Wapenexport naar Egypte |
|
Jasper van Dijk |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over de uitvoer van militair materieel voor de Egyptische marine?1
Ja.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat de blokkade tegen Jemen acute tekorten aan voedsel, medicijnen en brandstof en andere noodzakelijkheden heeft veroorzaakt?2 Zo nee, waarom niet?
De blokkade heeft de bestaande tekorten aan voedsel, medicijnen en brandstof vergroot. Naast de blokkade zijn vooral de aanhoudende gevechten op de grond en de bombardementen vanuit de lucht alsmede de beschadigingen aan de infrastructuur er de oorzaak van dat (hulp)goederen niet hun eindbestemming bereiken.
Kunt u uitsluiten dat Egyptische marineschepen bijdragen aan de blokkade van Jemen? Zo ja, waarop baseert u dat?
Zoals vermeld in de antwoorden op eerdere vragen van het lid Van Dijk over de uitvoer van militair materieel voor de Egyptische marine, is bekend dat de Egyptische marine sinds maart 2015 betrokken is bij de militaire interventie in Jemen. Egypte heeft vier marineschepen naar de Golf van Aden gestuurd, die voorzover bij het kabinet bekend worden ingezet voor de handhaving van het VN-wapenembargo tegen de Houthi-rebellen van 14 april jl. (VNVR resolutie 2216).
Op welke wijze heeft u opheldering gevraagd of Egyptische marineschepen Jemen hebben gebombardeerd en of waarschuwingsschoten zijn afgevuurd richting Iraanse marineschepen? Wat werd geantwoord op uw navragen? Kunt u uitsluiten dat Egyptische marineschepen Jemen hebben gebombardeerd?
Nederland heeft zowel open als vertrouwelijke bronnen geconsulteerd, onder meer via de ambassade in Caïro, naar aanleiding van de mediaberichten dat Egyptische marineschepen Jemen hebben gebombardeerd en waarschuwingsschoten hebben afgevuurd richting Iraanse marineschepen. De mediaberichten konden niet bevestigd worden.
Deelt u de opvatting dat het handhaven van een wapenembargo er niet toe mag leiden en dat het ook niet nodig is dat essentiële humanitaire hulp Jemen niet bereikt?
Het kabinet blijft bezorgd over de (humanitaire) gevolgen van de blokkade in Jemen en hecht er groot belang aan dat essentiële humanitaire hulp de burgers in Jemen bereikt. Tegelijkertijd is het handhaven van het wapenembargo van groot belang om te voorkomen dat nog meer wapens in de handen van Houthi-rebellen komen, wat een verdere verslechtering van de humanitaire situatie tot gevolg zou kunnen hebben.
Wat is uw reactie op de berichten dat de humanitaire situatie in Jemen blijft verslechteren, dat hulp voor Jemen wordt vertraagd door de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië en dat Jemen slechts 1 procent van de commerciële brandstofbehoeften heeft kunnen importeren in de maand september?3 Deelt u deze analyse van de situatie? Zo nee, waarom niet?
De humanitaire situatie in Jemen is uitermate zorgwekkend. Er zijn inmiddels meer dan 5.000 doden en meer dan 26.000 gewonden (WHO) te betreuren en het einde van de gevechten is nog altijd niet in zicht. De humanitaire situatie in Jemen is de afgelopen maanden snel verslechterd. Sinds de intensivering van de gevechten in maart is het aantal hulpbehoevenden met 33 procent gestegen van 15.9 miljoen naar 21.1 miljoen mensen (80 procent van de bevolking). Vooral in de kuststroken met hoge bevolkingsconcentraties is sprake van een noodsituatie. Humanitaire hulporganisaties breiden hun hulpoperaties uit, maar moeten opereren in extreem uitdagende omstandigheden.
Kunt u toelichten wat in de praktijk het effect is van de overeenkomst over een verificatiemechanisme voor commerciële import?
Het VN verificatie- en inspectiemechanisme houdt in dat de controle van binnenkomende schepen op wapens niet langer wordt uitgevoerd door de coalitie, maar door de VN. De verwachting is dat door invoering van het mechanisme schepen sneller kunnen worden gelost in de Jemenitische havens. Dat geldt zeker voor schepen met hulpgoederen, aangezien deze onder het mechanisme van inspectie zijn uitgezonderd. Het mechanisme is echter nog niet volledig operationeel. Bovendien is door de oorlogshandelingen een van de grootste havens van Jemen, de haven van Hudeidah, ernstig beschadigd geraakt. Aan het herstel van de infrastructuur en de capaciteit van de haven wordt hard gewerkt. De haven van Hudeidah gaat nu geleidelijk weer open.
Staat u nog altijd achter uw besluit om de vergunningen voor de uitvoer van militair materieel voor de Egyptische marine te verlenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Eqypte heeft een legitieme veiligheidsbehoefte voor wat betreft het bewaken van de zeegrenzen. Tevens draagt de Egyptische marine bij aan de maritieme veiligheid in de regio. Het bewaken van deze vaarroutes is ook voor Nederland en de EU van belang. Een Nederlands radarsysteem kan bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage leveren aan het voorzien in deze veiligheidsbehoeften. Het kabinet ziet geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Egypte op dit punt te wijzigen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg over Jemen dat gepland staat voor 4 november?
Ja.
Het bieden van premiekorting in ruil voor privédata door verzekeraar Achmea |
|
Rik Grashoff (GL), Linda Voortman (GL) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat Achmea voornemens is premiekorting te bieden aan verzekerden, in ruil voor persoonlijke gedragsgegevens?1
Ja.
Kunt u aangeven of er nu al verzekeringen worden aangeboden waarbij premiekorting wordt geboden in ruil voor bijvoorbeeld persoonlijke gedragsgegevens?
Verzekeraars hebben informatie nodig om een inschatting te maken van het risico dat zij verzekeren. Het is niet ongebruikelijk dat verzekeraars daarbij gebruik maken van persoonlijke gedragsgegevens. Zo wordt bijvoorbeeld al jaren gevraagd naar rookgedrag bij diverse verzekeringen. Uit het recente rapport «Berekende risico’s» van het Rathenau Instituut2 blijkt dat verschillende verzekeraars zich bezighouden met het meten van klantgedrag. Het is voorstelbaar dat verzekeraars dit kunnen gebruiken als instrument om risico’s te voorkomen of beperken.
Zolang verzekeraars zich aan de wet houden, is er geen reden op te treden. Het relevante wettelijke kader bestaat – voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens – uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het is aan het Cbp om te beoordelen of de Wbp wordt nageleefd. Voorwaarden uit de Wbp zijn onder andere dat persoonsgegevens voor een bepaald vastgesteld doel moeten worden verzameld en dat degene van wie de persoonsgegevens zijn, daarover moet worden geïnformeerd. Ook mogen persoonsgegevens niet langer dan wettelijk toegestaan bewaard worden en is adequate beveiliging verplicht. Verder is een wettelijke grondslag voor de gegevensverwerking vereist.
Mag Achmea persoonlijke gedragsgegevens die zijn verzameld voor de auto- of inboedelverzekering gebruiken voor het beoordelen van andere verzekeringen van dezelfde klant of voor het opstellen van risicoprofielen voor bijvoorbeeld (aanvullende) zorgverzekeringen of om bijvoorbeeld de hoogte van de premie per verzekerde te differentiëren op basis van het risicoprofiel?
Persoonsgegevens die zijn verzameld voor een bepaald doel mogen niet zondermeer gebruikt worden voor een ander doel. Het is afhankelijk van de overeenkomst of de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de betreffende diensten mogelijk is gemaakt. De gebruiksvoorwaarden moeten voldoende duidelijk en specifiek omschrijven dat de gegevens kunnen worden verwerkt voor de onderhavige doeleinden. Voor zover de overeenkomst tekortschiet, moet er zijn voldaan aan een van de andere rechtvaardigingsgronden uit artikel 8 Wbp. Toestemming van de betrokkene kan dan een rechtvaardigingsgrond zijn (artikel 8, onder a).
Bij de basiszorgverzekering geldt overigens een verbod op premiedifferentiatie. Persoonsgegevens die verzameld zijn voor andere schadeverzekeringen mogen daarom niet worden gebruikt voor een premiekorting op de basiszorgverzekering.
Voor het gebruik van persoonsgegevens voor bijvoorbeeld premiedifferentiatie bij de aanvullende zorgverzekering geldt wat voor andere verzekeringen geldt.
Op welke wijze wordt toegezien op voorlichting aan (aspirant)verzekerden over het gebruik van de gegevens en de mogelijke consequenties daarvan?
In het algemeen geldt dat de verantwoordelijke voor gegevensverwerking (in dit geval Achmea) verplicht is om de betrokkene te informeren over de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is. Dit volgt uit artikel 33 en 34 van de Wbp. De verantwoordelijke dient bovendien nadere informatie te verstrekken voor zover dat nodig is om een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen jegens de betrokkene, gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder de gegevens worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt (artikel 33, derde lid, en 34, derde lid, Wbp). De verantwoordelijken dienen dus aan hun informatieverplichtingen invulling te geven. Daaronder vallen ook de privacyrisico’s verbonden aan het delen van de privégegevens. Het CBP ziet toe op naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Welke sancties staan op misbruik van de gegevens en wat zou onder misbruik worden verstaan?
Is het Achmea toegestaan om gedetailleerde persoonsgegevens te delen of door te verkopen aan andere bedrijven of derden of aan hen de mogelijkheid te geven gedetailleerde persoonlijke gedragsgegevens te verzamelen als bijproduct van een verzekering?
Het staat Achmea op grond van de Wbp niet vrij om persoonsgegevens op een later moment alsnog met derden te delen, indien zij daarvoor geen toestemming heeft van de verzekerden of een andere grondslag uit de Wbp daarin voorziet, zoals een overeenkomst die dit specifiek regelt. De Artikel 29 Werkgroep, waaronder alle nationale gegevensbeschermingsautoriteiten (zoals het Cbp) in de EU vallen, heeft in 2013 aangegeven dat een doel dat vaag of algemeen is omschreven – zoals het verbeteren van gebruikerservaring, of marketingdoelen – zonder verdere detaillering niet voldoet aan de eis van doelbinding. Dan zou niet zijn voldaan aan de eis van welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden voor gegevensverwerking.3 Die eis is opgenomen in artikel 6, eerste lid, onder b, van de privacyrichtlijn4 en artikel 7 Wbp.
Mag Achmea klanten weigeren als zij geen gebruik wensen te maken van de privacyschendende apparaten?
Achmea onderzoekt op dit moment alleen de mogelijkheden nog om gebruik te maken van nieuwe persoonlijke data. Het staat Achmea vrij om voorwaarden te stellen aan klanten. Dit is thans ook al mogelijk, denk bijvoorbeeld aan het weigeren van een persoon voor een aanvullende zorgverzekering of het differentiëren van de premie voor een levensverzekering naar rookgedrag. Achmea is vanzelfsprekend verplicht de wet na te leven. Een beding in de algemene voorwaarden bij de verzekering is bijvoorbeeld vernietigbaar, als dit onredelijk bezwarend is voor de verzekerde (artikel 6:233 BW). Een verzekeraar dient voorts te voldoen aan haar informatieplicht op grond van de Wbp. Klanten moeten worden geïnformeerd over de privacyrisico’s die verbonden zijn aan het delen van privégegevens. Is een klant het niet eens met de voorwaarden die de verzekeraar stelt, dan kan hij kiezen voor een andere verzekeraar.
Welke maatschappelijke effecten kunnen naar uw verwachting optreden als grote delen van de bevolking kortingen bedingen op verzekeringen door toegang te bieden tot hun persoonlijke gedragsgegevens?
Als grote delen van de bevolking kortingen bedingen op hun verzekeringen door toegang te bieden tot hun persoonlijke gedragsgegevens kan dit allerlei maatschappelijke effecten hebben. In zijn algemeenheid zal binnen de contractsvrijheid vermoedelijk gezocht worden naar nieuwe evenwichten tussen het organiseren van solidariteit en het adequaat beprijzen van risico’s. De hoogte van de premie kan meer worden toegesneden op het daadwerkelijke risicoprofiel van de verzekerde. Dit zou kunnen leiden tot daling van de gemiddelde premie voor verzekeringen, maar tegelijkertijd tot het toenemen van verschillen in premie tussen klanten. Ook andere effecten zijn denkbaar, zoals die worden geïdentificeerd in het recente rapport «Berekende risico’s» van het Rathenau Instituut. Daaruit blijkt dat een eventueel toekomstig verzekeringsmodel dat is gedreven door persoonsgegevens over gedrag, gericht op preventie van risico, tot een sterkere, normatieve invloed van de verzekeraars kan leiden. Het Rathenau Instituut stelt dat om de mogelijkheden van big data op een verantwoorde manier te benutten, er ruimte moet zijn voor experimenten, maar tegelijkertijd ook voor reflectie en evaluatie, met inachtneming van publieke waarden als solidariteit.
Het bericht dat rechtsbijstandsverzekering taboe is voor Groningers in aardbevingsgebied |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Rechtsbijstandverzekering is taboe voor Groningers in aardbevingsgebied»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat inwoners van een aardbevingsgebied door (vrijwel) alle verzekeringsmaatschappijen worden uitgesloten van een rechtsbijstandsverzekering, omdat er sprake is van een «al lopend conflict»?
Het Verbond van Verzekeraars heeft mij desgevraagd laten weten dat de stelling dat bewoners uit het Groningse aardbevingsgebied geen rechtsbijstandsverzekering kunnen afsluiten, niet accuraat is. Daarbij wijst het Verbond er op dat rechtshulp voor geschillen die voorzienbaar zijn omdat reeds sprake is van schade op het moment dat de rechtsbijstandsverzekering wordt gesloten, in beginsel niet onder de dekking van de polis valt. Dit volgt uit het gegeven dat een rechtsbijstandsverzekering – zoals alle verzekeringen – een overeenkomst is tussen verzekeraar en verzekerde om de gevolgen van een onzeker voorval af te dekken.
Navraag bij diverse rechtsbijstandverzekeraars heeft uitgewezen dat sommigen van hen geen nieuwe verzekerden uit het aardbevingsgebied aannemen voor rechtsbijstandsverlening inzake aardbevingsschade door gaswinning en sommigen dat wel doen. Het is dus mogelijk om ook voor eventuele nu nog onbekende toekomstige behoefte aan rechtshulp bij geschillen over schade als gevolg van de aardgaswinning een rechtsbijstandsverzekering te sluiten. Wanneer een klant geen dekking wordt geboden voor geschillen over schade als gevolg van de aardgaswinning betekent dit niet dat de klant uitgesloten is van de gehele rechtsbijstandsverzekering. De verzekeraar kan kiezen om de klant voor andere onderdelen wel een verzekering aan te bieden. Het al dan niet kunnen afsluiten van een rechtsbijstandsverzekering, dan wel deelmodules daarvan, is afhankelijk van het individuele acceptatiebeleid van de verzekeraar.
Gedupeerden met een geschil die niet over een rechtsbijstandsverzekering beschikken en deze ook niet kunnen sluiten, en die zich er door de kosten van laten weerhouden zelf rechtskundige bijstand in te schakelen, zouden kunnen overwegen hun belangen door een claimstichting te laten behartigen. Indien zij minder draagkrachtig zijn en aan de overige voorwaarden voldoen komen zij in aanmerking voor gesubsidieerde rechtsbijstand.
