
TNO heeft een voorlopige verdeling opgesteld. Deze ligt dus nog niet vast, op basis van de conceptverdeling worden de gesprekken met belanghebbenden gevoerd. De besluitvorming wordt de komende maanden gefinaliseerd. Een minimaal bedrag per topsector wordt vastgelegd in de Nederlandse Kennis- en Innovatiecontracten 2016–2017, die op 5 oktober a.s. zullen worden ondertekend, daarmee ligt ook de ruimte voor de maatschappelijke thema’s vast. De exacte verdeling van alle middelen wordt vastgelegd in de Beschikking rijksbijdrage TNO 2016. Deze beschikking, en daarmee de verdeling van de middelen, is conform de TNO-wet pas definitief na instemming van het kabinet. Eind 2015 volgt naar verwachting een besluit hierover.
De voorlichting van de Rijksoverheid rondom het vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS (TTIP) |
|
Jasper van Dijk , Rik Grashoff (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Foodwatch noemt voorlichting overheid rond TTIP misleidend»?1
Ja. Op 30 juni jl. heb ik Foodwatch een reactie2 gestuurd op hun open brief.
Deelt u de mening dat een toenemende invloed van het bedrijfsleven op de regelgeving ter bescherming van de bevolking een risico vormt voor democratische legitimiteit en bescherming van de voedselveiligheid?
Het kabinet deelt niet de mening dat er een toenemende invloed van het bedrijfsleven is.
Impliceert regulatory cooperation in TTIP (bijvoorbeeld door middel van equivalentieverklaringen) dat voor Amerikaanse producten die op de Europese markt belanden, niet dezelfde etikettering conform Europese regels wordt gehanteerd?
Nee, samenwerking op het gebied van regelgeving (regulatory cooperation) impliceert niet dat Amerikaanse producten mogen afwijken van de Europese etiketteringsregels. Bij deze vorm van samenwerking moet worden gedacht aan vereenvoudiging van administratieve afhandeling en betere informatie-uitwisseling en coördinatie tussen regelgevende autoriteiten om bijvoorbeeld de wetenschappelijke beoordelingsmethoden en de manier waarop producten worden getest dichter bij elkaar te brengen.
Hoe kunt u garanderen dat er geen risico is voor de voedselveiligheid met zoveel bewijslast aan mogelijke afbraak en grote verschillen in bescherming tussen de twee continenten?2
Het artikel van de Duitse Umwelt Bundesambt, waarnaar in deze vraag verwezen wordt, wijst op de risico’s en kansen van samenwerking op gebied van regelgeving in TTIP. Het tekstvoorstel van de EU4 staat hierbij centraal. De zorgen die in het artikel worden geuit gaan vooral over het doorkruisen van de democratische besluitvorming en de invloed van bedrijven als enige betrokken belanghebbenden bij samenwerking op het gebied van regelgeving.
Deze zorgen, die vooral betrekking hebben op het voorstel voor een instantie voor samenwerking op gebied van regelgeving (de zogenaamde regulatory cooperation body), heb ik al eerder opgebracht bij de Europese Commissie. Zoals toegelicht in een Kamerbrief (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1499), bevestigt de Europese Commissie dat deze instantie enkel een adviesrecht mag hebben, dat Europese en nationale democratische procedures daardoor niet doorkruist mogen worden en dat alle belanghebbenden gelijkwaardig een inbreng moeten kunnen hebben.
Hoe kunt u garanderen dat dezelfde veiligheid wordt geboden als het uitgangspunt is dat Amerikaanse producten hier worden toegestaan?
Alle producten die op de Europese markt verkocht worden, dienen te voldoen aan de Europese veiligheidsstandaarden. Dat verandert niet met TTIP.
Er kan bijvoorbeeld ook afgesproken worden dat bepaalde testen niet dubbel gedaan hoeven te worden, als de uitkomsten van die testprocedures in de EU en de VS van een gelijkwaardig niveau zijn. Dat betekent dat het veiligheidsniveau voor Europese burgers niet omlaag gaat. Dit geldt uiteraard ook voor de Amerikaanse burgers.
Welk risico ziet u in de toenemende macht van multinationale bedrijven via handels- en investeringsverdragen zoals TTIP voor de bescherming van voedsel en voedselveiligheid?3 Wat doet u om deze invloed te beteugelen?
Ik deel niet de veronderstelling dat multinationale bedrijven toenemende macht uitoefenen via handels- en investeringsbedragen. Met alle belanghebbenden, waaronder vertegenwoordigers van ondernemers, vakbonden, werkgeversorganisaties en maatschappelijke organisaties, vinden consultaties plaats. Het is voor het kabinet cruciaal dat de uiteindelijke keuzes in het regelgevingsproces op democratische wijze tot stand komen.
Kunt u garanderen dat MRL’s (Maximum Residu Levels) bij harmonisatie niet naar boven worden bijgesteld en in de toekomst per land versterkt kunnen worden als er meer wetenschappelijk bewijs is over de schadelijkheid?4
Ja, MRL’s voor producten die in Europa worden afgezet worden op Europees niveau vastgesteld na raadpleging van de lidstaten. Als er nieuwe wetenschappelijk inzichten zijn over de schadelijkheid van een gewasbeschermingsmiddel dan zal daar in Europees verband alert op worden gereageerd, bijvoorbeeld door het aanscherpen van MRL’s. Deze aangescherpte MRL’s zullen ook gelden voor Amerikaanse producten die op de Europese markt worden afgezet.
Zoals toegelicht in een eerdere Kamerbrief (Kamerstuk 21 501-08, nr. 583), is samenwerking op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen onderwerp van de TTIP-onderhandelingen. Er wordt ook binnen de OESO en de VN overleg gevoerd over internationale standaarden voor onder meer gewasbeschermingsmiddelen, waaronder MRL's. In het kader van de TTIP-onderhandelingen kijken de partijen naar de mogelijkheden van het delen van informatie, het uitvoeren van zogenaamde «pre-export checks» en verdere samenwerking op multilateraal niveau.
Hoe oordeelt u over het feit dat de resolutie van Bernd Lange, waarin private geschillenbeslechting (ISDS) in TTIP niet wordt uitgesloten, in het Europees parlement is aangenomen? Welke gevolgen heeft dit voor de onderhandelingen en de kans op het bereiken van een akkoord?
Het Europees parlement heeft op 8 juli jl. met ruime meerderheid voor een resolutie gestemd met aanbevelingen voor de TTIP-onderhandelingen.7 Daarin geeft het Europees parlement aan dat ze de onderhandelingen voor een «ambitieuze, alomvattende, evenwichtige en hoogwaardige handels- en investeringsovereenkomst» tussen de EU en de VS steunen. Daaraan worden duidelijke randvoorwaarden gesteld, onder meer op het gebied van standaarden, publieke diensten en democratische besluitvorming. Ook heeft het Europees parlement zich uitgesproken over investeringsbescherming. Hierin wordt aangegeven dat de oude vorm van geschillenbeslechting tussen investeerders en staten vervangen moet worden door een nieuw stelsel dat transparant is, voldoet aan democratische beginselen en onder democratisch toezicht staat.
Deze resolutie duidt op politiek draagvlak voor de onderhandelingen over TTIP. Ook ziet het kabinet zijn inzet voor een nieuw mechanisme voor investeringsbescherming gesteund door deze resolutie. Voor dit nieuwe mechanisme heeft de Europese Commissie op 4 mei jl. de eerste opzet gepresenteerd. Dat voorstel werkt de Europese Commissie nu verder uit samen met de lidstaten en het Europees parlement tot de EU-inzet voor de onderhandelingen met de VS. Nederland steunt dit proces.
Het ontbreken van afdoende mogelijkheden multinationals aansprakelijk te stellen voor rampen die verderop in de handelsketen plaatsvinden |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het persbericht «Multinationals nauwelijks aansprakelijk te stellen bij fabrieksrampen»?1
Ik juich de aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en onderzoek vanuit verschillende disciplines toe. Het in het persbericht genoemde proefschrift – dat de juridische waarde onderzoekt van contracten, algemene voorwaarden en gedragscodes waarmee multinationals hun handelsketen kunnen beïnvloeden – draagt bij aan kennis over de relatie tussen afspraken tussen multinationals en hun leveranciers en de aansprakelijkheid van multinationals in hun thuisland.
Deelt u de mening dat bedrijven verantwoordelijkheid dragen voor misstanden die in de keten plaatsvinden?
Ja. De verantwoordelijkheid van bedrijven voor de mogelijk negatieve effecten van hun gehele onderneming op mensenrechten is verwoord in de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Ruggie Principles) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen). Wel is de mate van verantwoordelijkheid (en de actie die een bedrijf geacht wordt te ondernemen bij een misstand) proportioneel aan de omvang van de onderneming en afhankelijk van de mate van betrokkenheid van het bedrijf bij de misstand. De Ruggie Principles maken onderscheid tussen het veroorzaken, bijdragen of enkel gelinkt zijn aan een misstand.