Zijn er andere gebieden in Nederland – bijvoorbeeld in Limburg – waar grote groepen bewoners zijn of worden uitgesloten van een rechtsbijstandverzekering door schade als gevolg van aardbevingen of mijnbouwschade?
Zoals ik in antwoord 2 aangaf, is volgens het Verbond van Verzekeraars het mogelijk om ook voor eventuele nu nog onbekende toekomstige behoefte aan rechtshulp bij geschillen over schade als gevolg van de aardgaswinning een rechtsbijstandsverzekering te sluiten. Er zijn mij geen voorbeelden bekend van gebieden waar burgers zich in het geheel niet voor rechtsbijstand door schade als gevolg van aardbevingen of mijnbouwschade kunnen verzekeren.
Deelt u de analyse van het Verbond van Verzekeraars die de vergelijking trekken tussen «een brandend huis dat ook niet verzekerd kan worden»? Wat is naar uw mening de definitie van een «lang lopend geschil» in dit geval? Kunt u aangeven waar daarbij de fysieke grenzen liggen van het aardbevingsgebied?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid na te gaan op basis van welke criteria de Bond van Verzekeraars inwoners van Groningen uitsluit van een rechtsbijstandverzekering?
Zie antwoord vraag 2.
Waaruit bestaat de regeling die door verzekeraars getroffen is met de Stichting Waardevermindering door Aardbevingen Groningen (WAG)? Met hoeveel klanten is deze regeling getroffen? Op welke wijze zijn deze klanten hierover geïnformeerd?
De door de verzekeraars met de Stichting WAG getroffen regeling strekt er toe dat verzekerden die deelnemen aan door de Stichting WAG gevoerde procedures geen entreegeld en – bij een positieve uitkomst van de procedure – geen success fee verschuldigd zijn. In sommige gevallen heeft de verzekerde zelf te kennen gegeven dat hij of zij vertegenwoordigd wenst te worden door de Stichting WAG. Verzekerden zijn overigens niet verplicht om hun belangen door de Stichting WAG te laten behartigen, maar kunnen er ook voor kiezen gebruik te maken van de reguliere rechtshulp die door of vanwege hun verzekeraar wordt geboden. De regeling is getroffen tussen enerzijds de verzekeraar en anderzijds de Stichting WAG. Het betreft een private overeenkomst. Over het aantal verzekerden dat gebruik maakt van de diensten van de stichting WAG kan ik geen uitspraak doen. Het Verbond van Verzekeraars heeft op mijn verzoek navraag gedaan bij de desbetreffende rechtsbijstandverzekeraars over de wijze waarop zij hun klanten hebben ingelicht over de overeenkomst met de Stichting WAG. Daaruit is gebleken dat deze rechtsbijstandverzekeraars de keuze hebben gemaakt hun verzekerden over de overeenkomst voor te lichten op het moment dat zij hun rechtsbijstandsverzekering inroepen. Het is aan de verzekeraar om te bepalen hoe deze voorlichting wordt vormgeven.
Is het gebruikelijk dat er bij een rechtsbijstandverzekering sprake is van het betalen van een succes fee bij het winnen van een zaak in hoger beroep?
Een verzekeraar kan er voor kiezen om zich in een rechtszaak voor een verzekerde door een externe advocaat te laten vertegenwoordigen. Deze externe advocaat kan aan de verzekeraar een succes fee rekenen. Afhankelijk van de dekking van de verzekering kan deze succes fee door de verzekeraar worden verhaald op verzekerde.
Is er naar aanleiding van de – door provinciale staten – aangenomen motie2 in kaart gebracht: hoeveel burgers in redelijkheid niet zelf de kosten van een procedure kunnen dragen door middel van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand; hoeveel bewoners mogelijk een beroep zullen (moeten gaan) doen op het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, omdat zij uitgesloten zijn van een rechtsbijstandverzekering vanwege aardbevingen?
Op 24 juni jl. hebben provinciale staten van Groningen een motie aangenomen, waarin gedeputeerde staten werden opgeroepen te onderzoeken welke Minister of Staatssecretaris bevoegd is te bewerkstelligen dat voor Groningse gedupeerden van aardbevingsschade een uitzondering wordt gemaakt op de inkomens- en vermogensnormen die gelden voor een aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand. Gedeputeerde staten hebben vervolgens de motie onder de aandacht gebracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Bij brief van 15 september jl. heeft de Staatssecretaris gedeputeerde staten bericht niet in het verzoek van provinciale staten te kunnen bewilligen, omdat een dergelijke uitzondering niet strookt met het uitgangspunt in de Wet op de rechtsbijstand dat burgers met een inkomen en vermogen dat hoger ligt dan de geldende normen in staat worden geacht de kosten van rechtsbijstand voor eigen rekening te nemen. In de door provinciale staten aangenomen motie heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geen aanleiding gezien kwantitatief onderzoek te doen, omdat een dergelijk onderzoek niet tot een andere reactie op het verzoek van provinciale staten zou kunnen hebben geleid. Eventueel ander onderzoek op dit gebied is mij niet bekend.
Waaruit zal het voorstel voor laagdrempelige geschilbeslechting bestaan dat wordt voorbereid door de Nationaal Coördinator Groningen?
In het Meerjarenprogramma «Kansrijk en Aardbevingsbestendig Groningen» van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) dat op 4 november jl. is gepresenteerd, is een voorstel gedaan dat er voor moet zorgen dat bewoners van het aardbevingsgebied op een goede manier hun recht kunnen halen. De NCG stelt voor om een Arbiter aardbevingsschade op te richten waartoe bewoners zich kunnen wenden indien ze, na uitvoer van de contra-expertise, niet tot overeenstemming met het Centrum veilig Wonen (CVW) kunnen komen. Daarnaast heeft de Minister van Economische Zaken de NCG gevraagd om nader onderzoek te doen naar de voorwaarden die verzekeraars stellen om een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten binnen het aardbevingsgebied. Indien de voorwaarden buitenproportioneel zijn, zal de NCG in overleg met alle betrokken partijen bekijken of en op welke wijze voorzien dient te worden in adequate bijstand ter aanvulling op de bestaande mogelijkheden en de reeds ontwikkelde protocollen bij schade en preventie.
Bent u bereid om met de Bond van Verzekeraars in gesprek te gaan om te zorgen dat bewoners van een aardbevingsgebied niet langer uitgesloten worden van een rechtsbijstandverzekering? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Concurrentieverstoring door subsidieregelingen |
|
Helma Lodders (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de aan Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland verstrekte subsidie voor het project «beveilig mijn boerenbedrijf» en de antwoorden op vragen over dit project?1
Deze subsidie en uw eerdere vragen daarover zijn mij bekend. Het is tevens zo dat LTO zelf de aanbieders van de producten heeft geselecteerd.
Klopt het dat LTO in combinatie met subsidieverstrekking per aangeboden product maar één leverancier heeft gekozen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om in het algemene beleid voor subsidieverstrekking de voorwaarde op te nemen dat brancheverenigingen, belangenverenigingen, of andersoortige tussenpartijen bij soortgelijke gesubsidieerde projecten meerdere leveranciers dienen te selecteren, zodat de concurrentie wordt bevorderd en tegelijkertijd contractvorming door de organiserende partij mogelijk blijft?
Het kabinet ziet geen aanleiding om, naast de geldende wet- en regelgeving ter bevordering van concurrentie, op dat terrein ook regels te stellen in specifieke subsidieregelingen. Zie verder de antwoorden op vragen van de leden Lodders en Ziengs aan de Minister van Veiligheid en Justitie (Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 3016).
Vermoedens van malversaties bij Vluchtelingenwerk Nederland |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht VluchtelingenWerk Nederland sjoemelt met miljoenen en verstoort de marktwerking?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal, dat Vluchtelingenwerk Nederland oneerlijke concurrentie pleegt?
De beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal distantieert zich van de aantijgingen aan het adres van Vluchtelingenwerk Nederland zoals omschreven in het artikel van dhr. Karskens. Vluchtelingenwerk Nederland geeft aan dat de aantijgingen in het artikel niet berusten op waarheid.
Klopt het dat de algemeen directeur van Vluchtelingenwerk Nederland een salaris krijgt van 120.000 euro per jaar? Deelt u de mening dat dit een exorbitant hoog salaris is voor een directeur van een organisatie die zegt de belangen van vluchtelingen en asielzoekers in Nederland te behartigen en bovendien steunt op vele (9.000) onbetaalde vrijwilligers?
Het bruto salaris van 113.282 euro op jaarbasis is vastgesteld conform de Balkenende norm en voldoet aan de vastgestelde CAO voor Welzijn & Maatschappelijke dienstverlening. De normering is tevens gebaseerd op de Code Goed Bestuur voor goede doelen.
Hoe duidt u de klacht van meerdere commerciële taalaanbieders dat Vluchtelingenwerk Nederland in feite een monopolie heeft op de asielmarkt?
Vluchtelingenwerk Nederland biedt in een aantal regio’s inburgeringtrajecten aan. Van de 116 taalaanbieders in Nederland met het Keurmerk Blik op Werk (waarvan 23 een aspirant Keurmerk hebben), zijn er 10 verbonden aan Vluchtelingenwerk Nederland (waarvan er 5 tevens een aspirant Keurmerk hebben). Van een monopoliepositie is geen sprake.
Deelt u de mening dat de situatie dat WW-ers onder bepaalde voorwaarden op vrijwillige basis aan de slag kunnen gaan bij een organisatie die door de Belastingdienst is aangewezen als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) een onwenselijke verstoring van de marktwerking oplevert? Zo ja, hoe gaat u deze situatie beëindigen?
Taalaanbieders met het Keurmerk Blik op Werk moeten voldoen aan strenge eisen. Een van deze eisen is dat de lessen worden gegeven door gecertificeerde NT2 docenten. De inzet van vrijwilligers is complementair en zij kunnen alleen worden ingezet naast de betaalde docent. Van verstoring van de marktwerking is dan ook geen sprake.
Hoe beoordeelt u de samenwerkingsconstructie tussen Vluchtelingenwerk Nederland en de Prins & Heida Holding B.V.? Deelt u de zorgen dat hier in ieder geval de schijn van oneerlijke concurrentie is gewekt? Bent u bereid een diepgaand onderzoek naar deze samenwerkingsconstructie te verrichten en te onderzoeken of er wellicht sprake is van oneerlijke concurrentie, ook in het kader van Europese regelgeving?
Ik deel uw zorg niet. De regionale stichtingen van Vluchtelingenwerk Nederland staan vrij om samen te werken met andere partijen. In het geval van de Prins & Heida Holding B.V. bieden zij en VWN naast elkaar inburgering en taalcursussen aan. Hierbij wordt soms gebruik gemaakt van elkaars docenten conform de vraag van de markt.
De beslissing van Deloitte om niet van accountant te wisselen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Deloitte lapt door sector gewenste rotatie aan de laars»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de beslissing om niet van accountant te wisselen, terwijl hetzelfde kantoor al meer dan 10 jaar de boeken controleert?
Als deze berichtgeving juist is, laat dit twee dingen zien. Ten eerste dat bij de betreffende accountants de urgentie van het herstel van vertrouwen in de accountancy nog onvoldoende was doorgedrongen. Ten tweede laat dit zien hoe belangrijk het is om regelmatig van accountant te wisselen. Inmiddels heb ik uit de pers begrepen dat Deloitte haar eerdere beslissing, om EY als accountant te handhaven, heeft teruggedraaid en dus alsnog een selectieproces voor een nieuwe accountant zal beginnen. Ik acht dit een juiste beslissing. Door de roulatie van accountantsorganisaties en externe accountants wordt het gevaar van te grote verwevenheid aangepakt en wordt de onafhankelijkheid van externe accountants en accountantsorganisaties versterkt.
Deelt u de mening dat deze beslissing op geen enkele manier past bij de voorbeeldfunctie die een groot accountantskantoor als Deloitte heeft?
Als de beslissing om terug te keren naar de oude accountant inderdaad was ingegeven door de wens om bepaalde zaken betreffende de inkomens van de Deloitte-partners niet inzichtelijk te maken, dan verhoudt dit zich zeer slecht met de sectorbreed uitgedragen intentie om de kwaliteit van de accountancy aanmerkelijk te verhogen. Door middel van deze antwoorden maak ik tevens publiek wat mijn opvatting in deze kwestie is.
De sector heeft een ambitieuze agenda in het rapport «In het publiek belang»2 neergezet die ik, zoals ik u heb laten weten in mijn brief van 25 september 20143, zal completeren met wettelijke waarborgen. De AFM zal over de naleving rapporteren en op de wettelijke eisen handhaven. Het eerstvolgende rapport van de AFM verschijnt medio oktober 2015. Mijn wetsvoorstellen zullen voorjaar 2016 uw Kamer bereiken.
Deelt u eveneens de mening dat het kwalijk en onwenselijk is dat Deloitte niet van accountant wil wisselen, omdat de voorkeurskandidaat niet langer wilde meewerken aan het buiten de boeken houden van informatie over het inkomen en de goodwill van de Deloitte-top? Zo ja, welke acties gaat u hiertegen ondernemen? Bent u bereid Deloitte hierop aan te spreken en de uitkomsten van dit gesprek te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 3.
Welke conclusie trekt u uit het feit dat de Audit Commissie van Deloitte heeft voorgesteld om, tegen de initiële wens van de Raad van Commissarissen in, niet van accountant te wisselen? Is een Audit Commissie waarvan de CFO, het hoofd Financiën en het hoofd Interne Accountantsdienst (IAD) deel uitmaken, wel onafhankelijk en kritisch genoeg? Deelt u de mening dat deze samenstelling van de Audit Commissie indruist tegen het principe dat de gecontroleerde zijn eigen controleur niet hoort aan te stellen?
Op grond van de Corporate Governance Code wordt de accountant benoemd door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van commissarissen, waarbij zowel de audit commissie als het bestuur daarover advies uitbrengen aan de raad van commissarissen. De rol van functionarissen van de onderneming, zoals de CEO4 en de CFO5, mag dus niet verder gaan dan het organiseren van en het adviseren over, het selectieproces voor een nieuwe accountant.
Ik heb begrepen uit de brief van de voorzitter van de raad van commissarissen van Deloitte van 18 augustus 2015 dat de selectiecommissie voor de keuze van de accountant bestond uit de audit commissie van de raad van commissarissen en daarnaast de CFO, het hoofd Finance en het hoofd IAD. Deze laatste drie functionarissen maakten dus geen onderdeel uit van de audit commissie. Voor zover hun rol in de selectiecommissie verder ging dan het organiseren van, en het adviseren over, het selectieproces is dat in strijd met de Corporate Governance Code. Hoewel de Corporate Governance Code niet rechtstreeks van toepassing is op Deloitte, geldt dit wel als richtsnoer voor de onafhankelijke benoeming van de accountant.
Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 25 september 2014 aan uw Kamer, ben ik voornemens om een intern toezichtsorgaan, vergelijkbaar met een raad van commissarissen, verplicht te stellen voor OOB-accountantsorganisaties, waaronder Deloitte. In deze wettelijke regeling zal geborgd worden dat het intern toezichtsorgaan haar taken en verplichtingen onafhankelijk kan en moet uitoefenen. Daarnaast heb ik begrepen van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) dat de accountantsorganisaties die wettelijke controles verrichten bij organisaties van openbaar belang (OOB-accountantsorganisaties) via zelfregulering een roulatieplicht voor OOB-accountantsorganisaties zullen invoeren. Ik stel dat op prijs omdat roulatie ook voor OOB-accountantsorganisaties zelf van belang is, zoals uit deze kwestie is gebleken.
Zijn de functies binnen Deloitte voldoende gescheiden geweest en is voorkomen dat direct belanghebbenden invloed konden uitoefenen op de toegepaste accountantsmethodiek? Is deze handelwijze met de verplichte, onafhankelijke, extern aan te stellen Raad van Commissarissen in de toekomst nog mogelijk?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zegt dit over de integriteit van de sector, ook gezien de eerdere onvolkomenheden bij andere kantoren waar partners een financieel belang hadden in de verhuur van het eigen kantoor aan het eigen bedrijf?
Zie het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Leiden financiële belangen die partners hebben bij accountantskantoren en de intransparante wijze waarmee hier wordt omgegaan tot kwalitatief slechtere en minder onafhankelijke controles? Deelt u de mening dat alle partners van accountantskantoren gezien hun vertrouwensfunctie in het maatschappelijke verkeer transparant moeten zijn over de directe en indirecte financiële belangen die zij in hun kantoren hebben?
Een van de maatregelen van het rapport «In het publiek belang» is transparantie over het beloningsbeleid, het beleggingsbeleid voor individuele partners in privé en de individuele beloningen van de bestuurders van de accountantsorganisatie door middel van publicatie in het jaarverslag, transparantieverslag of op de website van de accountantsorganisatie. Ik ga er van uit dat de sector ook deze maatregel voortvarend zal implementeren. De AFM zal in haar rapport medio oktober 2015 ingaan op de voortgang van de OOB-accountantsorganisaties met het implementeren van de maatregelen uit het rapport.
Kunt aangeven of en zo ja, welke acties de Autoriteit Financiële Markten, vooruitlopend op de Europese auditverordening, onderneemt tegen Deloitte?
Deloitte heeft aangegeven alsnog afscheid te nemen van haar oude accountant en een selectieproces te beginnen voor een nieuwe accountant. De vraag of de AFM nadere acties onderneemt richting Deloitte kwalificeert als toezichtvertrouwelijke informatie. Wel merk ik op dat als onderdeel van de voorgenomen wetgeving (het recent geconsulteerde wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties) een geschiktheidstoets zal worden geïntroduceerd voor alle zittende en nieuwe bestuurders en leden van het interne toezichtsorgaan bij OOB-accountantsorganisaties.
De onderzoeksrapporten inzake schaliegas |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u naar aanleiding van de onderzoeksrapporten inzake schaliegas1 aangeven hoe het nadere onderzoek eruitziet – hoeveel boringen, met hoeveel boorgangen, op welke locaties?
Een onderzoeksprogramma naar schaliegas is op dit moment niet aan de orde. Eerst zal ik in het Energierapport 2015 bezien of het wenselijk is schaliegas als optie niet uit te sluiten. Mocht dat zo zijn, dan zal de tijd worden genomen voor nader onderzoek, inclusief bodemonderzoek door middel van enkele onderzoeksboringen met een zuiver wetenschappelijk doel. In dit licht kan ik op dit moment alleen in hoofdlijnen iets aangeven over een mogelijk onderzoeksprogramma. Ik kan nog geen helderheid geven over mogelijke locaties, aantal en type boringen, in te zetten technieken en de kosten daarvan.
Een mogelijk onderzoeksprogramma zal zoveel mogelijk worden ingebed in de bredere onderzoeksinzet van het Rijk op de ondergrond. Ook zal waar mogelijk samen worden gewerkt met buurlanden (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken) en de Europese Unie. Daarnaast zal contact worden gezocht met het lopende onderzoek van de watersector (KWR) en NWO over schaliegas en de diepe ondergrond. Zo kan informatie worden gedeeld over hoe boringen naar schaliegas schoon en veilig kunnen plaatsvinden. Een mogelijk onderzoeksprogramma zal worden geleid door een wetenschappelijk team en alle data en resultaten zullen openbaar en voor iedereen beschikbaar zijn.
Waarin verschilt een «onderzoeksboring met een zuiver wetenschappelijk doel» deze van een «normale» proefboring? Zal de techniek van het «hydraulic fracturing» worden ingezet?
In tegenstelling tot een «normale» proefboring zal een uitvoerder of operator in dit geval opereren in opdracht van de overheid en is de vervolgoptie van commerciële winning niet aan de orde. Ook zullen de onderzoeksresultaten openbaar beschikbaar worden en zal een uitvoerder gedurende het proces actief moeten samenwerken met diverse partijen. Over in te zetten technieken kan ik, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1, op dit moment nog geen helderheid geven.
Kunnen de onderzoeksboringen beperkt blijven tot (reeds gedane) kernboringen gevolgd door laboratoriumonderzoek naar de mechanische eigenschappen van het gesteente, zoals het onderzoek in dat in België uitgevoerd is door de Katholieke Universiteit Leuven?2
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 zijn deze zaken op dit moment niet aan de orde.
Hoeveel wetenschappelijke boringen zullen vereist zijn om met acceptabele zekerheid uitspraken te kunnen doen over de mogelijkheden van schaliegaswinning?
Zie antwoord vraag 3.
Welke kosten zijn hiermee gemoeid en uit welke post worden deze betaalt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke kosten zijn begroot voor het langjarig monitoren van de put-integriteit van deze wetenschappelijke, door de staat uitgevoerde boringen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke partijen komen in aanmerking om deze boringen uit te voeren, en indien dit commerciële partijen betreft, hoe gaat u dan het wetenschappelijke karakter van de boringen borgen?
Eventuele boringen zullen in opdracht van de overheid plaatsvinden, maar gelet op de benodigde expertise en ervaring zal de uitvoering waarschijnlijk plaatsvinden door commerciële partijen of zullen deze onderdeel uitmaken van een uitvoerend consortium. In principe zal de gunning van een opdracht plaatsvinden via openbare aanbesteding. Een mogelijk onderzoeksprogramma zal worden geleid door een wetenschappelijk team en alle data en resultaten zullen openbaar en voor iedereen beschikbaar zijn. Gedurende het proces zullen uitvoerende partijen samen moeten werken met diverse betrokken partijen die zullen «meekijken» in het proces.
Kunt u aangeven of zo'n onderzoeksboring met zuiver wetenschappelijk doel plichtig is aan de milieueffectrapportage (m.e.r.) is?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 is een onderzoeksboring op dit moment niet aan de orde. Indien het kabinet besluit tot een onderzoeksprogramma inzake schaliegas dan zal het uitgangspunt bij eventuele boringen in ieder geval een zorgvuldige vormgeving van het proces zijn conform de daarbij geldende procedures en regels.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat de proefboringen plaats vinden «met zo weinig mogelijk impact op de omgeving»?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 is een onderzoeksboring op dit moment niet aan de orde. Mocht een onderzoeksprogramma worden opgesteld, dan zal de inzet daarbij zijn om het aantal boringen beperkt te houden en de manier van boren dusdanig te doen dat de impact op de omgeving zo beperkt mogelijk is. Ten slotte zal ik bij eventuele onderzoeksboringen proberen om zoveel mogelijk samen te werken met buurlanden en de Europese Unie.
Zal affakkelen ook deel uitmaken van de wetenschappelijke boringen?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er uitsluitingsgebieden waar deze boringen sowieso niet zullen plaatsvinden?
In het planMER schaliegas is aangegeven welke gebieden sowieso zijn uitgesloten van boringen.
Indien in het kader van dit nadere onderzoek boringen plaatsvinden, in hoeverre zullen de gemeenten en de provincies waar deze boringen beoogd worden dan inspraak hebben in dit proces?
Mijn inzet is om te werken op basis van draagvlak en mogelijke boorlocaties in overleg met overheden en andere betrokken partijen te zoeken en vast te stellen.
Kan een gemeente of provincie op grond van eigen beleid zo'n onderzoeksboring weigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat «mijnbouw overig»?
Ja, dat doe ik bij dezen.
Bosbranden voor palmolie in Indonesië. |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Indonesië brandt voor palmolie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stappen die de overheid van Indonesië volgens de auteurs zet tegen het branden van bos en regenwoud voor palmolieplantages?
De omvang van het probleem met de branden is nog steeds enorm. Het is bemoedigend dat de overheid van Indonesië duidelijk stappen zet om het probleem aan te pakken, zoals ook uit het artikel blijkt. Indonesië heeft een eigen standaard in het leven geroepen voor duurzame productie op de palmolieplantages in de vorm van de Indonesian Sustainable Palm Oil (ISPO) criteria. Dit is vastgelegd in regelgeving en geeft de overheid een basis om op te treden.
Het is een positieve ontwikkeling dat grote spelers in de private sector zich op het gebied van palmolie committeren aan duurzame productie en grondstoffen voorziening, die ook verder gaat dan de ISPO criteria vereisen. We sporen de Indonesische autoriteiten aan, bijvoorbeeld in een gesprek met de Inspecteur-Generaal Landbouw op 12 oktober j.l., deze ruimte te gebruiken om sneller grotere stappen te zetten in het terugdringen van de bosbranden.
Kunt u aan de hand van concrete voorbeelden uitleggen wat het Nederlandse beleid en een bedrijf als Unilever hebben bijgedragen aan deze «kentering», zoals de krant het recente optreden van de Indonesische overheid noemt?
Al in 2013 heb ik met mijn Indonesische collega van Handel een seminar in Jakarta georganiseerd rond ketenverduurzaming. Nederland ondersteunt via IDH en maatschappelijke organisaties als Solidaridad de verduurzaming van de productie van palmolie in Indonesië, inclusief die van kleine boeren. Ook is Nederland betrokken bij de kennisontwikkeling rond de productie op veengronden (grote boosdoeners bij de branden). Dit draagt bij aan een betere planning van het landgebruik, maar heeft ook de interesse gewekt van een groot concessie bedrijf om kwetsbare gebieden te kunnen ontzien bij de exploitatie. Daarnaast zet Nederland in op ondersteuning van de markttransformatie naar import van duurzame palmolie binnen de EU, o.a. via een conferentie rond de EU en Mondiale Waardenketens in december in Amsterdam, en bevorderen we kennisuitwisseling op dit thema met Chinese importeurs in China. China is wereldwijd de derde grootste importeur na India en Europa.
Een bedrijf als Unilever is van groot belang als voorloper en trend-setter bij de ketenverduurzaming van palmolie. Unilever heeft zich al vroeg gecommitteerd aan duurzame palmolie en dat is internationaal opgevallen, gezien de omvang van haar belang in de keten. Ook heeft Unilever zich ingezet om de Round Table on Sustainable Palm Oil (RSPO) functioneel en internationaal geaccepteerd te krijgen. RSPO is een initiatief van bedrijven en maatschappelijk organisaties dat mondiaal de criteria bepaalt voor duurzame palmolie. Inmiddels voldoet 20% van de wereldproductie aan die norm. Unilever werkt, ook in Indonesië, aan het volledig in kaart brengen van de supply chain om op die manier de herkomst van palmolie als grondstof te kennen en vervolgens te kunnen monitoren. Dat wordt verder ondersteund door de samenwerking tussen Unilever en het World Resources Institute bij het programma Global Forest Watch, dat real-time informatie geeft over ontbossing en bosbranden.
Wat zijn de belangrijkste «lessons learned» van wat er vooraf ging aan de in vraag 3 genoemde «kentering»? En wat zijn de vervolgstappen om de levensgevaarlijke aswolken boven Borneo, Sumatra en in de verdere regio in de toekomst te voorkomen?
Het is zoals gezegd goed dat er regelgeving tot stand is gekomen in 2011 onder ISPO. Maar het is ook Indonesië bekend dat iedere regelgeving uiteraard betekenisloos is zonder handhaving.
Verder wordt 80% van de productie geëxporteerd. Het zal Indonesië niet ontgaan zijn dat in ieder geval in Europa en Noord-Amerika de marktvraag naar duurzaam geproduceerde palmolie is toegenomen. Grote bedrijven in verwerking en retail reageren daarop met de eisen die zij stellen aan hun grondstoffenleveranciers.
Niet onbelangrijk bovendien is dat er lokaal aanzienlijke gezondheidsschade optreedt door de aswolken, niet alleen in buurlanden, maar zeker ook voor de bevolking van Sumatra en Kalimantan zelf.
Om dergelijke aswolken in de toekomst te voorkomen zijn er, naast handhaving van de regelgeving, twee zaken van belang. Indonesië schat dat er 5 miljoen kleinschalige boeren betrokken zijn bij de productie van palmolie. De Indonesische autoriteiten moeten deze boeren helpen organiseren en betrekken in duurzame productie ketens via intensivering van die productie en vernieuwing van oude aanplant. Hun productie kan vaak meer dan verdubbeld worden op bestaand areaal. Dat is goed voor het inkomen van deze boeren en goed voor het milieu.
Ten tweede moedig ik de Indonesische autoriteiten aan open te staan voor de internationale marktontwikkelingen en bedrijven die zich verplichten aan duurzaamheidsmaatregelen en standaarden, nationaal (zoals de Indonesian Palm Oil Pledge, IPOP) en internationaal (zoals RSPO), de ruimte te geven deze ook in praktijk te brengen en daarin de kleinschalige boerenbedrijven te betrekken.
Hoe beoordeelt u de ambities van Unilever op het gebied van duurzame palmolie?
Ik beoordeel die ambities als positief.
Deelt u de mening dat deze aanpak ook in andere landen en sectoren kan worden ingezet? Bent u bereid om daar internationaal bondgenoten voor te zoeken? Zo ja, aan wie of wat denkt u concreet?
Het samenspel tussen publieke en private partijen, inclusief maatschappelijke organisaties, wordt al ingezet voor de verduurzaming van ketens in andere landen en sectoren. Voorbeelden zijn textiel in Bangladesh en Pakistan, cacao in Ghana en ook in Indonesië en soja in Brazilië. Nederland steunt ook de Tropical Forest Alliance (TFA2020), als initiatief van het World Economic Forum en het Consumer Goods Forum (grote multinationale ondernemingen), dat een push moet geven om in 2020 keten-gedreven ontbossing te stoppen. Met het Wereldnatuurfonds, IUCN, Solidaridad en UTZ worden vanaf volgend jaar nieuwe strategische partnerschappen uitgevoerd, die capaciteit bij lokale maatschappelijke organisaties voor ketenverduurzaming helpen versterken. Nederland zal samenwerking van partijen in verschillende ketens verder proactief promoten in voorbereiding op het Nederlandse EU voorzitterschap, o.a. via een high-level conferentie «EU and Global Value Chains» op 7 december in Amsterdam. Nederland verwelkomt meer EU beleidscoherentie tussen handel- en OS-beleid met een focus op IMVO.
Hoe verhouden de Nederlandse inspanningen zoals in Indonesië zich met overig beleid op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, zoals de IMVO-convenanten?
Het beleid om te komen tot IMVO-convenanten heeft tot doel dat bedrijfssectoren en hun stakeholders tot concrete afspraken komen over de wijze waarop risico’s op schending van mensenrechten en milieu structureel worden weggenomen. Deze afspraken worden bij voorkeur vastgelegd in IMVO-convenanten en dragen daarmee bij aan de verdere verduurzaming van waardenketens. Bij het afsluiten van IMVO-convenanten wordt er rekening gehouden met en aangesloten op bestaande duurzaamheidsinitiatieven in sectoren. In de voedingsmiddelensector hebben de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en Centrum Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) het initiatief genomen om in dialoog met relevante stakeholders en in aanvulling op bestaande duurzaamheidsinitiatieven, zoals de Taskforce Duurzame Palmolie, een overkoepelend IMVO-convenant voedsel (waaronder palmolie) op te stellen waarin belangrijke sociale en ecologische thema’s worden uitgewerkt. Het gaat dan vooral om de uitvoering van due diligence en ketenverantwoordelijkheid volgens de OESO-richtlijnen verder te concretiseren en te stimuleren.