Zo ja, bent u van mening dat aan deze verantwoordelijkheid juridische consequenties moeten kunnen worden verbonden bij nalatigheid?
De derde pilaar van de Ruggie Principles beschrijft de toegang die slachtoffers moeten hebben tot effectieve genoegdoening, zowel juridisch als niet-juridisch. Overheden en bedrijven moeten deze toegang gezamenlijk waarborgen. Onder bepaalde voorwaarden kan bij nalatigheid sprake zijn van juridische consequenties. Tijdens het opstellen van het Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten stelde het kabinet vast dat er onvoldoende duidelijkheid was over de zorgplichten die in het Nederlands recht gelden voor bedrijven. Daarom heeft het kabinet aan de Universiteit Utrecht gevraagd te onderzoeken of de zorgplicht van Nederlandse bedrijven ten aanzien van MVO afdoende in de wet is geregeld, dan wel of een explicitering nodig is. De onderzoekers bekijken daarbij de verhouding met de Ruggie Principles, relevante jurisprudentie, het vestigingsklimaat, en de situatie in omringende en met Nederland vergelijkbare landen. Dit onderzoek verkent naast civielrechtelijke ook strafrechtelijke mogelijkheden om bedrijven aansprakelijk te stellen. Het onderzoek naar de zorgplicht van bedrijven zal meer duidelijkheid moeten scheppen over hoe die juridische consequenties vorm kunnen krijgen. De resultaten van het onderzoek worden dit najaar verwacht. Deze staan nog onder embargo totdat ze met begeleidende kabinetsreactie naar de Kamer worden gestuurd, uiterlijk drie maanden later.
Deelt u de mening dat het in het aangehaalde proefschrift geconstateerde gebrek aan mogelijkheden multinationals aansprakelijk te stellen voor misstanden verderop in de keten onwenselijk is?2
Het type zaken in het proefschrift heeft vaak betrekking op het schenden van de zorgplicht (duty of care). Geen van de zaken in Californië (waaronder één tegen Walmart over de werkomstandigheden van arbeiders in de keten), heeft geleid tot aansprakelijkheid voor de multinational voor schade. De auteur van het proefschrift geeft aan dat er weinig wettelijke instrumenten zijn om multinationals aansprakelijk te stellen voor misstanden in de productieketen en trekt «[e]en eerste, voorzichtige conclusie [...] dat het recht op dit moment wellicht niet zoveel te bieden heeft als het gaat om een langetermijnverbetering van MVO-omstandigheden in handelsketens».
Het aansprakelijk stellen van bedrijven is geen doel op zich; het streven is verantwoorde ketens te hebben. Wel is het van belang dat, wanneer er toch misstanden hebben plaatsgevonden, slachtoffers worden gecompenseerd en de bron van de misstanden wordt aangepakt. De OESO-richtlijnen voorzien in een systeem van geschillenbeslechting via Nationale Contactpunten (NCP’s). Belanghebbenden kunnen melding doen van een (vermeende) schending van de OESO-richtlijnen bij een NCP. Wanneer een melding ontvankelijk wordt verklaard, helpt het NCP bij het vinden van een oplossing. Voor een reactie op het eventuele gebrek aan mogelijkheden multinationals aansprakelijk te stellen voor mensenrechtenschendingen in de productieketen wacht het kabinet het eerder genoemde onderzoek naar de zorgplicht van bedrijven af.
Welke mogelijkheden ziet u om, evenals de staat Californië, het type zaken dat in het proefschrift Contractual Control in the Supply Chain is onderzocht in Nederland vaker door rechters te laten behandelen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke conclusie trekt u uit de in het proefschrift gedane constatering dat zwakke gedragscodes van bedrijven of sectoren in de regel niet bindend zijn en sterke codes juist wel?
De auteur concludeert dat «multinationals die sterke maatregelen gebruiken er vaak ook voor zorgen dat die maatregelen juridisch bindend zijn, terwijl zwakke maatregelen eerder vrijwillig zijn». Deze conclusie heeft betrekking op gedragscodes en contracten tussen multinationals en hun leveranciers, niet op onderlinge afspraken binnen een sector (zoals gedragscodes van sectorvertegenwoordigingsorganisaties). Interessant is dat maatregelen die de deelnemende Nederlandse multinationals namen, in het algemeen het sterkst waren in termen van zowel de inhoud als het juridisch bindende karakter (ten opzichte van die in het Verenigd Koninkrijk en Californië). Hieruit concludeer ik dat het aantal zaken dat in een land voor de rechter komt (vooral in Californië), niet per definitie een positieve invloed heeft op de sterkte van de gedragscodes en contracten tussen leveranciers en multinationals die gevestigd zijn in dat land.
Ziet u het geconstateerde tekort aan mogelijkheden om multinationals aansprakelijk te stellen voor misstanden in de keten als motivatie de eerder geïdentificeerde risicosectoren aan te sporen de Ruggie principles zo sterk mogelijk te laten terugkomen in de af te sluiten convenanten op het vlak van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)?
Voor het IMVO-convenantentraject is het SER advies «IMVO-convenanten» leidend, dit advies stelt dat een convenant moet voldoen aan de OESO-richtlijnen en aan de Ruggie Principles. Dit betekent dat bij alle IMVO-convenanten de inzet is om de Ruggie Principles en de OESO-richtlijnen zo sterk mogelijk terug te laten komen.
Bent u bereid indien nodig de motie Smaling/Voordewind uit te voeren?3
Als sectoren geen initiatief nemen binnen het IMVO-convenantentraject en hiervoor geen geldige reden aan kunnen voeren ben ik bereid verdere stappen te ondernemen. Op driekwart van het proces, tijdens het evaluatiemoment, zal ik hierover rapporteren aan de Kamer. Mijn uitgangspunt bij het aansporen van de achterblijvende sectoren is het IMVO-convenantentraject. Als blijkt dat deze sectoren geen initiatief nemen zal ik met gerichte, niet-generieke maatregelen komen en sluit ik geen maatregel uit.
Het bericht over de overdracht van schadeafhandeling door de NAM aan het Centrum voor Veilig Wonen (CVW) |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Gefaseerde overdracht schadeafhandeling naar CVW van start»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze overdracht van schademeldingen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) naar Centrum voor Veilig Wonen (CVW) afwijkt van uw eerdere antwoord over deze kwestie zoals door u gegeven in het schriftelijk overleg over het instemmingsbesluit met het gewijzigde winningsplan voor de gaswinning uit het Groningenveld (Kamerstuk 33 529 nr. 95) (vraag 51 en 95)?
In het aangehaalde schriftelijk overleg heb ik geantwoord dat een situatie waarin partijen naar elkaar wijzen moet worden voorkomen en dat een overdracht van de schadeafhandeling van NAM aan het CVW de kans op fouten zou kunnen vergroten. Er zijn na het schriftelijk overleg enkele ontwikkelingen geweest. Ten eerste bleek dat het CVW een kortere doorlooptijd van schademeldingen wist te realiseren (zie ook Kamerstuk 33 529, nr. 172). Vanaf het moment dat een claimant de schade bij het CVW meldt, duurt het 6–8 weken totdat deze een rapport ontvangt. Dit is aanmerkelijk korter dan de doorlooptijd van de afhandeling van schadegevallen door NAM. Claimanten waarderen het CVW bovendien met een hoge tevredenheid. Daarnaast was er een brede maatschappelijke wens om de schadeafhandeling niet door NAM zelf uit te laten voeren. Een zorgvuldige overdracht van schadeafhandeling van NAM aan het CVW kan dan ook mogelijk verbetering in de schadeafhandeling met zich mee brengen.
Kunt u toelichten waarom het niet langer het geval is dat, zoals u in bovengenoemd antwoord stelt, overdracht van schadeafhandeling van de NAM naar het CVW de afhandeling zou verstoren en zou leiden tot fouten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel zaken worden er overgedragen van NAM naar CVW?
Per 1 augustus waren er bij NAM nog 4.300 dossiers in behandeling waarbij er nog geen akkoord is bereikt met de individuele schademelder. Hiervan zal het CVW 2.300 dossiers overnemen. De dossiers die bij NAM blijven, betreffen schademeldingen waarbij er contra-expertises zijn aangevraagd, schade is aan een rijksmonument of wanneer sprake is van een complex geval. Schade aan mestkelders blijft ook onder beheer van NAM. Ongeveer 2.000 dossiers blijven op basis van deze criteria nog onder beheer van NAM.
Kunt u per zaak toelichten om welke redenen NAM deze zaken overdraagt en hoe lang geleden deze schades al gemeld zijn?
Omwille van het grote aantal zaken is dit niet mogelijk. Ten aanzien van de vraag hoe lang geleden de schades gemeld zijn, kan ik melden dat NAM gemiddeld genomen na 5 tot 6 maanden een akkoord heeft bereikt met de claimant. Van alle zaken die momenteel bij NAM liggen zijn er 140 schademeldingen waarbij de melding meer dan 12 maanden geleden gedaan is.