Het bericht dat de NAM bij de gaswinning in Groningen gebruik maakt van de omstreden techniek fracking |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de NAM voornemens is middels fracking de laatste restjes gas onder de put bij Roodehaan/Saaksum omhoog te krijgen?1
Ja.
Wat zijn de risico’s voor de omgeving van het gebruik van de omstreden fracking-techniek bij gaswinning?
Naar aanleiding van het voornemen van NAM om bij Saaksum te gaan fracken, heb ik op 18 september 2015 vragen van uw Kamer beantwoord. In die beantwoording heb ik aangegeven dat het hier niet om een nieuw winningsplan gaat, dat de werkzaamheden (stimuleren van de gasproductie) binnen het huidige winningsplan vallen en dat het niet gaat om het boren van een nieuwe put, maar om het optimaliseren van de bestaande productie door middel van fracken. Fracken is hier, anders dan bij de winning van schaliegas, niet de methodiek van winning, maar één van de methodieken om een teruglopende of tegenvallende winning te verbeteren.
Voor conventioneel fracken is één kortdurende behandeling meestal toereikend om de gasproductie op gang te brengen (of te houden). Bij schaliegaswinning zijn er per boring meerdere behandelingen nodig. De kans op aardbevingen bij conventioneel fracken is klein. In de afgelopen 50 jaar zijn in Nederland meer dan 220 fracks uitgevoerd. Hierbij zijn geen voelbare bevingen geconstateerd.
Alle activiteiten bij de uitvoering van diepboringen zijn onderworpen aan regels om risico’s te identificeren, te evalueren en te beheersen. Dat geldt ook voor de uitvoering van hydraulische stimulatiebehandelingen (frackbehandeling). Het instrument dat voor risicoidentificatie en -beheersing wordt gebruikt is het «veiligheids- en gezondheidsdocument», dat op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt opgesteld. In dit document worden niet alleen de mogelijke risico’s voor werknemers in kaart gebracht, maar ook voor de omgeving. Het «veiligheids- en gezondheidsdocument» wordt samen met het werkprogramma bij Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) ingediend. Daarnaast zijn er wettelijke verplichtingen gesteld voor de bescherming van de omgeving in het Besluit Algemene Regel Milieu Mijnbouw, waarbij via een melding wordt aangegeven hoe daar invulling aan wordt gegeven. SodM toetst deze documenten in samenhang of de onderkende risico’s afdoende worden beheerst. Alleen als aan de eisen wordt voldaan mag de activiteit (zoals een frackbehandeling) worden uitgevoerd. SodM inspecteert de naleving op locatie.
Is er een gedegen risicoanalyse gemaakt voordat er wordt gefrackt bij Roodehaan/Saaksum?
Voordat er wordt gefrackt bij Saaksum worden de risico’s geanalyseerd op de manier die in het antwoord op vraag 2 is beschreven. Op dit moment is de beoordelingsprocedure nog gaande. Alleen als aan de eisen wordt voldaan mag de frackbehandeling worden uitgevoerd.
Zijn er alternatieven beschikbaar voor het fracken om de laatste resten gas uit een gasveld te winnen?
Er bestaan verschillende methoden om de opbrengst uit een gasveld te optimaliseren, waarbij de soort techniek die toegepast kan worden afhankelijk is van de soort reservoir. Voor gesteente met een relatief lage permeabiliteit (doorlaatbaarheid), zoals in het Saaksum-veld, is er momenteel geen alternatieve methode (anders dan fracking) beschikbaar om de laatste resten gas uit de bestaande putten te winnen.
Bent u er bekend mee dat de gemeenteraden van De Marne, Zuidhorn en Winsum en provinciale staten van Groningen hebben uitgesproken niet te willen dat de NAM fracking toepast bij de gaswinning?
Ja, ik heb hier brieven vanuit de provincie en gemeenten ontvangen.
Heeft de NAM overleg gehad met de betrokken gemeenten en de provincie over het voornemen over te gaan tot fracking?
Ja. NAM heeft vanaf december 2014 overleg gevoerd met betrokken gemeenten en provincie over de gaswinning uit het Saaksum-veld. Zo zijn er gesprekken gevoerd met de bestuurders van de gemeenten De Marne, Zuidhorn en Winsum. Tevens is een gesprek gevoerd met het Waterbedrijf Groningen. Verder is er met de dorpsraden van Saaksum, Schouwerzijl, Warfhuizen/Roodehaan gesproken en is er een uitgebreide lijst met vragen van Dorpsbelangen Schouwerzijl beantwoord. Ook is de provincie Groningen geïnformeerd. Verder is er op 1 juli 2015 een informatiebijeenkomst georganiseerd voor omwonenden.
Bent u bereid met de NAM in gesprek te gaan over het gebruik van de techniek fracken?
Mijn ministerie voert regulier overleg met de NAM over de activiteiten van de NAM. Ten aanzien van de aanstaande werkzaamheden zie ik echter geen reden en geen mogelijkheid om NAM te verzoeken deze niet uit te voeren, zoals hier voor aangegeven is dit een veilige manier om de put te stimuleren en dit wordt reeds jaren gedaan in Nederland.
De rol van banken bij faillissementen |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «banken namen veiligheidsrisico»?1
Ja.
Het krantenbericht betreft het recente faillissement van een aantal Imtech-vennootschappen (hierna: Imtech). Ter voorkoming van misverstanden merk ik op dat ik bij de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vragen geen vaststellingen doe over de feitelijke gang van zaken rond het faillissement van Imtech. Ik geef hier ook geen oordeel over dat specifieke geval. Deze taak is voorbehouden aan de rechter mocht hij hierom worden gevraagd. Ik zal wel in algemene zin een toelichting geven naar aanleiding van de gestelde vragen.
De curatoren wijzen op de gebrekkige informatieverschaffing vanuit Imtech en De Brauw; komt dit vaker voor bij het failleren van een (beursgenoteerde) onderneming?
Het krantenbericht wijst erop dat de curatoren van Imtech in hun eerste openbare verslag kritisch zijn over de informatieverschaffing aan de (beoogd) curatoren door Imtech en haar juridisch adviseur (De Brauw Blackstone Westbroek) in de aanloop naar de faillietverklaring en in de eerste fase van het faillissement. In het genoemde krantenbericht wordt gesteld dat de werkzaamheden van de curatoren werden bemoeilijkt doordat zij onvoldoende werden geïnformeerd.
Op grond van artikel 105 Faillissementswet (hierna: Fw) is de schuldenaar (de failliete vennootschap) ten behoeve van een goed verloop van het faillissement verplicht alle inlichtingen te verschaffen onder andere aan de curator. Schending van de inlichtingenplicht kan zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk worden aangepakt (zie onder meer artikel 194 Wetboek van Strafrecht en artikel 87 Fw).
Voorafgaand aan het faillissement van Imtech is een in de praktijk ontwikkelde methode (ook wel aangeduid met de term «pre-pack») toegepast waarbij de rechtbank kort voor de faillietverklaring op verzoek van het bestuur al aanwijst wie curator wordt. Bedoeling is dat het bestuur hiermee de gelegenheid krijgt om het faillissement, en een eventuele doorstart, in relatieve rust met betrokkenheid van de beoogd curator voor te bereiden. Uiteraard slaagt dit alleen als de beoogd curator in de voorbereidingsfase goed wordt geïnformeerd. In dit verband wordt gewezen op het op 4 juli jl. bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel voor de Wet continuïteit ondernemingen I (Kamerstuk 34 218), hierna te noemen: WCO I. In dit wetsvoorstel is een artikel 364 Fw opgenomen, op grond waarvan de schuldenaar verplicht is om gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen aan de beoogd curator die deze nodig heeft of waarvan de schuldenaar behoort te begrijpen dat deze in dat kader van belang zijn.
Is stille bewindvoering (pre-pack) voldoende toegerust om voor een goede afwikkeling te zorgen bij beursgenoteerde bedrijven? Worden alle belanghebbenden, zoals naast banken ook werknemers en toeleveranciers, voldoende beschermd en gediend?
De «pre-pack» methode waarbij kort voor de faillietverklaring een beoogd curator wordt aangewezen, heeft tot doel om bij een eventueel faillissement van de onderneming beter voorbereid te zijn en, indien aan de orde, de kansen op een verkoop en doorstart van de bedrijfsactiviteiten tegen een zo hoog mogelijke prijs en met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid te vergroten. De faillietverklaring van een onderneming leidt er in de praktijk namelijk vaak toe dat er een onoverzichtelijke situatie ontstaat waarin er onvoldoende tijd is voor een goede voorbereiding van een doorstart of de tijdelijke continuering van de onderneming in faillissement om schade bij betrokkenen te beperken. De «pre-pack» methode is in de praktijk ontstaan en berust op dit moment niet op een uitdrukkelijke wettelijke basis. Zoals gezegd beoogt de WCO I de «pre-pack» methode alsnog wettelijk te regelen. De aanwijzing van een beoogd curator leidt een stille voorbereidingsfase in. De WCO I bevat regels die er onder andere op gericht zijn te waarborgen dat de belangen van de verschillende betrokkenen tijdens die fase afdoende worden beschermd. Zo krijgt de beoogd curator expliciet tot taak om erop toe te zien dat bij de voorbereiding van het faillissement en de eventuele doorstart recht wordt gedaan aan de belangen van de crediteuren en werknemers. Het voorgestelde artikel 363, vierde lid, Fw bepaalt dat de rechtbank aan de aanwijzing van de beoogd curator voorwaarden kan verbinden ter behartiging van de belangen van de werknemers van de schuldenaar.
In de huidige praktijk kan de stille voorbereidingsfase gebruikt worden voor zowel beursgenoteerde ondernemingen als niet-beursgenoteerde ondernemingen. Ook de WCO I maakt op dit punt geen onderscheid. In het krantenbericht wordt de vraag opgeworpen hoe de «pre-pack» methode zich verhoudt tot de verplichting voor een beursgenoteerde onderneming om koersgevoelige informatie te publiceren. Wat dat betreft wordt aangesloten bij de reeds bestaande regelgeving op dit punt (zie artikel 5:25i, tweede tot en met vierde lid van de Wet op het financieel toezicht en het daarop gebaseerde Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft). Op basis van deze regelgeving kan een onderneming de publicatie van koersgevoelige informatie in bepaalde gevallen uitstellen indien daarbij een rechtmatig belang is gediend. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van dat Besluit komt erop neer dat het verstrekken van informatie in bepaalde situaties kan worden uitgesteld wanneer daarmee wordt voorkomen dat «de uitkomst of het normale verloop van onderhandelingen» – over bijvoorbeeld de overdracht van bedrijfsactiviteiten – wordt beïnvloed.
De curatoren geven aan door banken verrast te zijn; kunt u aangeven of de gang van zaken waarbij curatoren geen volledig inzicht hebben in de acties van betrokken banken tijdens de fase van stille bewindvoering gebruikelijk is?
Wil een stille voorbereidingsfase slagen, dan is het essentieel dat de beoogd curator in die fase goed wordt geïnformeerd. In het antwoord op vraag 2 heb ik reeds opgemerkt dat de WCO I erin voorziet dat, wanneer een beoogd curator wordt betrokken bij de voorbereiding van het faillissement, het bestuur verplicht is om gevraagd en ongevraagd alle informatie te verstrekken die de beoogd curator nodig heeft (artikel 364, derde lid). Daarnaast is bepaald dat de beoogd curator met toestemming van de schuldenaar bij het verkrijgen van inlichtingen derden (dus ook banken) kan bevragen of een deskundige kan vragen onderzoek te verrichten (artikel 364, vierde lid).
Het verslag dat mr. J.R. Hurenkamp begin dit jaar heeft gedaan van zijn analyse van verslagen die in 48 faillissementen werden uitgebracht waarbij sprake was van toepassing van de huidige «pre-pack»praktijk, geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de beoogd curator in de stille voorbereidingsfase vaak onvoldoende geïnformeerd zou zijn.2 In een aantal gevallen, zoals bij het faillissement van de Ardenberg Groep, blijkt uit het verslag van de beoogd curator expliciet dat de bank actief betrokken was en zich tijdens de stille voorbereidingsfase coöperatief heeft opgesteld.3
Is het gebruikelijk dat banken tijdens de fase van pre-pack rekeningen blokkeren? Hoe is te borgen dat medewerkers niet verrast worden, hun werk kunnen doen zonder dat er onverantwoorde situaties ontstaan?
Voor een goede voorbereiding van een doorstart van de onderneming tijdens de stille voorbereidingsfase, is het in de regel nodig dat de onderneming ook tijdens die fase gebruik kan maken van haar betaalrekeningen. Verwacht mag worden dat de bank die rekeningen doorgaans niet zal blokkeren, aangezien de bank veelal zelf ook gebaat is bij een doorstart. Overigens zal de bank bij de uitoefening van contractuele bevoegdheden, waaronder het blokkeren van een betaalrekening, in elk geval haar zorgplicht jegens de schuldenaar in acht moeten nemen en de voor haar als contractspartij op grond van de redelijkheid en billijkheid geldende grenzen, niet mogen overschrijden. Onder omstandigheden is het denkbaar dat de curator derden aanspreekt op grond van onrechtmatige daad ten aanzien van handelingen, verricht voorafgaand aan het faillissement.
De curator zal zich in het faillissement in de eerste plaats naar de belangen van de gezamenlijke schuldeisers moeten richten, maar hij dient bij zijn taakvervulling ook de verschillende maatschappelijke belangen in aanmerking te nemen.4 Hetzelfde geldt – zowel in de huidige «pre-pack»praktijk als straks op basis van de WCO I – voor de beoogd curator in de stille voorbereidingsfase. Dit brengt mee dat hij binnen de grenzen van zijn bevoegdheden die maatregelen zal dienen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat er door een faillissement onverantwoorde situaties ontstaan. Het type maatregel is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit verband wijs ik op het eerste verslag van de curator inzake het faillissement van vier GSH-vennootschappen die verantwoordelijk waren voor het installeren en onderhouden van technische installaties in gebouwen. In dat verslag wordt vermeld dat de curator ervoor zorgde dat een viertal personeelsleden na aanvang van het faillissement nog een periode stand-by heeft gestaan om te voorkomen dat schade zou ontstaan doordat niet gereageerd zou worden op kritieke storingen. Het betrof daar storingen waarbij de veiligheid of gezondheid in het geding zou kunnen komen.5
Banken zouden buiten het zicht van de curatoren een aparte vennootschap hebben opgericht om delen van het bedrijf in onder te brengen voor verkoop, waardoor geen afgewogen afweging kon worden gemaakt met betrekking tot werkgelegenheid, verkoopprijs en continuïteit; komt dit vaker voor?
Het krantenbericht vermeldt dat de curatoren van Imtech naar eigen zeggen in de stille voorbereidingsfase door de handelwijze van Imtech, haar juridisch adviseur en de banken onvoldoende gelegenheid hebben gehad om de diverse mogelijkheden voor een doorstart te overwegen. Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, is het niet aan mij om in te gaan op de gang van zaken rond dit specifieke faillissement. In algemene zin kan ik wel het volgende opmerken.
De stille voorbereidingsfase heeft tot doel om bij een eventueel faillissement beter voorbereid te zijn en de kansen op een verkoop en doorstart van rendabele bedrijfsactiviteiten tegen een zo hoog mogelijke prijs en met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid te vergroten (zie ook de antwoorden op de vragen 2 en 3). Het beoogde resultaat is dat de uit het faillissement voortvloeiende schade voor de betrokkenen, en in het bijzonder de schade voor de crediteuren en de werknemers, waar mogelijk wordt beperkt. Om dit te laten slagen is essentieel dat de beoogd curator in de voorbereidingsfase goed wordt geïnformeerd over het voorbereidingstraject dat gaande is. Wordt aan een doorstart gewerkt, dan dient de beoogd curator te worden ingelicht over de verschillende opties die in dat kader al wel of nog niet zijn onderzocht. Ook dient de beoogd curator de gelegenheid te krijgen zich hierover een gedegen oordeel te vormen. Uiteindelijk zal hij later in zijn rol als curator in het faillissement moeten beslissen of hij kan meewerken aan de doorstart. Dit zal hij alleen doen als hij ervan overtuigd is dat met de aan hem voorgelegde verkooptransactie het best haalbare resultaat wordt gerealiseerd. In de WCO I is bepaald dat de rechtbank de aanwijzing op verlangen van de beoogd curator kan intrekken (artikel 366, eerste lid). Denkbaar is dat de beoogd curator intrekking van de aanwijzing verlangt wanneer hij van oordeel is dat hij niet goed wordt geïnformeerd.
Beoordeelt u de hierboven geschetste gang van zaken tussen banken en curatoren als wenselijk?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat cruciale functies voor de economie beschermd blijven wanneer bedrijven in financiële moeilijkheden verkeren? Hoe is bijvoorbeeld geregeld dat nutsvoorzieningen in dergelijke situaties blijven functioneren en op welke wijze wordt voorkomen dat risico's ontstaan ten aanzien van bedrijfsactiviteiten door het acuut stopzetten van betalingen?
De bestaande «pre-pack» methode en straks de WCO I kan ook worden toegepast bij een aanstaand faillissement van een bedrijf dat nutsvoorzieningen levert. Doel is dan te voorkomen dat het bedrijf na de faillietverklaring abrupt stilvalt en er veel schade optreedt bij afnemers die plotseling afgesloten raken van een nutsvoorziening. Een voorbeeld van een geval waarbij met de huidige «pre-pack» methode in de semipublieke sector een doorstart werd gerealiseerd, betreft het faillissement van het ziekenhuis Ruwaard van Putten.
Voorts kan ik u ten aanzien van het faillissement van Imtech meedelen dat in de periode voorafgaand aan het faillissement door verschillende ministeries en overheidsdiensten een risico-inventarisatie is gemaakt om de publieke belangen – zo goed als mogelijk – te borgen. De Minister van Economische Zaken heeft uw Kamer hierover recentelijk geïnformeerd in antwoord op vragen van de leden Mulder en Van Helvert.6
In hoeverre kunnen met de voorgenomen wijzigingen van de Faillissementswet, waaronder de Wet versterking positie curator en de Wet continuïteit ondernemingen, bovengenoemde problemen in de toekomst worden voorkomen?
In de antwoorden op de voorgaande vragen ben ik al ingegaan op de mogelijkheden die de WCO I biedt in dit soort faillissementssituaties. Voorts kan ik u melden dat er in het kader van het wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht, waarover u halfjaarlijks wordt geïnformeerd, de nodige maatregelen worden voorgesteld om de positie van de curator te versterken. Zo krijgt hij straks een fraudesignalerende taak die wordt gekoppeld aan een versterking en modernisering van de medewerkings- en inlichtingenplichten van de failliet jegens de curator (Kamerstuk 34 253) en voorziet het inmiddels bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude in een aangescherpt strafrechtelijk kader ter zake (Kamerstuk 33 994). Voor een beknopt overzicht hiervan verwijs ik u kortheidshalve naar de beide halfjaarlijkse voortgangsrapportages over het programma (Kamerstuk 33 695, nrs. 7 en 8).
Het bericht 'Geef premie van 4000 euro aan alle inwoners aardbevingsgebied' |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het pleidooi van de Groninger Bodem Beweging om iedere inwoner van het Groningse bevingsgebied een premie van 4.000 euro te verstrekken?1
Ja.
Is het waar dat in het eerder afgesloten bestuursakkoord de toezegging is gedaan dat alle inwoners van het Groningse bevingsgebied deze premie krijgen?
Nee. In het bestuursakkoord «Vertrouwen op Herstel en Herstel van Vertrouwen» is afgesproken dat aan woningeigenaren een waardeverhogend pakket beschikbaar wordt gesteld voor woningisolatie, energiebesparende voorzieningen en/of decentrale energieopwekking. Tevens is afgesproken dat het pakket gefaseerd beschikbaar komt voor alle binnen het gebied gesitueerde panden. Gestart is met een waardevermeerderingsregeling voor woningen waarbij sprake is van substantieel schadeherstel en/of preventieve bouwkundige maatregelen.
In het aanvullend bestuursakkoord van 9 februari jl. is afgesproken dat, naast de oorspronkelijke negen gemeenten die zijn aangesloten bij het bestuursakkoord, ook inwoners uit Hoogezand-Sappemeer en Menterwolde aanspraak maken op de interim-regeling. Onderzocht zou worden of de definitieve regeling mede op basis van de actuele PGA-contourenkaart kan worden vormgegeven.
Tevens is afgesproken dat woningeigenaren die niet woonachtig zijn binnen de grenzen van de negen gemeenten, Menterwolde en Hoogezand-Sappemeer, maar op grond van de nieuwe regeling vanaf september wel onder de regeling zouden vallen, op deze nieuwe regeling aanspraak zouden kunnen maken met terugwerkende kracht tot het moment van het afsluiten van het bestuursakkoord van januari 2014.
Deelt u de mening van de Groninger Bodem Beweging dat ook mensen zonder schade net zo goed te lijden hebben onder de aardbevingen?
De aardbevingen kunnen grote impact hebben op de bewoners van het gebied, ook als er niet direct sprake is van schade aan hun woning.
Is het waar dat het doel van de premie het nemen van maatregelen op het gebied van duurzaamheid is? Zo ja, wordt er op gecontroleerd dat de premie daadwerkelijk aan duurzaamheidsmaatregelen wordt uitgegeven?
De regeling betreft duurzaamheidsmaatregelen op het gebied van woningisolatie, energiebesparende voorzieningen en/of decentrale energieopwekking waarmee waardebehoud en -vermeerdering van woningen wordt beoogd.
De maatregelen worden pas vergoed als een factuur wordt overlegd van de aanschaf en/of installatie van de voorziening. Fysieke controle vindt in beperkte mate plaats.
Is het waar dat de Nationaal Coördinator Groningen bezig is met het bezien van alle regelingen voor inwoners van het aardbevingsgebied en dat er eind dit jaar duidelijkheid over komt? Zo ja, wat is de reden dat de afgesproken regelingen voor Groningen opnieuw worden bezien?
Ja. De Nationaal Coördinator Groningen heeft een concept-meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen opgesteld waarin de aanpak voor het gebied en de daartoe te nemen maatregelen zijn beschreven. De regelingen zijn daar onderdeel van en worden in dat kader opnieuw bezien. Met betrekking tot de waardevermeerderingsregeling gaat de NCG de komende maand met de betrokkenen het gesprek aan hoe de regeling na 31 december 2015 zodanig kan worden ingericht dat deze dienstbaar wordt aan het realiseren van een collectief georganiseerde duurzaamheidsplus bovenop de versterkingsopgave binnen het gebied van 0,2 PGA-contour.
Mede vanwege het perspectief voor een nieuwe collectieve georganiseerde duurzaamheidsplus na 31 december 2015 stelt de NCG voor om de huidige regeling tot en met 31 december 2015 met terugwerkende kracht open te stellen voor vastgestelde schadegevallen buiten de huidige 11 gemeenten.
E-ID pilots |
|
Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw toezeggingen, gedaan in het Algemeen overleg van 20 mei jl., om de (evaluatie)criteria voor de e-ID pilots nog aan te scherpen en voorafgaand aan de start van de pilots met de Kamer te bespreken?1
Ja, dat herinner ik mij.
Kunt u toezeggen de beloofde SMART-uitwerking (= Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden) van de (evaluatie)criteria zo spoedig mogelijk aan de Kamer te sturen, zodat zij voldoende tijd heeft om deze te analyseren voorafgaand aan het Algemeen overleg hierover? Zo neen, waarom niet? Zo ja, binnen welke termijn?
U ontvangt de criteria tijdig voor het Algemeen Overleg van 25 november aanstaande. Opgemerkt dient te worden dat de evaluatiecriteria in samenspraak met de evaluatiecommissie nog verder uitgewerkt zullen worden.2
Deze commissie bestaat uit wetenschappers en experts uit alle betrokken disciplines (privacy, beveiliging, communicatie, gebruikersperspectief, techniek) die zowel adviseert over de opzet van het evaluatieonderzoek als over de conclusies en aanbevelingen.3
De evaluatieonderzoeken worden uitgevoerd door onafhankelijke onderzoeksbureaus. Daarbij wordt zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek uitgevoerd waarbij ingegaan wordt op:
Feitelijk gebruik van het middel in de pilots;
Ervaringen van burgers, dienstaanbieders en leveranciers;
De technische werking van publiek eID middel en Stelsel Idensys;
Privacy en beveiliging van publiek eID middel en Stelsel Idensys.
De onderzoeken richten zich onder andere op de criteria betrouwbaarheid, veiligheid, privacy. Ook richten de onderzoeken zich op de criteria gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid vanuit het oogpunt van de leveranciers en dienstaanbieders.
Gaat u de evaluatiecriteria koppelen aan de toetredingsvoorwaarden voor de pilots, zoals gevraagd in het Algemeen overleg van 20 mei jl., aangezien een evaluatie juist een toets is op het al dan niet voldoen aan de eisen die vooraf zijn gesteld? Zo neen, waarom niet?
Zie voor beantwoording vraag 4.
Gaat u ook de toetredingsvoorwaarden, zoals in uw brief van 30 juni 2015 genoemd, nog verder uitwerken en SMART maken, zodat deze voorwaarden gekoppeld kunnen worden aan de evaluatiecriteria? Zo neen, waarom niet?2
De toetredingsvoorwaarden en de evaluatiecriteria zijn twee verschillende onderdelen.
Private partijen die middelen willen uitgeven onder het merk Idensys moeten voldoen aan alle technische, organisatorische en juridische eisen die zijn vastgelegd in het afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten voordat zij überhaupt kunnen toetreden. Om de naam Idensys te mogen voeren is het verplicht om te voldoen aan de afspraken zoals die zijn vastgelegd in het afsprakenstelsel. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor het toezicht op het afsprakenstelsel.
De pilots die in het stelsel worden uitgevoerd worden na afloop geëvalueerd met behulp van onderzoeksvragen die betrekking hebben op alle technische organisatorische en juridische eisen uit het afsprakenstelsel. De pilots worden beoordeeld met behulp van evaluatiecriteria. De evaluatiecriteria vormen de meetlat waarlangs de pilots na afloop worden gelegd. Het zijn de normen waarmee het succes, het falen of het verloop van de pilots wordt beoordeeld.
Op basis daarvan kan de Kamer een gefundeerde afweging maken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de pilots? In welke fase bevinden zich de voorbereidende handelingen voor de pilots? Wanneer denkt u daadwerkelijk de pilots te kunnen starten, nadat de criteria voor de pilots met de Kamer zijn besproken?
Aan de ene kant zijn de dienstverleners bezig om hun systemen gereed te maken voor deelname aan de pilots, onder andere door middel van het implementeren van de Idensys-knop op hun website/portal. Daarnaast stellen zij hun doelgroep samen.
Aan de andere kant zijn de eID leveranciers aan het toetreden tot het afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten met als doel om eind december / begin januari te kunnen starten met de pilots Idensys.
Het juridische kader dat nodig is om de pilots te kunnen laten draaien is vastgesteld. Dit bestaat uit wijziging van het Afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten (via de Publiek-Private Samenwerking), realisering van een wettelijke basis in de Wet Elektronisch Berichtenverkeer (Financiën – BZK) en op basis daarvan geformuleerde uitvoeringsregelgeving.
Momenteel doorlopen 14 eID leveranciers (makelaars5 en authenticatiediensten) het toetredingsproces. Deze fase is eind december afgerond. Daarna gaan de pilots van start.
Zoals gecommuniceerd in mijn brief van 30 juni jongstleden6 zal ik u in het najaar bij brief informeren over de criteria. De brief wordt binnenkort verzonden.
Hoeveel private partijen hebben zich inmiddels gemeld voor deelname aan de pilots?
Partijen die deelnemen aan de pilots zijn onder te verdelen in authenticatiediensten, makelaars, private dienstaanbieders en dienstaanbieders in het BSN-domein.
Momenteel doorlopen 14 eID leveranciers (authenticatiediensten en makelaars) het toetredingsproces tot het Idensys stelsel.
Daarnaast bereiden 10 private dienstaanbieders en 15 dienstaanbieders in het BSN-domein zich voor op de pilots.
Het bericht “Roemenië voelt TTIP nu al” |
|
Jasper van Dijk |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat het Canadese bedrijf Gabriel Resources haar gederfde winst wil verhalen op de Roemeense overheid, nadat Roemenië het besluit om goud te winnen annuleerde?1
Het idee van een rechtsstaat is dat iedereen zich mag verweren tegen overheidsbesluiten. Buitenlandse investeerders kunnen dat vaak zowel via de reguliere rechtsgang als via arbitrage doen. Of de claim slaagt, ligt nu ter beslissing voor aan een arbitrage tribunaal. Dat is toegestaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke claim, die mogelijk op kan lopen tot 4 miljard euro, een enorme impact heeft op de Roemeense Rijksbegroting?
Ja.
Begrijpt u dat de bevolking ernstige bezwaren heeft tegen het plan omdat «inwoners moeten wijken voor een meer vol gif» terwijl «de mijn over 15 jaar leeg is en de natuur verwoest»?
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke claims de kans op «regulatory chill» versterken (c.q. dat overheden terughoudend worden om nieuwe regels te maken vanwege het risico van een rechtszaak)?
Nee. In investeringsverdragen worden afspraken gemaakt over een minimum bescherming. Bijvoorbeeld dat onteigening is toegestaan, mits dit gebeurt in het publieke belang, met rechtswaarborgen omkleed, zonder discriminatie wordt toepast en een redelijke schadevergoeding wordt betaald. Dit is niet anders in het Nederlands recht. Het doel daarvan is investeerders te beschermen tegen ongerechtvaardigd en willekeurig overheidshandelen. Het gaat dus niet om wat het onderwerp van overheidsingrijpen is, maar om hoe deze wordt ingevoerd. De beste garantie tegen ongerechtvaardigde claims is juist het voeren van zorgvuldig overheidsbeleid.
Hoe oordeelt u over het feit dat het bedrijf Gabriel Resources gebruik maakt van een handelsverdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Roemenië via een dochterbedrijf op Jersey om de Roemeense staat aan te klagen? Is dit een vorm van treaty shopping volgens u? Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke praktijk is? Welke waarborgen zijn er opgenomen in de vrijhandelsverdragen van de EU met Canada (CETA) en de VS (TTIP) om treaty shopping te voorkomen?