Zijn de schades die worden overgedragen complexe schadegevallen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De complexe schadegevallen worden niet overgedragen aan het CVW. NAM heeft aangegeven dat zij alle complexe schadegevallen die zij in beheer heeft voor het einde van dit jaar zal afhandelen. In augustus stonden hiervan nog 80 zaken open.
Heeft u toestemming gegeven voor de overdracht van deze zaken van NAM naar CVW?
De overdracht van deze zaken is in goed overleg gegaan tussen NAM en het CVW. Door de overdracht komt NAM meer op afstand van de schadeafhandeling te staan. Daarmee komt NAM tegemoet aan de breed gedragen wens in Groningen om de schadeafhandeling niet door NAM zelf uit te laten voeren. Door de overdracht wordt het CVW ook beter gepositioneerd als loket voor bewoners voor schadeherstel. Voor bewoners is er nu één duidelijk loket waar schade gemeld, beoordeeld en hersteld kan worden. Ik ben over het verloop van het proces op de hoogte gehouden.
Kunt u toelichten waarom er toch besloten is tot de overdracht van deze schadegevallen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de NAM deze complexe schades niet voortvarend heeft opgepakt en nu de problemen overdraagt aan het CVW?
Nee. Zie het antwoord op vraag 6.
Kunt u toelichten of dit tot vertragingen leidt van de behandeling van schades van inwoners?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u garanderen dat met de overname van deze complexe schades door het CVW, deze complexe schades voor het einde van het jaar nog worden afgehandeld, zoals toegezegd tijdens het notaoverleg op 1 juli jl.?
Zie het antwoord op vraag 6.
Kunt u toelichten of zettingsschade veroorzaakt kan worden door bodemdaling ten gevolge van gaswinning? Is er volgens u onderscheid te maken tussen zettingsschade veroorzaakt door bodemdaling in verband met gaswinning en andere oorzaken?
Door gaswinning kan bodemdaling ontstaan. De onafhankelijke commissie bodemdaling beoordeelt of er sprake is van schade naar aanleiding van bodemdaling door gaswinning. De commissie stelt dat uit onderzoek blijkt dat er geen gebouwschade te verwachten is door bodemdaling door gaswinning en dat een oorzakelijk verband ook in de praktijk in de provincie Groningen niet is geconstateerd.
Wordt zettingsschade, veroorzaakt door bodemdaling in verband met gaswinning, vergoed net zoals schade veroorzaakt door aardbevingen wordt vergoed? Zo nee, waarom niet?
Als beoordeeld wordt dat de schade het gevolg is van bodemdaling of door bodembeweging als gevolg van gaswinning dan wordt de schade vergoed. Zie ook het antwoord op vraag 12.
De voortgang van het centraal aandeelhoudersregister voor besloten- en (niet-beursgenoteerde) naamloze vennootschappen |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsbericht van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) naar aanleiding van uw brief van 7 juli jl.1 over de ontstane verdere vertraging en de dreigende kostenoverschrijding bij de instelling van het centraal aandeelhoudersregister (CAHR)?2
Ja.
Deelt u de mening dat het CAHR er zo spoedig mogelijk moet komen, in het belang van de voorkoming en de bestrijding van fraude en andere vormen van misbruik van rechtspersonen?
Het belang van beschikbare, actuele informatie over aandeelhouders voor controle toezicht en opsporing is door het kabinet bevestigd (TK 2012/13, 32 608, nr. 4). De betrokken bewindspersonen onderschrijven het belang om snel duidelijk te maken hoe dat het beste kan worden gerealiseerd.
Kunt u een schatting geven van de kostenoverschrijding die dreigt bij instelling van een CAHR bij beheer door de Kamers van Koophandel?
Dat is op dit moment nog niet mogelijk. Het technisch ontwerp van het centraal aandeelhoudersregister wordt getoetst op meerwaarde voor gebruikers en op uitvoerbaarheid en financierbaarheid. Het betreft een complexe aanpassing van ICT-systemen, zowel aan de zijde van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie als van de Kamer van Koophandel. Een mogelijke kostenoverschrijding kan niet eenzijdig worden toegerekend aan de Kamer van Koophandel.
Bent u bereid te onderzoeken of het in bovenvermeld nieuwsbericht genoemde alternatieve CAHR van de KNB, dat is gebaseerd op het Centraal Digitaal Repertorium, een reële mogelijkheid is het CAHR alsnog zo spoedig mogelijk van de grond te krijgen?
Uw Kamer is geïnformeerd dat uitvoering wordt gegeven aan het besluit dat de Kamer van Koophandel is aangewezen als beheerder van het centraal aandeelhoudersregister (TK 2013/14, 32 608, nr. 5). Ik heb u bericht dat daartoe een ontwerp is opgesteld, in nauwe samenwerking met de Kamer van Koophandel en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Dit zal eerst worden beoordeeld; andere stappen zijn op dit moment nog niet aan de orde.
Klopt het dat de KNB bij de stuurgroep CAHR en in een gesprek met u heeft aangegeven het CAHR tegen fors lagere kosten en binnen het huidige investeringsbudget te kunnen realiseren? Wat was uw reactie daarop?
Het is mij bekend dat de KNB nadenkt over een alternatief. Voor mijn reactie verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of het alternatief van de KNB tevens kan dienen als betrouwbare basis voor het Ultimate Beneficial Owner(UBO)-register?
Het onderzoek hoe het register voor uiteindelijk belanghebbenden het beste vorm kan krijgen is onlangs gestart. De Minister van Financiën heeft het voortouw bij de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn.
De instelling van een CAHR is door uw ambtsvoorganger toegezegd naar aanleiding van een initiatiefnota van het lid/de leden....in 20113; deelt u de mening dat de instelling van een CAHR en in het verlengde daarvan een UBO register al veel te lang heeft geduurd en dat nu knopen moeten worden doorgehakt? Wanneer valt de definitieve besluitvorming te verwachten?
Het belang van betrouwbare aandeelhoudersinformatie voor controle, toezicht en opsporing onderschrijf ik en ik heb begrip voor teleurstelling over het feit dat besluitvorming is uitgesteld. Over de reden van het uitstel heb ik u geïnformeerd (TK 2015/16, 32 608, nr. 7) dat na een grondige inventarisatie een scherper beeld is ontstaan van de omvang en complexiteit die gemoeid is met het realiseren van een centraal aandeelhoudersregister. Om inhoudelijk te kunnen beoordelen in welke uitwerking het centraal aandeelhoudersregister meerwaarde voor de gebruikers biedt, is meer onderzoek en dus tijd gemoeid. Daarnaast is het van belang dat de samenhang met een register voor uiteindelijk belanghebbenden kan worden bepaald. Mijn inschatting is dat dit najaar nadere besluitvorming kan plaatsvinden.
Privacyschending door middel van nieuwe vormen van telefoonfraude |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Kent u het artikel «Bellen met een fake-nummer is fluitje van een cent»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat het legaal is om te bellen met andermans nummer?
Wanneer de bellende partij ervoor zorgt dat de gebelde partij gefingeerde afzenderinformatie ziet, dan heet dat spoofing. De persoon die gebeld wordt, ziet dus een ander telefoonnummer dan het echte nummer waarvan de beller vandaan belt.
Zoals ook in het artikel wordt vermeld, zijn er legitieme toepassingen voor gebruik van spoofing. Zo gebruiken bijvoorbeeld medewerkers van bedrijven spoofing om het algemene nummer van het bedrijf als afzender te geven in plaats van het eigen privénummer. Het is om die reden niet wenselijk om spoofing – en de software en diensten die spoofing mogelijk maken – te verbieden.
Indien gebruik wordt gemaakt van spoofing om strafbare feiten te plegen, kan strafrechtelijke vervolging worden ingesteld. Het misbruiken van andermans identificerende persoonsgegevens om de eigen identiteit te verhelen en om derden te doen geloven dat zij te maken hebben met de persoon van wie de identiteit ten onrechte is aangenomen, is strafbaar gesteld in artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht.
Vindt u ook dat dit soort applicaties de persoonsgegevens in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier een applicatie voor legitieme doeleinden die wordt misbruikt door kwaadwillenden. Fraudeurs kunnen gebruik maken van vele middelen om gedupeerden om de tuin te leiden, bijvoorbeeld het bouwen van een nep-website, het verzenden van nep-mails namens bedrijven en ook spoofing met telefoonnummers. Het is belangrijk dat een ieder zich hier bewust van is. Men is zelf ook verantwoordelijk voor het voorkomen van fraude en moet daarom steeds alert zijn op mogelijk bedrog. Het is daarbij van belang dat de fraudeur wordt aangepakt en niet het middel dat door de fraudeur wordt gebruikt om het doel te bereiken.