De bedrijfsstructuur van dit bedrijf is mij niet bekend. Het is de wens van het kabinet om bedrijven zonder substantiële bedrijfsactiviteiten uit te sluiten van investeringsbescherming. Dit is onder andere aangegeven in de Kamerbrief van 25 juni 2014 in reactie op de motie Van Ojik en in reactie op uw Kamervragen met het kenmerk 2015Z11781. In CETA is de definitie van investeerder in art. X.3 opgenomen en in TTIP zal dit ook worden gedaan.
Bent u ervan op de hoogte dat er diverse voorbeelden zijn van West-Europese bedrijven die Oost-Europese staten op een vergelijkbare manier aanklagen? Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke praktijk is? Zo ja, welke conclusies verbindt u daaraan, zowel op nationaal als Europees niveau?2
Het kabinet vindt dat het een cruciaal onderdeel van de rechtsstaat is dat iedereen zich mag en kan verweren tegen een overheidsbesluit, in Nederland en daarbuiten.
Kunt u een overzicht geven van lopende arbitragezaken binnen Europa, en daarbij onderscheid maken tussen Europese en buiten Europa gevestigde bedrijven die een zaak aanspannen? Kunt u daarbij aangeven of het moeder- of dochterbedrijven betreft, en van welke handelsverdragen daarbij gebruik wordt gemaakt?
Alle bekende informatie is verwerkt in de studies van het CPB en de UNCTAD, die zijn bijgevoegd bij de beantwoording van Kamervragen van het lid Thieme met het kenmerk 2015Z05826.
Welke parallellen ziet u tussen de Roemeense casus en de scenario’s die zich kunnen voordoen onder TTIP en CETA? Kan een zaak als deze met de ISDS-clausule in CETA op dezelfde wijze worden aangespannen? Indien nee, wat zijn de verschillen? Welke les trekt u uit deze casus?
Het doel van investeringsbescherming blijft hetzelfde: bescherming tegen ongerechtvaardigd overheidsgrijpen. Er moet de garantie zijn dat overheden legitiem beleid kunnen maken om publieke belangen te beschermen. Maar overheden moeten op een behoorlijke en betrouwbare manier besturen.
In de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie voor investeringsbescherming in TTIP wordt de beleidsvrijheid voor overheden expliciet vastgelegd in een verdragsartikel. Daarnaast kunnen alleen bedrijven met een substantiële bedrijfsactiviteit gebruik maken van de geboden investeringsbescherming. Ook wordt een investeringshof voorgesteld. Dat betekent o.a. dat de zaak zal worden toegewezen aan onafhankelijke rechters en de verliezende partij in beroep kan gaan.
Deze casus bevestigt de Nederlandse inzet om het traditionele regime van investeringsbescherming te verbeteren en te vernieuwen. We presenteren nu een nieuw model dat de belangen van staten en investeerders in evenwicht brengt.
Deelt u de opvatting «Met het huidige systeem houden we een too-big-to-fail systeem voor multinationals»? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de kabinetsreactie op het AIV-rapport (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1516) wordt een historisch overzicht van de investeringsverdragen gegeven. Investeringsverdragen zijn juist in het belang van het MKB. Voordat deze verdragen werden afgesloten, waren investeerders afhankelijk van diplomatieke bescherming of van nationale procedures, die helaas niet overal onpartijdig zijn.
Waarom verkiest u arbitrage via ISDS of een Investeringshof in plaats van te kiezen voor de reguliere rechtsgang? Acht u het in het kader van de slimme overheid niet veel zinniger als staten zelf de expertise in huis halen om de nationale rechtsgang te bevorderen indien een bedrijf een zaak wil aanspannen tegen een land?
Het kabinet verkiest investeringsarbitrage of een investeringshof niet boven de reguliere rechtsgang. Integendeel, in principe zouden investeringsverdragen overbodig moeten zijn omdat nationale rechtssystemen overal voldoende waarborgen bieden aan nationale en buitenlandse investeerders. Helaas is dit niet de realiteit.
Het krimpbeleid in Oost Groningen |
|
Albert de Vries (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw oordeel over het uitblijven van gezamenlijk krimpbeleid in Oost Groningen?1
Allereerst wil ik erop wijzen dat de verantwoordelijkheid voor het krimpbeleid in Oost-Groningen primair berust bij de desbetreffende gemeenten, in samenwerking met de provincie (in het bijzonder vanuit haar regierol op het ruimtelijk-economisch terrein), de maatschappelijke organisaties, bewoners en bedrijven. Mijn rol is coördinerend (in het bijzonder binnen het Rijk, voor de aanpak van knelpunten in wet- en regelgeving en de bijdragen aan de Samenwerkingsagenda Bevolkingsdaling), faciliterend en stimulerend.
Na het opstellen van het Regionaal Woon- en Leefbaarheidbasisplan (RWLP) in 2011, zijn er in deze regio op meerdere thema’s waaronder wonen, primair onderwijs en de aanpak van de particuliere woningvoorraad activiteiten ontplooid. Hoe belangrijk op zich deze activiteiten ook zijn, is er voor een volwaardig krimpbeleid een bredere aanpak nodig. Zoals de Noordelijke Rekenkamer in haar rapport «Het Krimpbeleid van de provincie Groningen constateert, is er in Oost-Groningen nog geen gedeelde visie op de spreiding van voorzieningen en functies. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen heeft in reactie op het rapport aangegeven dat ze aan de slag wil om vooruitgang in deze regio te boeken.
Ik constateer dat er in de regio nu een traject is ingezet om te komen tot een uitvoeringsplan RWLP 2015–2018 dat voorziet in een meer integrale aanpak. Voor deze aanpak wordt nu binnen de regio draagvlak gezocht. Daarna volgt de stap naar het opstellen van het uitvoeringsplan.
Deelt u de mening dat dit een gemiste kans lijkt te worden voor deze regio, nu de gemeenten in deze regio niet in staat blijken om tot goede plannen te komen om de gevolgen van krimp te verzachten?
Die mening zou ik delen als het huidige ingezette traject om te komen tot een uitvoeringsplan tot niets gaat leiden. Vooralsnog is er nog steeds sprake van beweging om te komen tot een uitvoeringsplan.
Welke inspanningen heeft u gepleegd om de gemeenten in Oost Groningen te helpen met het ontwikkelen van krimpbeleid en kan het ontbreken van plannen consequenties hebben voor de extra middelen die de gemeenten ontvangen in deze regio?
Vanaf de publicatie van het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling in 2009 zijn er inspanningen gepleegd vanuit het Rijk in samenwerking met de provincies om de krimpregio’s te ondersteunen bij het opstellen van krimpbeleid en de uitvoering daarvan met behoud van ieders eigen verantwoordelijkheid. In de periode 2012–2014 heeft de ondersteuning van Oost-Groningen onder andere plaatsgevonden op basis van de afspraken die waren opgenomen in het Convenant «Groningen op Koers». Momenteel wordt er gewerkt aan nieuwe samenwerkingsafspraken tussen Rijk, Provincie en de regio voor de komende jaren. Ambtenaren van BZK vervullen een adviserende rol in een projectgroep en een stuurgroep die zijn opgericht ten behoeve van de aanpak van de krimp in de regio. Oost-Groningen kan als krimpregio ook profiteren van de vormen van kennisdeling die ik voor alle krimp- en anticipeerregio’s ondersteun, zoals de website VanMeerNaarBeter, de kennisagenda Bevolkingsdaling, het faciliteren van het Nationaal Netwerk Bevolkingsdaling en het organiseren van congressen en seminars.
Het beleid van individuele krimpregio’s kan geen gevolgen hebben voor de middelen die deze regio’s ontvangen via het gemeentefonds. De uitkering uit het gemeentefonds is namelijk vrij besteedbaar. Afgezien daarvan zie ik op grond van het beschreven traject bij het antwoord op vraag 1 ook geen aanleiding voor financiële maatregelen.
Bent u bereid uw kennis en kunde actief aan te bieden aan de gemeenten in deze regio zodat zij tot goede samenwerking komen inzake de aanpak van de krimpproblematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Onderzoeker kritisch over aanlandplicht’ |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onderzoeker kritisch over aanlandplicht»?1
Ja.
Bent u bekend met het onderzoek en de conclusies van Jochen Depestele? Wat is uw reactie op het onderzoek en de conclusies?
Ik ben bekend met het onderzoek en de conclusies van de heer Depestele. Zowel in Nederland als in België wordt vergelijkbaar onderzoek gedaan en er wordt veel samengewerkt tussen de onderzoekers. Ik ben blij met de conclusie van de heer Depestele dat de aanlandplicht waarschijnlijk zal leiden tot meer gebruik van selectievere vistuigen. Dat aan de andere kant de aanlandplicht tot gevolg heeft dat er minder voedselaanbod zal zijn voor zeevogels en aaseters in de zee, is geen nieuwe informatie. In welke mate dit effect heeft op aaseter- en zeevogelbestanden, blijkt nog moeilijk te kwantificeren. Monitoring zal nodig zijn om eventuele veranderingen te constateren. Zeevogels en aasetende bodemdieren worden reeds gemonitord.
Wat is uw reactie op de conclusie van de Vlaamse onderzoeker Depestele dat de aanlandplicht negatief uitpakt voor vogels en aasetende dieren die op de zeebodem leven? Deelt u de conclusie van de heer Depestele? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom u de conclusie niet deelt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de conclusie dat de aanlandplicht juist negatief uitpakt voor de overlevingskans van jonge vissen?
Het is van belang dat er selectiever gevist wordt om ongewenste bijvangsten van ondermaatse vis te voorkomen. Ook zal in de vaststelling van de TAC (Total Allowable Catches) rekening worden gehouden met de duurzaamheid van de visbestanden op de lange termijn, de(Maximum Sustainable Yield.
Vissen waarvoor wetenschappelijk is aangetoond dat deze een hoge overlevingskans hebben in een specifieke visserij, kunnen worden uitgezonderd van de aanlandplicht. Op dit moment vinden in zowel België als Nederland pilotstudies plaats naar de overlevingskans van vissoorten. Op 1 juni 2015 heb ik samen met de Coöperatieve Visserij Organisatie een stappenplan naar uw kamer gestuurd waarin wordt aangegeven dat wij inzetten op een combinatie van een reductie van de ongewenste bijvangsten met 35% en een uitzondering voor soorten met een hoge overlevingskans (Kamerstuk 29 675, nr. 180).
Wat is uw reactie op de conclusie dat een maatregel bedoelt om verspilling te voorkomen en het herstel van de visstand te bevorderen juist een negatief ecologisch effect kan hebben?
Uit het onderzoek kan echter niet de conclusie getrokken worden dat de aanlandplicht tot gevolg heeft dat bepaalde zeevogelbestanden of aaseters in gevaar komen. Dit zal blijken uit de monitoring van zeevogels en aasetende bodemdieren.
Kunt u nader aangeven welke uitzonderingen er op de aanlandplicht bestaan? Hoever is de Europese Commissie met het vaststellen van de grens op overleven voor het gebruik van bepaalde vistechnieken? Welke vistechnieken komen hiervoor in aanmerking?
Op grond van de basisverordening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (EU 1380/2013) gelden de volgende uitzonderingen op de aanlandplicht:
De discussie over wat een «hoge» overlevingskans is, zal per soort plaatsvinden op regionaal niveau op basis van onderzoeksresultaten. Ook Nederland voert hiernaar op dit moment onderzoek uit.
In de gezamenlijke aanbevelingen voor een discardplan voor 2016 zijn in de verschillende regio’s enkele uitzonderingen in verband met een hoge overleving aangevraagd voor Noorse kreeft in de visserij met manden (fuiken) en voor Noorse kreeft in trawlvisserij met bepaalde scheidingspanelen in het net.
In de regionale groepen zijn de werkzaamheden voor gezamenlijke aanbevelingen voor discardplannen voor 2017 en 2018 in september weer begonnen.
Kunt u aangeven hoe de conclusies van dit onderzoek mee kunnen worden genomen bij de verdere implementatie van de aanlandplicht en de mogelijke uitzonderingen?
Zie antwoord vraag 4.
Gasdeals van Gasunie en Shell met Russisch staatsbedrijf Gazprom, alsmede over de politieke onafhankelijkheid van gasproductie in de Noordzee |
|
Michiel Servaes (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de overeenkomst die het Nederlandse staatsbedrijf Gasunie op 2 juli jl. in Moskou afsloot met het Russische staatsbedrijf Gazprom?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Nederlandse staat, als enige aandeelhouder van Gasunie, een bijzondere verantwoordelijkheid draagt om erop toe te zien dat bedrijfsbeslissingen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het nationale en Europese beleid, zoals het afbouwen van de energieafhankelijkheid van Rusland? Bent u in dit verband bereid om Gasunie aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid op de korte en lange termijn het publieke belang te dienen, zoals verwoord in de missie van Gasunie? Zo nee, waarom niet?
Ja. De Nota deelnemingenbeleid rijksoverheid 20132 beschrijft hoe de staat zijn rol als aandeelhouder wenst in te vullen. De dialoog – formeel en informeel – over hoe de deelnemingen de bevordering van het publieke belang centraal stellen in hun activiteiten is daar een onderdeel van. In het geval van Gasunie betreft dat de publieke belangen van de Nederlandse energievoorziening, te weten een betaalbare, betrouwbare, schone en veilige energievoorziening. Onderdeel van het Nederlandse beleid is om in Europees verband eenzijdige afhankelijkheid van een enkele leverancier of bron te voorkomen. Zie ook het antwoord op vraag 6. Daarnaast geldt natuurlijk dat de activiteiten van Gasunie dienen te passen binnen de bestaande juridische kaders.
Het gaat hier om een intentieverklaring, die zich richt op het bestuderen van mogelijkheden voor het ontwikkelen door Gasunie van infrastructuur voor het gebruik van LNG in schepen en trucks op locaties aan de Oostzeekust. De eventuele uitwerking van deze intentieverklaring in concrete projecten zal worden getoetst aan het publiek belang, de financiële en de risicofactoren. Dit is een gebruikelijk onderdeel van de genoemde dialoog tussen deelneming en aandeelhouder.
Bent u tevens op de hoogte van de overeenkomst die onder andere Shell en BASF-dochter Wintershall op 4 september jl. in Vladivostok met Gazprom sloten, waarbij Gazprom onder meer een meerderheidsaandeel in het aldaar nieuw opgerichte projectbedrijf verwierf?2
Ja. Het betreft hier het sluiten van de aandeelhoudersovereenkomst om de zogenoemde Nord Stream II gaspijpleiding aan te leggen.
Is de Nederlandse regering op enigerlei wijze betrokken geweest bij of geconsulteerd over de deal van Gasunie en/of de overeenkomst van Shell, BASF e.a. met Gazprom? Zo ja, op welke wijze?
De regering is door Shell vooraf mondeling geïnformeerd over de overeenkomst met Gazprom. De Nederlandse overheid treedt niet in overeenkomsten tussen private bedrijven. Gasunie heeft de regering naar aanleiding van het nieuwsbericht op 2 juli 2015 geïnformeerd over de ondertekening van het memorandum met Gazprom.
Wat is uw mening aangaande het strategische belang van de aanleg van de tweede Nord Stream-pijplijn en het belang dat Gazprom in 20 Nederlandse boorplatforms verwierf? Deelt u de opvatting van energie-commissaris Sefcovic die terecht vraagtekens plaatst bij de aanleg van de nieuwe pijplijn, onder meer hoe deze zich verhoudt tot de energie-prioriteiten van de EU en of het doel van het project niet feitelijk is om de gasroute door Oekraïne buitenspel te zetten?3
Met de uitbreiding van de Nord Stream-gaspijpleiding beoogt het bedrijvenconsortium van Gazprom, BASF, E.ON, ENGIE (voorheen GDF-Suez), OMV en Shell in te springen op de afnemende gasproductie in Noordwest-Europa5.
Het kabinet treedt niet in de strategische belangenafweging die de deelnemende bedrijven hierbij gemaakt hebben. Dat geldt ook voor de aangekondigde asset swap tussen Gazprom en BASF/Wintershall waar ook exploratie en productie in de Noordzee deel van uitmaken. Een dergelijke asset swap is niet ongebruikelijk in het zakelijk verkeer. De betreffende activiteiten zullen moeten blijven voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving met betrekking tot mijnbouwactiviteiten.
De uitbreiding van Nord Stream dient uiteraard te voldoen aan de Europese energieregelgeving en het vigerende sanctiebeleid. Het is aan de initiatiefnemers om, waar de regelgeving dit vereist, hiertoe in overleg te treden met de Europese Commissie en de benodigde vergunningaanvragen bij betrokken lidstaten in gang te zetten. Zo zal ook Nederland eventuele aanvragen voor exportvergunningen ten behoeve van de aanleg van de gaspijpleiding toetsen aan het vigerende sanctiebeleid.
De mogelijkheid bestaat dat de uitbreiding van Nord Stream deels een alternatief biedt voor de gasdoorvoer door Oekraïne. Over de toekomst van de transitpositie van Oekraïne bestaat onduidelijkheid. In april 2015 berichtten media dat Gazprom vanaf 2019 geen gas meer zou willen exporteren via Oekraïne. In latere mediaberichten volgden uitspraken van Gazprom dat dit toch bespreekbaar zou zijn. In de tussentijd is ook, met bemiddeling van de Europese Commissie, op 25 september 2015 een nieuwe overeenkomst voor gaslevering tussen Rusland en Oekraïne gesloten, het zogeheten «winter-pakket», voor de periode 1 oktober 2015 tot eind maart 2016. In hoeverre de route door Oekraïne op de lange termijn benut blijft worden voor gastransport naar Europa hangt af van meerdere factoren, zoals de mogelijke ontwikkeling van Turkish Stream, de verwachte rentabiliteit van investeringen in verschillende routes en het feit dat partijen die met Gazprom lange termijn-gascontracten hebben gesloten, en gebruik maken van Oekraïne als transitland, het bedrijf houden aan zijn leveringsverplichtingen en de daarbij overeengekomen afleverlocatie(s).
Wat is het beleid van het kabinet aangaande de positie van Russisch gas in onze energiemix? Is het kabinet nog altijd van mening dat de Europese energieafhankelijkheid van Rusland dient te worden afgebouwd, zoals laatstelijk gesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken in het plenaire debat over het zogenaamde «waterscheidingsmoment» in de relaties met Rusland op 25 juni jl. of bent u van mening dat er juist meer Russisch gas moet worden geïmporteerd, zoals eerder gesteld werd door de Minister van Economische Zaken?
Het kabinet was en is van mening dat eenzijdige afhankelijkheid van de Europese Unie en van individuele lidstaten van een enkele leverancier of bron voorkomen dient te worden6. Daartoe dient ook de inzet van de Europese Unie om te komen tot een Energie Unie. Hiertoe behoort ook het actieplan energiediplomatie, dat in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli jl. is verwelkomd. Bevordering van diversificatie van bronnen, leveranciers en aanvoerroutes van energie is daarbij een van de belangrijkste doelstellingen.
Van de Europese gasconsumptie is ongeveer een kwart afkomstig uit Rusland. De mate waarin EU-lidstaten afhankelijk zijn van Russisch gas voor hun energievoorziening verschilt overigens sterk per lidstaat.7
In de brief van de Minister van Economische Zaken van 2 april 2015 (Kamerstuk 29 023, nr. 184) is aangegeven dat het substantieel verminderen van de Nederlandse productie uit het Groningenveld leidt tot minder aanbod van Nederlands gas, terwijl de behoefte aan gas gelijk blijft. Ook de productie uit de Nederlandse kleine velden daalt en datzelfde geldt voor gasvelden in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Dit betekent dat aanvoer van elders moet komen. Dit gas komt uit Noorwegen, Rusland en in de vorm van LNG uit andere delen van de wereld. Tegelijkertijd is de inzet gericht op verdere energiebesparing en verduurzaming van de energievoorziening. Waar de aanvoer uiteindelijk vandaan komt, is overigens vooral afhankelijk van de keuzes die de marktpartijen maken, mits zij uiteraard aan de daarvoor geldende regelgeving voldoen. Het kabinet onderzoekt op dit moment wat de consequenties zijn van een andere benadering van de gaswinning. Daarbij wordt bestudeerd wat de consequenties zijn van een grotere afhankelijkheid van geïmporteerd gas. Het onderzoek wordt voor het einde van het jaar afgerond en dient als input voor de besluitvorming over de gaswinning in Groningen in 2016 en verder.
Is het waar dat de deal tussen Shell, BASF e.a. en Gazprom vorig jaar nog afketste vanwege «de geopolitieke consequenties van Rusland’s invasie van Oost-Oekraïne en de annexatie van de Krim»?4 Zo ja, wat is er volgens u sindsdien aan deze politieke context veranderd waardoor er nu blijkbaar weer sprake kan zijn van business as usual?
Het kabinet is niet bekend met de details van een mogelijk afgeketste deal tussen Shell, BASF e.a. en Gazprom. Voor het kabinet is er in de relatie met Rusland geen sprake van business as usual. Zo zijn de werkzaamheden van de Nederlandse overheid verschoven van actieve handelsbevordering naar het begeleiden van economische samenwerking. Ook gelden er sanctiemaatregelen, die vergunningen verplicht stellen en bepaalde projecten niet meer mogelijk maken.
Kunt u aangeven op welke wijze de genoemde gasdeals zich, in letter en geest, verhouden tot de Europese sancties tegen Rusland als gevolg van de illegale Russische annexatie van de Krim en de Russische steun voor rebellen in Oost-Oekraïne? Welke rol speelt het hierbij dat een dochterbedrijf van Gazprom, Gazprom Neft, op de EU-sanctielijst is opgenomen?
Naar aanleiding van de schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door de Russische Federatie heeft de EU in 2014 een serie beperkende maatregelen getroffen. Onderdeel hiervan is het instellen van een vergunningplicht op verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van bepaalde gevoelige goederen of technologieën voor de olie-industrie en een verbod wanneer deze goederen of technologieën bestemd zijn voor de diepzee-exploratie en -productie van olie, de exploratie en productie van olie in het Arctisch gebied of schalieolieprojecten. Het leveren van goederen of technologie bestemd voor gaswinning en -exploratie is niet verboden, in een aantal gevallen wel vergunningplichtig.
Daarnaast legt de sanctieverordening Rusland beperkingen op voor de toegang tot de Europese kapitaalmarkt voor bepaalde (financiële) instellingen. Deze zogenoemde kapitaalmarktrestricties zijn van toepassing ten aanzien van onder meer een dochterbedrijf van Gazprom, GazpromNeft. Deze restricties zijn te onderscheiden van bevriezingsmaatregelen. Waar bevriezingsmaatregelen kort gezegd strekken tot economisch isolement, zijn kapitaalmarktrestricties beperkt tot een verbod op het ter beschikking stellen van kapitaal. Zo is handel en betalingsverkeer met GazpromNeft nog altijd toegestaan. Wel moeten handelspartners zich rekenschap geven van de kapitaalmarktrestricties en zo nodig maatregelen treffen om te voorkomen dat (indirect) kapitaal ter beschikking wordt gesteld aan dit bedrijf. Bij een eventuele vergunning voor (financiering of financiële bijstand voor) de bedoelde goederen of technologieën zal dit als voorwaarde worden gesteld.
Op voorhand kan geen uitsluitsel geboden worden of de bedoelde gasdeals elementen in zich dragen die raken aan het vigerende Europese sanctiebeleid. De betrokken bedrijven zullen voor deze toetsing de relevante procedures in gang moeten zetten.
Hoe wenselijk acht u – los van de toelaatbaarheid van de deals onder de EU-sancties – genoemde overeenkomsten die de positie van het Russische Gazprom op de Europese markt alleen maar versterken? Hoe verhoudt deze visie zich tot de mening van de EU-Commissie dat de EU juist een meer gediversifieerde energiehuishouding moet nastreven?5
Wanneer Gazprom opereert op de Europese markt, zal het bedrijf – of het consortium waar het voor bepaalde projecten deel van uitmaakt – zich met zijn activiteiten moeten houden aan de Europese en nationale regelgeving. Die regelgeving bestaat onder meer uit energiemarktregelgeving, mededingingsregelgeving die toeziet op eerlijke concurrentie, milieu en veiligheidsregelgeving en het sanctiebeleid. Deze visie is niet in tegenspraak met de opvatting om in EU-verband een meer gediversifieerde energiehuishouding na te streven.
Deelt u de mening dat Nederland, mede in het licht van de onder vraag 9 genoemde diversificatie, zich moet richten op onafhankelijkheid van Rusland en op de productie van duurzame energie in plaats van op Russisch gas?
Het kabinet richt zich op een verdere verduurzaming van de energievoorziening in Nederland en binnen de Europese Unie. Tegelijkertijd zal gas, ook als transitiebrandstof, voorlopig nog een belangrijk aandeel hebben in de Nederlandse en Europese energiemix. Van de totale Nederlandse gasvoorziening wordt 5,1% ingevuld met gas uit Rusland (2013)10. Er is dus voor Nederland geen sprake van afhankelijkheid van Russisch gas. Nederland voert daarbij een diversificatiebeleid, waarbij ons land – door een goede marktwerking en een naar buiten gerichte energie-infrastructuur – niet afhankelijk is van één aanvoerroute. Zoals bij het antwoord op vraag 6 aangegeven zet Nederland zich in Europees verband in op het voorkomen van een al te grote importafhankelijkheid van een enkele energieleverancier.
Bent u bereid om net als de Britse regering de gasdeals met Gazprom te onderzoeken op hun impact op de Nederlandse en Europese energieafhankelijkheid van Rusland?6 Zo ja, kunt de Tweede Kamer hierover nog voor de behandeling van de begrotingen van de ministeries van Economische Zaken en van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2016 informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht dit niet nodig. Wel dient voldaan te worden aan de geldende regelgeving. De betreffende deals hebben geen impact op de Nederlandse energieafhankelijkheid. Met de uitbreiding van Nord Stream wordt de aanvoercapaciteit naar Europa weliswaar verhoogd, maar de bron van het betreffende gas blijft voor zover bekend dezelfde. Wat betreft het aandeel van Gazprom in de activiteiten van Wintershall in het Nederlandse deel van de Noordzee geldt dat de houders van opsporings- en winningsvergunningen zich dienen te houden aan de hieraan verbonden verplichtingen12, evenals aan de contractuele leveringsverplichtingen die zij zijn aangegaan of hebben overgenomen. Voor de goede orde zij vermeld dat ook aan Britse zijde, bij het opnieuw bezien van de vergunning als gevolg van de asset swap tussen Gazprom en BASF/Wintershall in het Britse deel van de Noordzee, geen toetsing plaatsvindt op de impact op de energieafhankelijkheid.
Het artikel 'Brede cao biedt zekerheid voor alle werkenden” |
|
Erik Ziengs (VVD), Johannes Sibinga Mulder |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Brede cao biedt zekerheid voor alle werkenden»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de FNV voorstelt om minimumtarieven voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bij collectieve arbeidsovereenkomst (cao) op te nemen?
Cao-bepalingen die zien op zelfstandigen zonder personeel die kwalificeren als ondernemer in de zin van het mededingingsrecht en die afspraken bevatten over tarieven voor deze zelfstandigen zullen hoogstwaarschijnlijk onder het kartelverbod uit de Mededingingswet vallen. Indien sprake is van een kartelafspraak dan is de desbetreffende bepaling in de cao nietig en kan de ACM een boete opleggen aan partijen die de mededingingsbeperkende afspraak hebben gemaakt. De ACM houdt toezicht op de naleving van de Mededingingswet en oordeelt in dat kader of een zelfstandige een ondernemer is in de zin van het mededingingsrecht. In algemene zin zullen zelfstandigen zonder personeel in het overgrote deel van de gevallen ondernemers zijn in de zin van het mededingingsrecht. Dan is de Mededingingswet onverkort van toepassing. Dit geldt dan ook wanneer voor die ondernemers afspraken in cao’s worden gemaakt.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat over de hoofden van zzp’ers heen dergelijke afspraken gemaakt worden?
Op grond van de Wet op de cao is het mogelijk dat sociale partners cao-afspraken maken die betrekking hebben op overeenkomsten van opdracht en op aannemingen van werk. Het is mogelijk dat daarbij verplichtingen worden opgelegd aan werkgevers om zaken te doen of na te laten die betrekking hebben op zzp’ers die arbeid voor hen verrichten. Voor dergelijke afspraken is het juridisch niet nodig dat die afspraken namens de zzp’ers zijn gemaakt en/of dat deze zzp’ers lid zijn van bij de cao betrokken sociale partners. Dit laat onverlet dat voor dergelijke afspraken de kaders van de mededingingswet gelden; zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat er afgelopen zomer door werkgevers en vakbonden in de architectuur branche afspraken zijn gemaakt om bij cao minimum tarieven voor zzp’ers vast te stellen?
Ja.
Zijn de afspraken over minimum tarieven in samenspraak gemaakt met zzp’ers en zzp- organisaties?
Dat is mij niet bekend.
Wat vindt u ervan dat dergelijke cao afspraken gemaakt worden voor mensen die niet onder de cao vallen en die niet betrokken zijn geweest bij de cao-onderhandelingen? Zijn dit soort afspraken wettelijk toegestaan?
Zie antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat minimum tarieven voor zzp’ers in strijd zijn met de mededingingsregels?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het bij het ondernemerschap hoort om zelf over tarieven te onderhandelen?
Ja.
AFM-onderzoek naar de dienstverlening van hypotheekaanbieders bij betalingsproblemen met hypotheken |
|
Henk Nijboer (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Aanbieder hypotheek moet klant met betalingsproblemen beter helpen»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke hypotheekaanbieders nog verbeteringen moeten doorvoeren in hun dienstverlening bij betalingsachterstanden?
De Kamer heeft op 25 september verzocht om een kabinetsreactie op dit rapport van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). In deze kabinetsreactie zal nader worden ingegaan op de onderzoeksresultaten en zal worden toegelicht op welke manier het kabinet en de toezichthouders de banken willen bewegen de noodzakelijk verbeteringen door te voeren. Hieronder ga ik alvast in het kort in op de gestelde vragen.
Naar aanleiding van het stijgend aantal betalingsachterstanden bij hypotheken AFM in 2012, een verkennend onderzoek gedaan bij verschillende hypotheekverstrekkers. Om het klantbelang rond betalingsachterstanden bij hypotheken verder te bevorderen, zijn naar aanleiding van dit onderzoek enkele good practices uit de sector uitgewerkt in een leidraad, die de AFM in 2013 heeft gepubliceerd.