Deelt u de constatering dat dergelijke applicaties zowel particulier als zakelijk voor veel schade kunnen zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het er mee eens dat dit soort applicaties het werk van fraudeurs en oplichters eenvoudiger maakt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van het feit dat bedrijven door dit soort applicaties voor 300.000 euro zijn opgelicht?
Oplichting vind ik zeer kwalijk. Indien bedrijven ten onrechte geld hebben overgemaakt, kunnen zij via hun bank of de burgerlijke rechter proberen dit bedrag terug te krijgen. Daarnaast kunnen gedupeerden aangifte doen bij de politie. De aanpak van horizontale fraude – fraude tegen burgers en bedrijven – is in het kader van de Veiligheidsagenda tot één van de zes prioriteiten benoemd. Dit betekent onder meer dat tussen politie en Openbaar Ministerie de afspraak is gemaakt dat er in 2015 door de regionale eenheden van de politie 1.500 van zulke zaken worden opgepakt. Dit aantal zaken groeit naar 2.300 zaken in 2018.
Deelt u de mening dat het advies van de fraudehelpdesk een laks advies is? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Indien een bericht of een gesprekspartner niet betrouwbaar lijkt, adviseer ik evenals de Fraudehelpdesk te controleren of de beller ook daadwerkelijk degene is die deze zegt te zijn. Voordat geld wordt overgemaakt naar aanleiding van een telefoontje is het raadzaam bij de relevante instantie te controleren of er nog een bedrag verschuldigd is en in de eigen administratie na te gaan of dit klopt.
Bent u bereid om een bewustwordingscampagne te houden om de Nederlandse bevolking meer bewust te maken van de risico’s die zij lopen op dit vlak? Zo nee, waarom niet?
De risico’s die men loopt, spelen niet alleen op dit vlak maar bij elke vorm van verstrekking van persoonlijke gegevens of betaling naar aanleiding van een telefonisch of digitaal verzoek. De Fraudehelpdesk geeft voorlichting over allerlei vormen van fraude en oplichting teneinde burgers en ondernemers weerbaarder te maken en te voorkomen dat er (meer) slachtoffers ontstaan. Ik ben niet voornemens een aparte bewustwordingscampagne op te zetten.
Bent u het er mee eens dat het gebruikmaken van deze applicaties tot fraude en inbreuk op privacy kan leiden? Zo ja, bent u bereid onderzoek te doen naar de wenselijkheid van dergelijke applicaties?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 3, 4 en 5. Ik acht een onderzoek naar de wenselijkheid van dergelijke applicaties niet nodig.
Een rapport van Stop Wapenhandel over de wapenleveranties van Nederlandse bedrijf Thales wapens levert aan Myanmar |
|
Jasper van Dijk |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u het rapport van Stop Wapenhandel over de verkoop van wapens aan Myanmar?1
Ja.
Klopt het bericht dat het Indiase Bharat Electroncis (BEL) lange afstandsradars aan Myanmar heeft geleverd die, aldus Thales zelf, zouden zijn gemaakt op basis van de LW-04 radar van Thales Nederland?
Er zijn berichten dat het Indiase overheidsbedrijf Bharat Electronics Ltd.(BEL) een contract heeft afgesloten om RAWL-02 Mk II radars te leveren aan de marine van Birma/Myanmar. Navraag bij Thales leverde het volgende beeld op: In de jaren ’50 van de vorige eeuw heeft Holland Signaal Apparaten(HSA), dat later is opgegaan in Thales, de LW-04-technologie ontwikkeld en deze in de jaren ’60 uitgevoerd naar BEL. Deze technologie, waarbij de zender gebaseerd is op het magnetronprincipe en één vaste golflengte wordt gebruikt, wordt nu als verouderd bestempeld. BEL heeft de LW-04-technologie sindsdien zelf verder doorontwikkeld en gemoderniseerd. Deze doorontwikkelde technologie zou zijn gebruikt voor het ontwerp van de RAWL-02 Mk II radars. De berichtgeving geeft aan dat radars van dit type geleverd worden aan de marine van Birma/Myanmar.
Is in de licentie van het type radar dat nu aan India wordt geleverd vastgelegd dat Bharat niet zonder opgave van een eindbestemming aan derde landen kan leveren?
Ja. Thales leverde in de jaren ’90 aan BEL technologie voor de LW-08-radar, waarbij de zender gebaseerd is op het lopende golfprincipe (TWT) en gebruikt wordt gemaakt van meerdere golflengtes. Deze modernere versie is als RAWL-02 Mk III geleverd aan de Indiase marine. In de voorwaarden van de uitvoervergunning is destijds opgenomen dat de LW-08 technologie bestemd was voor de Indiase marine en dat BEL derhalve geen in licentie geproduceerde radars aan derden mocht leveren zonder voorafgaande toestemming van de Nederlandse exportcontrole autoriteiten. Deze clausule is vastgelegd in het contract tussen Thales en BEL en vervolgens ook nog eens bevestigd in de door BEL afgegeven eindgebruikersverklaring.
Toen Thales begin 2013 door BEL werd benaderd met een verzoek tot offerte voor bepaalde onderdelen, bestemd voor RAWL-02 Mk III radars voor de marine van Birma/Myanmar, is het Indiase bedrijf gewezen op de contractuele verplichtingen. Daarbij heeft Thales direct aangegeven dat de Nederlandse exportcontrole autoriteiten, gelet op het door de EU ingestelde wapenembargo voor Birma/Myanmar, geen toestemming zouden kunnen verlenen.
Zo ja, heeft de Nederlandse overheid de mogelijkheid een levering op een dergelijke licentie te verbieden?
De Nederlandse staat heeft in beginsel geen zeggenschap over een Indiaas bedrijf en de transacties die dit bedrijf uitvoert. Wel heeft de Nederlandse overheid de mogelijkheid om de Nederlandse exporteur de verplichting op te leggen om in het contract met zijn (Indiase) eindgebruiker een clausule op te nemen dat betreffende eindgebruiker niet zonder toestemming van de Nederlandse overheid de onderhavige goederen/technologie mag doorverkopen aan derden. In het contract tussen Thales en BEL is ook een dergelijke clausule opgenomen. De Nederlandse overheid heeft in dit geval dus de mogelijkheid om de gevraagde toestemming niet te verlenen. Indien de eindgebruiker de verplichting tot het verkrijgen van voorafgaande toestemming negeert, dan is er sprake van contractbreuk met de Nederlandse leverancier. Bovendien houdt de eindgebruiker zich dan evenmin aan de verplichtingen van de door hem afgegeven eindgebruikersverklaring. Het mag duidelijk zijn dat de Nederlandse overheid een volgende vergunningaanvraag voor deze eindgebruiker zal weigeren.
Deelt u de mening dat wapenleveranties van nieuw en oud wapentuig tegen alle regels van het door de EU ingestelde wapenembargo voor Myanmar ingaan?
Ja. Nederland past wapenembargo’s scrupuleus toe. Het EU-wapenembargo op Birma/Myanmar omvat alle goederen die vermeld staan op de Gemeenschappelijke EU-lijst van Militaire Goederen. Leidend bij het vaststellen of goederen op deze lijst staan, zijn de specificaties, niet de productiedatum.
Bent u nog steeds bereid om gedetailleerd te gaan kijken naar de leveranties van Thales aan Indiase bedrijven?2
Conform de toezegging gedaan tijdens het Algemeen Overleg op 11 december 2014, blijft het kabinet actief in contact met Thales over leveranties aan Indiase bedrijven en toetst het die aanvragen zeer nauwlettend.
Wat gaat u doen om verdere schending van het wapenembargo tegen te gaan?
Uit de huidige informatie waar het kabinet over beschikt, blijkt niet dat Nederlandse bedrijven het EU-wapenembargo op Birma/Myanmar hebben geschonden.
Zogenaamde Multi Level Marketing bedrijven |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u een overzicht verschaffen van het aantal en type ondernemers dat «lid is van», of zich heeft aangesloten bij Multi Level Marketing (MLM) bedrijven?1 Welke soorten van belastingen dragen deze ondernemers af? Hoeveel belasting in totaal wordt afgedragen door ondernemers die via MLM inkomsten genereren?
Deze gegevens zijn mij niet bekend. De aansluiting bij een Multi Level Marketingbedrijf is geen criterium waarop ondernemers worden onderscheiden bij hun inschrijving in het Handelsregister, bij de Belastingdienst of in de gegevensverzameling voor statistische doeleinden.
Indien u geen antwoord kunt geven op de eerste vraag, wilt u laten onderzoeken hoeveel waarde in werkgelegenheid en belastingen MLM-bedrijven toevoegen aan de Nederlandse economie?
Nee. Vanwege de beperkte schaal alsmede de informele wijze van ondernemen, is objectieve informatie moeilijk te vergaren. Bovendien is de toelaatbaarheid van een handelwijze niet afhankelijk van de vraag of het al dan niet om grote bedragen of veel mensen gaat. Dit zal dus voor de inhoudelijke beoordeling van het al dan niet toelaatbaar zijn van MLM geen verschil mogen maken.
Kunt u nader toelichten waarom in uw ogen het falen van kleine ondernemers in zijn algemeenheid, maar bij MLM- en franchiseconcepten in het bijzonder, met (eenzijdige) onderzoeksplicht kan worden voorkómen?
Aspirant ondernemers worden benaderd met allerlei aanbiedingen. Het is raadzaam om dóór te vragen en de aanbieder zo nodig om schriftelijke onderbouwing van de voorgespiegelde verdiensten te verzoeken. Ook advies inwinnen bij derden over de gedane aanbieding kan verstandig zijn. Als voldoende onderzoek wordt uitgevoerd, mag men aannemen dat de aspirant ondernemer niet in zal gaan op een aanbod dat onduidelijk is of waarmee zijn belangen niet zijn gediend. Schade kan daarmee effectief worden voorkomen.
Deelt u de mening dat een objectieve «voorlichtingsplicht» vanuit de concepteigenaar (een MLM-bedrijf of franchisegever) een effectiever middel is om falen van de kleine onderneming te voorkómen én daarmee onnodige maatschappelijke kosten te vermijden? Zo nee, waarom niet?
Het is in het belang van de aspirant ondernemer om zich goed te laten voorlichten en niet op aanbiedingen in te gaan zolang er informatie ontbreekt of niet op schrift wordt gesteld. Ook bij een voorlichtingsplicht moet de aspirant ondernemer de geboden informatie, die immers niet vanzelfsprekend juist of volledig zal zijn, kritisch beschouwen.
Is het waar dat in het verdienmodel van onder andere het bedrijf ACN, dat diensten en producten in de energie- en telecomsector verkoopt, mensen worden verleid om voor 500 euro te investeren in producten die al snel bijna onverkoopbaar blijken te zijn? Is het waar dat mensen dan al snel teleurgesteld blijken te zijn, maar vervolgens een uitweg aangeboden krijgen door zelf mensen te lokken om dezelfde onverkoopbare producten te gaan verkopen, waarmee wél geld verdiend kan worden? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om te bepalen of mensen door het verdienmodel van ACN worden misleid, laat staan of ze erdoor kunnen worden geprikkeld om willens en wetens anderen te misleiden. Dit laatste is aan de betrokken toezichthouders en uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen.
Ik heb het verzoek om naar het verdienmodel van ACN te kijken doorgeleid naar de ACM. Tevens heb ik het Ministerie van Veiligheid en Justitie verzocht om het verzoek naar de Ksa en het OM door te geleiden.
Kunt en wilt u het bovengenoemde «verdienmodel», waar ACN gebruik van maakt, ter toetsing voorleggen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM), het openbaar ministerie en de Kansspelautoriteit (KSA)? Kunt u hen daarbij vragen om dit «verdienmodel» te toetsen aan de relevante wetgeving ter zake van oplichting en misleiding in het Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Strafrecht, wetgeving ter zake van piramidespelen en wetgeving ter zake van oneerlijke handelspraktijken in Boek 6 van het BW?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de uitzending van het tv-programma Rambam van 10 juni jl. een goede waarschuwing zou kunnen zijn voor aspirant ondernemers? Zo ja, bent u vervolgens bereid de ACM en KSA te vragen om deze uitzending met dit doel op hun website te plaatsen? Zo nee, waarom niet?
Ik laat mij niet uit over mogelijke overtredingen door individuele bedrijven. Het is aan de genoemde toezichthouders om te bepalen of sprake is van een overtreding en of consumenten hiertegen gewaarschuwd moeten worden. Wel heb ik de ACM en de Ksa op de hoogte gesteld van de problematiek rondom MLM. Het is aan hen om te beoordelen of eventueel optreden noodzakelijk is. De bedoelde uitzending is overigens online te vinden en te bekijken door eenieder die daarin interesse heeft.
Financiering van franchiseondernemingen |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het item over franchising in de uitzending van het Journaal van 15 juni 2015?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het fenomeen dat ten behoeve van de financiering van het bedrijfsplan van franchisenemers aan de bank (te) rooskleurige begrotingen worden gepresenteerd? Hoe beoordeelt u deze gang van zaken?
Wanneer er gebruik wordt gemaakt van te rooskleurige prognoses, kan er sprake zijn van het bewust verstrekken van onjuiste informatie. Indien deze informatie voor de aspirant-franchisenemer aanleiding vormde voor de ondertekening van de franchiseovereenkomst, kan in rechte worden opgetreden door een beroep te doen op «dwaling». Dit wordt in de praktijk met succes gedaan. Overigens loopt er momenteel een initiatiefwetsvoorstel2 dat, wanneer het wordt omgezet in wet, mogelijk een extra instrument zal bieden om franchiseovereenkomsten te ontbinden die op misleidende wijze tot stand zijn gekomen.
Is het waar dat bij dergelijke kredietaanvragen de (te) rooskleurige begroting door de bank (ook) wordt gebruikt om een borgstellingskrediet «binnen te halen»?
Banken aangesloten bij de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) besluiten zelf of zij van de regeling gebruik maken bij de toekenning van een krediet. Daarbij blijft een aanzienlijk deel van het risico (effectief minimaal 32,5%) bij de bank, en wijst de meest recente beleidsevaluatie van de BMKB3 uit dat banken een twee keer zo hoog schadesaldo voor uitwinning hadden dan de Staat bij niet terugbetaalde kredieten met een BMKB. Ook vindt in het geval van een verliesdeclaratie altijd controle achteraf plaats op onder meer de onderbouwing van de omzetverwachting. Mocht daarbij blijken dat sprake is van een niet realistische omzetverwachting, wordt de borgstelling aan de bank niet uitbetaald. De bank wordt dus ook gedupeerd als met een bewust misleidende omzetverwachting gebruik wordt gemaakt van de BMKB, en zal de controle hierop daarom net zo goed willen uitvoeren als bij een krediet waarbij de regeling niet wordt toegepast. Ik zie dan ook geen verdere consequenties op dit punt in het kader van de Nederlandse Franchise Code.
Deelt u de mening dat het «binnenhalen» van een borgstellingskrediet met behulp van bewust onjuist gepresteerde cijfers in een begroting misbruik van overheidsmiddelen betekent? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor u, ook ten aanzien van de aangekondigde Code Franchising?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het (dus) ook noodzakelijk is dat bedrijfsplannen uitsluitend door (van de franchisegever) onafhankelijke partijen mogen worden opgesteld, alvorens een borgstelling te verkrijgen? Zo nee, waarom niet?
Gezien het antwoord bij 3 en 4 acht ik voldoende waarborgen ingebouwd bij de BMKB om misbruik met onjuiste bedrijfsplannen te voorkomen. Een verplichting om bedrijfsplannen door een onafhankelijke partij op te laten stellen is dan alleen een onnodige verzwaring van administratieve lasten voor ondernemers die in staat zijn om zelf een kwalitatief voldoende bedrijfsplan op te stellen. Ik deel de mening daarom niet.
Hoe beoordeelt u in dat licht de houding van de woordvoerder van de ING-bank die in het Journaal-item aangeeft dat het falen van een franchiseondernemer «slechts incidenten» betreft?
Signalen over ernstige misstanden rondom financiering of het falen van franchisenemers zijn mij niet bekend en worden ook door de aangehaalde (nieuws)artikelen niet gegeven. Uit jaarlijks onderzoek, dat Panteia in opdracht van de Nederlandse Franchise Vereniging en de Rabobank verricht, komt bovendien het beeld dat de franchisesector al jaren stabiel presteert4.
Kunt u een overzicht verschaffen van de aantallen en omvang van de per grootbank aangevraagde staatsgaranties met betrekking tot franchisegevers waartegen aangifte is gedaan2, conform meegezonden tabel?3
Onderstaand is een overzicht opgenomen van verstrekte borgstellingskredieten aan de door u gevraagde ondernemingen, en de daarbij uitbetaalde garanties. Uit vergelijking met het totaal van de verstrekte borgstellingskredieten blijkt dat de prestaties van deze bedrijven niet afwijken van het gebruikelijke schadepercentage bij de BMKB7. De bedrijven en banken in de aangeleverde tabel heb ik geanonimiseerd omdat het mijn voorkeur heeft om geen bedrijfsvertrouwelijke gegevens te openbaren als daar geen publiek belang mee gediend is. Reden daarvoor is dat de BMKB ingrijpt op een markt waar concurrentie aanwezig is, en het openbaren van dergelijke gegevens onnodig inzicht geeft in de strategie van individuele banken en bedrijven. Dit zou daarmee een negatief effect kunnen hebben op het toekomstige gebruik van de regeling.