In het recente onderzoek is gekeken in hoeverre aanbieders verbeteringen hebben doorgevoerd sinds 2012. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft bij twaalf hypotheekaanbieders onderzocht hoe zij hun klanten helpen een betalingsachterstand te voorkomen en op welke manier zij klanten met een betalingsachterstand een oplossing bieden. De AFM concludeert dat een meerderheid van de aanbieders nog verbeteringen moet doorvoeren in hun dienstverlening bij betalingsachterstanden, maar ook dat enkele hypotheekaanbieders de risico’s in het kader van preventief beheer goed in beeld hebben en proactief actie ondernemen richting hun klanten. Welke aanbieder in welke categorie valt wordt niet bekend gemaakt omdat dit toezichtvertrouwelijke informatie betreft.
De AFM monitort de voortgang van de verbeteringen bij de individuele aanbieders en bepaalt op basis hiervan wanneer een vervolgonderzoek wordt ingesteld. De AFM kan daarnaast direct ingrijpen bij de aanbieder indien er evidente misstanden worden geconstateerd. Dergelijke misstanden zijn in dit (en het eerdere) onderzoek echter niet aangetroffen,dit betekent echter niet dat er geen ruimte is voor verbetering.
In hoeverre worden de hypotheekaanbieders waarvan de dienstverlening tekortschiet verplicht om verbeteringen in hun dienstverlening door te voeren? Wanneer moeten deze verbeteringen zijn doorgevoerd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt gewaarborgd dat het belang van de klant met een betalingsachterstand nadrukkelijk wordt meegewogen in het zoeken naar oplossingen? Wat betekent dat voor de kosten die hypotheekaanbieders in rekening brengen bij een betalingsachterstand? Hoe wordt voorkomen dat de problemen bij de klant worden vergroot?
Het is belangrijk dat bij het voorkomen en oplossen van betalingsproblemen maatwerk wordt geboden en het belang van de klant hierbij centraal wordt gesteld.
Bij de implementatie van de Europese hypothekenrichtlijn (die uiterlijk op 21 maart 2016 moet zijn geïmplementeerd) worden enkele bepalingen geïntroduceerd die het mogelijk maken om zorgvuldige klantbehandeling bij bijzonder beheer op een aantal aspecten af te dwingen. Zo mag onder andere de vergoeding die de consument aan de kredietgever verschuldigd is wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen, niet hoger zijn dan de schade die de kredietgever als gevolg van de niet-nakoming heeft geleden. Dit zorgt ervoor dat banken enkel de werkelijke kosten in rekening kunnen brengen en de financiële problemen bij de klant niet onnodig worden vergroot.
Binnen welke termijn zal de Autoriteit Financiële Markten (AFM) opnieuw onderzoek uitvoeren naar de dienstverlening?
Gelet op de uitkomsten van het onderzoek heeft de AFM aangegeven opnieuw onderzoek te doen. Zij zal de voortgang van de verbetermaatregelen van de aanbieders monitoren en mede op basis hiervan bepalen wanneer een vervolgonderzoek wordt ingesteld.
Het plotselinge vertrek van de CEO van Vivat na de overname door Anbang |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft De Nederlandsche Bank (DNB) in de verklaring van geen bezwaar van 3 juli 2015 voor de overname van VIVAT door Anbang voorwaarden gesteld? Zo ja, welke?
DNB heeft op grond van artikel 1:89 van de Wet op het financieel toezicht een geheimhoudingsplicht. Informatie over de inhoud van een verklaring van geen bezwaar is toezichtvertrouwelijk en daarmee niet publiek.
Op welke wijze is gegarandeerd dat de volgende zaken plaatsvinden:
Zoals ik in mijn brief van 10 juli 2015 aan uw Kamer heb gemeld, is in de definitieve verkoopovereenkomst tussen SNS REAAL en Anbang overeengekomen dat binnen 90 dagen na de aandelenoverdracht Anbang een kapitaalinjectie in REAAL, thans VIVAT, zal doen van EUR 1,35 miljard. Daarnaast is terugbetaling overeengekomen van de interne leningen van SNS Bank en SNS REAAL die aan de verzekeringsgroep REAAL zijn verstrekt ter waarde van EUR 552 miljoen plus rente. De lening van SNS Bank aan de verzekeringsgroep VIVAT moet voor het einde van het jaar zijn afgelost, de leningen van SNS REAAL aan de verzekeringsgroep VIVAT moeten binnen 180 dagen worden afgelost.
Ik heb geen enkele aanleiding te veronderstellen dat Anbang zijn verplichtingen onder genoemde koopovereenkomst niet zal nakomen.
Wat zijn de gevolgen indien Anbang deze zaken niet of niet op tijd doet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft Anbang tijdig de 85 miljoen euro aan openstaande belastingvorderingen betaald?
Ja. SNS REAAL heeft mij laten weten dat Anbang binnen de daarvoor afgesproken termijn de betaling van 85 miljoen euro voor de belastingvorderingen heeft voldaan.
Is er een verplichting vanuit Anbang om eventuele tekorten bij VIVAT aan te vullen? Zo ja, welke?
Het Nederlandse vennootschapsrecht noch de Wet op het financieel toezicht kent een generieke verplichting voor aandeelhouders om eventuele tekorten bij de onderneming waarvan zij (groot)aandeelhouder zijn aan te vullen. In generieke zin geldt dat in het toezicht een toezichthouder wel, bijvoorbeeld in een verklaring van geen bezwaar, voorschriften kan opnemen over dergelijke verplichtingen. Individuele afspraken van de toezichthouder met instellingen zijn echter toezichtvertrouwelijk en niet publiek. Zouden dergelijke afspraken in dit geval zijn gemaakt, kan ik daar geen uitspraken over doen.
Welke van de huidige bestuurders van VIVAT zijn door DNB goedgekeurd en wanneer is dat gebeurd?
DNB heeft op grond van artikel 1:89 van de Wet op het financieel toezicht een geheimhoudingsplicht. Informatie over de toetsing van bestuurders van een financiële onderneming is toezichtvertrouwelijk en daarmee niet publiek.
Wel kan in algemene zin worden opgemerkt dat op grond van de Wet op het financieel toezicht eisen worden gesteld aan (de samenstelling van) het bestuur. De geschiktheid en betrouwbaarheid van de beoogd bestuurders is ook een van de wettelijke criteria op basis waarvan DNB een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar beoordeelt. Het gaat dan zowel om de geschiktheid en betrouwbaarheid van de individuele leden van het bestuur als om de samenstelling van het bestuur als collectief. DNB heeft op 3 juli jl. de benodigde verklaringen van geen bezwaar voor overname van de aandelen VIVAT door Anbang verleend.
Herinnert u zich dat u schreef «De overstap van beide heren (Gerard van Olphen en Jan Nooitgedagt) is vooraf afgestemd en besproken met de Raad van Commissarissen, met DNB, met de aandeelhouder NLFI en met mij. Allen onderschrijven dat hun overstap van belang is voor de continuïteit van de verzekeringsgroep VIVAT»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het plotselinge vertrek van de heer Van Olphen nu in het licht van de uitspraak op 26 juli 2015?
In algemene zin beschouw ik het als positief wanneer een financiële onderneming wordt overgenomen of afgesplitst, de onderneming daarna mede wordt geleid door personen met kennis van en ervaring in die onderneming. Dit acht ik, zoals ik in de geciteerde passage ook heb opgemerkt, in het belang van de continuïteit van de onderneming. Om die reden heb ik eerder positief geoordeeld over de overstap van dhr. Van Olphen bij SNS REAAL, waar ik hem had benoemd, naar VIVAT.
Dat neemt niet weg dat door betrokkenen andere keuzes kunnen worden gemaakt. Dat is in dit geval gebeurd. Ik heb kennisgenomen van het vertrek van dhr. Van Olphen als voorzitter van de Raad van Bestuur van VIVAT. De aandelen in VIVAT zijn op 26 juli jongstleden door SNS REAAL overgedragen aan Anbang. Dat heeft tot gevolg dat ik geen betrokkenheid meer heb bij de interne gang van zaken bij VIVAT. In dat licht past het mij niet daarover een oordeel te vellen. Dit is immers een zaak van de vennootschap, de Raad van Commissarissen en de aandeelhouder.
Heeft de Anbang-groep op enige wijze uw vertrouwen geschonden?
Er is contact geweest tussen ambtenaren van mijn departement en vertegenwoordigers van Anbang / VIVAT. Aangegeven is dat aanpassingen in de governance van VIVAT in het belang van de onderneming geacht wordt en op zoek wordt gegaan naar een nieuwe bestuursvoorzitter, die zoals gebruikelijk door DNB op geschiktheid en betrouwbaarheid zal worden getoetst.
In hoeverre kan een eventueel failliet van VIVAT – gezien het grote aantal Nederlandse polishouders – leiden tot negatieve gevolgen voor het financiële stelsel?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u en/of het NLFI de afgelopen week contact gehad met Anbang/VIVAT? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u de afgelopen weken contact gehad met de toezichthouder(s) van Anbang/VIVAT? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst?
Ik heb regelmatig contact met de Nederlandsche Bank als toezichthouder op de Nederlandse verzekeringssector. Indien in die gesprekken informatie over individuele financiële instellingen, zoals VIVAT aan de orde komt is die informatie toezichtvertrouwelijk en daarmee niet publiek.
Kunt u deze vragen ten minste één dag vóór het Algemeen overleg «Toekomst van de verzekeringssector» beantwoorden (gepland op 24 september 2015)?
Ja.
Het rapport van de Europese Rekenkamer over aanhoudende problemen bij EU-aanbesteden |
|
Bas van 't Wout (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het speciale rapport nr. 10/2015 van de Europese Rekenkamer over «Efforts to address problems with public procurement in EU cohesion expenditure should be intensified»? Wat vindt u van de uitkomsten van dit rapport?1
Onderhavig special report is niet het eerste rapport waarmee de Europese Rekenkamer (ERK) in beeld brengt dat er tekortkomingen zijn in de naleving van Europese aanbestedingsregels bij de besteding van EU-fondsen. Bij de jaarlijkse «Déclaration d’Assurance» (jaarverslag) vermeldt de ERK steevast welk aandeel in het algemene foutenpercentage is toe te rekenen aan fouten bij openbare aanbestedingen in lidstaten. Voor onderhavig special report bouwt de ERK voort op data die tussen 2009 en 2013 voor dit jaarverslag zijn verzameld. Bij circa 40% van de gecontroleerde projecten trof de ERK aanbestedingsfouten aan. Uiteraard is dit voor het kabinet zorgelijk. Het verbeteren van de hoge foutenpercentages bij EU-fondsen is al jarenlang een speerpunt van Nederland, dat bijvoorbeeld tot uiting komt tijdens de jaarlijkse dechargeprocedure van de EU-begroting. Naleving en handhaving van de aanbestedingsregels is van belang om ervoor te zorgen dat publieke middelden op de best mogelijke manier worden ingezet. Zowel de Europese Commissie als diverse lidstaten hebben actie ondernomen om de situatie te verbeteren. Zolang dit zich echter niet vertaalt in lagere foutenpercentages en in een lager aantal fouten zal Nederland blijven aandringen op nadere verbetermaatregelen.
Bent u er ook van geschrokken dat de Europese Rekenkamer in 40% van de gecontroleerde projecten fouten heeft ontdekt bij het Europees aanbesteden? Klopt het dat er in de periode 2007–2013 fouten gemaakt zijn bij de aanbesteding van maar liefst € 70 miljard aan Europese cohesiefondsen? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de aanbeveling van de Europese Rekenkamer dat als de situatie eind volgend jaar nog niet is verbeterd, de betalingen aan de betrokken lidstaten voor de periode 2014–2020 moeten worden opgeschort? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt genoemde aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en is van mening dat de Europese Commissie bij besteding van EU fondsen op strikte en uniforme wijze moet toezien op naleving door autoriteiten in lidstaten om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. Op die manier wordt economische ontwikkeling gestimuleerd. Zowel het tijdelijk opschorten van betalingen, het opleggen van financiële correcties als het starten van inbreukprocedures staan ter beschikking van de Europese Commissie, zoals voorgeschreven in de relevante EU-wetgeving. Het kabinet is van mening dat de Europese Commissie de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in dit rapport sterk ter harte moet nemen.
In hoeverre bent u van mening dat de Europese Commissie eerder gebruik moet maken van de inbreukprocedures met betrekking tot niet-naleving van de Europese aanbestedingsregels?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie financiële correcties dient op te leggen, indien lidstaten falen in het effectief Europees aanbesteden met als gevolg daarvan fouten bij de besteding van Europese lidstaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat het kabinet doen aan de wet- en regelgeving die vaak te complex is en mede daardoor fouten veroorzaakt in de besteding van Europese middelen, met name als het gaat om de aanbestedingsregels? Hoe kunnen deze aanbestedingsregels worden vereenvoudigd? Op welke wijze maakt dit onderdeel uit van het programma «better regulation»?
In maart 2014 zijn drie nieuwe EU-Richtlijnen op het gebied van aanbesteden gepubliceerd. Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen met succes sterk gemaakt voor verduidelijking van deze regelgeving (Kamerstuk 22 112, nr. 1345). De deadline voor implementatie van deze Richtlijnen is 18 april 2016. De verwachting is dat het implementatiewetsvoorstel in oktober aan uw Kamer wordt gestuurd. In Nederland kunnen aanbestedende diensten daarnaast terecht bij Expertisecentrum aanbesteden, PIANOo, voor de uitleg van de aanbestedingsregelgeving. Juist voor de kleinere aanbestedende diensten kan PIANOo een belangrijke informatiebron zijn voor de toepassing van de regels.
De Commissie heeft onder de naam «better regulation» een beleidsagenda geformuleerd met onder andere als doel heldere en uitvoerbare EU wet- en regelgeving te ontwikkelen. Deze agenda moet er toe leiden dat onnodige regeldruk wordt vermeden en de beoogde doelen van EU-regelgeving zo goed mogelijk worden gehaald. Onderdeel van dit beleid is het Regulatory Fitness and Performance Programme (REFIT) dat met name gericht is op het evalueren en waar nodig aanpassen of intrekken van EU-regelgeving die onnodige regeldruk of problemen in de uitvoering met zich meebrengt. In het kader van REFIT kijkt de Commissie naar de implementatie van wet- en regelgeving op het gebied van aanbesteden. De Commissie heeft in haar meest recente mededeling over betere regelgeving (COM(2015)215) aangegeven in te zetten op simplificatie van de regelgeving van Europese fondsen.
Bij EU-subsidies in Nederland worden verschillende aanbestedingsplafonds gehanteerd voor aanbestedingen, die lager liggen dan de Europese regels, ofwel een kop op EU-regels; wat is de stand van zaken met betrekking tot de toezegging van het kabinet om na te gaan of kan worden vastgelegd dat aanvullende aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op EFRO- en ESF-projecten? Hoe wegen de ministers de voordelen van het gebruik van additionele lokale of regionale regels af tegen de administratieve lasten en de controlelasten?2
Momenteel wordt de mogelijkheid nog verkend om vast te leggen dat aanvullende regionale en lokale aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op EFRO en ESF-projecten. Daarbij worden de te behalen voordelen van het gebruik van additionele lokale of regionale regels afgewogen tegen de administratieve- en controlelasten. Zodra hierover nadere duidelijkheid bestaat, zal ik uw Kamer berichten. Overigens wordt Nederland in positieve zin genoemd in onderhavig rapport van de Europese Rekenkamer. Slechts een handvol landen waren in staat om gestructureerde data te verstrekken over aanbestedingsfouten die zij in recente jaren hadden gedetecteerd, te weten Italië, Nederland, België, Letland, Litouwen en Spanje.