Franchisegever
Aantal
BSK’s
Totaal in €
Uitbetaalde
garanties
Totaal in €
Bank A
Bank B
Bank C
Bank D
Totaal
Banken
Franchisegever 1.
23
2.325.234,30
2
226.745,82
3
13
1
6
23
Franchisegever 2.
18
1.824.698,57
3
157.024,77
0
10
2
6
18
Franchisegever 3.
3
258.878,02
2
145.908,70
0
0
2
1
3
Franchisegever 4.
16
1.243.954,55
4
171.426,17
1
4
0
11
16
Franchisegever 5.
17
1.077.938,84
0
0,00
0
12
3
2
17
Franchisegever 6.
176
16.695.452,25
25
1.108.321,83
9
126
0
41
176
Franchisegever 7.
13
1.596.000,00
1
20.718,75
0
9
1
3
13
Bent u, gezien de problematiek rondom financiering van franchisenemers, bereid nader onderzoek te verrichten naar aard en omvang van de mogelijk frauduleuze werkwijze van sommige franchisegevers, inclusief de rol van de banken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De afsluiting van het kreeftenvang-seizoen in de Oosterschelde |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat inmiddels het kreeftenvisseizoen op de Oosterschelde voorbij is?1
Ja.
Is het waar dat in de laatste week door een select aantal schepen dag en nacht wordt gevist om nog zoveel mogelijk kreeft binnen te halen?
Op basis van het VIRIS-registratiesysteem is te zien dat met name door de sleepnetvisserij aan het eind van het seizoen intensiever is gevist. Niet uitgesloten wordt dat hiervoor ook ’s nachts is gevist, hetgeen op grond van de vigerende wet- en regelgeving overigens niet verboden is.
Is het waar dat de prijs voor kreeft (mede) hierdoor keldert?
Voor de kreeftenvisserij geldt geen veilplicht, waardoor niet alle opgeviste kreeft wordt verhandeld via de afslagen. Het is niet ongebruikelijk dat de prijzen aan het begin van het kreeftenseizoen doorgaans hoger liggen dan aan het eind van het seizoen. Uit gegevens van de visafslag te Colijnsplaat blijkt dat de kiloprijs voor kreeft in de maanden april en mei fluctueerde tussen € 20,– en € 29,–. In de maanden juni en juli fluctueerde de kiloprijs voor kreeft tussen € 13,– en € 15,–.
Is het waar dat door het intensieve vissen in de laatste weken «een slagveld» is ontstaan op de bodem van de Oosterschelde, omdat veel kreeften niet worden opgevist maar bijvoorbeeld met hun scharen in de netten blijven hangen waardoor ze in stukken worden gescheurd?
Uit navraag bij zowel de visafslag te Colijnsplaat als de kwaliteit-beoordelende NVWA-controleurs is niet gebleken dat de aangevoerde kreeft gedurende de laatste weken van het kreeftenseizoen meer beschadigd was dan in de voorliggende periode.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is deze intensieve vorm van vissen op kreeften in de laatste periode van het visseizoen te stoppen om daarmee onnodig dierenleed te voorkomen, mede gezien het feit dat de prijs voor kreeft sterk daalt en daarmee de winst ook weer teniet wordt gedaan?
Er zal altijd een laatste week van het kreeftenseizoen zijn, ook indien zal worden besloten tot een verbod op de kreeftenvisserij tijdens de laatste week van het reguliere kreeftenseizoen. Daarnaast kan de marktprijs voor vis – en dus ook voor kreeft – geen argument zijn om over te gaan tot een verbod van de visserij. Uitsluitend bestandsoverwegingen en natuurbelangen zijn hiervoor bepalend, zoals ik uw Kamer reeds heb medegedeeld met mijn brief d.d. 26 maart 2015 over de kreeftenvisserij in de Oosterschelde (Kamerstuk 29 675, nr. 179).
Het nieuwsblad van de Metaal Recycling Federatie (MRF) |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitgave van het nieuwsblad van de Metaal Recycling Federatie (MRF) van juni 2015?
Ja.
Klopt het dat bedrijven eerst een partij van 5.000 kilogram desktops of schermen moet verwerken om te bewijzen dat ze e-waste op een correcte manier verwerken? Zo ja, waarom is deze eis gesteld? Vindt u de eis proportioneel? Welke kosten zijn gemoeid met het naleven van deze eis? Bent u bereid om het beleid aan te passen als uit de monitoring blijkt dat de kosten en gevolgen disproportioneel zijn?
Ja, dat klopt.
In de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (WEEE-regeling) staat dat in Nederland vanaf 1 juli 2015 alleen volgens de WEEELABEX standaard WEEE mag worden verwerkt. Om aan te tonen dat verwerkers hieraan voldoen moeten zij zich certificeren.
In de documentatie bij de WEEELABEX standaard staat geen vereiste dat er een minimum volume verwerkt moet worden om aan te tonen dat WEEE op een correcte manier verwerkt wordt.
Wel geeft de WEEELABEX aan hoe verwerkingsbedrijven in aanmerking kunnen komen voor certificering en wat zij hiervoor moeten doen. Een van de vereisten is dat een zogenaamde «batch» test moet worden gedaan. Tijdens deze test wordt een vooraf vastgesteld volume aan WEEE verwerkt, waarbij de samenstelling van het WEEE en de verwerkingsomstandigheden representatief moeten zijn voor de dagelijkse gang van zaken bij het bedrijf. De test wijst uit of de verwerkingsprocessen op orde zijn (zoals juiste verwijdering van gevaarlijke stoffen), of de vereiste recyclingpercentages worden gehaald en of verbetering in de bedrijfsvoering gewenst is. Meestal is voor de test een volume van 5.000 kilo nodig. In specifieke gevallen is het ook mogelijk dat de test met een kleiner tonnage wordt uitgevoerd.
Deze aanpak lijkt niet onredelijk of disproportioneel.
De kosten die met de batchtest gemoeid zijn worden met name veroorzaakt door het tijdelijk stilleggen en schoonmaken van de «productielijn». Deze kosten zijn moeilijk te kwantificeren en hangen af van de aard en grootte van het bedrijf. Tijdens de test worden de opgespaarde apparaten alsnog verwerkt en blijft het productieverlies beperkt.
Gelden er nog andere soortgelijke eisen? Zo ja, welke? Waarom gelden deze eisen?
Nee. Alle eisen staan in de WEEELABEX-Treatment1 standaard. De WEEELABEX standaard is met de voornoemde Regeling opgenomen als vertaling van de eisen van passende verwerking, zoals die in de Europese richtlijn WEEE zijn vermeld.
In hoeverre kunnen metaalrecyclers samenwerkingsverbanden aangaan om toch e-waste correct te verwerken, gelet op het feit dat het vanaf 1 juli 2015 strikt verboden is om zonder Waste Electric and Electronic Equipment LABel of EXcellence (WEEELABEX)-certificaat demontage- of verschrotingswerkzaamheden uit te voeren? Bijvoorbeeld door e-waste verwerking onder toezicht? Een voorbeeld: gecertificeerde recycler X sluit een alliantie met recycler Y die niet gecertificeerd is, maar wel onder toezicht van X e-waste mag bewerken; daarmee wordt bewerking door Y onderdeel van het proces van collega X; deelt u de mening dat dit ook een praktische oplossing is, vooral voor bedrijven waarvoor certificering bedrijfseconomisch nu nog een te grote stap is? Staat u deze oplossing toe?
Nee, het be- en verwerken van WEEE door een niet-WEEELABEX gecertificeerde onderneming is niet toegestaan.
De vereisten van WEEELABEX zijn gekoppeld aan de verwerkingshandeling, ongeacht de constructie. Dit betekent in de praktijk dat de WEEELABEX certificering geschiedt per verwerkingsstroom en dat elke verwerkingsstroom wordt geaudit door een WEEELABEX auditor.
De Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de regelgeving en de eisen die aan verwerking van WEEE worden gesteld. De certificering is bedoeld om voorafgaand aan het verwerkingsproces duidelijkheid te scheppen dat verwerking van aan iedere verwerker aangeboden WEEE op een minimum kwaliteitsniveau zal plaatsvinden. Het certificaat is hiervoor het «bewijs».
Tot slot mag niet onvermeld blijven dat de Europese WEEELABEX organisatie de werkwijze van werken ondertoezicht met klem van de hand wijst.
Waarom maakt Duitsland nog überhaupt geen aanstalten om WEEELABEX te introduceren? Waarom start België pas in 2016? In hoeverre biedt dit kansen voor Nederlandse partijen die hun zaakjes wel op orde hebben? Kan de verwerking van e-waste in Nederland plaatsvinden? Is het in dit kader mogelijk om e-waste makkelijker te importeren? Gaat u andere landen die de Europese regelgeving bij verwerking nog niet volgen hierop wijzen? Bent u bereid u in Europa in te spannen om te komen tot een gelijk(er) speelveld?
Met de vereisten in de Europese richtlijn WEEE is een gelijk speelveld binnen Europa gecreëerd. Lidstaten bepalen evenwel zelf hoe zij deze vereisten op nationaal niveau implementeren. Elke lidstaat moet aan de inhoudelijke vereisten van de richtlijn voldoen.
Bij importstromen uit het buitenland gelden de vereisten zoals die in de Nederlandse nationale wetgeving zijn geïmplementeerd, namelijk dat verwerking alleen geschiedt door WEEELABEX gecertificeerde verwerkers.
Bij export naar het buitenland geldt dat in dat buitenland de vereisten voor passende verwerking uit Europese richtlijn WEEE moeten worden toegepast.
Bedrijven in Duitsland en België die geïmporteerd Nederlands WEEE verwerken, zullen dus aan dezelfde eisen van passende verwerking moeten voldoen zoals die in de WEEE-richtlijn staan geformuleerd. Het is aan de exporteur om na te gaan en aan te tonen dat dit het geval is. Dit beginsel geldt ook voor export naar landen buiten de EU. Bij grensoverschrijdend transport van Afval is tevens de EVOA van toepassing.
Bent u bereid pragmatische oplossingen te vinden voor problemen die zich voordoen?
Ja, dat gebeurt al sinds het implementatietraject van de Europese richtlijn WEEE van start is gegaan en waarbij partijen samenwerken.
Bent u bereid uw uitspraak, gedaan tijdens het Algemeen overleg Grondstoffen en Afval van 25 juni jongstleden met betrekking tot het verzoek tot uitstel van handhaving tot 31 december 2015 en gepaste controle, zonder dat direct door de ILT boetes worden uitgedeeld, schriftelijk aan de Kamer te bevestigen?
Tijdens het AO Grondstoffen en Afval op 25 juni 2015 heb ik gezegd: «Het is belangrijk dat we de handhaving niet opjagen, maar het is niet goed als we de deadline verzetten. Daarmee geef ik aan dat er beperkte ruimte is.»
De ILT oefent haar taken onafhankelijk uit conform een vast en transparant interventiekader. Dit kader is uitgewerkt in de «interventieladder». Deze ladder is via de website van ILT toegankelijk en kent vijf interventiecategorieën («treden») met telkens met in gewicht toenemende consequenties voor de overtreder. Het wel of niet opleggen van een sanctie wordt voor elk specifiek geval, in het kader van voornoemd beleid beoordeeld.
Mogelijke belastingontwijking door Walmart |
|
Arnold Merkies |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het rapport «The Walmart web, how the world’s biggest corporation secretly uses tax havens to dodge taxes»?1
In het rapport duiden de auteurs Nederland als een tax haven. Volgens de auteurs zijn tax havens: «jurisdictions with no or nominal taxes and/or whose laws enable companies to avoid taxation by escaping or undermining the laws, rules and regulations of other jurisdictions, using secrecy as a prime tool.»
Naar mijn mening is Nederland volgens deze definitie geen belastingparadijs. Nederland is immers een jurisdictie die een normale winstbelasting van ondernemingen heft en die ondernemingen niet stiekem in staat stelt om de belastingheffing in andere jurisdicties te ontgaan. In mijn brief van 2 juni 2015 over internationale belastingen en belastingontwijking (Kamerstukken II 2014/15, 25 087, nr. 102) gaf ik aan dat Nederland een voortrekkersrol ambieert op onder andere het terrein van transparantie. Transparantie met betrekking tot fiscale structuren van ondernemingen wil het kabinet verder bevorderen met de ondertekening van een overeenkomst over de automatische uitwisseling van informatie over rulings met Duitsland. Daarnaast steunt het kabinet – zoals al uitgedragen is in het BNC-fiche behorende bij de brief van 24 april 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 22 112, nr. 1963) – ten volle het voorstel COM(2015) 135 final van de Europese Commissie van 18 maart 2015 om de bestaande richtlijn tot automatische inlichtingenuitwisseling uit te breiden tot informatie over rulings. Vergelijkbare voorstellen tot vergroting van de transparantie worden met Nederlandse steun binnen de OESO in het kader van het BEPS-project ontwikkeld. De verwachting is dat de OESO in oktober met voorstellen tot automatische uitwisseling van informatie over rulings komt. Ook merk ik op dat volgens het Global Forum on transparency and exchange of information for tax purposes Nederland voldoet aan alle internationaal geldende eisen voor transparantie en uitwisseling van informatie. In de brief van 26 oktober 2011 heeft mijn voorganger u geïnformeerd over de positieve beoordeling van Nederland door het Global Forum (Kamerstukken II 2011/12, 25 087, nr. 28). Derhalve verwerp ik de aanduiding van tax haven die de auteurs geven aan Nederland.
Wat vindt u ervan wanneer dochterondernemingen van een multinational zelfs voor experts op het terrein van belastingontwijking niet zichtbaar zijn? Vindt u dit gewenst?
Nederland is groot voorstander van transparantie en meent dat fiscale autoriteiten over de voor relevante informatie moeten kunnen beschikken voor een juiste vaststelling van de te betalen belasting. Voor het verkrijgen van zicht op fiscale structuren kunnen belastingdiensten allereerst eisen stellen aan de informatie die de in hun land belastingplichtige ondernemingen dienen te verstrekken.
Aan een verbetering van het zicht van belastingdiensten op fiscale structuren van belastingplichtige ondernemingen wordt binnen de OESO hard gewerkt. Als gevolg van actiepunt 13 van het BEPS-project heeft de OESO voorstellen gedaan voor een nieuwe documentatieverplichting voor multinationale ondernemingen. Volgens deze verplichting dienen multinationale ondernemingen met een omzet van 750 miljoen en meer jaarlijks een country-by-country rapport opstellen (zie ook mijn brief van 11 november 2014 aan uw Kamer). Een country-by-country rapport bevat ondermeer informatie over de wereldwijde fiscale winstverdeling, alsmede de betaalde belasting in de landen waarin de multinationale onderneming een vestiging heeft. Binnen de OESO/G20 is afgesproken dat deze verplichting per 1 januari 2016 zijn beslag krijgt. In het Belastingplan 2016 zal ik een voorstel doen om dit voor Nederland mogelijk te maken. Daarnaast kunnen belastingdiensten daar waar nodig aan anderen – financiële instellingen en buitenlandse belastingdiensten -het verzoek doen om informatie te verstrekken teneinde een volledig beeld te krijgen op de fiscale positie van de belastingplichtige concernonderdelen.
Deelt u de mening dat het gewenst is dat van multinationals bekend is waar zij dochterondernemingen hebben en hoeveel dat er per land zijn en dat deze informatie publiek moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor een juiste vaststelling van de in Nederland te betalen belasting door belastingplichtige multinationale ondernemingen dient de belastingdienst over de voor Nederlandse belastingheffing relevante informatie te beschikken. De verplichtingen en voorzieningen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en internationale regelingen waar Nederland partij bij is dragen ertoe bij dat de Nederlandse belastingdienst goed in staat is zijn controletaak uit te oefenen.
Voor wat betreft de inzichtelijkheid van de fiscale planning van multinationale ondernemingen voor anderen dan belastingdiensten werkt de Europese Commissie momenteel aan een impact assessment voor publieke country-by-country reporting. Deze studie onderzoekt de wenselijkheid van het publiek maken van deze informatie. Het lijkt mij verstandig deze studie af te wachten alvorens nader in te gaan op de wenselijkheid van het publiek maken van voornoemde informatie.
Kunt u zo concreet mogelijk aangeven wat een bedrijf ertoe zou kunnen brengen om vijf dochterondernemingen te vestigen in Nederland, terwijl het hier geen reële activiteiten ontplooit?
De opstellers van het rapport noemen in de tabellen 2, 3 en 4 vier van de vijf Nederlandse dochterondernemingen van Walmart bij naam. Deze vier dochterondernemingen hebben de coöperatie als rechtsvorm. Uit de tabellen 2 en 3 volgt verder dat in ieder geval drie van de vier Nederlandse coöperaties een belang zouden houden in buitenlandse dochterondernemingen van Walmart. Tot slot wordt in het rapport gesteld dat de bezittingen van deze vijf Nederlandse dochterondernemingen een waarde hebben van $ 12,4 miljard. Het rapport vermeldt niet waaruit deze bezittingen bestaan en evenmin hoe deze bezittingen worden gefinancierd, d.w.z. met vreemd of eigen vermogen. Voorts kan ik vanwege de geheimhoudingsverplichting van artikel 67 AWR niet ingaan op uw vraag waarom Walmart in Nederland over vijf dochterondernemingen beschikt en welke activiteiten zij ontplooien. In algemene zin geldt dat er tal van overwegingen ten grondslag kunnen liggen aan de vormgeving van de juridische structuur van een onderneming. Hierbij kunnen geografische, infrastructurele, vennootschapsrechtelijke alsmede fiscale aspecten van belang zijn. Het staat overigens een ieder vrij eigen keuzes te maken voor de rechtsvorm en de structuur van activiteiten.
Deelt u de mening dat het gegeven dat Nederland opnieuw in één adem wordt genoemd met een berucht belastingparadijs als Luxemburg voor velen een nieuwe bevestiging is dat Nederland belastingontwijking door multinationals faciliteert?
Ik weet niet of velen in dit rapport een bevestiging zien dat Nederland belastingontwijking door multinationals faciliteert. Zelf kijk ik daar anders tegen aan. In de brief van 30 augustus 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 60) reageerden de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en mijn ambtsvoorganger op de onderzoeksrapporten van SEO, het IBFD en het CPB over de Nederlandse rol in internationale schakelstructuren. In deze brief staat dat het kabinet de ogen niet sluit voor de kritiek die wordt geleverd op de rol van Nederlandse schakelvennootschappen in de structuren van internationale concerns en voor de opvallende omvang van de geldstromen waar Nederlandse bijzondere financiële instellingen bij betrokken zijn. Zoals in deze brief verwoord, betreft dit een mondiaal vraagstuk dat een mondiale oplossing vraagt. Aan deze oplossing wordt binnen OESO-, G20- en EU-verband gewerkt. Over de stand van zaken heb ik u bericht in mijn brief van 2 juni 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 25 087, nr. 102). Voorts schreven we dat ondanks onze duidelijke voorkeur voor een gecoördineerde mondiale aanpak, het kabinet vindt dat Nederland een eigen verantwoordelijkheid heeft bij het voorkomen van onbedoeld gebruik van Nederlandse belastingverdragen. We hebben toen diverse maatregelen aangekondigd. Met betrekking tot ontwikkelingslanden is toen aangegeven dat Nederland deze zou benaderen om aan de bestaande belastingverdragen een antimisbruikbepaling toe te voegen. Over de huidige stand van zaken met betrekking tot de benadering van deze ontwikkelingslanden hebben de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik u laatstelijk bericht bij brief van 18 juni 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 25 087, nr. 104). Ook zijn de eisen wat betreft substance en informatieverstrekking die worden gesteld aan schakelvennootschappen, tussenhoudsters en tophoudsters aangescherpt. De aanscherping komt tot uitdrukking in de besluiten van 3 juni 2014 met de nrs. DGB 2014/3099, DGB 2014/3101 en DGB 2014/3102, art. 8, vijfde lid, Wet Internationale Bijstandsverlening en art. 3a Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.
Verwacht u dat het feit dat 90 procent van de activa van Walmart International is gestald in brievenbusbedrijven in Nederland en Luxemburg is ingegeven door fiscale motieven?
Uit de pagina’s 4 en 10 van het rapport blijkt dat er $ 12,4 miljard aan activa door de Nederlandse dochters wordt gehouden. Het totaal aan Walmart bezittingen bedraagt $ 204,7 miljard. Op de overwegingen die aan de gekozen rechtsvorm en structuur ten grondslag liggen, kan ik uit hoofde van mijn geheimhoudingsplicht verder niet ingaan.
De toenemende problemen in Nederland met rondtrekkende Britse en Ierse zigeunerbendes |
|
Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie wil golf foute klussers indammen?»1
Ja.
Erkent u de toenemende problemen in Nederland met Irish Travellers, die zich voordoen als klusjesmannen?
Het probleem doet zich reeds langer voor. Het is echter moeilijk vast te stellen of er thans sprake is van een toename; in het zomerseizoen zijn er gemiddeld meer meldingen inzake Irish Travellers dan in het winterseizoen. Ook zijn er grote verschillen per regio. In het VAO van 2 juli jl. gaf ik al aan dat de aangiftebereidheid van slachtoffers vaak gering is, waardoor de omvang van het probleem moeilijk vast te stellen is. Overigens moeten niet alle Irish Travellers als problematisch worden gezien; een deel van hen voert de werkzaamheden uit waarvoor zij worden betaald.
In hoeverre klopt het dat er geen specifiek beleid bestaat voor de bestrijding van deze frauduleuze klusjesmannen, die bange klanten bedreigen, intimideren en oplichten voor duizenden euro’s?
De aanpak van de door deze groepen gepleegde strafbare feiten wordt gezien als onderdeel van de vaste werkwijze van de politie en is niet apart beleidsmatig belegd. Specifieke zaken rond bijvoorbeeld oplichting worden als zodanig afgedaan.
In diverse regio’s wordt – onder meer door de politie – aandacht besteed aan deze problematiek in de vorm van voorlichting en tips voor preventie, bijvoorbeeld op (sociale) media. Dit heeft geleid tot grotere alertheid van burgers.
Is het waar dat deze gewetenloze criminelen vaak kwetsbare groepen, zoals ouderen, kiezen als geliefd doelwit om kaal te plukken?
Zoals bij andere problematiek die «aan de deur» gebeurt, bijvoorbeeld bij babbeltrucs en huis- aan- huis verkoop, zijn kwetsbare groepen gemakkelijker te benaderen. Ook hier worden veelal kwetsbare groepen benaderd, waaronder ouderen.
Welke concrete en effectieve maatregelen gaat u nemen om de explosief toegenomen problemen met deze rondtrekkende zigeunerbendes keihard aan te pakken?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 al aangaf, is het moeilijk vast te stellen of er sprake is van een toename, mede omdat de aangiftebereidheid gering is. In het antwoord op vraag 3 gaf ik aan wat de aanpak van deze strafbare feiten is wanneer deze ter kennis van de politie komen. Ik verwijs verder naar die antwoorden.
Het bericht ‘In nieuwe tunnel Delft geen 06-bereik’ |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «In nieuwe tunnel Delft geen 06-bereik»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over gebrekkige dekking door telefoonproviders in spoor- en metrotunnels?2
Ja.
Klopt het dat treinreizigers tot zeker volgend jaar geen bereik op hun mobieltje hebben als ze de nieuwe Delftse spoortunnel in rijden? Zo nee, wat klopt er niet aan de berichtgeving?
Dit klopt, bij de bouw is er overleg geweest met de providers om dekking te realiseren maar zij hebben destijds van de investering afgezien. Later zijn wederom gesprekken tussen ProRail en de providers gestart. De gesprekken over het ontwerp zijn inmiddels in een afrondende fase. Dit ontwerp moet eerst goedgekeurd zijn alvorens met de bouw kan worden gestart. Het streven is om dit najaar te starten met de bouw, afhankelijk van de beschikbaarheid van een treinvrije periode.
Waarom hebben ProRail en telefoonproviders nog steeds geen concrete afspraken gemaakt om een mobiel netwerk in de spoortunnel Delft aan te leggen? Deelt u de mening dat dit nu al veel te lang op zich laat wachten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de beschikbaarheid van telefoonnetwerken een belangrijke factor is voor reizigers in het openbaar vervoer?
Ja.
Waarom is een goed werkend mobiel netwerk niet tijdens de bouw van de tunnel aangelegd?
ProRail heeft samen met de NS een aanbod gedaan aan de providers om een deel van de kosten te dragen maar de providers hebben destijds van realisatie afgezien vanwege de in hun ogen te hoge kosten.
Acht u – in het licht van de in het artikel geschetste problematiek – de systematiek waarbij telecomproviders het initiatief dienen te nemen voor het indienen van een vergunningaanvraag de meest optimale? Ligt het – in ieder geval bij nieuwe spoortunnels – niet voor de hand om ProRail een proactieve rol te geven bij het aanleggen van een mobiel netwerk in tunnels?
In het geval van de Spoortunnel Delft heeft ProRail proactief contact gezocht en ondersteuning aangeboden. De providers hebben echter van realisatie afgezien vanwege de in hun ogen te hoge kosten. Ten principale blijven de providers verantwoordelijk voor de aanleg en investering in mobiele infrastructuur. Als verantwoordelijke partij voor deze investering zijn zij ook initiatiefnemer van de vergunningaanvraag. Ik acht dit geen overheidsverantwoordelijkheid.
Is het waar dat het treinverkeer tijdens bouwwerkzaamheden geheel moet worden stilgelegd? Zijn er nog andere werkzaamheden nodig in de tunnel die gecombineerd kunnen worden met deze, zodat de overlast voor de reiziger zo beperkt mogelijk blijft?
Ja, het treinverkeer moet stilgelegd worden om een deel van de systemen te plaatsen. Afhankelijk van de gekozen oplossing en eventuele combinatie met andere werkzaamheden om de dekking te realiseren is die periode langer of korter. ProRail streeft naar een oplossing die geen of minimale hinder oplevert voor de reizigers.
Welke acties hebben u en ProRail genomen sinds maart 2014 (de beantwoording van de vorige set vragen over dit thema) om in den brede de dekking van telefoonproviders in spoortunnels te verbeteren?
Er wordt overlegd door ProRail met providers om hen te ondersteunen bij de besluitvorming.